Jur. NHK 1995 20/95 A-G

20/95A-G

Bezwaren in zeven beroepsschriften, die samengevat behelzen:

Bezwaar tegen de preambule, conventie en regeling voor het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten, als in strijd met de orde der kerk. Verzoek aan de CK en andere gremia van de centrale gemeente elke vorm van SoW op centraal niveau te verbieden, nu wijkgemeente X zich tegen elke vorm van SoW verzet.

Verzoek aan de CK op te dragen overeenkomstig de orde der kerk en de plaatselijke regeling zes keer per jaar afzonderlijk, regelmatig en behoorlijk bijeengeroepen te vergaderen, volgens een jaarlijks schema.

Verzoek de CK te verbieden gezamenlijk met de KAZ te vergaderen als vervanging van de kerkordelijk te houden vergaderingen, nu dit tot praktische fusie leidt.

Verzoek te verstaan dat op 30 aug. 1994 en op 15 dec. 1994 geen rechtsgeldige de hervormde gemeente bindende besluiten zijn genomen, het besluit van 24 febr. 1994 te vernietigen, te schrappen uit de notulen en de CK op te dragen daarvan melding te maken in het kerkblad, nu er sprake is van onzorgvuldig handelen.

Verzoek de CK op te dragen te vergaderen buiten aanwezigheid van hiertoe niet behorende derden, nu wijkgemeente X zich tegen elke vorm van SoW verzet.

 

De generale commissie verklaart de beroepen gegrond:

de provinciale commissie heeft zich beroepen op art. 2-1 van de Interimregeling samenwerking hervormde gemeente en gereformeerde kerk en geoordeeld dat het houden van gemeenschappelijke vergaderingen in de vorm van samenwerking niet op één lijn kan worden gesteld met het aangaan van een federatie waarbij een algemene kerkenraad wordt gevormd waaraan bepaalde bevoegdheden van de CK (kunnen) worden gedelegeerd.

Daarom gaat het, volgens de provinciale commissie, te ver om aan het houden van gemeenschappelijke vergaderingen de eis te stellen dat alle wijkkerkenraden daarmee instemmen, als aan de kerkrechtelijke positie van de wijkkerkenraad die niet SoW wenst te gaan en de eigen verantwoordelijkheid van CK als hervormd orgaan voldoende zijn gewaarborgd.

 

De generale commissie oordeelt dat niet alleen een besluit tot federatie van de basisovereenkomst maar ook de afzonderlijke regelingen voor de verschillende vormen van samenwerking (waaronder de werkwijze van de kerkenraad ingevolge art. 3-2 van de Interimregeling brede interkerkelijke samenwerking) slechts tot stand kunnen komen met inachtneming van de in ord. 20-3a gestelde voorwaarden. Deze voorwaarden gelden ook voor een afzonderlijke samenwerking van de centrale gemeente.

[De generale commissie lijkt hier de voorwaarden van een regeling uit hoofdstuk II van de Interimregelingen voor de gemeenten, namelijk die voor de brede interkerkelijke samenwerking (federatie), toe te passen op een regeling voor gewone samenwerking van gemeenten uit hoofdstuk I; aantek. PvdH]

De gemeenteleden moeten op dezelfde wijze worden geïnformeerd en geraadpleegd en de overeenkomst moet door dezelfde instanties worden goedgekeurd. Overeenkomstig art. 1-2 van de Interimregeling moet de overeenkomst ook worden aanvaard door de kerkenraden van alle wijkgemeenten en als wijkgemeente fungerende delen van de gemeente. De wijkkerkenraden zijn verplicht het ontwerpbesluit voor te leggen aan de gemeenteleden. Alleen als alle wijkkerkenraden instemmen kan de regeling worden vastgesteld.

 

Een en ander sluit niet uit dat door de CK een samenwerkingsregeling kan worden getroffen zonder toestemming maar wel met inachtneming van de positie van de bezwaarde wijkgemeente. Een dergelijke regeling dient dan wel zodanig te zijn dat de wijkgemeente die niet zelf tot samenwerking wil overgaan, ruimte krijgt als niet samenwerkende wijkgemeente haar plaats te behouden om daarin naar eigen overtuiging te kunnen leven. Een dergelijke regeling zal niet alleen een zorgvuldige formulering vereisen, doch zal ook aan de eigen wijze van gemeente-zijn van de wijkgemeente in de verdere toekomst ruimte moeten geven.