Alg. Regl. NHK (1948) II.I

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

 

 

Alg. Regl. NHK (1948) 17

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Artikel
17

De plaatselijke gemeenten blijven bepaald binnen de grenzen, waarin zij nu bestaan, zoolang daarin op wettige, bij dit Reglement aangewezen wijze, geene verandering zal gemaakt zijn. De belangen van elke dier gemeenten zijn toevertrouwd aan predikanten, benevens ouderlingen en diakenen, die allen als manslidmaten 1) aan die gemeente behooren verbonden te zijn. 2)
Bij langdurige ziekte of tijdelijk gemis van een predikant der gemeente, zorgt de Ring, volgens de bepalingen van het Reglement op de Vacaturen, voor de vervulling van zijn dienstwerk.


1) Wijziging in werking getreden 1 Jan. 1923 in verband met de wijziging van art.  3*. Hand.  1922 bl. 211-215, 229, ten einde uit te spreken,  dat vrouwelijke lidmaten  niet  benoembaar  zijn  tot  kerkeraadsleden.   Een  voorstel  om   „manslidmaten” in „lidmaten” te veranderen, opdat ook vrouwen benoembaar zouden zijn, is in 1931 afgewezen. Hand. 1931 bl. 241-242.
Een wijziging van art. 17 teneinde de benoembaarheid van de vrouw tot het diakenambt mogelijk te maken werd door de Synode van 1936 voorloopig aangenomen, maar door de Synode van 1937 afgewezen. (Hand. 1936 bl. 123-129, 229; Hand.  1937 bl. 74-79).
2) Wie buiten de gemeente woont kan geen lidmaat, en dus geen ouderling of diaken dier gemeente zijn, doch ook de predikanten moeten door lidmaatschap aan de gemeente  zijn  verbonden  en  dus binnen de  grenzen  der  kerkelijke  gemeente wonen.

Alg. Regl. NHK (1948) 17*

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Artikel
17*

Grootere gemeenten kunnen worden ingedeeld in territoriaal afgebakende buurtgemeenten, welke tezamen eene centrale gemeente vormen. 1)
Deze indeeling geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het desbetreffend Reglement.
Aan elkander grenzende gemeenten kunnen, op de wijze, in genoemd Reglement aangewezen, tot eene centrale gemeente worden vereenigd en in buurtgemeenten worden ingedeeld. 2)


1) In 1903 bedoelde de Synode met „grootere”: gemeenten met drie of meer predikanten, die zij wenschte, dat in zelfstandige wijkgemeenten konden worden gesplitst, om „in de groote gemeenten het vollediger verrichten van den pastoralen arbeid mogelijk te maken en door de wederkeerig nauwere betrekking van predikant en wijkgemeente den bloei van het gemeenteleven te bevorderen”. In 1904 werd drie veranderd in twee. Het aldus gewijzigde art. verkreeg echter het vereischte aantal stemmen in de Prov. Kerkbesturen niet. (Hand. 1903 bl. 333, 1904 bl. 91, 149-164, 172).
Een dergelijk voorstel werd in 1906 afgewezen. (Hand. 1906 bl. 163, 164).
2) Het thans vigeerend art. 17* met het daarbij behoorend Reglement op de vorming van buurtgemeenten is in werking getreden 15 Jan. 1914. Het voorstel, daartoe ingediend bij de Synode van 1912, onderscheidde zich van de bovenvermelde hierin, dat thans niet gesproken wordt van „zelfstandige wijkgemeenten”, maar van „territoriaal afgebakende buurtgemeenten”. De bedoeling is, door dezen vorm van parochie-stelsel, de groote gemeenten beter te kunnen bewerken, waarbij

|16|

enkel rekening gehouden werd met de nooden van hen, die thans in de massale gemeenten vervreemden van godsdienst en Kerk. De 3e al. is aan dit art. toegevoegd naar aanleiding van bezwaren van den Kerkeraad der Ned. Herv. Gem. te Rotterdam. Hand. 1912 bl. 424-445, 544-548; 1913 bl. 529-577, 581-584; Bijl. B. 1914 bl. 300.
Aangezien het Reglement op de buurtgemeenten geene toepassing heeft gevonden behalve in de gemeente Heerlen, heeft de Synode zich bezig gehouden met de vraag of in het Reglement zelve wellicht wijzigingen noodig waren, en of er bepalingen wenschelijk waren om beter te kunnen voorzien in de behoeften der groote steden en der zich sterk uitbreidende gemeenten. De Commissie in 1925 benoemd om dit te onderzoeken, bracht haar rapport uit in de zitting der Synode van 7 Augustus 1926, hetwelk aanleiding gaf tot voorloopige aanneming van wijzigingen in art. 3* en in dit art. 17* van het Algemeen Reglement, zoodat aan art. 17* werd toegevoegd: De Kerkeraden van gemeenten en buurtgemeenten, welke behooren tot dezelfde burgerlijke gemeente, benoemen uit hun midden elk een predikant, een ouderling en een diaken, ter vorming van een sub-classicale Commissie, tenzij het Provinciaal Kerkbestuur, het Classicaal Bestuur gehoord, van deze bepaling dispensatie verleent. Sub-classicale Commissies hebben allereerst tot taak, gemeenschappelijk werk in dezelfde burgerlijke gemeente voor te bereiden, en het vervolgens, als de betrokken gemeenten en buurtgemeenten ertoe hebben besloten, uit te voeren; Hand. 1926 bl. 267-286, 357-363; benevens tal van daarmede samenhangende wijzigingen. Zie verder bij Reglement op de buurtgemeenten, art. 1, aant. 1.
De Commissie voor het Groote-Stadsprobleem diende bij de Synode van 1934 in vtrband met de door haar voorgestelde wijziging in het Reglement op de vorming van buurtgemeenten de volgende wijziging in van art. 17*:
Grootere Gemeenten kunnen worden ingedeeld in territoriaal afgebakende buurtgemeenten, welke tezamen een Vereenigde Gemeente vormen. Ook kunnen in zoodanige Gemeenten een of meer territoriaal afgebakende gedeelten worden afgescheiden voor het vormen van buurtgemeenten, welke tezamen met het overblijvende deel der Gemeente een Vereenigde Gemeente vormen.
Aan elkander grenzende Gemeenten kunnen tot ééne Vereenigde Gemeente worden vereenigd en op dezelfde wijze in buurtgemeenten worden ingedeeld.
Een en ander geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de vorming van buurtgemeenten.
De voorgestelde wijzigingen werden echter door de Synode verworpen. (Hand. 1934 bl. 100, 101, 189-196).

Alg. Regl. NHK (1948) 18

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
18

In alle gemeenten, waar het personeel daartoe niet ontbreekt, zal een Kerkeraad zijn. Gemeenten, die, door gebrek aan genoegzaam geschikt en gewillig personeel, geen Kerkeraad kunnen hebben, of wier Kerkeraad tijdelijk de bevoegdheid heeft verloren tot het nemen van besluiten 1), zijn geplaatst onder het toezicht van het Classicaal Bestuur (of, zoo noodig, van het Provinciaal Kerkbestuur), hetwelk met de overgebleven kerkeraadsleden en, ingeval een consulent moet optreden, met dezen, doen zal wat des Kerkeraads is 2), en bevoegd is tot al hetgeen in dit Reglement en in de Bijzondere Reglementen aan den Kerkeraad is opgedragen.


1) Zie noot 3 bij art. 1 van het Syn. Regl. voor de Kerkeraden.
2) Volgens art. 1 al. 4 Syn. Regl. voor de Kerkeraden kan in bepaalde gevallen het Classicaal Bestuur, doende wat des Kerkeraads is, zich door een Commissie van twee of drie zijner leden laten vertegenwoordigen.

Alg. Regl. NHK (1948) 19

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
19

De Kerkeraad wordt onderscheiden in Algemeenen en Bijzonderen.
De Algemeene, die in alle gemeenten, grootere of kleinere, bestaat, is samengesteld uit één of meer predikanten en uit ouderlingen en diakenen. 1)
Tot den Bijzonderen, die slechts in gemeenten met drie of meer predikanten gevonden wordt, behooren alleen predikanten en ouderlingen 2), terwijl diakenen aldaar ook een afzonderlijk college uitmaken. 3)
De Kerkeraad vertegenwoordigt en bestuurt de gemeente; en wel de Algemeene of ook de Bijzondere Kerkeraad, naarmate de zaken, die te behandelen zijn, tot den eenen of tot den anderen behooren.


1) N.l. al de predikanten der gemeente — hetzij één of meer — en al hare ouderlingen en diakenen.
2) N.l. al de predikanten der gemeente en al hare ouderlingen.
3) In gemeenten met drie of meer predikanten vormen de diakenen een afzonderlijk college van diakenen, die (volgens art. 3 Regl. voor de Diaconieën) handelen onder medewerking en goedkeuring van den Kerkeraad, doch zij zijn tevens leden van den Algemeenen Kerkeraad.

Alg. Regl. NHK (1948) 20

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
20

Aan predikanten is toevertrouwd en aanbevolen: de openbare verkondiging van het Evangelie; het bedienen van Doop en Avondmaal; de leiding van de openbare godsdienstoefeningen; de huwelijksinzegeningen; het catechetisch onderwijs; het afnemen van belijdenis des geloofs, in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen; de bevestiging van predikanten, hulppredikers, ouderlingen, diakenen en lidmaten; de herderlijke zorg; het besturen van de vergaderingen zoo van den Kerkeraad als van het kiescollege of van de stemgerechtigden. 1)
Predikanten kunnen voor de vervulling van eene of meer bijzondere werkzaamheden worden beroepen en in verband daarmede geheel of gedeeltelijk van de werkzaamheden, in het vorige lid genoemd, worden vrijgesteld. 2)
Tot deze werkzaamheden, met uitzondering van het afnemen van belijdenis des geloofs, de herderlijke zorg en het besturen van de vergaderingen, zijn mede bevoegd emeriti-predikanten en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben. 3)
Aan dienstdoende zendelingen en eervol ontslagen oud-zendelingen, wien op hun daartoe strekkend verzoek aan de Algemeene Synodale Commissie door deze Commissie de bevoegdheid daartoe is verleend, kan worden toevertrouwd de openbare verkondiging van het Evangelie, het bedienen van Doop en Avondmaal, de leiding van de openbare godsdienstoefeningen, de huwelijksinzegening en het catechetisch onderwijs. Over een verzoek, als hierboven bedoeld, wordt door de Algemeene Synodale Commissie niet dan na ingewonnen informatie omtrent Christelijken levenswandel, bekwaamheid en geschiktheid bij het Classicaal Bestuur, waaronder aanvrager ressorteert en bij den Raad voor Uitwendige Zending, en niet later dan drie maanden na den datum van indiening, beslist. 4)
Aan ouderlingen is toevertrouwd en aanbevolen: met de predikanten bezig te zijn in de herderlijke zorg voor de gemeente; de bevordering van en het toezicht op het godsdienstonderwijs en de handhaving van orde en tucht; voorts het ijverig samenwerken met dezen in alles, wat aan de christelijke volmaking der gemeente kan dienstbaar wezen.
Aan diakenen is toevertrouwd en aanbevolen: de meer bijzondere zorg voor de armen der gemeente. Daartoe zijn zij belast met het dagelijksch beheer der diaconie-goederen, met het innen van alle, onder welken titel ook, aan de diaconie der gemeente aankomende gelden, met de inzameling der liefdegaven en met het besteden van dit een en ander tot die godsdienstige en zedelijke einden, welke de christelijke gemeente voor hare armen beoogt.
In gemeenten met één of twee predikanten doen zij dit onder medewerking, en in die met drie of meer predikanten onder toezicht van predikanten en ouderlingen.
Het vaststellen van collecten, de zorg voor de diaconie-goederen, alsmede voor de geestelijke behoeften der armen, is overal aan predikanten, ouderlingen en diakenen te zamen opgedragen.


1) De 1e al. is gewijzigd in werking gekomen 15 Jan. 1917, in verband met de wijziging van al. 3.
2) De 2e alinea is in werking gekomen 15 Jan. 1918. in verband met de toevoeging van een Vierde Afd. aan het Regl. op de Vacaturen (artt. 80-93). Zie aldaar. Bijl. B. 1916 bl. 300-305; Hand. 1916 bl. 439-443, 456-459; 1917 bl. 400-402; Bijl. B. 1918 bl. 230.
3) De 3e al., bedoelende de bevoegdheid van emeriti en eervol ontslagen predikanten te regelen, is in werking getreden 15 Jan. 1917. In 1911 kwam daartoe een voorstel bij de Synode ter tafel tot invoeging van een al. 3 in art. 7 Regl. Vacaturen (Hand. 1911 bl. 563-575). In 1913 werd aan de Syn. Com. opgedragen een advies uit te brengen inzake de bevoegdheid van predikanten, die vrijwillig hun ambt hebben nedergelegd, tot het verrichten van kerkelijke handelingen. (Hand. 1913 bl. 492-498; 1914 bl. 43, Bijl. B. 1914 bl. 453). Het rapport der Syn. Com. kwam bij de Synode van 1915 in (Bijl. B. 1915 bl. 317-321; Hand. bl. 519-524), en de toevoeging van art. 20 met andere daarmede in verband staande wijzigingen, ook in andere Reglementen, werd voorloopig aangenomen. Hand. 1915 bl. 552-555. Zij kon het volgend iaar, met een kleine redactiewijziging in de 1e al., worden uitgevaardigd. Hand. 1916 bl. 204-227, 492-495; Bijl. B. 1917 bl. 222-225, 237.
4) Aanvulling in werking getreden 20 September 1945. Zij beoogt het recht, dat de zendelingen bezaten op het zendingsterrein, om in het openbaar het Evangelie te verkondigen, openbare godsdienstoefeningen te leiden en te catechiseeren, zoomede huwelijken in te zegenen en de Sacramenten te bedienen, ook hun gedurende hun verblijf in het vaderland toe te kennen. (Hand. 1943 bl. 224-226, 241-242; 1944 bl. 237-244, 260-261; 1945 bl. 18).

Alg. Regl. NHK (1948) 21

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
21

De Kerkeraden geven, (wanneer zij verkeerdheden ontdekken in de administratie der kerkelijke goederen of in die der pastoriegoederen 1), daarvan kennis aan het Classicaal Bestuur. 2)


1) Of in die der pastoriegoederen is ingevoegd 15 Jan. 1905, wegens invoering van het Reglement op de pastoriegoederen.
2) Een voorstel in 1897, en wederom, met een kleine wijziging, in 1904 bij de Synode ingediend, om, na „kerkelijke goederen” te lezen „en wanneer naar hun oordeel, ten gevolge van handelingen en besluiten van kerkvoogden, de geestelijke belangen der gemeente gekrenkt worden of schade lijden kunnen”, werd afgewezen, voornamelijk in de verwachting van een Reglement op het beheer der kerkelijke goederen. Hand. 1897 bl. 595, 596; 1904 bl. 432-435.

Alg. Regl. NHK (1948) 22

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
22

De censuur over de leden der gemeente, met uitzondering van de predikanten, zoowel de emeriti en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben 1), als de dienstdoende, van de candidaten tot den Heiligen Dienst, de ouderlingen en de diakenen, geschiedt ter eerste instantie door den Kerkeraad, van welks uitspraken men zich kan beroepen op het Classicaal Bestuur; alles overeenkomstig het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht.


1) De invoeging: „en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben” is in werking getreden 15 Jan. 1917, in verband met de regeling der bevoegdheden van eervol ontslagen predikanten. Hand. 1915 bl. 523, 552; 1916 bl. 204-227, 493; Bijl. B. 1917 bl. 222.

Alg. Regl. NHK (1948) 23

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
23

Het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen, en tot beroeping van predikanten, berust bij de gemeente. 1)
Deze zal, behoudens de verkregen rechten van derden 2), dit óf zelve uitoefenen, óf door hen, die zij daartoe bepaaldelijk machtigt, doen uitoefenen 3), naar gelang zulks, in de nader te maken bijzondere reglementen op de Kerkeraden en de predikantsberoeping, zal worden vastgesteld.
Totdat daarin zal zijn voorzien, blijven de bestaande bepalingen van kracht en toepassing. 4)


1) Dit democratisch grondbeginsel is in zijn volledige toepassing eerst in het Algemeen Reglement van 1852 tot uiting gekomen. Het is nader uitgewerkt in het Reglement op de benoeming enz., voor ’t eerst in werking getreden 1 Maart 1867.
In 1931 is bij de Synode ingekomen een voorstel om deze eerste al. aldus te wijzigen: „Het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen berust bij de gemeente, dat tot beroeping van predikanten berust bij den Kerkeraad”. In verband hiermede wijzigingen in het Regl. tot benoeming enz. en in het Regl. voor de Kerkeraden. Dit voorstel werd verworpen, maar tevens werd besloten een Commissie te benoemen, die zal overwegen in hoeverre, na de partieele herziening van het Regl. op de benoeming enz., een algeheele herziening noodig geacht moet worden. Hand.
1931 bl. 200-205.
2) Zie het volgend art.
3) Sedert 1871 wordt om de 10 jaren de stemming gehouden over de vraag of de stemgerechtigden der gemeente het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen en tot beroeping van predikanten zichzelven voorbehouden of daartoe den(Algemeenen) Kerkeraad machtigen. Zie bij art. 4 Syn. Regl. op de benoeming, enz. Een voorstel om te bepalen, dat het recht der benoeming van ouderlingen en diakenen berust bij de gemeente en de beroeping van predikanten geschiedt door den Kerkeraad, is door de Synode in 1911 verworpen. (Hand. 1911, bl. 472-487); eveneens een dergelijk voorstel in 1927 (Hand. 1927 bl. 129-133).
4) Dit 3e lid heeft na de invoering van het Regl. op de benoeming enz. geen zin meer.

Alg. Regl. NHK (1948) 24

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
24

Wettig verkregen rechten van collatoren worden geëerbiedigd, tot zij door wet of overeenkomst zullen zijn opgeheven. 1) Tegen die verkeerdheden of misbruiken, die met het bestaan of de uitoefening van dit recht gepaard gaan, of daarbij plaats kunnen hebben, zullen door de Kerk de noodige maatregelen worden genomen of uitgelokt. 2)
Geen Kerkeraad of gemeente kan het recht van vrije beroeping in een collatie veranderen, noch ook immer aan iemand overdragen.


1) Eerst in 1874 zijn ook de gemeenten in Friesland onder het algemeene recht der Kerk gekomen, ofschoon het recht der „floreenplichtigen” reeds in 1867 door de

|20|

invoering van het Reglement op de benoeming enz. was opgeheven en in 1871 de woorden „en floreenplichtigen” achter „collatoren” waren weggenomen. De Minister van Justitie verklaarde 16 Aug. 1872, dat, „naar art. 1 der Wet van 10 Sept. 1853, het kerkelijk gezag de eenige bevoegde autoriteit is om in de bestaande wijze van verkiezen en beroepen van predikanten bij de Herv. Gemeenten in Friesland veranderingen te brengen”. Hand. 1874 bl. 243-258.
Het recht van collatie van staatswege, de z.g. „Koninklijke Collatiën” zijn bij de Wet van 26 Dec. 1861 (Stbl. no. 124) opgeheven. De particuliere collatiën berusten op het, besluit van den Souvereinen Vorst van 28 Sept. 1814 ter regeling van het collatierecht. Alleen een wet kon hieraan een einde maken, in zooverre de collatoren er niet vrijwillig afstand van deden. Daarom richtte reeds in 1861 de Synode een adres te dier zake aan den Min. van Herv. Eeredienst. (Hand. 1861 bl. 229-232, 306-309, Bijl. B. bl. 37-52). D.d. 17 Mei 1873 zond de Syn. Com. een advies aan den Min. van Justitie in antwoord op vragen betreffende eventueele opheffing van de collatierechten (Bijl. B. 1873, bl. 166-170) en in 1875 richtte zich de Synode opnieuw tot den Minister tot verkrijging van een wet(Hand. 1875 bl. 187, 194; Bijl. B. bl. 135-138). Sedert 1917 is opnieuw de zaak van opheffing der collatierechten bij de Syn. Com. en de Synode aan de orde; in 1919 is door de Syn. Com. een vragenlijst aan de gemeenten gezonden ter verkrijging van gegevens omtrent de nog bestaande rechten van derden, ten einde daarover aan den Min. van Justitie te rapporteeren. Dit rapport is met een begeleidend schrijven d.d. 15 Juni 1922 aan den Minister van Justitie gezonden.
Intusschen zijn bij de Grondwetsherziening van 1922 in het IIIe der Additioneele Artikelen afgeschaft: de heerlijke rechten betreffende voordracht of aanstelling van personen tot openbare of kerkelijke betrekkingen. Hand. 1918 bl. 131, 144-151; Bijl. B. bl. 274; 1919 bl. 104, Bijl. B. bl. 226-227; Hand. 1921 bl. 62, 329; 1922 Bijl. B. bl. 275, Hand. bl. 31, 281.
De Synode heeft echter tot nog toe geene wijzigingen voorgesteld in die Reglementsartikelen, waarin van de rechten van derden sprake is. Zie aant. 2.
2) Hiertoe behoort art. 47 Regl. Vac; voorts het Reglement op de uitoefening van het collatierecht in de voormalige Ommelanden, vastgesteld door het Prov. Kerkbestuur van Groningen 1 Mei 1872, goedgekeurd door de Synode 23 Juli 1872, evenals de wijzigingen in 1881 en 1885 aangebracht. De Synode verklaarde zich vooralsnog tegen intrekking van het Kon. Besl. van 11 Aug. 1819, betreffende de uitoefening van de collatierechten in Groningen, „opdat de Kerk niet aan dezelfde misbruiken, als tot het nemen van dat besluit aanleiding hebben gegeven, verder worde blootgesteld”. Hand. 1870 bl. 215; 1873 bl. 238-239; Bijl. B. bl. 163-166; 1874 bl. 74, Bijl. B. bl. 137.
De Alg. Syn. Com. heeft, met het oog op de opheffing der collatierechten door het IIIde der Additioneele Artikelen bij de Grondwetsherziening van 1922, besloten het advies van den rechtsgeleerden adviseur der Synode in te winnen betreffende het Ommelander collatierecht. Bijl. B. 1923 bl. 177. In dit advies d.d. 11/12 Juli 1924 wordt erop gewezen, dat er collatierechten zijn( die niet aan een heerlijkheid zijn verbonden, maar aan grondeigendom en dat eerst door eene rechterlijke uitspraak de vraag der Ommelander collatierechten zou kunnen worden opgelost.
Volgens prof. mr. A.S. de Blécourt zijn ook de Ommelander collatierechten bij de grondwetsherziening van 1922 afgeschaft. (Zie zijn opstel „Rechtshistorische Jurisprudentie” in het Tijdschrift v. Rechtsgeschiedenis deel XV bl. 436 e.v.).

Alg. Regl. NHK (1948) 25

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
25

De huishoudelijke belangen der gemeente kunnen, in overeenstemming met de algemeene of provinciale verordeningen, door plaatselijke reglementen 1) worden geregeld, doch zal van zulke reglementen mededeeling aan de Classicale Besturen geschieden.

|21|


1) Niet te verwarren met de Plaatselijke Reglementen, bedoeld in het Syn. Regl. op de benoeming enz., die de goedkeuring van het Prov. Kerkbestuur behoeven.
Bedoeld zijn hier alleen zulke plaatselijke reglementen, die de huishoudelijke belangen der gemeenten regelen. Hand. 1896 bl. 115; Bijl. B. bl. 253-255.

Alg. Regl. NHK (1948) 26

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
26

Predikantsplaatsen van ééne gemeente of van eenige gemeenten te zamen worden vereenigd tot ringen. 1)
Naar plaatselijke omstandigheden is die vereeniging zóó ingericht, dat de dienst in de gemeenten, ook bij vacature en andere ongelegenheden, steeds behoorlijk kan worden waargenomen.
In de bestaande verdeeling kunnen geene veranderingen worden gemaakt dan door de Provinciale Kerkbesturen, na vooraf de consideratiën der in de zaak betrokkene Classicale Besturen te hebben ingewonnen.
Van de gemaakte veranderingen zal kennis gegeven worden aan de Synode.


1) Ringen hebben wel hun eigen moderamen, maar zij vormen zelve geen kerkelijk bestuur. Hunne kerkrechtelijke beteekenis ligt in den plicht tot onderlinge hulpverleening in vacante gemeenten of in gevallen met vacaturen gelijkstaande. Wegens dezen plicht hebben de ringen ook recht op al de inkomsten aan de predikantsplaats verbonden. (Regl. Vac. art. 27).
Er zijn 138 ringen, waarvan die in de provincie Drenthe gelijk zijn aan de drie Classicale ressorten; doch de classis Emmen heet als ring: Coevorden.

Alg. Regl. NHK (1948) 27

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
27

De predikanten, dienstdoende bij gemeenten tot zoodanigen ring behoorende, zijn verplicht tot onderling hulpbetoon, ingeval van nood, behoudens de bepalingen op het Hulppredikerschap.
Zij moeten, bij vacature, zorgen voor de vervulling van al de deelen van het herder- en leeraarwerk, die hun ter waarneming door het Reglement op de Vacaturen worden opgedragen.

Alg. Regl. NHK (1948) 28

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
28

Tot dat einde verdeelen zij onderling de consulentschappen voor de verschillende gemeenten, en maken huishoudelijke bepalingen ten opzichte van het godsdienstonderwijs, den openbaren eeredienst en het herderlijk werk in de hulpbehoevende gemeenten; een en ander onder goedkeuring van het Classicaal Bestuur.

Alg. Regl. NHK (1948) 29

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
29

De ringen vergaderen, zoo dikwerf zij dit noodig achten, in de hoofdplaats van den ring, of in eenige andere plaats, door hen zelve te bepalen, en kiezen jaarlijks uit hun midden een Praetor, Vice-Praetor, Scriba en Quaestor.
De Waalsche predikanten zijn leden der ringsvergadering. 1)


1) De Synode van 1871 oordeelde, dat de Waalsche predikanten als leden van de ringsvergadering moeten beschouwd worden voor zooveel betreft de werkzaamheden vermeld in art. 30, al. 2. Hand. 1871 bl. 345.

Alg. Regl. NHK (1948) 30

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
30

Van het hun bij artt. 27-29 van dit Reglement opgedragen werk zijn zij verantwoordelijk aan het Classicaal Bestuur, waaronder zij behooren.
Hunne verdere werkzaamheden bestaan in de ovenweging en behandeling van onderwerpen, den godsdienst en het Christendom, de bevordering van bijbelkennis en de waarneming van hunne bediening betreffende.
Jaarlijks zenden zij een verslag van hunne werkzaamheden in bij het Classicaal Bestuur.

Alg. Regl. NHK (1948) 31

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
31

De ringsvergaderingen hebben het recht, om bij de onderscheidene kerkbesturen, waaronder zij behooren, voorstellen in te leveren, maar zij zijn wederkeerig verplicht, de door dezen verlangde berichten, consideratiën en bescheiden ten spoedigste in te zenden. 1)


1) Behalve dit recht, overeenkomende met hetgeen aan de kerkelijke besturen is toegekend in art. 13 al. 2, alsmede het recht vermeld in art. 14 al. 2 Alg. Regl., hebben de ringen ook het recht, hetwelk hier behoorde te zijn vermeld, en in art. 79 van het Regl. v. K. O. en T. genoemd wordt, om voor den burgerlijken rechter gedingen te voeren. (Vgl. Hand. 1892, Bijl. B. bl. 321-327).

Alg. Regl. NHK (1948) 32

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
32

Verschillen in en tusschen de ringsvergaderingen, en tusschen deze en de Kerkeraden, worden onderworpen aan de beslissing van het Classicaal Bestuur. 1)


1) Het verzuim in het vroegere Regl. v. K. O. en T., waar van deze geschillen niet werd gesproken (D. en F7, bl. 33) is in het nieuwe Regl. hersteld. (Zie art. 70 Regl. v. K. O. en T.).
Zie voor de voorstellen in 1924 bij de Synode aanhangig gemaakt om in het Alg. Regl. een art. 32* in te voegen, regelende de invoering van Diaconale Raden, in verband met een nieuw Hoofdstuk in het Reglement voor de Diaconieën, de 1e aanteekening bij laatstgenoemd Reglement.