Alg. Regl. NHK (1948)

Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden

Bron: 

De Reglementen der Nederlandsche Hervormde Kerk met aanteekeningen, uitgegeven op last van de Algemeen Synodale Commissie
achtste druk (tweede nood-uitgave)
’s-Gravenhage: N.V. de Nederlandsche Boek- en Steendrukkerij voorheen H.L. Smits, 1948, 1-56


1) Het thans vigeerend Algemeen Reglement, hoewel rustend in het „Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden” van 1816 (door de Synode van 1824 genoemd „de Grondwet der Kerk”), is langs kerkelijken weg tot stand gekomen en draagt in menig opzicht een ander karakter dan zijn voorganger. In 1843 werd art. 15 van het Alg. Reglement van 1816 veranderd en de wetgevende macht in kerkelijke zaken, die de koning zich had voorbehouden, overgebracht op de Synode. De Grondwet van 1848 schafte het koninklijk recht van placet af. Het sedert 1847 bij de Synodale Commissie in bewerking gekomen nieuwe ontwerp werd den 9den September 1851 (Hand. 1851 bl. 533-558) door de Synode aangenomen, vervolgens door de Provinciale Kerkbesturen goedgekeurd, den 23sten Maart 1852 door den Koning geapprobeerd, behoudens elf reserves, en is den 1em Mei 1852 in werking gekomen. De elf reserves zijn opgeheven bij Koninklijk Besluit van 22 Juli 1870, no. 8. Van de wijzigingen, die in het vervolg zijn aangebracht langs den voorgeschreven weg, is steeds, ingevolge art. 1 van de Wet op de Kerkgenootschappen (van 10 Sept. 1853, Staatsbl. no. 102) kennis gegeven aan de Regeering. Daarna zijn zij in werking gekomen op den door de Synode bepaalden tijd.

Alg. Regl. NHK (1948) I

I. Algemeene Bepalingen.

 

 

Alg. Regl. NHK (1948) 1

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
1

De Nederlandsche Hervormde Kerk bestaat uit al de Hervormde gemeenten in het Koninkrijk der Nederlanden, Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche, zoowel als Nederduitsche. 2)
Met andere Christelijke Kerken binnen het Koninkrijk der Nederlanden, in wier symbolische en liturgische geschriften eenheid met of nauwe verwantschap aan de Nederlandsche Hervormde Kerk tot uiting komt, kan contact en samenwerking worden gezocht naar de bepalingen in Hoofdstuk IV van dit reglement. 3)


2) Daar de plaatselijke gemeenten hier te lande oudtijds „kerken” werden genoemd, sprak men van de „Gereformeerde Kerken” dezer landen. De eenheid lag in het gemeenschappelijk geloof, maar het streven naar een „kerkenorde” bewees het verlangen naar een organisatorischen band. (Voor de oude kerkorden zie men C. Hooyer, Oude Kerkordeningen (1563-1638), 1865 en Dez., Kerkelijke wetten der Hervormden 1846, Inleiding). Den naam „Hervormde Kerk” vindt men echter reeds in 1760 in de Psalmberijming van het Genootschap „Laus Deo Salus Populo”; officieel den naam „Nederlandsche Hervormde Kerk” in de „Verklaaring, gevoegd achter het authentique afschrift der Psalmen” van 1773. Deze naam drukt de eenheid der afzonderlijke gemeenten uit. De uitspraak van de Arrond. Rechtbank te Assen van 24 Mei 1921 verklaart: „De Ned. Herv. Kerk — ofschoon uit verschillende Gemeenten samengesteld — moet geacht worden één geheel uit te maken. Wie als lidmaat is toegetreden, maakt deel uit der algemeene corporatie, onverschillig in welke Gemeente hij is toegetreden; hij behoort tot die kerkelijke Gemeente, waar zijn woonplaats is gevestigd. Het K.B. van 7 Jan. 1816, no. 1 wordt niet als ongrondwettig geoordeeld; het daarop steunende Alg. Regl. voor de Herv. Kerk in ’t

|2|

Koninkrijk heeft dus verbindende kracht.” (Weekblad v. h. recht no. 10749). Toen na 1886 de „doleerende kerken” zich hebben genoemd „Gereformeerde Kerken”, scheen het wenschelijk art. 1 aldus te wijzigen: „De Ned. Herv. Kerk bestaat uit al de Hervormde (Gereformeerde) gemeenten”, enz. (Hand. 1893 bl. 539 v.v.; 543 v.v. 1894 bl. 214-222, 442, 443), maar de Prov. Kerkbesturen verwierpen de wijziging. Hand. 1895, Bijl. B. bl. 189-190.
Een poging tot stichting of erkenning van gemeenten in het buitenland als gemeenten der Ned. Herv. Kerk, waarover de Syn. Com. voorstellen bij de Synode van 1909 ter tafel bracht, is op bezwaren afgestuit. (Hand. 1908 bl. 344-348; Bijl. B. 1909 bl. 368, Hand. bl. 481-495).
Men zegge en schrijve: Nederlandsche Herv. Kerk, maar Nederduitsche Herv. Gemeente, daar men tot de Ned. Herv. Kerk (dat is de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden) behoort, wanneer men lid is van een Waalsche, Presb. Engelsche of Schotsche gemeente. In plaatsen, waar een der drie laatstgenoemde gemeenten niet bestaan, zou het echter voldoende zijn de gemeente enkel als Hervormde gemeente aan te duiden. (Vgl. het Formulier voor den beroepsbrief volgens het Regl. op de Vacaturen). Terwijl de Presb. Engelsche en Schotsche gemeenten (zie art. 34 al. 2) behooren tot de kerkelijke ressorten der Ned. gemeente in de plaats, waar zij zijn gevestigd, maken de Waalsche Hervormde gemeenten een afzonderlijk kerkressort uit. Dit is te danken aan de groote, historische beteekenis, die deze gemeenten in de Ned. Herv. Kerk hebben. Men zie daarover D. en F7, bl. 2.
3) Aanvulling in werking getreden 1 Januari 1946. Zij beoogt de mogelijkheid te scheppen tot het totstandkomen van contact en samenwerking met die Christelijke Kerken in den lande, in wier symbolische en liturgische geschriften eenheid met of nauwe verwantschap aan de Ned. Herv. Kerk tot uiting komt (Hand. 1943 bl. 209-218, 239-241; 1944 bl. 258-260; 1945 bl. 70-74 en 90).

Alg. Regl. NHK (1948) 2

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
2

Tot elke bijzondere gemeente, binnen welker ressort zij naar de burgerlijke wet woonplaats hebben, behooren:
1o. die op belijdenis des geloofs tot lidmaten der Kerk zijn aangenomen;
2o. die door den Doop in de gemeenschap der Kerk zijn ingelijfd;
3o. die uit Hervormde ouders geboren zijn of geacht worden door den overgang hunner ouders tot de Hervormde Kerk mede tot die Kerk te zijn overgegaan;
4o. die als dooplid of lidmaat eener gemeente van een andere Christelijke Kerk, bedoeld in art. 7.5 van dit Reglement, vanwege eene gemeente der Nederlandsche Hervormde Kerk werden erkend en van hunnen doop of hunne belijdenis door behoorlijke bewijzen hebben doen blijken; 1)
5o. die in eenige Protestantsche gemeente, hetzij hier te lande, hetzij elders, zijn erkend als behoorende tot de Hervormde Kerk en van hunnen doop of hunne belijdenis door behoorlijke bewijzen hebben doen blijken. 2)


1) Zie noot 3 bij artikel 1 van dit Reglement.
2) Art 2, behalve sub 4, is in werking getreden den 1en Januari 1931. De Kerk breidt, omdat zij zooveel mogelijk allen wil blijven omvatten, die niet uitdrukkelijk bewezen hebben tot haar niet te willen behooren, ten einde door haar invloed zoovelen mogelijk ten zegen te zijn, het begrip aangaande degenen, die tot de gemeente moeten gerekend worden, zoover mogelijk uit. Voor den burgerlijken rechter bleek echter art. 2 geen voldoende zekerheid te bieden bij beslissingen omtrent verplichting tot betaling van „hoofdelijken omslag”. Dit bleek althans uit de verscheidenheid der beslissingen. Volgens een vonnis van de Arr. Rechtbank te Assen, 24 Mei 1921, „behoort wie als lidmaat is toegetreden, bij verhuizing naar een andere Gemeente, tot die Gemeente, zonder dat hij door het indienen eener attestatie of op andere wijze Van zijn wil, om tot die Gemeente te behooren, heeft te doen

|3|

blijken.” (Weekblad van het Recht no. 10749). Daarentegen heeft de Arrond. Rechtbank te Leeuwarden 11 Dec. 1924 uitgesproken: „Het in de artt. 1 en 2 van het Alg. Regl. neergelegd stelsel is, dat de Ned. Herv. Kerk niets anders is dan een vereeniging van gemeenten en dat slechts de gemeenten hebben lidmaten. Bij verhuizing vindt overgang van het lidmaatschap van de eene naar de andere Ned. Herv. gemeente niet automatisch plaats, doch is voor de verkrijging van het lidmaatschap der Ned. Herv. gemeente in de plaats van vestiging de indiening eener attestatie noodzakelijk.” Voorts: dat „het Alg. Regl. nergens bepaalt of veronderstelt, dat er bestaat een lidmaatschap van die Kerk en in het bijzonder niet een lidmaatschap in burgerrechtelijken zin”. (Weekblad v. h. Recht no. 11316). De verscheidenheid van juridische uitspraken en met het Kerkrecht niet zelden in strijd zijnde beschouwingen omtrent het lidmaatschap van de Kerk en van de gemeente waar men woont, gaf grond voor eene wijziging van art. 2, waardoor de onzekerheid zou kunnen worden weggenomen. Niet alleen in 1869 (D. en F7 bl. 3), maar nog in 1924 had echter de Synode een voorstel tot invoering van een art. in het Alg. Regl., waaruit zou blijken, dat ieder, die in eenige Nederd. Herv. gemeente gedoopt of tot lidmaat aangenomen is, behoort tot de gemeente waar zijn woonplaats is gevestigd, afgewezen (Hand. 1924 bl. 129-131).
In de Synode van 1927 werd medegedeeld, dat bij de Syn. Commissie was ingekomen, bij schrijven van Aug./Oct. 1926, een verzoek om eene wijziging te willen overwegen van art. 2 van het Alg. Reglement en dat de Syn. Commissie met eene uitvoerige uiteenzetting van haar inzicht d.d. 18 Juni 1927 dit verzoek had beantwoord. Dit heeft aanleiding gegeven tot een voorstel van de Syn. Comm. tot wijziging van artt. 2 en 3 van het Alg. Regl., waarover 6 Aug. 1929 in de Synode rapport werd uitgebracht, en dat geleid heeft tot een voorstel tot wijziging, hetwelk in de Synode van 1930 definitief is vastgesteld en in werking getreden op 1 Januari 1931. Bijl. B. 1927 bl. 200; Hand. 1927 bl. 93; Bijl. B. 1928 bl. 209; Hand. 1928 bl. 287, 288-292; 1929 bl. 394-401; 1930 bl. 165-168, 308; Bijl. B. 1931, bl. 155-160.
Oudtijds werd het onderscheid tusschen leden en lidmaten niet gemaakt: het Doopsformulier spreekt van de „ledematen van Christus”, waaronder zelfs de nog niet gedoopte „kinderen der geloovigen" worden verstaan. Volgens Dr. G.J. Vos Azn., Nederl. Herv. Kerkrecht 1896, bl. 97 werden echter reeds in 1655 als „leden” de niet-belijders onderscheiden van de belijders, de vrijwillig toegetredenen als lid-(lede)maten. — Teneinde het zeer veelvuldig voorkomend verzuim in het indienen eener attestatie (hetwelk de Synode niet heeft willen dwingen om niet in strijd te komen met het beginsel van vrijheid, Hand. 1869 bl. 232), eenigszins te verhelpen, is in het Syn. Regl. voor de Kerkeraden, art. 14, 7o., de bepaling opgenomen, in werking getreden 15 Jan. 1920, dat binnen acht dagen aan den Kerkeraad der gemeente, waarheen een lidmaat is vertrokken, daarvan kennis moet worden gegeven. Hand. 1918, bl. 81, 83, 108; 1919, bl. 180-182, 191; Bijl. B. 1920, bl. 192.
Herhaaldelijk zijn bij de Synode voorstellen ingediend en afgewezen om bij verhuizing de overschrijving der attestatie automatisch te doen plaats hebben. De invoering van het kerkelijk bevolkingsregister heeft nieuwe mogelijkheden geopend om op het inleveren der attestatie meer orde te stellen. Hand. 1932 bl. 119.
Met doop is bedoeld de kinderdoop. De bejaarden-doop (welke toegediend wordt volgens de oude verordeningen) volgt op het afleggen der belijdenis van nog niet gedoopten, tengevolge waarvan dezen nu in de gemeente opgenomen, en daarom gedoopt worden.
De Synodale Commissie heeft op een vraag of voor de minderjarige kinderen, die alleen gedoopt zijn, de band met de Kerk moet geacht worden verbroken te zijn, wanneer de vader dien band verbroken heeft, geantwoord, dat „in overeenstemming met het bepaalde in art. 2 al. 2 en art. 3 van het Alg. Regl., minderjarige kinderen uit een gemengd huwelijk tot het kerkgenootschap, waarin zij gedoopt zijn, behooren, zoolang door de ouders, of, bij overlijden van één dezer, door de overblijvende moeder of vader niet schriftelijk is verklaard, dat de kinderen tot een

|4|

ander kerkgenootschap zijn overgegaan, onverschillig of de vader of moeder tot een ander kerkgenootschap overgaan”. Bijl. B. 1899 bl. 255-259.
Volgens besluit der Synode van 20 Juli 1819 moeten de Kerkeraden „de kerkelijke attestatiën van Protestanten uit andere godsdienstige genootschappen, ter plaatse waar dezelve geene bijzondere gemeente hebben, aannemen, en, indien zulks door hen begeerd wordt, inschrijven in het register der ledematen, met bijvoeging van het Kerkgenootschap, waartoe de vertooners behooren, en dezelve hun weder uitleveren, bij vertrek, met het getuigenis van onberispelijkheid in den wandel, zoo er geen bewijzen van het tegendeel bestaan.”
Op een vraag van den Raad van beheer, of bovengenoemden moeten worden meegeteld bij de op het zielental gebaseerde vaststelling van het minimum aanvangstraktement en van de uitkeering uit de Kas voor de predikantstraktementen, heeft de Synode van 1937 ontkennend geantwoord, omdat in het besluit der Synode van 1819 slechts sprake is van eene attestatie-kwestie en niet van lidmaatschap der Nederlandsche Hervormde Kerk met de rechten en plichten daaraan verbonden.(Hand. 1937 bl. 152-156).

Alg. Regl. NHK (1948) 2*

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
2*

De Algemeene Synode kan, onder door haar te stellen waarborgen, lidmaten eener gemeente van een andere Christelijke Kerk, bedoeld in art. 75 van dit Reglement ten aanzien van de rechten en verplichtingen, aan het lidmaatschap verbonden, met lidmaten der Nederlandsche Hervormde Kerk geheel of in bepaalde opzichten gelijk stellen.
Het actieve zoowel als het passieve kiesrecht zal daarvan uitgesloten zijn. 1)


1) Zie noot 3 bij artikel 1 van dit Reglement.

Alg. Regl. NHK (1948) 3

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
3

Deze allen blijven tot de bijzondere gemeente, binnen welker ressort zij naar de burgerlijke wet woonplaats hebben, en mitsdien 1) tot de Nederlandsche Hervormde Kerk behooren, zoolang zij niet door woord of daad ten duidelijkste toonen, zich van haar af te scheiden, of door haar van hunne betrekking tot de Kerk vervallen zijn verklaard. 2)


1) De aanhef van art. 3 is, aldus gewijzigd, in werking getreden 1 Jan. 1931 in Verband met de wijziging van art. 2. Tegen de uitdrukking „mitsdien” werd het bezwaar geuit, dat het lidmaatschap van de Kerk primair is. Men zie verder de aanteekening bij art. 2.
2) De uitdrukking ten duidelijkste (in het Alg. Regl. van 1816 „vrijwillig en duidelijk”) voorkomt, dat al te spoedig zou aangenomen worden, dat iemand zijn betrekking met de Kerk heeft verbroken. In de dagen der „Afscheiding” werd door de Synode eene circulaire uitgevaardigd d.d. 14 Juli 1836 betreffende de handelwijze der Kerkeraden ten aanzien van Leden, die zich willen afscheiden. Als tegenhanger dient de missive aan de Kerkelijke Besturen, van 10 Aug. 1891, gewijzigd in de circulaire van 16 Aug. 1902 no. 213, betreffende de handelwijze aangaande hen, die, na zich te hebben afgescheiden, tot de Kerk willen terugkeeren.
Vervallen-verklaring heeft de Synode niet in het Regl. voor K. O. en T. gereglementeerd. Op een verzoek om de gevallen te bepalen, welke aan den Kerkeraad recht geven iemand van zijn lidmaatschap vervallen te verklaren, is de Synode niet ingegaan. Men zie hierover Hand. 1869, bl. 232-233; Bijl. B. bl. 66; 1870, bl. 71-74, 79; 1887, bl. 186-195, 304-305; 1896 Bijl. B. bl. 280-284; Hand. 1896, bl. 122, 607-723, 810-817.

Alg. Regl. NHK (1948) 3*

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
3*

Stemgerechtigde leden eener gemeente zijn alle lidmaten 1), die onder haar ressort wonen 2), den ouderdom van 23 jaren bereikt hebben, en ten minste vijf maanden geleden 3), hetzij bij den Kerkeraad geloofsbelijdenis hebben afgelegd, hetzij op ingediende attestatie of bewijs van lidmaatschap als lidmaten der gemeente erkend zijn 4); eveneens zij, die bij verandering van de grensscheiding van de eene gemeente naar eene andere overgaan en in hunne vroegere gemeente stemgerechtigd waren. 5) Geen stemrecht wordt uitgeoefend door hen, die onder censuur of curateele staan. 6)
Het stemrecht wordt uitgeoefend overeenkomstig de bepalingen van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten. 7)


1) Van 1897 tot 1911 zijn voorstellen tot wijziging van „manslidmaten” in „lidmaten” herhaaldelijk zonder blijvend succes in de Synode behandeld. In 1917 is de wijziging door de Synode voorloopig, in 1918 definitief aangenomen met 12 tegen 7 stemmen, maar zij verkreeg geen twee derde der stemmen in de Provinciale Kerkbesturen (Hand. 1917 bl. 270-276, 404; 1918, bl. 114-131; Bijl. B. bl. 197). In 1921 heeft de Synode ze opnieuw voorloopig aangenomen, weder met een wijziging in art. 17 Alg. Regl. gepaard gaande, om te verklaren, dat zij (in meerderheid) wel het stemrecht, maar niet de verkiesbaarheid der vrouwelijke lidmaten wil. Hand. 1921, bl. 74-78, 79, 82, 83. Na in 1922 definitief te zijn vastgesteld, is de wijziging in werking getreden 1 Jan. 1923, Hand. 1922 bl. 211-215, 229; Bijl. 1923 bl. 174. In de wijziging ligt opgesloten, dat vrouwelijke lidmaten wel leden van het kiescollege kunnen zijn. (Hand. 1917, bl. 314).
2) Onder haar ressort wonen. Een voorstel van den Alg. Kerkeraad der Ned. Herv. Gemeente te Rotterdam, om hieraan toe te voegen: „of gerekend worden te wonen”, werd afgewezen, als in strijd met art. 3 Synodaal Regl. voor de Kerkeraden. Hand. 1921, bl. 280-282.
3) Vroeger: „één jaar”. In 1930 was voorloopig aangenomen „zes maanden”; bij de definitieve vaststelling van de wijziging is bepaald „vijf maanden”. Hand. 1930 bl. 65-67, 70; 1931 bl. 340-343, 388. Bijl. 1932 bl. 163.
4) Dienstdoende predikanten, ofschoon als leden van den Kerkeraad terstond na hunne bevestiging bevoegd om deel te nemen aan de benoeming van kerkeraadsIeden, zijn niet terstond bevoegd tot de benoeming van gemachtigden, maar moeten daarmede wachten totdat zij stemgerechtigd zijn geworden in de gemeente, gelijk ieder ander lidmaat. Hand. 1875. bl. 149, 150.
5) Deze toevoeging werd billijk geacht door de Synode in 1917, in 1918 definitief aangenomen en is in werking getreden 15 Jan. 1919. Hand. 1917 bl. 87, 347-348, 402; 1918 bl. 240-242, 244; Bijl. 1919 bl. 201.
6) Vroeger volgde daarop: „of in het jaar, dat aan de stemming of verkiezing voorafgaat, door een armbestuur zijn bedeeld geworden”. Een voorstel (van de Class. Verg. van Leiden) om deze zinsnede te schrappen, kon in de Synode van 1899 (Hand. bl. 255-258) geen meerderheid verkrijgen. Een zelfde voorstel werd in 1908 voorloopig aangenomen, maar het volgend jaar weder verworpen. (Hand. 1908 bl. 99-104, 188, 189; 1909 bl. 206-213, 213-217). In 1911 werd het opnieuw voorloopig en in ’t volgend jaar definitief aangenomen. Maar het verkreeg de vereischte meerderheid niet bij de Prov. Kerkbesturen. (Hand. 1911 bl. 504-519, 617, 618; 1912 bl. 474-486, 540; Bijl. B. 1913 bl. 299). Eindelijk is de schrapping in 1917 weder voorloopig aangenomen, ’t volgend jaar definitief en is de wijziging in werking getreden 15 Jan. 1919. Hand. 1917 bl. 310-313, 316, 317; 1918 bl. 103-105, 142, 143; Bijl. B. 1919 bl. 200, 201.
7) De bepaling in deze 3e alinea, al te lang in dit artikel van het Alg. Regl. gemist, is in 1917 aan de consideraties der Kerk onderworpen, werd gunstig ontvangen, in 1918 definitief aangenomen en is in werking getreden 15 Jan. 1919. Hand. 1917 bl. 317-332, 443; 1918 bl. 105-107, 143; Bijl. 1919 bl. 200.

Alg. Regl. NHK (1948) 4

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
4

Het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk wordt uitgeoefend:
1o. over de gemeenten, door Kerkeraden;
2o. over meer gemeenten, vereenigd, door Classicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen;
3o. over de gemeenten tezamen, door de Synode. 1)
De belangen der Oost- en West-Indische Kerken zijn een voorwerp van de aanhoudende zorg der Synode van de Nederlandsche Hervormde Kerk. De betrekking dezer Kerken tot de Synode wordt nader geregeld. Intusschen wordt zij onderhouden door tusschenkomst van den Secretaris der Synode, als lid der Commissie voor de zaken der Protestantsche Kerken in Nederlandsch Indië. 2)


1) Daar de gemeenten het recht hebben hare Kerkeraden zelve te verkiezen, klimt dus het bestuur der Kerk (geheel in tegenstelling met het Regl. van 1816) uit de gemeenten op tot de Synode, die de Kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten optreedt (Alg. Regl. art. 55).
2) Deze tusschenperiode duurt nog steeds voort, daar de betrekking der O.- en W.-Indische Kerken tot de Synode nog niet is geregeld. (Vgl. D. en F7, bl. 9). In 1875 (Hand. bl. 192) is aan de Synodale Commissie aanbevolen om, wanneer er sprake mocht komen van eene reorganisatie der Indische Kerken, „de Synode te dienen van advies omtrent hetgeen het belang der Kerk zal vorderen.” In 1910 is door eene daartoe benoemde Staatscommissie een uitvoerig rapport over Reorganisatie der O.- en W.-Indische Kerken uitgebracht, hetwelk aan de Synode is toegezonden, door haar in handen is gesteld van de Syn. Comm., welke hare opmerkingen daarover aan den Min. van Koloniën heeft ingezonden 15 Juni 1915.(Bijl. B. 1915 bl. 314 v.v.). Door het Kerkbestuur te Batavia is in 1920 een rapport over de Reorganisatie der Prot. Kerken in Ned. Indië met concept-Reglementen en Memories tot toelichting aan de Synodale Commissie toegezonden, dat door haar is in handen gesteld van eene commissie van drie leden. Bijl. B. 1921 bl. 209; Hand. bl. 97.
Voor het leggen van contact met de gereorganiseerde Indische Kerk heeft de Synode van 1933 een Commissie van drie leden benoemd. Hand. 1933 bl. 56, 86-89.
Den 11 Juni 1935 is een K.B. afgekomen, om met 1 Augustus 1935 in werking te treden, waarbij de bepalingen uit het K.B. van 7 December 1820 No. 113, welke betrekking hebben op Oost-Indië „buiten werking zijn gesteld”.
Op dien datum heeft het Bestuur van de Protestantsche Kerk in Ned.-Indië een eigen commissie ingesteld, thans genaamd Commissie tot behartiging in Nederland van de belangen der Protestantsche Kerk in Indonesië. Aan de Commissie tot de zaken der Protestantsche Kerken in Nederlandsch West-Indië is thans opgedragen de verzorging van de belangen van de Protestantsche Kerken aldaar.
De Scriba van de Generale Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk is momenteel Voorzitter van de bovengenoemde Commissie tot behartiging enz.

Alg. Regl. NHK (1948) 5

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
5

De leden dezer Besturen worden benoemd door de Kerk op de wijze, welke verder in de verschillende hoofdstukken van dit reglement is opgegeven.
Met uitzondering alleen van die der Kerkeraden, worden deze leden benoemd voor den tijd van drie jaren 1). Jaarlijks treedt een derde af, en wel wat de Algemeene Synode aangaat op den derden Woensdag van de maand Juli, bij de Provinciale Kerkbesturen en de Classicale Besturen op den 1sten Januari. 2)
De leden van het Classicaal Bestuur worden gekozen uit de predikanten en uit de ouderlingen of oud-ouderlingen, wonende binnen het ressort. 3)
Tot leden van het Provinciaal Kerkbestuur zijn benoembaar predikanten, ouderlingen en oud-ouderlingen.
Tot leden van de Synode zijn benoembaar predikanten, ouderlingen en oud-ouderlingen. 4)
Niemand kan ten zelfden tijde lid zijn van een Classicaal Bestuur en van een Provinciaal Kerkbestuur.
Een lid van eenig Classicaal Bestuur, geroepen wordende tot een Provinciaal Kerkbestuur, treedt, bij aanvaarding van deze benoeming, in de eerste betrekking af en wordt door zijnen secundus vervangen. 5)


1) De Kerkeraadsleden kunnen voor hoogstens 4 jaren worden benoemd (Regl. Kerkeraden art. 11).
2) Wijzigingen in de artt. 5, 6 en 7, bedoelende den zittingstijd van de leden der Synode te bepalen op zes jaar, in verband met de uitbreiding der Synode tot 45 leden en het bepalen van de gewone vergadering om de twee jaren, zijn in 1927 voorloopig aangenomen, doch niet tot uitvoering gekomen. (Hand. bl. 225-228, 261-276).
3) Een voorstel om in al. 3 de woorden „ouderlingen of oud-ouderlingen” te doen vervangen door „ouderlingen of tot ouderling benoembare lidmaten” en de 4e en 5e al. te vervangen door: „Tot leden van het Prov. Kerkbestuur en van de Synode zijn alleen benoembaar predikanten en lidmaten, die leden zijn of geweest zijn van een Classicaal Bestuur en hunne secundi” is in 1925 door de Synode afgewezen (Hand. 1925 bl. 119-121).
4) Een voorstel van de Class. Verg. van Franeker, om hierop te doen volgen:„de leden dezer Besturen boven den Kerkeraad zijn slechts eenmaal herkiesbaar”, ten einde meer wisseling in de Besturen te verkrijgen, werd afgewezen, omdat het belang der Kerk zou geschaad zijn, als een geschikt man na 6 jaar zitting moest worden weggezonden, omdat de secretarissen en scriba’s niet worden uitgezonderd en omdat men bij onderling overleg kan verkrijgen wat men wenscht, zonder dat de wet er toe dwingt. Hand. 1916 bl. 156-159.
De beperkende bepaling, dat tot leden van het Prov. Kerkbestuur benoembaar waren alleen die predikanten en ouderlingen, die leden zijn of geweest zijn van een Classicaal Bestuur, is, na vroegere vergeefsche pogingen (Hand. 1902 bl. 191-201, 459, 488), weggenomen sedert 15 Jan. 1921. Hand. 1919 bl. 210, 250-252, 326, 327; 1920 bl. 177, 181, 185; Bijl. B. 1921 bl. 159.
De vroegere beperking voor leden der Synode „voor zoover zij predikanten zijn, uit de leden der Prov. Kerkbesturen en hunne secundi; de ouderlingen uit hen, die als zoodanig in de Prov. Kerkbesturen en in de Class. Besturen zitting hebben of gehad hebben en uit de secundi der eerstgenoemden”, is, nadat in 1892 een verruiming der keuze was voorgesteld, doch het volgend jaar afgewezen (Hand. 1892 bl. 151-159, 167; 1893 bl. 143-149), weggenomen sedert 15 Jan. 1921. Hand. 1919 bl. 304, 320, 323, 327; 1920 bl. 181, 184, 185; Bijl. B. 1921 bl. 159.
5) De Synode keurde in 1886 goed het besluit van het Prov. Kerkbestuur van Gelderland, waarbij was uitgesproken de onwettigheid eener vergadering van het Class. Bestuur van Harderwijk, waarin een lid zitting bleef houden, terwijl hij, door het bedanken van een der leden van het Prov. Kerkbestuur, als primus in dit Kerkbestuur was opgetreden. Hand. 1886 bl. 210.

Alg. Regl. NHK (1948) 6

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
6

Aan elk der leden van de Besturen boven den Kerkeraad wordt een secundus toegevoegd, die de vereischten heeft om als lid op te treden. 1)
Bij tijdelijke ontstentenis van den primus, treedt de secundus voor hem op als gewoon lid. 2)
Bij aftreding tusschentijds van den primus wordt de secundus gewoon lid gedurende den diensttijd van den primus. 3)
Als een secundus gewoon lid geworden is, verkiest de eerstvolgende vergadering van het bevoegde college een ander tot zijn secundus. 4)


1) De bedoeling; der 1e al. is, dat „elk lid zijn eigen afzonderlijken secundus hebben zal, en geen twee of meer leden dezen gemeen kunnen hebben”. Bijl. B. 1858 bl. 37; vel. Hand. 1896 bl. 827-830; 1904 bl. 16, 19-22, Bijl. bl. 6, 328.
2) Volgens de opvatting der Syn. Commissie en der Synode in 1895 moet „tijdelijke ontstentenis” worden opgevat in den zin van „tijdelijke verhindering”, zoodat „een Bestuur boven den Kerkeraad, indien het bijtijds weet, dat een lid niet ter vergadering kan verschijnen wegens tijdelijke verhindering, verplicht is, om den secundus van dit lid op te roepen ter vergadering”. Hand. 1895 bl. 408-412, Bijl. B. bl. 286-291.
3) De Synode van 1860 verklaarde, dat art. 6, 2e en 3e al. „duidelijk genoeg den primus steeds door zijnen secundus als gewoon lid wil doen vervangen en wel voor den geheelen diensttijd van den primus, wanneer deze, onverschillig of zulks vóór dan na zijne werkelijke optreding plaats heeft, buiten staat is zijne betrekking waar te nemen, waarom dan ook de eerstvolgende vergadering een secundus moet verkiezen”. Hand. 1860 bl. 128, 129. (Vgl. Hand. 1893 bl. 11-15, 16; 1895 bl. 5, 408-412).
Een secundus van den Praeses of den Assessor treedt niet op als Praeses of Assessor, maar, volgens art. 47 Alg. Regl., treedt voor den Praeses de Assessor op, en in plaats van den Assessor het oudste lid naar het aantal achtereenvolgende dienstjaren als lid van het Bestuur.
De Synode van 1857 verklaarde (Hand. 1857 bl. 17): „indien het oudste lid bij een Classicaal Bestuur in de tusschentijds opengevallen plaats van den assessor en de secundus van den assessor als lid opgetreden is, behoudt de assessor zijn eigen secundus, en behoort de nieuw benoemde secundus tot het fungeerend lid”.
4) Het art. zooals het thans luidt is in werking getreden 1 Jan. 1931, toen een 4e en 5e alinea, welke aan deze thans 4e voorafgingen, zijn vervallen en in verband daarmede wijzigingen in de artt. 42 en 47 zijn van kracht geworden. De redactie der bepalingen omtrent optreden en functie van den secundus-Scriba had herhaaldelijk tot voorstellen ter wijziging aanleiding gegeven. (Hand. 1917 bl. 94, 226, 228, 243-245; 1918 bl. 213, 234, 240. Hand. 1923 bl. 90-95, 122-123; 1924 bl. 317-320, 349-350, Bijl. B. 1925 bl. 167). In de Synode van 1928 werd een rapport behandeld over wijzigingen van de artt 6, 41, 42, 47 en 49, voorgesteld door de Synodale Commissie, maar de conclusie van het rapport werd verworpen en een voorstel van den President tot schrapping van den laatsten volzin van art. 6 al. 5 aangenomen. Hand. 1928 bl. 230—234, 235. Bij de behandeling van het voorloopig aangenomen voorstel in de Synode van het volgende jaar, werden echter zulke veranderingen aangebracht, dat deze als een nieuw voorstel moesten worden beschouwd, waarover de Kerk opnieuw moest worden gehoord. Het voorstel werd in de Synode van 1930 met een enkele wijziging definitief aangenomen en is in werking getreden op 1 Januari 1931. Hand. 1929 bl. 203-207, 413-414, 425-426; 1930 bl. 176-178, 306; Bijl. B. 1931 bl. 160.

Alg. Regl. NHK (1948) 7

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
7

Van alle benoemingen wordt onverwijld kennis gegeven aan de nieuw benoemden.
Van de benoeming tot leden of secundi van eenig Bestuur boven den Kerkeraad wordt tevens zoo spoedig mogelijk bericht gezonden aan den Secretaris der Synode en de onderscheidene kerkelijke Besturen, die er belang bij hebben.

Alg. Regl. NHK (1948) 8

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
8

Alle stemmingen in kerkelijke vergaderingen, ter vervulling van openstaande of openvallende plaatsen, geschieden door de tegenwoordig zijnde leden, en wel met gesloten briefjes.
Ter beslissing wordt gevorderd de volstrekte meerderheid der behoorlijk uitgebrachte stemmen. Wanneer deze, na twee vrije stemmingen, bij eene derde tusschen de twee, die de meeste stemmen op zich vereenigd hadden, blijkt niet verkregen te kunnen worden, zal het lot beslissen. 1)
Voor elk lid en voor iederen secundus zal steeds gestemd worden. 2)


1) De Synode verklaarde 4 Juli 1856, dat bij het opmaken van nominatiën de volstrekte meerderheid geen vereischte is, ofschoon kerkelijke colleges dit in hunne huishoudelijke bepalingen kunnen opnemen. (Hand. 1856, bl. 13).
Het in de 2e al. bepaalde, evenals het volgend art. 9 geldt niet voor de verkiezing van gemachtigden, als zijnde geen kerkelijke vergadering, maar wel voor de vergadering van stemgerechtigden of van het kiescollege tot de benoeming van ouderlingen en diakenen. Bijl. B. 1873 bl. 239: 1890 bl. 371.
Op welke wijze de loting geschiedt, moet geheel aan de prudentie van het kerkelijk college, dat daartoe overgaat, worden vrijgelaten, volgens het besluit in cassatie der Syn. Comm. 1868. (Bijl. B. 1868 bl. 100).
2) Wijziging in al. 3 heeft de Synode afgewezen (Hand. 1890 bl. 146, 367-371).

Alg. Regl. NHK (1948) 9

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
9

Geen kerkelijk Bestuur neemt eenig besluit in bestuurszaken, noch eenige beslissing in zake van kerkelijk geschil, noch doet eenige uitspraak in zake van tucht 1), dan bij tegenwoordigheid van minstens twee derden 2) der leden, waaruit het bestaan moet 3), tenzij de vergadering wegens ongenoegzaam getal van leden, reeds eenmaal was uiteengegaan en ten tweeden male tot behandeling der zaak wettiglijk was opgeroepen.
Vergaderingen van een kiescollege in een gemeente, waar het Classicaal Bestuur (of het Provinciaal Kerkbestuur) doet wat des Kerkeraads is, bestaan uit de overgebleven kerkeraadsleden, uit den consulent, zoo de gemeente vacant is, uit de gemachtigden en uit de leden des Classicalen Bestuurs (of des Provincialen Kerkbestuurs).


1) Men lette op de wettige kerkelijke terminologie: besluit in bestuurszaken, beslissing in kerkelijke geschillen, uitspraak in tuchtzaken.
2) Een voorstel „om voor colleges, wier ledental dertig of meer bedraagt, de tegenwoordigheid van de grootste helft der leden, als tot het dadelijk nemen van een besluit genoegzaam, vast te stellen”, heeft de Synode afgewezen. (Hand. 1867 bl. 86-88).
3) Waaruit het bestaan moet, dat is dus het volledig getal zonder aftrek van vacante plaatsen. (Bijl. B. 1869 bl. 165-169). Wel erkende de Synode, dat dit „in sommige gevallen eenig bezwaar kan opleveren, b.v. voor kleine Kerkeraden van vijf leden, in welke bij eene enkele vacature reeds de afwezigheid van één lid het nemen van een besluit verhindert: maar dit bezwaar ware licht verholpen als de voorzitter de leden der vergadering terstond na de scheiding ten tweeden male oproept”. De Synode besliste, dat een oproeping voor twee vergaderingen te gelijk op één convocatiekaart niet geoorloofd is. Hand. 1930 bl. 372.
De Synode van 1871 oordeelde, dat, in geval van vacature, en, bij gevolg, ook in gevallen daarmede gelijk staande, de consulent niet tot het getal der Kerkeraadsleden moet worden gerekend. Hand. 1870 bl. 168-170; 1871 bl. 175-182, 286, 287.

Alg. Regl. NHK (1948) 10

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
10

De leden der kerkelijke Besturen stemmen in de vergaderingen, tot welke zij zijn afgevaardigd, altijd hoofdelijk, en zonder aan lastbrieven gehouden te zijn.
Elk lid is verplicht zijn stem bepaald uit te brengen, tenzij de vergadering hem van die verplichting ontslaat. 1)

|10|


1) De Synode overwoog (25 Juli 1912, Hand. bl. 573), dat voorstellen, waarover de stemmen voor de tweede maal staken, worden beschouwd als verworpen te zijn. In het Regl. voor K. O. en T., in werking getreden 15 Jan. 1916, is de bepaling opgenomen: Staken de stemmen, dan is in een bestuurszaak het voorgestelde of gevraagde verworpen of afgewezen (art. 22).

Alg. Regl. NHK (1948) 11

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
11

De zorg voor de belangen, zoo van de Christelijke Kerk in het algemeen als van de Hervormde in het bijzonder, de handhaving harer leer 1), de vermeerdering der godsdienstige kennis, de behartiging van de zending 2), de bevordering van Christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen, met het kerkelijk bestuur belast zijn.


1) Bij de herziening van het Algemeen Reglement in 1851 (Hand. 1851 bl. 313-315) is in art. 9, zooals het in het Regl. van 1816 luidde, alleen deze wijziging gebracht, dat „Christelijke Kerk” in de plaats is gekomen van „Christendom”, waarom het woord „Kerk” bij „Hervormde” moest weggelaten worden. De redactie van 1816 gaf duidelijk aan, dat bedoeld werd de leer der Hervormde Kerk, doch bij de wijziging schijnt bedoeld te zijn, dat men het woord leer op beide wilde doen slaan en zelfs het algemeen Christelijke hooger stelde dan het speciaal Hervormde (Hand. 1878 bl. 382).
Wat de leer der Hervormde Kerk is, wordt in de Reglementen niet nader aangeduid (evenmin trouwens als wat onder „het Evangelie”, of „Gods heilig Woord”,„Avondmaal” of „Doop” is te verstaan. Vgl. Regl. v. d. Kerkeraden art. 21, Regl. Godsd. ond. art. 23). Kerkrechtelijk wordt alleen het geloof der Hervormde Kerk aangeduid in art. 39 van het Regl. od het Godsdienstonderwijs. Doch de „leer” omvat veel meer en wordt niet alleen gekend uit de oude belijdenisgeschriften (De „drie formulieren van eenigheid”, „die regtens nooit zijn afgeschaft”. Hand. 1874 bl. 140), maar ook uit hare liturgieën, de gebruikelijke Formulieren van Doop, Avondmaal, bevestiging, psalmen en gezangen bij de gemeente in gebruik. Handhaving der leer is dan ook niet te verstaan als het zitten als rechter over leergeschillen, maar als het besturen en bevorderen van zulke instellingen, waardoor de bewaring der christelijke leer wordt gewaarborgd. (Vgl. het antwoord van den Commissaris-Generaal namens den Koning aan de Classis Amsterdam gegeven, op hare bezwaren tegen de instelling van de Alg. Synode. D. en F7, bl. 15, 16). Alleen in geval van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Hervormde Kerk is tucht toepasselijk. (Regl. v. K. O. en T. art. 6).
Een geheel nieuw art. 11, voorloopig aangenomen in 1874, is in 1875, na de ongunstige adviezen en consideraties, niet vastgesteld, waarbij werd uitgesproken: dat „handhaving der leer naar geheel het verband van die woorden geen kerkrechtelijke beteekenis heeft, zelfs ook niet volgens het Regl. voor K. O. en T., waar alleen van openbaren strijd met den geest en de beginselen van de belijdenis der Kerk sprake is”. (Hand. 1875 bl. 288). Men zie over de kwestie de uitvoerige rapporten: Hand. 1874 bl. 138-158, 175-179, 180-185, 189-181; 1875 bl. 200-250, 286-289. (Vgl. Hand. 1878 bl. 382, 404, 405: 1879 bl. 346). Pogingen om de woorden „handhaving harer leer” te doen wegnemen, zijn gefaald in 1887 (Hand. 1887 bl. 374), in 1889 (Hand. 1889 bl. 284-290, 290-322, 355; 1890 bl. 335-353); in verband met een wijziging in het Regl. v. K. O. en T. 1899 (Hand. bl. 119-123). Een voorstel van de Cl. Verg. van Alkmaar, tot verandering van art. 11. uit overweging, dat dit art. „in strijd is met de waardigheid der Kerk”, is in 1919 afgewezen, aangezien niet werd aangegeven waarin de strijd met de waardigheid der Kerk bestaat en evenmin welke verandering wordt gewenscht. (Hand. 1919 bl. 44).

|11|

2) Ofschoon onder de „belangen van de Christelijke Kerk in het algemeen” zeker zendingswerk te verkrijgen, leidde in 1904 tot de benoeming van een Commissie, die zou hebben te overwegen, of er, en zoo ja, op welke wijze verband kan en zal worden gelegd tusschen de Ned. Herv. Kerk en de Zending (Hand. 1904 bl. 250-267, 269-270). In de Synode van 1905 kwam het rapport der Com. in bespreking. (Bijl. B. 1905 bl. 425—432), naar aanleiding waarvan de Synode een motie aannam, luidende: „De Alg. Synode, van oordeel, dat reeds sedert vele jaren in ons vaderland verschillende Zendingsvereenigingen bestaan; dat een regeling van den bestaanden toestand, waardoor al die arbeid tot één geheel zou worden gebracht, even groote bezwaren zou opleveren als het daarnaast stellen van eene Zending, geheel door de Kerk georganiseerd; spreekt als haar gevoelen uit, dat het werk der Zending het meest gediend zal worden, wanneer de kerkelijke belangstelling daarin door woord en daad bij de leden der gemeente wordt opgewekt” (Hand. 1905, bl. 599-606). Een voorstel in 1906 van predikanten uit de 5 classes van Friesland tot wijziging van het Alg. Regl., ten einde de Zending te leiden in kerkelijke banen en een wettelijk verband te leggen tusschen Kerk en Zending, gaf aan de rapporteerende Com. aanleiding, ofschoon zij tot afwijzing van de gedane voorstellen concludeerde, o.a. om voor te stellen in art. 11 Alg. Regl. achter de woorden „in het algemeen” te plaatsen „(ook door het behartigen van de Zending)”. Dit werd aangenomen en aan de consideraties der Kerk in 1907 onderworpen. In 1908 werd tot vaststelling der wijziging besloten met plaatsing der woorden alwaar zij thans in art. 11 staan. Hand. 1906 bl. 552-570, 576-577; 1907 bl. 277-292, 488-489; 1908 bl. 257-272, 329, 336-342. Bijl. B. 1909 bl. 358.
De onderlinge verhouding tusschen de Kerk en de zendelingen, in het rapport der Commissie in 1904 als eene regeling behoevende aangeduid (Bijl. B. 1905 bl. 425-432), kwam uitdrukkelijk ter sprake in het verzoek van de „Commissie van leiding in zake kerkelijke zending” bij de Synode van 1909, die een Commissie benoemde om de Synode te adviseeren welke veranderingen in de kerkelijke Reglementen noodzakelijk zouden zijn om tot een kerkelijke ordening van zendelingen te komen. (Hand. 1909 bl. 282-291). Het door deze Commissie ontworpen Regl. op de ordening van Zendelingen” werd, gewijzigd, voorloopig aangenomen, maar de door haar ontworpen wijzigingen in het Regl. op het Hulppredikerschap ten einde zendelingen eene plaats te geven in de Kerk, werd verworpen. (Hand. 1910 bl, 443-455, 520-521; Bijl. B. 1910 bl. 439-448). Het oordeel in de Kerk was ongunstig, zoodat het niet werd vastgesteld (Hand. 1911 bl. 487-495; 1912 bl. 300-304). In 1913 werd een nieuw „Reglement op de kerkelijke ordening en bevoegdheid van zendeling-leeraren en hulppredikers bij de O.- en W.-Indische Kerken”, en een daarmede in verband staande invoeging in art. 2 Regl. op het Hulppred.-schap voorloopig aangenomen. Ofschoon de consideraties en adviezen in de Kerk in meerderheid gunstig waren, besloot de Synode, op grond van verschillende, gewichtige bezwaren, in 1914 met 10 tegen 9 stemmen het Reglement niet vast te stellen. (Hand. 1913 bl. 279-292, 298-300; 1914 bl. 426, 438-442).
In de Synode van 1923 waren voorstellen ter tafel, bedoelende den arbeid der Kerkeraden en der Classicale Vergaderingen ten behoeve van de zending wettelijk te regelen. Zij vonden echter geen meerderheid (Hand. 1923 bl. 95-98), maar gaven aanleiding tot benoeming eener Commissie ten einde nieuwe voorstellen voor de volgende Synode voor te bereiden. Hand. 1923 bl. 298.
Nadat in 1924 en 1925 bestendigd was de opdracht aan de Commissie voor Kerk en Zending, kwam in 1926 haar rapport met wetsvoorstellen in. De Synode besloot het in deze zitting niet af te handelen, maar het, zooveel op den weg der Synode ligt, ter algemeene kennis te brengen, ten einde het in het volgend jaar in behandeling te nemen, en het rapport, begeleid van het rapport der Commissie ad hoc, aan de Commissie tot het houden van nader overleg te doen toekomen, met verzoek

|12|

daarover het advies der betrokken Zendingscorporaties in te winnen en dit advies aan de Synode van 1927 te doen toekomen. Hand 1926, bl. 55, 234-257, 257, 261, 262, Op grond van het oordeel der Commissie in haar rapport, dat „de zaak nog niet rijp is voor beslissing”, werd haar diligentverklaring verleend. Hand. 1927 bl. 283-289.
De Synode van 1931 nam voorloopig een nieuw art. 57** Regl. vacaturen aan, waarbij bepaald werd, dat de Synode aan zendelingen de bevoegdheid kan verleenen om als predikant in de Hervormde Kerk beroepen te worden. De Synode van 1932 nam na kennisneming van de consideratiën der Kerk deze bepaling terug. Hand. 1931 bl. 371, 372, 387; 1932 bl. 290-293.

Alg. Regl. NHK (1948) 12

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
12

Geene algemeen verbindende reglementen, of veranderingen in de bestaande, kunnen worden vastgesteld dan door de Synode. 1)
Geene bijzondere reglementen voor provinciale ressorten, of veranderingen daarin, kunnen in werking worden gebracht, dan door de Provinciale Kerkbesturen, na de goedkeuring der Synode te hebben ontvangen;
geene bijzondere reglementen voor classicale ressorten, of veranderingen daarin, dan door de Classicale Besturen, na de goedkeuring der Provinciale Kerkbesturen te hebben erlangd; 2)
geene bijzondere reglementen voor de ringen, of veranderingen daarin, dan door de ringsvergaderingen, na de goedkeuring van de Classicale Besturen te hebben ontvangen.
Deze goedkeuring van een hooger Bestuur mag niet geweigerd worden, tenzij het blijken mocht, dat de bijzondere reglementen met de algemeene in strijd zijn.
Dispensatie kan alleen gegeven worden van die bepalingen, welke uitdrukkelijk bij de reglementen zijn aangewezen, en op de wijze daarbij voorgeschreven.


1) T.w. zooals in art. 62 Alg. Regl. is beschreven.
2) Hieronder vallen niet de huishoudelijke reglementen voor Classicale vergaderingen, die alsnog geene goedkeuring noodig hebben. Hand. 1852, bl. 213.

Alg. Regl. NHK (1948) 13

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
13

De kerkelijke Besturen bepalen hunne werkzaamheden binnen de grenzen hunner bevoegdheid, zoodat zij niets behandelen, wat uitsluitend tot den werkkring van een ander college behoort. 1)
Kerkelijke besturen hebben het recht, in zaken, welke tot hunne bevoegdheid behooren, voorstellen in te dienen en voorlichting te vragen bij de in opklimmenden rang naastvolgende.
De verlangde voorlichting zal door deze zoo spoedig mogelijk worden gegeven. Eerstgenoemde zijn gehouden, de aangevraagde berichten, bescheiden en consideratiën zonder verwijl op te zenden. 2)


1) Dit is geheel in overeenstemming met de Kerkorde van Dordt, art. 30, dat een „meerdere” vergadering alleen zal behandelen, wat de „mindere” niet heeft kunnen afdoen, zooals ook de oudere Kerkorden bepaalden.
2) In tegenstelling met het vroeger Synodaal besluit van 1852, dat zulke inlichtingen alleen aan de Synode, of. als deze niet vergaderd was, aan de Syn. Com. moesten worden gevraagd. Hand. 1861 bl. 332, Bijl. B. bl. 232-236. Sedert werd steeds de hand gehouden aan de thans geldende bepaling, gelijk uit menig antwoord op verzoeken om voorlichting, aan de Synode of de Syn. Com. gezonden, blijkt (Bijl. B. 1866 bl. 62; Hand. 1866 bl. 24). O.a. in 1921: Hand. bl. 53-54; Bijl. B. bl. 209-210.

Alg. Regl. NHK (1948) 14

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
14

Besluiten in bestuurszaken worden, indien de aard der zaak het vereischt, binnen acht dagen na het nemen van het besluit 1) ter kennis van belanghebbenden gebracht, indien zij personen, met name genoemd, betreffen, door toezending van een gewaarmerkt afschrift.
Kerkelijke Besturen, ringen, lidmaten en leden der gemeente, 2) die door een besluit in bestuurszaken van het Bestuur waaronder zij onmiddellijk geplaatst zijn, vermeenen bezwaard te zijn, hebben het recht, zich bij het in opklimmenden rang volgend Bestuur 3) te beklagen.
Van een besluit, in hooger beroep genomen, kunnen zij vernietiging vragen wegens schennis of verkeerde toepassing van de Reglementen.
De regelen, voorgeschreven in art. 15 voor de behandeling van uitspraken en beslissingen, gelden ook voor de behandeling van besluiten in bestuurszaken in hooger beroep, en in vorderingen tot vernietiging en herziening.


1) Binnen acht dagen na het nemen van het besluit. Deze noodzakelijke invoeging, omdat de termijn binnen welken hooger beroep kan worden aangeteekend, moet kunnen worden vastgesteld, te rekenen van de ontvangst van de kennisgeving van het besluit, is in werking getreden 15 Jan. 1916. Hand. 1914 bl. 808; 1915 bl. 244-245; Bijl. B. 1916 bl. 266.
2) Sedert 15 Febr. 1891 hebben ringen, lidmaten en leden recht van hooger beroep, dat voorheen slechts aan kerkelijke Besturen werd toegekend. (Vgl. art. 80 Regl. K. O. en T.).
3) Vóór 15 Jan. 1900 was hieraan toegevoegd: „dat in deze zaak een eindbesluit zal nemen”.
Het in opklimmenden rang volgend Bestuur, bij hetwelk men in hooger beroep kan gaan van een besluit in eersten aanleg genomen door een Provinciaal Kerkbestuur, is niet de Syn. Com., maar de Synode.
Als een besluit van een Classicaal Bestuur de goedkeuring behoeft van een Prov. Kerkbestuur, is de Synode het in opklimmenden rang volgend Bestuur, bij hetwelk men in hooger beroep moet komen; zoo ook is de Synode het Bestuur bij hetwelk een Kerkeraad in hooger beroep komt, bij weigering van goedkeuring door het Prov. Kerkbestuur. Hand. 1899 bl. 103, 104, 108, 111.

Alg. Regl. NHK (1948) 15

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
15

Van iedere uitspraak in zaken van tucht, door een kerkelijk Bestuur gedaan, kan de bezwaarde in hooger beroep komen bij het in opklimmenden rang volgend Bestuur.
Van eene uitspraak, in hooger beroep gedaan, wordt geen nieuw beroep toegelaten, doch kan alleen vernietiging worden gevraagd, wegens schennis of verkeerde toepassing der Reglementen.
Het verzoek tot vernietiging van eene uitspraak van een Classicaal Bestuur of Provinciaal Kerkbestuur, alsmede van de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken, wordt gedaan bij de Algemeene Synodale Commissie, die in dezen uitspraak doet.
Indien eene uitspraak vernietigd wordt (wegens schennis of verkeerde toepassing van de Reglementen), doch de feiten en rechtspunten, waarvan de beslissing der zaak afhangt, door de vroegere behandeling, naar het oordeel der Algemeene Synodale Commissie, vaststaan, doet deze zelve uitspraak even en in dier voege als het Bestuur, dat de vernietigde uitspraak heeft gedaan, had behooren te doen.
Zijn echter feiten en rechtspunten, waarvan de beslissing der zaak afhangt, bij de vroegere behandeling onopgelost gelaten, of bestaat er aanleiding, ze, tengevolge van de vernietiging, anders te beoordeelen dan bij de vroegere behandeling, zoo wordt de zaak verwezen naar een ander Bestuur van gelijken rang als dat hetwelk de vernietigde uitspraak gedaan heeft. Dit Bestuur doet alsdan einduitspraak. 1)
De Synode, geroepen, om hetzij in eersten aanleg, hetzij in hooger beroep uitspraak te doen, wordt bij uitloting verminderd op de helft harer leden 2); wanneer echter de Synode niet vergaderd is, geschiedt de uitloting in eene samenkomst van het Moderamen, bestaande uit den President, den Vice-President en den Secretaris. 3)
Indien van die utspraak herziening wordt gevraagd, dan wordt de zaak voor de geheele Synode gebracht, welke einduitspraak doet. 4)
Dezelfde regelen gelden voor het nemen van beslissingen in zaken van kerkelijke geschillen.


1) Art. 15 al. 4 en 5. Deze bepalingen zijn in werking getreden 15 Jan. 1916. Hand. 1915 bl. 217, 237-243, 736; Bijl. B. 1916 bl. 264-266.
2) Alle leden nemen aan deze uitloting deel. Maar zij, die, als lid van een kerkelijk Bestuur, in de zaak reeds hebben medegewerkt, mogen, al zijn zij door het lot tot lid der Synodus contracta aangewezen, daarin toch geen zitting nemen (art. 17 Regl. K. O. en T.).
3) Het tweede gedeelte van deze al. is, op voorstel van de Syn. Comm., aangenomen in 1891 en in werking getreden 15 Febr. 1893. Hand. 1891 bl. 98-100, 120-122, 383; Bijl. B. bl. 253-256; 1892 bl. 79-83, 100; Bijl. B. 1893 bl. 192.
4) Een voorstel om, teneinde „dit kostbaar en volstrekt onwettig privilege van dubbel appèl” (aldus het Prov. Kerkbestuur van N.-Holland in zijn bij de Synode van 1897 ingediend voorstel) weg te nemen, de wijziging aan te brengen: „Indien van die uitspraak in eersten aanleg door den bezwaarde herziening wordt gevraagd”, is afgewezen, o.a. op grond, dat daardoor het recht van verdediging geschaad en een bezwaarde in zijn belang gekrenkt wordt, dewijl hem een instantie in de rechtspleging wordt benomen. Hand. 1897 bl. 456-462.
Het voorstel om een Commissie van vijf leden uit de Synode met hunne secundi met een zittingtijd van één jaar te benoemen (Hand. 1911 bl. 519-523; Bijl. B. 1912 bl. 424) is in 1912 voorloopig aangenomen, doch, nadat ook gebleken was, dat de consideraties der Kerk niet onverdeeld gunstig waren, met 10 tegen 9 stemmen, in de Synode van het volgend jaar verworpen. (Hand. 1912 bl. 164-170, 539; Hand. 1913 bl. 511-527).
In de voorstellen tot wijziging van de bestuursinrichting (art. 56), bij de Synode in behandeling in 1920 en 1921 en in 1922 en 1923, werd ook opgenomen een Commissie voor de rechtspraak; doch zij werd niet ingesteld, daar deze wijziging niet is tot stand gekomen. (Hand. 1920 bl. 364, 377-378, 479-480; 1921 bl. 148-164; 1922 bl. 64, 94, 116; 1923 bl. 204, 411). In dergelijke voorstellen, in 1927 voorloopig aangenomen, is zij weder opgenomen. (Hand. 1927 bl. 263-264), doch ook deze zijn niet tot stand gekomen.
Ook in de Reorganisatieontwerpen van 1929, 1934 en 1937 werden Commissies voor de rechtspraak of voor het Kerkrecht voorgesteld.

Alg. Regl. NHK (1948) 16

I. Algemeene Bepalingen.

Artikel
16

De Hervormde gemeenten, in art. 1 genoemd, behoorende tot hetzelfde geheel, en onder hetzelfde gemeenschappelijk bestuur geplaatst, zullen echter, naar hare bijzondere behoeften en omstandigheden, hare afzonderlijke huishoudelijke inrichtingen kunnen hebben, onder de bepalingen in art. 12 voorkomende.

Alg. Regl. NHK (1948) II.I

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

 

 

Alg. Regl. NHK (1948) 17

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Artikel
17

De plaatselijke gemeenten blijven bepaald binnen de grenzen, waarin zij nu bestaan, zoolang daarin op wettige, bij dit Reglement aangewezen wijze, geene verandering zal gemaakt zijn. De belangen van elke dier gemeenten zijn toevertrouwd aan predikanten, benevens ouderlingen en diakenen, die allen als manslidmaten 1) aan die gemeente behooren verbonden te zijn. 2)
Bij langdurige ziekte of tijdelijk gemis van een predikant der gemeente, zorgt de Ring, volgens de bepalingen van het Reglement op de Vacaturen, voor de vervulling van zijn dienstwerk.


1) Wijziging in werking getreden 1 Jan. 1923 in verband met de wijziging van art.  3*. Hand.  1922 bl. 211-215, 229, ten einde uit te spreken,  dat vrouwelijke lidmaten  niet  benoembaar  zijn  tot  kerkeraadsleden.   Een  voorstel  om   „manslidmaten” in „lidmaten” te veranderen, opdat ook vrouwen benoembaar zouden zijn, is in 1931 afgewezen. Hand. 1931 bl. 241-242.
Een wijziging van art. 17 teneinde de benoembaarheid van de vrouw tot het diakenambt mogelijk te maken werd door de Synode van 1936 voorloopig aangenomen, maar door de Synode van 1937 afgewezen. (Hand. 1936 bl. 123-129, 229; Hand.  1937 bl. 74-79).
2) Wie buiten de gemeente woont kan geen lidmaat, en dus geen ouderling of diaken dier gemeente zijn, doch ook de predikanten moeten door lidmaatschap aan de gemeente  zijn  verbonden  en  dus binnen de  grenzen  der  kerkelijke  gemeente wonen.

Alg. Regl. NHK (1948) 17*

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Artikel
17*

Grootere gemeenten kunnen worden ingedeeld in territoriaal afgebakende buurtgemeenten, welke tezamen eene centrale gemeente vormen. 1)
Deze indeeling geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het desbetreffend Reglement.
Aan elkander grenzende gemeenten kunnen, op de wijze, in genoemd Reglement aangewezen, tot eene centrale gemeente worden vereenigd en in buurtgemeenten worden ingedeeld. 2)


1) In 1903 bedoelde de Synode met „grootere”: gemeenten met drie of meer predikanten, die zij wenschte, dat in zelfstandige wijkgemeenten konden worden gesplitst, om „in de groote gemeenten het vollediger verrichten van den pastoralen arbeid mogelijk te maken en door de wederkeerig nauwere betrekking van predikant en wijkgemeente den bloei van het gemeenteleven te bevorderen”. In 1904 werd drie veranderd in twee. Het aldus gewijzigde art. verkreeg echter het vereischte aantal stemmen in de Prov. Kerkbesturen niet. (Hand. 1903 bl. 333, 1904 bl. 91, 149-164, 172).
Een dergelijk voorstel werd in 1906 afgewezen. (Hand. 1906 bl. 163, 164).
2) Het thans vigeerend art. 17* met het daarbij behoorend Reglement op de vorming van buurtgemeenten is in werking getreden 15 Jan. 1914. Het voorstel, daartoe ingediend bij de Synode van 1912, onderscheidde zich van de bovenvermelde hierin, dat thans niet gesproken wordt van „zelfstandige wijkgemeenten”, maar van „territoriaal afgebakende buurtgemeenten”. De bedoeling is, door dezen vorm van parochie-stelsel, de groote gemeenten beter te kunnen bewerken, waarbij

|16|

enkel rekening gehouden werd met de nooden van hen, die thans in de massale gemeenten vervreemden van godsdienst en Kerk. De 3e al. is aan dit art. toegevoegd naar aanleiding van bezwaren van den Kerkeraad der Ned. Herv. Gem. te Rotterdam. Hand. 1912 bl. 424-445, 544-548; 1913 bl. 529-577, 581-584; Bijl. B. 1914 bl. 300.
Aangezien het Reglement op de buurtgemeenten geene toepassing heeft gevonden behalve in de gemeente Heerlen, heeft de Synode zich bezig gehouden met de vraag of in het Reglement zelve wellicht wijzigingen noodig waren, en of er bepalingen wenschelijk waren om beter te kunnen voorzien in de behoeften der groote steden en der zich sterk uitbreidende gemeenten. De Commissie in 1925 benoemd om dit te onderzoeken, bracht haar rapport uit in de zitting der Synode van 7 Augustus 1926, hetwelk aanleiding gaf tot voorloopige aanneming van wijzigingen in art. 3* en in dit art. 17* van het Algemeen Reglement, zoodat aan art. 17* werd toegevoegd: De Kerkeraden van gemeenten en buurtgemeenten, welke behooren tot dezelfde burgerlijke gemeente, benoemen uit hun midden elk een predikant, een ouderling en een diaken, ter vorming van een sub-classicale Commissie, tenzij het Provinciaal Kerkbestuur, het Classicaal Bestuur gehoord, van deze bepaling dispensatie verleent. Sub-classicale Commissies hebben allereerst tot taak, gemeenschappelijk werk in dezelfde burgerlijke gemeente voor te bereiden, en het vervolgens, als de betrokken gemeenten en buurtgemeenten ertoe hebben besloten, uit te voeren; Hand. 1926 bl. 267-286, 357-363; benevens tal van daarmede samenhangende wijzigingen. Zie verder bij Reglement op de buurtgemeenten, art. 1, aant. 1.
De Commissie voor het Groote-Stadsprobleem diende bij de Synode van 1934 in vtrband met de door haar voorgestelde wijziging in het Reglement op de vorming van buurtgemeenten de volgende wijziging in van art. 17*:
Grootere Gemeenten kunnen worden ingedeeld in territoriaal afgebakende buurtgemeenten, welke tezamen een Vereenigde Gemeente vormen. Ook kunnen in zoodanige Gemeenten een of meer territoriaal afgebakende gedeelten worden afgescheiden voor het vormen van buurtgemeenten, welke tezamen met het overblijvende deel der Gemeente een Vereenigde Gemeente vormen.
Aan elkander grenzende Gemeenten kunnen tot ééne Vereenigde Gemeente worden vereenigd en op dezelfde wijze in buurtgemeenten worden ingedeeld.
Een en ander geschiedt overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de vorming van buurtgemeenten.
De voorgestelde wijzigingen werden echter door de Synode verworpen. (Hand. 1934 bl. 100, 101, 189-196).

Alg. Regl. NHK (1948) 18

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
18

In alle gemeenten, waar het personeel daartoe niet ontbreekt, zal een Kerkeraad zijn. Gemeenten, die, door gebrek aan genoegzaam geschikt en gewillig personeel, geen Kerkeraad kunnen hebben, of wier Kerkeraad tijdelijk de bevoegdheid heeft verloren tot het nemen van besluiten 1), zijn geplaatst onder het toezicht van het Classicaal Bestuur (of, zoo noodig, van het Provinciaal Kerkbestuur), hetwelk met de overgebleven kerkeraadsleden en, ingeval een consulent moet optreden, met dezen, doen zal wat des Kerkeraads is 2), en bevoegd is tot al hetgeen in dit Reglement en in de Bijzondere Reglementen aan den Kerkeraad is opgedragen.


1) Zie noot 3 bij art. 1 van het Syn. Regl. voor de Kerkeraden.
2) Volgens art. 1 al. 4 Syn. Regl. voor de Kerkeraden kan in bepaalde gevallen het Classicaal Bestuur, doende wat des Kerkeraads is, zich door een Commissie van twee of drie zijner leden laten vertegenwoordigen.

Alg. Regl. NHK (1948) 19

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
19

De Kerkeraad wordt onderscheiden in Algemeenen en Bijzonderen.
De Algemeene, die in alle gemeenten, grootere of kleinere, bestaat, is samengesteld uit één of meer predikanten en uit ouderlingen en diakenen. 1)
Tot den Bijzonderen, die slechts in gemeenten met drie of meer predikanten gevonden wordt, behooren alleen predikanten en ouderlingen 2), terwijl diakenen aldaar ook een afzonderlijk college uitmaken. 3)
De Kerkeraad vertegenwoordigt en bestuurt de gemeente; en wel de Algemeene of ook de Bijzondere Kerkeraad, naarmate de zaken, die te behandelen zijn, tot den eenen of tot den anderen behooren.


1) N.l. al de predikanten der gemeente — hetzij één of meer — en al hare ouderlingen en diakenen.
2) N.l. al de predikanten der gemeente en al hare ouderlingen.
3) In gemeenten met drie of meer predikanten vormen de diakenen een afzonderlijk college van diakenen, die (volgens art. 3 Regl. voor de Diaconieën) handelen onder medewerking en goedkeuring van den Kerkeraad, doch zij zijn tevens leden van den Algemeenen Kerkeraad.

Alg. Regl. NHK (1948) 20

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
20

Aan predikanten is toevertrouwd en aanbevolen: de openbare verkondiging van het Evangelie; het bedienen van Doop en Avondmaal; de leiding van de openbare godsdienstoefeningen; de huwelijksinzegeningen; het catechetisch onderwijs; het afnemen van belijdenis des geloofs, in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen; de bevestiging van predikanten, hulppredikers, ouderlingen, diakenen en lidmaten; de herderlijke zorg; het besturen van de vergaderingen zoo van den Kerkeraad als van het kiescollege of van de stemgerechtigden. 1)
Predikanten kunnen voor de vervulling van eene of meer bijzondere werkzaamheden worden beroepen en in verband daarmede geheel of gedeeltelijk van de werkzaamheden, in het vorige lid genoemd, worden vrijgesteld. 2)
Tot deze werkzaamheden, met uitzondering van het afnemen van belijdenis des geloofs, de herderlijke zorg en het besturen van de vergaderingen, zijn mede bevoegd emeriti-predikanten en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben. 3)
Aan dienstdoende zendelingen en eervol ontslagen oud-zendelingen, wien op hun daartoe strekkend verzoek aan de Algemeene Synodale Commissie door deze Commissie de bevoegdheid daartoe is verleend, kan worden toevertrouwd de openbare verkondiging van het Evangelie, het bedienen van Doop en Avondmaal, de leiding van de openbare godsdienstoefeningen, de huwelijksinzegening en het catechetisch onderwijs. Over een verzoek, als hierboven bedoeld, wordt door de Algemeene Synodale Commissie niet dan na ingewonnen informatie omtrent Christelijken levenswandel, bekwaamheid en geschiktheid bij het Classicaal Bestuur, waaronder aanvrager ressorteert en bij den Raad voor Uitwendige Zending, en niet later dan drie maanden na den datum van indiening, beslist. 4)
Aan ouderlingen is toevertrouwd en aanbevolen: met de predikanten bezig te zijn in de herderlijke zorg voor de gemeente; de bevordering van en het toezicht op het godsdienstonderwijs en de handhaving van orde en tucht; voorts het ijverig samenwerken met dezen in alles, wat aan de christelijke volmaking der gemeente kan dienstbaar wezen.
Aan diakenen is toevertrouwd en aanbevolen: de meer bijzondere zorg voor de armen der gemeente. Daartoe zijn zij belast met het dagelijksch beheer der diaconie-goederen, met het innen van alle, onder welken titel ook, aan de diaconie der gemeente aankomende gelden, met de inzameling der liefdegaven en met het besteden van dit een en ander tot die godsdienstige en zedelijke einden, welke de christelijke gemeente voor hare armen beoogt.
In gemeenten met één of twee predikanten doen zij dit onder medewerking, en in die met drie of meer predikanten onder toezicht van predikanten en ouderlingen.
Het vaststellen van collecten, de zorg voor de diaconie-goederen, alsmede voor de geestelijke behoeften der armen, is overal aan predikanten, ouderlingen en diakenen te zamen opgedragen.


1) De 1e al. is gewijzigd in werking gekomen 15 Jan. 1917, in verband met de wijziging van al. 3.
2) De 2e alinea is in werking gekomen 15 Jan. 1918. in verband met de toevoeging van een Vierde Afd. aan het Regl. op de Vacaturen (artt. 80-93). Zie aldaar. Bijl. B. 1916 bl. 300-305; Hand. 1916 bl. 439-443, 456-459; 1917 bl. 400-402; Bijl. B. 1918 bl. 230.
3) De 3e al., bedoelende de bevoegdheid van emeriti en eervol ontslagen predikanten te regelen, is in werking getreden 15 Jan. 1917. In 1911 kwam daartoe een voorstel bij de Synode ter tafel tot invoeging van een al. 3 in art. 7 Regl. Vacaturen (Hand. 1911 bl. 563-575). In 1913 werd aan de Syn. Com. opgedragen een advies uit te brengen inzake de bevoegdheid van predikanten, die vrijwillig hun ambt hebben nedergelegd, tot het verrichten van kerkelijke handelingen. (Hand. 1913 bl. 492-498; 1914 bl. 43, Bijl. B. 1914 bl. 453). Het rapport der Syn. Com. kwam bij de Synode van 1915 in (Bijl. B. 1915 bl. 317-321; Hand. bl. 519-524), en de toevoeging van art. 20 met andere daarmede in verband staande wijzigingen, ook in andere Reglementen, werd voorloopig aangenomen. Hand. 1915 bl. 552-555. Zij kon het volgend iaar, met een kleine redactiewijziging in de 1e al., worden uitgevaardigd. Hand. 1916 bl. 204-227, 492-495; Bijl. B. 1917 bl. 222-225, 237.
4) Aanvulling in werking getreden 20 September 1945. Zij beoogt het recht, dat de zendelingen bezaten op het zendingsterrein, om in het openbaar het Evangelie te verkondigen, openbare godsdienstoefeningen te leiden en te catechiseeren, zoomede huwelijken in te zegenen en de Sacramenten te bedienen, ook hun gedurende hun verblijf in het vaderland toe te kennen. (Hand. 1943 bl. 224-226, 241-242; 1944 bl. 237-244, 260-261; 1945 bl. 18).

Alg. Regl. NHK (1948) 21

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
21

De Kerkeraden geven, (wanneer zij verkeerdheden ontdekken in de administratie der kerkelijke goederen of in die der pastoriegoederen 1), daarvan kennis aan het Classicaal Bestuur. 2)


1) Of in die der pastoriegoederen is ingevoegd 15 Jan. 1905, wegens invoering van het Reglement op de pastoriegoederen.
2) Een voorstel in 1897, en wederom, met een kleine wijziging, in 1904 bij de Synode ingediend, om, na „kerkelijke goederen” te lezen „en wanneer naar hun oordeel, ten gevolge van handelingen en besluiten van kerkvoogden, de geestelijke belangen der gemeente gekrenkt worden of schade lijden kunnen”, werd afgewezen, voornamelijk in de verwachting van een Reglement op het beheer der kerkelijke goederen. Hand. 1897 bl. 595, 596; 1904 bl. 432-435.

Alg. Regl. NHK (1948) 22

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
22

De censuur over de leden der gemeente, met uitzondering van de predikanten, zoowel de emeriti en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben 1), als de dienstdoende, van de candidaten tot den Heiligen Dienst, de ouderlingen en de diakenen, geschiedt ter eerste instantie door den Kerkeraad, van welks uitspraken men zich kan beroepen op het Classicaal Bestuur; alles overeenkomstig het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht.


1) De invoeging: „en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben” is in werking getreden 15 Jan. 1917, in verband met de regeling der bevoegdheden van eervol ontslagen predikanten. Hand. 1915 bl. 523, 552; 1916 bl. 204-227, 493; Bijl. B. 1917 bl. 222.

Alg. Regl. NHK (1948) 23

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
23

Het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen, en tot beroeping van predikanten, berust bij de gemeente. 1)
Deze zal, behoudens de verkregen rechten van derden 2), dit óf zelve uitoefenen, óf door hen, die zij daartoe bepaaldelijk machtigt, doen uitoefenen 3), naar gelang zulks, in de nader te maken bijzondere reglementen op de Kerkeraden en de predikantsberoeping, zal worden vastgesteld.
Totdat daarin zal zijn voorzien, blijven de bestaande bepalingen van kracht en toepassing. 4)


1) Dit democratisch grondbeginsel is in zijn volledige toepassing eerst in het Algemeen Reglement van 1852 tot uiting gekomen. Het is nader uitgewerkt in het Reglement op de benoeming enz., voor ’t eerst in werking getreden 1 Maart 1867.
In 1931 is bij de Synode ingekomen een voorstel om deze eerste al. aldus te wijzigen: „Het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen berust bij de gemeente, dat tot beroeping van predikanten berust bij den Kerkeraad”. In verband hiermede wijzigingen in het Regl. tot benoeming enz. en in het Regl. voor de Kerkeraden. Dit voorstel werd verworpen, maar tevens werd besloten een Commissie te benoemen, die zal overwegen in hoeverre, na de partieele herziening van het Regl. op de benoeming enz., een algeheele herziening noodig geacht moet worden. Hand.
1931 bl. 200-205.
2) Zie het volgend art.
3) Sedert 1871 wordt om de 10 jaren de stemming gehouden over de vraag of de stemgerechtigden der gemeente het recht tot benoeming van ouderlingen en diakenen en tot beroeping van predikanten zichzelven voorbehouden of daartoe den(Algemeenen) Kerkeraad machtigen. Zie bij art. 4 Syn. Regl. op de benoeming, enz. Een voorstel om te bepalen, dat het recht der benoeming van ouderlingen en diakenen berust bij de gemeente en de beroeping van predikanten geschiedt door den Kerkeraad, is door de Synode in 1911 verworpen. (Hand. 1911, bl. 472-487); eveneens een dergelijk voorstel in 1927 (Hand. 1927 bl. 129-133).
4) Dit 3e lid heeft na de invoering van het Regl. op de benoeming enz. geen zin meer.

Alg. Regl. NHK (1948) 24

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
24

Wettig verkregen rechten van collatoren worden geëerbiedigd, tot zij door wet of overeenkomst zullen zijn opgeheven. 1) Tegen die verkeerdheden of misbruiken, die met het bestaan of de uitoefening van dit recht gepaard gaan, of daarbij plaats kunnen hebben, zullen door de Kerk de noodige maatregelen worden genomen of uitgelokt. 2)
Geen Kerkeraad of gemeente kan het recht van vrije beroeping in een collatie veranderen, noch ook immer aan iemand overdragen.


1) Eerst in 1874 zijn ook de gemeenten in Friesland onder het algemeene recht der Kerk gekomen, ofschoon het recht der „floreenplichtigen” reeds in 1867 door de

|20|

invoering van het Reglement op de benoeming enz. was opgeheven en in 1871 de woorden „en floreenplichtigen” achter „collatoren” waren weggenomen. De Minister van Justitie verklaarde 16 Aug. 1872, dat, „naar art. 1 der Wet van 10 Sept. 1853, het kerkelijk gezag de eenige bevoegde autoriteit is om in de bestaande wijze van verkiezen en beroepen van predikanten bij de Herv. Gemeenten in Friesland veranderingen te brengen”. Hand. 1874 bl. 243-258.
Het recht van collatie van staatswege, de z.g. „Koninklijke Collatiën” zijn bij de Wet van 26 Dec. 1861 (Stbl. no. 124) opgeheven. De particuliere collatiën berusten op het, besluit van den Souvereinen Vorst van 28 Sept. 1814 ter regeling van het collatierecht. Alleen een wet kon hieraan een einde maken, in zooverre de collatoren er niet vrijwillig afstand van deden. Daarom richtte reeds in 1861 de Synode een adres te dier zake aan den Min. van Herv. Eeredienst. (Hand. 1861 bl. 229-232, 306-309, Bijl. B. bl. 37-52). D.d. 17 Mei 1873 zond de Syn. Com. een advies aan den Min. van Justitie in antwoord op vragen betreffende eventueele opheffing van de collatierechten (Bijl. B. 1873, bl. 166-170) en in 1875 richtte zich de Synode opnieuw tot den Minister tot verkrijging van een wet(Hand. 1875 bl. 187, 194; Bijl. B. bl. 135-138). Sedert 1917 is opnieuw de zaak van opheffing der collatierechten bij de Syn. Com. en de Synode aan de orde; in 1919 is door de Syn. Com. een vragenlijst aan de gemeenten gezonden ter verkrijging van gegevens omtrent de nog bestaande rechten van derden, ten einde daarover aan den Min. van Justitie te rapporteeren. Dit rapport is met een begeleidend schrijven d.d. 15 Juni 1922 aan den Minister van Justitie gezonden.
Intusschen zijn bij de Grondwetsherziening van 1922 in het IIIe der Additioneele Artikelen afgeschaft: de heerlijke rechten betreffende voordracht of aanstelling van personen tot openbare of kerkelijke betrekkingen. Hand. 1918 bl. 131, 144-151; Bijl. B. bl. 274; 1919 bl. 104, Bijl. B. bl. 226-227; Hand. 1921 bl. 62, 329; 1922 Bijl. B. bl. 275, Hand. bl. 31, 281.
De Synode heeft echter tot nog toe geene wijzigingen voorgesteld in die Reglementsartikelen, waarin van de rechten van derden sprake is. Zie aant. 2.
2) Hiertoe behoort art. 47 Regl. Vac; voorts het Reglement op de uitoefening van het collatierecht in de voormalige Ommelanden, vastgesteld door het Prov. Kerkbestuur van Groningen 1 Mei 1872, goedgekeurd door de Synode 23 Juli 1872, evenals de wijzigingen in 1881 en 1885 aangebracht. De Synode verklaarde zich vooralsnog tegen intrekking van het Kon. Besl. van 11 Aug. 1819, betreffende de uitoefening van de collatierechten in Groningen, „opdat de Kerk niet aan dezelfde misbruiken, als tot het nemen van dat besluit aanleiding hebben gegeven, verder worde blootgesteld”. Hand. 1870 bl. 215; 1873 bl. 238-239; Bijl. B. bl. 163-166; 1874 bl. 74, Bijl. B. bl. 137.
De Alg. Syn. Com. heeft, met het oog op de opheffing der collatierechten door het IIIde der Additioneele Artikelen bij de Grondwetsherziening van 1922, besloten het advies van den rechtsgeleerden adviseur der Synode in te winnen betreffende het Ommelander collatierecht. Bijl. B. 1923 bl. 177. In dit advies d.d. 11/12 Juli 1924 wordt erop gewezen, dat er collatierechten zijn( die niet aan een heerlijkheid zijn verbonden, maar aan grondeigendom en dat eerst door eene rechterlijke uitspraak de vraag der Ommelander collatierechten zou kunnen worden opgelost.
Volgens prof. mr. A.S. de Blécourt zijn ook de Ommelander collatierechten bij de grondwetsherziening van 1922 afgeschaft. (Zie zijn opstel „Rechtshistorische Jurisprudentie” in het Tijdschrift v. Rechtsgeschiedenis deel XV bl. 436 e.v.).

Alg. Regl. NHK (1948) 25

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Eerste afdeeling.
De Kerkeraden.

Artikel
25

De huishoudelijke belangen der gemeente kunnen, in overeenstemming met de algemeene of provinciale verordeningen, door plaatselijke reglementen 1) worden geregeld, doch zal van zulke reglementen mededeeling aan de Classicale Besturen geschieden.

|21|


1) Niet te verwarren met de Plaatselijke Reglementen, bedoeld in het Syn. Regl. op de benoeming enz., die de goedkeuring van het Prov. Kerkbestuur behoeven.
Bedoeld zijn hier alleen zulke plaatselijke reglementen, die de huishoudelijke belangen der gemeenten regelen. Hand. 1896 bl. 115; Bijl. B. bl. 253-255.

Alg. Regl. NHK (1948) 26

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
26

Predikantsplaatsen van ééne gemeente of van eenige gemeenten te zamen worden vereenigd tot ringen. 1)
Naar plaatselijke omstandigheden is die vereeniging zóó ingericht, dat de dienst in de gemeenten, ook bij vacature en andere ongelegenheden, steeds behoorlijk kan worden waargenomen.
In de bestaande verdeeling kunnen geene veranderingen worden gemaakt dan door de Provinciale Kerkbesturen, na vooraf de consideratiën der in de zaak betrokkene Classicale Besturen te hebben ingewonnen.
Van de gemaakte veranderingen zal kennis gegeven worden aan de Synode.


1) Ringen hebben wel hun eigen moderamen, maar zij vormen zelve geen kerkelijk bestuur. Hunne kerkrechtelijke beteekenis ligt in den plicht tot onderlinge hulpverleening in vacante gemeenten of in gevallen met vacaturen gelijkstaande. Wegens dezen plicht hebben de ringen ook recht op al de inkomsten aan de predikantsplaats verbonden. (Regl. Vac. art. 27).
Er zijn 138 ringen, waarvan die in de provincie Drenthe gelijk zijn aan de drie Classicale ressorten; doch de classis Emmen heet als ring: Coevorden.

Alg. Regl. NHK (1948) 27

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
27

De predikanten, dienstdoende bij gemeenten tot zoodanigen ring behoorende, zijn verplicht tot onderling hulpbetoon, ingeval van nood, behoudens de bepalingen op het Hulppredikerschap.
Zij moeten, bij vacature, zorgen voor de vervulling van al de deelen van het herder- en leeraarwerk, die hun ter waarneming door het Reglement op de Vacaturen worden opgedragen.

Alg. Regl. NHK (1948) 28

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
28

Tot dat einde verdeelen zij onderling de consulentschappen voor de verschillende gemeenten, en maken huishoudelijke bepalingen ten opzichte van het godsdienstonderwijs, den openbaren eeredienst en het herderlijk werk in de hulpbehoevende gemeenten; een en ander onder goedkeuring van het Classicaal Bestuur.

Alg. Regl. NHK (1948) 29

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
29

De ringen vergaderen, zoo dikwerf zij dit noodig achten, in de hoofdplaats van den ring, of in eenige andere plaats, door hen zelve te bepalen, en kiezen jaarlijks uit hun midden een Praetor, Vice-Praetor, Scriba en Quaestor.
De Waalsche predikanten zijn leden der ringsvergadering. 1)


1) De Synode van 1871 oordeelde, dat de Waalsche predikanten als leden van de ringsvergadering moeten beschouwd worden voor zooveel betreft de werkzaamheden vermeld in art. 30, al. 2. Hand. 1871 bl. 345.

Alg. Regl. NHK (1948) 30

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
30

Van het hun bij artt. 27-29 van dit Reglement opgedragen werk zijn zij verantwoordelijk aan het Classicaal Bestuur, waaronder zij behooren.
Hunne verdere werkzaamheden bestaan in de ovenweging en behandeling van onderwerpen, den godsdienst en het Christendom, de bevordering van bijbelkennis en de waarneming van hunne bediening betreffende.
Jaarlijks zenden zij een verslag van hunne werkzaamheden in bij het Classicaal Bestuur.

Alg. Regl. NHK (1948) 31

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
31

De ringsvergaderingen hebben het recht, om bij de onderscheidene kerkbesturen, waaronder zij behooren, voorstellen in te leveren, maar zij zijn wederkeerig verplicht, de door dezen verlangde berichten, consideratiën en bescheiden ten spoedigste in te zenden. 1)


1) Behalve dit recht, overeenkomende met hetgeen aan de kerkelijke besturen is toegekend in art. 13 al. 2, alsmede het recht vermeld in art. 14 al. 2 Alg. Regl., hebben de ringen ook het recht, hetwelk hier behoorde te zijn vermeld, en in art. 79 van het Regl. v. K. O. en T. genoemd wordt, om voor den burgerlijken rechter gedingen te voeren. (Vgl. Hand. 1892, Bijl. B. bl. 321-327).

Alg. Regl. NHK (1948) 32

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk I.
Het kerkelijk Bestuur in de enkele Gemeenten en de Ringen.

Tweede afdeeling.
De Ringen.

Artikel
32

Verschillen in en tusschen de ringsvergaderingen, en tusschen deze en de Kerkeraden, worden onderworpen aan de beslissing van het Classicaal Bestuur. 1)


1) Het verzuim in het vroegere Regl. v. K. O. en T., waar van deze geschillen niet werd gesproken (D. en F7, bl. 33) is in het nieuwe Regl. hersteld. (Zie art. 70 Regl. v. K. O. en T.).
Zie voor de voorstellen in 1924 bij de Synode aanhangig gemaakt om in het Alg. Regl. een art. 32* in te voegen, regelende de invoering van Diaconale Raden, in verband met een nieuw Hoofdstuk in het Reglement voor de Diaconieën, de 1e aanteekening bij laatstgenoemd Reglement.

Alg. Regl. NHK (1948) II.II

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

 

 

Alg. Regl. NHK (1948) 33

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
33

Meerdere, in elkanders nabijheid gelegene gemeenten worden, ter geregelde uitoefening van het kerkelijk bestuur, vereenigd tot classen.
De gezamenlijke classen in ééne provincie vormen een provinciaal ressort.

Alg. Regl. NHK (1948) 34

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
34

Er zijn de navolgende provinciale ressorten met hunne classen:
Gelderland met 6 classen: Arnhem, Nijmegen, Zutphen, Tiel, Bommel en Harderwijk.
Zuid-Holland met 6 classen: ’s-Gravenhage, Rotterdam, Leiden, Dordrecht, Gouda en Brielle.
Noord-Holland met 5 classen: Amsterdam, Haarlem, Alkmaar, Hoorn en Edam.
Zeeland met 4 classen: Middelburg, Zierikzee, Goes en IJzendijke.
Utrecht met 3 classen: Utrecht, Amersfoort en Wijk.
Friesland met 5 classen: Leeuwarden, Sneek, Franeker, Dokkum en Heerenveen.
Overijsel met 3 classen: Zwolle, Deventer en Kampen.
Groningen met 4 classen: Groningen, Winschoten, Appingedam en Winsum. 1)
Noord-Brabant met Limburg 2) met 5 classen: ’s-Hertogenbosch, Breda, Heusden, Eindhoven en Maastricht.
Drenthe met 3 classen: Assen, Meppel en Emmen. 3)
De Waalsche gemeenten maken een afzonderlijk kerkressort uit. 4) De Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten behooren tot de kerkelijke ressorten der Nederduitsche gemeente in de stad, waar zij gevestigd zijn.


1) De classis Winsum heette vroeger Onderdendam. De wijziging dagteekent van 15 Jan. 1910. Hand. 1908 bl. 329-335, 390-391; 1909 bl. 219-221, 303; Bijl. B. 1910 bl. 358.
2) Aldus sedert 31 Maart 1875, door opheffing van het Prov. Kerkbestuur van Limburg, dat het Classicaal Bestuur van Maastricht is geworden. Hand. 1874, bl. 364-366.
3) De classis Emmen heette vroeger Coevorden. De wijziging dagteekent van 1 Jan. 1889. Bijl. B. 1887 bl. 131-132. Hand. 1887 bl. 42-43, 414; 1888 bl. 66-67, 120; Bijl. B. bl. 161.
4) Voorstellen tot wijziging van deze bepaling werden door de Synode in 1879 en 1881 afgewezen. (Hand. 1879 bl. 104-109, 110: 1881 bl. 301-313). Bij de Synode van 1915 kwam een voorstel in van de Class. Verg. van Arnhem tot wijziging van deze alinea en van de artt. 36 en 37 van het Alg. Regl., uit overweging, „dat de toestanden in de Waalsche gemeenten, behoorende tot de Nederl. Herv. Kerk, in den loop der tijden van dien aard zijn geworden, dat er feitelijk geene aanleiding meer bestaat voor het afzonderlijk doen samenkomen eener Waalsche Vereeniging of Réunie, het doen voortbestaan eener bijzondere Commissie tot de [zaken der] Waalsche Kerken”, waarom maatregelen werden verzocht, „dat de Waalsche gemeenten in ’t vervolg gerekend worden te behooren tot de kerkelijke ressorten der Nederduitsche gemeenten, in die plaatsen, waar zij gevestigd zijn, gelijk dit voor de Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten is bepaald”. Het voorstel werd in de Synode van 1916 behandeld en met 10 tegen 9 stemmen verworpen; de tegenstanders van het voorstel lieten voornamelijk de gronden van historie en recht gelden, terwijl men ook vrij algemeen het toen den geschikten tijd niet achtte om tot deze wijziging te besluiten. (Hand. 1915 bl. 673; Hand. 1916 bl. 92-102).
Ook in 1924 werd een voorstel tot wijziging van de positie van het Waalsche ressort afgewezen (Hand. 1924 bl. 293-299). In 1926 echter is voorloopig aangenomen eene wijziging van art. 34 en daarmede verband houdende wijzigingen in de artt. 33, 36, 37, 43, 46, 48, 50, 56 en de Slotbepaling, waardoor het Waalsche ressort werd tot een Classicaal ressort, ingedeeld bij de provincie Utrecht, de Classicale Vergadering van dit ressort een Waalsche Réunie, en het Classicaal Bestuur over de Waalsche gemeenten werd de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken. Hand. 1926 bl. 279-286, 332, 338-343. In 1927 definitief door de Synode aangenomen (Hand. 1927 bl. 200-225, 249-255), is het echter niet in werking getreden, omdat in de Provinciale Kerkbesturen het vereischte twee derde der stemmen niet werd bereikt. In het Ontwerp-Alg. Regl. van 1929 was dezelfde positie van het Waalsche ressort opgenomen. Zie verder aant. 1 bij art. 56.

Alg. Regl. NHK (1948) 35

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
35

In de grensscheidingen der classen en in de bepaling der hoofdplaatsen zullen geene veranderingen kunnen worden gemaakt, dan door de Synode, op voorstel van de Classicale Besturen, die er in betrokken zijn, na gehoord te hebben de Provinciale Kerkbesturen, waaronder zij ressorteeren.
Van alle zoodanige veranderingen zal terstond kennis worden gegeven aan het daartoe aangewezen Ministerieel Departement. 1)


1) T.w. het Dep. van Justitie. Zie Kon. Besl. van 79 Oct. 1870, no. 173; circulaire der Syn. Com. van 15 Nov. 1870 (in de Kerkel. Cour. van 19 Nov. no. 47). Bijl. B. 1871 bl. 208-211.

Alg. Regl. NHK (1948) 36

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
36

De belangen van de gezamenlijke gemeenten, in de afzonderlijke gedeelten der Nederlandsche Hervormde Kerk, zijn toevertrouwd aan Classicale Vergaderingen (overeenkomstig de bepalingen van artt. 37-40), aan Classicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen.
De belangen van de Waalsche gemeenten zijn toevertrouwd aan de Waalsche Réunie en de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken.

Alg. Regl. NHK (1948) 37

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
37

De leden der Classicale en Provinciale Besturen worden benoemd door de Classicale Vergadering, te houden 1) in de hoofdplaats der classe of in eenige andere plaats binnen haar ressort, door haar zelve te bepalen. 2)
De leden der Commissie tot de zaken der Waalsche kerken worden benoemd door eene Waalsche vereeniging of Réunie, welke, zooveel zulks mag te pas komen, de Classicale Vergaderingen vervangende, jaarlijks ten minste éénmaal gehouden wordt op zoodanige plaats, als door de Réunie des vorigen jaars zal bepaald zijn.


1) Met ingang van 15 Januari 1943 is de datum uit dit artikel geschrapt en vervangen door een toevoeging van twee leden aan het slot van art. 40, welke een vergadering van twee dagen mogelijk maakt en de onderwerpen, die op een buitengewone Classicale Vergadering kunnen worden behandeld, uitbreidt.
2) Deze toevoeging is in werking gekomen 15 Jan. 1921, naar aanleiding van een verzoek van de Class. Verg. van Zutphen, om Doetinchem als plaats van vergadering aan te wijzen. Opdat niet telkens wetswijziging zou noodig zijn, werd deze toevoeging voorgesteld, bedoelende, dat in bijzondere gevallen de Classicale Verg. de vrijheid hebbe zich een andere vergaderplaats dan de hoofdplaats der classe te kiezen. Hand. 1919 bl. 71-73, 85; 1920 bl. 161-162; Bijl. B. 1921 bl. 160.

Alg. Regl. NHK (1948) 38

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
38

De Classicale Vergadering bestaat uit de dienstdoende predikanten van het ressort en even zoovele dienstdoende ouderlingen 1) als er predikantsplaatsen 2) zijn in dat ressort. Deze ouderlingen worden door den Kerkeraad van iedere gemeente, uit zijn midden, voor rekening der gemeente 3), afgevaardigd.
Het recht van afvaardiging van een of meer ouderlingen heeft de Kerkeraad ook, wanneer de predikantsplaats of -plaatsen vacant zijn. 4) Doet echter het Classicaal Bestuur (of het Provinciaal Kerkbestuur) wat des Kerkeraads is, dan vaardigt het geen ouderlingen ter Classicale Vergadering af, wanneer er onder de kerkeraadsleden niet een of meer dienstdoende ouderlingen zijn.
In gecombineerde gemeenten met meer Kerkeraden zal de afvaardiging van de ouderlingen door hen bij toerbeurten geschieden. De niet aan de beurt van afvaardiging zijnde Kerkeraden hebben het recht zich te doen vertegenwoordigen door een ouderling met adviseerende stem voor rekening van de gemeente. 5)
Afgevaardigde ouderlingen zullen zonder schriftelijk bewijs van benoeming niet ter vergadering worden toegelaten.
De afgevaardigden ter Classicale Vergadering doen aan de Kerkeraden verslag van hetgeen daar belangrijks is geschied.


1) In 1864 wees de Synode het voorstel om ook diakenen te doen afvaardigen naar de Class. Verg. af, omdat dit in strijd zou zijn met het presbyteriaal beginsel.
2) Het getal der ouderlingen komt overeen met dat der predikantsplaatsen volgens de redactiewijziging 31 Maart 1875 in werking gekomen.
Naar aanleiding van een vraag van het Classicaal Bestuur van Amersfoort heeft de A.S.C, in haar op 22 October 1947 gehouden zitting als haar oordeel te kennen gegeven, dat sinds het optreden van predikanten op buitengewone predikantsplaatsen, krachtens artikel 7 van het Reglement op de Predikantsplaatsen benoemd en slechts adviseerend stemrecht bezittend in Kerkeraad en Classicale Vergadering, hier onder „predikantsplaatsen” slechts dienen te worden verstaan de plaatsen, bestemd voor predikanten, die voor de vergaderingen van den Kerkeraad concludeerend stemrecht hebben.
3) De vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor de ouderlingen, die niet in de hoofdplaats der classe wonen, worde bij onderlinge overeenkomst tusschen Kerkeraad en kerkvoogdij bepaald. Hand. 1853, Bijl. B. bl. 14; Hand. 1874 bl. 338.
4) Worden dus in dit geval ook ouderlingen voor die plaats of plaatsen afgevaardigd, de Synode heeft daarentegen voorstellen om voor de niet aanwezige predikant of predikanten nog een ouderling of ouderlingen in hunne plaats af te vaardigen verworpen. (Hand. 1875 bl. 56-57, 101, 102; 1879 bl. 62-65, 86. 87; 1882 bl. 243-247; 1885 bl. 335-349; 1924 bl. 93-95).
5) Aldus gewijzigd om de niet aan de beurt van afvaardiging naar de Classicale Vergadering zijnde Kerkeraad in een gecombineerde gemeente meer in het werk der Classicale Vergadering te betrekken. (Hand. 1942 bl. 73-75; 1943 bl. 26-27; Bijl. 1944 bl. 57-60).

Alg. Regl. NHK (1948) 39

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
39

Praeses, Assessor en Scriba van deze vergadering zijn zij, die deze betrekkingen bij het Classicaal Bestuur bekleeden; doch de overige leden des Classicalen Bestuurs hebben als zoodanig hier geene zitting.

Alg. Regl. NHK (1948) 40

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
40

Aan de Classicale Vergaderingen behoort: 1)
1º. het doen van benoemingen, welke haar zijn opgedragen;
2º. het geven van consideratiën harer leden 2) op de haar door de Synode toegezonden nieuwe reglementen of veranderingen in de bestaande — welke consideratiën zij rechtstreeks aan de Synode doen toekomen;
3º. het opnemen en afsluiten der Classicale rekeningen 3), de regeling van hetgeen betrekking heeft op de fondsen, waartoe die rekeningen behooren, en in het bijzonder het telkens voor één jaar uit de predikant-leden des Classicalen Bestuurs benoemen van een Classicalen Quaestor en secundus. Die Quaestor treedt met den 1 Januari daaraanvolgende op;
4º. het benoemen van een Classicale Zendingscommissie, waarin tenminste één lid van het Classicaal Bestuur zitting moet hebben, die tot taak heeft de belangen der Uitwendige en der Inwendige Zending en den arbeid onder Israël in de gemeenten der Classis te behartigen, zoowel stoffelijk als geestelijk; 4)
5º. het beraadslagen over hetgeen bevorderlijk kan zijn aan de belangen der bijzondere en gezamenlijke gemeenten in het Classicaal ressort, inzonderheid wat betreft het godsdienstig en kerkelijk leven;
6º. het in overweging nemen van de voorstellen harer leden, om ze, als de hare overgenomen zijnde 5), aan de Classicale Besturen en Provinciale Kerkbesturen, alsmede aan de Synode, op te zenden;
7º. het opnemen en afsluiten van de rekeningen der Classicale Weduwenbeurzen 6), door die leden der vergadering, die tevens leden der beurzen zijn; en het hooren van een verslag, uit te brengen door de besturen der Classicale Weduwenbeurzen omtrent den toestand dier beurzen.
De Classicale Vergaderingen komen tot het vervullen van bovengenoemde werkzaamheden samen op den laatsten Woensdag van de maand Juni. Komen zij niet met de afwerking der agenda gereed, dan is verdaging der vergadering tot den daarop volgenden dag mogelijk. 7)
Bovendien worden Classicale Vergaderingen gehouden, zoo dikwijls de Algemeene Synode, of de Algemeene Synodale Commissie, deze noodig oordeelt, tot het behandelen van de door de Algemeene Synode of de Algemeene Synodale Commissie aangegeven agenda betreffende de in dit artikel onder ten 2e, 5e en 6e genoemde werkzaamheden, op een door deze te bepalen datum. 7)


1) De Synode heeft in 1861 (Hand. bl. 342, 343) uitgesproken, dat niet in het Alg. Regl., maar in een regl. van orde of huishoudelijke bepalingen, een voorschrift op haar plaats is: „dat de Scribae der Class. Besturen uiterlijk 14 dagen vóór de bijeenkomst der Class. Vergaderingen aan de Kerkeraden onder het ressort doen toekomen eene opgave 1º. van de vacaturen, die vervuld moeten worden, 2º. van de stukken, waarop consideratiën gevraagd worden, 3º. van de ingekomen voorstellen der leden”. Voorstellen, uitgaande van de „Confessioneele Vereeniging”, om de Class. Vergaderingen de bevoegdheid te geven leerstellige geschillen te behandelen, werden afgewezen (Hand. 1909 bl. 330-337), evenals voorstellen derzelfde Vereeniging, bedoelende „rechtsherstel van de Class. Vergaderingen”. (Hand. 1911 bl. 536-563).
2) De Synode sprak in 1874 uit, dat ook van de verschillende adviezen, door de leden uitgebracht, mededeeling aan de Synode zal geschieden. Hand. 1874, bl. 339, 367.
3) Bedoeld zijn niet de rekeningen van de classicale quaestoren met den Quaestor-Generaal, maar die van speciale fondsen, die sommige dassen hebben. Hand. 1853 bl. 27; Bijl. B. bl. 13.
4) Zie noot 4 bij art. 20 van dit Reglement.
5) Dit zijn dus voorstellen, die bij meerderheid van stemmen door de Class. Verg. zijn aangenomen. Niettemin heeft ieder lid der Class. Verg. het recht om zelf door tusschenkomst van het Class. Bestuur voorstellen in te zenden. Het Synodaal Besluit van 12 Juli 1851 eischte, dat „alle adressen en voorstellen, met uitzondering van die der Class. Vergaderingen, minstens 14 dagen vóór de opening der Synode bij haren Secretaris moeten zijn ingezonden, en zullen de later ingedienden niet in overweging komen, tenzij de verg. hun inhoud oordeelt van genoegzaam belang te zijn, om daartoe in aanmerking te worden genomen”. (Hand. 1851, bl. 226).
6) De wijziging in deze al. is in werking getreden 15 Jan. 1915. Hand. 1913, bl. 142-146; 1914 bl. 366, 369-372, 773, 397; Bijl. B. 1915, bl. 257.
7) Aanvulling toegevoegd op 15 Jan. 1943. Zie noot 1 bij art. 37.

Alg. Regl. NHK (1948) 40*

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Artikel
40*

1) Om verdere uitvoering te geven aan het onder art. 40, 5º. en 6º. van dit Reglement genoemde, worden buitengewone Classicale Vergaderingen bijeengeroepen, indien het Classicaal Bestuur zulks noodig acht, of minstens een derde van het aantal Kerkeraden in het Classicaal ressort het verlangen daartoe schriftelijk aan het Classicaal Bestuur kenbaar maakt.
Op deze Vergaderingen zijn van toepassing de bepalingen van de artt. 38 en 39 van dit Reglement.


1) De behoefte aan buitengewone Class. Vergaderingen, omdat de gewone te zeer in beslag genomen worden door de benoemingen en de consideraties en te weinig tijd overlaten om te beraadslagen over hetgeen in art. 40, 5º. wordt genoemd, werd in 1901 uitgesproken. Voorstellen tot reglementswijziging in 1902(Hand. 1902 bl. 493, 494, 503-506; 1903 bl. 98-105), 1908 en 1909 (Hand. 1908 bl. 213-237; 1909 bl. 196-205, bl. 435-440, 457) hadden geen gevolg. Het tegenwoordige art. 40* werd in de Synode van 1911 voorloopig aangenomen en is in werking getreden 15 Jan. 1913. Hand. 1911 bl. 187-198, 266, 267, 341-343; 1912 bl. 353-364; Bijl. B. 1913 bl. 301-302.

Alg. Regl. NHK (1948) 41

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
Het Classicaal Bestuur.

Artikel
41

In elk classicaal ressort is een Classicaal Bestuur, bestaande uit Praeses, Assessor, Scriba 1) en twee of meer dienstdoende predikanten, benevens één ouderling 2) voor elk tweetal predikanten, die in het Bestuur zitting hebben.
Ressorten met 20 en minder predikantsplaatsen zullen twee; die van 21 tot 35 drie; van 36 en daarboven vier predikanten benoemen.


1) Ingevolge dit art. en art. 42, 3e al. kan een ouderling geen Scriba zijn. Hand. 1860, bl. 16.
2) Volgens art. 5 al. 3 zijn ook oud-ouderlingen tot ouderling in het Class. Bestuur benoembaar.

Alg. Regl. NHK (1948) 42

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
Het Classicaal Bestuur.

Artikel
42

De leden van dit Bestuur worden, met hunne secundi, benoemd door de Classicale Vergadering, bij vrije keuze.
Uit de leden van het Bestuur benoemt de Classicale Vergadering eenen Praeses, Assessor en Scriba en eenen secundus-Scriba 1). Zij bekleeden deze functies voor den duur van hun zittingstijd. 2)
De Scriba en secundus-Scriba 3) worden bij voorkeur gekozen uit de predikanten van de classicale hoofdplaats of hare nabijheid.


1) Deze alinea is, gewijzigd tot het woord Scriba, tegelijk met de wegneming van de woorden „Praeses, Assessor en Scriba en verdere” uit de eerste al., in werking getreden 15 Januari 1913, opdat duidelijk zou worden uitgesproken, dat Praeses, Assessor en Scriba niet als zoodanig, maar als leden zitting hebben in het Class. Bestuur. Hand. 1911 bl. 175-186, 199-201; 1912 bl. 500-510, 541-542; Bijl B. 1913 bl. 302.
De toevoeging van „en eenen secundus-Scriba” is, in verband met wijziging van artt. 6 en 47, in werking gekomen 1 Jan. 1931. Zie aant. 4 bij art. 6.
2) Deze toevoeging is in werking getreden 1 Januari 1934. De laatste alinea, waarin bepaald werd, dat Praeses, Assessor en Scriba gedurende den tijd van

|28|

hunne zitting als zoodanig werkzaam bleven is hiermede vervallen. Ter voorkoming van verwarring wordt nu vermeld, dat ook de secundus-Scriba voor den duur van zijn zittingstijd als zoodanig verkozen wordt. Hand. 1932 bl. 102, 154-156, 243; 1933 bl. 172-175, 284.
De Syn. Com. verklaarde in 1858 (Bijl. B. bl. 37), dat „wanneer Praeses, Assessor en Scriba eenmaal met die betrekking bekleed zijn, deze, zoolang hunne zitting in het Bestuur voortduurt, hun niet kan ontnomen worden, en zij, om als zoodanig werkzaam te blijven, geene herkiezing behoeven; doch dat daaraan de kracht niet mag worden toegekend, die de Class. Verg. verbieden zou, om hen, óf tot het lidmaatschap van een hooger college, óf tot eene andere betrekking in het Class. Bestuur ter vervulling van eene opengevallen plaats te roepen”.
3) De wijziging van „zijn secundus” in „secundus-Scriba” is in werking getreden 1 Jan. 1931.

Alg. Regl. NHK (1948) 43

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
Het Classicaal Bestuur.

Artikel
43

1) Aan de Classicale Besturen wordt opgedragen, behalve het vermelde in art. 12:
1º. het toezicht over de gemeenten, predikanten (dienstdoende, emeriti en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben), candidaten tot den Heiligen Dienst, ouderlingen en diakenen (ygl. art. 22); 2)
2º. het kennis nemen van geschillen bij of tusschen de Kerkeraden der gemeenten, alsmede tusschen deze en de ringen of tusschen de ringen onderling;
3º. de behandeling van geschillen en van zaken, behoorende tot de kerkelijke tucht, te weten: over de leden der gemeenten in cas van appèl; en over predikanten, candidaten tot den Heiligen Dienst, ouderlingen en diakenen ter eerster instantie;
4º. het examineeren van degenen, die tot het geven van godsdienstonderwijs verlangen te worden toegelaten, en het verleenen van admissie aan zoodanigen, bij gunstigen uitslag van het onderzoek;
5º. het waken voor de belangen van vacante gemeenten en van predikants-weduwen en -weezen in net ressort, alsmede voor de rechten der classe op de Classicale weduwenbeurzen;
6º. het toezicht op de administratie der diaconie, en het acht geven op die der kerkelijke goederen 3), alsmede der pastoriegoederen; 4)
7º. de erkenning van nieuwe gemeenten 5), de splitsing en het tot stand brengen van combinatiën 6) en het nemen van noodige maatregelen tot het bepalen in geval van onzekerheid, het beslissen in geval van geschil, en het veranderen in geval van noodzakelijkheid, van de grensscheidingen 7) tusschen de onderscheidene gemeenten onder hun ressort, na de Kerkeraden der betrokken gemeenten en andere belanghebbenden te hebben gehoord, in gemeen overleg 8) met de Colleges van Toezicht 9), die de belanghebbende administratiën hooren en, wat verandering betreft, onder goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur, met kennisgeving van een en ander aan de Regeering en aan de Algemeene Synode;
8º. de vestiging en de opheffing van predikantsplaatsen op aanvraag van den Kerkeraad der gemeente en onder goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur;
9º. het jaarlijks geven aan de Classicale Vergadering van een beknopt verslag der gewichtigste .werkzaamheden, door het Bestuur verricht;
10º. het doen wat des Kerkeraads is, in de gevallen, bedoeld in art. 18, in verband met de artt. 9, 10, 14 en 38 van het Algemeen Reglement; 10)
11º. de zorg voor het archief, naar de bepalingen van het Reglement op de kerkelijke archieven; 11)
12º. het indienen van een aanbeveling van kerkvisitatoren met hunne secundi in hunne classis bij het Provinciaal Kerkbestuur. 12)


1) Art. 43 heeft in de laatste jaren verscheidene wijzigingen ondergaan: wegens de regeling der bevoegdheid van eervol ontslagen predikanten (1º.), wegens invoering van het Reglement op de kerkelijke archieven (11º.). wegens invoering van het nieuwe Regl. op de kerkvisitatie (12º.).
2) Den 24 Aug. 1894 heeft de Synode eene circulaire uitgevaardigd aan de Prov. Kerkbesturen over strenger handhaving van art. 43, 1º. Alg. Regl. en van de artt. 4 (nu 5), 47 (nu 44) en 48 (nu 46) Regl. K. O. en T., terwijl de wijze, waarop de Prov. Kerkbesturen de Class. Besturen met den inhoud van dit schrijven in kennis wilden stellen, werd overgelaten aan die Besturen. (Hand. 1894 bl. 326, 327; 379-380).
3) De Alg. Syn. Com. verklaarde dit voorschrift van algemeene toepassing, zoowel op de gemeenten, die onder toezicht als die niet onder toezicht van het Prov. College staan. Bijl. B. 1871 bl. 217.
4) Toevoeging in verband met het Regl. op de pastoriegoederen; in werking getreden 15 Jan. 1905.
5) Nader geregeld in het Syn. Regl. op de erkenning van nieuwe gemeenten (1 Maart 1869).
6) Combinatiën. De Min. van Financiën heeft d.d. 12 Juni 1919 bericht, dat hij bereid is te bevorderen, dat aan de predikantsplaatsen in eene gecombineerde gemeente wordt verbonden een rijkstraktement gelijk aan de som der traktementen verbonden aan de predikantsplaatsen in de gemeenten, die deel uitmaken van de combinatie (Kerkelijk Weekblad, no. 27, 4 Juli 1919. Hoe hieraan gevolg is gegeven zie men b.v. in Wbld. no. 40 van 1921, bl. 158).
7) Grensscheidingen. Dikwijls bestaat er onzekerheid betreffende de grenzen der kerkelijke gemeenten. Met het oog daarop heeft de Synode 11 Aug. 1897 eene circulaire vastgesteld aan de Prov. Kerkbesturen, met uitnoodiging om maatregelen te nemen, waardoor men zou kunnen komen tot het vaststellen en in kaart brengen van de gemeenten. In 1904 werd opnieuw op dit belang door de Syn. Com. de aandacht gevestigd. Hand. 1897 bl. 67-69, 124-125, 138-139; 1898 bl. 100-101; Bijl. B. 1905, bl. 378.
Over geschillen betreffende grenswijziging zie o.a. Hand. 1882 bl. 76-84, 86; 1914 bl. 1-19; 1925 bl. 311-319; 1926 bl. 263, 286, 300 v.v.
8) Vgl. hiervoor de correspondentie tusschen Synode en Algem. Coll. van Toez. en de circulaire van de Syn. Com. aan de Prov. Kerkbesturen. Bijl. B. 1931 bl. 169-172.
9) Indien het Prov. Coll. v. Toez. niet kan worden gehoord, omdat de gemeente niet onder zijn toezicht staat, moet het Class. Bestuur rechtstreeks de kerkelijke administratië(n) hooren. (Schrijven der Syn. Com. in de Kerkel. Ct. van 5 Dec. 1874, no. 49).
10) Deze 10e al. is in werking getreden 15 Jan. 1890.
11) Deze 11e al. is in werking getreden 15 Jan. 1919, in verband met het Regl. op de kerkelijke archieven.
12) Deze 12e al. is in werking getreden 15 Jan. 1921, in verband met het Regl. op de kerkvisitatie.

Alg. Regl. NHK (1948) 44

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
Het Classicaal Bestuur.

Artikel
44

Tot dat einde:
1º. correspondeeren zij met de kerkelijke Besturen en andere Colleges, en waar. zij het noodig achten, met bijzondere personen;
2º. houden zij de schriftelijke kerkvisitatie, en in geval zij dit bij eenige gemeente nodig achten, buitengewone kerkvisitatie 1), volgens de daarop bestaande verordeningen. Zij geven steeds kennis van het resultaat hunner onderzoekingen aan de Provinciale Kerkbesturen;
3º. onderzoeken zij voorloopig alle geschillen en aanklachten, beoordeelen, aan wie de behandeling er van moet worden opgedragen, en brengen, overeenkomstig die beoordeeling, de zaak òf ten einde, òf ter plaatse waar zij behoort.


1) Deze al. is aldus gewijzigd in verband met het Regl. op de kerkvisitatie en in werking getreden 15 Jan. 1921.

Alg. Regl. NHK (1948) 45

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
Het Classicaal Bestuur.

Artikel
45

Zij zijn bevoegd tot het schorsen van predikanten, candidaten tot den Heiligen Dienst, ouderlingen en diakenen.

Alg. Regl. NHK (1948) 46

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
Het Classicaal Bestuur.

Artikel
46

De Classicale Besturen houden hunne gewone vergaderingen in de hoofdplaats der Classe of in eenige andere plaats binnen hun ressort, door hen zelve te bepalen 1), op de laatste Woensdagen van de maanden Maart, Mei, September en November. Zij kunnen echter hunne bijeenkomsten uitstellen of vervroegen, indien omstandigheden dit vereischen. De Praeses heeft het recht, en is, door twee leden schriftelijk hiertoe verzocht zijnde, verplicht, buitengewone vergaderingen te beschrijven.


1) Dezelfde vrijheid om buiten de classicale hoofdplaats te vergaderen, die reeds overeenkomstig art. 37 van het Algemeen Reglement aan de Class. Vergaderingen gegeven was, is door deze wetswijziging, welke 1 Jan. 1934 in werking getreden is, ook gereglementeerd voor de Classicale Besturen. Hand. 1932 bl. 75, 144-146, 231; 1933 bl. 142-144, 186.

Alg. Regl. NHK (1948) 47

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
Het Classicaal Bestuur.

Artikel
47

1) Bij tijdelijke ontstentenis wordt de Praeses vervangen door den Assessor, de Assessor door het lid met den langsten onafgebroken zittingstijd 2), de Scriba door den secundus-Scriba.
Bij tusschentijdsche aftreding worden zij door dezen opgevolgd.
De tusschentijds opgetreden Praeses, Assessor en Scriba bekleeden deze functies voor den duur van hun zittingstijd, tenzij vóór hun optreden reeds een ander voor hun functies was benoemd. In zulke gevallen wordt gehandeld als bij tijdelijke ontstentenis. 3)


1) Het gewijzigde art. 47 is in werking getreden 1 Januari 1934. Hand. 1932 bl. 102, 154-156, 243;  1933 bl. 172-175, 284.
De vroegere redactie van art. 47 kon aanleiding geven tot een zonderlingen toestand. Indien een der genoemde functionarissen, die periodiek moest aftreden, door de Classicale Vergadering in Juni niet werd herkozen, maar door een ander vervangen en dan vóór 1 Januari aftrad, zouden er op 1 Januari twee personen kunnen geweest zijn, die recht hadden op denzelfden zetel. De wijziging, welke tevens vereenvoudiging van redactie was, bedoelde dit dwaze geval te voorkomen. Zie aanteekening 4 bij art. 6.
2) Niet de secundus van den Praeses vervangt in dit geval den Praeses, maar de Assessor. De secundus van den Praeses treedt op als gewoon lid.
3) Zijn er twee leden tegelijkertijd als lid opgetreden, dan moet, volgens de voorlichting der Syn. Com. (Bijl. B. 1897 bl. 207-208; Hand. bl. 60), dat lid als het oudste beschouwd worden, dat het eerst door de Class. Verg. benoemd is.

Alg. Regl. NHK (1948) 48

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Derde afdeeling.
Het Provinciaal Kerkbestuur.

Artikel
48

In elk provinciaal ressort is een Provinciaal Kerkbestuur, bestaande uit dienstdoende predikanten en uit ouderlingen. 1)
Elke classe benoemt daartoe een predikant uit haar midden 2) en, wanneer het Provinciaal Kerkbestuur zulks verlangt, bij beurtwisseling nog één daarenboven uit het Provinciaal ressort.
Voor elk tweetal aldus benoemde predikanten is één ouderling, door de Classicale Vergaderingen bij beurtwisseling af te vaardigen.
De Commissie voor de zaken der Waalsche kerken bestaat uit vijf predikanten en twee ouderlingen. 3)
Voor de Kerkbesturen, welke niet meer dan drie classen onder hun ressort hebben, zullen ook zoovele predikanten tot tertii worden benoemd, als er predikanten in het Bestuur zijn.


1) Volgens art. 5 al. 4 zijn daarin ook oud-ouderlingen begrepen. De keus is niet bepaald tot het classicaal ressort (Hand. 1858 bl. 26).
2) Een predikant-lid, die de classis verlaat, al blijft hij in dezelfde provincie, moet door zijn secundus worden vervangen. (Hand. 1865 bl. 21, Bijl. B. bl. 90-92).
3) Bij de hoofdelijke stemming over de aangenomen reglementswijzigingen nemen daaraan echter slechts vier leden deel. Zie art. 62. (Hand. 1881 bl. 301-313, 326, 327; 1882 bl. 249-268).

Alg. Regl. NHK (1948) 49

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Derde afdeeling.
Het Provinciaal Kerkbestuur.

Artikel
49

Ieder Provinciaal Kerkbestuur kiest zich, uit de predikanten in zijn midden, een President en een Vice-President.
Tot Secretaris zijn benoembaar de predikanten van het Provinciaal ressort, zoowel de emeriti en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben, als de dienstdoende; is de Secretaris benoemd buiten de leden van het Kerkbestuur, dan heeft hij slechts adviseerende stem. 1)
De Secretaris wordt, bij onvoorziene afwezigheid, vervangen door een lid, hetwelk de Bestuursvergadering daartoe aanwijst.


1) In dezen gewiizigden vorm is deze al. in werking getreden 15 Jan. 1917, tegelijk met de andere wijzigingen (artt. 20, 22, 43, 51 en 53) in verband met de regeling der bevoegdheden van de emeriti-predikanten. (Hand. 1915 bl. 552; 1916 bl. 493; Bijl. B. 1917 bl. 222).
Een toevoeging, voorloopig aangenomen in 1917 (in verband met een voorstel tot wijziging van art. 6): „hetzelfde geldt van zijn secundus, wanneer deze als secretaris optreedt”, is het volgende jaar verworpen. (Hand. 1917 bl. 94, 226-228, 243-245;  1918 bl. 213. 234-240). Zie ook aant. 5 bij art. 6.
De Secretaris van het Prov. Kerkbestuur, die uit de leden des Bestuurs is gekozen, geniet zijn aandeel in het honorarium evenals de andere leden, en boven hetgeen hem als Secretaris toekomt. Hand. 1881. bl. 64.

Alg. Regl. NHK (1948) 50

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Derde afdeeling.
Het Provinciaal Kerkbestuur.

Artikel
50

De gewone vergaderingen worden gehouden vier malen ’s jaars, op de eerste Woensdagen der maanden Februari 1), Mei, September en November. Zij kunnen echter worden uitgesteld of vervroegd, indien de omstandigheden dit vereischen.
De President heeft het recht, en is, door twee leden hiertoe schriftelijk verzocht zijnde, verplicht, buitengewone vergaderingen te beschrijven.
De gewone vergaderplaatsen der Provinciale Kerkbesturen zijn:
voor Gelderland: Arnhem; voor Zuid-Holland: ’s-Gravenhage; voor Noord-Holland: Amsterdam; voor Zeeland: Middelburg; voor Utrecht: Utrecht; voor Friesland: Leeuwarden; voor Overijsel: Zwolle; voor Groningen: Groningen; voor Noord-Brabant met Limburg: ’s-Hertogenbosch; voor Drenthe: Assen.
De Commissie voor de Waalsche Kerken zal vergaderen te ’s-Gravenhage, Amsterdam of Utrecht, of ter plaatse waar de Réunie vergadert.


1) Zie noot 1 bij artikel 6 bij het Reglement op het examen.

Alg. Regl. NHK (1948) 51

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Derde afdeeling.
Het Provinciaal Kerkbestuur.

Artikel
51

Aan de Provinciale Kerkbesturen wordt, behalve het in art. 12 genoemde, opgedragen:
1º. het toezicht over de classen en hare Besturen, ter handhaving der kerkelijke reglementen en verordeningen;
2º. het kennisnemen en beslissen van geschillen, welke in de Classicale Vergaderingen en Besturen, of tusschen dezelve, zijn ontstaan;
3º. de behandeling van geschillen en van zaken, behoorende tot de kerkelijke tucht, te weten in cas van appèl, en ter eerster instantie, wanneer het misdrijven geldt, voor welke de kerkorde afzetting eischt, of zaken, waarin de Classicale Besturen, of hunne leden als zoodanig, betrokken zijn;
4º. de benoeming van de leden der Commissie van voordracht met secundi uit de dienstdoende predikanten en ouderlingen van het provinciale, resp. het Waalsche ressort 1) voor de keuze van hoogleeraren in de Godgeleerdheid van wege de Nederlandsche Hervormde Kerk; het examineeren van candidaten in de Godgeleerdheid en het toelaten tot den Heiligen Dienst, bij gunstigen uitslag van het onderzoek, alsmede het verleenen van emeritaat, van ontslag aan predikanten uit hunne bediening op daartoe ingediende aanvraag 2); het toekennen van de bevoegdheid van emeriti aan eervol ontslagenen 3) en het voordragen van predikanten tot ontslag uit hunne bediening aan de Synode in buitengewone gevallen;
5º. het waken en zorgen voor de godsdienstige en kerkelijke belangen in geheel het provinciaal ressort, met name ook voor de Provinciale Weduwenbeurzen;
6º. het behandelen, en, zoo mogelijk, afdoen van zaken, welke betrekking hebben op de diaconie-administratie, voor zooverre zij bij de Classicale Besturen niet beslist kunnen worden. In het belang der administratie van kerkelijke goederen stellen zij zich, des noodig, in verband met het Provinciaal College van Toezicht. Ook zien zij toe, dat de pastoriegoederen aan hunne bestemming beantwoorden, naar de bepalingen van het Reglement op dit onderwerp; 4)
7º. de erkenning van nieuwe gemeenten, de splitsing en het tot stand brengen van combinatiën, het nemen van noodige maatregelen tot het bepalen bij onzekerheid, het beslissen bij geschil, het veranderen bij noodzakelijkheid der grensscheidingen tusschen twee of meer gemeenten in hunne Provincie, behoorende tot verschillende classicale ressorten, na de Classicale Besturen, de Kerkeraden der betrokken gemeenten en andere belanghebbenden gehoord te hebben, in gemeen overleg met de Colleges van Toezicht 5), die de belanghebbende administratiën hooren, en, in geval van verandering, onder goedkeuring der Synode, met kennisgeving van een en ander aan de Regeering;
8º. het doen wat des Kerkeraads is in de gevallen, bedoeld in art. 18, in verband met de artt. 9, 10, 14 en 38 van het Algemeen Reglement;
9º. de zorg voor het archief, naar de bepalingen van het Reglement op de kerkelijke archieven; 6)
10º. de benoeming van kerkvisitatoren met hunne secundi. 7)


1) Aldus gewijzigd in werking getreden 1 Jan. 1931. De wijziging bedoelde aan de Provinciale Kerkbesturen ruimer keuze te geven bij benoeming van leden van de Commissie van voordracht voor de benoeming van hoogleeraren in de Godgeleerdheid vanwege de Ned. Herv. Kerk. Hand. 1929 bl. 84-87, 181, 182: 1930 bl. 150-152, 249. Het werd niet noodig geacht de in het voorstel aangebrachte toevoeging „en ouderlingen” aan het oordeel der Kerk te onderwerpen, daar in het bestaande artikel ouderlingen niet waren uitgesloten. Hand. 1930 bl. 150-152, 249; Bijl. B. 1931 bl. 161.
2) Alsmede — aanvraag. Deze bepaling is in werking gekomen 15 Jan. 1917.
Een voorstel van de Classicale Vergadering van Middelburg om in deze bepaling de beperking vervat in de woorden: „op daartoe ingediende aanvraag” te schrappen in verband met de voorgestelde wijziging van art. 6* Regl. Vacaturen, waarbij bedoeld werd aan alle predikanten, die òf 65 jaar geworden zijn òf den 40-jarigen diensttijd hebben bereikt, ongevraagd vanwege het Provinciaal Kerkbestuur emeritaat te verleenen, werd door de Synode van 1936 verworpen. (Hand. 1936 bl. 93-97).
3) Een voorstel om deze taak op te dragen aan de Syn. Com., na het Prov. Kerkbestuur en het Class. Bestuur te hebben gehoord, heeft de Synode afgewezen(Hand. 1926 bl. 50-52).
4) Ook zien zij toe — onderwerp. Deze toevoeging is, in verband met het Regl. op de pastoriegoederen, in werking gekomen 15 Jan. 1905.
5) Zie aant. 8 bij art. 43.
Een voorstel om in art. 51, 7º. na de woorden „behoorende tot verschillende classicale ressorten” in te voegen „of behoorende tot eenzelfde classicaal ressort, in geval van een besluit tot combinatie in hooger beroep” werd door de Synode van 1937 verworpen als overbodig, omdat, wanneer het Provinciaal Kerkbestuur in hooger beroep een combinatie tot stand brengt, er goedkeuring op moet volgen en deze niet anders kan gegeven worden dan door de Synode. (Hand. 1937 bl. 79-82).
6) De 9de al. is toegevoegd, in verband met het Regl. op de kerkelijke archieven, en in werking getreden 15 Jan. 1919.
7) De 10de al. is in verband met het Regl. op de kerkvisitatie in werking getreden 15 Jan. 1921.

Alg. Regl. NHK (1948) 52

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Derde afdeeling.
Het Provinciaal Kerkbestuur.

Artikel
52

Tot dat einde:
1º. correspondeeren zij met alle kerkelijke Besturen en Colleges zonder uitzondering, en, waar zij het noodig achten, ook met alle burgerlijke en rechterlijke, of met bijzondere personen;
2º. geven zij der Synode geregeld die berichten van hunne verrichtingen en zenden aan haar die verslagen der Classicale Besturen toe, welker mededeeling door de bestaande reglementen gevorderd, of door hen zelve geraden mocht geacht worden.

Alg. Regl. NHK (1948) 53

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Derde afdeeling.
Het Provinciaal Kerkbestuur.

Artikel
53

Zij zijn bevoegd predikanten, ouderlingen en diakenen af te zetten, en aan emeriti-predikanten, aan hen, die de bevoegdheid van emeriti hebben, en aan candidaten tot den Heiligen Dienst het heilig dienstwerk te verbieden. 1)

|34|


1) In dezen gewijzigden vorm is dit art. in werking gekomen 15 Jan. 1917. (Zie bij art. 49 aant.).

Alg. Regl. NHK (1948) 54

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk II.
Het kerkelijk Bestuur over meer Gemeenten te zamen.

Derde afdeeling.
Het Provinciaal Kerkbestuur.

Artikel
54

In geval van verschil tusschen twee of meer Classicale Besturen, hetwelk door het Provinciaal Kerkbestuur niet kan vereffend worden, of van verschil van eenig Classicaal Bestuur met het Kerkbestuur zelf, wordt de zaak ter beslissing aan de Synode gebracht.

Alg. Regl. NHK (1948) II.III

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

 

 

Alg. Regl. NHK (1948) 55

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
55

De algemeene belangen der gemeenten, behoorende tot de NederIandsche Hervormde Kerk, zijn toevertrouwd aan de Algemeene Synode, die de Kerk vertegenwoordigt en voor haar in rechten optreedt. 1)


1) In 1938 verwierp de Synode een door de predikanten P. de Haan te Antwerpen en A.G.B. ten Kate te Brussel ingediend Ontwerp-Reglement op de geestelijke verzorging der Ned. Hervormden in bet Buitenland en eene in verband hiermede voorgestelde toevoeging aan art. 55 luidende:
Mede zijn aan de Synode toevertrouwd de geestelijke belangen der Nederlandsen Hervormden, die uit Nederland naar het Buitenland zijn vertrokken. (Hand. 1938 bl. 48; Bijl. B. bl. 155, 156).

Alg. Regl. NHK (1948) 56

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
56

1) De Synode is samengesteld uit dertien predikanten en zes ouderlingen, afgevaardigd door de Provinciale Kerkbesturen en de Commissie voor de zaken der Waalsche Kerken. 2)
De Kerkbesturen, wier ressorten meer dan 150 predikantsplaatsen bevatten (Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Friesland en Groningen), benoemen elk twee leden, en wel òf twee predikanten, òf één predikant en één ouderling, in dier voege, dat zij gezamenlijk zeven predikanten en drie ouderlingen afvaardigen. De overige Kerkbesturen (Zeeland, Utrecht, Overijsel, Noord-Brabant met Limburg, Drenthe en de Commissie voor de zaken der Waalsche Kerken) benoemen elk één predikant en bovendien gezamenlijk bij beurtwisseling drie ouderlingen. De afvaardiging van ouderlingen heeft plaats door een tweevoudigen rooster, door de Algemeene Synodale Commissie naar de in dit artikel gevolgde orde opgemaakt. 3)
De Kerkbesturen bepalen zich in hunne keuzen tot hun eigen ressort.
Zij benoemen de leden der Synode en hunne secundi, in hunne voorjaarsvergadering, voor den tijd van drie jaren.
Jaarlijks treedt een derde, of zoo na mogelijk een derde der leden zoo van de predikanten als van de ouderlingen af, volgens een rooster, die de eerste maal bij het lot wordt opgemaakt. De leden, die in den loop van hun diensttijd het provinciaal ressort metterwoon verlaten, worden door hunne secundi vervangen.
Behalve de gewone leden hebben ter Synode zitting:
met adviseerende stem de Secretaris der Synode en de Quaestor-Generaal, welke laatste alleen die vergaderingen bijwoont, waarin geldelijke aangelegenheden worden behandeld;
met prae-adviseerende stem twee Hoogleeraren, door den Secretaris der Synode naar vasten rooster, mits uit verschillende universiteitssteden, telkens voor één jaar op te roepen en bij ontstentenis door hunnen ambtgenoot in dezelfde stad te doen vervangen. 4)
De Secretaris van de benoeming der afgevaardigden met hunne secundi kennis bekomen hebbende, zal eene naamlijst van de leden der vergadering aan elk van dezen doen toekomen, met aanwijzing van den oudsten in diensttijd onder de afgevaardigde predikanten.


1) Art. 56. Als pogingen om te komen tot „reorganisatie” van de Kerk of van hare bestuursinrichting mogen uit den laatsten tijd worden vermeld: 1º. het Concept Algemeen Reglement, in 1905 bij de Synode ingediend, door de predikanten dr. J.R. Slotemaker de Bruine en L. J. Blanson Henkemans. De bedoeling was om in elk geval te komen tot: wijziging in de samenstelling van de Synode, in de werkzaamheden der Classicale vergaderingen, tot instelling van Provinciale Synoden en wijziging in de regeling van de tucht. Het voorstel om over dit concept de consideratiën der Kerk in te winnen werd afgewezen, Doch er werd een Commissie benoemd van 7 personen, om het vraagstuk der reorganisatie te onderzoeken en aan de Syn. Com. haar rapport in te zenden. (Zie Bijl. G. 1906). Van de conclusies van het rapport werd alleen aangenomen de wijziging van art. 56 Alg. Regl.: „De Alg. Synode is samengesteld uit evenveel stemhebbende leden als er classen zijn, waarvan twee derde dienstdoende predikanten, en een derde ouderlingen zijn. Zij worden gekozen door de class. vergaderingen van het ressort”. (Hand. 1906 bl. 486-504). In 1907 diende de heer O. Schrieke, lid der Synode, in een brochure onder den titel: „De groote Synode”, door Cunctator, een voorstel in om naast de tegenwoordige („Bijzondere”) Synode een „Algemeene” Synode te doen vergaderen, wier leden benoemd zouden zijn door de Class. Vergaderingen, ter bespreking van kerkelijke belangen, het overbrengen van wenschen en voorstellen namens de Class. Vergaderingen, de beoordeeling van den wetgevenden, rechtsprekenden en besturenden arbeid der Bijz. Syn. en de eindstemming over de door de Bijz. Syn. aangenomen wetsvoorstellen. De wijziging van art. 56 Alg. Regl. werd niet vastgesteld (Hand. 1907 bl. 447). Het voorstel van den heer Schrieke tot wijziging van Hoofdstuk III Alg. Regl. werd voorl. aangenomen, doch in 1908, na een ongunstig rapport, weder verworpen. (Hand. 1908, bl. 285-326).
Ten einde tegemoet te komen aan den wensch van velen naar afvaardiging der leden van de Synode door de Class. Vergaderingen, werd door „de Hervormde Broederschap” bij de Synode van 1915 een voorstel ingezonden, ondersteund door Class. vergaderingen en enkele Kerkeraden, tot wijziging van art. 56 al. 1-4, met een uitvoerige toelichting, tot wegneming, zoo mogelijk, van bezwaren. Hoofdbedoeling was door deze wijze van afvaardiging „meer contact tusschen Synode en Kerk te verkrijgen” (Hand. 1915 bl. 342). Het beginsel van het voorstel: verkiezing van de leden der Synode door de Classicale Vergaderingen werd aangenomen, maar de uitwerking ervan tenslotte verworpen (Hand. 1915, bl. 218, 328-366, 479-480). Aan een Com. werd opgedragen het volgend jaar een voorstel in te dienen, waarin het beginsel van verkiezing der leden van de Synode door de Classicale Vergaderingen, zonder dat de Synode tot 45 leden werd uitgebreid, werd uitgewerkt (ib. bl. 513-514). In 1916 kwam het rapport in, doch het voorstel werd verworpen (Hand. 1916, bl. 84-90). Bij de Synode van 1919 kwam opnieuw een voorstel ter tafel bedoelende de leden der Synode te doen benoemen door de Class. Vergaderingen. Het voorstel werd in beginsel aangenomen, maar de uitwerking ervan en de ondervanging van practische bezwaren aan een Com. opgedragen. (Hand. 1919 bl. 201, 211-222. 239, 324-326). In 1920 werd over de consideraties

|36|

en adviezen rapport uitgebracht, tevens een voorstel betreffende het Regl. van orde voor de Alg. Synode ingediend, terwijl het prae-adviseerend lid, de hoogleeraar dr. Slotemaker de Bruine, op zich nam een geheel stel wetswijzigingen ter tafel te brengen, die voortvloeien uit de wijziging van art. 56. Deze voorstellen werden, met eenige wijziging, voorloopig aangenomen. (Hand. 1920 bl. 173, 176, 194-205, 220-221, 361-382, 475-481). In 1921 bleken de consideraties van dien aard te zijn, dat velen wel het beginsel: de Synode van 45 leden, benoemd door de Class. Verg. en Waalsche Commissie, wilden, maar niet de uitwerking. Daarom werden de wijzigingen niet vastgesteld en werd besloten een Com. te benoemen, bestaande uit 3 leden der Synode, die zich 2 leden buiten de Synode zullen assumeeren, die de Synode van 1922 over een nieuw plan zou adviseeren. (Hand. 1921, bl. 110, 141-165).
In de zitting van 28 Juli 1922 was het gewijzigd concept ter tafel: verschillende amendementen werden aangenomen en het complex der voorstellen tot wijziging van art. 56 en daarmede verband houdende artikelen werd voorloopig aangenomen.(Hand. 1922 bl. 60-79, 90-101, 113-122). In 1923 werd het voorstel definitief aangenomen met eenige wijzigingen, o.a. het behoud der eindstemming; het verkreeg echter bij de Provinciale Kerkbesturen de vereischte twee derden der stemmen niet (43 voor, 24 tegen), waardoor opnieuw de „groote Synode” was gevallen.(Hand. 1923 bl. 199-215, 408 v.v.). In 1927 zijn de wijzigingen, waartoe in 1923 was besloten, opnieuw aangenomen, ten einde de adviezen en consideraties daarop in te winnen. Intusschen besloot de Synode tot benoeming van eene „Commissie voor de reorganisatie”, welker vijf leden door de Syn. Com. zouden worden benoemd. Deze Commissie, bestaande uit de heeren M. van Grieken, pred. te Rotterdam, dr. Th.L. Haitjema, hoogl. te Groningen, dr. J.C.S. Locher, pred. te Leiden, dr. J. Riemens, pred. te Leiden en ds. A.B. te Winkel, pred. te ’s-Gravenhage, leverde haar rapport met een Ontwerp van een nieuw Alg. Reglement in bij de Synode van 1929. Dit gaf aanleiding tot het besluit eene Buitengewone Vergadering te houden, welke van 7 tot 10 Januari 1930 is bijeen geweest en waarin met 10 tegen 9 stemmen het Ontwerp is verworpen. (Hand. 1927 bl. 225-228, 261-273, 276-283; 1929 bl. 101-175; B. V. 1930 bl. 6-78). Een verzoek van het „Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel” aan de Synode in 1930, om alsnog de Kerk te hooren over de reorganisatie-voorstellen, werd met 15 tegen 4 stemmen afgewezen. (Hand. 1930, bl. 345-351).
Bij de Synode van 1933 werd opnieuw een z.g.n. Groote-Synodevoorstel ingediend door het „Hoofdbestuur van het Ned. Herv. Verbond tot Kerkherstel”. Bij aanneming van dit voorstel, zou de Synode, bij het tegenwoordig aantal van 45 Classes, de Waalsche Réunie medegerekend, komen te bestaan uit 23 dienstdoende predikanten en 22 dienstdoende ouderlingen. De benoembaarheid van oud-ouderlingen tot Synode-lid zou worden uitgeschakeld. Het bezwaar van de hoogere kosten zou ondervangen worden door de vergaderkosten voor de helft voor rekening te brengen van de Classicale ressorten, die één lid uit hun midden zouden afvaardigen. Dit voorstel werd verworpen met 14 tegen 4 stemmen. Hand. 1933 bl. 489-498.
Een namens de Vereeniging „Kerkopbouw” opgesteld reorganisatieontwerp werd ingediend bij de Synode van 1934 en behandeld door de buitengewone vergadering der Synode in Januari 1935. Het ontwerp bevatte 1º. een Algemeen Reglement; 2º. een Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht; 3º. een Reglement voor de behandeling van geschillen en van bezwaren tegen of vernietiging van besluiten in bestuurszaken; 4º. een Reglement op de kerkvisitatie. De artt. 1 en 2 van het Algemeen Reglement bedoelden het Christusbelijdend karakter der Kerk met nadruk voorop te stellen. In de plaats van de bestaande bestuursinrichting werd teruggegrepen op de presbyteriale kerkorde. Het bestuur der Kerk werd opgedragen aan vertegenwoordigende vergaderingen, te weten aan de Kerkeraden, Classicale Vergaderingen, Provinciale Synoden en de Algemeene Synode. Het nieuwe Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht bedoelde de mogelijkheid te openen om in te

|37|

grijpen bij excessen, die het karakter der Kerk als Kerk van Christus in gevaar brengen, maar tegelijk waarborgen te scheppen voor een persoonlijke vrijheid binnen de grenzen van de Christusbelijdenis. Daarom geen procesmatige leertucht, maar persoonlijk vermaan en alleen als alle persoonlijke tusschenkomst niet baatte, een kerkrechtelijk onderzoek, voorbereid door bevoegde commissies, waarbij de uitspraak ten slotte gelegd werd in handen der Kerk. vertegenwoordigd door haar provinciale en algemeene Synoden. Met het oog op onderling opzicht en vermaan werd een nieuw Reglement op de kerkvisitatie ontworpen, waarin er naar gestreefd werd het oude instituut van visitatoren en moderator voor dezen tijd bruikbaar te maken. In het belang van die leden der Kerk, die door de prediking in de plaatselijke gemeente niet worden bevredigd, maar vooral ook in het belang der Kerk, die zonder geestelijke schade deze leden niet verliezen kan, bevatte het ontwerp bepalingen omtrent „huisgemeenten”. Ook werd een groot aantal commissies voor bepaalde doeleinden voorgesteld. De Walen werden teruggebracht tot één classis en gevoegd bij het Prov. ressort van Utrecht. Het ontwerp werd door de buitengewone vergadering der Synode in 1935 verworpen. (Hand. 1935 bl. 8-70).
Nadat bericht was ingekomen, dat tusschen de beide vereenigingen „Kerkopbouw” en „Kerkherstel” als vrucht der gehouden samensprekingen op de voornaamste punten, waarop verschil bestond, overeenstemming was bereikt, benoemde de Synode van 1936 een Reorganisatiecommissie. (Hand. 1936 bl. 454, Bijl. 1936 bl. 195-198). Deze diende bij de Synode van 1937 haar rapport in, dat behandeld werd op de buitengewone vergadering van Januari 1938. Wat de ontwerpen van „Kerkherstel” 1929 en van „Kerkopbouw” gemeenschappelijks hadden, zooals de breede vergaderingen en de binding aan een belijdenis werd in het nieuwe voorstel overgenomen. De artt. 1 en 2 van het Algemeen Reglement werden weer uit het vigeerende overgenomen. In art. 8 werd een principieele omschrijving gegeven van het wezen en doel der Kerk. Dit artikel lag aan het geheele ontwerp ten grondslag. Het instituut der huisgemeenten werd weggelaten. Er werden echter wel groepen en organisaties aangenomen, die naast den van den Kerkeraad uitgaanden arbeid afzonderlijk openbare godsdienstoefeningen zouden houden. De Waalsche gemeenten werden als Provinciaal ressort gehandhaafd, echter met één afgevaardigde naar de Algemeene Synode. De regeling van de tucht was eveneens aan het ontwerp van „Kerkopbouw” ontleend, behalve, dat ook de Classicale Vergaderingen in de tuchtzaken werden betrokken. Kerkvisitator en moderator werden eveneens overgenomen. Ook dienstdoende ouderlingen zouden echter met deze functie kunnen worden belast. Dit ontwerp werd door de Synode in Januari 1938 voorloopig aangenomen en aan het oordeel der Kerk onderworpen. Gehoord de consideratiën der Kerk, besloot de Synode van 1938 het ontwerp niet vast te stellen, maar de zaak der reorganisatie over te brengen bij de Algemeene Synodale Commissie, ten einde deze in overleg met de gezamenlijke kerkelijke hoogleeraren beraadslage, wat te doen zij om de in de consideratiën der Kerk over het ontwerp 1938 tot uiting gebrachte inzichten en wenschen het beste tot haar recht te doen komen.(Hand. 1936 bl. 454, Bijl. B. bl. 195-198; 1937 bl. 17, 29, 37, Bijl. B. bl. 231; Buitengewone Vergadering Januari 1938 bl. 8, 10, 11, 458-534).
2) Meermalen is opgemerkt, dat in deze regeling ressorten met een zeer talrijke bevolking eenzelfde vertegenwoordiging hebben als die met veel minder leden. Hierin verandering te brengen beproefde een voorstel in 1874 bij de Synode ter tafel gekomen, om het cijfer der bevolking in de provinciale ressorten tot grondslag te. nemen, in dier voege, dat elke 100.000 leden één vertegenwoordiger zouden krijgen. De verg. verwierp het voorstel, als in strijd met het federatief beginsel, dat zoowel in de thans bestaande kerkorde als in alle vroegere tot grondslag is aangenomen en reeds in art. 1 Alg. Regl. is vooropgezet, zoodat de vertegenwoordiging geregeld is naar het aantal predikantsplaatsen. (Hand. 1874 bl. 360-363,

|38|

372-374). In 1892 werd een eenigszins gewijzigd voorstel van dezelfde strekking verworpen, ook om de practische bezwaren, daaraan verbonden (Hand. 1892 bl. 161-165); evenzoo in 1901 en 1902 (Hand. bl. 364-371; 1902 bl. 473-475, 491, 503), om verschillende redenen. In 1911 werd, naar aanleiding van nieuwe voorstellen tot wijziging van art. 56 (ten einde „een meer juiste vertegenwoordiging der Kerk in hare hoogste bestuursvergadering te verkrijgen”; Hand. 1911 bl. 415-431) een Commissie benoemd, die bij de Synode van 1912 hare voorstellen indiende. Over deze voorstellen werd ongunstig gerapporteerd, en een nieuw voorstel werd verworpen. (Hand. 1912 bl. 332-352). Ook in 1913 werd het herhaald verzoek om het advies, in 1911 ingezonden, in zake de samenstelling der Synode nogmaals in overweging te nemen, afgewezen. (Hand. 1913 bl. 482-490).
3) Deze rooster is in 1875 opgemaakt (D. en F.7 bl. 50). De orde (die om de 15 jaren op dezelfde wijze terugkeert) is als volgt:

Gelderland
Zuid-Holland
Noord-Holland
Friesland
Groningen

Zuid-Holland
Gelderland
Groningen
1933-1936
1934-1937
1935-1938
1936-1939
1937-1940

1938-1941
1939-1942
1940-1943
Noord-Holland
Friesland

Gelderland
Zuid-Holland
Noord-Holland
Groningen
Friesland

 
1941-1944
1942-1945

1943-1946
1944-1947
1945-1948
1946-1949
1947-1950

 

De overige Kerkbesturen vaardigen ouderlingen af op deze wijze:

Utrecht
Overijssel
Noord-Brabant met
Limburg
Drenthe
Waalsche Commissie
1936-1939
1937-1940

1938-1941
1939-1942
1940-1943
Zeeland
Utrecht
Overijssel
Noord-Brabant met
Limburg
Drenthe
1941-1944
1942-1945
1943-1946

1944-1947
1945-1948

4) Vóór de wijziging van de Hooger Onderwijswet in 1876, toen de godgeleerde faculteiten aan de Rijksuniversiteiten nog Hervormde faculteiten waren, hadden 3 hoogleeraren dier faculteiten als prae-adviseerende leden zitting in de Synode. Bij de invoering van het Reglement op het Hooger Onderwijs in de Godgeleerdheid (15 Dec. 1877) is de alinea, zooals zij thans luidt, in werking gekomen. De rooster in 1878 vastgesteld (Bijl. B. 1878 bl. 132-133), onderging wijziging toen ook te Amsterdam aan de gemeentelijke Universiteit kerkelijke hoogleeraren werden benoemd. (Hand. 1883 bl. 74, Bijl. B. bl. 82). Toen dit besluit met 1 Jan. 1894 verviel, werd de rooster herzien, echter niet overeenkomstig de bedoeling van 1878: dat iedere Universiteit op haar beurt als voorzittend prae-adviseerend lid zou fungeeren en telken jare één hoogleeraar belast met het onderwijs in het kerkrecht zou zitting hebben.
Een voorstel van den Secretaris tot herstel der eerste regeling werd in 1921 aan het advies der kerkelijke hoogleeraren onderworpen; overeenkomstig dit advies is de afvaardiging geregeld als volgt:
1938. Dr. G. Sevenster te Leiden; sec. dr. F.W.A. Korff te Leiden; en dr. Th.L. Haitjema te Groningen, sec. dr. J.H. Semmelink te Groningen.
1939. Dr. M.J.A. de Vrijer te Utrecht, sec. dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel te Utrecht; en dr. F.W.A. Korff te Leiden, sec. dr. G. Sevenster te Leiden.
1940. Dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel te Utrecht, sec. dr. M.J.A. de Vrijer te Utrecht; en dr. J.H. Semmelink te Groningen, sec. dr. Th.L. Haitjema te Groningen.

|39|

1941. Dr. Th.L. Haitjema te Groningen, sec. dr. J.H. Semmelink te Groningen; en dr. G. Sevenster te Leiden, sec. dr. F.W.A. Korff te Leiden.

Alg. Regl. NHK (1948) 57

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
57

De Synode kiest zich uit de predikanten 1) der Nederlandsche Hervormde Kerk haren vasten Secretaris, die met der woon gevestigd zal zijn te ’s-Gravenhage 2) of in den omtrek. Zijn secundus 3) wordt benoemd voor drie jaren. Deze zal, bij aftreden van den Secretaris, diens werkzaamheden waarnemen, totdat een nieuwe Secretaris, door de eerstvolgende Synode te benoemen, zijne betrekking zal hebben aanvaard.
Nopens het recht, den plicht, de toelaag en het ontslag van den Secretaris zal door de Synode bij bijzondere overeenkomst en instructie nadere bepaling worden gemaakt, waarvan afschrift aan den secundus zal worden overgelegd.
Ook benoemt zij, bij voorkeur uit de leden der kerkgemeente Amsterdam, eenen Quaestor met zijnen secundus, voor onbepaalden tijd. Over hunne continuatie zal de Synode jaarlijks haar gedachten uitspreken. Hunne rechten en plichten worden in eene bijzondere instructie omschreven.
Verder benoemt zij den kerkelijken archivaris. 4)


1) Hetzij dienstdoende of emeriti (Hand. 1884 bl. 88). Sedert het Secretariaat een volle levenstaak is, verkrijgen de benoemde functionarissen, dienstdoende predikanten, eervol emeritaat.
2) Volgens het Alg. Regl. van 1816 werd hij uit de predikanten te ’s-Gravenhage benoemd. Sedert 1851 geldt de tegenwoordige bepaling (Hand. 1851 bl. 553).
3) Voorloopig aangenomen voorstellen betreffende de plichten van den secundus, waardoor ook hij te ’s-Gravenhage zou moeten wonen, zijn niet vastgesteld. (Hand. 1858 bl. 172-173, 200).
4) Toevoeging in werking getreden 15 Jan. 1919, in verband met het Regl. op de kerkelijke archieven. Hand. 1917 bl. 67; 1918 bl. 213, 227, 245, 248, 249; Bijl. B. 1919 bl. 212.

Alg. Regl. NHK (1948) 58

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
58

Art. 58, luidende: „Voor het hoofd van het Departement voor de zaken van den Hervormden Eeredienst, enz. en zijnen Secretaris-Generaal, mits beiden van Protestantsche belijdenis, of, bij ontstentenis van dezen, een Commissaris des Konings, den Hervormden Godsdienst belijdende, staat de toegang open tot bijwoning der Synodale Vergaderingen” — is, tengevolge van de veranderde verhouding tusschen de Kerk en den Staat, d.d. 1 April 1864 weggevallen. Hand. 1862 bl, 126; Bijl. B. bl. 177; 1863 bl. 320, 328.

Alg. Regl. NHK (1948) 59

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
59

De gewone Synodale Vergadering wordt, éénmaal ’s jaars, te ’s-Gravenhage 1) gehouden, aanvangende op den derden Woensdag in de maand Juli. 2) Deze tijdsbepaling kan niet worden veranderd, noch eene buitengewone vergadering der Synode beschreven, dan door de Synodale Commissie. 3)


1) De Wet op de Kerkgenootschappen (10 Sept. 1853) eischt in art. 5 de goedkeuring des konings voor de plaats der vestiging.
2) Vroeger (Alg. Regl. van 1816) de eerste Woensdag in de maand Juli; de Prov. Kerkbesturen vergaderden de eerste Woensdagen van Mei, Augustus en October; de Class. Verg. den laatsten Woensdag in de maand Juni. In de „voortgezette vergadering” der Synode, 11 Febr. 1874, „ter behandeling van de zaak der reorganisatie van Kerk en Kerkbestuur” werd de datum der Synodale

|40|

vergadering bepaald op den derden Woensdag van de maand Juli, en die van de verg. der Prov. Kerkbesturen op de eerste Woensdagen van Mei, September en November. (Vervolg van de Hand. der Alg. Syn. 1873/74 bl. 165-166). Dit had het voordeel, dat de termijn tusschen de Class. Verg. en de verg. der Synode ruimer werd genomen. (Hand. 1874 bl. 337, 364). Voorstellen om den eersten Woensdag in Juli te herstellen werden afgewezen in 1896, met het oog op den vacantietijd, die voor verschillende afgevaardigden omstreeks half Juli begint; evenzoo werden niet vastgesteld voorstellen om den dag der Syn. verg. te bepalen op den laatsten Woensdag van Juni en dien der Class. Verg. op den eersten Woensdag in Juni. (Hand. 1896 bl. 201-205; 1897 bl. 134-138; 1899 bl. 123; 1927, bl. 299-300; 1900 bl. 170-173; 1931 bl. 165; 1932 bl. 103-104).
3) Een voorstel om hierop te laten volgen een 2e al., luidende: „Behoudens het recht op besloten zittingen ter behandeling van daartoe geëigende zaken, zijn de vergaderingen der Synode voor de Pers toegankelijk”, ingediend bij de Synode van 1921, werd afgewezen, als geen rekening houdende met het groot verschil van karakter tusschen de Synode en andere vergaderingen van algemeen belang. Hand. 1921 bl. 79-81.

Alg. Regl. NHK (1948) 60

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
60

De Synode begint telken jare hare werkzaamheden met, onder leiding van den oudsten in diensttijd der afgevaardigde predikanten, uit dezen voor zich een President en Vice-President, met plaatsvervanger, te verkiezen.

Alg. Regl. NHK (1948) 61

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
61

Bij de Synode berust de hoogste wetgevende 1), rechtsprekende en besturende macht, onder de verschillende waarborgen, in dit Algemeen Reglement en in bijzondere reglementen vastgesteld.


1) Wetgevende macht. Voorstellen om slechts eenmaal in de 3 jaren Reglementsveranderingen in behandeling te nemen, zijn in 1891 (Hand. bl. 168-175) en in 1904 (Hand. bl. 205-210, Bijl. B. bl. 258-363) verworpen.

Alg. Regl. NHK (1948) 62

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
62

De Synode stelt de reglementen vast 1), welke voor de geheele Kerk verbindend zijn.
Zij zendt 2) elk door haar voorloopig aangenomen reglement aan de Provinciale Kerkbesturen en Classicale Vergaderingen 3), om er hunne consideratiën op in te winnen. De Synode neemt in hare vergadering van het volgende jaar kennis van deze consideratiën en maakt daarvan naar eigen oordeel gebruik. 4) Indien zij besluit, dat het reglement behoort te worden vastgesteld, met of zonder verandering 5), onderwerpt zij het 6) aan de hoofdelijke stemming 7) van de leden der Provinciale Kerkbesturen, met dien verstande, dat in de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken vier leden hunne stem uitbrengen, en wel de drie predikanten en de ouderling, die de oudste in zitting zijn. 8) Tenzij de meerderheid der gezamenlijke leden, die hunne stem uitbrengen, zich tegen verklaart 9), wordt zoodanig reglement, als finaal aangenomen, door de Algemeene Synodale Commissie uitgevaardigd. Met veranderingen in de bestaande reglementen wordt evenzoo gehandeld.


1) Deze formuleering is in werking getreden 31 Maart 1875.
2) Tegen deze omslachtige wijze van aannemen en vaststellen van reglementswijzigingen is meermalen bezwaar gemaakt. Doch de Synode heeft telkens geoordeeld, dat de hier voorgeschreven weg „alleen de vereischte waarborgen geeft

|41|

tegen het onberaden invoeren van schadelijke of der Kerk ongevallige bepalingen”. Hand. 1887 bl. 377; vgl. 1860 bl. 94-96, 127; 1874 bl. 342, 374-375.
3) Hieronder is ook begrepen de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken. (Vgl. Hand. 1862 bl. 177-184, 250).
4) Naar eigen oordeel gebruik. Pogingen om deze zinsnede te doen wegnemen, of den zin te beperken tot een redactioneele wijziging, ten einde de beslissing eigenlijk te doen afhangen van de consideraties der Class. Vergaderingen, heeft de Synode afgewezen. (Hand. 1882 bl. 90-93, 106-116; 1883 bl. 127-131; 1887 bl. 374-387; 1888 bl. 338-353; 1890 bl. 320-328; 1895 bl. 73-75; 1900 bl. 281-287).
5) Wijziging van 31 Maart 1875, waarin uitgesproken wordt de bevoegdheid der Synode, om een ten vorigen jare voorloopig aangenomen wijziging, terug te nemen.(Vgl. Hand. 1870 bl. 10-12, 27).
6) Reeds in 1872 kwam een voorstel om dit recht van veto af te schaffen, bij de Synode ter tafel. De bedoeling van het voorschrift, om misbruik van macht der Synode te verhoeden, zou dan worden vernietigd; waarom het voorstel werd afgewezen (Hand. 1872 bl. 160, 161. Zie Hand. 1866, bl. 120, 122, 173-174; Bijl. 1877 bl. 174). In 1911 werd, naar aanleiding van een afgewezen verzoek om de hoofdelijke stemming van de leden der Prov. Kerkbesturen af te schaffen, besloten aan art. 62, na „uitgevaardigd” toe te voegen: „De Prov. Kerkbesturen deelen, door tusschenkomst van de Alg. Syn. Com. aan de Synode mede, welke de redenen waren, waardoor zij, die tegen stemden, werden geleid”. Bij de eindstemming in de Prov. Kerkbesturen verkreeg deze aangenomen wetswijziging de vereischte meerderheid niet. (Hand. 1911 bl. 434-443, 450-452; 1912 bl. 364-370; Bijl. B. 1913 bl. 299). Nadat in 1918 door de eindstemming in de Prov. Kerkbesturen de aangenomen wijziging van art. 3* Alg. Regl. (kiesrecht voor vrouwelijke lidmaten) niet kon worden vastgesteld, deed zich opnieuw de wensch naar afschaffing van dit vetorecht gelden. Tot definitieve aanneming bracht een voorstel daartoe het niet, omdat het saamgekoppeld werd aan de voorstellen tot wijziging van art. 56, die in 1921 niet werden vastgesteld. (Hand. 1919 bl. 108, 186-191, 325-326; 1920 bl. 177, 380-383). In 1924 werd opnieuw een voorstel van gelijke strekking door de Synode afgewezen (Hand. 1924 bl. 131-133); eveneens in 1927 (Hand. 1927 bl. 238-239). Zie verder aant. 1 bij art. 56.
7) Aldus sedert 1 Maart 1875 in plaats van „de stemming der Prov. Kerkbesturen”.
8) Aldus sedert 15 Jan. 1883, omdat anders de invloed van het kleine Waalsche ressort, dat 7 leden in zijn Commissie heeft, te groot zou zijn.
9) Aldus sedert 31 Maart 1875. Wanneer evenveel stemmen tegen als vóór worden uitgebracht, is de wijziging aangenomen, omdat in zoodanig geval geen meerderheid zich tegen verklaart. Bijl. B. 1883 bl. 75.
Een voorstel om te bepalen, dat buiten stemming blijven niet geoorloofd is, werd in 1900 niet vastgesteld. (Hand. 1899 bl. 56-57, 128-131, 150, 298, 299; Bijl. B. bl. 166-168; Hand. 1900 bl. 167-170).

Alg. Regl. NHK (1948) 63

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
63

De rechtsprekende macht der Synode wordt uitgeoefend naar art. 15 van dit Algemeen Reglement en naar het Reglement van 1) kerkelijk opzicht en tucht.
Zij beslist geschillen, welke in of tusschen Provinciale Kerkbesturen mochten ontstaan.


1) Thans Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht.

Alg. Regl. NHK (1948) 64

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
64

De besturende macht der Synode gaat over de algemeene belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk, en in het bijzonder over alles, wat den Openbaren godsdienst en de kerkelijke instellingen betreft.

Alg. Regl. NHK (1948) 65

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
65

Bij de Synode berust het beheer der algemeene kerkelijke fondsen. 1) Zij is echter bevoegd, het beheer over die fondsen, met uitzondering van het Fonds der Algemeene Kas en van het Fonds voor noodlijdende kerken en personen, op te dragen aan de Algemeene Synodale Commissie, en wijst daarom telken jare de Fondsen aan, waarvan zij het beheer opdraagt aan genoemde Commissie, welke zich daarbij gedraagt naar de Reglementen op de verschillende fondsen. De administratie is opgedragen aan den Quaestor-Generaal, onder toezicht van de Synodale Commissie. 2) De Quaestor-Generaal heeft de machtiging der Synode, of der Synodale Commissie, zoo aan deze het beheer is opgedragen, noodig tot het doen afschrijven van de kapitalen der Fondsen, ingeschreven op een der Grootboeken der Nationale Schuld, of tot het realiseeren van waarden, waarin de kapitalen der Fondsen zijn belegd. 3)
Omtrent de administratie der bijzondere kerk-, pastorie-, kosterij- en andere gemeentefondsen 4) en de betrekking tusschen hunne bestuurders en de Kerkeraden, zullen nadere bepalingen worden ontworpen. 5)


1) Bij D. en F.7 bl. 58 wordt gezegd: „In dit art. ligt het beginsel ten grondslag, dat de Synode wel bevoegd is, de algemeene kerkelijke fondsen, t.w. de algemeene kas der Ned. Herv. Kerk, het Weduwenfonds, het Fonds voor noodlijdende kerken en personen, het Fonds voor geestelijke behoeften, dat voor de schraalste predikantstraktementen, het Hulppensioenfonds, het Fonds voor Hooger Onderwijs, het Studiefonds, en welke van dien aard er meer mogen zijn of komen, maar niet de in al. 2 opgenoemde bijzondere Gemeentefondsen, te beheeren. Het beheer dezer goederen berust bij de gemeenten zelve, wier eigendom zij zijn. Maar al deze gemeenten te zamen maken de Ned. Herv. Kerk uit (art. 1), en de Synode, bij wie de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht in de Kerk berust(art. 61), moet zich geroepen achten, door het maken van reglementaire bepalingen te zorgen, dat de fondsen der gemeenten voortdurend overeenkomstig hunne bestemming worden gebruikt”.
2) Aldus sedert 15 Jan. 1895. Hand. 1893 bl. 380-388, 510-511, 513, 544-549; 1894 bl. 362-371, 439, 550-553.
3) In dezen gewijzigden vorm is deze volzin in werking getreden 15 Jan. 1915. Hand. 1913 bl. 442-450; 1914 bl. 373, 384, 400-401, 445, 553-560; 1915 Bijl. B, bl. 257.
4) Over oorsprong van benificiale of geestelijke goederen, patroons-, pastorie-, kosterij-, klooster-, leengoederen, vicariegoederen zie Hand. 1850 bl. 42-46, 260-290.
5) Ontworpen. Verder kon tusschen 1851 en 1870 de bepaling nog niet gaan, daar de 2e der reserves bij de Koninkl. goedkeuring van het Alg. Regl. gemaakt, de bevoegdheid der Synode om het beheer te regelen niet erkende. Intusschen werd bij Kon. Besl. van 9 Febr. 1866, Stbld. no. 10, het toezicht op het beheer los gelaten, waardoor alle beheer ongeregeld bleef en voor allerlei misbruik ongehinderd plaats werd gemaakt. In 1870 trad het Algemeen College van Toezicht op, waarmede de Synode trachtte in 1874 tot een wettige regeling van het beheer te komen door een Concept-reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen van de Hervormde gemeenten in Nederland en het toezicht daarop. In 1874 voorl. aangenomen, werd het, om den tegenstand der colleges van beheer, het volgende jaar echter niet vastgesteld. In 1876 verzocht de Synode aan de Regeering om een wet, waarbij de rechtsgrond werd aangewezen voor de regeling van het beheer der goederen en fondsen in de gemeenten. Deze poging was vergeefsch, evenals latere om althans een wet te verkrijgen, die de onttrekking der goederen aan hunne bestemming verhinderde. (Hand. 1874 bl. 104-120, 217-227, 233-242, 276-280, 291-301; 1875 bl. 153-186, 257-261, 267-270, 280-286, 289-290, 295; 1876 bl. 103-118, 362-366; 1877 bl. 53-64, 153, 453, 523; Bijl. B. bl. 133-136; 1878 bl. 56-58, 102-103, 146, 324, 395-398; Bijl. B. bl. 147; 1879 bl. 110-111, Bijl. B. bl. 113). In 1881 verwierp de Syn. het voorstel om uitvoering te geven aan al. 2 van art. 65 Alg. Regl. (Hand.

|43|

1881 bl. 226-241; 1882 bl. 41-42; Bijl. B. bl. 82). Van 1886 tot 1888 hield de Syn. zich opnieuw bezig met de zaak en werd besloten het rapport daarover van de Syn. Com. met het verslag van de beraadslagingen der Synode in handen te stellen der rechtsgeleerde adviseurs, om de Syn. Com. te dienen van nader advies (Hand. 1886 bl. 508, 521; 1887 bl. 44, 45, 197; Bijl. B. bl. 132; 1888 bl. 15, 165, 399-447; Bijl. B. bl. 152). De meerderheid dezer adviseurs was van oordeel, dat de Synode niet bevoegd is eene voor de Kerk bindende regeling van het beheer der kerkelijke goederen tot stand te brengen, en dat een Regl. op het beheer alleen in werking kon worden gebracht door vrije toetreding der gemeenten. Twee middelen tot verbetering werden aangewezen: òf een staatswet tot handhaving van de bestemming der kerkel. goederen, òf een poging der Synode om de gemeenten, die vrij beheer hebben, te bewegen zich bij het Alg. Coll. van Toezicht aan te sluiten (Hand. 1889 bl. 623-636). De minderheid achtte het echter de roeping en den plicht der Synode het initiatief te nemen om tot een betere regeling van het beheer en het toezicht daarop te komen en daartoe een wijziging van art. 65 Alg. Regl. voor te stellen.(Hand. 1890 bl. 410-425). Het Alg. College was tot medewerking niet bereid (Bijl. B. bl. 97-212; Hand. 1891 bl. 296-326). Maar wel werd in 1892 besloten, dat de Synode zou medewerken om de toetreding van gemeenten met vrij beheer tot het Alg. Coll. te bevorderen. In 1894 werd een verzoek om een Commissie van eenige desbevoegden in den lande te benoemen, ten einde een Regl. op het beheer te ontwerpen, afgewezen. Doch een voorstel werd aangenomen om aan de Syn. Com. op te dragen een ontwerp-reglement aan te bieden, rustend op deze grondslagen: voorkoming, dat de goederen ad pios usus aan hunne bestemming worden onttrokken; verhindering, dat ten opzichte van het beheer in de Kerk een imperium in imperio besta; aansluiting, zooveel mogelijk, aan de bestaande organisatie; regeling van den aard van het toezicht in dezen zin, dat de kerkvoogden rekenplichtig worden aan de door haar zelve gekozen colleges. (Hand. 1891 bl. 281-336, 386; 1892 bl. 291-326. 343-344; 1893 bl. 390-481, 484-503, 505; 1894 bl. 493-550, 553-564). Wegens de talrijke moeilijkheden werd de Syn. Com. op haar verzoek ontslagen van de opdracht en werd een Commissie benoemd van 5 personen, om bij de Synode van het volgend jaar een concept-Reglement op het beheer in te dienen. (Hand. 1895 bl. 117-125, 127-137, 251-252, 372-373; Bijl. B. bl. 210-228). In dit jaar werd geen lid met secundus afgevaardigd naar het Alg. Coll. (D. en F7 bl. 61). Het in 1896 ingediend ontwerp, met eenige wijziging voorl. aangenomen, werd in 1898 vervangen door een nieuw voorl. aangenomen ontwerp. Het volgend jaar werd het, met eenige wijziging, vastgesteld, maar door de Prov. Kerkbesturen verworpen. (Hand. 1896 bl. 489-573, 578-605, 783-809; 1897 bl. 474-565, 571-583, 620-644; 1898 bl. 437-487, 489-491, 522-547). Een poging in 1899 om de zaak te regelen leed opnieuw schipbreuk, doch er werd wederom een Com. benoemd met een opdracht zooals in 1895 door het adres van dr. T. Cannegieter aan de Synode was voorgesteld. Het concept dier Com. werd in 1901 in de Kerk om consideratie gezonden. De consideratiën waren ongunstig. Daarop volgde een nieuw ontwerp volgens de voorstellen van dr. J.A. Bruins in 1902 (hetwelk verworpen werd); een concept van 1903 werd in het volgend jaar zoozeer gewijzigd, dat het in 1905 opnieuw aan de consideraties in de Kerk werd onderworpen; het gewijzigd ontwerp verkreeg in 1906 echter het voldoend aantal stemmen niet bij de Prov. Kerkbesturen. (Hand. 1899 bl. 131-148, 150-152, 154-156, 294, 379, 478; 1900 Bijl. B. bl. 281-318, Hand. 1900 bl. 307-319, 329, 331-339, 344-352, 375, 460-485; 1901 bl. 204-216, 285-288, 297-298, 300-304, 510-512, 514-515; 1902 bl. 433-453, 634; 1903 bl. 448-512, 521-538, 540; 1904 bl. 316-338, 339-358, 360, 371-389; 1905 bl. 407-437, 441-447, 450-459, 466-477, 490-192, 668-688; Bijl. B. 1906 bl. 318).
In 1913 werd bij de Synode een concept-Regl. ingezonden „op het beheer der kerkegoederen in de gemeenten der Ned. Herv. Kerk, die zoogenaamd vrij beheer hebben”, hetwelk niet werd aangenomen. Maar er werd een Comm. van 3 leden der Syn. benoemd, in wier handen werd gesteld het door de Syn. van 1905 voorl. vastgesteld en aan de hoofdel. stemming van de leden der Prov. Kerkbesturen onderworpen Regl. op de organisatie van het beheer, met opdracht het met haar advies gewijzigd of ongewijzigd bij de Syn. van 1914 in te dienen (Hand. 1913, bl. 243-275,

|44|

613). De Com., bestaande uit de heeren dr. T. Cannegieter, D. Eilerts de Haan en F. Tammens, bracht het concept ter tafel, dat, met eenige wijziging, werd aangenomen en, voorzien van een uitvoerige toelichting, waarin de beginselen werden uiteengezet, naar welke het Regl. is samengesteld, om consideratie de Kerk werd ingezonden. Het verschilde van al de vorige concepten belangrijk, omdat alle kerkel. Besturen, van het laagste tot het hoogste, van elke rechtstreeksche medewerking, zoowel in het beheer als in de uitoefening van het toezicht, waren uitgesloten. Het volgend jaar werd het echter niet vastgesteld. (Hand. 1914 bl. 363, 561-585, 704; 1915 bl. 527, 676, 709-717). In 1919 echter werd besloten, naar aanleiding van ingekomen verzoeken, dat de Synode opnieuw de regeling van het beheer ter hand zou nemen en daarbij uitgaan van de eindredactie van het in 1914 voorl. aangenomen Regl. (Hand. 1919 bl. 205, 223-229, 253, 266-300). Intusschen kwam, terwijl de consideraties der Kerk werden ingewonnen, de zaak van een Reglement op de predikantstraktementen op den voorgrond, waarom in 1920 besloten werd: „Niet terstond voort te gaan met de behandeling van dit Reglement, doch eene Commissie te benoemen, die tracht, door overleg met het Algemeen College van toezicht, en zoo dit overleg er aanleiding toe geeft, ook met de colleges van Beheer, met de Vereeniging van kerkvoogdijen en andere corporaties, te komen tot overeenstemming in zake het beheer en vervolgens met bepaalde voorstellen te komen bij de Synode van het volgend jaar”. Het overleg met het Alg. College mislukte. Besloten werd ten slotte het Regl. dit jaar niet te behandelen. (Hand. 1920 bl. 233-252; 1921 bl. 10, 52, 326-328). Het Reglement, zooals het in 1919 om consideraties in de Kerk is gezonden, is bijgevolg nog aan de orde.
Bij de Synode van 1938 werd door de heeren M. van Empel, H.C.J. van Deelen en D. Boer een ontwerpregeling voor de financieele aangelegenheden der Gemeenten ingediend. De voorstellen gingen daarbij uit van de gedachte, dat er, indien de Synode van dit jaar het Reorganisatie-ontwerp niet ongewijzigd vaststellen, noch verwerpen, maar amendeeren mocht, moeilijk een gelegener tijd te denken zou zijn, voor het ter hand nemen van de beoogde regeling. Dan toch zouden de voorgestelde wijzigingen en toevoegingen op het Algemeen Reglement en die op het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht mede begrepen kunnen worden onder die amendementen, terwijl het Ontwerp-reglement op de finantieele aangelegenheden der Gemeenten dan direct uit die amendementen voortvloeien zou.
Het ontwerp werd verworpen.
De Synode oordeelde, dat er nu, nog veel meer dan in 1920, aanleiding was — althans ingeval een Ontwerp-Beheersreglement, gelijk het onderhavige, uit den boezem der Kerk voortkwam, — om te persisteeren bij de toen uitgestippelde gedragslijn, dat bepaalde voorstellen inzake het Beheer uit overeenstemming met de verschillende beheersinstanties dienen geboren te worden. (Hand. 1938 bl. 258-307).

Alg. Regl. NHK (1948) 65*

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Eerste afdeeling.
De Synode.

Artikel
65*

De Synode is bevoegd in omstandigheden, waarin de normale functioneering van het kerkelijk leven onmogelijk is, van de bij de Reglementen voorgeschreven bepalingen af te wijken en zoodanige noodmaatregelen te nemen als zij in het belang der Kerk noodzakelijk oordeelt.
Deze maatregelen worden door haar opgeheven, zoodra de in de vorige alinea bedoelde uitzonderingstoestand is geëindigd. 1)


1) Dit art. is ingevoegd op 15 Jan. 1943.

Alg. Regl. NHK (1948) 66

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
66

Tusschen de gewone jaarlijksche vergaderingen der Synode worden, in haren naam, de belangen der Nederlandsche Hervormde Kerk behartigd en waargenomen door een college, onmiddellijk uitgaande van, en in betrekking staande tot de Synode, onder den naam van Algemeene Synodale Commissie. 1)


1) Dit beteekent echter niet, dat de Syn. Com., wanneer de Synode niet vergaderd is, de Kerk zou vertegenwoordigen en voor haar in en buiten rechten handelend optreden, daar de Syn. Com. geen kerkelijk bestuur is. (Hand. 1866 bl. 174-175).
In de zitting van 29 Juli 1852 verklaarde de Synode, dat hetgeen uit de instructie voor de Alg. Syn. Com. van 20 Juli 1844 in het Alg. Regl. van 1852 niet is opgenomen, voor zoover het niet in strijd is met het Alg. Regl. nog van blijvende kracht is. Een nieuwe instructie werd ontworpen in 1853 (Bijl. B. bl. 31-34), waarvan de voornaamste bepalingen thans in dit en de volgende artt. zijn opgenomen.

Alg. Regl. NHK (1948) 67

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
67

Deze Commissie bestaat uit den President, den Vice-president en den Secretaris der Synode; voorts uit drie predikanten en drie ouderlingen 1), zooveel mogelijk te benoemen uit de verschillende kerkressorten. 2) Aan elk der leden van deze Commissie wordt een secundus toegevoegd. Zij hebben allen concludeerende stem, behalve de Secretaris, die eene adviseerende heeft. Met uitzondering van den Secretaris hebben alleen dienstdoende predikanten in deze Commissie zitting.


1) Ook oud-ouderlingen zijn benoembaar. (Hand. 1851 bl. 317-318).
2) Hoewel het niet wenscheliik werd geacht uit een kerkressort, dat reeds in de Syn. Com. vertegenwoordigd is, nog een lid te benoemen (Hand. 1867 bl. 25) heeft de Synode voorstellen om te eischen, dat de leden uit verschillende kerkressorten zouden worden benoemd, niet aangenomen. (Hand. 1881 bl. 242-245).

Alg. Regl. NHK (1948) 68

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
68

De predikanten en ouderlingen, leden dezer Commissie, benevens hunne secundi 1), worden benoemd door de Synode voor den tijd van drie jaren. 2) Telken jare treedt, met den dag op welken de gewone jaarlijksche vergadering der Synode; gesloten wordt, een derde gedeelte af, zijnde de aftredenden niet herkiesbaar dan na twee jaren. 3)
De President, Vice-president en Secretaris ter laatste Synodale Vergadering fungeeren ook bij deze Commissie als zoodanig.


1) De Syn. verklaarde in 1863 (Hand. bl. 59-60), dat een tot sec. reeds benoemde, als intusschen de tot primus benoemde bedankt, ook voor primus benoembaar is.
2) Een voorstel in 1893 om alle leden en de secundi jaarlijks door de Syn. uit hare leden te doen benoemen, is voorl. aangenomen, doch in 1895 teruggenomen.(Hand. 1893 bl. 381-388, 510-513, 544-549; 1894 bl. 371-374, 439, 565; 1895 bl. 79-84).
3) Een sec, die, naar art. 6 al. 3, primus-lid geworden is gedurende den diensttijd van den primus, is evenmin herkiesbaar. (Hand. 1870 bl. 27-28). Een sec, die nooit als primus is opgetreden, is, als hij door het aftreden van den primus opgehouden heeft sec te zijn, wel tot primus verkiesbaar. (Hand, 1886 bl. 80-81, 93).

Alg. Regl. NHK (1948) 69

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
69

Art. 69. „De vergaderingen dezer Commissie kunnen, gelijk die der Synode, door het Hoofd van het Ministerieel Departement en den Secretaris-Generaal, beiden van Protestantsche belijdenis, worden bijgewoond” — is tegelijk met art. 58 in 1863 vervallen.

Alg. Regl. NHK (1948) 70

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
70

Aan deze Commissie is opgedragen:
1º. het uitvoeren van alles, wat de Synode haar heeft in last gegeven 1);
2º. het toezicht op de nakoming van alle kerkelijke reglementen en Synodale besluiten;
3º. het behandelen en beslissen in vorderingen tot vernietiging van in hooger beroep genomen besluiten 2), gedane uitspraken en genomen beslissingen, overeenkomstig artt. 14 en 15 van het Algemeen Reglement;
4º. het toezicht op de administratie der algemeene kerkelijke fondsen, met macht, om, waar de zaak bij uitstel lijden zou, daaromtrent te doen hetgeen der Synode is;
5º. het houden van zoodanig algemeen toezicht op de administratie van kerkelijke goederen, als haar bij een reglement zal worden opgedragen 3);
6º. de behandeling der diaconale 4), alsmede van spoed vorderende zaken, welke tot de bevoegdheid der Synode behooren;
7º. de correspondentie, omtrent alle voorkomende zaken, met colleges van kerkelijk bestuur en beheer, met de vanwege de Kerk benoemde HoogIeeraren in de Godgeleerdheid en met de Hooge Regeering;
8º. het beslissen van geschillen over de uitlegging en toepassing van het Reglement op de Algemeene Weduwen- en Weezenbeurs der Nederlandsche Hervormde Kerk 5), van het Reglement op het Pensioenfonds ten behoeve van de predikanten der Nederlandsche Hervormde Kerk, behalve in de gevallen, waarin de artikelen 23, 24 en 25 van laatstgenoemd Reglement voorzien, van het Reglement op de Kas tot aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen 6) en van het Reglement op de Suppletiebeurs voor predikants-weduwen en -weezen; 7)
9º. het beslissen van geschillen over de uitlegging van het Reglement op de predikantstraktementen; 8)
10º. het toezicht op de archieven volgens het Reglement op de kerkelijke archieven.9)


1) In 1869 heeft de Synode de wenscheliikheid uitgesproken, dat deze zelf jaarlijks zooveel mogelijk de bij haar ter tafel gebrachte zaken zou afdoen en niet dan bij gebiedende noodzakelijkheid aan de Syn. Com. zou opdragen. Hand. 1869 bl. 238.
2) Genomen besluiten en art. 14. Invoeging van 15 Jan. 1900.
3) In afwachting van het gevolg, dat zou gegeven worden aan art. 65 al. 2.
4) In verband met art. 15 al. 2 van het Regl. voor de diaconieën.
Voorstellen om de behandeling van alle quaestorale en diaconale zaken en van alle zaken van dageliiksch bestuur bij de Syn. Com. over te brengen, en om de toekenning van kleine toelagen aan kerkelijke administratiën en noodlijdende personen aan de Syn. Com. over te laten, zijn niet vastgesteld. (Hand. 1865 bl. 255; 1888 bl. 125-126, 130).
5) In werking getreden 1 Jan. 1896.
6) Toevoegingen in werking getreden 1 Jan. 1928 en 1932. Hand. 1926 bl. 296, 297, 336, 337; 1927 bl. 99-100, 123-124; 1930 bl. 92-115, 139-150; 1931 bl. 373-378, 378-385. Bijl. 1932 bl. 173.
7) In werking getreden 1 Januari 1938.
8) In werking getreden 1 Jan. 1927 in verband met art. 28 van het Reglement op de predikantstraktementen. Hand. 1924 bl. 281, 323, 324; 1925 bl. 139, 214, 215, 252, 253; 1926 bl. 74, 169-174, 329; Bijl. B. 1927 bl. 124.
9) In werking getreden 1 Jan. 1919 in verband met het Regl. op de kerkelijke archieven.

Alg. Regl. NHK (1948) 71

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
71

De Synodale Commissie biedt jaarlijks der Synode een overzicht aan van den staat der Nederlandsche Hervormde Kerk. 1)


1) Dit doet zij in Bijl. C. bij de Handelingen der Alg. Synode.

Alg. Regl. NHK (1948) 72

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
72

De Commissie vergadert te ’s-Gravenhage, gewoonlijk tweemalen ’s jaars, ééns in het voorjaar en ééns in het najaar, en voorts zoo dikwerf zulks door haar moderamen noodig zal worden geacht.

Alg. Regl. NHK (1948) 73

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
73

Alle kerkelijke colleges zijn verplicht, aan deze Commissie alle door haar gevraagde inlichtingen te geven, en aan hare aanschrijvingen te voldoen, behoudens het bepaalde bij art. 14.

Alg. Regl. NHK (1948) 74

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk III.
Het kerkelijk Bestuur over de Gemeenten te zamen.

Tweede afdeeling.
De Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
74

De Commissie is, wegens alles, wat door haar wordt verricht, verantwoording schuldig ter eerste gewone Synodale Vergadering. 1)
Bij de raadpleging over deze verantwoording heeft geen der Synodale leden, die tevens lid is van de Algemeene Synodale Commissie, eene concludeerende stem. Van eene uitspraak door haar gedaan, en eene beslissing door haar genomen, ten gevolge van beroep in cassatie, geeft zij aan de Synode alleen verslag. 2)


1) Zij geeft het verslag van hare handelingen in de Bijlagen tot de Handel, der Synode, welke de leden der Syn. vóór de jaarlijksche vergadering ontvangen.
2) Het eerste deel van deze al. beteekent niet, dat de leden der Synode, die leden der Syn. Com. zijn, niet mede besluiten omtrent de onderscheidene beschouwingen en adviezen der Syn. Comm. (Hand. 1863 bl. 16-17; 1903 bl. 38).
Het tweede deel dezer al. laat eene beoordeeling door de Synode van de uitspraken en beslissingen in cassatie niet toe; overigens is niets van de handelingen der Syn. Com. van de beoordeeling door de Synode uitgesloten. (Hand. 1865 bl. 21-23). Dit 2e gedeelte der al. is in dezen vorm in werking getreden 15 Febr. 1891.

Alg. Regl. NHK (1948) II.IV

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk IV.
Contact en samenwerking met andere Christelijke Kerken.

 

 

Alg. Regl. NHK (1948) 75

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk IV.
Contact en samenwerking met andere Christelijke Kerken.

Artikel
75

Bij besluit van de Algemeene Synode kan door middel van een of meer daartoe in te stellen commissies contact worden gezocht met andere Christelijke Kerken, bedoeld in artikel 1 alinea 2 van dit Reglement, die bereid zijn in samenwerking met de Nederlandsche Hervormde Kerk en haar gemeenten te arbeiden om daardoor tot hereeniging te geraken. 1)


1) Zie noot 3 bij art. 1 van dit Regl.

Alg. Regl. NHK (1948) 76

II. Bijzondere bepalingen.

Hoofdstuk IV.
Contact en samenwerking met andere Christelijke Kerken.

Artikel
76

Tot het nemen van zoodanig besluit wordt vereischt, dat op een voorloopig besluit, houdende de voorwaarden, waaronder die samenwerking zal geschieden, de adviezen der Provinciale Kerkbesturen en der Classicale Vergaderingen zijn ingewonnen. De Synode stelt vervolgens, na van deze adviezen te hebben kennis genomen, zoo zij van oordeel is, dat tot contact en samenwerking moet worden besloten, dit besluit vast. 1)


1) Zie noot 3 bij art. 1 van dit Regl.

Alg. Regl. NHK (1948) Slot

Slotbepaling

 

In dit Reglement kan geene verandering worden gemaakt dan door de Synode. Tot verandering wordt vereischt, dat eerst de consideratiën der Provinciale Kerkbesturen en der Classicale Vergaderingen 1) zijn gevraagd, en voorts de toestemming.van twee derden 2) der gezamenlijke leden van de Provinciale Kerkbesturen 3) is verkregen, nadat deze gehoord hebben de Classicale Besturen in hun ressort.
Ook bij deze stemming geldt voor de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken het ten deze in art. 62 bepaalde.


1) En der Class. vergaderingen. Invoeging van 15 Maart 1875 in verband met art. 62.
2) De toestemming van twee derden. Waar het andere reglementen betreft is het (volgens art. 62) voldoende als de helft der uitgebrachte stemmen niet tegen is. Voor het Alg. Regl. echter is de toestemming van twee derden vereischt, waarbij met de uitgebrachte stemmen gerekend wordt. (Hand. 1895 bl. 15; Bijl. B. bl. 193).
3) Der gezamenl. leden van de Prov. Kerkbesturen. Wijziging van 15 Maart 1875. (Hand. 1874 bl. 376).

Alg. Regl. NHK (1948) Wijz.GS

Wijziging in de artikelen 56, 57, 59, 60, 62, 65, 66-74 en de Slotbepaling van het Algemeen Reglement; toevoeging van VIII Additioneele Artikelen met bijbehoorende Invoeringsbepalingen bij het Algemeen Reglement ter zake van het bijeenkomen van de Nederlandsche Hervormde Kerk in Generale Synode.

De artikelen 56, 57, 59 en 60 van het Algemeen Reglement komen te vervallen.
In art. 62 van het Algemeen Reglement worden geschrapt van lid 2 in regel 13 de woorden „onderwerpt zij het aan”, voorts de regels 14-23 en in regel 24 het woord „verklaart”. 1)
Van art. 65 van het Algemeen Reglement vervalt de eerste alinea.
De artikelen 66-74 en de Slotbepaling van het Algemeen Reglement komen te vervallen. Na art. 65* van het Algemeen Reglement worden in plaats van de „Tweede Afdeeling: De Algemeene Synodale Commissie” toegevoegd de navolgende VIII Additioneele Artikelen met bijbehoorende Invoeringsbepalingen.
De samenstelling en de werkzaamheden der Algemeene Synodale Commissie worden op den grondslag van het VIe der Additioneele Artikelen beschreven in no. 12-no. 19 der Invoeringsbepalingen.


1) In verband met een andere regelbreedte in de nieuwe uitgave der Reglementen, moet deze al. worden gelezen als volgt: „In art. 62 van het Algemeen Reglement worden geschrapt van lid 2 de woorden onderwerpt zij het aan .... zich tegen verklaart,".

Alg. Regl. NHK (1948) AddA I

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
I

Van de Generale Synode.

De Nederlandsche Hervormde Kerk komt in  Generale  Synode bijeen.
Deze Synode heeft, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften, inzonderheid tot taak
de Kerkorde voor te bereiden en vast te stellen;
te getuigen, met de Kerk in al haar geledingen, van het Evangelie van Jezus Christus tegenover overheid en volk;
leiding en vorm te geven aan den arbeid, waartoe de Kerk wordt geroepen op alle terreinen des leyens;
gehoor te geven aan de roeping der Kerk inzake de eenheid der Christenheid.
Voorts zijn haar opgedragen de werkzaamheden genoemd in invoeringsbepaling no. 9.

Alg. Regl. NHK (1948) AddA II

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
II

Van de afgevaardigden ter Synode.

De classes der Kerk en de Waalsche reunie vaardigen ter Synode ieder een dienaar des Woords of een ouderling af, doch zoo, dat bij beurte twee derden der classes gehouden zijn een dienaar des Woords aan te wijzen en een derde deel een ouderling.
De aanwijzing van den afgevaardigde vindt plaats door de Classicale Vergadering uit de ambtsdragers binnen de classis en geldt voor een tijdvak van drie kalenderjaren. Nevens eiken afgevaardigde worden een secundus en een tertius aangewezen, om hem bij verhindering te vervangen, terwijl opengevallen plaatsen op de eerstvolgende Classicale Vergadering worden vervuld.
De Classicale Vergadering stelt den afgevaardigde en zijn plaatsvervangers in het bezit van een geloofsbrief en doet van hun namen opgave aan de Algemeene Synodale Commissie.
Het mandaat van een afgevaardigde eindigt, wanneer hij de classis metterwoon verlaat, of ophoudt bekleed te zijn met het ambt, waarop zijn aanwijzing rust.
De door de Classis ter Synode afgevaardigde ouderling woont, zoo hij niet ter Classicale Vergadering mocht zijn afgevaardigd, de vergadering der classis bij en heeft daar een adviseerende stem.

Alg. Regl. NHK (1948) AddA III

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
III

Van de adviseurs der Synode.

Als adviseurs worden ter Synode geroepen
de secretaris van de Algemeene Synodale Commissie;
bij beurte twee der hoogleeraren in de godgeleerdheid vanwege de Nederlandsche Hervormde Kerk;
twee vertegenwoordigers van den algemeenen diaconalen Raad;
twee vertegenwoordigers van den algemeenen Kerkvoogdijraad;
een vertegenwoordiger van den Raad voor uitwendige zending;
een vertegenwoordiger van den Raad voor inwendige zending;
een vertegenwoordiger van den Raad voor Kerk en Kerken;
een vertegenwoordiger van den Jeugdraad.
De vertegenwoordigers van de Raden, met voor ieder zijn secundus, worden, na gepleegd overleg met elk van deze Raden, telkens voor het eerstvolgende kalenderjaar benoemd door de Generale Synode.

Alg. Regl. NHK (1948) AddA IV

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
IV

Van de bijeenkomsten der Svnode.

Ten minste eenmaal per jaar wordt een Synode gehouden ten tijde en ter plaatse door haar of — zoo zij daarover geen besluit genomen heeft — door het Moderamen vastgesteld.
De Synode kiest zich in haar eerste bijeenkomst van het kalenderjaar, onder leiding van den in diensttijd oudste der afgevaardigde predikanten uit dezen een praeses en een assessor, die den praeses bijstaat en vervangt, alsmede voor den assessor een secundus en een tertius, die allen als zoodanig fungeeren tot aan de eerstvolgende Synode in het nieuwe kalenderjaar.
Als scriba van de Synode fungeert de secretaris van de Algemeene Synodale Commissie, bijgestaan door den tweeden secretaris dier Commissie.
Praeses, assessor en scriba vormen tezamen het moderamen.
De werkwijze der Synode wordt, onder haar goedkeuring, door het moderamen geregeld.
De Synode neemt haar besluiten bij volstrekte meerderheid van stemmen. Besluiten, betrekking hebbende op de belijdenisgeschriften, behoeven tenminste 2/3 van het aantal uitgebrachte geldige stemmen.
Zij kan niet vergaderen, zoo geen dertig afgevaardigden tegenwoordig zijn, tenzij zij ten tweeden male is opgeroepen.
Van hare acta wordt aanteekening gehouden.

Alg. Regl. NHK (1948) AddA V

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
V

Van de orde der Kerk.

De Synode benoemt een commissie tot voorbereiding van een nieuwe kerkorde, welke haar ontwerpen bij de Synode ter behandeling indient.

Alg. Regl. NHK (1948) AddA VI

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
VI

Van de Algemeene Synodale Commissie.

De Synode benoemt een Algemeene Synodale Commissie, die tot taak heeft hetgeen haar in de reglementen der Kerk of door de Synode wordt opgedragen en die deswege aan de Synode verantwoording schuldig is.

Alg. Regl. NHK (1948) AddA VII

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
VII

Van de organen van bijstand.

De Synode doet zich bijstaan door raden, werkgroepen, commissies, deputaten en gedelegeerden. Zij stelt hun taak vast en doet de vereischte benoemingen.

Alg. Regl. NHK (1948) AddA VIII

Additioneele Artikelen

bij het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

Artikel
VIII

Van het overleg met andere Kerken.

De Synode benoemt — op voordracht van den Raad voor Kerk en Kerken — deputaten voor het overleg en de samenspreking met de Kerken in het Rijk buiten Europa, met de Kerken in Nederland en met die in het buitenland.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 1

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

Artikel
1

De additioneele artikelen van het Algemeen Reglement met de daarbij behoorende invoeringsbepalingen treden in werking op den 20sten September 1945, met dien verstande, dat de bevoegdheden van de Algemeene Synode, totdat de Generale Synode voor de eerste maal is bijeengekomen, nog door de Algemeene Synode worden uitgeoefend.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 2

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

A. Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Artikel
2

Binnen vier weken na den sub 1 genoemden datum roept de Algemeene Synodale Commissie, op een door haar vast te stellen datum, de Classicale Vergaderingen bijeen ter aanwijzing van de afgevaardigden ter Generale Synode.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 3

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

A. Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Artikel
3

De volgorde waarin de classes gehouden zijn een dienaar des Woords dan wel een ouderling af te vaardigen is aldus dat, van de classes

1. Arnhem
2. Tiel
3. ’s-Gravenhage
4. Dordrecht
5. Amsterdam
6. Hoorn
7. Zierikzee
8. Utrecht
9. Leeuwarden
10. Dokkum
11. Deventer
12. Winschoten
13. ’s-Hertogenbosch
14. Eindhoven
15. Meppel
16. Nijmegen
17. Bommel
18. Rotterdam
19. Gouda
20. Haarlem
21. Edam
22. Goes
23. Amersfoort
24. Sneek
25. Heerenveen
26. Kampen
27. Appingedam
28. Breda
29. Maastricht
30. Emmen
31. Zutphen
32. Harderwijk
33. Leiden
34. Brielle
35. Alkmaar
36. Middelburg
37. IJzendijke
38. Wijk
39. Franeker
40. Zwolle
41. Groningen
42. Winsum
43. Heusden
44. Assen
45. Waalsche reünie

in het kalenderjaar, waarin de additioneele artikelen in werking treden en de daarop volgende twee kalenderjaren een dienaar des Woords wordt afgevaardigd door de classes 1-15 en 16-30 en een ouderling door de classes 31-45;
in de daarop volgende drie kalenderjaren een dienaar des Woords door de classes 1-15 en 31-45 en een ouderling door de classes 16-30;
in de dan volgende drie kalenderjaren een dienaar des Woords door de classes 16-30 en 31-45 en een ouderling door de classes 1-15;
in de daarna volgende drie kalenderjaren wederom een ouderling door de classes 31-45 en zoo voortgaande.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 4

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

A. Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Artikel
4

De Classicale Vergaderingen doen, binnen acht dagen nadat de sub 2 bedoelde vergadering is gehouden, aan de Algemeene Synodale Commissie mededeeling van de namen van de afgevaardigden en hunne plaatsvervangers.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 5

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

A. Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Artikel
5

Eveneens binnen het sub 2 genoemde tijdvak van vier weken richt zich de Algemeene Synodale Commissie tot de daarvoor aangewezen Raden om het overleg, bedoeld in Additioneel Artikel III, te plegen, vóór denzelfden datum als onder 4 der Invoeringsbepalingen ten aanzien van het bericht van de Classicale Vergaderingen is gesteld.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 6

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

A. Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Artikel
6

De hoogleeraren in de godgeleerdheid vanwege de Nederlandsche Hervormde Kerk worden opgeroepen naar den vóór het in werking treden van de Additioneele Artikelen laatstelijk gevolgden rooster, welke van kracht blijft.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 7

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

A. Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Artikel
7

De Generale Synode komt, binnen twee maanden nadat de onder 2 bedoelde Classicale Vergaderingen zijn gehouden, op een door de Algemeene Synodale Commissie vast te stellen datum voor de eerste maal bijeen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam, nadat op den daaraan voorafgaanden dag in het midden der gemeente van Amsterdam voor den arbeid der Synode een bidstond is gehouden.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 8

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

A. Betreffende het bijeenkomen van de Generale Synode.

Artikel
8

De Algemeene Synodale Commissie neemt de bovenomschreven maatregelen voor het voor de eerste maal bijeenkomen der Generale Synode in de samenstelling en krachtens de bevoegdheid, haar gegeven ingevolge de vóór het in werking treden dezer Additioneele Artikelen en Invoeringsbepalingen gegolden hebbende artikelen 66-74 van het Algemeen Reglement.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 9

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

B. Betreffende het overnemen van de werkzaamheden der Algemeene Synode.

Artikel
9

Van de werkzaamheden en bevoegdheden, welke in de, bij het in werking treden van de Additioneele Artikelen en de daarbij behoorende Invoeringsbepalingen geldende reglementen der Kerk naar art. 4 van het Algemeen Reglement aan de Algemeene Synode als algemeen kerkbestuur toevertrouwd waren, gaan over op de Generale Synode:
a. de wetgevende macht, bedoeld in art. 62 Alg. Regl.;
b. de rechtsprekende macht, voorzoover de uitoefening daarvan in art. 15 van het Alg. Regl. is opgedragen aan de Synodus plena, met dien verstande, dat zij deze rechtspraak in haar naam doet uitoefenen door een uit de afgevaardigden telkens voor een kalenderjaar aan te wijzen commissie van negen leden, waarvan het lidmaatschap niet vereenigbaar is met dat van de Algemeene Synodale Commissie;
c. de rechten tot het doen van benoemingen, voorzoover zij deze niet aan de Algemeene Synodale Commissie delegeert;
d. de bevoegdheid, aangegeven in art. 65* van het Algemeen Reglement.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 10

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

B. Betreffende het overnemen van de werkzaamheden der Algemeene Synode.

Artikel
10

De overige werkzaamheden en bevoegdheden der Algemeene Synode gaan over op de, als algemeen kerkbestuur fungeerende, Algemeene Synodale Commissie, op welke mede de uitoefening van de rechtsprekende macht overgaat, voorzoover deze in art. 15 Alg. Regl. is opgedragen aan de Synodus Contracta, met dien verstande, dat de Algemeene Synodale Commissie deze rechtspraak in haar naam doet uitoefenen door een door haar uit haar midden, telkens voor een kalenderjaar aan te wijzen commissie van vijf leden met twee plaatsvervangende leden.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 11

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

B. Betreffende het overnemen van de werkzaamheden der Algemeene Synode.

Artikel
11

De op de Algemeene Synodale Commissie en de Algemeene Synode betrekking hebbende bepalingen in de bijzondere reglementen der Kerk, welke door het opdragen van het algemeen Kerkbestuur aan de Algemeene Synodale Commissie niet langer kunnen worden nageleefd, zijn buiten werking gesteld. Waar in de reglementen der Kerk aan de Algemeene Synodale Commissie handelingen zijn opgedragen ter voorbereiding van een op die Commissie overgegane bestuurshandeling der Algemeene Synode, geschiedt deze voorbereiding zoo noodig door het Moderamen van de Algemeene Synodale Commissie.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 12

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
12

De Algemeene Synodale Commissie, bedoeld in Additioneel Artikel VI, bestaat uit acht dienstdoende predikanten, onder wie de praeses en de assessor der Generale Synode  ambtshalve, vijf ouderlingen, twee  adviseerende leden, benevens den Secretaris. De predikanten en ouderlingen worden naar een op te maken rooster gekozen uit de verschillende provinciale ressorten en het kerkressort van de Waalsche gemeenten en worden met de adviseerende leden benoemd voor een tijdvak van drie jaren. Aan ieder der benoemde en der adviseerende leden wordt een secundus toegevoegd.
Op den laatsten dag van het kalenderjaar treden naar een op te maken rooster twee predikanten en twee ouderlingen, doch om de drie jaren twee predikanten en één ouderling af.
Een aftredende is éénmaal terstond herkiesbaar.
Het lidmaatschap van de Commissie eindigt voorts, indien het lid ophoudt bekleed te zijn met het ambt, waarop zijn benoeming rust.
De adviseerende leden worden benoemd door de Generale Synode en wel één, met zijn secundus, uit een voordracht van den algemeenen diaconalen Raad en één, met zijn secundus, uit een voordracht van den Algemeenen Kerkvoogdijraad.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 13

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
13

De Generale Synode wijst uit de leden der Commissie een voorzitter aan, een vice-voorzitter en een secundus van den vice-voorzitter, die gedurende den verderen duur van hun zittingstijd als zoodanig fungeeren.
Voorzitter, vice-voorzitter en secretaris vormen tezamen het moderamen der commissie.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 14

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
14

De Secretaris van de Algemeene Synodale Commissie wordt uit de dienstdoende of oud-predikanten der Kerk voor onbepaalden tijd benoemd door de Generale Synode, de Commissie gehoord. Hij heeft in de Commissie adviseerende, in haar moderamen concludeerende stem.
De plichten en rechten van den Secretaris worden vastgesteld door de Algemeene Synodale Commissie.
De Algemeene Synodale Commissie kan tot bijstand van den Secretaris een tweeden secretaris benoemen, wiens plichten en rechten eveneens door haar worden vastgesteld.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 15

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
15

De Commissie vergadert ten tijde en ter plaatse door haar of — zoo zij geen besluit daarover heeft genomen — door haar moderamen vastgesteld.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 16

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
16

Aan de Algemeene Synodale Commissie is, nevens hetgeen haar verder in de bijzondere reglementen der Kerk tot taak is gesteld, opgedragen:
1e. het uitvoeren van hetgeen de Generale Synode haar in last heeft gegeven;
2e. het toezicht op de naleving van de kerkelijke reglementen en van de besluiten der Generale Synode;
3e. het beslissen in vorderingen tot vernietiging van in hooger beroep genomen besluiten, gedane uitspraken en genomen beslissingen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 14 en 15 van het Algemeen Reglement;
4e. de zorg voor de synodale fondsen naar het bepaalde daaromtrent in Invoeringsbepaling 17 van dit reglement;
5e. het bijhouden van de gegevens betrekking hebbende op den staat der Nederlandsche Hervormde Kerk;
6e. het geven van voorlichting aan de kerkelijke colleges inzake algemeene zaken het bestuur der Kerk betreffende;
7e. de behandeling van de loopende zaken met de in additioneel art. VII bedoelde organen van bijstand en het treffen van de noodige maatregelen voor een vruchtbare samenwerking tusschen deze organen en de kerkelijke vergaderingen en besturen;
8e. het uitbrengen van een verslag over haar belangrijkste werkzaamheden aan de Generale Synode;
9e. het doorzenden — met de haar dienstig voorkomende opmerkingen — aan de Generale Synode van de verslagen, welke krachtens de reglementaire bepalingen bij de Commissie worden ingezonden.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 17

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
17

In afwijking van hetgeen daaromtrent in de bijzondere reglementen der Kerk is bepaald, geldt, ten aanzien van de algemeene kerkelijke fondsen in beheer bij de Synode, dat de zorg voor deze fondsen berust bij de Algemeene  Synodale  Commissie,  bijgestaan  door  een  door haar te benoemen commissie voor de synodale fondsen. Deze commissie, welke drie leden telt, voert het beheer over de synodale fondsen en is aan de Algemeene Synodale Commissie rekenplichtig.
Eén lid dezer commissie wordt benoemd uit een voordracht van den algemeenen Kerkvoogdijraad.
Op den laatsten dag van elk jaar treedt een hunner naar een te maken rooster af, doch is terstond herkiesbaar.
De administratie van de synodale fondsen wordt gevoerd door een, door de Algemeene Synodale Commissie te benoemen, Quaestor-Generaal onder toezicht van de commissie voor de synodale fondsen.
De administratie van de commissie voor de synodale fondsen en van den Quaestor-Generaal staat onder voortdurende controle van een door de Algemeene Synodale Commissie aangewezen accountant.
De taak, bevoegdheden en verplichtingen, volgens de reglementen der Kerk, rustende op den Quaestor-Generaal, gaan, al naar het beheersdaden of administratieve handelingen betreft, over op de commissie voor de synodale fondsen of op den Quaestor-Generaal.
De voor uitkeering aan te wenden bedragen en de besteding van de uit de fondsen voor uitkeering beschikbare gelden worden vastgesteld door de Algemeene Synodale Commissie, welke daarbij in het bijzonder te rade gaat met haar door de Generale Synode kenbaar gemaakte wenschen.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 18

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
18

Alle kerkelijke colleges zijn verplicht aan de Algemeene Synodale Commissie de door haar gevraagde inlichtingen te geven en aan hare aanschrijvingen te voldoen, behoudens het bepaalde bij art. 14 van het Algemeen Reglement.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 19

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

C. Betreffende de Algemeene Synodale Commissie.

Artikel
19

De bij het in werking treden van deze bepalingen in functie zijnde leden van de Algemeene Synodale Commissie worden geacht met behoud van hun plaats op den rooster van aftreden door de Generale Synode te zijn benoemd, met dien verstande, dat de oud-ouderlingen onder hen hun zittingstijd voltooien en aan den op dat oogenblik fungeerenden voorzitter en vice-voorzitter op dien rooster alsnog een plaats wordt gegeven. De bij de invoering van deze bepaling dienstdoende Secretaris en zijn secundus en de tweede Secretaris van de Algemeene Synode worden geacht naar Invoeringsbepaling 14 van dit Reglement te zijn benoemd.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 20

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

D. Betreffende het totstandkomen van de nieuwe Kerkorde.

Artikel
20

Nadat de Generale Synode de haar door de commissie tot voorbereiding van een nieuwe Kerkorde aangeboden ontwerpen, zoo noodig na gepleegd overleg met de commissie, heeft behandeld, stelt zij de nieuwe Kerkorde in eerste lezing vast.
Over deze Kerkorde vraagt zij de consideraties van de Provinciale Kerkbesturen, de Classicale Vergaderingen en de overige, daarvoor in aanmerking komende organen der Kerk.
Nadat deze consideraties bij de Synode zijn ingekomen, overweegt zij — de commissie van voorbereiding gehoord — welke wijzigingen en aanvullingen in het ontwerp behooren te worden aangebracht.
Daarna wordt nevens elken afgevaardigde een door elke Classis bijzonderlijk daartoe uit haar midden aangewezen afgevaardigde ter Synode geroepen, in dier voege, dat de Classes, die als eerste afgevaardigde een predikant hadden afgevaardigd, volgens den rooster, thans een ouderling afvaardigen, en omgekeerd.
De aldus verdubbelde Synode stelt de Kerkorde, overeenkomstig het bepaalde in artikel 62 van het Algemeen Reglement, uiteindelijk vast, mits ten minste twee derden van de uitgebrachte geldige stemmen zich daarvóór verklaren. De Synode kan geen besluit tot vaststelling nemen dan bij tegenwoordigheid van ten minste twee derden der leden, waaruit zij moet bestaan, tenzij de vergadering wegens ongenoegzaam getal van leden reeds eenmaal was uiteengegaan en ten tweeden male tot behandeling van de zaak van de vaststelling der Kerkorde wettiglijk was opgeroepen.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 21

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

E. Betreffende de organen van bijstand.

Artikel
21

De bij het in werking treden van de Additioneele Artikelen bestaande bij of krachtens besluit van de Algemeene Synode in het leven geroepen Raden, werkgroepen en commissies worden geacht met de voor hun werkzaamheden geldende regelingen naar het bepaalde sub VII der additioneele artikelen te zijn ingesteld, terwijl de leden van deze organen geacht worden door de Generale Synode te zijn benoemd.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 22

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

E. Betreffende de organen van bijstand.

Artikel
22

Voorts wordt, zoo deze bij de invoering van dit reglement nog niet bestaat, een algemeene Kerkvoogdijraad in het leven geroepen van zeven leden, te benoemen door de Algemeene Synodale Commissie, waarvan drie leden uit een voordracht van het Algemeen College van Toezicht, drie leden uit een voordracht van het hoofdbestuur van de vereeniging van kerkvoogdijen en één lid naar vrije keuze, welke raad tot taak heeft het geven van leiding en voorlichting inzake het financieele leven van Kerk en Gemeenten.

Alg. Regl. NHK (1948) Invb 23

Invoeringsbepalingen

voortvloeiende uit de toevoeging aan het Algemeen Reglement van de additioneele artikelen I-VIII.

F. Betreffende onvoorziene gevallen en vragen van uitlegging.

Artikel
23

In alle gevallen, waarin deze Invoeringsbepalingen niet of niet voldoende voorzien, alsmede bij geschillen over den uitleg ervan, beslist de commissie voor de rechtspraak, bedoeld in invoeringsbepaling 9 sub b 1).


1) Zie Hand. 1944 bl. 28-55, 147-213, 298-307.

NHK (1948) SynReg Krd

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

1)

 


1) Het Reglement voor de Kerkeraden is, behoudens later aangebrachte wijzigingen en aanvullingen, door de Synode gearresteerd den 11 Aug. 1856 en in werking getreden den 1 Juli 1857.

NHK (1948) SynReg Krd 1

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Algemeene bepaling.

Artikel
1

In elke gemeente is een Kerkeraad, die haar vertegenwoordigt en bestuurt.
In gemeenten, waar men wegens gebrek aan bereidwillige en geschikte personen niet tot de samenstelling van een Kerkeraad kan geraken, of waar uit welke andere oorzaak ook het getal der kerkeraadsleden kleiner is dan 2/3 gedeelte van het aantal leden, waaruit de voltallige Kerkeraad bestaan moet, treedt het Classicaal Bestuur op om te doen wat des Kerkeraads is.
Aan de vergaderingen van het Classicaal Bestuur, tot de kerkeraadshandelingen bestemd, nemen de kerkeraadsleden, die er reeds zijn of die er nog zijn, deel met concludeerende stem, terwijl de predikant der gemeente en bij vacature de consulent met de betrekking van praeses en scriba is bekleed zonder echter als zoodanig eenige rechten met opzicht tot den tijd en de plaats der samenkomsten of ook anders tusschentijds uit te oefenen.
Voor de afdoening van zaken, die het beheer der Diaconie betreffen of spoed vorderen, met uitzondering van hetgeen tot het beroepingswerk van een predikant behoort, kan het Classicaal Bestuur, doende wat des Kerkeraads is, zich door eene commissie van twee of drie zijner leden laten vertegenwoordigen 2), welke commissie dan handelt met medewerking van de kerkeraadsleden, die er reeds zijn of die er nog zijn, onder voorzitterschap van den predikant of den consulent. Telkens wordt hiervan kennis gegeven aan de kerkelijke administratie der gemeente.
Wanneer en zoolang het Classicaal Bestuur nalatig is te handelen als in dit artikel is bepaald, zulks ter beoordeeling van het Provinciaal Kerkbestuur, treedt laatstgenoemd bestuur op om te doen wat des Kerkeraads is en vindt met betrekking hiertoe het in de vorige alinea’s ten aanzien van het Classicaal Bestuur bepaalde volledige en overeenkomstige toepassing.
De vergaderingen van den Kerkeraad behooren te worden gehouden binnen de grenzen der gemeente, die van de Besturen, doende wat des Kerkeraads is, bij voorkeur aldaar.
De kosten, veroorzaakt door het optreden van het Classicaal Bestuur en het Provinciaal Kerkbestuur, doende wat des Kerkeraads is, worden berekend naar art. 25 van het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht enz., en komen ten laste van de kerkelijke administratie der betrokken gemeente. 3)


2) Het Cl. Bestuur doende wat des Kerkeraads is, moet, behoudens de gevallen in al. 4 vermeld, bestaan uit al de leden van dat Bestuur met den predikant of den consulent, en de overgebleven kerkeraadsleden. (Bijl. B. 1888. bl. 167, 168). Vgl.

|58|

Hand. 1856 bl. 62, Bijl. B. bl. 40; 1864 bl. 127, 129. 134, Bijl. B. bl. 166; 1865 bl. 162-165. 216, 217, Bijl. A. bl. 101; 1882 bl. 87-90; 1889 bl. 534-542.
3) Artikel 1 werd in 1931 geheel herzien, omdat (zooals ook in eene aanteekening in onze 4e uitgaaf was opgemerkt) het niet volledig was met betrekking tot de gevallen die volgens art. 18 Alg. Regl. tot de toepassing van het artikel kunnen leiden. Het was in verschillende opzichten onduidelijk en gaf aanleiding tot uiteenloopende toepassing. (Hand. 1931 bl. 348, 351 vv. 385; 1932 bl. 279 vv. 294; Bijl. 1933, bl. 169).

NHK (1948) SynReg Krd 2

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Eerste afdeeling.

Samenstelling van den Kerkeraad.

Artikel
2

De Kerkeraad bestaat uit de Opzieners der gemeente, zijnde de predikant, of de predikanten en de ouderlingen, behoudens de betrekking der diakenen tot dit college.
In gemeenten met minder dan drie predikanten worden de diakenen altijd gerekend mede tot den Kerkeraad te behooren.
In gemeenten met drie of meer predikanten maken de diakenen een afzonderlijk college uit, maar worden in gevallen, nader te bepalen, mede tot de handelingen van den Kerkeraad geroepen.
De Kerkeraad, uit predikanten en ouderlingen bestaande, draagt den naam van Bijzonderen Kerkeraad.
Die uit predikanten, ouderlingen en diakenen bestaat, wordt Algemeene Kerkeraad genoemd.

NHK (1948) SynReg Krd 3

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Eerste afdeeling.

Samenstelling van den Kerkeraad.

Artikel
3

De vereischten der predikanten zijn aangewezen in het Reglement op de Vacaturen.
Met het ambt van predikant is onvereenigbaar het lidmaatschap van eene der Kamers der Staten-Generaal en dat der Provinciale Staten.
Voor predikanten, die bij het in werking treden dezer bepaling eene der bovengenoemde betrekkingen bekleeden, geldt zij eerst met den afloop van hun mandaat als zoodanig. 1)
De ouderlingen en diakenen behooren te zijn manslidmaten der gemeente 2), sedert één jaar in haar midden gevestigd 3), onberispelijk in belijdenis en wandel, bekende voorstanders van den openbaren godsdienst en geen tegenstrevers van kerkelijke verordeningen; de ouderlingen niet beneden de dertig jaren oud, de diakenen niet beneden de drie-en-twintig jaren oud. 4)
Het Classicaal Bestuur is bij machte, wegens bijzondere redenen op den leeftijd der ouderlingen en der diakenen uitzondering toe te laten. 5)


1) De alinea’s 2 en 3 zijn in werking getreden 15 Jan. 1907 (tegelijk met de invoeging in art. 1, 1e. Regl. Vacat.). De wetgever voldeed aan het luid uitgesproken verlangen van hen, die het veelvuldig optreden van predikanten in den politieken verkiezingsstrijd afkeurden. De mogelijkheid, dispensatie van deze bepaling te verleenen, werd door de meerderheid in de Synode van 1906 buitengesloten (Hand. 1905 bl. 342-370; 1906 bl. 322-330 en 332-336).
De Synode van 1921 heeft voorloopig aangenomen de vervanging van de alinea’s 2 en 3 door eene nieuwe alinea 2: „Het ambt van predikant is slechts dan vereenigbaar met het lidmaatschap van eene der kamers der Staten-Generaal en met dat der Gedeputeerde Staten, als de Kerkeraad der gemeente, waarin de betrokken

|59|

predikant zijn ambt vervult, daaraan zijne goedkeuring heeft gehecht en het Classicaal Bestuur, waaronder deze gemeente ressorteert, zijne toestemming heeft gegeven, nadat dit Bestuur zich verzekerd heeft, dat in alle deelen van het ambtswerk naar behooren wordt voorzien volgens art. 2 al. 2 van het Reglement op het Hulppredikerschap of van artt. 80-84 van het Reglement op de Vacaturen”. Het voorstel werd echter door de Synode van 1922 met 9 tegen 8 stemmen ingetrokken. (Hand. 1922, bl. 184-188).
2) „Manslidmaten der gemeente”. Op 1 Jan. 1923 is in werking getreden de wijziging van art. 3* Alg. Regl., waarbij aan vrouwelijke lidmaten het stemrecht is verleend. Om te voorkomen, dat hieruit tot de verkiesbaarheid der vrouw zou worden besloten, is in al. 4 van art. 3 Regl. Kerkeraden, het woord „lidmaten” vervangen door „manslidmaten”. (Vgl. art. 17 Alg. Regl.).
3) In 1868 heeft de Alg. Syn. Commissie verklaard, „dat hier alleen sprake is van een metterwoon gevestigd zijn in het midden der gemeente, d.w.z. binnen
hare kerkelijke grenzen”. (Hand. 1868 bl. 177, 178 en Bijl. B. bl. 57, 58; 1887 bl. 162, 163 en 260). Vgl. D. en F.7 bl. 100, aant. 2.
Iemand, die nog geen jaar geleden geloofsbelijdenis in die gemeente heeft afgelegd en dus nog niet stemgerechtigd is, kan tot ouderling of diaken worden benoemd. Evenzoo iemand, die nog geen jaar geleden uit de Waalsche gemeente ter plaatse met attestatie is overgekomen. (Hand. 1867 bl. 100, 121).
Zie aant. 2 al. 2 bij art. 2 Syn. Regl. Benoeming.
4) De bepaling, dat de diakenen moesten zijn „meerderjarig naar de burgerlijke wet” is vervangen door die welke in werking is getreden 1 Jan. 1930, terwijl in de laatste alinea achter „ouderlingen" zijn ingevoegd de woorden „en der diakenen”. (Hand. 1928 bl. 86; 1929 bl. 185, 186).
5) Een voorstel om art. 3 te wijzigen, ten einde het mogelijk te maken, dat ook vrouwen tot diakenen benoemd zouden kunnen worden, werd in 1936 met 10 tegen 9 stemmen voorloopig aangenomen. (Hand. 1936 bl. 123-129; 229-230), maar in 1937 met 11 tegen 8 stemmen verworpen. (Hand. 1937 bl. 74-79).

NHK (1948) SynReg Krd 4

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Eerste afdeeling.

Samenstelling van den Kerkeraad.

Artikel
4

De Kerkeraad 1) bepaalt het getal der ouderlingen en diakenen, en regelt dit 2) naar de talrijkheid en uitgestrektheid der gemeente, den aard der combinatiën en het getal der predikanten.
Het getal der ouderlingen is voor het minst aan dat der diakenen gelijk.
Buiten zeer bijzondere gevallen, door het Classicaal Bestuur te beoordeelen, is het getal der ouderlingen en dat der diakenen nergens minder dan twee. 3)


1) Blijkens art. 16, 1°, is hier de Algemeene Kerkeraad bedoeld. (Vgl. Hand. 1858 bl. 20;  Bijl. B   bl. 38).
2) Behoudens de bevoegdheid van het Cl. Bestuur om eene betere regeling te gelasten, als het die noodig oordeelt. (Hand.  1866 bl. 90, 91). Vgl. ook Bijl. 1876 bl.  191-194.
3) Een voorstel van de Commissie voor Diaconale Armenzorg, om de mogelijkheid te openen,  het getal der diakenen te vergrooten, zonder dat dit eene vergrooting van het getal der ouderlingen ten gevolge zou hebben, is in 1931 afgewezen. (Hand. 1931 bl. 364 vv.).

NHK (1948) SynReg Krd 5

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
5

De beroeping van predikanten geschiedt naar de bepalingen in het Reglement op de vacaturen en het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten.

NHK (1948) SynReg Krd 6

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
6

De benoeming van ouderlingen en diakenen geschiedt overeenkomstig het laatstgenoemde hierop mede betrekkelijk Synodaal Reglement.

NHK (1948) SynReg Krd 7

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
7

In nieuwe gemeenten geschiedt de eerste benoeming 1) van ouderlingen en diakenen onder de leiding van twee afgevaardigden uit het Classicaal Bestuur, door de stemgerechtigde leden.
Binnen drie maanden nadat de aldus benoemden in hunne bediening zijn bevestigd, heeft de stemming plaats, bedoeld in art. 4 van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten.
De daarbij genomen beslissing blijft van kracht tot den dag, waarop de loopende termijn van tien jaren in de overige gemeenten eindigt. Daarna geschiedt de stemming om de tien jaren volgens de bepalingen van genoemd artikel. 2)


1) Zie art. 11 Regl. op de erkenning van nieuwe gemeenten.
2) Art. 7 is gewijzigd in werking getreden 15 Jan. 1919. Het is in overeenstemming gebracht met het op dien zelfden datum in werking getreden herziene Syn. Regl. op de benoeming enz.

NHK (1948) SynReg Krd 8

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
8

De benoemden tot ouderling of diaken, verklaard hebbende, dat zij willens zijn de opgedragen bediening te aanvaarden, worden op twee Zondagen aan de gemeente voorgesteld. 1)


1) Het behoeft dus niet — zooals tot 15 Jan. 1905 was voorgeschreven — op twee achtereenvolgende Zondagen te geschieden.

NHK (1948) SynReg Krd 9

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
9

Bezwaren tegen een benoemde worden bij den Kerkeraad en in nieuwe gemeenten tegen een eerstbenoemde bij het Classicaal Bestuur schriftelijk en onderteekend ingediend, uiterlijk op den tweeden dag na de tweede afkondiging.
De bij den Kerkeraad ingediende bezwaren worden aan het Classicaal Bestuur en de bij dit Bestuur ingekomene aan het Provinciaal Kerkbestuur ter beoordeeling en beslissing opgezonden.

NHK (1948) SynReg Krd 10

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
10

Indien binnen den bepaalden tijd geene bezwaren zijn ingekomen, worden de benoemden in eene gewone godsdienstoefening, binnen ééne maand na de eerste afkondiging bevestigd. 1)
Zijn er bezwaren ingediend, welke door het bevoegde Bestuur ongegrond zijn geoordeeld, dan heeft de bevestiging plaats in de eerste gewone godsdienstoefening, nadat de uitspraak des Bestuurs door den Kerkeraad ontvangen en aan de gemeente medegedeeld is. 2)
In geval de bezwaren geldende zijn verklaard, wordt tot eene nieuwe benoeming niet overgegaan, vóórdat de termijnen om te komen in hooger beroep zijn verstreken of anders de einduitspraak is gedaan. 3)


1) De eerste alinea is tegelijk met art. 8 op 15 Jan. 1905 gewijzigd. Vroeger moest de bevestiging plaats hebben op den Zondag na de laatste afkondiging, en sinds 1 Jan. 1898 „in eene gewone godsdienstoefening binnen acht dagen na de laatste afkondiging”.
2) Een voorstel om in art. 10 al. 2 het woord „uitspraak” te veranderen in het woord „beslissing” werd door de Synode van 1937 verworpen. (Hand. 1937 bl. 94-99; 124-126).

|61|

3) Hier dient wel te worden onderscheiden tusschen bezwaren tegen den benoemde en bezwaren tegen de benoeming, welke laatste kunnen leiden tot een geschil, als bedoeld in art. 70. Regl. K. O. en T.

NHK (1948) SynReg Krd 11

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
11

Bij ouderlingen en diakenen heeft eene geregelde aftreding plaats, welke zich immer gelijktijdig slechts tot een deel van hen bepaalt. Zij blijven hun ambt waarnemen tot de bevestiging der nieuw benoemden. Deze waarneming duurt ten hoogste twee maanden. 1)
In gemeenten van niet meer dan één predikant blijft tijdens de vacature het personeel der kerkeraadsleden onveranderd 2), tenzij de vacature twee jaren geduurd hebbe.
De diensttijd, waarvoor zij worden benoemd, is hoogstens vier jaren. Zij zijn terstond 3) herkiesbaar.
Overigens wordt de tijd van hunne benoeming en aftreding bepaald en geregeld bij plaatselijke reglementen.


1) Herkozen kerkeraadsleden moeten ook worden bevestigd. Hand. 1868 bl. 177, 178; Bijl. B. bl. 58 en Hand. 1890 bl. 128. In 1919 werd voorgesteld, die hernieuwde bevestiging te doen vervallen. De rapp. commissie kon zich daarmede wel vereenigen. Doch tot wijziging is het niet gekomen. (Hand. 1919 bl. 253-266). Evenmin in 1926 en 1927, toen weder dergelijke voorstellen zijn ingediend. (Hand. 1926 bl. 183; 1927 bl. 150).
De laatste zinsnede van al. 1 is, na langdurig beraad, in de plaats gekomen van de vroegere, welke aldus luidde: „Zij gaat gepaard met de bevestiging der nieuw benoemden”. Deze woorden lieten plaats voor de opvatting, dat de wettelijke zittingstermijn der aftredenden automatisch kon worden verlengd ten gevolge van het feit, dat nog geen voorziening voor een opvolger was getroffen. Daarentegen zouden, volgens de beslissing der Alg. Syn. Comm. de opvolgers zoo tijdig moeten worden benoemd, dat hunne bevestiging kon gepaard gaan met de aftreding der voorgangers. De nieuwe zinsnede wil dit verschil in uitlegging doen ophouden. (Bijl. 1926 bl. 217 en 231 vv.; Hand. 1927, bl. 112-115; 1928 bl. 302-305; 1929 bl. 299 vv.; 1930 bl. 318-321, 353; 1931 bl. 187 vv. en 212; Bijl. 1932 bl. 163).
2) Periodieke aftreding en eventueele vervanging van periodiek aftredenden door anderen heeft derhalve niet plaats. Evenmin vermeerdering of vermindering van het aantal kerkeraadsleden. Ontstaan er vacaturen, dan kan gehandeld worden volgens art. 12. Vgl. Hand. 1858 bl. 48, 49; 1859 bl. 21; Bijl. B. bl. 37 en 1862 Bijl. B. bl. 239-241.
3) Vóór 1 Januari 1876 was de herkiesbaarheid beperkt. Ten gevolge van de invoering van het algemeen stemrecht is deze beperking opgeheven. Hand. 1874 bl. 199-201; 1875 bl. 95-97.

NHK (1948) SynReg Krd 12

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Tweede afdeeling.

Verkiezing der Kerkeraadsleden.

Artikel
12

Tusschentijds openvallende plaatsen worden, indien de Kerkeraad zulks noodig acht, op de gewone wijze vervuld.
De benoeming geschiedt alsdan voor niet langer dan voor den overigen diensttijd der uitgevallen leden.

NHK (1948) SynReg Krd 13

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
13

De Kerkeraad zorgt voor de belangen der gemeente, gedraagt zich in alles naar de kerkelijke reglementen en verordeningen, en ziet toe dat zij worden opgevolgd.
Teneinde kennis te nemen van de officieele berichten der kerkelijke Colleges, abonneeren zich de Kerkeraden op een door de Algemeene Synode tot dat doel aan te wijzen Orgaan. 1)
Jaarlijks worden in de eerste Kerkeraadsvergadering de derde en vierde afdeeling van dit reglement voorgelezen.


1) Invoeging, in werking getreden 1 Jan. 1943.

NHK (1948) SynReg Krd 14

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
14

Aan den Bijzonderen Kerkeraad is bepaaldelijk opgedragen:
1º. de zorg voor de betamelijke viering van de openbare 1) godsdienstoefeningen in het algemeen, waarvan getal, tijd en plaats door hem geregeld 2) worden; — en in het bijzonder voor de bediening van Doop en Avondmaal, opdat zij aan hun doel beantwoorden en tot de meeste stichting der gemeente verstrekken.

Hiertoe behoort:
a. dat het Avondmaal 3), telkens na voorafgegane voorbereidingspredikatie 4), geregeld 5) gehouden worde;
b. dat de Doopsbediening 6)  niet elke week, indien de talrijkheid der gemeente het althans niet gebiedend vordert, maar, behalve in de gevallen sub c. vermeld 7), ook niet anders dan bij  de openlijke bijeenkomsten, bij voorkeur 8) op den Zondag, in tegenwoordigheid, zoo maar immer mogelijk, van beide ouders 9), op de meest indrukwekkende wijze plaats hebbe 10);
c. dat afzonderlijke bediening van den Doop, alleen in geval de ouders of een hunner vóór den Zondag de gemeente moet verlaten, of een hunner tot de Roomsch-Katholieke Kerk behoort, op een der gewone dagen van de week, in de kerk of kerkekamer, of ook in een ander geschikt lokaal, ter beoordeeling van predikant of Kerkeraad, statig en plechtig, onder aanbeveling mede van den nood der armen, geschiede, in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen, of, bij gebreke van dien, van eenige leden der gemeente;
d. dat ook kinderen van ouders, die tot de kerkgemeente van eene andere plaats behooren, niet gedoopt worden 11), dan na ontvangen schriftelijk bericht 12), omtrent het zedelijk gedrag der ouders, vooraf ingewonnen bij den Kerkeraad van de gemeente, waarin zij wonen en af te geven binnen veertien dagen, nadat de aanvrage daartoe zal zijn gedaan. Dit bericht wordt, indien het niet reeds bij de aanmelding tot den Doop wordt overgelegd, namens belanghebbenden gevraagd door den Kerkeraad van de gemeente, waar de toediening van den Doop verlangd wordt. Ontvangt die Kerkeraad binnen den gestelden termijn geen bericht, dan kan de aangevraagde Doop voortgang hebben, onder verplichting om binnen acht dagen aan den Kerkeraad van de gemeente der woonplaats kennis te geven van de volbrachte handeling, opdat daarvan nauwkeurige aanteekening geschiede in de doopboeken der beide gemeenten 13);
e. dat, zoo noodig en mogelijk, geregeld jeugddiensten worden gehouden. 14)
2º. de zorg voor het godsdienstonderwijs, naar de voorschriften van het Reglement op dit onderwerp;
3º. het toezicht op de belijdenis en den wandel van de leden der gemeente en de handhaving der kerkelijke orde, volgens het Reglement voor kerkelijk opzicht en tucht;
4º. de bevordering van alles, wat het godsdienstig leven in de gemeente kan verhoogen, met name ook van de kerkelijke inzegening des huwelijks 15);
5º. de afneming van de belijdenis des geloofs en de bevestiging van de nieuwe lidmaten in de gemeente, zien bij deze handelingen gedragende naar de bepalingen in artt. 38-41 van het Reglement op het godsdienstonderwijs en, zooveel dezulken betreft, die eene kerkelijke bediening bij een ander kerkgenootschap bekleed hebben, naar de Synodale verordening van 21 Juli 1830 16);
6º. het waken voor het geregeld indienen van de attestatiën der lidmaten, die van elders zijn ingekomen, door hen vóór elke avondmaalsbediening hiertoe openlijk uit te noodigen, en de toekenning van het lidmaatschap in de gemeente aan allen, die eene behoorlijke attestatie overleggen 17), afgegeven door den Kerkeraad van eene andere Hervormde, of ook van eene Protestantsche gemeente 18), indien zij oorspronkelijk tot de Hervormde Kerk behoord hebben, dan wel van een gemeente eener andere Christelijke Kerk bedoeld in artikel 75 van het Algemeen Reglement, tenzij wat dit laatste betreft, te haren aanzien door de Synode anders is bepaald, 19) met dien verstande, dat de Kerkeraden der Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche gemeenten bevoegd zijn de inschrijving als lidmaat hunner gemeente te weigeren aan hen, van wie het, naar het oordeel dier Kerkeraden, overtuigend gebleken is, dat zij, ofschoon in het bezit eener attestatie, door den Kerkeraad eener Nederduitsche Hervormde gemeente afgegeven, de taal, waarin de godsdienstoefeningen in hunne gemeenten worden gehouden niet behoorlijk verstaan, indien zij althans niet oorspronkelijk tot haar behoord hebben en aldaar den Doop ontvangen hebben 20);
7º. het uitreiken van attestatiën op aanvrage van naar elders vertrekkende lidmaten 21), met inachtneming van de synodale verordeningen van den 10 Juli 1829 en den 12 Juli 1841, 1 en 2 22); het binnen acht dagen geven van bericht hiervan aan den Kerkeraad der gemeente, waarheen de lidmaat is vertrokken 23), en het afgeven van doopsbewijzen op aanvrage van of namens belanghebbenden 24);
8º. het houden van dubbele, aan verschillende plaatsen bewaarde, registers: a. van gedoopten; b. van lidmaten, zoowel die op belijdenis zijn aangenomen en met getuigenis overgekomen, als ook, zooveel mogelijk, die naar elders vertrokken, die tot eene andere gezindte overgegaan en die overleden zijn; c. van kerkelijk in het huwelijk ingezegenden. Deze dubbele registers worden jaarlijks in de eerste of tweede kerkeraadsvergadering nauwkeurig met elkander over het verloopen jaar vergeleken, zoo noodig in orde gebracht en voor gezien geteekend; desgewenscht kan dit ook geschieden door een uit en door den Kerkeraad te benoemen Commissie, die in de volgende kerkeraadsvergadering verslag uitbrengt van hare bevinding 25);
9º. de zorg voor het aanleggen en bijhouden van een kerkelijk bevolkingsregister in de gemeente in overleg met de kerkelijke administratie en het toezenden van de in het Kerkelijke bevolkingsregister voorkomende gegevens aan de Gemeente, waarheen iemand is verhuisd 26).
10º. de aanstelling met instructie, de schorsing en het ontslag van godsdienst-onderwijzers, en van voorlezers en voorzangers 27), behoudens de rechten van derden;
11º. de jaarlijksche afvaardiging tot de Classicale Vergadering en de afvaardiging tot buitengewone Classicale Vergaderingen 28) met inachtneming van het bepaalde in art. 38 van het Algemeen Reglement, en het ontvangen van het verslag van hetgeen aldaar belangrijks is geschied, volgens art. 38 van het Algemeen Reglement;
12º. het toezicht op het diaconiebeheer, volgens het Synodaal Reglement voor de diaconieën;
13º. het behandelen van zaken van beheer van kerkelijke goederen en fondsen, voor zoover dat aan den Kerkeraad volgens de reglementen of bijzondere bepalingen is opgedragen, en dit onder toezicht der Kerkelijke Besturen 29);
14º. de zorg voor het archief, naar de bepalingen van het Reglement op de kerkelijke archieven 30);
15º. in Gemeenten met vijf of meer predikantsplaatsen de indeeling in wijken en de aanwijzing van ouderlingen voor elke wijk, die met den wijkpredikant en de diakenen, welke voor elke wijk door den Algemeenen Kerkeraad naar art. 16, 8º. van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden worden aangewezen, het Wijk-College vormen. De wijkpredikant en wijk-ouderlingen stellen een verslag van den wijkarbeid samen, dat vóór den 1sten Maart ter kennis van den Bijzonderen Kerkeraad wordt gebracht. 31).
De aanwijzing van de wijkpredikanten geschiedt door de predikanten gezamenlijk en wordt door hen ter kennis van den Algemeenen Kerkeraad gebracht. 32)


1) Elke godsdienstoefening, ter plaatse door den Kerkeraad bepaald, is openbaar, tenzij niet voor ieder toegankelijk gesteld. Bijl. 1887 bl. 183.
2) Geene openbare godsdienstoefeningen mogen worden gehouden buiten den Kerkeraad om. Bijl. B. 1872 bl. 291-296.
Voor het houden van openbare godsdienstoefeningen, welke niet tot de geregelde beurten behooren, zal in sommige gevallen overleg met, of toestemming van kerkvoogden noodig zijn. Hand. 1858 bl. 39, 40.
De Synode heeft herhaaldelijk aangedrongen (Hand. 1853 bl. 186; 1899 bl. 304) op het „tweemaal houden van de openbare godsdienstoefeningen op den wekelijkschen dag des Heeren”.
3) Volgens Synodale Resolutie van 16 Juli 1817 kunnen leden van andere kerkgenootschappen „indien er naar het oordeel van den Kerkeraad geen redenen ter contrarie bestaan, mits onergerlijk zijnde van leven en bewijs gevende van hun lidmaatschap, in de Hervormde gemeenten ten Avondmaal worden toegelaten”.
4) Vgl. de tweede aanteekening bij art. 22.
5) „Geregeld”. De Syn. verordening van 11 Juli 1817 schreef voor: „viermalen des jaars”.
6) Aan hetgeen onder b. en c. wordt voorgeschreven, liggen ten grondslag de Synodale verordeningen van 11 Juli 1817, 17 Juli 1819, 21 Juli 1821, 15 Juli 1842, 20 Juli 1843.
De Synode van 1942 heeft in hare zitting van 23 Juli, naar aanleiding van een voorstel der Classicale Vergadering van IJzendijke, strekkende tot eene aanvulling van art. 14 van het Reglement voor de Kerkeraden, waarbij de doop van volwassenen zonder belijdenis des geloofs zou verboden worden, afgewezen, omdat zij deze aanvulling overbodig achtte. Immers, overeenkomstig de beginselen en de praktijk der Kerk, de apostolische en de latere, en bepaaldelijk ook de Gereformeerde Kerk, zijn doop en belijdenis onafscheidelijk, evenals de belofte Gods en het geloof, in

|65|

zooverre „in alle verbonden twee deelen begrepen zijn” (Doopsformulier). Vandaar dat bij den kinderdoop de ouders hun geloof uitspreken, terwijl bij den doop van de volwassene deze zelf zijn geloof belijdt. In het laatste geval moet de Kerkeraad er voor waken, dat de geloofsbelijdenis niet een schoolsch karakter drage, opdat het geestelijke karakter der plechtigheid niet worde geschaad. Hierbij worde dus groote eenvoud en teerheid betracht. Maar de doop kan niet worden losgemaakt van de belijdenis, waardoor de volwassen doopeling mondig lidmaat der gemeente wordt en toegang verkrijgt tot het H. Avondmaal. Het kan, b.v. wanneer geheele gezinnen gedoopt worden, bezwaarlijk zijn de grens tusschen kind en volwassene scherp te trekken. Er bestaat ook geen wettelijke leeftijdsgrens en het kan in bepaalde gevallen geraden zijn den kinderdoop alsnog aan opgroeiende kinderen toe te dienen, wien de belijdenis des geloofs nog te zwaar zou vallen. Men kan in zulk een geval de belijdenis uitstellen tot tijd en wijle, dat de gedoopte in staat moet worden geacht welbewust belijdenis des geloofs af te leggen. (Vgl. bij de geheele vraag de Dordtsche Kerkordening art. 59 en het Formulier voor den Bejaardendoop; ook de noot bij art. 2 van het Alg. Reglement, al. 3).
7) De z.g. huisdoop is, behalve in de onder c. vermelde gevallen, niet geoorloofd(zie D. en F.7, bl. 108 sub 9). Hand. 1887 bl. 161, 260.
8) „Bij voorkeur”. Derhalve kunnen ook weekdoopbeurten, zooals deze door de Kerkeraden van Amsterdam (Hand.  1876 bl. 88, 89, 393) en Rotterdam (1888 bl. 170-173) werden verlangd, worden gehouden.
9) De Synode van 1913 (Hand. bl.  165-173)  heeft het in strijd geacht met de doopspraktijk, dat Kerkeraden het getrouw kerkbezoek der ouders als voorwaarde doen gelden voor het doopen van het kind.
10) Over het gebruik van de „doopsformule” (Matth. 28: 19) vgl. D. en F.7 bl. 108 sub 10 en Synodale circulaire van 1896. (Hand. bl. 251-276, 442-444, 772 en 773) aldus luidende:
„Aan de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk is het onbetwistbaar gebleken, dat bij de bediening van den Doop in de Ned. Herv. Kerk niet altijd de woorden worden uitgesproken, welke zijn ontleend aan Matth. 28: 19.
„De Synode acht het, op grond van onderscheiden overwegingen, niet noodig eene bepaling in onze Kerkelijke Reglementen op te nemen, waarbij het gebruik der bedoelde woorden verplicht wordt gesteld.
„Zij gevoelt zich echter gedrongen, er haar leedwezen over uit te spreken, dat van de oude wijze van Doopsbediening, de eenige welke onze Kerk kent, door sommigen wordt afgeweken, en daardoor ergernis wordt gegeven aan velen.
„Daarom draagt zij het u op, toe te zien, dat bij de bediening van den Doop in uwe gemeente steeds worden uitgesproken de woorden aan Mattheus 28: 19 ontleend”.
11) De bepaling sub d. is in werking getreden 1 Maart 1866. Later (15 Jan. 1886) is ingelascht het voorschrift betreffende den termijn en de wijze van handelen, indien binnen den termijn het „bericht” niet is ontvangen. Hand. 1863 bl. 318, 319; 1864 bl. 18, 19; Bijl. B. bl. 34, 35; 1865 bl. 119-121, 145, 152; 1884 bl. 68-70; 1885 bl. 402-406.
12) Gevraagd wordt een „bericht omtrent het zedelijk gedrag”, derhalve geen „bewijs van goed gedrag”.
13) Het Reglement bevat geen voorschrift betreffende de erkenning van den doop, bediend door voorgangers bij de christelijke secten. In 1843 (Hand. bl. 170 en 172) heeft de Synode verklaard, dat de doop door „leeraren van christelijke afgescheiden gemeenten” bediend, als wettig moet worden erkend, en in 1891 (Hand. bl. 362 en 364) werd met 10 tegen 9 stemmen, de wettigheid erkend van den doop der Doleerenden, Irvingianen, Ledeboerianen of  andere christelijke secten. Vgl. ook Hand. 1888 bl. 357-368; Hand. 1909 bl. 182-187 en D. en F.7 bl. 110 aant. 12.
14) De invoeging onder e. is in werking getreden 1 Jan. 1934. Zie ook de invoeging in tabel A. Regl. Kerkvisitatie (Hand. 1932 bl. 73 vv.; 1933 bl. 144).
15) Zie de Synod. circulaire van 22 Juli 1816 en Hand. 1819 bl. 50, 60, 61 en 64. De Kerkeraad dient te zorgen voor openlijke afkondiging van dag en uur. De trouwacte, welke vóór de inzegening aan den dienstdoenden predikant moet worden

|66|

getoond (art. 449 Wetb. v. Strafrecht), behoeft niet — zooals vroeger — gezegeld te zijn en wordt kosteloos uitgereikt.
16) Volgens deze verordening vergewist zich het Provinciaal Kerkbestuur van het zedelijk gedrag van den betrokken persoon, om daarna aan de betrokken gemeente te kunnen verklaren, dat er tegen zijne toelating tot het lidmaatschap geen bezwaar is.
17) In 1927 is afgewezen een voorstel, om den Kerkeraad ook te doen waken voor het geregeld indienen van de doopattesten der nog niet belijdende leden. (Hand. bl. 149/50).
Over de vraag — door den Burgerlijken Rechter verschillend beantwoord — of iemand ook zonder attestatie te hebben ingediend, moet geacht worden te behooren tot de gemeente waar hij woont, zie de artt. 2 en 3 Alg. Regl. met de daarbij gevoegde aanteekeningen. Uitvoerig heeft de Synode in haar 12e zitting van 30 Juli 1929 over het niet-indienen van attestatiën gehandeld; naar aanleiding van voorstellen van de Class. Verg. van Zierikzee en van den Kerkeraad te Utrecht. (Hand. bl. 194 v.v.).
18) Ten einde te voorzien in de geestelijke behoeften van Protestanten uit andere godsdienstige genootschappen, die ter plaatse waar zij zich vestigen geene bijzondere gemeente hebben, heeft de Synode in eene aanschrijving van 20 Juli 1819 bepaald, dat de Kerkeraden de kerkelijke  attestatiën  dier personen,  indien zulks begeerd wordt, moeten aannemen, en in het lidmatenregister inschrijven met bijvoeging van het kerkgenootschap waartoe zij behooren, en dat hun, bij vertrek, de attestatie met getuigenis betreffende hun wandel weder moet worden uitgereikt. Toekenning van lidmaatschap is daaraan echter niet verbonden (Bijl. B. 1879 bl. 126-141; Hand. bl. 112, 113).
De Synode van 1928 besloot, dat attestaties, ingeleverd door personen die van de „Union des églises évangéliques protestantes de Belgique” of van de Belgische zendingskerk lidmaten zijn, in onze lidmatenboeken behooren te worden ingeschreven, (Hand. 1928 bl. 46).
19) Zie noot 3 bij art. 1 van het Alg. Regl.
20) De bedoeling van deze bepaling is, dat de genoemde gemeenten bevoegd zullen zijn, personen te weren, die zonder ooit tot die gemeente in eenige betrekking te hebben gestaan, om bijzondere reden, bijv. terwille van ondersteuning uit liefdefondsen, zich tot haar wenden.
21) Volgens de Synode van 1860 is het onvoegzaam, voor het uitreiken van eene attestatie, van de betrokken personen geld te eischen. (Hand. 1860 bl. 60, 61; 1861 bl. 87-89; 1867 bl. 133).
De woorden „van elders” en „naar elders” in 6º. en 7º. gaven aan den Kerkeraad te Utrecht in de jaren 1920-1923 geen vrijmoedigheid, attestatiën uit te reiken aan lidmaten, die tot de Waalsche gemeente aldaar wenschten over te gaan. In de procedures welke daarop gevolgd zijn, is niet vastgesteld, dat deze opvatting van den Kerkeraad te Utrecht de juiste zou zijn (zie ook Hand. 1925 bl. 188).
22) De Synodale verordening van 10 Juli 1829 schrijft voor: „1º. dat de leeraren verplicht zullen zijn, om de lidmaten bij het doen van belijdenis te verwittigen, dat zij bij de verhuizing naar eene andere gemeente verplicht zijn, binnen het jaar eene attestatie in te leveren”; 2º. „dat in alle gemeenten, na de eerste bekendmaking der aanstaande viering van het H. Avondmaal, openlijk herinnerd worde, dat degenen, die van elders zijn ingekomen, hunne attestatiën behooren in te leveren”; 3º. „dat op de afgegeven attestatiën zelve worde gezet, dat men verplicht is, in de gemeente, naar welke men zich begeeft, dezelve ten spoedigste in te dienen”. (Hand. 1829 bl. 104, verg. 33, 36, 102,  103).
De Synodale verordening van den 12en Juli 1841 behelst, dat de Synode heeft besloten „om, zonder een vast formulier van lidmaats-attestatiën te verordenen en aan elken Kerkeraad de vrijheid latende, zich daarbij op zoodanige wijze uit te drukken, als hij meest geraden zal oordeelen, te bepalen: 1º. dat eene volledige attestatie ten minste zal behooren te bevatten de verklaring van den Kerkeraad, dat N. N. lidmaat is der Christelijke Hervormde Kerk, en dat tegen zijne of hare belijdenis en wandel geene gegronde bezwaren zijn ingekomen; 2o. dat de Kerkeraden

|67|

verplicht zijn te zorgen, dat geene attestatie worde afgegeven, dan nadat derzelver hem, ten aanzien van belijdenis en wandel, genoegzaam te kunnen getuigen, bij het eenvoudige getuigschrift van iemands lidmaatschap, tot inlichting, de reden, om welke geene volledige attestatie afgegeven is, vermeld worde”. Hand. 1841 bl. 92, 93, vgl. 54-56, en 1840 bl. 114, 115. In de verordening van 17 Juli 1868 heeft de Synode voorgeschreven, dat op de attestatiën ook de ouderdom moet aangeduid worden door achter N. N. te laten volgen: „geboren in het jaar” .... en in die van 21 Nov. 1912, dat op de attestatie of het bewijs van lidmaatschap moet worden vermeld, hoe groot de bijdrage aan de Generale Kas is, tot welke de lidmaat zich heeft verbonden, en of die bijdrage over het loopende jaar is voldaan.
23) Deze invoeging  („het binnen acht dagen enz.”)  is in werking getreden  15 Januari   1920.   De  Alg.  Syn.   Com.  heeft  in   eene  circulaire  aan  de  Kerkeraden(no. 885, 17 Oct. 1928) op nauwkeurige toepassing van deze bepaling aangedrongen.(Bijl.  1929 bl. 172).
24) Deze invoeging („het afgeven van doopsbewijzen enz.”) is in werking getreden 31 Januari 1899.
25) Toepassing van het z.g. „kaartenstelsel” wordt wenschelijk geacht, mits de dubbele in het Reglement geëischte registers niet alleen bewaard, maar ook behoorlijk bijgehouden worden (Syn. eire. 16 Aug. 1912, no. 468).
Op 1 Jan. 1932 is dan ook in werking getreden de toevoeging aan 8º: „Deze dubbele registers worden jaarlijks enz.”. (Hand. 1930 bl. 65; 1931 bl. 185 vv.).
26) Een voorstel van  de Vereeniging van  Kerkvoogdijen gaf aanleiding tot de instelling van het Kerkelijk Bevolkingsregister. De conclusie van het rapport over de consideratiën der Kerk luidde niet gunstig, maar deze conclusie werd met 10 tegen 9 stemmen verworpen en aan de Synodale Commissie werd opgedragen voor uniforme kaarten te zorgen. (Hand.  1931 bl. 173 vv.;  1932 bl. 273 vv.. Bijl.  1932 bl.  173).
Deze toevoeging „en het toezenden enz.” is in werking getreden 1 Jan. 1935.(Hand.  1933 bl.  121 vv;  1934 bl. 88-93, 94, 218;  1935 Bijl. B. bl.  138).
27) In art. 18 van het „Algem. Regl. op het beheer enz.” is dit recht erkend.
28) Deze invoeging is in werking getreden 15 Jan. 1913 tegelijk met de invoeging van art. 40* in het Alg. Regl.
29) Dit dertiende punt is in werking getreden 15 Januari 1890. (Hand. 1888 bl. 393, 394; 1889 bl. 480-485, 489). Vgl. art. 16, 3o. en art. 44 al. 1 Regl. K. O. en T.
30) Dit veertiende punt is in werking getreden 15 Jan. 1919. Vgl. art. 19 Regl. Kerkeraden en de daarbij gevoegde aant. 1. (Hand. 1918 bl. 249).
De „Commissie voor het groote stadsprobleem” ingesteld door de Synode van 1930, welker leden benoemd zijn door de Alg. Syn. Comm. (Hand. 1930 bl. 78, 79; Bijl. 1931 bl. 166) heeft behalve voorstellen tot wijziging van art. 17* Alg. Regl. en van het Reglement op de vorming van buurtgemeenten, ook voorstellen ingediend tot toevoeging van een nieuw 15º, 16º en 17º aan art. 14. Syn. Regl. Kerkeraden. Deze voorstellen hebben betrekking 1º. op de indeeling van gemeenten met meer dan ééne predikantsplaats in wijken; 2º. op eene jaarlijksche wijkvisitatie en 3º. op de regeling voor het herderlijk werk, het godsdienstonderwijs, de vacantie der predikanten en het waarnemen van bijbetrekkingen door predikanten. Ook ontwierp de Commissie een „Reglement op de samenwerking der gemeenten”. De Synode begeerde geene regeling betreffende de bijbetrekkingen, maar heeft overigens alle voorstellen ongewijzigd voorloopig aangenomen. (Hand. 1933 bl. 516 v.v.; 547 v.v.). Deze voorstellen werden in 1934 verworpen. (Hand. 1934 bl. 85-88).
Door de Synode van 1930 was eene Commissie noodig gekeurd inzake „het vreedzaam samenwonen der verschillende richtingen”. Het rapport dezer Commissie is opgenomen in Hand. 1931 bl. 220 en heeft geleid tot twee voorstellen. Het eerste formuleerde een nieuw art. 14*, hetwelk voorschriften bevatte betreffende de voorziening in de geestelijke behoeften van bepaalde groepen van gemeenteleden. Het tweede voorstel betrof de invoeging van een art. 86* in het Regl. op de vacaturen, derhalve de toepassing van de benoeming van predikanten voor bijzondere

|68|

werkzaamheden ten behoeve van bepaalde groepen van gemeenteleden. Beide voorstellen werden voorloopig aangenomen, doch in de Kerk niet gunstig ontvangen en op 9 Aug. 1932 met 16 tegen 3 stemmen verworpen. (Hand. 1932 bl. 300 v.v.).
31) Dit 15e punt is in werking getreden 1 Jan. 1938. (Hand. 1937 bl. 68-73, 83; 1938 Bijl. B. 150).
32) Toevoeging, in werking getreden 1 Jan. 1943.

NHK (1948) SynReg Krd 15

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
15

In de gemeenten, waar geen Bijzondere Kerkeraad bestaat, zijn de werkzaamheden, in het vorig artikel vermeld, opgedragen aan den Algemeenen Kerkeraad.

NHK (1948) SynReg Krd 16

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
16

Tot het werk van den Algemeenen Kerkeraad behoort in alle gemeenten:
1º. de zorg voor hetgeen betrekking heeft op de beroeping en het ontslag van predikanten, alsmede voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen, beide naar de bepalingen van bijzondere reglementen, en met eerbiediging van de rechten van derden;
2º. de behartiging van de geestelijke behoeften der armen; het duurzaam verzorgen en opvoeden van weezen en van hulpbehoevende of verwaarloosde kinderen, tot de gemeente behoorende 1); het bepalen van collecten 2); de zorg voor de diaconiegoederen; het jaarlijks opnemen van de diaconierekening en het geven van de vereischte inlichtingen betreffende het diaconiebeheer; — alles volgens de bepalingen van het Synodaal Reglement voor de diaconieën;
3º. het houden van eene volledige beschrijving of een ligger: a. van de diaconiegoederen en -fondsen; b. van al de overige fondsen en eigendommen, die aan de gemeente behooren, voorzoover die onder het beheer of toezicht van den Kerkeraad zijn; c. van het traktement des predikants of der predikanten, met de gewone emolumenten.
De Kerkeraad zendt afschrift van deze liggers en van elke wijziging, die daarin wordt aangebracht, aan het Classicaal Bestuur; van den ligger van het predikantstraktement en de wijzigingen daarin tevens aan het Provinciaal Kerkbestuur.
De Kerkeraad zende bovendien telkens in het jaar, waarin de tienjaarlijksche stemming, bedoeld in art. 4 van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten, zal worden gehouden, vóór den eersten Maart een afschrift van den ligger van de diaconiegoederen en -fondsen, naar den stand van den 31sten December van het afgeloopen jaar, aan het Classicaal Bestuur. 3)
De ligger van het predikantstraktement en elke verandering daarin behoeft de goedkeuring van het Provinciaal Kerkbestuur op voordracht van het Classicaal Bestuur 4);
4º. het kennis geven aan het Classicaal Bestuur van ontdekte verkeerdheden in de administratie der kerkelijke goederen, alsmede in die der pastoriegoederen, naar art. 21 van het Algemeen Reglement;
5º. het ontvangen van de persoonlijke en de beantwoording van de vragen der schriftelijke kerkvisitatie, volgens het reglement op dit onderwerp;
6º. de zorg voor het aanvragen en het overmaken van het quotum der gemeente voor het bestuur, overeenkomstig de bepalingen van het Reglement op de kosten voor het bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk;
7º. de zorg voor het vragen en voor het innen, en het vóór 1 Mei overmaken van de bijdragen, bedoeld in art. 2 van het Reglement op de Generale Kas ten behoeve van de Nederlandsche Hervormde Kerk, met inachtneming van het mede aldaar bepaalde;
8º. in Gemeenten met vijf of meer predikantsplaatsen de aanwijzing van diakenen voor elke wijk, ingesteld volgens art. 14, 15º. van het Synodaal Reglement voor de Kerkeraden, die met den wijkpredikant en de wijkouderlingen het Wijk-College vormen. De wijkdiakenen doen vóór den 1sten Maart aan den Algemeenen Kerkeraad verslag van hun gewichtigste werkzaamheden; 5)
9º. het kennisgeven aan het Classicaal Bestuur van den uitslag van de tienjaarlijksche stemming, bedoeld in art. 4 van het Synodaal Reglement op de benoeming van ouderlingen en diakenen en de beroeping van predikanten, binnen acht dagen na de stemming; 6)
10º. de instelling van een plaatselijke zendingscommissie, waartoe ten minste twee leden van den Kerkeraad moeten behooren, die tot taak heeft de belangen der Uitwendige en der Inwendige Zending en den arbeid onder Israël in de gemeente te behartigen, zoowel stoffelijk als geestelijk. 7)


1) Zie artt. 2 en 11 van het Regl. voor de Diaconieën.
2) Hier moet allereerst worden gedacht — blijkens de slotwoorden van het sub 2º. bepaalde — aan collecten voor de armen (vgl. art. 20 al. 7 Alg. Regl.). Naar het gevoelen der Syn. Commissie moeten echter alle collecten, in openbare godsdienstoefeningen te houden, worden bepaald door den Algemeenen Kerkeraad. Hand. 1860 bl. 83. Bijl. B. bl. 33, 34.
3) Deze toevoeging is in werking getreden 1 Jan. 1935. (Hand. 1934 bl. 97-100, 219; 1935 Bijl. B. bl. 138).
4) Het sub 3º. voorgeschrevene is herhaaldelijk gewijzigd, eerst 4 Febr. 1874 (Hand. 1872 bl. 274, 275. Bijl. B. bl. 229, 230; 1873 bl. 188, 189); vervolgens 15 Jan. 1918. (Hand. 1917 bl. 77, 79, 243) en eindelijk 1 Januari 1922. Laatstgenoemde wijziging dient, om aan het Prov. Kerkbestuur de bevoegdheid te geven niet alleen op veranderingen in den ligger van het pred.-trakt. zijne goedkeuring te verleenen, maar ook op den ligger zelven, zoodat geen ligger zonder goedkeuring van het Prov. Kerkbestuur aanwezig mag zijn. Thans moet ook aan dat Bestuur een afschrift worden gezonden. (Hand. 1920 bl. 162, 163; 1921 bl. 48, 49, 95). Het willekeurig aanbrengen van veranderingen in den ligger, is door de bepaling sub c. buitengesloten. Vgl. Hand. 1900 bl. 287-292 en art. 60 Regl. Vacaturen.
In opdracht van de Synode heeft de Alg. Syn. Com. in 1928 voorstellen ingediend tot wijziging van de bepalingen betreffende den ligger. Zij werden voorloopig aangenomen, maar in de Kerk niet gunstig ontvangen en in 1929 teruggenomen. (Hand. 1928 bl. 254 v.v.; 1929 bl. 267 v.v.).
5) In werking getreden 1 Jan. 1938.
6) Deze wijziging, in werking getreden op 1 Mei 1944, is bedoeld als controlemaatregel, dat de tienjaarlijksche stemming inderdaad gehouden wordt (Hand. 1943 bl. 24-25, 111; Bijl. B. 1944 bl. 59).
7) Aanvulling in werking getreden 20 Sept. 1945, zie ook noot 4 bij art. 20 van het Alg. Regl.

NHK (1948) SynReg Krd 17

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
17

De Bijzondere Kerkeraad, of, waar deze niet bestaat, de Algemeene, komt jaarlijks ten minste vier malen bijeen, en voorts zoo dikwijls, als het plaatselijk reglement of de omstandigheden zulks vereischen. 1)


1) In artt. 19 en 20 Regl. Vacaturen worden de gewone voor jaarlijks wederkeerende werkzaamheden bestemde kerkeraadsvergaderingen onderscheiden van

|70|

die waarvoor, tijdens vacature, „buitengewoon de tegenwoordigheid van den consulent” wordt vereischt.

NHK (1948) SynReg Krd 18

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
18

De Kerkeraden hebben steeds den predikant of een der predikanten van de gemeente, of den consulent, wanneer hij is opgetreden volgens de wet, laatstgenoemde alleen met adviseerende stem, tot voorzitter. Waar geen predikant aanwezig is, neemt de oudste ouderling in dienst de plaats des voorzitters in, doch worden de besluiten van eene vergadering, onder zijne leiding gehouden, niet uitgevoerd, vóór dat ze door den predikant, of, bij ontstentenis van dezen, door den consulent zijn goedgekeurd. 1)


1) Volgens D. en F.7 bl. 116 heeft het kantongerecht te Doetinchem (5 Dec. 1871) de onwettigheid uitgesproken van een besluit van kerkvoogden en notabelen eener gemeente, genomen in overeenstemming met den Kerkeraad, maar zonder de tegenwoordigheid van den predikant of den consulent, bij hetwelk het traktement van den koster en voorganger verminderd en hij tevens uit zijne betrekking ontslagen werd.

NHK (1948) SynReg Krd 19

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
19

De Kerkeraden houden aanteekening van hunne handelingen en van de belangrijke door hen uitgevaardigde brieven, in behoorlijk daartoe aangelegde boeken. Zij zorgen voor de bewaring van de archieven en al de inkomende stukken 1), waarvan zij getrouw register houden.
De aanteekeningen van de handelingen van den Kerkeraad worden, na lezing en goedkeuring, onderteekend door den voorzitter en den scriba of door den voorzitter en een der andere kerkeraadsleden. 2)


1) Eene portefeuille met register moet aanwezig zijn, benevens een index van al de stukken van het archief. Volgens Syn. aanschrijving van 14 Juli 1858 behoort in het belang der Kerk een duplicaat van den index van het oud-archief (het van vóór 1816 dagteekenende) te worden gezonden aan het Cl. Bestuur.
In 1899 (18 Augustus) droeg de Synode aan de Prov. Kerkbesturen op, te zorgen, dat de kerkelijke archieven behoorlijk worden geïnventariseerd, en afschrift van den inventaris worde gezonden aan de Synode.
Zie verder over de kerkelijke archieven het desbetreffend Reglement en de aanteekening in D. en F.7, bl. 117 en 118.
2) Deze alinea is in werking getreden 15 Jan. 1914. De gewaarmerkte notulen kunnen eventueel als bewijsstuk dienst doen.

NHK (1948) SynReg Krd 20

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Derde afdeeling.

Werkzaamheden des Kerkeraads.

Artikel
20

De nadere regeling van de vergaderingen en werkzaamheden des Kerkeraads wordt door provinciale en huishoudelijke reglementen bepaald. 1)


1) Vgl. artt. 16 en 25 Alg. Regl. In 1858 en ’59 werden provinciale reglementen voor de Kerkeraden en na de invoering van het Syn. Reglement op de benoeming, in 1867, herziene provinciale reglementen door de Synode en de Syn. Commissie goedgekeurd. Voor de intrekking van zulk een reglement was (is) de goedkeuring niet vereischt. Zeeland, Friesland en Groningen hebben van die intrekking aan de Synode kennis gegeven.

NHK (1948) SynReg Krd 21

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
21

Aan den predikant of de predikanten is opgedragen 1): 1º. de openbare verkondiging van het Evangelie; 2º. het bedienen van Doop en Avondmaal; 3º. de leiding van de openbare godsdienstoefeningen 2); 4º. de huwelijksinzegening; 5º. het catechetisch onderwijs; 6º. het afnemen van belijdenis des geloofs, in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen; 7º. de bevestiging van predikanten, hulppredikers, ouderlingen, diakenen en lidmaten; 8º. de herderlijke zorg; 9º. het besturen van de vergaderingen zoo van den Kerkeraad als van het kiescollege of van de stemgerechtigden. 3)
Predikanten kunnen voor de vervulling van eene of meer bijzondere werkzaamheden worden beroepen en in verband daarmede geheel of gedeeltelijk van de werkzaamheden, in het vorige lid genoemd, worden vrijgesteld. 4)
Tot de in dit artikel 5), met uitzondering van het onder 6º., 8º en 9º. genoemde, bedoelde werkzaamheden zijn mede bevoegd emeriti-predikanten en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben.
Aan dienstdoende zendelingen en eervol ontslagen oud-zendelingen, aan wie op hun daartoe strekkend verzoek aan de Algemeene Synodale Commissie door deze Commissie de bevoegdheid daartoe is verleend, kan worden toevertrouwd de openbare verkondiging van het Evangelie, het bedienen van Doop en Avondmaal, de leiding van de openbare godsdienstoefeningen, de huwelijksinzegening en het catechetisch onderwijs. 6)


1) D. en F.7 bl. 119 herinnert aan het antwoord door de Synode van 1899 (bl. 118, 119) gegeven op de vraag, of de ambtsplichten der predikanten zijn af te leiden, behalve uit de kerkelijke Reglementen, ook uit de instructies door den Kerkeraad vastgesteld. Naar het gevoelen van de Synode zijn de predikanten evenals al de kerkeraadsleden verplicht mede te werken aan de uitvoering van wettige kerkeraadsbesluiten, genomen hetzij vóór of na hun optreden in den Kerkeraad.
2) Zie Regl. op het G. O. art. 11, en de aanteekeningen aldaar en in D. en F.7 bl. 137. Zie ook de aant. in D. en F.7 bl.  119. Zie voorts art. 2 al. 5 en art. 6 Regl. Hulppredikerschap.
3) De punten 7º.-9º. zijn aldus geredigeerd, tegelijk met het opnemen van de 3e alinea (in werking getreden 15 Jan. 1917). Tevens is toen art. 20 al. 1 van het Alg. Regl. gewijzigd en tot twee alinea’s uitgebreid. De bedoeling daarbij was, nauwkeurig de werkzaamheden te onderscheiden, welke emeriti-predikanten en zij, die de bevoegdheid van emeriti hebben, al of niet mogen verrichten.
4) De tweede alinea is in werking getreden 15 Jan. 1918 en houdt verband met de op dat zelfde tijdstip in werking getreden invoeging van eene nieuwe tweede alinea in art. 20 Alg. Regl. en van de vierde afdeeling van het Regl. op de Vacaturen, welke gewijd is aan de „Beroeping van predikanten voor de vervulling van een of meer bijzondere werkzaamheden”.
5) „Tot de in dit artikel — bedoelde werkzaamheden”, d.w.z. tot de in alinea 1 van dit artikel — bedoelde werkzaamheden.
6) Zie noot 4 bij art. 20 van het Alg. Regl.

NHK (1948) SynReg Krd 22

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
22

In de regeling van het getal, den tijd en de plaats der openbare godsdienstoefeningen maken zij geen verandering zonder toestemming van den Kerkeraad. 1)
Bij de leiding der openbare godsdienstoefeningen gaan zij, zoowel in het algemeen, als in het bijzonder met betrekking tot het gebruik van den Heidelbergschen catechismus, de liturgische schriften, de vragen bij de voorbereiding tot het Avondmaal 2), de psalmen en de gezangen 3) naar eigen oordeel te rade met de godsdienstige behoeften hunner gemeenten.


1) Zie art. 14 sub 1º.
2) AI. 2 is in werking getreden 1 April 1864. (Hand. 1863 bl. 225, 241, 270; 1864 Bijl. B. bl. 37, 38). Zij geeft aan den liturg eene groote mate van vrijheid, maar bindt hem tevens de geestelijke behoeften zijner gemeente op het geweten. Ook wordt hij sinds 1 Febr. 1873 vrijgelaten met betrekking tot de vragen bij de voorbereiding van het H. Avondmaal. Op dat tijdstip toch zijn de bedoelde vragen, welke in art. 14, 1º. a. ten gebruike waren voorgeschreven, uit dat artikel weggenomen, naar deze alinea overgebracht en derhalve facultatief gesteld.
3) Vóór I April 1864 moest bij elke godsdienstoefening althans één gezang worden opgegeven. De thans bestaande vrijheid veroorlooft evenwel niet, bij de openbare godsdienstoefeningen andere bundels te gebruiken dan het Gezangboek, dat door de Alg. Synode voor de openbare godsdienstoefeningen is aangewezen. (Hand. 1886 bl. 433; 1887 bl. 76, 83, 85; Bijl. B. bl. 179; 1888 bl. 72-75; Bijl. B. bl. 188-192; 1895 bl. 373, 425-428; 1896 bl. 99, 100; Bijl. B. bl. 268-274; 1897 bl. 54, 55; Bijl. B. bl. 182-184; 1898 bl. 70, 71).

NHK (1948) SynReg Krd 23

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
23

In hunne geheele ambtsbediening zich gedragende naar de kerkelijke reglementen en verordeningen 1), richten zij zich voorts naar de bijzondere plaatselijke en tijdelijke behoeften der gemeente, zooveel noodig in overleg met den Kerkeraad.


1) „Verordeningen”. Zie art. 27 Regl. Examen, alsook het Formulier van den beroepsbrief.

NHK (1948) SynReg Krd 24

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

1. Der predikanten.

Artikel
24

In de herderlijke zorg voorzien zij, zoo noodig, met raadpleging en hulp van den Kerkeraad, vooral ook door geregeld huisbezoek en getrouw krankenbezoek.

NHK (1948) SynReg Krd 25

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

2. Der ouderlingen.

Artikel
25

Aan de ouderlingen is opgedragen: 1º. de behartiging van de belangen der openbare Godsvereering; 2º. de bevordering van en het toezicht op het godsdienstonderwijs, naar het reglement op dit onderwerp; 3º. het medetoezicht op de leden der gemeente, inzonderheid door huisbezoek, zoowel, indien zij daartoe worden verzocht, in vereeniging met de predikanten, als ook afzonderlijk, naar plaatselijke regeling; 4º. ijverige medewerking met de predikanten in alles wat aan de Christelijke opbouwing der gemeente kan dienstig zijn.

NHK (1948) SynReg Krd 26

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

Vierde afdeeling.

Ambtsplichten der predikanten, ouderlingen en diakenen.

3. Der diakenen.

Artikel
26

Aan de diakenen is opgedragen de meer bijzondere zorg voor de armen der gemeente; het duurzaam verzorgen en opvoeden van weezen en van hulpbehoevende of verwaarloosde kinderen, tot de gemeente behoorende. Daartoe zijn zij belast: 1º. met het dagelijksch beheer der diaconiegoederen; 2º. met het innen van alle, aan de diaconie aankomende gelden; 3º. met de inzameling der liefdegaven; 4º. met het besteden van dit een en ander tot het doel, hetwelk de Christelijke gemeente voor hare armen beoogt, en 5º. te dien einde ook met het geregeld bezoeken der armen.
In gemeenten met minder dan drie predikanten geschiedt dit alles in overleg met den predikant, of de predikanten, en de ouderlingen. 1)
De diakenen gaan der gemeente in het getrouw bijwonen der openbare Godsvereering voor.
De verplichtingen der diakenen worden in het Synodaal Reglement voor de diaconieën nader geregeld.


1) Volgens art. 20 al. 6 Alg. Regl. heeft „in overleg” de beteekenis van „onder medewerking”. In gemeenten met drie of meer predikanten geschiedt het „onder toezicht van predikanten en ouderlingen”. Dit toezicht sluit ook „toestemming” in(zie art. 21 al. 1 van het Regl. voor de Diaconieën).

NHK (1948) SynReg Krd 27

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Additioneele artikelen.

Artikel
27

Alle kerkelijke reglementen en verordeningen, welke in strijd zijn met dit reglement, zijn vervallen. 1)


1) Hieruit volgt, dat kerkelijke reglementen en verordeningen welke niet uitdrukkelijk zijn opgeheven en welke met latere reglementen en verordeningen niet in strijd zijn, nog altijd rechtskracht bezitten. Hand. 1861 bl. 187, 188. Bijl. B. bl. 223 v.v.

NHK (1948) SynReg Krd 28

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Additioneele artikelen.

Artikel
28

De Provinciale Kerkbesturen herzien het provinciaal reglement voor de Kerkeraden 1) in hun ressort, ten fine van overeenstemming met dit reglement en met de algemeene kerkelijke verordeningen.
De alzoo herziene reglementen worden in de eerste helft van het jaar, op dat der invoering van dit Synodaal Reglement volgende, aan de goedkeuring der Synode onderworpen.


1) Vgl. art. 20 en de daarbij gevoegde aanteekening.

NHK (1948) SynReg Krd 29

Synodaal Reglement voor de Kerkeraden.

 

Additioneele artikelen.

Artikel
29

De plaatselijke reglementen 1) worden door de Kerkeraden, ten fine als in het voorgaand artikel vermeld, herzien binnen één jaar nadat de provinciale reglementen zijn in werking gebracht, en door het Provinciaal Kerkbestuur, na door het Classicaal Bestuur van het ressort beoordeeld te zijn, als overeenstemmend met dit reglement goedgekeurd.


1) D.w.z. de huishoudelijke reglementen (zie art. 20). Deze huishoudelijke reglementen behoeven volgens art. 25 Alg. Regl. niet de goedkeuring van het Classicaal Bestuur, dat alleen mededeeling daarvan ontvangt. Hieruit volgt, dat de artt. 28 en 29 alleen als overgangsmaatregel gelden, ten einde te bewerken, dat in alle gemeenten binnen een jaar volgens alle bepalingen van het nieuwe Reglement zoude worden gehandeld. (Hand. 1871 bl. 231; Bijl. B. bl. 217-219; 1896 bl. 115; Bijl. B. bl. 252-255).