Jur. NHK 1999 31/99-P

P-31/99

De provinciale commissie heeft, zich daartoe baserend op beslissing 05/98, het besluit van het BM van de PKV waarin overschrijving na verhuizing werd geweigerd, vernietigd.

De generale commissie oordeelt dat de provinciale commissie de in 05/98 ontwikkelde criteria in dit geval ten onrechte heeft toegepast.

Het verzoek strekte er enkel toe om na verhuizing in de oude woongemeente ingeschreven te blijven. Daarvoor is de perforatieregeling echter niet gegeven. Eerst als na verhuizing blijkt van een blijvende consistente betrokkenheid op de oude gemeente en daarmee tevens is gebleken dat men niet betrokken is kunnen raken bij de nieuwe woongemeente - ook hier moet sprake zijn van consistentie - kan een perforatieverzoek aan de orde komen. Zou het anders zijn dan zou het geografisch principe, dat ook in 05/98 als uitgangspunt is gehandhaafd, in feite worden afgeschaft.

De provinciale commissie had geoordeeld dat aan de afwijzing van het verzoek ten onrechte de beleidsafspraak tussen beide betrokken gemeenten ten aanzien van de behandeling van perforatieverzoeken (een moratorium) ten grondslag was gelegd. In dit moratorium was overeengekomen dat voor de bewoners van de nieuwe woonwijk van A, die veelal afkomstig waren uit B, de regels voor de perforatie in elk geval voor de eerstkomende drie jaar zouden blijven gehandhaafd, waarbij gedoeld werd op het strakke beleid van de PKV met een getalscriterium van 8 jaar betrokkenheid.

Daarmee gaf de provinciale commissie blijk van een onjuiste opvatting aangaande de ruimte die de kerkorde de in perforatiezaken tot beslissing bevoegde organen biedt om een beleid te ontwikkelen.

Het stond het BM van de PKV vrij om aansluitend aan de afspraken tussen de gemeenten, tijdelijk het reeds geldende strikte perforatiebeleid te handhaven. Het is redelijk te achten dat het BM van de PKV in verband met de bijzondere situatie tijdelijk een bijzonder beleid voert dat in concrete gevallen strikter zou kunnen uitvallen. Maar ook na deze drie jaar zal de consistente betrokkenheid bij de gemeente van voorkeur moeten blijken.

Bij afwezigheid van modaliteitsverschil mag van de betrokken gemeenteleden verwacht worden dat zij serieuze pogingen doen om betrokken te raken bij de kerkelijke gemeente van hun nieuwe woonplaats. Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is geweest mag bij de beoordeling van een perforatieverzoek mede een rol spelen.

De generale commissie heeft overwogen of zij de rechtsgevolgen in stand zal laten, maar door de afwezigheid van enige gebleken pastorale nood vindt zij daartoe geen aanleiding.