Royaards, H.J. (1834)

Hedendaagsch Kerkregt bij de Hervormden in Nederland I
Een Handboek voor Akademische lessen; alsmede ten gebruike van Predikanten en Leden van Kerkelijke Vergaderingen
Utrecht
J. Altheer, Akademie-Drukker
1834

pdf bij Google Books

 

Beginselen van Christelijk Kerkregt.

 

Mijn Koningrijk is niet van deze wereld.

Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.

Geef Gode, wat Godes is, en den Keizer, wat des Keizers is.

— Het Evangelie. —

Royaards, H.J. (1834) Vr

|I|

 

Voorrede.

Terwijl ik het wage eene proeve te geven ter behandeling van eene wetenschap, die tot dusver als een onbebouwd veld voor mij lag, biede ik dit Handboek mijnen Landgenooten niet aan, zonder een woord ter Inleiding. Reeds sints verscheidene jaren was het mij voorgekomen, dat de behandeling van het hedendaagsche Nederlandsche Kerkregt behoefte was voor onze dagen. Die behoefte ontstond, naar mijn inzien, zoowel uit den toestand der wetenschap zelve, als uit het praktisch gebruik onzer kerkelijke wetgeving.

Immers is de beoefening van het Kerkregt elders in de laatste jaren met vernieuwden en jeugdigen ijver in het leven opgetreden. Gelijk het vroeger geweest was, werd het ook hedendaags. Regtsgeleerden, zoowel als Kerkelijken, legden zich op deze wetenschap toe, die, — getuige de naam, welken zij draagt, — zoowel tot de regsstudie, als tot de kerkelijke geschiedenis

|II|

behoort. Maar beiden bezwaarden hun eigenaardig karakter. Want daar de kerkelijke beoefenaars der wetenschap zich meestal tot hun Kerkgenootschap, of wel tot de Protestanten bepaalden, en dus meer bijzonder elk voor zich in de kerkelijke bepalingen indrongen; bezagen de Roomsch-Katholieke Schrijver haar meestal van het standpunt des Kanonieken regts, en verklaarden in verband met hetzelve al de bepalingen der wetgeving. Een geheel anderen weg sloegen veelal de Regtsgeleerde beoefenaars van het Kerkregt in latere dagen in, zoowel Protestanten, als Roomsch-Katholieken. Zij kozen zich ruimer oogpunt, en vereenigden ook in hunne Handboeken het Roomsch-Katholieke met het Protestantsche Kerkregt; tegen welke methode door sommigen, ook Regtsgeleerden, de niet ongegronde bedenking gemaakt werd, dat hierdoor de grondige beoefening van het Kerkregt niet bevorderd, maar veeleer belemmerd werd, wijl vaak, of het Protestantsche, of het Roomsch-Katholieke Kerkregt zich niet in gelijkmatige bewerking mogt verheugen. De bijna ontelbare afwijkingen toch der bepalingen van kerkelijke wetgeving in de verschillende landen der Protestantsche Kerk lieten niet toe, dat vooral dit laatste anders, dan in de groote omtrekken geschiedde, waardoor de kennis van hetzelve en detail niet kon winnen. — Het valt echter niet te ontkennen, dat waar sommigen het bijzondere Kerkregt der

|III|

afzonderlijke landskerken bewerken, tevens eene gelijktijdige beoefening in de groote trekken door anderen voor den bloei der wetenschap wenschelijk is.

Hoe het zij, door dezen vereenigden arbeid zag men in de laatste jaren eene steeds aanwakkerende werkzaamheid op het veld dezer wetenschap geboren. Behalve de elkander met groote snelheid opvolgende algemeene Handboeken, en Tijdschriften of periodieke werken, aan het Kerkregt gewijd, leverde elk land en elke Staat, vooral van Duitschland, deszelfs Handboeken voor nationaal Kerkregt. — Maar ten deze hield Nederland geen gelijken tred. Wel ontwaakte hier de zucht tot beoefening van het Kerkregt; en zoowel afzonderlijke geschriften en akademische Dissertatiën, als de werken van Broes, Heringa, Kist, Ypey, en de Bijdragen van Van Hall en Den Tex behandelden grootere of kleinere gedeelten van deze wetenschap, terwijl Van der Tuuk de bouwstoffen verzamelde en ordende. Maar het bleef ons aan eene wetenschappelijke bearbeiding van ons Nederlandsch Kerkregt ontbreeken.

Die overtuiging gaf mij moed en lust, althans een gedeelte daarvan op mij te nemen, voor zoover de talrijkste Afdeeling der Protestanten in ons Vaderland betreft; de Kerk, aan welke ik door vele banden verbonden ben. Gelijk toch deze

|IV|

wetenschap niet vreemd zijn mag van den beoefenaar der kerkelijke geschiedenis, zoo werd ik in den loop mijner studiën meer bijzonder daartoe geleid door mijne akademische lessen over de Nederlandsche Kerkgeschiedenis. De toestand toch onzer hedendaagsche Hervormde Kerk van Nederland kon alleen uit onze kerkelijke wetgeving gekend worden; en dit hooge belang der wetenschap, — ook voor mijne jeugdige vrienden en toehoorders, — deed mij reeds voor eenige jaren besluiten tot de opening van lessen over ons Hervormd Kerkregt; en toen ik zulks in den loop van dit Akademiejaar herhaalde, meende ik daarmede tevens eene proeve te moeten paren van een Handboek voor deze wetenschap, ten einde, kon het zijn, ook voor anderen nuttig werkzaam te zijn.

Want hier gevoelde ik eene andere behoefte, waarvan ik boven gewaagde. Zij bestaat niet alleen bij onze Studenten, die later in kerkelijke betrekkingen wenschen op te treden, en aan de Akademie geene vreemdelingen te blijven in hetgeen hun later zal te stade komen; zij bestaat tevens bij de Hervormde Predikanten en Leden van kerkelijke Vergaderingen, wier gewone beroeps-bezigheden hun vaak niet toelaten aan de kennis onzer wetten zulk eene duurzamer oefening en tijd te besteden, welke derzelver afzonderlijke bekendheid vereischen. Het

|V|

onmisbare Handboek van den ijverigen Van der Tuuk kan wel in geen Kerkeraad of kerkelijke Vergadering ontbeerd worden; maar er behoort tijd toe en oefening, om uit de wetten zelve den geest en aard onzer wetgeving te leeren kennen; en die ruimte van tijd ontbreekt vaak aan Predikanten, door eigen werkzaamheden en de zorg der Gemeente bezet; om niet te spreken, van het meer dorre en drooge aanzien, dat de beoefening van kerkelijke wetten voor velen heeft.

Het blijkt dus reeds genoegzaam uit deze mijne bedoeling, dat ik hoofdzakelijk voor Kerkelijken deze bladen bestemd heb. Gaarne late ik aan de Regtsgeleerden over deze onze gemeenschappelijke wetenschap regtskundig te behandelen. Ik vermeet mij niet één voetstap in te dringen op hun grondgebied, dat mij uit den aard mijner betrekking en letteroefeningen vreemd zijn moet. Maar ik houde mij ten volle overtuigd, dat eerst door gemeenschappelijken arbeid de belangen van het Kerkregt worden bevorderd. Mij was het te doen Studenten, Predikanten en Leden van kerkelijke Vergaderingen behulpzaam te zijn in hunne oefeningen en kerkelijke betrekkingen.

Ook over den omvang van de door mij behandelde wetenschap ben ik aan mijne Lezers eenige

|VI|

verantwoording schuldig. Ik bepaalde mij alleen bij het hedendaagsche Kerkrecht, daar dit en geheel onbewerkt lag, en voor praktisch gebruik meest noodig was. Gelijk toch het Roomsch-Katholieke Kerkregt, als rustende op het Kanonieke regt, overal op dezelfde grondslagen gevestigd blijft, zoo vindt men in de Protestantsche Genootschappen eene telkens afgewisselde wetgeving, naar de behoeften der landen en tijd verscheiden. Met name ontving onze Hervormde Kerk in Nederland in de laatste jaren eene nieuwe kerkelijke wetgeving. Deze te kennen, behoort tot de behoefte onzer tijden; de vroegere behoort reeds aan de Geschiedenis.

Het kwam bij mij wel in aanmerking het Hervormde Kerkregt met dat der overige Protestantsche Genootschappen in ons Vaderland te verbinden. Maar gelijk zulks welligt het hoofddoel van dit Handboek, door eene alsdan noodzakelijke inkorting, zou belemmeren, zoo werd zulks van zelfs afgesneden door het gemis van volledige verzamelingen der kerkelijke wetten bij de overige gezindheden, en de onmogelijkheid om zonder dezelven eenigermate over den geheelen omvang der wetgeving te kunnen oordeelen, daar de plaatselijke bepalingen eene veelvuldige verscheidenheid aanbieden.

Maar het Kerkregt is en blijft immer aan de

|VII|

historische wetenschappen verwant. Daarom kon zonder historische opheldering van de aanleiding tot de wetten, en de historische vergelijking met hetgeen vroeger bestond, de stellige wetgeving niet wel worden verstaan of opgehelderd. Intussen wat vroeger in de Christenkerk, of onder Protestanten, of in ons Vaderland plaats had, mogt alleen in algemeene Overzigten gegeven worden, die ons op het regte standpunt plaatsen ter verklaring of tot regt verstand van het hedendaagsche.

Verschillende redenen, en onder dezen de zoodagige, die van de inrigting mijner akademische lessen over het Kerkregt ontleend waren, hebben mij overreed dit Handboek in twee deelen uit te geven. Ik vleije mij echter, dat het tweede minderen omvang dan het tegenwoordige hebben zal. Ofschoon ik toch de meest mogelijke kortheid heb zoeken te betrachten, ware welligt voor akademisch gebruik het een of ander uit te laten geweest, dat voor kerkelijk gebruik hier vereischt werd. Onmiddellijk hoop ik met het tweede of laatste deel voort te gaan, dat den ganschen omvang van het kerkelijke leven, volgens onze wetgeving, zal voordragen, en onder andere belangrijke onderwerpen, ook de Eeredienst, de vorming en roeping der Leeraren, de kerkelijke geldmiddelen en fondsen, en de kerkelijke tucht en regtspleging zal ontwikkelen.

|VIII|

Ofschoon ik getracht heb, zoo naauwkeurig mij mogelijk was, de verschillende bepalingen onzer wetgeving met aanhaling telkens der wetten, reglementen en verordeningen, op te sporen, te ordenen en te schiften, ben ik echter tezeer overtuigd van het gebrekkige van dezen arbeid, dan dat ik niet zou verwachten, dat geoefende kenners van onze kerkelijke wetgeving, en vooral zij, die dagelijks in derzelver toepassing in kerkelijke betrekkingen werkzaam zijn, hier en daar het onvolledige van dezen mijnen arbeid zullen ontdekken. Ik beveel mij aan allen, die hiertoe in de gelegenheid zijn, vooral aan Leden der kerkelijke Vergadering, aan, om mij hunne aanmerkingen mede te deelen. De aard van dezen arbeid bij het ontginnen eener nieuwe wetenschap, waar men vroegere gidsen mist, doe hen goedgunstig zijn in het beoordeelen van eene taak, die meer van het bruikbare en belangrijke, dan wel van het onderhoudende, hare waarde ontleenen moet.

Worden mij leven en krachten gespaard, dan wensch ik, dat dit Handboek de voorlooper zijn moge van eene Nederlandsche Kerkgeschiedenis, met welke ik mij sints enige jaren bezig houde, maar welke naar mijn inzien nog de voortdurende werkzaamheid van jaren blijft vorderen. Doch gedachtig aan den zich telkens uitbreidenden omvang der historisch-theologische

|IX|

wetenschap, en de onzekerheid en vlugtigheid onzes aardschen levens, roep ik mij de spreuk der Oudheid voor den geest: Al wat uwe hand vindt om te doen, doe het met alle magt! — En indien ook deze arbeid voor de Nederlandsche Kerk en de studerende Jongelingschap niet nutteloos wezen mag, dan zal ik stoffe van dankzegging vinden aan den God mijnes levens, Die mij daartoe, dadelijk na de herstelling uit eene gevaarlijke ziekte, vernieuwden lust schonk en krachten!

 

Utrecht,
8 Mei 1834.

H.J. Roijaards.

Royaards, H.J. (1834) Inh

|i|

Inhoud.

Inleiding.

§ 1. De Christelijke Kerk — 1
§ 2. Kerkregt — 5
§ 3. Kanoniek en Kerkelijk Regt — 9
§ 4. Nederlandsch Kerkregt — 10
§ 5. Nieuw Nederlandsch Kerkregt bij de Hervormden — 14
§ 6. Nederlandsch Kerkregt bij de overige Protestantsche Genootschappen — 15
§ 7. Bronnen voor het vroegere Nederlandsche Hervormde Kerkregt — 17
§ 8. Bronnen voor het hedendaagsche Nederl. Kerkregt — 22
§ 9. Nut der beoefening van het Kerkregt — 27
§ 10. Wijze van behandeling. Verdeeling — 28

Eerste deel.

over
de Hervormde Kerk in Nederland.

§ 11. De Hervormde Kerk in Nederland — 30

Eerste afdeeling.

De Hervormde Kerk van Nederland,
in haren
aard en vorm.

§ 12. Aard van het Hervormde Kerkgenootschap — 31
§ 13. Eigenschappen van het Hervormde Kerkgenootschap in Nederland — 35
§ 14. Regten van het Hervormde Kerkgenootschap in Nederland — 41
§ 15. Kerkvorm. — Overzigt over de vroegere Kerkvormen in de Christelijke Kerk — 45
§ 16. Vroegere Kerkvorm in Nederland. 1568-1795 — 49
 — Synoden. — Kerke-ordeningen.

|ii|

§ 17. Overgang van den vroegeren tot den lateren Kerkvorm. 1796-1816 — 59
§ 18. Vestiging van den nieuwen Kerkvorm. Algemeen Reglement. 1816 — 60
§ 19. Hedendaagsche Kerkvorm — 64
§ 20. Synodaal-inrigting. — Wetgevend, uitvoerend en regterlijk gezag — 67
§ 21. Kerkelijke Verdeling. — Statistiek onzer Hervormde Kerk — 70

Tweede afdeeling.

Bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk.

§ 22. Kerkbestuur — 78
§ 23. Overzigt van het vroegere Bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk — 79
§ 24. Hedendaagsch Kerkbestuur bij de Hervormden in Nederland — 84
§ 25. Synode — 87
§ 26. Vroegere Synodale Commissie — 96
§ 27. Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk — 99
§ 28. Provinciale Kerkbesturen — 103
§ 29. Klassikale Besturen — 109
§ 30. Klassikale Vergadering — 114
§ 31. Ringsvergaderingen — 116
§ 32. Bestuur der Gemeenten. — Kerkeraden — 119
§ 33. Groote Kerkeraden — 130
§ 34. Kerkelijk Bestuur bij de Waalsche Kerken in Nederl. — 134
§ 35. Kerkbestuur bij de Hoogd., Engels. en Schots. Kerken — 139
§ 36. Kerkbestuur der Hervormde Kerken in Nederlands Oost- en West-Indië — 140
§ 37. Secretarissen der Kerkbesturen — 146
§ 38. Kerkelijke Quaestoren — 151
§ 39. Secundi of Plaatsvervangers — 154
§ 40. Bestuur der Kerkegoederen en fondsen — 157
 Reglementen — 158
 Bestuur — 163

|iii|

 Kerkvoogden — 164
 Kerkelijk Ontvanger en Administrateur — 171
 Notabelen — 173
 Stembevoegden — 177
 Betrekkingen van Kerkvoogden en Notabelen met den Kerkeraad — 179
 Algemeene vereischten — 182
§ 41. Verpligting tot de aanvaarding van kerkelijke benoemingen — 184
§ 42. Kerkelijk Opzigt — 190
§ 43. Verandering in Kerkvorm en Kerkbestuur — 193

Derde afdeeling.

Staatskerkregt. — Betrekking der Hervormde Kerk in Nederland tot den Staat en tot andere Kerkgenootschappen.

§ 44. Staatskerkregt — 195
§ 45. Overzigt over de verschillende betrekking van Staat en Kerk, vooral in de Protestantsche Kerk — 196
§ 46. Verschillende Staatsregten op de Kerk, uit deze stelsels voortspruitende — 208
§ 47. Betrekking van Kerk en Staat in de Nederlandsche Republiek bij de Hervormden — 212
§ 48. Hedendaagsche betrekking van Kerk en Staat, ingevolge de Grondwet — 220
§ 49. Staatspligten en regten op de Hervormde Kerk in Nederland, afgeleid uit deze bepalingen — 224
§ 50. Bepalingen der kerkelijke wetgeving, nopens den invloed van den Staat op de Hervormde Kerk — 234
§ 51. Uitvoering der Staatsregten op de Kerk. — Ministeriëel Departement — 240
§ 52. Staatstoezigt op de kerkelijke administratie — Provinciale Collegiën van toezigt — 246
§ 53. Betrekking der Hervormde Kerk in Nederland tot andere Kerkgenootschappen — 254
 Handhaving van dit Staatstoezigt
§ 54. Besluit — 260

Royaards, H.J. (1834) § 1

|1|

Hedendaagsch Kerkrecht

der

Hervormden in Nederland.

 

 

Inleiding.

De Wetenschap van het Nederlandsche Kerkregt, vooral bij de Hervormden, staat in het naauwste verband met die van het algemeene Kerkregt, en met het gronddenkbeeld der Christelijke Kerk. Dit verband aan te wijzen, alsmede het bestaan en de bronnen, zoo wel als de wijze van behandeling voor het Nederlandsche Kerkregt te doen kennen, is de taak der Inleiding in deze Wetenschap, die ons op het regte standpunt moet plaatsen, ten einde den inhoud van dit Kerkregt juister te leeren kennen.

§ 1.
De Christelijke Kerk.

„Mijn Koningrijk is niet van deze wereld (1).” Deze uitspraak van Jezus teekent den aard en de bestemming


(1) Joh. 18: 36.

|2|

van het Christendom, dat Hij op deze aarde kwam stichten. Het was een geestelijk Rijk; — een rijk der waarheid; — een Koningrijk der hemelen, onder menschen op aarde gesticht; dat onderdanen had, welke het door één doop, één godsdienstig geloof aan God en den Verlosser, ééne leer, en ééne bestemming verbond. Die Belijders van Jezus zouden den weg der zaligheid in den Bijbel, als de oorkonden van dit rijk, zich zien voorgesteld, en kwamen daartoe door geloof en bekeering. Dit rijk, dat niet kwam met uiterlijk gelaat, en waarvan men niet zeggen zou: zie hier, zie dáár is het; want het was binnen in den mensch aanwezig (1); moest, naar deszelfs goddelijke doel, den hoogsten trap van godsdienstig-zedelijke ontwikkeling  voor den mensch en het geheele menschdom bevorderen; het was het Ideaal van het menschdom, dat, eenmaal verwezenlijkt, het zou opleiden tot deszelfs ééne ware bestemming.

Deze is de inwendige aard van het Christendom. — Maar hetzelve heeft, onder menschen gevestigd en uitgebreid, een uitwendigen vorm aangenomen, bij deszelfs oorsprong onbekend. Dien uitwendigen vorm van het geestelijk Rijk, door Christus gesticht, noemt men de Kerk (2), de Christelijke Kerk, of het Genootschap


(1) Luc. 17: 20 en 21.
(2) Kerk, — waarschijnlijk van het Grieksche: τὸ Κυριακὸν, en van daar in meest alle Duitsche en Schlavonische taalstammen overgegaan, — beteekent naar taalgebruik eene Godgewijde plaats; verder de vereeniging zelve, zoo wel als het gebouw; even als Ecclesia in omgekeerde verhouding, de vereeniging zelve en het ➝

|3|

der gedoopte belijders van Jezus, die door de prediking van het Evangelie en de dienst van God worden opgeleid tot den weg der zaligheid. In de geestelijke vereeniging bestaat dus het wezen der Kerk; in de genootschappelijke inrigting kenmerkt zich de vorm der Kerk (1). Doch beiden zijn noodzakelijk


➝ gebouw beteekent. — Van de verzameling is het denkbeeld overgegaan op derzelver geheele inrigting, op het godsdienstig Genootschap. Zie onder anderen de plaatsen, aangehaald bij Gieseler, Lehrbuch der Kirchengesch. I Bd., III Aufl. Bonn 1831, p. 1 en 2.
Doel der Kerk is dienst van God ter zaligheid der menschen; bij den geestelijken Godsdienst dus inwendige dienst, die zich naar buiten openbaart. Hoe dwaalt men dus, waar men aan den uitwendigen eerdienst blijft hangen! Zie ons Avondmaalsformulier.
(1) De zigtbare en onzigtbare Kerk. Dit denkbeeld door Augustinus reeds voorgesteld, door de Hervormers, tegen over de Roomsche leer der Katholieke Kerk, voorgedragen, behelst veel goeds. Het dringt in den geest van het Christendom in. Althans indien het woord Kerk teregt gebezigd wordt van eene geestelijke vereeniging zonder den vorm van een Genootschap. (Zie Bretschneider, Systematische Entwickelung aller in der Dogmatik vorkommenden Begriffe. III Aufl. 1825, 739-741). Bretschneider zegt teregt: Die Kirche, als Idee, ist die unsichtbare; als Erscheinung, die sichtbare. a.a.o. S. 739. Vergel. hierover N.C. Kist, Verh. over de Christel. Kerk op aarde, volgens het onderwijs van Jezus en de Apostelen, en de geschiedenis, — bekroond door Teylers Godgel. Gen. — en te vinden in deszelfs Werken, D. 30. Haarl. 1830, bl. 182 en 196 verv. Zie verder Krug (das Kirchenrecht, nach Grundsätzen der Vernunft und im Lichte des Christenthums. Leipz. 1826, S. 26). „Alles Kirchenrecht ... bezieht sich ausschliesslich auf die sichtbare Kirche; die unsichtbare geht uns also hier gar nichts an.” — Mosheim, Kerkenregt der Protestanten, I Deel. Utr. 1766, bl. 2.

|4|

voor een Christendom, dat op aarde onder menschen gesticht is (1).

Ook die vorm is verscheiden bij het verschil van tijden, volken, landen, menschen. Daarom kan er, wat het wezen der Kerk betreft, wel ééne Kerk bestaan (2); maar wat den vorm betreft, bestaat er op aarde niet ééne Kerk, maar onderscheidene Kerkgenootschappen, die, naar de verscheidenheid der menschen ingerigt, zich beurtelings eigenschappen en regten boven elkander aanmatigden. Zij verschillen door leerstellingen, instellingen, bestuur en regeringswijzen. De eene ware Kerk moge dan in den geest van dit Christendom over de geheele aarde te zoeken zijn, in den uitwendigen vorm heeft zij van de Apostolische tijden af nimmer bestaan.


(1) Zie Kist t.a.p. 83 verv. 197, 231 verv. en Bretschneider a.a.O. § 126, S. 739. De Ideale Kerk, door wijsgeerige theorien voortgebragt, heeft hare eigen nadeelen met zich gevoerd. Zie Kist, t.a.p. 233. — De tegenwerping onlangs tegen de zichtbare Kerk, door Prof. Wurm gemaakt (Ueber den Begriff der sichtbaren Kirche,) in Klaiber, Stud. der Evang. Geistl. Wurtemb. II. 2, S. 49-84, is te ongegrond, en te zeer op de Oppermagt van den Staat berustende, dan dat dezelve afzonderlijke wederlegging behoeft.
(2) Er kan dus maar ééne onzichtbare Kerk zijn; maar vele vormen der zigtbare Kerk of Genootschappen. De eerste is volkomen; het is ééne kudde onder één Herder. De laatste is onvolkomen, veranderlijk, tijdelijk; in dezelve ontstaan Sekten, Partijen, Hervormers. Cf. Krug, a.a.O. S. 16-26, en het tegen hem aangevoerde: Kirchenrechtl. Untersuchungen, p. 20. Mosheim t.a.p. p. 210.

Royaards, H.J. (1834) § 2

|5|

§ 2.
Kerkregt.

Elk Genootschap heeft deszelfs bepalingen, inrigting, wetten en regten zoo wel als pligten voor de Leden. Zoo ook de Kerk of het Genootschap der Christenen. Daar vormen zij het Kerkregt, d.i. het Regt (1) der Kerk; de verzameling der voorschriften, bepalingen en wetten, die betrekking hebben op de Kerk, of: de Kerkelijke Wetgeving; op dezelve berust de regeling,


(1) Regt. (Jus). Dit woord wordt gewoonlijk in tweeërlei beteekenis gebezigd. Subjectief (gelijk men zegt) beteekent het de zedelijke mogelijkheid of bevoegdheid, d.i. de bevoegdheid of het vermogen, dat wij uit de zedelijke wet ontvangen, om behoudens de vrijheid van anderen iets te doen, enz. Zoo zegt Ernesti (Clav. Ciceron. in voce: Jus.) „quod legibus, edictis, consuetudini consentaneum est, quod nobis ex eo debetur.” Men vindt deze beteekenis, meer of min gewijzigd, in alle Handboeken der Zedekunde, en andere Geschriften. Zie b.v. Wolff, Instit. Jur. Nat. § 46. — Pestel, Fund. Jurispr. Natur. II. 616. — Sypkens, de betrekking tusschen de Zedekunde en het Natuurregt; in Van Hemerts Magazijn van Critische Wijsbegeerte, V. 363 volg. — Reinhard, Christel. Zedeleer. I. 227. III.186.
Objectief (volgens het spraakgebruik) genomen, beteekent dit woord: eene Verzameling dier Regten of de Wetten en Wetgeving zelve. — „Fas, lex divina est; Jus, lex humana;” ita in Corp. Jur. Canon. Conc. disc. Canonum. Decr. I. Dict. I. c. 1. — Daarom spreekt men van Goddelijk en menschelijk Regt; — van burgerlijk, lijfstraffelijk, kerkelijk Regt, enz.; — van Jus Romanum, Germanicum, Belgicum; — van Jus Justinianeum, Theodosianum, en in andere beteekenissen; bij alle Schrijvers van de Encyclopaedie der Regtswetenschappen en over het Kerkelijk Regt voorhanden. Eveneens Ernesti, Clav. Cic. I. c.: „Complexus legum illarum, ad quas homines actiones suas dirigere debent.”

|6|

inrigting en het bestier der Kerk en der verschillende Kerkgenootschappen, en uit dezelve wordt gevormd de Wetenschap van het Kerkregt.

Deze kerkelijke wetgeving, dit Kerkregt bepaalt zich tot de uitwendige zijde van het Christendom op aarde; dus niet tot de leer, maar zoo wel tot den vorm van het Genootschap, als tot het kerkelijke leven der Christenen, in onderscheiding van derzelver inwendig of geestelijk leven (1). — Het bevat wetten, voorschriften, instellingen van de Kerk, zoo wel als van den Staat.

Het wetenschappelijke Kerkregt wordt verschillend verdeeld, naar de verschillende oogpunten, waaruit men hetzelve beschouwt. — Zoo onderscheidt men naar de verschillende bronnen, waaruit het afgeleid wordt: het natuurlijke Kerkregt (Jus Ecclesiasticum naturale), dat uit het denkbeeld der Kerk, uit de algemeene gronden van naturregt en zedekunde wordt afgeleid, en aan de zedewet getoetst wordt (2), — en


(1) Daar het Kerkregt zich alleen bepaalt tot de zigtbare Kerk, en wel tot haren vorm, geeft de Kerk alleen wetten en voorschriften aan de zigtbare Kerk.
(2) Het natuurlijke Kerkregt werd vooral door de beoefenaars van het Natuurregt ontwikkeld, en later ook door Godgeleerden. Krug gaf daarvan nog onlangs een Proeve in zijn geschrift: Das Kirchenrecht, nach Grundsätzen der Vernunft, und im Lichte des Christenthums. Leipz. 1826; hij noemt daar als voorgangers, onder de nieuweren, Grotius, Puffendorf, Keuffel, Zacharia, Mendelssohn, Grossing, Stephani, Greiling, Pöschel, Schuderoff; zie Krug a.a.O. S. 9, 10. Tegen hem was gerigt: Kirchenrechtliche Untersuchungen. — Ein nothwendiger Nachtrag zu dem

|7|

het stellige Kerkregt (J. Eccl. positivum), dat op stellige, wettelijke, bepalingen rust.

Uit den inhoud wordt eene andere verdeeling afgeleid, die van het openbare Kerkregt (J. Eccl. publicum), hetwelk de uitwendige betrekking der Kerk omschrijft, vooral de bepalingen omtrent de Kerk in het algemeen, alsmede de betrekking van Kerk en Staat; en het bijzondere Kerkregt (J. Eccl. privatum), waarbij de bepalingen omtrent de leden worden geregeld (1).

Ten naauwste met deze verdeeling tezamenhangend is eene andere, waarbij men naar den aard onderscheidt het inwendige Kerkregt (Jus Eccl. internum), dat de regten en pligten der Leden in de Kerk bepaalt; en het uitwendige Kerkregt (Jus Eccl. externum), dat de betrekking der Kerk naar buiten, d.i. tot den Staat en andere Kerkgenootschappen omschrijft (2). —


Kirchenrecht vom Herrn Prof. Krug. Berlin 1829. — Over het natuurlijke Kerkregt, zie Droste Hulshoff, Das Naturrecht, als eine Geselle des Kirchenrechts. Bonn 1822. Walter, (straks aan te halen) S. 4, noot 5; en Mosheim, Algem. Kerkregt der Protestanten, in ’t Holl. vertaald. I D. Utr. 1766, bl. 389-501.
(1) Cf. Droste Hulshoff, Grundsätze des gemeinen Kirchenrechtes der Katholiken und Evangelischen, wie sie in Deutschland gelten. I Bd. Münster 1828. S. 26. — Het openbaar Kerkregt van Duitschland is afzonderlijk behandeld door Pahl, das öffentliche Recht der evang.-lutherischen Kirche in Deutschland, kritisch dargestellt. Tüb. 1827.
(2) Deze verdeeling is nog onlangs verdedigd door Walter, Lehrb. des Kirchenrechts, aus den älteren und neueren Quellen bearbeitet. S. 15; — door Droste Hulshoff a.a.O. S. 19. — Bezwaren daartegen zijn laatstelijk geopperd door Eichhorn, in zijn ➝

|8|

Deze verdeeling is door vele Schrijvers over het Kerkregt aangenomen, als de meest geleidelijke; terwijl anderen daartegen niet ongegronde bezwaren hebben ingebragt.

Eindelijk (om niet te spreken van een goddelijk en menschelijk Kerkregt, door vele Roomsche Schrijvers aangenomen (1)), onderscheidt men naar den omvang het algemeene van het bijzondere Kerkregt (Jus Eccl. universale et particulare); het eerste geldt voor de geheele Kerk of voor alle Leden des Genootschaps; het laatste voor bijzondere Landen of Kerkgenootschappen. Het eerste bevat dan tevens in zich ook het natuurlijke Kerkregt, dat de grondslag van elk stelsel van kerkelijke wetgeving moet uitmaken; het laatste of stellige Kerkregt verschilt in de verschillende Landen en Kerkgenootschappen. Van daar heeft men, vooral gedurende de laatste jaren, het nationale Kerkregt of dat der afzonderlijke Landen en Staten bewerkt, en die afzonderlijke bewerking is bij het verschil van kerkelijke bepalingen, thans bestaande, eene wezenlijke behoefte. Men kent al zoodanig de meer of min uitvoerige Handboeken over het Rooms-Katholiek of Protestantsch, of ook over het algemeene Kerkregt van Oostenrijk, Pruissen,


➝ voortreffelijk Handboek, Grundsätze des Kirchenrechts der Katholischen und der Evangelischen Religionspartei in Deutschland. I Bd. Gott. 1831. S. 452. De beroemde Eichhorn heeft ons onlangs het tweede deel geschonken.
(1) Ook het geschrevene werd van het ongeschrevene Kerkregt onderscheiden. Zie Boehmer, Jus Eccl. Protestantium. Vol. I. p. 202, in titulo: de Consuetudine. § 4, 5. — Over het goddelijk en menschelijk Kerkregt zie Droste Hulshoff, a.a.O. S. 22.

|9|

Beijeren, Saksen, Hannover, Wurtemberg, Hessen, Nassau en andere Staten, ongetwijfeld ten voordeele der wetenschap van het Kerkregt behandeld (1).

Geene dezer verdeelingen schijnt echter onvoorwaardelijk aan te prijzen, daar aan elk bij de behoorlijke ontwikkeling bezwaren verbonden zijn. Bij de meeste derzelver, althans die op een stellig Kerkregt berusten, kan men ook de tijdorde volgen, en het oude, nieuwe en nieuwste Kerkregt onderscheiden. Men slaat alsdan de historische ontwikkeling gade; maar zoo zeer deze verdeeling licht aanbrengt, evenzeer behoeft men toch daarenboven bij dezelve eene verdeeling uit den inhoud of andere oogpunten ontleend.


(1) De Literatuur van het Kerkregt, vooral ook de Schrijvers over het Kerkregt van de afzonderlijke Duitsche Staten, zijn onder anderen opgegeven bij Pahl a.a.O. S. 547-558. — Walter a.a.O. S. 12. — Droste Hulshoff a.a.O. S. 136-143. Ziehbert, Praktischer Evangelischer Kirchenrecht, mit besonderer Hinsicht auf Sachsen, Preussen, und andere Evang. Länder. I. 11-15. Meiss. 1826. — Vooral Eichhorn a.a.O. I. 440. Men vergelijk ook de grootere werken van Frey, Stephani en anderen. Clarisse, Encyclop. Theol. p. 579 sqq. 585.

Royaards, H.J. (1834) § 3

§ 3.
Kanoniek en Kerkelijk Regt.

Niet willekeurig, maar gegrond op de analogie der Taal, zoo wel als op het gebruik, merkt men het verschil op, dat bestaat tusschen het kanonieke en het kerkelijke regt (Jus Canonicum en Jus Ecclesiasticum).

Het kanonieke regt, of dat der Roomsch-Katholieke Kerk is gegrond op de Canones; (hoedanig de kerkelijke

|10|

wetten plegen genoemd te worden) of wel ontleend uit het Corpus Juris Canonici. Soms bedoelt men in het algemeen daardoor het middeleeuwsche Kerkregt.

Het kerkelijke regt, in tegenoverstelling van het kanonieke regt, geeft in een ruimeren zin, den geheelen omvang van het Kerkregt te kennen, of, meer beperkt, het nieuwere Kerkregt; terwijl daaruit geredelijk volgt, dat het Protestantsch of Evangelisch regt nooit onder den naam van kanoniek regt kan worden begrepen (1).

In het kanonieke regt komen vele burgerlijke voorschriften voor, hetgeen uit den invloed der Hierarchie is te verklaren. Zij dalen daar van de Kerk af. — Daarentegen neemt het Evangelisch of Protestantsch Kerkregt ook Staatsbepalingen op. In zoo verre nu hetzelve alleen de betrekking van Kerk en Staat regelt, heet het Staatskerkregt of Kerkelijk Staatsregt. Hiertoe behoort grootendeels het openbaar Kerkregt (Jus Eccl. publicum).


(1) Zie ook Eichhorn a.a.O. S. 450. Reeds de oudere Schrijvers over het Kerkregt, Carpzovius, Böhmer, Pfaff, Mosheim, onderscheidden het kanonieke van het kerkelijke regt.

Royaards, H.J. (1834) § 4

§ 4.
Nederlandsch Kerkregt.

Gelijke elke Landskerk haar onderscheiden regt heeft, wel gegrond op de algemeene beginselen van kerkelijke wetgeving, maar gewijzigd naar de bijzondere plaatselijke omstandigheden, zoo ook heeft de

|11|

Nederlandsche Kerk hare bepaalde wetgeving, rustende op hare eigenaardige beginselen, zoo wel als voorschriften. Niet altijd — en vooral niet in de laatste tijden — is het Nederlandsche Kerkregt met vereischten ijver beoefend, en echter verdient ook de wetenschappelijke bearbeiding en ontwikkeling van hetzelve niet verzuimd te worden. Vooral vindt men, daar de Hervormde Kerk thans, meer dan ooit, eene geregelde kerkelijke wetgeving bezit, hiertoe genoegzame bouwstof.

Men onderscheidt ook hier het oude kanonieke Nederlandsche regt van het nieuwe Kerkregt. Het oude kanonieke regt gold vroeger ook in Nederland, gelijk alom in de Roomsche Kerk. Het grondde zich op het Corpus Juris Canonici, de latere Canones, de Pausselijke en Bisschoppelijke Bullen, Breves enz. (1). — Het valt echter niet te ontkennen, dat een vrijere


(1) Behalve de meer algemeene bronnen voor dit Roomsch-Katholieke Kerkregt, die bij de Schrijvers over het Kerkregt te vinden zijn, b.v. bij Walter a.a.O. vooral § 39, 40, 45, 55, 59-72 en elders. Droste Hulshoff a.a.O. § 14-45. Eichhorn a.a.O. I. § 321 en verv., waar zij uitvoerig behandeld worden; vindt men de Bisschoppelijke en Pausselijke Bullen en Breves, die op Nederland bijzondere betrekking hebben, meestal vermeld bij onze middeleeuwsche Geschiedschrijvers; b.v. Beka en Heda, Hist. Utraj. de Episcopis Ultrajectinis; illustr. ab Arn. Buchelio, J. Cto. Accedunt L. Hortensii Montfortii, Secession. Utraj. et Suffr. Petri, Appendix ad Hist. Ultraject. Ultr. 1643 en elders; — in de Verzameling van Matthaei Analecta, T.V.; in de Historia Episcopatuum Foederati Belgii auctore. H. v(an) H(eussen), Antv. 1755, en de Holl. overzetting: Kerkelijke Oudheden en Historie der 7 Vereen. Prov., beschreven door H. v. H(eussen) en vertaald door H. v. R(yn). Leyd. 1726, 6 d., folio; waarvan ook eene uitgave ➝

|12|

geest vaak in de vroegere Nederlandsche Roomsch-Katholieke kerkelijke bepalingen heerschte. Dezelve bleef in de nieuwere Roomsch-Katholieke Kerk in de Nederlanden heerschen; terwijl de Trentsche kerkregelen hier wel kerkelijk, maar geen algemeen staatkundig gezag ontvingen. In onzen tijd scheen de Concordaatshandeling aan dezelve eene eenigszins veranderde wijziging te geven (1), toen de Belgische omwenteling (1830) zulks staakte. Door dit alles echter was de lust tot beoefening van het Staatskerkregt op nieuws opgewekt.

Het Kerkregt der Protestanten werd hier te lande gelijktijdig met de Hervorming geboren. De vestiging van het Luthersche, vooral van het Hervormde en later van het Remonstrantsche Kerkgenootschap gaven aan dezelve geboorte. De twisten tusschen kerkelijke en stedelijke Magistraten, zoo wel als Provinciale Staten, wekten nieuw leven, inzonderheid in der Hervormde Kerk, op (2). En toen deze beginselen waren


➝ in 8º. bestaat; — deszelfs Batavia Sacra, mede vertaald in de Kerkel. Oudh., 1e. deel; en andere gelijksoortige werken. — Die van latere tijden zijn verzameld in de twistschriften met de Jansenisten, over de geestelijke goederen en anderen.
(1) Dit gedeelte van het hedendaagsch Roomsch-Katholiek Staatskerkregt hebben wij trachten op te helderen in twee afzonderlijke Verhandelingen: Vergelijking der nieuwere, thans in werking zijnde, Europesche Concordaten en Concordaatsbullen met die van Nederland, te vinden in het Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, inzonderheid van Nederland. D. I. bl. 283-330 en D. III. bl. 667-750.
(2) De schriften van Grotius de imperio summarum potestatum circa sacra; van Uitenbogaart, over het ambt der overigheid, en zoo vele andere, staan over tegen de menigvuldige schriften, ➝

|13|

gevestigd, gaven latere twisten, vooral over de kerkelijke goederen, voedsel aan de behandeling van verschillende bepalingen van het kerkelijk staatsregt, gelijk andere in de latere Synodale en Klassikale besluiten meer werden ontwikkeld (17e Eeuw). Eindelijk gaven de regtsbeginselen en staatstheoriën, en de daaruit afgeleide resultaten na de staatsomwenteling van 1795, nieuwe stof tot bearbeiding van onderwerpen des Kerkregts. In onze dagen heeft het Nederlandsche Kerkregt behoefte aan eene wetenschappelijke behandeling, waarvan te voren de beginselen in de kerkelijke handboeken voorhanden waren (1).

Men kan dus in de Geschiedenis van het Hervormde Nederlandsche Kerkregt drie tijdperken onderscheiden:
1. Van de Hervorming tot de Dordsche Synode, bij de twisten over den Kerkvorm en het Kerkbestuur.
2. Van de Dordsche Synode tot op de omwenteling van 1795. Gevestigd Kerkregt, nevens ondergeschikte twisten.
3. Van de omwenteling van 1795 tot op onze dagen. Herleving van het Kerkregt, en regeling van hetzelve bij onderscheidene Kerkgenootschappen, vooral Hervormden en Lutherschen.


➝ die van de zijde der Contra-Remonstranten te dien tijde geschreven werden.
(1) In de kerkelijke Plakaat- en Handboekjes, ook in de Klassikale Handboekjes vindt men soms de onderwerpen meer stelselmatig gerangschikt. Vooral treft men zulks niet het minst aan in de Vriesche Verzameling, die echter eerst van het begin dezer eeuw dagteekent.

|14|

Wij zullen bij de ontwikkeling van het Kerkregt hier en daar gelegenheid hebben eenig licht over deze tijdperken te verspreiden.

Royaards, H.J. (1834) § 5

§ 5.
Nieuw Nederlandsch Kerkregt bij de Hervormden.

Het nieuwe Nederlandsche Hervormde Kerkregt is in onze dagen meer bepaald aanwezig. — In geen vroeger tijdvak toch had de Hervormde Kerk van Nederland in haar geheel zulk een gevestigd Kerkregt, of wel eene bepaalde kerkelijke wetgeving, als thans. Vroeger waren de kerkelijke bepalingen en wetten grootendeels verscheiden in de verschillende Gewesten, Klassen en Steden. Soms uiteenloopende bepalingen waren door de Generale, Provinciale Staten en Stedelijke Magistraten nopens de Kerk, en vooral door de Provinciale Synoden en Klassen voor de onder haar ressorteerende Gemeenten en Kerkeraden gemaakt. In de Plakaatboeken, Staatsresolutiën, Synodale Acten en Klassikale Handboekjes werden dezelve in eene veelvuldige verscheidenheid opgenomen. Hierdoor ontbrak de eenheid. En tevens lag hierin een groot bezwaar voor de bewerking en wetenschappelijke bearbeiding van het Kerkregt.

In het Koningrijk der Nederlanden werd later (1816) ééne Hervormde Kerk geregeld. Van de hoogste kerkelijke vergadering, de Synode, daalde ééne kerkelijke wetgeving af, die, hoezeer voor velerlei verbetering vatbaar, eene vaste, meer bepaalde, regelmaat aan de hand gaf voor de geheele Hervormde Kerk, door de

|15|

Synode vertegenwoordigd. Dezelve is verzameld in een Kerkelijk Handboek (1).

Door dit bestaan ééner beschrevene kerkelijke wetgeving in Nederland, op kleine uitzonderingen na overal gelijk, is, meer dan vroeger, de bouwstof verzameld voor de wetenschappelijke bewerking van het hedendaagsche Nederlandsche Hervormde Kerkregt.


(1) Handboek voor Hervormde Predikanten en Kerkenraadsleden, (door G. van der Tuuk), III Deelen. Leeuw. 1820, 1823, 1827; elk dezer deelen is van zakelijke alphabetische Registers voorzien; terwijl Deel IV, (Leeuw. 1830), de algemeene Registers, bevat op de drie deelen van 1813-1827. Mogt eene beknopte uitgave van deze hoogstbelangrijke Verzameling, in klein 8º. of duodecimo, naar de wijze der burgerlijke en andere wetboeken, het gebruik daarvan vermeerderen! De verdienstelijke Schrijver ga gelukkig voort in de verdere mededeeling!

Royaards, H.J. (1834) § 6

§ 6.
Nederlandsch Kerkregt bij de overige Protestantsche Genootschappen.

Minder dan bij de Hervormden is over het algemeen het Kerkregt bij de overige Genootschappen in Nederland wettelijk geregeld, schoon aan geene derzelver eene vaste inrigting ontbreekt. Dit vloeide voort uit den burgerlijk-staatkundigen toestand dezer Kerkgenootschappen in ons Vaderland.

Bij de Remonstranten was de aanleiding der twisten niet slechts leerstellig, maar evenzeer kerkelijk. Men twistte wel over gewigtige leerstukken; maar men twistte te dier gelegenheid tevens over den invloed van den Staat op de Kerk, op de beslissing der

|16|

geschillen, op de bijeenroeping en het regt der Synode, als anderzins. — Doch naauwelijks had de Staat zijn invloed onttrokken, of deze ijver verflaauwde. Men  regelde het nieuw gevormde, en kleinere, Genootschap, naar bijzondere en huishoudelijke bepalingen. Later verzamelde men deze in een Kerkelijk Wetboek (1). Ook de vorm van dit Genootschap, later gevestigd en in stand gehouden, onderging geene belangrijke verandering, die strekken moest om de beoefening van het Kerkregt op te wekken; en de aanleiding, die sommigen onder hen daartoe verkregen, toen later (1795) de Kerk van den Staat gescheiden werd, bepaalde zich hoofdzakelijk tot het Staatskerkregt.

Bij de Evangelisch-Lutherschen vond men even min geregelde beoefening dezer wetenschap. — Hun Genootschap behoefde den vorm  der Luthersche Kerken slechts te wijzigen naar den landaard der Nederlanders, en de wetten van den Staat. In latere tijden (1816), werd ook de Evangelisch-Luthersche Kerk geregeld en geordend. Eene jaarlijksche Synode en eene van haar afgedaalde kerkelijke wetgeving, veelzijdig overeenkomstig met die der Hervormden, regelde hare inrigting, Kerkvorm en Kerkbestuur (2). Maar alsnog ontbreekt eene verzameling dier wetten.


(1) Wetten van de Remonstrantsche Societeit, op nieuw overgezien en vermeerderd met de Wetten en Resolutiën, vastgesteld tot 1808.
(2) Zie het Algemeene Reglement op het Bestuur der Evangelisch-Luthersche Kerken, bij Broes, Kerk en Staat, IV. 463, 464.

|17|

De later ontstane Herstelde Luthersche Gemeenten, geheel democratisch van inrigting, beoefenden het Kerkregt niet verder, dan de regeling hunner Gemeenten en derzelver bestuur vereischte.

Hetzelfde geldt vooral ook van de kleinere Kerkgenootschappen. De Doopsgezinden, niet in een gevestigd Genootschap, maar als in eene Broederschap, optredende en levende, vermeden den regtsvorm, zoo wel als de beoefening van het Kerkregt. — De Hernhutters, praktisch van aard en aanleg, regelden vooral de Zeister Gemeente naar de Duitsche Moederkerk. — De Kwakers, weinig in getal, kenden noch Gemeente, noch Kerk, noch Kerkbestuur; en het Genootschap: Christo Sacrum leefde te kort, althans in het openbaar, om deszelfs bestaan wettelijk te verzekeren en te regelen.

Geen wonder dus, dat bij alle deze Kerkgenootschappen de wetenschappelijke beoefening van het Kerkregt uitbleef.

Royaards, H.J. (1834) § 7

§ 7.
Bronnen voor het Nederlandsche Hervormde Kerkregt.

Het doel dezer Handleiding leidt ons uitsluitend tot het Kerkregt der Hervormden in Nederland. Wij bepalen ons daarom in de opgave der bronnen alleen bij dezen:

I. Gelijk de Heilige Schrift aan het hoofd staat van al de bronnen van stellig Kerkregt, en het natuurlijk Kerkregt daaraan bij elk Genootschap moet worden getoetst, zoo blijft dezelve ook de toetssteen voor elke regtsbepaling onzer Kerk, die op geen anderen grondslag kan rusten dan dien der H. Schrift. De vorm toch van

|18|

het geestelijke rijk, door Christus gesticht, moet geheel in overeenstemmingzijn met deszelfs aard en wezen.

Dat gevoelden onze Vaderen, toen zij bij de vestiging en inrigting der Hervormde Kerk, zich steeds op de leer van Jezus en de Apostolische uitspraken beriepen (1), en zulks ligt niet minder opgesloten in het gronddenkbeeld der Hervormde Kerk, om het Genootschap en de Gemeenten in te rigten naar het voorbeeld der Apostolische tijden.

Met deze hoofdbron stemden dan de bronnen van ons stellig Kerkregt, naar derzelver meening, overeen.

 

De oudere bronnen van het vroegere Hervormde Kerkregt en der kerkelijke wetgeving verschillen echter grootendeels van de nieuwere of hedendaagsche. Wij behooren dezelve ook hier aan te duiden, daar verschillende bepalingen van onze nieuwere kerkelijke wetgeving uit de oudere ontleend zijn.

II. Tot de oudere bronnen behooren:
1. De Symbolische (2) en Liturgische schriften (3) der Hervormde Kerk.


(1) Men ziet hiervan voorbeelden in de Kerkeordeningen, — in de twisten daarover gevoerd, en in de bewijzen, voor ieders gevoelen meestal uit de H. Schrift aangevoerd. Zij gingen uit van het denkbeeld, om de Apostolische Kerk te doen herleven. Zie over den Bijbel in dit opzigt Broes, Kerk en Staat, IV. 2. 685 en verv.
(2) Tot de Symbolische Boeken en Formulieren van Eenigheid der Hervormde Kerk behooren: 1) de Nederlandsche Geloofsbelijdenis; 2) de Heidelbergsche Catechismus en 3) de Leerregelen der Synode van Dord. De beide eerste komen gewoonlijk voor achter de Nederd. Uitgaven der Statenoverzetting, de laatste, gelijk elders, zoo ook in de Handel. der Synode van Dord.
(3) Tot de Liturgische Schriften brengt men de: Liturgie der ➝

|19|

2. De Kerkeordeningen, in de verschillende Provinciën ingevoerd of opgesteld, als tot grondwet der


➝ Hervormde Kerken in Nederland, of Formulieren bij dezelve in den uiterlijken dienst gebruikelijk. Als: (behalve het Kort Begrip der Christelijke Religie) 1. Christelijke Gebeden, die in de Vergadering der Geloovigen en elders gebruikt worden. — Gebed des Zondags voor de Predikatie. — Voor allen nood der Christenheid; des Zondags na de Predikatie. — Voor en na de Leere des Catechismus. — Gebeden voor en na de Predikatie in de Week. — Het morgengebed. — Het avondgebed. — Gebeden voor en na de handelingen des Kerkenraads. — Gebed voor de Vergad. der Diakenen. — Gebeden voor en na den eten. — Gebed voor de Kranken en aangevochte menschen.
2. Formulieren van Kerkplegtigheden. Hiertoe behooren: het Formulier om den H. Doop te bedienen aan Kinderen en voor bejaarde Personen. — Formulier om het H. Nachtmaal te houden. — Formulier des Bans of der Afsnijding der Gemeente. — Formulier van Wederopneming des Afgesnedenen in de Gemeente van Christus. — Formulier om de Dienaren des Goddelijken Woords te bevestigen. — Formulier van Bevestiging der Ouderlingen en Diakenen. — Formulier om den Huwelijken Staat voor Christus Gemeente te bevestigen.
3. De Ziekentroost, hetwelk is eene Onderwijzing in den gelove, en den weg der zaligheid, om gewillig te sterven; — alsmede troostrijke spreuken der H. Schrift, om in doods nooden te bidden; — en sommige spreuken, den Kranken dienende in hun uiterste. — Deze behoort niet tot de Liturgie, maar is meestal als een Aanhangsel of Stichtelijk Schrift daarbij gevoegd, even als de:
4. Geloofsbelijdenissen. Onder dezelve zijn opgenomen: Belijdenis des Geloofs, gestelt in ’t Concilie van Nicéa in 325. — Geloofsforme en bekentenis des H. Athanasius, Bisschop van Alexandrië, 333. (Pseudo-Athanasius). — Men vindt alle deze Schriften achter de Nederduitsche Statenoverzetting des Bijbels. — Zie over de Symbolische en Liturgische Schriften: Ens, Hist. Berigt der publieke Schriften, rakende de leer en dienst der Nederduitsche

|20|

kerkelijke wetgeving in elke Provincie; alsmede de ontworpen nationale Kerkeordeningen (1).
3. De Synodale en Klassikale Resolutiën. Deze waren bevat in de Synodale en Klassikale Acten, en soms in de Verzamelingen opgenomen (2).
4. De Landsplakaten en de Staatsresolutiën — bij de Staten-Generaal, — de Staten der Provinciën en derzelver Gedeputeerden, nevens de Stadhouders in sommige Gewesten, alsmede de besluiten bij de


Kerken van de Vereenigde Nederl., Amst. 1746, 4º. — J. le Long, Hist. Verhaal der Ned. Geref. Kerken onder ’t kruis en derzelver leer- en dienstboeken. Amst. 1751, 4º. — Ypey en Dermout, Gesch. der Herv. Kerk. I. 447 volg. en 521 verv.
(1) Men vindt de Kerkeordeningen (waarover later) bij onze Geschiedschrijvers medegedeeld; doch er bestaat daarenboven eene gedeeltelijke Verzameling derzelve: Verzameling van de Kerckenordeningen der Ghereformeerde Nederlandtschen Kercken, in de vier nationalen Synoden ghemaeckt ende ghearresteert. Delft 1612. Alsmede in het Kerkel. Plakaatboek en Kerkel. Handboekje en Synodale Handb. vooral van Vriesland en andere, zoo straks aan te halen schriften.
(2) Van deze Synodale en Klassikale Resolutiën en Acten zijn vele Verzamelingen in Handschrift aanwezig; b.v. Repertorium der Classis van Noord- en Zuid-Holland; alsmede een Kort Summier van alle de Synodale Wetten in de Vereenigde Nederlanden, 1580-1792, en andere. Weinigen echter zijn gedrukt; onder deze: J. Smetius, Synodale Ordonnantien en Resolutien tot rust, dienst en gerief der Kerken onder de Chr. Synode van ’t Hertogdom Gelre en Graafschap Zutphen gehoorende, na ordre van Hoogh-gemelde Christelyke Synode uytgegeven. Nijmw. 1699. 4º. en Nijmw. 1736.
Compendium der Kerkel. Wetten van Vriesland, geextraheert uit Lands en Synodale Resolutien, alsmede de Kerkeordeningen der Geref. Ned. Kerken in de Nederl. Synoden gemaakt; benevens

|21|

Stedelijke Magistraten, op het stuk van den Godsdienst genomen.

Verzamelingen derzelven worden aangetroffen in:
1. het Kerkelijk Plakaatboek (1);
2. het Kerkelijk Handboekje (2);


die door de Provincien van Gelderland, Holland, Zeeland en Utrecht aangenomen. 2e. druk. Leeuw. 1771. (door Dº. G. Nauta, Canonicus van Vriesland).
Wetboek en Kerkeorden, alsmede manier van Procederen voor Kerkenraden, Klassen en Synoden voor de Hervormde Kerk in Vriesland; uitgegeven door de Deputaten der Synode. Fran. 1806. 8º.
Plakaten, Resolutien en Gebruiken, uitgegeven, genomen en geoefend door den Staat, Nationale en Particuliere Noord-Holl. Synoden en Classis van Edam; bijeengebragt ten dienste der Classis van Edam, door E. Ens in 1754, en nagezien in 1800. Edam 1801.
C. de Kruyff, Utrechts Synodaal Handboekje, of hoofdzakelijke inhoud der Synodalien van de Synodus van Utrecht, van 1612-1801, waar achter gevoegd is Manier van Procederen in het Kerkelijke. Utr. 1803. 8º.
(1) N. Wilters, Kerkelijk Plakaatboek, behelzende de Plakaten, Ordonnantien en Resolutiën over de Kerkelijke Zaken. ’s Grav. 1722. Het tweede deel is verv. door Mr. Paulus Scheltus. ’s Grav. 1735. Het derde deel, behelzende een Aenhangsel op het 1e. en 2e. deel, werd verzameld door J.W. te Water, W. de Koning, P.H. Hugenholtz en A. Rutgers, en uitgegeven ’s Grav. 1792; even als ’t 4e. en 5e. deel, ’s Grav. 1792 en 1807, bevattende de kerkelijke stukken van 1735-1795 en eenige van latere jaren, waarbij Algemeene Bladwijzers gevoegd zijn. — Zie ook Zurck, Codex Batavus, waarin het algemeen kerk-, publiek- en burgerlijk Regt van Holland en Zeeland en de Generaliteit is beschreven. Delft 1727. 4º.
(2) Kerkelijk Handboekje, zijnde een kort uittreksel van de voornaamste Acten der Nationale en Provintiale Synoden, betrekkelijk op de zuiverheid der leer, rust der Kerk; alsmede de Postacta der Synode van Dord. 1618. 4e. Uitgave. Rott. 1764. 8º.

|22|

3. De Synodale en Klassikale Handboekjes, welke men van de meeste Klassen vroeger heeft uitgegeven, en waarin de bepalingen vor de Leden dier Klassen staan uitgedrukt (1).
4. Meer verstrooid vindt men vele bepalingen en kerkverordeningen in de Provinciale en Stedelijke Charter- en Plakaatboeken van Bondam, van Mieris, Van de Water en anderen.

Het ontbreekt evenmin aan Hulpmiddelen voor de kennis derzelve, welke men aantreft bij onze Geschiedschrijvers, vooral Bor, Aitzema, van Meeteren en lateren; — bij onze kerkelijke Geschiedschrijvers, of die aanverwante onderwerpen behandelen, als Trigland, Leydecker, Brand, Pestel, Ypey, Dermout, Broes en in andere historische werken (2); — en niet minder in de menigvuldige historische Traktaatjes en Twistschriften, vooral over de Kerk.


(1) Deze Klassikale Handboekjes plegen vroeger in alle de Klassen gedrukt te worden. Er bestaan ook eenige Synodal Handboekjes, boven aangehaald.
(2) Brand, Geschied. der Reformatie, in en om de Nederlanden; Leydecker, Trigland, enz. — Pestel, Commentarii de Republica Batava; ed. nov. Lugd. 1795, II Vol. 3 tom. — Ypey en Dermout, Geschied. der Nederlandsche Hervormde Kerk, Breda 1819-1827. IV Deelen. — Broes, Kerk en Staat, vooral D. IV. De Kerk en Staat in de Nederl. en Noord-Amerika, II St. Amst. 1832.

Royaards, H.J. (1834) § 8

§ 8.
Bronnen voor het hedendaagsche Kerkregt der Hervormden.

Minder verspreid en meer bepaald zijn de bronnen

|23|

voor ons hedendaagsche Nederlandsch-Hervormde Kerkregt. Men vindt dezelve in:
1. De Heilige Schrift.
2. De Symbolische en Liturgische Schriften (1).
3. De Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden, 1815, Hoofdst. 6, Art. 190-196.
4. De Artikelen van het Weener Congres bij de vereeniging van België met Holland (2). — Dit zal echter na de afscheiding van België als voortdurende bron als zoodanig moeten vervallen.
5. Het Algemeen Reglement op het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden; ontworpen door eene consulerende kerkelijke commissie, en gesanctioneerd ingevoerd door Koninklijk Besluit, d.d. 7 Jan. 1816, n. 1 (3).
6. De Reglementen der Synode op:
a. het Examen en de toelating tot het Leeraarsambt bij de Herv. Kerk, vervaardigd in 1816, gerevideerd in 1831 (4);
b. op de beroepingen en vakaturen, verv. in 1816, gerev. in 1826 (5);


(1) Zie boven § 6. n.
(2) Zie Broes, Kerk en Staat, IV. n. 403.
(3) Zie v.d. Tuuk, Handboek I. p. 3-28. — Broes, Kerk en Staat, IV. n. 418-435.
(4) Zie v.d. Tuuk, Handb., I. 243 volg. Het gerevideerde Reglement, vervaardigd na de uitgave van het laatste deel van dit Handboek, in 1830, is nog niet opgenomen in hetzelve, maar is te vinden in de Handel. der Synode, 1831, bl. 170 verv. — Broes, Kerk en Staat, IV. 418.
(5) Zie v.d. Tuuk, t.a.p. I. 345 volg. en III. 281 volg.

|24|

c. de klassikale kosten, verv. in 1816, gerev. in 1826 (1).
d. de Kerkvisitatie, verv. in 1816, gerev. in 1823 (2).
e. het godsdienstig Onderwijs, verv. in 1816, gewijz. in 1821 (3).
f. de uitoefening van kerkelijk opzicht en tucht, verv. in 1816, gerev. in 1826 (4).
g. de algemeene Predikants-Weduwenbeurs, verv. in 1819, geamp. in 1821 (5).
h. Algemeen Regl. op de Kerkeraden, verv. in 1825 (6).
7. De huishoudelijke Reglementen der Provinciale Besturen op de Kerkeraden in Gelderland, Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Groningen, Overijssel, Drenthe en Noord-Braband; bekrachtigd bij Koninklijke Besluiten van 30 Dec. 1829, nº. 104, en 25 April 1830, nº. 114 (7).
8. De vroegere Reglementen en bepalingen, alsmede wijzigingen van sommige reglementen, door vroegere politieke inrigtingen en kerkelijke wetgeving in zaken, die bij de latere wetgeving niet bepaald zijn (8).


(1) t.a.p. I. 273 volg.
(2) t.a.p. I. 331. III. 137.
(3) t.a.p. I. 315.
(4) t.a.p. I. 398 volg. III. 204 volg.
(5) t.a.p. I. 482.
(6) t.a.p. III. 244.
(7) Deze zijn afzonderlijk, na 1827 uitgegeven en ingevoerd, en alzoo niet in het Handboek tot dusver opgenomen.
(8) Men heeft in sommige Gewesten niet kunnen afwijken van bestaande provinciale verordeningen; ook in het regt van collatie. ➝

|25|

9. De provinciale Reglementen op de kerkelijke Administratie, gearresteerd door Koninklijk Besluit voor Zeeland, 13 Febr. 1819, nº. 8. — Voor Noord-Holland en Zuid-Holland, 12 Nov. 1819, nº. 65. — Voor Noord-Braband, Groningen en Drenthe, 2 Julij 1820, nº. 22. — Voor Gelderland, 23 Julij 1821, nº. 13. — Voor Overijssel, 2 Julij 1822, nº. 22. — Voor Utrecht, 14 Maart 1823, nº. 95. — En voor Vriesland, 12 Dec. 1823, nº. 83 (1).


➝ Zie Handb. I. 344, 369, en in andere gevallen; waarvan later. De Synode heeft dan ook bepaald, „dat zoodanige voorschriften als voor de Kerkenraden, en voor derzelver Leden in het bijzonder, uit kracht van vroegere algemeene kerkelijke wetten zijn aangenomen, — gerekend moeten worden derzelver verbindende kracht te behouden, en zulks overeenkomstig, en op grond van Art. 10 van het Algemeen Reglement op het Bestuur der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, hetwelk als eene Grondwet der Nederl. Herv. Kerk moet worden aangemerkt.” Zie Synodale Aanschrijving omtrent de pligten der Kerkenraden en van derzelver Leeraren, 15 Julij 1824, bij v.d. Tuuk, Handb. III. 153. Art. 10 van het boveng. Algem. Reglement bevat voorts: „dat alle (met dit Reglement en latere verordeningen) niet overeenkomstige wetten en inrigtingen bij het successivelijk in werking brengen dier verordeningen, gehouden worden voor vervallen.” Alg. Regl., Art. 10, bij v.d. Tuuk, Kerkel. Handb. I. 7. Ook later in het Algem. Reglement op de Kerkeraden leest men: „De bepalingen in dit Reglement voorkomende omtrent der Diakenen beheer en verantwoording, worden verstaan, behoudens de reeds bestaande algemeene of plaatselijke verordeningen, en die, welke in vervolg zullen worden daargesteld.” — Zie Art. 3: bij v.d. Tuuk, Handb. III. 250.
(1) t.a.p. III. 1-118, alwaar al deze Reglementen onderling vergeleken voorkomen.

|26|

10. De Handelingen der Herv. Synode in het Koningrijk der Nederlanden, en Synodale Aanschrijvingen, Resolutiën, Circulaires.
11. Koninklijke Besluiten en Ministeriëele Aanschrijvingen, alsmede Instructiën en Organisatie der O.I. Kerken en andere instellingen (1).

Deze bronnen zijn grootendeels verzameld in de Handelingen der Synode en in het kerkelijk Handboek van van der Tuuk (2); terwijl men de Hulpmiddelen tot de kennis van het Kerkregt aantreft of aangewezen vindt in de Bijdragen tot den Eeredienst; — de historische werken van Ypey, Dermout, Broes, Kist en in andere schriften (3).


(1) De Organisatie der O.I. Kerken, zie v.d. Tuuk, t.a.p. I. 101 volg. II. 44 volg., en Broes, Kerk en Staat, IV. II. 433 volg.
(2) Handelingen van de Algemeene Christelijke Synode der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, ’s Grav. ter Landsdrukkerij. Jaarlijks worden deze Handel. in een afzonderlijk deel in 4º. uitgegeven. Thans bestaan reeds 17 deelen: van 1816-1832, alsmede een deel: Register op de Handelingen van de Algemeene Christelijke Synode der Herv. Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, over de eerste twaalf jaren 1816-1827, 4º. 93, nevens eene Tabellarische Zamenstelling der Synodale Vergad. van 1816-1827. — Zie de aanleiding tot uitgave der Synodale Handelingen in de Handel. der Synode over 1820, 36, 75-77; verg. met 1822, bl. 100, 1824, bl. 28, 1827, bl. 131.
In Van der Tuuks Handboek b.a., komen voor de bronnen, onder nº. 5, 9, 11, en deels die onder nº. 6, tot op het jaar 1827.
(3) Nieuwe Bijdragen ter bevordering van de kennis en

|27|

➝ verbetering van den Eeredienst, het Leeraarambt en Kerkelijk Bestuur. Zutphen 1816. (Deze strekten ten vervolge op het Mag. voor den Openb. Godsdienst, 1804, en de Bijdragen ter bevordering van den Openb. Godsdienst enz., 1809), — en Nieuwe Bijdragen ter bevordering van de kennis ene verbetering van den openbaren Eeredienst, het Leeraarsambt en kerkelijk Bestuur, als ook van de theologische wetenschappen, bij de Protestantsche Christenen; verz. door H.W.C.A. Visser, Sneek 1824, 4 Jaargangen. In deze verschillende Bijdragen vindt men vele der staats- en kerkelijke bepalingen omtrent ons Kerkbestuur en Reglementen opgenomen, en tevens sommigen derzelver in afzonderlijke Bijdragen beoordeeld. De overige schriften zijn boven aangehaald.

Royaards, H.J. (1834) § 9

|27|

§ 9.
Nut der beoefening van het Kerkregt.

Zoo wel uit een wetenschappelijk, als uit een praktisch oogpunt is het nut dezer wetenschap aan te bevelen.

Gelijk toch reeds in het algemeen de beoefening van het Kerkregt in Nederland nuttig is voor elken toekomstigen Nederlandschen Regtsgeleerden, die de Regtswetenschappen in derzelver omvang wil leeren kennen, of voor staatkundige en administratieve werkzaamheden zich wenscht te vormen; zoo onmisbaar vooral is de kennis onzer kerkelijke wetgevign en van ons Kerkregt voor den beoefenaar der Godgeleerde Wetenschappen, die tracht bekend te worden met den geheelen omvang der Historische Theologie, de Nederlandsche Kerkgeschiedenis ook van hare uitwendige zijde wenscht te beoefenen, en geen vreemdeling te zijn in de kennis van den vorm des Kerkgenootschaps, waarvan hij lid is, en van al deszelfs kerkelijke

|28|

inrigtingen; zonder deze toch kent hij ook de geschiedenis zijner Vaderlandsche Kerk niet.

Maar bovenal is zij praktisch noodzakelijk voor den aanstaanden Leeraar van het Evangelie in de Hervormde Kerk van Nederland, die aan het hoofd van  Kerkeraadsvergaderingen zal geplaatst worden, of in dezelve gezeten zal zijn; die ’t zij reeds dadelijk na de aanvaarding zijner Bediening, ’t zij welligt later als Lid in hoogere of lagere Kerkvergaderingen geroepen wordt bij klassikale Besturen, Provinciale Besturen en Synoden. Zoo wel met den geest en strekking, als met den inhoud onzer kerkelijke wetgeving moet hij bekend zijn; zonder deze kennis toch zal hij zich telkens in groote bezwaren wikkelen, nutteloos, zoo maar niet tot schade, zijne plaats in Kerkeraden en kerkelijke vergaderingen bekleden, anderen verkeerdelijk voorlichten, en zelfs dwalend beslissen in  de belangen der Kerk.

Royaards, H.J. (1834) § 10

§ 10.
Wijze van behandeling. Verdeeling.

Uit den inhoud van onze kerkelijke wetgeving zal onze verdeeling van het hedendaagsche Nederlandsch Kerkregt ontleend zijn in zooverre wij meenen daardoor tevens den geest uit te drukken, die in onze wetgeving heerscht.

In twee deelen splitst zich gevoegelijk het hedendaagsche Nederlandsche Hervormde Kerkregt:

Het eerste deel stelt de Hervormde Kerk van

|29|

Nederland voor. Het beschouwt dezelve in haren aard en vorm — in haar bestuur — en in hare betrekking tot den Staat en andere Kerkgenootschappen; en dus geheel van hare uitwendige zijde.

Het tweede deel ontwikkelt het kerkelijk leven in dit Genootschap, en handelt over kerkelijke personen, — kerkelijke zaken — en kerkelijke handelingen. Dit kerkelijke leven van den Hervormden Christen in Nederland leert dus de inwendige zijde van ons Kerkregt kennen, doch tevens slechts de uitwendige zijde van zijn Godsdienstig leven.

Royaards, H.J. (1834) § 11

|30|

Eerste deel.

Over
de Hervormde Kerk in Nederland.

§ 11.
De Hervormde Kerk in Nederland.

Er bestaat in Nederlands, nevens andere Kerkgenootschappen, inzonderheid ook een Hervormd Kerkgenootschap; gewoonlijk de Hervormde Kerk genoemd; meer talrijk dan eenige andere. — Had geheel ons Vaderland reeds in de achtste eeuw het Christendom aangenomen, onze Vaderlandsche Kerk deelde in de Middeleeuwen in het bestaande en zich trapswijze ontwikkelende bederf van leer, kerkbestuur en zeden. — Maar omstreeks en in de zestiende eeuw ontwaakte, vooral ook in Nederland, eene meer algemeen heerschende begeerte naar vrijheid van Godsdienst en zuivering der bedorven leer, reeds vroeger door de groote mannen onzes Vaderlands opgewekt. — Spanje handhaafde door Plakaten, Inquisitie en bloedgerigt de Roomsche Kerk en hare leer. Nederland vestigde eene Hervormde Kerk. Het Protestantisme werd de ziel van het staatkundig bestaan der verrijzende Republiek, die geheel

|31|

op de Hervorming  gegrond was. Van toen af bestond de Hervormde Kerk in Nederland, gelijk ook andere Kerkgenootschappen verrezen of bestaan bleven; doch zij onderging tot op onzen tijd verandering en wijziging in inrigting en bestuur. — Deze Hervormde Kerk in hare latere ontwikkeling, d.i. in haren tegenwoordigen aard, eigenschappen, vorm, bestuur, alsmede in hare uitwendige betrekking tot den Staat en andere Kerkgenootschappen, te doen kennen, zal de taak zijn van dit gedeelte des Kerkregts. Vervolgens zullen wij, nadat wij de Christelijke Hervormde Kerk hebben leeren kennen, te gereeder binnen treden, om het kerkelijke leven in dezelve, overeenkomstig onze wetgeving, gade te slaan.

Het eerste deel zal daarom in drie Afdeelingen gesplitst worden, welke de Hervormde Kerk in haren aard en vorm, — in haar bestuur, — en in hare betrekking tot den Staat en andere Kerkgenootschappen zullen voorstellen.

Royaards, H.J. (1834) § 12

Eerste Afdeeling.

De Hervormde Kerk van Nederland,
in haren aard en vorm.

§ 12.
Aard van het Hervormde Kerkgenootschap.

Verschillend is de aard der Kerkgenootschappen, en onder deze ook des Hervormden Kerkgenootschaps, van dien der Christelijke Kerk zelve,  die over de aarde

|32|

verspreid is (1). Wij leeren den aard der eersten meest naar waarheid kennen door vergelijking met de laatste.

Immers er bestaat, naar de overtuiging en het geloof der Hervormden in Nederland, „eene eeuwige katholieke, of algemeene Kerk, welke is eene heilige vergadering der ware Christ-gelovigen, alle hunne zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door Zijn bloed, geheiligd  en verzegeld door den H. Geest. Deze Kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot den einde toe: als daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, welke zondere onderdanen niet zijn kan. En deze H. Kerk wordt van God bewaard en staande gehouden tegen het woeden der geheele wereld, hoewel zij somtijds eenen tijd lang zeer klein, en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de oogen der menschen.” — „Ook is deze Kerk niet gelegen, gebonden of bepaald in eene zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de geheele wereld; nogtans t’ zamengevoegd en vereenigd zijnde met hart en wil in een zelfden geest, door de kracht des geloofs.” — (2).


(1) Zie boven in de Inleiding § 1.
(2) Nederl. Geloofsbelijdenis, of Belijdenis des Geloofs in de Hervormde Kerken van Nederland, — overzien in de Nationale Synode te Dordrecht, in 1618 en 1619. Art. 27. — Met deze verklaring is eenstemmig die, welke in een ander onzer Symbolische Schriften voorkomt, t.w. in den Heidelbergschen Catechismus, Zond. 21, vr. 54, alwaar het geloof der Hervormden omtrent de heilige, algemeene, Christelijke Kerk aldus wordt uitgedrukt: ➝

|33|

Wij onderscheiden van deze ware Kerk, of van die geestelijke vereeniging der ware geloovigen, de Kerkgenootschappen, of de vereeniging der Christen-belijders met eene maatschappelijke of genootschappelijke inrigting — Deze Kerk toch, — niet ten onregte de onzigtbare Kerk geheeten, — is niet zoo zeer bij uitsluiting in één of ander Kerkgenootschap te zoeken. Want op geen Kerkgenootschap zijn de bovenvermelde eigenschappen toe te passen (1); — geen Kerkgenootschap is van den beginne der wereld af aanwezig geweest; noch ook zal altijd blijven bestaan; noch is ook verstrooid over de geheele aarde. Doch uit deze ware Kerk, vermengd met de naambelijders derzelver (2), vormen zich op aarde Kerkgenootschappen, die allen volgens hunne overtuiging wenschen te streven naar de kenmerken der ware Kerk. Zoodanige


➝ „dat de Zone Gods, uit het gansche menschelijke geslacht, zich eene Gemeente, ten eeuwigen leven uitverkoren, door Zijn Geest en Woord, in eenigheid des waren geloofs, van het begin der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt.” — In denzelfden geest zijn de denkbeelden en uitdrukkingen, die voorkomen in onze Liturgische Schriften, vooral in de Formulieren ter bevestiging der Dienaren des Woords, en der Ouderlingen en Diakenen. — Zie over de kenmerken der Kerk, Kist, Verh. p. 185, 196.
(1) Zie ook Eichhorn, Grunds. d. Kirchenrechts, I, S. 456.
(2) De Nederl. Geloofsbel. noemt dezelve: „het gezelschap der Hypocriten, welke in de Kerk onder de goeden vermengd zijn, en ondertusschen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar ’t ligchaam in dezelve zijn.” (Art. 29). — Men ziet, dat hier het onderscheid der ware Kerk en van het Kerkgenootschap niet altijd duidelijk stond uitgedrukt.

|34|

Genootschappen zijn over de geheele aarde, waar ’t Christendom geplant is, verspreid, en tot dezelve behoort ook het Hervormde Kerkgenootschap in Nederland.

Immers de belijders van Jezus vormen Gemeenten; de vereeniging van Gemeenten vormt Kerken of Kerkgenootschappen, welker band ligt in de kerkelijke wetgeving, gelijk die der ware Kerk in geloof en liefde. Zoo ook vormt het Hervormde Kerkgenootschap in Nederland de vereeniging van die Gemeenten van Christenen in ons Vaderland, die Jezus in overeenstemming met de leer en voorschriften der Hervormde Kerk wenschen te dienen.

Deze vereeniging stelt geen Staat, Heerschappij of aardsch Rijk dáár, maar eene Maatschappij of Genootschap, in den Staat bestaande, gelijk zich letterkundige, maatschappelijke en handels-genootschappen in Rijken en Staten opdoen. De aard echter van een kerkelijk Genootschap is verhevener, edeler, gewigtiger, dan van eenig ander; naarmate het hier niet op menselijk, maar op goddelijk gezag rust; niet de uitwendige, maatschappelijke, noch bloot verstandelijke belangen en ontwikkeling der menschen geldt, noch ook de uitoefening van eene of andere pligt der liefde en menschelijkheid, maar de hoogste vermogens in den mensch, zijne zedelijk-godsdienstige vermogens; naarmate het hier niet om aardsche belangens, maar om het eeuwige heil van onsterfelijke zielen te doen is; en naarmate dit Genootschap, oneindig meer dan eenig ander, invloed hebben kan op het huisselijke, burgerlijke en

|35|

maatschappelijke leven, en daardoor op den geheelen Staat.

Door dit genootschappelijk karakter onderscheidt zij zich van de voorstelling der Roomsche Kerk. Dáár vestigde de Hierarchie de Kerk als een Staat, gelijk met of wel boven den burgerlijken Staat. Daar was ééne ware Kerk, buiten welke geene andere Kerkgenootschappen ontstaan konden, en voorts ketterijen of secten die van haar afweken. Intusschen bleef in het Protestantisme, en ook in Nederland, waar overigens het Hierarchische denkbeeld verworpen werd, hier en daar nog veel over van den uitsluitenden, Hierarchischen, geest, welke echter later allengs plaats maakte voor onbekrompener begrippen.

Royaards, H.J. (1834) § 13

§ 13.
Eigenschappen van het Hervormde Kerkgenootschap in Nederland.

Niet onderscheiden zijn de eigenschappen en kenmerken van het Hervormde Kerkgenootschap in Nederland van die, welke men eigendommelijk in de Protestantsche Kerkgenootschappen aantreft; terwijl de meer bijzondere eigenaardige kenmerken, die haar van andere Kerkgenootschappen, ook in onzen tijd, onderscheiden, later bij de voorstelling van den tegenwoordigen Kerkvorm, zullen worden aangewezen.

Tot die meer algemeene karaktertrekken der Hervormde Kerk, waardoor zij zich vooral van de Roomsch-Katholieke Kerk onderscheidt, rekent men inzonderheid de volgende:

|36|

1. Het Kerkelijke Genootschap is menschelijk van oorsprong en inrigting. Het Christendom en de ware Kerk is van goddelijken oorsprong; het Genootschap en deszelfs inrigting ontleent dien oorsprong van menschen. Immers Jezus zich eene Gemeente op aarde verzamelende, schreef geene bepaalde kerkinrigting voor, noch eenige maatschappelijke vormen voor de aanstaande Genootschappen Zijner belijders, maar liet dit over aan de menschen in verschillende tijden en plaatsen. Van daar die verscheidenheid van kerkinrigting en kerkvorm, die behoudens de eenheid der leer bestaan kan. Van daar die verschillende Kerkgenootschappen. Hier staat het Protestantisme in tegenoverstelling met de Roomsch-Katholieke Kerk, die den goddelijken oorsprong der Kerk beweert, als steunende ook op de goddelijkheid van het Leeraarambt. Bij haar kan daarom slechts ééne ware Kerk, de Moederkerk, bestaan, nevens welke geene Kerkgenootschappen, maar alleen secten en ketterijen, bestaan; integendeel beweert de Protestant, dat de verbinding van Gemeenten tot één Genootschap willekeurig is en van menschelijken oorsprong (1).

2. Het Kerkelijke Genootschap is en moet gegrond zijn op de zuivere leer van Jezus en de Apostelen. Geen anderen grondslag kent het Protestantime en de


(1) Zie Kist, t.a.p. 30, en mijne Akademische Oratie: Oratio de hominum gentiumque varietate in Christianae Societatis Historia observanda. 1823, p. 16 sqq. Wat tegen dit denkbeeld nog onlangs geopperd is in A. Mullers Can. Wächter 1833, nº. 9, wordt door hetgeen daarop volgt genoegzaam gewijzigd.

|37|

Hervormde Kerk, gelijk elders, ook hier te lande. Zij verwerpt daarom de overleveringen en de menschelijke bepalingen, die niet in overeenstemming zijn met de Heilige Schrift. Deze is haar niet alleen de eenige kenbron der leer, maar tevens grondslag en toetssteen der kerkinrigting. — Daarom erkenden onze Vaderen bij de vestiging der Hervormde Kerk als „de merkteekenen der ware Kerk, de reine Predikatie des Evangelies, en de reine bediening der Sacramenten; — met één woord, dat men zich aanstelt naar het zuiver woord van God, verwerpende alle dingen, die daar tegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige hoofd (1);” — „waarom de Regeerders der Kerk — tot onderhouding des ligchaams der Kerk — zich wel moeten wachten af te wijken, van hetgeen Christus, onze éénige Meester, ons geordineerd heeft (2).” „Ook moest Gods heilig woord de eenige regel en rigtsnoer zijn van alle raadslagen der kerkelijken, die de Gemeente regeeren (3).” Deze vereischten zijn in onze latere kerkelijke inrigting volgehouden in den geest der Hervormde Kerk, weshalve niets, wat daarmede in strijd is, voegt voor dezelve.

3. Het altijd geldend beginsel van het Hervormde Kerkgenootschap is vrijheid van geweten en vrijheid van onderzoek. Naar die vrijheid streefden de Hervormers, toen zij Hierarchie en Kerkgezag aantastten. Dit beginsel van het Protestantisme werd door hen op den


(1) Nederl. Geloofsbel., Art. 29.
(2) Ald. Art. 32.
(3) Gebed vóór de handelingen des Kerkenraads, in onze Liturgische Schriften.

|38|

Rijksdag te Worms, Spiers en Augsburg uitgesproken, en bleef heerschend in het streven der Protestantsche Genootschappen. Maar ook dat streven naar vrijheid van geweten gaf aanleiding in Nederland tot den afval van Spanje (1), en de omhelzing van Protestantisme en Hervormd geloof bij onze Vaderen; die zich geene dwaalleer wilden zien opdringen, pijnigend voor de rust des gemoeds. Daarvoor streden zij den tachtigjarigen oorlog. En dat zelfde beginsel bleef later het onvervreemdbare eigendom van onze tegenwoordige Hervormde Kerk. Waar zij van hetzelve afwijkt, verloochent zij het beginsel harer Kerk, en wordt ontrouw aan zich zelve (2).

4. Het Hervormde Kerkgenootschap is veranderlijk in deszelfs vorm naar tijden en plaatsen. Zoo onveranderlijk toch de leer der Kerk is, die van goddelijken oorsprong is, zoo zeer moet de inrigting, vorm en bestuur der Kerk, als van menschelijken oorsprong zijnde, aan verandering onderhevig zijn. Reeds in de Apostolische Gemeenten vindt men daarvan het voorbeeld. Dit was de grondtrek, die de Hervormers steeds op den voorgrond stelden en waarom sommigen


(1) In de afzwerings-acte van Spanje, bij onze Geschiedschrijvers te vinden, wordt dit beginsel op den voorgrond geplaatst.
(2) Zoo sprak men in de Nederl. Geloofsbel. Art. 32: „Wy verwerpen — alle wetten, die men zou willen invoeren, om God te dienen, en door dezelve de Conscientien te binden.” — Voorts is de geheele Geschiedenis onzer Hervorming ten bewijze voor het bovengezegde. Zie ook de Verhandelingen van Weydman en Gratama, over het beginsel der Hervorming in Teyl. Godgel. Gen. D. 31. Haarl. 1832.

|39|

hunner zich minder om de inrigting bekreunden. — Ook hierin plaatst zich het Protestantisme en de Hervormde Kerk tegenover de Roomsch-Katholieke, daar zij het ontstaan van meerdere Kerkgenootschappen naast  elkander toelaat. En zoo werd de inrigting, bestuur en vorm onzer Kerk steeds gewijzigd naar de behoeften der tijden, en blijven deze telkens voor verbetering en meerdere volmaking vatbaar (1). —

5. Het Hervormde Kerkgenootschap is vrij en zelfstandig in deszelfs werkzaamheid. Door deze karaktertrek onderscheidt zich de Nederlandsche Hervormde Kerk, ook in onzen tijd, van vele andere Protestantsche Kerkgenootschappen buiten ons Vaderland. Zij heeft hare eigene regten en vrijheden, bestiert zich zelve, en is hare eigene wetgeefster onder goedkeuring van den Staat, van welke zij echter geene wetten ontvangt. — Evenmin erkent zij een Bisschop als haar opperhoofd. Republikeinsch van aard handelt zij in alles zelfstandig; doch niet oppermagtig of willekeurig, daar zij onder toezigt is van den Staat, in wiens gebied zij aanwezig is.

6. Het Hervormde Kerkgenootschap heeft ten doel


(1) Verg. Kist, Verh. p. 95 volg., 234 volg., alwaar men tevens ziet aangeduid, hoezeer soms ook  de Protestanten van dit Christelijke beginsel zijn afgeweken; — onder dezen ook onze Voetius. — Voorts Antwoord van den Commissaris-Gener. op een Adres der Classe van Amsterdam 1816, bij Van der Tuuk, Handboek, II. 147. „Het eerste beginsel van het Protestantisme bestaat juist in het zorgvuldig onderscheiden van zaken en vormen, van Christendom en Kerkbestuur, welke in tegenoverstelling bij de Roomsch-Katholieken onafscheidelijk vereenigd zijn.”

|40|

de zedelijk-godsdienstige ontwikkeling der Gemeenteleden. Het heeft geen ander doel, dan de bevordering van het doel des Christendoms, — de aanwijzing van den weg van zaligheid aan zondaren en derzelver godsdienstige leiding door dit leven naar een beter Vaderland; „door het geloof,” opdat „wij aannemen den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de geregtigheid najagen; den waren God en onze naasten liefhebben,” — tegen de „groote zwakheid in ons strijden, door den Geest — alle de dagen onzes levens, nemende gestadig den toevlucht tot het bloed, den dood, lijden en gehoorzaamheid des Heeren Jezus (1).” Ter bereiking van dit groote zedelijk-godsdienstige doel moet de geheele vorm van het Genootschap strekken.

Deze zijn de grondbeginselen, waarop de geheele inrigting onzer Hervormde Kerk steunt. Zij zijn onafscheidbaar van haar wezen; daarom waren zij haar vroeger eigen, zoo wel als in onzen tijd bij geheel gewijzigde instelling. Daarmede moeten ook nu nog alle kerkelijke bepalingen, en haar geheele vorm overeenstemmen, of zij zijn niet geschikt voor de Hervormde Kerk. — Het is daarom van het hoogste belang deze grondbeginselen bij de kerkelijke wetgeving en bij het kerkbestuur in het oog te houden, wil men geene tegenstrijdigheid veroorzaken tusschen de kerkelijke bepalingen en den aard en vorm van het Genootschap zelve.


(1) Nederl. Geloofsbelijdenis, Art. 29. — Algemeen Reglement, Art. 9, 87.

Royaards, H.J. (1834) § 14

|41|

§ 14.
Regten van het Hervormde Kerkgenootschap in Nederland.

Op deze karaktertrekken en eigenschappen gronden zich de Regten der Hervormde Kerk. Allezins overeenkomstig met den aard en toestand onzer Hervormde Kerk, zijn toch die Regten, die in onzen tijd met meer algemeene toestemming aan de Protestantsche Kerken worden toegekend, of wel voor haar worden bedongen.

De Hervormde Kerk, door vrije vereeniging harer Medeleden ontstaan, en op de vrijheid des gewetens gegrond, behoudt immer haar karakter als Genootschap (1) en regelt daarom zelve hare inwendige belangen. Op die onafhankelijkheid en zelfstandigheid bouwt men teregt het gezag in de Kerk (Jus in sacra); terwijl het alleen van haren bijzonderen toestand en bepalingen, van overeenkomst en gewoonte afhangt, in hoeverre zij onafhankelijk naar buiten mag werken en in hoeverre het uitwendig gezag over de Kerk (Jus circa sacra) aan haar zelve of aan eene Magt buiten haar, b.v. den Staat, zij toe te schrijven.

 

Tot deze regten der Kerk brengt men gewoonlijk die, welke inzonderheid ook voor onze hedendaagsche Hervormde Kerk gelden, als:
1.) het regt van Geloofsbelijdenis (Jus Confessionis)


(1) Zie § 12-13.

|42|

d.i. ter verklaring van haar geloof, op den Bijbel gegrond, en uitgedrukt in hare Symbolische boeken, en ter vaststelling der geloofsbelijdenis, waar en in zooverre zij het noodig keurt;
2.) het regt van de Eerdienst (Jus Sacrorum), waarbij zij hare Eerdienst in overeenstemming met hare Leer regelt (1);
3.) het regt om haar eigen bestuur te regelen (Jus regiminis) (2);


(1) Dit regt werd na de Hervorming door de Gemeenten en de Synoden uitgeoefend, en is bij onze hedendaagsche wetgeving mede bewaard voor de Kerk. Zie de Handel. der Synode van Wezel, Embden en latere. — Voorts: Algem. Regl. Art. 87, bij v.d. Tuuk I. 27. Ingevolge van dit regt gaf de Synode verordeningen en raadgevingen omtrent de Eerdienst aan Gemeenten en Leeraars. Zie v.d. Tuuk, Handboek I. 146 volgg., alsmede latere verordeningen omtrent het Avondmaal, t.a.p. 162, 163 en elders.
(2) Zie over dit regt der Kerk Kist t.a.p. bl. 134. — Zoodanig was ook vroeger de belijdenis onzer Kerk, als: „Wij gelooven dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de Geestelijke Politie, die ons de Heere geleerd heeft in Zijn Woord, namelijk: dat er Dienaars of Herders moeten zijn om Gods Woord te prediken, en de Sacramenten te bedienen; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn, als de Raad der Kerk, enz.” Nederl. Geloofsbel., Art. 30. — „Wij gelooven dat het nuttig en goed zij, dat die Regeerders der Kerken zijn, onder hen zekere ordonnantiën stellen en bevestigen tot onderhouding des ligchaams der Kerk.” Ald. Art. 31. — Eveneens heerscht dit beginsel in onze Liturgische Schriften: „Hemelsche Vader! — het heeft U beliefd — U eene Gemeente te verzamelen, en dezelve te regeeren door den dienst der menschen. Gij hebt ons ook tot zoodanig ambt genadig beroepen.” — Gebed voor de Handel. des Kerkeraads; en elders: „Ten laatste is het werk der Dienaren des Woords de Gemeente te regeeren ➝

|43|

4.) het regt om hare Leeraren te kiezen, te beroepen en in te wijden (Jus Sacerdotii). Over dit regt is na de Hervorming veel gestreden tusschen den Staat en de Kerk, het is echter later geheel aan de Kerk gekomen, onder toezigt van den Staat, en als zoodanig bewaard bij onze hedendaagsche kerkelijke wetgeving (1);
5.) het regt om hare geloofsbelijdenis, eerdienst, kerkelijke inrigting en bestuur, in overeenstemming met


➝ in zulke maniere, als de Heere geordineerd heeft. — Paulus wil, dat de Dienaars hun eigen huis wel weten te regeeren; dewijl zij anders Gods Gemeente niet bezorgen, nog regeeren zouden kunnen.” — Formulier ter bevestiging der Dienaren des Woords. „De Ouderlingen, die wel regeeren.” — „Zoo zijt dan gij, Ouderlingen, naarstig in de regeering der Kerk, die ulieden neffens de Dienaren des Woords bevolen is.” — Formulier ter bevestiging van de Ouderlingen.
Daar onze tegenwoordige Hervormde Kerk geene nieuwe Geloofsbelijdenis noch Liturgische formulieren heeft ingevoerd, staat dit regt minder door haar uitgesproken; maar praktisch is het aanwezig in het bestaan eener geheele kerkelijke wetgeving. — Zie daarenboven Alg. Regl., Art. 23, bij v.d. Tuuk, I. 10, en de meening der Synode nopens de verandering der Liturgische formulieren, bij v.d. Tuuk t.a.p. I. 159.
(1) „Wij gelooven, dat de Dienaars van Gods Woord, Ouderlingen en Diakenen, tot hunne ampten behooren verkozen te worden door wettige verkiezing der Kerken, met aanroeping van Gods naam en goede orde, gelijk Gods Woord leert.” — Nederl. Geloofsbel. Art. 31. — Men vergelijke over den hieromtrent gevoerden strijd de verschillende Kerkeordeningen, zoo wel door de Staten, als door Synoden en Kerkelijken ontworpen. — Het hedendaagsche Regt is gehandhaafd aan de Kerk bij het Reglement op vacaturen en beroepingen, 1816, Art. 30, en 1826, Art. 46, behoudens het regt van Collatie; en de b.a. Reglementen op de Kerkeraden.

|44|

den Bijbel te wijzigen of te veranderen naar de werkelijk bestaande behoeften (Jus reformationis);
6.) het regt van kerkelijk opzigt en tucht (Jus disciplinae et excommunicationis) (1).

Deze regten, oorspronkelijk der Gemeente, en dus der Kerk, toekomende, zijn op zich zelve onbetwistbaar. In hoeverre echter of door misbruik van gezag, of door vrijwilligen afstand, of door vestiging van Gemeenten, een of ander dezer Regten aan den Staat zij overgegaan, of moet worden overgedragen, kan alleen door stellige bepalingen, of wel door bestaande, ’t zij ingeslopene, ’t zij wettelijk bepaalde gebruiken, worden uitgemaakt. — Maar evenmin zijn deze Regten in strijd met de Regten van den Staat, of ook met den invloed, dien deze in meerdere of mindere mate, op gevestigden grond, op deze regten uitoefent.


(1) De Protestanten hebben daarom in hunne Symbolische Schriften bij de twee merkteekenen der Kerk — de prediking der leer en de bediening der sacramenten — een derde gevoegd. Zie Eichhorn a.a.O. S. 680. Zoo ook onze Vaderen, die in de Nederl. Geloofsbel., Art. 29, bij deze twee merkteekenen mede een derde voegen: „dat men de kerkelijke tucht gebruikt om de zonden te straffen;” en later: „dat de overtreeders op de geestelijke wijs gestraft moeten worden en in toom gehouden.” Art. 30. Verg. ook Art. 32. — Hiermede stemt overeen de Heidelb. Catechism., vr. 85, over den Christelijken Ban en het Formulier van den Ban of Afsnijding van de Gemeente. — In dit zelfde beginsel, gewijzigd naar de behoefte der tijden, behield onze Nederl. Kerk hedendaags het regt van Tucht en bepaalde zulks nader in het Alg. Regl., Art. 87, 88, bij v.d. Tuuk, Handb. I. 27; vooral Regl. op kerkel. Opzigt en Tucht, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I 398 en III. 204.

Royaards, H.J. (1834) § 15

|45|

§ 15.
Kerkvorm.

Overzigt over de vroegere Kerkvormen in de Christelijke Kerk.

Eerst, wanneer wij een blik geworpen hebben op de trapswijze ontwikkelde vormen der Christelijke Kerk in onderscheiden eeuwen, staan wij op het regte standpunt om den bij ons bestaanden Kerkvorm, vergelijkender wijze en aan de hand der Geschiedenis te leeren kennen en te beoordeelen.

Heeft de Christelijke Kerk op aarde, als Genootschap, behoefte aan maatschappelijke instellingen en een meer geregelden vorm (1), dezelve moet echter naar de leer des Bijbels veranderlijk zijn (2) en zich schikken naar tijden en landen, alzoo in denzelven het wezen des Christendoms geenszins gelegen is. Verschillend waren daarom ook in onderscheiden eeuwen en landen de vormen, waarin de Genootschappen der Christenen of de uitwendige Kerk zich vertoonde.

 

Jezus zelf vestigde geene Kerk, maar leide daartoe de grondslagen. De vestiging van het Genootschap Zijner belijders, deszelfs inrigting en vorm liet Hij aan volgende tijden, aan den zich ontwikkelenden geest der menschen, den trap van beschaving en de


(1) Zie boven, Inleiding § 1. bl. 4.
(2) Zie boven, D. I. § 13 n. 4. bl. 38.

|46|

uiteenloopende behoeften der Christenen bij de uitbreiding van het Christendom over. Eenheid der leer was bij Hem niet in strijd met verscheidenheid der vormen. De Apostelen, en na hen de Leeraars der Christelijke Gemeenten, vestigden allengs het Genootschap (1).

Daar wij nu in het Christelijke Genootschap den mensch zien handelen, ontmoeten wij ook het verschil van vormen eveneens in de burgerlijke als kerkelijke Maatschappij Gelijktijdig zag men reeds verscheidenheid derzelver in de Kerken van onderscheiden landen; maar in de Genootschappen, die boven anderen zich vestigden en uitbreidden, en vaak heerschappij oefenden, ontwaardde men eenen trapswijzen voortgang. — Ook de Christelijke Kerk ging uit van den democratischen vorm, en van daar allengs over tot den aristocratischen en oligarchischen, tot dat aan het einde der Middeleeuwen in de Latijnsche Kerk de monarchische vorm was gevestigd, die in een volledig Despotisme ontaardde. Zoover ging echter de Grieksche Kerk niet voort. Zij vormde immer eene aristocratische Republiek, en ook dit verschil kenmerkte het onderscheid tusschen haar en de Latijnsche Kerkelijke Monarchij (2).

Intusschen ontkiemde ook in de Latijnsche Kerk


(1) Zie boven, bl. 36; en Kist, Verh. t.a.p. bl. 14 en verv. bl. 30.
(2) Zie Planck, Gesch. der Chr. Gesellschafts-Verfassung. Ham. 1803. V Bd. — Ziegler, Pragm. Geschichte der kirchl. Verfassungsformen in d. 6 ersten Jahrh. Leipz. 1798. — Eichhorn, Grunds. des Kirchenrechts. I Bd. — Kist, Verh. t.a.p. bl. 201 verv. — Staudlin, Kirch. Geogr. u. Statistik; passim. — en de ➝

|47|

tegenover den monarchisch-despotischen vorm, die in het zoogenaamde Papaalstelsel, en nog in lateren tijd in het Ultamontanisme aanwezig was, een aristocratisch-oligargisch beginsel in het Bisschoppelijke stelsel (Episcopaal-stelsel), dat de oppermagt der Concilien huldigt, late in het zoogenaamde Jansenisme en gedeeltelijk ook in de Gallikaansche Kerk (1).

 

Geen wonder dus, dat na zooveel verbastering en afwijking der leer van Jezus, ook in het bestuur en den vorm der Kerk zigtbaar, tijdens de Hervorming de zucht levendig werd om tot de Apostolische Kerk terug te keeren, behoudens den geest en de behoefte van latere eeuwen. Men drong hierop te meer aan, naarmate duidelijker gebleken was, dat niet alle vormen voor de Christenkerk evenzeer voegen. — De Roomsche Kerk had het denkbeeld van een onveranderlijken Kerkvorm gevestigd; de Hervorming verbrak dit denkbeeld. — Intusschen verschilden de denkbeelden van Luther, Zwingli en Kalvyn nopens den aard van het kerkelijke Genootschap, en dus ook nopens


➝ bl. 36 aangeh. Oratie, p. 15; nevens N.C. Kist, Oratio de Ecclesia Graeca Providentiae divinae teste, obvia in Annal. Acad. Lugd.-Batavae 1827-1828.
(1) Zie behalve Planck a.a.O. Walter a.a.O. § 24. p. 58 en de aldaar aangehaalde werken van Ferronius (Nic. v. Hontheim) de Statu Ecclesiae. — Thomassin, de veteri et nova Ecclesiae disciplina. (Mog. 1787) en anderen. — Grollman, Grundsätze des allgem., Kathol. und Protest. Kirchenrechts. Frankf. 1832. S. 79-81. — Eichhorn, Staats- u. Rechtsgeschichte. D. III en IV, en Grunds. des Kirchenr. I. p. 296-302.

|48|

deszelfs vorm. En dezer gevoelens en instellingen werden weder vermengd met de nationale denkbeelden in onderscheiden landen en gewijzigd naar de behoeften der Volken.

Uit deze tweeledige bon ontstond  drieërlei Kerkvorm in Protestantsch Europa: de Presbyteriaal-Synodale, de Consistoriale en de Bisschoppelijke; de eerste zetelde in sommige landen der Hervormde Kerk, vooral Zwitserland, Schotland, Engeland en de Nederlanden; — de Consistoriale in Duitschland; — de Bisschoppelijke in Denemarken, Zweden en Engeland. In de Consistoriale Kerk had men overgedragene Regten (jura vicaria of communia), die de Vorsten aan de Consistoriën hadden overgedragen; en voorbehouden regten (jura reservata), die de Vorsten zich voorbehielden (2).

In onzen tijd wordt meer en meer in Duitschland de begeerte levendig, om den vertegenwoordigenden Kerkvorm en de daarmede verbonden Synodaal-inrigting te herstellen, in overeenstemming met den constitutioneelen geest onzer dagen (3).


(2) Zie de Schrijvers over de Kerkel. Geschiedenis en over het Kerkregt, vooral Böhmer, Jus Eccl. Prot. I. i. 24. p. 22-35. I. i. 28. 11 sqq. — Eichhorn, Kirchenr. I. 711-742 sqq. — Kist, Verh. p. 294. — Staudlin, Kirch Geogr. u. Statistik. — Broes, Kerk en Staat, III. 7 volg.
(3) Groot is het aantal der Schriften in de laatste jaren in Duitschland uitgekomen, die de wedergeboorte der Duitsche Kerken aanbevelen, en vooral op de Synodaal-inrigting aandringen. In de Kirchen-Zeit. en de Hoogd. Theol. Tijdschriften vindt men de gronden daarvoor aangevoerd, of de schriften beoordeeld. Men noemt zulks de emancipatie der Kerk (t.w. van den Staat).

Royaards, H.J. (1834) § 16

|49|

§ 16.
Vroegere Kerkvorm in Nederland.
1568-1795.

Tot een der vermelde Kerkvormen behoorde ook die, welke de Hervormde Kerk in de Republiek der Vereenigde Nederlanden kenschetste.

Geheel in overeenstemming met den gang van zaken in onze Republiek ontstond allengs de vorm dezer Hervormde Kerk, en, even ongemerkt als de Republiek zelve, werd zij geboren uit den loop der omstandigheden. Maar volledig gevormd werd onze Kerk nimmer. Kerkelijke Vergaderingen, Staten en Steden gaven elk eene bijzondere wijziging (1). — Reeds voor de geheele vestiging der Hervorming ontstond hier te lande de Luthersche of Melanchtoniaansch-Zwingliaansche aanhang, die, aan den Staat grooteren invloed op de Kerk toekennende, minder drong op de uitwendige vrijheid en onafhankelijkheid der Kerk. Maar het Staatsbestuur eischte ook hier een anderen Kerkvorm, dan in Duitschland. — Allengs echter zegepraalde hier te lande de leer van Kalvyn, vooral door den invloed van Geneefsche en Waalsche Leeraars (2); en de


(1) Zie Broes, Kerk en Staat, IV. 8.
(2) Zie Brand, Gesch. der Reformatie. — Ypey en Dermout, t.a.p. I. 307 volg. De Zwinglianen hier te lande noeme men liever Zwingliaan-Melanchtonianen. — (Broes), over de vereeniging der Protestanten, p. 13 verv.

|50|

Presbijteriaal-Synodale Kerkvorm, door hen bevorderd, scheen althans met den zich ontwikkelenden Republikeinschen geest onzer Vaderen overeen te komen. De aanleiding, dat de Kerk zich zelve moest vestigen, eer de Republiek nog was gevestigd, kweekte dien vorm aan; doch dezelve werd tevens gewijzigd naar den aard onzes Lands.

Van daar dan, dat gelijk in de Protestantsche Kerken alom de vorm van het Kerkbestuur Republikeinsch was, dit echt Protestantsch beginsel vooral ook hier aanwezig was. Maar terwijl elders de aristocratische of oligarchische Republiek ontstond, en soms veel van het Republikeinsche beginsel zelf verloren ging, vestigde zich hier eene vertegenwoordigende democratie. Langdurig was wel de strijd over hetzelve, vooral tusschen Kerk en Staat, maar het handhaafde zich ten laatste.

Karakter van deze kerkelijk-democratische Republiek was de Synodaal-inrigting en het vertegenwoordigend Kerkbestuur. — Dit Synodaal-stelsel was hier reeds vroeg in strijd met het stelsel van Superindentie, dat in de Nederlandsche Gemeente te Londen, door à Lasco uit Embden overgeplant, was ingevoerd, en op de Middelburgsche Synode (1581) nog werd aangeprezen. Dan het bezweek voor den overwegenden invloed van het Synodaal-stelsel, meer in overeenstemming met den democratischen geest der Republiek, en aanbevolen door Leeraars, die, in deze beginselen opgekweekt, alstoen in de noodzakelijkheid waren zich de belangen der Kerk aan te trekken (1).


(1) Dit blijkt duidelijk genoeg uit hetgeen op de Synoden van ➝

|51|

Synoden.

De Nederlandsche Kerk moest worden gevormd en gevestigd, en zoo vergaderden in den drang der omstandigheden de kerken onder het kruis in de Synoden, eerst van Antwerpen (1566) (2), toen van Wezel (1568) (3) en Embden (1571), en later op den vaderlandschen bodem te Dord (1574), als de eerste Synode van Holland en Zeeland door de kerkelijken met voorweten van Oranje beschreven (4). — Op dezelve werd het bestaan van Provinciale Synoden bepaald en geregeld (5). Ook de Nationale Synode lag


➝ Wezel en Embden en late werd beraadslaagd. Zie over de vroegere Synoden en Synodaal-inrigting Ypey en Dermout, t.a.p. I. 374 volg.
(2) Weinig is van deze Antwerpsche Synode bekend. Zie ’s Gravelande, Tweehonderdjarige Gedachtenis der Synode van Wesel. — Ypey en Dermout, I. 326. — Brand, Gesch. der Reformatie en andere kerkel. Geschiedenissen, in en omtrent de Nederl. I. Deel.
(3) Zie ’s Gravelande, t.a.p.
(4) Ypey en Dermout, I. 338.
(5) „Soo wanneer God de Heer in Nederland sal geopend hebben de deur tot verkondiging Zynes Woords, sullen alle Gemeenten en hare Dienaren met den eersten in alle naarstigheid besorgen, datter geld worde versameld en byeengebragt, om eene algemeyne Provinciale Synode te vergaderen,” — „om in dusdanige wettelyke Synode te beramen en te besluyten, wat in dese en andere saken tot gemeyne welstand der Kerken dienende, en tot onderhouding van seer goede orde sal worden gevolgt.” — Handel. der Synoden te Wezel. Art. 3. — „Benevens (de Consistoriën en Klassen) sullen jaerlyksche Versamelingen aller verstroyde Kerken in Duitschland en Oost-Vriesland besonder, aller Engelsche Kerken besonder, en aller Kerken onder ’t kruys besonder, gehouden ➝

|52|

in het eerste ontwerp onzer Vaderen te Wezel en Embden, doch alleen in de hoop der aanstaande vestiging van onzen Staat en onze Kerk (1). Ingerigt naar den toenmaligen staat onzer zich ontwikkelende


➝ worden.” — Acta der Synode te Embden van de Nederl. Kerken, die onder het kruis zitten, en in Duitschland en Oost-Vriesland verstrooid zijn. Art. 8 en 9. Deze Provinciale Synoden zijn aldaar nader geregeld in de Statuten der Embder Synode, Capittel III, in het Aanhangsel derzelver; zie Kerkel. Plak. III. 423 volg. — In de Dordsche Synode 1574 werd het bestaan der Synoden wel verondersteld, maar niet bepaald. Zie Art. 5 en 90. — Ook op de tweede Dordsche Synode, 1578, werd „vierderlei kerkelijke Versamelingen vastgesteld: de Kerkeraad; — de klassikale Vergadering; — de particuliere Synode; — de Generale of Nationale Synode.” Art. 16. De particuliere Synode later aldaar geregeld. Art. 34-43. Even zoo op die te Middelburg, 1581. Art. 20, 34, en in ’s Hage, 1586. Art. 26, 43, te Dord, 1618, 1619. Art. 29, 47-49. — Zie Kerkelijk Handboekje, t.a.p. en andere boven aangehaalde Verzamelingen van Kerkeordeningen.
(1) Flaauw ligt dit denkbeeld opgesloten in: „de algemeene Provinciale Synode,” waarvan in de Kerkorde van Wezel wordt gewag gemaakt. Art. 3. Zie hierboven noot 5. Dit laat zich uit den toestand van Nederland in 1568, als eene Spaansche Provincie, gereedelijk verklaren. Men sprak daarom ook slechts van het verzamelen „eener algemeene Provinciale Synode in Nederland,” waar zoude beraamd worden, wat tot welstand der (Nederlandsche) Kerken dienende zijn zou; en Art. 4 heet zij: „eene Algemeene Vergadering.” — Duidelijker wordt dit denkbeeld uitgesproken te Embden in 1571,bij den veel veranderden toestand des Vaderlands. Men leest daar: „Van de t’samenkomste der Nationale Synode. Voorder sal men alle twee jaren eens eene algemeene Versamelinge aller Nederlandsche Kerken houden.” Art. 9. Ook hier werd het woord: algemeene Verzameling gebruikt. — En naauwkeuriger wordt dit bepaald in de Statuten (Aanhangsel en Kerkel. Plakaatb. III. 485). Capittel IV. ➝

|53|

Republiek, werd dezelve gehouden te Dord. Men bepaalde derzelver zamenkomst telken drie jaren (1), en eene schaduw derzelver zag men te Middelburg in 1581. Allengs echter verviel deze instelling, gelijk ook de poging van Leycester tot herstelling derzelve mislukte, die buiten de Staten zulk eene Synode byeenriep (’s Hage 1586). De eerste, eigenlijk gezegd, Nationale Synode in Nederland, te Dord gehouden in 1618, 1619, waarop alle onze Provinciën vertegenwoordigd waren, was tevens de laatste in onzen Staat. Van nu af aan bestuurde het stelsel der Provinciale Synoden, alom ingevoerd, de Nederlandsche Hervormde Kerk (2).

In deze Synoden, zoo wel Provinciale, als Nationale, had zich te midden van den strijd de vertegenwoordigende Kerkvorm gevestigd. Op dezelve waren de Predikanten en Ouderlingen Afgevaardigden der Provinciale Synoden en Klassen met Lastbrieven of


Van den Generalen Synoden. „Hetzelve dat voorschreven is (nopens de Provinciale Synoden) zal ook in den algemeenen Synode onderhouden worden, tot welken koomen sullen Kerkendienaars en Ouderlingen, niet van de Classen, maar van de Provincien, verordineert met getuigenissen en Brieven en Bevelen aantreffende de Leere, het Kerkregiment, en byzondere Zaaken, die in de Provinciale t’samenkomsten niet hebben kunnen uitgevoert ofte geëindigt worden, of die allen Kerken betreffen en aangaan.”
(1) Kerk-orde van Dord 1578, Art. 45 (of 30). — Kerk-orde van Middelburg, Art. 35. — Kerk-orde van ’s Gravenhage 1586, Art. 44. — Kerk-orde van Dord, 1618, 1619, Art. 50.
(2) Zie Bachiene, Kerkel. Geographie van Nederland, I. 15 verv.

|54|

Instructiën (1). Op dit beginsel was de inrigting onzer geheele Hervormde Kerk gebouwd; het werd ontwikkeld, gewijzigd en in praktijk gebragt in de onderscheidene Kerke-ordeningen (2).

 

Kerke-ordeningen.

De kennis dier Kerkeordeningen is noodzakelijk voor die van onzen Kerkvorm. Zij waren de kerkelijke Grondwetten, waarbij vorm en bestuur bepaald werden. — De ontworpen of ook ingevoerde Kerkeordeningen nu werden door twee uiteenloopende beginselen bezield: door het Kalvinistische en het Zwingliaansch-Melanchtoniaansche; waarbij de Kerk optrad, ’t zij afgescheiden van den Staat, ’t zij onder invloed van den Staat. Beide beginselen werden gewijzigd naar den geest onzes Lands; maar langdurig wa de onderlinge strijd over dezelve.


(1) Kerkorde van Dord 1578, Art. 20 (of V): „Die tot deze Versamelingen afgezonden zullen worden, zullen hare Brieven van Credentie en Instructie, van dengenen, die ze uitzenden, schriftelijk overbrengen, welke niet eer zullen geschreven worden, voor dat men de Articulen der voorgaande Synodale Versamelinge gelezen hebben, opdat de dinge, die eens afgehandeld zijn, niet van nieuws voorgesteld en worden.” — Eveneens in de Kerkorde van Middelb. 1581, Art. 25 en 33; in de Kerkorde van ’s Hage 1586, Art. 30 en 42; in de Kerkorde van Dord 1618, 1619, Art. 33 en 46. Men vindt reeds een wenk daarvan in de Statuten der Synode van Wezel, (zie boven noot 1, bl. 52 en 53) „verordineert uit getuigenissen en Brieven en Beveelen, enz.
(2) Zie over de Verzameling onzer Kerkeordeningen, boven in de Inleiding § 7. bl. 19, 20.

|55|

Eene zuivere democratische Republiek scheen ten grondslag te leggen bij de Kerkorde van Wezel, waarbij men regelde alles, wat tot ,,dadelijke welstand der Gemeente” noodig was (1), en waar slechts de grondslagen gelegd werden der Hervormde Kerk, die men wenschte eerlang op den vaderlandschen bodem te vestigen. Eveneens werd in die van Embden, door denzelfden geest bezield, alles voorloopig bepaald in afwachting eener nadere Synode (2). Maar evenmin als later de Kerk de artikelen op het bestier der Kerk, door Oranje en de Staten voorgedragen, (1576) aannam, evenmin behaagde vroeger de Kalvinistische Kerkvorm in de Dordsche Kerkorde (1574) bepaald. De Staat verwierp haar.

Ook na de vestiging der Hervormde Kerk op den vaderlandschen bodem bleef de strijd voortduren over de hoofdbeginselen der Kerk en kerkelijke Regeering. Staat en Kerk twisten over den Kerkvorm; of de Kerk eene onafhankelijke Republiek, een Genootschap in den Staat zou uitmaken, dan wel een Collegie van Staat, of althans een Genootschap onder bestuur van den Staat. De Staatsvergaderingen en Synoden waren de strijdplaatsen; de Kerk-ordeningen leverden de slotsommen. Beurtelings verwierp de Staat de Kerkorden der Kerkelijken; de Kerkelijken die door den


(1) Kerkorde van Wezel, Art. 1.
(2) Bij de Kerkorde van Embden in het Kerkelijk Handboekje en elders te vinden p. 44 en verv. voege men het Aanhangsel, te vinden in het Kerkelijk Plakaatboek III. 416 en boven aangehaald. Vooral in de particuliere vragen der Embder Synode vindt men veel tot de nadere Generale Synode uitgesteld.

|56|

Staat ontworpen waren. Zoo hadden de Kalvinistische Kerk-orden der Synoden van Dord (1578) en Middelburg (1581), evenmin voortgang, als die door de Staten ontworpen was (1583), totdat eindelijk de invloed van Leycester bewerkte, dat eene streng Kalvinistische Kerkorde, door de Synode van den Haag in 1586 ontworpen, door de Staten der Vereenigde Nederlanden werd aangenomen, ten einde grootere rampen te voorkomen. — Hierdoor scheen de bepaling van den Kerkvorm geregeld, en de eenheid in de Nederlandsche Hervormde Kerk aanwezig. Doch die schijn was kortstondig. Zij verdween met het vertrek van Leycester (1588).

Daar nu door dien strijd van beginselen de hoop was verdwenen ter juiste en eenparige regeling van de Kerk over het gebied onzer Republiek, sloeg men van nu af aan een anderen weg in. Men ontwierp Provinciale Kerk-ordeningen. Deze werden echter grootendeels evenmin ingevoerd, in welk geval men zich meestal naar die van Leycester bleef schikken, althans zoover men niet door de Staten beperkt werd. Zoo bleef de Kerk-orde van Holland, in 1591 door Kerkelijken en Politieken ontworpen, uit door den tegenstand der eersten, even als die van 1611; en evenmin behaagden de Zwingliaansche Kerk-orden door de Staten van Utrecht, in den geest van Duifhuis in 1590 en 1612 ontworpen, aan de Kerkelijken; de laatste echter werd door de Staten ingevoerd. — Gelukkiger was men in andere Gewesten. In Zeeland nam men de Kerk-orde, door Kerkelijken onder toezigt der Staten in 1591 ontworpen, aan. Dezelve werd telkens

|57|

vermeerderd tot in 1638, en bleef alzoo, door de Staten bekrachtigd, ten allen tijde gelden. In Groningen is reeds in 1594 eene ontworpen door de Kerkelijken, die door de Staten, Steden en Stadhouder werd goedgekeurd (1595, 27 Febr.) en ingevoerd. — in Drenthe ging de Kalvinistische Kerk-orde van den Staat uit. In 1598 werd die van Leycester ingevoerd, en in 1602 door de Kalvinistische Stadhouder eene andere aangeboden, die later met Synodaal-Resolutiën vermeerder, in 1638 en 1730 werd bekrachtigd; terwijl in Gelderland die van Leycester regel van Kerkvorm en Kerkbestuur bleef; — waarschijnlijk ook in Overijssel, alwaar geene afzonderlijke werd ontworpen. In Vriesland schijnt 1580 eene Kerkorde onder den Stadhouder Willem Lodewijk ontworpen te zijn, doch nimmer ingevoerd; men hield zich daar aan die van Dord, 1578, Middelburg, 1581, en ’s Hage, 1586.

Nog eenmaal beproefde men een laatste redmiddel om den vorm en het bestuur der Kerk te regelen. Na alle deze, of vruchtelooze, of wel geslaagde Provinciale Kerk-orden, ontwierp de Synode van Dord eene Kerkeordening in 1619. Doch de Staten van de meeste gewesten weigerden derzelver aanneming, welke alleen door Gelderland en Utrecht onder wijzigingen werd bepaald; en gelijk men in Holland de aanneming bleef weigeren, verzetteden zich ook de Staten van Vriesland met geweld tegen dezelve (1).


(1) Een uitvoerig verslag van de geschiedenis dezer Kerkordeningen vindt men bij Ypey en Dermout, t.a.p. I. 337-361. ➝

|58|

Hierdoor verdween dan de hoop op eene algemeene Nederlandsche Kerkorde geheel, en bij dien voortdurenden strijd tusschen Kerk en Staat, bleef ook de Hervormde Kerk in Nederland zonder éénheid en vaste regeling, zonder kerkelijk wetboek en kerkelijke organisatie voor de geheele Republiek.

Maar daarom bleef toch onze Kerk niet zonder vorm of wetgeving. Alleen de aard verschilde. Men had zeven kerkelijke Republieken in Nederland met meerderen of minderen invloed van den Staat. Deze zeven Republieken waren niet verbonden, gelijk de Staat zelve, die eenheid vond in de Staten-Generaal, en later in den algemeenen Stadhouder. Deze band ontbrak in het kerkelijke, en dit gemis werd slechts eenigermate te gemoet gekomen door de Deputatien der verschillende Synoden op de Provinciale Synoden, waardoor dezelve onderling correspondeerden (1).

Immers het Synodaal-stelsel was in elk der Provinciën, Zeeland uitgezonderd (2), ingevoerd. Door dezelve werd even als in mindere zaken door de Klassen


➝ Bor, Nederlandsche Oorlogen; — en Brand, t.a.p. beide op verschillende plaatsen.
(1) Zeeland had eene Coetus, en kon slechts zelden van den Staat vrijheid verkrijgen tot het houden eener Synode. — De Drentsche Synode correspondeerde niet met de andere Synoden. Dezelve vergaderde slechts om de vier jaren, en later om de drie jaren. Zie Te Water, Historie der Reformatie van Zeeland 339-352. — Bachiene, Kerkelijke Geographie, I. 16. — Ypey en Dermout, t.a.p. I. bl. 374 en noot 323.
(2) Zie Bachiene, t.a.p. I. 16. Men vindt aldaar eene kerkelijke Kaart der Vereenigde Nederlanden, waarop de omvang en ➝

|59|

en Kerkeraden, het wetgevend, uitvoerend en regterlijk Kerkgezag uitgeoefend, doch de verhouding der Republiek tot de Kerk, in de verschillende Provinciën verscheiden, was niet naauwkeurig bepaald, soms veeleer afwisselend. Maar bij al deze verscheidenheid vormde elke Provincie als eene afzonderlijke democratische kerkelijke Republiek.


➝ de grenzen der Synoden, en de Steden, alwaar de Synodale Vergaderingen gehouden werden, voorkomen.

Royaards, H.J. (1834) § 17

§ 17.
Overgang van den vroegeren tot den lateren Kerkvorm.
1795-1816.

Deze Kerkvorm hield zich staande, zoo lang de Republiek der Vereenigde Nederlanden, op de Utrechtsche Unie gevestigd, bestond. Toen na de omwenteling van Staat (1795) en de vestiging der Bataafsche Republiek, de Kerk van den Staat gescheiden werd, had de Hervormde Kerk zorgs genoeg om te behouden, wat bestond, en onder de elkander opvolgende plannen van staatsregeling, wier duur kortstondig was, bleef althans de bestaande vorm der Kerk aanwezig (1). — Eerst in het Koningrijk Holland, onder Lodewijk, werd eene nieuwe organisatie ontworpen voor de Hervormde Kerk, zoo men meende overeenkomstig het Protestantsch beginsel in de nieuwe Monarchij. Bij dit ontwerp was het Synodaal-stelsel behouden door de vestiging van ééne Nationale Synode,


(1) Zie Ypey en Dermout, IV. 138 verv., 289 verv.

|60|

welker Leden zonder lastbrieven handelden, nevens andere kerkelijke Collegiën. Ook de gelijkheid van alle Leeraars was bewaard. — Dit ontwerp kwam in vele opzigten overeen met onze tegenwoordigen kerkregeling (1). Doch eerst in 1810 voleindigd zijnde, verviel hetzelve bij onze inlijving in Frankrijk. Toen bleef alles op den ouden voet bestaan, schoon er veel gearbeid werd om de Nederlandsche Hervormde Kerk naar de beginselen der Fransche Kerk in te rigten; doch deze plannen en arbeid werden eerst bezwaard en later door de verdrijving van het Fransche gezag uit Nederland verhinderd (2).


(1) Ald. bl. 356 volg., 396 volg., alsmede Te Water, Levensberigt, bl. 108 verv. door hem zelven.
(2) Over deze tijdvakken leze men het belangrijke berigt, ons gegeven door Ypey en Dermout, t.a.p. IV. 479-565. — Men heeft, tijdens onze inlijving in Frankrijk getracht aan de vermeende behoeften onzer Kerken, nu met de Protestantsche Kerken in Frankrijk vereenigd, of zoo men meende, eerlang naar derzelver instelling te vereenigen, te gemoet te komen, door het: Kerkelijk Handboek ten dienste der Hervormde Kerken in het Fransche Keizerrijk, grootendeels gevolgd naar het Fransche werk van den Heer Rabout le Jeune, uitgegeven ten dienste der Hervormde Christenen in de laatst met Frankrijk vereenigde landen. Breda 1811.

Royaards, H.J. (1834) § 18

§ 18.
Vestiging van den nieuwen Kerkvorm. Algemeen Reglement. 1816.

Na de herstelling van Nederland (1814) was men dadelijk bedacht op eene regeling der godsdienstige Kerkgenootschappen, en in de eerste plaats der Hervormde Kerk. Het oude Kerkbestuur was, na al de

|61|

schokken, die het doorstaan had bij de verschillende staatsberoeringen en omwentelingen, verlamd en ontzenuwd in deszelfs werkzaamheden. De oude klassen alleen waren blijven bestaan. — In dien drang der omstandigheden regelde de Staat de belangen der Kerk, doch alleen gedrongen door en nood, en bezield met de begeerte tot derzelver welzijn. Daartoe sloeg de Staat gedeeltelijk den kerkelijken weg in, en benoemde eene Consulerende Commissie, uit Predikanten der onderscheidene Synodale Ressorten bestaande, aan wier vrij en onverlet onderzoek het aangeboden ontwerp werd overgegeven. Hetzelve werd na de beraadslagingen van het Ministerie en de Commissie uit den Staatsraad, door een Koninklijk Besluit (6 Jan. 1816) bekrachtigd en ten zelfden jare in werking gebragt (1).

 

De invoering dezer Organisatie bij het Reglement vond tegenstand, niet slechts inwendig en in de stilte, maar openlijk bij de Classis van Amsterdam door een rondborstig Adres aan den Koning. Men beklaagde zich daarin over de invoering dezer Organisatie door den Koning, en niet door kerkelijke Vergaderingen, over den onbepaalden invloed van het Ministeriëel Departement, en over de groote magt der Synode.

Deze bezwaren werden beantwoord door het Gouvernement, en het gebrek in den vorm, indien al toegestemd, verklaard uit de gebiedende noodzakelijkheid


(1) Zie de geschiedenis dezer invoering bij Ypey en Dermout, t.a.p. D. IV. 650-663 en het Regl. b.a. bij v.d. Tuuk Handb. I. 1 volg.

|62|

en het groot belang der zaak (1). Van nu af aan ging de ontbinding van het oude Kerkbestuur stil in zijn werk. Het hield op te bestaan.

 

De nieuwe Kerkvorm en Kerkbestuur werd ingevoerd, en openbaarde zich in de eerste Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk, die in Julij 1816 vergaderde (2), en aan welke de volledige regeling van den vorm onzer Kerk, als Wetgeefster, schoon onder Koninglijke sanctie was opgedragen (3).

Deze Organisatie der Hervormde Kerk is in het Algemeene Reglement in zeven Afdeelingen bevat:
1) Algemeene bepalingen . . . Art. 1-15.
2) Van de Synode . . . Art. 16-30.
3) Van de Provinciale Kerkbest. . . . Art. 31-48.
4) Van het Klassikaal Bestuur. . . . Art. 49-67.
5) Van de Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche Kerken . . . Art. 68-77.


(1) Den inhoud van dit Adres, dat later afzonderlijk gedrukt is, en met het Antwoord uitgegeven, Amsterd. bij W. Brave, 1817, kent men ook uit het Antwoord van den Commissaris-Generaal aan de Klassis van Amsterdam, wegens de Organisatie van het Bestuur der Hervormde Kerk, 28 Maart 1816, bij v.d. Tuuk, Handboek II. 142-154, en Broes, Kerk en Staat, IV. 405-415. — Zie ook de beraadslagingen der Synode op een deels gelijksoortig Adres der Klasse van Leyden en Woerden, in de Handel. der Synode 1816, bl. 16 en 41-46.
(2) Handelingen der Synode, 1816.
(3) Verg. Aanm. over het kerkelijk regt der Protestanten, in betrekking tot het Staatsregt, in toepassing daarvan op de Nederl. Protestantsche Kerk, — te vinden in de Bijdragen tot Regtsgeleerdheid en Wetgeving, van den Hoogl. van Hall en den Tex, II. 2. 1827, bl. 228 volg.

|63|

6) Van de Ringen en derzelver bijeenkomsten . . . Art. 78-83.
7) Van het Kerkbestuur in de Gemeenten . . . Art. 84-93.
Door hetzelve werd dan de geheele vorm en inrigting der Hervormde Kerk bepaald en omschreven, en daarbij op vaste grondslagen gevestigd.

Doch dit algemeene Reglement eischte bijzondere Reglementen. — De ontwerping derzelver en het besluit daarop werd aan de Synode opgedragen, onder goedkeuring des Konings (1). Dezelve werden dan ook op de eerste Synode vastgesteld, en later naar de verkregen ondervinding herzien en verbeterd (2).

De wijze dus der invoering van zulk een Reglement, was slechts eene voorloopige maatregel, zonder gevolg voor de toekomst, toen uit de bijzondere tijdsomstandigheden noodzakelijk gekeurd. In dezen geest heeft de Staat dien maatregel verdedigd. — Maar zulks bleek niet minder uit den inhoud van het Reglement, waarbij de regten der Kerk bewaard zijn gebleven voor het vervolg, en eene van den Staat onafhankelijke Kerk is gegrondvest. Daarenboven was nu de vorm der Kerk voor de toekomst bepaald, evenzeer als derzelver regten. Doch alsnog waren de grondslagen slechts gelegd. De optrekking van het gebouw op deze grondslagen werd aan de Kerk opgedragen, zonder dat hierover twist ontstaan kunne, zoo lang men


(1) Alg. Regl. Art. 23-29 bij v.d. Tuuk, I. 10-12.
(2) Zie boven, bl. 23, 24.

|64|

van weerszijde de bepalingen handhaaft. De Kerk toch eenmaal gevestigd zijnde, regelt zich zelve onder goedkeuring van den Staat.

Terwijl dan de Hervormde Kerk in Nederland bleef bestaan, werd het bestuur der Kerk gewijzigd naar de bestaande behoeften, doch met bewaring van vele der oude vormen en eigenschappen. Hierdoor kreeg de Hervormde Kerk een ander aanzien naar buiten en eene andere inrigting naar binnen.

Royaards, H.J. (1834) § 19

§ 19.
Hedendaagsche Kerkvorm.

Uit de inrigting en regeling der Kerk blijkt de Kerkvorm.

Daar men getracht heeft het Protestantsch beginsel ongeschonden te bewaren, bleef ook hier het denkbeeld heerschend van de Christelijke Kerk, als eene zedelijke inrigting, welker vorm, bestier en maatschappelijke instellingen alleen bepaald zijn. Ook hier staat onze Hervormde Kerk over tegen de Roomsche, die Kerk en Kerkvorm en Kerkleer even onwankelbaar acht, terwijl bij haar de Kerkvorm naar de omstandigheden te regelen is. — Daarom is aan elk Reglement een slotartikel bij gevoegd ter bepaling der wijze van noodzakelijke veranderingen; en de Staat erkende bij het vestigen van dezen vorm ook dit eerste beginsel van de veranderlijkheid der Kerkvormen (1).


(1) Zie het laatste Art. van elk der Synodale Reglementen, ➝

|65|

Er bestaat dus in Nederland één Hervormd Kerkgenootschap, of ééne kerkelijke Republiek; een Genootschap van Christenen, dat in deszelfs uitwendige inrigting den vorm eener kerkelijke Republiek heeft aangenomen. Die eenheid, die te voren in onze Kerk ontbrak, is nu hersteld. Door het geheele Rijk vormen alle de Gereformeerde Gemeenten slechts één Genootschap (1). Daarom vereenigt deze genootschappelijke band de belijders der Hervormde Leer, in welke taal zij de eerdienst mogen verrigten, en van welken oorsprong zij zijn. Daartoe behooren zoo wel de Nederduitsche Gemeenten, als de Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche, Schotsche en Hoogduitsche Kerken, (en vroeger ook de Protestantsche Kerken in de Zuidelijke Provinciën) alsmede de Protestantsche Gemeenten in de Koloniën van den Staat in Oost- en West-Indië (2). De gemeenschap van alle deze Kerken vormt het Hervormde Genootschap.

Dit Hervormde Genootschap vestigt naar deszelfs


➝ boven aangehaald; alsmede het Antwoord van den Comm.-Gener. aan de Classis van Amst. t.a.p. bij v.d. Tuuk, Handboek II. bl. 147 en Broes, t.a.p. bl. 409.
(1) „Tot het Hervormd Kerkgenootschap (in het Koningrijk der Nederlanden) behooren allen, die op belijdenis des geloofs, tot Ledematen zijn aangenomen; dezulken, die in de Hervormde Kerken gedoopt zijn, en diegenen, welke in andere landen, als tot het Hervormd Kerkgenootschap behoorende, erkend, zich hier te lande nederzetten.” Algemeen Reglement, Art. 1.
(2) „Alle de Hervormde Kerken in het Koningrijk, zoo wel Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche, als Nederduitsche behooren tot hetzelfde geheel, en zijn onder hetzelfde gemeenschappelijke Bestuur geplaatst.” — Ald. Art. 13.

|66|

aard eene aristocratische Republiek. Van het Republikeinsche beginsel mag het Protestantisme niet afwijken. Staat toch het geestelijke gebied onder den Verlosser, als Koning zijner Kerk, de aardsche vorm der vereeniging duldt geen ander Opperhoofd op aarde. Van daar blijft het Genootschap eene Republiek. — Maar de democratie van onzen vroegeren Kerkvorm, waarbij alle Predikanten, nevens Ouderlingen, de Gemeenten vertegenwoordigende, optraden in de kerkelijke Vergaderingen, is verdwenen. Er bestaan kleinere kerkelijke Collegien, waartoe slechts een geringer aantal Leden geroepen worden. Deze vertegenwoordigen de meerderheid en de Gemeenten, die hen afzenden (1). Alleen in de klassikale Vergaderingen zijn alle Predikanten tegenwoordig; maar slechts ter vorming van een kerkelijk Kiescollegie, en bewaring van geldelijk toezigt (2). De Democratie is in onze kerkelijke Republiek overgegaan tot Aristocratie.

Deze Aristocratie onzer Kerk nu, schoon naderende aan de Oligarchie, vooral door de Synode, is echter niet in Oligarchie overgegaan. Daartoe is de vertegenwoordiging te geregeld, en zijn de bepalingen van gezag voorzigtig vastgesteld.


(1) „De Leden der Collegiën (van Kerkbestuur) stemmen altijd hoofdelijk, zonder eenigzins gehouden te zijn aan lastbrieven van de Vergaderingen of Kerken, voor welke zij kunnen geacht worden te verschijnen.” — Alg. Regl., Art. 4, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 5.
(2) Alg. Regl. Art. 65, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 22.

|67|

Deze kerkelijke Republiek vindt deszelfs Aristocratische vertegenwoordiging in de Synode.

Royaards, H.J. (1834) § 20

§ 20.
Synodaal-inrigting.

Wetgevend-, uitvoerend en regterlijk gezag.

Het Synodaal-stelsel is de grondslag van onzen geheelen Kerkvorm. In dit heerschend beginsel ligt de eenheid der uitwendige zijde van ons Kerkgenootschap. (Een duurzamer eenheid is echter aanwezig in de eenheid van geloof en liefde). Van de Synode, als vertegenwoordigster der Hervormde Kerk van Nederland, daalt alle Kerkbestuur af. Door haar worden de regten der Kerk en harer Leden verzekerd, en met het bestaan der Synodaal-inrigting en der Synode valt of staat onze geheele nieuwe Kerkvorm.

Die eenheid, indien zij behoorlijk en vooral op bestendige grondslagen geregeld wordt, is geschikt om eene meerdere vastheid te geven aan de Kerk. Alles is daardoor meer bepaald, dan vroeger. Schoon toch de aanleiding tot misbruiken immer bestaan heeft, en ook gebreken werkelijk voorhanden zijn, kent men, waar men wil, thans de grenzen van elks gezag en invloed. Men kent den kerkelijken Wetgever, den Uitvoerder en Handhaver der kerkelijke wetten, den kerkelijken Regter. — Zulks nu is van het hoogste belang, ten einde men zich b.v. in burgerlijke zaken niet wende tot kerkelijke vergaderingen; en in rein-kerkelijke zaken niet tot den Staat of het Ministerie.

|68|

Want ook in deze kerkelijke Republiek zijn aan elk deszelfs werkzaamheden, regten en betrekkingen toegekend. Van daar onderscheidt men ook in dezelve het wetgevend, uitvoerend en regterlijk gezag. Doch deze allen nemen in ons Hervormd Kerkregt een eigenaardig karakter aan in overeenstemming met den geest van het Evangelie en van de Gemeente des Heeren op aarde.

De Hervormde Kerk toch zorgt en waakt voor hare eigen belangen; zij doet dit door wetgeving, uitvoering en regtspleging; maar de kerkelijke wetten treden daar op in het karakter van bepalingen, verordeningen, ter regeling en bestuur der Gemeenten; de uitvoering is daar christelijke zorg; de regtspleging en het regterlijk gezag is christelijk opzigt en tucht. De geheele vorm der Kerk gaat van een meer zedelijk-godsdienstig oogpunt uit, dan zulks in de burgerlijke maatschappij kan plaats hebben. Het drukt den geest uit van het Evangelie.

Intusschen is daarom de vorm der Kerk niet minder inwendig geregeld. De wetgeving en het wetgevend gezag berust in den boezem der Kerk zelve. De Hervormde Kerk van Nederland is hare eigene wetgeefster (Autonomie der Kerk (1)). — Daarom dalen alle kerkelijke wetten geregeld van kerkelijke vergaderingen af; de huishoudelijke wetten van de plaatselijke kerkvergaderingen; de provinciale van de provinciale kerkbesturen; de algemeene bepalingen, voor de geheele Kerk geldig, van de Synode. — Dit wetgevend gezag is ook bepaald bij de verandering der bestaande wetgeving. Zoo worden de Artikelen van het


(1) Zie boven bl. 39. n. 5.

|69|

Algemeene Reglement niet veranderd, dan op een Besluit der Synode, gehoord zijnde de algemeene Kerkbesturen, en ingevoerd door den Koning; — die der Synodale Reglementen worden veranderd even als zij ontworpen zijn; en de Provinciale Reglementen alleen door een Besluit der Synode, op voorstel van het Provinciaal Kerkbestuur, en geapprobeerd door den Koning.

Het uitvoerend gezag, of naar christelijke beginselen, de zorg, is zoo veel hetzelve kerkelijk is, aan de kerkelijke vergaderingen opgedragen; en van Staatswege aan het Ministeriëel Departement. — Dit onderscheiden kenmerk bepaalt elks regten. Daarom worden alle door den Koning gesanctioneerde Reglementen van wege den Staat uitgevaardigd, en aan de Kerkbesturen ter uitvoering aanbevolen, wijl de door de Kerk ontworpen Reglementen eerst kracht van wet ontvangen, om naar buiten te werken, door de  sanctie, en deze van den Staat afdaalt.

Geheel anders is het gelegen met het regterlijk gezag en de kerkelijke regtspleging, in onze wetgeving naar het christelijk grondbeginsel der broederlijke vermaning en bestraffing, als kerkelijk opzigt en tucht voorgedragen. Dit gezag berust alleen en onmiddelijk bij de Kerk. De kerkelijke vergaderingen vervullen de betrekking van kerkelijke regtbanken, die geheel vrij en onafhankelijk oordeelen en vonnissen, zoo wel onmiddelijk, als bij beroep. De hoogste dezer kerkelijke regtbanken is de Synode. Men wendt zich daarom voor alle kerkelijke geschillen aan de Kerk.

|70|

Elke dezer drie magten in de Kerk handelt gemeentelijk, Klassikaal, Provinciaal en Synodaal.

Ook dit alles staat onder kerkelijk opzigt. Dit toezigt der Kerk over hare Leden en kerkelijke vergaderingen is van het hoogste belang. De zedelijk-godsdienstige strekking van dit Genootschap eischt dat opzigt het geweld vervange, en het regt en regterlijk gezag voorafga. Daarom heerscht de Kerk geenszins over hare Leden; want in het broederlijke Genootschap wordt geene heerschappij geduld, maar wel vermaning, zorg, toezigt, besturing. Daarom waakt dezelve door kerkelijke middelen d.i. door zedelijk toezigt en bestuur. En hetzelve moet ten allen tijde zedelijk van aard blijven. Dit opzigt nu is verdeeld over de geheele Kerk onder al de Leden, en wordt uitgeoefend door huisbezoeking, kerkvisitatie en kerkelijke tucht, in welk laatste geval het overgaat in het gebied der regterlijke magt (1).


(1) De algemeene voorstelling dezer Kerkvormen behoort te dezer plaatse; de ontwikkeling derzelver en de wijze, waarop deze drie magten werkzaam zijn, zal ons nader voorkomen.

Royaards, H.J. (1834) § 21

§ 21.
Kerkelijke Verdeeling.

Statistiek der Hervormde Kerk.

Het blijkt dus, dat er in Nederland, nevens andere Kerkgenootschappen, ook ééne Hervormde Kerk bestaat, verspreid over den geheelen vaderlandschen bodem, vereenigd door ééne en eenerlei wetgeving,

|71|

en vertegenwoordigd door eene nationale of algemeene Synode.

Deze Hervormde Kerk is over de oppervlakte van Oud-Nederland verdeeld in tien Provinciale Ressorten, ingedeeld naar de provinciale verdeeling des Rijks, als Gelderland, Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland, Utrecht, Vriesland, Overijssel, Groningen, Noord-Braband en Drenthe (1).

De Kerken onder deze Provinciale Kerkbesturen behoorende, zijn wederom verdeeld in Klassen; de Klassen in Ringen (2); de Ringen in Gemeenten en Standplaatsen. — Zoodanig telt men 43 Klassen, 134 Ringen, 1237 Standplaatsen, en op dezelve 1460 Predikanten.

Hiervan heeft:


(1) Deze opgave van het aantal Standplaatsen en Predikantsplaatsen verschilt eenigermate van het getal, opgegeven, en met aanhaling der standplaatsen gestaafd, in de Verdeeling der Klassen in Ringen, volgens de daarin gemaakte veranderingen tot Februarij 1823, door den Secretaris en Adviseur bij het Departement voor de zaken der Hervormde Kerk toegezonden aan de Provinciale Kerkbesturen; nevens de Tabellarische Recapitulatie; zamen te vinden bij v.d. Tuuk, Handb. II. 165-188. — Doch wij hebben gebruik gemaakt van de opgave der 1º. Januarij 1833 aanwezige Standplaatsen en Predikantsplaatsen, ons vriendelijk en volvaardig verleend doorden voorm. Heer Secretaris en Adviseur, den ijverig-werkzamen en voor onze Vaderlandsche Kerk verdienstelijken Janssen. — De plaatsen in België en ook die in Limburg, onder de Klasse van Maastricht gelegen, zijn niet begrepen onder deze getallen.
(2) Algemeen Reglement, Art. 49, 78, bij van der Tuuk, t.a.p. 17, 25.

|72|

 

Klass.

Ringen.

Standpl.

Predik.

Gelderland

6.

17.

177.

203.

Zuid-Holland

6.

23.

203.

269.

Noord-Holland

5.

17.

151.

204.

Zeeland

4.

12.

101.

116.

Utrecht

3.

7.

66.

78.

Vriesland

5.

18.

195.

210.

Overijssel

3.

8.

64.

83.

Groningen

4.

15.

146.

156.

Noord-Braband

4.

14.

94.

99.

Drenthe

3.

3.

40.

43.

 

43.

134.

1237.

1461. (1).


(1) Tot gemakkelijker overzigt der Statistiek onzer Vaderlandsche Kerk strekke de volgende opgave onzer kerkelijke verdeeling in Klassen en Ringen:

I. Gelderland.

1. Klasse van Arnhem, verdeeld in de Ringen van Arnhem, Wageningen en Appeldoorn.
2. Klasse van Nijmwegen, — in de Ringen van Nijmwegen, Batenburg en Elst.
3. Klasse van Zutphen, — in de Ringen van Zutphen, Doesburg, Deutichem en Winterswijk.
4. Klasse van Thiel, — in de Ringen van Thiel, Kuilenburg en Ingen.
5. Klasse van Bommel, — in de Ringen van Bommel en Tuil.
6. Klasse van Harderwijk, — in de Ringen van Harderwijk en Hattem.

II. Zuid-Holland.

1. Klasse van ’s Gravenhage, verdeeld in de Ringen van ’s Gravenhage, Delft en Voorburg.
2. Klasse van Rotterdam, — in de Ringen van Rotterdam, Schiedam, Hillegondsberg en Ysselmonde.
3. Klasse van Leyden, — in de Ringen van Leyden, Noordwijk, Alphen en Woerden. ➝

|73|

Bij deze Hervormde Kerk waren, tijdens onze vereeniging met België nog gevoegd:


➝ 4. Klasse van Dordrecht, — in de Ringen van Dordrecht, Zwijndrecht, Oud-Beijerland, Sliedrecht en Gorkum.
5. Klasse van Gouda, — in de Ringen van Gouda, Schoonhoven, Vianen en Leerdam.
6. Klasse van Brielle, — in de Ringen van Brielle, Geervliet en Sommelsdijk.

III. Noord-Holland.

1. Klasse van Amsterdam, verdeeld in de Ringen van Amsterdam, Weesp en Naarden.
2. Klasse van Haarlem, — in de Ringen van Haarlem en Zaandam.
3. Klasse van Alkmaar, — in de Ringen van Alkmaar, Rijp, Scharwoude, de Zijp, Burg of de Eilanden.
4. Klasse van Hoorn, — in de Ringen van Hoorn, Enkhuizen, Medemblik en Spanbroek.
5. Klasse van Edam, — in de Ringen van Edam, Purmerend en Monnikendam.

IV. Zeeland.

1. Klasse van Middelburg, verdeeld in de Ringen van Middelburg, Vlissingen en Veere.
2. Klasse van Zierikzee, — in de Ringen van Zierikzee, Brouwershaven en Tholen.
3. Klasse van Goes, — in de Ringen van Goes, Kruiningen en Borselen.
4. Klasse van Yzendijke, — in de Ringen van Yzendijke, Sluis en Axel.

V. Utrecht.

1. Klasse van Utrecht, verdeeld in de Ringen van Utrecht, Ysselstein en Mijdrecht.
2. Klasse van Amersfoort, — in de Ringen van Amersfoort en Tienhoven.
3. Klasse van Wijk, — in de Ringen van Wijk en Rheenen.

VI. Vriesland.

1. Klasse van Leeuwarden, verdeeld in de Ringen van Leeuwarden, Stiens, Bergum en Wirdum. ➝

|74|

Een Provinciaal Ressort: Limburg. — Hieronder ressorteerden alle Protestantsche Kerken in de Zuidelijke Provinciën, verdeeld in:


➝ 2. Klasse van Harlingen, — in de Ringen van Harlingen, Franeker, Bolsward en Makkum.
3. Klasse van Sneek, — in de Ringen van Sneek, Ylst, Workum en Sloten.
4. Klasse van Dokkum, — in de Ringen van Dokkum, Kollum en Holwerd.
5. Klasse van Heerenveen, — in de Ringen van Heerenveen, de Lemmer en Wolvega.

VII. Overijssel.

1. Klasse van Zwol, verdeeld in de Ringen van Zwol, Hasselt en Ommen.
2. Klasse van Deventer, — in de Ringen van Deventer, Almelo en Enschede.
3. Klasse van Kampen, — in de Ringen van Kampen en Vollenhoven.

VIII. Groningen.

1. Klasse van Groningen, verdeeld in de Ringen van Groningen, Hoogezand, Zuidhorn en Grootegast.
2. Klasse van Winschoten, — in de Ringen van Winschoten, Midwolde en Bellingwolde.
3. Klasse van Appingedam, — in de Ringen van Appingedam, Delfzijl, Loppersum en Slochteren.
4. Klasse van Middelstum of onder den Dam, — in de Ringen van Middelstum, Meeden, Leens en Winsum.

IX. Noord-Braband.

1. Klasse van ’s Hertogenbosch, verdeeld in de Ringen van ’s Hertogenbosch, Osch, Grave en Oosterwijk.
2. Klasse van Breda, — in de Ringen van Breda, Bergen op Zoom, de Willemstad en Geertruidenberg.
3. Klasse van Heusden, — in de Ringen van Heusden, Woudrichem en ’s Gravenduinkapelle.
4. Klasse van Eindhoven, — in de Ringen van Eindhoven, Heeze en Helmond. ➝

|75|

Twee Klassikale Ressorten van Maastricht en Brussel: 6 Ringen, 27 Standplaatsen en 30 Predikanten (1). Daar nu door de Belgische omwenteling het Provinciaal Ressort vervallen, en werkelijk ontbonden is, bestaat alsnog alleen de Klassis van Limburg, doch welker omschrijving door den stand van zaken onzeker is geworden (2).


X. Drenthe.

1. Klasse van Assen, en daarin de Ring van Assen.
2. Klasse van Meppel, — de Ring van Meppel.
3. Klasse van Koeverden, — de Ring van Koeverden.
Zie v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. II. 165, alwaar tevens de verdeeling in Standplaatsen en Predikantplaatsen voorkomt. Verg. met Alg. Regl., Art. 50. — Bepaling van de grensscheiding der onderscheidene Klassen, volgens Ministeriëele Dispositie, 11 Febr. 1816, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 38 volg. — Ministeriëele Dispositie, omtrent de eerste verdeeling der Klassen in Ringen, 15 Maart 1816, bij v.d. Tuuk, t.a.p. 108-113, nevens de Dispositie ter definitieve regeling van de verdeeling der Klassen in Ringen, 9 Aug. 1816; ald. bl. 114-138. — Onder het boven aangehaalde getal zijn begrepen alle Hervormde Predikanten in Nederland, zoo wel Nederduitsche als Waalsche, Schotsche en anderen.
(1) Zie de bovenstaande verdeeling der Klassen in Ringen en bijgev. Tabel, bij v.d. Tuuk, II. bl. 188. Het Provinciaal Ressort van Limburg was verdeeld in:
1. de Klasse van Maastricht — en daarin drie Ringen: Noordring van Maastricht, Zuidring van Maastricht en Ring van Venlo;
2. de Klasse van Brussel — verdeeld in de eerste en tweede Ring van Brussel en Ring van Gent. Zie Koninkl. Besl. ter Organisatie der Protestantsche Gemeenten in de Zuidelijke Provincien des Rijks, Art. 19, 16 April 1816, bij v.d. Tuuk, I. 88. Broes, Kerk en Staat, IV. ii. 436 volg. — Tot dezelve behoorden ook de 10 Garnizoensgemeenten in de Hoofdsteden der Zuidelijke Provinciën; zie aldaar Art. 13 en volg.
(2) Zie Handel. der Synode 1831, bl. 7, en 1832, bl. 7.

|76|

Deze Hervormde Kerk van Nederland vereenigt alzoo alle hare afdeelingen in de Nederduitsche, Waalsche, Hoogduitsche, Engelsche en Schotsche Kerken des Vaderlands. — De Waalsche Kerk van Nederland, vereenigd tot eene Kerk met de Nederduitsche, vormt dus  geen Provinciaal, noch Klassikaal Ressort op zich zelve. Zij heeft behouden 21 Standplaatsen en 28 Predikanten (1).

De Engelsch-Presbyteriaansche Kerken, even als de Waalsche ingelijfd bij de algemeene Hervormde Kerk, behielden in onzen tijd vier Standplaatsen: te Amsterdam, ’s Gravenhage, Rotterdam en Middelburg met Vlissingen.

De Schotsche Gemeente bleef te Rotterdam aanwezig; terwijl Dordrecht een Engelschen of Schotschen Predikant behield.

De Hoogduitsche Kerken werden overal vernietigd, buiten Amsterdam (2). Alle deze hier vermelde Standplaatsen zijn mede begrepen onder het boven aangegeven getal.

Ook de Oost- en West-Indische Kerken in de Kolonien van den Staat werden mede ingelijfd bij de Hervormde Kerk van Nederland, blijkens derzelver


(1) Alg. Regl., Art. 13 bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 7. — Koninklijk Besluit betrekkelijk het getal der Waalsche Predikantsplaatsen in de Noordel. Prov., 19 Aug. 1817, en de Ministeriëele Dispositien ter uitvoering van hetzelve, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 52 en verv.; — en ten dienste der Waalsche Kerken uitgegeven in de: Reglemens Generaux et Particuliers a l’usage des Eglises Wallones du Royaume des Pays-Bas, La Haye 1818, p. IX-XVI.
(2) Koninkl. Besl. omtrent de Engelsche, Schotsche en Hoogduitsche Predikanten, 5 Nov. 1817, bij v.d. Tuuk, I. 76 verv.

|77|

vertegenwoordiging op de Synode, doch onder afzonderlijke administratie. Zij zijn daarom onder het boven opgegeven getal niet begrepen (1).

De geheele bevolking der Hervormde Kerk in Noord-Nederland is niet met naauwkeurige zekerheid te bepalen. Zij overtreft echter zonder twijfel het getal van veertien maal honderd duizend zielen, buiten die, welke in onze Koloniën aanwezig zijn (2).

De geographische verdeeling der Hervormde Kerk wordt voorgesteld op de kerkelijke Kaart (3).


(1) Koninkl. Besl. omtrent de Organisatie der Indische Kerken, 4 Sept. 1815, en 7 Dec. 1820, bij v.d. Tuuk, I. 101 volg. II. 44 volg. — Broes, Kerk en Staat, IV. 2.
(2) Handel. der Synode, 1830, bl. 8, 1831, bl. 8, 1832, bl. 8. — Er is eene tienjarige telling ingesteld, welke eerstmaal verschijnt in 1835; zie a. Hand. der Synode, 1832, 8.
(3) Gelijk de vroegere Geographie onzer Hervormde Kerk was ontwikkeld, en in kaarten uitgedrukt bij Bachiene, Kerkelijke Geographie der Vereen. Nederl., Amst. 1768, 4 stukken, zoo heeft men in later tijden vervaardigd de: Kerkelijke Kaart van de Protestantsche Kerken in het Koningrijk der Nederlanden, ’s Grav. 1824, geteekend door G.J.W. Leurs, en gelitographeerd ter Koninklijke Steendrukkerij.
Voor de Statistiek onzer Hervormde en andere Protestantsche Kerken is belangrijk het: Alphabetisch Register der Hervormde en andere Protestantsche Gemeenten in het Koningrijk der Nederlanden, met aanwijzing van het Beroepingsregt, getal Leeraren en dat der Zielen, alsmede de kerkelijke Ressorten, door J.J. Feuring, ’s Grav. 1830; en het vroeger jaarlijks, thans telken twee jaren uitkomende Register of Naamlijst der Predikanten; terwijl maandelijks in de Boekzaal voor de Geleerde Wereld of Tijdschrift voor de Protestantsche Kerken, het kerknieuws wordt medegedeeld.

Royaards, H.J. (1834) § 22

|78|

Tweede Afdeeling.

Bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk.

§ 22.
Kerkbestuur.

In de voorstelling van het Bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk zal het noodig zijn, dat wij bij de kerkelijke Collegiën of Vergaderingen en derzelver Leden ons bepalen, aan wie een of ander gedeelte van het Kerkgezag is toevertrouwd of aanbevolen. — Van dezelve zijn onderscheiden die kerkelijke personen, welke afzonderlijk en niet als Leden der Collegiën of Vergaderingen werkzaam zijn. Zoo zullen de bijzondere betrekkingen der Predikanten, Ouderlingen en Diakenen eerst door ons worden ontwikkeld, waar wij over de kerkelijke personen handelen, terwijl derzelver meer algemeene betrekking van Leden des Kerkeraads, als van een kerkelijk Collegie, hier vermeld worden. Wij onderscheiden daarom hier de kerkelijke vergaderingen van bestuur, en derzelver Leden als zoodanig, b.v. Secretarissen, Quaestors, enz. van de kerkelijke personen, waar zij niet als Leden der Vergaderingen, maar afzonderlijk, optreden.

Royaards, H.J. (1834) § 23

|79|

§ 23.
Overzigt over het vroegere Bestuur der Nederlandsche Hervormde Kerk.

Gegrond op den Kerkvorm, hier aanwezig, was het bestuur der Kerk, alhier ingevoerd.

De grondbeginselen, van welke hetzelve uitging, waren die der Hervormde Presbyteriale Kerk. Men had het Pausdom verlaten, en was afkeerig van alle Hierarchie hoegenaamd. Daarom stond aan het hoofd onzer Kerk-orde uitgedrukt: „Geen Kerk zal over eene andere Kerk, geen Dienaar des Woords, geen Ouderling noch Diaken, zal de een over den ander heerschappij voeren, maar een iegelijk zal zich voor alle suspicien en aanlokkingen om te heerschappen wachten (1);” — en dit grondbeginsel was kenschetsend voor den aard van bestuur der Hervormde Kerk. — Streng werd dit volgehouden in al de opvolgende Kerk-ordeningen, Gemeenten en kerkelijke Vergaderingen (2). — Wat er van heerschzucht der kerkelijken overbleef of later geboren werd, was een misbruik, dat in strijd was met het regtsbeginsel der Kerk.


(1) Zie Kerk-orde van Embden, Art. 1.
(2) Dit denkbeeld staat eveneens uitgedrukt in het Formulier ter bevestiging van de Ouderlingen: „Bovendien is het goed, dat by de Dienaren des Woords, zoodanige mannen tot mederegeerders gevoegt geworden, ten eynde daardoor te meer geweet worde uyt de Gemeente Gods alle tyrannye ende heerschappye, die lichtelyk kan inbreken, wanneer by een alleen, of by seer weynige de regeringe staet.”

|80|

Tegelijk met het verwerpen der Hierarchie verwierp men dan ook de rangen der Geestelijkheid, door welke de Hierarchie alleen kan stand houden. Men had hier wel den stand der kerkelijken, maar niet de opklimmende rangen. De een was niet door rang, maar alleen door persoonlijken invloed, boven den ander verheven. Alle Geestelijken, zoo wel de Dorpspredikant, als de Leeraar in de Hofstad, waren elkander in waardigheid, magt en gezag gelijk. Zij heetten ook daarom Dienaren des Goddelijken Woords (1). Van daar dat de Ouderlingen in het bestuur met de Leeraren werden gelijk gesteld. Van daar dan ook dat de kerkelijke Vergaderingen geene gedelegeerde kerkelijke Besturen vestigden, maar veeleer kerkelijke Collegiën, waarin aller stem gelijk gold.

Dit Kerkbestuur nu werd in ons Vaderland allengs gevestigd op de grondslagen, die reeds dadelijk op onze eerste Synoden gelegd waren. Het werd te Wezel (1568) en Embden (1571) reeds aangewezen voor de aanstaande en opkomende Nederlandsche Kerk, wettelijk vastgesteld op de Synode te Dord (1574 en 1578) en nader bekrachtigd te Middelburg (1581) en in ’s Hage (1586), toen de Hervormde Kerk hier te lande reeds aanwezen ontvangen had (2). — Naar deze grondbeginselen dan, zoo ver dezelve in werking


(1) Zie over deze benaming Kist, Verh. t.a.p. bl. 291.
(2) Zie de b.a. Kerk-orden dezer onderscheiden Synoden en boven bl. 51 en 52, noot 5.

|81|

gebragt waren, werd de Hervormde Kerk door drieërlei vergaderingen bestierd (1). — Elke Gemeente had haren Kerkeraad; elk Ressort deszelfs Klasse; elke Provincie hare Synode, daar de vierde vergadering, die der nationale Synode, uitbleef. Zij behoorde wel tot de instellingen onzer Kerk, maar was na 1618 niet aanwezig, waardoor de eenheid, die in den vorm gemist werd, ook in het bestuur niet gevonden werd.

Het Bestuur der Gemeente was toevertrouwd aan den Kerkeraad, bestaande uit Predikanten en Ouderlingen, terwijl de Diakenen, vroeger mede tot denzelven gerekend (2), later in onzen gevestigden Kerkstaat, alleen bij beroepingen gekend werden; waardoor het onderscheid der groote en kleine Kerkeraden ontstaan is. De onderscheidene Leden der Kerkeraden hadden derzelver afzonderlijke vergaderingen van Diakenen, Ouderlingen en Predikanten (Diakenie, Presbyterie en Ministerie). — Alleen in sommige Gemeenten van Gelderland en de Meijerij van den Bosch vond men Gemeenten, waar geene Kerkeraden, alleen Diakenen, waren. — Deze Kerkeraden nu bestierden de Gemeenten, hielden zedelijk opzigt en tucht over de Gemeenteleden, gaven getuigenisbrieven aan Lidmaten uit, hielden Notulen, en bewaarden de Doop-, Huwelijks- en Lidmatenboeken (3).


(1) Kerk-orde van Dord, 1578, Art. 16; vgl. Ypey en Dermout, t.a.p. I. 365.
(2) Kerke-orde van Embden, Art. 6.
(3) Kerk-orde van Dord, 1578, Art. 16-26; — van ’s Gravenhage, 1586, Art. 34 verv.; — van Dord, 1618, 1619, Art. 37 verv.

|82|

De naburige Gemeenten vereenigden zich tot eene Klasse, welke op verschillende tijden in de onderscheidene Provinciën hare vergaderingen hield, in sommige Gewesten meest alle maanden, elders viermaal, elders eenmaal des jaars. Langzamerhand werden alle Provinciën in Klassen ingedeeld, hetgeen echter in Utrecht eerst in 1619 plaats had. — Zij behandelden alle kerkelijke zaken van het Ressort, vonnisden in beroep over besluiten der Kerkeraden, en vooral was haar, als een voornaam deel van derzelver werkzaamheden, het Examen der Studenten, en derzelver toelating tot de Predikdienst opgedragen. — Zij waren zamengesteld uit de Predikanten der onderscheidene Gemeenten, en veelal een Ouderling van elk derzelver (1).

De Afgevaardigden der onderscheidene Klassen eener Provincie vormden eene Provinciale Synode, die, buiten Zeeland, overal plaats had. De vergunning tot het houden dier Synoden moest echter jaarlijks bij de Staten der Provinciën met een verzoekschrift aangevraagd worden, doch bleef in Zeeland meetal achter. — Van wege de Staten waakten twee Commissarissen-Politiek, nevens den Afgevaardigden van den Magistraat der synodale stad, voor het belang van den Staat, en voor de handhaving der orde. Soms echter waren dezelven afwezig. De Synoden werden tevens bijgewoond door de Gedeputeerden van alle overige Synoden ter correspondentie, die daarbij eene


(1) Kerk-orde van Dord, 1574, Art. 9 verv.; — van Dord, 1578, Art. 26 verv.; — van Middelburg, 1581, Art. 30 verv.; — van ’s Hage, 1586, Art. 38 verv.; — van Dord, 1618, 1619, Art. 41 verv.

|83|

praeadviserende stem hadden, en de besluiten hunner Synoden op de behandelde Artikelen uit hunne Acten voorlazen (1).

Het doel dier Synoden was ter bewaring van den band van vereeniging tusschen de Klassen, de Gemeenten en de Leeraren; — ter handhaving der zuivere Evangelieleer; — ter beslissing als kerkelijke vierschaar over kerkelijke geschillen, die niet bij den Kerkeraad of de Klasse waren afgedaan, en ter tegemoetkoming in de behoefte van noodlijdende kerken en personen binnen en buiten ’s lands (2).

Groot was het gezag dezer kerkelijke vergaderingen in kerkelijke zaken. Zij bestuurden de belangen der Hervormde Kerk van Nederland, — waakten over het gedrag van Leeraars en Gemeenteleden, — vonnisden, zoo wel de Leeraren, door schorsing en afzetting van dienst, als de Ledematen door verbod des avondmaals, en den ban of de geheele afsnijding der Gemeente. Doch met den Staat kwamen zij telkens in aanraking, wien zij vaak in gemengde zaken toeschenen zich te veel aan te matigen, gelijk er ook meestal van de kerkelijke vonnissen beroep viel bij de Staten der Provincie.


(1) Kerk-orde van Dord, 1578, Art. 34 verv.; — van Middelburg, 1581, Art. 34 verv.; — van ’s Hage, 1586, Art. 43 verv.; — van Dord, 1618, Art. 47 verv.
(2) Zie over dit bestuur der Hervormde Kerk, de aangehaalde Kerke-orden; — Bachiene, Kerk. Geogr. der Vereen. Nederl., I, bl. 13 verv. — Ypey en Dermout, t.a.p. I. 364 verv.

|84|

Het blijkt dus ook hier wederom dat in het bestier der aldus ingedeelde Kerk hetzelfde beginsel der Presbyteriale Kerk, van hetwelk wij boven spraken, namelijk dat van gelijkmatige vertegenwoordiging, heerschte. De Gemeente toch werd in den Kerkeraad vertegenwoordigd door Predikanten en Ouderlingen. De Kerkeraden verschenen in de Klassen bij vertegenwoordiging door alle Predikanten en eenige Ouderlingen. Elke Klasse had hare Afgevaardigden ter Synode, niet om te vonnissen en naar eigen inzigt te besluiten, maar met lastbrieven, aan welker inhoud zij gebonden waren. Daarom wisselden ook de Voorzitter der Klassen (Praesides Classium) telkens af naar de orde, waarin de Leden sessie genomen hadden, of naar de keus der vergadering, [? (1)] die den algemeenen provincialen band hechtede, terwijl de onderlinge band in de Provinciën eenigermate werd bewaard door de Correspondenten of Deputaten der Synode.


(1) Zie Kerke-orde van ’s Hage, 1586, Art. 38; — van Dord, 1618, 1619, Art. 41.

Royaards, H.J. (1834) § 24

§ 24.
Hedendaagsch Kerkbestuur bij de Hervormden in Nederland.

Het nieuwe Kerkbestuur, dat bij de organisatie onzer Kerk in 1816 werd ingevoerd, was deels overeenkomstig met het oudere, zooverre de geheel veranderde Kerkvorm dit toeliet. Men behield althans de oude namen, en deels ook de oude Besturen, doch

|85|

droeg aan dezelve grootendeels ander gezag op, en wijzigde derzelver invloed en werkzaamheden.

Daar de nieuwere Kerkvorm republikeinsch bleef, is ook het Bestuur der Hervormde Kerk in alle deszelfs deelen vertegenwoordigend. Het vertegenwoordigend beginsel is echter minder doorgedrongen, dan vroeger, daar „alle Leden van Kerkbestuur hoofdelijk stemmen, zonder eenigszins gehouden te zijn aan lastbrieven (1).” Het is dus eene aristocratische vertegenwoordiging.

Zulks blijkt vooral ook uit de wijze van benoeming van de Leden der kerkelijke collegiën. Deze benoeming, of althans de keus der benoembare personen, en de voordragten zijn geheel kerkelijk, zoodat de mindere collegiën de Leden der hoogere of voordragen, of kiezen; gelijk wij bij de afzonderlijke Besturen zien zullen.

Van dit beginsel gaat het Bestuur onzer Hervormde Kerk uit, wier hoofddoel bestaat in „de zorg voor de belangen, zoo van het Christendom in het algemeen, als van de Hervormde Kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van godsdienstige kennis, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendragt, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland (2).”

De grondslag nu van handeling en werkzaamheden


(1) Alg. Regl., Art. 4.
(2) Alg. Regl., Art. 9.

|86|

voor alle Leden van Kerkbesturen is gelegen in de kerkelijke wetten en reglementen, in overeenstemming met de kerkelijke organisatie, bij het algemeen reglement, als grondwet onzer Hervormde Kerk, bepaald (1).

Ook de indeeling van het Bestuur der Hervormde Kerk is in het algemeen dezelfde, als welke tijdens ons vroeger Hervormd Kerkbestuur bepaald was. Hetzelve is vierledig. Het wordt „Synodaal, Provinciaal, Klassikaal en Gemeentelijk uitgeoefend (2);” en hierdoor is de vierde tak van bestuur, die vroeger niet in werking kwam, die der Nationale Synode, thans als het middenpunt van ons geheel Kerkbestuur, schoon met eene verschillende inrigting, ingesteld.

Tusschen deze Collegiën bestaat onderlinge betrekking, maar geene hierarchische opklimming, noch rang der Leden. Immers de rang niet der Leden, maar der Collegiën is gevestigd. Zoo kan b.v. de President of het Lid van een Provinciaal Bestuur, bij verplaatsing elders wederom Lid worden of secundus van een Klassikaal Bestuur, zonder eenige vernedering te ondergaan. — Doch ook „de mindere Kerkbesturen hebben het regt voorstellen in te zenden aan de hoogere, en derzelver voorlichting te vragen. — Zij zijn verpligt aan de aanschrijvingen der hoogere Collegiën te voldoen, en de van hen gevorderde berigten en rapporten ten spoedigste in te zenden; gelijk zij, vermeenende door de besluiten van een


(1) Alg. Regl., Art. 10.
(2) Alg. Regl., Art. 3, bij v.d. Tuuk, t.a.p. bl. 5, en Antwoord van den Comm.-Gen. aan de Klassis van Amsterdam, b.a. bij v.d. Tuuk, Handb., t.a.p. II. 147.

|87|

hooger (Kerkbestuur) bezwaard te zijn, het regt hebben zich deswegens bij nog hooger Bestuur te beklagen (1).” Ook de grenzen der werkzaamheden van de onderscheidene Besturen zijn door reglementen, verordeningen en instructiën afgebakend.

Dit gemeenschappelijk Bestuur heeft deszelfs omvang over alle de Hervormde Kerken in het Koningrijk der Nederlanden, en omvat dus, „zoo wel de Nederduitsche, als de Waalsche, Presbyteriaansch-Engelsche en Schotsche Kerken, wier gemeenschappelijk bestuur hetzelfde is, maar die naar hare bijzondere behoeften en omstandigheden hare afzonderlijke huishoudelijke inrigtingen hebben mogen (2).”


(1) Alg. Regl., Art. 5 en 6.
(2) Alg. Regl., Art. 13 en 14.

Royaards, H.J. (1834) § 25

§ 25.
Synode.

De algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk (3) vertegenwoordigt de Nederlandsche Hervormde Kerk, en vormt het middenpunt der kerkelijke wetgeving en van geheel het Kerkbestuur, hetgeen uit de vestiging van het synodaalstelsel te verklaren is. Daarin ligt de eenheid onzer Hervormde Kerk, die vroeger ontbrak.

Deze hooge Kerkvergadering bestaat daarom uit Leden, afgevaardigd uit alle deelen der Hervormde Kerk in het Koningrijk der Nederlanden, door vrije keus


(3) Zie boven bl. 67.

|88|

der kerkelijke besturen. Door deze Afgevaardigden worden daar zoo wel de Nederduitsche, als Waalsche Kerken, alsmede volgens latere bepalingen (1820,) de Oost- en West-Indische Kerken in de Koloniën van den Staat vertegenwoordigd; terwijl zij tijdens de vereeniging van Holland met België daarenboven door een Lid ook de Protestantsche Kerken in de Zuidelijke Gewesten vertegenwoordigde.

Dien overeenkomstig is hare zamenstelling ingerigt. Zij bestaat uit twee bestendige Leden, t.w. den Secretaris en Quaestor der Synode, en voorts uit afwisselende Leden, als: een Afgevaardigde van elk der Provinciale Kerkbesturen, — een Afgevaardigde voor de Waalsche Kerken, — een voor de Oost-Indische Kerken, gekozen uit de beide Commissiën, daarvoor bestaande; en een Ouderling, bij tourbeurt door een der Provinciale Kerkbesturen jaarlijks te benoemen. — Deze allen zijn stemmende of concluderende Leden der Synode. — Daarenboven vaardigt elk der Hervormde Godgeleerde Faculteiten aan de drie Nederlandsche Hoogescholen jaarlijks een harer Leden ter Synode af. Dezelve hebben geene concluderende, maar eene praeadviserende stem. — Van de stemmende Leden zijn de President, Vice-President, Secretaris en Quaestor, als Moderatoren der Synode, werkzaam.

De Synode wordt mede bijgewoond door het Hoofd van het Ministeriëel Departement voor de zaken der Hervormde Eerdienst, geadsisteerd, des verkiezende, door den Secretaris-Adviseur. Bij ontstentenis van den eersten, kan de Koning een of meer Commissarissen-Politiek, die de Hervormde Eerdienst belijden, daartoe

|89|

benoemen. Dezelve woont echter de vergadering bij zonder stem.
Alle de Leden hebben benoemde Secundi, ook de Vice-President.

Deze Leden en Secundi worden benoemd bij vrije keus der Provinciale Collegiën en der Commissiën, zonder dat daartoe voordragten of tweetallen worden opgezonden. — Alzoo wordt de Hervormde Kerk op hare hoogste vergadering vrij vertegenwoordigd, en behoudt ook hierin hare zelfstandigheid. Van de gedane keuzen wordt slechts kennis gegeven aan het Ministeriëel Departement (1).

Jaarlijks wordt de vergadering der Synode gehouden, en komt bijeen zonder nadere uitschrijving of oproeping (2), in ’s Hage op den eersten Woensdag in de maand Julij (3) ten elf ure (4); welke tijdsbepaling niet kan worden veranderd buiten goedvinden des Konings; evenmin als zonder dezelve buitengewone vergaderingen der Synode kunnen bijeenkomen (5). — De synodale vergadering wordt, na


(1) Alg. Regl., Art. 17, 18, bij v.d. Tuuk, Handb., t.a.p. I. 9. Organisatie der Prot. Gemeenten in de Zuid. Prov., Art. 20, — en Verordeningen op het Bestuur der Indische Kerken, Art. 10, bij v.d. Tuuk, Handb. I, 89, II. 47.
(2) Zie Missive van den Comm.-Gener. aan de Klassis van Amsterdam, d.d. 28 Maart 1816, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 148.
(3) Alg. Regl., t.a.p., Art. 20.
(4) Verordeningen op het houden der algemeene Synode, d.d. 11 Junij 1823, bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 123, 124.
(5) Alg. Regl., Art. 20.

|90|

een plegtig gebed van den President, geopend door het Hoofd van het Ministeriëel Departement, die dezelve voor geconstitueerd verklaart. Op dezelfde wijs wordt zij gesloten. — Zij wordt met gesloten deuren gehouden, en plagt daarenboven in de eerste zittingen met eene kerkelijke redevoering geopend en gesloten te worden (1); doch later is het houden van ééne kerkelijke redevoering bepaald op den Zondag, volgende na den dag der opening. Deze wordt uitgesproken in de Kloosterkerk door een der synodale Leden, daartoe door den Minister uitgenoodigd (2).

De stemmende Leden der vergadering, behalve de Moderatoren, wisselen in zitting en rang van stemming dagelijks af. Hierdoor wordt de gelijkheid der Leden bewaard. Doch de Hoogleeraren, praeadviserende Leden, behouden, evenals de Moderatoren, steeds hunne zitplaats zonder afwisseling. — Elke zitting wordt met een kort gebed geopend, en met dankzegging aan God gesloten. — Niemand der stemmende Leden mag buiten stemming blijven. Op alles wordt bij volstrekte meerderheid besloten, terwijl bij staking der stemmen de President eene beslissende stem heeft, die ook, waar zulks noodig is, de geheimhouding kan opleggen. Het staat elk der Leden vrij in de Notulen te doen aanteekenen, doch zonder verder protest of opgave van redenen, dat hij zich


(1) Provisioneel Reglement van Orde voor de Synodale Vergaderingen van 1816, Art. 8, 9, 5, 11, 10.
(2) Provis. Regl., b. a. Art. 5, — en Verordeningen, b.a. bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 124.

|91|

met het beslotene niet heeft vereenigd (1). Gewoonlijk duren thans de zittingen der Synode slechts 14 dagen, terwijl de eerste synodale vergadering in 1816 vier weken duurde.

Ook hare attributen en magt is bij onze kerkelijke wetgeving bepaald. „De Synode oefent het hoogste kerkelijk bestuur uit (2).” Deze bepaling staat op den voorgrond, zoodat alles, wat vervolgens wordt opgegeven, gevolg is en uitvloeisel van dit hoogste bestuur. Hier dus is het einde van alle kerkelijk gezag en boven de Synode kent de Hervormde Kerk geen bestuur.

Doch daarom moet dit hoogste bestuur tevens rein kerkelijk zijn (3). Alle bestuur der Gemeenten hoegenaamd, in zoover het burgerlijk is of staatkundig, is buitengesloten. — Ook hierin kenmerkt zich de geest van het Protestantisme, waarbij in tegenoverstelling van de Roomsch-Katholieke Eerdienst alle inwerking op burgerlijk gezag geweerd wordt. Men eischt daar Gode te geven, wat Godes is, en den Staat, wat des Staats is. Dit beginsel van christelijk Kerkregt is dan ook hier heerschend.


(1) De orde der vergadering en de loop der werkzaamheden van de Synode is bepaald bij het Reglement van Orde, dat jaarlijks aan het begin der zitting ter synodale tafel wordt vastgesteld en gearresteerd. Zie hetzelve in de Handel. der Synode, 1816, bl. 8 verv., 1817, bl. 7 verv. en 1818, bl. 7 verv. — Verg. het Regl. van Orde 1818, Art. 8, 9, 20, 21, 10.
(2) Alg. Regl., Art. 16.
(3) Verg. het Regl. van Kerkel. Opzigt en Tucht, Art. 4 en elders, bij v.d. Tuuk, III. 204.

|92|

Waarin nu dit hoogste bestuur zich openbaart is nader omschreven: „De Synode is belast met de zorg voor de algemeene belangen der Hervormde Kerk, en in het bijzonder voor alles, wat de openbare Godsdienst en de kerkelijke instellingen betreft (1).” — Nadrukkelijk wordt zulks bepaald tot de instellingen, daar het eene vergadering is van bestier, gelijk zij bij hare eerste vestiging niet „werd opgeroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te bestieren (2).” Desniettemin zijn de verpligtingen der Leden ook van deze hoogste vergadering nopens de Leer bepaald tot handhaving van de Leer der Hervormde Kerk (3).

Op dezen grondslag rusten dan ook het gezag en de werkzaamheden der Synode, die zoo wel wetgevend, als bestierend en regterlijk zijn.

Het wetgevend gezag der Synode is dat van het hoogste Kerkbestuur; dus de hoogste wetgeving, die in de Kerk aanwezig is. Zij bestuurt de Kerk door eene algemeen wetgeving. Van haar dalen alle kerkelijke wetten, verordeningen en reglementen af, die algemeen voor de Hervormde Kerk gelden moeten. — Gelijk nu deze kerkelijke wetgeving alles omvat, wat de algemeene belangen der Hervormde Kerk, de openbare Godsdienst, en de kerkelijke instellingen betreft, zoo zijn zonder daarom andere uit te sluiten, die tot


(1) Alg. Regl., Art. 21.
(2) Missive aan de Klassis van Amsterdam, b.a. bij v.d. Tuuk, II. 152.
(3) Alg. Regl., Art. 9, en Regl. van Opzigt en Tucht, Art. 2, t.a.p.

|93|

het bovengenoemde behooren, de onderwerpen van dit wetgevend gezag nader bepaald, als die betrekkelijk de toelating tot de Predikdienst en het Examen van Kandidaten, — Predikantsberoepingen en vakaturen, — Kerkeraden, — godsdienstig onderwijs, — kerkvisitatie, — kerkelijk opzigt en tucht, — kerkelijke fondsen, en andere aanverwante onderwerpen. — Reeds dadelijk heeft zij zoodanig eene wetgeving uitgeoefend in de door haar vervaardigde Reglementen, en gaat hierin, des benoodigd zijnde, telkens voort. — Want dit hoogste wetgevend gezag strekt zich uit zoo wel tot de eerste wetgeving, als tot de trapswijze verbetering derzelver, en der provinciale reglementen, die eenmaal ontworpen zijnde, geene veranderingen kunnen ondergaan, dan op een besluit der Synode onder sanctie des Konings (1). — Uit den boezem dus dezer Kerkvergaderingen komen alle bepalingen voort, die den gang van zaken in de Hervormde Kerk van Nederland regelen.

Het bestierend gezag, gegrond op de bestaande wetgeving, bepaalt zich tot uitvoering, handhaving en zorg. — Haar toch betaamt het te waken voor den weldadigen invloed der door haar gevestigde wetgeving. Tot die bestiering behoort in het algemeen de beslissing op voorstellen, aan haar langs den kerkelijken weg ingezonden door mindere Kerkbesturen of andere Leden. — Daartoe is ook de uitvoering van al hare besluiten haar regt. Zij doet dit door de


(1) Alg. Regl., Art. 23-29, 42.

|94|

mindere kerkelijke Collegiën; en heeft later eene synodale Commissie benoemd, inzonderheid bestemd om te waken voor de uitvoering der genomene maatregelen. — Deze waakzaamheid over de uitvoering oefent zij uit door zich jaarlijks verslag te doen geven der kerkelijke instellingen, aan haar gezag en oppertoezigt onderworpen, of door haar gevestigd, alsmede van den staat der verschillende algemeene kerkelijke Fondsen en van de verrigtingen der synodale Commissiën (1). Daardoor toch waakt zij tegen mogelijke misbruiken, en gaat jaarlijks voort in de regeling van alles, wat tot welstand der Kerk dienen kan. — En zoo ligt in de beoordeeling en het onderzoek dezer rapporten en verslagen een gewigtig gedeelte van hare werkzaamheden, bij welke de Kerk grootelijks belang heeft, alzoo de uitwendige belangen van het kerkelijke Genootschap daarmede ten naauwste verbonden zijn (2).

Evenzeer bepaalt zich hare zorg vrij algemeen tot alles, wat ter synodale tafel gebragt wordt, betrekkelijk de algemeene belangen, vooral der openbare Godsdienst en kerkelijke instellingen. — Daartoe gaf


(1) Zie Regl. op de klass. Kosten, Art. 25. — Regl. voor een Algemeen Weduwenfonds, Art. 18. — Dispositie op de Administratie van Kerkel. Fondsen, 6 Dec. 1817, bij v.d. Tuuk, Handb., I. 281, 485, 489, 490, 491; II. 118, 257; III. 267. Instructie voor de algem. synodale Commissie in de Handel. der Synode, 1827, bl. 78, 85, en Koninkl. Besluit daaromtrent d.d. 26 Nov. 1827. n. 67.
(2) De rapporten dier Commissiën van Onderzoek worden jaarlijks opgenomen in de Notulen, en van daar in de gedrukte Handelen der Synode.

|95|

zij wenken, raadgevingen en voorschriften nopens de openbare Godsdienstoefeningen (1), en ontvangt zij kennisgeving en naauwkeurig verslag van de afgelegde kerkelijke Examina der Kandidaten, van het getal der Proponenten, van de Kerkvisitatie enz.; welke verslagen jaarlijks in Commissiën gesteld worden, om daarop gedurende de synodale zitting rapport uit te brengen. — Hierdoor handhaaft zij tevens de kerkelijke instellingen; maar niet minder waakt zij, gelijk alle andere besturen, voor de handhaving der Hervormde leer (2).

Het regterlijk gezag, of de christelijke tucht, wordt in het hoogste ressort door haar uitgeoefend, zoo wel bij aanklagte, als bij beroep (appèl). Doch hierover zullen wij later in deszelfs geheel handelen. — Maar zoo onafhankelijk haar regterlijk gezag is, zoozeer is de uitvoerende en wetgevende magt aan de sanctie des Konings onderworpen, schoon zij niet slechts ontwerpt en voordraagt, maar tevens besluit. Deze besluiten echter der Synode krijgen eerst wetgevend en uitvoerend gezag door de sanctie des Konings of het visa van het Ministeriëel Departement (3).

De eerste synodale vergaderingen, waarop onze Hervormde Kerk moest worden geregeld, waren meer werkzaam met onderwerpen van kerkelijke wetgeving;

|96|

doch nadat dezelve eenmaal gevestigd was, bleven er wel is waar telkens nog wettelijke bepalingen vast te stellen; maar grootendeels kon zij zich met de verdere bestiering, zorg en tucht der Kerk bezig houden, gelijk zij daaraan bij voortduring hare zittingen blijft wijden (1).


(1) Men vergelijke bij geheel dit onderwerp de Handel. der Synode.

Royaards, H.J. (1834) § 26

§ 26.
Vroegere Synodale Commissiën.

Uit de werkzaamheden der Synode ontstonden allengs Synodale Commissiën, die met zoodanigen tak van beheer, zorg, uitvoering of raadpleging belast waren, welke niet gedurende de zittingen der synodale vergaderingen konden afgedaan worden, maar na het scheiden der Synode duurzamer werkzaamheid vereischten. Zij waren uitvloeisels der Synode.

Behalve die Commissiën, welke meer dan eens ter Synode benoemd werden, om in de vergadering des volgenden jaars te berigten, zijn er vroeger twee Commissiën benoemd, aan welke bestendige werkzaamheden werden opgedragen; doch als synodale Commissiën zijn zij naauwkeurig te onderscheiden van die Collegiën van bestuur, welke mede den naam van Commissiën dragen.

Zoo immers ontstond de synodale Commissie voor de binnenlandsche noodlijdende Kerken. — De ongunstige

|97|

toestand van vele Kerken en Pastorijen in Nederland deed reeds in 1821 een voorstel op de Synode inleveren ter vestiging van zulk een fonds. Hierover werd gehandeld en door de benoemde Commissiën op volgende Synoden rapport uitgebragt, tot dat in 1826 eene afzonderlijke Commissie werd ingesteld. — Ter vestiging van een bijzonder fonds daartoe werden jaarlijksche bijdragen verzameld. De Commissie deed jaarlijks ter Synode rekening en verantwoording van het besteden der gelden, door de Synode toegestaan en verordend. — Deze Commissie bestond van 1826 tot 1828, toen dezelve werd overgedragen aan de algemeene synodale Commissie (1).

Er bestond eveneens gedurende eenigen tijd eene Commissie van Correspondentie. — De klagten van het Provinciaal Kerkbestuur van Limburg, wegens de pogingen der Roomsch-Katholieken tot proselytenmakerij, vooral bij gelegenheid van ongelijke huwelijken tusschen Protestanten en Roomschen, gaven aanleiding tot bedachtzame, echt christelijke, waakzaamheid en zorg voor de belangen der Hervormde Kerk. Er werd eene Synodale Commissie van Correspondentie gevestigd en aangesteld, „welker hoofddoel zijn moest, zooveel mogelijk te zorgen, dat de algemeene belangen der Protestantsche Kerk niet benadeeld werden door den onmatigen godsdienstijver


(1) Zie Handel. der Synode, 1821, bl. 41, 63; — 1822, bl. 42; — 1826, bl. 44, 115, 116; — 1828, bl. 37, 58. De Rapporten der Commissie ter Synode ingebragt in 1827, in de Hand. der Synode, 1827, bl. 26 volg.; — 1828, bl. 21-37, vgl. met bl. 58.

|98|

der Roomschgezinden.” Uit deze Commissie, in 1824 gevormd, werd eene Centrale Commissie van Correspondentie benoemd, uit de in en bij ’s Hage wonende Leden der Synodale Commissie, en voor dezelve een Instructie gearresteerd (1).

De werkzaamheden bepaalden zich tot correspondentie met de Kerkbesturen of de Correspondenten; tot het houden van ten minste vier vergaderingen des jaars in ’s Hage; — tot assumtie van Leden der overige Protestantsche Kerkgenootschappen, die tot de Commissie van Correspondentie zouden benoemd worden, in welk geval deze zou werkzaam zijn als algemeene Protestantsche Commissie van toezigt, terwijl alsdan aan de centrale Commissie werd overgelaten de behoorlijke maatregelen voor haar Kerkgenootschap te nemen. — Zij zou de pogingen begunstigen der Protestantsche Maatschappij tot bevordering van welstand, of ook van andere gelijksoortige Maatschappijen. — Vooral werd haar opgedragen te letten op het getal der geloofsveranderingen van Roomsch-Katholieken en Protestanten wederkeerig (2).

Ook deze Commissie verrigtte hare werkzaamheden tot in 1827, toen dezelve werden overgedragen aan de vaste Synodale Commissie, en zij als afzonderlijke Commissie werd ontbonden (3).


(1) Handel. der Synode, 1824, bl. 76; — 1825, bl. 55.
(2) Instructie der centrale Commissie, te vinden in de Hand. der Synode, 1825, bl. 49-51, 55, vgl. met de Hand. 1824, bl. 76, 77; — en 1825, bl. 54. n. 2.
(3) Hand. der Synode, 1828, bl. 63, 69. — Zie de jaarlijksche Rapporten der Commisse aan de Synode in de Handel. t.a.p. ➝

|99|

De beide Commissiën voor de Waalsche Kerken en voor de Oost-Indische Kerkzaken, geene Synodale Commissiën zijnde, maar Collegiën van bestuur, behooren niet hier ter plaatse.


➝ 1825, bl. 47-56; — 1826, bl. 14-20; — 1827, bl. 50-64; — 1828, bl. 44-49.

Royaards, H.J. (1834) § 27

§ 27.
Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk.

Toen sommigen meenden te kunnen voorzien, dat de Synodale Commissiën meer en meer zouden vermenigvuldigen, werden aller werkzaamheden opgedragen aan eene Commissie, die met geheel ons Kerkbestuur in het naauwste verband staat, en optrad als algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk.

Dezelve ontstond in 1827 met het uitgedrukte doel, opdat de Hervormde Kerk van Nederland langer dan 14 dagen des jaars zou worden vertegenwoordigd. In zooverre dus moest zij strekken, om eene vaste vertegenwoordiging van de Nederlandsche Hervormde Kerk te geven, en dezelve meer volledig en duurzaam te maken.

Zulk eene duurzamer vertegenwoordiging achtte men noodig, opdat de tusschentijds bij het Ministerie inkomende zaken kerkelijk van wege de Synode konden worden afgedaan, en de Staat daaromtrent niet in den nood behoefde te beslissen; — opdat de synodale

|100|

besluiten na de scheiding der Synode meer geregeld konden worden uitgevoerd; — opdat de loopende zaken konden worden afgedaan, of aanhangige zaken behandeld; en men drong zulks aan in overeenstemming met het vroeger bestaan der Deputati Synodi, die de synodale besluiten uitvoerden, en door het voorbeeld der Evangelisch-Luthersche Kerk, alwaar zulk eene Commissie gevonden wordt. — Op deze grondslagen rustte het voorstel, en werd het aangenomen en de Commissie ingevoerd (1). —

Hieruit laat zich de aard en het karakter dezer Commissie geredelijk kennen. Zij is geen Collegie, met eenig wetgevend gezag hoegenaamd bekleed. Zij heeft alleen uitvoerend en bestierend gezag, en kan daarom nooit de Synode vervangen, zonder inbreuk te maken op de regten der Kerk (2). Zij vertegenwoordigt slechts de Nederlandsche Hervormde Kerk, wanneer de Synode niet vergaderd is; gedurende derzelver sessie houdt zij op te bestaan, maar neemt


(1) Zie het voorstel en het daarop ingeleverde Rapport ter synodale tafel in de Handel. der Synode, 1827, bl. 37, 74-85, 87, verg. met het Koninkl. Besluit, 26 Nov. 1827; te vinden bij Broes, Kerk en Staat, IV. ii. bl. 450. — Men vindt echter eenige min of meer belangrijke veranderingen in het Koninkl. Besluit, vergeleken met de voordragt der Synode.
(2) Daarom staat er uitdrukkelijk in de Instructie en Koninkl. Besluit, Art. 4: „Zij onthoudt zich van het maken van nieuwe bepalingen, het veranderen van bestaande verordeningen, of het invoeren van nieuwe inrigtingen, maar is bevoegd om daartoe voordragten aan de Synode te doen;” verg. met de Handel. der Synode, 1827, 8, Art. 4. Zie Broes, t.a.p. bl. 451.

|101|

overigens derzelver belangen waar. Waar ooit de Synode mogt vervallen, zou van zelve ook deze Commissie vervallen zijn.

Hare werkzaamheden zijn daarom meer bepaald. Zij waakt voor de uitvoering der kerkelijke reglementen en synodale besluiten, en dient bij den Staat en de kerkelijke Collegiën, des benoodigd zijnde, van consideratie, elucidatie en berigt. Zij voert uit of voltooit wat haar door de Synode is opgedragen, of doet voordragten aan de Synode. Jaarlijks doet zij aan de Synode rapport van al het door haar verrigte, hetzelve aan de synodale goedkeuring onderwerpende. — Een belangrijk gedeelte harer werkzaamheden bestaat in het bestier van het fonds voor binnenlandsche noodlijdende Kerken, en de regeling dier werkzaamheden voor de Synode; in de waakzame zorg over het rigtig beheer en gebruik der verstrekte gelden, als ook in hetgeen tot de Commissie van Correspondentie behoorde (1).

Wat hare zamenstelling betreft: zij bestaat uit zeven Leden, als twee vaste Leden, den tijdelijken President en den Secretaris der Synode, en vijf andere Leden uit Predikanten of Ouderlingen of Oud-Ouderlingen bestaande. — Deze worden benoemd door den Koning, uit een dubbeltal door de Synode opgemaakt. Jaarlijks treedt één Lid af, die weder verkiesbaar is. Uit geene Provincie mag meer dan


(1) Instructie en Koninkl. Besluit, t.a.p. Art. 1-6, en hierboven § 26, bl. 97, 98.

|102|

één Lid gekozen worden, buiten Zuid-Holland, waaruit nevens den Secretaris der Synode nog een Lid kan gekozen worden.

De Commissie vergadert driemaal des jaars in ’s Gravenhage; het Ministerieel Departement kan dezelve ook buitengewoon doen vergaderen.

Van de Synode daalt eenig gezag op haar af. Ook de Kerkbesturen zijn gehouden aan de aanschrijvingen der Synodale Commissie te voldoen, en de gevraagde inlichtingen te geven; terwijl aan dezelven voorbehouden blijft zich des bezwaard vindende, na voldaan te hebben aan de aanschrijvingen, bij de Synode te beklagen (1).

Deze Commissie, zoo lang zij blijft binnen de grenzen harer werkzaamheden en van haar gezag, verandert geenszins noch den vorm, noch het bestuur onze Kerk. — De vorm wordt daardoor niet oligarchisch, maar blijft aristocratisch; daar al het wetgevend gezag bij de Synode blijft berusten; hier toch bestaat geen Collegie van Kerkbestuur, maar eene Commissie, die geene nieuwe bepalingen maken kan, daar dit regt alleen aan de Synode behoort; — die zelfs ophoudt te bestaan, wanneer de Synode vergaderd is, en die jaarlijks verantwoording doet aan dit hoogere Collegie en aan deszelfs oordeel hare handelingen onderwerpt. — Ook het Bestuur blijft geheel, gelijk vroeger,


(1) Koninkl. Besluit, Art. 7-16. — Zie het jaarlijksche Verslag van deze Synodale Commissie ter Synode, in de Handel. der Synode, 1828, bl. 38-43; — 1829, bl. 24-32; — 1830, bl. 20-29; — 1831, bl. 33-43; — 1832, bl. 34-65.

|103|

ingerigt, maar ter verzekering van de maatregelen des Bestuurs en ter handhaving van de regten der Kerk is daarbij eene nieuwe bestendige Commissie gevoegd.

Gevaarlijk zou echter de Synodale Commissie kunnen worden voor de vrijheid der Kerk, indien zij de grenzen van haar gezag overschrijdde, en de Synode door eene laakbare onverschilligheid zulks duldde. Deze toch is daar om te waken, dat de Synodale Commissie niet in de regten der Synode ingrijpe, en geene Oligarchie in onze Kerk invoere. Doch blijft men aan het eenmaal gevestigd beginsel vasthouden, en zoekt de Staat niet meer door haar te laten verrigten, dan met haar gezag overeenstemt, dan blijven de regten der Kerk ook ten deze gewaarborgd. — Voor misbruiken zou hier in vervolg van tijd ligtelijk aanleiding wezen kunnen; maar tegen die misbruiken wake de Kerk, vooral de Synode, en bovenal de gemoedelijke pligtsbetrachting van de Leden der Synodale Commissie (1).


(1) Vgl. Broes, Kerk en Staat, IV. i. 138.

Royaards, H.J. (1834) § 28

§ 28.
Provinciale Kerkbesturen (2).

De tweede tak van bestuur is Provinciaal. Terwijl toch in onzen tegenwoordigen Kerkvorm eene nationale of algemeene Synode bestaat, zijn de Provinciale Synoden, die vroeger bestonden, te niet


(2) Zie Alg. Regl., 3 Afdeel., Art. 32-48 bij v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. I. 13-17.

|104|

gegaan. Maar daarentegen is in elke Provincie een Provinciaal Kerkbestuur gevestigd — Oorspronkelijk werden dezelve bij het reglement alleen tot Noord-Nederland bepaald (1). Later werd tijdens onze vereeniging met België een Provinciaal Kerkbestuur van Limburg opgerigt, dat de Protestantsche Kerken van Zuid-Nederland bevatte. Hetzelve is na de Belgische omwenteling daadwerkelijk ontbonden (2).

De zamenstelling dezer Besturen is op een eenparigen voet ingerigt. — Zij bestaan uit één Predikant van elke Klasse in het Provinciaal Ressort, nevens een Secretaris, en voor een der Klassen bij jaarlijksche beurtverwisseling een Ouderling of Oud-Ouderling; nevens benoemde Secundi voor elk derzelver (3). — De Leden en derzelver Secundi worden gekozen door den Koning uit een kerkelijk drietal, opgemaakt door het Provinciaal Kerkbestuur, uit het zestal bij hetzelve ingezonden door het Klassikaal Bestuur. — Van deze Leden treedt jaarlijks zoo na mogelijk een derde af; doch de aftredenden blijven steeds weder verkiesbaar (4). — Uit de Leden benoemt de Koning een President, die jaarlijks aftreedt en weder verkiesbaar is, wien bij afwezigheid de oudste der aanwezige Leden vervangt; — alsmede een Secretaris, buiten


(1) Ald. Art. 40.
(2) Koninkl. Besluit, 16 April 1816, n. 56, Art. 10, bij v.d. Tuuk, Handb. I. 79, en Hand. der Synode, 1831, bl. 7; — 1832, bl. 7.
(3) Alg. Regl., Art. 31, 38.
(4) Alg. Regl., Art. 32, 33, 34. — Synodaal Besluit 1816, in de Hand. der Synode 1816, bl. 73, en v.d. Tuuk, Handb. I. 34.

|105|

de gewone Leden, uit een drietal, door het Provinciaal Bestuur ingezonden; en bij voorkeur gekozen uit de Predikanten der provinciale hoofdstad of der nabuurschap. Deze is mede stemmend Lid der vergadering en wordt bij afwezigheid door het jongste Lid vervangen (1).

De gewone vergaderingen der Provinciale Kerkbesturen worden gehouden driemaal ’s jaars op den eersten Woensdag der maanden Mei, Augustus en October, in de hoofdplaatsen der Provinciën. Buitengewone vergaderingen worden des noods door den President belegd (2).

Ook de kerkelijke wet heeft de attributen dezer vergaderingen bepaald. Zij behartigen de belangen der Kerk in de Provinciën. Zij zijn belast met de zorg voor de belangen van de Godsdienst, de bewaring der goede orde, en de handhaving der kerkelijke wetten in haar ressort.

Ter uitoefening van dezen last kent men haar wetgevend gezag toe. Zij oefenen dit voor haar provinciaal ressort uit. Daartoe ontwerpen zij provinciale reglementen, zoo wel voor de Kerkeraden, als andere voorwerpen, gegrond op de algemeene verordeningen. Zij onderwerpen die aan de sanctie des Konings. Zij maken daarenboven schikkingen op alle voorkomende zaken. Zij zijn in zooverre kerkelijke wetgevers voor de huishoudelijke bepalingen hunner provinciale


(1) Alg. Regl., Art. 37, 38.
(2) Art. 39 en 40.

|106|

ressorten (1). Voor haar aandeel nemen zij ook deel in de synodale wetgeving, daar zij in de vergadering van Mei een Afgevaardigde benoemen ter synodale vergadering, nevens een Secundus (2).

Maar  ruimer is de omvang van derzelver besturend en uitvoerend gezag, of der zorg aan dezelve, in overeenstemming met den geest der Evangelieleer, opgedragen (3). Daarin toch bestaat de hoofdzaak der werkzaamheden, aan haar toevertrouwd. Die zorg strekt zich uit tot uitvoering van al hetgeen nopens de Kerk besloten is, en tot bestiering en regeling van hetgeen in overeenstemming met de kerkelijke wetten moet worden ingevoerd en gehandhaafd.

Tot die uitvoering behoort vooral het naauwkeurig toezigt houden in hare Provinciën op de nakoming van alle synodale resolutiën en reglementen. Vele derzelver zijn haar meer opzettelijk door synodale besluiten opgedragen. Daartoe verzekeren zij de rigtige nakoming der kerkelijke verordeningen, en weren alle daarmede of met de belangen van de Godsdienst niet overeenkomstige handelingen; gelijk zij ook door bepalingen zorgen voor de afschaffing van misbruiken. Ter bevordering hiervan ontvangen zij van de Klassikale Besturen kennisgeving van de ontdekte misbruiken, b.v. in de kerkelijke administratie, als anderzins (4).


(1) Ald. Art. 41 en Instructie voor de Prov. Kerkbesturen, 31 Oct. 1816, bij v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. I. 35.
(2) Zie boven bl. [?]
(3) Alg. Regl., Art. 17.
(4) Zie boveng. Instructie, en Alg. Regl., Art. 91.

|107|

Gelijk zij zorgen voor de belangen der Gemeenten, zoo houden deze Besturen tevens een waakzaam oog op lagere Kerkbesturen. Zij zenden hunne voorstellen in aan de Synode, en kunnen aan dezelve ook voordragten doen ter verandering der indeeling van de Klassen in Ringen in hun ressort en ter bepaling der Klassikale Hoofdplaatsen. — Ter waakzame zorg over de Ringsvergaderingen ontvangen zij van de Klassikale Moderatoren de verslagen der Ringsvergaderingen, en zenden die in aan het Ministerie. — Zij waken daarenboven over de werkzaamheden der kerkvisitatie, over den geregelden gang van vakaturen en beroepingen, over het rigtige bestier der klassikale kosten, weduwenbeurs, noodlijdende Kerken, en defroyementsgelden; en formeeren in de vergaderingen van October de drietallen voor de Leden der Klassikale Besturen, uit de zestallen, door de Klassen opgemaakt (1). — Als beginsel bij alle deze werkzaamheden is aangenomen, dat alles in het Provinciaal Ressort van dezelven afdaalt, en door derzelver intermediar geregeld wordt (2).
In deze werkzaamheden ondersteunt hen het Ministeriëel Departement.

Maar een voornaam en hoogstbelangrijk gedeelte van hunne werkzaamheden bestaat in de toelating van Kandidaten der Theologie  tot de Predikdienst. Van


(1) Alg. Regl., Art. 54, 83, en over deze bijzondere onderwerpen, die men hieronder te zijner plaatse.
(2) Zoo hebben twee van derzelver Leden zitting in het Provinciaal Collegie van Toezigt. Zie v.d. Tuuk, t.a.p. III. 2, 47.

|108|

deze Kerkbesturen hangt het dan grootendeels af, of geene dan bekwame, kundige en geschikte Leeraars worden toegelaten in de Kerk. Daarom zijn hieromtrent naauwkeurige voorschriften gegeven, en wordt op het afnemen der Examina naauwkeurig ook door de Synode gewaakt (1).

Eveneens is aan die zorg der Provinciale Besturen ook de waakzaamheid over de Leer en de handhaving derzelver in het algemeen aanbevolen, en meer bijzonder voorgeschreven door de authentisatie der Bijbeluitgaven voor kerkelijk gebruik bestemd, aan haar opgedragen (2), en de kerkelijke approbatie van boeken, aan dezelve, even als aan de Theologische Faculteiten, verleend (3). — Daarenboven maken zij de noodige beschikkingen op de Eerdienst, zooverre deze van provinciaal belang zijn; doch zijn tevens gelast bij de aanschrijvingen aan de Leeraren omtrent de Dank- en Bededagen zich te onthouden van in eenige bijzonderheden te treden (4).


(1) Alg. Regl., Art. 45, en gerevid. Regl. op het Examen, 1831, in de Hand. der Synode, 1831, bl. 171 verv. Zie de jaarlijksche verslagen der Synode over de afgelegde Examina in de Hand. der Synode, elk jaar opgenomen.
(2) Alg. Regl., Art. 9. — Synod. Resol. nopens de authentisatie der Bijbeluitgaven, 3 Julij 1818, p. 19 en 20, en de daarop gegronde aanschrijving aan de Provinciale Besturen bij v.d. Tuuk, Handb. I. 330.
(3) Synodale Resolutie omtrent de kerkelijke approbatie van boeken. Zie Hand. der Synode, 1816, 23 Julij, bl. 48, 69-71, — en v.d. Tuuk, I. 328.
(4) Synodale Resolutie over de Biddags-uitschrijving in de ➝

|109|

Nevens het wetgevend en uitvoerend gezag is ook een tak van regterlijk gezag, t.w. die voor het Provinciaal Ressort, aan dezelven voor een gedeelte toevertrouwd. Deze oefenen zij uit door beslissing van geschillen der Klassikale Ressorten en vergaderingen; door proceduren en afzetting van Predikanten, Kandidaten en Kerkeraadsleden en door beslissing in appèl van klassikale vonnissen (1).

Alzoo houden deze Besturen den band aanwezig tusschen de Synode en de Klassikale Besturen.


Hand. der Synode, 1821, bl. 51, — en de synodale aanschrijving aan de Prov. Kerkbesturen, bij v.d. Tuuk, Handb. II. 84. — Over de correspondentie dezer besturen zal later gehandeld worden; zie ook v.d. Tuuk, t.a.p. I. 174, 177, 178.
(1) Alg. Regl., Art. 43, 44, 46, — en Regl. op de kerkel. tucht, b.a.

Royaards, H.J. (1834) § 29

§ 29.
Klassikale Besturen (2).

In de Hervormde Kerk van Nederland toch zijn alle besturen naauw zamen verbonden. Is nu elk Provinciaal Ressort verdeeld in Klassen; het kerkelijk bestuur in elk Klassikaal Ressort is opgedragen aan een Klassikaal Bestuur of eene Commissie van Moderatoren voor het kerkelijk Bestuur in het klassikaal Ressort (3). Dit Bestuur, in elke Klasse aanwezig, vormt het middenpunt tusschen het Provinciaal


(2) Zie de algemeene bepalingen voor de Klassikale Besturen in het Alg. Regl., Art. 49-64, bij v.d. Tuuk, Handb. a. I. bl. 17-22.
(3) Alg. Regl. t.a.p., Art. 55.

|110|

Bestuur en de Gemeenten. — Gelijk nu het Provinciaal Bestuur de algemeene belangen der Provinciale kerken behartigt, zoo komt het meer bijzondere voor de verschillende Klassen bij dit Bestuur voor.

Ook in de inrigting en zamenstelling dezer vergadering heerscht, even als in de overige Collegiën, het vertegenwoordigende stelsel. — Zij bestaan uit een Praeses, die tevens Lid is van het Provinciaal Bestuur voor zijn Klassikaal Ressort, en den band bewaart tusschen beide Besturen; — den Secundus van denzelven, als Assessor fungerende; — twee, drie of vier gecommitteerde Predikanten, naar belang van de uitgebreidheid der Klassen of de talrijkheid der Leden, — een Scriba — en een Ouderling of Oud-Ouderling.

Eveneens geschiedt de benoeming dezer Moderatoren en van den Scriba langs den kerkelijken weg, door den Koning, uit de Predikanten, Ouderlingen en Moderatoren van het Klassikaal Ressort. — Voor elk der bestaande vakaturen wordt een zestal opgemaakt door de jaarlijksche Klassikale Vergadering, en dit door het Provinciaal Kerkbestuur tot een drietal verminderd. — Voor den President is geene benoeming noodig, evenmin als voor den Assessor, daar dezen uit het Provinciaal Bestuur worden afgevaardigd als Praeses en Assessor der Klassikale Moderatoren. — De Secretaris wordt bij voorkeur gekozen uit de Predikanten der Klassikale Hoofdplaats, of derzelver nabuurschap.

De aftreding heeft verschillend plaats. Jaarlijks

|111|

treedt een of twee Moderatoren, naar gelang van het aantal Leden af, doch blijft weder benoembaar. — De Secretaris blijft drie jaren aan; de Praeses en Assessor, zoo lang zij zitting hebben in het Provinciaal Bestuur.

De vergaderingen worden zesmaal ’s jaars gehouden; op den laatsten Woensdag in de maanden Januarij, Maart, Mei, Julij, September en November. Doch evenzeer als bijzonder des winters de vergadering kan worden uitgesteld, indien de werkzaamheden zulks toelaten, kan ook de Praeses buitengewone vergaderingen beleggen (1).

De werkzaamheden der Klassikale Besturen zijn geregeld naar den aard van derzelver vergaderingen. — Eigenlijk wetgevend gezag is aan deze Collegiën niet opgedragen. — Maar gelijk er voor elke Afdeeling der Kerk een dubbel beheer is, dat van dadelijke bestiering of zorg, en dat van toezigt, zoo zijn daarin vooral de grenzen van hunne werkzaamheden afgebakend. „Zij zorgen voor de belangen der Kerken in hun Ressort, en houden toevoorzigt over de Gemeenten (2).” — Wat daar buiten ligt, geldt hen niet. Van deze beide beginselen uitgaande, heeft men die werkzaamheden bij de bijzondere reglementen nader bepaald. Wij zullen de hoofdtrekken van derzelver zorg en toezigt aanwijzen.

Deze zorg en waakzaamheid over de belangen der


(1) Alg. Regl., Art. 55-59.
(2) Alg. Regl., Art. 60.

|112|

Gemeenten in hun Ressort strekt zich uit tot alle maatregelen, die daartoe dienstig zijn. Daartoe volbrengen zij, wat hun door de Provinciale Besturen wordt aanbevolen, en houden correspondentie met dezelven, zoo wel als met de Praetoren der Ringen en de Kerkeraden der onderscheidene Gemeenten (1). — Voorts is hun het geldelijk beheer der klassikale kosten aanbevolen (2) en de overmaking der gelden voor noodlijdende Kerken (3), het doen van voordragten omtrent de bedeeling, maar geenszins het bestuur der klassikale weduwenbeurzen (4), schoon zij de belangen der Predikantsweduwen en weezen behartigen. — Waar zij misbruiken ontwaren in de administratie der kerkelijke fondsen, geven zij daarvan berigt aan de Provinciale Kerkbesturen, even als zij aan dezelve de verslagen der Ringsvergaderingen overmaken, en van deze voorstellen en adressen voor de Synode ontvangen, en hooger opzenden, tenzij zij zulks weigeren (5).

Gelijk aan de Provinciale Kerkbesturen het Examen der Kandidaten, zoo is aan de Klassikale Besturen het Examen en de toelating der Katechiseermeesters


(1) Ald. Art. 61.
(2) Reglem. op de klassikale kosten, Art. 13, bij v.d. Tuuk, I. 276.
(3) Dispositie op de overdragt en overmaking van kerkelijke Liefdefondsen, d.d. 6 Dec. 1817, bij v.d. Tuuk, I. 492.
(4) Synod. Resol. over de wijze van bedeeling uit het fonds van noodlijdende Kerken, 13 Julij 1822, te vinden in de Hand. der Synode, 1822, bl. 101, 102, en bij v.d. Tuuk, Handb. II. 118, — en v.d. Tuuk, I. 473.
(5) Alg. Regl., Art. 91, en 83.

|113|

opgedragen. Hierdoor kunnen zij vooral waken voor het heil der Kerk (1).

Reeds is in deze werkzaamheden zoowel beheer als toezigt naauw verbonden, gelijk de aard van ons christelijk Kerkbestuur zulks medebrengt; doch ook meer regtstreeks houden zij toezigt in andere betrekkingen, hun opgedragen. — Zoodanig toezigt oefenen zij uit over de Gemeenten en Kerkeraden, vooral bij de Kerkvisitatie, die door de Leden van het Klassikaal Bestuur verrigt wordt, en welke onder de belangrijkste werkzaamheden behoort, waardoor de Afgevaardigden bij eene gemoedelijke behartiging welligt meer heil kunnen stichten, dan door eenige andere hunner werkzaamheden (2). — Dit toezigt over de Gemeenten is vooral werkzaam ten opzigte van vacaturen en beroepingen, bevestiging en ontslag der Predikanten. Alle bijzondere en plaatselijke schikkingen daaromtrent te maken, zijn den Gecommitteerden opgedragen. De zorg voor de vervulling van de dienst bij vacerende Gemeenten; de aanvrage om handopening en de approbatie der beroepingen; de zorg voor Consulenten en de Ringbelangen, en alle verdere schikkingen, opdat ook deze belangen der Gemeente met orde worden behartigd, zijn aan dit Bestuur toevertrouwd (3). — Zij waken


(1) Zie Reglement op het Godsdienstig Onderwijs, Art. 21, bij v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. I. 319.
(2) Reglem. op de Kerkvisitatie, Art. 2, bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 137.
(3) Reglem. op de Vacaturen en Beroepingen, bij v.d. Tuuk, III. 283 verv.

|114|

voor het belang der Kerk door naauwkeurig toezigt te houden, dat de wet en verordeningen op het prediken van Studenten stipt worde gehandhaafd (1). Ook dit staat onder hun onmiddelijk opzigt.

Aan het Ministeriëel Departement geven zij berigt van de veranderingen in het personeel en het bestuur der Ringsvergaderingen, en der Gecommitteerden tot den ontvang der vacatuurpenningen (2).

Eindelijk is in dat gedeelte der kerkelijke regtspleging, dat aan hen is opgedragen, een niet onbelangrijk opzigt over Kerkeraden en Predikanten gelegen. — Hetzelve strekt zich uit tot de beslissing van alle geschillen der Kerkeraden, — tot de tijdelijke schorsing (suspensie) van Predikanten, Kandidaten en Kerkeraadsleden, — en tot de vonnissen in appèl op alle besluiten der Kerkeraden (3).


(1) Synodale Resolutie omtrent het prediken van Studenten, 24 Julij 1816. Zie Handel. der Synode, 1816, bl. 72, en v.d. Tuuk, t.a.p. I. 261, — en nadere verordeningen op hetzelve, 12 Julij 1820, — en de Handel. der Synode, 1820, bl. 54 verv. en bij v.d. Tuuk, II. 12.
(2) Circulaire, d.d. 7 Sept. 1822, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 129.
(3) Regl. van kerkelijk Opzigt en Tucht, t.a.p., — en meer hierover in het Tweede Deel.

Royaards, H.J. (1834) § 30

§ 30.
Klassikale Vergadering (4)

Behalve de vergaderingen van klassikale Moderatoren, bestaat er eene jaarlijksche bijeenkomst van al


(4) Zie over dezelve: Alg. Regl., Art. 65-67. — Instructie

|115|

de Leden der Klasse of eene klassikale vergadering, waarop alle Predikanten en sommigen van derzelver Ouderlingen verschijnen kunnen. — Dit overblijfsel der oude Klassen is uit een zedelijk oogpunt in onzen Kerkvorm zeer belangrijk, wijl het den band bevordert tusschen de Leeraren der Hervormde Kerk. Zijn toch de oude banden in ons hedendaagsch Kerkbestuur ontbonden; de onderlinge broederlijke vereeniging wordt hierdoor aangekweekt, wanneer jaarlijks op een en denzelfden dag alle Predikanten in het geheele Rijk zich in verschillende bijeenkomsten verzamelen. Dit zedelijk oogpunt, waartoe de vorm des bestuurs aanleiding geeft, is overeenkomstig den geest van het Protestantisme. Uit hetzelve uitgaande, heeft de Koning de bijwoning derzelver aangemoedigd.

Deze broederlijke vergadering bevordere onderlinge liefde, en bekendheid met elkander, maar zij oefent geen kerkelijk bestuur uit. — Er zijn haar echter eenige werkzaamheden opgedragen. Zij vormt een kerkelijk kiescollegie. Op dezelve toch worden de zestallen gemaakt voor elk der aftredende Moderatoren van het klassikaal Bestuur, deszelfs Secundus en den Scriba. — In dit kerkelijk kiesregt ligt het bolwerk voor onzen Republikeinschen Kerkvorm, en tegen het ontstaan eener Hervormde Hierarchie. Het is daarom geenszins gering te schatten.


voor de klassikale vergadering, 17 Mei 1816, bij v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. I. 44, 45. — Koninkl. Besl. omtrent de toelagen voor de klassik. vergader., 1 April, 1817, n. 36, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 46, 47.

|116|

Verder is aan deze broederlijke vereeniging ook particulier financiëel beheer opgedragen. — Daar de klassikale weduwenbeurzen aan de geheele Klasse behooren, en elk Lid daarop regt heeft, volgt ook het verslag der rekeningen van klassikale weduwenbeurzen, en andere fondsen, en de benoeming van een klassikalen Quaestor, alsmede het nemen van besluiten over de klassikale weduwenbeurs, op deze vergadering.

Binnen deze grenzen bepalen zich hare werkzaamheden, die gewoonlijk vriendbroederlijk worden geëindigd.

Royaards, H.J. (1834) § 31

§ 31.
Ringsvergaderingen.

Is elke Klasse in Ringen ingedeeld (1), er zijn bij de organisatie onzer Kerk ook Ringsvergaderingen of bijeenkomsten van de Predikanten der Ringen ingesteld (2). Deze liggen wel buiten de grenzen van ons Kerkbestuur, daar zij geen collegie van Bestuur uitmaken (3), maar zij zijn toch opgenomen in het Algemeen Reglement op het bestuur onzer Kerk, en aan dezelven zijn tevens bepaalde werkzaamheden opgedragen, welke voor het bestuur der Gemeenten, vooral van vacaturen, van belang zijn.

Zij bestaan uit al de Predikanten van den Ring, die door het Algemeen Reglement „opgewekt worden,


(1) Zie boven, bl. 71.
(2) Alg. Regl., VI Afd., Art. 80-83.
(3) Ald. Art. 80.

|117|

om bepaalde zamenkomsten te houden,” naar verkiezing geregeld, zoo wel wat het getal derzelver, als den tijd en de plaats der bijeenkomst betreft (1). Zij kiezen bijmeerderheid uit hun midden een Praetor en Scriba (2).

Het hoofddoel dier bijeenkomsten is grootendeels zedelijk-godsdienstig. Zij strekken ter onderlinge opscherping der Predikanten en ter versterking van den band der broederlijke liefde. Daartoe verbinden zij de naburige Predikanten, en kunnen bij hen een gepast hulpmiddel zijn tot aankweeking niet alleen van die broederliefde, maar ook van ambtsijver, wetenschappelijke vorming en godsdienstigen zin, zoowel onder de Leeraren zelve, als ter bevordering van denzelven in de Gemeenten, aan hunne zorg toevertrouwd (3). Hierdoor kan deze instelling zeer weldadig werken. Worden zij wél ingerigt, geregeld gehouden en verbonden met wetenschappelijke of herderlijke werkzaamheden, dan zijn zij in staat het gemis van onderlinge vereeniging te vergoeden, beter dan talrijke vergaderingen doen kunnen.

Behalve deze vrijwillige werkzaamheden zijn aan dezelven door onze kerkelijke wetgeving eenige bepaalde werkzaamheden opgedragen: als de zorg voor de


(1) Art. 81 en Dispositie op de eerste Ringsvergaderingen, 15 Maart 1816, Art. 13, bij v.d. Tuuk, Handb. I. 112, alwaar men de eerste Installatie der Ringsvergaderingen vermeld vindt.
(2) Alg. Regl., Art. 81. — Circulaire over de Opgave der Praetoren en Scriba’s, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 129.
(3) Ald. Art. 82.

|118|

vervulling der vacaturen (1), vooral ook in het jaar van gratie (2), — het geven van „mededeelingen en beraadslagingen over den toestand van het godsdienstig onderwijs in hunne Gemeenten, ten einde dit belangrijke vak van hunne dienst op de beste wijs te bevorderen (3)”, — de verdeeling der Ringsgelden en bepalingen daaromtrent (4), — de uitbetaling der jaarlijksche contributie voor het weduwenfonds in vacaturen van Gemeenten, alwaar geen tractement uit ’s lands kas wordt genoten (5), — de behartiging van de onderlinge belangen der Gemeenten, ook door voorstellen aan het klassikaal Bestuur in te leveren (6), — het houden van Notulen en inleveren van een jaarlijksch verslag van derzelver verrigtingen aan klassikale Moderatoren, door welken hetzelve aan het Provinciaal Kerkbestuur en Ministeriëel Departement verzonden wordt (7).


(1) Reglem. op de Vacaturen, Art. 6, 8, 17, 18, 21, 22.
(2) Koninkl. Besl. op het jaar van gratie, 9 Julij 1814, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 387.
(3) Regl. op het Godsd. Onderwijs, Art. 34, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 323.
(4) Regl. op de Vacaturen, Art. 19, 23, b.a. — Circulaire over de verdeeling der Ringsgelden, 29 Julij 1822, bij v.d. Tuuk, II. 120. — Bepal. omtrent de administratie der Pastorie Goederen van vacante Gemeenten, 13 Oct. 1824, bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 169-171.
(5) Regl. voor het algemeene Weduwenfonds, Art. 15, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 485.
(6) Synodaal Besluit, 25 Julij 1816, in de Hand. der Synode, 1816, bl. 74. — Circulaire omtrent de kerkel. Correspondentie, 9 Aug. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 173.
(7) Alg. Regl., Art. 83.

|119|

Aldus kunnen ook deze Ringsvergaderingen, inzonderheid ten platten lande, alwaar de ontmoeting der Leeraars van verschillende Gemeenten anders dikwerf minder zou plaats hebben, een bewijs opleveren voor de zedelijke strekking van het kerkelijk genootschap.

Royaards, H.J. (1834) § 32

§ 32.
Bestuur der Gemeenten. — Kerkeraden.

De Kerkeraden, als belast met het bestuur der Gemeenten, bestonden in onze Nederlandsche Hervormde Kerk naar onze aloude instellingen (1). Zij werden bij de nieuwe organisatie der Hervormde Kerk behouden (2). Vervolgens werden de grondtrekken van eene algemeene wetgeving voor dezelven vastgesteld in een Algemeen Reglement op de Kerkeraden (3), en later hier


(1) Bij de eerste vestiging onzer Hervormde Kerk in al onze Kerke-ordeningen, zijn dezelve ingesteld en verordend, gelijk zij met den republikeinschen aard van ons Kerkbestuur geheel overeenkwamen.
(2) Alg. Regl., vii Afd., Art. 84-90.
(3) Zie de aanleiding tot dit Reglement en de beraadslagingen daarover vermeld in de Handel. der Synode, 1822, bl. 107. — 1823, bl. 39 en verv., 54-59. — 1824, bl. 17, 28-37, alwaar het synodale Concept-Reglement voorkomt. — 1825, bl. 27, 28. Hierop volgde de koninklijke sanctie, 16 Nov. 1825. — Zie dezelve, even als het Reglement zelf, bij v.d. Tuuk, Handb., t.a.p. III. 242-251, en de Synodale Resolutie, houdende provisioneele verordeningen omtrent de Kerkeraden, 31 Julij 1816 in de Hand. der Synode, 1816, bl. 65 verv., en v.d. Tuuk, I. 142 volg.
Dit Algemeen Reglement op de zamenstelling en

|120|

en daar naar plaatselijke behoeften gewijzigd door de Provinciale Reglementen op de Kerkeraden (1), behoudens de uitzonderingen, die daarvan bestaan in de afzonderlijke Gemeenten. — Door deze kerkelijke wetgeving, zoowel als meer bijzondere huishoudelijke plaatselijke bepalingen, is het bestaan en de werking der Kerkeraden gevestigd.

Aan deze Kerkeraden toch is het bestuur der Gemeenten, die zij vertegenwoordigen, opgedragen. Zij


werkzaamheden der Kerkeraden bij de Hervormde Gemeenten in het Koningrijk der Nederlanden, zullen wij voortaan in deze aant. het Reglement op de Kerkeraden heeten, ter voorkoming van verwarring met het Algemeen Reglement op het Bestuur der Hervormde Kerk, (gewoonlijk aangehaald onder den naam van: Algemeen Reglement). — Hetzelve bevat vijf Afdeelingen:
1 Afd. Van de zamenstelling des Kerkeraads, Art. 1-6.
2 — Van de vereischten van Predikanten, Ouderlingen en Diakenen, Art. 7-10.
3 — Van de werkzaamheden des Kerkeraads, Art. 11-16.
4 — Van de bijzondere pligten der Predikanten, Ouderlingen en Diakenen, Art. 17-31.
5 — Bijzondere Bepalingen.
(1) Zie hierover boven bl. 24, n. 7. Ook deze bevatten vijf Afdeelingen, doch deels verscheiden, als:
1 Afd. Van de zamenstelling des Kerkeraads, Art. 1-8.
2 — Van de vereischten van Ouderlingen en Diakenen, Art. 9-11.
3 — Van de werkzaamheden des Kerkeraads, Art. 12-17.
4 — Van de werkzaamheden der breede (en groote) Kerkeraden, Art. 18-20.
5 — Van de bijzondere pligten der Predikanten, Ouderlingen en Diakenen, Art. 21-37, met een artikel vermeerderd in Utrecht en Drenthe.
Algemeene Bepalingen.

|121|

behooren daarom uit de verschillende standen onder de Gemeenteleden te zijn zamengesteld, althans uit de achtenswaardigste, kundigste en voornaamste Leden (1). — Waar geene Kerkeraad bestaan kan, wegens gebrek aan voorraad van daartoe geschikte personen (gebrek aan stof, volgens onze Reglementen), daar wordt het gemeentelijk Kerkbestuur uitgeoefend door den Predikant en het klassikaal Bestuur (2).

De zamenstelling en inrigting der Kerkeraden is wettelijk geregeld. Zij bestaan uit opzieners der Gemeente, zijnde Predikanten en Ouderlingen, behoudens de betrekking van Diakenen tot de Kerkeraden, die nader bepaald zijn.

In Gemeenten, waar meer dan vier Ouderlingen fungeren, onderscheidt men dezelven dien ten gevolge in gewone en breede Kerkeraden. De eersten bestaan alleen uit Predikanten en Ouderlingen; bij de laatsten zijn ook de Diakenen gevoegd (3).

Terwijl vroeger groot verschil plaats vond in het getal van Ouderlingen en Diakenen in de verschillende Gemeenten, is het getal der Kerkeraadsleden thans door wettelijke bepalingen vastgesteld, behoudens de uitzondering, die van deze bepaling ingevolge de Reglementen mag verleend worden. — Als algemeen


(1) Alg. Regl., Art. 85. — Huishoudel. Reglementen op de Kerkeraden.
(2) Alg. Regl., Art. 84-86.
(3) Alg. Regl., Art. 85. — Regl. op de Kerkeraden, Art. 1, ➝

|122|

beginsel is vastgesteld, dat het getal van Ouderlingen en Diakenen in kleinere Gemeenten, niet minder mag zijn, dan twee Ouderlingen en twee Diakenen voor elke Gemeente. In gecombineerde Gemeenten zijn er zoovele Diakenen, als er onderscheidene administratiën bestaan (1). — In Noord-Braband echter behoeft in kleinere Gemeenten geen Kerkeraad te bestaan, maar worden de kerkelijke zaken alsdan bestuurd door het klassikaal Bestuur, nevens den Predikant en een Ouderling en Diaken (2).

In grootere Gemeenten is, als maximum van het getal Ouderlingen en Diakenen, de volgende regelmaat vastgesteld:
in Gemeenten van:
1 Predikant niet meer dan 4 Ouderl. en 4 Diak.
2 Predikanten niet meer dan 5 Ouderl. en 5 Diak. en van meer dan twee Predikanten mag het getal der Ouderlingen niet meer wezen, dan het dubbelde van dat der Predikanten; — en dat der Diakenen in geen geval grooter, dan dat der Predikanten en Ouderlingen zamen (3); — of in Zeeland niet grooter, dan dat der Ouderlingen, of het dubbeldtal der Predikanten, tenzij bij uitzonderingen, door het Provinciaal Bestuur te verleenen. — In Vriesland zal in Gemeenten van meer dan twee Predikanten, het getal der Diakenen niet grooter mogen zijn, dan dat der Ouderlingen of het


➝ bij v.d. Tuuk, III. 244. — Huishoudel. Reglem. op de Kerkeraden, 4e. Afd. — Synod. Verorden., t.a.p. bij v.d. Tuuk, I. 143.
(1) Huishoudel. Reglem., Art. 3.
(2) Huishoudel. Reglem. van Noord-Braband, Art. 3, n. 1.
(3) Huishoudel. Reglem., Art. 3, n. 2 en 3.

|123|

dubbeldtal der Predikanten, tenzij om gewigtige redenen, door het Provinciaal Bestuur te beoordeelen (1).

De benoeming der Ouderlingen en Diakenen geschiedt door den Kerkeraad, nevens de Diakenen (2), of door de fungerende Leden van den Kerkeraad (3);  terwijl in Gemeenten, waar Diakenen een afzonderlijk collegie uitmaken, zij mede tot het doen dezer keus worden opgeroepen; doch in dat geval geschiedt de keus der Ouderlingen uit een dubbeldtal, vooraf alleen door Predikanten en Ouderlingen geformeerd; en voor de Diakenen insgelijks uit een dubbeldtal, alleen door Diakenen opgemaakt (4). — Daarenboven geschiedt deze keus in Zeeland behoudens het regt van Ambachtsheeren (5). — In Utrecht moet voor de benoeming van elken Ouderling en Diaken eene afzonderlijke nominatie gemaakt worden, terwijl in Drenthe in groote Dorpsgemeenten dezelve gedeeltelijk uit de hoofdplaats der Gemeente en gedeeltelijk en bij afwisseling uit de onderscheidene Gehuchten, tot dezelve behoorende, gekozen worden (6).

De benoemde Kerkeraadsleden worden driemaal aan de Gemeente voorgedragen, ten einde aan ieder Ledemaat gelegenheid worde gegeven, om voor derzelver


(1) Huishoudel. Reglem. van Zeeland, Art. 3, n. 2, en van Vriesland, Art. 3, n. 2.
(2) Reglem. op de Kerkeraden, Art. 5.
(3) Volgens de bijzond. of huishoudel. Reglementen, Art. 4.
(4) Ald. Art. 5 en 6.
(5) Huishoudel. Regl. van Zeeland, Art. 4.
(6) Huishoudel. Regl. van Utrecht en van Drenthe, Art. 7.

|124|

bevestiging bezwaren tegen de benoemden in te brengen (1). Daarna geschiedt de bevestiging der nieuw verkozene Leden, en de Kerkeraad is gevestigd.

Aan de huishoudelijke bepalingen der Gemeenten is de tijd der aftreding van Ouderlingen en diakenen overgelaten. — Zonder nieuwe benoeming mag echter niemand langer, dan vier jaren aanblijven. — Zij zijn bij aftreding weder verkiesbaar, doch zonder één jaar buiten dienst geweest te zijn, kunnen zij althans niet meer dan tweemaal herkozen worden, anders dan met goedvinden van het klassikaal Bestuur (2). In Utrecht zijn de aftredenden niet weder verkiesbaar, maar is de continuatie onder zekere voorwaarden toegestaan. Alleen de Administrateur of Boekhouder is aldaar weder verkiesbaar (3). — Gewoonlijk treden Ouderlingen en Diakenen met den 1sten Januarij in dienst. In Noord-Holland is echter in grootere Gemeenten vrijheid van deze tijdbepaling gelaten (4), en in Gelderland wordt de Kerkeraad in Gemeenten van niet meer dan één Predikant gedurende den tijd der vacature niet veranderd (5).


(1) Reglem. op de Kerkeraden, Art. 5. — Huishoudel. Regl., Art. 7. — In Utrecht en Drenthe, Art. 8.
(2) Reglem. op de Kerkeraden, Art. 6; nader bepaald bij de Huishoudel. Regl., Art. 8. — Van Utrecht en Drenthe, Art. 9.
(3) Huish. Regl. van Utrecht, Art. 9, n. 2.
(4) Huish. Reglement, Art. 8. — Van Utrecht en Drenthe, Art. 9. — Van Noord-Holl., Art. 8, n. 2.
(5) Huish. Regl. van Gelderland, Art. 8, n. 4.

|125|

De gewone vergaderingen der Kerkeraden worden viermaal des jaars vóór de viering des Avondmaals gehouden; de buitengewone vergaderingen worden naar de omstandigheden belegd (1). In zeer kleine Gemeenten in Noord-Braband vergaderen de Kerkeraden niet bepaald viermaal des jaars, maar zo dikwijls de omstandigheden zulks vereischen (2). — Ook de orde der vergaderingen is bij de Provinciale Reglementen voorgeschreven (3).

Hoogstbelangrijk voor den bloei en den welstand der Gemeenten en ter bevordering van de zaak en den invloed des Christendoms op de zedelijk-godsdienstige vorming der Christenen, zijn de werkzaamheden aan de Kerkeraden opgedragen. — Immers (en dit geldt als algemeen beginsel) „aan den Kerkeraad behoort (in het algemeen) de zorg voor hetgeen de openbarre Godsdienst, — het christelijk onderwijs — en het opzigt over de Leden der Gemeenten betreft (4).” — In deze algemeene werkzaamheden zijn tevens meer bijzonder begrepen de werkzaamheden, tot de beroeping van Predikanten en de oefening der kerkelijke tucht betrekking hebbende.

De zorg voor de openbare Godsdienst bestaat in al die maatregelen, welke zich tot de leiding van de


(1) Huishoud. Regl., Art. 13 (14).
(2) Huish. Regl. van Noord-Braband, Art. 13.
(3) Huishoud. Regl., Art. 14 (15).
(4) Alg. Regl., Art. 87. — Reglem. op de Kerkeraden, Art. 11. — Huishoud. Regl., Art. 12 (13).

|126|

eerdienst, — van de waarneming der dienst in de Gemeenten, — vooral van de regeling der Predikbeurten en de verandering daarin te maken, en van alles, wat daarmede verbonden is, uitstrekken. Bij veranderingen in de bestaande orde der Predikbeurten zullen de Kerkvoogden worden gehoord, wier toestemming vereischt wordt tot veranderingen, welke nadeeligen invloed hebben op de inkomsten en uitgaven der Gemeente (1). — Meer bijzonder behoort aan den Kerkeraad het werk der beroepingen van Predikanten. Dit gemeentelijk regt daalt uit onzen Kerkvorm op de vertegenwoordigers der Gemeente af, en hierdoor onderscheidt zich onze vaderlandsche Hervormde Kerk van anderen. Het behoort dan ook als een belangrijk gedeelte tot de werkzaamheden van de vertegenwoordigers der Gemeente, behoudens hetgeen omtrent de Patronaat- en Collatieregten bepaald is. — Boven vermeldden wij hetgeen bij de benoeming van Ouderlingen en Diakenen aan den Kerkeraad is opgedragen.

De zorg voor het christelijk onderwijs strekt zich uit tot het algemeene onderwijs, zoowel bij de godsdienstige vergaderingen, als bij de catechisatiën; — tot het naauwkeurig waken op de handhaving van het Reglement op het godsdienstig onderwijs; — tot het weren van Oefeningen in vakante Gemeenten; — tot de benoeming van bevoegde personen als Catechiseermeesters en Catechiseermeesteressen bij hunne


(1) Regl. op de Kerkel. Administratie, Art. 59 en 60, bij v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. III 34 en 103.

|127|

Gemeenten; — tot de bepaling der onderwijsboekjes, die door de Catechiseermeesters en Catechiseermeesteressen, bij de Gemeente aangesteld, zullen mogen gebruikt worden; — en in grootere Gemeenten tot het jaarlijks ontvangen van het verslag der Commissie tot het godsdienstig onderwijs. — Groot is vooral de invloed, dien de Kerkeraden daardoor kunnen uitoefenen op den kerkelijken toestand der Gemeente (1).

Ook de zorg voor de belangen der Gemeenten is aan dezelven opgedragen. — Daartoe regelen zij de algemeene belangen, en nemen schikkingen op de bijzondere voorkomende zaken, in overeenstemming met de kerkelijke wetgeving. — Daartoe bewaren en verzorgen zij de kerkelijke boeken en archiven, en houden aanteekeningen der kerkelijke handelingen (2). — Maar daartoe is vooral het zedelijk opzigt over de Leden der Gemeenten, als eene gewigtige werkzaamheid, aan de Kerkeraden aanbevolen. — Hetzelve was oorspronkelijk uitgestrekter in de Gemeenten, toen in overeenstemming met den Geneefschen Kerkvorm de Ouderlingen wekelijks de Gemeente rondgingen. De geest, waarin hetzelve thans wordt uitgeoefend, blijkt uitmuntend in ons Reglement van kerkelijk opzigt en tucht, daar ook de Leden des Kerkeraads zich meer als vaderlijke opzieners,


(1) Huishoud. Regl., Art. 16 en 17. — Regl. op het Godsd. Onderwijs, Art. 24, 37, 41, bij v.d. Tuuk, I. 321-324.
(2) Huishoud. Regl., Art. 15 (16).

|128|

dan als regters, beschouwen moeten (1), gelijk wij later in de ontwikkeling van het kerkelijk opzigt vollediger zien zullen. Dit opzigt wordt uitgeoefend door de huisbezoeking, — door de driemaandelijksche Censura morum, of de gewone Kerkeraadsvergadering voor elke Avondmaalsviering, in welke behoorlijk onderzoek wordt gedaan naar de zeden der Gemeenteleden (2), — door het aannemen van Ledematen (3) en door de oplettende uitoefening van kerkelijk opzigt en tucht, volgens de bestaande bepalingen.

Zoodanig zijn de werkzaamheden aan de Kerkeraden in het algemeen opgedragen. In grootere Gemeenten nu, waar de gewone Kerkeraden van de breede Kerkeraden zijn onderscheiden (4), heeft men ook meer naauwkeurig de werkzaamheden, aan elk dezer Afdeelingen verbonden, bepaald.

Daar toch bestaan de werkzaamheden van den gewonen Kerkeraad in het aannemen van Lidmaten; — de regeling van (of in Utrecht het toezigt over) de openbare Godsdienst; — de bewaring der archieven, — het houden en nazien der kerkelijke aanteekeningen


(1) Regl. van Kerkel. Opzigt en Tucht, Art. 6, bij v.d. Tuuk, III. 204, 205.
(2) Regl. op de Kerkvisitatie, 1816, Art. 25, n. 2, doch uitgelaten in het gerevideerd Regl. van 1823. Zie v.d. Tuuk, I. 337; maar opgenomen in de Huish. Regl. op de Kerkeraden, Art. 14 (15), n. 9.
(3) Huishoud. Regl., Art. 18 (19), a.
(4) Regl. van Opzigt en Tucht, b.a. en Huishoud. Regl., Art. 18 (19), n. 2.

|129|

en notulen, — het aanstellen van Commisiën voor het godsdienstig onderwijs, en de beschikkingen daaromtrent te maken; — alsmede de uitoefening der kerkelijke tucht (1).

Daarentegen is aan den met Diakenen vereenigden of breeden Kerkeraad opgedragen de beroeping van Predikanten, en de benoeming van Ouderlingen en Diakenen en verdere kerkelijke beambten, ter keuze staande van den Kerkeraad; — de Kerkvisitatie, — het opnemen der Diakenierekening en van verdere finantiëele Gemeente-administratiën (2).

In de Provincie Utrecht is daarenboven bepaald, dat de beraadslagingen van den breeden Kerkeraad niet vooraf mogen behandeld worden, in afzonderlijke vergaderingen, hetzij van den Kerkeraad, hetzij van Collegiën der Diakenen, terwijl ieder Lid van den Kerkeraad persoonlijk zijne stem uitbrengt (3).

 

Binnen deze grenzen heeft onze kerkelijke wetgeving het gezag der Kerkeraden in de Gemeenten omschreven. Aan den loop der omstandigheden en den gang van zaken moest de toepassing van deze algemeene beginselen worden overgelaten. Één doel toch moest de Kerkeraden voor oogen zweven: de bevordering van het heil der Gemeente van Jezus, en van kennis, zedelijkheid en christelijke godsdienst in haar midden.


(1) Huishoud. Reglem., 4 Afdeeling, Art. 18 (19). — Van Utrecht, Art. 19. b.
(2) Huishoud. Reglem., Art. 19 (20).
(3) Huishoud. Regl. van Utrecht, Art. 20.

Royaards, H.J. (1834) § 33

|130|

§ 33.
Groote Kerkeraden.

Niet gelijktijdig met de organisatie onzer Hervormde Kerk, maar later werden, niet door de Kerk, maar door Staatsgezag, groote Kerkeraden gevestigd (1). Zij zijn ingesteld in Hervormde Gemeenten beneden de 10,000 zielen, waar behalve de Nederduitsche ook eene Fransche Gemeente gevonden wordt. Daar verzorgen zij de gemeenschappelijke godsdienstige belangen der Nederduitsche en Waalsche Gemeenten, terwijl bij elk derzelver een bijzondere Kerkeraad bestaat, belast met de bijzondere belangen van iedere Gemeente; niet van den grooten Kerkeraad afgescheiden, maar uit denzelven zamengesteld, als verdeeld in twee speciale Kerkeraden, een Nederduitschen en een Waalschen (2).


(1) Koninklijk Besluit, 19 Aug. 1817, n. 79, betrekkelijk het getal der Waalsche Predikantsplaatsen in de Noordelijke Provinciën, Art. 6, bij v.d. Tuuk, I. 55, en Dispositie van den Comm.-Gener. omtrent de Executie van Art. 6 en 8 van het bovenst. Besluit, 20 Oct. 1817, n. 3023/1841, te vinden bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 62, 63.
(2) Zie Art. 6 van het Besluit, vergeleken met de Verordeningen van den Comm.-Gener. ten aanzien der groote Kerkeraden van Arnhem en Nijmwegen, 6 Dec. 1817, Art. 4, bij v.d. Tuuk, I. 66. Zij heetten speciale en groote Kerkeraden in het Kon. Besl., b.a. 25 Nov. 1817, Art. 3. De Ouderlingen der speciale Kerkeraden werden later gezegd gecommitteerd te worden uit den grooten Kerkeraad. Zie Verordeningen a. Art. 4, bl. 67.

|131|

Deze groote Kerkeraden worden samengesteld uit de notabelste Leden der Hervormde Kerk (1), zonder verschil der Gemeente, waartoe zij behooren. Zij worden gezegd alleen te bestaan uit Ouderlingen (2), wier getal naar plaatselijke omstandigheden kan bepaald worden; en hetwelk bij de eerste vestiging dezer Kerkeraden voor elke Gemeente nader bepaald is, doch bestaan echter niet zonder Predikanten, terwijl de Diakenen daar leden kunnen blijven der speciale Kerkeraden, waar zij als zoodanig worden aangemerkt tijdens de invoering der groote Kerkeraden (3). De groote Kerkeraden benoemden zelve hunne leden, zonder verdere wettelijke bepaling hieromtrent, nadat de eerste benoeming, na kerkelijke voordragt, door den Koning geschied was (4). — Jaarlijks treedt zoo na mogelijk een vierde gedeelte der Ouderlingen af (5).


(1) Elders eischt men de achtenswaardigste, kundigste en voornaamste Leden; zie boven bl. 121.
(2) Zie Dispos. van den Comm.-Gener. b.a. bij v.d. Tuuk, bl. 61. Dat echter Predikanten van dezelven niet zijn uitgesloten, maar bij dezelven behooren, blijkt uit de nadere Verordeningen, b.a. Art. 2, bij v.d. Tuuk, I. 66, waar uitdrukkelijk gezegd wordt, dat „de Ouderlingen met de Predikanten der beide Gemeenten uitmaken den grooten Kerkeraad der geheele Hervormde Gemeente.”
(3) Zie Koninkl. Besl., 25 Nov. 1817, n. 71, en 21 Jan. 1818, n. 64, — te vinden bij v.d. Tuuk, Handb. I. 64, 65, 69 verv.
(4) Zie Verordeningen b.a. Art. 6, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 67, — en Dispos. van den Comm.-Gener., 29 Aug. 1817, n. 6, en dito 20 Oct. 1817, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 59, 63.
(5) Verordeningen b.a. Art. 5.

|132|

Ook de werkzaamheden dezer groote Kerkeraden waren voorloopig, in afwachting van het eventuëele Reglement op de Kerkeraden, bij derzelver instelling geregeld (1). Tot dezelven zijn gebragt de beroeping van Predikanten, zoowel voor de Nederduitsche, als Waalsche Gemeenten; — de benoeming der Leden van den Kerkeraad; — de uitoefening van de kerkelijke tucht en andere voor de beide Gemeenten in het algemeen gewigtige godsdienstige belangen. Hierdoor werd de zorg voor de openbare godsdienst; — het werk der beroepingen; — en opzigt en tucht overgedragen aan dezelven, en bleven aan de speciale Kerkeraden alleen de huishoudelijke schikkingen, en de speciale finantiëele belangen en Diakenieadministratiën over. — Ook hier kunnen Diakenen tot de beroeping der Predikanten hunner Gemeente worden toegelaten, waar zulks gebruikelijk was (2).

Maar de Provinciale Kerkbesturen hebben het bestaan dezer groote Kerkeraden slechts erkend, en later bij de huishoudelijke reglementen dier Gewesten, waar dezelve gevestigd zijn (3), bepaald, dat „op zoodanige plaatsen, waar ingevolge Koninklijk Besluit van den


(1) Zie Koninkl. Besl., 25 Nov. 1817, Art. 3, en 21 Jan. 1818, Art. 11 b.a.
(2) Zie Dispositie, 20 Oct. 1817, b.a.; en Verordeningen, b.a. Art. 6 en verv., bij v.d. Tuuk, bl. 60, 66 verv.
(3) In de Huishoudel. Reglem. op de Kerkeraden onder het ressort van het Prov. Kerkbestuur van Drenthe, bl. 6, iv Afd., staat in den Titel een drukfout door de vermelding van groote ➝

|133|

19 Aug. 1817, n. 79, groote Kerkeraden voor de Nederduitsche en Waalsche Gemeenten, uit derzelver Predikanten en Ouderlingen te zamen gesteld (1), aanwezigzijn, de bepalingen van (de huishoudelijke) reglementen, zooveel noodig, gewijzigd worden naar de verordeningen, welke bij onderscheidene Koninklijke Besluiten en Ministeriëele Dispositiën, ten aanzien van de groote Kerkeraden zijn daargesteld (2)”. — Het scheen dus, dat dezelve als zoodanig buiten het bereik der kerkelijke wetgeving lagen. Ook in het Algemeen Reglement op de Kerkeraden, ingevoerd in 1825, was van de groote Kerkeraden geene melding gemaakt (3).


➝ Kerkeraden, waarvan in de volgende artikelen niet gewaagd wordt; even zoo in dat van Zeeland, bl. 6 iv Afd.; ofschoon aldaar groote Kerkeraden gevestigd zijn.
(1) Zie boven, bladz. 134, noot 2.
(2) Zie Huishoudel. Reglem. op de Kerkeraden van Gelderland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Vriesland, Overijssel, Groningen, Noord-Braband, Art. 20. In Utrecht, waar geene groote Kerkeraden bestaan, is hiervan niets bepaald.
(3) Dit Reglement omvatte ook alleen, wat van algemeene toepassing zijn on, en de groote Kerkeraden waren slechts hier en daar aanwezig. Maar ofschoon in de Koninklijke Besluiten gezegd werd, dat „de Comm.-Gener. werd geauthoriseerd, om met betrekking — tot de regeling der werkzaamheden van de groote en speciale Kerkeraden enz. zoodanige verordeningen en schikkingen te maken, als hem, in afwachting van het eventuëele Reglement op de Kerkeraden, meest voegzaam zullen voorkomen;” — bij v.d. Tuuk, t.a.p. bl. 64, 71, en men in de Verorden. b.a. Art. 11, zich beriep op een Algemeen Reglement op de Kerkeraden, nader te ontwerpen, hebben echter de Provinciale Kerkbesturen bij de ontwerping der huishoudelijke reglementen, de werkzaamheden der groote en speciale Kerkeraden niet afgescheiden of geregeld.

|134|

Ingevolge de bovenstaande bepalingen zijn groote Kerkeraden gevestigd bij de volgende Gemeenten te Nijmwegen, Arnhem, ’s Hertogenbosch, Breda, Zierikzee, Vlissingen, Schiedam, Deventer, Zutphen en Voorburg; mitsgaders alstoen nog te Bergen op Zoom, Brielle, Gorinchem en Naarden (1), terwijl in Gouda, Kampen, Vianen, Heusden, Goes, Tholen, Veere en in het land van Cadzand (2), te Oostburg en Groede (3), alwaar de Waalsche Kerk bij vacature niet vervuld werd, de Waalsche Gemeente geacht werd vereenigd te zijn met de Nederduitsche, en voor de dus gereunieerde Gemeenten een nieuwe Kerkeraad werd benoemd, zamengesteld uit leden der voormalige Waalsche en Nederduitsche Gemeenten (4). — Bij de instelling der groote Kerkeraden zijn de bestaande Kerkeraden in de voornoemde Gemeenten van staatswege ontbonden (5).


(1) Dispositie b.a. 29 Aug. 1817, bij v.d. Tuuk, I. 58.
(2) t.a.p. bl. 59.
(3) Besluit, 25 Maart 1818, b.a. bij v.d. Tuuk, I. 74.
(4) Koninkl. Besl. b.a. 19 Aug. 1817, Art. 7.
(5) Verordeningen b.a. Art. 1, bij v.d. Tuuk, I. 66.

Royaards, H.J. (1834) § 34

§ 34.
Kerkelijk Bestuur bij de Waalsche Kerken in Nederland.

Op de vermelde grondslagen is dan het Kerkbestuur gebouwd in de Hervormde Kerk van Nederland. Het is dus bovenal toepasselijk op deszelfs talrijkste Afdeeling, die der Nederduitsche Kerk. Maar

|135|

gedeeltelijk zijn voor de overige met haar vereenigde, en op de Synode vertegenwoordigde Kerken, wat het bijzonder bestuur betreft, nadere bepalingen gemaakt.

Er bestonden toch sints geruimen tijd in Nederland, behalve de Nederduitsche Kerk, andere Kerken, van elders hier ingeplant. Koophandel of ook godsdienstvervolging gaven aanleiding tot de vestiging van Waalsch-Fransche, Engelsche, Schotsche, Hoogduitsche Kerken. — Dezelve waren vroeger meer of min onafhankelijk, of stonden in betrekking tot derzelver Moederkerk. Doch nadat het getal van derzelver Leden langzamerhand verminderd is, nam ook dat der Gemeenten af, en de onafhankelijkheid der voor hare belangen wakende Commissiën. In de eene Hervormde Kerk van Nederland zijn alle Hervormde Kerken, zoo Nederduitsche, als Waalsche, Duitsche, Engelsche, Schotsche, schoon in verschillende mate, ingelijfd. — Als zoodanig zijn zij allen aan hetzelfde algemeene bestuur, dat der Synode, onderworpen, doch voor de mindere Kerkbesturen zijn verschillende bepalingen daargesteld.

 

De meest talrijke der vreemde Kerken in Nederland, zijn de Waalsche Kerken (1). Derzelver bestuur bestaat in de Synode, — de Waalsche Commissie, — de Reunie of vergadering der Waalsche Kerken — en de Kerkeraden.

Ingelijfd bij de Hervormde Kerk zijn de algemeene


(1) Boven, bl. 76.

|136|

kerkelijke bepalingen en wetten ook op haar toepasselijk; de Besluiten der Synode, waar ook zij door één harer Afgevaardigden worden vertegenwoordigd, ook voor haar verbinden, tenzij van dezelven uitzonderingen ten haren behoeve gemaakt worden (1). Doch de huishoudelijke belangen der Waalsche Kerken worden door haar zelven geregeld.

Derzelver behartiging is in de eerste plaats opgedragen aan de Waalsche Commissie of de Commissie tot de huishoudelijke zaken der Waalsche Kerken in Nederland. — Deze Commissie bestaat uit vijf Predikanten en een Ouderling der Waalsche Kerken, die benoemd worden door den Koning uit een drietal, door de Commissie geformeerd. — Jaarlijks treedt één Gecommitteerde af, doch is weder verkiesbaar. — De Ouderling treedt na een jaar zitting af (2).

De vergaderingen worden gehouden in ’s Hage (3), in het begin van Januarij, April en Julij, behalve die ten tijde en ter plaats der Reunie; nevens andere buitengewone vergaderingen (4).

De werkzaamheden dezer Commissie bestaan in het algemeen in de waarneming van de werkzaamheden,


(1) Alg. Regl., Art. 68, bij v.d. Tuuk, I. 23.
(2) Ald Art. 69-71.
(3) Ald. Art. 75.
(4) Minist. Dispos. van 17 Jan. 1817 en 30 Maart 1818 niet opgenomen in het Handb. van v.d. Tuuk, maar in de (bl. 76) aangehaalde Réglemens généraux et particuliers a l’usage des Églises Wallonnes, Art. 75, en p. 116, Art. 6.

|137|

die aan de Provinciale en Klassikale Besturen zijn opgedragen, — en dus meer bijzonder in het afnemen van de Examina der Kandidaten tot de heilige dienst (1), — de schikkingen, omtrent het Examen der Catechiseermeesters (2), — het oppertoezigt over de finantiëele belangen der Waalsche Kerken, en derzelver behartiging (3). — Zij is daarenboven gemagtigd om buiten ’s lands vertrekkende Kandidaten, ten einde in dienst te treden in zulke Gemeenten, bij welken de Fransche taal gebruikelijk is, met oplegging der handen, en na voldaan te hebben aan de behoorlijke vereischten, in te zegenen (4). Zij verrigt ook de schriftelijke Kerkvisitatie overeenkomstig hare inrigtingen, — de werkzaamheden bij beroepingen en vakaturen, en die van kerkelijk opzigt en tucht; — en voorts alle zoodanige, welke aan de voormelde Kerkbesturen zijn opgedragen.

Behalve deze bestendige Waalsche Commissie, die in de plaats der Provinciale en Klassikale Besturen


(1) Regl. op het Examen, Art. 4, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. bl. [?] — en gerevid. Regl., Art. 4, in de Handel. der Synode, 1831, bl. 71, en vertaald Réglement sur l’Examen et l’admission au Ministère, Art. 4, — en Réglemens particuliers, Art. 7, te vinden in de aangeh. Régl. généraux, p. 22, 29, 116.
(2) Regl. op het Godsd. Onderw., Art. 21, bij v.d. Tuuk, I. 320. — Régl. Wall., p. 49, 50, en Régl. partic., Art. 34. Ald. p. 125.
(3) Alg. Regl., Art. 72. — Régl. Wall., p. 22. — Régl. partic., Art. 40-42, 118 verv., p. 126, 127, 152 sqq.
(4) Handel. der Synode, 1820, bl. 93-94, — en v.d. Tuuk, t.a.p. II. 30, 31.

|138|

optreedt, kan jaarlijks eene vergadering van Afgevaardigden der Waalsche Kerken bijeenkomen, ter vervanging, zooveel zulks noodig is, der klassikale vergadering. Dezelve heet de Reunie. Zij handelt over de huishoudelijke belangen der Kerken (1).

Dezelve vergadert beurtelings in alle de steden, waar Waalsche Gemeenten gevestigd zijn, na den afloop en de bekenwording van de handelingen der jaarlijks gehouden Synode, en wordt alsdan door de Waalsche Commissie zamengeroepen. — Elk der Waalsche Kerken zendt twee Afgevaardigden met beslissende stem ter vergadering, een Predikant en een Ouderling, of onder verantwoording, twee andere Leden. Alleen zendt de plaats, waar de Reunie gehouden wordt, drie Leden met delibererende en beslissende stemmen. — De overige Leden der Consistoriën kunnen ter vergadering zonder stem tegenwoordig zijn; de Predikanten in costuum, de Ouderlingen en Diakenen in het zwart.

Deze Reunie, die de huishoudelijke belangen regelt, is meer nog bevorderlijk aan het zedelijk oogpunt. Zij moet vooral dienen om den band te bewaren tusschen de Waalsche Kerken, waarom men de bijwoning derzelver zeer heeft aangemoedigd. — Zij wordt met eene Leerrede geopend, gehouden door


(1) Men vindt al de Waalsch-kerkelijke bepalingen nopens de Reunie, gegrond op het Alg. Regl., Art. 65, verzameld in de Régl. partic., Chapitre II: de la Réunion annuelle, Art. 62-105, in de Régl. Wall., b.a. p. 132-148. Dezelve geven den algemeenen gang dier vergadering te kennen.

|139|

een der Leeraren, daartoe in de voorgaande Reunie gekozen. Deze Leerrede werd vroeger beoordeeld door de vergadering, in het afwezen van den Redenaar, hetgeen later afgeschaft is. — Ook de daaropvolgende orde der vergadering is naauwkeurig bepaald (1).

Voorts zijn er gewone Kerkeraden (Consistoires) in grootere steden, waar meer dan 10,000 Hervormden zijn. — Elders bestaan thans de speciale Kerkeraden, als gecommitteerd, nevens de Predikanten, uit de groote Kerkeraden (2). — Deze of gewone of speciale Kerkeraad is belast met de huishoudelijke zaken van iedere Gemeente. Zij treedt in al de regten der Hervormde Kerkeraden, en houdt zich vooral bezig met het bestier der Gemeente, met de beroeping van Leeraren, de benoeming van Kerkeraadsleden en de uitoefening van kerkelijke tucht. Alle bijzondere bepalingen zijn aan de Gemeente aanbevolen (3).


(1) Régl. partic., Art. 87 verv. 96-105.
(2) Boven bl. 130.
(3) Minist. Dispos. d.d. 20 Oct. 1817, bij v.d. Tuuk, I. 60 verv., en voorts boven § 32 over de Kerkeraden.

Royaards, H.J. (1834) § 35

§ 35.
Kerkbestuur bij de Hoogduitsche, Engelsche en Schotsche Kerken.

Terwijl de Waalsche Kerken, vroeger een afzonderlijk Genootschap gevormd hebbende, eigene kerkelijke collegiën en vergaderingen behielden, waardoor de betrekkingen der provinciale en klassikale besturen en

|140|

vergaderingen vervuld worden, en alleen met de Synode verbonden zijn, alwaar zij zelve verschijnen, is de betrekking der Engelsche, Schotsche en Duitsche Kerken geheel verschillend. Zij hebben buiten de Kerkeraden geen afzonderlijk Kerkbestuur. — Geheel in onze Provinciale Besturen en Klassen ingelijfd (1), behielden zij alleen het gemeentelijk bestuur, daar de Gemeenten hare huishoudelijke bepalingen mogen bewaren, die door de Kerkeraden worden gehandhaafd. Al de overige werkzaamheden, en daaronder ook de Examina hunner Kandidaten tot de heilige dienst, is aan de Provinciale of Klassikale Besturen opgedragen. Zij bestaan dus alleen als Engelsche, Schotsche en Duitsche Gemeenten, even als de Nederduitsche, aan de Kerkbesturen der Nederduitsche Hervormde Kerken onderworpen (2).


(1) Zie boven bl. 76.
(2) Alg. Regl., Art. 13, 76, 77, — en Koninkl. Besluit omtrent de Engelsche, Schotsche en Hoogduitsche Predikanten, 5 Nov. 1817, en Regl. op het Examen, Art. 4 en 7, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 243, 244.

Royaards, H.J. (1834) § 36

§ 36.
Kerkbestuur der Hervormde Kerken in Nederlands Oost- en West-Indië (3).

Gaat het bestuur van Nederlands Oost- en


(3) De vroegere bepalingen op de Oost- en West-Indische Kerken, in 1815 gemaakt, zijn later vermeerder en vastgesteld; zie v.d. Tuuk, t.a.p. I. 101 verv. II. 44, 49; vgl. Alg. Regl., Art. 14; bij v.d. Tuuk, I. 8.

|141|

West-Indië van het Moederland uit; dit laatste mag vooral ook de zedelijk-godsdienstige belangen der volkplantingen niet verwaarloozen, en de Hervormde Kerk van het Moederland staat dan te regt in verband met die der Koloniën. Zij strekt ook over dezelve hare weldadige zorg uit. — Doch het bestuur dier Kerk, oorspronkelijk door den Staat gevestigd, is aan het bestuur der Hervormde Kerk, in het Koningrijk aanwezig, door de naauwste banden verbonden.

Immers gedeeltelijk gelijksoortig aan het bestuur der Waalsche Kerken is dat der Oost- en West-Indische Kerken, voor zooverre dit in Nederland is gevestigd. Daarin echter onderscheidt het laatste zich van het eerste, dat hetzelve meer onmiddellijk in aanraking met den Staat en in betrekking is met de Ministeriëele Departementen, niet alleen van de Eerdienst, maar eveneens van Koloniën; als een noodwendig gevolg van de verhouding der Koloniën en van het Koloniaal Bestuur tot onzen Staat. — Overigens echter zijn zij, even  als de Waalsche Kerk, mede ingelijfd in het Hervormde Kerkgenootschap; worden zij huishoudelijk bestierd door eene daartoe gevestigde afzonderlijke Commissie, en aan de algemeene Nederlandsche Hervormde kerkelijke wetgeving onderworpen, worden zij mede ter Synode vertegenwoordigd door een Afgevaardigde der Commissie (1).


(1) Besluit, houdende verordeningen op het bestuur der Protestantsche Kerken in Nederl. Oost- en West-Indië, d.d. 7 Dec. 1820, Art. 10, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 47.

|142|

Tot regeling toch van hare belangen werd reeds in 1815 eene Commissie voor de zaken der Hervormde Kerken in Nederlands Oost- en West-Indië gevestigd, die bestaan zou uit zeven Predikanten van ’s Gravenhage, Delft en andere naburige plaatsen; nevens corresponderende Leden, zijnde Professoren en Predikanten uit andere verder afgelegene steden en plaatsen, vooral van de vroeger bestaande Deputati ad res Indicas (1). — Dezelve is later ontbonden, toen men in de volksplantingen, even als in de Zuidelijke Provinciën des Rijks (België) geene uitsluitende Hervormde, maar Protestantsche Kerken wilde vestigen, en alstoen (1820) eene Commissie ingesteld voor de zaken der Protestantsche Kerken in Nederlands Oost- en West-Indië, bestaande uit zeven Leden, waarvan vijf dienstdoende Predikanten, daaronder begrepen de drie Secretarissen der Hervormde en Luthersche Synoden, en van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland. — Aan dezelve zijn toegevoegd buitengewone Leden of Consulenten (2).

Deze Commissie is werkzaam, onder toezigt van het Ministerieel Departement voor de zaken der Hervormde Kerk, in overeenstemming met het Departement der Koloniën. — De Leden der Commissie, alsmede derzelver President, Vice-Presiden en Secretaris worden door den Koning benoemd op voordragt der


(1) Koninkl. Besluit omtrent de Hervormde Kerken in de Indische Bezittingen van den Staat, d.d. 4 Sept. 1815, n. 4, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 102, 103.
(2) Zie Besluit b.a. 7 Dec. 1820, Art. 1, 3, 11, 14, 16.

|143|

Departementen van Koloniën en Eerdienst. — Zij houdt hare vergaderingen op den eersten Maandag in Februarij, April, Junij, Augustus, October en December; doch dezelve kunnen worden uitgesteld of buitengewoon belegd door den President, met overleg van den Vice-President en Secretaris. — Het Gouvernement handelt met dezelve door middel der Ministeriëele Departementen. Door den Afgevaardigde, dien deze Commissie jaarlijks ter Synode zendt, houdt zij niet alleen den band levendig met onze Hervormde Kerk, maar waakt zij ook bij onze kerkelijke wetgeving zelve voor hare belangen (1).

De werkzaamheden dezer Commissie bestaan in de behartiging van de belangen der Oost- en West-Indische Protestantsche Kerken (2). — Daartoe rapporteert zij op derzelver belangen bij het Ministeriëel Departement, of doet ter bevordering derzelver alle door haar noodig geoordeelde voorstellen. — Zij houdt geregeld correspondentie met de Kerkbesturen in Indië, en ontvangt daartoe van de Ministeriëele Departementen kennis van de belangrijke bijzonderheden; alsmede met de Nederlandsche Bijbel- en Zendingsgenootschappen; met de Collegiën van Bestuur der Protestantsche Genootschappen; mitsgaders met de Theologische Faculteiten en Hoogleeraren op Hoogescholen, Athenea en Seminariën (3). — Maar


(1) Zie Besluit b.a. d.d. 7 Dec. 1820, Art. 1-3, 11, 14, 16.
(2) Zie Ald. Art. 2.
(3) Art. 3-5.

|144|

hoogstbelangrijk is vooral dat gedeelte harer werkzaamheden, dat voorzien moet in de behoeften der Oost- en Wet-Indische Kerken, door hare zorg voor Studenten, Proponenten en Predikanten ten dienste dier Kerken. — Zij toch houdt toezigt op de Studenten aan de Hoogecholen, voor de dienst der Indische Kerken bestemd, — en bevordert naar vermogen de goede opleiding van andere daarvoor bestemde godsdienstige Onderwijzers en Zendelingen. — Kosteloos neemt zij voorts de Examina af der derwaarts bestemde Kandidaten, zegent hen, evenals de Predikanten, Zendelingen en godsdienstige Onderwijzers, in — en is, daartoe verzocht zijnde, bevoegd tot het examineren van Kandidaten en inzegenen van Predikanten voor buitenlandsche Kerken, schoon niet in de Koloniën van den Staat gelegen, met uitzondering alleen der Kandidaten en Predikanten voor de dienst in de Fransche taal bestemd. — Daartoe ook ontvangt zij kennis van de Provinciale Kerkbesturen, van de Commissie tot de Waalsche zaken, en de Commissiën der Lutherschen en Remonstranten, der aangiften tot het Examen op de toelating tot de predikdienst, en geeft insgelijks aan genoemde Collegiën berigt van de Studenten, die zich verbonden hebben tot de dienst der Indische Kerken, en die tot het Examen zich aanbieden (1).

Jaarlijks doet de Commissie, liefst in  de vergadering


(1) Minister. Dispos. 16 Maart 1822, bij v.d. Tuuk, Handb. II. 105, 106, en Koninkl. Besl., t.a.p. Art. 9, 6, 7.

|145|

van Julij, een algemeen verslag van den staat der Kerken in Oost- en West-Indië, en van hare eigene verrigtingen; met toezending van afschrift aan de Ministeriëele Departementen van Eerdienst en Koloniën (1). — Met de buitengewone Leden of Consulenten kan de Commissie in voorkomende belangrijke gevallen, schriftelijk, of indien zij in de nabijheid zijn, mondeling raadplegen. — Ook dezen zijn bevoegd voorstellen te doen aan de Commissie en de Ministeriëele Departementen, — en worden schriftelijk door de Commissie uitgenoodigd, om, des verkiezende, de vergadering bij te wonen, waarin het algemeen verslag zal worden gedaan (2).

Door deze Commissie, in het Moederland gevestigd, en welke in verband staat met de plaatselijke Kerkeraden in de Koloniën, aan wie het onmiddelijk bestuur der Gemeenten aldaar is toevertrouwd; — door den vertegenwoordiger der Protestantsche Kerken van Nederlands Oost- en West-Indië ter Synode; — en vooral door de Ministeriëele Departementen, zoekt onze Staat te waken ook over de godsdienstige en kerkelijke belangen harer volkplantingen in andere werelddeelen, wier bestuur en leiding zij op zich genomen heeft. Zij tracht hierdoor zich te kwijten van een heiligen pligt, waartoe het Moederland bij het vestigen van Koloniën zich


(1) Besluit, b.a., Art. 12 bij v.d. Tuuk, II. 47.
(2) Besluit, b.a., Art. 16. — De benoeming van Predikanten staat geheel aan den Staat, die in eene andere betrekking staat tot de Indische Kerken, als tot die in Nederland.

|146|

verbindt, en weert den laster of het vermoeden, dat zij dezelve alleen om des gewins wille behartigt. — Ook hier verheft het Christendom den mensch tot opvoeder zijner medemenschen, — zelfs in andere werelddeelen.

Royaards, H.J. (1834) § 37

§ 37.
Secretarissen der Kerkbesturen.

Wij hebben naar den inhoud onzer kerkelijke wetgeving den aard, de zamenstelling, de werkzaamheden, enz. der kerkelijke besturen, in het algemeen doen kennen. — Maar ook de meer bijzondere pligten en werkzaamheden der Secretarissen en Scriba’s zijn eenigzins nader aan te wijzen, in zooverre zij tot het Bestuur behooren. — Het zal toch niet noodig zijn over die der Presidenten van deze collegiën afzonderlijk te spreken.

Een voornaam gedeelte van de taak der Kerkbesturen berust op derzelver Secretarissen en Scriba’s, wier algemeen-geldige werkzaamheden voorloopig bepaald zijn door eene Instructie (1), gelijk zij later door de Kerk zijn erkend, en nevens derzelver gebijzonderde werkzaamheden bij de Reglementen afzonderlijk aangeduid.

Eveneens toch als bij alle geregelde collegiën, zoo


(1) Instructie voor de Secretarissen en Scriba’s der kerkelijke Besturen, 24 Febr. 1816, I. 181-184, nevens een Model of Formulier der Agenda, bl. 185, 186.

|147|

zijn zij ook bij alle Kerkbesturen aanwezig. Secretarissen worden gevonden bij de Synode, de Provinciale Kerkbesturen, de Waalsche Commissie, de Synodale Commissie en de Oost- en West-Indische Commissie; terwijl dezelve bij de Klassikale Besturen, de Ringsvergaderingen en Kerkeraden den naam van Scriba’s dragen.

Aan dezelven is in het algemeen aanbevolen het ontvangen en openen van alle aan hun Kerkbestuur gerigte stukken, de expeditie der stukken van hun bestuur, de verzending der eerste, zooverre zij belangrijk zijn, aan de Presidenten; en der uitgaande stukken ter teekening; — de naauwkeurige aanteekening aller inkomende en uitgaande stukken op de Agenda, welke op de gewone vergaderingen worden overgelegd, aldaar nagezien en door den President geviseerd; — de dadelijke uitvoering aller gewone aanschrijvingen van hoogere collegiën; — het naauwkeurig houden van alle notulen, die op de laatste vergadering van elke zitting worden geresumeerd, en door den President geteekend; — het contrasigneren van alle brieven en stukken, tijdens de vergadering afgezonden, en door den President alleen geteekend; — het bewaren van alle archieven en boeken van hunne collegiën, — en het houden van de vereischte registers en lijsten op de Agenda der inkomende en uitgaande stukken, op de notulen en de archieven (1).


(1) Zie de b.a. Instructie.

|148|

Deze algemeene werkzaamheden en verpligtingen vinden derzelver toepassing op de verschillende kerkelijke vergaderingen, gewijzigd naar de bijzondere werkzaamheden dier Besturen. De hoofdtrekken hiervan behooren te dezer plaatse.

De post van Secretaris der Synode is in het Nederlandsch Kerkbestuur belangrijk, wijl daarvan zooveel afhangt voor de rigtige beheering der Kerk. — Aan deze vaste bediening is dan ook bestendige werkzaamheid verbonden in de blijvende beheering van hetgeen aan deszelfs zorg is opgedragen. — Hij correspondeert met het Ministerie, zoowel als met de Kerkbesturen; — hij notuleert de acten der Synoden, en geeft dezelve in druk uit; — hij is bestendig Lid der Synode, — der Synodale Commissie, en der Commissie voor de Indische zaken; — en wordt door den Koning benoemd uit een drietal door de Synode geformeerd, en wel onder de Predikanten van ’s Gravenhage; even als zijn Secundus (1).

De Secretarissen der Provinciale Kerkbesturen, evenzeer door de algemeene bepalingen gebonden, hebben hun aandeel in de werkzaamheden der Examina. — Vooral ontvangen zij de aangiften tot de Examina, wanneer de Besturen niet vergaderd zijn, en zenden de bewijsstukken betrekkelijk de Examen-aangaven


(1) Alg. Regl., Art. 19, bij v.d. Tuuk, I. 9. — Besluit ter oprigting eener Synodale Commissie, d.d. 26 Nov. 1827, Art. 8. Zie bij Broes, Kerk en Staat, IV. ii. 451. — Besluit op het bestuur der Indische Kerken, 7 Dec. 1820, Art. 13, bij v.d. Tuuk, II. 48.

|149|

aan den President (2). — Voorts zijn derzelver werkzaamheden voor de Kerkvisitatie (2), de algemeene weduwenbeurs (3) en bij kerkelijke proceduren nader bepaald (4).

Behalve de algemeene werkzaamheden zijn eveneens aan de Scriba’s der Klassikale Besturen velerlei verpligting en werkzaamheden opgedragen, betreffende de algemeene weduwenbeurs (5); de fondsen voor noodlijdende kerken en personen (6); de klassikale kosten, en andere geldelijke belangen (7); de


(1) Verschillend zijn de bepalingen opgenomen in het Reglement op het Examen, 1816, Art. 10, 13, bij v.d. Tuuk, I. 246, 247; — en in het gerevideerd Reglem., 1831, Art. 18-20, in de Handel. der Synode, 1831, bl. 176.
(2) Gerev. Regl. op de Kerkvisitatie, Art. 3, bij v.d. Tuuk, III. 137.
(3) Reglem. voor een algemeen Weduwenfonds, b.a., Art. 14, bij v.d. Tuuk, I. 485.
(4) Synodale Aanschrijving omtrent de berekening der kosten van kerkelijke proceduren, 20 Julij 1820, bij v.d. Tuuk, II. 25.
(5) Reglem. op de Weduwenbeurs, b.a. bij v.d. Tuuk, I. 484, 485.
(6) Dispositie wegens de achterstallige Quota’s, 25 April, 1821, bij v.d. Tuuk, II. 71. — Aanschr. omtrent de attestatiën de vita, 9 Oct. 1821, bij v.d. Tuuk, II. 96. — Missive van den Quaestor-Gener. over de verzekering van de attest. de vita, 31 Julij 1822, bij v.d. Tuuk, II. 122.
(7) Dispositie omtrent de klassikale kosten, 21 Maart 1817, Art. 19, bij v.d. Tuuk, I. 296. — Dispositie 25 April 1821, b.a. bij v.d. Tuuk, II. 70.

|150|

vacaturen (1) en uitoefening van kerkelijke tucht (2); gelijk hun inzonderheid alles, wat tot de kinder-, school- en akademie-gelden betrekking heeft, is aanbevolen (3).

De Secretaris der Waalsche Commissie vervult de werkzaamheden van de Secretarissen en Scriba’s der Provinciale en Klassikale Kerkbesturen. — Hij is inzonderheid, even als de Klassikale Scriba, belast met de reclame van kinder-, school- en akademiegelden (4).

Van zelfs volgen uit de algemeene werkzaamheden der Secretarissen, die van de Scriba’s der Ringsvergaderingen, omtrent welke geene nadere bepalingen gemaakt zijn; — en van de Scriba’s der Kerkeraden, wier werkzaamheden bij het houden der notulen; — de bewaring en behoorlijke registratie der archieven en inkomende stukken; — de boeken van lidmaten, gedoopten en kerkelijke huwelijks-bevestigingen alleen


(1) Reglem. op de Vacaturen, III. 281 volg. op vele plaatsen. — Circulaire aan de kerkelijke Scriba’s, 28 Febr. 1817, bij v.d. Tuuk, I. 383.
(2) Reglement op de kerkelijke Tucht b.a.
(3) Dispositie op de wijze der betaling van kinder-, school- en akademie-gelden, 2 Nov. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 449. — Dispositie omtrent de reclames der kinder-, school- en akademie-gelden, voor 1817, 18 Oct. 1817, bij v.d. Tuuk, I. 457; — voor 1818, aldaar bl. 460; — voor 1819, aldaar bl. 464-466, enz. — Dispos. op de invulling der attesten voor akademiegeld, 19 Mei 1821, bij v.d. Tuuk, II. 75. — Dispos. omtrent de reclames van kinder-, school- en akademie-geld, 7 Sept. 1826, bij v.d. Tuuk, III. 269.
(4) Dispositie b.a. bij v.d. Tuuk, I. 449.

|151|

bepaald zijn door de Reglementen op de Kerkeraden. Doch in kleinere Gemeenten van één Predikant, behoeft te taak van President en Scriba niet van elkander gescheiden te zijn.

Derzelver algemeene aanwijzing, nevens de aanhaling der plaatsen, alwaar in onze wetgeving over dezelven gehandeld wordt, moge hier volstaan ten nutte van hen, die deze bedieningen vervullen. De meer gebijzonderde aanduiding derzelver komt later voor.

Royaards, H.J. (1834) § 38

§ 38.
Kerkelijke Quaestoren.

Een bijzondere tak van Kerkbestuur is die der geldmiddelen ter verzorgen inzonderheid van behoeftigen of in het algemeen tot christelijke weldadigheid, geheel in overeenstemming met den geest van het Evangelie. — De regeling nu dezer kerkelijke fondsen, in onderscheiding van die, welke voor de eerdienst ook van gouvernementswege beschikt worden, staat geheel en volledig ter beschikking der Kerk; en de zorg en het bestier derzelver, is, onder toezigt van kerkelijke vergaderingen, aan kerkelijke ambtenaren, de Quaestoren, opgedragen.

Aan het hoofd derzelver staat de Quaestor-Generaal der Hervormde Kerk van Nederland, of de Quaestor der Synode. Deze is belast met het bestier van de algemeene geldmiddelen der Hervormde Kerk, en van alle fondsen, daartoe betrekkelijk. — Hiertoe behooren:

|152|

de klassikale kas, het fonds voor noodlijdende Kerken en de algemeenen weduwenbeurs. — Hij ontvangt de inkomsten en geldmiddelen der Kerk, zoowel die uit ’s lands kas, als uit de toelagen der Gemeenten uitbetaald worden; — hij ontvangt van de Synode de beschikking over die geldmiddelen; — voert dezelve uit — en verantwoordt zich jaarlijks aan de Synode. — Daartoe heeft hij stem en zitting in de synodale vergadering. — Hij wordt benoemd uit een der Ouderlingen of Oud-Ouderlingen van Amsterdam, op dezelfde wijze als de Secretaris der Synode (1).

De overige Quaestoren der kerkelijke collegiën worden door de verschillende collegiën zelve benoemd, die geheel vrij zijn in de keus hunner Quaestoren, terwijl zij ter verzekering hunner belangen op dezelver beheer en verantwoording nadere bepalingen maken kunnen (2); in welk geval van dezelve wordt kennis gegeven aan het Ministeriëel Departement (3).


(1) Alg. Regl., Art. 10. — Reglem. op de klassikale kosten, Art. 20 verv., bij v.d. Tuuk, I. 281. — Minist. Dispos. omtrent de kosten der klassikale Besturen, 21 Maart 1817, Art. 18, bij v.d. Tuuk, I. 296. — Reglem. op het algemeen Weduwenfonds, Art. 17, bij v.d. Tuuk, I. 485. — Dispos. op de overdragt van kerkelijke Liefdefondsen, 6 Dec. 1817, bij v.d. Tuuk, I. 490-493, en Handel. der Synode, 17 Julij 1817, bl. 129.
(2) Minist. Dispos. omtrent de benoeming van Quaestors bij de kerkelijke Besturen, 9 April 1833, bij v.d. Tuuk, III. 121.
(3) Missive van den Comm.-Gener. omtrent de betalingen der Tractementen, 27 Maart 1816, bij v.d. Tuuk, II. 211.

|153|

Gelijk zij in het algemeen belast zijn met het geldelijk beheer dezer Kerkbesturen, en als algemeene maatregel is vastgesteld, dat bij de provinciale en klassikale besturen de Secretarissen en Scriba’s tevens als Quaestors fungeren, voor zooverre die collegiën daaromtrent geene andere beschikkingen maken, zoo zijn meer bijzonder de werkzaamheden der klassikale Quaestoren bepaald. Dit was te noodzakelijker om het beheer der klassikale kas. Zij toch ontvangen de klassikale quotas van de Gemeenten; geven berigt aan de Kerkvisitatoren voor den aanvang der kerkvisitatie van de Gemeenten, die in de betaling zijn achterlijk gebleven, en bij voortdurende achterlijkheid geven zij daarvan berigt aan den Quaestor der Synode. — Van denzelven ontvangen zij tevens de benoodigde gelden ten behoeve van hun klassikaal Bestuur en de Ringsvergaderingen; gelijk zij ook de bij hen overschietende gelden aan denzelven overmaken (1). Ook zijn derzelver werkzaamheden ten opzigte der vakatuurpenningen en andere klassikale fondsen bepaald (2).

De Quaestor der klassikale vergadering kan van dien des klassikalen bestuurs onderscheiden zijn. Hij bestuurt de fondsen en gelden, die ter dispositie staan dier vergadering, als de klassikale weduwenbeurs en


(1) Instructie voor de Secretarissen en Scriba’s, b.a. bij v.d. Tuuk, I. 184. — Reglem. op de klassikale kosten, bij v.d. Tuuk, I. 275, 281.
(2) Circulaire ter informatie van de klassikale Quaestors enz. tot den ontvang der vakatuurpenningen, 23 Sept. 1818, bij v.d. Tuuk, I. 384.

|154|

andere fondsen, welker rekening op de klassikale vergadering wordt afgehoord en gesloten. — Hij wordt door de klassikale vergadering benoemd (1).

Ook de Quaestoren der Ringen hebben de zorg voor de geldelijke belangen der Ringen, en ontvangen de vakatuurpenningen (2).


(1) Alg. Regl., Art. 67, bij v.d. Tuuk, I. 22.
(2) Reglement op de Vakaturen, Art. 25, bij v.d. Tuuk, III. 288.

Royaards, H.J. (1834) § 39

§ 39.
Secundi of Plaatsvervangers.

Reeds dadelijk bij de regeling van onzen Kerkvorm bepaalde men de aanstelling van Secundi of Plaatsvervangers voor de belangrijkste kerkelijke posten, t.w. voor de Leden der synodale vergadering, en derzelver Secretaris, en de Leden der provinciale Kerkbesturen (3). De ondervinding toonde echter alras de noodzakelijkheid aan van derzelver benoeming voor alle posten van Kerkbestuur, ten einde in hetzelve geen oponthoud te geven en den gang van zaken duurzaam te regelen. Langzamerhand ging men hiertoe over, nadat de Synode bij het gevoel der noodzakelijkheid daarop aandrong ook voor zoodanige personen, waaraan bij het Algemeene Reglement geene Secundi waren toegevoegd (4), gelijk dezelve later aanvrage deed om


(3) Alg. Regl., Art. 17, 19, 34.
(4) Handel. der Synode, 11 Julij 1816, bl. 27, 29 Julij, bl. 84. — Koninkl. Besluit op de benoeming van Secundi voor

|155|

vaste Secundi voor de Scriba’s der klassikale besturen (1), welke even als de overigen werden ingesteld (2).

Zoodanige Secundi werden derhalve toegevoegd aan of bepaald voor de Leden der Synode, ook den synodalen Secretaris en Quaestor, en de Hoogleeraren, Leden der synodale vergadering. Voor den President der Synode wordt een Vice-President, en voor dezen een Secundus benoemd, ten einde alle verwarring voor te komen (3); voorts zijn zij toegevoegd aan de Leden der provinciale Kerkbesturen, — der klassikale Besturen, en derzelver Assessoren en Scriba’s, — en de Leden der Waalsche Commissie.

Deze Secundi nu zijn Plaatsvervangers, bestemd om op te treden bij noodzakelijke afwezigheid der primi, en in gevallen van tusschentijds ontstane vakaturen. Doch de benoemde klassikale Secundi treden alleen op in de plaats der Gecommitteerden, voor wien zij benoemd zijn. — Daarom treden zij eerst op bij afsterven,


posten van kerkelijk Bestuur, 23 Julij 1916, n. 73 en 21 Aug. 1816, n. 69, en Minist. Dispos., bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 209-211. Bij dezelve werden Secundi ingesteld voor den synodalen Quaestor, de Hoogleeraren, als praeadviserende synodale Leden, en den synodalen Ouderling, het Provinciaal Kerkbestuur van Limburg, en de Waalsche Commissie — en voor de Leden der klassikale Besturen.
(1) Handel. der Synode, 8 Julij 1818, p. 51.
(2) Koninkl. Besluit omtrent de benoeming van Secundi voor de Assessoren en Scriba’s, 27 Julij 1818, n. 21, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 211.
(3) Alg. Regl., Art. 17, nevens de boven aangehaalde Besluiten, en Hand. der Synode.

|156|

vertrek of ziekte van de benoemde Leden; en treden af ten tijde, wanneer de primus moest aftreden (1).

Daarenboven zijn eenige bepalingen gemaakt, omtrent de vervulling van het Secundusschap, aan sommigen betrekkingen verbonden. — Zoo immers is de Scriba van het klassikaal Bestuur der provinciale hoofdplaats Secundus van den Secretaris van het provinciaal Bestuur — en de Ouderling van dat klassikaal Bestuur, is Secundus van den Ouderling in het provinciaal Bestuur; terwijl de Ouderling in het klassikaal Bestuur van de hoofdplaats der Provincie, uit welke een Ouderling naar de Synode gezonden wordt, is Secundus van den synodalen Ouderling (2). — De Secundus van den Assessor des klassikalen Bestuurs treedt op, indien de Assessor, als Secundus in het provinciaal Bestuur opgeroepen, daarin belet werd. — De eerstbenoemde der klassikale Moderatoren treedt op als Secundus van den Assessor in het klassikaal Bestuur, in welk geval de eerstbenoemde der Secundi als Gecommitteerde in deszelfs plaats optreedt. — Hetzelfde geldt voor de Gecommitteeerden zelve, en bij vakaturen onder dezelve. Bij de vakature van een Scriba des klassikalen Bestuurs, kan de meestbevoegde onder de Secundi daartoe provisioneel worden geässumeerd (3).


(1) Koninkl. Besluit, 6 Jan. 1818, n. 51, bij v.d. Tuuk, I. 214.
(2) Koninkl. Besluit, 23 Julij 1816, b.a., n. 2, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 203.
(3) Besluit op de benoeming van Secundi, 21 Aug. 1816, bij v.d. Tuuk, I, 208, 209. — Besluit, b.a., 27 Julij 1818, bij v.d. Tuuk, I. 211.

|157|

Derzelver benoeming geschiedt langs den kerkelijken weg, even als die van de Leden der Besturen, wier Secundi zij zijn, uit zestallen, tot kerkelijke drietallen verminderd, waaruit de Koning kiest. — Intusschen kunnen ook drie van de personen der zestallen op de nominatiën tot Secundus gebragt worden, gelijk op de verminderde drietallen ook één kan gebragt worden, die op het drietal als Lid voorkomt. — Bij tusschentijds voorkomende vakaturen wordt voorloopig voorzien (1). — De nominatiën voor de Secundi worden gelijktijdig opgemaakt met die der primi, b.v. voor de Leden der Synode in de vergadering des Provincialen Bestuurs van Mei; voor de Leden der Provinciale Besturen in de vergadering der klassikale Moderatoren in September, en voor de Leden der klassikale Besturen, door de klassikale vergadering in Junij van het voorgaande jaar (2).

Door deze instelling en regeling der Secundi is de geregelde gang der vervulling van de kerkelijke collegiën verzekerd.


(1) Zie a. Besluit, 27 Julij 1818, Art. 5, — en Besluit, b.a. 6 Jan. 1818, bij v.d. Tuuk, I. 216, 217.
(2) Besluit, b.a. 21 Aug. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 208, 209.

Royaards, H.J. (1834) § 40

§ 40.
Bestuur der Kerkegoederen en fondsen.

Ten slotte der ontwikkeling van het Bestuur der

|158|

Hervormde Kerk, sta hier dat van de kerkegoederen en de kerkefondsen. Dit Bestuur is wel aan kerkelijke collegien opgedragen, en blijft daarom Kerkbestuur, maar het is ten naauwste verbonden aan den staatsinvloed op onze Kerk.

Reglementen.

Vroeger werden de Kerkegoederen bestierd meestendeels door Kerkmeesters of Kerkvoogden, die dan in meerdere of mindere mate onder invloed van den Staat, de Staatscollegien, Ambachtsheeren, Patroonen of Collatoren stonden (1). — Eenige jaren na de vestiging van onzen nieuwen Kerkvorm, zijn naar aanleiding van een ingeleverd Concept-Reglement des Provincialen Kerkbestuurs van Zeeland, achtereenvolgens in de onderscheidene Provinciën door den Staat, Provinciale Reglementen op de kerkelijke administratie gearresteerd door Koninklijke Besluiten, eerst voor Zeeland (Februarij 1819), toen voor Noord- en Zuid-Holland (November 1819), daarna voor Noord-Braband, Groningen en Drenthe (Julij 1820), voor Gelderland (Julij 1821), voor Overijssel (Julij 1822), en eindelijk voor Utrecht en Vriesland (Maart en December 1823) (2) bij welke in vervolg van tijd nadere ampliatiën en wijzigingen gevoegd


(1) Zie ook over dit onderwerp Schoockius, de bonis ecclesiasticis. — Ypey en Dermout, Gesch. der Herv. Kerk, I.
(2) Zie boven, Inleiding, bl. 25. — Deze Provinciale Reglementen op de administratie en de kosten van den Eerdienst bij

|159|

zijn. — Wegens de verschillende grootere of kleinere uiteenloopende instellingen, hier en elders aanwezig, welke men wilde eerbiedigen of bewaren, heeft men niet tot eenheid kunnen geraken, en daarom aan Provinciale Reglementen plaats gegeven,


de Hervormde Gemeenten, bevatten over het algemeen 4 Afdeelingen, als:
1 Afdeeling: Bestuur der kerkelijke fondsen.
§ 1. Algemeene Beginselen . . . Art. 1.
— 2. Van het Provinciaal Collegie . . .  Art. 2-9.
— 3. Van de Kerkvoogden . . . — 10-14.
— 4. Van de Notabelen . . . — 15-18.
  (in Vriesland: van de floreenpligtigen en Notabelen).
— 5. Van de Stembevoegden . . . — 19-22.
2 Afdeeling: de Begrooting.
§ 1. Van den inhoud der Begrooting . . . — 23-25.
— 2. Van het opmaken der Begrooting . . . — 26-28.
— 3. Van den hoofdelijken Omslag . . . — 29-35.
3 Afdeeling: de Administratie en Rekening.
§ 1. Van de aanvaarding der Administratie . . . — 36-41.
— 2. Van den kerkelijken Ontvanger . . . — 42-48.
— 3. Van de Rekening en Verantwoording . . . — 49-52.
4 Afdeeling: Verschillende Bepalingen.
§ 1. Betrekkingen van Kerkvoogden met den Kerkeraad . . . — 53-62.
— 2. Verpligting tot het aanvaarden van kerkelijke benoemingen . . . — 63-71.
— 3. Wijziging en toepassing van dit Reglement . . . — 72-73.
— 4. Algemeene Bepalingen . . . — 74-80.
In sommige Reglementen heeft een kleine afwijking plaats door bijgevoegde of uitgelaten Artikelen, als ook door de uitlating van § 3 der 4e Afdeeling, waarvan wij in de behandeling te zijner plaatse melding maken zullen. ➝

|160|

behoudens de bijzondere uitzonderingen, in verschillende Gemeenten toegestaan. Van hier dan ook de verschillende wijzigingen, die in de onderscheidene Provinciale Reglementen plaats hebben, en welke wij telkens zullen moeten vermelden (1).


➝ Men vindt bij v.d. Tuuk, III. 1 verv., de onderlinge vergelijking dezer Reglementen, uitgaande van twee derzelver als leggers, dat van Zeeland onder de eersten, waarmede Noord- en Zuid-Holland en Overijssel vergeleken worden, bl. 1-44, en dat van Gelderland onder de laatsten, waarmede de overigen worden vergeleken, bl. 45-118. Het Reglement voor Zeeland komt ook voor in de b.a. Nieuwe Bijdragen tot den Eerdienst, 1819, II. 2. bl. 271.
(1) Zoodanige wijzigingen of ampliatiën zijn, meestal op voorstel van het Provinciaal College of van Gemeenteleden genomen, ingevoerd bij de volgende Koninklijke Besluiten:
Koninkl. Besluit, d.d. 3 Febr. 1820, houdende Ampliatiën en Alteratiën van het Reglement van Zeeland, Art. 1, 2, 10, 11, 12, 14, 24, 30, 61, 66. 73.
Koninkl. Besluit, d.d. 12 Febr. 1821, op de rekwesten van Collatoren in Groningen, nopens Art. 13, 53 (en de Collatieregten) in het Reglement van Groningen.
Koninkl. Besluit, houdende Ampliatie op het Reglement van Groningen, Art. 66, d.d. 27 Sept. 1822.
Koninkl. Besluit van 23 Jan. 1823, houdende Ampliatie van Art. 19 van het Reglement van Groningen.
Koninkl. Besluit van 29 Jan. 1823, houdende Ampliatie van Art. 9 van het Reglement van Zeeland.
Koninkl. Besluit, d.d. 18 Julij 1823, op Art. 2 en 3 van Noord-Braband. — Kon. Besluit van 23 Dec. 1823, houdende Ampliatie op Art. 25 in het Reglement van Overijssel.
Koninkl. Besluit, houdende wijziging in het Reglement van Groningen, Art. 2 en 53, d.d. 30 Junij 1828. — Kon. Besluit van 17 Julij 1832, houdende de aanvulling van Art. 63 in het Reglement van Drenthe.

|161|

De invoering dezer Reglementen, van den Staat uitgegaan, had echter niet onvoorwaardelijk plaats. — Ter verzekering van de goederen der Kerken zijn kerkelijke collegiën gevestigd, onder staatstoezigt staande. Doch daar, waar men geheel zonder ondersteuning van den Staat bestaan, waar men uit de gewone inkomsten in alle behoeften voorzien kan, en waar de kerkelijke administratie tot nog toe in volledige orde beheerd is, is in alle Provinciën, uitgezonderd Gelderland, Groningen en Drenthe, tijdens de invoering dezer Reglementen, de mogelijkheid bewaard, om de vroegere wijze van administratie der Kerkefondsen en goederen te behouden, indien Kerkeraden en Gemeente-commissiën of Administrateurs der kerkelijke financiën zulks verlangen, of indien andere gewigtige redenen zulks vorderen (b.v. de geringheid der Gemeente, of in Overijssel tevens bestaande wettige regten). Het behoud nu der toen bij dezelve plaats hebbende wijze van beheer, of ook eenige wijzigingen van het Reglement, konden provisioneel door het Provinciaal Collegie verleend worden, doch bij voortduring of voor meer dan een jaar, alleen op autorisatie des Konings (1). — Minder ruim is deze


(1) In het Regl. van Zeeland waren slechts eenige wijzigingen in het Regl. toegestaan; zie Regl. van Zeeland, Art. 73. — Later is bij ampliatie in het Koninkl. Besluit b.a. 3 Febr. 1820 „het behoud der thans bij dezelve plaats hebbende wijze van beheer of ook eenige wijzigingen,” — overgelaten aan het oordeel van „Kerkeraden, Gemeente-commissien of Administrateurs der kerkelijke financiën.” — Zoodanig is dan ook deze bepaling overgenomen in de volgende Reglementen van Noord- en ➝

|162|

vergunning in Gelderland, Groningen en Drenthe of verlangd, of althans toegestaan. Daar konden „bij zeer bijzondere omstandigheden of wettige regten, die grond verleenden van bezwaar tegen sommige bepalingen van het Reglement, de belanghebbenden zich wenden tot den Koning, mits uiterlijk drie maanden na de invoering van het Reglement, opdat na onderzoek wierde beslist (1).”

Daarenboven zijn voor de Waalsche en Engelsche Kerken deze bepalingen wel in het algemeen toegepast, maar tevens vastgesteld, „dat het Provinciaal Collegie zal onderzoeken, of en zoo ja, welke wijzigingen noodzakelijk zijn bij de toepassing van dit Reglement op de Waalsche en Schotsche Kerken;” welke dan ook provisioneel door het Ministeriëel Departement, en in het tegenovergestelde geval door den Koning moeten verleend worden (2). Van deze


Zuid-Holland enz. — Zie de verschillende aangeh. Reglementen, Art. 73 (72), 79, 87.
In Utrecht en Vriesland werd hiertoe daarenboven geëischt: „dat in het vervolg noch onderstandgelden van eenigen aard, noch omslag werden vereischt,” — en moest men zich ter verkrijging dier „uitzondering of wijziging” regtstreeks aan den Koning uiterlijk drie maanden na de invoering van het Reglement adresseeren. Nadere bepalingen werden daarenboven in Vriesland omtrent het Bild, Ameland en Schiermonniksoog opgenomen. — Zie Reglem. van Vriesland, Art. 87, en van Utrecht, Art. 79.
(1) Reglementen van Gelderland, Groningen en Drenthe, Art. 79 (78).
(2) Provinciale Reglementen van Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Groningen en Overijssel, Art. 72, en van Noord-Braband, Art. 71.

|163|

uitzondering wordt echter geene melding gemaakt in de reglementen van Gelderland, Utrecht, Vriesland en Drenthe.

Het is in het algemeen uit den inhoud dezer Reglementen blijkbaar, dat men in de eerstingevoerde sommige bepalingen heeft vastgesteld, of vergunningen toegestaan, van welke men, behoudens uitzonderingen in deze of gene Provincie, later is afgeweken; welligt ook, nadat men uit de invoering der verschillende Reglementen reeds door de ondervinding kon besluiten. Wij zullen hiervan telkens de voorbeelden aantreffen.

Op deze wetgeving, hier en daar gewijzigd door plaatselijke uitzonderingen, rust het bestuur der kerkelijke fondsen en der kosten van den Eerdienst. Hierdoor is in het algemeen eene meer eenparige wijze van kerkelijke administratie in onze Hervormde Kerk ingevoerd. Het is belangrijk hare bijzondere bepalingen uit elkander te zetten.

Bestuur.

Als algemeen beginsel geldt, dat het bestuur der finantiëele administratie van elke Gemeente is: Kerkbestuur. — Het is opgedragen aan Kerkvoogden, met overroeping van Notabelen, uit de stembevoegde Leden der Gemeente benoemd. — In Gelderland echter en Noord-Braband treden in kleinere Gemeenten de Leden des Kerkeraads als Notabelen op. In Utrecht fungeren in zoodanige Gemeenten

|164|

Ouderlingen en Diakenen, en in Vriesland Notabelen of de Hervormde floreenpligtigen. — Dit Kerkbestuur echter staat onder staatszorg, welke wordt uitgeoefend door het Provinciaal Collegie. — Van daar zijn de Collegiën van Kerkvoogden, Notabelen en Stembevoegden geene burgerlijke, maar kerkelijke Collegiën; doch de Provinciale Collegiën van Toezigt zijn Staatscollegien.

Als algemeen vereischte is vastgesteld, dat alle de Leden dezer Besturen zijn moeten Ledematen der Hervormde Kerk; terwijl in Vriesland omtrent Floreenpligtigen genoeg is, dat zij zijn Leden der Hervormde Kerk (1).

Kerkvoogden.

In elke Gemeente is een Collegie van Kerkvoogden gevestigd. — Het bestaat over het algemeen naar evenredigheid van de grootte der Gemeente, (in Gelderland, Utrecht, Vriesland en deels in Groningen, ter beoordeeling van het Provinciaal Collegie), uit drie, vijf of zeven Leden, en kan in Noord- en Zuid-Holland tot negen opklimmen. In Noord-Braband en Drenthe bestaat het in Gemeenten beneden 500 zielen uit drie Leden, en boven 500 zielen, uit vijf Leden. In de Provinciën Utrecht en Groningen uit drie of vijf Leden, overal behalve in de steden Utrecht en Groningen, alwaar 7 Kerkvoogden zijn. Daarenboven behoeft in Noord-Braband, Gelderland en Utrecht, in Gemeenten, niet meer dan 150 zielen bedragende, maar één Kerkvoogd te worden aangesteld.


(1) Zie de Reglementen, Art. 1.

|165|

In twee of meer nabijgelegene kerkelijke Gemeenten, door combinatie of andere gemeenschappelijke belangen verbonden, kan het Bestuur (doch in Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijssel en Noord-Braband alleen met toestemming der Gemeenten), door het Provinciaal Collegie worden opgedragen aan één Collegie van Kerkvoogden, (of in Gelderland en Noord-Braband ook aan één Kerkvoogd) in welk geval deze Gemeenten worden geacht in zoover één geheel uit te maken. — Deze bepaling geldt niet voor Utrecht; terwijl zulks buiten bijzondere omstandigheden in Gelderland en Noord-Braband noodwendig plaats zal hebben in alle gecombineerde Gemeenten, welke zoo klein zijn, dat dezelve geenen afzonderlijken Kerkvoogd kunnen hebben; en in Vriesland door het Provinciaal Collegie, overal, waar zulks door de omstandigheden wordt aangeraden en billijkerwijze kan geschieden, pogingen zullen worden aangewend ter bevordering van de vereeniging der verschillende Kerkvoogdijen, in eene gecombineerde Gemeente bestaande (1).

Men is grootendeels naar aanleiding der zoozeer uiteenloopende instellingen in de verschillende Gewesten, in de zamenstelling van dit Collegie van tweeërlei beginsel uitgegaan, bij de vroegere en latere Reglementen. — Immers in Zeeland, Noord- en


(1) Zie de Reglementen, Art. 10 (11). — Ampliatie voor Zeeland, d.d. 5 Febr. 1820, — later in de volgende Reglementen opgenomen.

|166|

Zuid-Holland en Overijssel worden zij benoemd uit de Leden van het Plaatselijk Bestuur, van den Kerkeraad, en uit notabele Leden der Gemeente, verschillend verdeeld in de verschillende Gemeenten naar gelang van derzelver bevolking, en wel op deze wijze:
in Gemeenten beneden 500 zielen, uit een Lid van het Plaatselijk Bestuur — een van den Kerkeraad — en een notabel Lid der Gemeente;
in Gemeenten van 500-10,000 zielen, uit een Lid van het Bestuur — twee van den Kerkeraad — en twee notabele Leden der Gemeente;
in Gemeenten van zeven Kerkvoogden, als Middelburg (1), Haarlem, Zaandam, Hoorn, Alkmaar, Enkhuizen, Dord, Delft, Gouda, Schiedam, Zwol, Deventer en Kampen, uit drie Leden van de Stedelijke Regering, — twee van den Kerkeraad — en twee notabele Leden (2).
In Amsterdam, Rotterdam, ’s Hage en Leiden zullen de negen Kerkvoogden bestaan uit een Burgemeester, — twee Leden van den Stedelijken Raad, — drie van den Kerkeraad — en drie notabele Leden.

Daarentegen worden zij in Gelderland, Utrecht, Noord-Braband, Vriesland, Groningen en Drenthe benoemd uit de aanzienlijkste en bekwaamste Ledematen der Gemeente, zonder eenige verdere bepaling


(1) In het Reglement van Zeeland was vroeger eene andere bepaling voor Middelburg en andere steden gemaakt, die echter gewijzigd is bij Ampliatie b.a. 3 Febr. 1820, en als zoodanig opgenomen bij v.d. Tuuk, t.a.p.
(2) Zie de Reglementen, Art. 11 (12).

|167|

van stand of bediening; alleen werd in al deze Provinciën, even als in Overijssel, vastgesteld, dat Kerkvoogden, tijdens de benoeming of hernieuwde benoeming, elkander niet nader mogen bestaan, dan den vierden graad van bloedverwantschap of zwagerschap; en in Gelderland en Vriesland, „voor zoover de geringheid van het getal der daartoe bevoegde Gemeente-Leden zulks niet volstrekt onmogelijk maakt.” Ook mag geen Kerkvoogd aannemer zijn of leverancier bij eenig werk, uit kerkelijke fondsen betaald; welke clausule echter in Zeeland, Noord- en Zuid-Holland niet voorkomt (1).

Het Collegie verkiest uit haar midden een President en Secretaris; en uit of buiten hetzelve een Ontvanger of Administrateur (2).

Ook de Predikant of één der Predikanten is in Zeeland, Noord-Braband, Noord- en Zuid-Holland, Overijssel en Vriesland honorair of adviserend Lid van dit Collegie; en in Gemeenten van meer dan één Predikant wisselt dezelve jaarlijks af. — In Zeeland en in Noord- en Zuid-Holland zitten in Gemeenten, waar het Collegie uit zeven of negen Leden bestaat, twee Predikanten, als honoraire Leden bij tourbeurten, in hetzelve. Doch in de overige Provinciën, Gelderland, Utrecht, Groningen en Drenthe is aan


(1) Art. 12 (13). — In het eerste Regl. van Zeeland was het Lid van het Plaatselijk Bestuur als President benoemd, hetgeen echter is weggelaten in hetzelve bij Ampliatie voor Zeeland b.a. 3 Febr. 1820 en later in de overige Reglementen.
(2) Art. 12 (13).

|168|

de Predikanten geene plaats in dit Collegie aangewezen, en vindt men daaromtrent niets bepaald (1).

Waar de Predikanten als adviserende Leden zitting hebben, blijven zij buiten stemming. Alleen bij de aan- en afstelling van kerkelijke bedienden, de bepaling van derzelver instructie en de regeling van derzelver traktementen en inkomsten, hebben de Predikanten (uitgezonderd in Vriesland) eene beslissende stem, doch voorbehoudens het regt van collatie of het regt ter begeving van eene of andere dier bedieningen, indien daarbij speciaal geregtigden mogten bestaan (2).

Eene bijzondere bepaling omtrent de vroeger ingestelde Opperkerkmeesters of Patronen. Deze zullen, waar zij regtens, vooral in Gelderland en Utrecht vroeger bestaan hebben, mits Lidmaten zijnde der Hervormde Kerk, en hunne voornaamste woonplaats of vaste goederen in die Gemeente hebbende, noodwendig onder het getal der Kerkvoogden begrepen zijn, en het Voorzitterschap in dat Collegie bekleden. Die onder dezelven elders woonachtig zijn, zijn bevoegd, zich door een ander notabel Lid der Gemeente, onder goedkeuring van het Provinciaal Collegie, gedurende hunne afwezendheid te doen vervangen. — In Groningen heeft dergelijke bepaling plaats, omtrent den Unicus of primarius Collator, alsmede de Collatoren, niet woonachtig in de Gemeente,


(1) Reglementen van Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Overijssel, Noord-Braband en Vriesland, Art. 13 (14).
(2) Reglementen b.a. Art. 53 (Vriesland, Art. 61).

|169|

mits Lidmaten zijnde der Hervormde Kerk, welke steeds verkiesbaar blijven als Kerkvoogden. Waar Collatoren bestaan, zal een derzelver, mits aan de vereischten voldoende, moeten worden verkozen onder de Kerkvoogden. De Unicus-Collator kan als Mede-Kerkvoogd door de Notabelen worden verkozen (1).

De benoeming der Kerkvoogden geschiedt voor den 15den December van elk jaar door Notabelen bij besloten billetten. — Jaarlijks in Noord- en Zuid-Holland en Zeeland, en in andere Provinciën om het andere jaar, treedt zo na mogelijk een derde, schoon steeds weder verkiesbaar, af. Eveneens bij tusschentijds invallende vakaturen, of wanneer in Noord- en Zuid-Holland en Overijssel een Kerkvoogd, die Lid is der Plaatselijke Regering of van den Kerkeraad dit radikaal mogt komen te verliezen. In Gelderland, Utrecht en Noord-Braband wordt in Gemeenten, waar slechts een Kerkvoogd is, deze voor twee jaren door den Kerkeraad benoemd. In Noord-Braband is daarenboven stellig bepaald, dat in dergelijke Gemeenten, een Kerkvoogd door den Kerkeraad benoemd, steeds weder verkiesbaar blijft; en is zoodanig een Lid des Kerkeraads, dan houdt hij op zulks te zijn bij zijne benoeming als Kerkvoogd. — In Vriesland worden zij eveneens benoemd door Floreenpligtigen of Notabelen.


(1) Reglementen van Gelderland, Utrecht ene Groningen, Art. 13. — De bepaling in Groningen omtrent Collatoren buiten de Gemeente woonachtig, komt voor in de b.a. Ampliatie op het Regl. van Groningen, d.d. 12 Febr. 1821.

|170|

De benoemde personen worden van den predikstoel aan de Gemeente bekend gemaakt. Een Notabele tot Kerkvoogd benoemd zijnde, en als zoodanig optredende, houdt op in de  eerste betrekking werkzaam te zijn; gelijk ook geene van wege de Gemeente bezoldigde kerkelijke bedienden tot Kerkvoogden kunnen benoemd worden (1).

Belangrijk voor het welzijn der Gemeente en de uitoefening van de Eerdienst zijn de werkzaamheden der Kerkvoogden. Aan hen is in het algemeen het bestuur der finantiëele aangelegenheden (2), en meer bijzonder, het opzigt over Kerken en Pastorijen, (en in Gelderland, Utrecht, Vriesland, Groningen, Overijssel en Drenthe ook der Kosterijen), het beheer der kerkelijke eigendommen, fondsen en inkomsten, en het regelen der benoodigde kosten voor de Eerdienst opgedragen (3). Daartoe behoort vooral ook de zorg voor het opmaken en in werking brengen van het kerkelijk budget; en eindelijk het ontwerpen van den hoofdelijken omslag, waar die noodig is (4). De omslag over de Floreenpligtigen in Vriesland is echter niet aan Kerkvoogden opgedragen (5).


(1) Zie de verschillende Reglementen, Art. 14 (16), en Ampliatie voor Zeeland, b.a. 3 Febr. 1820.
(2) Reglementen, Art. 1.
(3) Reglementen, Art. 10 (11).
(4) Reglementen, Art. 26 (29), 29.
(5) Reglement van Vriesland, Art. 33.

|171|

Kerkelijk Ontvanger en Administrateur.

Meer onmiddellijke betrekking tot al derzelver werkzaamheden heeft de kerkelijke Ontvanger of Administrateur. — Deze toch bestaat bij het Collegie van Kerkvoogden, en wordt door hen benoemd, doch naar een verschillend beginsel, van waar men uitgaat.

Immers in sommige Provinciën wordt een kerkelijk Ontvanger buiten het Collegie van Kerkvoogden, in andere wordt een Administrateur uit hetzelve gekozen. — In Zeeland, Noord- en Zuid-Holland en Overijssel mag de Ontvanger geen Kerkvoogd zijn of Notabele, of moet, zulks bij zijne benoeming zijnde, dadelijk door een ander vervangen worden. — Integendeel wordt in Gelderland, Utrecht, Groningen, Drenthe, Vriesland en Noord-Braband, de Administrateur gekozen uit de Kerkvoogden; ofschoon ook, indien Kerkvoogden zulks noodzakelijk mogten oordeelen, een afzonderlijke Ontvanger buiten het Collegie kan benoemd worden met toestemming van het Provinciaal Collegie, schoon met beperkingen in eenige Provinciën.

Ofschoon nu de administrerende Kerkvoogd in de laatstgenoemde Provinciën belast is met de ontvangst en uitgave, blijven echter in Gelderland, Utrecht, Groningen en Vriesland de gezamenlijke Kerkvoogden verantwoordelijk voor de administratie, waartoe zij van den Administrateur inventaris en cautie kunnen (of moeten) vorderen voor zijne goede administratie. — Daarenboven kan in Gemeenten van Gelderland, Utrecht en Vriesland, waar Kerkvoogden zulks verlangen en het Provinciaal Collegie het geraden

|172|

oordeelt, de administratie naar verkiezing onder Kerkvoogden verdeeld worden; mits de verantwoording bij eene rekening, en onder de verantwoordelijkheid van allen voor een en van een voor allen geschiedt, doch zonder de verpligting om bovendien caute te stellen (1).

De kerkelijke Ontvanger, waar die bestaat buiten het Collegie van Kerkvoogden, geniet een salaris van niet meer dan 5 percent van den inkomst beneden en tot op ƒ 5,000, en boven ƒ 5,000 noot hooger dan ƒ 500. Hij zal eene voldoende borgtogt stellen. — Alleen in Utrecht is het maximum voor kerkelijke inkomsten beneden ƒ 5,000 op 4 percent, en boven ƒ 5,000 slechts op 3 percent, doch nimmer hooger dan ƒ 500, bepaald.

Waar een administrerend Kerkvoogd in Gelderland, Utrecht, Groningen, Drenthe, Noord-Braband en Vriesland is aangesteld, blijven de defroyementen, als vroeger, bepaald, of worden nader gewijzigd, mits beneden hetgeen voor den Ontvanger is bepaald (2).

De werkzaamheden van den Administrateur of Ontvanger zijn dezelfde. Hij is belast met de invordering aller inkomsten, — geeft ten allen tijde opening aan


(1) Zie de veschill. Reglem., Art. 42, 48, 13; van Vriesland, Art. 50, 56, 13.
(2) Reglementen van Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Overijssel, Art. 48; van Vriesland, Art. 56, de overigen Art. 48.

|173|

het Collegie van Kerkvoogden van den staat zijner kas, en vertoont zijne boeken, — doet geene uitgaven, waar meer Kerkvoogden zijn,  dan op ordonnanciën of schriftelijken last derzelver, geteekend door derzelver tijdelijken President en Secretaris (1); brengt geene uitgaven in rekening, welke den post, daartoe op de begroting bestemd, te boven gaan, tenzij hij af- over overschrijving op besluit van Kerkvoogden en autorisatie van het Provinciaal College (of in Gelderland en Utrecht, alleen bij besluit van Kerkvoogden en Notabelen of van Kerkvoogd en Kerkeraad); — in Vriesland alleen bij besluit van Kerkvoogden, en in Noord-Braband, waar één Kerkvoogd is, op besluit van den Kerkeraad op autorisatie van het Provinciaal Collegie; elders aldaar even als in de overige Provinciën, — en heeft daarenboven regt van gratis procederen, volgens Koninklijke Besluiten (2).

Notabelen.

Gelijk het uitwendig Kerkbestuur wordt uitgeoefend door Kerkvoogden, zoo is het kerkelijk toezigt opgedragen aan het Collegie van Notabelen (3); in Vriesland aan Floreenpligtigen of Notabelen.

Notabelen worden benoemd uit de voornaamste Leden der Gemeente (4).


(1) De Secretaris teekent niet mede in Utrecht en Vriesland.
(2) Reglementen, Art. 43, 44, 48, 47, 46, 45; — van Vriesland, Art. 51-56.
(3) Reglementen, Art. 1.
(4) Reglementen, Art. 15; — van Vriesland, Art. 18.

|174|

Derzelver getal wordt naarmate van de talrijkheid der Gemeente bepaald op 4, 6, 8 of 10. In Gelderland en Utrecht is deze bepaling aan het Provinciaal Collegie opgedragen, behoudens het getal van zestien Notabelen voor de stad Utrecht. — Voor de overige Provinciën is de volgende Rooster door de Reglementen verorden:
4 in Gemeenten tot 200 zielen.
6 in Gemeenten van 200-500 zielen.
8 in Gemeenten van 500-1000 zielen.
10 in Gemeenten van 1000-5000 zielen.
12 in Delft, Gouda, Schiedam, Zaandam, Hoorn, Alkmaar, Enkhuizen, Vlissingen, Zierikzee en Goes.
14 in Zwolle, Deventer, Kampen.
16 in Haarlem, Dordrecht, Middelburg, Groningen.
18 in Rotterdam, ’s Hage, Leyden.
20 in Amsterdam.
In Vriesland wordt het getal der Notabelen, even als in Gelderland en Utrecht, door het Provinciaal Collegie op 4, 6, 8, 10 of 12 bepaald in Gemeenten, waar geene regthebbende Floreenpligtigen bestaan. Doch daar, waar van ouds Floreenpligtigen het regt van toezigt op de kerkelijke administratiën uitoefenen, zullen de Hervormde Floreenpligtigen der burgerlijke Gemeente of Grietenij, waarin de kerkelijke gelegen is, de attributen bezitten, elders aan Notabelen toegekend (1).

Notabelen bestaan ook in Gemeenten, waar het Reglement niet in ingevoerd, en de vroegere wijze van


(1) Reglementen van Zuid- en Noord-Holland, Zeeland en Overijssel, Art. 16; — van Vriesland, Art. 18, de overigen Art. 15.

|175|

beheer bewaard is. Aan hen moet ook daar jaarlijks rekening van de kerkelijke administratie gedaan worden (1).

Aan Notabelen worden plaatsvervangers (in Zeeland, Utrecht en Vriesland, twee of meer) toegevoegd, om bij vakaturen tusschentijds te kunnen optreden (2).

De benoeming der Notabelen geschiedt door stembevoegde Leden der Hervormde Gemeente in Zeeland, Noord- en Zuid-Holland, Overijssel en Noord-Braband. Doch in Gelderland, Utrecht, Groningen, Drenthe en Vriesland (voor zooverre hier Notabelen bestaan) worden zij door stembevoegden verkozen, overal, waar het Provinciaal Collegie voegzaam en nuttig oordeelt, die stemming in te voeren. Waar dit geen plaats heeft, zal de verkiezing geschieden namens de Gemeente, uit eene bij den Kerkeraad geformeerde nominatie, door het Provinciaal Collegie. — Dezelve wordt alphabetisch ingerigt, en bevat een dubbeldtal voor Gemeenten, waar drie, — een drietal voor Gemeenten, waar vijf, — en een viertal voor Gemeenten, waar zeven Kerkvoogden zijn. — In Gemeenten van niet meer dan 150 zielen in Noord-Braband en Gelderland fungeren de Leden des Kerkeraads als Notabelen; doch in Utrecht alleen Ouderlingen en Diakenen. — Telken jare treedt een derde derzelver,


(1) Zie Ampliatie voor Zeeland, b.a. 3 Febr. 1820; — en Reglementen van Noord- en Zuid-Holland, Overijssel, Noord-Braband, Art. 73 (72); Utrecht, Vriesland, Art. 87.
(2) Reglementen, Art. 16.

|176|

of zoo na mogelijk een derde, met den 1sten Januarij, af (1).

De werkzaamheden der Notabelen (of van Floreenpligtigen) zijn meestal verbonden aan  die der Kerkvoogden. — Aan dezelven is opgedragen het verkiezen van Kerkvoogden; — het vaststellen der jaarlijksche betrooting; — het benoemen eener Commissie ter beoordeeling (of in Gelderland en Utrecht het houden eener vergadering ter gelegenheid van de beoordeeling) der doleäntiën, in geval van hoofdelijken omslag, en in Vriesland het houden eener vergadering ter gelegenheid van omslag over de Florenen of van hoofdelijken omslag; — het opnemen der jaarlijksche rekening, — en het beoordeelen der noodzakelijkheid om proceduren te entameren, waartoe zij echter in Gelderland, Utrecht en Vriesland eene voordragt doen aan het Provinciaal Collegie; en in Vriesland alle andere zaken, welke Kerkvoogden mogten oordeelen niet te kunnen afdoen, zonder raadpleging met Notabelen of Floreenpligtigen (2).

Derzelver vergaderingen worden belegd door Kerkvoogden; of die der Floreenpligtigen in Vriesland ten verzoeke van Kerkvoogden. Zij worden gehouden in vereeniging met de Kerkvoogden, behalve die ter verkiezing van Kerkvoogden, en der Commissie van doleantie. — In de gecombineerde vergadering is de


(1) Reglementen, Art. 18 (17) en van Vriesland, Art. 21.
(2) Reglementen, Art. 17 (16) en van Vriesland, Art. 19.

|177|

presiderende Kerkvoogd, Voorzitter. — In de vergaderingen der afzonderlijke Notabelen verkiezen zij een Voorzitter en Secretaris uit hun midden. In Vriesland echter is in de gecombineerde vergadering van Kerkvoogden en Floreenpligtigen, alsmede in die van Floreenpligtigen alleen, de Grietman of het hoofd van het Plaatselijk Bestuur Voorzitter (1).

Stembevoegden.

Daar dus in eenige Provinciën of uitsluitend, of voorwaardelijk de verkiezing van Notabelen door Stembevoegden is ingevoerd, zijn de vereischten, om als zoodanig op te treden, mede door de Reglementen bepaald.

Stembevoegden zijn volgens dezelven alle de mans Ledematen, die in den hoofdelijken omslag zijn aangeslagen in de Gemeenten, waar dezelve plaats heeft, of die vaste bijdragen ten behoeve der Gemeente opbrengen; b.v. door huur of koop verkregen regt van zitplaatsen in de Kerk. Daarom zijn alle Leden van kerkelijke Collegiën door deze kwaliteit van zelve stembevoegd, en blijven zulks na hunne aftreding (2).

Doch van de stembevoegdheid zijn of worden uitgesloten allen, wier personen of goederen onder curateelen staan, — bankbreukigen, — zij die bij regterlijk decreet in staat van beschuldiging gesteld zijn, — of in regten voor eerloos worden gehouden, — en kerkelijk gecensureerden.


(1) Reglementen, Art. 17 (16). Vriesland, Art. 19.
(2) Reglementen, Art. 19.

|178|

Daarenboven worden zij, die meer dan een jaar mogten nalatig gebleven zijn in het voldoen van hetgeen zij aan de Gemeente schuldig zijn, geschorst in de uitoefening van het stemregt (1).

Maar ook deze meer algemeene bepalingen lijden eenige uitzonderingen. In Utrecht en Vriesland kan het Provinciaal Collegie eene voordragt doen, indien bijzondere omstandigheden van Gemeenten eene andere bepaling ten aanzien der stembevoegdheid mogten noodzakelijk maken (2); en in Groningen is bij gemis van een genoegzaam aantal Stembevoegden, volgens de bovenstaande kwalificatiën, het Provinciaal Collegie bevoegd, om mede voor Stembevoegden te doen houden alle Leden van zoodanige Gemeenten, die jaarlijks ƒ 20 in de directe belastingen betalen, het patentregt daaronder begrepen (3).

De lijst der Stembevoegden wordt jaarlijks voor 1 Nov. door Kerkvoogden opgemaakt, op eene voegzame plaats ter visie der belanghebbenden gelegd, ten einde allen in staat te stellen daarop hunne aanmerkingen te maken. — Deze lijst wordt voor 15 Nov. finaal gearresteerd door Kerkvoogden.

Daar de werkzaamheid der Stembevoegden zich


(1) Reglementen, Art. 20; — van Vriesland, Art. 23.
(2) Reglement van Utrecht, Art. 19; — van Vriesland, Art. 22.
(3) Ampliatie in het Reglem. van Groningen, b.a. 23 Januarij 1823.

|179|

uitsluitend bepaalt tot de benoeming van Notabelen, wordt na het arresteren der lijst door Kerkvoogden aan alle Stembevoegden een billet gezonden ter invulling hunner stem voor de aftredende Notabelen. Dit billet wordt in Zeeland binnen drie dagen, en overal elders binnen zes dagen, in een besloten bus opgehaald, waarna de keuze, volgens der meerderheid der gestemdhebbenden, voor 1 Dec. in eene vergadering van Kerkvoogden, waarbij ook Notabelen kunnen tegenwoordig zijn, wordt opgemaakt.

Men kan echter ter voorkoming van te groote kosten, gedurende een bepaalden tijd, een boek leggen, ten einde Stembevoegden hunne keus opteekenen. In Vriesland is zulks aan de beoordeeling van het Provinciaal Collegie overgelaten (1).

Betrekkingen van Kerkvoogden en Notabelen met den Kerkeraad.

Daar er verschillende punten van aanraking zijn tusschen hen, die de inwendige en uitwendige belangen der Gemeente behartigen, heeft de wetgever ook de betrekkingen van Kerkvoogden en Notabelen met den Kerkeraad nader bepaald.

Daartoe zijn sommige werkzaamheden en bevoegdheden aan elk afzonderlijk, andere aan dezelve gemeenschappelijk toegekend. — Zoo is in het algemeen aan het Collegie van Kerkvoogden opgedragen de aan- en afstelling van alle kerkelijke bedienden; — de


(1) Reglementen, Art. 21, 22; — van Vriesland, Art. 25.

|180|

bepaling van derzelver instructie; — de regeling der tractementen en inkomsten. — Hierbij echter hebben de Predikanten, zoover zij honoraire Leden zijn van het Collegie van Kerkvoogden, eene beslissende stem (1). Doch tevens worden in sommige Gewesten eenige uitzonderingen op dezen algemeenen regel gevonden. Immers is dit alles in Drenthe opgedragen aan het Collegie van Kerkvoogden, met den Kerkeraad in eene vergadering vereenigd; — in Overijssel, Gelderland en Utrecht gelden de bovenstaande bepalingen, voorbehoudens de regten van Collatoren of speciaal geregtigden; — in Gelderland, Utrecht en Noord-Braband is zulks, waar maar één Kerkvoogd is, aan den Kerkvoogd en Kerkeraad gezamenlijk opgedragen; en in Groningen zijn bijzondere bepalingen gemaakt voor plaatsen, waar de bedoeningen van Koster, Voorzanger, Voorlezer en Organist thans verbonden zijn, en ter begeving staan van Collatoren (2).

Daarentegen is de aan- en afstelling van Ziekentroosters en Katechiseermeesters, mitsgaders van de Voorzangers, welke geene Kosters zijn, en bepaling van  derzelver instructie, in Gelderland, Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel en Noord-Braband uitsluitend aan den Kerkeraad aanbevolen. —


(1) Reglementen, Art. 53; — van Vriesland, Art. 61.
(2) Zie de Reglementen van Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Braband en Groningen, Art. 53. — Ampliatie b.a. op Art. 53 van het Reglem. van Groningen, n. 2, d.d. 12 Febr. 1821; en Ampliatie van 30 Junij 1828, alwaar uitvoerig alles ten deze bepaald is.

|181|

In Vriesland en Groningen wordt echter van de Voorzangers geene melding gemaakt; in Drenthe is tevens bepaald, dat dit van de Ziekentroosters en Katechiseermeesters geldt, zooverre zij uit kerkelijke fondsen gesalariëerd worden (1).

Doch de bepaling der traktementen van alle kerkelijke bedienden blijft onderworpen an de beoordeeling der gecombineerde vergadering van Kerkvoogden en Notabelen bij het arresteeren der Begrooting, in Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Groningen, Drenthe, Overijssel, Noord-Braband en Vriesland, alwaar tevens de Floreenpligtigen tot die vergadering behooren. — Daarenboven is, onverminderd deze beoordeeling, in Gelderland en Utrecht de bepaling zelve der traktementen van Ziekentroosters, Katechiseermeesters en Voorzangers, welke geene Kosters zijn, opgedragen aan eene Commissie, uit een gelijk getal Kerkvoogden en Kerkeraadsleden bestaande (2).

Belangrijk inzonderheid voor de instandhouding van sommige Hervormde Gemeenten is de bepaling in deze door den Koning gesanctioneerde Reglementen, dat „op alle plaatsen, bijzonder ten platten lande, waar zulks geschieden kan, Kerkvoogden zullen trachten te zorgen, dat de posten van Voorlezer en Voorzanger, vereenigd blijven met dien van Schoolonderwijzer;” welke bepaling overal, behalve in


(1) Zie de verschillende Reglementen, Art. 54; — van Vriesland, Art. 62.
(2) Reglementen, ald. Art. 55; — van Vriesland, Art. 63.

|182|

Noord-Braband, staat uitgedrukt, en in Groningen gewijzigd wordt ten aanzien van Collatoren (1).

Eindelijk ontmoeten Kerkeraad en Kerkvoogden elkander ook elders, t.w. in de regeling der Predikbeurten. Deze is uitsluitend aan den Kerkeraad aanbevolen; doch in dezelve mag geene verandering worden ingevoerd, dan na Kerkvoogden te hebben gehoord, en bij veranderingen, die invloed hebben op de inkomsten en uitgaven der Gemeente, niet dan met derzelver toestemming. Dit laatste wordt echter in Utrecht alleen bepaald tot veranderingen, welke nadeeligen invloed van aanbelang hebben op de inkomsten (2).

Algemeene vereischten.

Ter voorkoming van alle bezwaren heeft men eindelijk ook eenige algemeene bepalingen vastgesteld voor de onderscheidene Collegiën van kerkelijke administratie. Zij betreffen de orde der Collegiën of der Vergaderingen, en de vereischten van derzelver Leden. — Zoo moeten alle Collegiën bestaan uit Lidmaten der Hervormde Kerk, behoudens de aangeduide uitzonderingen omtrent de Floreenpligtigen, enz. (3). Geen der Leden van kerkelijk Collegie zal tegelijk Kerkvoogd en Notabele in eene bijzondere Gemeente kunnen zijn;


(1) Reglementen, Art. 57; — van Vriesland, Art. 65; — en Ampliatie van Groningen, b.a. d.d. 12 Febr. 1821.
(2) Reglementen, Art. 59, 60; — van Noord-Braband, Art 58, 59; — van Vriesland, Art. 67, 68.
(3) Reglementen, Art. 1, — en vroeger de Ampliatie voor Zeeland, d.d. 3 Febr. 1820.

|183|

doch in Utrecht alleen met uitzondering der Patronen of Opperkerkmeesters; en in Groningen met uitzondering der Unici of primarii Collatores. Daarenboven is zulks in Zeeland tevens bepaald voor Gemeenten, welke uitzondering van het Reglement hebben ontvangen; alwaar echter in kleine Gemeenten door het Provinciaal Collegie eene afwijking kan verleend worden, mits nogtans in allen gevalle de Administrateuren niet meer dan een derde uitmaken van het Collegie van Notabelen (1). Ook zal kerkelijke censuur of uitsluiting dadelijk het ophouden van het Lidmaatschap van het Collegie van Kerkvoogden en Notabelen, alsmede de opschorting of afzetting van kerkelijke bedienden ten gevolge hebben (2). — In overeenstemming met hetgeen bij alle overige Collegiën van kerkelijk Bestuur plaats heeft, zit geen Lid, die in eene tusschentijds invallende vakature optreedt, langer dan hij zou gedaan hebben, wiens plaats hij vervult (3). — In alle deze Vergaderingen wordt beslist bij volstrekte meerderheid der tegenwoordig zijnde Leden; bij staking der stemmen, heeft de fungerende President van het Collegie eene beslissende stem (4). — Geene van wege de Gemeente bezoldigde kerkelijke bedienden


(1) Reglementen, Art 9; — van Vriesland, Art. 10.
(2) Reglementen, Art. 58; — van Noord-Braband, Art. 57; — van Vriesland, Art. 66, en Ampl. in het Regl. van Zeeland, d.d. 29 Jan. 1823.
(3) Reglementen van Noord- en Zuid-Holland, Overijssel en Noord-Braband, Art. 74; — van Gelderland, Drenthe en Utrecht, Art. 72; — van Groningen, Art. 73; — van Vriesland, Art. 80.
(4) Reglementen, als boven, Art. 75 (73, 74, 81).

|184|

kunnen tot Kerkvoogd of Notabele benoemd worden (1). — Geen der Leden van eenig Collegie der kerkelijke administratie ontvangt eenige belooning voor deszelfs werkzaamheden; maar aan hem zal eene gedistingueerde zitplaats in de Kerken, zonder betaling, worden toegestaan; alleen in Utrecht onder de clausule: overal, waar zich daartoe geschikte gelegenheid opdoet (2). — Andere bepalingen gelden procedures, verkoop en bewaring van goederen en nalatigheid in het opzenden der begrooting (3).


(1) Reglementen, Art. 56; — van Vriesland, Art. 64.
(2) Reglementen, als boven, n. 3, Art. 76 (74, 75, 82).
(3) Reglementen van Zeeland, Noord- en Zuid-Holland en Noord-Braband, Art. 77, 78, 79; — van Gelderland, Utrecht en Drenthe, Art 75-78; — van Groningen, Art. 76-78; van Vriesland, Art. 83-86.

Royaards, H.J. (1834) § 41

§ 41.
Verpligting tot de aanvaarding van kerkelijke benoemingen.

Gelijk de vervulling van de hoogere kerkelijke Collegiën bij het groot aantal van Leeraren zelden of nooit bezwaar ondervindt, zoo is dit veelvuldig aanwezig bij die kerkelijke posten van gemeentelijk Kerkbestuur, die niet door Leeraren, maar door de Leden der Gemeente vervuld worden. De posten van Ouderling, Diaken, Kerkvoogd en Notabele worden niet altijd even gretig aangenomen door hen, welke dikwijls met vele andere werkzaamheden bezet zijn. — Men heeft daarom, ter bekwame regeling van

|185|

de dienst der Kerk en ter voorkoming van botsingen, algemeene bepalingen gemaakt nopens de verpligting ter aanvaarding van kerkelijke benoemingen. In derzelver vaststelling zijn Kerk en Staat beurtelings en gemeenschappelijk werkzaam geweest.

Reeds vroeg gevoelde men de behoefte aan maatregelen ter verzekering van de waarneming der kerkelijke bedieningen, doch ook de bezwaren aan derzelver invoering verbonden. Daarom ging de eerste maatregel van de Kerk uit. In het algemeen Reglement op de Kerkeraden werd bepaald: „de dwangmiddelen tegen hen, die mogten weigeren de benoeming tot Ouderling en Diaken te aanvaarden, worden, zooverre dezelve niet bij andere, reeds bestaande, Reglementen zijn bepaald, aan de voorzigtigheid der Kerkeraden overgelaten (1).” — Er konden dus, volgens dit grondbeginsel, in de Provinciale Reglementen op de Kerkeraden geene verdere bepalingen voorkomen; waarom dit artikel woordelijk werd overgenomen in dezelven, behalve in dat van Drenthe, alwaar alleen van de bestaande Reglementen en niet van de Kerkeraden gesproken wordt (2).

De invoering echter en uitvoering van zoodanige dwangmiddelen alleen op kerkelijk gezag, en wel dat der Kerkeraden, was aan groote bezwaren onderworpen. Daarom welligt meende men meer kracht aan


(1) Algemeen Reglement op de Kerkeraden, b.a. Art. 10.
(2) Huishoudel. Reglem. op de Kerkeraden, Art. 11 (12).

|186|

dezelve te geven, door nadere bepalingen op te nemen in de Reglementen op de kerkelijke administratie, die van den Staat uitgingen, en dezelve in onmiddellijk verband te brengen met een Staats-Collegie, dat van Provinciaal Toezigt. Zoo toch zijn die bepalingen aldaar opgenomen niet alleen voor Kerkvoogden en Notabelen, maar tevens voor Ouderlingen, Ouderlingen en Diakenen, en voor alle Collegiën van kerkelijk Bestuur; hetgeen misschien te eerder geschieden kon, daar hier eene finantiëele aangelegenheid behandeld werd (1).

Daartoe toch strekt de bepaling: „Elk die tot het Hervormd Kerkgenootschap behoort, op eene wettige wijze benoemd zijnde tot eenig Collegie van kerkelijk Bestuur, hetzij als Kerkvoogd of Notabele, hetzij als Ouderling of Diaken, (of in Drenthe ook van Collectant tot instandhouding van de openbare Eerdienst), is verpligt zich deze benoeming te laten welgevallen, indien geene gewigtige redenen hem daarin verhinderen (2).”

Doch deze bepaling eischte aandrang en dwangmiddelen (3); waarom er bepaald werd, dat door het Provinciaal Collegie met agrëatie van het Ministerieel Departement, een Reglement van uitkoop ten behoeve


(1) Zie IV Afd. § 2 der Provinciale Reglementen op de Administratie, enz: Verpligting tot het aanvaarden van kerkelijke benoemingen.
(2) Zie Reglem., Art. 63; — van Noord-Braband, Art. 62; — van Vriesland, Art. 71, — en Ampliatie voor Drenthe, b.a. 17 Jan. 1832.
(3) Reglementen op de Kerkeraden, b.a. Art. 11 (12).

|187|

der Kerk zou worden ontworpen. Aan den Staatsinvloed op de Kerk werd dus het ontwerpen van dit Reglement opgedragen; maar de invoering van hetzelve aan de Kerk, die alleen over de aanneming mogt oordeelen, „alzoo hetzelve in geene Gemeente van toepassing zijn zoude, tenzij hetzelve in eene Vergadering van Kerkvoogden en Notabelen, (of in Noord-Braband in kleinere Gemeenten van Kerkvoogd en Notabele; in Vriesland van Kerkvoogden met Floreenpligtigen of Notabelen), namens zoodanige Gemeente is aangenomen (1).” — Door deze bepaling werd dit Reglement van uitkoop in den volsten zin een kerkelijk Reglement der Gemeente.

Alleen in Gelderland en Utrecht heeft men dit kerkelijk karakter minder bewaard, alwaar slechts verordend is, dat dit Reglement „voor de invoering in eene Vergadering van Kerkvoogden en Notabelen, of van Kerkvoogd en Kerkeraad, moet worden overgelegd, en van den predikstoel voorgelezen, of op eene andere voldoende wijze openlijk worden bekend gemaakt (2).” Zoodanige Reglementen van uitkoop zijn dan ook hier en daar ingevoerd en in werking gebragt, gegrond op de algemeene bepalingen van het Reglement op de administratie (3).


(1) Reglementen, Art. 64, 65; — van Noord-Braband, Art. 63, 64; — van Vriesland, [?]
(2) Reglementen van Gelderland en Utrecht, Art. 65.
(3) Ter proeve diene de inhoud van een Reglement voor de Provincie Utrecht. Hetzelve bestaat uit 5 Artikelen; waarvan Art. 1, 3, 4 ontleend zijn uit het Reglement van Utrecht, ➝

|188|

Deze uitkoop wordt ten behoeve der Kerk betaald, en op last van Kerkvoogden ingevorderd door den Administrateur of kerkelijken Ontvanger, als eene wettige pretensie der Gemeente (1).

Dezelve geldt echter slechts voor hen, die zonder voldoende redenen deze posten weigeren, of dezelve tusschentijds willekeurig verlaten. — Als voldoende redenen ter weigering dier posten wordt opgegeven: „de ouderdom van 45 jaren voor Diakenen (alleen in Vriesland 50 jaren, en in Groningen gedurende de jaren 1832-1841, ten platten lande 70 jaren, zullende na dien tijd over de voortduring of wijziging nader besloten worden, even als zulks vroeger in 1822 bepaald was) (2);” en de ouderdom van 70 jaren voor alle andere Collegiën; — ligchaamsongesteldheid, die volgens de verklaring van den Medicinae-Doctor, ongeschikt maakt tot de vervulling dier posten (of in Noord- en Zuid-Holland alleen tot den post van Armbezorger); — voorts het bezwaar van vijf minderjarige onverzorgde kinderen of van twee voogdijen, of directiën van Godshuizen en weldadige Gestichten zonder voordeelen; (deze laatste


➝ Art. 63, 64. — Art. 5 verwijst naar Art. 68; — en Art. 2 bepaalt den uitkoop voor de stad Utrecht op ƒ 50, voor Amersfoort op ƒ 30, voor Rhenen, Wijk, Ysselstein en Montfoort op ƒ 25, en elders in de Provincie op ƒ 10. — Hetzelve is gearresteerd door het Provinciaal Collegie van Toezigt, d.d. 24 April 1824.
(1) Reglementen, b.a. Art. 64, 68; — van Noord-Braband, Art. 63, 67; van Vriesland, Art. 72, 76.
(2) Ampliatie voor Groningen, b.a. 7 Sept. 1822.

|189|

clausule der voordeelen staat echter niet uitgedrukt in Noord- en Zuid-Holland, Zeeland, Overijssel en Drenthe); — posten en betrekkingen, die volgens de burgerlijke wetten van eene voogdij vrijstellen, of die den benoemden volgens de stellige verklaring van het hoofd der administratie, of van het Collegie, waartoe zij behooren, beletten den post, waartoe hij benoemd is, waar te nemen; in Zuid- en Noord-Holland alleen dien van Armbezorger.

De post echter, eenmaal aangenomen zijnde, mag niet tusschentijds worden neergelegd. De betrekking van Diaken geeft regt om voor alle andere posten te bedanken; en ook nog twee volle jaren na de aftreding (1). — Een Lid voor de derdemaal in een Collegie benoemd zijnde, heeft vrijheid zonder opgave van redenen voor de benoeming te bedanken (2). — Wie eens den uitkoop betaald heeft, blijft gedurende vijf jaren bevoegd voor alle benoemingen te bedanken zonder aanvoering van redenen (3). — Bij twijfel over de aanneming continuëert, hangende de deliberatiën, de aftredende (4).


(1) Reglem., Art. 66; — van Noord-Braband, Art. 65; — van Vriesland, Art. 74, en Amp. voor Zeeland, b.a. 3 Febr. 1820.
(2) Reglem., Art. 71; — van Noord-Braband, Art. 70; — van Vriesland, Art. 79.
(3) Reglem., Art. 70; — van Noord-Braband, Art. 69; — van Vriesland, Art. 78.
(4) Reglem., Art. 69; — van Noord-Braband, Art. 68; — van Vriesland, Art. 76.

Royaards, H.J. (1834) § 42

|190|

§ 42.
Kerkelijk Opzigt.

Bestuurt de Kerk zichzelve, gelijk wij uit de ontwikkeling van het kerkelijk Bestuur in al deszelfs afdeelingen kunnen opmaken; niet alleen staat dit Kerkbestuur onder Staatstoezigt; maar het beheer, door haar uitgeoefend, staat tevens onder kerkelijk opzigt. Er is ook een kerkelijk opzigt, dat door haar wordt uitgeoefend, in aard, karakter en voorwerpen van zorg geheel onderscheiden van het Staatstoezigt. De zedelijk-godsdienstige strekking toch van het Genootschap eischt van zelve, dat het Kerkbestuur niet heersche, maar strekke om te bevorderen en aan te kweeken, wat tot godsdienstig onderwijs en zedelijke verbetering dienen kan. Reeds bij de verschillende Collegiën hebben wij gelet op het opzigt, door hen uit te oefenen; waarom wij hier slechts eenige algemeene trekken te vermelden hebben.

Het algemeen karakter van het kerkelijk opzigt is dit, dat het opzigt houdt over het inwendig gedeelte der Kerk. Het is zedelijk-godsdienstig, even als het Genootschap zelve; het let op de zeden, de bevordering van de Godsdienst. — Het omvat alle Leden der Kerk; dus de Gemeente-Leden, Kerkeraden, Predikanten, en strekt zich uit tot de waarneming hunner bediening en hun personeel gedrag. Het is daarom een der belangrijkste en hoogstgewigtigste deelen van het Kerkbestuur, daar dit minder den

|191|

vorm, dan de zeden, betreft, en dus ter regeling van het godsdienstig leven der Gemeente-Leden dient. — Ofschoon daarom de inrigting van hetzelve eerst in het Tweede Deel moet vermeld worden, voegt echter hier ter plaatse de algemeene, en tesamenhangende voorstelling van hetzelve.

Vierderlei is vooral het kerkelijk opzigt in onze Nederlandsche Hervormde Kerk.

De Huisbezoeking is een der nuttigste vormen van dit opzigt. Zij strekt om de Gemeente op te wekken tot het bijwonen van de openbare Godsdienst en de Catechisatiën; de viering des Avondmaals, en ter bevordering van godsdienstigheid en goede zeden (1), en heeft dus dadelijk invloed op de godsdienstige leiding en het kerkelijke leven van alle Gemeente-Leden zonder onderscheid. Dezelve gaat uit van de Leden des Kerkeraads, en wordt door Predikanten, met of zonder Ouderling, verrigt.

Door den geheelen Kerkeraad wordt de Censura morum uitgeoefend (2).

Van een hooger Collegie van Bestuur gaat de Kerkvisitatie uit. Zij bedoelt een meer plegtig onderzoek naar misbruiken in de waarneming der kerkelijke bedieningen; zoowel ambtswege, als persoonlijk. Zij bepaalt zich tot de Predikanten, Kerkeraden,


(1) Reglem. op de Kerkeraden, Art. 22, bij v.d. Tuuk, III. 249.
(2) Zie boven, bl. 128, en Huishoudel. Reglementen op de Kerkeraden, Art. 14 (15) n. 9.

|192|

Ouderlingen, Diakenen, de klagten der Gemeente-Leden, visitatie der Kerkboeken, enz. — Zij wordt verrigt door Predikanten, als Leden van het Klassikaal Bestuur. — Deze inrigting is, waar zij naauwkeurig, oplettend, zonder overhaasting en met behoorlijke zorg verrigt wordt, hoogst weldadig voor de belangen der Gemeenten (1).

Gelijk dit opzigt aan de Klassikale Besturen, zoo is een ruimer gedeelte aan alle Kerkbesturen opgedragen; dat eigenlijk genoemde zedelijk en genootschappelijk opzigt, waardoor de een waakt over den ander, en dat met tucht ten naauwste verbonden is; onder welken christelijken naam, gelijk wij boven zagen (2), alle geschillen en proceduren in de Kerk begrepen worden.

Het hoofddoel van dit opzigt is de handhaving van de Godsdienst, bijzonder van de Hervormde Leer, en der zuiverheid van zeden; voorts de kennisneming van daden en handelingen strijdig tegen de kerkelijke wetten en reglementen. — Vooral let het zorgvuldig op de ambtsverrigtingen en den wandel dergenen, wier leer en gedrag, als van kerkelijke Ambtenaren, op de Gemeente een meer regtstreekschen invloed uitoefenen. — Het bestaat dus in een zedelijk-godsdienstig opzigt, niet slechts over zoodanige wanbedrijven, welke de burgerlijke Overheid straft, maar ook over alle


(1) Reglement op de Kerkvisitatie, b.a. bij v.d. Tuuk, III. 137.
(2) Zie boven, bl. 69.

|193|

ander eigenlijk wangedrag. — Elk Kerkbestuur van het hoogste tot het laatste oefent het in deszelfs ressort uit (1).


(1) Zie het Reglement van kerkel. opzigt en tucht, b.a. bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 204; vooral Art. 1, 2, 4, 6, 7.

Royaards, H.J. (1834) § 43

§ 43.
Verandering in Kerkvorm en Kerkbestuur.

Dispensatie.

De Hervormde Kerk gelooft aan de veranderlijkheid van Kerkvorm en Kerkbestuur, daar beide van menschelijken oorsprong zijn. Er blijft daarom in het Protestantisme en in onze Hervormde Kerk plaats over voor verandering, verbetering en wijziging der kerkelijke wetten en bepalingen. Dien overeenkomstig is dan ook in onze kerkelijke wetten aangewezen in hoeverre, en op welke wijze, veranderingen in het Kerkbestuur kunnen worden vastgesteld en ingevoerd.

Als beginsel geldt, dat dezelve hoofdzakelijk is opgedragen aan dezelfde Collegiën, die de kerkelijke wetgevers geweest zijn dier bepalingen van het Kerkbestuur, doch onder verzekerende wijzigingen. Hierdoor maakt de Kerk gebruik van het zoogenaamde Reformatieregt (Jus Reformationis) (2).

Meer bijzonder is vastgesteld, dat veranderingen in het Algemeen Reglement, als de Grondwet voor onze Nederlandsche Kerk, alleen kunnen worden aangebragt


(2) Zie boven, bl. 43 en 44, n. 5.

|194|

na veelzijdige beraadslagingen, te weten alleen door den Koning, op voorstel, of immers na voorafgaande overweging der Synode. De Synode moet op deze geprojecteerde veranderingen niet slechts adviseren, maar besluiten, doch te voren de consideratiën inwinnen der Provinciale Kerkbesturen (1).

In de Synodale Reglementen worden veranderingen aangebragt door de Synode, als wetgeefster bij die Reglementen, onder sanctie van den Koning, die ook de Reglementen heeft gesanctioneerd (2).

In de Provinciale Reglementen, b.v. der Kerkenraden, moeten de veranderingen, door de Provinciale Besturen, van wie deze Reglementen zijn afgedaald, gemaakt, worden goedgekeurd door den Koning (3).

Heerschende is alzoo het beginsel, dat de verandering der kerkelijke verordeningen staat aan de kerkelijke Besturen, van waar dezelve uitgingen; en dat de goedkeuring en sanctie derzelver, eveneens als bij de verordeningen zelve, aan den Staat toekomt.

Gelijk de veranderingen, zoo verleent ook de oorspronkelijke kerkelijke wetgever de benoodigde en door de wet vergunde dispensatiën en vrijstellingen, elk in zijn ressort. — Alleen is eene uitzondering van


(1) Alg. Reglement, b.a. Art. 15.
(2) Zie de slotartikels aan elk der b.a. Reglementen.
(3) Huishoudel. Reglem. op de Kerkeraden, t.a.p. in het slotartikel.

|195|

dit beginsel aanwezig in het Reglement op de Beroepingen en Vakaturen, hetwelk wel aan de Synode het regt van verandering heeft verzekerd, maar van welker „onderscheidene bepalingen de Koning dispensatie verleenen kan (1).”

In dezer voege bestiert de Kerk zelfstandig en vrij hare belangen; het eene Collegie van Kerkbestuur sluit zich aan het andere aan; aan de uiterste grenzen staan de Synode en de Kerkeraden. In de eerste lost elk Bestuur zich op. Maar zij bestiert zichzelve zoodanig, dat zij daarenboven streng toezigt houdt, opdat dit Kerkbestuur, ook bij al deszelfs onvolkomenheden, eenigermate trachte te beantwoorden aan het doel des Christendoms en der christelijke Gemeente op aarde.


(1) Reglement op beroepingen en vakaturen, b.a. Art. 91, bij v.d. Tuuk, III. 302. 

Royaards, H.J. (1834) § 44

Derde Afdeeling.
Staatskerkregt.

Betrekking der Hervormde Kerk in Nederland tot den Staat en tot andere Kerkgenootschappen.

§ 44.
Staatskerkregt.

Zoodanig staat daar de Nederlandsche Hervormde Kerk naar haar uitwendig aanzien en haren vorm; vrij en

|196|

zelfstandig wordt zij  door hare kerkelijke Collegiën bestierd. — Maar deze zelfstandigheid is niet onbeperkt, of onvoorwaardelijk. Immers zij staat onder naauwkeurig toezigt van den Staat, die ook regten op haar uitoefent, en tevens in betrekking tot andere, naast haar bestaande, kerkelijke Genootschappen. Deze zijn de Regten naar buiten, die het uitwendig Kerkregt vestigen, en in zooverre dezelve de betrekking van Kerk en Staat bepalen, noemt men dit gedeelte van het Kerkrecht het kerkelijk Staatsregt, of het Staatskerkregt. — Het zal noodig zijn, ten einde grondiger over de betrekking onzer Hervormde Kerk tot den Staat te oordeelen, dat wij eerst in een algemeen overzigt de verschillende stelsels van Staatskerkregt, en de daarop gegronde regten, aan de hand der geschiedenis, schoon beknoptelijk, voorstellen, waarna wij van zelve tot de waarneming van het hier bestaande stelsel in onze kerkelijke wetgeving, ook in vergelijking met hetgeen elders aanwezig is, zullen geleid worden.

Royaards, H.J. (1834) § 45

§ 45.
Overzigt over de verschillende betrekking van Staat en Kerk, vooral in de Protestantsche Kerk (1).

„Geeft den Keizer, wat des Keizers is, en Gode


(1) Men zie in het algemeen over dit onderwerp, behalve andere Schrijvers over het Kerkregt, Boehmer, Jus Eccl. Protestantium, b.a. — Walter, Lehr. d. Kirchenr., V Aufl., Bonn 1830, 569 ff. — Eichhorn, Grundsätze des Kirchenrechts, I., ➝

|197|

wat Godes is (1).” — Deze stelregel was door Jezus ten grondslag gelegd. Maar het baarde groot bezwaar te onderscheiden, wat Godes, en wat des Keizers of van den Staat ware. Niet in de dagen van Jezus en de Apostelen, maar eerst na Konstantijn, en meer nog na de opkomst en de vestiging der Hierarchie, is de strijd begonnen over de onderlinge betrekking van Kerk en Staat. Er moest toch een gevestigd Genootschap zijn, eer dit met andere Genootschappen kon in betrekking komen; en ook met den Staat. — Deze strijd is na de Hervorming, vooral bij de veranderde betrekking van Kerk- en Staatsbestuur, gevestigd. En in onze dagen, — gekenmerkt door den strijd van verschillende beginselen, — wordt die betrekking meer en meer van weêrszijden bepaald, geregeld, bestreden. Ook deze twisten baarden veel onheil. Staatsmannen, Regtsgeleerden en Kerkelijken waren hieromtrent verdeeld, en nog heden ten dage blijft zulks, vooral in Duitschland, een twistappel.

De onderlinge betrekking van Staat en Kerk, en


➝ S. 550 ff., 684 ff. — Droste Hulshoff, Grundsätze des Kirchenrechts, 1828, I., S. 151 ff. — Pahl, das öffentliche Recht der evang.-luther. Kirche in Teutschland, Tüb. 1827, s. 217 ff. — W. Broes, Kerk en Staat, b.a. IV. — N.C. Kist, Verh. over de christel. Kerk op aarde, b.a. bl. 250, volg. — R. van Rees, G. Hesselink, R. Feith, C. Rogge, vier Verhandelingen over den invloed van het burgerlijk bestuur op zaken van Godsdienst, in Teylers Godgel. Gen., D. XVII, en de Aanm. over het kerkelijk Regt — in de Bijdragen van den Tex en van Hall, (b.a. bl. 62).
(1) Matth. 22: 21.

|198|

de daarop gegronde invloed van den Souverein op de Kerk en het Kerkbestuur, rust geheel op den verschillenden aard van het kerkelijk Genootschap, naarmate men zich hetzelve uit een verschillend oogpunt voortstelt. — Daarom moest uit hare eigen beginselen de Roomsche Kerk van de Protestantsche verschillen.

Gelijk in de praktijk van den Staat, zoo ging de theorie in de Christelijke Kerk tevens van drieërlei beginsel uit. — Men vestigde het gezag over de Kerk in de Roomsche Kerk bij den Paus of bij de Bisschoppen, of bij beiden gezamenlijk; — in de Protestantsche Kerken, of bij den Staat, of bij de Kerkgenootschappen zelve.

Immers in de Roomsche Kerk was en is, overeenkomstig haar grondbeginsel, de Staatsinvloed geheel buitengesloten. Kerk en Staat beide onafhankelijk in haar bestaan zijnde, is daar de eene de geestelijke arm, de andere de wereldlijke arm van het ligchaam, dat de geheele menschheid omvat. — Bij de minder gematigden, die de Hierarchie ten toppunt voeren, is de Kerk (verkeerdelijk met den Godsdienst verward!) de Gebiederesse, die, over het hoogste in den mensch beschikkende, en op goddelijk gezag op aarde gevestigd, van daar invloed en suprematie ook over den Staat ontleent. Zoo stond Hierarchie over Politiek. — Met beiden was ten naauwste verbonden het Ultramontaansche Papaalstelsel, en het meer gematigde Episcopaalstelsel, dat vooral in de Gallikaansche en zoogenaamde Jansenistische Kerk heerscht,

|199|

en thans in de Duitsche Katholieke Kerk vele voorstanders vindt (1).

Onder de Protestanten treedt de Kerk op in het karakter van een uitwendig Genootschap. — Als zoodanig deelt zij in alle voorregten en pligten aan de in den Staat bestaande Genootschappen verbonden. Welken invloed dus de Staat daar uitoefent op de Kerk, en in welke betrekking deze onderling staan, hangt af van de schikkingen, tusschen beide gemaakt, of van de beginselen, door beiden aangenomen, of van in gebruik geraakte gewoonten, waardoor deze in werking gebragte beginselen kracht van wet ontvangen. — Zoo begunstigden, tijdens de Hervorming, vele Vorsten de Evangelische Kerk, boden aan dezelve krachtdadige hulp, en kregen daardoor daadwerkelijk (facto) regten op de Kerk, die later regiens (jure) werden bevestigd.
Vooral hadden ook de beginselen, van welken de verschillende Hervormers uitgingen, nopens den aard en het wezen van het kerkelijk Genootschap, den grootsten invloed op het later gevestigde stelsel van Kerkbestuur.

Er waren echter algemeene beginselen heerschende, van waar men onder Protestanten uitging. Men vestigde het gezag over de Kerk of bij den Staat of bij de Kerkgenootschappen. Het eerste vond men vooral


(1) Cf Walter, Kirchenrecht., a.a.O. § 40, 43. (Ed. V.) S. 71, 75.

|200|

bij de Lutherschen en Duitsche Hervormden; — en hieruit ontstond het Episcopaal-, Territoriaal- en Collegiaalstelstel; het laatste vooral in sommige landen der Hervormde Kerk. Doch bij beiden hadden veelvuldige wijzigingen of ineensmeltingen plaats. Wij moeten hier ter plaatse met een enkel woord vermelden, hoe deze stelsels praktisch werden gevestigd, en hoe theoretisch ontwikkeld en gegrond.

Derzelver praktische vestiging is uit den loop der Hervorming te verklaren. — De Hervormers hervormden de Kerk, en begonnen met omverrewerping der Hierarchie en zuivering der Leer. Daarin sleten zij meestal hun leven. Zij moesten de vestiging en regeling van Kerk en Kerkbestuur deels overlaten aan anderen; deels zich daarin schikken naar tijden en omstandigheden. Een eenige Calvijn maakt hier eene uitzondering. — Waar toch de Vorsten de Kerkhervorming begunstigden, daar lieten de Hervormers geredelijk toe, dat de Vorsten ook de Kerk regelden; te meer, daar zij het deden in het belang der Kerk, en door der Hervormeren hulp en naar derzelver raad. Men verheugde zich, dat het zedelijke doel bereikt werd. — Daarenboven bekommerden sommige Hervormers zich minder om Kerkbestuur, naarmate zij in hun monarchisch of aristocratisch-republikeinsch Vaderland gewoon waren aan het denkbeeld, dat de Staat alles regelde. Hoeveel te meer dan bij hen ook de Kerk, die buiten de hulp van den Staat niet kon worden hervormd. — En daardoor nu meenden de Vorsten zelve het regt te hebben, om de Kerk te besturen, die

|201|

door hen vooral was gevestigd (1). Zoo ontstond facto de Staatsinvloed.

En hoe werd de theorie van deze praktijk geboren? Deze invloed en inwerking, eenmaal gevestigd, ging van den eenen Vorst op den anderen over. En nu ging, gelijk veelal, de praktijk ook in de theorie over. — Regtsgeleerden, zoowel als Godgeleerden, vestigden op deze gewoonte en dit gebruik stelsels van Kerkregt, waarbij zij regtsgronden zochten of voordroegen, ook in overeenstemming met de heerschende stelsels van Staatsregt, voor hetgeen dadelijk bestond.

Het eerstgevestigde stelsel was het Episcopaalstelsel, als ware het de overgang van Katholicisme tot Protestantisme. Bij hetzelve is de Vorst Opper-Bisschop der gevestigde Kerk. Immers bij den Augsburgschen vrede werd het geestelijk regtsgebied der Bisschoppen opgeheven, en daardoor werd een beginsel regtens gevestigd, dat praktisch aanwezig was (2). — Die regten oefenden toch de Vorsten veelal uit, die zich daarom Opper-Bisschoppen noemden, hetgeen door den Westphaalschen vrede werd bekrachtigd (3). — Men vond den regtsgrond voor deze stelling daarin, dat het opgeheven bisschoppelijk regt was gedevolveerd van den Paus en den Bisschop op


(1) Over den Staatsinvloed op de Kerk, en hoe zij daadwerkelijk ontstaan is, verdient nagelezen te worden, behalve Pahl, a.a.O., Broes, Kerk en Staat, III. 1. verv. Verg. Kist, Verh. t.a.p. 250.
(2) Augsb. vrede, Art. 20.
(3) Westphaals. vrede, Art. V. § 48.

|202|

den Vorst. Het bewijs bleef men schuldig. Stephani (✝ 1623) droeg zulks het eerst voor, en het werd alras door de Protestantsche Juristen der 17de eeuw aangenomen, en nog onlangs in den strijd der Berlijnsche Agenden verdedigd.

Dit Episcopaal-regt is in gronden van regt afgescheiden van het souvereine regt der Vorsten. De Lands-Vorst is tevens Opper-Bisschop. Het is in Protestantsch-Duitschland meer praktisch aanwezig. — Doch de regtsgrond werd teregt betwist; want was het Bisschoppelijk gezag opgeheven, het moest dan niet hersteld worden, noch het eene in de plaats van het andere opgebouwd worden. Het is daarenboven niet Evangelisch. — Ook bij overgang van Protestantsche Vorsten voelde men de bezwaren. Men meende, dat daarbij alsdan van zelfs ware afstand gedaan van die Episcopaal-regten; hetgeen echter de Vorsten veelal ontkenden, die de uitoefening dier regten vrijwillig overgaven aan een Collegie van Protestanten, schoon alles van hen devolveerde. Onlangs werd echter ook dit door den Hertog van Anhalt-Koethen geweigerd, die, Roomsch-Katholiek geworden, deze regten zelf bleef uitoefenen.

Dit stelsel, dat nog heden ten dage in vele landen der Luthersche en Hervormde Kerk van Duitschland heerscht, is eveneens in de Engelsche-Episcopale Kerk ingevoerd, alwaar, nevens de Bisschoppen en Aarts-Bisschoppen, de Koning, als Hoofd der Engelsche Kerk en Opper-Bisschop, met het Parlement de kerkelijke regeling bepaalt; gelijk het ook in

|203|

overeenstemming met de denkbeelden van Zwingli, in de Zwitsersche Kerken, buiten Geneve heerscht (1).

Doch men gevoelde alras de bezwaren van het Episcopaal-stelsel, en zocht andere gronden om het bestaande gezag van den Vorst over de Kerk te verdedigen. Het Territoriaal-stelsel trad te voorschijn. Het had ten grondregel: Cujus regio, ejus et religio; d.i. dien het land behoort, behoort ook de Kerk. Zoo was het Kerkbestuur een deel van de Souvereiniteit, en het berustte dus niet op grond van overgang (devolutie). De Kerkbesturen werden daarbij Staats-Collegiën, even als elk ander Collegie van Regters of Ambtenaren. — De gronden nu voor dit stelsel vond


(1) Zie over deze drie stelsels: D. Nettelbladt, de tribus systematibus doctrinae de jure sacrorum dirigendorum domini territorialis evangelici, quoad ecclesias evangelicas sui territorii, — obvia in ipsius Observ. Juris Ecclesiastici 1783, n. 6, p. 105 sqq.
Over het Episcopaal-stelsel M. Stephani, de Jurisdictione, Francf. 1611. — Carpzovius, Jurisprudentia Ecclesiastica s. Consistorialis in Praefat., Lips. 1649. — C.F. Möser, Vertraute Briefe über das protestantische geistliche Recht, Francf. 1761. (Br. 11). — Tegen hetzelve J.H. Boehmer, Jus Eccl. Prot., I. 1 tot 31, § 21 sqq. — Nevens Broes, t.a.p., Kist, t.a.p., bl. 250, 252. — Pahl, a.a.O., S. 228 sqq. — Stäudlin, Kirch. Geogr. u. Statistik, I. 137. — Broes, de Engelsche Kerk en haren invloed op de Nederlandsche, I. 29. — Vooral in den laatsten Berlijnschen Agendestrijd hebben zich nieuwe verdedigers van hetzelve opgedaan. Zie den Tex, de Pruiss. Liturgie of Kirchen-Agende van 1822, uit staatsregtel. oogpunten beschouwd in de Bijdragen tot Regtsgeleerdheid en Wetgeving van den Tex en van Hall, III. 1. verv. en elders.

|204|

men in de Geschiedenis, daar de Romeinsche Keizers vroeger onder de Heidenen, en later, na Konstantijn, onder de Christenen, op grond van hun Staatsgezag (Landeshöheit) ook de Kerk bestuurden. Thomasius en J.H. Boehmer vingen aan het op regtsgronden te verdedigen, nadat het reeds in de Rijkswetten was ingeslopen. Het beval zich vooral aan de Regtsgeleerden aan, wien een beroep op de Romeinsche wetgeving hoogstwelkom was. — Maar verder nog dan dit stelsel ging het Caesareo-papaat, waarbij aan den Vorst of Staat een Pauselijk gezag werd toegekend, hetwelk door Hobbes (1) was aangeprezen, en ruimer grenzen had dan het Bisschoppelijk stelsel. Het Territoriaal-stelsel werd nog onlangs door Augusti en Ammon verdedigd, terwijl vele voorstanders zich met minder regt op het gezag van de Groot beriepen, die van andere beginselen uitging (2).

Dit Territoriaal-stelsel nu schijnt in strijd met de


(1) Thom. Hobbes, de cive, c. 17 en 18, Amst. 1647, et Leviathan.
(2) Zie over het Territoriaal-stelsel: Thomasius, Vindiciae juris circa sacra, — en von Recht evangelischer Fürsten in theol. Streitigkeiten, Hall. 1694. — J.H. Boehmer, Jus Eccl. Protest., I. 1. tit. 31. § 41-64 (later door hem verworpen, T. III. § 66 en T. V. in Praef. § 11.), en de jure episcopali principum evangelicorum, Hall. 1712. 4. — H. Stephani, die absolute Einheit des Staats und der Kirche, 1801. — Onder de latere verdedigers van dit stelsel, bij gelegenheid der Berlijnsche Agende, traden vooral op Augusti, Ueber das Majestätsrecht in kirchl. Dingen — en andere schriften. — Ammon, die Einführung der Berliner Hofkirchen Agende, Dresd. 1825. — Zie over dezelve ook den Tex, t.a.p. — H. Grotius, de imperio summarum Potestatum circa sacra.

|205|

belangen en de vrijheid der Evangelische Kerk; — hoogstgevaarlijk bij en overgang van Vorsten tot de Roomsche Kerk; — en, indien al vroeger bij gevestigde en heerschende Kerken toegelaten, thans bij de geheele gelijkstelling aller Kerkgenootschappen in Duitsche Staten, volgens de Bonds-akte onuitvoerbaar (1); en alras den val met zich voerende der Evangelische Kerk. De ondervinding echter toonde de noodzakelijkheid aan om hetzelve te matigen, en Vorsten zelven gaven daaraan toe.

Geen wonder dus, dat vele Evangelische Theologen zich tegen deze beide stelsels verzetteden, en daar dit als bezwaar gold, werd een nieuw stelsel geboren, waaraan men behoefte scheen te hebben; het Collegiaal-stelsel, meestal door Godgeleerden, waaronder Pfaff, Mosheim, Boehmer aangeprezen. — Hetzelve scheidt het Kerkbestuur van den Staat; geeft der Kerk hare eigen souvereiniteit en haar onafhankelijk bestaan terug, die dit gezag als een Gezelschapsregt (Jus Collegiale) bezigt. Maar het veronderstelt, dat de Kerk dit haar regt heeft opgedragen aan den Staat, en hetzelve, indien de Landsvorst niet tot de Kerk behoort, kan terugnemen (Jus retrahendi).

Dat nu die overdragt op geen historischen grondslag rust, en dus het regt, daarop gebouwd, onwettig is, behoeft in onzen tijd weinig betoog meer. De aanleiding tot dit, overigens meer dan eenig ander gematigd stelsel, was veeleer te zoeken in de begeerte om


(1) Duitsche Bonds-acta, Art. 16.

|206|

den in Duitschland bestaanden invloed van den Staat op de Kerk met de regten en de noodzakelijke vrijheid der Kerk te vereenigen (1).

Intusschen schijnt dit stelsel den overgang aan te wijzen tot die beginselen, welke in sommige landen der Hervormde Kerk, vooral buiten Duitschland aanwezig waren, schoon dezelve minder tot stelsels, op regtsgronden gevestigd, waren ontwikkeld, maar meer praktisch in werking gebragt. — Hier echter heerschte eene groote verscheidenheid; want gelijk in vele landen van Duitschland en in de Episcopale Kerk van Engeland het Bisschoppelijke stelsel bleef heerschen, zoo onderwierp ook Zwingli, meer Leeraar, dan Kerkbestuurder, in het aristocratische Zurich, de Kerk aan de onbepaalde magt der overheid.

Maar Calvijn sloot allen Staatsinvloed geheel uit. Hij vestigde het beginsel, dat het gezag over de Kerk bij de Kerk zelve berustte. Dit beginsel toch, in de Roomsche Kerk heerschende, (zoo als wij vroeger zagen (2)), vond ook in het Protestantisme hier en daar deszelfs voorstanders, maar werd praktisch in werking gebragt in de Geneefsche en Presbyteriale


(1) Zie over het Collegiaal-stelsel Chr. Matt. Pfaff, Origines Jures Ecclesiastici et Academ. Reden über das Kirchenr., c. 5, § 21. — J.L. Mosheim, Allg. Kirchenrecht der Protestanten — vertaald in ’t Nederduitsch: Kerkregt der Protestanten, b.a. — G.L. Böhmer, Principia Juris Canonici, en vele andere schrijvers. — Vgl. ook Pahl, a.a.o. 240 ff. — Eichhorn, a.a.O. I. 689. — Kist, t.a.p. 252. — Walter, a.a.O. S. 65.
(2) Zie boven bl. [?]

|207|

Hervormde Kerk, en bovenal in de verschillende kleinere Kerkgenootschappen, gelijk ook in de Noord-Amerikaansche Hervormde Kerk, alwaar het zich tot een stelsel van onbepaalde kerkelijke vrijheid ontwikkeld (1).

Van dit beginsel zijn dan ook drie stelsels uitgegaan, dat der onbepaalde kerkelijke vrijheid, waar wij de uiterste grenzen van dit beginsel vinden, en dat aanwezig is in kleinere Kerkgenootschappen, en bovenal in de Noord-Amerikaansche Kerk; (dat ideaal van kerkelijke vrijheid, maar even onvolkomen in de uitvoering!); waarbij de Staat zich met de Kerk in geenen deele bemoeit; — dat der Bescherming, hetwelk van den Staat bescherming en handhaving eischt voor de Kerk; hoedanig in de Geneefsche en Presbyteriale Kerk van Engeland, en vooral van Schotland aanwezig was; en — dat der Majesteitsregten van den Staat, meer nog door Kerkelijken, dan door Regtsgeleerden, ontwikkeld.

Ofschoon nu veelvuldige wijzigingen bij dezelven in onderscheidene landen, staten en gewesten gevonden werden, stond toch bij de beide laatsten op den voorgrond, dat de Kerk vrij is en onafhankelijk; en de wetgevende magt bij haar berust. Maar in het Beschermings-stelsel had de Staat alleen pligten jegens de Kerk, geene regten op haar. De eerste was gehouden de laatste te beschermen, te handhaven, en voor


(1) Vgl. Broes, Kerk en Staat (in de Nederlanden en in Noord-Amerika), IV. 1. 195 verv.

|208|

hare uitwendige belangen zorg te dragen. Maar invloed van belang was hier niet aanwezig. — Meer gematigde toegevendheid heerschte in andere Hervormde Kerken, die wel de wetgeving der Kerk handhaafden, vooral door de vestiging van het Synodaal-stelsel, maar zekere Majesteits-regten aan den Staat eigenden, hier meer, daar minder. Veelal werd daar de goedkeuring van den Staat op de kerkelijke wetgeving vereischt. Het is opmerkelijk, dat in onzen tijd een geest zich ontwikkelt, die streeft naar de verwezenlijking van dit stelsel, ook daar, waar de Vorst nog Opper-Bisschop is (1).


(1) Op verschillende wijze zoekt men dit stelsel in Duitschland hedendaags te vestigen. Het staat in verband met den strijd voor het kerkelijke vertegenwoordigings-stelsel. — Dagelijks nog vermeerdert het getal der hierover uitkomende Geschriften, waarvan de Theol. Duitsche Tijdschriften telkens aaneengeschakelde overzigten leveren; vooral de Allg. Kirchen-Zeitung. — Röhrs, Krit. Pred. Bibliothek. — Rheinwald, Repertorium der Theologie, enz.

Royaards, H.J. (1834) § 46

§ 46.
Verschillende Staatsregten op de Kerk, uit deze stelsels voortspruitende.

De verschillende regten, door de Vorsten, of den Staat, uitgeoefend, zijn ten naauwste met deze stelsels verbonden. Zoo niet de praktijk, dan toch trachtte de theorie dezelve te grondvesten.

In het algemeen verdeelde men dezelve vroeger en

|209|

later in het gezag in de Kerk en het gezag over de Kerk (Jus in sacra en Jus circa sacra).

Tot het gezag in de Kerk (Jus in sacra) behoort zoowel het uitwendige, als het inwendige bestier der Kerk; dat is er Leer en Liturgie, en al de Bisschoppelijke regten, volgens het Kanonieke regt (Jus canonicum), behoudens den geest van het Protestantisme overgegaan op den Vorst. Men brengt dezelve tot het Bisschoppelijk regt (Jus episcopale e. jurisdictio ecclesiastica). — Inzonderheid behoort hiertoe het Liturgisch regt, waardoor de Vorst regt heeft om nevens de uitwendige belangen der Kerk ook de Liturgie te regelen, en nieuwe verordeningen te maken. — Dit regt werd verbonden met vele dier stelsels. Ontstaan uit den drang der omstandigheden in de 16de Eeuw, is hetzelve tevens noodwendig verknocht aan het Territoriaal-stelsel, waarbij het regt van nieuwe Kerk-Agenden, Gezangboeken en Leerboeken (Catechismi) in te voeren, als een deel van het wetgevend gezag, aan den Vorst was opgedragen. — Maar eveneens is het in Duitschland met het Episopaal- en Collegiaal-stelsel verbonden geweest. En nog onlangs is bij de invoering der nieuwe Berlijnsche Kerk-Agende voor en tegen dit regt gestreden. Gelijk toch Kerkelijken de onbestaanbaarheid van hetzelve met de belangen der Evangelische Kerk hebben verdedigd, zoo hebben ook Regtsgeleerden hetzelve bestreden, als nimmer door het Staatskerkregt te billijken (1).


(1) Zie hierover den Tex, de Pruiss. Liturgie, enz. in de Bijdragen tot Regtsgeleerdh. en Wetgev., b.a. III. 9 verv. 27.

|210|

Met dit Liturgisch regt, (of Jus sacrorum) is ten naauwste verbonden het regt om zich in leertwisten te mengen, en daarin scheidsregterlijk te beslissen, of te doen beslissen, hetwelk vaak door den Staat is uitgeoefend.

Waar nu de Kerk onafhankelijk is van den Staat, schoon onder deszelfs toezigt staande, en waar dus geene Territoriaal-, Episcopaal- of Collegiaal-regten worden uitgeoefend, daar echter kan het Majesteits-regt (Jus majestaticum circa sacra0 of het gezag omtrent de Kerk (Jus circa sacra) gelden. Hetzelve vestigt den Staatsinvloed op het uitwendig bestuur der Kerk, hetwelk elken Vorst of Staat in meerdere of mindere mate toekomt. Tot deze Majesteits-regten brengt men gewoonlijk de volgende, welke desniettemin ook bij de drie overige stelsels van het gezag in de Kerk aanwezig zijn (1), als:
het regt van erkenning of toelating van een nieuw Kerkgenootschap (Jus reformandi). De Staat, wakende voor zijne belangen, weert alom al wat schadelijk is; dus ook in de Kerk. Nooit echter geldt het hier de godsdienstige overtuiging; want dan ontaardde dit regt in gewetensdwang; maar alleen de toelating en daarmede


(1) Zie over deze regten Böhmer, Jus Eccl. Prot., in Praef. ad T. V., — vergeleken met hetgeen hij vroeger geschreven had, T. I. 1. 31 sqq. 69 en elders. — Bretschneider, System. Entwickelung, a.a.O. 745. — Pahl, a.a.O. 217-255. — Walter, a.a.O. § 39, S. 69, V Ed. (§ 33 der 4e Uitg.). — Eichhorn, a.a.O. S. 685. — Gemmberg, die Schottische National-Kirche, S. 174 ff. — Kist, Verh., t.a.p. 253 volg. — en van Hall en den Tex, Bijdragen, t.a.p. II, bl. 234.

|211|

verbonden bescherming van een afzonderlijk Kerkgenootschap, en de bepaling der voorwaarden. — Doch ook dit regt eischt eene meerdere beperking. Gaat toch de Staat hier van een leerstellig oogpunt uit, dan overschrijdt hij zijn gezag. Daarentegen kan hetzelve gevaarlijk worden, indien het zich in het algemeen uitstrekt tot het begunstigen van alle onschadelijke Genootschappen, tot de regeling der Eerdienst en van het bestuur der Kerk, of zoo het niet door medewerking van het kerkelijk Bestuur gewijzigd wordt;
vervolgens het regt van wereldlijk opzigt (inspectio secularis) door kennis te nemen van alle kerkelijke verordeningen, ten einde de Staat niet benadeeld worde (visa); — door derzelver bekrachtigen van Staatswege (Placitum Principis, sanctie); — door derzelver verhindering, waar zij voor den Staat gevaarlijk zijn (jus cavendi); — door tegenwoordigheid bij kerkelijke Vergaderingen; — en door een naauwkeurig toezigt op het bestuur der Kerkegoederen, vooral in zoover de Staat aan dezelve onderstand (subsidie) en hulp verleent. — Intusschen wordt aan het doel van den Staat voldaan, wanneer dit alles binnen de grenzen van toezigt op opzigt beperkt blijve, en nooit tot bestuur overga;
het regt van bescherming (advocatia ecclesiastica, s. jus advocatiae, s. tuitionis). Dit regt is veeleer een pligt te noemen, en als zoodanig uit het algemeene Staatsregt mede voortvloeijende. Gelijk de Staat al deszelfs Leden en alle Genootschappen beschermt, zoo ook de Kerk. Zulks wordt nog verhoogd bij Kerkgenootschappen, door den Staat bezoldigd.

|212|

De bezoldiging echter van de Kerk door den Staat geeft op zichzelve geene regten van den Staat, dan in zooverre zulks wettelijk bepaald is, of als voorwaarde aan de bezoldiging verbonden. Anderzins zou hierdoor de deur voor Staatswillekeur geopend worden. Maar evenmin vloeit daaruit, dat de Souverein mede-lid is der Kerk, eenige meerdere invloed op dezelve voort, dan in zooverre zulks nader bepaald is, en de Kerk patronaatsregten op denzelven overbrengt.

Deze Staatsregten nu zijn in de verschillende landen door gewoonten, instellingen, landsgebruiken, verdragen enz. gewijzigd, en overal verschillend geldig. Zij zijn in de theorie van het hedendaagsche Kerkregt aangenomen, maar worden in de praktijk door den invloed van Territoriaal- en Episcopaal-stelsel menigmaal overdreven.

Royaards, H.J. (1834) § 47

§ 47.
Betrekking van Kerk en Staat in de Nederlandsche Republiek bij de Hervormden.

Ook in de Nederlandsche Republiek was vroeger allengs zekere betrekking gevestigd, en waren regten geldig geworden tusschen Kerk en Staat. Het is echter bezwaarlijk bepaald op te geven, hoedanig dezelve gedurende het bestaan onzer Republiek in Nederland geweest zijn; waarom het veiligst is aan de hand der Geschiedenis ook hier na te gaan, hoedanig dezelve ontstaan en gevestigd zijn, ten einde daaruit den aard

|213|

dier betrekking en hare werkzaamheden op te sporen (1).

I. Gelijk de Hervormde Kerk zelve, zoo is ook de onderlinge betrekking derzelver met den Staat allengs ontstaan en gevestigd. — Te gelijk met den Staat was het Protestantisme en de Hervormde Kerk gevestigd, en beide dus ten naauwste verbonden. Doch in Duitschland had misschien de Staat eenig regt op Kerkgezag, wijl dezelve de Protestantsche Kerk gebouwd had; in Nederland verviel dit regt te gelijk met de daadzaak. De Kerk had zichzelve gevestigd, maar niet zonder hulp van den Staat. Hierdoor werd aan de Kerk op den Staat, en aan den Staat op de Kerk soms overwegenden invloed toegekend. Deze vermenging van gezag werd vooral geboren, daar onze Republiek op de Hervorming gegrond was, en daardoor in den gevestigden Staat eene Staatskerk ontstond, naauw met denzelven vereenigd. Hierdoor oefenden beiden op elkander gezag uit.


(1) Men vergelijke over geheel dit onderwerp Ypey en Dermout, Gesch. der Herv. Kerk in Nederl., I. 365 verv. — Broes, Kerk en Staat, IV. 1 verv. — Pestel, Comment. de Republica Batava. — A.J. van Beeck Calkoen, Observ. juris publici sacri in Hollandia, desumtae ex historia introductae legis Ecclesiasticae, Anno 1619, Traj. 1830. — Aanmerk. over het Prot. Kerkregt in de Bijdr. van den Tex en van Hall, b.a. II. 236, 237. — Vooral is dit onderwerp op te helderen uit de verschillende Kerkeordeningen (zie bov. bl. 54, verv.) en twistschriften, meest der 17e Eeuw; van welke ook in de aangevoerde schrift of gebruik of melding gemaakt is.

|214|

Hoedanig nu die invloed gevestigd werd, werd alleen door de omstandigheden van het oogenblik, en de verschillende beginselen, die heerschende werden, bepaald. — In de troebele dagen der vestiging van den Staat hadden de invallende gebeurtenissen grooten invloed. Maar vooral werkten de verschillende beginselen, die, en in de Republiek, en in de Hervormde Kerk, zich ontwikkelden, op eene verschillende rigting van den Staatsinvloed. — Het Hervormde Kerkgenootschap was hier gevestigd naar Kalvinistische grondbeginselen. Daarenboven ontkiemde de Republikeinsche geest niet alleen in den Staat, maar ook in de Kerk, en deze sloot aldaar de burgerlijke Republiek buiten, in overeenstemming met den Geneefschen Kerkvorm. — De Kerk vestigde zichzelve eerst buitenslands, en later, op de aldaar gelegde grondslagen voortbouwende, in het Vaderland. Van daar dat men op de eerste Synode van den Staat slechts bescherming eischte. Doch toen Hervorming en Republiek allengs gevestigd werden, kreeg de Staat meerderen invloed op de heerschende Kerk. Zoo week men af van de denkbeelden van Kalvyn.

Hieruit nu ontstonden allengs twee partijen, zoowel onder de Kerkelijken, als in den Staat, t.w. dergenen, die aan den Staat meerderen of minderen invloed toeschreven, veelal in overeenstemming met de denkbeelden der Kalvinisten of der Melanchtoniaansch-Zwinglianen. — De Kerkelijken zoowel, als de Staten, zagen beurtelings met weerzin van weerszijde, de of

|215|

werkelijk bestaande, of schijnbare aanmatiging van magt. De algemeene Staten en de Wethouders der Steden schaarden zich veelal aan de zijde der Kerkelijken tegenover de Staten. Hieruit ontstonden botsingen, die nimmer weggeruimd werden, die voedsel gaven aan verdeeldheid, en scheuringen daarstelden, vooral toen staatkundige twisten der partijen van Maurits en Oldenbarneveld zich hierin mengden, tot dat het Kalvinistisch beginsel, schoon meer gematigd, op de Dordsche Synode zegevierde.

De ontwikkeling dier beide beginselen vindt men dan ook in de Remonstrantsche en Contra-Remonstrantsche partij. Zij verschilden in het oogpunt, waaruit zij de Kerk beschouwden; en dien ten gevolge in het Kerkbestuur, de wijze van de beroeping der Leeraren, de kerkelijke wetgeving en de bijeenroeping der kerkelijke Vergaderingen. Zoo toch stonden de Remonstranten en de Staten van Holland aan de Kerk alleen het christelijk onderwijs af, en behielden al het overige voor den Staat. — Beiden putteden hunne bewijzen uit de H. Schrift, doch de Contra-Remonstranten meenden in de Apostolische Kerk het model te zien der tegenwoordige, terwijl de anderen zulks ontkenden, waardoor zij over de beginselen der H. Schrift twistteden (1). — Wat de wetgeving betreft, twistte men alleen, wie het regt had de kerkelijke wetten te ontwerpen, schoon beiden de uitvoering derzelven van Staatswege inriepen. Na de Dordsche Synode


(1) Vgl. hier van Beeck Calkoen, l.l. p. 144-159, bij wien men ook de uiteenloopende gevoelens van Trigland en Uijtenbogaert vergelijke.

|216|

zegevierden echter allengs de regten der Gereformeerden, schoon gewijzigd door den invloed der anderen. En ook de Dordsche Kerkorde (1618) was voor den Staat veel gematigder, dan de vroegere (1591), gelijk later in 1651 de vroegere Kerkinrigting werd bevestigd.

Intusschen was ook na de Dordsche Synode in de Contra-Remonstrantsche of Hervormde Kerk dit tweeledig beginsel niet verdwenen. Nog bleven Kerk en Staat tegen over elkander staan. Buiten de Kerk hadden de Contra-Remonstranten of Kalvinistische en de Staatspartij hierop evenzeer invloed, als in dezelve de Voetiaansche en Coccejaansche verdeeldheden. — De strengere Kalvinisten en Voetianen wilden alleen van den Staat bescherming der Kerk, en handhaving der kerkelijke maatregelen. De Coccejanen sloten zich aan de Staatspartij aan.

Deze invloed werd opgelost in 1795 bij den val der Nederlandsche Republiek. Een tijdperk van omwenteling ving aan, waarin nieuwe theoriën en beginselen van Staats- en Volkenregt praktisch werden aangewend. Deze moesten dus op het Staatskerkregt krachtigen invloed uitoefenen. Het geheele gebouw van Staat werd omgekeerd; Kerk en Staat van elkander gescheiden, en verschillende beginselen van onderlinge afscheiding zoowel, als betrekking, aanbevolen, beproefd, ingevoerd, gewijzigd, verworpen. De Staat stond in gelijk betrekking met alle Kerkgenootschappen, en wilde zich met geene derzelver bemoeijen. De Staatskerk was verdwenen. Maar allengs werd de band,

|217|

die geheel was losgerukt en verscheurd, wederom eenigermate, schoon geheel gewijzigd, aangehaald. De Staat begon, bij de verschillende elkander opvolgende constitutiën, weder aan allen gelijkelijk bescherming te verleenen. Dit nam toe, hoe meer op de puinhoopen der oude Republiek een vaste Regeringsvorm scheen te worden ingevoerd, en reeds onder Schimmelpenninck (1805) werd aan den Commissie van Staat voor de binnenlandsche zaken ook de regeling der kerkelijke aangelegenheden opgedragen, en onder Koning Lodewijk werd zulks op nieuws bevestigd (1806-1810).

II. De aard nu dezer betrekking van Kerk en Staat verdient bijzondere beschouwing (1). — In het algemeen merken wij op, dat nimmer hier te lande een gevestigd stelsel van Staatskerkregt plaats had. Alles werd, terwijl men van de beide aangevoerde beginselen uitging, meer onmerkbaar naar de omstandigheden geregeld. Van daar dat zulks in de verschillende tijdperken verschilde. — Doch daarenboven waren er geene eenparige grondregelen aangenomen. In de onderscheidene Gewesten en Steden was zulks op verschillende tijden gansch verscheiden. Zelfs was die verscheidenheid in het beginsel van onzen Staat aanwezig, daar bij de Unie van Utrecht (2) aan de onderscheiden Gewesten


(1) Verg. hier vooral Broes, Kerk en Staat, t.a.p. inzonderheid over de Kerkvermenging met den Staat.
(2) Unie van Utrecht, Art. 13. Zie P. Paulus, Verklaring der Unie van Utrecht, III. 229 volg. en van Beeck Calkoen, l.l. p. 53 sqq.

|218|

vrijheid gelaten was, om de Godsdienst te regelen, schoon zulks meer regtstreeks zag op de toelating van Roomschen en Hervormden.

Er had dan eene vermenging van Staat en Kerk plaats, waarbij beiden vaak in elkander grepen. Dezelve stichtte echter hier minder nadeel, wijl de Synoden, en daardoor het vertegenwoordigende stelsel, steeds aanwezig bleven, en rein-kerkelijke zaken ook kerkelijk werden behandeld. — Die vermenging nu was vooral te verklaren uit het bestaan eener Staatskerk (of zoogenoemde heerschende Kerk), waardoor dus de Staat met dezelve ten naauwste verbonden was, zoodat de Kerk moest heerschen in den Staat, en de Staat in de Kerk.

Immers schoon de Staat wel alle Staatsgezag aan zich hield, droeg hij toch de uitvoering daarvan, of ook de Staatsbeheering, in sommige punten over aan de heerschende Kerk. Regterlijke of regerings-betrekking was haar wel evenmin opgedragen, als aan eenige Dissenterkerk; maar reeds was ten platten lande het toezicht over het openbaar onderwijs aan de Kerk opgedragen; en meerderen invloed had de Hervormde Kerk op de werkzaamheden van den burgerlijken stand, — de geboorte- en huwelijksboeken — en de voltrekking des huwelijks, hetwelk alles aan haar was aanbevolen.

Daarentegen had de Hervormde Kerk, op de gezegde wijze in het Staatsbestuur ingrijpende, noodwendig als Staatskerk minder vrijheid, dan de meer

|219|

van den Staat afgescheidene Dissenterkerken. — Groot was soms de invloed van den Staat op de kerkelijke wetgeving door de Commissarissen-Politiek en die der stedelijke Magistraten, die de Synoden en kerkelijke Vergaderingen bijwoonden, vooral daar zij soms de beraadslagingen schorsten, of het regt van veto uitoefenden. — Daarenboven bezigde de Staat bij de bestaande onzekerheid in de bepaling van het Staatsgezag soms ook het Liturgisch regt, b.v. bij de invoering van den Staten-Bijbel, van de Psalmberijming (1773) en in de Staatsplakaten nopens de viering van den Zondag en de Conventikelen. — Meer bijzonder zocht de Staat dit door overwegenden invloed op de beroeping van Predikanten te verkrijgen, welken invloed de Kerk weigerde. De twist werd gemiddeld door het verleenen van handopening en Staatsapprobatie. — Intusschen bleven de Kerkelijken wegens kerkbemoeijingen aan den Staat onderworpen, schreef de Staat Bededagen uit, mengde zich in kerkelijke geschillen, vooral der Coccejanen en Voetianen, en bij ontstane ketterijen, en gaf Plakaten uit tot rust der Kerk. — Vooral stonden de Kerkegoederen onder toezigt van den Staat.

Doch deze en dergelijke invloed was meer of minder het noodzakelijk gevolg eener Staatskerk, en der daaruit ontstane vermenging; te meer, daar de Staat de Hervormde Kerk bij hare leer en instellingen moest handhaven. — Wellicht werd hetzelve ook aangekweekt door de heerschende zucht der Kerkelijken, die vaak ingrepen in Staatszaken, b.v. in de zaken van oorlog, vrede

|220|

en bestand, enz., en dus aanleiding gaven, dat de Staat moest waken (1).


(1) Verg. vooral Broes, p. 14-55, en de slotsom aldaar p. 56. p. 64, 67.

Royaards, H.J. (1834) § 48

§ 48.
Hedendaagsche betrekking van Staat en Kerk, ingevolge de Grondwet.

Door den gewijzigden toestand der Hervormde Kerk in Nederland is ook de betrekking tot den Staat geheel veranderd. Daar nu de Kerk in den Staat aanwezig is, zoo zijn bij de vestiging van ons Rijk in de Grondwet ook de beginselen van Staatskerkregt, of wel de betrekking van den Staat, en dus zoowel deszelfs pligten, als regten, jegens de Kerk nader aangeduid.

Reeds toch bij de eerste Grondwet voor de vroeger Vereenigde Nederlanden (1814) (2), zoowel als later bij de herziene Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden (1815), zijn de grondslagen voor dit gedeelte van het Staatskerkregt gelegd (3), en bij de eerste tevens de beginselen aangewezen. Zij heeft wel geene


(2) Zie dezelve bij R. Metelerkamp, de Regeringsvorm der Vereen. Nederl., na de verheffing van Prins Willem Fredrik van Oranje-Nassau tot Souverein (I.), ’s Grav. 1814, bl. 190-192.
(3) Tegen deze Artikelen der Grondwet verzetteden zich in 1815 de Bisschoppen van België. Zie Jugement Doctrinal des Evêques du Royaume des Pays-Bas sur le serment, prescrit par la nouvelle Constitution; — onder anderen opgenomen door Munch, in zijne Aletheia, 1830, II. 127-129.

|221|

afzonderlijke bepalingen voor de Hervormden vastgesteld, maar dezelve waren ook onnoodig, daar alle daarin voorkomende bepalingen voor alle Kerkgenootschappen gemeen zijn; daarom moesten die bepalingen der Grondwet daarin tevens als grondslagen dienen bij elke kerkelijke wetgeving, wijl de geheele Grondwet, en dus ook het Hoofdstuk over de Godsdienst, nationaal is aangenomen en ingevoerd. Van hier dan ook dat alleen uit de Grondwet kan worden opgemaakt, welk stelsel van Staatskerkregt hier heerschende is, en dat daaraan de invloed kan getoetst worden, dien de Staat ook op de Hervormde Kerk uitoefent (1).


(1) Tijdens de invoering der eerste Grondwet zijn de beginselen door den Staat nader ontwikkeld, en omtrent de Godsdienst het volgende gezegd door den Koning, toenmaligen Souvereinen Vorst: „Bij de Grondwet moet het volk de meestmogelijke verzekering hebben, dat daarbij .... de Godsdienst, als bron van alles goeds, geeerbiedigd en gehandhaafd is, de godsdienstige vrijheid door geene tijdelijke belangen gestoord, maar in de ruimste mate gewaarborgd wordt. — Zie Publicatie van den Souvereinen Vorst vóór de openlijke beoordeeling der Grondwet,” 2 Maart, 1814, bij Metelerkamp, t.a.p. bl. 88.
Later werd dit in ’s Vorsten naam, bij de opening van de Vergadering van Notabelen ter beoordeeling van de Grondwet, door den Heer C.F. van Maanen uitgebreid; die, sprekende van de milde beginselen, welke de Vorst daarbij had aan den dag gelegd, dus van Hoogstdenzelven voortgaat: „Afkeerig van alle gezag over het geweten zijner burgeren, afkeerig van alle bemoeijing met godsdienstige leerstelsels, en zich alleen, voor zooverre dit noodzakelijk zijn mogt, de vereischte inzage en beschikking voorbehoudende omtrent de huishoudelijke inrigting van zoodanige gezindheden, welke eenige betaling of toelage uit ’s lands kas genieten, kent de Staat geen onderscheid tusschen de belijders van alle bestaande Godsdiensten, en alle gelijkelijk tot

|222|

De Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden, thans ingevoerd, behelst de volgende bepalingen:

Zesde Hoofdstuk: van den Godsdienst (Du Culte) (1).

Art. 190. De volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd (2).
— 191. Aan alle godsdienstige gezindheden, in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend (3).


dezelfde regten en voorregten roepende, bepaalt zich de Staatszorg tot één groot en eenig doel, de bevordering van godsdienstigheid, zedelijkheid, kennis en deugd.
Daartoe wordt de betaling der eerwaardige Leeraars van den Godsdienst, die dus ver uit ’s lands geldmiddelen bezoldigd zijn geworden, als een verkregen regt aan hen verzekerd; daartoe wordt gelijke behandeling naar billijkheid aan anderen toegezegd, wier bijzondere omstandigheden en behoeften gelijke toelagen zouden mogen vereischen, — en de belijders van alle bestaande Godsdiensten, in alle mogelijke opzigten dezelfde regten en burgerlijke voorregten genietende, zijn dus voor den Staat niet alleen gelijk, maar vinden de verzekering van die gelijkheid hunner regten in de Grondwet
.” — Zie M. Stuart, Jaarboek van het Koningr. der Nederlanden, 1814, p. 24, 25; — en Metelerkamp, t.a.p. bl. 134, 135.
(1) Wij zullen met de aangevoerde Artikelen der thans in werking zijnde Grondwet in deze noten vergelijken de Artikelen van de Grondwet van 1814. — Dit 6e. Hoofdstuk is in beide Grondwetten handelende: over den Godsdienst, doch behelst in de eerste Art. 133-139.
(2) In de vroegere Grondwet, voor de vereeniging met België, was bij een eerste Artikel vastgesteld: „De Christelijke Hervormde Godsdienst is die van den Souvereinen Vorst.” (Art. 134). — Dit Artikel is weggelaten in de latere van 1815.
(3) Deze beide Artikelen 191, 192 zijn eveneens voorhanden in Art. 134 der eerste Grondwet.

|223|

Art. 192. De beijders der onderscheidene Godsdiensten (croyance religieuse) genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.
— 193. Geene openbare oefening van Godsdienst kan worden belemmerd, dan in gevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen (1).
— 194. De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver Leeraars genoten wordende, blijven aan dezelfde gezindheden verzekerd (2). Aan de Leeraars, welke tot nog toe uit ’s lands kas geene of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegelegd, of het bestaande vermeerderd worden (3).


(1) Grondwet van 1814, Art. 135: „Alle openbare uitoefening van Godsdienst wordt toegelaten, voor zooverre dezelve niet kan gerekend worden eenige stoornis aan de publieke orde en rust te zullen toebrengen.”
(2) Grondwet van 1814, Art. 136: „Aan de Christelijk Hervormde Kerk wordt bij voortduring verzekerd de voldoening uit ’s lands kas van alle zoodanige traktementen, pensioenen, weduwen-, kinder-, school- en akademie-gelden, als voormaals aan derzelver Leeraren, hetzij directelijk uit ’s lands kas, of uit de daartoe bestemde inkomsten van geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten zijn betaald geworden.”
(3) Grondwet van 1814, Art. 137: „Van alle toelaten, welke laatstelijk aan de andere gezindheden uit ’s lands kas zijn toegestaan geweest, wordt almede het genot bij voortduring

|224|

Art. 195. De Koning zorgt, dat de toegestane penningen, die voor den openbaren Godsdienst uit ’s lands kas worden betaald, tot geene andere einden worden besteed, dan waartoe dezelve bestemd zijn.
— 196. De Koning zorgt, dat geen Godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening, die de Grondwet waarborgt. Hij zorgt tevens, dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat (1).


aan gemelde gezindheden toegekend.” Art. 138: „In de behoeften van die gezindheden, welke tot hiertoe geene of min toereikende toelagen van ’s lands wege genoten hebben, zal op aanvrage, daartoe te doen, in billijkheid door den Souvereinen Vorst, met overleg der Staten-Generaal, kunnen voorzien worden.”
(1) Art. 195, 196 zijn geheel anders gewijzigd, en meer beperkt, dan in de Grondwet van 1814, Art. 139: „Onverminderd het regt en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft dezelve bovendien en in het bijzonder het regt van inzake en beschikking omtrent de inrigtingen van die gezindheden, welke volgens een der voorgaande Artikelen, eenige betaling of toelage uit ’s lands kas genieten.”

Royaards, H.J. (1834) § 49

§ 49.
Staatspligten en regten op de Hervormde Kerk in Nederland, afgeleid uit deze bepalingen.

Is door deze grondwettige bepalingen, die voor de geheele Natie, en daarom ook voor de Hervormden gelden, de onderlinge betrekking van Staat en Kerk

|225|

aangewezen, zoo als dezelve regtens en wettig bestraat, dan moet het daaruit tevens blijken, welk stelsel van Staatskerkregt hier plaats grijpt, en hoeverre hetzelve in vergelijking kan gebragt worden met een dier verschillende stelsels, die elders aanwezig zijn. — Te gelijk nu wordt uit de opgenoemde bepalingen kenbaar, welke pligten en regten aan den Staat ten opzigte der Kerk wettig toekomen. Hier is dus de Grondwet de bron, waaruit alles wordt afgeleid, en waaraan het Kerkregt alles behoort te toetsen. — Maar tevens volgt hieruit, dat dezelve voor alle Kerkgenootschappen gelijk is, tenzij in de Grondwet voor eenige gevallen uitzonderingen zijn daargesteld, of wel Staat of Kerk van de hun toekomende regten afstand gedaan hebben.

Uitdrukkelijk worden bij deze grondwettige bepalingen, de volgende Staatspligten, ook jegens de Hervormde Kerk, vermeld.

1. Aan het hoofd derzelver staat uitgedrukt het beginsel eener algemeene verdraagzaamheid (Art. 190). Dit werd in de vroegere Grondwet niet uitgedrukt. — Deze verdraagzaamheid eischte eene volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen, en waarborgt haar aan elken ingezeten des Rijks. Maar het is geene vrijheid van godsdienstige Kerkgenootschappen, (over welke vervolgens gehandeld wordt,) maar van begrippen, welke als beginsel voor het Staatskerkregt wordt op den voorgrond geplaatst. Dit beginsel schrijft aan den Staat de hoofdpligt voor jegens alle deszelfs onderdanen in het godsdienstige te betrachten.

|226|

2. Een tweede Staatspligt is die der staatkundige bescherming van alle bestaande Kerkgenootschappen (1). Deze waarborgt het voortdurend bestaan der aanwezige Kerkgenootschappen, zooverre dit van den Staat afhangt, welke tot deze bescherming gehouden is. Zij kan dezelve niet weigeren, dan om de redenen, straks aan te voeren. Uit den aard der zaak dus verleent de Staat die bescherming in de bevordering van het bestaan der Genootschappen, in de handhaving derzelver, en niet minder in de uitoefening der openbare Godsdienstoefeningen. Zonder deze toch beschermt zij de Kerkgenootschappen niet. — Het volgt dus hieruit, dat alle bestaande Kerkgenootschappen in dergelijke gevallen toevlugt hebben tot den Vorst (recursus ad principem).

3. Hiermede is ten naauwste verbonden, gelijkheid van alle Kerkgenootschappen in den Staat, en dus gelijke regten van allen (2). De Leden van alle bestaande Kerkgenootschappen hebben dezelfde burgerelijke en staatkundige voorregten, zijn gelijk voor de wet, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen. — Er bestaat dus in het Rijk geene heerschende of Staatskerk meer; de Hervormde geniet geenerlei voorregten boven de Leden van andere Kerkgenootschappen. De Staat kent als zoodanig geene Kerk bij voorkeur, en is volkomen onzijdig jegens allen, zoover het belang, de orde en de rust van den Staat dit toelaten. — Er heeft


(1) Grondwet, Art. 191.
(2) Grondwet, Art. 192.

|227|

dus hier geene Staats- en Kerkvermenging meer plaats, gelijk vroeger in onze Republiek (1), evenmin wat den burgerlijke stand, als wat het onderwijs betreft (2), en zelfs zekere voorrang, die in de Grondwet van 1814 aan de Hervormde Kerk was verleend (3), is hier verdwenen.

Zoodanig zijn in het algemeen de pligten, die de Grondwet aan den Staat oplegt ten opzigte der Kerkgenootschappen. Ook de Hervormde Kerk weet dus, welke plaats zij in den Staat inneemt, en waarop zij te rekenen heeft. Die pligten echter moeten met het belang van den Staat, de rust der Maatschappij en het gezag van den Souverein in verband staan (4). Hiertoe nu gelden de regten van den Staat op de Kerk. Wij zullen ook gedeeltelijk dezelfde terug vinden, van welke wij boven spraken.

De Grondwet toch draagt aan den Staat op: 1) het regt van toelating (jus reformandi) (5) van nieuw opkomende Kerkgenootschappen, wat derzelver kerkelijk-staatkundig aanwezen betreft (Art. 191). Deze staatkundige bescherming is aldaar voor de bestaande Kerkgenootschappen aan den Staat opgelegd; waaruit dus volgen zou, dat de Staat niet gehouden is die bescherming te verleenen aan nieuw opkomende gezindheden.


(1) Zie Broes, Kerk en Staat, IV. 1. 86, 92, 131.
(2) Zie boven bl. 218.
(3) Grondwet van 1814, Art. 134. Zie boven bl. 222 en Aant.
(4) Zie Aanm. over het Kerkregt — in de Bijdragen van van Hall en den Tex, b.a. II. 239.
(5) Art. 191.

|228|

Dat echter de Wetgever geenszins bedoeld heeft dit regt onbepaald uit te strekken, en het dus aan mogelijke willekeur van den Staat over te laten, of de nieuw opkomende godsdienstige Genootschappen aanwezen mogen ontvangen, dan niet, blijkt genoegzaam uit het verband, waarin dit Artikel voorkomt met het voorgaande en volgende. — Gelijk toch dit regt niet eens regtstreeks in de Grondwet staat uitgedrukt, maar alleen bij gevolgtrekking uit het woord: bestaande Kerkgenootschappen, wordt afgeleid, zoo staat hetzelve te zeer in verband met de volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen, die door het voorgaande Artikel aan alle ingezetenen des Rijks is gewaarborgd, dan dat dezelve aan onbepaalde willekeur zou zijn overgelaten. — Immers indien al vrijheid van godsdienstige begrippen daar heerscht, waar niemand, om zijne godsdienstige meeningen mag worden vervolgd, en dus geene Inquisitie plaats heeft, waar elk in het godsdienstige mag denken, wat hij wil, zoo is die vrijheid toch niet volkomen (gelijk de Grondwet eischt) waar men dezelve, naar den eisch onzer begrippen, niet openlijk, ook door eerdienst en in een christelijk Kerkgenootschap, mag uitoefenen. — Zou daarenboven deze stelregel, indien zij ook door de Grondwet werd gewaarborgd, van onverdraagzaamheid en illiberaliteit zijn vrij te pleiten? of zou dit gevolg, uit één harer Artikelen getrokken, niet in strijd zijn met die uitdrukkelijke bepalingen, die de ruimste, schoon bedachtzame, verdraagzaamheid prediken?

Maar zoo min dit regt beperkt is ten eener zijde, zoo min is het onbepaald ten andere zijde; het is nog illiberaal,

|229|

noch ultraliberaal. In hoeverre toch dit regt aan den Staat verbleven is, blijkt uit de volgende Artikelen, die de grenzen plaatsen voor de toelating van nieuwe Kerkgenootschappen van Staatswege. Uitdrukkelijk zegt Art. 193 dat „geene openbare oefening van Godsdienst (culte) — en dus niet alleen der bestaande gezindheden, gelijk Art. 191, maar in den ruimsten zin — kan worden belemmerd, dan in gevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zou kunnen storen.” — En immers, waar de Staat geene bescherming verleent aan openbare Godsdienstoefening, daar kan zij gezegd worden dezelve te belemmeren; want het eerste kan zonder het laatste niet bestaan.

Men zou daarom kunnen vaststellen, dat zij althans zedelijk verpligt ware, dezelve, zooverre zij onschadelijk zijn, even als de bestaande Genootschappen, te beschermen, opdat daardoor de volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen, en gelijkheid van alle burgers, ook in het kerkelijk-godsdienstige, zou worden gehandhaafd. — Maar niet minder is de Staat zedelijk verpligt de onderlinge eendragt der verschillende gezindheden door de middelen, die onder zijn bereik zijn, te bevorderen, en zooveel mogelijk scheuringen tegen te gaan.

In hoeverre nu door den Staat de schadelijkheid van nieuw opkomende gezindheden te berekenen zij, en in hoeverre zij dus het regt heeft, die te weren, is mede door de Grondwet aangewezen: „in gevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zou kunnen

|230|

storen (1).” — Dit te beoordeelen moet aan den Staat verblijven. Dezelve kan echter geene Kerk weren, zoolang zij niet in strijd is met het regt der vereenigden, met orde in den Staat en goede zede; geenszins dus mag de Staat om leerstellingen en gevoelens, die aan de Gezagvoerders mishagen, dezelve bescherming weigeren, tenzij die gevoelens schadelijk geacht worden voor openbare orde en veiligheid, en dus voor goede zeden. Dit is alsdan een maatregel van Staatspolitie, niet van Justitie (2).
Reeds voor vele jaren weigerde de Staat dit regt aan de Vijgeboomsche secte te Axel (3).

Gelijk nu dit regt meer zijdelings afgeleid, dan wel regtstreeks uitgedrukt wordt, zoo heeft de Grondwet andere regten van den Staat bepaald aangewezen; onder deze:

2) het regt van Toezigt of Oppertoezigt; wereldlijk opzigt (Inspectio secularis) (4). Dit bepaalt zich vooral tot waakzaamheid voor het belang van den Staat, opdat deze door de Kerk niet benadeeld worde. — Dien ten gevolge belemmert dezelve die openbare oefening van Godsdienst, welke de openbare orde en veiligheid zou kunnen storen (5); en zorgt tevens, dat alle godsdienstige gezindheden zich houden binnen de


(1) Grondwet, zie boven; Art. 193.
(2) Zie Broes, Kerk en Staat, t.a.p. IV. 1. bl. 107, 127, 129.
(3) Zie Aanm. over het Kerkregt der Protestanten, b.a. in de Bijdragen van van Hall en den Tex, II. bl. 240.
(4) Zie boven bl. 211.
(5) Grondwet, Art. 193.

|231|

palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat; welke zorg uitdrukkelijk aan den Koning is aanbevolen (1). Uit deze bepaling heeft men het regt van sanctie der kerkelijke, naar buiten werkende, Reglementen, de bijwoning der Synodale Vergaderingen, de approbatie en agreatie van beroepingen, enz. afgeleid. — Welligt zijn hiermede ook verbonden de bepalingen op de viering van Zon- en Feestdagen, door de burgerlijke wet gehandhaafd.

Dit regt van toezigt werkt vooral voor het Hervormde Kerkgenootschap, door den Staat bezoldigd. — Deze voortdurende bezoldiging staat echter niet ter keuze van den Staat, als zijnde in den ruimsten zin door de Grondwet gewaarborgd; maar evenmin geeft zij meerdere regten aan den Staat op de bezoldigde Kerken boven de andere, dan alleen in zooverre hij waakt en dus toezigt houdt over het gebruik der verleende gelden, en niet duldt, dat deze tegen het belang van den Staat gebruikt worden. Hierdoor wordt het regt van toezigt slechts verruimd (2). Ook hierdoor wordt de approbatie der kerkelijke beroepingen gewettigd, even als de keus uit de kerkelijke nominatiën,


(1) Grondwet, Art. 195.
(2) Hierin is de Grondwet van 1815 onderscheiden van die van 1814. Verg. Art. 139, v. 1814 met Art. 195, 196, boven bl. 224. De Staat heeft echter sedert der invoering der Grondwet de bezoldiging in vele Vaderlandsche Gemeenten door verhooging van tractementen, als alterum tantum uitgereikt, door verhoogde kinder-, school- en akademie-gelden, enz. onbekrompen vermeerderd.

|232|

den Vorst overgelaten; daar ook vor deze Kerkbesturen penningen van den lande verstrekt worden, en het personeel der Kerk voor den Staat van belang is.

3) Hierop zijn tevens gegrond de regten van Oppervoogdijschap over de kerkelijke fondsen en goederen, die van den Staat afkomstig zijn (1). Deze bestiert dezelve niet, maar waakt en houdt toezigt over bezit en gebruik. Het bestier dier gelden kan hij verzekeren en doen waarborgen door dit toezigt. Iets anders ware het deze zorg uit te strekken tot de goederen van rein-kerkelijken oorsprong. Indien echter het Kerkgenootschap of de afzonderlijke Gemeenten niet verzekeren, zich voor het vervolg te kunnen onderhouden, en den Staat niet te behoeven, kan dezelve daartoe maatregelen nemen. Zoo verzekert de Staat het koopen en verkoopen van goederren, en het veraliëneren van Effecten door Inschrijvingen op het Grootboek, het opbouwen of afbreken van Kerkgebouwen en Pastorijen, enz.; want welligt zou zonder deze de gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat worden geweigerd (2). — In zooverre nu deszelfs invloed op de kerkelijke goederen tot toezigt bepaald wordt, werkt dit weldadig voor de belangen der Kerk.

Het blijkt dus genoegzaam, volgens de beginselen en bepalingen van het Staatskerkregt, in de Grondwet


(1) Zie boven bl. 211.
(2) Grondwet, Art. 196.

|233|

voorhanden, dat geen der drie voormelde stelsels, noch Territoriaal-, noch Consistoriaal-, noch Episcopaal-stelsel, in onze Vaderlandsche Hervormde Kerk heerscht. Daarom kunnen uit geene derzelver de regten van den Vorst op onze Kerk worden afgeleid. — Zoo geeft ook geen der Artikelen van de Grondwet eenige regten in de Kerk (jus in sacra) aan den Vorst, en dus ook niet het Liturgisch regt (1). Het zijn veeleer regten en gezag over de Kerk (jus circa sacra), die hier worden uitgeoefend, en meer bijzonder gematigde Majesteits-regten, die bij de Grondwet voor den Staat in betrekking tot de Kerk zijn bewaard en gehandhaafd. — Is er dus geene heerschende Kerk meer aanwezig, en zijn alle gezindheden voor den Staat gelijk, er bestaat echter band tusschen Kerk en Staat. En daarin verheugen wij ons. De


(1) Men vindt dan ook nergens eene bemoeijing van den Staat, om in te grijpen in de regten der Kerk door invoering van Bijbel-Overzetting, Gezangen of Agenden; zie Kist, Verh. t.a.p. bl. 160. — Te onregt grondde men zich derhalve in de Noordstar op de publieke Gebeden, die de Staat gewoon is voor te schrijven. De Staat toch laat te regt dit Liturgisch regt aan de Kerk over; en ook de aanschrijvingen en Koninklijke Besluiten bij de gebeden, voor en na de bevalling der Koninklijke Prinsessen luiden slechts: „om de godsdienstige gezindheden aan te schrijven en uit te noodigen; zie Koninkl. Besluit, 8 Dec. 1832, — 6 Julij 1833 en elders; of wel de Directeurs-Generaal voor de zaken van de Hervormde en Roomsch-Katholieke Eerdienst aan te schrijven, om, elk voor zooveel zijn Departement aangaat, aan de godsdienstige gezindheden binnen dit Rijk kennis te geven van ..... met uitnoodiging om daaraan in derzelver gebeden indachtig te zijn, enz.” — Zie Koninkl. Besluit, 23 Dec. 1821, n. 6 en elders. — Dito 1 Dec. 1823, n. 12. — Dita 25 Maart 1833, n. 79 en elders.

|234|

Kerkgenootschappen immers bestaan in den Staat, worden door denzelven beschermd en gehandhaafd, en deze waakt tegen allen schadelijken invloed van de eersten (ne Respublica quid detrimenti capiat).

Royaards, H.J. (1834) § 50

§ 50.
Bepalingen der kerkelijke wetgeving in Nederland nopens den invloed van den Staat op de Hervormde Kerk.

Gelijk wij in deze Artikelen der Grondwet de grondbeginselen vinden, waarop de betrekking van Kerk en Staat rust, zoo vinden wij de toepassing en in werking brenging derzelve in de kerkelijke bepalingen en verordeningen, d.i. in de kerkelijke wetgeving. — Niet alle bepalingen echter kunnen regtstreeks uit deze beginselen worden afgeleid. Sommigen zijn door den Staat zich voorbehouden, en de Kerk heeft daarin berust; anderen door de Kerk afgestaan en daardoor wettig. Alleen mogen zij niet in strijd zijn met die grondbeginselen, of zij zijn ongrondwettig.

De voornaamste dier kerkelijke bepalingen nopens den invloed van den Staat op de Kerk, vinden wij in het Algemeene Reglement, als de speciale Grondwet der Hervormde Kerk. Eenige zijn in de bijzondere Reglementen of in afzonderlijke bepalingen opgenomen; doch als zoodanig grootendeels uit het Algemeene Reglement gesproten of afgeleid.

Ook de kerkelijke wetgeving, met sanctie van den Staat voorzien, of van denzelven uitgegaan, kent geene

|235|

andere regten aan den Staat toe, als de Grondwet. Nu de Hervormde Kerk eenmaal is geregeld en gevestigd, staat de wetgeving aan de Kerk. De veranderingen, daarin in te voeren, moeten langs den bepaalden, door de Reglementen voorgeschreven, kerkelijken weg worden ingesteld. Zij gaan uit van het besluit der kerkelijke Vergaderingen, en worden onder goedkeuring van den Staat ingevoerd, zoodat „de Souverein zelf zonder voorafgaande overweging der Synode, geene verandering kan maken in den vorm van het Kerkbestuur (1).”

Intusschen zijn de afzonderlijke gevallen aangewezen, waarin de Staat werkzaam is. Doch men moet van de bemoeijingen des Konings, die voortdurend werken, zoodanigen onderscheiden, die slechts eenmaal bij de eerste invoering des nieuwen Kerkbestuurs plaats hadden; geheel in overeenstemming met hetgeen bij de vestiging van ons Koningrijk in burgerlijk en staatsbetrekkingen geschied was.

Zoodanig immers was ook in de Kerk, bij de invoering onzer kerkelijke organisatie, de eerste benoeming der Leden van Kerkbesturen onmiddellijk door den Koning zich voorbehouden, zoowel bij de hoogere, als lagere Collegiën, bij de Synode, de Provinciale en Klassikale Besturen (2), evne als die van den Synodalen


(1) Woorden van den Comm.-Gener. in het Antwoord aan de Klasse van Amsterdam, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 148; — verg. met Alg. Reglem., Art. 15.
(2) Alg. Reglem., Art. 17.

|236|

Secretaris en deszelfs Secundus (1). — Doch de uitoefening van deze en dergelijke regten hebben opgehouden in de eenmaal geörganiseerde Kerk.

De uitoefening der duurzaam geldige regten van den Vorst heeft vooral betrekking op het personeel der Kerk; het is toch voor den Staat niet onverschillig, hoedanig dit personeel is. Maar ook deze invloed bepaalt zich tot toezigt. — Zoo geldt hetzelve b.v. bij de beroepingen van Predikanten. Deze is wel is waar kerkelijk gebleven, daar aan de Gemeenten de vrije keus harer Leeraren is overgelaten; maar het toezigt van den Staat op dit personeel wordt uitgeoefend door de approbatie van alle Predikantsberoepingen, na de verkregen kerkelijke approbatie, met uitzondering van die plaatsen, waar de Koning of Collator is, of de benoeming in buitengewone gevallen doen moet. Immers even als het wettig regt van collatie voor onderdanen van den Staat door de wetten is bewaard en gehandhaafd, even zoo oefent de Koning hetzelve uit in alle Domeinen van den Staat, of daar, waar de Lands-Overheid te voren de beroeping gedaan heeft. Daarenboven wordt de benoeming van Predikanten, indien de beroeping door de schuld des Kerkeraads vertraagd is, door den Koning uit een klassikaal drietal gedaan (2).


(1) Alg. Reglem., Art. 19.
(2) Reglem. op de beroepingen en vakaturen, 1826, Art. 40, 62, 64, bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 291, 296. — Kon. Besluit op het Collatie-regt, 28 Sept. 1814, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 366.

|237|

De handopening tot het doen eener beroeping, ten einde daarbij ook de geldelijke belangen van den Staat te verzekeren, is door den Koning aan het Ministeriëel Departement opgedragen. Alleen in twijfelachtige gevallen geeft de Koning de handopening op voordragt van het Ministeriëel Departement (1).

Eenigszins ruimer is deze invloed bij de Leden der kerkelijke Collegiën, wier vrije benoeming wel niet aan den Staat is overgelaten, maar waarbij de keus uit de door de kerkelijke Vergaderingen opgemaakte nominatiën, meestal drietallen, aan den Koning is opgedragen.

Uit zoodanige kerkelijke nominatiën benoemt de Koning jaarlijks Leden voor de aftredende Leden der Synodale Commissie, — der Provinciale en Klassikale Besturen, en derzelver Presidenten en Secretarissen — en bij vakaturen den vasten Secretaris der Synode en deszelfs Secundus; — alsmede jaarlijks uit de door de Kerk benoemde Synodale Leden den President, nevens deszelfs Vice-President en Secundus (2). — Bij eene Synode van herziening benoemt de Koning de Leden volgens de bestaande verordeningen, doch niet anders, dan uit de Leden en Secundi der voorgaande Synodale Vergadering. — De Leden der Oost- en West-Indische Commissie worden op voordragt van


(1) Reglem. op de beroepingen en vakaturen, Art. 33, t.a.p. verg. met het Koninkl. Besluit omtrent de Combinatien, 16 April 1814, Art. 8, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 360.
(2) Alg. Reglem., Art. 17, 19, 32, 37, 57, 58. — Besluit ter oprigting eener Synodale Commissie, 26 Nov. 1827, Art. 10.

|238|

de Ministeriëele Departementen benoemd door den Koning (1).

Maar niet minderen invloed oefent de Staat uit op de werkzaamheden der Kerk. Ook hier echter bepaalt zich dit tot toezigt en niet tot bestuur. De Staat geeft geene kerkelijke wetten of bepalingen; maar zich van derzelver ontwerping en vervaardiging onthoudende, staat aan denzelven de approbatie en sanctie, en de daarmede verbonden uitvaardiging van alle, naar buiten werkende, Reglementen, door de Synode ontworpen; van alle Provinciale Reglementen op het Kerkbestuur, en van alle alteratiën in dezelven (2).

Het Consent des Konings wordt vereischt voor correspondentie met buitenlandsche Kerken, zoowel die door de kerkelijke Collegiën als door de onderscheidene Leden derzelver gevoerd wordt; — alsmede voor kerkelijke Collegiën, om circulaires uit te vaardigen buiten hun Ressort (3). Dit alles laat zich uit het regt van toezigt gereedelijk verklaren.

Minder uit een dezer regten, dan wel uit den


(1) Reglem. op kerkel. opzigt en tucht, 1825, Art. 91, 92, bij v.d. Tuuk, III. 228. — Verord. op het Bestuur der Indische Kerken, 7 Dec. 1820, Art. 14, bij v.d. Tuuk, II. 48.
(2) Alg. Reglem., Art. 15, 23, 30, 42, 93 en het slotartikel der Synodale, Provinciale en Huishoudelijke Reglementen.
(3) Alg. Reglem., Art. 12. — Koninkl. Besluit betrekkelijk de correspondentie van kerkelijke Collegien en derzelver leden, 29 Oct. 1821, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 100, 101.

|239|

afstand der Kerk aan den Staat om bijzondere redenen, zal te verklaren zijn de bepaling, dat de Koning dispensatie verleent van de Artikelen in het Reglement op de vakaturen en beroepingen (1), welke dispensatie later gedeeltelijk door den Koning aan het Ministeriëel Departement is opgedragen.

Beroep van de Synode op den Koning is aan den veroordeelden ter Synode verleent niet omtrent de synodale besluiten, waarvoor de Synode de hoogste regtbank is, maar bij de berekening der kosten van kerkelijke proceduren (2); gelijk ook de toestemming des Konings vereischt wordt tot het beleggen van buitengewone Synodale Vergaderingen, en tot de bijeenroeping van eene Vergadering van herziening in synodaal-kerkelijke proceduren (3).

Het regt van Biddagen uit te schrijven, zou, indien men een kerkelijken Biddagvoor het Hervormde Genootschap verlangde (4), door de Kerk zelve, en dus door de Synode, onder sanctie des Konings, zijn uit te oefenen; doch waar men een nationalen Biddag verlangt, kan de Staat alleen dien uitschrijven,


(1) Reglem. op de vakaturen en beroepingen, Art. 91, bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 302.
(2) Reglem. van kerkelijk opzigt en tucht, Art. 21, bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 210.
(3) Alg. Reglem., Art. 20. — Reglem. van kerkelijk opzigt en tucht, Art. 90, t.a.p.
(4) Een voorstel daartoe werd ter Synode gedaan, doch niet aangenomen. Zie Handel der Synode, 1823, bl. 17, 52.

|240|

althans de verschillende Kerkgenootschappen uitnoodigen en plegtig oproepen en burgerlijke maatregelen ter bevordering van deszelfs plegtige viering vaststellen. — Op dien grondslag rust de gewoonte, die tot dusverre plaats had.

Royaards, H.J. (1834) § 51

§ 51.
Uitvoering der Staatsregten op de Kerk. — Ministeriëel Departement.

De Staatsregten op de Kerk zijn natuurlijker wijze den Koning opgedragen, die dezelve doet uitvoeren door een tak der Staats-Administratie of door een Staats-Departement.

Eene Commissie uit den Raad van State, uit drie Leden bestaande, is gevestigd, ten einde den Koning te adviseren op alle zaken der Hervormde Eerdienst, en alle voorstellen, door het Ministerie gedaan, of door de Synode ter verkrijging der koninklijke sanctie ingezonden; en voorts op andere kerkelijke aangelegenheden. Doch derzelver bestaan en instructie is geheel van den Koning afhankelijk.

Vooral echter bestaat er sints de regeling onzer zaken na de omwenteling (1814) een afzonderlijke tak van Staats-Administratie voor de Hervormde en andere Eerdiensten, buiten de Roomsch-Katholieke; gelijk eene afzonderlijke voor de Roomsch-Katholieke Eerdienst. — De Commissaris-Generaal of later Directeur-Generaal voor de zaken der Hervormde en andere

|241|

Eerdiensten, vormt een Ministeriëel Departement, dat op gelijken voet is ingerigt, als de overige Staats-Departementen, en welks bureaux zijn georganiseerd. Den Directeur-Generaal is een Secretaris-Adviseur toegevoegd, die bij den Commissaris-Generaal Commissaris was voor kerkelijke zaken (1).

De Directeur-Generaal dus, of het Ministeriëel Departement, is de Uitvoerder van ’s Konings invloed op de Kerk. Daarom moet toezigt, bescherming, handhaving, uitvoering door hetzelve worden verleend, wijl het als het middenpunt vormt tusschen Staat en Kerk. Doch alzoo het geen tak van Kerkbestuur, maar van Staatsbestuur, uitmaakt, wordt het ook alleen dáár ingeroepen, waar men den Staat inroept (2). — Het is daarom niet wel mogelijk, noch ook hier ter plaatse noodig, den geheelen omvang der attributen en werkzaamheden van dit Departement op te geven. Eenigen derzelver zijn reeds boven opgegeven; anderen zijn afwisselend en hangen af van de Staatsinrigting. Maar voor het Kerkregt is het genoegzaam die meer voorname bepalingen, welke in onze kerkelijke wetgeving voorkomen, te doen kennen.

Het Ministerieel Departement van de Hervormde Eerdienst staat in onmiddellijk verband met de Kerkbesturen, — vooral met de Synode (3). Het kan alle


(1) Zie Ypey en Dermout, Gesch. der Nederl. Herv. Kerk, IV. 603, 663.
(2) Zie Broes, Kerk en Staat, IV. 1., bl. 90, 139.
(3) Alg. Regl., Art. 21.

|242|

voorstellen inleveren aan de Synode; ontvangt alle voordragten voor den Koning en alle Reglementen ter sanctie, en voert alle koninklijke verordeningen en bepalingen bij de Kerk uit. De Directeur-Generaal, of het Hoofd van het Ministeriëel Departement, geassisteerd, zoo hij wil, door zijn Secretaris, woont de Synodale Vergadering bij; niet om daarin te praesideren, of als Lid zitting te hebben, noch om eenigerlei gezag op de Synode uit te oefenen, noch om over leerstellige zaken te oordeelen, of veranderingen te provoceren, maar alleen om te waken voor de belangen van den Staat, en de waardigheid dier Vergadering (1).

Door hetzelve worden alle Staats-kerkelijke en administrative werkzaamheden geregeld. Gelijk alle Synodale Reglementen door den Koning gesanctioneerd worden, zoo verleent het Ministerie visa aan alle overige belangrijke Synodale, naar buiten werkende, Verordeningen en Besluiten. Maar dit visa is van de koninklijke sanctie geheel onderscheiden, daar hetzelve niet dient om de Staatsgoedkeuring over die bepalingen in te roepen, maar alleen ten bewijze, dat daarvan wordt kennis genomen bij het Ministerie. Doch deze kennisneming kan zich nimmer tot het veto uitstrekken (2). — Het Ministerie verdeelt en regelt


(1) Alg. Regl., Art. 23, en zie voorts boven bl. 88, en Antwoord van den Comm.-Gener. aan de Klasse van Amsterdam, b.a. bij v.d. Tuuk, II. 148, 149.
(2) Zie Koninkl. Besl. omtrent de naar buiten werkende Synodale Resolutiën, d.d. 4 Junij 1818, n. 8, bij v.d. Tuuk, Handb. t.a.p. bl. 155.

|243|

ook de van ’s landswege uitbetaalde gelden, de grensscheidingen der Klassen en derzelver verdeeling der Ringen (1). — Het verleent in ’s Konings naam dispensatie der Artikelen 35b, 53, 55 van het Reglement op de Vacaturen en Beroepingen, en der aanvragen om voortduring of verlenging van theologische en overige akademie-gelden (2).

Uitgestrekt is daardoor de correspondentie van het Ministeriëel Departement met de onderscheidene Collegien van Kerkbestuur. — Het ontvangt van dezelven Rapporten, Verslagen, Voorstellen, Copijen, Berigten en Opgaven omtrent het meest belangrijke, dat of in het personeel, of in geldelijke aangelegenheden plaats heeft. Het approbeert daar, waar zulks door den Koning aan het Ministerie is opgedragen, en beslist vaak daar, waar de Staat moet beslissen; zoowel als bij beklag over uitspraken van kerkelijke Collegiën (3).

Zoo ontvangt hetzelve van de Provinciale Kerkbesturen jaarlijks verslag der tot de Synode benoemde


(1) Alg. Regl., Art. 30 en 36, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 12, 14, nevens de afzonderlijke Besluiten ter uitvoering dezer Artikelen, te zijner plaatse te vermelden — Alg. Regl., Art. 52, 54.
(2) Koninkl. Besl. nopens de beschikking over eenige punten door de Generale Directie voor de zaken der Hervormde Kerk, d.d. 22 Nov. 1829, n. 99, en dito 17 Dec. 1831, n. 29, nevens Minister. Aanschr. omtrent het laatste, d.d. 31 Dec. 1831.
(3) De meeste dezer bepalingen komen voor in het Algem. Reglement. Andere zullen bij de behandeling der onderwerpen zelve: als Kerkvisitatie, examen, enz. nader vermeld worden.

|244|

Leden, en ook der benoemde Leden, die niet tegenwoordig zijn kunnen, — en van de werkzaamheden der Ringsvergaderingen (1) — en een gebijzonderd verslag van den afloop der Examina van Candidaten; — het ontvangt de Provinciale Reglementen, om die den Koning ter sanctie aan te bieden. Het onderscheidt de Provinciale Kerkbesturen in derzelver werkzaamheden, en staat daardoor in velerlei betrekking met dezelve (2).

Onmiddellijk correspondeert het Ministeriëel Departement met de Klassikale Besturen, en komt met dezelven in velerlei aanraking, vooral in de zaak van beroepingen en vakaturen; waarin de Klassikale Besturen berigt geven der ontstaande vakaturen, handopening vragen, die, twijfelachtige gevallen uitgezonderd, door het Ministerie verleend wordt, en berigten omtrent de vertraging van beroeping, zoowel als der bevestiging. Het adviseert den Koning over de mogelijkheid der combinatie of suppressie van Gemeenten en de vervulling der vakaturen (3). — Maar niet minder correspondeert het in geldelijke aangelegenheden, zoowel der kinder-, school- en akademiegelden en weduwenbeurzen,


(1) Zie Provision. Regl. van Orde voor de Synode, 8 Julij, 1816, bij v.d. Tuuk, I. 29. — Alg. Regl., Art. 83.
(2) Regl. op het Examen, 1831, Art. 36. — Zie de Hand. der Synode, 1831, bl. 181. — Alg. Regl., Art 42. — Instructie voor de Provinc. Bestur., 31 Oct. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 35.
(3) Circulaire omtrent de Correspondentie, 9 Aug. 1816, bij v.d. Tuuk, I. 176. — Regl. op de Vakaturen, — en b.a. Besluit omtrent de Combinatien, bij v.d. Tuuk, I. 360.

|245|

als der klassikale quota’s en klassikale kas; in welker verdeeling, inning, regeling, wanbetaling de betrekking van beider werkzaamheid vereischt wordt (1).

Daarenboven zenden de Klassikale Besturen aan het Ministerie jaarlijks verslag in van de werkzaamheden der Ringsvergaderingen, — kopij van het verslag omtrent de Kerkvisitatie, — en aanvrage om goedkeuring op de provisioneele aanstelling van klassikale Scriba’s en op de veranderingen in de grensscheidingen der Klassen in Ringen, — en berigt van de veranderingen in het personeel van de Bestuurders der Ringsvergaderingen (2).

In gelijke betrekking, als met de Provinciae en Klassikale Besturen staat het Ministeriëel Departement met de Waalsche Commissie, die de plaats der Provinciale en Klassikale Besturen vervangt. — Maar naauwer is de betrekking met de Provinciale Collegiën van Toezigt op de kerkelijke administratie der goederen en fondsen, gelijk zulks afzonderlijk is aangewezen (3).


(1) Zie het Regl. op de klassikale kosten, nevens de daarop gevolgde Dispositiën, bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 273, 314; II. 71; III. 256. — Regl. op de Weduwenbeurs, b.a.
(2) Alg. Regl., Art. 83. — Reglem. op de Kerkvisitatie, Art. 22, bij v.d. Tuuk, III. 142. — Besluit omtrent de benoem. van Leden voor kerkel. Bestur., 6 Jan. 1818, Art. 8, bij v.d. Tuuk, I. 217. — Alg. Regl., Art. 54. — Circulaire omtrent de opgave van de veranderingen in het Personeel van de Bestuurders der Ringsvergader., 7 Sept. 1822, bij v.d. Tuuk, II. 129.
(3) Zie b.a. Bepaling. omtrent de Waalsche Kerken — en de Reglem. op de kerkel. administratie, b.a.

|246|

Ook met de Kerkeraden correspondeert het Ministeriëel Departement onmiddellijk in de bijzondere gevallen, die tot beider beheer behooren, of wel tot den Staatsinvloed op de bijzondere Gemeenten (1).


(1) Circulaire, b.a. bij v.d. Tuuk, I. 176.

Royaards, H.J. (1834) § 52

§ 52.
Staatstoezigt op de kerkelijke administratie. — Provinciale Collegiën van toezigt.

Gelijk de Staat toezigt houdt over de kerkelijke belangen, zoo is dezelve inzonderheid werkzaam omtrent de Kerkegoederen en inkomsten. Dit toezigt wordt wel in het algemeen door het Ministeriëel Departement uitgeoefend, doch is meer onmiddellijk in elke Provincie opgedragen aan Provinciale Collegiën.

Dat toch deze Collegiën geene Vergaderingen van bestuur, maar van toezigt vormen, duidt reeds derzelver naam aan: Collegiën van toezigt. Dat zij in onderscheiding der Collegiën van Kerkvoogden en Notabelen, geen kerkelijke, maar Staats-Collegiën zijn, volgt geredelijk en uit den aard der werkzaamheden, en uit de benoeming van derzelver Leden, die door den Staat geschiedt, en niet gelijk bij Kerkvoogden en Notabelen door de Hervormde kerkelijke Gemeente, of derzelver vertegenwoordigers.

Er bestaat dan in elke Provincie, sints de invoering der Reglementen op de administratie (2), een


(2) Zie boven § 40, bl. 158.

|247|

Provinciaal Collegie van Toezigt op de administratie der kerkelijke fondsen en eigendommen bij de Hervormden.

Hetzelve is gewoonlijk zamengesteld uit 7 Leden, t.w. den Gouverneur der Provincie, twee Leden der Gedeputeerde Staten, den President en Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur, en twee aanzienlijke Leden der Hervormde Kerk. — Indien echter de tijdelijke Gouverneur geen Lid der Hervormde Kerk zijn mogt, wordt hij vervangen door een Lid der Gedeputeerde Staten, door den Koning daartoe te benoemen; terwijl overal, (Gelderland uitgezonderd), waar de standplaats van den President en Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur te ver verwijderd is van de Provinciale Hoofdplaats, dezelve vervangen worden door twee andere Leden van het Provinciaal Kerkbestuur. Maar in Gelderland kunnen voor den President en Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur, indien hetzelve zulks verlangen mogt, op deszelfs voordragt twee Notabele Kerkeraadsleden door den Koning worden benoemd (1). — Doch in Noord-Braband is alleen bepaald, dat onder de 7 Leden van het Collegie zich moeten bevinden twee Leden der Provinciale Staten, twee Leden van het Provinciaal Kerkbestuur en de Gouverneur der Provincie, indien hij Lid is der Hervormde Kerk (2).

Eveneens geschiedt ook de benoeming der Leden


(1) Zie de verschill. Reglementen op de kerkelijke administratie, b.a. Art. 2.
(2) Ampliatie, b.a. 26 Julij 1823.

|248|

uit de Gedeputeerde Staten en der particuliere Leden, door den Koning. — Jaarlijks treedt met den 1sten Januarij één der Gedeputeerde Staten, en één der particulieren af; doch zij blijven weder benoembaar. In Noord-Braband treden jaarlijks twee Leden, steeds weder benoembaar, met den 1sten Januarij, af (1).

Deze Collegiën houden derzelver zitting in de Hoofdsteden der Provinciën.

De Gouverneur der Provincie is, waar hij Lid is, President der Vergadering. — Het Secretariaat wordt aan één der Leden opgedragen, en deze geässisteerd door één van de geëmploijeerden der Staten, (of in Utrecht en Vriesland, op het bureau der Staten) door den Gouverneur te dispiciëeren; en van dien in Gelderland staat bepaald, dat hij van de Hervormde Godsdienst zijn moet. — Nopens den Secretaris is in Noord-Brand niets bepaald (2).

De bepaling van de vaste Vergaderingen en de regeling der wijze, waarop de loopende zaken tusschen tijds door President en Secretaris worden afgedaan, is aan het Collegie opgedragen (3).

Voor de noodzakelijke kosten van het Provinciaal Collegie wordt jaarlijks eene som uit de klassikale kas betaald; en wel in Utrecht ten meeste ƒ 300; — in Drenthe ƒ 400; — in Zeeland, Overijssel, Groningen


(1) Reglementen, Art. 4.
(2) Reglementen, Art. 2, 3.
(3) Reglementen, Art. 8; — van Vriesland, Art. 9.

|249|

en Vriesland ƒ 500; — in Gelderland en Noord-Braband ƒ 600, en in Noord- en Zuid-Holland ƒ 800. — Bij de Reglementen is bepaald, dat over de wijze, waarop zulks in alle Provinciën aan de klassikale kas zal vergoed worden, nadere bepalingen door den Koning zouden gemaakt worden. — Alleen in Utrecht wordt in het gebruik van het locaal, vuur, licht, schrijfbehoeften en bediening voor het Collegie benoodigd, door de Staten of den Gouverneur voorzien; waarom de verdere kosten, uit de klassikale kas voorloopig te betalen, aldaar lager geraamd zijn.

De werkzaamheden van dit Collegie bestaan in het algemeen toezigt op de administratie der kerkelijke fondsen in alle Gemeenten der Provincie. — Het ontvangt daartoe kennis van alle veranderingen in het personeel der Kerkvoogden en Notabelen; — het beslist de geschillen, welke ten aanzien der administratie in de Gemeenten mogten ontstaan, — en zorgt voor het herstel van gebreken en misbruiken, welke hetzelve ontdekken mogt, of doet deswege de noodige voordragten. — Daarenboven moest het in Vriesland de meest doelmatige middelen beramen, ten einde op die plaatsen, waar de Kerk- en Armvoogdijen nog vereenigd zijn, eene scheiding tusschen deze administratie worde tot stand gebragt op den meest geapsten en billijken voet (1).

Jaarlijks zendt hetzelve, voor den 1sten December in Zeeland, Noord- en Zuid-Holland en Overijssel en


(1) Reglementen, Art. 6; — van Vriesland, Art. 7.

|250|

elders voor den 1sten December, aan het Ministeriëel Departement een naauwkeurig verslag in van den Staat der Hervormde Kerken, Pastorijen en kerkelijke administratiën in de Provinciën, benevens een nominative lijst der fungerende Kerkvoogden (1).

Het Provinciaal Collegie ontvangt tot informatie een afschrift der opgemaakte begrooting van elke Gemeente (2). In Overijssel kan het, indien het daarin gebreken mogt ontdekken, handelen volgens de algemeene beginselen van deszelfs werkzaamheid, bij Art. 6 van het Reglement aangeduid (3). — Eveneens ontvangt het voor 1 Julij van elk jaar afschrift van de jaarlijksche Rekening tot informatie, alsmede der aanmerkingen, op dezelve gevallen, waarover het Collegie beslissen moet; en handelt het in Overijssel, Noord-Braband, Groningen en Drenthe, bij ontdekking van gebreken, volgens gelijken maatstaf. In Gelderland, Utrecht en Vriesland heeft het de bevoegdheid, om wanneer het daartoe reden meent te hebben, visie te vragen van de opgenoemde rekeningen (4). Het geeft buiten Gelderland, Utrecht en Vriesland, over authorisatie voor af- en over-schrijvingen van een post op den anderen op het Budget (5). Aan deszelfs goedkeuring is het ontwerp van hoofdelijken omslag, waar die benoodigd is, onderworpen; wanneer het een


(1) Reglementen, Art. 7; — van Vriesland, Art. 8.
(2) Reglementen, Art. 27; — van Vriesland, Art. 30.
(3) Zie hierboven bl. 249.
(4) Reglementen, Art. 51, 52; — van Vriesland, Art. 59, 60.
(4) Reglementen, Art. 28, 47 (46); — van Vriesland, Art. 31, 54.

|251|

Afschrift daarvan inzendt aan het Ministeriëel Departement; — alsmede het besluit van Kerkvoogden tot entameren van kerkelijke procedures (1). Het adviseert Gedeputeerde Staten omtrent verkoop of belasting van kerkelijke eigendommen (2). — In Zeeland moet het aan hetzelve blijken, dat de Ontvanger een voldoenden borgtogt gesteld heeft; in Noord- en Zuid-Holland en Overijssel moet het Collegie dien goedkeuren (3). — Het ontwerpt, met agreatie van het Ministeriëel Departement, provinciale reglementen van uitkoop (4). — In Overijssel, Utrecht en Vriesland kan daarenboven degene, die zich doro beslissing der Commissie over de doleantie bezwaard acht, aan het Provinciaal Collegie zich adresseeren, ten einde definitieve uitspraak door hetzelve gedaan worde; en in Gelderland worden de klagten over de doleantiën door Kerkvoogden en Notabelen ingezonden aan het Provinciaal Collegie, ten einde uitspraak te doen (5). — Het beslist bij onverhoopte geschillen tusschen Kerkeraden en Kerkvoogden, behoudens de bevoegdheid van belanghebbenden, om zich tot den Koning te wenden. Gelijkelijk beslist het bij ontstanen twijfel omtrent de wettigheid der redenen van verschooning voor kerkelijke bedieningen (6).


(1) Reglem., Art. 29, 77 (75); — van Vriesland, Art. 33.
(2) Reglem., Art. 78 (76, 77); — van Vriesland, Art. 84.
(3) Reglem. van Noord- en Zuid-Holland, Zeeland en Overijssel, Art. 43.
(4) Reglem., Art. 64 (63); — van Vriesland, Art. 72.
(5) Reglem. van Utrecht, Vriesland en Overijssel, Art. 34.
(6) Reglem., Art. 61 (60), 67 (66); — van Vriesland, Art. 69 en 75.

|252|

Het ontvangt, even als het Ministerie, berigt der bezwaren bij de Kerkvisitatie omtrent de kerkelijke administratie ingebragt, ten einde daarop acht te kunnen slaan. — Het kan bij nalatigheid van Kerkvoogden in het tijdig inzenden der jaarlijksche begrooting een Commissie zenden ter particuliere kosten derzelven; — en eindelijk adviseert het den Koning op de voorgestelde veranderingen in de Reglementen (1). — Deszelfs werkzaamheid in de beoordeeling van het getal der Kerkvoogden en Notabelen, hebben wij boven vermeld (2).

Handhaving van dit Staatstoezigt.

Zoo houdt de Staat toezigt over het kerkelijk bestier en de kerkelijke administratie; maar tevens waakt de Staat voor de handhaving van deszelfs regten, ook tegenover de Kerk. Uit dit beginsel zijn eenige voorzorgen te verklaren, door den Staat genomen. Dezelve zijn echter niet bij uitsluiting op de Hervormden toepasselijk; maar schijnen zelfs uitgelokt door de voordragten van den Directeur-Generaal voor de zaken van de Roomsch-Katholike Eerdienst en geldig voor alle gezindheden, waarom zij in de ontwikkeling van het Kerkregt hare plaats verdienen (3).


(1) Reglem., Art. 62 (61), 79 (78, 77), 80; — van Vriesland, Art. 70, 86.
(2) Zie boven, bl. 164, 165, 175.
(3) Zie Koninkl. Besluit, d.d. 16 Aug. 1824, n. 45, omtrent de beschikkingen te maken door Kerkbesturen en kerkelijke administratien, te vinden in het Staatsblad, en bij v.d. Tuuk, t.a.p. III. 165. — In hetzelve wordt in de eerste plaats gewezen ➝

|253|

Bij dezelven is dan aan alle Kerkbesturen en kerkelijke administratiën voorgeschreven zich zorgvuldig te wachten van eenige beschikkingen en bestellingen te maken, omtrent onderwerpen, waarvan de bezorging hun niet uitdrukkelijk bij de bestaande wetten, reglementen, orders of instructiën is opgedragen. — Daarom wordt dan ook de toestemming des Konings vereischt tot het stichten en opbouwen, herbouwen, de veranderde inrigting van Kerken of gebouwen, tot de openlijke eerdienst bestemd, en is ter verkrijging derzelver noodig de opgave der daartoe vereischte kosten, en der voorhanden zijnde middelen, om die kosten te bestrijden. Hetwelk alles mede vereischt wordt om eenige nieuwe kerkelijke Gemeente op te riten of in te stellen. Daarenboven is de toestemming der daartoe bevoegde openbare magten vereischt, ten einde uit de Kerken weg te breken, te vervoeren of te vervreemden; of om zich eenige andere beschikking te veroorloven, met opzigt tot de in de kerken geplaatste voorwerpen van kunst of geschiedkundige gedenkstukken, van welken aard die ook zouden mogen zijn, voor zooverre zij niet toebehooren aan bijzondere Genootschappen of bijzondere personen.

Aan de Kerkbesturen werd dien ten gevolge opgedragen zich te bepalen tot de werken van noodzakelijk onderhoud, die de instandhouding der gebouwen mogt vorderen.


➝ op de voordragten van den Directeur-Generaal voor de zaken van de Roomsch-Katholieke Eerdienst.

Royaards, H.J. (1834) § 53

|254|

§ 53.
Betrekking der Hervormde Kerk in Nederland tot andere Kerkgenootschappen.

Tot het uitwendige Kerkregt behoort, behalve de betrekking der Hervormde Kerk tot den Staat, ook die tot andere Kerkgenootschappen, die in den Staat bestaan. In het algemeen vloeit dezelve voort uit de bepalingen van het Staatskerkregt. Wij moeten echter ook hier de uitwendige van de inwendige betrekking onderscheiden.

De uitwendige betrekking der Hervormde Kerk tot de andere Kerkgenootschappen is hedendaags geheel verschillende van die, welke in de Republiek der Vereenigde Nederlanden plaats had. — Tijdens het bestaan der Republiek genoot de Hervormde Kerk als Kerk van Staat, of zoogenaamde heerschende Kerk, hoogen voorrang boven de overige in den Staat bestaande Kerkgenootschappen. — In en na de Hervorming vestigde zich in Europa het stelsel van heerschende Kerken. Algemeene verdraagzaamheid, die tot gelijke regten leidde, was onbekend. Ook onze Republiek, op het Protestantisme gebouwd, was ten naauwste met de zaak der Hervormde Kerk verbonden (1). Daarom moest noodwendig de Roomsche Kerk, als gezaghebbende Kerk zijn uitgesloten. Zij werd echter, vooral ook gedurende den strijd der Hervorming, geduld, zoo lang


(1) Zie boven bl. 203.

|255|

hare Leden zich gedroegen als gehoorzame burgers van den Staat; maar stond, toen de geest der Roomsche Curie en die van het Jesuitisme hier in strijd kwam met den geest der Utrechsche of zoogenaamde Jansenistische Kerk, lijnregt over tegen den Staat en de Hervormde Kerk, die hoogere voorregten in denzelven genoot.

Door deze dulding en vrijheid der Roomsche Kerk zoowel als die, welke alle Protestantsche gezindheden hier genoten, leverde de Nederlandsche Republiek in die dagen een zeldzaam schouwspel op in Europa. — Godsdienstige vrijheid was het beginsel, dat den maatstaf aanbood voor de betrekking der Hervormde en andere Protestantsche Kerkgenootschappen. Hierin waren zij allen gelijk. — Maar boven deze alleen verres de Hervormde Kerk in ons Vaderland, beveiligd door Staatsgezag, en daardoor luisterrijk geplaatst boven de andere afdeelingen der Christenheid, dat aan hare belijders bij uitsluiting staatkundige regten waren toegestaan. Het bekleeden van ambten en bedieningen was alleen aan Hervormden toegestaan. Daarvan waren de Leden van andere Kerkgenootschappen uitgesloten. Deze voorrang gaf haar den naam van Staatskerk, of volgens eene aangenomene spreekwijs: de heerschende Kerk. Dit denkbeeld, in de eerste dagen der verrijzende Republiek vreemd aan onze Vaderen, werd alleen, vooral door den loop der staatkundige gebeurtenissen, geboren, meest ter beveiliging der duurzaamheid onzer Republiek; en werd algemeen aanbevolen door Kerkelijken. Eenmaal ingevoerd, werd die voorrang leerstellig en

|256|

maatschappelijk bevestigd; en daardoor won zij in kracht aan.

Maar naast deze hooger geplaatste Kerk van Staat stonden verschillende kleinere Protestantsche Kerkgenootschappen, welker Leden wel burgerlijke, maar geene staatkundige regten genoten. Ook aan dezen was de vrijheid des gewetens gewaarborgd, en die der Eerdienst toegestaan, en wel in die mate, dat, terwijl de Kerk van Staat veelzijdigen invloed van de Republiek ondervond, deze hare inwendige onafhankelijkheid in eene hoogere mate genoten.

Bij den val der Nederlandsche Republiek (1795) (1) en de scheiding van Kerk en Staat, daalde de Hervormde Kerk van haar hooger standpunt af, en werd gelijk gesteld met alle andere Kerkgenootschappen. Niet langer stond zij als de Staatskerk naast de gedulde Dissenterkerken. Zij verloor hare uitsluitende voorregten. Burgerlijke en staatkundige regten werden aan alle Kerkgenootschappen verleend, die gelijkelijk in Nederland naast elkander stonden.

In dezen toestand verkeerde de Hervormde Kerk, tijdens de herleving van onzen Staat, de vestiging van het Koningrijk der Nederlanden, en de regeling der Hervormde Kerk (1814, 1816). En dezelve was reeds bevestigd door de Grondwet (2), die volkomene gelijkstelling van alle Kerkgenootschappen waarborgde, en


(1) Zie boven bl. 216.
(2) Grondwet, Art. 190, 191; zie boven bl. 222.

|257|

geene heerschende Kerk herstelde. Gelijke burgerlijke en staatkundige voorregten, aan de belijders van alle Eerdiensten geschonken, plaatsten de Hervormde Kerk in gelijken rang met alle anderen (1).

Deze uitwendige betrekking had tevens invloed op de inwendige. — Ook de inwendige of onderlinge betrekking der Hervormde en andere Kerkgenootschappen onderging hier verandering. Men kwam wel is waar hier te lande niet tot die uitwendige vereeniging van Hervormden en Luthersche, die elders plaats had, gedachtig, dat het de spreuk was van alle wijzen: haast u langzaam (2)! — Maar de meer vijandige houding der Hervormde Kerk tegen de overige Kerkgenootschappen is verdwenen. De christelijke geest van onderlinge liefde en verdraagzaamheid tusschen de verschillende Kerkgenootschappen is meer en meer toegenomen. Moge maar dezelve niet in onzen tijd worden tegengewerkt, en broederhaat op nieuws worden aangekweekt! Reeds hebben de broedertwisten tusschen de verschillende Kerkgenootschappen meer en meer opgehouden. Ook de aanleiding tot onderlinge naijver is bij gelijke regten verdwenen. Ook bij de voortdurend bestaande verscheidenheid der Genootschappen trachten de Kerkbesturen den band der christelijke broederliefde en eensgezindheid te bevorderen, en vinden bij den Staat krachtigen aandrang en medewerking.


(1) Vgl. Broes, Kerk en Staat, t.a.p. IV. 1.
(2) (Broes,) over de vereeniging der Protestanten in Nederl., ’s Grav. 1822.

|258|

Hiervan getuigen eenige kerkelijke verordeningen en bepalingen. Reeds vroeg bleek die geest van onderlinge christelijke broederliefde bij de gemeenschappelijke viering van het Hervormingsfeest. — Immers toen de Hervormde Synode in 1817 besloot het derde Eeuwgetijde der Hervorming op den 2 November 1817 te vieren, werd tevens een Brief ter kennisgeving aan de Protestantsche Geloofsgenooten in het Koningrijk gezonden, ten geleide van een Exemplaar der opwekkende aanschrijving aan de Hervormde Provinciale Kerkbesturen. Dezelve kon ter uitnoodiging dienen, om dien dag mede tot dat einde af te zonderen; waartoe zich dan ook de verschillende Protestantsche Genootschappen, als in eenen geest, vereenigden (1).

Wederkeerig had iets dergelijks plaats met de Evangelisch-Lutherse Kerk. Toen deze besloten had, den 25 Junij 1830 toe te wijden aan „eene plegtige feestviering van het derde Eeuwgetijde der overgave van de Augsburgsche Confessie aan Karel V., wenschte zij, dat dit feest door alle Protestanten deelnemend beschouwd werd, niet als een kerkelijk sectefeest ter gedachtenisviering eener bijzondere geloofsleuze, maar als een feest onzer godsdienstige vrijhed.” — Zij zond daartoe ook een Exemplaar harer Circulaire, met eene daabijgevoegde Missive, als een bewijs van hoogachting en broederlijke toegenegenheid, aan de Hervormde Synode. Deze besloot alstoen „de Hervormde Kerkeraden in het Koningrijk te verwittigen van deze feestviering, met uitnoodiging om op dien dag


(1) Zie Handel. der Synode, 1817, 4 Julij, p. 43, 111.

|259|

in de openbare dankzeggingen en gebeden, deze voor de Protestantsche Kerk zoo aangelegene gebeurtenis te gedenken (1).”

Ook ter bevordering van dien onderlingen band heeft de Synode omtrent de viering des H. Avondmaals door de Leden van andere Kerkgenootschappen bepaald, dat dezelven, indien zij dit begeeren mogten, en er naar het oordeel van den Kerkeraad geene redenen ter contrarie bestaan, mits onergerlijk zijnde van leven, en bewijs gevende van hun Lidmaatschap, ten Avondmaal in de Hervormde Gemeente worden toegelaten (2).

Vervolgens besloot de Synode om de kerkelijke attestatiën van Protestanten uit andre godsdienstige Genootschappen, ter plaatse, waar dezelve geene bijzondere Gemeente hebben, en indien zulks door hen begeerd wordt, aan te nemen, in het Register der Lidmaten in te schrijven, met bijvoeging van het Kerkgenootschap, waartoe de vertooners behooren; en dezelve bij vertrekt met getuigenis van onberispelijkheid in den wandel, indien er geene redenen van het tegendeel bestaan, weder aan hen uit te leveren (3). Deze maatregel deed de Evangelisch-Luthersche Synode tot een gelijken besluiten.


(1) Zie de Aanschrijving der Evangelisch-Luthersche Synode aan de Predikanten en Kerkeraden dier Gemeente, d.d. 2 Junij 1829. — Handel. der Synode, 7 Julij 1829, bl. 75.
(2) Synodale Resolutie, in de Handel. der Synode, (16 Julij) 1817, bl. 109, 110, — en bij v.d. Tuuk, t.a.p. I. 163.
(3) Zie Handel. der Synode, (20 Julij) 1819, bl. 119, en bij ➝

|260|

Eindelijk heeft de Synode met betrekking tot het aannemen van Leden uit andere Protestantsche Kerkgenootschappen in de Hervormde Kerk bepaald, dat het bewijs van Lidmaatschap, door den Kerkeraad van een ander Protestantsch Kerkgenootschap afgegeven, tevens behelzen moet een bewijs van goed zedelijk gedrag, ten einde daarna op afgelegde belijdenis, de aanneming volge tot Lid van ons Hervormd Kerkgenootschap. — Meer bijzonder is vastgesteld, dat geene personen, die eenige kerkelijke bediening bij eenig ander Kerkgenootschap bekleeden of bekleed hebben, tot de belijdenis des geloofs bij onze Gemeente zullen worden toegelaten, dan nadat het Provinciaal Kerkbestuur, onder welks ressort zoodanig persoon, tijdens zijne bediening, gewoond heeft, onderzoek gedaan heeft naar zijn gehouden zedelijk gedrag, gedurende dat tijdvak, en aan de Gemeente, bij welke hij zich heeft aangegeven, verklaard zal hebben geene zwarigheid in deszelfs toelating tot het Lidmaatschap bij onze Gemeente te vinden (1).

Door deze en andere bepalingen is de onderlinge betrekking van de Hervormde Kerk tot andere Kerkgenootschappen geregeld, en de onderlinge band van broederschap tusschen dezelve bevorderd.


➝ v.d. Tuuk, I. 165. — Minist. Dispos., d.d. 31 Mei 1820, bij v.d. Tuuk, t.a.p. II. 10.
(1) Zie Synodaal Besluit in de Handel. der Synode, 16 Julij 1830, bl. 97 en 21 Julij 120.

Royaards, H.J. (1834) § 54

§ 54.
Besluit.

Het blijkt dus in deze geheele voorstelling der

|261|

Hervormde Kerk van Nederland in hare betrekking tot den Staat, dat in vele opzigten hier die verhouding en staats-kerkelijke inrigting heerscht, welke hedendaags in Duitschland door velen gewenscht wordt, die op de vrijheid en emancipatie der Kerk, vooral op synodaal-inrigting aandringen. Zij toch zullen velen der trekken van het door hen ontworpen Kerkwezen in onze kerkelijke wetgeving terugvinden.

Maar niet minder blijkt hieruit, dat onze Kerk eene gematigde vrijheid geniet, terwijl het intusschen den Staat geenszins aan waarborgen ontbreekt ter verzekering van deszelfs regten. Tevens staat onze Hervormde Kerk, gelijk in rang en voorregten, nevens andere in gelijke voorregten deelende Protestantsche Kerkgenootschappen. Maar geenszins door onderlinge haat en vijandschap van dezelven gescheiden, versterkt zij veeleer den band van broederlijke liefde en eensgezindheid, ook bij het blijvend bestaande verschil van meeningen en Kerkgenootschappen.

En vatten wij nu alles te zamen: Één Hervormd Kerkgenootschap (1), naar eene geregelde wetgeving door zichzelve bestierd (2), onder toezigt van den Staat, wel talrijker in Leden, maar voorts gelijk in voorregten met alle andere Kerkgenootschappen (3); — deze zijn dus de hoofdtrekken van het beeld onzer Nederlandsche Hervormde Kerk, door ons in dit Deel van het Kerkregt uit onze kerkelijke wetgeving geschetst.


(1) Zie boven, Afd. I. (2) Afd. II. (3) Afd. III.