Bronkhorst, A.J. (1948b)

Eerste kennismaking met de nieuwe Kerkorde
Willemstad
Firma L.J. Rijndorp
1948

(Kerkbouwreeks No. 2), tweede druk, zonder jaar [1948]

Bronkhorst, A.J. (1948b) I

|3|

Hoofdstuk I: De historische achtergrond

§ 1. De Tachtigjarige Oorlog

Het was omstreeks den 10den October 1571. Te Embden in Oost-Friesland was het een feestelijke drukte. De jaarmarkt werd immers gehouden. Van heinde en verre kwamen kopers en kooplieden toegestroomd. Vele onbekende gezichten waren in de straten van Embden te ontdekken.

Tussen de Embdense jaarmarktbezoekers van 1571 bewogen zich ook een aantal mannen, die alleen maar gebruik maakten van het geroezemoes om hier onopvallend samen te kunnen zijn. Ze waren afkomstig uit de Nederlandse vluchtelingengemeenten in Duitsland: Frankenthal, Embden zelf, Aken, Wezel, Heidelberg, Emmerik en Keulen. Uit de Engelse vluchtelingengemeenten was tot hun spijt niemand verschenen. Wel waren er in het diepste geheim enkele broeders uit Antwerpen, Gent, Amsterdam, den Briel, Hoorn en een paar dorpjes uit Noord-Holland. Bij elkaar 22 predikanten, 5 ouderlingen en 2 andere gemeenteleden.

Deze 29 mannen hebben in die Octoberdagen van 1571 daar te Embden de eerste nationale synode onzer Ned. Hervormde Kerk gehouden. Op deze vluchtelingensynode, zou men kunnen zeggen, is onze Ned. Hervormde Kerk geboren. Nog beter: is de Christelijke Kerk in Nederland, eeuwen geleden reeds door Willebrord en Bonifacius

|4|

gesticht, tot Ned. Hervormde Kerk herboren. Van 1571 af kan men van een Ned. Hervormde Kerk spreken.

De taak dezer synode was het ontwerpen van een kerkorde. Opdat ook in deze donkere tijden de gemeenten zich langs dezelfde lijnen zouden ontwikkelen. Daarmee zien we de afgevaardigden bezig. Na alle tyrannie van paus en bisschoppen verstaan we art. 1 der Embdense kerkorde maar al te goed: Geen Kerk zal over een andere Kerk, geen Dienaar des Woords, geen ouderling, geen diaken, zal over een ander heerschappij voeren, maar ieder zal zich wachten voor alle verdenking en verlokking om te heersen.

De eenheid van geloof, waarin wij staan mochten, kwam tot uitdrukking in het onderschrijven der Nederlandse geloofsbelijdenis. Verder werd een indeling gemaakt in classes en kerkprovincies.

Deze synode werd precies op tijd gehouden. Op 1 April 1572 namen de Geuzen den Briel. Vele plaatsen volgden. De organisatie voor de Ned. Herv. Kerk lag gelukkig gereed. Via de nationale synoden van Dordrecht 1578, Middelburg 1581, Den Haag 1586 en Dordrecht 1618-1619 groeiden de 53 artikelen van Embden uit tot de Dordtse Kerkorde. Daarover een enkele opmerking:
1) Om heerschappij van den een over den ander te voorkomen, werd niemand gekozen voor meer dan één vergadering. De uitwerking der genomen besluiten werd aan deputaten overgelaten. Tussen twee vergaderingen in bestond dus geen dagelijks bestuur. Eén gemeente of classis was aangewezen om de volgende vergadering samen te roepen. Zo werd alle tyrannie geweerd.
2) Deze DKO is alleen in Utrecht ingevoerd. In Gelderland en Overijssel stonden de Staten invoering pas na wijzigingen toe. De andere provincies gaven de voorkeur aan andere regelingen met groter overheidsinvloed.
3) Ook voor de DKO is de grote staatsinvloed kenmerkend (a geen Nat. Synode meer toegestaan na 1619, b de nieuwe Psalmberijming door de Staten der Provincies ingevoerd in 1773, niet door de Kerk. c ook financieel werd de Kork door den Staat verzorgd, maar ook bevoogd, tot in het beroepingswerk toe sprak de overheid mee).
4) De DKO rekent weinig met de zendingstaak der Kerk. Voorondersteld is een Christelijk staatsbestel, waarin de overheid de ketters bestrijdt, maar waarin de Kerk op zendingsgebied klaar is.

|5|

Indië werd aan de O.I. Compagnie overgelaten, ook geestelijk, al bleek hiervoor in kerkelijke kringen telkens wel belangstelling.

 

§ 2. In en na de Franse tijd

De Franse Revolutie bracht in 1798 in Nederland de scheiding van Kerk en Staat. Voor de Kerk had dit tot gevolg:
1) een geweldige terugdringing van de officiële positie onzer Kerk in het Nederlandse volksleven,
2) grote financiële zorgen in vele pastorieën, daar de overheid, praktisch zonder overgangstijd, de predikantstraktementen niet meer zou betalen,
3) ook de mogelijkheid der Kerk om zichzelf te zijn en in vrijheid haar eigen lot in handen te nemen.

De Kerk heeft getracht om van deze mogelijkheden te maken, wat er van te maken was. Hoewel de Franse tijd zeker geen periode van bloeiend geestelijk en kerkelijk leven was, is er toch aangepakt. Zo kwamen in 1807 de Evangelische gezangen tot stand, ditmaal ingevoerd door de Kerk zelf.

Zelfs bestonden er plannen om tot een nationale Synode te komen, die dan een nieuwe kerkorde zou kunnen ontwerpen, aangepast aan de nieuwe verhoudingen. Vooral Ds. Rutgers van Haarlem heeft zich daarvoor verdienstelijk gemaakt. Maar in 1809 kwam er een briefje van de regering, dat men daar maar niet meer over moest spreken, want dat de overheid wel voor een nieuwe kerkorde zou zorgen.

Wat zat hierachter? Allereerst dat sinds Napoleon de regering zich weer actief bemoeide met de Kerk. En dan verder dat er in den Haag een hoofdcommies achter de schermen bezig was, Jacobus Didericus Janssen.
Wie was deze Janssen? Domineeszoon. Zelf ook candidaat tot den H. Dienst. Maar toen niet de pastorie in gegaan. Maar in overheidsdienst, om zich zo effectiever met de Kerk te kunnen bemoeien.

|6|

Deze Janssen had twee opvattingen met betrekking tot de organisatie der Kerk. Allereerst dat het hoogste kenmerk van het Christendom de verdraagzaamheid is. Dat men elkander in liefde weet te dulden. Ook wanneer de waarheidsvraag in het geding is.
Janssens tweede gedachte was: hoe kleiner college, hoe beter kerkbestuur. Een nationale synode is een veel te groot lichaam om ook werkelijk de Kerk te kunnen leiden. Dat is beter aan kleine besturen toevertrouwd.
Janssen is hiermee jarenlang bezig geweest. Wist van afwachten en voorbereiden. Aan zijn activiteit was het te danken dat in Januari 1816 koning Willem I het Algemeen Reglement van 1816 aan de N.H. Kerk heeft opgelegd.
Wat bracht dit Alg. Regl. ? Een belijdenisloze staatskerk met kleine, van boven af door den koning benoemde kerkbesturen. Doel: niet om „leerstellige geschillen” (zoals van Remonstranten en Contra-Remonstranten in 1618-19) te beslissen, maar om de Kerk te besturen.
Belijdenisloos. Want wel was het ieders taak om mede te werken aan de handhaving van de leer der Kerk, maar in de praktijk bleek dit te betekenen dat de leer der Kerk niet moest worden gehandhaafd.
Er is geen enkele reden om te twijfelen aan de goede bedoelingen van koning Willem I. Maar het Alg. Reglement van 1816 was helaas met het wezen der Kerk in strijd.
In 1852 trok de Staat zich terug. Maar liet aan de door hem benoemde besturen over om nu maar een nieuw reglement te ontwerpen. Voor de Kerk kwam dit hierop neer, zoals ik eens las: de gevangene werd wel naar huis gestuurd, maar hij moest zelf maar zien om van zijn boeien los te komen. Dit bleek een zeer moeilijke taak.
De belijdenisloze staatskerk van 1816 was vervangen door de belijdenisloze besturenkerk van 1852. Maar de leuze bleef dezelfde: de Kerk heeft rust nodig.

 

§ 3. De reorganisatiestrijd

Be organisatie van 1816-1852 bleek funest voor de Kerk. Wel allermeest daardoor, dat de leer der Kerk op geen enkele wijze werd gehandhaafd. Het ging net als bij een infectie: als die niet kan doorbreken, maar kunstmatig wordt onderdrukt, ontstaan er in het gehele lichaam overal nieuwe infectie-haarden. Zo ging het in de Herv. Kerk eveneens.

|7|

Men zegt vaak: de Ned. Herv. Kerk kent geen leertucht. In zekeren zin is dit waar. In anderen zin kan men zeggen: er is geen Kerk, die zoveel leertucht kent als juist de N.H. Kerk.

Want nu de algemene Kerk geen leeruitspraken meer wilde doen, waren de plaatselijke gemeenten wel gedwongen deze taak over te nemen. Iedere N.H. kerkeraad doet aan leertucht. Bepaalt welke dominee’s wel en welke niet mogen voorgaan. Op grond van hun „richting”. Dus: leertucht. Meestal in zeer primitieven vorm.

Zo werd de N.H. Kerk de Kerk van den richtingsstrijd. Die een verlammenden invloed had op alle activiteit der Kerk naar buiten. Zodat ten slotte de Kerk geen enkel probleem meer tot een oplossing wist te brengen, omdat alles herleid werd tot richtingsvragen, waar ieder anders over dacht.

Tegen deze verwording van ons kerkelijk leven is ruim een eeuw gestreden. Het was al spoedig duidelijk dat de organisatie van 1816 zou moeten wijken, wilde er weer van echt kerkelijk leven sprake kunnen zijn. Tegen deze organisatie ging het dan ook. Vandaar: reorganisatiestrijd.

Waarom ging het in dezen reorganisatiestrijd? Altijd: tegen 1816. Maar de vormen wisselden. Soms stond het herstel der oude nationale synode op den voorgrond. Soms de bevoegdheid der classicale vergaderingen. Soms de leertucht. Soms de proponentsformule. Men hield niet op, maar klopte aan alle deuren, hopende, dat er eindelijk één open zou gaan.
In dezen strijd hebben de edelsten van onze Kerk in de afgelopen eeuw hun krachten gegeven. We noemen da Costa en Groen van Prinsterer in het midden der vorige eeuw. Hoedemaker en Gunning in en na de dagen van de Doleantie. In 1864 werd de Confessionele Vereniging opgericht, in 1905 de Gereformeerde Bond. In de eerste decennia van deze eeuw hadden mannen als Ds. Lingbeek en de gebroeders Kromsigt de leiding. In 1930 werd het Verbond tot Kerkherstel opgericht (voorzitter: Prof. Haitjema), in 1931 de Vereniging Kerkopbouw (voorzitter: Prof. Brouwer). In 1936 kwam het reorganisatiecomité tot stand. Maar al deze pogingen liepen op niets uit. Op 8 Augustus 1939, dus minder dan een maand

|8|

voor het uitbreken van den tweeden Wereldoorlog had de Alg. Synode voor de zoveelste maal met 10-9 stemmen aan alle reorganisatieverlangens den bodem ingeslagen. Onder het motto, dat de tijd er niet rijp voor was.
Met 10-9 stemmen. Hoe vaak was het zo niet gegaan. Het ene jaar een voorstel met 10-9 stemmen aangenomen, het volgende jaar met 9-10 verworpen. Eenmaal scheen er verandering te zullen komen. In 1922 werd het voorstel om een grote synode samen te roepen, een synode van omstreeks 45 leden, voor de eerste maal aangenomen. In 1923 volgde, voor het eerst na vele mislukte pogingen, een tweede, definitieve aanneming. Maar de Prov. Kerkbesturen hadden het vetorecht. Bij wijzigingen in het Alg. Reglement moest twee derde van de leden der Prov. Kerkbesturen er voor zijn. Dus 45 van de 67 leden. Met 44 tegen 23 stemmen word dit voorstel-Grote Synode, dat het begin had kunnen brengen van de reorganisatie, in het najaar van 1923 verworpen.
We denken terug aan de leiders van de reorganisatiebeweging in de achter ons liggende eeuw. Hoe velen hunner is het niet gegaan als eenmaal Mozes. Zij mochten het volk leiden op weg naar het beloofde land. Maar zelf zagen zij het toch nog maar van verre.

 

§ 4. Toen Gods tijd er rijp voor was ...

Hoe zou de reorganisatie dan moeten komen? Laat ik maar eerlijk opbiechten. Ik had — en vele anderen waarschijnlijk met mij — gehoopt, dat het nog eens zó zou worden, dat de Alg. Synode niet langer een reorganisatievoorstel met 9-10 stemmen zou verwerpen, maar met 10-9 stemmen zou aannemen. En dat dan voor de tweede maal, hij de definitieve stemming, hetzelfde zou gebeuren. En dat dan bij de eindstemming voor de Prov. Kerkbesturen eindelijk de dag zou aanbreken, dat het reorganisatie-ontwerp met met 44-23 zou worden verworpen, maar met 45-22 zou worden aangenomen. We waren er immers bijna. Meer vroeg en verlangde en hoopte ik niet.

Maar toen God ging werken, ging het anders. Toen Gods tijd er eindelijk rijp voor was, bleek dat uit den koninklijken stijl van Zijn werken. Toen nam op 26 April 1944 de Algemene Synode met algemene stemmen — 19 van

|9|

de 19 — het ontwerp-Generale Synode voor de eerste maal aan. Op Woensdag 26 Juli 1944 volgde de tweede stemming, nadat de Kerk in haar classicale vergaderingen en prov. kerkbesturen was gehoord. Toen werd op dien Woensdag voor de tweede maal met algemene stemmen— 19 van de 19 — besloten dat de Alg. Synode van 1816 zou verdwijnen, om plaats te maken voor een Generale Synode, die beter de Kerk zou kunnen vertegenwoordigen.

Wat er in de harten der Synodeleden op dat ogenblik is omgegaan, weet ik niet. Maar de ontroering is nog voelbaar in de Handelingen der Synode, als ons wordt meegedeeld, dat bij de toespraak van den President (Ds. P. de Bruyn van Driebergen), de vergadering staande heeft toegeluisterd.
De hongerwinter kwam, en maakte de eindstemming onmogelijk. Maar op 3 Augustus 1945 waren de laatste uitslagen der Prov. Kerkbesturen binnen. Toen bleek dat er 64 stemmen waren uitgebracht. En dat daarvan 62 hadden voorgestemd.
De organisatie van 1816-1852 was doorbroken en Ds. Gravemeyer kon den Bijbel leggen op den Reglementenbundel, hopend en biddend, dat dat het symbool onzer Kerk zou mogen zijn in den nieuwen tijd.
Met dankbaarheid willen we terugdenken aan het werk van Gravemeyer en Kraemer in de oorlogsjaren (Gemeenteopbouw!). Maar bovenal God danken voor een zo onverwachte oplossing.
Wanneer in 1939 iemand had durven voorspellen, dat binnen 10 jaar de Algemene Synode tot tweemaal toe met algemene stemmen zichzelf zou hebben ontbonden en dat daarna de Prov. Kerkbesturen met bijna algemene stemmen afstand zouden doen van hun voornaamste bevoegdheid, het vetorecht, zou hij hartelijk uitgelachen zijn. Toen Gods tijd er rijp voor was, gebeurde dit.
Op 31 October 1945 kwam de Generale Synode voor het eerst na drie eeuwen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam bijeen. In December 1945 benoemde zij de Commissie voor de Kerkorde.
Op 24 November 1947 kon Prof. Berkelbach van der Sprenkel als voorzitter van deze commissie het eenstemmig ontwerp voor een nieuwe kerkorde aan de Generale Synode aanbieden. Opnieuw hadden mannen uit alle richtingen zich aan den arbeid gezet. Opnieuw mocht er een eenstemmig ontwerp te voorschijn komen. Daar Gods tijd er rijp voor was.

Bronkhorst, A.J. (1948b) II

|10|

Hoofdstuk II: De hoofdlijnen van het ontwerp

§ 5. Waar het om gaat bij dit ontwerp

Het ontwerp van de nieuwe kerkorde is een boek van 248 pagina’s. Wanneer we dit boek openslaan, vinden we allereerst een brief van de commissie aan de Generale Synode, daarna een korte Inleiding, die in een elftal punten onze aandacht reeds richt op een aantal nieuwe gedachten, die in dit ontwerp zijn verwerkt. Deze inleiding is kort gehouden. Het ontwerp moet verder maar voor zichzelf spreken, heeft de commissie gemeend. Van een uitvoerigen commentaar heeft zij afgezien.

Dan volgt de eigenlijke Kerkorde. Die is maar kort. In XXVII artikelen is alles samengevat. Ruim 10 pagina’s in dit boek. Hier gaat het om de hoofdzaken. Om een schets van het geheel. Het is de bedoeling dat ook de gemeente later met de kerkorde vertrouwd zal worden gemaakt. Daarom wordt voorgesteld, dat later de kerkorde in ieder kerkboekje zal worden opgenomen. Dit lijkt me een voortreffelijke gedachte.

De kerkorde krijgt de betekenis van de grondwet in onze Kerk. Om haar te veranderen, moet de synode verdubbeld worden. Een twee-derde meerderheid is echter niet nodig.

Na de kerkorde volgen een twintigtal ordinanties. Dit zijn uitgewerkte reglementen. Hier gaat het niet zozeer om de grote blijvende beginselen der kerkinrichting, maar om de praktische uitwerking in de huidige omstandigheden. Deze ordinanties verhouden zich dus tot de kerkorde zo ongeveer als de zogenaamde organieke wetten in ons staatsrecht zich verhouden tot de grondwet.

Een belangrijke nieuwe bepaling is, dat het belang der Kerk gaat boven de letter van de kerkelijke wet. Indien de naleving van een bepaling uit een ordinantie in een bepaald geval tot onrechtvaardigheden zou leiden, kan de

|11|

generale synode in dat bijzondere geval ontheffing verlenen.

De ordinanties vullen verder het gehele boek. Niet minder dan 208 pagina’s zijn daaraan gewijd.

Wat brengt ons nu dit ontwerp? Een nieuwe reglementenbundel? Reglementen hebben we tegenwoordig ook al. Wat is dan de grote betekenis van de nieuwe kerkorde? Laat ik het in vijf punten mogen samenvatten:
1) Dit ontwerp brengt het einde van de besturenkerk;
2) Dit ontwerp herstelt het belijdend karakter der Kerk;
3) Dit ontwerp onderstreept de zendingstaak, het apostolaat, der Kerk;
4) Dit ontwerp geeft een poging tot een geordende verhouding van „Bestuur” en „Beheer”.
5) Dit ontwerp brengt een groot aantal kleinere vernieuwingen van grote betekenis in ons kerkelijk leven.

Over elk dezer onderwerpen geven we een korte uiteenzetting.

 

§ 6. Het einde van de besturenkerk

De huidige Ned. Herv. Kerk lijkt sprekend op een winkelpand, dat verbouwd wordt, terwijl de verkoop moet doorgaan. Er is een oud en een nieuw gedeelte met allerlei gangetjes en trapjes daartussen. Zo is in onze tegenwoordige organisatie, de interim-organisatie (overgangsorganisatie) van 1945 er een oud en een nieuw gedeelte.

Het nieuwe gedeelte zijn de kerkelijke vergaderingen. Kerkeraden — classicale vergaderingen — generale synode.

Maar daartussen door loopt overal nog een stuk oud kerkrecht van 1816: classicale besturen, provinciale kerkbesturen, algemene synodale commissie.

|12|

Men zou kunnen zeggen: de vergaderingen zijn er voor het geestelijke werk, de besturen voor het technische en administratieve werk.

Maar het geestelijke en het technische hangen in de Kerk zo nauw samen, dat dit toch zo spoedig mogelijk moest worden veranderd.

Welnu, dat is hier gebeurd. Alle kerkelijke besturen zijn verdwenen. De gehele leiding der Kerk berust nu bij de ambtelijke vergaderingen — die dus samengesteld zijn uit daartoe afgevaardigde ambtsdragers — der Kerk: de kerkeraden, de classicale vergaderingen (CV), de provinciale kerkvergaderingen (PKv) en de generale synode (GS).

De CV wordt gekozen door de kerkeraden der classis, telkens voor 3 jaar. De PKv wordt gekozen door de CVn der kerkprovincie, telkens voor 4 jaar. De GS wordt gekozen door de CVn der Kerk, telkens voor 5 jaar.

Wie kunnen worden gekozen? Predikanten en ouderlingen, net als nu. Maar daarnaast — naar een bepaald rooster — ook een aantal diakenen en ouderlingen-kerkvoogd. Van ieder 5 per CV, 3 per PKv, 5 voor de GS. Dit is een belangrijke nieuwe mogelijkheid.

Laat ik een voorbeeld mogen nemen. De classis Breda. Telt 38 predikantsplaatsen. De CV bestaat dus uit 38 predikanten, 28 ouderlingen, 5 diakenen en 5 ouderlingen-kerkvoogd. Want iedere gemeente mag naast haar predikanten) evenveel andere ambtsdragers afvaardigen.

De classis Breda behoort met de classes Nijmegen, Heerlen, Eindhoven en ’s-Hertogenbosch tot de kerkprovincie Noord-Brabant. De PKv bestaat daar dus uit 15 predikanten, 9 ouderlingen, 3 diakenen en 3 ouderlingen-kerkvoogd. De PKv van Zuid-Holland (8 classes) bestaat uit
24 predikanten, 18 ouderlingen, 3 diakenen en 3 ouderlingen-kerkvoogd. Iedere classis vaardigt namelijk 3 predikanten en 3 andere ambtsdragers naar de PKv af.

De GS tenslotte bestaat uit 25 predikanten, 15 ouderlingen,

|13|

5 diakenen en 5 ouderlingen-kerkvoogd. Eén afgevaardigde per classis. Door een nieuwe classisindeling is het aantal classes tot 50 gestegen.

Iedere vergadering kiest een moderamen en een breed-moderamen. Het moderamen is er voor de leiding der vergaderingen. Wie van Latijn houdt mag weten dat het moderamen bestaat uit praeses, assessor en scriba. In gewoon Hollands: uit voorzitter, bij zitter-plaatsvervanger en secretaris.

Het breed-moderamen is een uitgebreid moderamen voor de afdoening der zaken tussen twee vergaderingen. Het handelt in opdracht der betrokken vergaderingen en is daaraan verantwoording schuldig.

Om haar taak te kunnen vervullen heeft de generale synode naast zich een grote kring van organen van bijstand. Voor de zending, voor het jeugdwerk, voor het diaconaat, voor de financiën enz. Dat is nu ook al zo.

Nieuw is dat nu ook de CV en de PKv — in overleg met de GS — zulke organen van bijstand kunnen instellen. In onze huidige kerkelijke wereld zijn zulke organen van bijstand onmisbaar ter vervulling van de taak der Kerk, vooral t.o.v. het apostolaat, de zendingstaak, der Kerk.

Zo veel mogelijk is ook verder de kerkelijke leiding gedecentraliseerd. Veel meer dan tot nu toe is bijvoorbeeld iedere kerkprovincie als centrum van geestelijk en kerkelijk leven gedacht. Om alle kerkelijke bureaucratie vanuit Den Haag zoveel mogelijk te voorkomen.

 

§ 7. Het belijdend karakter der Kerk hersteld

Door velen is bij het ontvangen van het ontwerp van de nieuwe kerkorde ongetwijfeld het eerst gegrepen naar de artikelen, die handelen over het kerkelijk belijden. Daarom ging het immers. Een belijdenisloze staatskerk kennen we. Een belijdenisloze besturenkerk eveneens. Met

|14|

een belijdenisloze vergaderingenkerk zouden we nog niets zijn opgeschoten. Wat is bepaald t.a.v. het belijden der Kerk? Daarover gaat art. X der Kerkorde. Dat moge ik maar helemaal overnemen. Art. X luidt:

In dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als bron der 'prediking en als regel des geloofs doet de gehele Kerk, ook in haar ambtelijke vergaderingen, in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden, belijdenis van de openbaring van den Drieënigen God.
De belijdenis der Vaderen is vervat, zowel in het Apostolicum, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius — geestelijk eigendom van de algemene Christelijke Kerk — als in den Heidelbergsen Catechismus en de Nederlandse Geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels — door de Reformatie geschonken aan de Kerk in de Nederlanden.
In haar verantwoordelijkheid voor het heden en levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen, belijdt de Kerk in haar
prediking
getuigenissen
herderlijke brieven
kerkliederen
gebeden
formulieren
leerboeken en
belijdenisgeschriften
telkens opnieuw den Christus als Hoofd der Kerk en als Heer der wereld.
De ambten, vergaderingen, organen en bedieningen zijn gehouden in al hun spreken en handelen zich te bewegen in dezen weg van het belijden der Kerk.
Te dien einde heeft de Kerk, terwille van de vervulling van

|15|

de opdracht van haar ambtsdragers en gemeenteleden de roeping naar den regel van het Woord Gods opzicht te oefenen over de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van de dienaren des Woords.
De Kerk weert wat haar belijden weerspreekt.
Bezwaren inzake dat belijden kunnen door lidmaten — onder beroep op het Woord Gods — worden voorgelegd aan het oordeel der Kerk, die zich daarover uitspreekt
.

Tot zover art. X. We willen hier nauwkeurig trachten te lezen. We stellen enkele vragen.

1) Waar gaat het om? Om het belijden of om de belijdenis? Dit is hier niet als tegenstelling gezien. De Kerk belijdt in het heden, maar doet dat in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen.

Is dit voldoende? Zou hier niet beter kunnen staan: in overeenstemming met? Zou dat niet nadrukkelijker uitspreken, dat de Kerk haar oude belijdenis vasthoudt? Toch geloof ik dit niet. Drie dingen willen we hierbij bedenken:

a) Het gaat tenslotte niet om de belijdenis, maar om de religie, het geloof, de godsvrucht, waaruit die belijdenis is voortgekomen. Dus niet om de letter, maar om den geest. De gehele belijdenis bedoelt slechts te zijn belijdenis van den waren, levenden, drie-enigen God, geopenbaard in Jezus Christus door den H. Geest. Andere grenzen behoeven niet getrokken te worden, dan de grens tussen de belijders van den levenden God en van de afgoden.

b) Het belijden der Kerk geschiedt in dankbare gehoorzaamheid aan de H. Schrift als bron der prediking en als regel des geloofs. Dit zegt toch alles? Als iemand dankbaar gehoorzaam is aan de H. Schrift, dan moet hij toch uitkomen bij de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen? Gebeurt dit niet, dan zie ik maar twee mogelijkheden: of hij is niet werkelijk gehoorzaam aan de H. Schrift, of de belijdenis der Vaderen was niet werkelijk uit de Schrift

|16|

geput. Hoe sterker men overtuigd is, dat de belijdenis der Vaderen uit de Schrift is geput, hoe eerder men genoeg kan hebben aan den eis, dat ons belijden Schrift-gehoorzaam zal wezen.

Dankbare gehoorzaamheid aan de H. Schrift betekent echter ook, dat de Bijbel in een Kerk der Reformatie niet alleen op den reglementenbundel, maar ook op de belijdenisgeschriften behoort te liggen. Zoals art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis trouwens al nadrukkelijk zegt.

c) De formulering „in gemeenschap met” voorkomt een verkeerden indruk. Deze indruk, dat het voldoende is als de Kerk maar in haar KO verklaart, dat zij de belijdenis wil handhaven. Zo was het tussen 1619 en 1795. De belijdenis moest worden ondertekend. Maar toen de Kerk aan de Gereformeerde religie ontzonken was, werd dit steeds meer een lege vorm. Van 1816 tot 1945 behoefden er geen belijdenissen meer te worden ondertekend. Maar de handhaving van de leer der Kerk moest volgens art. 11 van het nog altijd geldende Alg. Reglement mede het hoofddoel zijn van alle ambtsdragers en van alle kerkelijke besturen. We weten wat daarvan is terecht gekomen. Hoewel de formule toch prachtig in orde was. In en na den oorlog bleek het mogelijk om de formulieren van enigheid allemaal te ondertekenen en toch een aanhanger te zijn van de heidense levens- en wereldbeschouwing van het nationaal-socialisme.

De Kerk heeft ruim drie eeuwen achter zich, dat het met de formule volmaakt in orde was. Maar in de praktijk kwam er hoe langer hoe minder van terecht. Nu verlegt art. X het accent van de kerkrechterlijke geldigheid der belijdenis naar de geestelijke gemeenschap van het belijden. Daarmee uitsprekende dat het hier zal moeten gaan om waken en bidden.
Als ik het in beeldspraak mag zeggen, zou ik willen vragen: wanneer er ergens een gevaarlijke spoorwegovergang is, wat hebt u dan liever: een bord „Onbewaakte Overweg — Gevaar!!!” of een paar spoorbomen, die ieder ogenblik blijken te weigeren? Als ik eerlijk ben, heb ik dan maar het liefste een onbewaakte overweg,

|17|

dan weet ik tenminste, waar ik aan toe ben en dat ik op moet passen. Gedurende ruim drie eeuwen heeft onze Kerk de belijdenis laten ondertekenen, of — in naam — de leer doen handhaven. De overweg was bewaakt. Alleen bleken de bomen telkens te weigeren, zodat ongeluk op ongeluk plaats vond. Nu vervalt de ondertekening en zelfs de kerkrechterlijke binding aan de drie formulieren van enigheid, al blijft de geestelijke binding. We belijden immers in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen. Nu is het een onbewaakte overweg geworden. Maar ik ben er van overtuigd, dat de kans op gevaar er aanzienlijk minder door werd. Want we spreken het nu eerlijk uit, dat belijden een werk is, dat onze gehele geestelijke waakzaamheid opeist.

2) Wie zijn de Vaderen? Art. X noemt allereerst de drie zogenaamde oud-christelijke symbolen: dat zijn a.h.w. onze geestelijke grootouders. Ver en vreemd misschien. Echt uit een anderen tijd. Het kost ons misschien moeite om er ons helemaal in te verplaatsen. Maar toch, we horen er bij. Ge moet maar eens horen dat uw grootvader zich in den Tiendaagsen Veldtocht toch maar als een held gedragen heeft. Ge klopt u op de borst. Mijn grootvader! Hier gaat het evenzo. Wij zijn ook van de Christelijke religie!

Dan komen de drie formulieren van enigheid. Uit den Hervormingstijd. Hier staan we al veel dichter bij. Dit is ons geestelijk ouderhuis. Ge herkent u zelf in vader en moeder. Een goed kind, dat naar zijn vader aardt.

Toch moeten we in het heden onzen eigen weg gaan. Al hebt ge dan misschien ook den neus van uw vader of de ogen van uw moeder, ge gaat toch zelf door het leven, met eigen verantwoordelijkheid. Onze naam is Christelijk. Onze toe-naam Gereformeerd (Prof. van Ruler). Maar onze taak is te belijden in het heden, niet te roemen, dat de Brés, Ursinus en Bogerman zo schoon wisten te belijden.

Hoe belijden we dan nu? In iedere preek, in ieder kerklied (dit betekent m.i. ook een revisie van onze huidige Psalmberijming en van de nieuwe gezangenbundel onder dit gezichtspunt), in ieder gebed, in ieder kerkelijk

|18|

formulier voor de bediening van Doop of Avondmaal, in ieder goedgekeurd catechisatieboek, tenslotte zonodig ook in nieuwe belijdenisgeschriften, zoals de Dordtse leerregels een aanvulling op een bepaald onderdeel bij de Ned. Geloofsbelijdenis vormen, geen zelfstandig belijdenisgeschrift zijn.

3) Wat belijdt de Kerk dan in al deze vormen? Dat wordt op twee manieren uitgedrukt. Zij doet belijdenis van de openbaring van den Drie-enigen God. Zij belijdt telkens opnieuw den Christus als Hoofd der Kerk en als Heer der wereld.

De laatste formulering spreekt ons waarschijnlijk het eerste aan. Waarvoor zijn we anders Christenen, dan om te belijden dat Jezus de Christus is en als zodanig het Hoofd van Gods Kerk en de Heer — zij het ook nu nog de verborgen heer, maar juist deze verborgenheid maakt onze belijdenis tot geloofsbelijdenis — dezer wereld? Als we dat niet belijden, wat voor reden hebben we dan nog om ons speciaal Christenen te willen noemen?

Wanneer we echter ernst maken met deze belijdenis van Jezus als den Christus, dan heeft dit consequenties. Dan kunnen we niet volstaan door met Joden en Mohammedanen de eenheid Gods nadrukkelijk uit te spreken. Dan moet volgen: Gods Wezen is zo rijk, dat Hij de Levende God is als Vader, Zoon en H. Geest. Zonder dat dit de eenheid opheft. Dus: Drie-eenheid.

De belijdenis van Gods Drie-eenheid is voor ons verstand een dwaasheid. De Kerk belijdt zo, omdat zij op iedere andere wijze met den Bijbel in conflict komt. De Bijbelse God is nu eenmaal de Drie-enige.

Wie dit heeft ingezien, ontdekt echter ook met blijdschap, dat deze belijdenis nu ook precies de haarscherpe grens vormt tussen den levenden God en de afgoden van ons bloed of van onzen geest. De goden, die wij weten te fabriceren, de Voorzienigheid, de Almachtige, of hoe zij

|19|

verder heten mogen, zijn niet drie-enig. Het zijn dan ook afgoden. Maar de levende God is de Drie-enige. Hier ligt dan ook terecht de grens der Kerk.

Het gaat dus om een weg. Als ik dit lees denk ik aan een rivier. Zoals de Rijn in Zwitserland ontspringt op het hooggebergte en dan door Duitsland verderstroomt, om ten slotte in Nederland de zee te bereiken, zo beweegt de Kerk zich door de eeuwen en culturen. Ontsprongen in het hooggebergte der Godsopenbaring doorstroomt zij de opeenvolging der geslachten. Van alle kanten vloeit haar nieuw water toe. De begrippen der Grieken, de vormen der Romeinen, de gevoelens der Germanen, de activiteit der Amerikanen enz. enz. Maar zij blijft zichzelf. De Rijn bij Bazel of bij Arnhem is dezelfde Rijn. De Kerk van Athanasius en Augustinus, van Luther en Calvijn, van de kanselafkondigingen in de oorlogsjaren ten onzent, het is dezelfde Kerk. Een verschillend stadium, maar dezelfde weg.
Dr Gravemeyer maakte me opmerkzaam op een oude uitdrukking in sommige gemeenten. „In den weg zijn”. In den zin van: er bij behoren, het juiste pad gevonden hebben, niet dwalen. Het gaat dan niet om een bepaalde formulering. Ieder vogeltje mag zingen, zoals het gebekt is. Maar allemaal samen zijn we in den weg.

4) Wat vraagt de Kerk van al haar ambtsdragers, organen en medewerkers? Niet dat zij de belijdenis der Kerk, de oude belijdenissen of nieuwe formuleringen, zullen ondertekenen. Wel dat zij zich zullen bewegen in dezen weg van het belijden der Kerk. Met een oordeel der liefde neemt de Kerk dat van ieder, die het haar verklaart, aan. Totdat onverhoopt het tegendeel zon blijken.

5) Hoe is dit uitgewerkt in de nieuwe proponentsformule? In ord. 7 art. 18 lezen we, dat van de proponenten o.a. gevraagd wordt dat zij beloven het Evangelie van Jezus Christus te verkondigen en daarbij te blijven in den weg van het belijden der Kerk.

Is dat voldoende? Voor wie het bovenstaande begrepen heeft, ja. Hoe meer hier wordt vastgelegd, hoe meer hier kan worden ontdoken. In deze eenvoudige formulering wordt alles gevraagd.

Laat ik het heel huiselijk mogen zeggen. Vader en moeder

|20|

gaan uit, Jantje blijft alleen spelen. Vader roept Jantje bij zich. Zal je niet aan de kachel zitten? Niet met de kolenkit knoeien? Niet uit den suikerpot snoepen? Enz. enz. Een hele lijst. Jantje belooft alles en ontdekt tot zijn blijdschap dat vader de gieter en de pendule vergeten heeft. Zonder te overtreden kan hij dus ... Wanneer vader gezegd had: Jan, ik reken op je, je weet het — dan was alles daarin inbegrepen geweest.

Welnu, zo maakt de Kerk met haar a.s dienaren des Woords een afspraak. Het gaat om het Evangelie van Jezus Christus. In den weg van het belijden der Kerk. Ge weet het dus. We rekenen op u. Dit omvat alles.

6) Brengt dit nieuwe ontwerp ons leertucht? Ja. Art. X zegt immers ook: de Kerk weert wat haar belijden weerspreekt. Wat weert de Kerk? Ord. 11 art. 6 zegt: datgene, wat als strijdig met de Heilige Schrift en het belijden der Kerk de fundamenten der Kerk aantast.

Het gaat dus niet over pietluttigheidjes en bijzaken. Het gaat ook niet over afwijkende gevoelens. Maar het gaat over prediking en onderwijs, namens de Kerk gegeven, die de fundamenten der Kerk aantasten.

Dit is onvermijdelijk. De Kerk zou haar eigen boodschap niet ernstig nemen, wanneer zij die van haar eigen kansels en in haar eigen catechisatiekamers rustig liet bestrijden. Hoe pijnlijk ook, hier moet worden ingegrepen.

Alles is gedaan om inquisitoriaal optreden te voorkomen. We noemen een paar kenmerken van de voorgeschreven behandeling. Allereerst ligt het begin bij het breed-moderamen ener PKv. Het gaat niet om ketterjacht. Het moet werkelijk een zaak zijn, waar een kerkprovincie moeite mee heeft.
De Raad voor de zaken van Kerk en theologie wordt ingeschakeld, die zich schriftelijk moet uitspreken. Ter verzekering van een grondige wetenschappelijke behandeling.
De betrokkene mag zich laten bijstaan door een of twee door hem aangewezen ambtsdragers der Kerk, opdat zijn zaak niet door een gebrekkige formulering of door mindere welsprekendheid in het gedrang komt.

|21|

Oordeelt de synode, dat het gevoelen van den betrokkene de fundamenten der Kerk aantast, dan mag hij zich minstens zes maanden op het oordeel der synode beraden.
Pas in het alleruiterste geval wordt hij van zijn ambt ontheven en ook dan is er een billijke wachtgeldregeling.

7) Brengen deze regelingen het einde van den richtingsstrijd? Dat is toch tenslotte de bedoeling van dit alles. De richtingsstrijd is de wrange vrucht van de belijdenisloze besturenkerk. Zal deze nu verdwijnen? Laat ik mogen trachten daar heel voorzichtig een oordeel over te geven.

a) Niet ineens. Iemand heeft gezegd: de Kerk lijkt een patiënt, die zijn been heeft gebroken. Die springt na genezing ook niet ineens door de kamer. Het begint met heel voorzichtig een beetje wiegelen met een been buiten bed. Daar zijn we op het moment in onze Kerk aan toe. Aan heel voorzichtige eerste bewegingen op weg naar een nieuwe gezondheid.

b) Theologische schoolverschillen zullen er altijd blijven. Die waren er in de gemeente van Korinthe al. In bijzaken zullen wij elkaar moeten verdragen. Wij kennen allen ten dele en wij profeteren ook maar ten dele. Het kan niet gaan om mechanische eenvormigheid. In dien zin zal er altijd richtingsverschil blijven en moeten blijven in de Kerk.

c) Wanneer we deze beide dingen bedenken, meen ik daarna te mogen zeggen: ja. Als God het geeft en wij in gehoorzaamheid deze wegen ook werkelijk gaan, brengt dit ontwerp het einde van den richtingsstrijd in de Herv. Kerk.

 

§ 8. Het Apostolaat der Kerk.

Nog voor art. X over het belijden, spreekt de nieuwe KO ons in art. VIII over het apostolaat der Kerk. Art. VIII en IX der KO en ord. 4 en 5 handelen daar helemaal over. We kunnen dus maar een enkele aanduiding geven.

|22|

1) Wat is een apostel? Een gezant, een ambassadeur, een representant of vertegenwoordiger van Jezus Christus in deze wereld. De apostelen zijn gestorven. Het gaat er niet om, dat wij, zoals de Apostolischen, weer nieuwe apostelen zullen gaan kiezen. Maar het werk der apostelen, het apostolaat, de vertegenwoordiging van Jezus Christus in deze wereld, moet worden voortgezet.

2) Waar moet Jezus Christus worden gerepresenteerd? De Kerk ziet zeven terreinen. Het apostolaat ontplooit zich dan ook zevenvoudig:

a) allereerst t.o. Jezus’ eigen volk Israël, door het gesprek van de Kerk met Israël. Dit gesprek loopt over twee belangrijke vragen: Wie is Jezus — is Hij de Christus? En: wat is het ware volk Gods in deze wereld? Abrahams natuurlijke of zijn geestelijke kinderen?

b) dan in de heidenwereld. Om ook daar de Kerk te planten en de samenleving te kerstenen. Het zendingswerk wordt gelukkig als taak der gemeenten gezien, niet langer der zendingsvrienden of der zendingscorporaties. In de plaats der zendelingen zullen zendingspredikanten worden uitgezonden.

c) de Kerk richt zich met haar getuigenis tot overheid en volk, ter bewaring en herstelling van de door God geboden levensorde in staat en maatschappij. We denken onmiddellijk aan de kanselboodschappen uit de oorlogsjaren.

d) dan kent de Kerk een roeping om gehoorzaam te zijn op de cultuurgebieden der samenleving. Ter kerstening van het cultuurleven. Ook dit ontplooit zich weer zevenvoudig: 1 pers en publiciteit, 2 radio-omroep, 3 sociaal-economische vragen, 4 film, 5 wetenschap en techniek, 6 schone kunsten, 7 sport en ontspanning. Zeven terreinen, waar voor de Kerk inderdaad nog wel een en ander te verrichten valt.

e) natuurlijk is er ook de Christus-vertegenwoordiging onder de buiten-kerkelijken, de van het Evangelie

|23|

vervreemden. Hier denken we aan het Instituut „Kerk en Wereld”. Predikant-evangelisten krijgen op dit terrein de leiding, evangelisten en sociale werkers zullen hen daarbij terzijde staan.

f) een zesde terrein is het jeugdwerk. De Kerk wil de opgroeiende jeugd van Kerk en volk in aanraking brengen met het Evangelie van Jezus Christus en helpen bij ontwikkeling en ontspanning en besteding van den vrijen tijd.

g) tenslotte de schoolwereld. Bijbelles op de O.L. Scholen. Kerstening van het onderwijs. Schoolstichting waar nodig. Twee getuigschriften, testimonia, geven aan onderwijzers, resp. leeraren, tot het hier nodige onderwijs namens de Kerk de bevoegdheid.

3) Om al dezen arbeid te kunnen verrichten, worden er naast de ambten bedieningen ingesteld. Deze bedieningen zijn er in den arbeid onder Israël, in de zending (zendingsartsen, verpleegsters, maatschappelijke werkers en onderwijzers), in den arbeid onder de buitenkerkelijken (evangelisten en sociale werkers), verder jeugdwerkleiders, catecheten en diaconale bedieningen (in de ziekenverpleging, op sociaal terrein of in het gezinswerk).

Deze bedieningen zijn bedoeld als volledige dagtaken(full-time jobs), zodat het niet om vrijwillige medewerkers, maar om goed opgeleide en bezoldigde hulpkrachten gaat.

In deze bedieningen is er ook plaats voor den dienst der vrouw in de Kerk. De bedieningen delen echter niet in de regeermacht van het ambt. Zij, die in een bediening werkzaam zijn kunnen als zodanig niet naar een ambtelijke vergadering der Kerk worden afgevaardigd.

 

§ 9. Een nieuwe verhouding van „bestuur” en „beheer”.

In de meeste gemeenten bestaat er op dit gebied tegenwoordig een merkwaardige verhouding. Naast elkander bestaan er twee colleges: kerkeraad en kerkvoogdij.

|24|

Iemand heeft het eens zo vergeleken: de kerkeraad gelijkt op een bestuur zonder penningmeester, deze penningmeester is uitgegroeid tot een college apart: de kerkvoogdij. In het kort gezegd luidt de regel: de kerkeraad bepaalt, de kerkvoogdij betaalt (Dr ten Have).

Het is zonder meer duidelijk, dat dit een bron van wrijvingen en moeilijkheden moest worden. Wanneer in kerkeraad en kerkvoogdij een groot aantal gelijke personen zitting hadden, ging bet vaak best. Maar als beide colleges geheel naast elkaar stonden, en vooral als er dan nog persoonlijke en richtingsmoeilijkheden bij kwamen (de kerkeraad rechtzinnig, de kerkvoogdij vrijzinnig, of omgekeerd), waren alle hekken van den dam.

Waarom de kerkvoogdijen er altijd krachtig op hebben gestaan om bun zelfstandige positie te handhaven, is mij nooit helemaal duidelijk geworden. Zoals het vermoedelijk aan vele kerkvoogden nooit duidelijk geworden is, waarom de predikanten hier andere verhoudingen wensten. Het enige argument, dat tot mij doorgedrongen is, is dat vele kerkvoogden tot geen prijs wilden, dat de dominee iets over de vaststelling van zijn eigen traktement te zeggen zou krijgen.

Naast deze plaatselijke spanningen, is er nog een moeilijkheid. Ook de synode, de algemene Kerk, heeft namelijk geld nodig. Sinds de oorlogsjaren zelfs zeer veel geld. Voor instandhouding en uitbouw van het algemene kerkewerk. Dat buitengewoon belangrijk is voor ons gehele kerkelijk leven.

Maar dit geld moest komen uit de plaatselijke gemeenten. De synode heeft geen zeggenschap over de kerkvoogdijen. Klopte dus aan bij de kerkeraden. Die trachtten dit geld bij elkander te brengen. Maar de kerkvoogdij ondervond de gevolgen hiervan.

Dit ontwerp heeft nu de volgende oplossing voorgesteld: naast gewone ouderlingen komen er ouderlingen-kerkvoogd.

|25|

Die als ouderlingen gewoon zitting hebben in den kerkeraad. Maar — zonodig, op hun verzoek — vrijgesteld kunnen worden van hun ouderlingenwerk, om de handen vrijer te krijgen voor hun tweede taak: de verzorging van de financiële belangen der gemeenten. Voor dat doel vormen zij dan een apart college: de plaatselijke kerkvoogdij. Begroting en rekening moeten echter door de gehele kerkeraad worden goedgekeurd. Weigert de kerkeraad, dan neemt de provinciale kamer van toezicht een beslissing.

Daar de kerkvoogden ouderling-kerkvoogd geworden zijn, wordt ook de verzorging van boeken en registers aan de kerkvoogdij opgedragen. Doopboek, lidmatenboek, trouwboek.

Via den algemenen financiëlen raad der Kerk hebben de kerkvoogden een stem in het kapittel bij de vaststelling der algemeen-kerkelijke financiën.

Als ouderlingen-kerkvoogd worden de kerkvoogden net als de gewone ouderlingen door de gemeente gekozen. De colleges van notabelen, die tegenwoordig meestal de kerkvoogden kiezen en hun begroting en rekening moeten goedkeuren, zijn dus eigenlijk overbodig geworden en daarom ook niet meer verplicht voorgeschreven.

Het heeft me in het begin wel wat moeite gekost om aan deze voorstellen te wennen. Maar, bij dieper nadenken en na voorlichting door Mr. Vixseboxse, ben ik toch overtuigd, dat het in de gegeven omstandigheden de beste oplossing is. Als ik het in m’n eentje te zeggen had, zou ik nog wel eenvoudiger oplossingen weten. Maar het gaat hier om een compromis. Een vergelijk tussen twee gelijkwaardige partijen. En dan gaat het er niet om: is deze oplossing voor 100% de mijne, maar: is deze oplossing aanvaardbaar. En dan meen ik: ja.
Twee vragen wil ik nog trachten te beantwoorden: 1) waarom komen de kerkvoogden niet als kerkvoogden in den kerkeraad, maar als ouderlingen-kerkvoogd? En 2) waarom komen zij als ouderling-kerkvoogd en niet als diaken-kerkvoogd?
1) Het gaat er niet om, dat de kerkvoogden zoals zij nu zijn, in den kerkeraad zullen komen. Maar dat zij hun taak op een

|26|

nieuwe wijze zullen zien. De beste kerkvoogden hebben altijd wel geweten, dat zij geen regenten waren, maar medewerkers in den dienst des Heeren. Nu wordt het helemaal duidelijk: gij komt in den kerkeraad, maar als ouderlingen, zij het dan ook als ouderlingen met een bijzondere opdracht. Deze nieuwe dubbele naam, maakt ook het dubbele van hun positie duidelijk.
2) Persoonlijk heb ik eerder wel bepleit, dat de kerkvoogden tot kerkdiakenen zouden moeten worden, zodat we zouden krijgen armverzorgers naast kerkverzorgers. Nog meen ik, dat daar wel goede argumenten voor aan te voeren zijn. Vele argumenten voor de ouderling-kerkvoogd hebben mij weinig gezegd. Maar er zijn er toch twee, die indruk op mij hebben gemaakt:
a) Het is de taak der ouderlingen om te zorgen voor den dienst des Woords. Het werk der kerkvoogden is daar de financiële zijde van. Dan moeten zij in den kerkeraad ook als ouderling zitting hebben (Dr. Wagenaar).
b) Diakenen en kerkvoogden hebben beiden vaak goederen te beheren en ook legaten te ontvangen. Dan is het gewenst, dat de namen niet al te veel op elkaar gelijken, opdat die goederen niet al te gemakkelijk van de ene in de andere hand overgaan. En bij legaten ontstaan er gemakkelijk moeilijkheden, als alles niet volkomen duidelijk is. D.w.z. niet tussen de betrokken colleges, die worden het wel eens, maar van de zijde van teleurgestelde erfgenamen, die proberen of ze er toch nog niet een speld tussen kunnen krijgen (Prof. Haitjema).
Andere, in wezen onzakelijke en in ieder geval onkerkelijke argumenten ga ik maar voorbij. Deze twee doen mij den ouderling-kerkvoogd aanvaarden.

Bronkhorst, A.J. (1948b) III

 

Hoofdstuk III: Details in vragen en antwoorden

§ 10. Een groot aantal kleinere vernieuwingen

Naast deze vier grote lijnen bevat het ontwerp een groot aantal kleinere vernieuwingen, die heel vaak van grote betekenis zijn. Om hiervan een indruk te geven, willen we daarvan een twaalftal behandelen. In vraag- en antwoordvorm. We zeggen echter vooraf, dat het hier om een zeer willekeurige keuze gaat, dat er hier ook best twaalf andere punten hadden kunnen staan.

|27|

1) Brengt dit ontwerp ons het parochiestelsel? Voor het grootste deel. Iedere grotere gemeente moet in evenveel wijkgemeenten worden verdeeld, als er predikantsplaatsen zijn. De regeling van de predikdiensten blijft echter bij den centralen kerkeraad. Iedere wijkgemeente krijgt een eigen wijkkerkeraad, met verantwoordelijkheid voor de herderlijke zorg, de catechese, het jeugdwerk, het diakonale werk, de zending, de evangelisatie.

2) Wat gebeurt er met de kiescolleges? Alle kiescolleges verdwijnen. De ouderlingen en diakenen worden rechtstreeks door de (wijk-)gemeente gekozen, de predikanten worden beroepen door den (centralen) kerkeraad. In kleinere gemeenten, met minder dan 200 stemgerechtigde lidmaten, beroepen deze ook de predikanten rechtstreeks.

3) Komt „de vrouw in het ambt”? Neen, de ambten worden niet voor de vrouw opengesteld. Daar de diakenen en de ouderlingen-kerkvoogd worden betrokken in de kerkregering, worden ook hier geen vrouwen toegelaten. Wel staan de bedieningen (zie § 8 slot) en het hulppredikantsschap voor haar open.

4) Zijn er nog veranderingen bij den H. Doop? Twee belangrijke veranderingen zijn: a) Doopaangifte minstens tien dagen van te voren; b) voor Doopsbediening in een andere gemeente is toestemming van den Kerkeraad nodig, die niet alleen gaat over het zedelijk leven der ouders. Bij weigering is er mogelijkheid van beroep op de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen.

5) Hoe ziet het nieuwe Kerkboek er uit? Dat wordt veel omvangrijker en gaat bevatten: a) het belijdenis- en leerboek: de belijdenisgeschriften der Kerk en het op te stellen officiële leerboek voor de catechese; b) het psalm- en gezangboek: net als tegenwoordig; c) het dienstboek met de orden van dienst — voor de verschillende godsdienstoefeningen; de bedoeling is, dat er keuze zal zijn, voor

|28|

meer en minder „liturgische” gemeenten — de liturgische formulieren — er wordt gewerkt aan nieuwe formulieren naast de oude, die wel korter zullen uitvallen en vooral begrijpelijker trachten te zijn; ook een formulier voor den jaarlijksen belijdenisdienst mag worden verwacht, enz. — en de gebeden, en d) de kerkorde. Een waardevol boek, waar ieder gemeentelid een schat van gegevens betreffende zijn Kerk bij elkaar vindt.

6) Komen er veranderingen inzake het huwelijk? In de grote vraag inzake de mogelijkheid van huwelijksbevestiging na echtscheiding is de Kerk nog niet tot een beslissing gekomen. Wel wordt hier nadrukkelijk huwelijkscatechese geëist. Voorkomen is beter dan genezen! Verder wordt verboden, dat de inrichting van het kerkgebouw bij de huwelijksinzegening afhankelijk wordt gesteld van de gevraagde vergoeding, zoals hier en daar nog het geval schijnt te zijn.

7) Verandert er iets bij de opleiding der predikanten? Allerlei kleinigheden. Drie belangrijke dingen: a) de studenten worden tijdens hun studie beoordeeld op hun geschiktheid, opdat zij nog tijdig een andere studie kunnen kiezen; b) er komt een blijvend — het huidige éénjaarlijkse hulppredikerschap aan het einde der studie is tijdelijk — leerhulppredikerschap van vier maanden onder goede leiding; c) de studie wordt besloten met een viermaandelijks verblijf in een seminarie.

8) Hoe staat het met het oude art. 8 der Dordtse Kerkorde? De mogelijkheid voor mannen van singuliere (= uitzonderlijke) gaven om langs een anderen weg tot het predikambt te worden toegelaten, dan de normale theologische studie, is hersteld. Maar al gaat deze weg open, hij wordt goed bewaakt!

9) Verandert er ook nog wat voor de predikanten zelf? Te veel om op te noemen. Enige belangrijke dingen zijn: een predikant moet drie jaar op een standplaats gevestigd

|29|

zijn geweest, eer hij opnieuw beroepbaar is; predikanten, die willen veranderen, mogen daarover spreken met de kerkvisitatoren, die de kerkeraden op hun verzoek mogen voorlichten (de zogenaamde mutatie); twee predikanten mogen met wederzijdse instemming van hun kerkeraden ruilen.

10) Hoe luiden de nieuwe belijdenisvragen? Aldus:
1. Belijdt gij te geloven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde en in Jezus Christus, Zijnen eniggeboren Zoon, onzen Heer en in den Heiligen Geest?
2. Erkent gij, als lidmaat van de Gemeente, die God zich ten eeuwigen leven verkoren heeft, dat Hij U roept om Hem te belijden voor de mensen, tegen de zonde en den duivel te strijden en naar de U geschonken gaven mede te arbeiden in Zijn Koninkrijk?
3. Wilt gij getrouw zijn onder de bediening van Woord en Sacramenten en volharden in het gebed en in het lezen van de Heilige Schrift, U stellende onder het opzicht en de tucht der Kerk?

11) Hoe gaat het met de kerkvisitatie? Deze wordt onderscheiden in opzicht en toezicht. Het opzicht betreft het geestelijk en kerkelijk leven, het toezicht gaat over de bezittingen, de administraties en de financiën der Kerk.

12) Wat zegt de nieuwe KO over de verhouding tot andere Kerken? Veel. Ik noem: a) Hervormde gemeenten in het buitenland worden mogelijk; b) de Ned. Herv. Kerk neemt deel aan het oecumenische werk in Nederland en aan den Wereldraad der Kerken; c) met de andere Kerken van Nederlandsen stam worden geregelde relaties onderhouden; d) voor vreemdelingen wordt een gastlidmaatschap der Ned. Herv. Kerk geopend, o.a. omvattend toegang tot het H. Avondmaal; voorwaarde is, dat men lid is van een buitenlandse, bij den Wereldraad aangesloten Kerk; e) de wegen tot geleidelijke en algehele

|30|

hereniging met andere Kerken in Nederland worden opengehouden.

 

§ 11. Vragen uit de vergadering

De vragen, die na een inleiding over de nieuwe kerkorde nogal eens gesteld worden, heb ik in § 10 trachten op te vangen. Er zijn echter nog een paar vragen, die min of meer buiten het gewone kader vallen. Een zevental daarvan behandel ik graag nog in deze §.

1) Wat zijn de grondgedachten van de nieuwe kerkelijke indeling? Enkele lijnen zijn: a) Kerkprovincies en rijksprovincies behoeven niet noodzakelijk samen te vallen; b) de grote steden met hun randgemeenten worden tot afzonderlijke classes; c) norm is niet het aantal Hervormden, maar het aantal predikantsplaatsen; d) het aantal kerkprovincies blijft 10, het aantal classes stijgt van 44 tot 50, het aantal ringen stijgt van 13S tot 190 (het aantal predikantsplaatsen was op 1 November 1947: 1847 gewone en 49 buitengewone); e) de Walen vormen niet langer een afzonderlijk classicaal en provinciaal ressort.
2) Wat gebeurt er met de godsdienstonderwijzers? De huidige godsdienstonderwijzers krijgen in overgangsbepalingen belangrijke rechten; het instituut als zodanig verdwijnt echter; het keert in vernieuwden vorm terug bij de bedieningen.
3) Is er ook kerkelijke tucht over de leden der Kerk? Ja zeker. Tot opbouw van hun geestelijk leven, tot behoud van hen, die dreigen af te dwalen en tot terechtbrenging van hen, die in zonden zijn gevallen. De tuchtmiddelen gaan tot vervallenverklaring van het lidmaat zijn der Kerk (zie het formulier van den ban).
4) Zouden de grote steden niet beter een afzonderlijke kerkprovincie kunnen vormen? Groot-Amsterdam, Groot-Rotterdam en Groot-Den Haag tellen meer Hervormden dan de Kerkprovincie Friesland of Noord-Brabant. Wel, wanneer we zouden rekenen vanuit het aantal Hervormden; niet, wanneer we rekenen vanuit het aantal predikantsplaatsen. Dan heeft Friesland er 240, Noord-Brabant 168, Groot-Amsterdam 52, Groot-Rotterdam 59 en Groot-Den Haag 50.
5) Is er kans op aanneming van dit ontwerp? Een gemeentelid zei tot mij, in mijn eerste blijdschap: wat maakt u zich blij, dominee! Of het is een goed ontwerp — maar dan wordt het niet aangenomen. Of het wordt aangenomen — maar dan maakt u mij niet

|31|

wijs, dat het een goed ontwerp is. Daarvoor ken ik de richtingstegenstellingen in onze Kerk al veel te lang. Dit antwoord maakt wel heel duidelijk, dat het een zegen en een genade van God zal zijn als dit — m.i. goede ontwerp — aangenomen zal worden. Mijn enige antwoord op deze vraag luidt dan ook: Nooit kan ’t geloof te veel verwachten.
6) Hebben bij aanneming van dit ontwerp de richtingsorganisaties nog recht van bestaan? Mag ik herinneren aan het slot van§ 7? Zelf behoor ik tot geen enkele richtingsorganisatie. Als het goed gaat in de Kerk zullen ze op den duur zeker moeten verdwijnen. Maar toch moet de patiënt, die pas weer begint te lopen, zijn krukken niet al te gauw weggooien. Ik zal het de richtingsorganisaties tenminste niet kwalijk nemen, als zij nog even willen afwachten, hoe het met dat lopen nu zal gaan. Als zij mij dan maar niet kwalijk nemen, dat ik hen, met het oog op de toekomst, toch als verdwijnende krukken hoop te mogen zien.
7) Wanneer zou deze nieuwe KO kunnen ingaan? Onder voorbehoud van antwoord 5: in 1948 behandelt de Generale Synode dit ontwerp in eerste lezing. In de eerste helft van 1949 kunnen bij aanneming de classicale vergaderingen en de andere, daartoe geroepen instanties, hun consideraties geven. In het najaar van 1949 zou tweede behandeling door de Generale Synode mogelijk zijn. Invoering zou dus misschien al op 1 Januari 1950 kunnen plaats hebben. „Indien de Heere wil, en wij leven zullen, zo zullen wij deze dingen doen” (Jak. 4: 15).

 

§ 12. Besluit

Een enkele korte slotopmerking. Dit ontwerp als geheel is een prachtig document geworden. Dit betekent echter niet, dat de Kerk het niet zeer grondig zal moeten bestuderen. Dit boekje is bedoeld als eerste kennismaking. Daarom is hier geen critiek naar voren gebracht. Eerst kennen, dan critiseren. De grootste hulde, die we aan de Commissie voor de Kerkorde kunnen brengen, is immers, dat we het ontwerp zeer grondig in studie nemen. En dan, als we daartoe geroepen worden, ook met onze critiek komen. Via de kerkeraden en de classicale vergaderingen. Want de aanneming van deze KO zal toch altijd moeten zijn een bewuste, belijdende daad van geheel onze Kerk.

|32|

Dan: De KO van 1571 — 1619 doet ons terug denken aan den Spaansen tijd. Het Alg. Reglement van 1816 is niet te denken zonder den Fransen tijd. Deze KO van 1947 is geboren uit den Duitsen tijd. Welke tijden God de Heere nog verder over ons voorzien heeft, behoeven wij gelukkig niet te weten. Wel willen wij ons bij alle neiging tot vitzucht of kleine critiek, laten gezeggen door de apostolische vermaning, dat wij den tijd zullen uitkopen, dewijl de dagen boos zijn (Efeze 5: 16).

Bronkhorst, A.J. (1948b) Inh

Inhoudsoverzicht

Hoofdstuk I: De historische achtergrond — 3
§ 1 De Tachtigjarige Oorlog — 3
§ 2 In en na den Fransen tijd — 5
§ 3 De reorganisatiestrijd — 6
§ 4 Toen Gods tijd er rijp voor was — 8

Hoofdstuk II: De hoofdlijnen van het ontwerp — 10
§ 5 Waar het om gaat bij dit ontwerp — 10
§ 6 Het einde van de besturenkerk — 11
§ 7 Het belijdend karakter der Kerk hersteld — 13
§ 8 Het Apostolaat der Kerk 21
§ 9 Een nieuwe verhouding van bestuur en beheer — 23

Hoofdstuk III: Details in vragen en antwoorden — 26
§10 Een groot aantal kleinere vernieuwingen — 26
§11 Vragen uit de vergadering — 30
§ 12 Besluit — 31