Bouma, H. (1988)

De kerkorde, regel voor vrede in de kerk
Ermelo
Uitgeverij Woord en Wereld
1988

ISBN: 

90-5046-008-9

(Woord en Wereld 8)

Bouma, H. (1988) Inl

|5|

Schriftuurlijke uitgangspunten voor de regering van de kerk

 

Inleiding

In het nieuwe kerkboek van de gereformeerde kerken in Nederland is ook opgenomen de kerkorde die zij hebben aanvaard. Dit document is zo onder handbereik van elk kerklid gekomen. Het is goed, dat iedereen er kennis van draagt. Het is toch in gemeenschappelijk overleg van de kerken vastgesteld.

Dit cahier in de serie Woord en Wereld bedoelt niet een soort kommentaar op elk van de 84 artikelen van de kerkorde te geven. Ook verwijst het niet naar de vele op dit gebied beschikbare literatuur. Wie zich in een of ander onderdeel wil verdiepen, of bredere studie wil maken van de hele kerkorde, kan te kust en te keur de nodige geschriften vinden.

Dit cahier wil laten zien, dat Gods nieuwe verbondsvolk, de kerk van de Here Christus, niet anders mag worden geregeerd dan op de wijze, die de Here zelf ons in zijn Woord heeft geleerd (Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 30). Want, hoewel het nuttig en goed is dat de regeerders van de kerk onderling een vaste orde instellen en handhaven om het lichaam van de kerk in stand te houden, moeten zij zich er toch voor wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, heeft geboden (NGB, 32).

Het Woord van God wijst ons de richting hoe de kerk moet worden geregeerd. Wij mogen de Schrift echter niet overvragen in die zin, dat elke kerkordelijke bepaling met bijbelteksten moet worden gefundeerd. De hoofdzaak van de kerkorde moet schriftuurlijk zijn. Uitgangspunt is dat men zich in de kerk richt naar het zuivere Woord van God.

Ook in de kerk moet de ongebondenheid van de mensen worden bedwongen, zodat ook in haar alles betamelijk en in goede orde geschiedt (1 Kor. 14: 40). Onze God is toch geen God van wanorde, maar van vrede (1 Kor. 14: 33). Wanorde is in het algemeen: tumult, oproer, revolutie. Gebruikt in verband met de kerk, wijst het op verbreking van de vrede die Christus haar heeft gegeven. Zulke

|6|

wanorde is gevolg van allerlei vleselijke misstanden, zoals twist, naijver, zelfzucht (2 Kor. 12: 20; Jak. 3: 16) of van individualistisch handelen, waarbij ieder doet wat goed is in eigen ogen (1 Kor. 14: 33). In plaats hiervan wil God vrede. Die vrede brengt ook orde mee (vers 40); vrede vergt, dat men met elkaar in de pas blijft bij de dienst van de Here. Dáár is een vaste orde voor nodig. Waar die zou ontbreken of mogelijk worden geschonden, zal de vrede in gevaar komen.

Bouma, H. (1988) HI

|7|

I Christus regeert Gods nieuwe verbondsvolk, zijn kerk

 

1. De gemeente van God en Christus

De Here duidt de kerk met verschillende namen aan in de bijbel. Zo maakt Hij duidelijk, wat zij is en in welke verhouding Hij tot haar staat.
De apostel Paulus spreekt over ‘de gemeente van God in Korinte’ (1 Kor. 1: 2; 2 Kor. 1: 1; zie ook 1 Kor. 10: 32 en 11: 22). Daarmee geeft hij te kennen, dat zij de officieel samengeroepen vergadering is van Gods verbondsvolk. Zij is zijn eigendom en heeft aan Hem haar ontstaan en voortbestaan te danken. Ook andere gemeenten dragen dezelfde naam. Bij voorbeeld die in Jeruzalem (1 Kor. 15: 9; Gal. 1: 13), evenals andere in het joodse land ontstane kerken (1 Tess. 2: 14); ook kerken buiten het ‘moederland’, zoals die in de omgeving van Korinte, of mogelijk in Klein-Azië (2 Tess. 1: 4). Kennelijk mag elke plaatselijke gemeente deze erenaam dragen (Hand. 20: 28; 1 Kor. 11: 16; 1 Tim. 3: 5).
De ‘gemeente van de levende God’ heet ook ‘gemeente van Christus’. Hijzelf noemt haar ‘mijn gemeente’ (Matt. 16: 18).
Dienovereenkomstig noemt Paulus de plaatselijke kerken in het joodse land dan ook 'de gemeenten van Christus' (Gal. 1: 22). Die naam dragen zij, omdat Hij haar Behouder is (Ef. 5: 23 Stat. Vert.).

 

2. Het lichaam van Christus

De innige verhouding tussen de Heiland en zijn kerken komt tot uitdrukking in de benaming ‘lichaam van Christus’ (1 Kor. 12: 27, enz.). Uit liefde voor zijn gemeente, die zijn lichaam is, heeft Hij zich voor haar overgegeven om haar te heiligen (Ef. 5: 25). Hij kocht haar met zijn bloed en maakte haar zo op wettige wijze, tegen contante betaling, tot zijn onvervreemdbaar eigendom.
God heeft de Here Christus tot Hoofd aan dat lichaam gegeven (Ef. 1: 22, enz.). Daarom is het Hem onderdanig (Ef. 5: 24).
God wilt dat alleen de Here Christus, en geen ander, de eerste plaats in de kerk inneemt. Hij alleen zal als Koning over haar heersen, en zijn koningschap zal geen einde hebben (Luk. 1: 33). Daarom moet Hij alleen in haar midden het primaat, het hoogste gezag bekleden (Kol. 1: 18).

|8|

3. De kudde van de goede Herder

Het Nieuwe Testament geeft nog een derde naam aan de kerk. De Heiland zelf karakteriseert haar als ‘kudde’ (Joh. 10: 16). In navolging hiervan heeft ook Paulus de gemeente van God te Efeze ‘de hele kudde’ genoemd (Hand. 20: 28 en verder) en spreekt Petrus over elk van de kerken in Klein-Azië, tot wie hij zich wendt, als over de kudde van God, die bij u is (1 Petr. 5: 2).
Van die kudde is de Here zelfde goede Herder (Joh. 10: 11, 14-16). Petrus noemt Hem later de Opperherder (1 Petr. 5: 4). Hij is de grote Herder van de schapen (Hebr. 13: 20), die zijn gemeente voedt en koestert. Zo was Hij voorzegd onder het oude verbond, als de leidsman uit Juda, die Gods volk zou weiden (Micha 5: 3; Matt. 2: 6). Hij is de Herder en Opziener van de gemeenten en haar leden (1 Petr. 2: 25 Stat. Vert.): in zijn hand rust de algehele leiding, verzorging en bescherming van de kerken en haar leden, onder alle omstandigheden.
Dat de Heiland Herder is van Gods kudde hebben de gereformeerde kerken in ons land beleden in antwoord op de vraag, wat wij geloven van de heilige, algemene, christelijke kerk: de Zoon van God vergadert, beschermt en onderhoudt voor Zich een door God tot het eeuwige leven uitverkoren gemeente (HC, antw. 54).

 

4. Het huis van Christus en God

De kerk wordt ook ‘het huis van Christus’ genoemd (Hebr. 3: 6) of ‘huis van God’ (1 Tim. 3: 16, enz.).
Zij heet zo, omdat de Here in haar wil wonen. God is haar Bouwmeester (Hebr. 3: 4). Hij doet dit door Christus (Matt. 16: 18). Aan Hem dankt elke gemeente (‘elk bouwwerk’) haar hechte konstruktie en vanwege haar band aan Hem groeit zij op om te kunnen dienen als een tempel, die aan God is gewijd. Vanwege diezelfde band aan de Here worden ook wij, op welke plaats wij ook wonen, mee opgebouwd tot een eeuwig blijvende woonplaats voor God, door werking van de Heilige Geest (Ef. 2: 21-22).
Het ‘huis’ waarin God wil wonen op aarde is zijn tempel: Hij wil daar worden gediend (1 Kor. 3: 16). Deze nieuwtestamentische tempel is, in onderscheiding van die uit het oude verbond, een ‘geestelijk huis’ (1 Petr. 2: 5), ingericht door Gods Heilige Geest.
Van dit Geestelijk bouwwerk zijn de gelovigen de levende bouwstenen (1 Petr. 2: 5; Ef. 2: 20-22). Zij worden opgebouwd op het fundament van apostelen en profeten, waarvan de Here Christus zelf de

|9|

uiterste hoeksteen is: een ander fundament kan niemand leggen (1 Kor. 3: 11). Als zodanig beheerst Hij de hele verdere opbouw van de kerk. Hij alleen bepaalt, hoe men zich behoort te gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God (1 Tim. 3: 15). Gemeenteleden (1 Tim. 2: 2-15) en ambtsdragers (1 Tim. 3: 1-13) mogen ten aanzien van het kerkelijk leven niet handelen naar eigen believen en inzicht. Zij zijn gebonden aan de voorschriften en regels van de Here zelf. Hij is de Gebieder in de kerk, de enige Leermeester en Gids (Matt. 23 : 8 en 10).
Daarom moeten wij ons wachten af te wijken van wat Hij ons heeft geboden bij de instandhouding van het lichaam van de kerk (NGB, 32).

 

5. Door de Geest geregeerd

Het voorgaande is het uitgangspunt van de regering van de kerken. Wij hebben leren belijden: de kerk moet ‘geestelijk’ worden geregeerd op de wijze die onze Here ons in zijn Woord heeft geleerd (NGB, 30).
Geestelijke regering betekent: regering van Christus’ kerk door zijn Geest en Woord (HC, 54). De kerken bestaan thans toch in de bedeling van de Geest, na Christus’ hemelvaart. Nu regeert de ten hemel gevaren Christus ons met zijn Woord en Geest (zie ook HC, 31). Dit geldt ook voor het kerkelijk leven.
Regering door Geest en Woord betekent evenwel niet dat bij voorbeeld de aanvangsuren van de erediensten aan Gods Woord moeten worden ontleend. Punten als dit zijn door de kerken ‘middelmatig’ genoemd: zij behoeven niet met schriftbewijs te worden bevestigd. Al zal een kerkeraad uiteraard geen onmogelijke aanvangsuren mogen vaststellen. Dat zou weer indruisen tegen het oppergezag van de Heiland.
Maar de hoofdlijnen van de kerkregering mogen wij uitsluitend ontlenen aan Gods Woord.

 

6. Naar goede orde

De gereformeerde kerken in ons land hebben als hoofdlijn voor het kerkelijk leven erkend de apostolische regel: Laat alles betamelijk en in goede orde geschieden (1 Kor. 14: 40). Dit is van het begin af na de Reformatie van de 16e eeuw zo geweest, zoals blijkt uit de ‘Hoofdstukken of artikelen voor de dienst in de Nederlandse kerken’, die in de late herfst van 1568 zijn vastgesteld door een aantal gereformeerde

|10|

broeders. Vanwege de kerkvervolging destijds waren zij naar het buitenland gevlucht. Maar op 3 november 1568 hebben zij in het bekende Convent van Wezel maatregelen voorbereid voor een geregeld kerkelijk leven in het vaderland, zodra dit mogelijk zou worden. In deze Wezelse Artikelen staat de genoemde bijbeltekst als uitgangspunt en norm voorop. En de eerste officiële ‘Kerckenordeninghe’ die de kerken sedert 1581 hadden aanvaard, begon ook met verwijzing naar dezelfde tekst. Dat is zo gebleven: de nu geldende kerkorde begint met de woorden: ‘In de gemeente van Christus behoort alles in goede orde te gebeuren’ (KO, 1).
Paulus schrijft in de genoemde tekst voor, dat alles in het kerkelijk leven ‘betamelijk’ moet gebeuren. Dit ‘betamelijk’ betekent: sierlijk, stijlvol. In al de facetten van haar leven moet de kerk de grote heerlijkheid van haar Verlosser en verlossing naar buiten toe uitstralen. De heerlijkheid van haar verlossing bestaat hierin, dat zij mag delen in de vrede met de God van vrede. Buitenstaanders moeten de heerlijkheid van die verlossing in het kerkelijk leven kunnen herkennen. Daarnaast pleit Paulus ervoor, dat het kerkelijk leven ‘in goede orde’ zal verlopen. Het woord ‘orde’ is wel ontleend aan het militaire leven. De gemeente is de ‘militia Christi’, het voor de zaak van de Zoon van God ingezette leger. Zal dit leger zijn dienst goed verrichten, dan moet het worden georganiseerd: anders zou de strijd bij voorbaat op mislukking uitlopen. De ‘goede orde’ is dus die orde, waardoor de zaak van de Zoon van God, de door Hem verworven vrede, wordt gediend. De apostel is blij, wanneer hij verneemt dat die orde in de gemeente heerst. Overigens is die orde slechts dan goed te noemen, wanneer zij een bolwerk is van levend geloof (Kol. 2: 5). Zou dat geloof ontbreken, dan verhult de kerkelijke orde de geestelijke dood. Dan verwordt orde tot knevelarij en dwang van de hiërarchie. Heel de orde van de kerk moet ertoe dienen, dat het werk van de Geest goede voortgang zal hebben in de kerk en in de wereld. Met het oog op die ‘Geestelijke’ regering van zijn kerken heeft de Here Christus ambtsdragers gegeven (Ef. 4: 11). Die mogen niet los naast elkaar fungeren, maar behoren gezamenlijk op te treden (1 Tim. 4: 14), om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren. Gezamenlijk moeten zij opzicht oefenen over de leer en de eredienst. Evenzo moeten zij de tucht oefenen over wie de dienst aan Christus schenden. Ook moeten zij er zorg voor dragen, dat de armen en wie in moeite verkeren zo worden geholpen en getroost, dat zij door hun armoede en moeite niet worden verhinderd, de zaak van de Zoon van

|11|

God te blijven dienen.
Zo hebben de kerken het uit en naar Gods Woord leren belijden (NGB, 30-32). Dienovereenkomstig hebben zij, als uitgangspunt van de kerkorde, bepaald (KO, 1) dat voor de bewaring van de goede orde in de gemeente van Christus een regeling nodig is met betrekking tot
1. de ambten;
2. de kerkelijke vergaderingen;
3. het opzicht over de leer en de eredienst;
4. de tucht.

Bouma, H. (1988) HII

|12|

II De ambtelijke bediening in Gods verbondsvolk

 

1. Tijdelijke en blijvende ambtsdragers

In zijn herderlijke zorg voor zijn kerk, geeft de Here haar ook ambtsdragers, om haar zo toe te rusten, dat haar leden, de ‘heiligen’ (zij zijn in Christus geheiligd), werkzaam zullen worden in Gods dienst. Om dat doel te bereiken geeft Hij als feestgeschenk bij zijn verheerlijking zowel apostelen als profeten, zowel evangelisten als herders en leraars (Ef. 4: 11).
Paulus maakt hier geen melding van oudsten, hoewel hij die zelf per gemeente heeft aangesteld (Hand. 14: 23). Hij heeft hen ook in Efeze ontmoet (Hand. 20: 17). Eveneens kent hij ‘opzieners en diakenen’ in de kerk te Filippi (Fil. 1: 1). Reeds hieruit kan blijken, dat hij in zijn brief ‘aan de Efeziërs’ (4: 11) geen komplete opsomming van de verschillende ambten heeft willen geven. Wat de apostel met dit lijstje wèl bedoelt, kan duidelijk worden als we letten op de genoemde funktionarissen. De rij wordt geopend met de vermelding van ‘de apostelen’. Zij zijn de speciale afgezanten van de verhoogde Heiland, die Hij uitstuurde om zijn evangelie te verbreiden tot planting van de kerken. Naast hen noemt Paulus ‘de profeten’, aan wie, zolang de bijbel nog niet kompleet is, goddelijke openbaringen worden gegeven, voorzover de Here die in bepaalde omstandigheden voor de gemeente nodig vindt (1 Kor. 14: 29). Zo vormden de apostelen en de profeten samen het fundament onder de nieuwtestamentische kerk (Ef. 2: 20).
Naast hen geeft de Here verder ‘de evangelisten’, die in nauw contact met de apostelen hun taak hebben in de verdere verbreiding van het evangelie.
De apostelen, profeten en evangelisten zijn dus ingeschakeld bij het ontstaan van de kerk op allerlei plaatsen. Door deze drie funktionarissen te noemen, wijst Paulus op de bijzondere zorg, die de Here van het eerste begin af besteedt aan de zo nodige toerusting van de gemeente. Maar Hij laat het niet bij dit grondleggende werk. Hij geeft óók ambtsdragers bij het voortbestaan van de gemeente. Hij zorgt niet slechts voor haar fundering, maar blijft ook zorgen voor de voortdurende afbouw van de kerk. Daarvoor geeft Hij dan ‘de herders en leraars’.
Uit de manier waarop Paulus deze twee woorden hier schrijft (ze

|13|

worden met slechts één lidwoord genoemd: ‘de herders en leraars’, niet: ‘de herders en de leraars’), kan blijken, dat hij hier niet heeft gedoeld op twee soorten van ambtsdragers: naast de ‘herders’ ook nog de ‘leraars’.
De apostel spreekt hier over één soort ambtsdragers, waarvan hij de taak naar twee zijden belicht: zij moeten zowel herder als leraar zijn. Met het woord ‘herders’ wordt aangegeven, dat hun werk behoort te gebeuren tot verzorging van de kudde; terwijl het woord ‘leraars’ wijst op de inhoud van hun taak: het onderwijs in het geopenbaarde Woord. Door zó ‘leraars’ te zijn, zijn zij goede ‘herders’ voor de gemeente.
Hoewel Paulus dus weet van oudsten of opzieners en van diakenen, noemt hij die hier niet. Hier wilt hij slechts te kennen geven, dat de Here niet alleen met het oog op de grondlegging van zijn kerken ambtsdragers heeft gegeven, maar ook bij de verdere bewaring van de eenmaal geïnstitueerde kerken. Vandaar dat hij hier, afrondend, spreekt over die ene groep van blijvende ambtsdragers ‘herders en leraars’ (zonder evenwel oudsten en diakenen hiermee uit te sluiten).

 

2. De blijvende ambten

Uit de Schrift vernemen we, dat de kerken verschillende soorten van ambtsdragers hebben ontvangen. Genoemd zijn reeds de herders en leraars (Ef. 4: 11). Behalve zij worden de oudsten genoemd (presbyters; Hand. 11: 30, enz.). Zij heten ook opzieners (zoals blijkt uit vergelijking van Hand. 20: 17 met vers 28), een naam die echter minder vaak voorkomt. Verder is er sprake van diakenen (Fil. 1: 1; 1 Tim. 3: 8-13) en van andere ‘gaven’ (charismata; Rom. 12: 6b-8), krachten, enzovoorts (1 Kor. 12: 28), die aan de kerk zijn gegeven. Bij al die gaven van de Geest heeft de profetie de prioriteit: wie profeteert, vermaant en bemoedigt mensen door zijn woorden; zo bouwt hij de gemeente (1 Kor. 14: 1-4).
Op grond van deze bijbelse gegevens hebben de gereformeerde kerken in ons land beleden, dat er dienaren of herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen en ook opzieners en diakenen, elk met een eigen taak en roeping (NGB, 30).
Immers, er moet worden gezorgd voor de voortgaande prediking van het evangelie, in overeenstemming met de opdracht van de Heiland zelf (Mark. 16: 15, enz.). Vandaar, dat Paulus aan Timoteus kon opdragen: verkondig het woord (2 Tim. 4: 2) en vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te

|14|

onderrichten (2 Tim. 2: 2). Want het geloof is uit het horen, en het horen door het woord van Christus (Rom. 10: 17). Verder belijden de kerken, dat er opzieners en diakenen moeten zijn. De opzieners moeten toezien op zichzelf en op de hele kudde, waarover de Heilige Geest hen heeft aangesteld (Hand. 20: 28). Zij moeten de leden van Christus' gemeente vermanen en vertroosten op grond van de gezonde leer (Tit. 1: 9). Ook verwacht de Here van zijn kerk, dat zij hulpbehoevenden zal verzorgen en gastvrijheid zal betonen (Matt. 25: 35-46). Het is onze christelijke roeping, solidair te zijn met de heiligen in hun behoeften (Rom. 12: 13); die weldadigheid en solidariteit mag niet in het vergeetboek raken (Hebr. 13: 16).
Het behoort ook tot de taak van de diakenen, de leden van Christus’ gemeente te bemoedigen en te vertroosten met het profetische Woord.
Dienovereenkomstig hebben de kerken in haar kerkorde vastgesteld dat drie ambten zijn te onderscheiden, namelijk het ambt van bedienaar van het Woord, van ouderling en van diaken (KO, 2).

 

3. Wettige roeping

De drieënige God is het, die zelf de ambtsdragers in het midden van de gemeente geeft, in het ambt stelt en in hun positie plaatst (Ef. 4: 11; Hand. 20: 28; 1 Kor. 12: 28). Niemand matigt zichzelf die waardigheid aan: men wordt ertoe geroepen door God.
Dit geldt reeds bij Aaron; het geldt zelfs bij de Here Christus (Hebr. 5: 4-5). Het blijft ook nu nog van kracht. Wel mag (moet) men staan naar het opzienersambt (1 Tim. 3: 1), dat wil zeggen ernaar streven het te mogen ontvangen, namelijk door zich, bij voorbeeld door grondige bestudering van de Schriften, erop voor te bereiden zodat men gereed is als de roeping komt (in Hebr. 11: 16 is dit werkwoord vertaald door ‘verlangen’).
Onder het oude verbond vindt de goddelijke aanwijzing veelal plaats zonder tussenkomst of medewerking van de zijde van het volk. Maar onder het nieuwe verbond laat de Here bij de aanstelling in het ambt de gemeente meewerken. Dit gebeurt reeds bij de kompletering van het twaalftal apostelen na het uitvallen van Judas (Hand. 1: 21-26). Toen is niet in de ontstane vakature voorzien, doordat de elf overgebleven apostelen zelf iemand hebben aangewezen, buiten de andere gemeenteleden om. Maar de gemeente is betrokken bij het ‘voorstellen’ van een tweetal, waarvoor Petrus vooraf de vereisten heeft

|15|

aangegeven. Uiteindelijk maakt de Here duidelijk dat alleen Hijzelf de twaalfde apostel aanwijst, namelijk door het lot (Spr. 16: 33). Lukas rondt dit verhaal af met de mededeling, dat Mattias werd gekozen verklaard bij de elf apostelen: hij wordt als mede-apostel met de elf erkend. De beschikking van het lot wordt, als beslissing van de Here, eerbiedig aanvaard.

We lezen nog een tweede maal over de aanstelling van bepaalde, leidinggevende figuren in het begin van de christelijke kerkgeschiedenis (Hand. 6: 1-7). Ook bij die gelegenheid wordt de gemeente volledig ingeschakeld. De vereisten, waar de betrokkenen aan moeten voldoen staan bij voorbaat vast. De leden van de gemeente moeten uitzien naar kandidaten die aan de gestelde voorwaarden voldoen.
Dit is de eerste belangrijke handeling hunnerzijds: de nodige personen opzoeken om ze voor te dragen.
Vervolgens gaat men kiezen op de ene of andere manier. De Schrift vermeldt niet, hoe dit precies is toegegaan. Kiest men uit een tevoren opgesteld meer-tal? Of vindt een vrije verkiezing plaats? Gebeurt dit door stemming, en, zo ja, geeft de helft plus één daarbij de doorslag? Of wordt vereist dat men ‘met algemene stemmen’ wordt verkozen? Of komt het zevental tot stand door gemeenschappelijk overleg? Dit alles staat niet vast. Uit het stilzwijgen van de Schrift op dit punt kunnen wij mogelijk afleiden, dat de Here de methode van het ‘kiezen’ heeft vrijgelaten aan de kerk.
Hoe dan ook, het kiezen is een tweede belangrijke aktiviteit van de gemeenteleden.

De door de gemeente gekozen broeders zijn vervolgens voorgesteld aan de apostelen, die kennelijk de leiding hebben. Enerzijds verklaren de gemeenteleden dus met een zekere beslistheid door hun ‘kiezen’: déze mannen moeten het worden! Maar hun besliste stem is toch niet het laatste woord in de procedure. De apostelen gaan in het gebed tot God. Daarmee erkennen zij dat ook zij uiteindelijk niet de beslissing nemen. De Here zelf stelt in het ambt. En door hun gebed geven de apostelen te kennen: “Wij, mensen, hebben het onze gedaan. Nu moet Gij, o God, er uw onmisbare goedkeuring aan hechten. Wij erkennen het: U bent het, die in al onze aktiviteiten het roer in handen hebt gehouden, leiding hebt gegeven aan onze beweegredenen en overleggingen. U alleen hebt nu deze mannen aangesteld! Zij zullen het ambt bekleden, tenzij U iets tussenbeide laat komen.”

|16|

Tenslotte volgt nog de oplegging van de handen als publiek teken van de goddelijke aanstelling en indienst-stelling bij de Here.

Nog een derde maal lezen we over de aanstelling van ambtsdragers. Aan het eind van hun eerste zendingsreis stellen Paulus en Barnabas in elke gemeente oudsten aan (Hand. 14: 23). Lukas deelt dit uiterst beknopt mee. Toch springen ook hier enkele zaken in het oog. De leiding berust bij de ambtsdragers; de gemeenteleden werken mee door hun handen op te steken (zoals de Statenvertaling in letterlijke weergave doet weten). Ook nu is er sprake van gebed, en zelfs van vasten (teken van deemoed), na de verkiezing: men smeekt de Here om zijn goedkeuring, zodat kan worden erkend, dat Hijzelf de gekozen broeders heeft aangesteld.

Overzien we de aangehaalde gegevens van de Schrift, dan kunnen we enkele richtlijnen vinden, die voor de ‘wettige roeping’ van ook onze ambtsdragers van betekenis zijn.
a. De Here zelf bepaalt de vereisten, waar de ambtsdragers aan moeten voldoen.
b. Niemand mag zichzelf de ambtelijke waardigheid aanmatigen. Roeping, in de weg van verkiezing door de kerk, is nodig.
c. Deze roeping staat onder leiding van de ambtsdragers, terwijl de gemeente haar medewerking verleent door voordracht en verkiezing.
d. De aanstelling in het ambt geschiedt door God, waarom moet worden gebeden; de aanstelling wordt geëffectueerd door de ambtsdragers.
Zo hebben de kerken het ook beleden (NGB, 31a) en vastgelegd in haar kerkorde: niemand mag een kerkelijk ambt vervullen zonder wettige roeping (KO, 3). Ook hebben de kerken aanvaard, dat de roeping tot het ambt zal geschieden door de kerkeraad en de diakenen, met medewerking van de gemeente (KO, 5, 6 en 20). Deze medewerking bestaat allereerst hierin, dat de gemeenteleden de aandacht kunnen vestigen op personen van wie zij overtuigd zijn, dat zij beantwoorden aan de vereisten die de Here heeft vastgesteld (KO, 20), en vervolgens in het uitbrengen van hun (voorkeur)stem.
Tenslotte hebben de kerken beleden, dat aanroeping van Gods naam onmisbaar is. Het gebed is de erkenning, dat niet de gemeente, ook niet de kerkeraad, maar de Here zelf in het ambt stelt (KO, 31).

 

4. Oudsten en opzieners

Al in een vrij vroeg stadium van de christelijke kerkgeschiedenis treffen

|17|

we ‘oudsten’ aan in de kerk te Jeruzalem (Hand. 11: 30). Van hun verkiezing of aanstelling maakt Lukas geen melding. Het gaat wel te ver om uit dit stilzwijgen af te leiden, dat zij ook nooit zijn verkozen en aangesteld, omdat wij bij hen zouden hebben te denken aan de mannen, die zich van het begin af bij de Here Christus hadden aangesloten (vgl. Hand. 1: 21-22). Uit dien hoofde zouden zij een bijzondere positie in de kerk te Jeruzalem hebben ontvangen. Deze gedachte lijkt niet aannemelijk. Er waren vele honderden van zulke aanhangers (1 Kor. 15: 6; vgl. Hand. 1: 15, waar sprake is van ‘een groep’ van ongeveer 120 personen; een ‘groep’ is een ongeorganiseerde drom: er hadden ook anderen aanwezig kunnen zijn; er was geen officiële vergadering van alle gelovigen, die hadden kunnen komen). Het gaat niet aan, die allen de bevoegdheid toe te kennen, die de oudsten in Jeruzalem bleken te hebben.
Op het moment waarop Lukas hen voor het eerst vermeldt, vormen zij het adres van de kerk te Jeruzalem. De taak, die eerder aan de apostelen toekwam (Hand. 4: 34 slot en 37 slot), is later aan de oudsten toevertrouwd. Blijkbaar heeft de situatie zich zo ontwikkeld, dat de twaalf apostelen zich niet langer aan de instituering van de gemeente in Jeruzalem behoeven te wijden: die instituering is afgerond. De apostelen kunnen hun aktiviteit zodoende naar elders verleggen, om daar bezig te zijn met de instituering van nieuwe gemeenten. Zo is ook Petrus, omstreeks de tijd waarop Barnabas en Paulus de gaven van de Antiocheense discipelen in Jeruzalem overhandigen, met onbekende bestemming naar elders vertrokken (Hand. 12: 17).
Wel zijn (of komen) de apostelen in Jeruzalem terug en treden zij daar met hun apostolische bevoegdheid op, als dit nodig is (Hand. 15: 2-29; vgl. ook Gal. 1: 17). Maar zij hebben daar niet langer de dagelijkse leiding, zoals in de begintijd. Die leiding is nu daadwerkelijk overgegaan op de oudsten (zie ook Hand. 21: 18). Omdat de apostelen het 'fundament' van de kerken leggen, behouden zij wel in elke gemeente hun zeggenschap (zie ook 1 Kor. 5: 1-5). De leiding van de oudsten in elke gemeente blijft volledig gebonden aan het fundamentele en funderende woord van de apostelen (Hand. 15). Evenzo zijn onze huidige ouderlingen gebonden aan het op schrift gebrachte getuigenis van apostelen en profeten.
Ook elders worden worden zo spoedig mogelijk zulke oudsten aangewezen (Hand. 14: 23; 20: 17). De Heilige Geest stelt hen tot opzieners (episkopen, ‘bisschoppen’) aan. Het is hun taak toe te zien op zichzelf en op de hele gemeente, om de gemeente van God te weiden,

|18|

die Hij Zich door het bloed van zijn eigene heeft verworven (Hand. 20: 28). De positie van deze oudsten in de gemeente is aangegeven door het woord ‘oudste’, dat hun verantwoordelijkheid tot uitdrukking brengt. Het woord ‘opziener’ vraagt aandacht voor hun taak. Het werkwoord ‘opzien’ betekent: iemand opzoeken om te zien hoe hij of zij het maakt (Hand. 15: 36). Het wordt speciaal gebruikt voor het opzoeken van zieken (Matt. 25: 36 en 43) en bestaat in betoning van de goede zorg voor iemand, door naar hem of haar vol ontferming en medelijden over moeite en verdriet om te zien. Tot het opzienersambt behoort dus die persoonlijke zorg voor de gemeenteleden in al hun noden (zie ook Jak. 5: 15).
Dat opzienerswerk wordt ook weergegeven door het werkwoord ‘weiden’ (Hand. 20: 28, enzovoorts). Deze beeldspraak is reeds te vinden in het Oude Testament. Een herder leidt de schapen naar weiden met jong groen, naar plaatsen waar ze in alle rust kunnen drinken. Hij ‘verkwikt’ ze, dat wil zeggen: hij zorgt ervoor, dat zij hun levenskracht terugkrijgen (zie ook Ps. 19: 8). Hij beschermt ze tegen het gevaar van dodende wolven èn tegen dat van eigenzinnige afdwaling (Ps. 23: 2-4).
Het zelfstandig naamwoord ‘herder’ wordt in het Nieuwe Testament vrijwel niet gebruikt voor kerkelijke leiders, maar hoofdzakelijk slechts voor de Here Christus zelf (Joh. 10: 11, 14, 16, enz.). Die wordt dan voortdurend gekwalificeerd als de goede Herder (Joh. 10: 11 en verder), de grote Herder van de schapen (Hebr. 13: 20), de Herder en Hoeder van uw zielen (1 Petr. 2: 25). Doordat het zelfstandig naamwoord ‘herder’ vrijwel niet wordt gebruikt voor kerkelijke leiders (Ef. 4: 11), maar wel de werkwoorden ‘weiden’ en ‘hoeden’ (Hand. 20: 28, enz.), valt alle nadruk op hun werk en niet op hun persoon.
Een opziener is ook ‘beheerder van het huis van God’ (Tit. 1: 7). Een ‘beheerder’ kan bijvoorbeeld een rentmeester zijn, die in dienst van zijn heer zorg draagt voor diens have en goed. Een trouwe en verstandige rentmeester zorgt bovenal dat de knechten van zijn heer op tijd het nodige krijgen voor hun levensonderhoud. Hij maakt bij al zijn werk niet zelfstandig de dienst uit, maar is daarbij gebonden aan de wil van zijn heer, die voor die zorg de middelen ter beschikking stelt. Deze term wordt nu ook gebezigd met het oog op de kerkelijke ambtsdragers: zij zijn ‘beheerder’, verzorger, van niet minder dan het ‘huis’, dat is het huisgezin van God. Als dienaar van de Here Christus moeten zij de leden van de gemeente regelmatig verzorgen met wat

|19|

elk van hen in zijn bijzondere omstandigheden nodig heeft. Hij deelt uit, wat de Here voor zijn gemeente ter beschikking heeft gesteld. Dat zijn ‘Gods geheimenissen’, zijn totale heilswerk in al zijn veelvuldige aspecten. Willen de ‘beheerders’ dit goed doen, dan moeten zij zich houden aan het betrouwbare woord naar de leer (Tit. 1: 7).

 

5. Oudsten en oudsten

De taak van de oudsten wordt ook met andere termen aangegeven. Zij heten de ‘leidinggevenden’ (1 Tim. 5: 17; vgl. Rom. 12: 8). Elke christenman moet in zijn gezin ‘leiding geven’. Dat moeten ook de oudsten doen in de gemeente (1 Tim. 3: 4-5 en 12). Zij moeten haar voorgaan op de weg die zij heeft te gaan. Daarbij zullen zij zich alle mogelijke moeite moeten getroosten als ze te maken krijgen met verzet van wie zich niet gewonnen willen geven aan hun terechtwijzing (1 Tess. 5: 12).
In wat later tijd worden de oudsten, met name in Rome, ‘voorgangers’ genoemd (Hebr. 13: 24): zij zijn het die het woord van God hebben gesproken (13: 7) en die waken over de zielen van de gemeenteleden (13: 17).
Reeds hier blijkt, waarin hun ‘leiding geven’ bestaat. Calvijn is de mening toegedaan, dat er twee soorten van zulke leidinggevenden zijn geweest. Hij meent deze opvatting te mogen afleiden uit een opmerking van Paulus aan het adres van Timoteus, dat aan wie op goede wijze zulke leiding geven dubbel eerbewijs toekomt, vooral aan hen die zich belasten met prediking en onderricht (1 Tim. 5: 17).
Volgens Calvijn blijkt hier dat sommige oudsten worden aangesteld om onderricht te geven, terwijl anderen, tezamen met de herders, door gemeenschappelijk overleg en gezag de tucht van de kerk moeten regelen en als beoordelaars optreden om de zeden te verbeteren. In navolging van deze uitleg is het gebruikelijk geworden te spreken over ‘leerouderlingen’ naast ‘regeerouderlingen’: de ‘leerouderlingen’ zouden óók ‘regeerouderlingen’ zijn, maar omgekeerd, de ‘regeerouderlingen’ zijn geen ‘leerouderlingen’.
Dit spraakgebruik is mogelijk ontstaan en zelfs bevorderd door de Statenvertaling (‘... ouderlingen die wel regeren...’, vs 17a en ouderlingen ‘die arbeiden in het woord en de leer’, vs 17b). Nu geeft de Statenvertaling het werkwoord, dat hier is vertaald door ‘regeren’, elders weer door ‘voorstaan’ (Rom. 12: 8 enz.; het wordt slechts in 1 Tim. vertaald door ‘regeren’, namelijk in hoofdstuk 3: 4, 5 en 12 en in 5: 17). Letterlijk betekent het woord: vooraan zijn geplaatst;

|20|

vandaar: leiding geven. In de kerk vindt dit leiding geven plaats door de rechte weg te wijzen door onderwijs in het Woord van Christus. Ter voorkoming van het misverstand, als zouden onze ouderlingen slechts een of andere administratieve bestuurstaak hebben (bij voorbeeld de kerkvoogdij), lijkt het beter, hen niet langer aan te duiden als ‘regeerouderlingen’. De predikanten zijn niet, in onderscheiding van de andere ouderlingen, ‘leerouderlingen’. Elke oudste, opziener, voorganger, leidinggevende heeft tot taak te arbeiden in de gezonde leer, het onderwijs in het evangelie van de Here Christus. Hij moet die leer thetisch uiteenzetten. Hij moet er de gemeenteleden mee vermanen of vertroosten, al naar gelang de situatie dit vereist. Tevens moet hij met datzelfde evangelie de tegensprekers weerleggen, bestraffen, de mond snoeren. Dat zal hij alleen maar kunnen, als hij zich voortdurend houdt aan het betrouwbare gepredikte Woord van God (Tit. 1: 9). Dàt Woord behoort hij tot de leden van de gemeente te spreken (Hebr. 13: 7). Daarom moet hij ‘didaktisch’ zijn: bekwaam om te onderwijzen, met name ook de onkundigen (1 Tim. 3: 2; 2 Tim. 2: 24). Hij moet een echt geestelijke leidsman zijn, die thuis is in het Woord èn de leden van de gemeente in hun omstandigheden terdege kent.
Toch brengt Paulus in 1 Tim. 5:17 onderscheid aan tussen ‘oudsten’ en ‘oudsten’. Niet dat zij zijn te onderscheiden naar hun werkterrein. Het onderscheid is wel te zoeken in de mate waarin zij zich op dit gemeenschappelijke werkterrein (kunnen) inzetten. Hij spreekt hier over oudsten die goede leiding geven. Met name noemt hij dan afzonderlijk die oudsten die zich belasten met prediking en onderricht.
Het werkwoord ‘zich belasten met’ wordt in de eerste plaats gebezigd voor de zware afmattende handenarbeid, die alle krachten opslokt: uitputtend werken. Verder wordt het ook gebruikt voor het zich volledig inzetten voor het evangelie door gemeenteleden (Rom. 16: 6, enz.). Paulus heeft er zijn eigen ambtelijk werk mee aangeduid (Hand. 20: 35, enz.). Het ziet op de volledige inzet van ambtsdragers en hun medewerkers voor de taak die hun is. opgedragen. Niet alle oudsten kunnen evenveel tijd besteden aan hun herderswerk: ze hebben, naast hun dienst in het evangelie ook te zorgen voor hun dagelijks levensonderhoud. Kennelijk gaat Paulus (in de nadagen van zijn loopbaan) ervan uit, dat de belasting met prediking en onderricht zoveel energie en tijd van een leidinggevende oudste zal opslokken, dat hij, om die taak te kunnen vervullen, van andere werkzaamheden geheel moet worden vrijgesteld.

|21|

Zo kennen wij nu onze ‘oudsten’ in-volledige-dienst: de predikanten, naast ‘oudsten’ in-niet-volledige-dienst: de ouderlingen; de eersten als ‘vrijgestelde’, de anderen niet.

 

6. De predikanten

Omdat de predikanten zijn onderscheiden van de andere ouderlingen, doordat zij ambtsdragers zijn in vaste en en volledige dienst (KO, 15a), mag van hen ook méér worden geëist. Behoort het tot de taak van de ouderlingen, dat zij zo dikwijls huisbezoek afleggen als goed is voor de opbouw van de gemeente, tenminste eenmaal per jaar, de predikanten hebben voor dit huisbezoek méér tijd dan hun collega’s mede-ouderlingen.
Ook in ander opzicht mag van de predikanten méér worden geëist. De Schrift leert: een opziener moet zijn ‘bekwaam om te onderwijzen’ (1 Tim. 3: 2); predikanten moeten echter ‘bekwaam zijn om ook anderen te onderrichten’ (2 Tim. 2: 2). In onze vertaling lijkt er hoegenaamd geen verschil tussen beide bepalingen te bestaan. Bij nader onderzoek blijkt dit evenwel anders te zijn.
De opzieners moeten zijn: ‘bekwaam om te onderwijzen’ (1 Tim. 3: 2). In zijn eigen taal gebruikt Paulus hier slechts één woord: ‘didaktisch’. Later geeft hij aan de evangelie-prediker-in-vaste-dienst Timoteus instructies omtrent zijn opvolging. Ook aan de dienst van Timoteus zal eens een eind komen. Met het oog daarop, mogelijk ook met het oog op de indienststelling van medewerkers, moet hij het komplete evangelie (‘... wat gij van mij hebt gehoord ...’) aan anderen toevertrouwen. Die zullen dan dat evangelie op hun beurt kunnen doorgeven aan weer anderen. Welnu, die opvolgers in de predikdienst moeten zijn: ‘bekwaam om ook anderen te onderrichten’ (2 Tim. 2: 2). Hier gebruikt Paulus niet dat woord ‘didaktisch’ uit 1 Tim. 3: 2. In zijn eigen taal drukt hij zich hier veel uitvoeriger uit. Voor ‘bekwaam’ schrijft hij een woord, dat veelvuldig in de bijbel voorkomt. Het geeft een bijzondere mate of graad van het een of ander aan. Zo is er sprake van een bekwame, dit is geruime tijd (Luk. 8: 27), een bekwame, dit is omvangrijke schare (Hand. 11: 24), bekwaam, dit is veel geld (Matt. 28: 13). Bijzondere bekwaamheid wordt vereist bij de slaaf, die zijn heer mag helpen bij het uittrekken van zijn schoenen (Matt. 3: 11). Er is meer dan gewone ‘bekwaamheid’ voor nodig, om dienaren te zijn van het nieuwe verbond (2 Kor. 2: 16b; 3: 5-6). Blijkens het gebruik van dit woord ‘bekwaam’ met het oog op predikers van het evangelie die in vaste dienst staan, wordt

|22|

van deze mannen méér kwaliteit vereist dan van de ‘didaktische’ opzieners in-volledige-dienst. Zij moeten speciaal worden toegerust voor hun taak in de predikdienst (met de daaraan verbonden bediening van de sacramenten).
Met betrekking tot die bijzondere toerusting kan nu worden geconstateerd, dat de Here die soms verleent zonder speciale opleiding. Dan zijn daar de bijzondere gaven van godsvrucht, ootmoed, ingetogenheid, verstand, onderscheidingsvermogen en welsprekendheid (KO, 8). Doorgaans kan men echter die bekwaamheid slechts ontvangen in de weg van gedegen studie. Voor het geregelde onderzoek van Gods Woord en om predikanten op te leiden kregen de kerken een eigen theologische universiteit. Het behoort tot de taak van de aan die inrichting voor wetenschappelijk hoger onderwijs verbonden docenten, de Heilige Schrift uit te leggen en de zuivere leer tegen ketterijen en dwalingen te verdedigen. Dit is hun opdracht overeenkomstig apostolisch onderwijs (2 Tim. 2: 2). De bedienaar van het evangelie moet zijn opvolgers opkweken. Opdat dit op de beste manier kan gebeuren, hebben de kerken gezamenlijk predikanten afgezonderd voor de opleiding tot de dienst van het Woord (KO, 18; aan deze docenten zijn andere toegevoegd voor speciale onderdelen van de opleiding). Dit mag niet worden overgelaten aan de ene of andere vereniging, nog minder aan de overheden. De opleiding voor de kerk behoort te geschieden door de kerk.
Zowel bij de aan deze universiteit afgestudeerden als bij hen die zonder wetenschappelijke opleiding de bijzondere gaven voor het ambt blijken te bezitten (KO, 8) zullen de kerken zich ervan moeten overtuigen, dat de schriftuurlijk-vereiste nodige bekwaamheid aanwezig is. Dit gebeurt door herhaald kerkelijk onderzoek vooraf.
Wil iemand predikant worden, dan moet hij eerst aan de classis waaronder hij ressorteert vragen, hem beroepbaar te verklaren.
Nu is het waar, dat een kerkeraad beroept. De gezamenlijke oudsten, dat wil zeggen de ouderlingschap van een kerk, leggen de handen op (1 Tim. 4: 14). Toch hebben de kerken ook de bemoeiing van de zusterkerken nodig gevonden op de weg naar het predikambt. Dit brachten zij niet in mindering op de belijdenis, dat de ambtsdragers behoren te worden gekozen in de weg van wettige verkiezing door de kerk (NGB, 31). In wezen zou elke kerk elke kandidaat kunnen onderzoeken en voor zich beroepbaar verklaren. Maar de kerken leven onderling als zusterkerken samen op één en dezelfde grondslag, de goede belijdenis. In deze samenleving is het mogelijk, dat de predikant

|23|

van de ene kerk voorgaat in een andere kerk. Mee hierom vereist deze samenleving, dat geen enkele kerk een andere leer tolereert dan die van de goede belijdenis, die is uitgesproken in de drie formulieren van eenheid van de gereformeerde kerken in ons land. Terwille van de bewaring en bescherming van deze geestelijke eenheid hebben de kerken afgesproken erop toe te zien, welke leer zij laten verkondigen. Vandaar het gemeenschappelijk toezicht bij de toelating tot de kansel.
Zo blijft onverkort vaststaan, dat de kerkeraad beroept, al doet hij dit in gemeenschap met de classis, die, daartoe in art. 5 KO door de zusterkerken gemachtigd, namens en voor die zusterkerken de onderzochte kandidaat beroepbaar verklaart.
Het aan die beroepbaarverklaring voorafgaand onderzoek richt zich op de volgende punten:
a. de beweegredenen die de kandidaat hebben geleid om te staan naar het ambt van bedienaar van het Woord;
b. zijn geschiktheid voor de bediening van het Woord;
c. zijn bekwaamheid in het uitleggen van het Woord;
d. zijn kennis van de inhoud van het Woord;
e. zijn kennis van de geloofsleer naar het Woord.
Nadat hij beroepbaar is verklaard mag de kandidaat ‘proponeren’, zich aan de kerk presenteren met zijn ‘proposities’, zijn preek-voor-stellen. Krijgt hij een beroep, dan moet hij opnieuw worden onderzocht. Het eerstgenoemde kerkelijke examen was slechts preparatoir, voorlopig, voorbereidend; het gaf slechts verlof zich bij de kerken aan te dienen. Het daarop volgende, tweede kerkelijk examen is peremptoir, beslissend: het ontsluit de toegang tot de ambtelijke bediening van het evangelie.
Dit beslissende onderzoek omvat dan ook méér dan het voorlopige. Het vindt bovendien plaats ten overstaan van deputaten van de particuliere synode, om duidelijker te doen uitkomen de gemeenschappelijke waakzaamheid van de zusterkerken ten aanzien van de leer die wordt verkondigd op de kansels van de samenlevende kerken. Trouwens, de kandidaat moet bij deze gelegenheid zijn instemming met de leer van de kerk schriftelijk bevestigen door ondertekening van het hiervoor vastgestelde formulier.
Na gunstige afloop van het beslissende onderzoek ontvangt de gemeente nog de gelegenheid haar stilzwijgende goedkeuring te hechten aan de toelating.
Tenslotte volgt de bevestiging, waarbij gebruik moet worden

|24|

gemaakt van het hiervoor vastgestelde formulier. Zo is hij dan verbonden aan die bepaalde kerk. Wel is hij beroepbaar verklaard voor al de samenlevende zusterkerken, die hebben hem immers tot het ambt toegelaten. Maar hij is en blijft slechts dominee in die ene, bepaalde kerk. Hij mag niet in een andere kerk het Woord of de sacramenten bedienen zonder toestemming van de betrokken kerkeraad (KO, 10). Wel mag elke kerkeraad, op grond van de beroepbaarstelling voor al de kerken, een predikant van elders verzoeken in die andere kerk voor te gaan.
In de kerk, waaraan hij is verbonden, behoort het tot zijn taak trouw voor te gaan in de gebeden en in de bediening van het Woord en de sacramenten. Daarnaast behoort hij goed acht te geven op zijn medeambtsdragers en op de gemeente. Samen met de ouderlingen moet hij de tucht bedienen en zorgen dat alles op gepaste wijze en ordelijk gebeurt (KO, 16). In het formulier voor de bevestiging van dienaren van het Woord is dit breder uiteengezet.

 

7. ‘Een dorsende os’

Als Paulus aan Timoteus schrijft over een dubbel eerbewijs voor de oudsten, met name voor hen, die al hun tijd en kracht geven aan prediking en onderwijs, denkt hij daarbij stellig ook aan de zorg voor hun levensonderhoud. Zij houden geen gelegenheid over om zelf daarin te voorzien (1 Tim. 5: 1); dus moet de kerk daarvoor zorgen. De apostel doet hier een uitdrukkelijk beroep op Deut. 25: 4 en op Luk. 10: 7, twee teksten die met het gezag van de Schrift zijn bekleed.
In 1 Kor. 9 verwijst de apostel naar Deut. 25: 4 om te betogen, dat de wet van God ambtsdragers in volledige dienst vrijstelt van neven-arbeid om in het levensonderhoud te voorzien. De Here heeft voor de verkondigers van het evangelie de regel gesteld dat zij van het evangelie leven (1 Kor. 9: 1-14).
In Deut. 25: 4 verbiedt de Here een os te muilbanden als hij bezig is op de dorsvloer. Daar moest hij destijds de dorsslede over het uitgespreide graan trekken, om het zo uit de aren te drukken. Een dorsende os liep dan een hele dag lang midden tussen overvloed van kostelijk voedsel. Hij kon er zomaar wat graantjes van meepikken. Om dit te voorkomen kon de landbouwer het dier muilkorven. Dat verbood God evenwel. Aan de os mocht tijdens zijn daglange, ingespannen arbeid in de oogst de gelegenheid niet worden ontnomen, zich te voeden met hetgeen waarmee hij bezig is.

|25|

Met het evangelie van de dorsende os leert de Here ons, dat wie zich zo totaal inzet voor de oogst van God (Luk. 10: 2 en 7), van die oogst zijn levensonderhoud mag ontvangen.
Deze goddelijke verordening is ook terug te vinden in de tweede schriftplaats, die Paulus aan Timoteus voorhoudt, Luk. 10: 7. Daar houdt de Here het zijn predikers voor, dat zij met een gerust hart mogen mee-eten en mee-drinken bij degenen die hen voor hun prediking ontvangen. In hun dienst mogen zij leven op kosten van hun hoorders. De Here motiveert dit met de woorden: want de arbeider is zijn loon waard. Wie in het evangelie arbeidt in volledige dienst mag aanspraak maken op loon. De Here noemt dit zelfs: ‘zijn loon’, hij heeft er recht op. Het geven van levensonderhoud is zonder meer een verplichting van degenen voor wie men in het evangelie arbeidt.
Dienovereenkomstig houdt de apostel het ook voor aan de gemeenten van Galatië (Gal. 6: 6). Wie in het evangelie wordt onderwezen is verplicht, zijn ‘onderwijzer’ te laten meedelen in al zijn goederen (dus bij wijze van spreken: stoffelijke goederen geven in ruil voor geestelijke, zie ook Rom. 15: 27). Heeft de leerling het heel goed, dan zal ook de leermeester in al dat vele goed mogen delen; heeft de leerling het minder goed, dan zal zijn leermeester genoegen moeten nemen met dat mindere.
Op grond van deze gegevens is elke kerkeraad verplicht, namens de gemeente, haar predikanten naar behoren te onderhouden (KO, 11). Deze verplichting houdt niet op als de predikant tengevolge van ouderdom, ziekte of andere oorzaken niet meer in staat is zijn ambtswerk te verrichten: hij gaf immers zijn krachten gedurende de hem toegemeten tijd aan het evangelie (KO, 13).

 

8. De ouderlingen

De taak van de ouderlingen is in de kerkorde omschreven met de woorden: in herderlijke zorg de gemeente te regeren (KO, 21). Dit woord ‘regeren’ mag niet anders worden verstaan dan als ‘leiding geven’. Dit moeten de ouderlingen doen samen met de predikanten. De laatsten hebben voor hun werk zelfs méér tijd dan de eersten.
In overeenstemming met het apostolisch voorschrift moeten de ouderlingen in de eerste plaats toezicht houden elk op zichzelf, en vervolgens ook op elkaar onderling (Hand. 20: 28). Elk van hen moet immers in de praktijk betrouwbaar blijken. Dat wordt tenslotte van elke ouderling vereist, dat wil zeggen: daar komt het op aan, dat de Koning van de kerk hem de leiding van de kerk kan toevertrouwen.

|26|

Dan kan hij ook een echte ‘vertrouwensman’ in de gemeente zijn (1 Kor. 4: 2). Hierom moeten de ambtsdragers onderling op elkaar toezien en elkaar inzake de bediening van hun ambt aansporen en (zo nodig) vriendelijk terechtwijzen (KO, 81). In de tweede plaats moeten de ouderlingen toezien op de hele kudde: op de schapen en lammeren, ook als zij bokkesprongen maken en niet minder op de echte bokken. Zij zijn immers ‘opzieners’. Met dit woord wordt aangegeven, dat het hun taak is ‘om te zien naar’ de leden van de gemeente (op die manier is het werkwoord bij voorbeeld gebruikt in Luk. 1: 68 en 78 met betrekking tot Gods omzien naar zijn volk; in Luk. 19: 44 met betrekking tot Gods omzien naar zijn stad Jeruzalem; in Hebr. 2: 6 met betrekking tot Gods omzien naar de mens, als bedoeld in Ps. 8: 5). Het werkwoord wijst op persoonlijke bemoeiing en meeleven. Met het oog hierop zullen de ouderlingen de gemeenteleden in hun huizen bezoeken. Een sprekend voorbeeld van dit ambtelijke omzien, van deze betrouwbaarheid, heeft de apostel Paulus in Efeze gegeven, drie jaar lang bij nacht en dag (Hand. 20: 31).
De leden van de gemeente zijn geroepen alles na te jagen wat de vrede met God en elkaar en met name ook de onderlinge opbouw van elkaar in geloof en een godvrezende levenswandel bevordert (Rom. 14: 19). Elke gelovige behoort te leven tot heil van de broeders en zusters en van zijn andere naasten, opdat die worden gebouwd in geloof, liefde en heiligmaking (Rom. 15: 2; 1 Tess 5: 11). Al het spreken van de gelovigen moet goed zijn, een goede inhoud hebben. Het moet dienen tot opbouw, waar de hoorder, al naar gelang van zijn omstandigheden op dat moment behoefte aan heeft. De hoorder moet erdoor worden begenadigd (Ef. 4: 29).
Op die geestelijke opbouw moet alles, met name de profetische arbeid in de gemeente zich richten, zodat zij blijft wandelen in de vrees van de Here. De predikanten en ouderlingen behoren profetisch te arbeiden aan die geestelijke opbouw van de gemeente, aan versterking van het geloofsleven. Daar moet alles zich op richten (1 Kor. 14: 26). De Here heeft hier de ambtelijke bevoegdheid voor gegeven aan Pau-lus (2 Kor. 10: 8). De kerk kreeg haar ambtsdragers voor de algehele toerusting van alle gelovigen tot het verrichten van liefdedienst voor de Here en elkaar. Hierdoor wordt het lichaam van Christus metterdaad opgebouwd. Einddoel van alle ambtelijke arbeid is dat alle gelovigen komen tot eenheid in geloof en kennis, dat wil zeggen dat zij allen één zijn in het echte geloofsvertrouwen en in de ware en bewuste geloofskennis (Ef. 4: 12-13).

|27|

Deze schriftuurlijke richtlijn voor het werk van de ouderlingen, of zij nu in levenslange en volledige dienst staan (zoals de predikanten, KO, 15), dan wel in tijdelijke en niet volledige dienst fungeren (zoals de ouderlingen, KO, 23), is breder uitgewerkt in het formulier voor hun kerkelijke bevestiging en in de kerkorde kort samengevat (KO, 21, 27).

 

9. De kerk als gemeenschap der heiligen

De kerk is het lichaam van Christus, zoals reeds eerder is opgemerkt. De gelovigen zijn allen door één Geest tot één lichaam gedoopt. In dit éne lichaam zijn alle leden, behalve aan de Here, ook onderling het nauwste verbonden: het ene lid kan niet zonder het andere. Een hoogbegaafde kan de minderbegaafde niet missen, net zo min als de minderbegaafde zijn hoogbegaafde broeder of zuster. Als één lid lijdt, lijden alle leden mede; als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde; ook het ‘koningskind’ is dan van de partij.
Deze saamhorigheid is van oudsher door de kerk erkend en beleden als de gemeenschap der heiligen. Als lid van het lichaam van Christus hebben de gelovigen allen samen en ieder afzonderlijk gemeenschap met Hem en hebben zij deel aan al zijn schatten en gaven. Maar als lid van Christus’ lichaam zijn zij ook lid van elkaar. Daarom behoort elke gelovige al wat hij of zij aan gaven heeft ontvangen tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde aan hen mee te delen.

Dit meedelen is kenmerkend voor de christelijke gemeenschap der heiligen (Hand. 2: 44-46 en 4: 32). Die daadwerkelijke mededeelzaamheid mag nooit worden vergeten (Hebr. 13: 16). Daarom worden christenen opgewekt, bij te dragen in de noden van de heiligen en zich toe te leggen op gastvrijheid, blij te zijn met de blijden en te wenen met de wenenden (Rom. 12: 13 en 15; zie ook 15: 27). De gemeenschap der heiligen wordt beleefd door deel te nemen aan het dienstbetoon voor de heiligen (2 Kor. 8: 4), in het onbekrompen ‘delen’ met de behoeftige gemeenteleden (2 Kor. 9: 13).
Deze beoefening van de gemeenschap der heiligen heeft de Here zelf zijn discipelen opgelegd als een ‘nieuw gebod’, dat wil zeggen een fundamenteel gebod voor zijn nieuw-testamentische gemeente: wij moeten elkander liefhebben. Evenals Hij ons heeft liefgehad, moeten wij ook elkander liefhebben. Die onderlinge broederliefde zal toch het kenmerk zijn, waar allen aan kunnen weten, dat wij zijn discipelen

|28|

zijn (Joh. 13: 34-35; vgl. 15: 12).
De apostel Johannes wijst in zijn eerste brief (hoofdst. 3: 16-17) op de consequentie van dit gebod. Wij behoren als christenen ons leven in te zetten voor de broeders, onze mede-gelovigen, die samen met ons tot de gemeente van Christus mogen behoren. Wij moeten ons leven voor hen inzetten, niet noodgedwongen, maar graag, uit echte liefde: zij zijn ons toch lief! Daaruit zal blijken, dat wij echte christenen zijn. ‘Ons leven’ betekent hier, evenals elders: onszelf, onze hele persoon, met al wat wij zijn en hebben en kunnen.
Johannes geeft hiervan ook een praktische uitwerking. Uit de mond van de Heiland weet hij, dat er altijd armen in de gemeente zullen zijn, mensen die niet zonder hulp van anderen verder kunnen (Joh. 12: 8). Daarnaast kent hij ook broeders en zusters, die in de wereld een bestaan hebben. Zij ontvangen wat zij nodig hebben voor hun bestaan op aarde: aardse bezittingen, levensonderhoud. De een bezit dit in rijker mate, zoals de welgestelde vader van de twee zoons, met zijn royale bezittingen (Luk. 15: 12 en 30); de ander in mindere mate, zoals de arme weduwe die haar twee koperstukjes en daarmee haar hele levensonderhoud in de offerkist in de tempel deponeerde. Maar zij hebben allen wat nodig is. Welnu, zo iemand, die het meer of minder goed heeft in het leven, mag zijn binnenste niet toesluiten, als hij zijn broeder gebrek ziet lijden. Zou hij zich het lot van zulk een behoeftige broeder of zuster niet metterdaad aantrekken, dan kan de liefde van God niet in hem blijven. Zou het daadwerkelijke liefdebetoon ontbreken, dan zou de naam van de Here worden gesmaad en zou de gemeente, als gemeenschap van de heiligen, verloren gaan.

De realisering van dit nieuwe gebod van de Heiland loopt echter al spoedig ernstig gevaar. Aanvankelijk neemt de gemeente van Jeruzalem hand over hand toe in ledental (Hand. 2: 41; 4: 4; 5: 15; 6: 1). Tot haar behoren, behalve Hebreeuwstaligen, ook Griekstaligen. Dit taalverschil wordt oorzaak van gemor. De eensgezindheid, die de gemeente heeft gekenmerkt van het begin af (Hand. 1:  14; 2:  46; 4: 24; 5: 12), dreigt verloren te gaan. Daardoor zou zij in opspraak kunnen geraken en haar aantrekkelijkheid (‘... zie toch, hoe lief ze elkaar hebben!’) schade berokkenen.
Aanleiding tot dit gemor is, dat er in die periode van gestage groei iets begint te haperen aan de dagelijkse verzorging (Lukas schrijft hier het woord ‘diakonie’). Bij deze dagelijkse diakonie zullen we wel moeten denken aan een gewoonte, die van het begin af in de gemeente

|29|

had bestaan (zie Hand. 2: 45). Die hapering wordt ondervonden door de weduwen van de Griekstaligen. Die worden, stellig niet met opzet, verwaarloosd, over het hoofd gezien, gepasseerd.
Lukas deelt niet mee, in welk opzicht zij werden verwaarloosd. Het lijkt niet waarschijnlijk, dat de hier bedoelde weduwen hulpverleensters zijn en daar niet (voldoende) bij worden ingeschakeld. Zou Lukas dat hebben willen signaleren, dan zou hij dat ongetwijfeld duidelijk hebben doen uitkomen: hulpverlening door vrouwen was in die tijd iets geheel nieuws in vergelijking met wat men gewend was in de synagogen van de Joden. In plaats daarvan zullen we moeten bedenken, dat de weduwen van de Griekstaligen (vaak immigranten) veelal geen familieleden ter plaatse hadden en derhalve waren aangewezen op hulp van anderen. Aanvankelijk kregen zij die hulp wel van de onderscheiden synagogen; nadat zij echter christin waren geworden werden zij afgevoerd van de synagogale lijsten van personen die geholpen werden. Dientengevolge waren zij nu aangewezen op hulp van de christelijke gemeente.
Hoe dit verder ook mag zijn, omdat er iets niet goed verloopt bij de hulpverlening, gaan de apostelen zich ermee bemoeien. Zij staan voor de vraag, hoe en wat zou moeten worden gedaan, om hier verbetering aan te brengen. Zij zijn ervan overtuigd, dat het niet goed zou zijn, als zij, door zelfde ‘bediening van de tafels’ (kennelijk een onderdeel van ‘de dagelijkse diakonie’) ter hand te nemen, minder tijd over zouden houden voor de regelmatige voortgang van de prediking. Op hun voorstel wordt daarom een zevental mannen voor die tafeldienst gekozen.
Deze zeven mannen worden ons niet voorgesteld met de titel ‘diaken’ (Hand. 6: 1-7). Maar duidelijk is, waarom zij werden aangesteld: toen de gemeenschapsoefening gevaar begon te lopen, werden zij gekozen om op dat specifieke punt zich in te zetten. De dagelijkse bediening van de gemeente, inclusief de bediening van de tafels mag niet ten koste van de voortgang van de prediking plaats vinden. Daarom werden de toen nodige maatregelen getroffen. Dit heeft meegeholpen, de ontstane misstand op te heffen. De groei van de gemeente gaat weer door.
Deze gegevens zijn van blijvend belang voor de inrichting van het kerkelijk leven. Voorop staat en blijft staan, dat de prediking en het onderwijs onverkort voortgang zullen krijgen. Als de daadwerkelijke beoefening van de gemeenschap der heiligen dit vergt, omdat de onderlinge zorg voor elkaar in de gemeente moet worden gestimuleerd

|30|

en in goede banen moet worden geleid, dan ligt hier aanleiding voor het in het leven roepen van het bijzondere diakonaat.

 

10. Diaken van Christus

De kerk krijgt haar diakenen opdat zij, in ambtelijke dienst van de Here, in de gemeente zorg zullen dragen voor de goede voortgang van de daadwerkelijke beleving van de gemeenschap der heiligen. Zij moeten toezien, dat op dit punt geen misstanden ontstaan, die de kerk ten val zouden brengen.
Zij zullen zich terdege op de hoogte moeten stellen van de moeiten die er in de gemeente zijn: ziekte, eenzaamheid, armoede. Daarvoor is het nodig dat zij de gezinnen bezoeken. Dat is een goede gelegenheid om eventuele noden te peilen en om aandacht te vragen voor de noden van de broeders en zusters. Zij moeten de leden van de gemeente opwekken tot onderlinge hulpverlening. Blijkt dat zulk onderling hulpbetoon niet toereikend is of soms zelfs geheel ontbreekt, dan zullen de diakenen zelf de ingezamelde gaven uitdelen.
Hun werk houdt echter niet allermeest in, dat zij hier en daar bij een behoeftige broeder of zuster geldelijke ondersteuning bezorgen, eventueel vergezeld van een bemoedigend en vertroostend woord. Zij moeten zich met woord en daad beijveren, dat de gemeenschap der heiligen, die de gemeente in haar publieke erediensten beleeft en aan het avondmaal viert, ook zichtbaar en tastbaar wordt in de daadwerkelijke hulp, die zij in Christus’ naam mogen uitreiken.
De gaven die zij brengen vormen slechts een deel van wat zij aan de huizen bezorgen. Zij zijn in naam van Christus ingezet voor de concrete realisering van de gemeenschap der heiligen die zonder hun dienst schade zou lijden.
Het is dan ook niet zo, dat de predikanten en ouderlingen een hoger ambt bedienen dan de diakenen. De predikanten en ouderlingen zijn geroepen door prediking en onderwijs de gemeente de weg van de kerk door dit leven te wijzen. De diakenen hebben tot taak, permanent te bevorderen dat de kerk in de praktijk blijft beleven dat zij gemeenschap der heiligen is en tevens degenen die ten gevolge van armoe en gebrek niet méé zouden kunnen komen op de kerkweg, daadwerkelijk verder te helpen.

Bouma, H. (1988) HIII

|31|

III De kerkelijke samenleving van Gods verbondsvolk

 

1. Voortgaande kerkinstituering

Het boek Handelingen der Apostelen biedt ons ook een overzicht van de eerste ontwikkeling van het kerkelijk leven. Reeds heel spoedig na de uitstorting van de Heilige Geest is er sprake van een ‘gemeente’, een georganiseerde kerk, in Jeruzalem (5: 11). De gelovigen leven niet los naast elkaar, maar worden officieel bijeenvergaderd door de apostelen tot een eigen volksvergadering, het georganiseerde, nieuwtestamentische volk van God.
Aanvankelijk is er sprake van ‘de gemeente te Jeruzalem’ (8: 1). Maar de vervolging door Saulus leidt tot een massale vlucht van de gemeenteleden naar de streken van Judea en Samaria (8: 2), ook naar Galilea (9: 31) en later zelfs naar Fenicië, Cyprus en Antiochië (in Syrië, 11: 19). Overal verkondigen de vluchtelingen het evangelie, zodat alom mensen tot geloof komen. Toch lezen we nog niet direct over afzonderlijke kerkstichting op al de plaatsen waar de vluchtelingen voor korter of langer tijd verblijf houden. Zij en degenen die onder hun prediking tot geloof komen, blijven aanvankelijk blijkbaar behoren tot de gemeente die te Jeruzalem is gevestigd.
Na verloop van tijd is hier echter verandering in gekomen. Dit blijkt uit een paar opmerkingen van Paulus in zijn brief aan de gemeenten van Galatië. Daarin herinnert hij aan zijn vroegere gedrag: ik heb de gemeente van God bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien (1: 13). Hier doelt de apostel op de tijd van zijn kerkvervolging, die is vermeld in Hand. 8: 1-3. In dat verband gebruikt hij het woord ‘de gemeente’ in het enkelvoud: op dat tijdstip bestaat er kennelijk nog slechts één georganiseerde christen-gemeente, namelijk die te Jeruzalem. Maar verderop in dezelfde brief schrijft hij, dat hij een paar jaar later aan de gemeenten van Christus in Judea van aanzien onbekend was (1: 22). Daar staat dan het woord 'gemeenten' in het meervoud: ‘de gemeenten van Judea’. In de periode tussen de vervolging (Hand. 8: 1) en zijn bezoek aan Petrus en Jakobus (Gal. 1: 18-23), ongeveer driejaar later, is het dus in Judea gekomen tot voortgaande kerkinstituering.

 

2. Interkerkelijke zelfstandigheid

De historische ontwikkelingsgang laat zien, dat de ene kerk te Jeruzalem

|32|

allengs is uitgegroeid tot een meervoud van kerken in Judea. Later ontstaan ook kerken in andere gebieden, zoals in het Syrische Antiochië (Hand. 11: 26), in Lystra, Ikonium en Antiochië in Pisidië (Hand. 14: 23), in Syrië en Cilicië (Hand. 15: 41) en in Klein Azië (Hand. 16: 5), o.a. in Efeze (Hand. 20: 17) en zelfs in Europa.
Al deze kerken zijn ontstaan door de actie, die in Jeruzalem is begonnen en vandaaruit is uitgewaaierd over heel Judea en Samaria en tot het uiterste van de aarde, overeenkomstig de opdracht van de Here zelf (Hand. 1: 8).
Deze ontstaansgeschiedenis wijst op onderlinge samenhang. Toch is die samenhang niet van die aard, dat al die later geïnstitueerde kerken een soort ‘afdeling’ vormen van de ‘moederkerk’ in Jeruzalem. Die kerken staan organisatorisch gezien, zelfstandig naast elkaar. Deze zelfstandigheid van elke plaatselijke kerk blijkt bij voorbeeld uit Paulus’ aanspraak van de oudsten van de gemeente in Efeze. De Heilige Geest heeft hen tot opzieners aangesteld over ‘de hele kudde’. Dat is dan (om met Petrus te spreken) de kudde van God, die bij hen ter plaatse is (1 Petr. 5: 2). De afgescheiden gemeente van Efeze (Hand. 19: 9) heet zonder meer de hele kudde, of de gemeente van God (niet slechts een deel daarvan); de oudsten moeten die ‘hele kudde’, die ‘gemeente van God’ als haar herders verzorgen (Hand. 20: 28).
Conclusie kan dus zijn, dat de kerken op de verschillende plaatsen wel zijn ontstaan door contact met andere kerken (of vertegenwoordigers van andere kerken). Maar deze relatie houdt niet in, dat we kunnen spreken van de ene of andere ‘landskerk’, bij voorbeeld de kerk van Galatië of, naar analogie daarvan, ‘de kerk van Nederland’, ‘de Nederlandse (Hervormde) Kerk’. Tevens vinden we in deze bijbelse aanwijzing grond voor de regel dat geen kerk over andere kerken mag heersen (KO, 83a).

 

3. Interkerkelijke samenhang

De verstrooide leden van de kerk te Jeruzalem, die wegens de vervolging door Saulus zijn gevlucht, verkondigen het evangelie overal op hun vluchtweg (Hand. 8: 4). Zo komen zij in Fenicië, sommigen gaan scheep naar Cyprus, anderen trekken verder naar het Syrische Antiochië. Op die tocht hebben zij het evangelie alleen aan Joden verkondigd. Maar in Antiochië wordt het anders. Enkele uit Cyprus en Cyrene afkomstige Hellenisten, die in Jeruzalem christen zijn geworden, beginnen het evangelie nu ook aan de Grieken te verkondigen. Gevolg is, dat er een gemeente ontstaat, die een sterk heiden-christelijk

|33|

karakter draagt; er komt een groot aantal tot het geloof en bekeert zich tot de Here (Hand. 11: 19-21).
Het gerucht hiervan dringt door tot de kerk te Jeruzalem. Men besluit Barnabas poolshoogte te laten nemen. Het valt op, dat deze afvaardiging plaats vindt door een meervoud: zij vaardigen Barnabas af. Bij dit meervoud kan men denken aan de gemeenteleden in Jeruzalem. Maar niet is uit te sluiten, dat dit meervoud is gevormd door de gezamenlijke kerken in Judea. Zekerheid is hier niet te krijgen. Slechts moet worden gerekend met deze mogelijkheid.
Het mag ook niet aan onze aandacht ontgaan, dat juist Barnabas wordt afgevaardigd. Hij is zelf afkomstig uit Cyprus (Hand. 4: 36) en is dientengevolge wel het best van alle broeders in staat, naar Antiochië te gaan om daar onderzoek te doen naar het werk van de andere Cyprioten. Vanwege de gemakkelijke verbinding tussen Cyprus en Antiochië zal hij ook beter in die stad bekend zijn geweest dan anderen. In elk geval is hij, als zoon der vertroosting (Hand. 4: 36), zeer geschikt voor de hem opgedragen taak: hij zal niet gauw iets goeds beschadigen of afbreken.
De vraag rijst, met welke bevoegdheid Barnabas in Antiochië kan optreden. Uit de bewoordingen die Lukas gebruikt, kunnen we opmaken, dat het de bedoeling is, dat Barnabas op zijn reis de hele weg moet volgen, die de verstrooiden vóór hem hebben afgelegd. Hij zal dan overal met de aanwezige christenen kunnen spreken en nagaan, hoe het met hen staat. Zo zal hij uiteindelijk ook Antiochië bereiken.
Daar aangekomen komt hij tot de ontdekking, dat er sprake is van Gods genade. In Jeruzalem is gehoord over mensenwerk van Cyprioten en Cyreneeërs; het blijkt Gods werk te zijn.
Daar verheugt hij zich over. Want er blijkt Geestelijke verwantschap, genade-verwantschap te bestaan tussen Jeruzalem en Antiochië. Vanwege deze Geestelijke verwantschap bestaat er onderlinge saamhorigheid; de saamhorigheid van de éne Geest, die in al de gemeenten werkt.
Toch valt het op, dat ondanks die Geestelijke genade-verwantschap tussen de kerken, zij nimmer allemaal samen onder die éne verzamelnaam ‘de kerk’ worden aangeduid. Er is sprake van ‘de kerken’ (meervoud) in Syrië en Cilicië (Hand. 15: 41) in Galatië (1 Kor. 16: 1; Gal. 1: 2), in Asia (1 Kor. 16: 19; Opb. 1: 4, 20), in Macedonië (2 Kor. 8: 1). Hoogstens kan uit dit bijbels spraakgebruik van kerken in een bepaald gebied worden afgeleid, dat die geografisch

|34|

dichter bij elkaar zijn gelegen en dientengevolge ook meer met elkander te maken hebben dan kerken uit andere gebieden. Zo behoort de kerk te Efeze tot de kerken in Asia; haar samenleving met de andere kerken in datzelfde Asia is directer dan bij voorbeeld met een van de kerken uit Macedonië of Achaje.
Maar deze samenvoeging van kerken in bepaalde gebieden vermindert niet de zelfstandigheid van elk van de kerken uit een gebied. Er is dus wel sprake van Geestelijke eenheid, niet van organisatorische eenheid.

 

4. Interkerkelijke samenleving

De erkenning van Geestelijke saamhorigheid leidt tot samenleving in verschillende opzichten.
Zo preekt Barnabas in Antiochië. Hij bindt de broeders en zusters op het hart trouw te blijven. Met dit vermaan (aldus de Statenvertaling in Hand. 11: 23) kan en mag hij in Antiochië optreden, niet uit kracht van zijn afvaardiging door de kerk te Jeruzalem (eventueel: de kerken in Judea); dus niet met hem door de afvaardigende instantie verleende autoriteit. Maar hij is een goed man: hij zoekt het goede voor de gemeente en wordt gedreven door de Heilige Geest, die hem geheel heeft vervuld. Zo spreekt hij daar als broeder onder de broeders, zonder last en volmacht van menselijke kant. En de Here geeft daar zijn zegen op: het komt tot aanzienlijke groei van het ledental. Ook in ander opzicht wordt de Geestelijke saamhorigheid beleefd. Profeten uit Jeruzalem voorzeggen een grote hongersnood. Met het oog hierop organiseert Antiochië de nodige financiële hulp voor de zusterkerken in Judea.
Naderhand schrijft Paulus over christelijke handreiking aan behoeftige broeders en zusters als een schuldige christenplicht. Hij meldt aan de gemeente te Rome, dat de broeders in Macedonië en Achaje hebben goedgevonden, zulk een handreiking te doen aan de armen onder de heiligen te Jeruzalem. Paulus schrijft dat zij het fijn vinden op deze manier gemeenschap te kunnen oefenen met gelovigen elders. Voor wat hen betreft, doen zij dit vrijwillig en met vreugde zonder enige dwang (Rom. 15: 26). Toch voegt hij daar nog aan toe: zij zijn het ook jegens hen verplicht. Met deze woorden wijst hij op de zedelijke verplichting daartoe. Hij motiveert dit als volgt: omdat de christenen uit de heidenen deel hebben gekregen aan de geestelijke goederen, die uit Jeruzalem afkomstig zijn (het evangelie, dat met Jeruzalem als uitgangspunt door de wereld is gegaan), behoren die heiden-christenen

|35|

bij wijze van priesterlijke dienst aan de Here hun stoffelijke goederen voor de Jeruzalemse gelovigen af te staan.
Ook aan de gemeente te Korinte schrijft Paulus over hetzelfde onderwerp. In de Macedonische gemeenten leeft de sterke begeerte, deel te mogen nemen aan de beoefening van de gemeenschap met de broederschap elders, door voor de heiligen ginds te offeren (2 Kor. 8: 4-7). De apostel schrijft die kollekte niet bij wijze van opdracht aan de gemeente voor. Hij vraagt geen afgeperste gift, maar een milde gave (9: 5). Men moet het goed in het oog houden: bij dit liefdewerk gaat het om de eer van de Here zelf (8: 19).
De interkerkelijke samenleving openbaart zich dus in wederzijds hulpbetoon in prediking en christelijke handreiking. Die samenleving is enerzijds zaak van vrijwilligheid, voorzover zij van mensen afhangt. Anderzijds berust zij op de wil van God, die liefdebetoon van zijn kinderen eist.
Er is nog op een derde punt te wijzen bij de interkerkelijke samenleving. Wanneer een broeder of zuster uit de ene kerk vertrekt naar een andere, dan is er op die andere plaats een gemeente, die vrucht is van hetzelfde werk van de Heilige Geest. De vertrekkende broeder en zuster kunnen zich daar dus opnieuw aansluiten. Met het oog daarop verstrekt de ene kerk ‘aanbevelingsbrieven’ voor de andere, documenten waarin de betrokken persoon of personen bij de kerk van vestiging worden geïntroduceerd (zie 2 Kor. 3: 1). Zo beveelt Paulus bij voorbeeld Febe bij haar vertrek uit Kenchreeën aan bij de broederschap in Rome (Rom. 16: 1). De gemeente te Efeze geeft aan Apollos bij diens vertrek naar Achaje zulk een attest mee voor de kerk in Korinte: men schrijft aan de discipelen daar, dat zij hem vriendelijk (blij en dankbaar, welwillend) moesten ontvangen (Hand. 18: 27). Daartoe schrijft men in zulke aanbevelingsbrieven ook de nodige gronden: Febe heeft velen, ook Paulus persoonlijk, bijstand verleend en Apollos heeft bijzonder gearbeid onder de Joden.
Ook op die manier, door het wederzijds afgeven van dergelijke aanbevelingsbrieven, op grond waarvan men eikaars leden erkent en aanvaardt, beoefent men de Geestelijke gemeenschap tussen de zusterkerken onderling (zie KO, 63).
Misschien kan nog op een vierde punt worden gewezen. Als Paulus aan de Korintiërs schrijft over een kollekte voor Jeruzalem, deelt hij ook mee dat de (Macedonische) kerken een broeder hebben aangewezen om met Paulus de opbrengst van de kollekte naar Jeruzalem te brengen (2 Kor. 8: 18v.). Hoe deze benoeming heeft plaats gevonden,

|36|

lezen we hier niet. Dit kan zijn gebeurd door schriftelijke correspondentie, maar ook in een gemeenschappelijke vergadering. In elk geval is hier sprake van onderling overleg over gemeenschappelijke zaken.
Hier vinden we dan een aanwijzing voor de onderlinge omgang van de kerken, zoals wij die kennen in de correspondentie met zusterkerken en in onze gezamenlijke vergaderingen.

 

5. Bedreiging voor de opbouw van de kerk

De Here Christus zelf bouwt zijn gemeente (Matt. 16: 18), zodat geen tegenstander haar kan te gronde richten (Ps. 46: 6). Hijzelf is ook haar enige fundament (1 Kor. 3: 11). Nu schakelt Hij bij de afbouw van zijn kerk mensen in, ook ambtsdragers. Zij zijn Gods medearbeiders (1 Kor. 3: 9). Maar zelfs de allerheiligsten onder hen zijn zondige mensen, die het werk van de Here makkelijk kunnen tegenstaan. Vandaar de apostolische waarschuwing, dat ieder goed moet toezien, hoe hij met die opbouw bezig is. Men kan daarbij kostbaar materiaal gebruiken, maar ook ondeugdelijk materiaal hanteren (1 Kor. 3: 11-15). In het laatste geval zal zijn werk in Gods oordeel vergaan.
In het voorgaande zijn de richtlijnen, die de Here geeft voor de opbouw van zijn kerk summier beschreven. In zijn Woord waarschuwt de Here ook tegen het kerkverwoestende gevaar, dat zich bij de kerkelijke opbouw kan voordoen en dat ook metterdaad in de loop van de kerkgeschiedenis zich meer dan eens en op meer dan een manier heeft voorgedaan.
Reeds de apostel Petrus onderkent dit dodelijke gevaar, als hij de oudsten in de Klein-aziatische kerken vermaant tegen heerschappij-voering in de gemeente, waarin elk van hen zijn ambtelijke taak heeft toegewezen gekregen (1 Petr. 5: 3). De uitdrukking 'heerschappij voeren' betekent zoveel als: de baas spelen, overheersen, onder de duim willen houden. Het is het zich aanstellen als koning, die het soeverein voor het zeggen heeft. In de wereld is dit wel het geval bij aardse machthebbers. In de kerk liggen de verhoudingen echter anders, zodat daar zulk ‘heerschappij voeren’ eenvoudig niet past (Matt. 20: 25; Mark. 19: 42).
Al heel spoedig in de loop van de kerkgeschiedenis is dit onderwijs van de Heiland zelf en van zijn apostel Petrus in het vergeetboek geraakt.
Tegen het einde van de eerste eeuw van onze jaartelling, nog geen

|37|

halve eeuw na Petrus’ indringende waarschuwing, leeft in een van de Klein-aziatische gemeenten een zekere Diotrefes (3 Joh.). De man is kennelijk ambtsdrager, want hij is bij machte deze en gene uit de gemeente te werpen (vers 10, slot). We vernemen, dat hij de eerste tracht te zijn (vers 9). Hij begeert het primaat in de kerk te bemachtigen, zo schrijft Johannes letterlijk. Terwijl alleen de Here Christus vanwege zijn sterven en opstanding als enige onder alles de eerste is geworden (Kol. 1: 18), wil Diotrefes graag een dergelijke positie bekleden in zijn gemeente.
Hij weigert Johannes te ontvangen. Niet dat hij ongastvrij de huisdeur voor de apostel gesloten houdt. Er steekt iets anders achter. Ontvangen betekent hier zoveel als: accepteren, hem in zijn apostolisch gezag erkennen. Hij, Diotrefes, is zélf toch ook ambtsdrager? Hij heeft bemoeiing van Johannes niet nodig, meent hij.
Ook weigert hij de broeders te aanvaarden, die zijn uitgegaan terwille van de Naam. En dit terwijl de gemeenten toch zulke mannen behoren te aanvaarden, om zo mee te werken ten dienste van de Waarheid, de prediking van het evangelie (vers 5-8). Wanneer een gemeentelid zulke predikers wel bereidvaardig ontvangt, wordt zo iemand door Diotrefes uit de gemeente gebannen. Mogelijk komt de man tot deze gedragslijn omdat hij van mening is dat de zelfstandigheid van elke gemeente moet worden gehandhaafd tegenover iedere beïnvloeding van buiten. Hij streeft naar onafhankelijkheid van ‘zijn’ gemeente. Vandaar zijn 'zwetsen met boze woorden', zijn verdachtmaking van Johannes, alsof die zich onbevoegd zou indringen in de dienst van de plaatselijke ambtsdragers. Vandaar ook zijn tuchtmaatregelen tegen leden van de gemeente, die hem hierin niet volgen.
Het trachten de eerste te zijn is de wortel van een kwaad, dat zich in verschillende richtingen heeft vertakt.
De ambtsdrager Diotrefes streeft naar heerschappijvoering over de gemeente: wie hem niet volgt wordt uitgebannen. Mogelijk wel met de beste bedoeling omdat hij de gemeente wil vrijwaren voor wat hij verkeerde invloeden vindt. Uit dezelfde wortel ontwikkelt zich naderhand de heerschappijvoering (het primaat) van één man, niet slechts over één plaatselijke kerk, maar over de ‘wereldkerk’ (de pauselijke hiërarchie).
Een andere vorm van dergelijke heerschappijvoering is terug te vinden waar de éénhoofdige hiërarchie van de paus is vervangen door een meer-hoofdige hiërarchie van landelijke synodes (synodo-kratie), zoals die bestaat bij de Nederlandse Hervormde Kerk en bij de

|38|

Gereformeerde Kerken die met elkaar ‘samen op weg’ en ‘in staat van hereniging’ zijn.
Uit dezelfde wortel komt ook voort het stelsel, waarbij een kerkeraad zich soeverein op de troon in een plaatselijke kerk plaatst (consistorio-kratie = heerschappij door het consistorie, de kerkeraad). Dit leidt tot independentisme, het stelsel waarbij elke plaatselijke kerk oordeelt, bij monde van haar kerkeraad, dat zij ‘independent’, onafhankelijk van zusterkerken, zal uitmaken hoe en wat er in haar zal worden geleerd en hoe zij zal worden geregeerd.

Ter voorkoming van zowel het ene als het andere dodelijke gevaar, dat de kerk kan bedreigen, is het van belang, dat de leiding van de kerk niet in handen wordt gelegd van een enkele ambtsdrager. Reeds de bijbelse Spreukendichter heeft op het belang van gemeenschappelijk overleg gewezen: er is redding, als er veel raadgevers zijn (Spr. 11: 14; 15: 22). We vernemen in de Schrift dan ook, dat van het begin af meer dan één ambtsdrager per gemeente wordt aangesteld (Hand. 14: 23). De oudsten vormen samen een college, dat als de 'ouderlingschap', het presbyterium van een bepaalde gemeente optreedt, bij voorbeeld bij de bevestiging in het ambt (1 Tim. 4: 14). Dit college is speciaal belast met het opzicht over de leer en de tucht. Wij noemen dit college, dat bestaat uit de predikant (en) en de ouderlingen, kerkeraad. De kerkeraad is bevoegd de plaatselijke kerk te regeren.
Elke kerk (met haar kerkeraad) moet ook in rekening brengen wat Paulus aan de kerk in Korinte heeft geschreven. Terzake van een bepaald punt, namelijk het optreden van de vrouwen in de gemeente, volgt men daar een eigen weg. De apostel wijst dit ‘Korintisch kwaad’ af. Hij vraagt haar, op welke grond men zo handelt. Soms omdat de kerk te Korinte de toon kan aangeven, omdat het Woord van God eerst in haar was geopenbaard en van haar uit de wereld was ingegaan? Maar ieder kan weten, dat dit niet het geval is. Korinte is niet het startpunt van het evangelie geweest op zijn wereld-veroverende tocht. Evenmin is het Woord van God alleen tot Korinte uitgegaan, zodat men daar de bijbelse wijsheid in pacht zou hebben gekregen. Daarom, zo bedoelt de apostel duidelijk te maken, heeft de kerk te Korinte rekening te houden met het gevoelen van de andere kerken (1 Kor. 14: 36). In de Korintische gemeente mogen de vrouwen geen andere positie innemen dan in alle andere kerken (1 Kor. 14: 34). Het ‘Korintisch kwaad’ van het individualisme, ook van ambts-individualisme

|39|

of van kerkeraads-individualisme mag in de kerken geen ingang vinden. Deze regel geldt vandaag nog. De zusterkerken bestaan wel zelfstandig naast elkaar, maar leven niet onafhankelijk van elkaar. De Geestelijke eenheid noopt tot gemeenschappelijk optreden in zaken, die alle zusterkerken gemeenschappelijk hebben.
De Schrift wijst alle hiërarchie af, maar niet minder elke vorm van independentisme. Beide zijn dodelijk voor de bewaring van de kerk op het enige fundament, dat haar is gegeven in Christus, haar enige Bisschop en Leraar.
Het ‘Korintisch kwaad’ van het independentisme kan niet worden overwonnen door hiërachie, net zo min als het kwaad van de hiërarchie wordt weggedaan door op independentistisch spoor te gaan. De gereformeerde kerken hebben beide ‘kwaden’ afgewezen, door enerzijds overeen te komen, dat zij een uitspraak van een kerkelijke vergadering (ook van een meerdere vergadering) als bindend zullen aanvaarden (KO, 31), en anderzijds te bepalen, dat geen kerk over andere kerken, geen ambtsdrager over andere ambtsdragers, op welke wijze ook, mag heersen (KO, 83).

 

6. De kerkelijke vergaderingen

De gereformeerde kerken in Nederland kennen vier verschillende kerkelijke vergaderingen, die met vaste regelmaat worden gehouden (KO, 28).
Uiteraard komt de kerkeraad in de eerste plaats. Hij is het college waarin de predikanten en de ouderlingen gezamenlijk overleg plegen en besluiten nemen met betrekking tot de aan hen toevertrouwde gemeente (1 Tim. 4: 14: het presbyterium, ‘de ouderlingschap’). In alle kerken behoort zulk een kerkeraad te zijn (KO, 36).
Daarnaast worden ook andersoortige vergaderingen gehouden, namelijk van telkens een aantal zusterkerken gezamenlijk. Wij spreken dan over meerdere vergaderingen (‘meerder’ betekent hier niet ‘hoger’, maar: ‘meer kerken omvattende’). Bij de samenstelling van deze vergaderingen wordt de geografische situatie in rekening gebracht. Dichtbij elkaar liggende kerken zijn doorgaans in allerlei opzicht nauwer aan elkaar verbonden en komen meer met elkaar in aanraking. Zij komen dan ook vaker bij elkaar. Zulk een vergadering van naburige kerken noemen wij classis. Zij wordt minstens eenmaal in de drie maanden gehouden (KO, 41).
De kerken in een provincie zijn meer in aantal dan die in een classis. Zij zijn wat verder van elkaar verwijderd en zij hebben doorgaans

|40|

minder aanrakingspunten. Zij vergaderen gewoonlijk eenmaal per jaar in particuliere synode (KO, 45); omdat sommige provincies te weinig zusterkerken tellen, zijn kerken uit naast-gelegen provincies aan haar toegevoegd. Daarom spreken wij niet over een ‘provinciale’, maar over een ‘particuliere’ synode: een synode van een ‘part’ van alle zusterkerken uit het hele land.
Tenslotte zijn er ook vergaderingen van alle zusterkerken in het land. Eens in de drie jaren worden zij gehouden onder de naam ‘generale synode’ (soms, om dringende redenen, komen zij vaker bij elkaar; KO, 46).
Er bestaat wezenlijk onderscheid tussen enerzijds de kerkeraden en anderzijds de meerdere vergaderingen. Kerkeraden worden gevormd door ambtsdragers. Uit hoofde van hun ambt hebben zij daar allemaal zitting in. De meerdere vergaderingen worden gevormd door afgevaardigden (doorgaans predikanten en/of ouderlingen). Deze broeders hebben in die vergaderingen geen zitting krachtens hun ambt; zij ontlenen het recht om zitting te nemen in die vergaderingen aan hun afvaardiging, die uit hun geloofsbrieven moet blijken (KO, 32). De kerken die classicaal aan elkaar zijn verbonden, hebben krachtens dit bondgenootschap ook aanvaard, dat de classis bevoegd is, rechtsgeldige uitspraken te doen ten opzichte van de kerkeraad. Dit geldt eveneens voor de particuliere synode ten opzichte van de classis en voor de generale synode ten opzichte van de particuliere (KO, 35). Deze bevoegdheid van de meerdere vergaderingen berust op onderlinge afspraken. Zij is van heel andere aard dan die van de ambtsdragers ten opzichte van de gemeenteleden. Deze berust op het gezag van Hem, die hen aan de gemeente heeft gegeven en in haar aangesteld. De bijbel wordt niet moe, aandacht te vragen voor deze bevoegdheid van de ambtsdragers (Matt. 16: 19, enz.).

Ook kerkelijke vergaderingen hebben leiding nodig, een voorzitter. Deze voorzitter staat niet boven de andere ambtsdragers of afgevaardigden en heeft ook niet meer macht dan zij. Maar het is nodig, dat iemand de zaken die voor behandeling in aanmerking komen, duidelijk aan de orde stelt. Hij moet ook zorgen dat de bespreking ordelijk verloopt en erop toezien, dat de vergadering niet ontaardt in een praat-club; de aan de orde gestelde zaken moeten behoorlijk worden afgehandeld (KO, 34).
In de artikelen 36 en 41 heeft de kerkorde bepaald, dat de leiding van de kerkelijke vergadering in handen van een predikant wordt gelegd.

|41|

Vanwege zijn studie, maar ook omdat het in het kader van zijn ambt voor de hand ligt dat hij de meest doeltreffende voorbereiding kan plegen, hebben de kerken dit zo afgesproken.
Om duidelijk te laten uitkomen, dat een voorzitter geen hogere macht heeft dan de andere ambtsdragers en om te voorkomen, dat men hem zulk een hogere positie zou toedenken, is tevens uitdrukkelijk bepaald, dat zijn taak is beëindigd wanneer de vergadering is gesloten (KO, 34). Eveneens ter voorkoming van de misvatting, dat de ene of andere predikant hoger kan of mag worden aangeslagen dan zijn collega’s, mag een classis niet tweemaal achtereen dezelfde praeses kiezen (KO, 41). Zoveel maar mogelijk is, wordt zelfs de schijn van dominokratie geweerd.
Omdat alle mensen, ook ambtsdragers en afgevaardigden naar meerdere kerkelijke vergaderingen in en uit zichzelf in wijsheid tekort schieten, moeten de kerkelijke vergaderingen om de nodige wijsheid bidden tot God. Goede afhandeling van de hun opgedragen aangelegenheden is onmogelijk zonder het voorafgaand gemeenschappelijk gebed, waarin eigen onbekwaamheid wordt erkend en wordt gesmeekt om de leiding en de verlichting door de Heilige Geest (Jak. 1: 5).
Na afhandeling van de voorgelegde zaken past vervolgens dank aan de Here voor zijn leiding en verlichting. Maar ook moet dan opnieuw gebeden worden, of Hij de goede besluiten wil bekronen met zijn zegen. Mocht iets Hem niet behagen, dan moge Hij genadig vergeven wat werd besloten en het beslotene verijdelen (KO, 29). Met het oog op dit slotgebed is het nodig, dat in de (meerdere) vergaderingen vóór de sluiting wordt nagegaan, of iemand zich tijdens de vergadering heeft misgaan. Staande de vergadering zal dat eventueel nog uit de weg moeten worden geruimd (KO, 48) opdat het dankgebed niet wordt verijdeld.

 

7. De kerkelijke agenda

De agenda van de kerkelijke vergaderingen is begrensd. Zij mogen geen andere dan kerkelijke zaken behandelen (KO, 30). Zij ontvingen geen wetenschappelijke, geen politieke, geen maatschappelijke bevoegdheid en mogen noch kunnen daarom op die terreinen uitspraken doen.
De kerkelijke zaken die een kerkeraad mag behandelen zijn: het ambtelijk opzicht over de leer en de tucht (en al wat hiermee onlosmakelijk samenhangt, zoals bij voorbeeld de plaats waar de erediensten

|42|

zullen worden gehouden, enz.). Hij moet de ware religie onderhouden, dat wil zeggen haar ongerept bewaren, haar beveiligen tegen afdwaling. Ook moet hij zorgen dat de ware leer wijd en zijd wordt verkondigd. Bovendien moet hij toezien op de oefening van de tucht en op de christelijke verzorging van de behoeftigen (NGB, 30; zie ook KO, 40).
Een meerdere vergadering mag alleen die kerkelijke zaken in behandeling nemen die de kerken in haar ressort gemeenschappelijk aangaan (KO, 30). Met deze ‘gemeenschappelijke zaken’ worden niet alle zaken bedoeld die in elke kerk thuis horen, maar alleen die zaken, die betrekking hebben op het aangaan en in stand houden, het oefenen van de onderlinge gemeenschap.
Niet alle kerkelijke zaken zijn gemeenschapszaken. De zorg voor het levensonderhoud van een predikant is wel een kerkelijke, maar geen gemeenschapszaak (al kan elke kerk, in geval van hulpbehoevendheid, een beroep doen op de hulp van de zusterkerken; maar ook in dat geval wordt deze kerkelijke zaak geen gemeenschapszaak).
Daarnaast mag een kerkeraad voor een of andere kerkelijke zaak, die hij zelf, ondanks alle eraan bestede moeite, niet heeft kunnen afhandelen, de hulp van een meerdere vergadering inroepen. Dit kan bij voorbeeld het geval zijn, als hij, ondanks alle inspanning niet kan voorzien in het levensonderhoud van zijn predikant. Het kan zich ook bij andere, moeilijke zaken voordoen. De te hulp geroepen meerdere vergadering zal die zaak dan niet zelf afhandelen (een classis gaat dan niet ‘doen wat des kerkeraads is’), maar alleen het verzoek om hulp inwilligen en de verlangde hulp geven.
Ook op andere wijze kan een kerkelijke zaak bij een meerdere vergadering in behandeling komen, namelijk niet slechts als een kerkeraad hulp bij haar zoekt, maar ook als een gemeentelid hulp verlangt. Dan kan zulk een gemeentelid zich op de meerdere vergadering beroepen. Het kan toch gebeuren, dat iemand van oordeel is, dat hem door de uitspraak van een kerkelijke vergadering ‘onrecht is aangedaan’. Omdat ook ambtsdragers feilbaar zijn, hebben de kerken hier rekening mee gehouden (KO, 31). We moeten hierbij niet denken aan een situatie, dat iemand zijn gelijk niet heeft gekregen. Aanvankelijk hebben de kerken de mogelijkheid van zulk onrecht alleen ter sprake gebracht in verband met oefening van de tucht. Stel, dat een kerkeraad met een broeder of zuster de weg naar de afsnijding bewandelt. De betrokkene oordeelt echter dat dit ten onrechte gebeurt. Dan kan hij, zo hebben de kerken afgesproken, zich beroepen op de meerdere vergadering.

|43|

Hij kan haar hulp inroepen, opdat zijn band aan de kerk van God niet wordt verbroken.
Er kan zich ook een ander geval voordoen. Een kerk heeft door de ene of andere uitspraak de zaak van de Koning van de kerk schade berokkend. De zaak is zo ernstig, dat, als er geen verandering zou intreden, de betrokken kerk zou ophouden kerk te zijn en afscheiding nodig zou worden. Om zulk een dreiging nog tijdig te keren, is eveneens beroep op de meerdere vergadering mogelijk.
Duidelijk kan zijn, dat het bij een beroep op een meerdere vergadering nooit om een kleinigheid mag gaan of om eigen gelijk.
In dit verband is nog op het volgende te wijzen. Er is hier sprake van onrecht tengevolge van een ‘uitspraak’. Die is te onderscheiden van een ‘besluit’. Stel dat een kerkeraad een besluit heeft genomen, waarvan men oordeelt, dat het de kerk en haar Here schade zou doen. Dan zal men dit, met redenen omkleed, aan zijn kerkeraad voorhouden. Die zal bedoeld besluit daarna moeten toetsen en zo tot een uitspraak daarover komen: het besluit was goed, of het was niet goed. Beroep tegen een besluit wordt hier niet vermeld, wel beroep tegen een uitspraak: men moet dus niet al te overhaast zich tot de meerdere vergadering wenden, maar eerst de betrokken kerkeraad tot nadere bezinning roepen.
Nog een ander punt dient hier te worden genoemd. Kerkelijke besluiten behoren niet door overstemming, maar, indien enigszins mogelijk, door overeenstemming te worden genomen. In de kerk past toch geen heerschappij van de een over de ander (Matt. 22: 8vv.; Mark. 9: 35; Luk. 22: 25-27), ook niet van een meerderheid over een minderheid. Misschien biedt de beschrijving van het zogenaamde apostelconvent hier een sprekend voorbeeld van (Hand. 15: 5-22). Er is kwestie gerezen over de vraag, of gelovigen uit de heidenen moesten worden besneden en ook overigens de wet van Mozes onderhouden (vers 5). Daarover ontspint zich een uitvoerig debat. Op een beslissend moment staat Petrus op en herinnert aan wat God destijds had geopenbaard ten huize van de Romein Cornelius: de Here had toen de Heilige Geest gegeven aan onbesneden heidenen.
Na deze toespraak wordt de hele vergadering stil. Dit stilzwijgen betekent evenwel niet, dat men overtuigd is, zodat op dat moment reeds een besluit kan worden genomen. Daar is de vergadering kennelijk nog niet rijp voor. Er bestaat mogelijk nog niet voldoende overeenstemming. In elk geval: Barnabas en Paulus geven daarna een brede uitleg (breder dan bij hun eerste aankomst, 15: 4) van de grote

|44|

daden, die de Here in tekenen en wonderen te midden van de heidenen heeft verricht. Na hen voert Jakobus nog het woord. Zo komt de vergadering tenslotte tot een eenparig besluit, waarbij kan worden verklaard: het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht (vers 28). Indien we ons de gang van zaken destijds zo mogen voorstellen, vinden we hier een prachtig voorbeeld van ‘vergadertechniek’.
Uiteraard zal een kerkelijke vergadering in middelmatige zaken tot een besluit kunnen komen, of tot een uitspraak, bij meerderheid van stemmen. Dan zal de meerderheid van stemmen gelden: kerkelijke uitspraken, met meerderheid van stemmen genomen, zullen als bindend worden aanvaard (KO, 31). Een eventuele minderheid zal zich behoren neer te leggen bij het gevoelen van de meerderheid. Anders zou de gemeenschap worden opgebroken. Terwille van de bewaring van de gemeenschap zullen we voor elkaar uit de weg moeten gaan. Zulk voor elkaar uit de weg gaan is een schriftuurlijke eis (zie ook Hebr. 13: 17; het hier gebruikte woord ‘zich onderwerpen’ betekent: uit de weg gaan voor een ander, zich neerleggen bij wat de ander wil).
Overigens zal een kerkelijke vergadering er goed aan doen, indien dit enigszins mogelijk is, niet het gevoelen van de eventuele meerderheid tot besluit te verheffen. Een minderheid mag niet dwingend eisen, dat de meerderheid haar minderheidsgevoelen zal respecteren; een meerderheid moet niet zonder meer met haar gevoelen dat van de minderheid overstemmen.
Bij dit alles geldt evenwel één uitzondering. Als iemand bewijst, dat een uitspraak in strijd is met Gods Woord of met de aangenomen kerkorde, dan is een dergelijke uitspraak niet bindend (KO, 31). De ambtsdragers en alle kerkelijke vergaderingen dienen zich ervoor te wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons heeft geboden. Maar zij behoren eveneens, nadat zij een vaste orde (kerkorde) hebben ingesteld, die orde te handhaven om het lichaam van de kerk in stand te houden (NGB, 32). Afwijking daarvan zou het lichaam van de kerk schade berokkenen.
Mensen, ook ambtsdragers, ook vergaderingen van mensen, zijn feilbaar (Rom. 3: 4; Ps. 116: 11). Hiermee hebben de kerken gerekend, toen zij onderling afspraken, dat kerkelijke uitspraken, die zouden afwijken van Gods Woord, niet als bindend zullen worden aanvaard. Men mag geen concilies (kerkelijke vergaderingen) met hun decreten of besluiten op één lijn stellen met Gods waarheid, want die gaat boven alles (NGB, 7). De kerken hebben met de bepaling in

|45|

artikel 31 van haar kerkorde de wacht betrokken bij haar toegangspoort, opdat geen vreemde leer en heerschappij bij haar zou binnendringen.
Nog een andere zaak moet worden genoemd. Opdat in de kerk alles betamelijk en in goede orde geschiedt, is het ook nodig, dat de kerkelijke besluiten nauwkeurig worden vastgelegd en bewaard. De scriba zorgt voor het eerste, een archivaris voor het tweede (KO, 34 en 50). De kerkelijke vergaderingen moeten telkens kunnen teruggrijpen op eerdere besluiten (KO, 33). Anders zou willekeur het lichaam van de kerk schade berokkenen. Bovendien is bewaring van de archieven van groot belang om aan het nageslacht te kunnen tonen, hoe de vergadering van de kerk door haar Koning is voortgegaan.

 

8. De kerkeraad

De kerkeraad is, zoals reeds eerder opgemerkt, het college dat speciaal is belast met het opzicht over de leer en de tucht (1 Tim. 4: 13-16). Hij bestaat uit de predikant(en) en de ouderlingen. Naar vaste regelmaat moet hij vergaderen, ook samen met de diakenen, voor nader te noemen zaken (KO, 36). Behoren de ambtsdragers naar apostolisch voorschrift toe te zien op de hele gemeente, zij worden allereerst opgeroepen, toe te zien op zichzelf (Hand. 20: 28). Voor hen is uiteraard vereist, dat zij trouw zijn (1 Tim. 1: 12; 2 Tim. 2: 2), maar ook betrouwbaar blijken: in de bediening van hun ambtelijk werk moet die betrouwbaarheid voortdurend gezien kunnen worden (1 Kor. 4: 2). Daar moeten zij zelf in de eerste plaats op toezien. Zij moeten elkaar dan ook (en dit heus niet slechts in verband met het avondmaal, en dus kort voor de viering daarvan!) inzake de bediening van hun ambt aansporen en (indien nodig) vriendelijk terecht wijzen, de rechte bediening van het ambt voorhouden (KO, 81).
De ouderlingen zien in hun vergadering ook toe op de hele gemeente. Van buitenaf zouden ‘grimmige wolven’ binnen kunnen dringen, die de kudde niet zouden sparen. Ook kunnen uit haar eigen midden mannen opstaan, die waarheid en leugen door elkaar zullen mengen, met de opzettelijke bedoeling, de discipelen achter zich aan te trekken. De ouderlingen moeten hier hun ogen voortdurend voor open houden, opdat de kinderen van God niet in leer of leven op verkeerd spoor geraken (Hand. 20: 28-31). Met het oog hierop moeten zij hun besluiten nemen, bij voorbeeld met betrekking tot de prediking, het huisbezoek, de voortgang van de tucht.
In de vergadering met de diakenen moeten de zaken worden behandeld

|46|

die de kerkorde hiervoor heeft aangewezen, zoals bij voorbeeld de beroeping van een predikant (KO, 5, 6), de roeping van ouderlingen en diakenen (KO, 20), het bestuur van de stoffelijke goederen (KO, 51), en alles wat naar het oordeel van de kerkeraad tot het algemeen beleid kan worden gerekend (KO, 36).
Uiteraard vergaderen de diakenen ook afzonderlijk over de diakonale aangelegenheden. Van hun beleid en beheer leggen zij verantwoording af aan de kerkeraad (KO, 40).
Is het aantal ouderlingen en diakenen klein, dan kan worden besloten, steeds gezamenlijk te vergaderen. Doet zich die situatie voor, dan geven de diakenen advies in zaken van opzicht en tucht en de ouderlingen in diakonale zaken. Deze regeling is geboden, wanneer zowel het aantal van de ouderlingen als dat van de diakenen op minder dan drie is bepaald (KO, 37).
Worden in een bepaalde plaats voor het eerst of opnieuw de ambten ingesteld, dan zal dit slechts kunnen gebeuren met instemming van de classis (KO, 38). Bij zulk een (her-)instituering dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met de historische kerkelijke grenzen. Bij al deze en dergelijke bepalingen is in rekening gebracht de geïnspireerde wijsheid van de Spreukendichter: in de veelheid van raadgevers ligt heil (Spr. 11: 14; 15: 22).
Het kan ook gebeuren, dat in een bepaalde plaats nog geen kerkeraad kan worden gevormd, of dat de gemeente te klein is geworden, zodat geen ambtsdragers kunnen worden gekozen. Dan zal de classis het betreffende gebied onder de zorg van een naburige kerk plaatsen (KO, 39) en de gemeenteleden behoren dientengevolge tot bedoelde naburige kerk als inwonende leden. Zo gauw het weer mogelijk is, dat in hun ‘plaats’ opnieuw een kerkeraad kan worden gevormd, zal het tot herinstituering komen.

 

9. De classis

Dicht bij elkaar in de buurt gelegen kerken vormen eens per drie maanden een classicale vergadering door afvaardiging van een predikant en een ouderling. Het voorzitterschap van die classis behoort in handen van een predikant (aan te wijzen bij toerbeurt, eventueel door vrije verkiezing; een predikant mag niet tweemaal achtereen voorzitter worden).
De classicale vergaderingen zijn van grote betekenis. Ten overstaan van haar worden kandidaten voor de dienst van het Woord zowel preparatoir als peremptoir geëxamineerd (KO, 5; zie ook blz. 23). Zij

|47|

behoort in geval van het beroep van een predikant haar goedkeuring daaraan te hechten (KO, 6). Ook moet zij bij vertrek van een predikant naar een andere gemeente een akte van ontslag verschaffen (KO, 7). Meldt zich een voorganger aan, die niet afkomstig is uit een zusterkerk, dan zal de classis mee moeten oordelen, of deze voorganger eerst een proeftijd moet doormaken (KO, 9). Zou een predikant zich willen wijden aan een bijzondere taak, zoals bij voorbeeld die van legerpredikant of ziekenhuispredikant, dan moet de classis haar goedkeuring hechten aan de regeling van de verhouding tussen de betrokken predikant en de kerk waaraan hij is verbonden (KO, 12). Wordt hij wegens ouderdom of ziekte of andere oorzaken emeritus verklaard, dan dient dit te gebeuren door de classis (KO, 13). De kerkeraad mag geen predikant ontslaan uit zijn dienst zonder voorkennis en goedkeuring van de classis (KO, 14), evenmin mag een predikant overgaan tot een andere levensstaat (door een ander beroep te kiezen) zonder goedvinden van de classis (KO, 15).
De classis is bevoegd rechtsgeldige uitspraken te doen ten opzichte van de kerkeraad (KO, 35); haar instemming is vereist, wanneer hier of daar de ambten voor het eerst of opnieuw zullen worden ingesteld (KO, 38), terwijl zij plaatsen waar (nog) geen kerkeraad kan zijn onder de zorg van een naburige kerk plaatst (KO, 39). Zij wijst voor elke vakante kerk in haar kring een consulent aan, die de kerkeraad heeft te adviseren (KO, 43). Ook wijst zij elk jaar enkele predikanten aan voor het verrichten van de kerkvisitatie (KO, 44). In geval van voortgaande tuchtoefening zal de naam van degene die van het avondmaal is afgehouden niet aan de gemeente mogen worden genoemd zonder instemming van de classis (KO, 77), terwijl de classis ook moet instemmen met voorgenomen excommunicatie (KO, 76). Eventuele afzetting van een predikant vereist eveneens het voorafgaande oordeel van de classis (KO, 79). Ook bij voortgaande tuchtoefening over hardnekkige afkerige doopleden is de instemming van de classis vereist (KO, 82).
Elke classicale vergadering moet verder bij monde van haar praeses navraag doen of in elke kerk in haar ressort de predikanten, ouderlingen en diakenen hun ambtelijke arbeid getrouw verrichten. Het is niet de bedoeling, dat aan elke kerk wordt gevraagd, of zij iets heeft te berde te brengen. Maar de classis behoort naar apostolisch voorbeeld (Hand. 15: 36), te vragen hoe het plaatselijk gaat. Ook moet de classis zich vergewissen, dat elke kerk zich in de interkerkelijke (onderlinge) samenleving met de zusterkerken gedraagt overeenkomstig

|48|

de hiervoor aanvaarde regels. Tenslotte moet de praeses vragen, of er een kerk is, die het oordeel of de hulp van de classis nodig heeft (KO, 46).
Hoofddoel van deze ‘kerkelijke rondvraag’ is dus, na te gaan of alle kerken zijn gebleven op de gemeenschappelijk aanvaarde grondslag, zodat de onderlinge samenleving onverkort kan worden voortgezet. Mee met het oog op dit punt zal de classis voor elke vakante kerk een predikant aanwijzen als consulent, dat wil zeggen als raadgever, opdat de goede orde blijft bewaard. Deze classicale deputaat zal de ker-keraad in het bijzonder met zijn adviezen dienen bij het beroepingswerk (KO, 43). Hij zal mede moeten toezien, dat niemand wordt beroepen, die niet zou voldoen aan de vereiste, schriftuurlijke betrouwbaarheid (1 Kor. 4: 2; KO, 43) en de daarmee samenhangende trouw aan de belijdenis.
Eveneens om er voortdurend zeker van te kunnen zijn, dat de kerken in het classicaal ressort op de schriftuurlijke grondslag blijven staan in de concrete gang van het kerkelijke leven, zal de classis jaarlijks visitatoren benoemen, om hiernaar navraag te doen. Deze ervarenste en bekwaamste broeders moeten zo meewerken tot de vrede, de opbouw en het welzijn van de kerken (KO, 44).
In vroeger jaren werd deze kerkvisitatie gebracht in de tijd die voorafging aan de jaarlijkse particuliere synode. Zou ergens het een en ander haperen, dan kon dit direkt aan deze synode worden voorgelegd ter beoordeling. Terwille van de bewaring van de eenheid in het geloof.

 

10. De particuliere synode

Eens per jaar (indien dringend nodig ook vaker) zal een groep bij elkaar gelegen classes elk twee predikanten en twee ouderlingen afvaardigen om een particuliere synode te houden. Als de synode slechts door twee of drie classes wordt gevormd, mag het aantal afgevaardigden worden gesteld op drie predikanten en drie ouderlingen voor elke classis (KO, 45). Ook hier geldt weer de wijsheid van de Spreukendichter waar hij spreekt over vele raadgevers.
De particuliere synode is bevoegd rechtsgeldige uitspraken te doen ten opzichte van een classis (KO, 35). Omdat zij slechts een keer per jaar samenkomt, draagt zij allerlei werkzaamheden op aan door haar benoemde deputaten. Die moeten de classes bijstaan in alle gevallen waarin de kerkorde dit voorschrijft (KO, 49). Zo behoren zij toezicht te houden op het peremptoir examen van de aanstaande predikanten

|49|

(KO, 5) en mee te oordelen of een voorganger die niet afkomstig is uit een zusterkerk eerst een proeftijd moet doormaken voordat hij tot de dienst van het Woord kan worden toegelaten (KO, 9). Zij behoren hun medewerking te verlenen bij de emeritering, hun eventuele goedkeuring te geven bij het ontslag uit de dienst (KO, 14), mee te werken bij eventuele overgang tot een andere levensstaat (KO, 15) en te adviseren bij de voorgenomen afzetting van een predikant (KO, 79). De kerken uit het particulier-synodale ressort betrekken, door de dienst van haar deputaten, dus heel speciaal de wacht bij de kansels, opdat de gezonde leer wordt gehandhaafd in haar hele ressort.
Ook moeten zij, als een classis dit van hen vraagt, bijstand verlenen bij bijzondere moeilijkheden.
Uiteraard moeten zij nauwkeurig aantekening houden van hun werkzaamheden en daarvan rapport uitbrengen aan de volgende particuliere synode. Zij behoren zich daar desgevraagd te verantwoorden (KO, 49). Een particuliere synode zal de handelingen van deputaten van de voorgaande particuliere synode hebben te toetsen en al of niet goed te keuren.

 

11. De generale synode

Eens in de driejaar komen de gezamenlijke kerken in generale synode bijeen. Indien tenminste twee particuliere synoden oordelen, dat er dringende redenen zijn, om eerder bijeen te komen, dan zal de samenroepende kerk hiertoe overgaan onder goedkeuring van haar particuliere synode.
De kerken vormen deze generale synode doordat elke particuliere synode twee ouderlingen en twee predikanten daarheen afvaardigt (KO, 46). In de geloofsbrief voor deze deputaten (KO, 32) behoort de particuliere synode te verklaren, dat de kerken die haar samenstelden de uitspraken van de generale synode als bindend zullen aanvaarden, zoals dit in artikel 31 van de kerkorde is vastgelegd.
De tekst van de drie formulieren van eenheid wordt door een generale synode vastgesteld. Dit geldt ook van de formulieren waarmee de predikanten, de docenten aan de Theologische Universiteit van de gereformeerde kerken in Nederland, de ouderlingen en de diakenen deze drie formulieren van eenheid ondertekenen (KO, 53, 54).
Eveneens stelt een generale synode de formulieren vast voor de bevestiging van ambtsdragers (KO, 5, 6, 20), voor de bediening van de doop (KO, 59) en van het avondmaal (KO, 61), voor de kerkelijke bevestiging van huwelijken (KO, 70) en voor de uitsluiting uit de

|50|

gemeenschap van de kerk (KO, 76, 82). Hoewel de kerkorde niet bepaalt, dat het formulier voor de openbare geloofsbelijdenis dat door de generale synode is vastgesteld, moet worden gebruikt, ligt dit wel voor de hand. Ook heeft de generale synode orden van dienst vastgesteld voor de openbare erediensten, waar de kerken zich aan behoren te houden (KO, 65), en bepaald welke psalmberijming en welke gezangen in de erediensten mogen worden gebruikt (KO, 67). Tenslotte is het de generale synode, die de kerkorde heeft vastgesteld en die daar eventueel veranderingen in mag aanbrengen (KO, 84). Het kan duidelijk zijn, dat, evenals de particuliere synoden, de generale synoden de wacht behoren te betrekken bij de bewaring van de eenheid en de zuiverheid van de leer van de kerken.
Mede met het oog daarop is het de generale synode, die beslist over de relatie met kerken in het buitenland. Met buitenlandse kerken, die een gereformeerde belijdenis aanhangen, behoort zoveel mogelijk kerkelijke gemeenschap te worden geoefend. Daarbij mogen verschillen op ondergeschikte punten van kerkorde en kerkelijke praktijk geen reden vormen, buitenlandse kerken te veroordelen (KO, 47).

De kerken onderhouden gezamenlijk een Theologische Universiteit voor de opleiding tot de dienst van het Woord. Zij hebben de verplichting op zich genomen, naar behoren te voorzien in het levensonderhoud van haar docenten (KO, 18), en uiteraard ook de overige kosten voor deze eigen instelling te dragen. Deze universiteit wordt bestuurd door en vanwege de kerken. De uitvoering van dit bestuur wordt door de generale synode opgedragen aan haar deputaten. Ook deze deputaten, evenals alle anderen, zijn verplicht rapport van hun werkzaamheden uit te brengen aan de volgende generale synode.

Bouma, H. (1988) HIV

|51|

IV De geestelijke bevestiging van Gods verbondsvolk

 

1. De kerk en haar fundament bedreigd

De gemeente van de levende God is pijler en fundament van de waarheid (1 Tim. 3: 15). Zij is geroepen die waarheid, de goede, gezonde leer (1 Tim. 4: 6), het evangelie van Christus hoog te houden en bekend te maken.
Zij krijgt, als draagster van de waarheid, een bijzonder verantwoordelijke positie in de wereld: via de getrouwe kerk komt God met zijn evangelie tot de wereld.
Met het oog hierop houdt de apostel Paulus Timoteus voor, de gezonde leer van de Here Christus, die hem ter bewaring is toevertrouwd, met zorg te bewaren. Hij moet zich afzijdig houden van wat zich ten onrechte als kennis mocht aandienen, omdat dat geen echt evangelie is (1 Tim. 6: 20).
In de loop van de kerkgeschiedenis treden steeds vaker weer predikers op met een evangelie, dat geen evangelie is. Reeds Paulus krijgt te maken met schijn-apostelen, bedriegelijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus (2 Kor. 11: 13). Bij herhaling waarschuwt hij dat ook in het verdere verloop van de kerkgeschiedenis niet alleen van buiten af grimmige wolven in de kerk zullen binnendringen om de kudde van Christus te verwoesten, maar dat zelfs uit de eigen kerkelijke gemeenschap mannen zullen opstaan, die waarheid en leugen vermengen. Daartegen moet de kerk waakzaam zijn (Hand. 20: 29-31. Tot in zijn laatste brief aan Timoteus herhaalt hij deze waarschuwing. In de laatste dagen zullen mensen opstaan, die zich wel voordoen als christen, maar de kracht van de ware godsvrucht hebben verloochend en de waarheid zelf tegenstaan, terwijl hun geloof de toets niet kan doorstaan. De kerk moet zulke dwaalgeesten op een afstand houden (2 Tim. 3: 5 en 8), zich met afschuw van hen afwenden.
Het is ontstellend triest, dat zulke dwaalleraars desondanks telkens weer ingang vinden in de kerken. Zo lieten in Paulus’ dagen de Galatiërs zich inpalmen door ‘een ander evangelie’, een evangelie dat naar zijn aard heel anders is dan het evangelie van Christus (Gal. 1: 6-9). De brengers van dit ‘andere evangelie’ dachten mogelijk, dat zij het evangelie van Christus zuiver verkondigden. Maar in werkelijkheid was hun boodschap echt niet evangelie, boodschap van de verlossing.

|52|

Later herhaalt zich iets dergelijks. Dan verdraagt men de gezonde leer niet meer, omdat men z’n oor wil laten strelen door wat met de eigen begeerten strookt. Steeds weer gaan de mensen te kust en te keur op zoek naar leraars, die aan hun subjectieve gedachten voldoen. Van de ene leraar lopen ze naar de ander, vatbaar als ze zijn voor ieder die hun naar de zin preekt. Want alleen dat willen zij aanvaarden. Zij willen zich wel christen blijven noemen. Maar toch wenden zij zich van de waarheid af en keren zich tot allerlei mythen, beschouwingen die hen in het ongeluk storten (2 Tim. 4: 3-4).
Tegen deze achtergrond moeten we een van de laatste geïnspireerde woorden van de Heilige Schrift verstaan, waar wij worden vermaand tot het uiterste te strijden voor het geloofsbezit dat eens en voor goed aan de heiligen is overgeleverd (Jud. vers 3).
Behalve tegen het binnendringen van zulk een ‘ander evangelie’ moet de kerk er ook voor waken, dat aan geen profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg wordt gegeven. Dan bedenkt men uit eigen hart een uitleg van Gods Woord, in plaats dat men er voortdurend rekening mee houdt, dat de Schrift dit niet toestaat: het hoort niet bij de Schrift, die immers niet is geboren in het hart van een mens, maar het Woord is van de Heilige Geest (2 Petr. 1: 20v.). De enig goede uitleg is die, waardoor de bedoeling van de Heilige Geest wordt duidelijk gemaakt.
De kerkelijke profetie, dat wil zeggen de kerkelijke prediking, moet plaats vinden naar gelang van ons geloof (Rom. 12: 7), in overeenstemming met de inhoud van wat de kerk heeft leren geloven, de Heilige Schrift. De Schrift is haar eigen uitlegster. Daar zal de kerk steeds weer mee hebben te rekenen. Zij mag geen ‘eigenbedachte uitleg’ toestaan. Daarom is het haar roeping, de wacht te betrekken bij haar kansels.

 

2. Trouw aan het fundament bij de ambtsdragers vereist

Na de kerkhervorming van de zestiende eeuw steken opnieuw dwalingen de kop op in ons vaderland. De synode van Dordrecht 1618/19 krijgt daar mee van doen. Zij heeft toen “... geordineert dat alle bedienaers des Woorts, tot een teecken van eenicheyt inde rechtgevoelende leere moeten onderteeckenen de Confessie ende Cathechismo deser kercken midtsgaders de Canones ofte verclaringhe (bedoeld zijn de ‘Vijf Artikelen tegen de Remonstranten’) deses Synodi” .... Ende om te voorcomen in dese onderteeckeninghe de verkeerde uytvluchten van sommighen, zoo zal voor de selve onderteeckeninghe

|53|

ghestelt werden dit formulier, het welcke is voorgelesen ende geapprobeert” (Post-Acta, sessie 164).
Het toen vastgestelde formulier is, in moderne taal herschreven, nog van kracht. Alle predikanten moeten het bij de aanvaarding van het ambt (voor het eerst of bij vernieuwing) ondertekenen.
Met hun ondertekening van dit formulier verklaren zij eerst ronduit en zonder enig voorbehoud, als met een eed voor Gods oog, dat zij er hartelijk van zijn overtuigd, dat de leer van de drie formulieren van eenheid van de gereformeerde kerken in ons land in alle delen helemaal met Gods Woord overeenstemt. Dit is niet maar een theoretische stelling, die zij uiten, het is de overtuiging van hun hart.
In de tweede plaats leggen de predikanten in dit formulier een belofte af. Zij beloven, dat ze deze leer toegewijd zullen onderwijzen en trouw verdedigen. Als anderen een ander evangelie zouden brengen, dan beloven onze predikanten in de bres te springen om de gezonde leer te verdedigen, opdat Gods kinderen niet door dwaalleer in verwarring worden gebracht en verstrooid raken.
Zelf zullen zij nooit iets leren of publiceren wat in strijd is met de gezonde leer. Ze zullen dit niet openlijk doen, bij voorbeeld in de samenkomsten van de gemeente of in boek of blad. Evenmin zullen ze dit op een andere manier doen, in een vriendenkring of huiselijk gezelschap, niet rechtstreeks, maar evenmin in bedekte termen.
In de derde plaats beloven zij, dat ze elke dwaling, die in strijd is met de leer van de drie formulieren van eenheid, zullen afwijzen. Dwaling is besmettelijk. Zij kleeft makkelijk aan elk van ons vast. Daarom beloven zij, naar apostolisch vermaan (1 Tim. 6: 20), zich buiten bereik van die besmetting te zullen houden om zich er niet door te laten infecteren. Sterker nog: zij beloven die dwaling te zullen weerleggen, bestrijden en helpen weren. Ze zullen dus geen enkele dwaling stilzwijgend tolereren, maar er met alle kracht tegenin gaan, om zo de dwalende broeder terecht te brengen. Daarvoor willen zij zich alle moeite getroosten. Opdat de kerk vrij blijft van de geringste afwijking van het evangelie van de Here.
Deze belofte is op het erf van de kerk niet vreemd. Al Gods kinderen belijden gelovig: uit de grond van ons hart verwerpen wij alles wat niet overeenkomt met de onfeilbare regel van Gods Woord (NGB, 7).

 

3. Trouw aan het fundament gewaarborgd

Alle mensen zijn veranderlijk, ook de ambtsdragers. Daarom kan het gebeuren dat een predikant, die bij de aanvaarding van zijn ambt eerlijk

|54|

heeft verklaard, dat hij er van harte van overtuigd is, dat de leer van de drie formulieren van eenheid voluit schriftuurlijk is, daar later van terug komt. Hij kan, zo stelt het ondertekeningsformulier vast, bedenking tegen deze leer krijgen. ‘Bedenking’ betekent, dat er vragen in zijn hart rijzen op een bepaald punt, vragen die zijn aanvankelijk zo rotsvaste overtuiging een beetje aan het wankelen brengen. Hij is wel niet van overtuiging veranderd, maar hij plaatst bij een of ander punt van de leer een vraagteken. Hij is in z’n vaste overtuiging geschokt.
Ook is het mogelijk, dat hij op een of ander punt niet maar met vragen worstelt, maar dat hij daaromtrent tot een heel andere, even vaste overtuiging is gekomen; een overtuiging die afwijkt van die van de kerken, uitgedrukt in haar belijdenis.
Welnu, mocht er ooit twijfel in het hart van een predikant opkomen, of mocht hij zelfs van andere overtuiging zijn geworden dan tevoren, dan belooft hij bij voorbaat, dat hij daar noch publiek, noch in besloten kring ruchtbaarheid aan zal geven. Hij zal zich met z’n twijfel of afwijkende mening tot de kerkelijke vergaderingen wenden, opdat die onderzoek doen naar het punt in geding. In die vergaderingen zullen de kerken zich dan uitspreken over het gevoelen van de betrokken predikant. Want het is niet de predikant, die uitmaakt wat de kerk leert. Daar oordeelt de kerk zelf, als pilaar en fundament van de waarheid, over.
Daarom beloven de predikanten, dat zij zich aan het oordeel van de betrokken kerkelijke vergaderingen zullen onderwerpen. Weigeren zij dit, dan zullen zij terstond worden geschorst door hun kerkeraad, overeenkomstig de daarvoor geldende kerkordelijke bepalingen (KO, 79). Want de kerken mogen geen leringen op de kansel dulden, die naar haar vaste overtuiging afwijken van de leer van de Schrift.
Er kan zich evenwel nog een andere situatie voordoen. Terwijl de predikant voor zichzelf overtuigd is, dat hij geheel volgens de leer van de Schrift preekt en spreekt, zijn de kerkelijke vergaderingen van mening, dat zij gegronde redenen hebben om op een of ander punt van de leer een nadere verklaring van de predikant te eisen, opdat de eenheid en de zuiverheid in de leer niet wordt geschonden. In dat geval belooft de predikant bij voorbaat, daar zijn volle medewerking aan te zullen geven. Dit betekent niet, dat hij al bij voorbaat verdacht is verklaard. Het betekent wel, dat de kerken de wacht betrekken bij de kansel. Al kunnen de kerken op dit of dat punt in de gewone leden van de kerk enige afwijking tolereren, zij kunnen dit niet in de

|55|

predikanten of in de andere ambtsdragers.
Zou een predikant, ondanks zijn eerder afgelegde belofte, weigeren mee te werken bij dit geven van een nadere verklaring, dan wordt hij om die reden door zijn kerkeraad geschorst overeenkomstig de daarvoor geldende kerkordelijke regels (KO, 79).
Uiteraard behoudt elke predikant recht op beroep op een meerdere vergadering. Maar de kerken maken zozeer ernst met haar roeping, de kansels te vrijwaren voor elke dwaalleer, dat de appellerende predikant zich gedurende de tijd appèl behoort te gedragen naar de uitspraak waartegen hij in beroep is gegaan. Zou de predikant zijn gevoelen, dat afwijkt van dat van de kerken, uitgesproken in haar (meeste) vergaderingen, niettegenstaande de kerkelijke uitspraak, blijven voordragen, dan wacht hem algehele afzetting (KO, 53).
Behalve de predikanten ondertekenen ook de docenten aan de Theologische Universiteit en de ouderlingen en diakenen formulieren van gelijke strekking als dat van de predikanten (KO, 53 en 54). De handhaving van de zuivere leer van de waarheid is de kerken heilige ernst.

 

4. Leven op het fundament

De HERE wil zijn volk zegenen met het hoogste geluk, als het maar naar Gods geopenbaarde Woord luistert en zich bij dag en nacht, dus altijd door daarnaar gedraagt in zijn dagelijkse levenspraktijk. Daarom waarschuwt Hij zijn oude volk met klem tegen het overnemen van de levenspraktijk van de mensen te midden waarvan het woont (Deut. 6: 12-15; 7: 1-4; enz., enz.). Dat zou de ondergang van de kerk betekenen.
Evenzo blijft de Here zijn nieuwtestamentische kerk nog steeds waarschuwen tegen wereldgelijkvormigheid (Rom. 12: 1, enz.). Deze waarschuwing geeft Hij aan zijn kerk door de dienst van de predikanten en ouderlingen. Zij moeten in de prediking, bij het catechetisch onderwijs en bij de huisbezoeken onophoudelijk met heilige ernst en persoonlijke betrokkenheid ieder afzonderlijk terecht wijzen (Hand. 20: 31) door onderricht, weerlegging, waarschuwing en vermaan. In hun onderricht moeten zij de ogen openen voor dwaling en ketterij; in hun weerlegging moeten zij daartegenover stellen, wat de Here ons leert; zij moeten waarschuwen tegen het meegaan met die afwijking; en indien het toch tot zulk afwijken mocht komen bij deze of gene, dan moet vermaan volgen. Zo horen zij zich in te spannen tot het afweren van valse leer en dwaling, die via lektuur en andere

|56|

communicatiemiddelen het leven van de gemeente bedreigen (KO, 55).

 

5. Bevestiging op het fundament

De Here Christus heeft de sacramenten ingesteld als tekenen van het verbond dat God heeft met zijn volk. De doop is het teken dat wij in de kerk van God worden opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem, van wij wij het merk en het veldteken dragen (NGB, 34). Omdat de kleine kinderen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en kerk horen, en omdat God zijn heil in Christus ook aan de kinderen belooft, moeten zij door de doop bij de kerk worden ingelijfd (HC, 74). Dit teken van het verbond moet zo spoedig mogelijk in de openbare eredienst aan hen worden bediend (KO, 56).
Bij de doop beloven de ouders, hun kinderen bij het opgroeien in de leer van de Schrift naar vermogen te onderwijzen en te laten onderwijzen. De kerkeraden moeten erop toezien dat de ouders deze belofte nakomen, opdat de opgroeiende jeugd bij het verbond van God, op het enige fundament voor het leven, bewaard zal blijven. Het school-onderwijs aan de kinderen van de kerk behoort in overeenstemming te zijn met de leer van de kerk (KO, 57).
Komt een ongedoopte op latere leeftijd tot geloof, dan mag hij of zij, na het afleggen van geloofsbelijdenis en van de belofte om trouw het avondmaal van de Here te vieren, eveneens de doop ontvangen als zegel van de inlijving in de kerk van God (KO, 58). Immers, de Here Christus zelfheeft zijn apostelen bevolen, alle volken tot zijn discipelen te maken en hen vervolgens te dopen. Hij heeft daar de belofte aan verbonden, dat wie gelooft en zich laat dopen, behouden zal worden (Matt. 28: 19; Mark. 16: 16).
Bij de bediening van de doop van kleine kinderen en van volwassenen moeten de daarvoor vastgestelde formulieren worden gebruikt, tot bewaring van de eenheid in de leer van de waarheid (KO, 59).
Het avondmaal zal tenminste eens in de drie maanden worden gevierd in de openbare eredienst onder toezicht van de ouderlingen (KO, 61). De kerkeraad mag alleen belijdende leden toelaten aan het avondmaal; zij moeten onverkort in het bezit zijn van de rechten van het lidmaatschap (KO, 60), opdat het verbond van God niet wordt ontheiligd. Anders zou zijn toorn over de hele gemeente worden opgewekt. Ook bij de viering van het avondmaal mogen uitsluitend de kerkelijk vastgestelde formulieren worden gebruikt, tot bewaring van de eenheid in de leer (KO, 61).

|57|

Opdat geen misverstand kan ontstaan bij de vraag, of iemand is gedoopt, aan het avondmaal is toegelaten, wettig is getrouwd, moeten de kerkeraden dit alles bijhouden in kerkelijke registers (KO, 62). Vertrekt iemand naar elders, dan kunnen die gegevens naar behoren worden vermeld in een aanbevelingsbrief (attestatie), die de kerkeraad aan ieder belijdend lid op diens verzoek bij vertrek naar elders meegeeft. In zijn nieuwe woonplaats behoort de betrokken broeder of zuster zich daar bij de kerk te vervoegen, met verzoek hem of haar te aanvaarden. Men wordt namelijk niet lid van de kerk in die nieuwe woonplaats door overschrijving van een lidmaatschapskaart van de ene naar de andere kerk. Elke gelovige behoort zichzelf bij de kerk te voegen, ook als hij naar elders is vertrokken. Bij zijn presentatie aan de kerk in de nieuwe woonplaats maakt hij of zij dan gebruik van de verstrekte aanbevelingsbrief van de kerk van herkomst. Daarmee kan hij of zij zich legitimeren als gezond in de leer en onbesproken in de levenswandel. Zulk een attest behoudt zijn geldigheid niet onbeperkt: het is een 'momentopname' van de situatie tijdens het vertrek naar elders. Vandaar dat een attest ook aanstonds na aankomst moet worden overgelegd (KO, 63).
De kerkeraden moeten er hun bijzondere aandacht aan geven, dat een lid, dat vertrok omdat het elders verzorging nodig heeft, niet in financiële moeilijkheden zal geraken (KO, 64).

 

6. De viering van de verbondsgemeenschap in de erediensten

Op bijzondere wijze wordt de verbondsgemeenschap met de Here beleefd in de openbare erediensten. Hiertoe kwam de eerste christelijke gemeente reeds aanstonds na de uitstorting van de Heilige Geest bijeen (Hand. 2: 44). Die eerste samenkomsten hebben misschien een ander karakter gedragen dan die van onze tijd. Allengs hielden de kerken zulke samenkomsten op de zondag (Hand. 20: 7-11), kennelijk een dag die men bijzonder voor de dienst aan de Here bestemde (1 Kor. 16: 2). Die dag kreeg de naam: ‘dag van de Here’ (Openb. 1: 10), als dag voor de viering van de door de Here Christus herstelde verbondsgemeenschap.
In overeenstemming hiermee roept de kerkeraad de gemeente tweemaal per zondag samen, om dat heugelijke feit in de gemeenschap der heiligen te vieren.
Nu moet, telkens als de gemeente samenkomt, alles tot echte gemeente-opbouw gebeuren (1 Kor. 14: 26). Alle aanwezigen moeten door het gesproken woord lering, vertroosting en vermaning ontvangen (1 Kor. 14: 31).

|58|

Speciaal voor deze erediensten geldt dat alles betamelijk, stijlvol en in goede orde moet gebeuren (1 Kor. 14: 40). Vanwege deze apostolische vingerwijzingen houden de kerken zich aan de gezamenlijk vastgestelde orden van dienst (KO, 65). Niet de particuliere opvattingen van deze of gene bepalen de gang van zaken bij de eredienst. Ook hebben kerken als regel aangenomen, dat eenmaal per zondag de leer van Gods Woord wordt verklaard, zoals die is beleden in de Heidelbergse Catechismus (KO, 66). Tot eer van de Here worden psalmen gezongen in de berijming, die de kerken gezamenlijk hebben vastgesteld en gezangen die eveneens gezamenlijk zijn goedgekeurd (KO, 67).
Behalve op de zondag, worden ook erediensten belegd op de Kerstdag, de Goede Vrijdag, de Paasdag, de Hemelvaartsdag en de Pinksterdag. Bij die gelegenheid zullen de heilsfeiten worden verkondigd, die op die dagen worden gevierd (KO, 68).
In tijden van grote moeite, waar alle kerken de druk van ervaren, zal de hiervoor door de generale synode aangewezen classis een bededag uitschrijven. Op die dag zal eveneens een openbare eredienst worden belegd (KO, 69). Uiteraard kan elke kerk ook andere bede- of dank-dagen houden, zoals bij voorbeeld voor de bid- en dankstond voor gewas en arbeid. De kerkeraden moeten toezien, dat familiebijeenkomsten zoals ter gelegenheid van een begrafenis, niet worden ingericht als kerkelijke erediensten. Bij een begrafenis wordt geen ‘dienst van Woord en gebed’ gehouden en geen ‘liturgie’ gevolgd (KO, 71).
Wel moeten de huwelijken in een officiële eredienst kerkelijk worden bevestigd met gebruikmaking van het daarvoor gezamenlijk aanvaarde formulier. Wanneer een man en een vrouw, die de Here vrezen, elkaar willen toebehoren (“tot één vlees zijn”, Gen. 2: 24; Matt. 19: 5; Mark. 10: 8), zijn zij volgens Gods ordening verplicht een huwelijksverbond aan te gaan. Zo zal iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man. Een huwelijk is geen privaat-zaak van twee mensen. Trouwbeloften zijn geen ‘onderonsje’ tussen die beiden. Paulus schrijft aan de kerk te Korinte over het huwelijk. Hij sluit zijn betoog vrijwel af met de opmerking: ga maar trouwen, mits in de Here (1 Kor. 7: 39), dat wil zeggen: ook het huwelijk staat in dienst van de Here. Daar heeft de kerk van de Here dan ook alles mee te maken. Iedere gelovige man en iedere gelovige vrouw zullen graag ten overstaan van de gemeente beloven, in hun samenleving de eenheid van Christus en zijn gemeente te vertonen (Ef. 5: 22-33). Ook daar zal de gemeente op toezien en zij zal daarbij

|59|

bijstaan. Daarom zal de kerkeraad erop toezien, dat de huwelijken kerkelijk worden bevestigd (KO, 70).

Bouma, H. (1988) HV

|60|

V Om de heiligheid van Gods verbondsvolk

 

1. De tucht van het verbond

Als de HERE zijn verbond met Israël sluit, eist Hij: ‘En gij zult Mij zijn (...) een heilig volk’ (Ex. 19: 6, enz.). De leden van dat volk moeten daarom heilige mensen zijn (Ex. 22: 31). De HERE bindt hun dit naderhand meer dan eenmaal met nadruk op het hart: ‘... heiligt u en weest heilig, want Ik ben heilig ...’ (Lev. 11: 44, enz.).
Hij waarschuwt ook ernstig zijn naam niet te ontheiligen. Als Israël de geboden van de HERE onderhoudt en in zijn wegen wandelt, zal Hij het als zijn heilig volk bevestigen. Blijft het volk echter niet in de wegen van de HERE gaan, dan zal Hij het met zijn vloek treffen (Deut. 28: 9-19). Daarom wordt het volk bij herhaling opgeroepen, het kwaad van de bondsbreuk uit zijn midden weg te doen door de aanstichter ter dood te brengen (Deut. 13: 5, enz.), opdat heel Israël zal vrezen en men niet opnieuw in zulke zonde zal vervallen (Deut. 13: 11, enz.).
Nu maakt de HERE onderscheid tussen onopzettelijk en opzettelijk zondigen. Voor onopzettelijke zonde is vergeving. Maar in geval van opzettelijke zonde eist de HERE de doodstraf. Opzettelijk zondigen is toch een honen van Hem. Voor de bedrijver van zulke zonde blijft geen plaats over binnen de gemeenschap van Gods volk. Want zulk een zondaar heeft het woord van de HERE veracht en zijn verbond geschonden (Num. 15: 22-31).
De tucht, die reeds onder het oude verbond is geboden, blijft vereist in het nieuwe verbond. Nu is de kerk van Christus Gods heilige tempel (1 Kor. 3: 16v.). De eis tot heiligheid blijft van kracht. God heeft zijn kinderen uitverkoren in Christus, opdat zij heilig zouden zijn (Ef. 1: 4). Christus heeft zich voor zijn kerk overgegeven om haar te heiligen (Ef. 5: 25, 27). De leden van de kerk heten dan ook heilig (Ef. 1: 1, enz.). Met beroep op de oudtestamentische eis, heilig te zijn, schrijft Petrus: ‘... Maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, wordt (zo) ook gijzelf heilig in al uw wandel ...’ (1 Petr. 1: 15, zie ook 2 Petr. 3: 11). Wij moeten een heilige priesterschap vormen (1 Petr. 2: 15), als heilige natie (1 Petr. 2: 9).
Blijft zo de eis van het oude verbond, heilig te leven, ook voor het nieuwe verbond van kracht, dit geldt ook van die andere eis met betrekking tot de tucht. Paulus houdt het de kerk te Korinte voor:

|61|

“Doet, wie niet deugt, uit uw midden weg” (1 Kor. 5: 13; zie ook vs 2). De nieuwtestamentische kerk, die heilig is gemaakt door de Here Christus, moet heilig zijn in levenswandel en heilig blijven. Anders moet de tucht worden geoefend.
De nieuwtestamentische tucht is veel zwaarder, dan die onder het oude verbond (vgl. Hebr. 12: 18vv.). Toen werd opzettelijk verbreken van Gods verbond met de dood gestraft; op die manier werd de oude kerk zuiver gehouden. Onder het nieuwe verbond wordt geen kerklid meer getroffen door lichamelijke tuchtiging. De zwaarste straf is: de uitsluiting uit de gemeente van de levende God, de verstoting tot in de buitenste duisternis. De gelovigen moeten zich onttrekken aan ieder die zich in de gemeente ongeregeld gedraagt (2 Tess. 3: 6). Zo iemand moeten zij ‘tekenen’: noteren, dat zij niet langer één gemeenschap met hem of haar vormen. De naam van de betrokkene wordt aangetekend, als die van iemand, die niet langer mag delen in de voorrechten van de gemeente (2 Tess. 3: 14). De ambtsdragers moeten uiteindelijk zo iemand uit de gemeente verwijderen (1 Kor. 5: 2), ‘afwijzen’, hem of haar door de oefening van de kerkelijke tucht uitsluiten (Tit. 3: 10).

 

2. Norm en doel van de tucht

Omdat Christus de Heer is van Gods verbondsvolk, de Koning van de kerk, is Hij het ook alleen die bepaalt op welke wijze en naar welke maatstaven de kerkelijke tucht moet worden bediend. Moet de kerk tucht oefenen, dan zal zij zich daarbij uitsluitend mogen gedragen naar Gods geopenbaarde Woord.
Niet dat de bijbel een soort katalogus is, die alle zonden opsomt die zich in de praktijk kunnen voordoen, waarbij dan tegelijk ook de straf staat aangegeven. De kerk zal bij haar tuchtoefening moeten handelen bij het licht van Gods wet, die ons de ernst van de zonde inprent en ook aangeeft hoe tegen de zonde moet worden opgetreden. Hierbij kan de uitleg, die de catechismus van Gods wet geeft, goede dienst bewijzen.
Calvijn noemt drie doeleinden van de tucht (Institutie IV, 12, 5). In de eerste plaats: God zal niet mogen worden gesmaad doordat mensen, die een schandelijk en smadelijk leven leiden, toch als lid van de kerk worden erkend. De kerk is het lichaam van Christus. Hij, die haar Hoofd is, zou worden gesmaad, als zij door stinkende en rotte leden wordt bezoedeld. Als tweede doel van de tucht geeft hij aan, dat de kerk moet worden beschermd tegen de besmettelijke doorwerking

|62|

van de zonde, als goddelozen onbelemmerd in haar midden kunnen blijven leven. Een weinig zuurdeeg maakt immers het hele deeg zuur (1 Kor. 5: 6). In de derde plaats dient de kerkelijke tucht om, indien mogelijk, de zondaar te ‘beschamen’, hem ertoe te brengen, dat hij z’n blikken naar binnen werpt en zijn levenswandel gaat toetsen aan Gods Woord, zodat hij zijn zonde met berouw leert belijden (2 Tess. 3: 14). Zo moet de tucht erop zijn gericht, dat de zondaar met God en zijn naaste wordt verzoend en dat de aanstoot uit de gemeente wordt weggenomen (KO, 72).
In dit verband moet nog worden opgemerkt, dat de tucht alleen wordt bediend aan wie lid is van de kerk. Hen die buiten zijn, ook degenen die zich onttrokken, zal God oordelen (1 Kor. 5: 13). Moet aan iemand de tucht worden bediend, dan mag hij nooit worden bejegend alsof hij een vijand zou zijn, maar moet hij als broeder worden terechtgewezen, zonder hooghartigheid of bitterheid (2 Tess. 3: 15), maar in een geest van zachtmoedigheid. Hierbij mag men niet volstaan met een of twee keer te vermanen. De hier vereiste terechtbrenging vergt aanhoudende, herhaalde inspanning (Gal. 6: 1). Die moet men zich in de kerk getroosten, omdat God het behoud van een zondaar zoekt (1 Kor. 5: 5; vgl. Matt. 18: 14).

 

3. De weg van de broederlijke tuchtoefening

De weg die bij de tuchtoefening in de kerk moet worden gevolgd (KO, 73), heeft de Here zelf duidelijk voorgeschreven in Matt. 18. Daar stelt de Here het geval, dat een broeder heeft gezondigd. Zo luidt de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (vers 15). De Statenvertaling heeft daar nog bij staan: hij heeft ‘tegen u’ gezondigd. Naar alle waarschijnlijkheid moeten deze woordjes hier wèl worden gelezen. Worden ze weggelaten, dan is te denken aan een misstap, die niet direct is gericht tegen deze of gene in de gemeenschap van de heiligen. Uiteraard is het ook mogelijk, dat iemand zich in de leer onchristelijk zou gedragen (HC, 85).
Welnu, doet zich zo’n situatie voor, dan mag daar niet stilzwijgend aan worden voorbijgegaan, alsof iets dergelijks in de kerk mag worden geduld. De verbondsgemeenschap zou erdoor worden geschonden! Uit liefde voor de betrokkene (zie Lev. 19: 17v.), dus om hem zo mogelijk te behouden, moet hij worden bestraft. Hij moet erop worden gewezen, dat wat hij deed zonde is, overtreding van Gods Woord. Daarbij moet het de bedoeling zijn, hem tot bekering te roepen (Matt. 18: 15), opdat hij voor de verbondsgemeenschap

|63|

bewaard mag blijven.
Deze terechtwijzing in eerste instantie moet onder vier ogen plaats vinden: anderen weten er nog niet van, en de zonde moet zoveel mogelijk worden bedekt. Wie zo handelt en bij zijn broeder een open oor en hart vond, heeft zijn broeder gewonnen: de betrokkene blijft bewaard als broeder in de gemeenschap der heiligen.
Het kan zich echter ook voordoen, dat de broeder niet luistert en zich verhardt. Dan moet het vermaan worden voortgezet met de hulp van een of twee getuigen. Zo wordt een eerste stap gezet op weg naar de kerkelijke rechtspraak. Daarbij zijn getuigen vereist (Deut. 19: 15). Ook zij moeten de broeder ‘bestraffen’ (Matt. 18: 17). Uiteraard in de hoop dat hij nu zal luisteren en zijn zonde zal belijden. Mocht het echter niet zover komen, dan zullen de getuigen ten overstaan van de kerkelijke vergadering, die heeft te oordelen over de hele gemeente, als onomstotelijk vaststaande moeten kunnen verklaren, dat de zonde metterdaad is bedreven; dat het ook reeds tot een eerste broederlijke bestraffing is gekomen (onder vier ogen), evenwel zonder dat de zondaar zich heeft gewonnen gegeven; dat vervolgens ook zij, de erbij geroepen getuigen, zich moeite hebben gegeven om de broeder tot inkeer en berouw te brengen; maar dat ook hun inspanning het gewenste doel niet heeft bereikt.
Als de zaak dan voor de twee of drie gemeenteleden vaststaat, moet zij worden voorgelegd aan de gemeente, overeenkomstig de regel van Deut. 19: 15. De HERE heeft daar bepaald, dat geen rechter een veroordeling mag uitspreken, als de beschuldiging niet vaststaat op grond van de verklaring van tenminste twee of drie getuigen. Woorden van gelijke strekking had de HERE gesproken met betrekking tot halsmisdrijven (Num. 35: 30; Deut. 17: 6). Maar de algemene regel van Deut. 19 gold voor elke overtreding en ieder misdrijf, van welke aard ook maar.
De Here Christus wil dus, dat, als de zaak voor de getuigen vaststaat, zij wordt voorgelegd ‘aan de gemeente’. De voortgaande tuchtoefening is volop zaak van de hele gemeente. Maar die voortgang begint bij hen, die door de gemeente daarvoor zijn aangewezen (HC, 85), bij de ambtsdragers, die immers opzicht en tucht hebben te oefenen. Toch kan de kerkeraad ook nog anderszins met zonde en tucht van doen krijgen, namelijk als hij moet constateren, dat iemand een openbare zonde heeft begaan (KO, 74). Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, in het algemeen aan te geven, wat precies is te verstaan onder geheime en wat onder openbare zonden. Wel kan worden gezegd, dat

|64|

er, als een zonde aanstoot geeft, dat wil zeggen dat zij makkelijk de hele gemeente zou kunnen infecteren, of ook als de schuld door vonnis van de wereldlijke rechter is uitgesproken, sprake is van openbare zonde. Dit is ook het geval, als er zonde voorkomt, waar leden van de gemeente weet van hebben, zonder bestraffend op te treden (vergelijk 1 Kor. 5: 1-5). In dergelijke gevallen zal de kerkeraad moeten waken voor de heiligheid van de naam van de Here en voor de heiligheid van de gemeente. Opdat de gehele gemeente wordt vervuld met heilige schrik voor de zonde en opdat allen die ervan horen onder de indruk zullen komen van de hoge heiligheid van de gemeente, die zo doortastend wordt beschermd (vgl. Hand. 5: 11).
Indien dan geen tucht zou worden geoefend, zou de toorn van God over de hele gemeente worden opgewekt (1 Kor. 11: 17, 29 en 34; HC, 82).

 

4. De weg van de kerkelijke tuchtoefening

Nadat de zonde aan de kerkeraad is voorgelegd, gaan de ambtsdragers onderzoek doen en vangt het kerkelijk vermaan aan. Door dit optreden van de hele gemeente bij monde van haar ouderlingen komt de zaak in een ernstiger fase. Dit blijkt duidelijk uit de bewoordingen van de Here Christus. De Statenvertaling luidt: ‘.... indien hij ook aan de gemeente geen gehoor geeft ...’ (Matt. 18: 17). De vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap heeft het woordje ‘ook’ weggelaten. Dat betekent zoveel als: ‘zelfs’ en wijst op de in de nieuwe fase van de tuchtoefening toegenomen ernst.
Luistert de betrokkene zèlfs niet naar de stem van de hele gemeente (die, uiteraard, niets anders mag spreken dan het Woord van God), maar blijft hij de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpen, dan moet de kerkeraad hem de toegang tot het avondmaal ontzeggen. De kerkeraad moet evenzo handelen met iemand die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde heeft begaan.
Na deze eerste afhouding moet het vermaan worden voortgezet. Indien ook dan nog geen enkel teken van berouw blijkt, moet de uitsluiting uit de gemeente volgen. Voor elk gemeentelid moet de geëxcommuniceerde zijn als de heiden en de tollenaar (Matt. 18: 17). Dit is niet minachtend bedoeld, maar het moet voor de hele gemeente vaststaan, dat de betrokkene niet langer kan worden erkend als lid van de gemeente van Christus. Zo iemand wordt door God zelf buiten het rijk van Christus gesloten (HC, 85). Want al wat de gemeente, overeenkomstig Gods Woord, op aarde ‘bindt’ (tuchtwaardig verklaart),

|65|

zal in de hemel gebonden zijn; maar al wat de gemeente, overeenkomstig Gods Woord, op aarde ‘ontbindt’ (niet-tuchtwaardig verklaart), zal ontbonden zijn in de hemel (Matt. 18: 18).
Omdat de tuchtoefening, tot en met de uiteindelijke afsnijding, zaak van heel de gemeente is, zal de kerkeraad haar medewerking inschakelen. Daarom moet hij de verschillende stappen, die hij op de weg van de tuchtoefening zet, bekend maken aan de gemeente. Bij de eerste mededeling zal de naam van de zondaar nog niet worden genoemd, om hem te ontzien. Wel zal de zonde worden genoemd en de aanvankelijke stappen van de tucht, alsmede de vruchteloosheid van het veelvuldige vermaan. Met klem wordt de gemeente daarom opgeroepen, de Here aanhoudend te bidden om bekering van de betrokkene. Dit gebed zal met name in de huizen van de gemeenteleden niet mogen worden nagelaten.
Inmiddels gaat het vermaan verder. Blijft het vruchteloos, dan zal de kerkeraad instemming van de classis vragen om met de tucht voort te gaan. Niet, omdat die tuchtoefening een classicale zaak zou zijn, maar ter voorkoming van zelfs de schijn van partijdigheid, en bovenal ook hier weer met het oog op de hulp van de zusterkerken, overeenkomstig de wijsheid van de Spreukendichter. Bij de tweede bekendmaking zal ook de naam van de betrokkene worden genoemd, opdat ieder gemeentelid hem of haar vol liefde kan aanspreken en te beter voor hem of haar kan bidden.
Leidt dit alles niet tot bekering, dan volgt, weer met bewilliging van de classis, een derde afkondiging aan de gemeente. Hierin wordt meegedeeld, dat tot uitsluiting is besloten en dat die is voorgenomen op een zondag over enkele weken. De gemeente krijgt zo de gelegenheid haar stilzwijgende instemming met de uitsluiting te geven (KO, 77). Die excommunicatie vindt plaats met gebruikmaking van het daarvoor vastgestelde formulier.
Mocht de geëxcommuniceerde te zijner tijd tot berouw en bekering komen en weer opname in de gemeente begeren, dan zal hij, nadat hij werkelijk beterschap heeft beloofd en bewezen, onder openbare schuldbelijdenis weer als lid van Christus en van zijn gemeente worden aangenomen (HC, 85; KO, 78).

 

5. Tucht over doopleden

Niet iedere gedoopte komt tot geloof. Zo iemand kan niet aldoor als gedoopte aanvaard blijven in de gemeenschap van de kerk. Blijft hij, hoewel hij mondig is geworden, nalatig openbare belijdenis van het

|66|

geloof te doen en zo toegang te verkrijgen tot het avondmaal van de Here, dan moet de kerkeraad hem daarover vermanen. Dit moet ook gebeuren als hij in ander opzicht ontrouw is aan zijn roeping tot nieuwe gehoorzaamheid in Gods verbond.
Verwerpt de betrokken bondeling het vermaan en geeft hij er blijk van, dat hij afkerig is van Gods verbond en onverschillig, misschien zelfs vijandig staat tegenover de dienst van de Here, dan moet hij buiten de gemeenschap van de kerk worden gesloten. Ook hierbij is weer de instemming van de classis vereist. Bij de bekendmaking aan de gemeente zal ieder lid worden opgewekt, hem aan te spreken en voor hem te bidden. Toont hij ook daarna geen teken van oprecht berouw, dan zal hij, met stilzwijgende instemming van de gemeente, worden buitengesloten volgens het hiervoor bestemde formulier.
Mocht hij later alsnog tot berouw en bekering komen, dan zal hij in de weg van openbare geloofsbelijdenis in de gemeente worden opgenomen (KO, 82).

 

6. Tucht over ambtsdragers

Ook ambtsdragers, die een voorbeeld voor de gemeente behoren te zijn (1 Petr. 5: 3), kunnen in zonde vallen; te denken is aan zonen van Aaron (Lev. 10: 1-11), aan David (2 Sam. 11 en 12) en aan Petrus (Matt. 26: 69-75; Gal. 2: 11-14). De gereformeerde kerken in ons land hebben altijd erkend, dat onderscheid moet worden gemaakt tussen zonden, die persé niet in een ambtsdrager kunnen worden geduld, en zonden, die wel worden geduld, maar toch moeten worden bestraft. Tot deze laatste categorie werden bij voorbeeld gerekend klaarblijkelijke nalatigheid in het bestuderen van de Schrift, het al te toegevend zijn bij tuchtoefening, enz.. Maakt een ambtsdrager zich aan dergelijke zonden schuldig, dan moet hij daarover worden vermaand. Mocht hij dit vermaan verwerpen, dan maakt hij zich daardoor schorsingswaardig.
Eveneens maakt hij zich schorsingswaardig, als hij schuldig zou staan aan allerlei ernstige vergrijpen. Daarbij hebben de kerken allereerst gedacht aan het aanhangen van valse leer. Bij het begin van hun optreden hebben de ambtsdragers beloofd dat zij de leer van de Schrift, zoals die is uitgedrukt in de drie formulieren van eenheid, toegewijd zouden onderwijzen en trouw verdedigen en elke valse leer zouden afwijzen, op straffe van schorsing (KO, 53, 54). Worden zij ontrouw aan deze belofte, dan maken zij zich daardoor schorsingswaardig. Ook maakt openlijke scheurmakerij schorsingswaardig. Hieronder is

|67|

te verstaan, dat een ambtsdrager eigen gang gaat, tegenover zijn kerkeraad, waardoor de eenheid van de gemeente wordt geschonden. Uiteraard is godslastering onduldbaar in een ambtsdrager, evenals simonie, het zich door omkoping in het ambt proberen in te dringen (zie Hand. 8: 18-23). Verder is daar trouweloze verlating van de eigen dienst of het zich indringen in het dienstwerk van een ander. Ook wordt hij schorsingswaardig door de zonden van meineed, ontucht, diefstal, gewelddadig optreden, regelmatige dronkenschap en onrechtmatige verrijking van zichzelf en door andere zonden en ernstige vergrijpen die bij andere leden van de kerk als grond voor excommunicatie gelden (KO, 80).
Hoe moet het nu bij de schorsing van een ambtsdrager toegaan? In de eerste plaats is op te merken, dat het broederlijk vermaan onder vier ogen, dat is vereist bij de tuchtoefening over de andere gemeenteleden, niet per se moet voorafgaan bij tucht over ambtsdragers. Is er sprake van zonde bij een van hen, dan moet hij in tegenwoordigheid van al de ouderlingen worden bestraft, en wel opdat de overigen, die niet in zulke zonde vielen, worden afgeschrikt (1 Tim. 5: 20). Vervolgens is te wijzen op een onderscheid in de behandeling van schorsingswaardige predikanten en van andere ambtsdragers. Als een predikant zich heeft schuldig gemaakt aan een van de genoemde zonden, dan moet de kerkeraad hierover tot een oordeel komen. Is het zijn overtuiging dat metterdaad een schorsingswaardige zonde is bedreven, dan nodigt hij de kerkeraad van de door de classis aangewezen naburige gemeente uit, eveneens zijn oordeel over de zaak te geven. Stemmen de oordelen van beide kerkeraden overeen, dan zal de eigen kerkeraad overgaan tot de schorsing. Is er verschil in beoordeling, dan zal de classis hebben te oordelen. Of een predikant ook door zijn kerkeraad moet worden afgezet, is afhankelijk van het oordeel van de classis, tot stand gekomen met advies van deputa-ten van de particuliere synode.
De inmenging, eerst van de naburige kerkeraad en vervolgens ook die van de classis en de particulier-synodale deputaten is nodig ter voorkoming van partijdigheid, maar ook omdat een predikant, krachtens de onderlinge kerkelijke samenleving, ook in de zusterkerken mag voorgaan, nadat hij ten overstaan en onder medewerking van die zusterkerken is toegelaten tot het ambt (KO, 5).
Hebben ouderlingen of diakenen zich schuldig gemaakt aan een van de genoemde zonden, dan is voor hun schorsing of afzetting het oordeel van hun kerkeraad en dat van de naburige kerkeraad voldoende

|68|

(KO, 79). Zij hebben nimmer de bevoegdheid ontvangen, elders hun ambt te bedienen.
Ook door de oefening van de tucht over ambtsdragers hebben de kerken met de nodige ernst ervoor te waken dat de heilige naam van de Heer van de kerk niet vanwege ontrouwe dienaren wordt gelasterd. Ook hebben zij ervoor te waken, dat de kerk niet vervreemdt van de weg van Gods verbond door afwijkende, dwalende, zondigende ambtsdragers.
Het gaat bij dit alles om de heiligheid van Gods huis en dienst. Heiligheid is het sieraad voor het huis van de Here, tot in lengte van dagen (Ps. 93: 5). Daartoe dient ook de orde, die de kerken hebben aanvaard voor haar leven en samenleven.

Bouma, H. (1988) HVI

|69|

VI Omgang met de kerkorde

 

De gereformeerde kerken in ons land hebben de geldende kerkorde in gemeenschappelijk overleg vastgesteld en in eensgezindheid aanvaard. Daarom moeten de kerken zich er in de praktijk van het kerkelijk leven aan houden en zich dienovereenkomstig gedragen (KO, 84). Het is immers nuttig en goed dat de regeerders van de kerk onderling een vaste orde instellen en die vervolgens handhaven. Daardoor zal het lichaam van de kerk in stand blijven (NGB, 32).
De kerken hebben zich niet op het standpunt gesteld, dat elke kerk van gereformeerde confessie eenzelfde kerkorde moet hebben. De grote synode van Dordrecht bepaalde: ‘In middelmatighe dinghen salmen de buyten-Landtsche Kercken niet verwerpen, die ander gebruyck hebben dan wy’ (DKO, 85). Gereformeerde kerken zullen, vanwege haar gezamenlijke uitgangspunt, hoogstens op ondergeschikte punten verschil kennen in de kerkorde. Die verschillen vormen geen belemmering voor wederzijdse erkenning. Reeds dit feit wijst aan, op welke wijze we zullen omgaan met onze kerkorde. Kerkorde en wet zijn niet twee begrippen, die elkaar dekken. De gereformeerde kerken kennen geen kerkelijke wetten, wel een kerkorde. De term 'kerkelijke wetten' is pas later, in tijd van verval, in gebruik gekomen. Zodra men spreekt over kerkelijke wetten, kan de mening postvatten, dat zij in alles moeten worden opgevolgd, zelfs als duidelijk zou blijken dat zij op een of ander punt niet overeenstemmen met Gods Woord of de vrede en eenheid van de kerk zouden schaden. Terwijl wij zeer stipt en streng zijn ten aanzien van de handhaving van de gezonde leer als grondslag van het kerkelijk leven, is er altijd een zekere ruimte met betrekking tot de opvolging van de kerkorde. Dit kan duidelijk blijken uit de formulering van de slotbepaling van de kerkorde. Daar is vastgelegd, dat de kerkelijke vergaderingen zich erop zullen toeleggen, de bepalingen van de kerkorde na te leven (KO, 84). In een wet past zulk een formulering niet. In een wet blijft elk artikel onverzwakt van kracht; en men is zonder meer gehouden, in elk opzicht zich te gedragen naar alle wettelijke bepalingen. Maar de kerkorde is niet zulk een rigoureuze wet.
Wel moeten de kerkelijke vergaderingen zich wachten voor willekeur, voor bandeloosheid, voor het ‘Korintisch kwaad’ van het individualisme. De eenmaal ingestelde kerkorde moet zo worden gehandhaafd,

|70|

dat daardoor het lichaam van de kerk in stand blijft.
Daarom aanvaarden wij alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God (NGB, 32).
Vereist het belang van de kerken, dat de kerkorde moet worden gewijzigd, aangevuld of verminderd, dan mag dit alleen geschieden door een generale synode (KO, 84).