Bouma, H. (1988) HIV

|51|

IV De geestelijke bevestiging van Gods verbondsvolk

 

1. De kerk en haar fundament bedreigd

De gemeente van de levende God is pijler en fundament van de waarheid (1 Tim. 3: 15). Zij is geroepen die waarheid, de goede, gezonde leer (1 Tim. 4: 6), het evangelie van Christus hoog te houden en bekend te maken.
Zij krijgt, als draagster van de waarheid, een bijzonder verantwoordelijke positie in de wereld: via de getrouwe kerk komt God met zijn evangelie tot de wereld.
Met het oog hierop houdt de apostel Paulus Timoteus voor, de gezonde leer van de Here Christus, die hem ter bewaring is toevertrouwd, met zorg te bewaren. Hij moet zich afzijdig houden van wat zich ten onrechte als kennis mocht aandienen, omdat dat geen echt evangelie is (1 Tim. 6: 20).
In de loop van de kerkgeschiedenis treden steeds vaker weer predikers op met een evangelie, dat geen evangelie is. Reeds Paulus krijgt te maken met schijn-apostelen, bedriegelijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus (2 Kor. 11: 13). Bij herhaling waarschuwt hij dat ook in het verdere verloop van de kerkgeschiedenis niet alleen van buiten af grimmige wolven in de kerk zullen binnendringen om de kudde van Christus te verwoesten, maar dat zelfs uit de eigen kerkelijke gemeenschap mannen zullen opstaan, die waarheid en leugen vermengen. Daartegen moet de kerk waakzaam zijn (Hand. 20: 29-31. Tot in zijn laatste brief aan Timoteus herhaalt hij deze waarschuwing. In de laatste dagen zullen mensen opstaan, die zich wel voordoen als christen, maar de kracht van de ware godsvrucht hebben verloochend en de waarheid zelf tegenstaan, terwijl hun geloof de toets niet kan doorstaan. De kerk moet zulke dwaalgeesten op een afstand houden (2 Tim. 3: 5 en 8), zich met afschuw van hen afwenden.
Het is ontstellend triest, dat zulke dwaalleraars desondanks telkens weer ingang vinden in de kerken. Zo lieten in Paulus’ dagen de Galatiërs zich inpalmen door ‘een ander evangelie’, een evangelie dat naar zijn aard heel anders is dan het evangelie van Christus (Gal. 1: 6-9). De brengers van dit ‘andere evangelie’ dachten mogelijk, dat zij het evangelie van Christus zuiver verkondigden. Maar in werkelijkheid was hun boodschap echt niet evangelie, boodschap van de verlossing.

|52|

Later herhaalt zich iets dergelijks. Dan verdraagt men de gezonde leer niet meer, omdat men z’n oor wil laten strelen door wat met de eigen begeerten strookt. Steeds weer gaan de mensen te kust en te keur op zoek naar leraars, die aan hun subjectieve gedachten voldoen. Van de ene leraar lopen ze naar de ander, vatbaar als ze zijn voor ieder die hun naar de zin preekt. Want alleen dat willen zij aanvaarden. Zij willen zich wel christen blijven noemen. Maar toch wenden zij zich van de waarheid af en keren zich tot allerlei mythen, beschouwingen die hen in het ongeluk storten (2 Tim. 4: 3-4).
Tegen deze achtergrond moeten we een van de laatste geïnspireerde woorden van de Heilige Schrift verstaan, waar wij worden vermaand tot het uiterste te strijden voor het geloofsbezit dat eens en voor goed aan de heiligen is overgeleverd (Jud. vers 3).
Behalve tegen het binnendringen van zulk een ‘ander evangelie’ moet de kerk er ook voor waken, dat aan geen profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg wordt gegeven. Dan bedenkt men uit eigen hart een uitleg van Gods Woord, in plaats dat men er voortdurend rekening mee houdt, dat de Schrift dit niet toestaat: het hoort niet bij de Schrift, die immers niet is geboren in het hart van een mens, maar het Woord is van de Heilige Geest (2 Petr. 1: 20v.). De enig goede uitleg is die, waardoor de bedoeling van de Heilige Geest wordt duidelijk gemaakt.
De kerkelijke profetie, dat wil zeggen de kerkelijke prediking, moet plaats vinden naar gelang van ons geloof (Rom. 12: 7), in overeenstemming met de inhoud van wat de kerk heeft leren geloven, de Heilige Schrift. De Schrift is haar eigen uitlegster. Daar zal de kerk steeds weer mee hebben te rekenen. Zij mag geen ‘eigenbedachte uitleg’ toestaan. Daarom is het haar roeping, de wacht te betrekken bij haar kansels.

 

2. Trouw aan het fundament bij de ambtsdragers vereist

Na de kerkhervorming van de zestiende eeuw steken opnieuw dwalingen de kop op in ons vaderland. De synode van Dordrecht 1618/19 krijgt daar mee van doen. Zij heeft toen “... geordineert dat alle bedienaers des Woorts, tot een teecken van eenicheyt inde rechtgevoelende leere moeten onderteeckenen de Confessie ende Cathechismo deser kercken midtsgaders de Canones ofte verclaringhe (bedoeld zijn de ‘Vijf Artikelen tegen de Remonstranten’) deses Synodi” .... Ende om te voorcomen in dese onderteeckeninghe de verkeerde uytvluchten van sommighen, zoo zal voor de selve onderteeckeninghe

|53|

ghestelt werden dit formulier, het welcke is voorgelesen ende geapprobeert” (Post-Acta, sessie 164).
Het toen vastgestelde formulier is, in moderne taal herschreven, nog van kracht. Alle predikanten moeten het bij de aanvaarding van het ambt (voor het eerst of bij vernieuwing) ondertekenen.
Met hun ondertekening van dit formulier verklaren zij eerst ronduit en zonder enig voorbehoud, als met een eed voor Gods oog, dat zij er hartelijk van zijn overtuigd, dat de leer van de drie formulieren van eenheid van de gereformeerde kerken in ons land in alle delen helemaal met Gods Woord overeenstemt. Dit is niet maar een theoretische stelling, die zij uiten, het is de overtuiging van hun hart.
In de tweede plaats leggen de predikanten in dit formulier een belofte af. Zij beloven, dat ze deze leer toegewijd zullen onderwijzen en trouw verdedigen. Als anderen een ander evangelie zouden brengen, dan beloven onze predikanten in de bres te springen om de gezonde leer te verdedigen, opdat Gods kinderen niet door dwaalleer in verwarring worden gebracht en verstrooid raken.
Zelf zullen zij nooit iets leren of publiceren wat in strijd is met de gezonde leer. Ze zullen dit niet openlijk doen, bij voorbeeld in de samenkomsten van de gemeente of in boek of blad. Evenmin zullen ze dit op een andere manier doen, in een vriendenkring of huiselijk gezelschap, niet rechtstreeks, maar evenmin in bedekte termen.
In de derde plaats beloven zij, dat ze elke dwaling, die in strijd is met de leer van de drie formulieren van eenheid, zullen afwijzen. Dwaling is besmettelijk. Zij kleeft makkelijk aan elk van ons vast. Daarom beloven zij, naar apostolisch vermaan (1 Tim. 6: 20), zich buiten bereik van die besmetting te zullen houden om zich er niet door te laten infecteren. Sterker nog: zij beloven die dwaling te zullen weerleggen, bestrijden en helpen weren. Ze zullen dus geen enkele dwaling stilzwijgend tolereren, maar er met alle kracht tegenin gaan, om zo de dwalende broeder terecht te brengen. Daarvoor willen zij zich alle moeite getroosten. Opdat de kerk vrij blijft van de geringste afwijking van het evangelie van de Here.
Deze belofte is op het erf van de kerk niet vreemd. Al Gods kinderen belijden gelovig: uit de grond van ons hart verwerpen wij alles wat niet overeenkomt met de onfeilbare regel van Gods Woord (NGB, 7).

 

3. Trouw aan het fundament gewaarborgd

Alle mensen zijn veranderlijk, ook de ambtsdragers. Daarom kan het gebeuren dat een predikant, die bij de aanvaarding van zijn ambt eerlijk

|54|

heeft verklaard, dat hij er van harte van overtuigd is, dat de leer van de drie formulieren van eenheid voluit schriftuurlijk is, daar later van terug komt. Hij kan, zo stelt het ondertekeningsformulier vast, bedenking tegen deze leer krijgen. ‘Bedenking’ betekent, dat er vragen in zijn hart rijzen op een bepaald punt, vragen die zijn aanvankelijk zo rotsvaste overtuiging een beetje aan het wankelen brengen. Hij is wel niet van overtuiging veranderd, maar hij plaatst bij een of ander punt van de leer een vraagteken. Hij is in z’n vaste overtuiging geschokt.
Ook is het mogelijk, dat hij op een of ander punt niet maar met vragen worstelt, maar dat hij daaromtrent tot een heel andere, even vaste overtuiging is gekomen; een overtuiging die afwijkt van die van de kerken, uitgedrukt in haar belijdenis.
Welnu, mocht er ooit twijfel in het hart van een predikant opkomen, of mocht hij zelfs van andere overtuiging zijn geworden dan tevoren, dan belooft hij bij voorbaat, dat hij daar noch publiek, noch in besloten kring ruchtbaarheid aan zal geven. Hij zal zich met z’n twijfel of afwijkende mening tot de kerkelijke vergaderingen wenden, opdat die onderzoek doen naar het punt in geding. In die vergaderingen zullen de kerken zich dan uitspreken over het gevoelen van de betrokken predikant. Want het is niet de predikant, die uitmaakt wat de kerk leert. Daar oordeelt de kerk zelf, als pilaar en fundament van de waarheid, over.
Daarom beloven de predikanten, dat zij zich aan het oordeel van de betrokken kerkelijke vergaderingen zullen onderwerpen. Weigeren zij dit, dan zullen zij terstond worden geschorst door hun kerkeraad, overeenkomstig de daarvoor geldende kerkordelijke bepalingen (KO, 79). Want de kerken mogen geen leringen op de kansel dulden, die naar haar vaste overtuiging afwijken van de leer van de Schrift.
Er kan zich evenwel nog een andere situatie voordoen. Terwijl de predikant voor zichzelf overtuigd is, dat hij geheel volgens de leer van de Schrift preekt en spreekt, zijn de kerkelijke vergaderingen van mening, dat zij gegronde redenen hebben om op een of ander punt van de leer een nadere verklaring van de predikant te eisen, opdat de eenheid en de zuiverheid in de leer niet wordt geschonden. In dat geval belooft de predikant bij voorbaat, daar zijn volle medewerking aan te zullen geven. Dit betekent niet, dat hij al bij voorbaat verdacht is verklaard. Het betekent wel, dat de kerken de wacht betrekken bij de kansel. Al kunnen de kerken op dit of dat punt in de gewone leden van de kerk enige afwijking tolereren, zij kunnen dit niet in de

|55|

predikanten of in de andere ambtsdragers.
Zou een predikant, ondanks zijn eerder afgelegde belofte, weigeren mee te werken bij dit geven van een nadere verklaring, dan wordt hij om die reden door zijn kerkeraad geschorst overeenkomstig de daarvoor geldende kerkordelijke regels (KO, 79).
Uiteraard behoudt elke predikant recht op beroep op een meerdere vergadering. Maar de kerken maken zozeer ernst met haar roeping, de kansels te vrijwaren voor elke dwaalleer, dat de appellerende predikant zich gedurende de tijd appèl behoort te gedragen naar de uitspraak waartegen hij in beroep is gegaan. Zou de predikant zijn gevoelen, dat afwijkt van dat van de kerken, uitgesproken in haar (meeste) vergaderingen, niettegenstaande de kerkelijke uitspraak, blijven voordragen, dan wacht hem algehele afzetting (KO, 53).
Behalve de predikanten ondertekenen ook de docenten aan de Theologische Universiteit en de ouderlingen en diakenen formulieren van gelijke strekking als dat van de predikanten (KO, 53 en 54). De handhaving van de zuivere leer van de waarheid is de kerken heilige ernst.

 

4. Leven op het fundament

De HERE wil zijn volk zegenen met het hoogste geluk, als het maar naar Gods geopenbaarde Woord luistert en zich bij dag en nacht, dus altijd door daarnaar gedraagt in zijn dagelijkse levenspraktijk. Daarom waarschuwt Hij zijn oude volk met klem tegen het overnemen van de levenspraktijk van de mensen te midden waarvan het woont (Deut. 6: 12-15; 7: 1-4; enz., enz.). Dat zou de ondergang van de kerk betekenen.
Evenzo blijft de Here zijn nieuwtestamentische kerk nog steeds waarschuwen tegen wereldgelijkvormigheid (Rom. 12: 1, enz.). Deze waarschuwing geeft Hij aan zijn kerk door de dienst van de predikanten en ouderlingen. Zij moeten in de prediking, bij het catechetisch onderwijs en bij de huisbezoeken onophoudelijk met heilige ernst en persoonlijke betrokkenheid ieder afzonderlijk terecht wijzen (Hand. 20: 31) door onderricht, weerlegging, waarschuwing en vermaan. In hun onderricht moeten zij de ogen openen voor dwaling en ketterij; in hun weerlegging moeten zij daartegenover stellen, wat de Here ons leert; zij moeten waarschuwen tegen het meegaan met die afwijking; en indien het toch tot zulk afwijken mocht komen bij deze of gene, dan moet vermaan volgen. Zo horen zij zich in te spannen tot het afweren van valse leer en dwaling, die via lektuur en andere

|56|

communicatiemiddelen het leven van de gemeente bedreigen (KO, 55).

 

5. Bevestiging op het fundament

De Here Christus heeft de sacramenten ingesteld als tekenen van het verbond dat God heeft met zijn volk. De doop is het teken dat wij in de kerk van God worden opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem, van wij wij het merk en het veldteken dragen (NGB, 34). Omdat de kleine kinderen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en kerk horen, en omdat God zijn heil in Christus ook aan de kinderen belooft, moeten zij door de doop bij de kerk worden ingelijfd (HC, 74). Dit teken van het verbond moet zo spoedig mogelijk in de openbare eredienst aan hen worden bediend (KO, 56).
Bij de doop beloven de ouders, hun kinderen bij het opgroeien in de leer van de Schrift naar vermogen te onderwijzen en te laten onderwijzen. De kerkeraden moeten erop toezien dat de ouders deze belofte nakomen, opdat de opgroeiende jeugd bij het verbond van God, op het enige fundament voor het leven, bewaard zal blijven. Het school-onderwijs aan de kinderen van de kerk behoort in overeenstemming te zijn met de leer van de kerk (KO, 57).
Komt een ongedoopte op latere leeftijd tot geloof, dan mag hij of zij, na het afleggen van geloofsbelijdenis en van de belofte om trouw het avondmaal van de Here te vieren, eveneens de doop ontvangen als zegel van de inlijving in de kerk van God (KO, 58). Immers, de Here Christus zelfheeft zijn apostelen bevolen, alle volken tot zijn discipelen te maken en hen vervolgens te dopen. Hij heeft daar de belofte aan verbonden, dat wie gelooft en zich laat dopen, behouden zal worden (Matt. 28: 19; Mark. 16: 16).
Bij de bediening van de doop van kleine kinderen en van volwassenen moeten de daarvoor vastgestelde formulieren worden gebruikt, tot bewaring van de eenheid in de leer van de waarheid (KO, 59).
Het avondmaal zal tenminste eens in de drie maanden worden gevierd in de openbare eredienst onder toezicht van de ouderlingen (KO, 61). De kerkeraad mag alleen belijdende leden toelaten aan het avondmaal; zij moeten onverkort in het bezit zijn van de rechten van het lidmaatschap (KO, 60), opdat het verbond van God niet wordt ontheiligd. Anders zou zijn toorn over de hele gemeente worden opgewekt. Ook bij de viering van het avondmaal mogen uitsluitend de kerkelijk vastgestelde formulieren worden gebruikt, tot bewaring van de eenheid in de leer (KO, 61).

|57|

Opdat geen misverstand kan ontstaan bij de vraag, of iemand is gedoopt, aan het avondmaal is toegelaten, wettig is getrouwd, moeten de kerkeraden dit alles bijhouden in kerkelijke registers (KO, 62). Vertrekt iemand naar elders, dan kunnen die gegevens naar behoren worden vermeld in een aanbevelingsbrief (attestatie), die de kerkeraad aan ieder belijdend lid op diens verzoek bij vertrek naar elders meegeeft. In zijn nieuwe woonplaats behoort de betrokken broeder of zuster zich daar bij de kerk te vervoegen, met verzoek hem of haar te aanvaarden. Men wordt namelijk niet lid van de kerk in die nieuwe woonplaats door overschrijving van een lidmaatschapskaart van de ene naar de andere kerk. Elke gelovige behoort zichzelf bij de kerk te voegen, ook als hij naar elders is vertrokken. Bij zijn presentatie aan de kerk in de nieuwe woonplaats maakt hij of zij dan gebruik van de verstrekte aanbevelingsbrief van de kerk van herkomst. Daarmee kan hij of zij zich legitimeren als gezond in de leer en onbesproken in de levenswandel. Zulk een attest behoudt zijn geldigheid niet onbeperkt: het is een 'momentopname' van de situatie tijdens het vertrek naar elders. Vandaar dat een attest ook aanstonds na aankomst moet worden overgelegd (KO, 63).
De kerkeraden moeten er hun bijzondere aandacht aan geven, dat een lid, dat vertrok omdat het elders verzorging nodig heeft, niet in financiële moeilijkheden zal geraken (KO, 64).

 

6. De viering van de verbondsgemeenschap in de erediensten

Op bijzondere wijze wordt de verbondsgemeenschap met de Here beleefd in de openbare erediensten. Hiertoe kwam de eerste christelijke gemeente reeds aanstonds na de uitstorting van de Heilige Geest bijeen (Hand. 2: 44). Die eerste samenkomsten hebben misschien een ander karakter gedragen dan die van onze tijd. Allengs hielden de kerken zulke samenkomsten op de zondag (Hand. 20: 7-11), kennelijk een dag die men bijzonder voor de dienst aan de Here bestemde (1 Kor. 16: 2). Die dag kreeg de naam: ‘dag van de Here’ (Openb. 1: 10), als dag voor de viering van de door de Here Christus herstelde verbondsgemeenschap.
In overeenstemming hiermee roept de kerkeraad de gemeente tweemaal per zondag samen, om dat heugelijke feit in de gemeenschap der heiligen te vieren.
Nu moet, telkens als de gemeente samenkomt, alles tot echte gemeente-opbouw gebeuren (1 Kor. 14: 26). Alle aanwezigen moeten door het gesproken woord lering, vertroosting en vermaning ontvangen (1 Kor. 14: 31).

|58|

Speciaal voor deze erediensten geldt dat alles betamelijk, stijlvol en in goede orde moet gebeuren (1 Kor. 14: 40). Vanwege deze apostolische vingerwijzingen houden de kerken zich aan de gezamenlijk vastgestelde orden van dienst (KO, 65). Niet de particuliere opvattingen van deze of gene bepalen de gang van zaken bij de eredienst. Ook hebben kerken als regel aangenomen, dat eenmaal per zondag de leer van Gods Woord wordt verklaard, zoals die is beleden in de Heidelbergse Catechismus (KO, 66). Tot eer van de Here worden psalmen gezongen in de berijming, die de kerken gezamenlijk hebben vastgesteld en gezangen die eveneens gezamenlijk zijn goedgekeurd (KO, 67).
Behalve op de zondag, worden ook erediensten belegd op de Kerstdag, de Goede Vrijdag, de Paasdag, de Hemelvaartsdag en de Pinksterdag. Bij die gelegenheid zullen de heilsfeiten worden verkondigd, die op die dagen worden gevierd (KO, 68).
In tijden van grote moeite, waar alle kerken de druk van ervaren, zal de hiervoor door de generale synode aangewezen classis een bededag uitschrijven. Op die dag zal eveneens een openbare eredienst worden belegd (KO, 69). Uiteraard kan elke kerk ook andere bede- of dank-dagen houden, zoals bij voorbeeld voor de bid- en dankstond voor gewas en arbeid. De kerkeraden moeten toezien, dat familiebijeenkomsten zoals ter gelegenheid van een begrafenis, niet worden ingericht als kerkelijke erediensten. Bij een begrafenis wordt geen ‘dienst van Woord en gebed’ gehouden en geen ‘liturgie’ gevolgd (KO, 71).
Wel moeten de huwelijken in een officiële eredienst kerkelijk worden bevestigd met gebruikmaking van het daarvoor gezamenlijk aanvaarde formulier. Wanneer een man en een vrouw, die de Here vrezen, elkaar willen toebehoren (“tot één vlees zijn”, Gen. 2: 24; Matt. 19: 5; Mark. 10: 8), zijn zij volgens Gods ordening verplicht een huwelijksverbond aan te gaan. Zo zal iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man. Een huwelijk is geen privaat-zaak van twee mensen. Trouwbeloften zijn geen ‘onderonsje’ tussen die beiden. Paulus schrijft aan de kerk te Korinte over het huwelijk. Hij sluit zijn betoog vrijwel af met de opmerking: ga maar trouwen, mits in de Here (1 Kor. 7: 39), dat wil zeggen: ook het huwelijk staat in dienst van de Here. Daar heeft de kerk van de Here dan ook alles mee te maken. Iedere gelovige man en iedere gelovige vrouw zullen graag ten overstaan van de gemeente beloven, in hun samenleving de eenheid van Christus en zijn gemeente te vertonen (Ef. 5: 22-33). Ook daar zal de gemeente op toezien en zij zal daarbij

|59|

bijstaan. Daarom zal de kerkeraad erop toezien, dat de huwelijken kerkelijk worden bevestigd (KO, 70).