Sikkel, J.C. (1920)

De groote toekomst en de vrouw
Een nagelaten lezing
Rotterdam
Drukkerij Libertas
1920

pdf bij dbnl

Sikkel, J.C. (1920) Wv

|3|

 

Met weemoed maar ook met groote dankbaarheid zend ik deze nagelaten lezing van mijn vader ter pers. Met weemoed, omdat de stem van hem, die ze las, niet meet spreken zal. Met groote dankbaarheid, omdat dit één van mijn vaders laatste woorden was, waarin hij zich ook zelf zoo verheugde het nog voor zijn sterven te hebben mogen zeggen.
Drage zoo, naar de wet van het vruchtdragend tarwegraan deze lezing ook nu nog onder Gods zegen rijke vrucht.

C.J.S.

Amsterdam, September 1920.

Sikkel, J.C. (1920) Tekst

|5|

 

Wie waarlijk geestelijk leeft, gevoelig voor het natuurlijke menschelijke en voor het hoogste menschelijke, — die moest en moet in onzen tijd veel lijden. Want door zulk een mensch gaat heen het wee, waarin heel het menschenleven op aarde kreunt en kermt.
Er is, bizonder met en door den wereldoorlog, een geweldige beweging van verwoesting over het menschenleven gekomen, alle levensschatten bedreigend met verderving. De gedooden zijn legio, de verminkten, de gedemoraliseerden. Kronen liggen vertreden, rijken werden uiteengerukt, volken gebroken, legerscharen van kinderen aan vreemde natiën toevertrouwd. De goederenrijkdom der wereld werd vernietigd, en het geld viel uit zijn waarden, — al stapelden ze zich hier en daar opeen op weerzinwekkende hoopen. — De loonstijging scheen dol geworden; toch pijnigt de duurte; vervulling der levensbehoeften is voor velen onbereikbaar; de arbeidsproductie kan die vervulling niet geven; en de werklust, die moet voortbrengen, wordt door de voortbrengers zelf gehoond. In de arbeidswereld brandt een geweldig vuur. En het hongert in de wereld in groeiend gebrul naar revolutie, naar absolute revolutie, naar uiteenrukking van al het bestaande, naar communisme

|6|

van ellende. God en zijn Woord, de Christus en zijn Kerk, worden bij toeneming geminacht en bespot. Het gebed sterft. Godsdienst en zedelijkheid beheerschen het leven niet meer; en ze zijn zelf veelszins machteloos en krachteloos, onbekwaam om te bezielen en weinig bezield, zich terugtrekkend in verstokkend conservatisme, of zich ontbindend in meegaande beginselzwakheid en in de dweeperij der eeuw. Gezag en tucht moeten wijken. Gewetenloosheid beheerscht het winstbejag. Bedrog, diefstal, inbraak en doodslag vermenigvuldigen. In de sexueele verhoudingen vieren onbeschaamdheid en teugelloosheid hoogtij. De echte liefde vlucht voor zielloos uiterlijk belang of vleeschelijke willekeur. Trouw en karakter, toewijding en idealisme, bekoren zelfs het opkomend geslacht al minder. De menschheid leeft in kuddedrommen, en ze spat ook weer in die drommen uiteen. In zinnelijk schouwtooneel en filmvertoon, in al grover spel en al doller dans zoekt het jammerlijke leven vergetelheid. Nog volharden de levensleidslieden, maar radeloosheid sluipt gedurig rondom hen. Het pessimisme neemt onder de ernstigsten toe; velen, die hoog geroemd hebben van een eeuwige wereld in al hooger volkomenheid, vreezen thans voor haar ondergang; of ze walgen van haar, en snakken naar haar einde. En ook bij hen, die nog waarachtig geestelijk voor den levenden God knielen en het licht der Heilige Schrift zoeken, kwam het oordeel op, dat er niets meer aan te doen is; dat men er zoo goed mogelijk doorheen moet zien te komen; en dat het einde nu wel

|7|

spoedig volgen zal en volgen moet in de paroesie, in de wederkomst van Christus. De oorlogen, de ongerechtigheid, de aardbevingen, zijn dan van het wereldeinde het teeken.

Toch, — dit oordeel is met het Woord Gods niet in overeenstemming. Zeker wijzen de genoemde teekenen naar de levensbeweging der wereld, die naar haar voleinding heenwerkt, maar de Christus, en heel de Schrift in de eenheid van haar inhoud als Gods wereldopenbaring, zeggen voor het verhelderde oor en oog bij die teekenen van gruwel en verwoesting, van oorlogen en aardbevingen, nadrukkelijk: nog is het einde niet. 1)
Het einde komt anders. Het komt in de groote volle tegenstelling van den aangebeden Antichrist en den Christus. En daarom komt dit wereldeinde met het groote glorieuse rijk van den Antichrist, van den Mensch der Zonde, het rijk, dat heel de wereld zal omspannen, heel haar leven zal concentreeren, alle schatten en krachten der Natuur zal ontsluiten en dienstbaar maken. Op alle menschen zal dit rijk zijn teeken drukken; het zal allen van zijn weelde dronken maken; en in menschenwonderen, zooals die nog nimmer gezien zijn, zal het zijn roem doen stijgen ten hemel, verheerlijkend den mensch, den Mensch der Zonde, en lasterend God en den Heere Jezus Christus. Dit wereldrijk der geheele menschheid zal wereldsche cultuur en religie vereenigen in de religie


1) Matth. 24: 6-8.

|8|

dier cultuur, die reeds overal met kracht opkomt; in religie van het menschelijk zijn en kunnen, de religie der menschvergoding, waarin alle zieleleven en zielediepten met alle talent en kracht en levensschat der menschheid in al haar geledingen zullen samenstemmen. In dat wereldrijk der menschheid zal het Beest leven, d.i. de volle kracht der Natuur en der Zonde tegen den Geest en de Waarheid Gods; maar het Beest zal in dat rijk leven in vormen en woorden van religie, van vereering, van zielgevoel en zieleziening, van profetie, van aanbidding in den menschtempel. De grootheid, de volle grootheid der wereld, der wereldeenheid, waarin alle krachten, nu vrijgemaakt, tot eenheid samenstemmen en samenwerken, moet komen, zal komen, en komt naar het Woord Gods in het rijk van den Antichrist, van den Mensch der Zonde, van het Beest, van den valschen Profeet; en die grootheid komt daar in de volle emancipatie en gemeenschap van al het menschelijke.
Dàn komt het einde. 1)
Want met de wereldbeweging naar het einde gaat naar Gods Woord gepaard de doorgang van het Woord Gods in heel de wereld, de prediking van het Evangelie in vollen inhoud en beteekenis, en hiermee de geestelijke heerschappij van den verhoogden Christus onder de werking van den Heiligen Geest tot aan de einden der aarde. De geheele ontsluiting van het Woord Gods in heel zijn waarheid en strekking voor heel het menschenleven,


1) Openb. 13 en 14; 2 Thess. 2: 1-12; Matt. 24: 21-31.

|9|

voor heel het eenheidsleven der geheele menschheid komt daarmee. Dàn, — eindelijk! — o ’t is nog zoo vèr van ons! — dàn zal waarlijk de gouden kandelaar der Heilige Schrift als Gods Woord van zijn zeven lampen het volle licht uitstralen, het volle licht der verborgenheid Gods, die Zich door zijn Woord in zijn Wezen en in zijn werken voor heel de menschenwereld geopenbaard heeft. Het volle licht der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Christus Jezus zal uitstralen over en in het geheele menschenleven, in de breedte van dat menschenleven, en in zijn hoogte, en in zijn diepte, in al zijn diepten, in heel zijn inhoud, in zijn volheid en in zijn eenheid.
Hiermee zal in de ééne menschenwereld de eigenlijke en éénige groote strijd ten volle branden, de geestelijke strijd in de volle tegenstelling van vleesch en Geest (gelijk in de vóórtype vóór den Zondvloed), de volle tegenstelling van den gevallen mensch, van de gevallen menschheid, en God, van den Antichrist en den levenden Christus; en die tegenstelling zal heel het menschheidsleven doordringen tot in zijn wortel en fundament.
Het Christelijk leven zal zich zoo door den Heiligen Geest bij die tegenstelling in zijn volle kracht en inhoud moeten openbaren; in het volle geloof, in zijn volle waarachtige gemeenschap, in zijn volle liefde en in zijn volle wijding aan God als het eigendom van den Christus. In al enger getal, in al banger lijden, in al feller strijd, maar ook in al hooger edeler belijden en volharden. In de volle bewuste tegenstelling voor het volle

|10|

geconcentreerde menschenleven tusschen den Mensch der Zonde, den Zoon des Verderfs, en den levenden God, tusschen den Antichrist en den Christus, en zoo tusschen het vleeschelijk geëmancipeerde wereldleven en het waarachtige Christelijke leven, — in die volle tegenstelling is naar Gods Woord het teeken van het einde, en het einde zelf. De volle eenheidswereld der menschheid zal zijn de volheid der ongerechtigheid, de volle breuk met de Gemeente van Christus in heel het leven, de volstrekte wereldverwerping van den Christus, de volle lastering van den Heiligen Geest, de volle hoon van den levenden God, de diepte des Satans. En daarom zal deze volle eenheidswereld der menschheid zijn de voleinding der wereld tot glorie van God, den Vader, en den Zoon, en den Heiligen Geest, en tot glorie van het Koninkrijk Gods en de Gemeente der heiligen in de verlossende komst van den Christus ten gerichte.

Het huidig gebeuren dezer eeuw is dan ook niet het wereldeinde. Al kan het een tijdelijken en vreeselijken wereldondergang brengen, — en al staat het met het wereldeinde stellig in verband, ook als één der vóórtypen, gelijk er meerdere vóórgingen, — al is het juist door volgende verhoudingen, die het baart, voorbereidend voor de groote eindcatastrofe, — het is toch juist daarom de levensgang, die naar de ruimte voor het wereldeinde moet en zal doorbreken. Niet alleen de wereldbeweging is bij dit gebeuren in geding en in werking, niet minder ook is in dit gebeuren

|11|

de genadeheerschappij van den Christus over de wereld, de werking van Zijn Geest, de doorbreking van Gods Woord, het leven van de Gemeente des Heeren. De zuchtingen des Heiligen Geestes zijn hier met het zuchten van het gansche schepsel. Het ruischen van de voetstappen des Heeren is in de beroering der eeuw. Het wereldgebeuren is er niet enkel door wrevelen euvelmoed van het afvallig menschengeslacht, maar ook door het regiment van den Zoon van God. Er is hier niet slechts een rukken en scheuren, om zijn banden en koorden of te werpen, maar ook een werken van die banden en koorden zelf, waardoor de wereld naar Gods Raad op een nieuw hooger plan komen moet naar het groote glorieuse einddrama heen. We beleven niet maar wereldondergang, — we beleven ook wereldopgang. Fijne ooren, heldere oogen, gevoelige harten, echt levende menschen, nemen niet slechts de smart- en wanhoopskreten waar van een stervende menschheid, maar ze voelen en beluisteren daarin ook met diepe ontroering de geboorteweeën van een nieuwen tijd, van een nieuw wereldleven. Hier moge een Rachel in haar baren sterven, ze baart in haar sterven een kind der smarte, maar een kind, dat leeft en leven zal. In de bliksems en donderslagen breekt met kracht een nieuwe toekomst baan. Wereldsche harten van idealistische inspiratie juichen daarin een nieuwe hoogere breedere diepere cultuurtoekomst tegen; ze voelen die komen, al weten ze nog niet hoè; — en ze hebben gelijk. Maar ook wie in

|12|

Gods licht leeft en naar den hemel ademt en zucht, hoort en ziet en voelt met ontroering deze teekenen van een nieuwe toekomst. Zij het met beving, hij verheugt zich over de ontsluiting van den weg voor de geheele aarde, voor de eenheid der menschheid, voor de opening aller krachten en schatten van Natuur en menschenleven, van den vollen geheelen mensch, in alle volken, in alle standen, in mannen en vrouwen, in de geheele levensontkluistering en levensverrijking tot eenheid, en tot de groote alles beheerschende eenige waarachtige tegenstelling en strijd tusschen Satan en God.

Zeker, er zijn geweldige bewegingen en beroeringen van instorting en ruïneering, en niemand kan zeggen, hoever deze thans reeds zullen gaan, en welke verschrikkingen zij nog zullen brengen. Maar verandering moet toch komen, òf meer regelmatig door reformatorische leiding, òf door revolutionaire instorting, wanneer immers de verandering der tijden komt naar Gods Raad. En dan zijn er immer levensteekenen in de beroering, teekenen van nieuw toekomstleven, van nieuwe groote toekomst. De volken naderen, — zelfs huns ondanks, — elkaar, in bond voor hooger recht en gemeenschap. De klassen en standen in alle natiën hunkeren, zelfs in hun onderlinge bestrijding, naar elkaar. De concentratie der bedrijven zoekt de concurrentie to overwinnen. Kapitaal en Arbeid moeten wel tot één komen. Productie en Consumptie moeten aan elkaar rekenschap en

|13|

voldoening geven. Eén voor allen en allen voor één, — het gaat steeds verder. Allen in het menschenleven vragen plaats en gemeenschap, allen en alles. Alles, alles, wat menschelijk is, vraagt aandacht, vrijheid, plaats en recht. Voor allen is het goed der aarde, voor allen de kennis, voor allen deel en recht en oordeel, en samenwerking in heel het menschenleven, tot geheele zelfontsluiting in gemeenschap.

Over al deze verschijnselen en levenswerkingen in de volkengemeenschap, in de staatsgemeenschap, in de arbeidsgemeenschap, in de kapitaalsgemeenschap, in de goederengemeenschap, en zooveel meer, spreek ik thans niet in het bizonder. Maar hier vinden wij ook het Vrouwenvraagstuk, het vraagstuk der gemeenschap van mannen en vrouwen, het vraagstuk van het vrouwenleven in de menschengemeenschap, van het nieuwe maatschappelijke vrouwenleven, van de vrouw in de groote toekomst.
Dat een nieuw vrouwenieven zich reeds lang baan breekt in onze menschenmaatschappij, ziet en weet ieder. Zelfs de Oostersche vrouw legt den sluier of en komt in het publieke leven naar voren. In de meer geavanceerde Westersche wereld, van waaruit de zuigkracht der wereldbeweging werkt, is de sluier al vergeten, — en de vrijheidsbeweging voor de vrouwen in de menschelijke gemeenschap groeit snel met elke opkomende jongere generatie. De vrouwen en meisjes bewegen zich almeer even vrij als de

|14|

mannen, en met de mannen. Zij hebben daarbij hun rok voetvrij gemaakt; en ze emancipeeren zich in hun zeden. Ze reizen, ze fietsen, ze tuffen, ze vliegen, ze rooken. Ze spelen met hun kleed; ze maken almeer publiek zichtbaar hals en schouder, en rug en borst, en arm en been. Ze gaan liefst zonder hoed. Ze neigen ook tot mannengewaad, en zelfs tot korte haren. Ze willen en moeten, van jongs-op al, zich vrij bewegen, overal, met het mannengeslacht, op voet van gelijkheid. Gelijk op alle scholen en studies, gelijk in vrije conversatie, samen in alle sport, tot in de publieke gemengde baden toe. Ze dingen en ze dringen mee in de mannelijke bedrijven, in fabrieken en kantoren, in allerlei ambtenaarsfuncties. Ze winnen hun eigen brood, en ze maken zich meer onafhankelijk, door hun arbeid uit den huiskring in den breederen maatschappelijken kring over te brengen; en daar dringen ze door tot in de levensleiding. Ze halen acten en ze onderwijzen. Ze studeeren, promoveeren, en doceeren. Ze zingen niet slechts, maar ze geven zich voor tooneel en opera, ze zeggen zich publiek uit en ze beelden zich uit, heel hun ziel en heel hun vormenrijkdom, en in den publieken dans tot geheele naaktheid toe. Ze schilderen, ze dichten, ze schrijven, ze ontsluiten zich daarin, en ze raken heel het leven daarbij aan met den tooverstaf van hun vrouwengevoel, van hun vrouwenhart. Ze spreken en ze redevoeren publiek, tot zelfs op de kansels. Ze gaan als geneesmeesteressen uit. Ze pleiten als advocates voor de rechtbank. En ze pleiten

|15|

publiek, tot op de straten, voor de vrouw en het vrouwenleven. Ze stellen zich aan de spits van sociale groepen, ze organiseeren zich zelfstandig, ook tegenover de mannen, en tegenover elkaar. Ze ontvangen het politieke stembiljet, dat ze eischten. Ze komen uit in kiesvereenigingen en in vakorganisaties. Ze zitten in besturen, en in raden en Staten, in alle staatscommissies. Ze worden Wethoudsters; en straks Ministers. In de wereldraden voor den Arbeid, voor het Recht, voor de Volkengemeenschap, vorderen en vinden zij plaats en stem.
In heel het groote wereldgebeuren, dat zich, zij het in veelvoudigen strijd, naar de toekomst geweldig baan breekt, heeft de vrouw haar plaats en zal zij haar plaats vinden en nemen en hebben, — ten kwade en ten goede. De wereldeenheid zal en moet niet alleen een eenheid zijn van rassen en volken, van klassen en standen, van alle groepen in geestelijken en stoffelijken arbeid, maar zij zal en moet ook een eenheid zijn van mannen en vrouwen in gemeenschap van vrijheid en recht. Dit recht in vrijheid en gemeenschap words thans almeer genomen en gevorderd voor en door het opkomend vrouwenleven in huis en school en omgang, in levensberoep en in publiek optreden; en het words gevorderd, genomen en gegeven ook onder het ouderlijk gezag, en onder den huwelijksband.
Zoo moet dan nu in de maatschappij van ons menschelijk leven, die zich naar de toekomst beweegt, ook voor het waarachtige recht en de eer

|16|

en de plaats van de vrouw, en van het nieuwe maatschappelijke vrouwenleven, niet het laatst en niet het minst door ons Christenen, en door mannen niet minder dan door vrouwen, naar de heilige beginselen, worden gewaakt, gepleit en gewerkt. Allerwegen moeten de deuren en de harten voor dit nieuwe vrouwenleven open. In geschrift en lezing, in cursus en preek, moet dit nieuwe vrouwenleven worden gevoed, geleid, en tot recht gebracht. Bladen en tijdschriften worden aan dit nieuwe vrouwenleven gewijd. Vereenigingen voor vrouwen en meisjes verrijzen allerwegen. En ook mijn woord is hier voor dit vrouwenleven.

Ongetwijfeld moet en zal het vrouwenleven, het gemeenschapsleven van vrouwen met mannen, dat zich thans in nieuwe banen beweegt, van grooten en onberekenbaren invloed, en waarschijnlijk van den allergrootsten invloed zijn, voor en in de toekomst, in heel het groote toekomstleven, en in de grootste laatste toekomst.
De voleinding dezer wereld in het geweldige einddrama wordt ons door de Heilige Schrift geteekend in de tegenstelling van tweeërlei vrouwenbeeld.
Het eerste vrouwenbeeld, in Openb. 17 en 18, komt op uit de woestijn. Het is een vrouw, gezeten op een scharlakenrood beest, een beest met zeven hoofden en tien hoornen; een beest, dat uit den afgrond is opgekomen, en dat vol is van namen der lastering. Deze vrouw is bekleed met

|17|

purper en scharlaken, en versierd met goud en edelsteenen en paarlen. Op haar voorhoofd is geschreven de naam „Verborgenheid”. Zij is dronken van het bloed der heiligen, van het bloed der getuigen van Jezus. In haar hand heeft zij een gouden beker, vol van gruwelen en van onreinheid harer hoererij. Want deze vrouw is een hoer; zij is de hoer, de groote hoer; zij is de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde. Zij vult haar beker met de weelde van haar gruwelen en van haar hoererijen, en ze doet daaruit drinken de koningen der aarde, die met haar hoereeren; en de kooplieden der aarde, die rijk worden uit de kracht van haar weelde; en al de volken, en allen, die de aarde bewonen, — tot ze dronken zijn van den wijn harer hoererij. Want de zeven hoofden van het bloedroode beest, waarop deze vrouw rijdt, zijn de bergen en de landen, de rijken der aarde. En de tien hoornen van het beest zijn de machthebbers, die met dit bloedbeest zijn opgekomen; zij hebben éénerlei meening, zij doen de meening van het beest, tot den krijg tegen het Lam, dat hen overwinnen zal, „want het Lam is Koning der koningen en Heer der heeren”. Op het beest troont de vrouw, machtig over alle machthebbers door de bedwelming harer hoererij. En hare heerschappij is over de vele wateren der aarde, en deze wateren der heerschappij van de groote hoer zijn alle volken en scharen en natiën en tongen. Het beest „was en is niet, hoewel het is,” — d.i. het is de hoogste en geweldigste macht en grootheid en ziel-en-zinnen-verblindende

|18|

heerlijkheid der aarde, die eindelijk opgekomen is uit de woestijn, maar die onwerkelijk, onwaarachtig is, leugen-werkelijkheid, het vreeselijkste drogbeeld, dat de vrouw der verleiding, de groote hoer, draagt. In het eind zullen de hoornen van het beest, de machten en krachten en heerschappijen der wereld, die met en in het bloedbeest der wereldeenheid opgekomen zijn, te samen deze hoer haten en haar woest maken; tegen deze vrouw zal al hun geweld samen spannen, al haar gruwelheid in al haar heftigheid uitpersend. Zij zullen haar naakt maken, haar geheel in haar afschuwelijkheid doen uitkomen, en ze zullen haar vleesch eten, en ze zullen haar met vuur verbranden. De groote hoer is dan overwonnen; en haar oordeel uit den hemel volgt. In den beker, waarin zij geschonken heeft, words haar nu dubbel vergolden. Zooveel als zij zichzelf verheerlijkt heeft en weelde heeft gehad, zoo groote pijniging words haar aangedaan, „want sterk is de Heere God, die haar oordeelt”. En met haar zal het beest uit den afgrond ten verderve gaan.
Het tweede vrouwenbeeld der Heilige Schrift in het groote einddrama der wereld geeft Openb. 19 bij het hemelhalleluja over het oordeel der groote hoer. Dit tweede vrouwenbeeld is sober geteekend. Deze andere vrouw is de vrouw, de bruid des Lams, die het teeken van het Lam draagt, en die zich voor de bruiloft des Lams heeft bereid; Hij, de Christus, op het witte paard, de Getrouwe en Waarachtige, wiens Naam genoemd wordt „het Woord Gods,” komt uit met zijn hemelsche

|19|

heirlegers, op witte paarden en in rein lichtgewaad. Hij komt in die hemelsche lichtscharen ten gerichte over de wereld. Op zijn kleed en op zijn dij is deze naam geschreven „Koning der koningen en Heer der heeren”. Zijn zwaard gaat uit zijn mond. Hij komt het beest grijpen en het werpen in den poel des vuurs. De vrouw, de bruid, die Hem wacht, om met Hem ter zalige bruiloft te gaan, wordt bekleed met rein en blinkend fijn lijnwaad, want dit fijne lijnwaad zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen.
In deze twee vrouwenbeelden zijn door de Heilige Schrift geteekend, in het eerste het groote wereldrijk der eene menschheid in de periode der voleinding, het Babylon der voleinding, — en in het andere de waarachtige Gemeente van den Heere Jezus Christus in den voleindenden wereldstrijd.
Merkwaardig is, dat beide door de Heilige Schrift geteekend staan in het beeld der vrouw en van het vrouwenleven, gelijk dit op aarde uitkomt en in de voleindingsperiode ten volle uitkomen zal. Het tweeërlei vrouwenleven bij de voleinding is hiermee ook door de Heilige Schrift getypeerd, het tweeërlei vrouwenleven in de menschengemeenschap, in de volle voleindigde menschengemeenschap. Het vrouwenbeeld typeert hier heel het tweeërlei leven in de menschengemeenschap, maar het doet daarmee stellig ook uitkomen den tweeërlei grooten, overgrooten invloed van het vrouwenleven in de wereldvoleinding. De beteekenis van het vrouwenleven in de groote wereldperiode, die de voleindende beslissing over de wereld brengt, is onberekenbaar, maar zal overweldigend zijn. Onder

|20|

al de evoluties, die in onze eeuw in alzijdige worsteling gaan komen en volgen voor de emancipatie en het eenheidsleven der geheele wereld, zal de emancipatie der vrouw de diepst ingrijpende en mee de beslissende blijken; en in deze vrouwen-emancipatie moet en zal de alles beheerschende en beslissende tegenstelling tusschen het Babylon der wereld en de Gemeente van den Heere Jezus Christus diep en beslissend scheidend doorwerken. In de emancipatie der vrouw en in de geestelijke tegenstelling, die niet het minst zal doorwerken in het gansch zich ontplooiende vrouwenleven voor de menschengemeenschap, ligt de beslissing mee ook voor de mannen. De wereld behoeft voor haar voltooiing de volle ontsluiting van de verborgenheid der vrouw, gelijk de man die behoeft voor zijn mannenvervulling. Maar ook de Gemeente des Heeren behoeft die ontsluiting van de verborgenheid der vrouw in de eenheid met het mannenleven, die van haar eigen eenheid met Christus het typebeeld is 1); zij behoeft die voor haar volmaking in de toebereiding voor Christus, voor haar volharding en voor haar overwinning.
De geestelijke tegenstelling tusschen de wijding aan den Heere naar zijn Woord, en de wijding aan het onheilige wereldbedoelen, moet dan ook in het opkomende nieuwe maatschappelijke vrouwenleven aanstonds gelden, gevorderd en bevorderd worden; en die geestelijke tegenstelling moet voor


1) „Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de Gemeente.” Ef. 5: 32.

|21|

ons, Christenen, de keur van ons oordeel over het nieuwe optreden der vrouw in de levensbeweging bepalen.

De vrouw is nog veelszins een mysterie in het menschenleven.
De Heilige Schrift, Gods lichtend openbarend Woord, spreekt betrekkelijk weinig van haar; zij blijft in de Schrift meest op den achtergrond, achter haar sluier. Toch komt zij in de groote momenten der openbaring Gods in de Schrift juist naar voren.
De schepping der vrouw wordt ’t meest uitvoerig beschreven. Zij is het groote Godsgeschenk aan den mensch, aan den man in de voltooiing van Gods scheppingswerk. De vrouw zelf is die voltooiing; de man in zijn opengaand geschapen leven zucht naar haar, en heel de aardsche schepping met hem wacht op haar. Zij wordt in haar opkomen door den man als zijn vervulling en daarmee als de vervulling der schepping met jubel begroet, zijn eene, met wie heel de rijkdom des levens zijns is. In haar komt het levensgeluk, de onzegbare schat van dat andere menschenleven, dat met den man een is, hem volmakend in die eenheid. Nooit is het nog ten volle geopenbaard en geweten, wat de man in de vrouw van God ontvangen heeft.
In de vrouw is echter de verleiding door de slang, door den Satan, geschied; en de man is verleid en gevallen door de eenige, die hem verleiden kon, door de vrouw, die de Heere „bij hem” gegeven heeft. (Gen. 3: 12.)
Zóó is in den man de menschheid gevallen en

|22|

het jammervolle menschenleven begonnen. Maar over de vrouw is weer allereerst de vleugel der Goddelijke genade uitgebreid; aan de vrouw is de belofte der verlossing, der wereldverlossing gegeven; de vrouw is toch de moeder des levens geworden, en het zaad der hope is haar zaad.
Weer is daarna de vrouw in de eerste wereld, door haar wondervolle onwijkbare bekoring, de oorzaak der vermenging van het heilige en het onheilige geslacht, en van volgenden vloek over de menschenwereld en over de aarde, die voleindigd werd in den verdelgenden Zondvloed, in den ondergang der eerste wereld. En weer is zij dan, in de nieuwe wereld uit dien Zondvloed opkomend, de moeder des levens, en in Sara de moeder, die de belofte draagt.
Een tweeling is in de vrouw, als in Rebekka’s schoot, een Ezau en een Jakob. Zij is, en zij zal zijn, de zoetheid en de bitterheid, de vertroosting en de smart, de schutsvrouw en het gevaar van het menschenleven. Als echte gewijde, liefdetrouwe, geheiligde vrouw in het menschenleven, als echtelijke vrouw en als moeder allermeest, is zij, in de ontsluiting van haar vrouwenhart en daarmee van heel haar vrouwheid, de onwaardeerbare schat; hoe schoon en heerlijk hoofd en kracht van den man mogen bloeien, schooner, zoeter bloei dan van het ontsloten vrouwenhart kent hij niet! Maar van allen smaad en smarten, die het menschenleven lijdt, treft geene ook dieper dan de smaad en de smart, die de zichzelfonteerende, trouwelooze, liefdelooze vrouw kan

|23|

aandoen; de smart en de smaad, die de ontaarde boosaardige vrouw brengt, zijn ondragelijk en naderen het slangenleven, het satanische.
Ook daarom heeft de Heere God na den zondeval de vrouw door zijn ordinantie onder de inperkende ordening der heerschappij van den man gebracht. Tot de oorspronkelijke echtelijke ordening behoort deze heerschappij-ordinantie van den man over de vrouw niet, al ontving de man als hoofd der vrouw ook voor haar het verbond en het gebod des Heeren. De vrouw is met den man en evengelijk als hij naar Gods beeld geschapen; zij is naar Gods scheppingsbedoelen één met den man, maar deze eenheidsordening geldt voor hem tegenover haar evenzeer; ja, deze eenheid moet zelfs van hem eerst uitgaan: de man moet de vrouw aanhangen. Zij is geschapen tot „hulpe tegenover” hem, d.i. naast hem, zijn evenwichtige, ééne, die bij hem past; niet om hem te dienen als minderwaardige, maar omdat het niet goed met hem als mensch was, alleen, zonder deze andere; om hem te vervullen als gelijke andere, in alles anders dan hij, maar als volle mensch hem gelijk, zijn vervulling en daarom zijn schat, in wie hij juist het rijke vindt, dat hij behoeft, en waardoor zij ook haar rijke vervulling vindt in hem. De heerschappij-ordening van den man over de vrouw is om der zonde wil na den zondeval gekomen, gelijk alle klemmende heerschappij-ordening van mensch over mensch. Maar ook die heerschappij-ordinantie brengt toch geen minderwaardigheid. Wel heeft deze goddelijke

|24|

ordinantie eenerzijds juist den schat in de vrouw bewaard èn doen uitkomen ook, maar anderzijds ook mee dien schat verduisterd in dienstbaarheid, in beklemming en in groote smart voor haar, — of ook dien doen uitbarsten in haar ontaarding; in haar ontaarding barst de schat der vrouw uit in haar kracht, maar in schande en gruwel.
Het groote moment in het wereldgebeuren is, in de volheid des tijds, dat God Zijn Zoon uitzendt, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij hen, die onder de Wet waren, verlossen, vrijmaken zou. De Schrift verheerlijkt Maria van Nazaret niet in haar natuur en kleedt haar niet in hemelgewaad; de Christus is haar heerlijkheid; maar de Schrift doet haar toch door engelenwoord begroeten, gelijk nooit een mensch als zij, een vrouw als zij, begroet is. Maria is hierin schoon als vrouw, als maagd; zij is de vrouw-schat voor heel de wereld. Zij is de gewijde, geheiligde, de hoogst begenadigde dienstmaagd des Heeren. De vrucht van haar schoot is de Zaligmaker der wereld. In de verlossing door den Heere Jezus Christus is de vergeving der zonden, de verzoening der wereld, maar daarmee is in die verlossing ook de vrijmaking van het menschenleven, de opheffing van allerlei levensjuk, een altoos verder gaande levensbevrijding, door bizondere en door algemeene genade. Deze vrijmaking slecht niet alleen den middelmuur der afscheiding tusschen Israël en de volken, maar zij breekt ook allerlei muren van scheiding in het menschheidsleven; zij heft allerlei juk van

|25|

overheersching op, of verzacht het in gemeenschap, in afweging van gezag èn vrijheid, van vrijheid en recht; en zij brengt zoo eindelijk de menscheneenheid tot de volle levensontplooiing en tot de geheele geestelijke beslissing over het volle ééne menschheidsleven. Altijd nieuwe tijden komen zoo door de geboorte van den Zoon van God uit een vrouw. Altijd verdere vrijmaking van alle levenskracht en levensschat in alle deelen der menschheid en in alle menschen. En zoo komen daarom dan ook de vrouwen uit in het leven des Heeren op aarde. Maria van Betanië, stortend over den Christus in zijn vernedering al haar nardus, — alle apostelen tot beschaming; en Maria Magdalena in haar trouw en dienst bij het geopende graf des Heeren; — en „de vrouw, die een zondares was”. Zoo komen ook met den gang van het Evangelie in de wereld de vrouwen uit, in de apostolische brieven: „in Christus is niet man of vrouw”, gelijk in Hem niet is „dienstbare of vrije”. De vrouw wordt daarom ook in de Gemeente van Christus en in heel de Christelijke echte gemeenschap met den man in beginsel waarachtig vrijgemaakt. En die vrijmaking werkt door de algemeene genadeheerschappij van den Christus in heel de menschheidsgemeenschap door.
Maar het beginsel werkt ook hier als een zuurdeeg. Het menschenleven blijft toch nog veelszins en lang doormuurd en opgesloten. De Noachitische wereldordening Gods, die vooral deze inmuring bracht (men geve hier toch acht op!) heeft echter ten deele stellig slechts een tijdelijken duur.

|26|

Zij heeft een stuitende en stuttende beteekenis ten dienste van Gods hooger en voorafgaand wereldbedoelen en daarom van de uitvoering van den Raad des Heeren. Zij bedoelt in haar inperken der menschheid in takken en talen en volken en onder allerlei overheerende machten, ook bizonder de oude Godsbedeeling over de wereld, de oude Godsbedeeling in zijn bizondere maar ook in zijn algemeene genade. Het optreden en de afzondering van Israël onder de Wet, ommuurd in den kring der volken, behoort mede tot deze Noachitische bedeeling, wat de bizondere genade Gods betreft; maar tot deze Noachitische bedeeling behoort ook in de algemeene genade Gods allerlei ommuring in heel het menschheidsleven, de binding der menschheid onder velerlei dwingende neerdrukkende banden, tot haar bewaring en aanvankelijke ontsluiting in de oude wereld en ook in haar verderen voortgang, tot voorbereiding voor de volheid des tijds en de verhooging van den Christus, en tot de eindbeslissing over het volle dan ontsloten menschenleven. 1) In het sterven en de opstanding van den Christus is het keerpunt der Historie, de overgang van de oude in de nieuwe bedeeling. Dàn scheurt het tempelvoorhangsel en breekt de Jeruzalemsche muur; maar dan worden ook in heel de wereld muren en


1) Voor de „Noachitische wereldordening” verwijs ik naar het door mij uitgegeven „Boek der Geboorten”. In de apostolische eeuw wend het „einde der Wet” door Israël tegengestaan. Moge in onze eeuw door de Christelijke Kerk verstaan worden het „einde der Wet” voor de wereld.

|27|

voorhangsels gescheurd. Heel de Noachitische inperking en ommuring doelt dan ook mee op eindelijke vrijmaking der menschheid tot volle ontplooiing en tot eenheid. Zoo komt in en sinds de uitstorting van den Heiligen Geest door den verhoogden Christus, met den ingang van het Evangelie en van heel het Woord Gods in de wereld, de wereldeenheid noodzakelijk nader met elke volgende wereldrevolutie. Zoo worden slaven vrije menschen. Zoo komen vrije volken eindelijk op, en tot gemeenschap. Zoo words Overheidsoverheersching ingeperkt door Volksvertegenwoordiging. Zoo wijkt thans almeer, schrede na schrede, standenscheiding voor sociale gemeenschap; en de natiënindeeling wijkt terug en moet terugwijken voor de menschheidseenheid. Zoo wordt kring na kring vrijgemaakt en opgeheven, en was vaneengescheiden leefde, wordt, — gelijk steeds de Profetie er om zuchtte en riep, — door band na band saamgestrengeld.
En zóó volgt nu ook, en moet volgen, ten laatste dan, maar ten zekerste, door de algemeene en door de bizondere genade Gods, het volle uitkomen der vrouwen, der vrouw in de wereld. In de menschheidsgemeenschap, in haar cultuur, in haar groote levensontsluiting en levenseenheid, zal de vrouw zich ontsluiten in al haar kracht, in al haar gaven, in heel haar mensch-zijn mét de mannen. Natuurlijk, — en vreeselijk! — daarmee zal de vrouw zich ook ontsluiten in heel haar afval van God, in heel haar ontaarding en ontblooting, in heel haar ongerechtigheid, in heel

|28|

haar macht ten verderve. Maar de vrouw zal daarmee ook in de menschheidsgemeenschap met de mannen ten volle ten goede uitkomen, bizonder in de Christelijke gemeenschap, in de Gemeente des Heeren; zij zal uitkomen in den rijkdom en de heerlijkheid der gemeene en der bizondere genade Gods. Maria, de moeder des Heeren, heeft als de hoogstbegenadigde aller vrouwen, alles bewaard in haar hart; ook Maria van Betanië in haar albasten narduskruik; maar die nardusflesch, dat Mariahart, zal opengaan; en heel het huis des levens zal van den nardusgeur vervuld worden. De man heeft met zijn geest, met zijn denken en weten en zeggen en doen de wereld vervuld; hij heeft ook aanvankelijk de vrouw geopend; door zijn denken, hunkeren en zeggen, door zijn poëzie heeft hij haar voor zich ontdekt, en ook haar ontdekt aan haarzelf; doch slechts zeer ten deele en veel te ondiep. Hij schijnt thans soms haast uitgeput; de snaren zijner lier schijnen haast gebroken en hij words door vrouwenijver en energie en door de zichzelf-openende vrouw thans soms wel overtroffen. Maar de man zal nog pas de wereld vervullen, in grooter zelfontsluiting dan ooit te voren, juist als de vrouw zich ontsluit. En wat de ontsluiting der vrouw in de wereld zal zijn, dat begint nog nauwelijks. Haar kunnen en haar geven en doen is anders dan van den man, en moet en zal anders zijn; want zijzelf is anders. Zij is nog veelszins een verborgen schat; ’t schuilt alles in machtigen rijkdom in haar hart; de mannenval, door haar verleiding, heeft haar gesloten.

|29|

Maar haar volle openbaring komt. Die kan niet komen zonder haar gemeenschap met den man, als vrouw met den man in het mannenleven. Zij gaf haar man „met haar”, — dit wás zoo in den val, en het zàl zoo zijn in de vrijmaking.
Reeds zijn er de eerste teekenen van. Alle ooren en oogen luisteren en schouwen naar de zelfontsluiting der vrouw in de litteratuur en in de kunst, en almeer op allerlei publiek terrein, waarop zij wat meer naar voren begint te komen. Wat het worden moet en zal is niet te beschrijven. Maar het zal, het moet zijn en worden, — we weten het uit Gods openbarend Woord, — het zal zijn de ontsluiting der verborgenheid der vrouw, waarvan de tijden, die voorgingen, slechts flauwe omtrekken deden zien. Uit het hart zijn de uitgangen des levens, en de verborgenheid der vrouw is haar hart. Daarom zal de ontsluiting van het hart der vrouw in de groote wereldbeweging zijn de openbaring der verborgenheid van ongekende vrouwenkracht, en daarmee van ongekende levenskracht in mannen en vrouwen, in gemeenschap van menschenleven, van ongekenden levensrijkdom in en voor de geheele wereld. Het zal zijn de openbaring der verborgenheid van een weelde, die alles overheerscht en allen dronken maakt; een verborgenheid van alles trotseerenden, vrouwelijken inspireerenden overmoed tot het gewilde einde, in volheid van verleiding en ongerechtigheid; het zal zijn de openbaring der verborgenheid van de groote hoer. Maar de volle ontsluiting van het vrouwenhart in het menschenleven en in

|30|

de gemeenschap der heiligen zal ook zijn de openbaring van een verborgenheid als van de nog gesloten albasten nardusflesch van onschatbaren prijs, van de hartetrouw der vrouw, van haar harteliefde, van haar wijding en behoeding, voor den man en voor heel het menschenleven, en van de heilige liefde en trouw der dienstmaagd des Heeren, van de bruid des Lams.

Het nieuwe maatschappelijke vrouwenleven mag en kan het wezen der vrouw, haar vrouw-zijn niet veranderen noch aantasten! Daarom is de aanvankelijke droom der vrouw om de gelijke te zijn van den man, man te zijn als hij in de wereld, een groote dwaasheid, — die de vrouw zelf spoedig teniet zal doen. Zij is een andere dan de man, en dit is haar waardij en haar eer — alle oneer ontbreekt hieraan! Zij moet en zal zichzelf zijn in de wereldontsluiting, in het maatschappelijk gemeenschapsleven. En zij kan en zal juist daardoor dat maatschappelijk leven machtig beïnvloeden en verrijken, het beroeren, maar ook zegenen.
De vrouw is in haar schepping en daarmee in heel haar wezen, op de maatschappij aangelegd. Zij is de „hulpe tegenover” den man, d.i.: zij is zijn evenwichtige vervulling, zijn maat. In de geheele eenheid van man en vrouw is de eerste maatschappij, de meest waarachtige maatschappij, dat is de gemeenschapsharmonie der elkaar vervullende krachten. Zóó is de vrouw in haar wezen maatschappelijk. Maar zij komt daarom, ook sinds den zondeval en onder Gods genade, als vrouw

|31|

het schoonst en dierbaarst maatschappelijk uit in de echte innigste liefdegemeenschap en zieleeenheid met den man van haar hart, en dan zóó in den echt, in het gezin, in het moederschap. Het huiselijk leven blijft de schoonste en innigste vorm van maatschappelijk leven. In de tegenstelling tegen den geest der verleiding, die thans in de vrouwenemancipatie doorwerkt, zal de Christenvrouw, die zich aan den Heere naar zijn Woord en daarmee aan het mannenleven en aan heel het menschenleven wijden wil, dit echte edele heilige vrouwelijke maatschappelijke heilig hebben te bewaren en te bewaken. Dit beginsel zal de vrouwenvorming in de vreeze Gods moeten blijven kweeken en leiden in de meisjes. Niet slechts de communistische gemeenschap van mannen en vrouwen is uit den Booze; ook de zoogenaamde vrije losse liefde, de willekeur der vrouw met man na man, het moederschap zonder den echten band aan den eigen echten man, de straatgemeenschap, het slingeren van meisjes met jongens, de publieke ontdekking van het mannen-ontroerende vrouwenlichaam, dat alleen aan den eigen man toekomt, de verwaarloozing van het huiselijk leven voor het publieke leven, — en wat het geslacht, dat Gods ordening veracht, voor en in de vrouwen verder bedenkt, — het zal alles ernstig moeten tegengestaan en ontvloden worden. De trouw der vrouw aan het menschenleven zal allereerst moeten zijn en blijven zelftrouw der vrouw, trouw aan haar hart, en dáármee trouw aan den man van haar hart als haar ééne eigene naar Gods ordinantie, trouw aan

|32|

huis en haard dan ook, en zóó trouw aan het mannenleven en het menschenleven, — opdat het beste en echtste in het leven niet verga. In wat tekort komt aan het recht der vrouw als mensch, als gelijk mensch met den man, en in wat tekort komt in kennis en erkenning van wat de vrouw in onderscheiding van den man en dáárin boven hem heeft en is, zal door den man zelf, haar ridderlijk voldoening gegeven moeten worden; maar om haar eigen eer en om de trouw aan haar hart zal de echte vrouw niet breken en niet schenden in haar hart en leven de ordinantie Gods, dat de man het hoofd der vrouw is, en de vrouw in dien zin den man onderdanig, gelijk de vrouw is zijn heerlijkheid en zijn liefdeschat. Ook zal daarom het jonge vrouwenleven de verzoeking hebben te weerstaan, om tot ontkoming aan deze ordinantie het leven in maatschappelijk beroep boven het aanvaarden van den echtelijken band te stellen, indien toch het hart der vrouw waarlijk de echte liefde kent voor den eigen éénen man, die haar hart en leven als zijn schat begeert, en dien zij met heel haar hart in Gods vreeze toebehoort. Maar aan de andere zijde zal de gedachte van dienstbaarheid der vrouw in knechtelijken zin in de mannen overwonnen moeten worden; niet dienstbaarheid in dien zin maar gemeenschap is, ook bij erkenning der gezagsverhouding, de zuiver maatschappelijke gedachte voor de toekomst, óók in den echt naar het Woord van God. De arbeidsvormen in het huisleven kunnen en zullen zich wel wijzigen, maar in elk geval is de goddelijke

|33|

bedoeling der „hulpe” in gemeenschap heel iets anders en veel meer dan dit huiswerk. Het is gemeenschapsleven in geheele eenheid, allermeest in hart en geest; daarom zeker allereerst in heel het bedoelen en in heel de zorg des huizes, bizonder in de verzorging en opvoeding der kinderen en in het intiemere leven; maar óók in het openbare leven. Het leven in kennis en kunst, in maatschappij en yolk, in de wereldbeweging, gaat de vrouw niet minder aan dan den man. Zij moet daarin met hem deelen, en zij moet ook daarin zichzelf aan hem meedeelen.
De ontwikkeling van maatschappij en volk en wereld vordert almeer ieder op voor het geheel en het geheel voor ieder. Daarom is ook het stemrecht algemeen geworden. Dit gaat nu ook de vrouwen aan. Zeker, gezinsstemrecht zou enkel door gezinshoofden, maar dan ook door vrouwelijke gezinshoofden, zijn uit to oefenen; doch dan kwam dit stemrecht toch ook toe aan alle volwassen zelfstandig levende vrouwen buiten echt, zoowel als aan de volwassen mannen buiten echt. Nu het een persoonlijk stemrecht werd, komt dit stemrecht ook aan gehuwde zoowel als aan ongehuwde vrouwen toe; en zij allen zijn daarmee verplicht, dit stemrecht ook tot Gods een uit te oefenen, — opdat de menschengemeenschap niet overgeleverd worde aan hen, die God verzaken. De echtelijk verbonden vrouwen kunnen en zullen in de uitoefening van hun stemrecht zeker allereerst met hun eigen mannen raadplegen, en ook de ongehuwden zullen het voorlichtende oordeel der

|34|

mannen niet versmaden; maar voorts zullen hierin toch alle vrouwen naar eigen oordeel en verantwoordelijkheid in geheele vrijheid hebben te handelen; geestelijke overheersching der vrouw is onchristelijk. En was haar verkiezing in Raden en Staten aangaat, daarin zullen de vrouwen zich niet opdringen en allerminst partij maken tegen de mannen. Het ware dwaasheid, hier mannen te verdringen, enkel om er deze of die vrouw te plaatsen. Maar de tijd kan en zal komen, dat ook hier het leven roept om vrouwenraad; en om die vrouwen, die hiertoe door den Heere kennelijk begaafd, toegerust en geleid zijn. Dan roepe en leide hier de man de vrouw binnen en deze van God geroepen vrouw geve zich!
Niet alle vrouwen kunnen noch moeten huwen. Hiervoor is allereerst de waarachtige gansch bizondere eenige harteband noodig, zonder welke een vrouw geen man gelukkig kan maken noch ook zelf gelukkig kàn worden, wijl zij zich in haar eigenlijke zelf-zijn als vrouw, in haar diepste wezen en eere, dan niet geven kàn, — en daarom ook niet geeft; maar voorts beslist hier ook de beschikking des Heeren in allerlei opzicht. ’t Is daarom goed en noodig, dat de meisjes zóó opgevoed, onderwezen, ontwikkeld en gevormd worden, dat zij maatschappelijk buiten het huwelijk met eere kunnen leven en een huwelijk bij wijze van broodwinning of levensverzekering, -- dat beneden haar eere als vrouw is en dat haar in haar diepste en edelste vrouw-zijn krenken moet, — niet behoeven noch begeeren. Het geldt hier

|35|

waarlijk de eer en het recht der vrouwen, en daarmee ook de eer en het recht der mannen. De groote jammeren van smadelijke knechting en pijnigend ongelijk zijn alleen te ontkomen door de eerbiediging van het hart, waarvan alleen de echte eenheid moet en kan uitgaan. De „hulpe tegenover” den man is dan ook volstrekt niet alleen de echtgenoote, de huisvrouw. Alle vrouwen zijn vrouwen, en hierdoor zijn alle vrouwen „hulpe tegenover” den man, al kunnen ze dit niet allen in vollen zin zijn; God schiep ze toch als vrouw en daarmee in heel hun wezen als „hulpe tegenover” den man, en ze zijn het daarom. In heel het maatschappelijk menschenleven, dat niet enkel een mannenleven maar toch óók een mannenleven is, is daarom ook voor de mannen de vrouw met al haar gaven noodig, gelijk God haar voor het menschenleven gegeven heeft. Zeker, de mannen thuis, de kinderen niet minder, heel het huiselijk leven, vragen zoo allereerst om de echtelijke en de moederlijke vrouwelijke toewijding, maar ook om andere vrouwelijke toewijding dan die van de huisvrouw; de dochter des huizes, de zuster bij de broeders, alle vrouwelijke medewerking en meeleven in huis, is hier „hulpe tegenover” den man. Maar ook in heel het breedere maatschappelijke leven kunnen en moeten de eigen schatten en talenten der vrouw als de maat van den man zooveel goed doen. Geen beroep en geen arbeid met eere, waarin het vrouwelijke leven zich geven kan en wil, zijn daarom aan de vrouw als medewerkster te ontzeggen. Zij mag studeeren en

|36|

doceeren, kantoorwerk doen en zaken leiden, schrijven en pleiten. Toch zal de vrouwelijke eigen keur hier ook onderscheiding moeten maken. Het hart der vrouw houde zooveel mogelijk het huiselijk leven vast; maar haar talent en haar kracht moeten ook naar buiten werken in overeenstemming met haar hart. En haar eer is teer. De sexueele gevaren zijn over en weer ook groot in het publieke samenleven en samenwerken van mannen en vrouwen. Daarom voegt de vrouw niet overal, en niet elk optreden voegt haar. Haar vrouwenziel, haar harteleven, vraagt ook een eigen vrouwelijk werk en een eigen vrouwelijken arbeidsvorm in de gemeenschap. Zij is vrouw, en zij moet in alles ten volle vrouw zijn en blijven. Gods Woord en ordening heeft zij hierin te onderkennen, en haar eigen grenzen te houden in maatschappij en politiek en Kerk; en de mannen moeten haar daarin ten schild zijn. De schoone ordening der vrouw in verband met het mannenleven, waaraan zij gewijd moet zijn en blijven, en in haar anders zijn dan de man en dáárdoor juist zijn vervulling, heel haar verhouding tot den man, brengt haar op een eigen plaats in een eigen houding. En zij zal te meer van waarde zijn, naarmate haar keus hierin fijner is. De man wil, zal, moet naar de vrouw luisteren; haar hart is zijn klankbodem en zijn toetssteen; maar daarom juist moet de vrouw allereerst hooren naar den man; het blijft Gods ordening; „zij late zich leeren”, en „zij heersche niet over den man”. Zelf beware zij deze eere! Zij hebbe haar stembiljet,

|37|

haar vereeniging, haar eigen maatschappelijk optreden, haar maatschappelijke vrijheid en zelfstandigheid van beraad, — maar zij blijve vrouw tegenover den man; zij blijve ook voor zichzelf en in eigen sekse vrouw; zij worde immer meer en meer vrouw! Zij blijve vrouw in haar schoone vrouwendeugden; in echte kuischheid, in den adel der bescheidenheid en schuchterheid van haar rijke hart, in heilige vaste trouw, in oprechten eenvoud der waarheid, in nauwgezetheid, toewijding en ijver, maar daarom ook, en zoo dan, in waarachtige zelftrouwe levenvolle zieleontsluiting, in gewijde dóór-echte liefde. Geen mannennadoenerij, geen zelfwegwerping in schaamteloosheid, geen ontaarding in verleiding, geen oneer in verruwing van levensvorm, in gewaad en zede, geen ontvrouwing in eenig opzicht, mag het nieuwe maatschappelijke vrouwenleven zijn. Integendeel, het moet zijn verbreeding tot verhooging, tot verdieping, tot veredeling van het vrouwenleven, van het vrouwenleven in de vrouw. En daarom en daartoe verinniging, reiniging, loutering, heiliging van dat eigen leven in haar hart. Het moet zijn maatschappelijk vrouwenleven, leven met de mannen, maar in de eer, in de volle ontsloten eer en waarachtige eenige schoonheid der vrouwen. Het moet juist zijn en worden almeer, echt vrouwenleven in de maatschappelijke gemeenschap, naar het beeld van de dienstmaagd des Heeren, naar haar recht en haar vrijheid en haar roeping van en voor Hem.
Daarom, en niet het minst, heeft de vrouw in

|38|

haar vrijmaking ook haar plaats en haar recht als vrouw in de bizondere Christelijke gemeenschap en in de Kerk des Heeren. Het werk der Christelijke barmhartigheid in heel zijn omvang roept om haar als hulpe tegenover den man. De Evangelisatie, het zoeken van het verlorene, het helpen van het ellendige, het werk der Zending ook, kan haar niet missen. In geschrift en woord ook heeft de vrouw hier een taak. De verzorging, de welstand der Gemeente van Christus, ook in geestelijken zin, gaat ook haar aan. Zeker, zij is hierin niet zonder den man, en zij heeft ook hierin haar plaats als vrouw, maar de medeverantwoordelijkheid voor den Naam en de zaak des Heeren kan haar allerminst in de Gemeente van Christus worden ontzegd; zij is naar de zalving der heiligen evenzeer profetes en priesteres, als de man priester is en profeet. Zij blijve hier ook „hulpe tegenover” den man, maar daarom juist is haar vrouwelijk mede-oordeel hier niet uitgesloten; en tijd en toestand kunnen vorderen, dat de vrouw dit oordeel uitspreke en uitbrenge. Zeker, haar vrouwengave moet voor den Heere in zijn Gemeente zijn in haar zachtmoedigen en stillen geest, in haar liefde en trouw en offer; maar daarom ook komt haar vrouwelijke ijver Hem toe; en daarom kan het leven der Gemeente des Heeren naar haar roeping en haar recht ook vorderen haar woord en haar stem. De Dienst des Woords, het Ouderlingschap en het Diakonaat behoeven stellig ook het oordeel der vrouw en haar medewerking; en de nood, de welstand van de ambtsbediening

|39|

in de Kerk des Heeren kunnen daarom ook dit oordeel en deze medewerking der vrouwen vorderen in het Kerkelijk stemrecht der vrouw. Ja, die nood der Kerk, de bediening des Woords en het opzicht en de diakonale zorg, vorderen mogelijk reeds op meerdere plaatsen ernstig dit kerkelijk stemrecht van de „hulpe tegenover” den man; doch dan niet als een sociale eisch der vrouw, of als een offer aan den tijdgeest, maar omdatde Heere het van noode heeft.” Juist hierom echter dinge of dringe de vrouw niet om dit kerkelijk stemrecht; neen, zij wachte, totdat zij door de Gemeente des Heeren onder de leiding van zijn Geest om des Heeren wil geroepen wordt; en dan buige zij ook hier als de dienstmaagd des Heeren. De beteekenis van de uitstorting des Heiligen Geestes werkt hier door en moet hier doorwerken, naardat de levensontsluiting dit ook in de Kerk van Christus in rijzen en in dalen aanwijst. Zoo kan de vrouw om ’s Heeren wil en om zijn Gemeente, omdat de „hulpe tegenover” den man hierin niet kan worden gemist, ook geroepen worden tot vrouwelijken hulpdienst in het Diakonaat. Ja, als de nood het eischt, — en die nood kan en zal het waarschijnlijk ook in de wereldontwikkeling en in het toekomstleven der Kerk eischen, — dan kàn de vrouw om des Heeren wil ook geroepen moeten worden, om als „hulpe tegenover” den man hulpdienst te geven in opzicht en in leering voor de Kerk des Heeren. Maar zij zal dit dan ook naar het Woord van God moeten doen als vrouw, op vrouwenwijze, en in haar

|40|

goddelijke ordening tegenover den man. Zij kan stil buigen onder gebed en voorbidding, maar zij kan ook geroepen worden, om in voorbidding voor te gaan. Niemand kan vooruit den dag van dezen noodstand bepalen, maar niemand kan noch mag ook hierin den Geest des Heeren binden; en het Woord Gods is ook hier breeder te verstaan dan men pleegt. Ook zelfs onder het Oude Verbond trad in den nood, om de eer en de zaak des Heeren, de vrouw als richteres en als profetes op. Ook hierin gelde echter heilig voor de vrouw: „niemand neemt zichzelf deze eer, maar die van God geroepen wordt” (Hebr. 5: 4). En wie zal zeggen hoe, als de verleiding der groote hoer zal doorwerken, de Christen-vrouw als dienstmaagd des Heeren en als „hulpe tegenover” den man, juist of althans zeker mede, noodig en dienstbaar zal zijn, om te verhoeden, dat de uitverkorenen verleid worden, de vrouwen, maar ook, en niet het minst, de mannen!
O, hoe is om dit alles goede leering en leiding tot ontwikkeling en bewaring van het vrouwenleven in de nieuwe wereldbeweging naar de toekomst noodig! Mochten de mannen allereerst dit verstaan! Maar mochten toch ook niet minder de vrouwen het verstaan! Mochten onze opkomende meisjesvereenigingen en vrouwenvereenigingen, en onze vrouwenlectuur, hiertoe waarlijk naar den eisch van het volle Woord van God in kennis der tijden en naar de behoeften van het vrouwenleven dienstbaar zijn! — Nog eens, niet door mannen-nadoenerij, en niet door vrouwelijke

|41|

zelfbeschadiging, maar door echt vrouwelijk werk, waarvoor ook mannelijke leering, voorlichting en gemeenschap begeerd en gezocht wordt. Toch zelfstandig, opdat dit werk vrij en echt vrouwelijk zij.
En zoo zij dan de toekomst den Heere bevolen! Hij opene het groote maatschappelijke gemeenschapsleven, dat lijdt en zucht naar de wereldtoekomst! Hij opene het ook voor de vrouwen! En Hij opene de vrouw voor dat leven! Hij opene haar volle liefde en wijding voor Hem geheel! en haar hart voor het leven, heel haar hart voor heel het menschenleven!
Groot zal de toekomst worden, en groot het vrouwenleven in de toekomst. Groot in gevaar, en groot in kwaad. Maar ook zeker groot in genade over de vrouw, en groot in zegen door de vrouw.
Bidde dan aller ziele met en voor de vrouw in de Gemeente van den Heere Jezus Christus, dat zij Hem, die haar met zijn bloed kocht en vrijmaakte, niet verloochene en smade, door haar wierook te branden op het altaar der groote hoer, haarzelf tot onteering en tot verderving van het menschenleven, — maar dat zij zich waarachtig den Heere wijde: „Zie de dienstmaagd des Heeren! mij geschiede naar uw Woord!