Bronkhorst, A.J. (1945)

Op weg naar een nieuwe Kerkorde
De beteekenis van de komende Generale Synode voor de Nederlandsch Hervormde Kerk
Amsterdam
Uitgeverij W. ten Have
1945

Bronkhorst, A.J. (1945) Wv

|3|

 

Woord vooraf.

Het ontwerp-Generale Synode is met overweldigende meerderheid van stemmen aangenomen. In eerste zoowel als in tweede lezing werd het door de Algemeene Synode eenparig aanvaard. De Provinciale Kerkbesturen keurden het met 62-2 stemmen eveneens goed. De Kerkorde van 1816 is beslissend doorbroken.

De beteekenis van deze Reglementswijziging duidelijk te maken, is het doel van deze brochure. Naar onze vaste overtuiging immers, is de verwachting niet ongegrond, dat, na 1618 en 1816, nu 1945 een derde beslissend jaartal in onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis worden gaat. Dit moge in de volgende bladzijden overtuigend worden toegelicht.

Om ieder, die wil meeleven met de ontwikkeling onzer Kerk, daartoe in de gelegenheid te stellen, is in deze brochure zeer veel materiaal verwerkt, vooral van historischen en kerkrechtelijken aard. Bovendien is telkens litteratuur opgegeven voor verdere oriënteering. Na de historische toelichting volgt een eenvoudige uiteenzetting van de grondgedachten en belangrijkste bepalingen van het ontwerp.

In de derde plaats komt een korte bespreking van de in 1944 gepubliceerde bestrijding, voorzoover mij bekend geworden. Tendeele om daaraan recht te doen: een andersoortige Synode helpt ons waarlijk niet met één slag van alle problemen af, en de geestelijke positie onzer Kerk is in verschillend opzicht inderdaad nog steeds hachelijk. Ook om den lezer in de gelegenheid te stellen pro en contra te hooren. Tenslotte om zoo mogelijk eenige misvattingen recht te zetten, die anders zoo gemakkelijk blijven doorwerken.

Dit neemt niet weg dat de volgende beschouwingen gedragen zijn door de overtuiging dat de komende Generale Synode een onverdiende zegen des Heeren is, die voor onze Kerk geheel nieuwe mogelijkheden en kansen kan openen. Diepe dankbaarheid en groote verwachting staan voortdurend op den voorgrond.

Zegene de Heere ook verder onze Kerk en stelle Hij haar tot een zegen voor heel ons volk — niet in de laatste plaats door de komende Generale Synode.

Willemstad, Augustus 1945.

A.J. Bronkhorst.

Bronkhorst, A.J. (1945) Inl

|5|

 

§ 1. Inleiding.

In Februari 1942 benoemde de Algemeene Synode der Ned. Hervormde Kerk, als subcommissie van de werkgroep Gemeenteopbouw, een commissie voor „beginselen van kerkorde”: daarin hadden bij het einde van haar werkzaamheid in het voorjaar van 1944 zitting de heeren: prof. mr. P. Scholten, voorzitter, prof. dr. S.F.H.J. Berkelbach van der Sprenkel, dr. E. Emmen, ds. K.H.E. Gravemeyer, ds. A.A. van Ruler, prof. dr. J. Severijn, dr. H. de Vos en dr. H.M.J. Wagenaar, secretaris. Zooals al dadelijk in het oog valt zijn in deze commissie alle richtingen onzer Kerk vertegenwoordigd. Toch is zij er in kunnen slagen met e.en eenstemmig voorstel te komen. En dat niet alleen: toen zij met haar arbeid gereed was, heeft zij, voor zij haar voorstel bij de Synode wilde indienen, eerst overleg gepleegd met een groep vooraanstaande figuren in het leven onzer Kerk, opnieuw uit alle richtingen: ds. K.A. Beversluis, ds. J. Boonstra, prof. dr. Th.L. Haitjema, dr. G.P. van Itterzon, ds. J.C.W. Kruishoop, prof. dr. G. van der Leeuw, prof. dr. M. van Rhijn, prof. dr. C.G. Wagenaar en ds. J.G. Woelderink. Voor wie geen vreemde is in het Jeruzalem onzer Kerk toch waarlijk niet de eersten de besten. Ook deze groep heeft zich eenstemmig achter het ontwerp kunnen stellen.

In een buitengewone vergadering der Algemeene Synode, gehouden van 24-26 April 1944, is het voorstel der commissie voor de eerste maal bij de Synode in bespreking geweest. Reeds uit het Bijbelgedeelte, waarmede ds. P. de Bruijn, de president der Synode, deze vergadering opende, Psalm 126 — Als de Heere de gevangenen Zions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die droomen.... — kan blijken, met welke gevoelens het voorstel in de Synode ontvangen werd. Na een driedaagsche bespreking, werd tenslotte met algemeene stemmen besloten het ontwerp aan de consideratiën der Kerk te onderwerpen 1).

Ter voorbereiding daarvan werden op 24 Mei buitengewone Classicale


1) Deze gegevens zijn ontleend aan de Handelingen dezer Synode, die aan de Synodale Gedelegeerden in de Classicale Vergaderingen zijn toegezonden.

|6|

Vergaderingen uitgeschreven, waar twee gedelegeerden der Synode, in eenige voorvergaderingen in het begin van Mei te Meppel, den Haag en Arnhem gehouden, daartoe voorbereid, inhoud en strekking der voorstellen zouden uiteenzetten. Voor deze Classicale Vergaderingen waren naast de predikanten alle ouderlingen en diakenen uitgenoodigd, bovendien stond de deur ditmaal ook open voor de Kerkvoogden. Kort was immers de tijd van voorbereiding, beperkt de publicatiemogelijkheid; op deze wijze kon daaraan zoo goed mogelijk worden tegemoet gekomen.

Op 28 Juni volgden toen de gewone Classicale Vergaderingen. Dank zij de gehouden buitengewone vóórvergaderingen kon de behandeling daar een zeer vlot verloop hebben. Met overgroote meerderheid heeft de Kerk zich daar voor aanneming dezer voorstellen uitgesproken, zij het dan ook dat er hier en daar niet onbelangrijke amendementen werden ingediend. Maar duidelijk bleek dat de Kerk in breeden zin achter dit voorstel stond.

Met spanning werd toen de tweede behandeling der Synode afgewacht. Eind Juli heeft deze plaats gehad. Op 29 Juli bereikte de Kerkeraden het verblijdend bericht, dat de Synode ook in tweede lezing met algemeene stemmen, het voorstel aanvaarden kon, na eenige wijzigingen te hebben aangebracht, op grond van de ingediende consideraties der Kerk. Voor de Commissie, die dit alles heeft voorbereid, een reden tot groote voldoening.

Het laatste woord was aan de leden der Provinciale Kerkbesturen en der Waalsche Commissie, die over elke wijziging in de reglementen onzer Kerk de eindstemming hadden. Daar het wijzigingen in het algemeen reglement betrof, moesten zij met een meerderheid van twee-derde der hoofdelijk uitgebrachte stemmen hun instemming betuigen. Met spanning, maar toch niet zonder goed vertrouwen, wachtte de geheele Kerk op hun beslissing. In November 1944 zou deze vallen. De oorlogsomstandigheden maakten het samenkomen dezer Colleges toen onmogelijk. Gewacht moest worden tot de communicatiemogelijkheden weer eenigermate normaal zouden zijn geworden. Bovendien moest elke schijn worden vermeden dat hier ,,oorlogswinst” werd nagestreefd: een geforceerde beslissing in abnormale omstandigheden. Tot eind Juli 1945 bleef het ontwerp daarom rusten. Toen verzocht „den Haag” aan de P.K.’s en de Walen hun stem te willen uitbrengen. Op 3 Augustus kon door pers en radio aan kerk en volk worden medegedeeld dat met een meerderheid van 62 tegen 2 stemmen besloten was, dat de Nederlandsch Hervormde Kerk, als in haar bloeitijd, weer bijeen zou komen in Generale Synode.

Bronkhorst, A.J. (1945) I

|7|

I. De groote tijd onzer Kerkorde.

 

§ 2. Calvijn.

Aan het begin der geschiedenis van onze Kerk in haar hervormde gedaante staan de gestalten der Reformatoren. Luther, maar voor onze verhoudingen meer nog Calvijn. In ieder geval voor de Kerkorde. Liet Luther zich hieraan minder gelegen liggen en was hij al tevreden als de Landsvorst de zaak ter hand nam, Calvijn zag ook de problemen der Kerkordening als een onderdeel der geloofsleer. Het vierde boek der Institutie geeft een breede plaats aan de behandeling dezer vragen. En Calvijn doet het op waarlijk magistrale wijze. Elke gedachte aan droge dorre systematiek late men hier verre. Er zijn hoofdstukken bij, waar men het niet nalaten kan telkens z'n vrouw een stukje voor te lezen, zoo puntig, zoo raak, zoo scherp is de formuleering. Wie het niet gelooven wil, kan ik alleen maar aanraden eens de proef op de som te nemen!

Zooals in alles grijpt Calvijn ook voor de vragen van het Kerkrecht terug op de H. Schrift. „Kan dat dan?” hoor ik me al tegenwerpen. Geeft de Bijbel ons dan een soort kerkelijk wetboek, dat we maar samen te voegen en in elkander te passen hebben, om de geopenbaarde Kerkorde te kunnen vaststellen? De nota der commissie, die dit ontwerp samenstelde, ontkent deze mogelijkheid. We lezen op pag. 10 van den officieelen, aan de Kerkeraden toegezonden tekst (Syn. no 2597): „het staat wel vast, dat een bepaalde Kerkorde uit het Nieuwe Testament niet is af te lezen” 1). Maar al dadelijk hooren we dan in een volgende alinea: „Wel echter zijn er gedachten aan te wijzen — bedoeld is in het Nieuwe Testament — die zóó het wezen der Kerk raken, dat zij altijd weer grondslag van een in historische processen wisselende Kerkorde moeten zijn.... Het eerste is dit: de Kerk is vergadering, gemeenschap van Christgeloovigen; het tweede: het ambt in de Kerk is het ambt van hem, die dient.”

Calvijn weet ook wel dat de Kerkorde niet kant en klaar in den


1) Er bestaat allerlei oriënteerende lectuur over dit onderwerp. We noemen: Prof. Dr. A.M. Brouwer „De Kerkorganisatie der eerste eeuw en Wij” Libellenserie, z. j. (1937); het Kerkopbouwrapport „Schrift en Kerkorde’’, samengesteld door de Professoren Brouwer, Sevenster en Wagenaar, Bosch en Keuning, z. j.; Dr. R.B. Evenhuis, „Presbyteriaal of Episcopaal?”, Veenman, Wageningen, 1939; bijzonder belangrijk lijkt mij de hoogstaande discussie over deze vragen in „Kerkopbouw”, Maart 1937— November 1937, tusschen Prof. Brouwer en Dr. Noordmans gevoerd. Zou evenals de liturgische discussie, samengevat in „Liturgie in de Crisis” ook dit wetenschappelijk debat niet voor overdruk in brochurevorm in aanmerking kunnen komen?

|8|

Bijbel gereed ligt. Maar aan den anderen kant had hij een scherp oog voor zulke in de nota genoemde grondslag-gedachten. Uitgangspunt voor Calvijn is dat de Kerk ontstaat door en leeft uit het Woord Gods. En als tweede grondgedachte komt daarbij dat God in Zijn genade voor de prediking gebruik maakt van den dienst van menschen. Uitgaande van de in Efeze 4: 11 genoemde ambten onderzoekt Calvijn, welke daarvan slechts beteekenis hadden voor den stichtingstijd der Kerk en welke een blijvend karakter hadden. Natuurlijk kan men deze uitleg willekeurig noemen, maar dat is iedere vorm van toepassing van een Bijbelwoord. Wie het er niet mee eens is, kan haar afwijzen. Dwingend bewijzen dat zijn exegese juist is kan geen enkele uitlegger. Zijn woord moet voor zichzelf spreken: al moet verder vaststaan dat geen andere teksten zich tegen de gegeven uitlegging verzetten.

Als eerste groote gedachte komt Calvijn zoo tot het ambt van den dienaar des Woords, den herder en leeraar. De verdere uitwerking daarvan zou ons te ver voeren. Belangrijk is echter om te zien hoe breed en mild Calvijn over de inrichting der oude Kerk oordeelt. Zelfs aartsbisschoppen en patriarchen veroordeelt hij niet (Inst. IV, 4, 4) en het dunkt hem onpassend hier van hiërarchie te spreken. Hiërarchie is pas binnengeslopen door de aanmatigingen van den bisschop van Rome. Diens tyrannie heeft de oude Kerkorde geheel bedorven (Inst. IV, hoofdstuk 5-7). Terugkeer naar de Schrift kan dus ook goeddeels terugkeer naar de Kerkorde der oude Kerk beteekenen.

Dit zijn slechts een paar groote gedachten, die Calvijn hebben geleid. Vele verdere hoofdstukken in de Institutie wijdt hij aan de vragen der Kerkinrichting. Telkens weer treft ons de kerkelijke verantwoordelijkheid van waaruit hij spreekt. Het gaat hem niet om academische wetenschap, maar om dienst aan de gemeente. Verouderd zijn Calvijns grondgedachten nog zeker niet, al zullen ze ook in onzen tijd niet slaafs naar de letter, maar in de vrijheid des geestes toegepast moeten worden.

 

§ 3. Onze oude Synoden.

In de donkerste jaren onzer geschiedenis, de jaren van Alva’s schrikbewind en het begin van den tachtigjarigen oorlog, is de grondslag onzer Kerkorde gelegd. In 1568 kwam te Wezel een Convent bijeen, een groep particuliere personen, die niet door de verschillende gemeenten afgevaardigd waren, o.a. Petrus Dathenus en Marnix van St. Aldegonde, waar men zich beraden heeft over de

|9|

grondslagen van het kerkelijk samenleven der gemeenten. In 1571 kon te Embden voor het eerst een echt kerkelijke Synode gehouden worden, die onze eerste nationale Synode geworden is. Hier werd dan ook onze oudste Kerkorde samengesteld. Het blijkt al dadelijk, hoe sterk de geest van Calvijn hier heeft doorgewerkt. „Geen Kerk zal over een andere Kerk, geen dienaar des Woords, geen ouderling, geen diaken, zal over een ander heerschappij voeren”, zoo luidt al dadelijk het eerste artikel. Duidelijk blijkt uit de volgende 52 artikelen, hoe zwaar de vervolging nog rustte op Nederland; maar een indeeling in classes en synoden wordt reeds ontworpen en aan Mainix wordt verzocht een kerkgeschiedenis der vervolgde Kerk te willen opstellen. Minstens eenmaal per week moeten de kerkeraden vergaderen (art. 6), iedere drie of zes maanden de classes (art. 7), jaarlijks de kerken — bedoeld zijn waarschijnlijk de Nederlandsche vluchtelingengemeenten — in Duitschland tezamen, in Engeland tezamen en alle Kerken-onder-het-Kruis tezamen (art. 8). Iedere twee jaren denkt men zich een algemeene Synode aller Nederlandsche Kerken (art. 9).

De eerstvolgende Nationale Synode kwam echter eerst in 1578 te Dordrecht bijeen. In vele opzichten zijn de verhoudingen sterk gewijzigd. Al is de Kerk nog een minderheid, zij blijkt toch wortel te hebben geschoten in Nederland. Allerlei zaken moeten nu geregeld worden. De 53 artikelen van Embden zijn uitgegroeid tot 101 bepalingen. Ditmaal zijn ze in verschillende hoofdstukken verdeeld. Uit de titels daarvan blijkt reeds dat de bemoeiingen der Kerk sterk zijn toegenomen:
Van de Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diaconen (15 art.),
Van den Kerkenraad en andere Kerkelijke verzamelingen (31 art.),
Van de Scholen (vooral over de theologische faculteiten — 6 art.),
Van de Leer, Sacramenten en Ceremoniën (25 art.),
Van ’t Huwelijk (dat in dezen tijd nog niet burgerlijk voltrokken werd — 14 art.),
Van de Kerkelijke vermaning en straf (10 art.).

De derde Nationale Synode werd te Middelburg in 1581 gehouden. Het blijkt opnieuw dat de verhoudingen gunstiger geworden zijn. De uitdrukking „Kerken-onder-het-Kruis” komt in deze Kerkorde niet meer voor. Het blijkt dat de Overheid der gewesten zich met de Kerk wenscht te bemoeien: art. 4 dezer Kerkorde verklaart o.a. dat een beroep van een predikant geapprobeerd worden moet niet alleen door de Gemeente, maar ook door de Overheid; wanneer deze de Gereformeerde Religie mede belijdt. Nadrukkelijk blijft echter ook de instemming der Gemeente vereischt: met zooveel

|10|

woorden verklaart art. 5 dat men niemand aan de Gemeente tegen haar wensch zal opdringen. Een ander belangrijk punt is in art. 26 uitgedrukt: Om te voorkomen dat de praeses van een Classicale Vergadering zich tot een soort bisschop der classis zou ontwikkelen, komen we hier voor het eerst de bepaling tegen: „zijn ambt zal
uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt”. Art. 35 spreekt nog eens uit dat alle drie jaren een Nationale Synode gehouden dient te worden.

Dit laatste bleek echter niet zoo eenvoudig te verwezenlijken. De Zeven Provinciën waren federatief verbonden, de Staten der Provincies waakten nauwlettend over hun souvereiniteit. Vandaar dat Nationale Synoden meestal om politieke redenen werden tegengehouden. Alleen in tijden van sterke nationale eenheid en leiding komen we dan ook Nationale Synoden tegen. De vierde werd op 14 Mei 1586 uitgeschreven in den Haag door den bekenden Graaf van Leicester, terwijl Prins Maurits „navolgende de bevelen van zijne voorzeide Excellentie” 1) eveneens de Kerken oproept afgevaardigden te sturen. Op 20 Juni 1586 kwam zij samen. De Kerkorde, door haar opgesteld, is vrijwel dezelfde als de voorgaande van Middelburg. Vele artikelen zijn woordelijk gelijkluidend, alleen is hier en daar wat uitgewerkt. Het bleek echter niet zoo eenvoudig deze Kerkorde ook in te voeren. De Graaf van Leicester keurde haar dadelijk — 6 Augustus 1586 reeds — goed. Maar de Staten-Generaal weigerden haar zonder reserves goed te keuren. In dit confessioneele tijdperk, waarin de Godsdienst als overheidszaak werd gezien — Leicester schrijft dat Koningin Elizabeth hem het stuk van de Christelijke Religie boven al bevolen en gerecommandeerd heeft — wilde de regeering ook gaarne zoo groot mogelijke zeggenschap in kerkelijke zaken hebben. Daarom trachtten de „politieken” telkens opnieuw een heel andersoortige Kerkorde ingevoerd te krijgen en verhinderden zooveel mogelijk het bijeenkomen van een nieuwe Nationale Synode.

 

§ 4. De Nationale Synode te Dordrecht 1618-1619 en de Dordtsche Kerkorde.

Gedurende langen tijd worden er dan ook geen Nationale Synoden meer gehouden. Pas wanneer Prins Maurits ingegrepen heeft en de


1) Deze gegevens, alsmede die over de Synoden, ontleende ik voor het meerendeel aan een in 1640 uitgegeven boekje „De Kercken-Ordeninghen der Ghereformeerder Nederlantscher Kercken” zonder schrijversnaam uitgegeven bij Andries Cloeting te Delft.

|11|

leiding van ons volksleven weer voor een oogenblik bij de Staten-Generaal berust, en bovendien de meeningsverschillen tusschen Remonstranten en Contra-Remonstranten dringend om een oplossing roepen, wordt eindelijk weer de gelegenheid tot samenroeping gegeven. En dan ook in grootschen stijl. Alle kosten dezer Synode kwamen voor rekening van de Overheid. Schriel en karig werd niet opgetreden, met feestelijke samenkomsten en eeregeschenken, in het bijzonder voor de buitenlandsche afgevaardigden, waren de Staten royaal. Buitenlandsche afgevaardigden — want ter verhooging van het gezag der Synode en mede ter bewaring van de eenheid in het Gereformeerd Protestantisme in het punt in kwestie, de uitverkiezing met de daarmede samenhangende vragen, waren aan de buitenlandsche Gereformeerde landen afgevaardigden verzocht — verleenden aan deze Nationale Synode een internationaal karakter, het eerste en ook eenige Gereformeerde concilie 1). Het is dus geen wonder dat de besluiten van deze Kerkvergadering een bijzonder gezag gekregen hebben. En hoewel de Kerkorde, die hier werd vastgesteld, pas in behandeling kwam toen de buitenlandsche theologen reeds vertrokken waren (namelijk in de 155ste Zitting) en bovendien in hoofdzaak bestond uit de artikelen van de Haagsche Synode van 1586, heeft toch de autoriteit der Dordtsche Synode zich aan de hier vastgestelde Kerkorde medegedeeld en mede doordat deze Nationale Synode de laatste tot op heden geweest is, werd de Dordtsche Kerkorde als het ware de grondwet voor alle Gereformeerd Kerkrecht in de waardeering van duizenden.

Het is thans de gelegenheid om een beknopt overzicht te geven van de grondlijnen onzer Kerkorganisatie volgens de Dordtsche Kerkorde. Blijkens art. 2 kent de Kerk vier ambten, namelijk: de Dienaren des Woords, de Doctoren, de Ouderlingen en de Diaconen. Art. 4 regelt het beroepen der Dienaren. Het verloop is aldus gedacht: a) verkiezing door Kerkeraad, „niet zonder goede correspondentie


1) Het is de vermelding waard, dat onder de Engelsche afgevaardigden een bisschop was en wel de bisschop van Landaff. Tegenwoordig zouden velen zich dat niet meer in kunnen denken op een Geref. Synode, maar toentertijd gold de bisschoppelijk bestuurde Engelsche Staatskerk om haar belijdenis als Gereformeerd. Koning Jacobus I leefde verbazend sterk met de Nationale Synode mee en liet zich door zijn gezant, voortdurend op de hoogte houden over den gang van zaken. Behalve tot den Koning van Engeland waren de uitnoodigingen — die verzonden werden door de Staten-Generaal — gericht aan de Protestantsche Kerken in Frankrijk, de Keurvorsten van de Palts en van Brandenburg, den landgraaf van Hessen, de Nassausche Vorsten van de Wetterau, de vier Gereformeerde Zwitsersche kantons Bern, Basel, Zürich en Schaffhausen, alsmede de regeeringen en kerken van Genève, Bremen en Embden.

|12|

met de Christelijke overheid”, soms ook met advies van de classis, namelijk waar dat gebruik bestond] b) de examinatie van leer en leven, door de classis, met eenige afgevaardigden der particuliere Synode daarbij; c) de approbatie door de overheid en door de lidmaten der Gemeente; d) de bevestiging. Het bekende art. 8 opent in uitzonderingsgevallen de mogelijkheid dat menschen „van singuliere gaven” na onderzoek tot het predikambt worden toegelaten. Art. 10 verklaart dat een predikant zonder toestemming van zijn kerkeraad geen beroep naar een andere Gemeente zal mogen aannemen. Ook de oud-ouderlingen en oud-diakenen, alsmede de Magistraat hebben hier stem in het kapittel. De Doctoren of Professoren hebben volgens art. 18 de taak de Heilige Schrift uit te leggen en de zuivere leer tegen ketterijen en dolingen voor te staan. Ouderlingen en diakenen mogen naar art. 27 twee jaar in dienst zijn, terwijl ieder jaar de helft door anderen vervangen moet worden, al is het mogelijk dat hiervan in het belang der gemeente wordt afgeweken.

In de Gemeente heeft dus de Kerkeraad de leiding. Daarnaast kent art. 29 Classicale Vergaderingen, Particuliere Synoden en Generale of Nationale Synoden. Opnieuw dreigt het gevaar van hiërarchie. Daarom bepaalt art. 30 dat de meerdere vergaderingen alleen mogen behandelen wat in de mindere niet afgehandeld kon worden, of dat tot het gezamenlijk belang der Kerken dezer meerdere vergadering behoort. Ieder heeft het recht van beroep van de mindere op de meerdere vergadering. „En hetgeen door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat bewezen wordt dat het met. Gods Woord of met de artikelen, die in deze Generale Synode besloten zijn, in strijd is — zoolang laatstgenoemde artikelen tenminste niet door een volgende Nationale Synode veranderd zijn” (art. 31).

Een aantal bijeengelegen Kerken vormen tezamen een classis. Iedere gemeente vaardigt daarheen een predikant en een ouderling af. De afgevaardigden kregen credentie-(geloofs-)brieven en instructies mee (art. 33). Deze instructies behelsden o.m. wat ter sprake gebracht moest worden en mochten derhalve niet geschreven worden vóór de besluiten der vorige vergadering ontvangen en gelezen waren, opdat men niet telkens hetzelfde aan de orde zou stellen(art. 46). Men komt minstens eens per drie maanden samen. Tweemaal aaneen mag niet dezelfde praeses gekozen worden — alweer tegen hiërarchie. De geestelijke belangen der Gemeenten moeten nadrukkelijk ter sprake komen; worden de Kerkeraadsvergaderingen gehouden? Hoe staat het met de kerkelijke tucht? Worden de armen

|13|

en de scholen verzorgd? Heeft de Gemeente soms de hulp der Classis noodig? Verder zal een der predikanten bij toerbeurt een korte preek dienen te houden, die dan door de anderen beoordeeld moet worden. Dit alles art. 41. De praktijk, bijvoorbeeld bij de Dordtsche Synode zelve, leert dat de afgevaardigden soms een bindend mandaat mee konden krijgen: werd anders besloten, dan moesten zij eerst opnieuw komen overleggen; een middel dat wel geschikt was om de heele Kerk te doen meeleven, al kon het tot excessen leiden. In de Dordtsche Kerkorde heb ik echter geen desbetreffende bepaling kunnen vinden.

Vier of vijf naburige classes zullen ieder jaar samen komen in particuliere Synode. Daarheen zal iedere classis twee predikanten en twee ouderlingen afvaardigen. Bij het uiteengaan dezer Synode blijft er een soort provinciaal bestuur over voor de loopende zaken, maar aan een aantal deputaten worden speciale opdrachten gegeven, terwijl een bepaalde gemeente wordt aangewezen om plaats en tijd der volgende particuliere Synode vast te stellen en bekend te maken(art. 47 en 49). Voor het contact der particuliere Synoden onderling dient de onderlinge correspondentie (art. 48).

Tenminste iedere drie jaren komt de Generale Synode samen, wederom samengesteld uit twee predikanten en twee afgevaardigden van iedere particuliere Synode, bijeengeroepen door de „roepende kerk”, de daartoe aangewezen gemeente. Op de Dordtsche Synode is bijvoorbeeld Dordrecht als „Synodale classis” aangewezen (in de 178ste zitting). Zie verder art. 50. Toestemming der Overheid is natuurlijk noodig.

Een enkel punt uit de overige bepalingen moge nog onze aandacht hebben: Art. 59 stelt vast dat de bejaarden, die door den H. Doop in de Gemeente opgenomen worden, als lidmaten gelden en dus schuldig zijn het H. Avondmaal te gebruiken, zooals zij dat bij hun Doop beloofden. Lijkpredicatiën moet men niet instellen, waar ze nu niet zijn en zoo mogelijk doen vervallen (art. 65). In art. 84 komt de reeds eerder genoemde bepaling terug, dat geen kerk over een andere, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen eenige heerschappij zal voeren. (Wel een dienaar over ouderlingen en diakenen? De formuleering van art. 1 van de Embdensche Kerkorde van 1571 was op dit punt duidelijker.) In middelmatige dingen behoort men de buitenlandsche Kerken niet te verwerpen, die een andere gewoonte mochten hebben dan wij (art. 85).

 

§ 5. Het verval onzer kerk na de Dordtsche Synode.

Was de Dordtsche Synode een hoogtepunt geweest, in de eeuwen

|14|

die volgden moeten we helaas een voortdurend verval constateeren. Eenerzijds is hieraan de bemoeienis der Overheid schuld. DeDordtsche Kerkorde mocht namelijk vrijwel nergens worden ingevoerd. Gelderland voerde haar in voorloopig en met verandering. Zeeland had een eigen Kerkorde, die niet eens het houden van een particuliere Synode toestond, maar de macht legde in handen van een Collegium Qualificatum of Mixtum, een College bestaande uit politieke heeren en kerkeraadsleden, dat zelfs de leiding had van het beroepingswerk. Friesland verbood de invoering als onpractisch en in strijd met de privileges van het gewest, Holland verlangde al reeds lang naar iets anders. Alleen Utrecht heeft deze Kerkorde al spoedig geheel aanvaard. Overijssel veranderde, Drente voerde in 1638 bij besluit van den Landdag een eigen Kerkorde in, Groningen handhaafde evenals Zeeland de reeds vroeger op gezag der Staten ingevoerde kerkelijke wetten.

Nog belemmerender werkte dat de regeering nooit meer het houden van een Nationale Synode heeft willen toestaan. Allerlei kerkelijke zaken moesten zoodoende onbeslist blijven. De nieuwe Psalmberijming van 1773 — onze tegenwoordige Psalmberijming — is bijvoorbeeld niet door een nieuwe Generale Synode, of zelfs niet door de onderling-correspondeerende particuliere Synoden ingevoerd, maar door de Staten der verschillende Provinciën, zooals we in het voorwoord onzer Psalmbundels nog zien kunnen. Dit is slechts een symptoom, daar nog veel dringender zaken eveneens moesten blijven rusten. De Overheid zorgde voor de Kerk, met haar gezag en met haar geld, maar de Overheid bepaalde eveneens, waarover de Kerk al dan niet mocht besluiten. Tot zelfs in vele Kerkeraden toe hadden de Commissarissen-Politiek deze bevoegdheid. Wat aan de regeering niet welgevallig was, kwam zoodoende ook niet tot uiting.

Anderzijds, de schuld voor het verval der Kerk zit nooit alleen in een slechte Kerkorde. Ondanks alle belemmeringen der Kerkorde hebben Luther en Calvijn hun reformeerend werk kunnen doen. Het is daarom wel allermeest aan den geest in de Kerk te danken geweest, dat zij aan handen en voeten gebonden werd en gebonden bleef. Opmerkelijk is hier ook dat er vrijwel geen wervende kracht van de Kerk meer uitging. De Generaliteitslanden bleven vrijwel geheel Roomsch, de predikanten in Brabant en Limburg stonden op uitzichtslooze posten. Hat valt ook op dat in dezen tijd de overgang plaats vindt van een meer eenvoudig-Bijbelsche theologie tot een meer „wetenschappelijke”, die haar kracht zocht in spitsvondige onderscheidingen. Op alle terrein gold eigenlijk hetzelfde: de Kerk was rijk en verrijkt geworden en leed geens dings gebrek; maar

|15|

voor de zooveelste maal zou blijken dat deze weelde te machtig was om te verdragen. Van een kleine gemeente als de Herrnhutters ging in de achttiende eeuw meer uit aan geestelijke kracht en zegen dan van vele rijke en machtige Hervormde kerken in ons vaderland. Steeds meer bergafwaarts ging het met de Kerken der Hervorming in Nederland. De Kerkgeschiedenis van Dr. Vos o.a. geeft ons daarvan een aangrijpende schildering. (Vergelijk bijvoorbeeld een titel als op pag. 301 van den tweeden druk: „Einde van de Voetiaansche en Coccejaansche twisten en Begin van doodelijke stilte”). Toen dan ook na de binnenkomst der Franschen in 1795, een Nationale Conventie samenkwam en een van haar eerste daden was om op 18 Augustus 1796 in naam van vrijheid, gelijkheid en broederschap den band van kerk en staat te verbreken, scheen dat voor de Ned. Hervormde Kerk, die sinds lang veel meer uit de bevoorrechting der Overheid, dan uit het Woord Gods bleek te leven, weinig minder dan een doodvonnis te zullen zijn. (Zie Vos, pag. 368).

Bronkhorst, A.J. (1945) II

 

II. De Kerkorde van 1816.

1)

§ 6. De Kerk in den Franschen tijd.

Hoe verliep het revolutietijdvak voor onze Ned. Hervormde Kerk? Duidelijk teekenen de beide tijdperken in die revolutie, de tijd tot op Napoleon en de jaren van zijn bestuur in Frankrijk, zich ook in onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis af. De eerste jaren, de tijd van het dansen om den vrijheidsboom en de roes van vrijheid, gelijkheid en broederschap, brachten aan de tot nu toe bevoorrechte Staatskerk allereerst het verlies van haar bijzondere privileges. In naam werd zij gelijkgesteld met de andere Kerkgenootschappen, in feite beteekende dit een achteruitzetting, daar haar de tijd ontbrak om zich aan deze geheel nieuwe situatie aan te passen. Anderzijds hield dit echter ook in, dat de Kerk nu geheel vrij werd in haar eigen zaken. Vele verlangens, die sinds de Dordtsche Synode onvervuld waren gebleven, werden nu zonder


1) Als litteratuur voor dit hoofdstuk noemen we: de Kerkgeschiedenissen van Vos en Reitsma; de dissertatie van Dr. J.C.A. van Loon, Geref. Predikant te Purmerend „Het Algemeen Reglement van 1816”, in 1912 verdedigd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (dit werk is wel de hoofdbron voor dit hoofdstuk geworden); en dan tenslotte de magistrale inleiding van Prof. Dr. C. Gerretson op de brochure van Ds. W.A. Zeydner „De Hervormde Kerk op den Tweesprong”, die juist over deze jaren belangrijke beschouwingen geeft.

|16|

slag of stoot haar in den schoot geworpen. Opeens verdwenen de politieke commissarissen, die tot nu toe de Kerk zoo sterk hadden gekneveld en onmondig gehouden.

Napoleon had zich echter de verhouding van Kerk en Staat anders gedacht. Financieel werd de verhouding weer gunstiger; allerlei betalingen waaraan de Bataafsche Republiek zich eerst onttrokken had, werden vanaf 1803 weer gevoteerd. De Kerk kwam daardoor echter ook opnieuw aan banden te liggen. In 1804 verschenen de Commissarissen-Politiek weer op de Particuliere Synoden, en in 1805 verklaarde de nieuwe Staatsregeling, dat de Raadpensionaris belast was met de hooge Politie in de geheele Republiek, zoowel in burgerlijke als kerkelijke zaken. Van toen af aan valt een steeds voortdurende staatsbemoeiing met de Kerk te constateeren, een staatsbemoeiing, die nu niet meer als van ouds gedragen werd door de overtuiging, dat ook de Overheid op haar terrein het hare heeft te doen om de zaak van Gods Woord te dienen (zie art. 36 van de Ned. Gel. Belijdenis), maar die slechts voortkwam uit het verlangen de Kerk aan den Staat ondergeschikt te doen zijn.

En de Kerk, hoe heeft zij zelve zich gehouden in deze jaren? Dr. van Loon heeft er op grond van waardevolle bronnenstudie op gewezen, dat ook in deze jaren de Classicale en Synodale Vergaderingen vrijwel voortdurend voortgang hebben gevonden, en dat er zelfs op aandrang van Ds. Rutgers van Haarlem, jarenlang pogingen zijn aangewend om tot het bijeenroepen van een Generale Synode te komen. Deze pogingen duurden voort tot 1809, toen de Overheid, op aandrang van den later te noemen hoofdcommies Janssen, aan de synodale deputaten te verstaan gaf, dat zij geen besprekingen over het punt reorganisatie wenschte — daar zij zelve andere plannen met de Kerk aan het uitwerken was. (Van Loon, pag. 38, noot 64). Het kerkelijk apparaat was dus blijven functioneeren. Ook de samenstelling van den bundel Evangelische Gezangen valt in deze jaren, zooals nog ieder Kerkboekje met voorbericht ons leeren kan.

Dood was onze Kerk dus inderdaad nog niet. Of wij echter op haar leven zoo heel veel nadruk mogen leggen? Organisatorisch gebeurde er van allerlei. Maar naar de openbaringen van echt kerkelijk, geestelijk leven zoeken wij tevergeefs. De groote vraag dezer jaren was niet hoe de Kerk het Evangelie van Jezus Christus het beste zou kunnen dienen, hoe Gods Woord het licht op den kandelaar van ons volksleven zou kunnen zijn, hoe de Kerk zich de aanvankelijk verkregen vrijheid daartoe dienstbaar zou kunnen maken, maar het groote probleem was steeds weer opnieuw of de

|17|

Overheid de predikantstractementen zou blijven uitbetalen. Dit doet ons minstens even vernederend aan als da kruiperige toon, dien de Kerk aansloeg tegenover de Overheid, om toch maar in haar gunst te blijven — wat natuurlijk precies averechtsche uitwerking hebben moest. Deze Kerk gedroeg zich verachtelijk en werd dan ook veracht. Geen spoor van zelfbesef op grond van de hooge roeping die God toch aan Zijn Kerk geschonken heeft. Alle fierheid, die aan de Kerk, bij allen passenden ootmoed, toch eigen mag zijn, missen wij helaas. Dat de Kerk, bij al haar armoede en onaanzienlijkheid, het toch steeds weten mag: Wij bezitten een Woord voor de wereld, ook voor een wereld in strijd en nood.... we vinden niets hiervan. Integendeel, we kunnen jaloersch worden op de R.K. priesters van Breda, die van Napoleon een geweldigen uitbrander kregen, op grond van hun fiere onafhankelijke houding — de Paus had Napoleon in den ban gedaan, wegens de ontbinding van zijn huwelijk met Josephine de Beauharnais en de priesters behandelden hem dienovereenkomstig — al is het niet overbodig te vragen waar de laatste grond van deze fierheid bij Rome ten slotte ligt. Bij de Protestanten overwoog de vrees voor het martelaarschap (zie Vos, pag. 388). Dat de Commissarissen-Politiek zonder meer weer werden toegelaten in 1804 verraadt toch ook dat de Kerk zich van haar eigen wezen nog maar zeer weinig bewust was en den schotel linzenmoes van financieele overheidsbegunstiging hooger waardeerde dan het eerstgeboorterecht der vrijheid op haar eigen terrein.

In deze Napoleontische jaren werd nu echter een functionaris aan het ministerie van eeredienst verbonden, die bij alle wisseling der regeeringsvormen daar de leidende figuur zou blijven en die op de staatsbemoeiing met de Kerk, ook onder Koning Willem I, belangrijken invloed heeft uitgeoefend: Jacobus Didericus Janssen, hoofdcommies aan het departement en rapporteur in kerkelijke zaken. Hoewel zelf predikantszoon en theologisch Candidaat, trok het politieke leven hem meer aan dan de verkondiging, in het bijzonder de mogelijkheid zich op deze wijze te kunnen bemoeien met de organisatie onzer Kerk. Hij stond daarbij een Evangelisch Christendom voor en had een afkeer van de „steile” leerbegrippen der „orthodoxen” (Van Loon, pag. 42, noot 84). Kerkrechtelijk meende hij het geloof te kunnen vrijlaten en tegelijkertijd de Kerk aan den Staat te kunnen binden. Zijn streven ging daarbij uit naar een organisatievorm, die zoo eenvoudig en bovenal zoo goedkoop mogelijk zou zijn — en gemakkelijk te hanteeren door het gouvernement. Dr. van Loon typeert Janssens optreden als „beslist, maar behoedzaam” (pag. 49). Zooveel mogelijk werd in het geheim afgedaan, de Kerk zelve moest ophouden zich

|18|

over de reorganisatie van. haar bestuur te beraden, en het plan was, zooveel mogelijk onder de oude namen geheel andere instellingen in het leven te roepen. Daardoor zou dan zoo weinig mogelijk wrijving en verzet bij de invoering ontstaan. De details zijner plannen en methoden doen nu verder in dit verband minder ter zake. De annexatie van Nederland door Napoleon en de plannen van den Keizer op het gebied der Kerkorde maken zelfs Janssen voor eenigen tijd conservatief. In deze jaren konden ook de particuliere Synoden niet meer gehouden worden en moest men zich behelpen met Synodi contractae. En de uitbetaling der predikantstractementen liet verbazend veel te wenschen over. In vele pastorieën heerschte gebrek.

 

§ 7. Het ontstaan van de Kerkorde van 1816.

Dit laatste is hier niet vermeld als het allerbelangrijkste, wat over een Kerk in een bepaald tijdvak te zeggen valt: of haar dienaren het goed hadden in stoffelijken zin. Maar het maakt wel de houding van de Kerk tegenover de regeering van Koning Willem I begrijpelijk: immers een van zijn eerste daden was de uitbetaling der tractementen te gelasten.

Onder Willem I bleef Janssen, als Commissaris voor de Kerkelijke Zaken, aan het ministerie van Binnenlandsche Zaken onder den Commissaris-Generaal van Stralen verbonden. Van Stralen wenschte een algemeene Synode bijeen te roepen om onder zijn leiding een nieuwe Organisatie te ontwerpen. De Raad van State wees echter zijn ontwerp — een in zijn geest gewijzigd concept van Janssen — af, daar de Raad niet overtuigd was van de noodzaak van al die wijzigingen, bevreesd was voor leerbesluiten, waarbij echter z.i. geen waarborg aanwezig was „dat altijd daarbij die gematigdheid zal worden in het oog gehouden, die de rust der Kerk kan verzekeren” en meende dat de Overheid tot zulke maatregelen het grondwettelijk recht miste, te meer nu de Kerk daar zelve absoluut niet om gevraagd had. Mocht de Koning echter meenen dat wijzigingen noodzakelijk moesten worden aangebracht, laat dan een consuleerende commissie, samengesteld uit verlichte en geachte leeraren uit de onderscheidene provinciën en andere kundige ledematen der Hervormde Gemeente den Koning daarbij van advies dienen. Deze commissie kwam dus in de plaats van de door Van Stralen voorgestelde algemeene Synode. Dr. van Loon legt er allen nadruk op dat volgens een brief van Van Hogendorp de bedoeling was een door de kerkelijke organen zelve gekozen commissie, om te adviseeren in de zaken, die dringend om verbetering riepen.

|19|

Van Stralen zelve was inmiddels vervangen door Roëll, die gewonnen was voor de inzichten van Janssen. Deze laatste kreeg nu vrij spel, en interpreteerde het advies van den Raad van State als bedoelende een geheime door den Koning benoemde commissie. Zelve werkte hij in overleg met enkele vrienden een nieuwen organisatievorm uit en stelde toen aan den Koning het benoemen van een geheime commissie voor. De bedoeling was om op deze wijze den lastigen Raad van State uit te schakelen. Tegenover den Koning werd geargumenteerd met de onzekerheid der verhoudingen, ingevolge den terugkeer van Napoleon van Elba, waardoor velen zouden verlangen niet te veel van huis te zijn en dergelijke actueele argumentaties meer. Een geheime commissie kon namelijk voorloopig alleen maar schriftelijk om advies gevraagd worden, terwijl de geheele natie er zich niet mee bemoeien zou.

Aldus geschiedde. De commissieleden konden zich over het algemeen heel goed met de plannen vereenigen; sommigen vroegen zelfs en passant meteen maar om nieuwe formulieren voor doop, avondmaal en bevestiging van ouderlingen en diakenen (al werd er dadelijk door den voorsteller bijgevoegd: niet van eenigheid, verre van daar! dat die blijven, opdat ons gebouw niet wankele! — bedoeld is dus: alstublieft geen nieuwe belijdenisgeschriften: laten we die zaak toch vooral niet ter sprake brengen; hoe minder discussie over de formulieren van eenigheid, hoe beter in zijn oog). Alleen Ds. Krieger, de hofprediker van Willem I, was minder ingenomen en vreesde oligarchie van de kleine besturen, die van het voorstel het gevolg zouden zijn. Verder moest men niet al te zeer den nadruk leggen op veel onbelangrijks in de Acta der bestaande besturen; al hebben zij misschien niet veel positiefs uitgevoerd, zij hebben zeer veel ongewenschte nieuwigheden in de revolutiejaren weten te keeren.

Janssen trok zich van deze negatieve beoordeeling niet zoo heel veel aan. Krieger deed hij af met een „Is niet zeer te vreede, vooral over de beginselen, maar enfin!” (Van Loon, pag. 142). De andere beoordeelingen konden hem hierin troosten. Ook de nieuwe Commissaris-Generaal Repelaer van Driel kon zich met het ontwerp vereenigen en tegen 25 October 1815 werd de consuleerende Commissie in Den Haag bijeen geroepen. Beurtelings presideerden Repelaer van Driel en Janssen de vergaderingen. Wijzigingen werden nog aangebracht. Op 2 November werden de werkzaamheden reeds voltooid. Op 13 November werd het aldus bewerkte Concept Reglement aan den Koning ter teekening voorgelegd. Buiten de Commissie om waren nog eenige wijzigingen aangebracht, nog ten

|20|

voordeele van den invloed van het Departement op de Kerk. De Koning benoemde drie leden van den Raad van State om hem advies uit te brengen. (Het blijft opmerkelijk dat het er slechts drie waren; de Raad van State als zoodanig werd er dus buiten gehouden). Zij hebben nog met Repelaer geconfereerd en eenige wijzigingen aan doen brengen. Op 7 Januari 1816, een Zondag, teekende de Koning het besluit hetwelk tot op heden de „grondwet” zou vormen voor de Kerkinrichting der Ned. Hervormde Kerk.

 

§ 8. De inhoud van het Algemeen Reglement van 1816.

Wanneer wij nu letten op den inhoud van het Algemeen Reglement van 1816 1) (dat o.m. als bijlage in de dissertatie van Dr. van Loon te vinden is) dan treft het ons allereerst dat daarin de volgorde der besturen veranderd is, in verhouding tot de Dordtsche Kerkorde. Allereerst wordt gehandeld „Van het Sijnode”, dan volgt het Provinciaal Kerkbestuur, daarna het classicaal bestuur (geen hoofdletters; Dr. van Loon volgt den officieelen tekst uit het bijvoegsel tot het Staatsblad), daarna de ringen en tenslotte het kerkelijk bestuur in de gemeenten (in totaal 93 artikelen). Daaruit blijkt al dadelijk het groote beginsel dezer Kerkorde; het recht komt van boven af. Art. 15 bevestigt dit: Geene veranderingen kunnen in dit reglement gemaakt worden, dan door Zijne Majesteit — al hebben het Sijnode en de provinciale kerkbesturen recht van advies. De Koning benoemt ook het eerste Sijnode, dat zal bestaan uit elf predikanten uit de verschillende provinciale ressorten, één ouderling bij toerbeurt uit deze ressorten en drie praeadviseerende hoogleeraren uit Leiden, Utrecht en Groningen. Later benoemen de provinciale kerkbesturen zelve de Synodeleden 2), de theologische faculteiten de praeadviseurs (art. 17). Het hoofd van het ministerie van Eeredienst of andere commissarissen-politiek hebben het recht de vergaderingen bij te wonen (art. 18). De door het Sijnode ontworpen reglement moeten aan ’s Konings goedkeuring worden onderworpen (art. 30).

Ook de provinciale kerkbesturen tellen slechts één ouderling en verder voor iedere classis een predikant (art. 31). Deze leden worden door den Koning benoemd, de eerste maal onmiddellijk, de


1) Ter voorkoming van misverstand vestigen wij er de aandacht op dat dit Reglement wel in groote lijnen, maar lang niet in alle onderdelen overeenkomst met ons huidige Alg. Reglement.
2) Wanneer we letterlijk aanhalen volgen we de toenmalige spelling, bij vrije weergave de tegenwoordige.

|21|

tweede maal uit een voordracht, als zestal opgemaakt door het Classicaal Bestuur, tot drietal teruggebracht door het betrokken provinciaal kerkbestuur (art. 32). Dit komt dus neer op een samenwerking van den Koning en de door hem benoemde besturen. De Kerk zelve blijft er buiten. De president, door den Koning benoemd, blijft steeds weer herkiesbaar (vergelijk art. 41 D.K.O., par. 4).

De geheele Kerk wordt ingedeeld in 43 classen (art. 50 — de tegenwoordige classis Maastricht behoort nog niet tot de Ned. Herv. Kerk). Het bestuur over de classis wordt opgedragen aan classicale moderatoren, te weten praeses, assessor en scriba met twee tot vier predikanten plus één ouderling (art. 55). Het lid van het provinciaal kerkbestuur is als zoodanig praeses van de classicale moderatoren en zijn secundus assessor (art. 56). Een wel zeer hierarchische maatregel! Al deze moderatoren worden wederom door den Koning benoemd, de eerste maal onmiddellijk, de tweede maal weer uit een zestal van de Classicale Vergadering, door het Provinciaal Kerkbestuur tot een drietal teruggebracht (art. 57 en 58). Dit laatste is, behalve het afhooren en sluiten der rekeningen van de classikale weduwenbeurs en andere fondsen, alsmede tot het benoemen van quaestors, en voorts, daaromtrent te besluiten, het eenige dat van de oude „grondvergaderingen der Kerk” zal worden gevraagd(art. 67). Deze Classicale Vergaderingen komen jaarlijks samen, en zijn samengesteld uit alle predikanten van het classicaal ressort en een nader te regelen getal ouderlingen (art. 65).

Het spreekt vanzelf dat bij dezen vorm van inrichting der Kerk de mindere vergaderingen ook geen mandaat meer mee konden geven aan hun vertegenwoordigers in de meerdere (vertegenwoordigers kunnen we misschien nog zeggen; afgevaardigden kunnen we hen moeilijk meer noemen). Art. 4 luidt dan ook; de leden der collegien, waaraan dit onderscheiden bestuur, volgens na te meldene bepalingen wordt opgedragen, stemmen altijd hoofdelijk, zonder eenigszins gebonden te zijn aan lastbrieven van de vergaderingen of kerken, voor welke zij kunnen geacht worden te verschijnen.

 

§ 9. Beoordeeling van het Algemeen Reglement van 1816.

Na deze weergave moge een korte beoordeeling volgen van dit algemeen reglement. Allereerst valt ons op de zeer sterke staatsinvloed; de Koning benoemt in feite alle besturen; daar hij voor de eerste maal onmiddellijk benoemt, is zijn invloed op den gang van zaken voor jaren verzekerd. De Koning slechts kan het algemeen

|22|

reglement wijzigen; hij behoort alle andere reglementen goed te keuren. Commissarissen-politiek wonen de zittingen der Synode bij.

Dan frappeert ons het zeer geringe getal der ouderlingen. Hun invloed is nog niet heelemaal uitgeschakeld; daarvoor werkt het presbyteriaal verleden onzer Kerk waarschijnlijk nog te sterk na. Maar in groote meerderheid brengt dit Reglement de dominocratie in de Kerk. Zijn de dominees dan niet de aangewezen deskundigen op het gebied der kerkelijke zaken? Wanneer men de ouderlingen er buiten houdt en aan hen alle verantwoordelijkheid vrijwel ontneemt, beperkt zich hun horizont inderdaad al spoedig tot eigen gemeente. Deze bepaling is wel zeer geschikt om de gemeente onmondig te houden.

Hetzelfde effect heeft het vervallen der lastbrieven. Theologisch gesproken zit hier achter de overtuiging dat de H. Geest het vrome gemoed van den enkeling leidt; het Gereformeerde Kerkrecht had, zich beroepende op het voorbeeld der apostelen, bijvoorbeeld in Hand. 15, altijd voorgestaan dat de H. Geest de vergaderingen in alle waarheid leidt. Het practisch gevolg van dezen maatregel was, dat de overgroote meerderheid der Kerk buiten de Kerkregeering kwam te staan. Natuurlijk, het bindend mandaat kan overdreven worden. Maar wanneer als mogelijkheid wordt gesteld dat bij belangrijke besluiten een afgevaardigde naar een hoogere vergadering niet anders dan zoo en zoo mag stemmen, of — wanneer hij door de besprekingen in die meerdere vergadering in gemoede overtuigd wordt, dat het toch anders moet — naar zijn afvaardigende vergadering terug moet keeren, die trachten te overtuigen om aldus een nieuw mandaat te verkrijgen, dan wordt een breed gedeelte der Kerk in deze besluiten betrokken. Het algemeen reglement van 1816 heeft precies het omgekeerde effect bereikt. Met de grootste moeite moet in onze jaren weer worden opgebouwd, dat de kerkeraden eenigermate met den gang van zaken in het groote geheel der Kerk zullen gaan meeleven om van de gemeenten maar te zwijgen. Sinds 1816 was dit systematisch tegengegaan.

Het allerergst spreekt deze tendenz in de degradatie der Classicale Vergaderingen tot luistercolleges. Geen geestelijk centrum meer, tot onderling beraad over het geestelijk wel en wee der classis en der geheele Kerk; slechts geschikt om een zestal te formeeren en om over de classicale weduwenbeurs te delibereeren. In de plaats der vroegere kerkelijke vergaderingen, grondpijler van het Gereformeerde Kerkrecht, zijn de besturen gekomen. De Kerk van 1816 is besturenkerk geworden.

|23|

Het vetorecht der provinciale Kerkbesturen komt in deze Kerkorde nog niet voor. Een dergelijk ingrijpend recht zou hier niet passen, daar immers de Koning zelve zich het laatste woord in alle zaken had voorbehouden. Daarvoor kwam eerst plaats toen de Overheid de Kerk vrij liet, in 1842. Art. 15 werd daarop in 1843 dan ook ingrijpend veranderd. Maar wel vinden we in 1816 reeds dat wijzigingen in het Algemeen Reglement niet kunnen plaats vinden zonder voorafgaande overweging bij het Sijnode, „hetwelk echter, vóór en aleer ten dezen besluit te nemen, daarop de consideratien zal inwinnen van de provinciale kerkbesturen”. Prof. Gerretson, in zijn aangehaald voorwoord, geeft hiervan de volgende verklaring: „....om nu de Kerk een afdoenden waarborg te geven voor de handhaving van haar historisch karakter, werd aan de Provinciale Besturen een soort veto gegeven tegen mogelijke pogingen tot revolutionaire inbreuken van het centraal Kerkbestuur op haar eigenheid als geestelijk lichaam. Het doel van deze exorbitante bevoegdheid der Provinciale Besturen is dus oorspronkelijk: bescherming van het recht der historische Kerk tegen ev. machtsmisbruik van een dictatoriaal-opgelegde centrale organisatie”.

Tenslotte zij hier nog gewezen op de ingevoerde ongelijkheid tusschen de predikanten onderling. Vroeger hadden allen gelijk gestaan en kon niemand zich inbeelden als het ware een hooger ambt te hebben. Nu ontstonden er colleges van „hoogeerwaarde heeren” zooals de ambtelijke titel der leden van Synode en Provinciaal Kerkbestuur nog altijd luidt.

 

§ 10. De reactie der Kerk.

De gangbare meening is dat de Kerk, behoudens een protest van de Classis Amsterdam, zich de organisatie van 1816 — en dan meestal zelfs zeer gaarne — heeft laten welgevallen. Dr. van Loon heeft in zijn dissertatie in het bijzonder dit punt nog eens zorgvuldig onder de loupe genomen. Het protest van de classis Amsterdam heeft inderdaad het meeste te beteekenen gehad, is dan ook het eenige geweest, dat niet tusschen het stof der archieven verborgen is kunnen blijven, maar algemeen bekend geworden is. Daarnaast blijken echter ook de classes Tiel, Haarlem, Utrecht, Delft en Delfland, Tielerwaard en Gorinchem te hebben geprotesteerd, terwijl een zeer principieel schrijven van de Waalsche Kerk van Dordrecht is uitgegaan tot den Koning. Nog minstens twee andere classes hebben zich slechts om min of meer toevallige redenen niet tot den Koning gericht.

|24|

Het protest der Classis Amsterdam sprak de vrees uit voor een te grooten invloed van den Commissaris-Generaal op de Kerk, vooral waar in het geheel niet vast stond dat deze zelf Hervormd zou moeten zijn; bovendien hadden deze wijzigingen uit den boezem der Kerk moeten komen; wat zou daar in de toekomst niet uit kunnen voortkomen. Het steeds door de voorouders van Z. M. beschermd gezag der opzieners over de leer was nu in andere handen komen te liggen; verder was het kleine getal der leden der diverse besturen in strijd met art. 31 der Ned. Geloofsbelijdenis.

Dit adres heeft, volgens Dr. van Loon, het Departement geducht laten schrikken. Met de zelfingenomenheid, die ook in dien tijd zoo welig bloeide, werd al dadelijk van „zeer ongegronde en ongepaste onrust” gesproken en aan de classis haar ondankbaarheid voor de bemoeiingen en goede zorgen des Konings verweten. Bovendien — en dit zinnetje is van zeer groote beteekenis geworden voor onze Kerk — werd aan de classis geantwoord; vrees voor dwalingen op het gebied der belijdenis is volkomen overbodig daar „het Synode thans — in tegenstelling tot de Dordtsche Synode? — niet opgeroepen werd om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen”. Men moest weten te onderscheiden tusschen geloof en kerkbestuur. Met het eerste bemoeide de Overheid zich volstrekt niet, alleen het laatste viel op het terrein der staatsregeling.

Het verst ging het adres der Dordtsche Walen; zeer terecht wordt hier het recht des Konings om zich met de organisatie der Kerk te bemoeien op grond van de Grondwet ontkend. Het gevolg was dan ook dat Z.M. buitengewoon beleedigd was en dat Ds. Merkus, die ook de eerste Ringvergadering niet had willen bijwonen, een scherpe berisping des Konings ontving.

Voor verdere protesten bestond de gelegenheid niet, daar tegen 31 Maart 1816 de bestaande Classicale Vergaderingen ontbonden waren — en bovendien de koninklijke antwoorden op de protesten den lust daartoe niet konden aanwakkeren. Het verzet — zooals deze waardige pleidooien voor het goed recht der Kerk op haar vrijheid beschouwd werden — moest zoo spoedig mogelijk en zoo krachtig mogelijk worden neergeslagen, aldus de meening en de houding van Janssen en Repelaer van Driel.

Op de vraag naar het recht des Konings tot invoering dezer Kerkorde is niet zoo heel gemakkelijk een antwoord te geven. Voor ons tegenwoordig rechtsbesef en ook rekening houdend met de bestaande Dordtsche Kerkorde, al was die dan ook niet overal in denzelfden vorm en zonder reserve ingevoerd, beteekent de invoering

|25|

van dit Algemeen Reglement weinig minder dan een revolutionaire staatsgreep van Janssen en zijn successievelijke superieuren op het terrein der kerkinrichting. Ook de tekst van de Grondwet van 1815 bevat geen enkel uitgangspunt voor zoo ver gaande staatsbemoeiing. Zoolang echter de juristen hierover verschillend oordeelen, beperk ik mij liever tot het oordeel van Dr. van Loon aan het slot van zijn dissertatie (pag. 222): „Het Reglement was dan ook een kerk- en staatsrechtelijke knoop, die nóg niet ontward is....”

Minder overtuigend is echter Dr. van Loons argumentatie ten aanzien van de kracht der classicale protesten. Ook de Ned. Hervormde Kerk mag hem dankbaar zijn voor zijn waardevol bronnenonderzoek op dit punt. Het resultaat blijft echter tegenvallen. Het was slechts een zeer kleine minderheid die protesteerde, de inhoud der protesten raakt vrijwel nergens het recht des konings tot invoering dezer bepalingen en de klagers hebben zich toch wel zeer spoedig laten gelijkschakelen. Dat de invoering van dit Reglement allerminst noodzakelijk was, daar de bestaande organisatie was blijven functionneeren, zij met dankbaarheid geconstateerd. Maar helaas leefde in de heele Kerk maar heel weinig meer van het besef dat de terreinen van geloof en kerkinrichting zich niet op z’n Janssens laten scheiden, maar dat de zaken der Kerkordening in de Belijdenis en in Calvijns „Institutie” terecht hun plaats hebben. Wanneer wij er van uitgaan dat het de taak der Kerk in alle eeuwen is, de opkomende dwaling te bestrijden, dan was zij zelve toch wel zeer sterk door deze dwaling aangetast en heeft ongeoorloofd vlug de wapens gestreken.

Met dit alles is niet gezegd, dat Z.M. Koning Willem I of zelfs dat Repelaer van Driel en Janssen, iets anders dan het goede voor onze Kerk hebben bedoeld en willen zoeken. We citeeren nog eenmaal het reeds genoemde voorwoord van Prof. Gerretson: „....men moet het Eeredienst-archief uit dien tijd kennen, om te waardeeren, hoe zuinig, hoe trouw, hoe vol liefde de Koning de vervallen zaken der Kerk heeft behartigd. Maar zij vorderde ook voortdurend overleg met de Kerkbesturen; dat deed de voorkeur geven aan kleine, besluitvaardige, liefst permanente commissies boven ouderwets-besogneerende breede vergaderingen. De Kerk waardeerde aanstonds die „nieuwe zakelijkheid”...."

Ook dit oordeel willen we gaarne aanvaarden en laten gelden. Maar daarnaast blijven we toch wel voor één groote vraag staan: of bij al deze liefdevolle bemoeiingen wel voldoende besef was voor het eigensoortig karakter der Kerk als gemeente van Jezus Christus, den Gekruisigde, die in deze wereld nu eenmaal steeds een aparte

|26|

plaats zal innemen. Hoe meer de Kerk zich daarvan bewust is — en dat de regeering het in 1816 zoo slecht wist, komt toch allereerst daaruit voort, dat de Kerk zelve dit besef zoo sterk was kwijt geraakt — hoe minder zij zich zal kunnen laten gelijkschakelen tot een onderdeel van een der departementen van algemeen bestuur. Of zooals Ds. Gravemeyer het eens praegnant uitdrukte: „zooals er een ministerie van Waterstaat was voor de irrigatie van ons land, zoo ontstond het ministerie van Eeredienst, als het ware voor de geestelijke irrigatie van ons volk”. Zoolang de Kerk zelve niet verstond dat dit met haar wezen in strijd is, kunnen wij haar van „schuld” aan de organisatie van 1816 niet vrijpleiten.

 

§ 11. De latere wijzigingen in het Reglement van 1816.

Reeds eerder — en wel in de noot bij par. 8 — wezen wij erop dat het Algemeen Reglement van 1816 en ons tegenwoordige Alg. Regl. niet geheel gelijkgesteld mogen worden. Al gaat de strijd tot reorganisatie dan ook meestal tegen „1816”, en al is het ook stellig waar dat het Reglement van toen en het huidige zeer nauwe verwantschap toonen en dezelfde grondgedachten blijven verraden, toch zijn er in den loop der vorige eeuw eenige belangrijke wijzigingen in aangebracht, die voor een goed verstaan der tegenwoordige verhoudingen kort ter sprake moeten komen.

Allereerst dan de verhouding tot de Overheid. In 1842 verklaarde de regeering dat wijzigingen in het Algemeen Reglement van de Kerk zelve uit moesten gaan en dat zij daarop geen invloed behoorde uit te oefenen. In 1843 werd art. 15 van het Reglement dan ook gewijzigd. Voortaan zou de Koning slechts zijn goedkeuring hebben te geven. De wetgevende macht zelve kwam bij de Synode.

Nog verder ging de Grondwetswijziging van 1848, die algeheele scheiding van Kerk en Staat wilde doorvoeren. Een nieuw reglement van 1852 werd langs kerkelijken weg tot stand gebracht. De Staat liet de Kerk vrij, op 11 reserves na, die in 1870 ook nog werden ingetrokken. Thans behoeft onze Kerk haar reglementswijzigingen alleen maar aan de Regeering mede te deelen.

In 1852 werd de Kerk door den Staat dus vrijgelaten — alleen werd zij niet van haar boeien ontslagen. De besturen, die in 1816 waren ingesteld en sindsdien gehandhaafd, hieven nu ook in functie, de bepalingen van toen bleven nu ook gelden. Vanaf 1816 tot 1852 had de regeering zelve steeds de gelegenheid gehad terug te keeren tot de oude Kerkorde; toen zij in 1852 de Kerk vrij liet moest terugkeer daartoe van de Kerk zelve uitgaan. Een gevangene kan men

|27|

vrij laten en van de boeien ontslaan — maar wanneer men hem vrijgelaten heeft met boeien en al, moet hij verder zich zelf maar zien te redden. Aan onze Kerk is deze laatste taak niet gemakkelijk gevallen. Bijna 100 jaar heeft zij geworsteld om zich ook verder van de reglementen van 1816 los te maken. Intrekking van de Koninklijke Besluiten van 1816 en 1852, zooals onlangs nog geëischt werd (zie par. 30), kon niet meer baten. Sinds de Overheid de Kerk vrijgelaten had, had zij het recht prijs gegeven zich met haar organisatie te bemoeien. Alleen de Kerk kon langs reglementairen weg haar Kerkorde veranderen. Anders vallen wij van de eene revolutie in de andere en was het laatste erger dan het eerste.

Daarnaast werd in 1852 een begin gemaakt met uitbreiding van het getal der ouderlingen in de besturen: tegenwoordig geldt als regel: één ouderling op iedere twee predikanten. Op zichzelf gezien blijft dit nog een vreemde verhouding, maar het is in ieder geval een groote verbetering, in verhouding tot 1816. Het recht der gemeente en de afwijzing van een aparten „geestelijken stand”, een clerus, als bij Rome, worden pas duidelijk uitgedrukt, wanneer het aantal ouderlingen aan dat der predikanten geheel gelijk is — al zal ongetwijfeld in vele gevallen de ouderling zelve het meeste schrikken van zijn nieuwe positie, die naast erkenning ook verplichtingen medebrengt.

Zeer belangrijk is ook het huidige art. 23 geworden, waarin het beroepingsrecht bij de gemeenten komt te liggen. Deze bepaling leidde in 1867 tot de invoering der kiescolleges, die vooral in den richtingsstrijd een verbazenden invloed hebben gehad. Kerkrechterlijk gezien zijn dit wel zeer vreemde verschijnselen aan onzen kerkelijken hemel: nimmer tevoren toch was de gemeente zelfstandig geweest om zonder de leiding van het ambt te gaan kiezen. Zuiver democratisch is deze invoeging zeer zeker, maar ook zuiver kerkelijk? Toch is de macht van den Kerkeraad om zonder de Gemeente zijn gang maar te gaan, niet minder onjuist en daarom had men, zoolang deze bepalingen hadden gegolden, iedere tien jaar opnieuw tusschen twee kwaden moeten kiezen, waarbij m.i. plaatselijke opportuniteitsoverwegingen den doorslag hadden moeten geven. Immers noch het een noch het ander is aanvaardbaar. Medezeggenschap der Gemeente, onder leiding van den Kerkeraad: zoo zal het thans worden. Eventueel zelfs de mogelijkheid dat de Gemeente uitspreekt, dat de Kerkeraad haar vertrouwen niet meer heeft — bij excessen — waarop dan het Classicaal Bestuur zou moeten ingrijpen. Principieel is hier veel tegen, dat geef ik gaarne toe, maar zoolang ook Kerkeraadsleden zondaren zijn, moet er de een of andere uitlaatklep wezen.

|28|

Tenslotte vermelden wij nog drie kleinere verschillen tusschen „1816” en het huidige Algemeen Reglement: sinds 1852 is de groote opbouw omgekeerd en wordt eerst gesproken over gemeenten en ringen, daarna over de Classicale Besturen. Dan komen de Provinciale Kerkbesturen, terwijl de Synode en de Algemeene Synodale Commissie pas aan het eind komen. Aan een opmerking uit een brief van Van Hogendorp aan Janssen, die hem in 1815 reeds op de wenschelijkheid daarvan gewezen had, is dus in 1853 gevolg gegeven.

En dan: tegenwoordig kunnen de leden der Classicale Besturen niet meer in de Provinciale Kerkbesturen zitting hebben. Wel kunnen leden dezer laatste opgaan ter Synode, maar de oude hierarchische situatie, dat de praeses van het Classicaal Bestuur ambtshalve zijn classis in het Provinciaal Kerkbestuur vertegenwoordigde en misschien ook nog wel zitting had in de Synode, is toch verdwenen.

Eindelijk: in 1874 werd ingevoerd dat ook de Classicale Vergaderingen hun consideraties moesten geven over de Synodale voorstellen (en niet langer alleen de Provinciale Kerkbesturen), waardoor deze iets van hun oude beteekenis terugkregen.

Bronkhorst, A.J. (1945) III

 

III. Van 1816 tot 1940.

 

§ 12. De Kerk en de belijdenis.

Tot nu toe hebben we nog niet veel aandacht geschonken aan dat punt uit ons onderwerp dat in de 19de eeuw juist het allerbelangrijkste zou worden, namelijk de vraag naar de verhouding van het Kerkbestuur tot de belijdenis. Daaromtrent had de Dordtsche Kerkorde zeer duidelijke lijnen getrokken. Art. 53 D.K.O. bepaalt dienaangaande: De Dienaars des Woords Gods, en eveneens de professoren in de theologie (en voor de andere professoren is het niet minder betamelijk) zullen de Geloofsbelijdenissen der Nederlandsche Kerken onderteekenen...... Insgelijks zullen ook de schoolmeesters gehouden zijn deze artikelen, of in de plaats daarvan de Christelijke Catechismus te onderteekenen.... (art. 54).

Bij alle terughouding (het wordt dus alleen van die personen gevraagd, die dank zij hun ontwikkeling instaat geacht mogen worden te weten wat zij doen, wanneer zij hier hun handteekening zetten; van het latere gesol met de onderteekening van de drie Formulieren van Eenigheid is hier nog geen sprake; bijzonder opmerkelijk is de reserve ten aanzien van de onderwijzers) wordt hier dus een vaste lijn getrokken. De predikanten, die de

|29|

onderteekening zullen weigeren komen in aanmerking voor schorsing en afzetting (tweede gedeelte art. 53).

Wat bepaalt hierover nu het reglement van 1816? In art. 9 lezen wij: de zorg voor de belangen, zoo van het christendom in het algemeen, als van de hervormde kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van godsdienstige kennis, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het kerkelijk bestuur belast zijn.

Op zichzelf is deze bepaling niet verontrustend. Voor wie eerlijk leest wat er staat, wordt toch vastgesteld dat de leer, de bestaande leer der Kerk, moet worden gehandhaafd. Men kan toch moeilijk anders lezen dan dat juist in hun werk als kerkbestuurders de komende functionarissen o.m. de leer zullen hebben te handhaven. Op deze bepaling werd dan ook telkens door Repelaer van Driel in zijn antwoord aan de protesteerende classes gewezen.

Nu kreeg de optredende Synode echter nog een gansch niet onbelangrijk cadeautje van de regeering als geboortegeschenk mede. In zijn antwoordbrief aan de classis Amsterdam hoorden we Repelaer van Driel immers verklaren dat de Synode „thans niet opgeroepen werd om leerstellige geschillen te beslissen maar om de Kerk te besturen”. Het was alleen maar jammer dat de Commissaris-Generaal vergat om er bij te vertellen, wie dan wel aangewezen was om leergeschillen te beslissen. En verder is het moeilijk om te begrijpen hoe deze taakaanwijzing zich rijmen laat met de verplichting van art. 9 om de leer te handhaven. Al geeft hetzelfde antwoord op deze laatste vraag meteen bescheid: de handhaving der leer is dan ook niet te verstaan als het zitten als rechter over leergeschillen, maar als het besturen en bevorderen van zulke instellingen, waardoor de bewaring der christelijke leer wordt gewaarborgd (aant. 1 bij art, 11 v. h. Alg. Regl. in „De Reglementen der Ned. Herv. Kerk”, offic. uitgave der Synode, 5de druk). Dus wel opvoedkunde, maar geen tuchtrecht!

Deze laatste opvatting was bovendien geheel in overeenstemming met de wenschen van de optredende Synode zelve. In ieder geval waarin van haar handhaving der leer gevraagd werd, antwoordde zij dat zij niet geroepen was om rechter te zijn in leergeschillen. Bovendien werd bij het examen der candidaten alleen onderzoek gedaan naar de kennis, niet naar het geloof of de belijdenis der aanstaande predikanten. En de onderteekeningsformule bleek dubbelzinnig uitgelegd te worden: men liet de candidaten onderschrijven,

|30|

dat zij de leer, welke, overeenkomstig Gods Heilig Woord, in de aangenomen (dit woord er tusschen, omdat men de Dordtsche leerregels wilde uitsluiten, waarvan men dacht dat ze niet overal ingevoerd waren — zie Vos, pag. 407) formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk is vervat, te goeder trouw aannamen en hartelijk geloofden en naarstig zouden leeren en handhaven. ... maar verzette zich niet toen geleerd werd dat dit „welke” slechts de kracht had van een alles openlatend „voorzoover”.

Wij zouden door kunnen gaan. Behalve de proponentsformule zouden de belijdenisvragen en de bepalingen van het Reglement voor Kerkelijk Opzicht en Tucht aan de orde kunnen komen. Steeds zou hetzelfde blijken: de Synode was niet alleen niet bereid om de leer te handhaven door als rechter te zitten over leergeschillen, maar zij was ook niet van zins om ernst te maken met haar taak om „zulke instellingen te bevorderen, waardoor de bewaring der christelijke leer wordt gewaarborgd”. Hoe had zij dat immers gemakkelijker kunnen doen dan door haar eigen reglementen! De Synode zelf heeft het antwoord van Repelaer van Driel aan de Classis Amsterdam tot een leugen gemaakt.

 

§ 13. De gevolgen van het Algemeen Reglement van 1816.

De conclusie uit dezen feitelijken gang van zaken moet dus wel even anders luiden, dan in den kerkelijken strijd onzer dagen veelal gemeend wordt. Het Algemeen Reglement van 1816 is slechts inzooverre verantwoordelijk voor de kerkelijke ontwikkeling der 19de eeuw, als het de mogelijkheid daarvoor gegeven heeft. Met „1816” had de ontwikkeling ook geheel anders kunnen verloopen. Wanneer de benoemde Kerkbestuurders vervuld waren geweest van een brandend verlangen om waarlijk de zaak van het Evangelie van den Gekruisigden en Opgestanen Christus en van Zijn Kerk in deze wereld te dienen en de wijsheid dezer wereld wat meer als dwaasheid hadden doorschouwd, dan was ook een geheel andere ontwikkeling denkbaar geweest. Helaas, de benoemde functionarissen kwamen ook van de lijsten van Janssen, die reeds sinds 1809 gegevens verzameld had en goed bijgewerkte staten klaar had liggen, waarop natuurlijk de namen van zijn geestverwanten prijkten. En de geest van Janssen was die van een „evangelisch Christendom”, waarin onze rede en onze deugd een breede plaats innamen, en ruimdenkendheid en verdraagzaamheid voor een Kerkbestuurder hoofdvereischten waren. Nu zijn dit natuurlijk allemaal op zichzelf

|31|

prachtige zaken, maar hem die weet wat de negentiende eeuw er mee bedoelde, slaat de schrik om het hart. Vandaar dat de gematigdheid de leidsvrouwe der Synode ging worden. Wees niet al te goddeloos, maar wees vooral niet al te rechtvaardig, zoo kunnen wij het gedrag der Synode globaal genomen wel typeeren. Het streven der Synode komt zeer schoon uit in het synodaal zegel der Kerk. Spreuk der Synode is 1 Cor. 11: 40: Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Wij hopen dat de Generale Synode, reeds in haar eerste zitting, dit zegel aan de Alg. Syn. Commissie zal vermaken en zelve een kerkelijker motto zal aannemen. Mogen we Hand. 5: 29b eerbiedig in overweging geven?

Als derde factor, naast het reglement en de benoemde uitvoerders daarvan, komt nu ook nog dat de geest der eeuw heel sterk in dezelfde richting ging. In breede lagen der Kerk was men voldaan en er behoorde bijzondere moed toe om uit te spreken, dat men niet voldaan was. Ook vanuit de Kerk zelf kwamen vrijwel geen stemmen, die anders leerden. Slechts heel langzaam aan begon het verzet te ontstaan en te groeien.

Maar toen het dan eindelijk kwam toen kon het gemakkelijk worden afgewezen en neergeslagen. Dat is het groote bezwaar van de organisatie van 1816: dat de geestelijke vragen nergens ter sprake kunnen komen. Men kan individueel protesteeren en grieven kenbaar maken, maar men kan niet tot kerkelijke beslissingen komen. De Synode kan alles naast zich neerleggen wat vanuit de Kerk tot haar komt. In de eerste jaren, toen de Koning de Kerkbestuurders nog benoemde, stond de leiding der Kerk heelemaal „met den rug naar de Kerk toe” gekeerd. Sinds 1852, en heelemaal sinds 1867 (invoering der Kiescolleges, zie par. 11) kan men dit niet meer zoo sterk zeggen. Maar in de praktijk van het verkiezen en benoemen was de wet der traagheid oppermachtig. Men moest vele jaren in een bepaalde Classis gewoond hebben, om in de Synode te geraken. Langzamerhand ontstond er dan ook zooiets als een „Synodale mentaliteit”, die zoo gefascineerd was door de schoonheid van den Reglementenbundel, dat zij voor de levende belangen, vragen en nooden van het kerkelijk leven geen oog meer had. De macht van deze mentaliteit was zelfs zoo groot, dat meerdere strijders tegen den besturengeest der Kerk, zelf eenmaal op het kussen aangeland, er volkomen door bedorven werden. Dit is een zeer hard oordeel, maar ik vrees toch dat het niets te hard behoeft te worden genoemd.

Wanneer wij dan ook de balans opmaken ten aanzien van de gevolgen van het Algemeen Reglement van 1816 voor de ontwikkeling

|32|

onzer Kerk, dan is er weinig reden tot juichen. Met dankbaarheid mag worden geconstateerd, dat de Kerk nu ook organisatorisch een eenheid werd, in een mate als voordien eigenlijk nog nooit het geval was geweest. Het oude Provincialisme der Republiek was grondig overwonnen en daarheen verlangen we dan ook niet terug.

Maar anderzijds zijn de verliesposten groot. De 19de eeuw is de tijd van de afscheidingen geworden, van de verscheuring van het Gereformeerd Protestantisme in ons vaderland, Zoowel 1834 als 1886 zijn zwarte jaren in onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis, en we zijn er in ons hart van overtuigd dat de houding der Kerkbesturen hier toch wel een voornaam stuk schuld aan heeft. Al mogen we dan ook op grond van theologisch-kerkelijke overwegingen — die ik persoonlijk van harte deel — betoogen dat de ziekte der Kerk geen reden mag zijn om haar den rug toe te keeren, toch kunnen we niet anders dan met groote droefheid en diepe schaamte over de houding der Kerkbesturen in 1834 en de jaren onmiddellijk daarna en in de jaren voor 1886 terugdenken. Zelfs wanneer men Kuyper meer als revolutionnair dan als reformator ziet, vraagt men zich toch wel af, wie al dat kruit gereed gelegd had, waar hij zoo gemakkelijk de lont in kon steken.

Behalve de afscheidingen der 19de eeuw, die het leven der Kerk onberekenbare schade hebben toegebracht, ontmoeten we ook een voortdurende daling van den invloed der Kerk in het volksleven. Eenerzijds werd de Kerk steeds meer zwijgende Kerk. Hoewel de maatschappelijke structuur van Europa in deze jaren volkomen veranderde, het arbeidersvraagstuk dringend om een oplossing riep, de emancipatie der vrouw naar voren kwam, de 20ste eeuw het tijdperk der jeugd worden ging, sinds den vorigen wereldoorlog de huwelijksnood steeds hooger steeg — problemen, die toch allereerst vragen van geestelijken aard behooren te worden genoemd — van de Kerk kwam geen woord van bemoeienis, van voorlichting, van richtinggevenden aard, gedragen door een waarachtige bewogenheid. Zelfs op de laatste groote werkloosheid, een massaverschijnsel van onberekenbare gevolgen, heeft de Kerk vrijwel niet gereageerd, zelfs niet door het uitschrijven van een Bidstond, wat toch niet de minste moeite met zich mee had gebracht. „En Gallio trok zich niets van deze dingen aan....”

Vervolgens constateeren we met verdrietige verwondering, dat de Kerk zich zelfs met die dingen, die toch regelrecht op haar eigen terrein lagen, niet heeft willen inlaten. Zoowel de Inwendige als de Uitwendige Zending moesten zich organiseeren als buitenkerkelijke

|33|

organisaties. Zij namen een breede vlucht, het mag worden gezegd, maar de leiding der Kerk keek er niet naar om. En ook de gemeente liet deze dingen over aan de Zendings „vrienden”. Heden ten dage is er iets aan het veranderen, wel allermeest door den invloed van Prof. Kraemer, het zij met blijdschap geconstateerd, en 1945 zal hoogstwaarschijnlijk wel het jaar worden dat de plaatselijke en de classicale Zendingscommissies in de Reglementen brengt, maar nog altijd is het evenzeer waar dat voor het besef van breede groepen in de gemeente deze dingen er toch maar zoo'n beetje bij hangen.

Niet minder verwaarloozing ontmoette het Jeugdwerk. De Zondagsschool, de jongelings- en meisjesvereenigingen ontstonden, en mochten zich organiseeren in vereenigingen. Van de zijde der Kerk in haar officieele organen was er niet de minste belangstelling voor al dezen arbeid. Zijn deze onderdeelen van het geestelijk werk in de gemeente, die bij alle gebreken, die er ontegenzeggelijk aan verbonden waren en zijn, toch een geweldigen zegen hebben mogen brengen en aan velen den weg des levens gewezen hebben, ooit in de Synode ter sprake geweest? Werd ooit op een Classicale Vergadering verslag daar over uitgebracht? Was ooit de Synode vertegenwoordigd op een jaarvergadering der betreffende organisaties? Ik weet het niet zeker, maar ik vrees dat de antwoorden eenparig ontkennend zouden moeten luiden.

In dezelfde lijn ligt ook de houding der Kerk tegenover het onderwijsvraagstuk. Een „tachtigjarige schoolstrijd” is in ons land gestreden; maar de belangstelling van de Hervormde Kerk voor het onderwijsvraagstuk is nog geen vier jaar oud. En de plaats van het Evangelie in de opvoeding der jeugd raakt de Kerk toch wel zeer wezenlijk.

Om hetzelfde nog eens in de woorden van Ds. Gravemeyer te zeggen: „de kast met al de ruim 100 dikke deelen „Handelingen der Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk” klaagt ons aan. Achter ons ligt een eeuw van worsteling op wetenschappelijk gebied, op maatschappelijk gebied, op sociaal gebied, op zedelijk gebied. Maar al die deelen in het Archief der Synode weerspiegelen van dien strijd.... geen letter”.

De klachtenlijst begint reeds lang te worden. We hoorden van de afscheidingen der 19e eeuw. We stonden stil bij het schuldig gebrek aan belangstelling, aan waarachtige bewogenheid, ten aanzien van al datgene wat samenhing met den nood van groote groepen in ons volksleven. We verwonderen ons dat zelfs datgene wat Repelaer van Driel had aangewezen als taak der Synode „het besturen en bevorderen van zulke instellingen, waardoor de bewaring der

|34|

Christelijke leer wordt gewaarborgd....” (zie par. 12), door haar verwaarloosd is. Reeds deze vruchten gegroeid aan den boom van het Algemeen Reglement van 1816, zijn verre van smakelijk. Het allerergste hebben wij echter nog niet genoemd: de Kerk van 1816 werd de Kerk van den richtingsstrijd. Toen in de dertiger jaren der vorige eeuw de zoogenaamde „Evangelische theologie” der Groninger professoren de door de Kerk van vele eeuwen veroordeelde dwalingen van Arius, Pelagius en Socinus hernieuwde en op vele kansels bracht en daartegen door de „Zeven Haagsche Heeren”, waaronder D. van Hogendorp, A. Capadose en G. Groen van Prinsterer bij de Synode geprotesteerd werd, verklaarde deze „dat geen kerkbestuur als zoodanig bevoegd was om in leergeschillen uitspraak te doen” (samenvatting van Reitsma, pag. 495). Toen omstreeks 20 jaar later de „moderne richting” opkwam onder de vlag van de wijsbegeerte„den mensch met zich zelven verzoenende” (Opzoomer), die van het Evangelie van Gods genade weinig meer dan het vaderschap Gods en een min of meer Christelijke zedeleer overhield (het „oud-modernisme”), sprak de Synode (in 1864) van de „wettelijk bestaande leervrijheid”. De Synode wenschte zich overal buiten te houden. Twee woorden komen ons hierbij in de gedachten. Allereerst de in de laatste jaren uit den reorganisatiestrijd bekend geworden uitspraak van een der leden der Synode „de Kerk heeft rust noodig”. Anderzijds een woord van Hoedemaker: „Al wat de mensch in strijd met Gods wil zoekt, dat ontvlucht hem; al wat hij langs dezen zelfden weg zoekt te ontvluchten, dat valt hem ten deel”. Vreeselijk werden immers de gevolgen van deze houding der Synode. De strijd der richtingen woedde als een kanker in het lichaam der Kerk. De zoo begeerde rust ontvluchtte haar. Bij iedere tienjaarlijksche stemming, in vele gemeenten zelfs bij iedere verkiezing voor gemachtigden in het Kiescollege laaiden de hartstochten van den partijstrijd, die met het principieele verlangen de waarheid te dienen maar al te gemakkelijk samengaan, hoog op. Niet minder dan 300 zoogenaamde „richtingsevangelisaties” werden opgericht, in plaatsen waar een minderheid zich met de officieele prediking niet vereenigen kon. Velen verlieten de Kerk en gingen over naar de Gereformeerde of Chr. Geref. Kerken aan de eene, naar de Remonstrantsche Broederschap of Doopsgezinde Sociëteit aan de andere zijde.

Was dit alles noodzakelijk gevolg van het Algemeen Reglement van 1816? Zeker, de Synode kon gehouden worden aan de uitspraak van Repelaer van Driel, dat zij thans niet opgeroepen was om rechter te zijn in leergeschillen. Maar zelfs wanneer zij dat niet wenschte te zijn, was toch een heel andere houding mogelijk geweest. Geestelijke

|35|

leiding geven, moedig zelve voor de waarheid uitkomen, de lijnen strak en zuiver trekken, ook in de reglementen, was toch mogelijk geweest, zonder dat er één predikant ot zelfs maar één gemeentelid gecensureerd had behoeven te worden. Hoe anders had alles kunnen zijn.... Wanneer de Synode dit gewenscht had; daar is „1816” onschuldig aan. Of: wanneer de gemeente, het ambt, de classicale vergaderingen niet onmondig waren gemaakt; en dat is regelrecht gevolg van de toen ingevoerde Kerkorde.

Zoo schijnt ons eindoordeel over het resultaat van het werk van Janssen in 1816 al even negatief te moeten uitvallen als dat over zijn werkmethode. En toch, ook hier kunnen we, misschien niet zonder verdriet over alles wat zoo heel anders had kunnen zijn, niet nalaten te denken: menschen hebben — meenend het goede te doen — ten kwade gedacht, maar daar bovenuit heeft God ten goede gedacht. Een buitengewoon hooge prijs is als leergeld betaald, door groote schade en diepe schande heen zijn wij wijs moeten worden. Maar eenerzijds heeft juist het Reglement van 1816 in breede kringen er de oogen voor kunnen openen, dat de vragen der Kerkorde geen onverschillige zaken zijn, die met het geloof niets hebben uit te staan. Wij hebben weer begrip kunnen krijgen voor het eerstgeboorterecht dat ons in de grondbeginselen van het Gereformeerd Kerkrecht geschonken was. En anderzijds: de organisatie van 1816 heeft toch ook conserveerend gewerkt. Nog altijd zijn de drie Formulieren van Eenigheid, hoewel niet gehandhaafd, toch ook nooit officieel afgeschaft en ongeldig verklaard. De Zwitsersche Kerken hebben in den loop der 19de eeuw zich ook officieel losgemaakt van alle belijdenisgeschriften uit den Hervormingstijd. Daar zijn deze stukken tot bloot historische documenten geworden. In onze Kerk zijn zij nog steeds de bodem, waarop wij bij onze gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift hebben te staan. Janssen heeft ons wel een nieuwe Kerkorde kunnen vereeren, maar die Kerkorde zelve heeft het onmogelijk gemaakt dat ook de belijdenissen onzer Kerk in zijn geest gewijzigd zijn. De geheele 19de eeuw door en tot op onzen dag staat de belijdenis onaangetast en onaantastbaar boven de partijen. Nu het zich laat aanzien dat de geestelijke mentaliteit, die de mannen van 1816 bezield heeft zoo langzamerhand tot het verleden gaat behooren en de Kerk zich steeds sterker bewust gaat worden van de schatten, die niet aan de wereld, maar juist aan haar in het Evangelie zijn toevertrouwd (om mee te werken, natuurlijk!) constateeren wij met dankbaarheid dat de weg naar het geestelijk verleden onzer Kerk niet is afgebroken, alleen maar geblokkeerd.

|36|

§ 14. Cultusgemeenschap of Zendingskerk?

Zijn al deze verwijten billijk? Mogen al deze bemoeiingen werkelijk van een levende Kerk gevraagd worden? Wordt haar terrein daarmede niet ver uitgebreid buiten de grenzen van haar eigenlijke taak? Is het niet veelmeer de opdracht der Kerk om zich te bemoeien met de „geestelijke” vragen in engeren zin? Hoe de mensch zalig wordt en de ziel in den hemel komt? Kunnen we de Kerk niet het beste typeeren als een „cultusgemeenschap”, waarin gelijkgezinden en gelijkgestemden samenkomen ter gezamenlijke bevrediging van hun religieuze behoeften?

Wanneer dit juist zou zijn, zou het er in onze Nederlandsch Hervormde Kerk toch nog veel gunstiger uitzien dan in par. 13 geteekend werd. Vele streken van ons vaderland leven immers in vrede en aangename rust in kerkelijk opzicht. Richtingsstrijd kent men niet, of men heeft een modus vivendi, een of ander compromis, weten te bereiken, waaraan men zich in onderlinge achting houdt. Of men heeft den richtingsstrijd weten „op te lossen” door de stichting van een evangelisatie, waar men ’s Zondags samenkomt en zelfs het H. Avondmaal viert en voor den Doop en de belijdenis is er een niet al te bezwaarlijke regeling. Oorspronkelijk wist men dat dit slechts een tijdelijke noodoplossing kon zijn, maar het is er mee gegaan als met de houten Amstelkerk in Amsterdam: als noodkerk gebouwd heeft zij de eeuwen getrotseerd en het voorloopigheidskarakter is vergeten.

Er zijn Kerken, die er principieel zoo tegenover schijnen te staan: alles gaat om de onderlinge stichting der geloovigen, om de zaligheid hunner zielen in het hiernamaals. We denken bijvoorbeeld aan de Oud-Katholieke Kerk, die bij al haar groote tradities toch weinig meer dan een cultusgemeenschap is. Ook vele Luthersche Kerken, vooral wanneer het Piëtisme de verkondiging is gaan beheerschen en vertroebelen. In de Kerk functionneert dan de priester, met woord en daad, gebaar en spreuk; hij is hier op zijn terrein en dat terrein ligt min of meer afgescheiden van het volle menschenleven, is echt iets speciaals voor den Zondag, maar de werkdagen stellen andere eischen.

Nu ligt het mij verre om de beteekenis van dezen kant van het kerkelijk leven, de troost, opbeuring, stichting, bemoediging, ook den oproep om ernst te maken met de eeuwigheid en het Goddelijk oordeel, ook maar eenigszins gering te schatten. Integendeel, voor dit priesterlijke is er plaats in de Kerk van Jezus Christus, den grooten Hoogepriester. Mits we maar niet vergeten, dat Zijn offer

|37|

het offer ter verzoening der wereld is. Dat Zijn priesterlijk ambt niet los staat van zijn profetische werkzaamheid. Dat Hij Zijn gemeente gesteld heeft om het zout der aarde en het licht der wereld te zijn, een stad op een berg en een kaars op den kandelaar, verlichtende allen, die in het huis zijn.

Het Gereformeerd Protestantisme heeft dan ook van Calvijn — en dat wil dan toch zeggen: uit de Heilige Schrift — van meetaf anders geleerd. De Kerk heeft een taak in deze wereld. Een dienende taak: deze wereld, met haar zorg en leed en strijd, met haar zonde en schuld, met haar hartstochten en daemonieën bovenal, te dienen met de verkondiging van Gods Evangelie en van Zijn heilige Wet, die haar zijn toevertrouwd. Zoo worden volk en wereld gediend, al wordt deze dienst misschien allesbehalve op prijs gesteld. Een dokter weet dat hij de volksgezondheid dient, ook al prefereert de bevolking in plaats van zijn recepten de overgeleverde middeltjes van den kwakzalver.

Dan is de Kerk ook geen cultusgemeenschap meer, maar dan is zij Zendingskerk geworden. Dan is de groote vraag ook niet meer of „ik” wel zeker mag zijn dat „ik” in den hemel kom, maar dan gaat het er boven al om of de naam des Heeren wordt beleden en groot gemaakt. Dan wordt het groote parool: de ijver voor Uw huis heeft mij verslonden.... Dat is de kracht van het Gereformeerd Protestantisme in de Hervormingstijden geweest: het brandend besef: „de dienst van Rome met Paus en mis, Maria en de heiligen is ontheiliging van Gods grooten naam. Daar kunnen wij geen genoegen mee nemen”. Maar dat besef zijn wij al meer dan drie eeuwen kwijt.

Hier ligt tenslotte de allerdiepste grond van den onbevredigenden toestand onzer Kerk. „De Kerk heeft rust noodig” zoo hoorden we. Neen, de Kerk heeft Zendingsdrang noodig, de Kerk heeft apostolische bewogenheid noodig, de Kerk heeft den wagenden geloofsmoed noodig, die uitgaat en weet dat een geloof als een mosterdzaad in staat is om den geheelen berg van een humanistische of een materialistische cultuur in de zee te werpen.

Hier ligt dan ook de groote vraag voor de toekomst onzer Ned. Hervormde Kerk. Hoe kiest zij? Zoo spoedig mogelijk terug naar haar vorigen toestand, tegelijk met Ds. Gravemeyer met pensioen? Of kiest zij den weg van den strijd om de ziel van ons volksleven, om Nederland, als God het genadiglijk geven mag opnieuw te winnen voor het Evangelie van Jezus Christus? Hoe kiest onze Kerk? Cultusgemeenschap? Of Zendingskerk?

|38|

§ 15. Op weg naar reorganisatie.

Wanneer wij thans spreken over de pogingen om tot verbetering in dezen toestand te komen, dan gebruiken wij meestal al spoedig het woord „reorganisatie”. Het is echter goed te bedenken dat dit begrip met zijn tegenwoordigen inhoud pas na tientallen jaren van zoeken en strijden is geformuleerd. Van de verschillende oplossingen, die men in de 19de eeuw aanprees, geven wij hier een kort overzicht 1).

Allereerst denken wij dan aan den zoogenaamden „juridischen weg” van Groen van Prinsterer, die van de besturen vroeg dat zij de leer en dus de belijdenisgeschriften zouden handhaven, daar de Kerk toch recht heeft op prediking overeenkomstig haar eigen belijdenis. Langs den weg van het recht wilde Groen dus de waarheid handhaven en de leugen uitbannen.

Da Costa heeft daartegen echter al verzet aangeteekend: zoo worden de formulieren verabsoluteerd; dit gezag komt in de Kerk alleen aan Gods Woord toe. Voor iederen Protestant heeft altijd het recht van beroep op Gods Woord opengestaan. Zelf verwachtte hij het dan ook eerder van een vrij zich laten uitwerken der waarheid. Dan zou de dwaalleer daardoor wel overwonnen worden.

Chantepie de la Saussaye Sr. was nog verder gegaan en had er op gewezen dat de kennis der waarheid in de sinds 1618-1619 verloopen eeuwen zich ontwikkeld had en dat dus de toenmaals vastgestelde formulieren van eenigheid herziening behoefden.

Gunning verlangde bovendien niet eens zoo erg naar een Kerk met een belijdenis, maar veel meer naar een belijdende Kerk. God werkt immers met Zijn Geest in Zijn Kerk; moge die Geest die Kerk dan ook brengen tot nieuw belijden.

Deze laatste drie stroomingen liggen alle, in tegenstelling tot Groens opvattingen, niet op juridisch, maar op medisch terrein. Men verwachtte niet van rechtspraak, maar van genezing het heil.

Omstreeks 1900 zag Gunning echter scherper dan tot dusverre dat ook de Kerk als geheel een geestelijke roeping heeft te vervullen. En hij begreep dat de leden der besturen de geestelijke bevoegdheid,


1) De gegevens voor deze en de volgende par. zijn ontleend aan de brochure van Ds. C.A. Lingbeek „Schets van de Geschiedenis der Reorganisatiebeweging in de Ned. Herv. Kerk” en Dr. J.Chr. Kromsigt „De Geestelijke achtergrond van den Strijd om Kerkherstel” Veenman, Wageningen, 1925 en aan een artikel van Ds. H.C. Groenewoud in de Gereformeerde Kerk van 20 Juli 1944 „Het voorstel „Groote Synode” in ’t verleden.”

|39|

het ambt, misten, om te doen, wat zij als Kerk hadden moeten doen: naar Gods Woord oordeelen tusschen waarheid en dwaalleer.

Langs anderen weg was ook Hoedemaker tot hetzelfde standpunt gekomen. Toen hebben Gunning en Hoedemaker vereenigd gestreden voor reorganisatie. Daarin zou al het voorgaande tot zijn recht kunnen komen.

Daar de besturen ambtelijk onbevoegd moesten worden geacht om de belijdenis niet wettisch maar geestelijk te handhaven, moesten de oude vergaderingen der Kerk worden hersteld.

Dan zou ook het beroep op Gods Woord open blijven, zooals Da Costa verlangd had. In de kerkelijke vergaderingen kon dit beroep aan het woord komen.

Tevens was dan de weg open voor geestelijk-legitieme ontwikkeling der belijdenis in Bijbelsche lijn, waar Chantepie de la Saussaye op had gewezen.

En op deze wijze zou tenslotte de belijdenis der waarheid door het belijden der waarheid gedragen worden, wat voor Gunning immer de hoofdzaak was.

Langs moeizamen weg had men dan eindelijk het passende antwoord op de invoering der Kerkorde van 1816 gevonden.

 

§ 16. Kort historisch overzicht.

Daar wel beweerd is dat de Kerk door het ontwerp-Generale Synode min of meer verrast is en in deze abnormale tijden niet de gelegenheid heeft gehad er zich rustig op te bezinnen, ja zelfs dat dit geheele voorstel eigenlijk alleen maar van een groepje doordrijvers afkomstig is en de gemeente er niet de minste belangstelling voor heeft, geven wij in deze paragraaf een zeer summier historisch overzicht van de pogingen om tot wijziging van „1816” te geraken. Plaatsgebrek dwingt ons dit in den vorm van een jaartallenboekje te doen. Reeds zoo is dit relaas echter zeer welsprekend in al zijn eentonigheid.

1827 Ds. D. Molenaar schrijft anoniem zijn „Adres aan mijn Hervormde landgenooten”. O.a. instemming met de bezwaren der Classis Amsterdam tegen „1816” ingebracht: voorstel tot bijeenroeping eener algemeene kerkvergadering tot reorganisatie. Ernstige reprimande des Konings het gevolg.

1834 Adressen uit Assen, Smilde, Hoogeveen, Meppel, Steenwijk, Grootegast, Uithuizen tegen de onbepaaldheid der proponentsformule. Afgewezen.

|40|

1841 Adres van Ds. Moorrees met 5 andere predikanten en 8790 leden der Kerk verzoekende terugkeer tot het oude onderteekeningsformulier en de Dordtsche Kerkorde. Afgewezen.

1842 Adres der „Zeven Haagsche Heeren”, dat protesteert tegen de heterodoxe leerstellingen der Groninger theologie; de Synode verklaarde zich in dezen onbevoegd.

1848 Adres der „Christelijke Vrienden” (de leiders van het Réveil in Nederland) verzoekende geen reglementswijzigingen in te voeren zonder de gemeente vooraf te hooren; verder aandringende op handhaving der leer. Voor kennisgeving aangenomen; bereikt werd dat de handhaving der leer niet uit het Alg. Reglement verdween en dat in 1867 de Kiescolleges kwamen.

1873 Stroom van adressen naar aanleiding van de Moderne theologie. Commissie benoemd. Kwam met vier voorstellen. Tweede in Febr. 1874 aangenomen; in den zomer van 1874 weer teruggenomen.

1876 Adressen: 1878: Reglement op de rechten der minderheden; 1879 teruggenomen. Reglement voor facultatieve Kerspelvorming vastgesteld; 1880 teruggenomen.

1884 Voorstel van de rechtzinnige Synodeleden Ringnalda, Roodhuizen en Bredius, dat de Synode zelf zal terugkeeren tot een presbyteriale Kerkorde en tot handhaving der belijdenis. Met 4 stemmen voor verworpen.

1886 Synode stelt „Reglement op de vorming van kerkkringen en parochiën” voorloopig vast.

1887 Synode trekt dit Reglement weer in.

1888 Synode acht het niet geraden thans een ontwerp reglement „op de uitoefening van de rechten van afdeelingen in gemeenten met drie of meer predikanten” vast te stellen.

1889 Adressen van Dr. van Ronkel, ondersteund door Prof. Kleyn, Ds. Felix e.a., van Dr. Hoedemaker en den Kerkeraad van Nijland, ondersteund door eenige Classicale Vergaderingen in Friesland en van Ds. Verhoeff, Ds. Malcomesius e.a. De Synode antwoordde: „De Kerk heeft voor alle dingen behoefte aan rust en vrede. Och, werd zij niet langer noodeloos beroerd”.

1892 Reglement op de Kerkelijke Vereenigingen voorloopig aangenomen.

1893 Weer ingetrokken.

1896 Reglement op de erkenning der rechten der minderheden voorloopig aangenomen; in 1897 teruggenomen.

1900 Concept-Reglement op de Wijkgemeenten; in 1901 teruggenomen.

|41|

1901 Voorstel Gunning-Hoedemaker-Kromsigt, overgenomen door talrijke classicale vergaderingen, tot hervorming der Kerk. Afgewezen. De Synode vond geen termen om aan het verzoek van Prof. Gunning om zijn voorstel in de Synode toe te mogen lichten, te voldoen.

1902 Door vele Classes ondersteunde voorstellen van Amsterdam en van Utrecht tot uitbreiding der bevoegdheid der Classicale Vergaderingen. Door de rapporteerende Synodale Commissie met een Jantje van Leiden afgedaan.

1903 Verzoek van 26 Classicale Vergaderingen om alsnog tot reorganisatie over te willen gaan. Werd afgewezen.

1904 Verzoek om het voorstel van 1902 alsnog te behandelen afgewezen.

1905 Concept-Reglement Slotemaker de Bruïne-Blanson Henkemans, dat in eenige groote lijnen terug wilde keeren naar de Dordtsche Kerkorde, afgewezen. Wel een adviseerende Synodale Commissie ingesteld.

1906 Verschillende voorstellen dezer commissie verworpen. Alleen het plan van Dr. Vos (invoering van een „groote synode”) voorloopig aangenomen. In 1907 verworpen.

1907 Met 11 tegen 7 stemmen verklaarde de Synode zich voor organisatie in principe.

1908 Voorstel classis Dordrecht dat aan de Classicale Vergaderingen hare oude rechten zouden worden teruggegeven. De Synode kan niet begrijpen wat hiermede bedoeld wordt en verwerpt dit voorstel als te onbepaald.

1910 Verzoek classis Groningen tot herstel der Classicale Vergaderingen en toekenning daaraan van de regeermacht als te onbepaald afgewezen.

1911 Verzoek van vele classes tot het overbrengen van de regeerende taak der Classicale Besturen naar de Classicale Vergaderingen afgewezen. Soortgelijke verzoeken in 1912 en 1913.

1914 Concept-Reglement Dr. Los verworpen.

1915 Voorstel der Utrechtsche professoren omtrent een „modus vivendi”. In 1916 door de Synode met 10 tegen 9 stemmen in beginsel aangenomen. In 1917 opgeborgen.

1916 DE CLASSIS AMSTERDAM BERICHT AAN DE SYNODE DAT ZIJ HET PROTEST VAN 1816 HERNIEUWT. Voor kennisgeving aangenomen.

1918 De Vereeniging van Vrijzinnig Hervormden dient een Reglement in tot opening van de mogelijkheid van instelling van filiaalgemeenten. Met 10 tegen 9 stemmen verworpen.

|42|

1923 Het Convent van Gereformeerde Kerkeraden verzoekt dat de Nederduitsche Gereformeerde Gemeenten (d.i. dus „de Gereformeerde Bond”) zich zelfstandig mogen organiseeren, alleen door stoffelijke banden aan de Ned. Herv. Kerk verbonden blijvende, welk voorstel zonder meer verworpen werd.

1928 De Synode besluit op verzoek van de Confessioneele Vereeniging een Reorganisatiecommissie te benoemen.

1929 Uitgewerkt reorganisatievoorstel verworpen.

1930 Het Nederlandscb Hervormd Verbond tot Kerkherstel opgericht.

1931 De Vereeniging Kerkopbouw opgericht.

1935 Het voorstel van Kerkopbouw verworpen.

1937 Kerkherstel en Kerkopbouw komen tot overeenstemming.

1938 Ook dit reorganisatievoorstel door de Synode in tweede lezing verworpen.

Bronkhorst, A.J. (1945) IV

 

IV. Op weg naar de doorbraak.

 

§ 17. Kerkelijke vernieuwing.

De ontwikkeling onzer Kerk vanaf 1816, ja eigenlijk reeds vanaf de Dordtsche Synode, is in wezen een voortdurende achteruitgang geworden. In par. 5, 6 en 13 hebben we deze ontwikkeling kort geschetst. Het was langzamerhand zoo geworden dat wij, naar een woord van Prof. van der Leeuw, datgene wat we als Christenen met hart en ziel deden, buiten de Kerk waren gaan doen. En parallel daarmede viel een verbazend verval te constateeren. In 40 jaren bijvoorbeeld liep het percentage Hervormden in Utrecht, toch nog altijd „the most ecclesiastical city of Holland” van 51% tot 31% terug. En in andere streken en verhoudingen was het zeker niet gunstiger, eer het tegendeel.

In de achter ons liggende jaren valt echter reeds het begin van een nieuwe opleving te constateeren. Niet dat deze reeds breed zichtbaar geworden was, maar overal brak toch nieuw leven uit temidden van het doode gesteente of de vermolmde takkenbossen, die verder zoo overvloedig aanwezig waren. Verschillende symptomen spraken een duidelijke taal.

In de eerste plaats moet dan genoemd worden de vernieuwing der theologie sinds den vorigen wereldoorlog, in de allereerste plaats door het werk van de Zwitsersche theologen, Barth, Brunner, Thurneysen. Naar den inhoud was deze vernieuwing een wending van de menschelijke vroomheid, waar een vorige periode zoo veel van geweten had, naar de goddelijke Openbaring in Jezus Christus. Eenerzijds beteekende deze wending een sterke opleving in de

|43|

belangstelling voor de Reformatoren, voor Luther en Calvijn, ook voor Kohlbrügge. Het was bijvoorbeeld opmerkelijk dat in 1938 de Latijnsche uitgaven van Calvijns Institutie in Bazel tegen hooge prijzen moesten worden aangeschaft door de studenten, terwijl ze in Schotland voor een appel en een ei nog antiquarisch te krijgen waren. Anderzijds leerde deze theologie weer vragen naar de boodschap der Kerk. De studie der Godgeleerdheid werd opnieuw toegespitst tot dienst aan de kerkelijke verkondiging in den breedsten zin des woords. Hoevele oudere theologen hebben mij niet verteld dat zij aan de Universiteit vele schoone en wetenswaardige zaken leerden, maar dat het hun immer een groot raadsel bleef, wat dit alles nu met hun komende ambt te maken had. Hoe meer de praktijk naderde, des te sterker kwam de benauwenis: we zijn immers volstrekt niet klaar. Ook dit ging gelukkig veranderen. Voor ons gold reeds: Hoe verder wij kwamen met onze studie, hoe sterker we het mochten gaan inzien, dat wij ons waarlijk voorbereiden voor het komende ambt en hoe scherper we onze taak als a.s. dienaren des Woords in het oog kregen. Dit alles tezamen beteekende een nieuwe aansluiting bij de Hervormde Kerk in haar bloeitijd. Waarbij de beste tradities der tusschenliggende eeuwen behouden konden blijven.

Naast deze vernieuwing der theologie moge ik verder noemen den invloed der liturgische beweging ook in onze Kerk. Zelfs wanneer men voor de bedenkelijke kanten in het streven der liturgen oog heeft en de diverse vernieuwingen, opgedolven uit den schat der Kerk aller eeuwen, zooals dat dan heet, vaak met bezorgdheid ziet verschijnen, kan men toch niet ontkennen dat door dezen arbeid het kerkelijk zelfbesef en het inzicht in het eigensoortige van het wezen der Kerk in deze wereld, sterk is toegenomen. En voor kerkelijke vernieuwing ligt daarin winst.

Aanduidenderwijze noemen wij verder nog de oecumenische beweging, die het wereldwijd perspectief der Christelijke boodschap tot een realiteit voor velen wist te maken; verder de Christelijke wereldzending, waardoor men de beteekenis van een belijdende getuigende kleine Christelijke groep in verschillende landen leerde zien en tenslotte ook den strijd, dien de Christelijke Kerk voor de vrijheid van haar verkondiging, ja soms zelfs voor het naakte bestaan in meer dan een staat had te strijden.

Door dit alles ontstond nieuw inzicht en nieuwe liefde voor de Kerk, niet ondanks, maar juist om haar eigenlijke taak en wezen. Voorloopig bleef dit alles nog tot kleine groepen beperkt, maar in stilte was zoo, grootendeels onbewust, reeds veel voorbereidend werk gedaan.

|44|

§ 18. De Ned. Hervormde Kerk in oorlogstijd.

Ondanks al deze verblijdende symptomen, was er in onze Ned. Hervormde Kerk nog slechts weinig van vernieuwing te bespeuren. Integendeel, ondanks de sterke pogingen in die richting, was het nog nimmer gelukt de ongelukkige, wijl onkerkelijke kerkorde van 1816 te doorbreken. Verschillende aantrekkelijke voorstellen waren daartoe in de laatste jaren voor 1939 gedaan. Maar nog in 1938 had de Synode het door breede groepen in onze Kerk gedragen voorstel der Reorganisatiecommissie, waar Kerkherstel en Kerkopbouw tezamen achter stonden, verworpen. Voor velen was er weinig hoop dat onze Kerk tot werkelijke vernieuwing zou komen.

Toen is echter het wonder van 1940 geschied: de Kerk, die in den Franschen tijd, ondanks haar veelszins zoo voortreffelijke en door velen vurig terugverlangde Kerkorde, een stomme, zwijgende Kerk is gebleven, in hoofdzaak bekommerd over de uitbetaling van haar predikantstractementen, de Kerk die thans reeds meer dan 120 jaar zuchtte onder haar ongeestelijk bestuursapparaat en zich over niets anders scheen te kunnen bekommeren, dan over formaliteiten en verdeeling der synodale fondsen, diezelfde Kerk is gaan spreken en getuigen, heeft haar taak verstaan en leiding willen geven aan het Christelijk denken en handelen in deze oorlogsjaren.

In de allereerste plaats danken wij het aan de genade van onzen God, die alles zoo geleid heeft, dat dit mogelijk was en in steeds sterker mate mogelijk werd. Wanneer wij terugzien op de achter ons liggende jaren, dan kunnen wij niet anders dan tot de erkenning komen dat voorspoed en tegenspoed, mogelijkheden en belemmeringen, kansen en tegenslagen op een wondere wijze hebben samengewerkt — ten goede. Het geloofswoord van velen in den Doleantietijd, dat zij de Ned. Hervormde Kerk niet verlieten zoolang zij niet volkomen zeker waren, dat God haar verlaten had, is op heerlijke wijze gerechtvaardigd. Wij kunnen op een wijze zooals voor vijf jaar nog ondenkbaar zou zijn geweest, thans weer met blijdschap en vol verwachting over onze Kerk spreken.

Bovenal merken wij dan Gods leiding dankbaar daarin op dat juist in deze jaren twee mannen in leidende functie elkander gevonden hebben, wier samenwerking van onberekenbare gevolgen voor onze Kerk geworden is. Ds. Gravemeyer, die als Secretaris der Synode juist zes weken in functie was, toen de oorlog uitbrak (begonnen op 1 April 1940) en Prof. Kraemer, die op het zendingsterrein een specialist geworden was in het wegnemen van de belemmeringen in het geestelijk leven eener Kerk. Ds. Gravemeyer,

|45|

die van het begin af aan duidelijk voor zich zag welken koers de Kerk zou hebben te volgen — wij hopen dat hij nog eens aan het schrijven van mémoires toe zal komen! — verraste de Kerk na enkele dagen reeds met de eerste boodschap der Synode. De eerste van vele, die daarna komen zouden, waarin de Kerk weer proclameerend, getuigend zou optreden en duidelijk zou doen zien, dat de boodschap van Gods Evangelie, zoowel als van Zijn heilige wet, niet maar een aangelegenheid voor liefhebbers en insiders, maar een publieke zaak van het grootste belang heeft te zijn. We moeten toegeven dat vooral in het begin die boodschappen nog aarzelend en onzeker van toon waren, nog onwennig zich begaven op onbekend terrein, maar al spoedig was hier geen sprake meer van, en ging er van de Synode geestelijke leiding uit, die in breede kringen zeer werd gewaardeerd en dankbaar werd aanvaard.

Met den naam van Prof. Kraemer is verbonden de Commissie voor Kerkelijk overleg, die al spoedig bekend zou worden als de actie voor Gemeenteopbouw. Eenerzijds omvat die naam een breed terrein van activiteit, gedragen door een steeds toenemende reeks van subcommissies, werkgroepen en raden; anderzijds een geestelijke instelling, die bewust wil komen tot een doorbreking van den richtingsstrijd, die onze Kerk zoo langen tijd verlamd heeft. Niet door een grootste-gemeene-deeler der waarheid of een minimum-belijdenis te propageeren, maar door haar uitgangspunt te nemen in het gegeven achter alle richtingen; dat immers al deze groepen richtingen binnen de Christelijke Kerk begeeren te zijn en elkander op deze basis toch getuigend moeten kunnen ontmoeten(het zoogenaamde „richtingsgesprek”); waarbij er steeds weer overtuigend op gewezen werd dat alle richtingen wel zeer ver van de apostolische grondinstelling (het dienen) waren afgeweken.

Dienen, dat was immers de taak der Kerk. Gods Woord dienen, en daarin en daarmee dan ook de wereld dienen, het volk dienen, de Overheid dienen, een wereld in nood dienen. Gemeenteopbouw vroeg niet in de eerste plaats; hebt gij een goede, een zuivere, een onverbeterlijke belijdenis? Is uw theologie wel geheel in orde? Maar: zijt ge bereid, om met die belijdenis ook waarlijk uit te gaan, opdat het geheele volk Gods Woord hooren moge; zijn uw voeten ook waarlijk geschoeid met de bereidheid van het Evangelie des vredes?

Nu spreekt het vanzelf dat dit gevaarlijke vragen zijn. Het zijn zeker ook niet de eenige vragen waarmede de Kerk gedurende haar reis door de eeuwen het doen kon. Maar het kunnen ontdekkende vragen zijn. Het kan blijken dat juist degenen, die zich het allerdrukste maken over de zuiverheid der belijdenis, het allerminste

|46|

meer weten wat belijden eigenlijk is. Het kan blijken dat de belijdenis, bedoeld om verzamelen te blazen en uit te gaan in deze wereld, als het ware op sterk water gezet werd en nog slechts dienen kon voor het vroom reciet in een cultusgemeenschap.

Daarin ligt dan ook de groote beteekenis van Gemeenteopbouw: dat zij aan de Kerk hartstochtelijk en apostolisch bewogen heeft toegeroepen dat zij zendingskerk heeft te zijn; dat zij te staan heeft in het front, waar de geestelijke strijd gestreden wordt om de ziel van ons volksleven. Dat deze wereld een wereld in brand is en dat er gebluscht moet worden met alle krachten 1).

Een steeds breedere groep in de Kerk werd in deze zaken betrokken: eenerzijds de leiders in de subcommissies, werkgroepen en raden aan den top, anderzijds het kader in de diverse classes, waar sinds het najaar van 1943 overal classicale commissies functionneeren, die tot taak hebben de groote gedachten vanuit het centrum ook overal in de gemeenten te brengen. Het blijkt daarbij wel, dat dit eenerzijds nog een moeizaam werk is, daar vele gemeenten nog rustig voortslapen in de adoratie van het oude, maar anderzijds, dat er toch reeds veel bereikt is en bereikt worden kan op dit gebied. De Kerk kan toch op deze wijze reeds zeer intensief worden bewerkt.

En zoo zien we dan in de achter ons liggende jaren sterke activiteit van de Kerk op allerlei gebied. Met haar kanselboodschappen richtte zij zich tot de gemeente, met haar Kerkweekactie tot heel ons volk. De Raad voor de Inwendige Zending, niet minder de Jeugdraad, zochten wegen voor intensieve evangelisatie onder de buitenkerkelijken. Voor Noord-Holland, voor Noord-Brabant en Limburg werden speciale commissies benoemd; ook op Diaconaal terrein trachtte de Kerk de haar opgedragen taak zoo goed mogelijk te vervullen; het begon al dadelijk met de uitzending der Rotterdamsche kinderen, door vele andere gevolgd. Via de Kas tot onderlinge Hulpverleening aan Diaconieën werd gestreefd, in den nood van getroffen gebieden te helpen voorzien; ook inzake de evacuatie en de geestelijke verzorging der geëvacueerden, deed de Kerk zooveel zij maar kon. De Interkerkelijke Bureau’s voor de voedselvoorziening van het hongerende Westen in dezen winter zijn als het ware de kroon op het werk. En de gemeente toonde dat zij hier veel van verstond: de jaarlijks stijgende opbrengsten der Paaschcollecte overtreffen alles wat op Hervormd gebied hier ooit werd vertoond.

Een verdere behandeling van deze dingen valt geheel buiten


1) Inzake de verhouding van Gemeenteopbouw tot deze vragen, zie men de artikelen van Prof. Kraemer in „De Gereformeerde Kerk” in het voorjaar van 1944, de no’s 2847-2850.

|47|

het bestek dezer brochure. Het bovenstaande was echter noodig, om den achtergrond der nieuwe voorstellen te laten zien. Steeds bleek ons immers dat geest en orde zich niet laten scheiden. Dat de orde, die een bepaalde Kerk kan verdragen, ten nauwste samenhangt met den geest, die in haar werkt. De Kerk van 1816, d.w.z. de geest, die in 1816 in de Kerk heerschte, de geest die haar op zijn best als cultusgemeenschap kon waardeeren, kon de kerkorde van 1816 aanvaarden, ja misschien zelfs wel toejuichen. Maar de Kerk dezer oorlogsjaren, de Kerk, die haar zendingstaak heeft ingezien en op zich wilde nemen, die Kerk schreeuwt om een doorbreking der oude kerkorde, om een doorbraak naar een werkelijke kerkelijke inrichting van haar bestuur.

Nog anders gezegd: 129 jaren reeds duurt het huwelijk der oude Gereformeerde Kerk dezer landen met de staatsgedachten van Koning Willem I. Het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap is van dit huwelijk de vrucht. Maar hoe langer hoe meer is duidelijk geworden dat dit huwelijk een mésalliance is geweest; dat de Staat, noch de verlicht-conservatieve staat van de eerste helft der 19de eeuw, noch de democratisch-liberale staat van de tweede helft daarvan, een geschikt vader voor de Kerk vermag te wezen. Toen de vaderlijke stem van het Woord Gods weer begon te klinken, kon de Kerk niet anders dan inzien dat hier alleen ware autoriteit en ware bescherming voor haar te vinden is. Dat zij te lang reeds gesteund had op het wereldsche surrogaat daarvan. De roep van het Woord Gods wekte het heimwee tot verbreking van deze schijnverhouding, die met het ware wezen der Kerk in strijd is, tot terugkeer naar een kerkorde die taak en roeping der Kerk in deze wereld tot uitdrukking zou kunnen brengen. Een Zendingskerk moest de boeien van zich af werpen, die een cultusgemeenschap maar nauwelijks dragen kon. Dit is de geestelijke achtergrond en tevens de verklaring van de geestelijke noodzakelijkheid der voorstellen van 1944. Wie dit verstaan heeft, begrijpt dan ook de groote eenstemmigheid waarmede deze voorstellen in de Synode, zoowel als in de Kerk ontvangen zijn.

 

§ 19. Het voorstel-Generale Synode.

De inhoud van het voorstel-Generale Synode komt in het kort gezegd hierop neer, dat de tegenwoordige Algemeene Synode der Nederlandsch Hervormde Kerk, samengesteld uit afgevaardigden der Provinciale Kerkbesturen, zichzelf opheft en haar werkzaamheden voorzoover die van geestelijk-kerkelijken aard zijn overdraagt aan de Generale Synode, gekozen door de Classicale Vergaderingen.

|48|

Volgens een bepaald rooster kiezen 30 der 45 Classicale Vergaderingen (de Waalsche Reunie daarbij inbegrepen) een predikant-afgevaardigde; de overige 15 ressorten vaardigen een ouderling af.

De groote gedachte, die achter dit voorstel zit, is deze: wanneer er een nieuwe Kerkorde komen moet, dan is het zeer de vraag of de huidige Algemeene Synode, die, reglementair gesproken, alleen bevoegd is tot vaststelling en invoering daarvan over te gaan, ook geestelijk daartoe het recht heeft. Deze Synode vertegenwoordigt immers slechts in zeer betrekkelijken zin de Kerk. Haar recht van spreken is nog steeds voor velen dubieus. Wanneer deze Synode nu een nieuwe Kerkorde zou gaan invoeren, al was het een Kerkorde, waarin zij zichzelve uitschakelde, dan zou nog de vraag blijven: welk recht heeft de Synode daartoe? Vindt hier geen herhaling plaats van het gebeurde van 1852, toen de Staat zichzelve uitschakelde, maar niet de Kerk aan het woord liet komen, maar de Synode de gelegenheid gaf, zichzelf te continueeren? Juist om nu deze bezwaren zoo goed mogelijk te ondervangen, doet de Synode niets anders dan zelf opzij treden en een kerkelijke vertegenwoordiging, zoo goed als maar mogelijk is, in haar plaats stellen. De groote lijnen van dit voorstel, zoowel als de details, zijn door deze hoofdgedachte beheerscht: zoo weinig mogelijk op de nieuwe Kerkorde vooruit te loopen en zooveel mogelijk aansluiting te zoeken bij het bestaande. Daaruit is al dadelijk verklaard, dat het aantal ouderlingen in de komende Generale Synode op de helft van het aantal predikanten blijft vastgesteld. Hiertegen moge men bezwaren hebben; waarom niet evenveel ouderlingen als predikanten gekozen? Omdat de Kerk zelve zich hierover uit zal dienen te spreken; het tegenwoordige voorstel wil hierop niet anticipeeren. Om een beeld te gebruiken: de weg naar een nieuwe Kerkorde zit geblokkeerd; nu wordt alleen deze weg opengebroken; de Kerk zelve krijgt de gelegenheid haar nu ook te bewandelen. Maar het voorstel-Generale Synode laat de Kerk vrij bij dezen tocht naar het onbekende land.

Als eerste taak dezer Generale Synode wordt genoemd: het voorbereiden en vaststellen van de nieuwe Kerkorde. Daarin komt duidelijk het doel van het geheele voorstel naar voren. Op zichzelf gesproken is de vervanging van een Algemeene door een Generale Synode nog maar een eerste stap; en men zou kunnen zeggen: een nog weinig zeggende eerste stap. Maar nu wordt al dadelijk vastgesteld: deze komende Generale Synode zal interim-Synode zijn. Zij is er om zichzelf overbodig te maken. Haar eerste taak is de voorbereiding en de vaststelling van de nieuwe Kerkorde.

Verder — de geestelijke beteekenis der Generale Synode behandelen

|49|

we in een volgende § — behoudt de Generale Synode natuurlijk de bevoegdheden van de tegenwoordige Algemeene Synode, dat wil zeggen, zij ontvangt de hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht in de Kerk. Al zal het niet gemakkelijk zijn dat een Synode van 45 leden zich blijft bemoeien met alles wat tegenwoordig door de Algemeene Synode wordt afgedaan. Veel van dit alles wordt dan ook nu gedelegeerd aan de Algemeene Synodale Commissie. Deze wordt uitgebreid van 9 tot 14 leden, plus 2 adviseurs. De Generale Synode benoemt de leden dezer Commissie, uit iedere provincie minstens één lid, alsmede één uit het ressort der Walen. Allerlei werk van technischen aard: het toezicht op de naleving der reglementen, het geven van voorlichting aan de diverse kerkelijke colleges, het beslissen in allerlei geschilkwesties, het beheer der synodale fondsen, de behandeling der loopende zaken en dergelijke, wordt aan de Algemeene Synodale Commissie overgedragen, natuurlijk onder verantwoording aan de Generale Synode: de A.S.C. wordt geen zelfstandig bestuur in de Kerk, maar blijft orgaan der Synode. Maar toch, de hoofdaandacht der Synode blijft op het Kerkelijk-geestelijke werk gericht. De leden van het moderamen der Synode hebben ambtshalve zitting in de A.S.C. Al is het niet zoo dat de praeses en de assessor der Generale Synode ook voorzitter en vice-voorzitter der A.S.C. zijn; deze worden afzonderlijk door de Generale Synode benoemd. Het is te hopen, dat van het begin af aan de Generale Synode de belangrijke functies van praeses der Generale Synode en voorzitter der A.S.C. gescheiden zal houden, zulks ter voorkoming van alle hiërarchie. Wel is de Secretaris der Synode ook tevens secretaris der A.S.C.; of liever de secretaris der A.S.C., benoemd door de Generale Synode, fungeert tevens als scriba dezer Synode. Al is het in de afgeloopen jaren overvloedig gebleken, dat de figuur van den Secretaris der Synode van verbazende beteekenis kan worden, toch is de doelmatigheid der personeele unie wel zonder meer duidelijk. Van geen enkele zijde is daartegen, voorzoover mij bekend, dan ook geopponeerd.

Belangrijk is verder ook nog het vervallen van het vetorecht der Provinciale Kerkbesturen. In de tegenwoordige regeling had dit vetorecht wel eenigen zin (zie par. 9). De Algemeene Synode is immers de top van de hierarchische ladder; het kan gewenscht zijn om bij belangrijke beslissingen nog een stap terug te gaan en een breeder forum in het besluit te betrekken. Dit alles is echter volkomen „bestuurlijk” gedacht. Wij zouden ook kunnen zeggen: hierin komt iets uit van het kwade geweten onzer tegenwoordige kerkorde. Immers wanneer de Algemeene Synode waarlijk de Kerk

|50|

zou vertegenwoordigen, zou het zonder meer overbodig, ja storend zijn.

Kerkelijk gedacht is het echter wel buitengewoon onelegant. Grondbeginsel van het Gereformeerd Kerkrecht bleek ons immers dat de H. Geest de vergaderingen leidt; telkens wordt gewezen op het voorbeeld der apostelen in Handelingen 15; als zelfs de apostelen een moeilijk punt niet krachtens eigen geestelijk inzicht of krachtens hun hooge ambt willen beslissen, maar eerst broederlijk samenspreken, hoeveel te meer past dat ons dan wel niet. Vreemd wordt het dan echter om het laatste woord in belangrijke zaken te geven aan de leden van niet minder dan elf verschillende vergaderingen, die hoofdelijk stemmen, en niet het recht hebben om nog amendementen aan te brengen, dus alleen maar voor of tegen mogen zeggen. Wanneer zij nog in één vergadering samenkwamen en recht van bespreking en amendement hadden, dan zou er nog voor te voelen zijn. Maar dan had men ook langs anderen weg eveneens een soort Generale Synode gekregen. In de praktijk bleek het vetorecht der provinciale kerkbesturen dan ook neer te komen op een geweldige rem aan den wagen. Om den vooruitgang tegen te houden, zal de een oordeelen; om ongewenschte overijling te keeren, de ander.

Maar hoe dan ook, nu de Generale Synode niet langer de top wordt van de hierarchische ladder van bestuurscolleges, maar een kerkelijke vergadering bedoelt te zijn, die ook waarlijk de geheele Kerk vertegenwoordigt, op een veel directere wijze dan de tegenwoordige provinciale kerkbesturen dat kunnen, nu is het niet langer mogelijk om het vetorecht te handhaven; wanneer de Generale Synode waarlijk gerekend heeft met de uitgebrachte consideraties der Kerk, behoort zij in tweede lezing ook het laatste woord te hebben. Het is misschien goed om op te merken dat niet vervalt de plicht der Generale Synode om ook de consideraties der provinciale kerkbesturen te vragen. Op dit punt wordt niets gewijzigd.

Tenslotte een enkel woord over de positie der Walen. Reeds van het begin onzer Kerkgeschiedenis af aan, hebben de Waalsch-sprekende gemeenten in onze Kerk een belangrijke plaats ingenomen. Telkens komen wij deze gemeenten in de oude kerkorden tegen. Door de vestiging van vele Hugenoten in ons vaderland, werd deze invloed nog aanmerkelijk versterkt. Als gevolg daarvan vormen de Waalsche Gemeenten in onze Kerk een afzonderlijk ressort. Dat beteekent; zij vaardigen gedurende drie jaren één lid naar de Algemeene Synode af; daarna gedurende drie jaren zelfs

|51|

twee leden, één predikant en één ouderling. Daarin staan zij volkomen gelijk met Provinciale Ressorten als Utrecht, Zeeland, Overijsel en dergelijke. Maar al is dit historisch begrijpelijk en aantrekkelijk, de beteekenis dezer gemeenten in het heden is door allerlei oorzaken zoo sterk terug geloopen, dat hierin verandering komen moest. Op aantrekkelijke wijze heeft het nieuwe ontwerp ook deze moeilijkheden opgelost: eenerzijds wordt gerekend met historische rechten, want ook uit het ressort der Walen moet één lid der komende A.S.C. worden benoemd. Maar ingevolge de beteekenis der Waalsche Reunie in het heden is zij wat de afvaardiging naar de Generale Synode betreft met een classis gelijkgesteld. Het had ook trouwens moeilijk anders gekund, want de Generale Synode kent alleen classicale afgevaardigden. Maar op deze wijze is de beteekenis der Waalsche Reunie in de afvaardiging beter tot uitdrukking gekomen dan tot dusver: in de plaats van één of zelfs twee der negentien leden der huidige Algemeene Synode zenden de Walen, als dit nieuwe ontwerp wet wordt, één der 45 leden der Generale Synode. Het eert de Walen dat ook de consideraties der Waalsche Reunie in groote meerderheid vóór het ontwerp zijn geweest.

 

§ 20. De geestelijke taak der Generale Synode.

Het is onze bedoeling geweest om het ontwerp-Generale Synode te plaatsen in den breeden samenhang der geestelijke ontwaking en vernieuwing onzer Kerk; het zou echter mogelijk zijn dat na § 17 en 18, § 19 een teleurstelling werd. Een aantal technische details veranderen, de positie der Walen en het vetorecht derprovinciale kerkbesturen zijn ter sprake geweest en we hoorden hoe de Synode groeide van 19 tot 45 leden, en de A.S.C. van 9 tot 14 plus 2. Maar van het geestelijk vernieuwende dezer voorstellen is nog verbazend weinig gebleken, hoogstens werd er eenig uitzicht geopend op een nieuwe Kerkorde, die dat dan later misschien nog eens brengen zou. Nu echter willen wij onze volle aandacht op deze zijde van het onderwerp richten.

We kunnen daartoe het beste uitgaan van de reglementaire omschrijving van de taak der huidige Algemeene Synode. We lezen daarover in art. 55 van het tegenwoordige Algemeen Reglement: de algemeene belangen der gemeenten, behoorende tot de Nederlandsch Hervormde Kerk, zijn toevertrouwd aan de Algemeene Synode.... Natuurlijk, daar is art. 11 van datzelfde Reglement,

|52|

art. 9 van het reglement van 1816, dat we in § 12 reeds aanhaalden. Maar daarin wordt niet bijzonderlijk over de Algemeene Synode gesproken. Dat artikel geldt voor alle kerkbestuurders, tot en met de kerkeraadsleden. De eigen taak der Algemeene Synode bestaat in...... het behartigen der algemeene belangen der tot de Kerk behoorende gemeenten. Natuurlijk, dit punt is onmisbaar. Maar het is toch wel zeer mager. Het is precies de omschrijving voor de taak van het hoofdbestuur van een cultusgemeenschap!

Daarvoor in de plaats komt nu in art. I der Additioneele Artikelen bij het Algemeen Reglement — reeds het onderbrengen van dit geheele ontwerp in additioneele artikelen (8) en invoeringsbepalingen (25) onderstreept het tijdelijk karakter dezer regeling — een geheel ander geluid.

Dit eerste artikel luidt: Van de Generale Synode.
De Nederlandsche Hervormde Kerk komt in Generale Synode bijeen.
Deze Synode heeft, in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften, inzonderheid tot taak:
de Kerkorde voor te bereiden en vast te stellen;
te getuigen, met de Kerk in al haar geledingen, van het Evangelie van Jezus Christus tegenover overheid en volk;
leiding en vorm te geven aan den arbeid, waartoe de Kerk wordt geroepen op alle terreinen des levens;
gehoor te geven aan de roeping der Kerk inzake de eenheid der Christenheid.

Voorts zijn haar opgedragen de werkzaamheden genoemd in invoersbepaling no. 9. (Dit betreft de besturende taak der tegenwoordige Algemeene Synode, waarover we reeds spraken in § 19).

In deze formuleering is het beginsel der cultusgemeenschap wel zeer grondig doorbroken. De algemeene belangen der gemeenten zijn heelemaal verdwenen. In de plaats daarvan komen nu echter vier belangrijke nieuwe taken, waarin zeer duidelijk ligt uitgedrukt, dat de Kerk getuigende, belijdende Zendingskerk zal hebben te zijn.

Daar de Generale Synode er zal hebben te zijn voor den tijd tusschen de oude en de nieuwe Kerkorde, interim-synode zal hebben te zijn, wordt de arbeid aan de nieuwe Kerkorde het eerst genoemd. Maar dadelijk daarop volgen drie zoo belangrijke opgaven, dat zij onmogelijk op die nieuwe Kerkorde kunnen wachten: de dienst aan het Evangelie in deze wereld, wat allen, hoog en laag, overheid en volk, hooren moeten en waartoe de Kerk geroepen is;

|53|

verder de dienst der barmhartigheid aan een wereld in nood, op allerlei manier en op allerlei terrein; tenslotte het zoeken en bevorderen van de eenheid der Christenheid, de zoogenaamde oecumenische taak der Kerk. Na meer dan een eeuw gaat de Kerk het weer uitspreken, en tracht zij het ook in haar reglementen tot uitdrukking te brengen, dat zij allereerst een geestelijke taak te verrichten heeft, ook als Kerkbestuur.

In de tweede plaats komt deze nieuwe instelling der Kerk tegenover haar taak in deze wereld uit in een sterke uitbreiding van het aantal der ter Synode geroepen adviseurs. Tegenwoordig zijn behalve de 19 leden der Synode aanwezig in de zittingzaal; de Secretaris der Synode en bij beurte twee der zes kerkelijke hoogleeraren om de stem der theologie te doen hooren. Voor financieele aangelegenheden ook nog de Quaestor-Generaal. Ook hier vindt een groote uitbreiding plaats. We lezen in add. art. III(van de adviseurs der Synode):

Als adviseurs worden ter synode geroepen:
de secretaris van de algemeene synodale commissie;
bij beurte twee der hoogleeraren in de godgeleerdheid vanwege de Nederlandsche Hervormde Kerk;
twee vertegenwoordigers van den algemeenen diaconalen raad;
twee vertegenwoordigers van den algemeenen kerkvoogdijraad;
een vertegenwoordiger van den raad voor uitwendige zending;
een vertegenwoordiger van den raad voor inwendige zending;
een vertegenwoordiger van den raad voor Kerk en Kerken;
een vertegenwoordiger van den jeugdraad.

De aanwezigheid dezer adviseurs in de Synode onderstreept dat al deze takken van Christelijk dienen in de Synode ter sprake moeten komen. Al hebben zij slechts adviseerende stem, hun aanwezigheid alleen al is een voortdurende herinnering, dat de taak der Synode niet hoofdzakelijk is om te besluiten inzake verdeeling van fondsen en deliberaties over kerkrechterlijke kwesties, hoe belangrijk dan ook, maar dat ook „hun” werk om de aandacht vraagt en ter sprake moet komen.

Belangrijk zijn in dit verband verder add. art. VII (Van de organen van bijstand): De synode doet zich bijstaan door raden, werkgroepen, commissies, deputaten en gedelegeerden, wier taak zij vaststelt en wier leden zij benoemt. Hiermede wordt het uitgebreide werk der diverse subcommissies van „Kerkelijk Overleg” nu ook binnen de reglementen gebracht en daarmede ook kerkrechtelijk gesanctionneerd. En dan add. art. VIII (Van het overleg

|54|

met andere Kerken): De synode benoemt — op voordracht van den Raad voor Kerk en Kerken — deputaten voor het overleg en de samenspreking met de Kerken in Oost- en West-Indië, met de Kerken in Nederland en met die in het buitenland. Het zoeken en bevorderen van de eenheid der Christenheid, in art. I reeds genoemd, krijgt hier een nog breedere omschrijving. Dat het als zeer belangrijk gezien wordt, volgt reeds uit het feit dat het nog eens in het bijzonder in de add. artikelen ter sprake gebracht wordt.

Tenslotte wijzen wij op Invoeringsbepaling 7. Tegenwoordig vergadert de Algemeene Synode in een gebouw, Javastraat 100 te Den Haag. Daar vinden al haar zittingen plaats, naar de wijze der besturen. De Generale Synode zoekt echter weer aansluiting bij het verleden onzer Kerk en komt samen in een Kerk. Dit is slechts een kleinigheid naar het uiterlijk en toch bewijst het, dat de Kerk ook in kleinigheden den kerkelijken stijl begeert te volgen. Bovendien zegt inv. bep. 7: deze eerste samenkomst zal plaats vinden binnen de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Ook dit is zeker niet toevallig. De Hervormde Kerk kiest deze plaats om daarmede stilzwijgend nog eens te proclameeren, dat zij zich zelve blijft beschouwen als de historische Vaderlandsche Kerk van Nederland, nog altijd de volkskerk. Deze plaats, waaraan zulke belangrijke herinneringen verbonden zijn, zoowel in onze Vaderlandsche als in onze Kerkgeschiedenis (denk aan den aanslag van Kuyper juist op dit Kerkgebouw!) de plaats waar de vorsten uit het huis van Oranje gekroond worden en de regeering aanvaarden, is de meest geëigende plaats in ons land om de vernieuwing onzer Kerk ook hierin te symboliseeren. Op den dag, die aan het bijeenkomen der Generale Synode voorafgaat wordt dan allereerst in het midden der gemeente van Amsterdam voor den arbeid der synode een bidstond gehouden. We voegen er aan toe: wel niet alleen in het midden dezer gemeente.

 

§ 21. De „geestelijke basis” der Synode.

Een belangrijke zinsnede uit add. art. I lieten we nog steeds onbesproken, omdat deze woorden belangrijk genoeg zijn om er een aparte § aan te wijden. De Synode heeft haar arbeid te verrichten „in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op den bodem der belijdenisgeschriften”. Deze formuleering heeft een geschiedenis, zij het dan ook nog geen zeer lange. Eenige jaren geleden (1942) was de zoogenaamde „kerkelijke inschakeling” der

|55|

richtingsevangelisaties aan de orde. We gebruiken hier dit laatste woord in den zin, die er toen algemeen aan gehecht werd: georganiseerde groepen in de gemeente, die zich met de van den Kerkeraad uitgaande prediking niet kunnen vereenigen en daarom zelfstandig prediking en catechese ten gerieve hunner leden verzorgen; zoo gedefinieerd vallen er dus zoowel de orthodoxe „evangelisaties” in engeren zin als ook de verschillende afdeelingen van Vrijzinnig-Hervormden en dergelijke onder. Bij de kerkelijke inschakeling dezer groepen was een formule noodig, eenerzijds voldoende omlijnd om uitgangspunt voor het kerkelijk gesprek dezer groepen met de betrokken kerkeraden te kunnen zijn, anderzijds voldoende ruim om al deze groepen ook te kunnen omvatten. Als zoodanig is toen deze formule algemeen aanvaard. Zij markeert dus een stadium in het richtingsgesprek. Maar al spoedig bleek haar groote bruikbaarheid daarvoor. Langs dezen weg is zij nu tot „geestelijke basis” der Generale Synode geworden.

Wat beteekent deze formule? Allereerst ligt daarin uitgesproken het grondbeginsel van het Protestantisme: Gods Woord, zooals dat tot ons komt in de Heilige Schrift, blijft de hoogste norm. Hieraan zijn wij gehoorzaamheid verschuldigd. Hiermede zijn de vragen natuurlijk niet opgelost. Dat gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift nog iets anders is dan gehoorzaamheid aan het Wetboek van Strafrecht, behoort voor ieder duidelijk te zijn. Het gaat om geestelijke gehoorzaamheid, om een innerlijk gebonden en overtuigd zijn. Maar hoe dan ook, de Heilige Schrift wordt hier als autoriteit erkend. Dus: niet onze geest heeft het laatste woord. Niet de moderne wetenschap. Ook niet allerlei oudere of nieuwere mythologieën. Hier komt een Stem tot ons. En die Stem hebben wij te hooren en te gehoorzamen. Slechts waar die Stem gehoorzaamd wordt, is Gods Kerk te vinden (men zie art. 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis, het eerste kenmerk der ware Kerk). Is dit dan alles zonder eenig probleem voor ons geworden? Bestaat er dan niet zoo iets als Bijbelcritiek, voor den een de groote geestelijke winst der vorige eeuw, voor den ander weinig minder dan het beest uit den afgrond? Is het dan geen schijnvertooning, dat we ons op deze formule zouden vereenigen? Van verschillende zijden is het gezegd (zie § 27, 29). Het zou juist zijn, wanneer. .. . het gezag van den Bijbel afhankelijk was van onze theorieën erover. Maar in de afgeloopen decennia is het juist gebleken dat de Heilige Schrift haar gezag in zich zelve draagt; nog beter gezegd: dat het gezag van de Schrift het gezag van den H. Geest is. Wanneer de Geest gaat

|56|

werken dan blijkt al spoedig dat de Waarheid der Schrift sterk genoeg is om de meeningen der menschen te kunnen wegblazen.

Juist wie zoo bang is voor de Bijbelcritiek der vrijzinnigen moge zich eens verdiepen in de ontwikkeling der vrijzinnige theologie dezer jaren om te zien dat een worsteling om de Waarheid nog wel iets meer beteekent dan een verdediging van eigen lievelingsstandpunt. Daarom is de formule „in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift” m.i. volkomen voldoende. Nadere bepalingen over den aard van het Schriftgezag zouden hier slechts kunnen storen. Niet: omdat ik vlak bij de Heilige Schrift sta om haar tegen alle aanvallen te beschermen en te verdedigen, is de Heilige Schrift zoo’n machtig boek. Ook niet: omdat ik een prachtige theorie weet te verdedigen, om het Schriftgezag onderworpen te houden aan de autonomie van den menschelijken geest, behoef ik voor haar kerkelijke autoriteit niet bezorgd te zijn. Maar: omdat Gods Woord het zwaard des Geestes is (Efeze 6: 17) mag ik de uitwerking daarvan rustig aan Hem overlaten. Gods Woord zal nu eenmaal doen wat Hem behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Hij het zal zenden (Jesaja 55: 11). En alle richtingen hebben daarbij het toekijken; en de bekeering.

De Kerk staat daarbij echter „op den bodem der belijdenisgeschriften”, dat zijn in concreto de drie formulieren van eenigheid, de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, de Heidelbergsche Catechismus en de Dordtsche Leerregels tegen de Remonstranten. Van vrijzinnige zijde is erop gewezen (Kerk en Wereld, 2 Juni 1944, pag. 5), dat er hier staat bodem, en niet grondslag of fundament. Is er tusschen deze woorden dan zoo veel verschil? Wij gebruiken ze toch vaak door elkaar? Ja zeker, maar de sfeer waaruit zij komen, is toch een geheel andere. Een grondslag, een fundament, is iets, waarop wij bouwen. De bodem is iets, waarop God laat groeien. „De grondslag bepaalt voor een groot deel de structuur van het bouwwerk”. (De bodem is toch ook niet onbelangrijk voor wat er op zal kunnen groeien?) Verder: „bodem” geeft ruimte aan het leven. Deze dynamische heenwijzing naar de belijdenisgeschriften, die in het woord „bodem” gegeven is gaat verloren, wanneer daarvoor „grondslag” of „fundament” gelezen zou worden.

Of hier het onderscheid in nuance niet overdreven wordt, willen wij in het midden laten. Het woord „fundament” kunnen we bovendien beter reserveeren voor gebruik in den zin van 1 Cor. 3: 11 .... want-niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.... En in het woord „bodem”

|57|

in dit verband is toch reeds zeer veel uitgedrukt: het zegt toch niets minder dan dat de Kerk haar historische belijdenisgeschriften nog steeds beschouwt als een goeden bodem, waarop nog vele geestelijke vrucht groeien kan, als God het genadiglijk geven wil.

Belangrijker dan strijd over woorden is echter, dat de dynamische opvatting van de functie der belijdenisgeschriften inderdaad de bedoeling is. Dit blijkt duidelijk uit de bij het ontwerp gevoegde nota der commissie. Daar lezen we in dit verband (pag. 17 en 18): ... .het leven der Kerk vraagt thans een bepaling van haar houding tegenover andere machten, dan haar in de 16de en 17de eeuw bedreigden. Een nieuwe belijdenis zal moeten worden uitgesproken: een levende Kerk houdt vast aan haar oude belijdenis en belijdt telkens opnieuw. ... De belijdenis is niet Gods Woord, zij is menschenwoord. Doch als woord der Kerk, in de hoogtepunten van haar leven uitgesproken, heeft zij wel een uitzonderlijk gewicht, dat aan geen ander menschenwoord toekomt.... De belijdenisgeschriften.... zijn de gezaghebbende commentaar op het woord der Schrift, waarnaar wij met nog een anderen eerbied hebben te luisteren dan naar de uitspraken van enkele menschen, al waren zij van Luther of Calvijn zelf.

Verder: Ieder belijdenisgeschrift is afweer van dwaling. Nieuwe dwaling dwingt tot nieuw, beter tot opnieuw, belijden.... Wij staan op den bodem der belijdenisgeschriften, gehoorzaamheid aan haar als aan de Heilige Schrift zijn wij niet schuldig.

Maar, al is het dan ook „een droeve miskenning van de waarheid, dat God met de Kerk in haar geschiedenis bezig is, als we de belijdenis als ééns en voor altijd gegeven, onveranderlijk voorstellen” toch moet daaraan dadelijk toegevoegd worden „dat de Kerk daarbij(namelijk bij haar nieuwe belijdenis) weer beginnen moet met naar het oud belijden in haar belijdenisgeschriften te grijpen.....” Zoo gaat de Kerk haar weg, midden tusschen belijdeniskramp en belijdenisvrees door.

We blikken terug. Zeg ik te veel, wanneer ik constateer, dat zoo beschouwd, het beste van datgene wat Groen van Prinsterer en Da Costa, Chantepie de la Saussaye Sr. en Gunning (zie § 15) in hun tijd hebben nagestreefd, in de toegevoegde nota is neergelegd en haar uitdrukking heeft gevonden?

 

§ 22. De toegevoegde nota.

Aan het slot der vorige § citeerden wij reeds eenige malen uit de bij het ontwerp gevoegde nota der commissie. Het is belangrijk

|58|

om hieruit nog enkele groote gedachten naar voren te brengen. Wanneer wij er op letten hoeveel de woorden van Repelaer van Driel, waarmede hij de Kerkorde van 1816 als het ware ten doop gehouden heeft (zie § 12), voor de ontwikkeling der Kerk hebben beteekend, dan verstaan wij zonder meer dat het belangrijk is de toegevoegde nota in haar grondgedachten te bestudeeren. Al mag dan dadelijk daaraan worden toegevoegd, dat deze nota op zichzelf niets meer geeft dan de particuliere meening der commissieleden en allerminst een officieele uitspraak der huidige Alg. Synode. Terwijl de komende Generale Synode in een geheel andere verhouding tot de Commissie komt te staan, dan de Kerk van 1816 tegenover Repelaer van Driel wel staan moest.

Reeds in § 2 citeerden we de meening der commissie ten aanzien van de mogelijkheid om de Kerkorde af te lezen uit het Nieuwe Testament. De commissie ontkent deze mogelijkheid. „In den apostolischen tijd was de Kerk nog zoo weinig tot vaste vormen, tot min of meer stringente regelingen gekomen, gaf het woord der Apostelen nog zoo direct leiding, dat in hetgeen we over de Kerkorde lezen voor latere eeuwen niet een eenvoudig na te volgen voorbeeld is te vinden. Wel echter zijn er gedachten aan te wijzen, die zóó het wezen der Kerk raken, dat zij altijd weer grondslag van een in historische processen wisselende Kerkorde moeten zijn....” Tegen deze zinnen is felle oppositie gekomen (zie § 30; brochure-Hooykaas). Ook tegen de uitspraken op de volgende pag. der nota:„Die duur werd in den aanvang niet verwacht. Het einde der dingen zou immers nabij zijn. Vandaar ook dat het Nieuwe Testament voor latere regelingen zoo weinig directe aanknooping geeft. Doch dat viel anders — de Kerk kreeg een duur van eeuwen, zij kreeg geschiedenis.” Hooykaas deelt zijn lezers mede dat hij zich tegen deze opvatting der ethische professoren uit zijn studententijd toen reeds verzet heeft op grond van de duidelijkheid der Schrift (perspicuitas sacrae Scripturae) — zie pag. 17. Dit moge op half-ontwikkelde theologen eenigen indruk maken, wie in zijn studententijd dieper op de kwesties in ging, zal zich herinneren dat deze duidelijkheid der Schrift inhield, dat de groote vragen, die van beteekenis zijn voor onze zaligheid en voor onzen Christelijken wandel, temidden van alle duistere vragen der Schrift ons klaar worden beantwoord. Heel gewoon gezegd: dat God ons niet in de kou laat staan met een onbegrijpelijke Schriftuur in de handen, wanneer wij daarin den weg des heils met biddend hart zoeken gaan. Hooykaas zal niet met het dogma der perspicuitas sacrae Scripturae maar met duidelijke tegenexegese der betrokken teksten

|59|

moeten aankomen. Anders hebben zijne stellingen alleen maar demagogische waarde.

Maar zelfs al zijn we bereid om de juistheid der geciteerde uitspraken der nota toe te geven, toch kan ik niet nalaten de vraag te stellen: in hoeverre meent de commissie dat door deze uitspraken Calvijn verouderd is geworden? Calvijns gedachten over de Kerkorde zijn immers niet gebaseerd op uit hun verband gerukte teksten, maar juist op die permanent geldigblijvende gedachten, waarover de nota verder spreekt. Ook een verkeerde indruk, die zoo gemakkelijk kan ontstaan, moet op dit punt toch worden vermeden. En het is ook niet voldoende, wanneer wij er van overtuigd zijn, dat de commissie die niet heeft bedoeld, want documenten als deze nota krijgen een eigen geschiedenis ook los van de bedoeling der opstellers.

Als voor de Kerkorde fundamenteele gedachten ziet de nota dan: De Kerk is de vergadering der Christgeloovigen; haar Hoofd is Jezus Christus, de Heer; de Kerk is Zijn lichaam. En verder: het kerkelijk ambt staat in het teeken van de diakonia, de dienst, in den breedsten zin des woords. Deze gedachten zijn ongetwijfeld juist, al zij het ons vergund ook hier de vraag in te voegen: is niet minstens even belangrijk voor de Kerkorde de gedachte dat de Kerk leeft voor en door de verkondiging des Woords? En dat ten aanzien van alle ambten en ambtsdragers geldt: één is uw Meester en gij zijt allen broeders?

Wanneer het Kerkrecht de ordening der Kerk op zichzelf gaat stellen en haar geestelijk-dienend karakter uit het oog gaat verliezen, dan vervreemdt de Kerkorde van haar eigen wezen. Dat is de kern van wat geschiedde in 1816. Het toenmaals ingevoerde reglement miskent de beteekenis van het ambt en maakte den ambtsdrager tot ambtenaar, gebonden niet aan Gods Woord, maar aan door hoogere bestuurs-autoriteit gegeven voorschriften. Verder verviel de beteekenis der Kerk als gemeenschap: het samenkomen der Kerk in haar vergaderingen werd vervangen door de leiding der besturen. Terwijl verder de Kerk als geheel ingevoegd werd in de staatsinrichting, waardoor ook haar wezen als gemeente van Jezus Christus werd miskend. De reorganisatiepogingen tot 1940 liepen vast in den richtingsstrijd.

De omstandigheden sinds 1940 noopten de Kerk, ondanks haar Kerkorde één te zijn in haar getuigenis, al was er geen orgaan, waardoor zij spreken kon; verder om allerlei kerkewerk aan te vatten, dat tot dusverre buiten de Kerk en de Kerkorde om door

|60|

individueele leden en vereenigingen was gedaan; en tot terugkeer tot haar eigen wezen, onder belijdenis van schuld tegenover haar Heer en tegenover de wereld. Door de ritseling van een nieuwen geest begint de vraag van de Kerkorde op hooger plan te komen. Echter; deze Kerkorde moet van de Kerk zelf uitgaan, de tegenwoordige Algemeene Synode als bestuurslichaam is tot invoering daarvan niet bevoegd.

De komende Generale Synode heeft daarom als drievoudige taak: constitueerende synode te wezen, de nieuwe Kerkorde voor te bereiden en vast te stellen; verder namens de Kerk te getuigen en het organische verband te scheppen voor al het tot dusverre verrichte Kerkewerk. Tenslotte: de taak van de tegenwoordige Algemeene Synode, voorzoover die niet uitsluitend technisch is en aan de A.S.C. overgaat, te verrichten.

Daarbij loopt het ontwerp niet vooruit op de nieuwe Kerkorde, behalve in de handhaving van het presbyteriale karakter onzer Kerk en in het doen uitkomen dat de Generale Synode als kerkvergadering zal hebben te getuigen, dus te belijden. En dat te doen„in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift, staande op den bodem der belijdenisgeschriften”. Zoo kan de Kerk weer Kerk worden, juist omdat zij Kerk is. Kerk is zij, omdat God haar nog niet verlaten heeft; Kerk moet zij worden door in ootmoed tot zichzelve te komen, schuldbewust het hoofd buigend, zich herinnerend de plaats, die zij bekleedt.

 

§ 23. De Generale Synode en de leer der Kerk.

Voor velen is het groote bezwaar tegen „1816” de daardoor in de praktijk ontstane leervrijheid; en de groote verwachting van dit nieuwe ontwerp, dat daardoor aan deze leervrijheid een einde zal worden gemaakt en de leertucht ingevoerd zal worden. Is dit juist gezien? Mag dit van de Generale Synode worden verwacht? Het ontwerp, noch de nota spreken zich daarover met zooveel woorden uit.

Persoonlijk meen ik dat dit ook niet mogelijk is, om daarover thans reeds uitspraken te geven. Want als het waar is dat de tegenwoordige besturen niet namens de Kerk vermogen te besluiten en dat de Generale Synode dit wel zal kunnen, dan kunnen wij toch moeilijk gaan vastleggen wat de Generale Synode mag gaan doen. Men kan toch niet een stomme, bijvoorbeeld door een operatie tot spreken brengen, maar daarbij dan al van te voren vastleggen, wat hij wel en wat hij niet zal mogen zeggen. Zij zelve zal hebben uit te maken op welke wijze zij de „handhaving der leer” uit art. 11

|61|

van het Algemeen Reglement wil opvatten. En wat de Generale Synode zal gaan doen, zal toch wel afhangen van de naar haar opgaande afgevaardigden en van degenen, die straks, wanneer dit alles rechtskracht zal hebben verkregen, in Amsterdam de leiding zullen hebben en den toon zullen aangeven.

Daarom kan ik ook moeilijk meegaan met de opvattingen van Dr. van Itterzon in „de Geref. Kerk” van 3 Augustus 1944, dat in wezen de organisatie van 1816 tot de invoering der nieuwe Kerkorde nog blijft zooals zij is. Mag de Generale Synode geen nieuw huwelijksformulier invoeren? (Of dacht Dr. van Itterzon, over belijdenis en formulieren der Kerk sprekende, alleen aan de drie formulieren van eenigheid?) Mag de Generale Synode geen andere proponentsformule brengen? Is de Generale Synode gebonden aan de tegenwoordige belijdenisvragen en blijven wij dus noodzakelijkerwijze tot aan de nieuwe Kerkorde streven naar heiligmaking en medewerken aan den bloei van het Godsrijk (in het algemeen)? Dit alles begrijp ik niet. Waarom mocht de huidige Algemeene Synode deze laatste fraaiigheden wel invoeren en veranderen, en waarom zal de komende Generale Synode er af moeten blijven? Verder: al verwacht niemand, dat wij al dadelijk in de leertuchtprocedures zullen zitten, en al zal de Generale Synode haar bevoegdheden met terughouding moeten hanteeren gedurende dan overgangstijd (nota der commissie, pag. 20), waarmede we gaarne instemmen, waarom zal zij niet tegen excessen kunnen optreden? We denken terug aan de kwestie-Bähler in het begin dezer eeuw. Had de Algemeene Synode hier waarlijk niets kunnen doen? En zou de Generale Synode het ook niet kunnen? Wat de vraag naar wijziging der belijdenis betreft: zijn de drie formulieren van eenigheid documenten die gewijzigd moeten worden? Ligt het niet veel meer in de lijn der verwachtingen, dat de Generale Synode ten aanzien van de punten, die in geding zijn, nieuwe uitspraken zal gaan doen van belijdenden aard, ter nadere toelichting der oude belijdenis, maar dat zij die zelve onaangetast zal laten? In dezen geest werd er tenminste reeds op de in § 1 genoemde vergadering in Meppel, door Dr. Emmen en Prof. Severijn over gesproken; de woorden „aanvulling, wijziging, nieuwe formuleering” der oude belijdenisgeschriften, van pag. 18 der toelichting, werden daar reeds naar den achtergrond geschoven. Het nieuwe belijden, daar ging het om.

In ieder geval is de opvatting van Dr. van Itterzon na de tweede behandeling der Synode niet meer te handhaven. Breede kringen in de Kerk vreesden namelijk juist wel deze leeruitspraken der Generale Synode, waarvan Dr. van Itterzon zegt dat ze onmogelijk

|62|

zijn totdat de nieuwe Kerkorde zal zijn ingevoerd. Vandaar een breede beweging in de Kerk, die haar uitdrukking vond in het amendement, dat is overgenomen door vele classicale vergaderingen, om de uitspraken der Generale Synode te binden aan een verplichte meerderheid van twee derde, in plaats van de helft plus één. Op zichzelf bewonderen we dit amendement niet, al dadelijk om deze reden, dat daardoor de minderheid het tenslotte te zeggen krijgt. Bovendien: wanneer een belangrijke beslissing genomen moet worden, geeft de twee derde meerderheid een soort vrijbrief: wanneer we die maar halen kunnen, kunnen we verder onzen gang gaan. De zoogenaamde „gewone meerderheid” legt zwaarder moreele verplichtingen op dan de gequalificeerde. Heelemaal onsympathiek werd dit amendement binnen het kader der vrijzinnige kerkpolitiek(zie § 29). Maar hoe dan ook, in vele classes was de aanvaarding van dit amendement de hoogste wijsheid, zoodat de Synode in tweede lezing het heeft overgenomen; en wel in dezen vorm: alinea 6 van add, art. IV wordt aldus gelezen: De Synode neemt haar besluiten bij volstrekte meerderheid van stemmen, met uitzondering van besluiten met betrekking tot de belijdenisgeschriften, waarvoor een meerderheid van 2/3 wordt vereischt. Hieruit kunnen we aflezen, dat de huidige Algemeene Synode en ook de tekst van het nieuwe reglement zelve, nadrukkelijk uitspreken, dat besluiten met betrekking tot de belijdenisgeschriften wel mogelijk zullen zijn.

Een bron van misverstanden is verder ontstaan ten aanzien van de verhouding der Generale Synode tot de kanselboodschappen. De nota der commissie zegt daarover op pag. 14 dat tot nog toe voor velen twijfel bestond naar aanleiding van de bevoegdheid der synode tot het uitvaardigen dezer boodschappen, welke twijfel nu zal worden weggenomen. Dit is dus een aarzeling van denzelfden aard als vroeger in onze Kerk bestond tegen den Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen. Op zichzelf konden velen dezen Vervolgbundel heel wat beter aanvaarden dan vele Evangelische Gezangen zelf. Maar hij kwam van een onwettige synode en dus: geen Vervolgbundel.

Nu hebben echter verschillenden deze zinnen heel anders opgevat: de tegenwoordige synode stuurt ons deze boodschappen vrijblijvend, maar we kunnen ze rustig terzijde leggen. De komende synode echter zal het afkondigen daarvan dwingend voorschrijven, en ons dus, wanneer wij er niet mee instemmen, voor gewetensconflicten plaatsen. Daarom: tegen dit ontwerp stemmen!

Dit is echter wel een zeer treurig misverstand. Een synode kan wel vaststellen, welke leer niet mag worden gepredikt, en daaraan

|63|

eventueel sancties verbinden en tuchtmaatregelen nemen. Maar een synode kan nimmer dwingend voorschrijven, wat wel op den kansel moet worden gebracht. De vrijheid om Gods Woord uit te leggen— de zoogenaamde „libertas prophetandi” — kan nimmer aan de Dienaren des Woords worden ontnomen. Al kan zij wel worden beperkt, als de dwaalleer wordt afgewezen.

Verandert er dan niets op dit punt? Wat kan dan de bedoeling der commissie zijn? M.i. deze: tegenwoordig ontvangen wij predikanten boodschappen der synode, maar inhoeverre deze boodschappen ook waarlijk de stem der Kerk doen klinken, is zeer dubieus. Men kan er alleen mee instemmen en ze daarom ook voorlezen, of ze verwerpen en niet voorlezen. Dit wordt nu anders. Een boodschap van de Generale Synode doet de stem der Kerk, in hoogste vergadering bijeen, hooren. Wie een dergelijke boodschap dus niet voorleest, om welke reden dan ook, verklaart daarmede dat hij het met de leer der Kerk niet eens is. Dat kan noodig zijn. Maar het is een geestelijk besluit, dat om een veel grootere verantwoordelijkheid vraagt dan het terzijde leggen der huidige boodschappen. Het geestelijk gezag der synodale boodschappen zal een heel eind stijgen. Maar wie heeft gezegd, dat er op dit terrein tuchtmaatregelen te verwachten zijn?

 

§ 24. De invoering der nieuwe Kerkorde.

Als eerste taak der Generale Synode noemt add. art. I de voorbereiding en invoering der nieuwe Kerkorde. Invoeringsbepaling 22 regelt dit punt nader. De Generale Synode begint met allereerst een commissie voor dit doel in te stellen. Wanneer zij zich met het resultaat van den arbeid dezer commissie kan vereenigen, stelt zij de Kerkorde in eerste lezing vast. Daarna vraagt zij de consideraties der Classicale Vergaderingen „en van de overige, daarvoor krachtens de bepalingen der Kerkorde in aanmerking komende organen der Kerk”. Deze zin is tamelijk duister. Allereerst zullen hier de Provinciale Kerkbesturen mee bedoeld zijn. Maar wie nog meer? De in add. art. 3 (zie par. 20) genoemde raden? De Secretaris der Commissie deelde mij op mijn verzoek mede, dat hiermede bedoeld zijn de in de nieuwe Kerkorde zelve genoemde instanties. Komt daarin bijvoorbeeld een bepaling voor betreffende den Raad voor Kerk en School, dan zal ook de consideratie van dezen Raad moeten worden gevraagd. Dat is op zichzelf niet ongemotiveerd, al is het wel een novum, dat instanties gaan meespreken, die later pas kerkrechtelijk gaan meedoen.

Na het binnenkomen dezer consideraties overweegt de synode, de

|64|

commissie van voorbereiding gehoord, welke wijzigingen en aanvullingen in het ontwerp behooren te worden aangebracht.

Vervolgens wordt de synode verdubbeld. Uit iedere classis wordt een tweede afgevaardigde opgeroepen; zóó dat uit iedere classis één predikant en één ouderling zal zijn afgevaardigd. (Amendement aangebracht bij de behandeling in tweede lezing); de aldus verdubbelde synode stelt dan de Kerkorde uiteindelijk vast.

In deze verdubbeling der synode ligt iets uitgedrukt van de oude binding door lastbrieven; iedere classis kan uitmaken of zij een voor- en een tegenstander der nieuwe Kerkorde ter Generale Synode wil zenden en heeft het dus voor dit deel zelf in de hand hoe de stemming daarover zal uitvallen.

Ook hier werd in tweede lezing aan toegevoegd, dat de eindstemming over de nieuwe Kerkorde een 2/3 meerderheid der uitgebrachte stemmen zal vereischen. Dus 60 der 90 afgevaardigden zullen accoord moeten gaan.

Zal de nieuwe Kerkorde lang op zich laten wachten? Het kan zijn dat met drie jaar het ontwerp gereed ligt. Het kan echter ook zijn dat er tientallen jaren overheen zullen gaan. Dit zal alleen maar afhangen hoe de Kerk zich onder de leiding der Generale Synode ontwikkelen zal, en welke geest in de Kerk zal gaan heerschen.

 

§ 25. Generale Synode en Dordtsche Kerkorde.

Beteekent dit voorstel de terugkeer naar de Dordtsche Kerkorde? Ten overvloede moge nog eens worden onderstreept, dat het geheele ontwerp geen nieuwe Kerkorde wil zijn, slechts de invoering van een kerkelijk verantwoorde werkorde om tot een nieuwe Kerkorde te komen. Bovendien zou het zeer gemakkelijk zijn om naar voren te brengen wat allemaal van de Kerkinrichting van 1816 behouden blijft. De geheele reglementenbundel blijft immers intact. De Classicale Besturen blijven ongewijzigd in functie, de particuliere synoden worden niet hersteld, maar de Provinciale Kerkbesturen houden de leiding in de provincies, de Geest-en-hoofdzaak formule bij de belijdenisvragen blijft gehandhaafd enz., enz.

Desondanks, er verandert toch veel. Dr. van Itterzon gebruikt in het reeds genoemde artikel in „de Geref. Kerk” het beeld van een boom uit zijn pastorietuin te Gelselaar, waar door den cycloon van Borculo, de geheele kruin uit werd weggeslingerd. Aldus blijft onze kerkinrichting achter; de kruin uit het reglement van 1816 is weggeslingerd.

|65|

We kunnen hetzelfde nog anders zeggen. De huidige kerkinrichting der reglementen is een min of meer losse verbinding van twee beginselen. De onderbouw is nog steeds beheerscht door de gedachte aan regeering door de ambten, samenkomende in kerkelijke vergaderingen. Als zoodanig fungeeren nog steeds de kerkeraden en de classicale vergaderingen. Plotseling treedt dan echter een ander beginsel op. In de Classicale Vergadering treedt het Classicaal Bestuur naar voren; het brengt een verslag uit van zijn gewichtigste werkzaamheden, hetwelk de Classicale Vergadering aanhooren mag, zonder bespreking en zonder stemming. Vandaar opwaarts zijn de besturen machtig; het Provinciaal Kerkbestuur, de Algemeene Synode. Hier wordt het plotseling mogelijk dat oud-ouderlingen zitting hebben; het kerkbestuurder zijn is in wezen los van het kerkelijk ambt.

Nu verandert er vrij weinig, maar juist het wezenlijke. De eerste lijn, de lijn der vergaderingen, wordt voortgezet; de Generale Synode is geen Kerkbestuur, maar een kerkelijke vergadering, niet langer gekozen door de Provinciale Kerkbesturen, maar door de Classicale Vergaderingen. Oud-ouderlingen zijn niet langer benoembaar. De hoogste top in ons kerkelijk leven is teruggebracht bij de vergaderingen der Kerk. Er blijft een hiërarchie der besturen voorloopig. Classicale Besturen, Provinciale Kerkbesturen, Algemeene Synodale Commissie. Maar de A.S.C. blijft ondergeschikt aan de Generale Synode; daarmede zijn al de besturen tot hun passende plaats teruggebracht. Het ambt herkrijgt de leiding, de ambtenaar wordt ondergeschikt.

Van evenveel beteekenis is het herstel van het belijdend karakter der Kerk. De Kerk is er om te getuigen, niet allereerst om te besturen. Ook hierin is de doorbreking van 1816 een terugkeer naar de Dordtsche Kerkorde.

In hoeverre de komende Kerkorde naar 1618 zal terugkeeren laat zich nog moeilijk zeggen. De geheele structuur onzer Kerk is nog lang niet los van haar verleden; allerlei grondgedachten van onze oude Kerkorde zullen gemakkelijk aansluiting vinden bij de Kerk van tegenwoordig. Anderzijds stond de Kerk in 1618 in een Gereformeerd Nederland, de Kerk van 1945 staat midden in een ontkerstende wereld. Al zullen de groote lijnen van de Dordtsche Kerkorde ongetwijfeld hun waarde behouden, de Kerkorde is er ten behoeve van de Kerk en haar opdracht en niet omgekeerd. Ten aanzien van deze vragen moet de discussie echter nog vrijwel beginnen.

Bronkhorst, A.J. (1945) V

|66|

V. De reactie der Kerk op het voorstel-Generale Synode

 

§ 26. Terreinverkenning.

Globaal gesproken is de reactie der Kerk op het nieuwe voorstel uitgesproken gunstig geweest. Dit bleek al dadelijk uit de consideraties der Classicale Vergaderingen. Al heb ik nergens een volledig overzicht aller uitgebrachte stemmingen gezien, toch bleek uit datgene wat wel gepubliceerd is voldoende, dat vrijwel alle Classicale Vergaderingen, en meestal met zeer groote meerderheid, zich achter het ontwerp hebben gesteld 1). De Synode zelve heeft dan ook ten tweeden male met algemeene stemmen het ontwerp aangenomen en ook de verwachtingen ten aanzien van de Provinciale Kerkbesturen zijn zeer positief.

Wat de publicaties in de pers betreft: niemand kan in staat worden geacht, om alles wat in dagbladen en kerkbodes over dit ontwerp is gepubliceerd, onder oogen te hebben gehad. Trouwens, het meeste is toch bedoeld ter informatie der gemeente. En bovendien, slechts zeer zelden was de strekking der artikelen een afwijzende. Het meest interessant voor ons doel is juist de bestrijding van het ontwerp.

Allereerst noemen we dan nog eens het artikel van Dr. van Itterzon m „de Geref. Kerk”. Hier constateerden we, ondanks instemming, toch de neiging om de beteekenis van het ontwerp zoo sterk mogelijk te reduceeren. Ten aanzien van de belijdenis, van de tuchtoefening, van het besturen-karakter der Kerk blijft z.i. alles bij het oude. We zagen reeds hoe uit een der wijzigingen bij de behandeling in tweede lezing door de Synode, deze opvatting als onhoudbaargebleken is.

Daar verder het voorstel-Generale Synode als vrucht van de doorwerking van den geest van Gemeenteopbouw in de Kerk mag worden beschouwd, blijkt uit de reacties op het voorstel in hoeverre de Kerk de beginselen van Gemeenteopbouw heeft kunnen aanvaarden. Zooals een der commissieleden in Meppel verklaarde: ik kan dit voorstel alleen aanvaarden, omdat ik vertrouwen heb in den


1) Het is helaas niet mogelijk een overzicht te geven van de belangrijkste ingediende amendementen. De verslagen waren op dit punt meestal zeer beknopt en ook vaak verward. Het voorstel van de 2/3 meerderheid bijvoorbeeld, werd wel m een meerderheid der classes aangenomen maar in allerlei verschillende formuleeringen. Ook zijn er in eenige classes voorstellen aanvaard zoowel om de „geestelijke basis” geheel te schrappen, als ook om de binding aan de drie formulieren van eenigheid sterker te maken.

|67|

nieuwen geest in de Kerk; anders zou ik er mijn stem geen seconde aan willen geven.

Het blijkt dan dat alleen de uiterst-linksche Vrijzinnigen en de uiterst-rechtsche Bonders zich energiek hebben verzet. Zoowel in de Vereeniging van Vrijzinnig-Hervormden als binnen den Gereformeerden Bond leidde het ontwerp tot ernstige spanningen en Dr. de Vos zoowel als Prof. Severijn moesten hun houding tegen felle aanvallen verdedigen. Beide lichamen hebben een speciale vergadering aan de bespreking van dit voorstel gewijd en volgens de verslagen zijn er daar hartige dingen gezegd.

Wat de Vrijzinnigen betreft concentreerde zich de discussie in het orgaan „Kerk en Wereld”; wij beperken ons overzicht dan ook tot een beknopte weergave van het daar gepubliceerde 1). De


1) Na afsluiting der copie werd onze aandacht gevestigd op eenige andere publicaties van vrijzinnige zijde tegen het ontwerp. Ds. van Lunzen van Odoorn stelde een stuk op: „Tempora mutantur — maar beginselen blijven”, waarin hij het eenerzijds bejammert dat er van de vrijzinnige theologie in de laatste jaren zoo weinig afweerkracht tegen de opdringende orthodoxie is uitgegaan, anderzijds wordt gepleit voor een vrijzinnigheid, die niet denkensmoe in de oude orthodoxe posities terugvalt, omdat daar de vastheid van het blijvende te vinden zou zijn. De Rechtsvrijzinnigen zijn z.i. zoo langzamerhand allang weer orthodox, zij het dan voorloopig nog slechts ethisch-orthodox geworden. Vooral de„geestelijke basis” van art. I (zie § 21) is hem onaanvaardbaar. De tegenwoordige Kerkorde is goed, alleen moest er plaats in worden gemaakt voor het vreedzaam samenleven der diverse richtingen. Ds. van Lunzen wijst de beschuldiging af dat de vrijzinnigen zich op het gebied der kerkpolitiek veel zouden hebben te verwijten; integendeel, juist de orthodoxen hebben de vrijzinnigen steeds kerkelijk naar het leven gestaan.
Verder publiceerde Dr. J. L. Snethlage van Oyen „Een principieele beoordeeling van het nieuwe wetsvoorstel der Synode”. Dr. Snethlage mist al evenzeer de waardeering voor menschelijken denkarbeid en wetenschap in ons tegenwoordig geslacht en constateert daartegenover een bedenkelijk teruggrijpen op zoogenaamde absolute gegevens — zooals Gods Woord — die aan het spreken der Kerk een onfeilbaar karakter zouden verleenen. De Synode schijnt te verlangen met nog grooter gezag te kunnen gaan spreken, maar de Kerk als zoodanig moet juist heel weinig spreken, vooral in een tijd, waarin alles zoo op losse schroeven staat als de onze. Laat het profeteeren over aan daartoe geroepen enkelingen, aldus Dr. Snethlage, dat is nog nimmer gelukt aan een college van Schriftgeleerden.
Een permanente actie tegen het ontwerp voert Ds. Joh. P. van Mullem van Zuidbroek in de extra-editie van een door hem geredigeerd blaadje„Tot Opbouw onzer Kerk”. In de nummers, die mij daarvan onder oogen kwamen, komt vooral de strijdpositie der vrijzinnigen naar voren. Bij de voorstanders van het ontwerp wordt weinig goede trouw verondersteld en als regel aangenomen, dat het heele plan als hoogste doel heeft de vrijzinnigen het leven in de Kerk onmogelijk te maken.
Deze publicaties, die op aanvrage bij de schrijvers te verkrijgen zijn, ➝

|68|

Gereformeerde Bond beschikt niet meer over een eigen orgaan; daar moesten brochures deze leemte vullen. Wie zich wil oriënteeren, bestudeere het volgende; contra het ontwerp de drie bij J. Bout in Huizen uitgegeven brochures, resp. van Ds. I. Kievit te Baarn, Ds. A. Barendrecht te.Westbroek en Drs. J.C. Hooykaas te Arnemuiden. Een verdediging van de grondgedachten gaven; het reeds eerder verschenen geschrift van Ds. J.G. Woelderink „De gevaren der doopersche geestesstrooming”, het laatste hoofdstuk, handelend over de reorganisatie in het algemeen; verder de brief van Ds. J.Ch.W. Kruishoop te Ermelo aan de Herv. (Geref.) Kerkeraden en tenslotte het artikel van Ds. G. van der Zee te Ridderkerk in het Weekblad der Nederlandsche Hervormde Kerk van 24 Juni 1944 „De vrees voor het ontwerp”. De brochure van Kievit en het boek van Woelderink zijn van het hiergenoemde ongetwijfeld het belangrijkste.

 

§ 27. De bezwaren der links-vrijzinnigen.

De bezwaren der links-vrijzinnigen ontleen ik aan een artikel van Ds. H. van Lunzen van Odoorn „Groote Synode, afschaffing vetorecht en de positie der Vrijz. Hervormden” (Kerk en Wereld, 23 Juni 1944), de Verklaring-van Lunzen c.s. tegen het ontwerp in het bijblad van dit nummer, en in de derde plaats het artikel van Ds. Mr. H.H. Riepma van Edam „De Generale Synode” in hetzelfde bijblad.

Ds. van Lunzen bestrijdt het ontwerp omdat de positie der Vrijzinnig-Hervormden onder het nieuwe ontwerp z.i. belangrijk zal achteruitgaan. De Vrijz. Hervormden staan nu eenmaal in de Kerk in een strijdpositie; het moge waar zijn dat de orthodoxie tegenover de rechts-modernen een klein beetje verdraagzamer aan het worden is, tegenover de linkerzijde geldt dit zeker niet. Daarom moet de vrijzinnigheid alles op alles zetten, om zich te handhaven en zeker niet medewerken aan ontwerpen, die de strijdpositie zouden kunnen verzwakken. Vooral het veto-recht der Provinciale Kerkbesturen is een zeer waardevol middel om ongewenschte reglementswijzigingen te keeren.

De Verklaring der links-vrijzinnige voorgangers grijpt zeer centraal de „geestelijke basis” der Generale Synode uit add. art. I aan. Deze formuleering van gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift,


➝ heb ik slechts kort willen vermelden, zonder mijnerzijds op deze beweringen in te gaan, daar het ook zonder dat wel duidelijk zal zijn, dat hier een visie op kerk, mensch en Bijbel aan het woord is, die wel geheel anders is dan die waardoor de beschouwingen dezer brochure worden gedragen.

|69|

staande op den bodem der belijdenisgeschriften, is principieel onaanvaardbaar. De onderteekenaars stellen daartegenover het beginsel der gewetensvrijheid als oerbeginsel van het Protestantisme (Is onbeperkte gewetensvrijheid ooit het beginsel der Reformatie geweest? Wordt Luthers houding hier toch niet misverstaan?). Verder de dankbare aanvaarding van den arbeid van eeuwen van een onafhankelijke critische theologie en tenslotte het onderscheid tusschen het eeuwigblijvende en het tijdgebonden-vergankelijke in iedere geloofsuitdrukking. Onderteekenaars verwachten van aanneming dezer voorstellen uitdrijving der linksvrijzinnigen, wien het leven in de Kerk al spoedig onmogelijk zal worden gemaakt.

Ds. Mr. Riepma acht het voorstel naar zijn inhoud overbodig; hij acht dat de tegenwoordige Algemeene Synode evengoed, neen veel beter, al het van de Generale Synode verwachte zal kunnen brengen. Veel beter, want hij vreest de groote kosten der „groote synode” en ziet haar al spoedig ontaarden tot een praatcollege, waar de demagogen vrij spel zullen hebben. Hij bestrijdt verder de onbevoegdheid der Algemeene Synode om tot invoering van een nieuwe Kerkorde over te gaan. Uit de reglementen blijkt daarvan niets. Ongewenscht acht hij ook dat dit geheele ontwerp in additioneele artikelen en invoeringsbepalingen bij het Algemeen Reglement is ondergebracht, terwijl hij protesteert tegen de haast, waarmede dit ontwerp weer wordt behandeld. Art. 62 van het Algemeen Reglement schrijft toch voor dat de Synode van het volgend jaar van de consideratiën der Kerk moet kennis nemen. Nu poneert Ds. Mr. Riepma dat dit iets anders is, dan de volgende Synode.

Over dit laatste een enkel woord; wordt hier bedoeld; van het volgende zittingsjaar of van het volgend kalenderjaar? Eind Juli begint het nieuwe zittingsjaar der Synode; dan treedt bovendien een nieuwe Synode op; verschillende leden keeren niet meer terug, anderen komen voor het eerst, het moderamen wordt herkozen en dergelijke. Nu zal iedereen dadelijk toegeven dat een rustige behandeling van zoo belangrijke ontwerpen preferabel moet heeten. Maar anderzijds leven wij in een wereld, die niet meer toelaat dat met de aanpassing der Kerk aan de haar omringende situatie bijna twee jaar heen gaat. Wanneer Ds. Mr. Riepma de noodzakelijkheid van deze voorstellen bestrijdt, zal ook de spoed der behandeling hem niet aantrekken. Wie echter ziet dat hier zeer noodige dingen, die in de wereld na den oorlog zeker gereed moeten zijn, om de Kerk in staat te stellen haar houding dan geheel nieuw te bepalen, op grond van de dan intredende situatie, in het

|70|

geding zijn, zal het toejuichen dat de Synode een weg gevonden heeft, om deze procedure met bijna een jaar te bespoedigen. Het uitschrijven der buitengewone classicale vergaderingen heeft toch een zeer grondige kennisname mogelijk gemaakt. De bewering, dat deze procedure kerkrechtelijk onwettig zou zijn, vraagt om het bewijs dat in art. 62 met „jaar” het kalenderjaar bedoeld is, wat m.i. zeer onwaarschijnlijk is.

Hoe dan ook, de ontwikkeling der toestanden in ons land sinds het najaar van 1944 heeft Ds. Riepma in feite zijn zin gegeven, terwijl de Synode, om ieder verwijt van revolutionair werken als bij voorbaat te ontzenuwen aan de Provinciale Kerkbesturen verzocht heeft, hun oordeel pas uit te spreken nadat de verhoudingen in ons land weer wat normaler geworden zullen zijn. Eerst eind Juli 1945 werden zij verzocht hun stem uit te brengen.

 

§ 28. Vrijzinnige repliek.

Wat de vrijzinnige repliek betreft citeeren wij artikelen van Ds. K.A. Beversluis van Zutphen „De Generale Synode en de kerkelijk-politieke positie der Vrijzinnig-Hervormden” (Kerk en Wereld, 9 Juni 1944), Ds. D. Bakker van Drachten„Kerkorde-Werkorde” (idem, 16 Juni), Ds. J. Boonstra van Gieten „Antwoord aan Ds. van Lunzen c.s. en Ds. Mr. H.H. Riepma” (idem, bijblad, 23 Juni), Ds. D. Bakker „Nabetrachting” (idem, 11 Augustus) alsmede de verklaring van het Hoofdbestuur der Vereeniging van Vrijzinnig-Hervormden aan de Vrijzinnige Kerkeraden der Ned. Herv. Kerk(idem, 23 Juni). Deze litteratuuropgave bedoelt slechts de gelegenheid te geven aan den lezer om zichzelf te oriënteeren; onze weergave der vrijzinnige repliek willen wij samenvattend geven, zonder daarbij artikel na artikel te behandelen.

Eenerzijds valt daarin dan op te merken een zeer verblijdend zoeken van het belang der geheele Kerk. Het past een Christen niet allereerst te vragen: word ik er persoonlijk beter van? Voorop moet staan de vraag: wordt de Kerk als geheel er beter van. Bovendien hooren wij telkens weer een besef van sterke verantwoordelijkheid doorklinken; in deze wereld, waarin gestreden zal moeten worden tegen een modern heidendom, een ontkerstende cultuur en een naturalistische levenspraktijk gaat het niet om kleine belangetjes van partijpolitiek, maar om de vraag of het Christendom nog iets te beteekenen zal hebben, of eenvoudig in verstarring zal ondergaan (Verklaring Hoofdbestuur, Boonstra). „Wij gelooven, dat de ontzaglijke worsteling om het behoud der Christelijke waarden in het huidig hachelijk tijdsgewricht ons in de Herv. Kerk tot

|71|

elkander ranselen zal desnoods en grondig schoonmaak zal houden onder de theologische vooringenomenheid en — nogeens — zal voortbrengen een nieuw type vrijzinnigheid en orthodoxie, die, met behoud van ’t eigene, essentieele (beginselen sterven nooit!) zullen leeren elkaar de hand te reiken, wetende dat het is één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van ons allen....” (Boonstra).

Daarnaast wordt aan de bezwaarde broederen duidelijk gemaakt, „dat de „geestelijke basis” der komende Generale Synode zeer wel een vrijzinnige interpretatie toelaat, die niemand behoeft af te schrikken”. Wij verstaan onder gehoorzaamheid aan de H. S. een innerlijke gehoorzaamheid aan wat God ons door den Heiligen Geest in den Bijbel als Zijn Woord openbaart, waarbij de moderne bijbelcritiek, zooals die onder meer in Vrijz. Herv. kringen gangbaar is, volkomen gehandhaafd kan worden". (In § 22 hebben wij hierover reeds het een en ander opgemerkt. We constateeren hier alleen dat het dus nog steeds zoo is dat wanneer de Vrijzinnigen als eerste woord zeggen „Bijbel”, hun tweede woord al dadelijk luidt „Bijbelcritiek”; het kon misschien wat eleganter, wat eerbiediger, tegenover de Heilige Schrift). En verder: „bij de formule op den bodem der belijdenisgeschriften wijzen wij de woorden fundament en grondslag zeer beslist af en houden wij vast aan het woord bodem, omdat dit veel meer mogelijkheden open laat (hoe zoo?) en ruimte geeft aan een dynamische opvatting, gelijk die onder meer in Vrijz. Herv. kringen leeft; n.l. dat men tot geen repristinatie bereid is, maar niet anders bedoelt dan dat het christelijk waarheidsgehalte der belijdenisgeschriften in een nieuw belijden, waartoe de Ned. Herv. Kerk moet komen, verdisconteerd moet worden. (Bakker, Nabetr.). Wat die dynamische opvatting betreft, dit laat zich verstaan; waarom het woord bodem veel meer mogelijkheden open laat, bleef mij duister. Wie die dynamische opvatting aanvaarden kan, zooals de nota der commissie die stelde schrikt hier niet al te hevig van. De groote vraag blijft natuurlijk, wat het Christelijk waarheidsgehalte der belijdenisgeschriften precies is; of bijvoorbeeld de verzoening-door-voldoening daar ook bij behoort; maar op dit punt is geestelijke groei en verdieping mogelijk (zoodat wij het elkander nog. eens zoo Bijbelsch kunnen zeggen, dat allen het verstaan). Tenslotte blijft toch de Heilige Schrift het laatste woord houden. Wij vermogen immers niets tegen de Waarheid maar voor de Waarheid?

Anderzijds treft echter in de vrijzinnige repliek telkens weer hoe de kerkpolitiek om den hoek komt kijken. Zij het dan ook ongaarne (bij Beversluis en Boonstra). Op grond van subtiele berekeningen

|72|

en speculaties wordt betoogd, dat de positie der Vrijzinnig-Hervormden in de Generale Synode sterker zal zijn, dan in de huidige verhoudingen in de eerstkomende jaren te verwachten valt. Dat dus niemand ongerust behoeft te zijn om aan dit voorstel zijn stem te geven. Ja zelfs dat het vrijzinnige element door deze nieuwe voorstellen zal worden versterkt in de leiding onzer Kerk. Hier wordt helaas zeer onkerkelijk gedacht en gesproken; de schrijvers voelen dit zelf dan ook zeer wel. Het hoogtepunt blijft echter in vrijwel al de genoemde artikelen en verklaringen het verlangen naar het amendement der 2/3 meerderheid; wanneer dan nog een paar orthodoxe stemmen van ruimdenkenden van de overzijde ons te hulp komen zijn wij safe. Het is jammer dat de groote meerderheid der rechtzinnigen deze rekensommetjes niet heeft doorgehad. Want niet alleen wordt daardoor het aantrekkelijke van de samenwerking aller richtingen bij dit ontwerp bedenkelijk beduimeld, maar bovendien, wat nog veel erger is, heeft door de aanvaarding dezer amendementen, die op grond der classicale consideraties wel volgen moest, de Generale Synode van meetaf haar aandeel in de partijpolitiek der tegenwoordige verhoudingen weer ruimschoots meegekregen. Zooals het nu al 128 jaar geweest is, zoo dreigt het weer te worden; er kan niets gebeuren als alle partijen het niet met elkaar eens zijn, waarbij kolen en geiten over en weer zullen worden gespaard. Dit geeft aan het 2/3 amendement zijn bitteren bijsmaak.

 

§ 29. Kievit, Woelderink, Kruishoop, Van der Zee.

Van Geref. Bondszijde liet het eerst Ds. Kievit van Baarn zijn stem hooren. Ontwerp en nota zijn hem beide even verwerpelijk. Waarom? Ds. Kievit vergelijkt de tegenwoordige voorstellen met de vroegere Gereformeerde Kerkorde. Het wezenlijke mist hij; de band aan de belijdenis. Vroeger mocht niemand opgaan naar een kerkelijke vergadering en daar zijn stem doen hooren, voordat hij zijn instemming met de belijdenisgeschriften der Kerk had uitgesproken. Daarin lag voor de Kerk de garantie, dat te nemen besluiten met haar wezen in overeenstemming zouden zijn.

De belijdenis is voor Ds. Kievit begrijpelijkerwijze heel wat anders dan voor de Vrijzinnigen. Hier precies de tegenovergestelde opvatting; de belijdenis is „repetitie” der H. Schrift, drukt de eeuwige waarheid Gods uit, onveranderlijk voor alle tijden. De leer der Drieëenheid bijvoorbeeld mag men niet als verouderd gaan voorstellen, die geldt voor ieder Christen, voor alle eeuwen, tot aan het einde der dagen. Dus vooral geen dynamische opvatting.

De belijdenis is dan ook constitutief voor het Kerkverband. Wie

|73|

het geloof dat daaruit spreekt, niet deelachtig is, heeft dan ook in de Kerk geen recht van spreken. De conclusie wordt begrijpelijk: alleen het Gereformeerde volk is competent en gerechtigd de zaak der belijdenis ter hand te nemen.

Dit echter zal in de komende Generale Synode allerminst het geval zijn. Alle richtingen zullen daar door elkander woelen, onder leiding van de Ethisch-Barthiaansche middengroep, die buitengewoon graag heerscht. Van de gehoorzaamheid aan de H. Schrift zal niets terecht komen, om van de handhaving der belijdenis maar te zwijgen. Iedereen kan weten, dat ieder daaronder het zijne verstaat. Het is zedelijk onverantwoord voor een Gereformeerd man, om deze formules in den zin der Gereformeerde belijdenis op te vatten, daar hij weet dat anderen er heel iets anders onder verstaan.

De toegevoegde nota is een compromisstuk, vermoeiend om door te lezen, geen geloofsgetuigenis, sprekend de taal van Schrift en Belijdenis. Met de groote beginselen daarvan is Ds. Kievit het allesbehalve eens 1).

Ds. Kievit voelt ook wel dat hij hiermede de oplossing voor het kerkelijk vraagstuk niet brengt; dat deert hem echter minder. Zijn parool blijft: eerst reformatie dan reorganisatie; in ons isolement ligt onze kracht. De houding van Prof. Severijn, die ontwerp en nota onderteekende, heeft het Geref. volk opnieuw teleurgesteld. Ds. Kievit acht zich daarvan de woordvoerder en protesteert in hun naam.

Deze opvattingen van Ds. Kievit willen wij hier niet bestrijden; zij zijn een gesloten geheel, dat niet met enkele zinnetjes kan worden afgedaan. Wel willen wij enkele gedachten der drie anders oordeelende Gereformeerde Bondstheologen hier vermelden, om begrijpelijk te maken, hoe het Hoofdbestuur van den Bond zich toch achter het ontwerp heeft kunnen plaatsen.

Allereerst Ds. Woelderink. Wat hij schreef in 1940 naar aanleiding van de verwerping der reorganisatievoorstellen, mede door den Bond, in 1938, is ook voor deze discussie voluit van toepassing. De critiek van Ds. Woelderink zet zeer diep in: hij beziet het door Kievit zoo geprezen Gereformeerde volk eens wat nauwkeuriger en komt tot


1) Onsympathiek is het bij Kievit en Hooykaas voorkomende verwijt dat het de bedoeling der commissie geweest zou zijn om de Statenvertalers te blameeren. Ieder theoloog moet toegeven dat de reden van deze vergissing in een onvolledigheid der Nestle-editie van den Griekschen grondtekst schuilt en dat op grond van deze editie het uitgesproken oordeel der commissie volkomen begrijpelijk is. Deze critiek is toch wel beneden peil.

|74|

de ontstellende, maar helaas juiste conclusie, dat dit Gereformeerde volk in breede streken van ons land ten prooi gevallen is aan zeer ongereformeerd individualisme (in de terminologie van Woelderink „doopersche uitwassen”). Op grond van deze richting is bij velen in den Bond het innerlijke leven alles geworden en men heeft voor de organisatie der Kerk en voor de opheffing uit haar verval geen belangstelling meer, en dit te minder, wijl men het als richting goed had onder de organisatie van 1816. Ging vroeger de strijd tot opheffing en doorbreking dezer Kerkorde juist van de Gereformeerden in de Kerk uit, tegenwoordig strijden zij juist met de vrijzinnigen het hardste voor de instandhouding van „1816”. Waarom? Omdat de vrees voorzit dat er wel eens uitspraken zouden kunnen komen, waarmede de Gereformeerden zich niet zouden kunnen vereenigen. Dan zouden zij de Kerk moeten verlaten en de kerkelijke goederen prijs geven. Dan maar liever de geheele Kerk in haar verlamming gelaten.

Ds. Kruishoop herinnert aan Groen van Prinsterer. Wat is de groote winst van dit ontwerp? Dat nu de mogelijkheid komt, waar Groen steeds voor streed: om in kerkelijke vergadering de zaken te toetsen aan Schrift en belijdenis. Al wist Groen zeker ook wel, dat in die vergaderingen de meerderheid der aanwezigen wel uit „andersdenkenden" zou bestaan. Maar hij vertrouwde in de macht der Waarheid, die dan voor zichzelve zou kunnen spreken.

Na de funeste uitwerking van „1816” te hebben geschetst, vervolgt hij dan „Wanneer ons dan gevraagd wordt, op een beslissend oogenblik op de a.s. classicale vergadering (die van 1944), zooals er na 1816 nog niet zulk een beslissend oogenblik is geweest: werkt ge nog mede om zulk een ontbindend systeem op de been te houden? dan zeggen wij kortweg „neen” ”.

Ds. van der Zee brengt zijn beschouwing onder dezen noemer:„er is kerkrechtelijke winst met dogmatisch risico”. Richtingen waren er altijd in de Kerk. Omstreeks 1680 waren er bijvoorbeeld twaalf soorten Coccejanen. Het duurde verder tot dezen zelfden tijd, eer iedere gemeente een Kerkeraad had; laat men dan thans niet weeklagen over de onrijpheid der ouderlingen. Een voor de geheele Kerk geldende Kerkorde kwam pas in 1816, daar alleen Utrecht, Gelderland en Overijsel de Dordtsche Kerkorde hebben aanvaard. Het blijft een waagstuk, dat aan de fundamenteele waarheden van Schrift en Belijdenis niet getornd zal worden. Maar het is den evengroot waagstuk om predikant (of ouderling) te zijn in een richtingenkerk. Zoowel het Trentsche Concilie 1545-1563 als de Dordtsche Synode 1618-1619 zijn jarenlang tegengehouden uit vrees, dat

|75|

allerlei zoete misstanden zouden worden opgeruimd. Thans zijn er ook allerlei zoete misstanden, al zijn zij veelal verschillend, die opgeruimd moeten worden, samengevat in: Individualisme. Tot zoover Ds. v. d. Zee.

De groote vraag bij dit alles is m.i.: wat is de Kerk? Ds. Kievit stelt: het wezen der Kerk is lichaam van Christus zijn, door de wederbaring des Geestes. Dit moge een goed-Bijbelschen klank hebben, het is toch niet Gereformeerd om ter kenschetsing van de Kerk uit te gaan van de wedergeboorte. Art. 29 der Ned. Geloofsbelijdenis noemt niet de wedergeboorte, maar prediking, sacrament en tucht als kenmerken der ware Kerk.

 

§ 30. Barendrecht, Hooykaas.

Na de leidende stemmen uit den Geref. Bond te hebben doen hooren, hoe beknopt dan ook, rest ons thans nog een korte bespreking van een tweetal kort geleden verschenen brochures van minder beteekenis. Allereerst de brochure-Barendrecht. Deze bestrijdt het ontwerp in een meditatie over Nehemia 13: 4-8. Eljasib is te vergelijken met de leiding van de Gereformeerden in onze Kerk, die geslapen hebben en argeloos vele Tobia’s hebben binnengehaald. Schrijver acht het overbodig om aan te toonen, dat niet alleen Modernen, maar ook Ethischen en vele Confessioneelen tot deze Tobia’s behooren. Oplossing van het kerkelijk vraagstuk ziet schrijver alleen in dezen weg: Tobia moet er uit! Hier is discussie wel niet goed mogelijk. Het blijft alleen jammer, dat schrijver wel Eljasib en Tobia scherp weet te teekenen, maar dat de gestalte van Nehemia, door wien dan toch de verlossing komen moet, in zijn geheele betoog zoo nevelachtig blijft. Terecht oordeelt Dr. Kromsigt over al dit schoons: Hier is een ongeremd doordraven(De Geref. Kerk, 3 Augustus 1944).

Nog geheel anders weet Drs. Hooykaas van leer te trekken. Zijn gedachtengang is verbluffend eenvoudig. Aan de Kerk is in 1816 en 1852 onrecht aangedaan door de Overheid. Laat de Overheid de betreffende Koninklijke Besluiten weer intrekken, zoo het aangedane onrecht opheffende, dan is automatisch het oude Gereformeerde Kerkrecht weer van kracht. Langs dezen weg zoeke men de reorganisatie der Kerk.

Hier wrijven we toch wel onze oogen uit. Om te beginnen: de Overheid heeft de Kerk in 1852 vrij gelaten. Kan zij een dergelijk besluit intrekken? Toch alleen, wanneer zij het recht heeft zich met de Kerk te bemoeien. Maar hoe kan dan „1816” nog onrecht worden genoemd? Verder: welke Kerkorde zou dan weer van kracht worden?

|76|

Voor iedere provincie een andere. Bovendien: een Kerkorde, die aan de Overheid vergaande rechten in het kerkelijk leven zou geven. Verlangt Hooykaas naar politieke commissarissen bij zijn Kerkeraadsvergaderingen terug? Tenslotte: Hier is toch wel volkomen voorbijgezien, dat de Kerk een levend organisme is, dat groeit en zich ontwikkelt. Wanneer men een plant heeft opgebonden en zoo gedwongen om in een bepaalde richting te groeien, dan kan men twee jaar later die banden wel los maken, maar daarmede heeft men de plant van voor twee jaar niet terug. De ontwikkeling der plant blijft voor altijd door die banden bepaald. Zoo is ook onze Kerk niet meer te denken zonder den invloed die „1816” op haar ontwikkeling heeft gehad.

Hooykaas gebruikt het tweede deel van zijn brochure tot bestrijding van den thans in de Kerk heerschenden geest. Dat is zijn goed recht. De wijze waarop hij dit doet, is echter wel zeer inferieur. Overal ontwaart hij den invloed der Barthianen. Bepaald komisch is zijn bestrijding der nieuwe vertaling van het Nieuwe Testament van het Ned. Bijbelgenootschap, om die reden. Uit de vertaling van 2 Tim. 3: 16 „elke van God ingegeven Schriftplaats is ook nuttig enz.” leidt hij af: hier heeft de Barthiaan geofferd aan eigen overtuiging. Dit is toch wel zeer kluchtig. Want in de eerste plaats heb ik met den besten wil van de wereld onder de vertalers geen enkelen Barthiaan kunnen ontdekken, in de tweede plaats zijn verschillende leidende theologen dezer richting allesbehalve enthousiast voor de bedoelde vertaling (die al te duidelijke kenmerken vertoont in een tijd te zijn ontstaan, waarin noch eenheid van theologie, noch eenheid van taal ons gegeven werd; men zie bijvoorbeeld, ter beoordeeling der gebruikte taal een woord als„lijklucht” in Joh. 11: 39), en wat nog het allermeeste zegt: Barth zelf vertaalt dezen tekst op de wijze der Statenvertaling (cf. K.D. I, 2 S. 559 en 572). Kent Hooykaas de Schriftbeschouwing, die hij bestrijdt? Voorloopig houd ik het er voor dat hij de betrokken paragrafen van Barths dogmatiek nimmer gelezen heeft. Op grond van een brief van een zekeren heer Aalbertsberg te Amsterdam wordt het kerkelijk evangelisatiewerk te Amsterdam gehekeld en Dr. Miskotte van Roomsche sympathieën beschuldigd. Wanneer een „vooraanstaande figuur in de principieel Hervormd Gereformeerde gelederen van Amsterdam” als deze heer Aalbertsberg, principieele bestrijding van Rome alleen kan terugvinden in antipapistische scheldpartijen, willen we daar niet te veel van zeggen. Maar een academisch gevormd man, een doctorandus, had ons dergelijke enormiteiten toch wel kunnen besparen.

|77|

Het is natuurlijk makkelijk om te gaan jammeren over allerlei verschijnselen in het kerkelijk leven die men niet begrijpt, of waar men het niet mee eens is. Zoo zullen velen diep onder den indruk komen van Hooykaas’ beschuldiging aan het adres van Prof. Haitjema, die zijn invloed aangewend zou hebben bij den Kerkeraad van Groningen om daar een vrijzinnig predikant te beroepen, achter wiens prediking zich de geheele Kerkeraad scharen kon. Hoe deze zaak precies zit kunnen we in het midden laten. Nemen we aan dat deze weergave juist is. Nu is het zeker niet noodig om Prof. Haitjema te verdedigen. Wel kan het gewenscht zijn ons eenigermate rekenschap te geven, van wat „vrijzinnig” tegenwoordig zoo al beteekenen kan, zooals dat bijvoorbeeld uit een artikel van Ds. van Mullem van Zuidbroek („De Vrijzinnige pers”, Kerk en Wereld 4 Augustus 1944) duidelijk worden kan. Misschien oordeelt men dan toch wel wat voorzichtiger.

We stoppen met Hooykaas. Hier kunnen we geen waardevolle bijdrage tot het kerkelijk gesprek onzer dagen ontdekken. Gaarne willen we de waarheid hooren, ook uit den mond van andersgerichte theologen. Juist omdat we de macht der waarheid zelve vertrouwen, verwachten wij zooveel van de nieuwe werkorde en de komst der Generale Synode. Maar die waarheid zal dan toch wel even anders verdedigd moeten worden dan het door de heeren Barendrecht en Hooykaas is geschied.

Bronkhorst, A.J. (1945) Sw

 

Slotwoord.

 

§ 31. Is dit voorstel een zegen voor onze Kerk?

We komen aan het einde. Verdere onderdeelen laten wij nu maar rusten. Reeds zoo is deze inleiding lang genoeg geworden. Het kan duidelijk geworden zijn dat het gebeuren van 1945 in breede samenhangen staat en van de grootste beteekenis kan worden voor onze Kerk. Garandeeren kan niemand dit. Het zal ongetwijfeld geen gemakkelijke taak worden om in de Generale Synode, als die volgend jaar samenkomen mag, zitting te hebben en dan ook waarlijk kerkelijk te denken, boven het standpunt der partijen uit. Hoe licht krijgen wij daar de oude richtingsstrijd niet op een nieuw plan terug. Bovendien: als de Kerk dan in beweging zal gaan komen, wie garandeert dat het in de goede richting zal zijn? Zijn wij waarlijk aan een Generale Synode toe? Komen er geen besluiten, die meer kwaad dan goed zullen doen? Bij de huidige verstarring wisten we

|78|

waar we aan toe waren, nu zal alles nieuw gaan worden. Gaat het in de laatste jaren niet goed, boven alle verwachting zelfs? Is de Kerkorde van 1816 wel zoo onjuist, of is haar eenige bezwaar, dat er een flinke Secretaris bij moet komen.... ?

Zeker, de geest is belangrijker dan de orde. Een levende Kerk zal er met een slechte Kerkorde meer van terechtbrengen, dan een verstarde Kerk onder de Kerkinrichting van de Dordtsche Synode. De geest laat zich niet belemmeren. Maar daartegenover blijft het woord van Gunning van kracht: het is niet voldoende wanneer de Kerkorde het leven der Kerk niet belemmert, de Kerkorde moet dat leven bevorderen. En of „1816” dat gedaan heeft? De richtingen bloeiden, maar de Kerk ging dood. En al moge, naar het woord van Noordmans, het Algemeen Reglement van Koning Willem I het vermogen gehad hebben, om te duren, dit is niet voldoende. Het had helaas niet het vermogen om te winnen, alleen maar om te verliezen.

Nu ook de Provinciale Kerkbesturen het voorstel-Generale Synode hebben aanvaard, staan we aan het begin van een nieuwe toekomst in onze Kerk. We zien de gevaren en de risico’s. Het is er mee als met een schip: zoolang het aan de kade gemeerd ligt, loopt het geen gevaar te vergaan. Uitvaren beteekent risico loopen. Maar desondanks, geen schipper zal dit voldoende reden achten om thuis te blijven liggen.

Wie kerkelijk leerde denken, wie de voortdurende aftakeling der Ned. Hervormde Kerk met diepe smart heeft gevolgd, wie haar zag verworden tot een steeds sterker verstarrende cultusgemeenschap, wie bovendien de funeste gevolgen van het Algemeen Reglement van 1816 voor onze Kerk heeft doorzien, hunkert naar de doorbraak naar een nieuwe Kerkorde. Deze wordt hier mogelijk gemaakt. Zou dan voor ons het parool niet zijn, als Goddelijk marschbevel: werp uw net uit aan de andere zijde en gij zult vangen? Dan juichen we niet te vroeg. Dan blijven we bedenken dat de orde zonder den Geest dood is. Maar dan staan we in ootmoedige, dankbare verwondering, dat God, de Koning der Kerk ons in dezen moeilijken tijd deze geweldige mogelijkheid geven wil. En we antwoorden als de discipelen, in bevend, biddend geloofsvertrouwen: Heere, op Uw Woord zullen wij het net uitwerpen.

Bronkhorst, A.J. (1945) Inh

|79|

 

Inhoudsoverzicht.

Woord vooraf — 3

§ 1. Inleiding.

Hoofdstuk I: De groote tijd onzer Kerkorde — 7

§ 2 Calvijn.
§ 3 Onze oude Synoden.
§ 4 De Nationale Synode te Dordrecht en de Dordtsche Kerkorde.
§ 5 Het verval onzer Kerk na de Dordtsche Synode.

Hoofdstuk II: De Kerkorde van 1816 — 15

§ 6 De Kerk in den Franschen tijd.
§ 7 Het ontstaan van de Kerkorde van 1816.
§ 8 De inhoud van het Reglement van 1816.
§ 9 Beoordeeling van het Reglement van 1816.
§ 10 De Reactie der Kerk.
§ 11 De latere wijzigingen in het Reglement van 1816.

Hoofdstuk III: Van 1816 tot 1940 — 28

§ 12 De Kerk en de belijdenis.
§ 13 De gevolgen van het Algemeen Reglement van 1816.
§ 14 Cultusgemeenschap of Zendingskerk.
§ 15 Op weg naar reorganisatie.
§ 16 Kort historisch overzicht.

Hoofdstuk IV: Op weg naar de doorbraak — 42

§ 17 Kerkelijke vernieuwing.
§ 18 De Nederlandsch Hervormde Kerk in oorlogstijd.
§ 19 Het voorstel-Generale Synode.
§ 20 De geestelijke taak van de Generale Synode.
§ 21 De „geestelijke basis” der Synode.
§ 22 De toegevoegde nota.

|80|

§ 23 De Generale Synode en de leer der Kerk.
§ 24 De invoering der nieuwe Kerkorde.
§ 25 Generale Synode en Dordtsche Kerkorde.

Hoofdstuk V: De reactie der Kerk op het voorstel-Generale Synode — 66

§ 26 Terreinverkenning.
§ 27 De bezwaren der links-vrijzinnigen.
§ 28 Vrijzinnige repliek.
§ 29 Kievit, Woelderink, Kruishoop, Van der Zee.
§ 30 Barendrecht, Hooykaas.

Slotwoord — 77

§ 31 Is dit voorstel een zegen voor onze Kerk?