Doedes, J.I. (1854) Brief

|3|

 

Waarde Vriend!

 

Het verwondert mij niet, u groot belang te zien stellen in het formulier, dat onderteekend worden moet door hen, die in de Nederlandsche Hervormde kerk tot de predikdienst toegelaten worden, en u te hooren vragen, welke waarde wij hebben toe te schrijven aan het nieuwe, dat door de Synode van 1853 voorloopig is vastgesteld. Ik heb er reeds met een enkel woord over gesproken in het Maandblad Ernst en Vrede 1), en ben bereid er nog een weinig meer van te zeggen.

Het ligt in den aard der zaak, dat men hen, die tot de predikdienst in onze kerk toegelaten worden, eene verklaring en belofte laat afleggen, om hen daardoor eenigszins te binden, opdat zij niet zouden prediken al wat hun goed dunkt en aldus de orde in onze kerk verstooren. Grenzenlooze verwarring is toch onvermijdelijk, waar naast eene organisatie, zooals die der Nederlandsche Hervormde kerk, bij welke eene gemeenschappelijke geloofsbelijdenis wordt voorondersteld, onbeperkte leervrijheid heerscht. De inrigting der Nederlandsche Hervormde kerk vooronderstelt eene gemeenschappelijke geloofsbelijdenis. Natuurlijk kan dan aan hen, die in deze


1) 2e Jaargang, bl. 223.

|4|

kerk als predikers zullen optreden, niet de vrijheid worden toegestaan, om te prediken al wat zij goedvinden, om niet te zeggen, dat het begrip van Evangelie-prediker dit reeds buitensluit. Beweerde iemand, dat men hen toch ook niet dwingen kan te prediken hetgeen zij niet voor waarheid houden, wij zouden daarop antwoorden, dat niemand hen dwingt zich aan de predikdienst in die kerk toe te wijden; dat zij vrijwillig die taak op zich nemen; dat zij niet langer in deze dienst werkzaam behoeven te zijn, dan zij zelven willen. Juist omdat men zich vrijwillig aan de predikdienst in de Nederlandsche Hervormde kerk wijdt en er zich niet langer aan behoeft te wijden dan men goedvindt, heeft de kerk het regt, om hun, die tot de predikdienst wenschen toegelaten te worden, een onderteekeningsformulier voor te leggen.

Zulk een onderteekeningsformulier is niet ter wille van den aanstaanden prediker, maar ter wille van de kerk. Plaatsen wij ons op het standpunt des predikers, dan moeten wij het natuurlijk vinden, dat hij zich liever aan geen onderteekeningsformulier bindt, dat hij liever geen verbindingsformulier onderteekent. Welk prediker zal niet de vrijheid beminnen boven eenigen band, niet ten allen tijde de vrijheid wenschen te behouden, om geheel naar zijne overtuiging te spreken en te schrijven, zonder ooit te moeten vreezen, dat men hem in ongelegenheid brengen kan door hem het onderteekeninsformulier te herinneren? Plaatsen wij ons daarentegen op het standpunt der kerk, dan moeten wij een onderteekeningsformulier, dat des predikers vrijheid eenigszins beperkt, geheel natuurlijk achten.

Door er dit eenigszins bij te voegen, bemerkt gij, dat een onderteekeningsformulier, naar mijn oordeel, ook te zeer beperkend zou kunnen zijn. Dat van 1619 is doodend voor de vrijheid, welke men den Evangeliedienaar moet laten behouden. Gij stemt mij zeker toe, wat ik onlangs schreef: „Van de andere zijde behoort men gedachtig te blijven aan

|5|

den aard, het regt en de levensvoorwaarde van de dienst des woords, tot welke de Evangeliepredikers in onze kerk zijn geroepen. Wegens den aard van die dienst moeten zij de waarheid onder gestadig beroep op Gods onfeilbaar Woord prediken, en zich alleen aan dit woord houden. Wegens het regt van die dienst moeten zij datgene, wat met de Heilige Schrift in strijd is, als dwaling doen kennen. Wegens de levensvoorwaarde van die dienst moeten zij beschermd worden tegen den dwang van een slaafsch vasthouden aan de kerkleer, d.i. aan de belijdenis der kerk” 1).

Ik stel er prijs op, dat gij dit in het oog houdt, ook bij het lezen en beoordeelen van hetgeen volgen zal.

Geen slaafsche banden dus voor den Evangelieprediker in de Nederlandsche Hervormde kerk.

Maar ook geen onbepaald verlof voor hem, om te prediken wat hem behaagt.

Om hem te herinneren, dat hij daartoe geen onbepaald verlof, dat hij daartoe in het geheel geen verlof heeft, wordt hem een onderteekeningsformulier voorgelegd. Als het hem niet verbindt, is het eene misleiding. Verbindt het hem, dan moet het duidelijk opgeven, waartoe het hem verbindt. Deze laatste stelling 2) is even als de eerste onwederlegbaar. Een onderteekeningsformulier mag dus evenmin dubbelzinnig als rekkelijk zijn. Het zij kort of lang, maar het zij bepaald in zijne uitdrukkingen, opdat er tusschen hem, die het onderteekent, en de kerk, die het hem voorlegt, nooit strijd behoeve te ontstaan over den zin der woorden, over de pligten, die er te vervullen zijn.

Nemen wij nu het nieuwe onderteekeningsformulier voor ons, dan blijkt spoedig, dat het aan dit vereischte niet voldoet.


1) Ernst en Vrede, 2e Jaarg. blz. 64.
2) Overgenomen van den Heer Hooijer, Kerkelijke Wetten, bl. 58, in de noot.

|6|

Wat lezen wij toch?

Wij ondergeschrevenen — verklaren bij deze opregtelijk, dat wij, naar het grondbeginsel der Christelijke Kerk in ’t algemeen en der Hervormde in ’t bijzonder, Gods heilig Woord, in de schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat, te goeder trouw aannemen en hartelijk gelooven; dat wij des zins en willens zijn, den geest en de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde Kerk begrepen is, getrouwelijk te handhaven; dat wij mitsdien de genade Gods in Jezus Christus, als den eenigen grond der zaligheid, ernstig en van harte der gemeente zullen verkondigen; dat wij op de bevordering van godsdienstige kennis, van Christelijk geloof en leven ons met allen ijver zullen toeleggen, en orde en eendragt voorstaan en aankweeken; en dat wij alzoo, onder opzien tot de hulp, die van boven is, de belangen van Gods Koningrijk en in ’t bijzonder die van de Nederlandsche Hervormde Kerk zorgvuldig zullen behartigen, en naar vermogen aan de bevordering daarvan medewerken; verbindende wij ons bij deze onze handteekening tot al het voorgeschrevene, en om, zoo wij bevonden worden tegen eenig gedeelte van deze verklaring en belofte gehandeld te hebben, deswege ons te zullen onderwerpen aan de uitspraken der bevoegde kerkelijke vergaderingen.

Terwijl wij het tweede gedeelte kunnen laten rusten, moeten wij van het eerste gedeelte zeggen, dat niet duidelijk opgegeven is, waartoe de onderteekenaar verbonden wordt.

|7|

Volgen wij, om dit in te zien, het formulier op den voet.

Men verklaart vooreerst, naar het grondbeginsel der Christelijke kerk in ’t algemeen en der Hervormde in ’t bijzonder, Gods heilig Woord, in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat, te goeder trouw aan te nemen en hartelijk te gelooven. Op deze verklaring zou niets aan te merken zijn, indien er geen verschil van gevoelen bestaan kon omtrent hetgeen al of niet geacht moet worden Gods heilig Woord te zijn. Hield ieder den geheelen inhoud of hetzelfde gedeelte van den Bijbel voor Gods heilig Woord, dan was de verklaring van het onderteekeningsformulier duidelijk. Maar nu houdt hij, die deze verklaring aflegt, misschien geenszins hetzelfde voor Gods heilig Woord als zij, die geacht wordt, hem dit onderteekeningsformulier voor te leggen. Welk gedeelte van den Bijbel hebben wij voor Gods heilig Woord, voor Openbaring Gods aan ons, te houden? Er is een opzettelijk onderzoek noodig, om deze vraag te beantwoorden. Er moet dan uitgemaakt worden, wat voor alle tijden en alle volken geldt, wat alleen gold voor de tijden, in welke de schrijvers der Heilige Schrift leefden, of zij, die er sprekende en handelende in voorkomen, en wat alleen voor Israël, of voor hen, tot wie het gezegd werd. Er moet bepaald worden, wat in een eigenlijken, wat in een oneigenlijken zin is op te vatten. De vraag is, wat in den Bijbel door ons als waarheid moet worden aangenomen, beleden en gepredikt, als voor ons ook en voor allen van kracht, wat daarentegen ter zijde kan en moet gelegd worden. Wilt gij een voorbeeld? Jezus wordt in het Nieuwe Testament voorgesteld als een zoenoffer, als het volmaakte zoenoffer. Moeten wij dit houden voor een joodsch spraakgebruik, ontleend aan der Joden offerdienst, en in dien vorm niet voor ons bestemd, of hebben wij Jezus in den eigenlijken zin des woords zoowel voor het volmaakte zoenoffer, als voor den eenigen Middelaar Gods en der menschen te

|8|

houden? Het is wel duidelijk, dat wij niet veel winnen met iemands verklaring, dat hij Gods heilig Woord in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat te goeder trouw aanneemt en hartelijk gelooft, als hij niet hetzelfde gedeelte des Bijbels voor Gods heilig Woord houdt dat wij daarvoor houden.

Maar dit is niet het eenige. Al houden wij hetzelfde gedeelte des Bijbels voor Gods heilig Woord, daaruit volgt nog niet, dat wij in dat Woord van God hetzelfde zullen vinden en er hetzelfde uit zullen afleiden. De een verklaart de Heilige Schrift zoo, de ander weer anders. Wie weet niet, dat de uitleggers des Bijbels zeer van elkander afwijken. Ieder, die Christen heeten wil, beroept zich voor zijne gevoelens op den Bijbel. Voor elken ketter een letter. Wat baat het de kerk dan, of hij, die tot de predikdienst in haar toegelaten wordt, al verklaart, Gods heilig Woord aan te nemen en te gelooven, indien het mogelijk is, dat hij geheel andere gevoelens als leer van Gods Woord voordraagt, dan die waarlijk met Gods Woord overeenkomen?

Men kan zich zeer gemakkelijk drie Predikanten voorstellen, een echten Contra-remonstrant, een Arminiaanschgezinden, een gewonen rationalist. Zij zullen alle drie willen verklaren, dat zij Gods heilig Woord in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat te goeder trouw aannemen en hartelijk gelooven. Maar dat zullen zij willen, omdat zij ieder hunne eigene voorstelling hebben van hetgeen tot Gods heilig Woord behoort, en omdat zij „Gods heilig Woord”, ieder op zijne eigene wijze, uitleggen.

Zou dit nieuwe onderteekeningsformulier iemand binden, dan moest er óf geen verschil kunnen bestaan omtrent den omvang en de uitlegging van Gods heilig Woord in de Schrift, óf bijgevoegd zijn wat door de kerk, ter wille van welke men dit formulier onderteekent, voor Gods heilig Woord, zoowel wat omvang als inhoud betreft, gehouden wordt.

|9|

Zooals de zaken nu staan is het, alsof hij, die dit formulier onderteekent, zegt: ik verklaar, dat ik Gods heilig Woord, vervat in de schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds op dit plaatsen, waar ik meen dat het gevonden wordt, of het later zal vinden, en dan zoo opgevat als ik meen of meenen zal het te moeten uitleggen, te goeder trouw aanneem en hartelijk geloof.

Als iemand eene verklaring van dien aard voor u aflegde met de houding, alsof hij u een waarborg gaf en zichzelven bond, wat zoudt gij hem vragen? Waar het onze tijdelijke belangen geldt, zijn wij, indien ik mij niet bedrieg, gewoon een weinig betere waarborgen te eischen.

 

Wij gaan verder.

Men verklaart ten tweede, des zins en willens te zijn, den geest en de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk begrepen is, getrouwelijk te handhaven.

De vraag is, welke formulieren hier bedoeld worden. In het onderteekeningsformulier van 1816 komt dezelfde uitdrukking voor. In het ontwerp van dat formulier stond, „de leer, overeenkomstig Gods Heilig Woord, vervat in de formulieren van eenigheid.” Waarom dit veranderd is en wat die verandering beteekent, is later door Donker Curtius aldus verklaard: „Omdat er Formulieren van eenigheid in de Hervormde kerk van Nederland bestonden en onderteekend werden, welke echter geene Formulieren van eenigheid van de Nederlandsche Hervormde kerk waren. Dusdanige waren de Leerregelen van de Synode van Dordrecht en de Walcherensche Artikelen. Geen van beide waren door de Nederlandsche Hervormde kerk, als zoodanig, in gebruik gebragt. De eerste waren nooit in Vriesland onderteekend, en de laatste nergens dan in het Classikaal ressort van Walcheren. Daar men nu algemeene bepalingen maakte,

|10|

welke zouden moeten dienen voor de geheele Hervormde kerk van Nederland, moest men of deze niet door de gansche kerk aangenomene formulieren algemeen invoeren; of men moest deze van de algemeene bepaling uitsluiten. Men verkoos het laatste en men deed dit door te noemen niet de Formulieren, maar „de aangenomene Formulieren,” waardoor van zelf wierden uitgesloten de Dordtsche leerregelen en de Walcherensche artikelen. Als dus hier wordt gesproken van Formulieren, zoo worden hier alleen aangeduid de Belijdenis en de Katechismus.”

Deze verklaring van hetgeen de Synode van 1816 zou bedoeld hebben is in 1835 gegeven door een lid der Synode van 1816 1); maar de vraag blijft, of dit eene authentieke verklaring heeten mag. Op grond van deze verklaring schrijft de Heer Hooijer wel, in zijne aanteekening op dat formulier 2): „de Synode van 1816, willende uitsluiten alle leerregelen, die niet overal waren ingevoerd, (canones Dordraceni) of slechts in ééne classe golden (Walcherensche artikelen) heeft bij het woord formulieren gevoegd aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk, en dus alleen de geloofsbelijdenis en den catechismus als geldend verklaard.” Maar het is nog niet bewezen, dat de Synode van 1816 er zoo over gedacht heeft 3). Hoe dit echter zij, de Synode van 1816 had volstrekt geen regt, als zij meende, dat de Dordsche leerregelen niet tot de formulieren van eenigheid in de Nederlandsche Hervormde kerk konden gerekend worden.


1) Geschied- en oordeelkundige aanmerkingen betrekkelijk het Formulier van verbindtenis, vastgesteld door de Algemeene Synode van de Nederl. Herv. kerk in den jare 1816, Godgeleerde Bijdragen. 1835, IX, bl. 12, 13.
2) t.a.p. bl. 57.
3) Het bewijs, door Donker Curtius t.a.p. bl. 13 aangevoerd, een gedeelte van een brief, die gedrukt en met het ontwerp aan al de leden van de Synode ter hand gesteld werd, is naar ons inzien verre van krachtig.

|11|

De Hoogl. Scholten heeft duidelijk aangetoond, „met hoe weinig grond uit de niet onderteekening der Dordsche leerregelen in Friesland het besluit getrokken wordt, dat deze niet behooren zouden tot de wettig erkende formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk,” en dat „de vraag naar het symbolisch gezag der Dordsche leerregelen eene geheel andere is dan die betreffende de Walchersche artikelen, waarop zich Donker Curtius als bewijs beroept, dat niet alle symbolische schriften door de geheele Nederlandsche Hervormde kerk erkend zijn” 1).

Daar er nu echter verschil van gevoelen bestaan kan omtrent den zin, in welken men de woorden „aangenomen formulieren van eenigheid” moet opvatten, behoort hier eene nadere verklaring bijgevoegd te worden, zonder welke dit gedeelte van het onderteekeningsformulier niet duidelijk genoeg is.

Van die aangenomen formulieren zal men dan handhaven niet de leer, maar den geest en de hoofdzaak der leer, daarin begrepen.

Nu komt de vraag, wat handhaven is, hoe men handhaven zal. Daarop antwoordt niet ieder hetzelfde. Laten wij dit in het midden, dan komt de vraag, wat de geest is van die leer, en waarin de hoofdzaak dier leer bestaat. Het is niet gemakkelijk, den geest van eene leer duidelijk te beschrijven. De een zal dien geest anders voorstellen dan de ander. Hierover zal men het echter eens moeten zijn bij de onderteekening van dit formulier. Maar wat is nu weer de handhaving van den geest eener leer, van den geest der leer, begrepen in de formulieren? Wij zullen wel niet behoeven aan te toonen, dat het hier eenigszins duister begint te worden. Daarbij komt de hoofdzaak dier leer. Welke is die hoofdzaak? Moet men eerst den geest der formulieren


1) De leer der Hervormde kerk, enz. I (2e druk) bl. 42-45.

|12|

hebben leeren kennen, om daarna en daardoor tot de kennis dier hoofdzaak te kunnen komen, of is de kennis der hoofdzaak onmisbaar om de vaststelling van den geest der formulieren? Het is mogelijk, dat niet allen, die tot het predikambt in onze kerk toegelaten worden, juist hetzelfde voor hoofdzaak houden, zeer waarschijnlijk zelfs, dat de een hoofdzaak acht wat het bij den ander niet is, en omgekeerd. Wat hield de Synode van 1853 en wat houdt de Synode van 1854 voor den geest en de hoofdzaak dier leer, en wat wordt op de Hoogescholen aan hen, die zich tot de predikdienst in onze kerk voorbereiden, van dien geest en die hoofdzaak geleerd? Indien wij eens op de vraag: Wat is de geest en waarin bestaat de hoofdzaak der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk begrepen is? het antwoord hadden van de Synoden der laatste jaren, van de Theologische Faculteiten aan onze Hoogescholen, van onderscheidene Godgeleerden, er zou nog al verschil optemerken zijn. Wat heeft de kerk dan aan de verklaring van den kandidaat, dat hij den geest en de hoofdzaak dier leer handhaven zal?

Zoo als de zaken nu staan, is het, als of hij, die dit formulier onderteekent, zegt: ik verklaar, dat ik des zins en willens ben, den geest, zoo als ik mij dien voorstel, en de hoofdzaak, datgene wat ik houd voor hoofdzaak van de leer, welke begrepen is in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk — (waarbij de een misschien de Dordsche leerregels niet mederekent, de ander ze welligt als aangenomen beschouwt) — getrouw te handhaven, zoo als ik mij voorstel, dat dit plaats moet hebben.

Zeker zeer verbindend!

 

Daarop verklaart men ten derde, mitsdien de genade Gods in Jezus Christus, als den eenigen grond der zaligheid, ernstig en van harte der gemeente te zullen verkondigen.

|13|

Wij moeten eerst stilstaan bij het woord „mitsdien.” Het brengt de derde verklaring in verband met de voorgaande. Omdat men van zins en willens is, den geest en de hoofdzaak der leer, in die formulieren begrepen, getrouw te handhaven, zal men de genade Gods in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid ernstig en van harte verkondigen. Brengt dit „mitsdien” de derde verklaring ook tot de eerste in betrekking, dan verklaart men dit ook en wel in de eerste plaats te zullen doen, omdat men Gods heilig Woord, in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat, te goeder trouw aanneemt en hartelijk gelooft. Hier schijnt het onderteekeningsformulier werkelijk iets te bepalen en dus verbindenskracht te verkrijgen. Uit dit gedeelte kan men opmaken, dat het Gods heilig Woord althands daarin den Bijbel wil gevonden hebben, waar over de genade Gods in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid gesproken wordt, dat het die genade, als zulk een grond, wil gehouden hebben voor de hoofdzaak van de leer der formulieren, en dat het de prediking dier genade voor de handhaving houdt van den geest en de hoofdzaak dier leer, ten minste daartoe behoorende. Werd nu overal, waar men verklaart, Gods genade in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid te beschouwen, hetzelfde gepredikt aangaande het verband tusschen de werking van den Heiligen Geest en het geloof in Jezus, tusschen het geloof in Jezus en de regtvaardiging uit het geloof, tusschen de regtvaardiging uit het geloof en de heiligmaking; bepaalde die uitdrukking werkelijk den inhoud der prediking, dan zou van hetgeen wij over de tweede verklaring gezegd hebben het een en ander wegvallen. Dan was toch de „hoofdzaak” bepaald. Maar hoe veel verschil komt aan het licht, als de Godgeleerden uiteenzetten, in welken zin en op welke wijze Gods genade in Jezus Christus de eenige grond der zaligheid is!

Hier komt een ander bezwaar.

|14|

Die tot de predikdienst in onze kerk wordt toegelaten zal dan moeten belooven, Gods genade in Jezus Christus te zullen prediken als den eenigen grond der zaligheid. Maar zie, als hij later zwijgt van de noodzakelijkheid der wedergeboorte, der bekeering, van de onmisbaarheid der werking des Heiligen Geestes om wedergeboren te worden, om tot bekeering te komen, als hij leert, dat de Zoon Gods eens is geschapen, voor zijne komst op aarde in het vleesch een hemeling was, die volmaakt worden moest, dat het goede uit den mensch ontwikkeld kan worden, dat voor den zondaar, die in dit leven Jezus verwerpt, de straf na den dood niet eeuwig is, wat dan?

Als men hem op het onderteekeningsformulier wijst, zal hij antwoorden, dat bij Gods genade in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid predikt.

Als men hem herinnert, dat hij de hoofdzaak en den geest der leer, in de formulieren begrepen, handhaven moet, zal hij zeggen, dat hij het doet.

Als men hem opmerkzaam maakt op zijne verklaring, dat hij Gods woord, in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat, aanneemt en gelooft, zal hij zeggen, dat hetgeen hij verwerpt of bestrijdt niet in Gods Woord te vinden is.

Dat moge hij zeggen, antwoordt gij misschien, maar daarmede is de zaak toch niet afgedaan. Als men bewijzen kan, dat een Predikant Gods heilig Woord, in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat, werkelijk niet te goeder trouw aanneemt en gelooft, maar integendeel eene leer voordraagt, die in haar geheel beschouwd met dat Woord in strijd is; dat hij de hoofdzaak en den geest der leer, welke in de aangenomen formulieren van eenigheid begrepen is, werkelijk niet handhaaft, maar integendeel eene leer voordraagt, welke vijandig tegen de hoofdzaak overstaat en eenen geheel anderen geest ademt; dat hij de genade Gods in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid werkelijk niet verkondigt,

|15|

maar integendeel eene leer voordraagt, volgens welke de grond der zaligheid hetzij geheel, hetzij voor een deel, te vinden is in hetgeen de mensch is en doet; dan kan men immers ook bewijzen, dat hij zich niet houdt aan de verklaring en belofte, welke hij heeft afgelegd door zijne onderteekening van het formulier, hem voorgelegd bij de toelating tot de predikdienst.

Gewis, als men het bewijzen kan. Maar gij zult weldoen, als gij u voorbereidt op het ontvangen van het volgende antwoord: Ik noem niet Gods Woord wat gij zoo noemt, ik houd niet voor den geest en de hoofdzaak van de leer onzer aangenomen formulieren wat gij daarvoor houdt; ik denk bij de uitdrukking „Gods genade in Jezus Christus, de eenige grond der zaligheid,” niet wat gij er bij denkt. Volgens uwe uitlegging der woorden van het onderteekeningsformulier moge ik aan mijne verklaring en belofte niet getrouw zijn, maar volgens mijne uitlegging van die woorden ben ik er zeer getrouw aan.

Gij wendt u dan welligt tot het kerkbestuur.

Maar het kerkbestuur vindt nergens eene authentieke verklaring van het onderteekeningsformulier, en zal óf in het midden laten, wie van u beiden in zijn regt is, óf overgaan tot het bepalen van hetgeen niet is bepaald, en dan zich misschien tegen u verklaren, door te zeggen, dat de woorden, op welke gij u beroept, moeten opgevat worden in milden zin, welke milde zin het misschien gewaarborgd vindt door hetgeen gij tot op dien tijd met een geheel ander oog beschouwd hadt.

 

Zoo zal dan door dit formulier het subjectivisme op den troon worden geplaatst!

Daaraan twijfel ik geen oogenblik.

Het is juist daarom, dat het als formulier van verbindtenis geen goedkeuring verdient.

|16|

Op zich zelf beschouwd is het zeker eene zeer goede verklaring. Dat iemand verzekert, Gods heilig Woord, in de Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds vervat, te goeder trouw aantenemen en hartelijk te gelooven; den geest en de hoofdzaak der leer, in de aangenomen formulieren van eenigheid onzer kerk begrepen, getrouw te zullen handhaven; mitsdien de genade Gods in Jezus Christus als den eenigen grond der zaligheid ernstig en van harte der gemeente te zullen verkondigen, is werkelijk aangenaam om te hooren. Maar die zich niet met klanken laat tevreden stellen, wil ook wel vernemen, in welken zin men dit alles verzekert. Dit ontbreekt nu eigenlijk aan het nieuwe onderteekeningsformulier, dat men geheel en al in het onzekere blijft met betrekking tot den zin, waarin het opgevat worden moet en opgevat wordt. Voor een formulier, waardoor men zich verbindt, is dit niet gepast.

Ik kan zeer goed verklaren, dat men wenschelijk acht, voor het onderteekeningsformulier van 1816 een ander in de plaats te stellen. De een kan dit wenschelijk achten, om voor een formulier, dat niet zonder dubbelzinnigheid is, een te verkrijgen dat ondubbelzinnig en duidelijk spreekt. Een ander kan het wenschelijk achten, om verlost te worden van een formulier, dat, gelijk sommigen beweren, van de leer, in de aangenomen formulieren van eenigheid onzer kerk vervat, verklaart, dat zij overeenkomstig Gods Woord is. Wordt het nieuwe formulier nu aangenomen en ingevoerd, om verlossing aantebrengen van de dubbelzinnigheid van het oude, dan mag men er ook van eischen, dat het bepaald zegge, wat het wil, zonder dubbelzinnigheid of onbestemdheid, en aan dezen eisch voldoet het niet. Wordt het aangenomen en ingevoerd, om een formulier uit den weg te ruimen, waarop men zich nog altijd kan beroepen, als men tegen de leervrijheid der Predikanten protesteert, dan is dit nieuwe zeer te prijzen. Het laat hen, die zich tot de

|17|

predikdienst in onze kerk aanbieden, zoo vrij als slechts eenigzins mogelijk is, waar men den schijn behouden wil van eene Christelijke kerk, maar het laat de Nederlandsche Hervormde kerk niet vrij in de afweering van hen, die eene andere leer dan die van Jezus en de Apostelen brengen. Zij, die tegen de formulieren te velde trekken, omdat zij zich aan de waarheden, die er in beleden worden, ergeren, en die zich werkelijk niet aan het gezag der Heilige Schrift onderwerpen, omdat zij aan hunne rede grooter gezag toekennen, zij zullen ijverige voorstanders en verdedigers van dit formulier kunnen zijn.

Gij kent mij genoeg om te weten, dat ik de vrijheid van onderzoek en van het uitspreken der overtuiging niet in het minst belemmerd wensch te zien, en dat het mij niet te doen is om eene wetenschap, welke begint men haar resultaat vast te stellen, noch om eene kerk, in welke men, onverschillig of men n dan honderd predikers hoort, hetzelfde verneemt. Kan de Heer der Kerk een Jakobus naast een Paulus verdragen, en een Petrus en Johannes weder naast deze twee, ik begeer niet, dat mijne mededienstknechten zich in alles even als ik zullen uitdrukken. De waarheid kan in velerlei vorm worden voorgesteld en ontwikkeld, en behoeft den strijd met leugen en dwaling nimmer te vreezen.

Maar zal de Nederlandsche Hervormde kerk niet overgeleverd worden aan predikers en leeraars, die zich de vrijheid verzekerd zien om te gelooven en te verwerpen wat hun goeddunkt, zonder dat de gemeente zich daartegen kan verzetten, dan moet de leervrijheid niet tot normaaltoestand worden verheven. Wil men leervrijheid invoeren, men voere dan tevens eene geheel nieuwe kerkregeling in. Onze kerk is nog niet ingerigt op onbeperkte leervrijheid. Er zijn allerlei bepalingen, die eene gemeenschappelijke geloofsbelijdenis, eene bepaalde kerkleer vooronderstellen, en in die vooronderstelling misschien geduld worden kunnen, maar die

|18|

tyranniek en willekeurig zijn, als men het regt tot de vooronderstelling wegneemt. Wil men de predikers niet binden, men moet dan ook de gemeenten niet aan banden leggen. Plaatst men iemand in een strijdperk en moet hij eenen aanval afweeren, bindt hem dan ten minste de handen en voeten niet. Doet gij het water onbelemmerd in mijn huis stroomen, verhinder mij althands niet, dat ik er een uitgangvoor make, om niet te verdrinken. Moet de leervrijheid in onze kerk worden ingevoerd, het zij zoo, mits er dan ook vrijheid voor allen zij, vrijheid ook voor de leden der gemeente, om zich tot het afleggen van de geloofsbelijdenis of tot de predikdienst in onze kerk daar voortebereiden waar zij dit goedvinden. Dan zij het alleen de vraag, of iemand bekwaam is om lid der kerk, of om tot de predikdienst toegelaten te worden, en niet, waar hij zich de bekwaamheid daartoe verworven heeft. Vrijheid van prediken en onderwijzen voor u, ’t zij zoo; maar dan ook vrijheid van keus, wien ik zal hooren en door wien ik mij zal laten onderwijzen, voor mij.

Ik bemin de vrijheid, maar niet als sommige vrijheidsvrienden, die haar alleen voor zich en hunne vrienden houden.

De invoering van de onbeperkte leervrijheid is echter, tenzij ik blind voor hare zegeningen ben, niet wenschelijk voor onze kerk, en daarom behooren zij, die tot de predikdienst onder ons toegelaten worden, eenigzins gebonden te zijn.

 

Gij vraagt mij nu welligt, hoe dan mijns inziens een onderteekeningsformulier zou moeten ingerigt zijn. Het is niet gemakkelijk er een op te stellen, dat voor den onderteekenaar niet te streng en toch niet elastiek is.

Het moet hem, meen ik, in de eerste plaats doen verklaren, dat hij de Heilige Schriften des Ouden en Nieuwen Verbonds houdt voor de eenige kenbron en den eenigen onfeilbaren toetssteen van alle christelijke waarheid.

Het moet hem dan doen beloven, dat hij in zijne prediking

|19|

den Heer Jezus Christus als den eenigen Behouder van zondaars, de vergeving der zonden als aangebragt door zijnen kruisdood, het geloof in Hem als alleen voldoende om voor God geregtvaardigd te worden, Gods onvoorwaardelijk vrije genade als de oorzaak van eens zondaars verlossing, de wedergeboorte uit den Heiligen Geest als voor ieder tot zaligheid onmisbaar, de heiligmaking als de noodzakelijke voortzetting van het werk der bekeering, — dat hij dit vooral op den voorgrond zal plaatsen, terwijl het hem niet minder behoorde te verbinden tot de getuigenis, dat de Zoon Gods niet is een schepsel, maar van eeuwigheid gelijk aan den Vader, en dat zij, die in dit leven dien eenigen Verlosser verwerpen, na hun dood eeuwig rampzalig zullen blijven.

Het moet hem zich doen verbinden, om ook alzoo mede te werken tot het doen vasthouden aan de belijdenis, welke in de drie formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk neergelegd is.

Daarna kan dan volgen wat ook in het tweede gedeelte van het nieuwe onderteekeningsformulier gelezen wordt.

 

Of ik nu een nieuw tijdvak van bloei voor onze kerk te gemoet zou zien, indien er eens een formulier van onderteekening kwam zoo als ik meen dat het zijn moet? Illusin neem ik niet bij voorkeur onder mijne kweekelingen op.

 

Genoeg over deze zaak, nadat ik dit eene nog herinnerd heb. Van een onderteekeningsformulier verwacht ik in het afgetrokkene zeer weinig. Dat van 1619 was zeer naauwkeurig, zoo verbindend mogelijk. Het heeft echter niet kunnen verhinderen, dat later gebeurd is wat de Synode van Dordrecht streng veroordeeld zou hebben 1). Wordt het


1) Herinnert gij u misschien niet wat in de Godg. Bijdr. VIII, 1834, bl. 733 enz. over den zin en de strekking van het Formulier van verbindtenis voor Predikanten in de Nederlandsche ➝

|20|

nieuwe ingevoerd, het zal er in de Nederlandsche Hervormde kerk niet minder goed door gaan, indien de Geest Gods slechts woont en werkt in hen, aan wie de prediking in haar is toevertrouwd, en slechts vele ooren en harten opent voor de waarheid. Maar dit neemt het regt niet weg tot de stelling, dat zij, die in onze kerk tot de predikdienst worden toegelaten, eenigzins gebonden moeten zijn, opdat de kerk niet stelselmatig aan allerlei wind van leering prijs worde gegeven, en dat het beter is, geen onderteekeningsformulier voor hen te hebben, dan een, waarvan ieder kan maken wat hij wil.


➝ Hervormde kerk, vastgesteld bij de Algemeene Synode van Dordrecht in 1619, en bl. 840 enz. over de werking van dat Formulier geschreven is, het is de lezing wel waard.