Royaards, H.J. (1834) § 52

§ 52.
Staatstoezigt op de kerkelijke administratie. — Provinciale Collegiën van toezigt.

Gelijk de Staat toezigt houdt over de kerkelijke belangen, zoo is dezelve inzonderheid werkzaam omtrent de Kerkegoederen en inkomsten. Dit toezigt wordt wel in het algemeen door het Ministeriëel Departement uitgeoefend, doch is meer onmiddellijk in elke Provincie opgedragen aan Provinciale Collegiën.

Dat toch deze Collegiën geene Vergaderingen van bestuur, maar van toezigt vormen, duidt reeds derzelver naam aan: Collegiën van toezigt. Dat zij in onderscheiding der Collegiën van Kerkvoogden en Notabelen, geen kerkelijke, maar Staats-Collegiën zijn, volgt geredelijk en uit den aard der werkzaamheden, en uit de benoeming van derzelver Leden, die door den Staat geschiedt, en niet gelijk bij Kerkvoogden en Notabelen door de Hervormde kerkelijke Gemeente, of derzelver vertegenwoordigers.

Er bestaat dan in elke Provincie, sints de invoering der Reglementen op de administratie (2), een


(2) Zie boven § 40, bl. 158.

|247|

Provinciaal Collegie van Toezigt op de administratie der kerkelijke fondsen en eigendommen bij de Hervormden.

Hetzelve is gewoonlijk zamengesteld uit 7 Leden, t.w. den Gouverneur der Provincie, twee Leden der Gedeputeerde Staten, den President en Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur, en twee aanzienlijke Leden der Hervormde Kerk. — Indien echter de tijdelijke Gouverneur geen Lid der Hervormde Kerk zijn mogt, wordt hij vervangen door een Lid der Gedeputeerde Staten, door den Koning daartoe te benoemen; terwijl overal, (Gelderland uitgezonderd), waar de standplaats van den President en Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur te ver verwijderd is van de Provinciale Hoofdplaats, dezelve vervangen worden door twee andere Leden van het Provinciaal Kerkbestuur. Maar in Gelderland kunnen voor den President en Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur, indien hetzelve zulks verlangen mogt, op deszelfs voordragt twee Notabele Kerkeraadsleden door den Koning worden benoemd (1). — Doch in Noord-Braband is alleen bepaald, dat onder de 7 Leden van het Collegie zich moeten bevinden twee Leden der Provinciale Staten, twee Leden van het Provinciaal Kerkbestuur en de Gouverneur der Provincie, indien hij Lid is der Hervormde Kerk (2).

Eveneens geschiedt ook de benoeming der Leden


(1) Zie de verschill. Reglementen op de kerkelijke administratie, b.a. Art. 2.
(2) Ampliatie, b.a. 26 Julij 1823.

|248|

uit de Gedeputeerde Staten en der particuliere Leden, door den Koning. — Jaarlijks treedt met den 1sten Januarij één der Gedeputeerde Staten, en één der particulieren af; doch zij blijven weder benoembaar. In Noord-Braband treden jaarlijks twee Leden, steeds weder benoembaar, met den 1sten Januarij, af (1).

Deze Collegiën houden derzelver zitting in de Hoofdsteden der Provinciën.

De Gouverneur der Provincie is, waar hij Lid is, President der Vergadering. — Het Secretariaat wordt aan één der Leden opgedragen, en deze geässisteerd door één van de geëmploijeerden der Staten, (of in Utrecht en Vriesland, op het bureau der Staten) door den Gouverneur te dispiciëeren; en van dien in Gelderland staat bepaald, dat hij van de Hervormde Godsdienst zijn moet. — Nopens den Secretaris is in Noord-Brand niets bepaald (2).

De bepaling van de vaste Vergaderingen en de regeling der wijze, waarop de loopende zaken tusschen tijds door President en Secretaris worden afgedaan, is aan het Collegie opgedragen (3).

Voor de noodzakelijke kosten van het Provinciaal Collegie wordt jaarlijks eene som uit de klassikale kas betaald; en wel in Utrecht ten meeste ƒ 300; — in Drenthe ƒ 400; — in Zeeland, Overijssel, Groningen


(1) Reglementen, Art. 4.
(2) Reglementen, Art. 2, 3.
(3) Reglementen, Art. 8; — van Vriesland, Art. 9.

|249|

en Vriesland ƒ 500; — in Gelderland en Noord-Braband ƒ 600, en in Noord- en Zuid-Holland ƒ 800. — Bij de Reglementen is bepaald, dat over de wijze, waarop zulks in alle Provinciën aan de klassikale kas zal vergoed worden, nadere bepalingen door den Koning zouden gemaakt worden. — Alleen in Utrecht wordt in het gebruik van het locaal, vuur, licht, schrijfbehoeften en bediening voor het Collegie benoodigd, door de Staten of den Gouverneur voorzien; waarom de verdere kosten, uit de klassikale kas voorloopig te betalen, aldaar lager geraamd zijn.

De werkzaamheden van dit Collegie bestaan in het algemeen toezigt op de administratie der kerkelijke fondsen in alle Gemeenten der Provincie. — Het ontvangt daartoe kennis van alle veranderingen in het personeel der Kerkvoogden en Notabelen; — het beslist de geschillen, welke ten aanzien der administratie in de Gemeenten mogten ontstaan, — en zorgt voor het herstel van gebreken en misbruiken, welke hetzelve ontdekken mogt, of doet deswege de noodige voordragten. — Daarenboven moest het in Vriesland de meest doelmatige middelen beramen, ten einde op die plaatsen, waar de Kerk- en Armvoogdijen nog vereenigd zijn, eene scheiding tusschen deze administratie worde tot stand gebragt op den meest geapsten en billijken voet (1).

Jaarlijks zendt hetzelve, voor den 1sten December in Zeeland, Noord- en Zuid-Holland en Overijssel en


(1) Reglementen, Art. 6; — van Vriesland, Art. 7.

|250|

elders voor den 1sten December, aan het Ministeriëel Departement een naauwkeurig verslag in van den Staat der Hervormde Kerken, Pastorijen en kerkelijke administratiën in de Provinciën, benevens een nominative lijst der fungerende Kerkvoogden (1).

Het Provinciaal Collegie ontvangt tot informatie een afschrift der opgemaakte begrooting van elke Gemeente (2). In Overijssel kan het, indien het daarin gebreken mogt ontdekken, handelen volgens de algemeene beginselen van deszelfs werkzaamheid, bij Art. 6 van het Reglement aangeduid (3). — Eveneens ontvangt het voor 1 Julij van elk jaar afschrift van de jaarlijksche Rekening tot informatie, alsmede der aanmerkingen, op dezelve gevallen, waarover het Collegie beslissen moet; en handelt het in Overijssel, Noord-Braband, Groningen en Drenthe, bij ontdekking van gebreken, volgens gelijken maatstaf. In Gelderland, Utrecht en Vriesland heeft het de bevoegdheid, om wanneer het daartoe reden meent te hebben, visie te vragen van de opgenoemde rekeningen (4). Het geeft buiten Gelderland, Utrecht en Vriesland, over authorisatie voor af- en over-schrijvingen van een post op den anderen op het Budget (5). Aan deszelfs goedkeuring is het ontwerp van hoofdelijken omslag, waar die benoodigd is, onderworpen; wanneer het een


(1) Reglementen, Art. 7; — van Vriesland, Art. 8.
(2) Reglementen, Art. 27; — van Vriesland, Art. 30.
(3) Zie hierboven bl. 249.
(4) Reglementen, Art. 51, 52; — van Vriesland, Art. 59, 60.
(4) Reglementen, Art. 28, 47 (46); — van Vriesland, Art. 31, 54.

|251|

Afschrift daarvan inzendt aan het Ministeriëel Departement; — alsmede het besluit van Kerkvoogden tot entameren van kerkelijke procedures (1). Het adviseert Gedeputeerde Staten omtrent verkoop of belasting van kerkelijke eigendommen (2). — In Zeeland moet het aan hetzelve blijken, dat de Ontvanger een voldoenden borgtogt gesteld heeft; in Noord- en Zuid-Holland en Overijssel moet het Collegie dien goedkeuren (3). — Het ontwerpt, met agreatie van het Ministeriëel Departement, provinciale reglementen van uitkoop (4). — In Overijssel, Utrecht en Vriesland kan daarenboven degene, die zich doro beslissing der Commissie over de doleantie bezwaard acht, aan het Provinciaal Collegie zich adresseeren, ten einde definitieve uitspraak door hetzelve gedaan worde; en in Gelderland worden de klagten over de doleantiën door Kerkvoogden en Notabelen ingezonden aan het Provinciaal Collegie, ten einde uitspraak te doen (5). — Het beslist bij onverhoopte geschillen tusschen Kerkeraden en Kerkvoogden, behoudens de bevoegdheid van belanghebbenden, om zich tot den Koning te wenden. Gelijkelijk beslist het bij ontstanen twijfel omtrent de wettigheid der redenen van verschooning voor kerkelijke bedieningen (6).


(1) Reglem., Art. 29, 77 (75); — van Vriesland, Art. 33.
(2) Reglem., Art. 78 (76, 77); — van Vriesland, Art. 84.
(3) Reglem. van Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Overijssel, Art. 43.
(4) Reglem., Art. 64 (63); — van Vriesland, Art. 72.
(5) Reglem. van Utrecht, Vriesland en Overijssel, Art. 34.
(6) Reglem., Art. 61 (60), 67 (66); — van Vriesland, Art. 69 en 75.

|252|

Het ontvangt, even als het Ministerie, berigt der bezwaren bij de Kerkvisitatie omtrent de kerkelijke administratie ingebragt, ten einde daarop acht te kunnen slaan. — Het kan bij nalatigheid van Kerkvoogden in het tijdig inzenden der jaarlijksche begrooting een Commissie zenden ter particuliere kosten derzelven; — en eindelijk adviseert het den Koning op de voorgestelde veranderingen in de Reglementen (1). — Deszelfs werkzaamheid in de beoordeeling van het getal der Kerkvoogden en Notabelen, hebben wij boven vermeld (2).

Handhaving van dit Staatstoezigt.

Zoo houdt de Staat toezigt over het kerkelijk bestier en de kerkelijke administratie; maar tevens waakt de Staat voor de handhaving van deszelfs regten, ook tegenover de Kerk. Uit dit beginsel zijn eenige voorzorgen te verklaren, door den Staat genomen. Dezelve zijn echter niet bij uitsluiting op de Hervormden toepasselijk; maar schijnen zelfs uitgelokt door de voordragten van den Directeur-Generaal voor de zaken van de Roomsch-Katholike Eerdienst en geldig voor alle gezindheden, waarom zij in de ontwikkeling van het Kerkregt hare plaats verdienen (3).


(1) Reglem., Art. 62 (61), 79 (78, 77), 80; — van Vriesland, Art. 70, 86.
(2) Zie boven, bl. 164, 165, 175.
(3) Zie Koninkl. Besluit, d.d. 16 Aug. 1824, n. 45, omtrent de beschikkingen te maken door Kerkbesturen en kerkelijke administratien, te vinden in het Staatsblad, en bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 165. — In hetzelve wordt in de eerste plaats gewezen ➝

|253|

Bij dezelven is dan aan alle Kerkbesturen en kerkelijke administratiën voorgeschreven zich zorgvuldig te wachten van eenige beschikkingen en bestellingen te maken, omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk bij de bestaande wetten, reglementen, orders of instructiën is opgedragen. — Daarom wordt dan ook de toestemming des Konings vereischt tot het stichten en opbouwen, herbouwen, de veranderde inrigting van Kerken of gebouwen, tot de openlijke eerdienst bestemd, en is ter verkrijging derzelver noodig de opgave der daartoe vereischte kosten, en der voorhanden zijnde middelen, om die kosten te bestrijden. Hetwelk alles mede vereischt wordt om eenige nieuwe kerkelijke Gemeente op te riten of in te stellen. Daarenboven is de toestemming der daartoe bevoegde openbare magten vereischt, ten einde uit de Kerken weg te breken, te vervoeren of te vervreemden; of om zich eenige andere beschikking te veroorloven, met opzigt tot de in de kerken geplaatste voorwerpen van kunst of geschiedkundige gedenkstukken, van welken aard die ook zouden mogen zijn, voor zooverre zij niet toebehooren aan bijzondere Genootschappen of bijzondere personen.

Aan de Kerkbesturen werd dien ten gevolge opgedragen zich te bepalen tot de werken van noodzakelijk onderhoud, die de instandhouding der gebouwen mogt vorderen.


➝ op de voordragten van den Directeur-Generaal voor de zaken van de Roomsch-Katholieke Eerdienst.