Jur. NHK 1996 03/96 A+B

03/96 A+B

Geschil tussen een breed moderamen van de classicale vergadering en een kerkenraad enerzijds en een predikant anderzijds.

De predikant heeft (als voorzitter van een stichting evangelisatie X en omstreken) een evangelist bevestigd om fulltime in die gemeente te werken, welke evangelist daar zonder toestemming van de kerkenraad actief is.

Het gaat om een vaste kern van 30 personen, met een kring van 150 mensen die zich min of meer betrokken voelen. Samenkomsten vinden elke zondag plaats en er zijn activiteiten voor de jeugd. De doelgroep wordt gevormd door mensen met een r.k. achtergrond, mensen van de plaatselijke hervormde gemeente worden niet benaderd. Er worden geen sacramenten bediend, er is geen ambtelijke vertegenwoordiging. Men wil daartoe wel overgaan, wanneer een gemeente wordt gesticht.

De generale commissie oordeelt dat de werkzaamheden van ds. X behoren tot de gewone ambtswerkzaamheden van de predikant. Deze behoren niet dan ten dienste van een gemeente te worden verricht, onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad.

Nu verantwoordelijke kerkenraad ter plaatse bezwaar maakt dient de kerkenraad te handelen overeenkomstig ord. 13-4b-3 en dient het daar bedoelde overleg ten spoedigste ter hand te worden genomen. Indien dat gebeurt en de kerkenraad geen verantwoordelijkheid blijkt te kunnen dragen voor de arbeid van de predikant en de evangelist, mag van de predikant worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden ter plaatse zal staken en bevordert dat de evangelist evenzo handelt.

Uitgangspunt zal moeten zijn dat de kerk verantwoordelijk is voor de verkondiging van het Woord Gods en dat de verantwoordelijke kerkenraad ter plaatse haar arbeidsveld in dit verband omschreven vindt in ord. 1-2-1.

Wel mag aan de kerkenraad gevraagd worden er oog voor te hebben wanneer er kennelijke behoefte blijkt te bestaan aan hervormd-gereformeerde kerkdiensten en/of evangelisatie bijeenkomsten. De generale commissie kan zich voorstellen dat daarbij voorzichtigheid in acht genomen dient te worden, gelet op de verhouding met de rooms-katholieke kerk. Maar deze voorzichtigheid mag de keuzevrijheid van mensen niet in gevaar brengen. Van de evangelisatie mag verwacht worden dat ze de gevoeligheden op het punt van de verhouding tot de RKK respecteert en daarmee in haar optreden rekening houdt.