Heuvel, P. van den (2005)

Jurisprudentie van de Generale Commissie en het Generaal College voor de behandeling van bezwaren en geschillen
van 1982 tot 1 mei 2004
2005

internet-publicatie

Heuvel, P. van den (2005) Tt

Jurisprudentie

 

van de


Generale Commissie voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen
van de Nederlandse Hervormde Kerk

van 1982 tot 1 mei 2004

 

en van het


Generaal College voor de behandeling van bezwaren en geschillen
van
de Nederlandse Hervormde Kerk,
de Gereformeerde Kerken in Nederland en
de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden.

van 2001 tot 1 mei 2004

 

 

Bewerkt door:

 

dr. P. van den Heuvel

Heuvel, P. van den (2005) TG

Ten geleide

Om de regelingen van een kerkorde op de juiste wijze te kunnen hanteren, is het nodig op de hoogte te zijn van de toepasselijke bepalingen en hun ontstaansgeschiedenis. Maar niet minder van belang is te weten hoe deze bepalingen in de praktijk van het kerkelijk leven geïnterpreteerd en toegepast worden.

Bij de voorbereiding van ‘De Hervormde Kerkorde. Een praktische toelichting’ (waarvan de 2e druk uit 2001 op deze website ‘kerkrecht.nl’ te vinden is) heb ik van de Generale Commissie voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen (GCBG) toestemming gekregen om alle uitspraken van dit hoogste rechtscollege van de Nederlandse Hervormde Kerk in te zien en te verwerken in mijn commentaar. Met het oog daarop had ik van alle uitspraken vanaf 1982 een samenvatting gemaakt die tot nu toe slechts beschikbaar was voor de leden van de rechtsprekende colleges van de kerk. In ‘De Hervormde Kerkorde’ wordt veelvuldig naar uitspraken van de Generale Commissie verwezen.

Op verzoek van prof. dr. M. te Velde is dit materiaal nu toegankelijk gemaakt voor een bredere kring van geïnteresseerden. Daartoe is de bestaande samenvatting van 1982-2000 aangevuld met de uitspraken die door de Generale Commissie zijn gedaan tot het moment van de vereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk met de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, dus tot 1 mei 2004. Bovendien zijn de uitspraken opgenomen van het Generaal College voor de behandeling van Bezwaren en Geschillen (het Samen-op-Weg college), dat geroepen was recht te spreken wanneer besluiten van gefedereerde kerkelijke organen in het geding waren.

De rechtsopvolger van de Generale Commissie: het Generale College voor de Behandeling van de Bezwaren en Geschillen in de Protestantse Kerk in Nederland, heeft toestemming verleend voor deze publicatie. De jurisprudentie van dit laatste college zal in de toekomst te vinden zijn op de eigen website van de Protestantse Kerk: ‘pkn.nl’.

Met name in de laatste jaren zijn door de Generale Commissie belangwekkende uitspraken gedaan met betrekking tot zaken die in de kerk als diepingrijpend werden ervaren. Ik noem slechts de ‘kerkordewijziging 1991’ inzake het beheer (18/97), het rapport ‘Om de eenheid en de heelheid van de kerk’ (06/01 A-S), het besluit om in de kerkorde van de Protestantse Kerk ruimte te maken voor het zegenen van andere levensverbintenissen (09/02), het zgn. Unievoorstel (12/02), het vaststellen van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland (01/03) en het verenigingsbesluit (13/03).

In deze en andere beslissingen is niet slechts de uiteindelijke uitspraak van belang maar niet minder de overwegingen die daartoe hebben geleid. Ze geven een goed inzicht in de wijze waarop dit college vorm en inhoud heeft gegeven aan de rechtspraak in de Nederlandse Hervormde Kerk. 

De bijgevoegde index wil behulpzaam zijn om na te gaan of bij een concreet kerkordeartikel een uitspraak is gedaan en waar die te vinden is. 

Ik spreek de wens uit dat dit overzicht niet alleen zal bijdragen aan de kennis van het hervormde kerkrecht maar ook dienstbaar zal zijn aan de verdere ontwikkeling van de kerkelijke rechtspraak in de andere kerken die uit de Reformatie in ons land zijn voortgekomen.

dr. P. van den Heuvel

december 2005 

Jur. NHK 1982 17/82

17/82

betreft een bezwaar tegen een verkiezing.

De kerkenraad had tevoren dispensatie gevraagd voor herkiesbaarheid (ord. 1-20-2) en de betrokkene vervolgens op de verkiezingslijst geplaatst. Uit­spraak: het betreft een bezwaar tegen de verkiezingsprocedure. Vanwege ter­mijn niet ontvan­kelijk verklaard.

Jur. NHK 1982 18/82

18/82

bezwaar tegen besluit van de kerkenraad van vacante gemeente om aan het breed ministerie van de ring te verzoeken ds. X te ontheffen van het consu­lentschap. Het breed ministerie heeft aan dit verzoek voldaan.

Ds. X geeft te kennen zich niet te kunnen beklagen over een tuchtmaatregel van de ring en heeft geen bezwaar ingediend tegen de handeling van het breed minis­terie.

Hij is inmiddels van het consulentschap ontheven en heeft derhalve geen belang bij het bezwaar.

Uitspraak: niet ontvankelijk verklaard.

Jur. NHK 1982 20/82

20/82

Gem. A wil met ingang van 1-1-83 geen gebruik meer maken van SMRA, vanwege fi­nanciële situatie van de gemeente (niet vanwege wanprestatie van SMRA)

Tav het recht:

De stelling van de SMRA dat een gemeente nimmer de rechtsbetrekking kan verbre­ken door opzegging wordt door GCBG onjuist geacht.

"Voor de beantwoording van deze vraag moet aansluiting gezocht wor­den bij het arrest van de Hoge Raad van 16 december 1977, NJ 1978, 156. Daarbij moet voorop gesteld worden dat SMRA er belang bij heeft dat de tussen SMRA en de gemeente bestaande rechtsbetrekking duur­zaam zal zijn. De rechtsbe­trekking is niet voor een bepaalde termijn aangegaan. De bepalingen welke deze rechtsbe­trekking regelen - de hierna te noemen generale regeling, artikel 1 tot en met 6 - voor­zien voorts niet in de mogelijkheid van een eenzijdige beëindi­ging daarvan door de gemeente. Dit sluit echter niet uit dat uit de goede trouw, bedoeld in artikel 1374, derde lid, van het Bur­gerlijk Wet­boek, kan voortvloeien dat de rechtsbetrekking niettemin voor beëin­diging door de ge­meente vatbaar is. Daarvoor kan met name plaats zijn in geval van - niet in de generale regeling voor het inrichten en bij­houden van de registers der gemeenteleden verdisconteerde - omstandigheden van zo ernstige aard dat SMRA naar de maatstaven van redelijkheid en bil­lijkheid geen onbeperkte instand­houding van de rechtsbetrekking door de gemeente mag verwachten. In dat geval zal, zo aan de hand van de goede trouw geen minder ingrijpende oplossing kan worden gevonden, de gemeente bevoegd zijn tot opzegging van de rechtsbetrek­king op de termijn en even­tueel onder de voorwaarden, die in verband met de belangen van beide par­tijen redelijk zijn te achten".

Uitspraak: voor onbepaalde tijd aangehouden. Gemeente heeft onvoldoende van de mogelijkheden van SMRA gebruik gemaakt. (verg. 24/82)

Jur. NHK 1982 21/82

21/82

Bezwaar van een voormalig predikant van de NHK, nu predikant van een bui­ten­landse kerk, tegen de weigering van het breed moderamen van de generale synode tot het verlenen van een consent als bedoeld in ord. 3-17-1.

De GCBG laat in het midden of op grond van ord. 19-1-1/2 betrokkene een bezwaar kan indienen.

Uitspraak: naar het oordeel van de GCBG kan niet worden gesteld dat het BM niet in redelijkheid tot de aangevochten beslissing had kunnen komen. Het BM heeft overwogen dat ds. X door een lang verblijf in het buitenland het moeilijke werk in een specifieke situatie van een gemeente van de NHK niet op de gewenste wij­ze zou kunnen verrichten. Zulks op grond van uitvoerige ingewonnen adviezen. Derhalve is het bezwaar afgewezen.

Jur. NHK 1982 23/82

23/82

GCBG stelt bezwaarden in het gelijk tegen een besluit van de kerkenraad het aan­tal kerkenraadsleden terug te brengen, omdat er zich in de gemeente moei­lijkhe­den voordoen. Die moeilijkheden vloeien voort uit het beleid van de kerkenraad dat onjuist moet worden geacht. De GCBG draagt de kerkenraad op binnen drie maanden in de vacatures te voorzien, waarbij de kerkenraad zich ervan zal ont­houden op de voordracht voor die verkiezing te plaatsen lid­maten waarvan hij in redelijkheid behoort aan te nemen dat zij niet aan de viering van het Heilig Avondmaal zullen deelnemen.

Jur. NHK 1982 24/82

24/82

bezwaar tegen gen. coll. van toezicht dat weigert aan een gemeente toe te staan het verband met de SMRA te beëindigen.

Uitspraak: Gen. Coll. van Toezicht meent terecht dat overgangsbepaling 3 van de gen.reg. voor het inrichten en bijhouden van de registers der gemeen­teleden als bedoeld in ord. 2-2-1 niet van toepassing is, en verklaart het bezwaar onge­grond.

Overweging dezelfde als in 20/82.

Jur. NHK 1982 26/82

26/82

Bezwaar tegen besluit van de generale synode betreffende Zuidelijk Afrika, waarin o.m. oproep tot desinvestering en het besluit te blijven streven naar contacten met de bevrijdingsbewegingen.

De meeste bezwaren niet aanvaard door GCBG.

Wel echter de bezwaren tegen de contacten met de bevrijdingsbewegingen, om dat het besluit er geen blijk van geeft dat men ervoor waakt dat het con­tact

“uitgelegd kan worden als een erkenning dat het gebruik van geweld legi­tiem is. De zinsnede “in zoverre deze dit doel dienen” waarin “dit doel” terug­grijpt op de tevoren genoemde bestrijding der apart­heid, is daartoe naar het oordeel van de commissie onvoldoende, om­dat de vorm van die be­strijding ge­heel in het midden wordt gelaten.
Een uitspraak die wel het kontakt met enige bevrijdingsbewegingen in het vooruitzicht stelt, maar geen duidelijke grenzen aan dit kontakt stelt voor wat betreft het uit te oefenen geweld, verdraagt zich niet met de in de arti­kelen III en VIII van de Kerkorde vervatte regeling omtrent de wij­ze waarop de kerk van Christuswege uitspraken doet”.

Het besluit

"bij de oekumenische kommissie voor kerk en samenleving in de E.G. aan te dringen om een brief te schrijven aan de Ministerraden voor Buitenlandse en Ekonomische Zaken van de Europese Gemeenschappen op Euratom druk uit te oefe­nen kontrakten van levering en bewerking van uranium uit Namibië niet langer goed te keuren"

wordt vernietigd omdat

“gesteld noch gebleken is dat bevordering van het streven tot beper­king van het leveren van uranium is verzocht door “de kerk” van dat land. Onder die omstandigheden kon de Synode naar het oordeel van de Commissie geen vrijheid vinden tot dit besluit (verg. ord. 20-1-2).”

Jur. NHK 1983 02/83

2/83

Bezwaar tegen een besluit van de PKC die van oordeel was dat een college van kerkvoogden de keuze had
- of bankrekeningen (die door een kerkvoogd onder eigen naam, ten gun­ste van de hervormde gemeente, zonder besluit van het college van kerkvoog­den, wa­ren geopend) op te heffen,
- of het plaatselijk reglement zo te wijzigen, dat een en ander gele­ga­li­seerd wordt.

GCBG oordeelt dat een college van kerkvoogden de rekeningen niet kan ophef­fen (dat kunnen slechts de partijen bij de rekening verhouding) en evenmin achteraf ongedaan gemaakt worden door wijziging van het plaatselijk regle­ment. Uit­spraak: op grond van ord. 18-1-1 heeft de kerkvoogdijkamer toe­zicht op de fi­nanciën. Deze had (ord. 18-6-1) door raadgeving en overleg moeten trachten te bevorderen, in overleg met het college van kerkvoogden, dat de rekeningen door partijen ongedaan werden gemaakt.

Jur. NHK 1983 04/83

4/83

Bezwaar tegen beslissing van het breed moderamen van de provinciale kerk­ver­gadering om steeds weer ongevraagd verlof toe te passen, tot het einde van de aanstellingsperiode van de predikant met beperkte werktijd:
a. de besluiten tot verlenging werden telkens door het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering voor twee keer 30 dagen genomen, waarbij kort voor het verstrijken van de periode telefonisch aan de kerkenraad ge­vraagd werd of de situatie wijziging had ondergaan;
b. bij verlenging werden de predikant en de kerkenraad niet telkens opnieuw ge­hoord;

Uitspraak:
ad a: de GCBG acht het niet in strijd met de zorgvuldigheid dat de verlen­ging (uitsluitend) gebaseerd is op verificatie per telefoon bij de kerkenraad en evenmin dat de verlengingsbeslissing op voorhand werd genomen on­der het voor­behoud, dat bij verificatie blijkt dat de situatie alsdan on­gewijzigd is;
ad b: de zorgvuldige voorbereiding van een besluit tot verlening van onge­vraagd verlof vereist in het algemeen, dat zowel de predikant als de des­be­treffende kerkenraad wordt gehoord. Voor verlenging is een dergelijk ho­ren van partijen niet steeds noodzakelijk.

Jur. NHK 1983 05/83

5/83

Bezwaar van de kerkenraad te X tegen een besluit van het breed ministerie dat een emeritus-predikant heeft aangewezen als consulent.

Uitspraak: hoewel ord. 13-18-1 (en derhalve ord. 13-19-1) niet bepaalt dat de aangewezen consulent zelf tot het breed ministerie moet behoren, is zulks wel het gevolg van het bepaalde in ord. 1-26-1.

Het bezwaar is gegrond verklaard.

Jur. NHK 1983 06/83

6/83

Bezwaar van een lidmaat tegen het uitschrijven van de bezwaarde door het col­lege van kerkvoogden van X naar Y, omdat hij volgens de kaarten daar zijn woon­plaats heeft.

De GCBG oordeelt dat in ord. 2-1-1 gedoeld wordt op de door de kerk in haar classicale vergaderingen vastgestelde grenzen. De GCBG verwijst in dit ver­band naar art. 43 aanhef en sub 7 van het Alg. Regl. en naar de Synodale circulaire dd. 11-8-1897 (Acta generale synode 1897, blz. 178/9). Op de op grond daarvan vastgestelde kaarten zijn de grenzen vastgesteld. Bezwaar afgewezen.

(nieuw bezwaar van dezelfde lidmaat: GCBG 8/85)

Jur. NHK 1983 07/83

7/83

Bezwaar tegen de indeling van een gemeente in groep III bedoeld in de rege­ling voor de kerkmuziek en tegen de commissie van deskundigen die hun oor­deel hebben gegeven bij het proefspelen van kandidaten voor de vacante functie van orga­nist.

Uitspraak: niet ontvankelijk omdat bezwaarde niet meer in de gemeente woont en dus geen belang meer heeft bij de zaak.

Jur. NHK 1983 08/83

8/83

Bezwaar tegen het besluit van een kerkenraad om de (lokaliteiten van de) ...kerk niet beschikbaar te stellen voor het houden van een huwelijks­dienst.

Het betreffende kerkgebouw is geen eigendom van de hervormde gemeente, maar van de stichting "Nederlandse Hervormde Wijkstichting ...kerk", die een over­eenkomst heeft gesloten met de centrale kerkvoogdij met betrekking tot het ge­bruik van de kerk. Er is een beheerscommissie die tot taak heeft het gebruik van het kerkgebouw te regelen.

Uitspraak: de wijkkerkenraad heeft geen zelfstandige taak m.b.t. het be­schikbaar stellen van de ...kerk en heeft daarover dan ook geen besluit genomen.

Jur. NHK 1983 10/83

10/83

Een PC heeft het besluit van een college van kerkvoogden een organist met on­middellijke ingang van zijn taak te ontheffen en het besluit tot een nieuw re­glement vernietigd, (overwegingen: weliswaar zeer ernstige versto­ring van de relatie tussen beide partijen, maar er had een redelijke ter­mijn voor de beëin­diging in acht moeten worden genomen) maar daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen onverlet blijven.

Een nieuw besluit met inachtneming van een redelijke termijn zou tot de­zelfde gevolgen leiden, namelijk ontslag. Nu het wederzijds vertrouwen ern­stig is ge­schaad, ook tussen organist en kerkenraad/predikant, kan de or­ganist er geen aanspraak op maken nog gedurende korte tijd als organist te functioneren. Uit­spraak: beslissing PC bevestigd.

Jur. NHK 1983 11/83

11/83

Bezwaar tegen uitspraak van de PC
betreffende het na verstrijken van de tuchtperiode niet meer toelaten tot de ambtsbediening door de kerkenraad van de predikant (uitspraak: niet ont­vankelijk i.v.m. met termijn), en
betreffende het verzoek van de kerkenraad aan het breed moderamen van de provin­ciale kerkvergadering om op grond van ernstige bezwaar tegen de voortgezette ambtsbediening te komen tot losmaking op grond van ord. 13-30. De PC had geoor­deeld dat de kerkenraad niet in redelijkheid tot dit besluit had kunnen komen, omdat hij de gemeente had behoren te raadplegen,
hetzij door het beleggen van een gemeenteavond,
hetzij door het houden van een enquête onder de lidmaten der gemeente.

De GCBG oordeelt dat het breed moderamen van de provinciale kerkvergade­ring, als het ernstig bezwaar ontwaart, op grond van ord. 13-30 niet ver­plicht is leden of lidmaten der gemeente te raadplegen of te horen en dat is ook niet voorgeschreven tijdens de behandeling van het bezwaar door de commissie. Voor­geschreven is uitsluitend het horen van de kerkenraad en het college van kerk­voogden.
Hoeveel te minder is zulks verplicht wanneer het gaat om een verzoek van de kerkenraad.
De kerkenraad kon op een gemeenteavond ook niet "volledige opening van za­ken geven" aangezien het bestreden gedrag dat aanleiding gaf tot de tucht­procedure vertrouwelijk ter kennis van de kerkenraad is gekomen.

In dit laatste bezwaar is de beslissing van de PC vernietigd.

(zie verder 6/85 en 7/85)

Jur. NHK 1983 12/83

12/83

Gemeenteleden bestrijden dat de kerkvoogden in redelijkheid hadden kunnen komen tot de verkoop van de pastorie.

Bezwaar afgewezen.

Jur. NHK 1983 16/83

16/83

De PC heeft een bezwaar bevestigd tegen het besluit van een centrale kerkenraad waardoor aan dhr X, die niet over de nodige bevoegdheden beschikt, toestemming wordt verleend tot het voorgaan in kerkdiensten waarin hij volgens het rooster van predikbeurten als voorganger is aangewezen, met dien verstande dat deze dien­sten als bijzondere diensten worden aangemerkt.
Het betreft diensten in verband met SoW, welke diensten wekelijks worden gehou­den, en daarnaast diensten in verband met het jeugdwerk.

De GCBG oordeelt dat de laatste diensten wel als bijzondere diensten kunnen worden aangemerkt, maar dat dit niet geldt voor de eerstgenoemde diensten, ge­zien de regelmaat waarmee die diensten worden gehouden. Deze diensten die elk incidenteel karakter missen worden (ook door de gemeenteleden) als nor­male diensten beschouwd en kunnen niet gelden als bijzondere diensten als bedoeld in ord. 6-2-4.

Jur. NHK 1983 17/83

17/83

Appellanten worden niet ontvankelijk verklaard, omdat ze bezwaar maken te­gen een uitspraak van de PC waarin de juistheid van hun bezwaren wordt er­kend.

Het bezwaar richt zich o.m. tegen het onverlet laten van de rechtsgevolgen door de PC van door de PC veroordeelde besluiten of handelingen.

Op grond van een uitspraak van de regionale cie voor het opzicht zou de beves­tiging in het ambt (die inderdaad niet had mogen plaatsvinden) nu als­nog mogen geschieden. Daarom hebben bezwaarden er geen redelijk belang bij dat de be­sluiten of handelingen alsnog worden vernietigd.

Jur. NHK 1983 18/83

18/83

De uitspraak tegen het ongeldig verklaren door de kerkenraad van overeenkom­stig ord. 3-5-1 en 3-5-2 aangeboden aanbevelingen is een eindbeslissing in de zin van ord. 3-24-1.

Hoger beroep daartegen staat niet open.

Men kan geen nieuwe zaak creëren door een geschil op te voeren met het PC in­zake de uitleg van de kerkorde.

Overigens heeft de PC ord. 3-3-7 en 3-3-8 juist geïnterpreteerd, zodat geen grond aanwezig is toepassing te geven aan ord. 19-16-4.

Jur. NHK 1983 19/83

19/83

niet ontvankelijk omdat het hoger beroep niet is ingesteld door degene die het bezwaar maakte of door het lichaam welks besluit in het geding was (ord. 19-12-1). Het hoger beroep werd namelijk ingediend door de predikant, terwijl het bezwaar was ingediend door zijn vrouw e.a.

Jur. NHK 1983 20/83

20/83 (op de uitspraak staat -wrsch. abusievelijk- 20/82)

als 20/82 en 24/82: kerkvoogdij die band met SMRA wil losmaken; niet toege­staan

Jur. NHK 1984 01/84

1/84

Bezwaar: afgevaardigden van de wijkkerkenraad zouden niet zijn vrijgelaten in de centrale kerkenraad bij het uitbrengen van hun stem.
De leden zijn in beginsel vrij in de wijze waarop zij hun stem uitbrengen en om daarbij die omstandigheden in aanmerking te nemen, die zij voor het uitbrengen van de juiste stem van belang achten. Daartoe kan tevens behoren de omstan­digheid, dat de wijkkerkenraad, door wie zij naar de centrale kerkenraad zijn afgevaardigd, zich in bepaalde zin over het te nemen besluit heeft uit­gesproken.

Bezwaar: betreft de regeling van de kerkdiensten.
Elke wijkgemeente draagt verantwoordelijkheid voor één dienst per zondag in het kerkgebouw. De centrale kerkenraad voorziet in één dienst per zondag in de kapel buitenaf, terwijl ook over de andere diensten de centrale kerkenraad beslist.

Uitspraak: de centrale kerkenraad was derhalve bevoegd om over het al dan niet uitbreiden van het aantal diensten in de kapel te beslissen. Op grond van ord. 2-12-1 is de zorg voor de dienst van Woord en sacrament toever­trouwd aan de wijkkerkenraad. Daartoe hoort echter blijkens ord. 2-15-1 niet de bepaling van getal, tijd en plaats van de kerkdiensten, welke aan de centrale kerkenraad is toevertrouwd.
De centrale kerkenraad heeft voor- en nadelen afgewogen van het verzoek van één van beide wijken daar meer diensten te gaan houden, en heeft toen het bestreden besluit genomen.
Dit besluit is niet met de kerkordelijke bepalingen in strijd en de GCBG is van mening dat de centrale kerkenraad in redelijkheid tot het bestreden be­sluit kon komen.

Jur. NHK 1984 04/05/84

4/84 en 5/84

bezwaar tegen het besluit van de generale synode dd. 17-3-84 betreffende het beleid ten aanzien van zuidelijk Afrika. N.a.v. uitspraak 26/82 werd het ver­nietigde besluit opnieuw geformuleerd door de GS.
De GCBG zal slechts marginaal toetsen.
De synode heeft nu toegevoegd, dat het streven naar contact met de bevrij­dingsbewegingen, in het bijzonder het ANC, niet betekent dat de synode het ge­bruik van geweld en tegengeweld legitimeert. De GCBG spreekt uit dat daardoor in elk geval niet meer in strijd is gehandeld met de artikelen III en VIII van de kerkorde.
De synode is voornemens bij de contacten met de bevrijdingsbewegingen voortdu­rend te bezien of deze contacten moeten worden voortgezet, gelet op het door die bewegingen uitgeoefende of bevorderde geweld.

Bezwaren afgewezen.

Jur. NHK 1984 06/09/10/84

6/84, 9/84 en 10/84

Bezwaar tegen besluit van het breed moderamen van de classicale vergadering om niet ord. 13-29-4 althans ord. 13-22-10 toe te passen op de predikant. De pre­dikant heeft zonder toestemming de standplaats metterwoon verlaten en heeft zich daardoor feitelijk in de onmogelijkheid gesteld zijn dienstwerk te ver­richten. Hij heeft schriftelijk geweigerd zijn werk weer op te vatten en daar­mee zijn ambt als predikant neergelegd. Met "het ambt" wordt bedoeld het ambt waarin de predikant is gesteld: dus zijn ambt als predikant in de bewuste wijk­gemeente.

(De datum waarop de gemeente geacht wordt vacant te zijn geworden wordt gesteld op ong. 10 maanden na de datum van de behandeling, zodat de predi­kant in totaal twee en een half jaar traktement kreeg doorbetaald).

Jur. NHK 1984 11/84

11/84 (vergl. 23/88)

Een bezwaar tegen een uitspraak van de cie ex. ord. 13-30 is ontvankelijk ver­klaard, omdat de kerkorde voor de kerkenraad niet voorziet in een bijzon­dere mogelijkheid om tegen een besluit van de cie op te komen.
Het betreft het verzoek om losmaking krachtens ord. 13-30 van een predikant in een combinatie van gemeenten. De PC had uitgesproken dat in een derge­lijke si­tuatie geen losmaking kan worden overwogen, tenzij de combinatie is beëindigd of in beide gemeenten ernstige bezwaren tegen de ambtsbediening bestaan.

De GCBG spreekt uit dat losmaking van de band met de predikant ook mogelijk is voor één van de beide gemeenten van een combinatie.

Het werk binnen een gemeente mag niet blijvend ten gevolge van een ernsti­ge verstoring in de verhouding tussen de predikant en de ge­meente worden belem­merd. Dat uitgangspunt geldt evenzeer voor een gemeente, die een pre­dikants­plaats deelt met een of meer andere ge­meenten.

Uit het oogpunt van de bescherming van de belangen van de predikant bestaat voor een andere opvatting geen aanleiding.

Jur. NHK 1984 14/84

14/84

Verzoek toepassing te geven aan ord. 19-16-4.
De PC had op grond van ord. 3-24 een verkiezing ongeldig verklaard toen op dub­beltallen namen waren opgenomen van lidmaten die niet aan het Heilig Avondmaal deelnamen.

De GCBG oordeelt dat voor het maken van bezwaren tegen belijdenis en wandel (en zo moeten dergelijke bezwaren worden aangemerkt) in het stadium vóór de verkie­zing en ook overigens in het kader van de mogelijkheid de verkiezing op voet van ord. 3-24 aan te tasten, geen plaats is. De beoordeling van zodanige be­zwaren is voorbehouden aan de met het opzicht belaste organen.

De GCBG verklaart in het belang van de eenheid in de behandeling van bezwa­ren en geschillen, dat de beslissing van de PC onjuist is. De rechtsgevol­gen van die beslissing worden door deze verklaring niet aangetast.

Jur. NHK 1984 15/84

15/84

bezwaar tegen besluit van de generale synode tot aanvaarding van het voor­stel om ovb. 117 te vervangen door ord. 2-10b.

De GCBG oordeelt dat bezwaarde niet heeft aangegeven door het bestreden besluit in zijn werkelijk belang of in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid te zijn getroffen. Uitspraak: niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1984 16/84

16/84

Bezwaar tegen uitspraak van het breed moderamen van de generale synode krach­tens ord. 13-30-10.

Het breed moderamen van de generale synode geeft volgens dat art. een eind­be­slissing: hoger beroep staat dus niet open. Uitspraak: niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1984 17/84

17/84

bezwaar tegen de overweging en beslissing van de PC, dat niet in iedere kerk­dienst voor de diaconie gecollecteerd behoeft te worden.

Ord. 6-1-1 brengt niet met zich mee dat in iedere dienst een diaconiecollecte gehouden hoeft te worden.
De stelling dat de bediening der sacramenten moet plaatsvinden "op gezette tij­den" brengt dat evenmin mee, nu de beperking "op gezette tijden" in ord. 6-1-1 ontbreekt. De "dienst der barmhartigheid" omvat meer dan het verzame­len van geld voor diaconale doeleinden.

Beroep afgewezen.

Jur. NHK 1984 18/84

18/84

Bezwaar tegen het verlenen van ongevraagd verlof krachtens ord. 13-22-4.

Zes grieven: o.a.
- betrokkene is niet tevoren door het breed moderamen van de provin­ciale kerkvergadering gehoord.

Een maatregel als deze behoort in beginsel niet te worden genomen dan na voor­afgaand horen van partijen. In dit geval kon maatregel worden genomen, omdat BM reeds zeer geruime tijd met de "onderwerpelijke problematiek" be­kend was. De grief dat BM zijn besluit genomen heeft uitsluitend "op signa­len van verontrus­ten" is onjuist. Ook zij zijn niet gehoord.

- GCBG acht ook de grief ongegrond tegen de overweging van de PC dat het BM tot een dergelijke maatregel bevoegd is en door de PC slechts wordt getoetst op een juiste wijze van totstandkoming en, voor wat de inhoud be­treft, mar­ginaal.

BM en PC konden in redelijkheid tot de conclusie komen dat escalatiegevaar aan­wezig was.

Jur. NHK 1984 19/84

19/84

bezwaar tegen beslissing van de voorzitter PC waarin hij meedeelt geen re­den aanwezig te achten een besluit tot bevestiging en inzegening van een huwelijk op te schorten.

Tegen een beslissing van de voorzitter krachtens ord. 19-9-4 staat geen hoger beroep open. Ord. 19-12-1 spreekt alleen van beroep tegen een beslis­sing van een PC.

Jur. NHK 1984 20/84

20/84

De PC heeft zich onbevoegd verklaard inzake een bezwaar van gemeenteleden tegen een college van kerkvoogden, dat weigerde een clausule in de bij no­tariële acte vastgelegde voorwaarden van erfpacht aan te brengen of een arbitragecommissie in te stellen.
De PC heeft overwogen dat het hier om een geschil gaat over de toepassing van een zuiver privaatrechtelijke overeenkomst. Beslissingen over derge­lijke ge­schillen zijn in Nederland bij uitsluiting opgedragen aan de rech­terlijke macht, tenzij anders is bepaald dan wel door partijen is overeen­gekomen.

De GCBG oordeelt dat deze bezwaren betreffen een aangelegenheid van burger­rech­telijke aard niet specifiek het functioneren van de kerk als zodanig raakt. De enkele omstandigheid dat degenen die bezwaren maken gemeenteleden zijn leidt er niet toe dat die bezwaren op voet van ord. 19 kunnen worden behandeld. De be­zwaren zijn derhalve niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1984 21/84

21/84

Bezwaar tegen beslissing PC, die het besluit tot benoeming van een organist heeft vernietigd en een andere organist heeft benoemd. Het beroep wordt gegrond verklaard.

De beslissing van de kerkvoogdij waartegen de bezwaarden zijn opgekomen betreft de benoeming van een organist. Bij een dergelijke beslissing komt aan de kerk­voogdij beleidsvrijheid toe. Alleen als zo'n besluit bijvoor­beeld in strijd zou komen met een kerkordelijke bepaling of bij afweging van belangen niet in rede­lijkheid had kunnen worden genomen, zou voor ver­nietiging aanleiding zijn.

Het persoonlijk belang van de door de PC benoemde organiste (zij zou zon­der betrekking komen) leidt er niet toe dat de kerkvoogdij andere overwe­gingen niet de doorslag mocht laten geven.

Jur. NHK 1984 22/84

22/84

Verzoek aan GCBG om voorziening, na een uitspraak van de gen. cie voor het op­zicht. Vernietiging is slechts mogelijk in de gevallen die ord. 11-13-8,9,10 noemt, waarbij dan nog het breed moderamen van de generale synode een verzoek tot vernietiging moet indienen. Dat is niet geschied. Uitspraak: niet ontvanke­lijk.

Jur. NHK 1984 24/84

24/84

Tav termijn:

"De kerkenraad heeft aangevoerd dat de beroepen een dag te laat zijn inge­steld, nu de uitspraak van de PC is verzonden op 26 oktober en de beroep­schriften volgens ontvangststempel op 27 november 1984 zijn ingekomen. De Generale Commissie verwerpt dit standpunt. De instel­ling van het beroep moet ingevolge Ord. 19-13-1 geschieden door het binnen dertig dagen na de verzen­ding van de beroepen beslissing in­zenden, per aangetekende brief, van een beroepschrift. Aangenomen moet worden dat de eerste dag van de beroepstermijn is de dag na die der verzending van de beslissing en dat op de dertigste dag het be­roepschrift moet zijn verzonden. In het onderhavige geval viel de der­tigste dag op 25 november 1984. Aangezien dit een zondag was dient te worden aangenomen dat de gestelde termijn werd verlengd tot maandag 26 november 1984. De beroepschriften zijn ingekomen op 27 november 1984, zodat aan­nemelijk is dat zij op 26 november 1984, dus nog tijdig, zijn verzonden".

Het bezwaar betreft o.m. het aan de gemeente voorstellen van een verkozene, terwijl inmiddels tegen de wijze waarop de voorbereiding van de verkiezing was geschied, bezwaar was ingebracht krachtens ord. 3-24.

PC heeft terecht beslist dat tegen het voorstellen van verkozenen geen be­letsel aanwezig was. Het bezwaar zou wel een bevestiging in de weg staan.

Een ander bezwaar betreft het niet nakomen van de kerkenraad van een deel van de uitspraak GCBG 23/82. In ord. 11 is voor een dergelijke situatie een afzonder­lijke wijze van behandelen vastgesteld. Het bezwaar is niet ontvan­kelijk. GCBG zal zich er wel op beraden of zij een mededeling zal doen als bedoeld in ord. 19-8-5.

Jur. NHK 1985 01/03/04/85

1/85, 3/85 en 4/85

In het kader van het verlenen van ongevraagd verlof heeft het breed modera­men van de provinciale kerkvergadering besluiten genomen, waarbij in sommi­ge ver­gaderingen 5 van de 7 leden aanwezig waren, en in sommige 4 van de 7. In het laatste geval voldeed de vergadering niet aan de vereisten voor het quorum.

Toch zijn de besluiten in al deze vergaderingen geldig. De GCBG overweegt:

Ord. 1-26-2 en ord. 1-26-3 bepalen dat kerkelijke lichamen bevoegd zijn om aan door hen te benoemen commissies onder hun verantwoorde­lijkheid op te dra­gen, om namens hen werkzaamheden te verrichten, daaromtrent besluiten te ne­men en deze ten uitvoer te leggen, en dat met name brede moderamina van de ambtelijke vergaderingen van die bevoegdheid gebruik maken ter be­vordering van een goede gang van zaken en naar door hen gegeven richtlij­nen.

Het ongevraagd verlof is bevoegd verleend, toen het breed moderamen het horen van belanghebbende en ook het naar aanleiding daarvan nemen van een besluit overgedragen heeft aan enkele leden uit zijn midden.
Daaraan doet niets af dat de vergadering door die leden is voorgesteld als een vergadering van het breed moderamen.
Dat een eerder besluit tot een maatregel van ongevraagd verlof door het PC werd vernietigd op daartegen ingebrachte bezwaren, staat niet in de weg dat daarna een nieuw besluit werd genomen.
De beslissing of de verhoudingen het verlenen van ongevraagd verlof recht­vaar­digen is voorbehouden aan het BM en staat slechts aan vernietiging bloot, in­dien het breed moderamen daartoe op grond van de feiten en bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid had kunnen komen.

Uitspraak: alle beslissingen van de PC worden bevestigd.

Jur. NHK 1985 05/85

5/85

Bezwaar van een kerkenraad tegen de beslissing van een PC, dat de kerkenraad de doopbediening niet mag uitstellen.
Het betreft een gezin waarvan het eerste kind wel werd gedoopt, de ouders be­zoeken ter plaatse niet de kerkdiensten, er wordt aan tafel gebeden en uit de Bijbel gelezen en er wordt een vrijwillige bijdrage gegeven.
De kerkenraad heeft drie bezoeken gebracht en stelde steeds de doop uit, omdat gebleken was dat "kerkgang niet aanwezig is en te verwachten is dat Bijbellezen niet gebruikelijk is". De kerkenraad wilde het gesprek voortzet­ten en vroeg zich te verdiepen in het doopformulier en in een ter hand ge­steld doopboekje.
Een ev. besluit van de GCBG dat het kind gedoopt moet worden zou de predi­kant om des gewetenswil niet kunnen uitvoeren, ondanks het bepaalde in ord. 19-8.

De grief van de kerkenraad dat er geen sprake is van weigering wordt door de GCBG verworpen. Tegen een blijven uitstellen of weigeren van de doop kan op de voet van ord. 19 bezwaar worden gemaakt.
De GCBG verwerpt ook het verweer van de kerkenraad dat de tot nu toe ver­richtte werkzaamheden het karakter hebben van nader onderrichten in de bete­kenis van de Heilige Doop en dat de PC met zijn beslissing ten onrechte is getreden in de verantwoordelijkheid van het bij uitsluiting bevoegde or­gaan, nl. de kerkenraad.
De GCBG oordeelt dat er geen sprake is van het ontbreken van meeleven en dat het stellen van de voorwaarde van kerkgang voordat de doop kan worden bediend niet raadzaam is (volgens het pastoraal advies inzake de Heilige Doop van 25 mei 1950 blz. 11).

Uitspraak: GCBG draagt de kerkenraad op in de eerste doopdienst de doop aan het betreffende kind te bedienen, dan wel (desgevraagd) consent te geven.

Jur. NHK 1985 06/07/85

6/85 en 7/85 (houdt verband met 11/83)

Kan het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering korte tijd nadat het breed moderamen van de generale synode losmaking volgens ord. 13-30 heeft ge­weigerd, opnieuw een bezwaar aan de cie ord. 13-30 voorleggen?

GCBG oordeelt: dat kan alleen als aan dit nieuwe verzoek andere feiten en om­standigheden ten grondslag liggen dan in het eerder vernietigde besluit. Anders zou men in feite de bindende beslissing van het breed moderamen van de generale synode negeren.
Aanvankelijk was het breed moderamen van de generale synode kennelijk van oor­deel dat er nog onvoldoende pogingen waren gedaan om tot herstel van de goede verhouding ter plaatse te komen. Nu ook na verschillende bemidde­lingspogingen de verhouding nog meer verslechterd is en er geen redelijke kans op herstel is, is een nieuwe situatie ontstaan en heeft de PC het be­sluit van het breed mode­ramen van de provinciale kerkvergadering tot het opnieuw uitlokken van de losmakingprocedure ten onrechte vernietigd.
In de gemeente werd een stemming gehouden over de vraag "of u wenst dat ds. X wel of niet in de gemeente moet blijven".

De GCBG oordeelt met de PC dat de wijze van voorlichting van de gemeente ten­dentieus en onjuist was. Uitspraak op dit punt: de gemeente mag zich op de uit­slag van die stemming niet beroepen.

Jur. NHK 1985 08/85

8/85 (verg. 6/83)

Een lidmaat maakt bezwaar tegen de weigering van het college van kerkvoog­den gemeenteleden uit te schrijven, c.q. in te schrijven, omdat ze tot die gemeente zouden behoren.

De voorzitter PC heeft meegedeeld dat betrokkene bij zijn bezwaar geen "aan­merkelijk belang" heeft en dat er van behandeling van zijn bezwaar­schrift geen sprake kan zijn en dat PC de zaak als afgedaan beschouwt.

De GCBG beschouwt de brief van de voorzitter PC als een beslissing van de PC, waarbij betr. niet ontvankelijk is verklaard en waarin ten overvloede dat be­zwaar ongegrond is verklaard. Inhoudelijk is die beslissing juist, maar ze vol­doet niet aan de vereisten van ord. 19-9 t/m 11. Daarom wordt deze ambtshalve vernietigd en wordt bezwaarde niet ontvankelijk verklaard.

Jur. NHK 1985 10/85

10/85

Betreft de weigering van een moderamen van de kerkenraad een beslissing te her­overwegen en om zijn beleid op een bepaald punt te heroverwegen.

Een dergelijke weigering levert alleen een voor bezwaar vatbaar be­sluit op, indien sedert het inmiddels onherroepelijke besluit (of handeling of verzuim) nieuwe omstandigheden tot een heroverweging zouden nopen.

Dergelijke nieuwe omstandigheden zijn niet aangevoerd. Uitspraak: terecht door PC niet ontvankelijk verklaard.

Ook het bezwaar dat partijen niet werden uitgenodigd hun standpunt monde­ling toe te lichten is ongegrond. Ord. 19-10-4 schrijft dat niet voor.

Jur. NHK 1985 11/85

11/85

Een bezwaar van een lidmaat der Gereformeerde Kerk tegen een overeenkomst tus­sen de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente ter plaatse is te­recht niet ontvankelijk verklaard.

De cie's zijn slechts bevoegd tot kennisneming van de hun uitdrukkelijk ter beslissing opgedragen zaken. Leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland vallen niet onder de in ord. 19-1-1 bevoegden een bezwaar in te dienen.

Hetgeen kerkenraden van gemeenten, behorende tot verschillende ker­ken, of ver­schillende kerken, mochten overeenkomen kan de in ord. 19 geregelde bevoegd­heid van de commissies niet uitbreiden.

Jur. NHK 1985 12/85

12/85

Een centrale kerkenraad heeft de oorspronkelijke plannen om tot kerkbouw in een nieuwe wijk over te gaan door de sterk gewijzigde financiële omstandig­heden gewijzigd. Gemeenteleden dienen een bezwaar in.

De GCBG oordeelt met de PC dat niet kan gezegd worden dat de centrale kerkenraad niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.
Daarbij worden de door bezwaarden voorgelegde zes concrete bezwaren ge­toetst.
Enkele overwegingen:
- De kerkenraad heeft, gelet op de in totaal beschikbare middelen, de be­hoefte aan kerkbouw moeten afwegen tegen de behoefte aan (handhaving van het niveau van) de pastorale zorg en vervolgens aan deze laatste behoefte priori­teit verleend.
- Een kerkelijk college kan niet meer "garantie" geven dan dat het aan het college ernst is met het in een besluit vastgelegde voornemen.
Een besluit is niet steeds daarom "rechtvaardig" omdat het met meerderheid van stemmen genomen is. Als de PC echter wijst op de "grote meerderheid" waarmee het besluit werd genomen is dat één van de redenen waarom niet ge­zegd kan wor­den dat de kerkenraad niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. De stemverhouding kan meewegen bij de beoordeling van het besluit.

Jur. NHK 1985 13/85

13/85

Een stichting heeft van een raad die haar begroting moet goedkeuren een besluit uitgelokt dat voor bezwaar vatbaar is.
Daarbij heeft de stichting geschreven: "wij nemen aan dat u met onze be­sluiten instemt, indien u ons voor ....(datum) niet anders hebt laten we­ten."
De raad heeft na de gestelde datum geantwoord.

De GCBG: In het algemeen kan een orgaan niet worden gedwongen bij zijn be­sluit­vorming een bepaalde termijn in acht te nemen. Dit is slechts anders als een bepaalde termijn dwingend is voorgeschreven.

Wat de zaak zelf betreft: partijen zijn verdeeld over de redelijkheid van het aangevochten besluit (nl. om geen vergoeding toe te kennen voor de kos­ten van babysit voor bestuursleden van de stichting om de vergaderingen te kunnen bij­wonen). Er bestaat in de samenleving niet een zo grote eensge­zindheid dat de raad zijn opvatting niet in redelijkheid zou mogen hand­haven.

Jur. NHK 1985 13/85-P

P-13/85

GCBG vernietigt - in het belang van de eenheid in de behandeling van bezwa­ren en geschillen - de beslissing van een PC die een bezwaarde in het ge­lijk heeft gesteld, die lidmaat is van de Gereformeerde Kerken in Nederland "nu hij, ook qua diploma, bevoegd is benoemd te worden als organist in een Hervormde Gemeen­te en het in casu gaat om het benoemingsbeleid waarbij hij geacht kan worden belang te hebben.

De PC had bezwaarde niet ontvankelijk moeten verklaren nu volgens ord. 19-1-1 voor hem de mogelijkheid (als niet-hervormde) om bezwaren in te dienen niet open staat.

Jur. NHK 1985 14/85

14/85

Bezwaar van een gemeentelid tegen het besluit van de kerkenraad om telefoon­tjes en brieven over een aantal met name genoemde zaken niet meer te behan­delen.

De kerkenraad heeft daaraan zeer veel tijd besteed en geeft te kennen zich ten opzichte van het gemeentelid bepaald pastoraal verantwoordelijk te blijven ach­ten. De GCBG acht het redelijk en zelfs gewenst om de discussie over een aantal punten te sluiten, wanneer ze de tijd van de kerkenraadsleden onevenredig gaan belasten.

Jur. NHK 1985 15/85

15/85

Termijn:
Tegen een brief van het moderamen van de generale synode, verzonden op 3 juli, werd op 30 augustus bezwaar ontvangen. Bezwaarde is ontvankelijk nu hij heeft aannemelijk gemaakt dat hij als scriba van de centrale kerkenraad vanwege vakan­tie niet eerder kennis had kunnen nemen dan op 19 augustus.

Wat de zaak zelf betreft: bezwaar wordt gemaakt tegen de vermelding van een brief van de generale synode aan de ministerraad, die weliswaar feitelijk ver­zonden is, maar waarvan de GCBG het daaraan ten grondslag liggende be­sluit had vernietigd.

Uitspraak: het moderamen van de generale synode moet aan alle geadresseer­den een brief zenden waarin gemeld wordt dat de betreffende passage, die naar de bestreden brief verwijst, ten onrechte is opgenomen.

Jur. NHK 1985 16/85

16/85

Bezwaar tegen een besluit van het moderamen van de generale synode, dat een aanvankelijke toezegging van benoeming introk en weigerde door de aanvanke­lijk benoemde gemaakte kosten ter vervulling van de functie te vergoeden.

Uitspraak: het moderamen dient de kosten te vergoeden die werden gemaakt op grond gerechtvaardigde verwachtingen.

De GCBG laat in het midden of door het benoemingsbesluit een arbeids­overeenkomst tot stand is gekomen, maar acht de wijze waarop het moderamen ach­terwege heeft gelaten aan dat benoemingsbesluit uitvoering te geven in strijd met eisen van redelijkheid en billijkheid.

Jur. NHK 1985 17/85

17/85

Termijn:
een beleidscommissie heeft aan instanties tot 1 oktober de tijd gegeven het overleg te openen. Toen ze deze termijn voorbij lieten gaan, diende de be­leids­commissie een bezwaar in. PC oordeelde dit bezwaar niet ontvankelijk omdat het slechts gericht zou kunnen worden tegen beslissingen van bedoelde instanties (die reeds eerder waren genomen).

GCBG acht deze visie onjuist. Ord. 19-9 laat ook bezwaren toe tegen hande­lingen en verzuimen, waaronder gedragingen moeten worden aangemerkt als het niet doen wat de beleidscommissie heeft verlangd. Het bezwaar is dus ont­vankelijk.

Zaak: een bestuursorgaan is niet verplicht op een verzoek tot het openen van overleg te reageren binnen de termijn welke degenen die erom vragen menen te moeten stellen.
De reacties die binnen kwamen acht de GCBG alleszins redelijk.
De bezwaren worden daarom niet gegrond geoordeeld.

Jur. NHK 1985 18/85

18/85

Een gemeentelid dient een bezwaar in omdat de kerkenraad naar zijn mening op een door zijn bemiddeling ingediend verzoek tot inschrijving van leden van een an­dere kerk afwijzend had beschikt.

Is bezwaarde in zijn werkelijk belang of in zijn kerkelijke verantwoor­delijkheid getroffen? In zijn werkelijk belang niet, en ook bij een ruime uit­leg niet in zijn kerkelijke verantwoordelijkheid, oordeelt GCBG. De be­slissing of men wil behoren tot een kerkelijke gemeente is een persoonlijke geloofsbe­slissing die uitsluitend toekomt aan degene die het betreft. Dat­zelfde geldt ook met betrekking tot de beslissing of men een besluit om niet in te schrij­ven, wil aanvechten.

De kerkelijke verantwoordelijkheid van een ander lid van de bewuste ge­meente kan niet zover gaan dat hij laatstbedoelde beslissing zelf kan ne­men.

Uitspraak: niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1985 20/85

20/85

bezwaar op grond van termijn niet ontvankelijk

Jur. NHK 1985 21/85

21/85

Lidmaat vraagt voorziening tegen de (reeds voltrokken) bediening van de heilige doop van zijn kind. De ouders waren ten tijde van de doop in een echtschei­dingsprocedure verwikkeld, terwijl de moeder aan wie de kinderen voorlopig wa­ren toevertrouwd, heeft verzocht de doop te doen plaatsvinden zonder dat haar man daarvan kennis droeg, aangezien zij - naar haar stel­ling - anders door de man gehinderd zou worden.
Uiteraard moeten ouders of verzorgers overeenkomstig ord. 8-2-5 zoveel mo­gelijk betrokken te worden bij de doop van een kind.

Aan de GCBG blijkt in het onderhavige geval een ernstig verstoorde relatie tus­sen de beide ouders.

Naar het oordeel van de Commissie is het belang van het kind bij het toe­die­nen van de Doop zwaarwegend en dient bij de afweging van de betrokken belan­gen, waaronder die van de ouders en/of verzorgers, ook het belang van het kind te worden betrokken.

Terecht overweegt de PC dat er "geen termen aanwezig" zijn nu de toediening van de doop niet kan worden teruggedraaid en de PC geen disciplinaire maat­regelen kan nemen.

Uitspraak: beslissing PC bevestigd.

Jur. NHK 1985 22/85

22/85

Kerkenraad baseerde weigering van het consent voor de doop "op het niet be­lijden van de erfzonde", waarbij de kerkenraad zich afvraagt of de bediening van de doop in de andere gemeente wel zal plaatsvinden met gebruikmaking van een juist doopformulier.
Door de kerkenraad van de andere gemeente werd de doop niet geweigerd.

GCBG "is van oordeel dat de kerkenraad van de .... (andere) gemeente verant­woor­delijk is voor de toelating tot de doop en dat de kerkenraad door con­sent te weigeren op grond van het door de kerkenraad gestelde niet belijden van de erf­zonde, in feite leertucht wilde uitoefenen over een andere kerkenraad. De kerkenraad is evenmin bevoegd leertucht uit te oefenen over de kerkenraad van de .... (andere) gemeente door de (aldaar) gestelde doopvragen in de beoordeling van het consent te betrekken.

Uitspraak: beslissing PC bevestigd.

Jur. NHK 1985 23/85

23/85

Door de PC waren bezwaren van de centrale kerkenraad tegen een besluit van het college van kerkvoogden erkend. In hoger beroep door het college van kerk­voog­den wordt het bezwaar van de centrale kerkenraad afgewezen.
Immers uit art. IV-6 en XXII-1 blijkt dat financiële zaken van de gemeente, voor zover niet van diaconale aard, worden verzorgd door het college van kerk­voogden. Ord. 6-4-4 bepaalt dat kerkgebouwen door het college van kerk­voogden in overleg met de kerkenraad niet dan voor gemeentelijke en kerke­lijke doelein­den worden beschikbaar gesteld.
Alleen indien is komen vast te staan dat het college van kerkvoogden in rede­lijkheid niet tot het besluit is kunnen komen is een besluit van het college van kerkvoogden aantastbaar.

Uitspraak: beslissing PC vernietigd en bezwaren van de centrale kerkenraad on­gegrond verklaard.

Jur. NHK 1986 04/86

4/86

Beroep door de centrale kerkenraad en het college van kerkvoogden tegen een be­slissing van de PC waarmee een besluit van de centrale kerkenraad en het college van kerkvoogden was ver­nie­tigd. Bezwaarden menen dat de PC bij haar beslissing is getreden in vra­gen van beleidsvoering door de Centrale kerkenraad en college van kerkvoog­den over een noodzakelijke bezuinigingsopera­tie, waartoe deze organen in de organisatie van de kerk niet alleen bevoegd zijn, maar ook de plicht en verantwoor­delijkheid hebben.

Bovendien heeft de PC in zijn beslissing de centrale kerkenraad en het col­lege van kerkvoogden te weinig bewegingsvrijheid gelaten in het overleg om tot een oplossing te geraken, door de uitkomst van het te voeren overleg welhaast voor te schrijven, nl. de verkoop van het kerkgebouw aan een stichting.

Het laatste bezwaar is erkend. Op dit punt is de beslissing van de PC ver­nie­tigd.

Voor het overige is het bezwaar afgewezen. De taakverdeling die de kerkorde voorschrijft brengt niet met zich mee dat niet aan een cie voor de behan­deling van bezwaren en geschillen ter beoordeling kan worden voorgelegd of instanties

bij de uitvoering van het aan hen opgedragen beleid besluiten hebben geno­men die zij na afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijk­heid niet hebben kunnen nemen of die in strijd zijn met al­gemene begin­selen, waaraan een kerkelijk orgaan zich bij haar besluitvorming heeft te houden.

Jur. NHK 1986 08/86

8/86

Vraag van de voorzitter van een PC: wie is bevoegd in een zaak die zowel aan de PC als aan de generale commissie voor het opzicht is voorgelegd?

Het betreft de beslissing van een kerkenraad om bezwaarden op grond van ord. 11-5-4 voorlopig uit te sluiten van de deelneming aan het Heilig Avondmaal.

Uitspraak: door de gen. cie voor het opzicht dient te worden uitgemaakt of een voorlopige maatregel een maatregel is waartegen beroep openstaat.

Jur. NHK 1986 09/86

9/86

Een college van kerkvoogden meende dat autokostenvergoeding uit zgn. kerkenraadfondsen niet op de ligger moeten worden opgenomen. De PKC meent dat zulks wel dient te geschieden.

De ligger van de predikant heeft de bedoeling alle rechten van de predikant in te houden, ook vergoedingen die door andere instanties of uit andere fondsen die niet door het college van kerkvoogden worden beheerd. Slechts hierdoor kan de predikant zien waarop hij recht heeft en wie zijn kosten garandeert. De rechtspositie van de predikant, zoals de gen. reg. deze heeft omschreven eist dat alle rechten van de predikant op de ligger komen.

Verwezen wordt naar Gen. Reg. Pred. Tract. art. 11-9, art. 13-2, art. 14-6 en naar het model van de ligger, dat een aparte rubriek vermeldt:
"Inkomen van derden afkomstig" waaronder "traktement of toelagen afkomstig van andere lichamen of personen" en "traktementen of toelagen, afkomstig uit af­zonderlijk beheerde fondsen voor, ter verbetering of ter verhoging van het pre­dikantstraktement".

Jur. NHK 1986 10/86

10/86

Bezwaar tegen de beslissing van het breed moderamen van de generale synode be­zwaarde niet krachtens ord. 7-17 toe te laten tot het colloquium.

GCBG oordeelt dat ord. 7-17 aan het breed moderamen van de generale synode gro­te beleidsvrijheid toekent. Bezwaarde stelt, dat hem singuliere gaven zijn geschonken, dat hij bijzondere geschiktheid bezit en dat hij voldoet aan ge­stelde eisen van ontwikkeling en van kennis der theologie.
GCBG oordeelt: "gelet op zijn leeftijd moet het dan mogelijk zijn binnen niet al te lange tijd op de gebruikelijke wijze af te studeren en examen af te leg­gen".
Op geen enkele wijze hebben anderen het positieve oordeel dat bezwaarde over zichzelf heeft bevestigd.

Uitspraak: bezwaren ongegrond.

Jur. NHK 1986 11/86

11/86

betreft procedure ord. 13-30

Bezwaarde niet ontvankelijk verklaard, aangezien hij bij dit beroep geen proce­dureel belang meer heeft, gelet op de uitspraak in de zaak 02/87.

GCBG heeft tot tweemaal toe geprobeerd de zaak in der minne te schikken en pas daarna uitspraak gedaan.

Jur. NHK 1986 15/86

15/86

Bezwaar tegen een eindbeslissing van het breed moderamen van de generale synode inzake ord. 13-30. Tegen deze beslissing staat geen beroep open: niet ontvanke­lijk verklaard.

Jur. NHK 1986 16/86

16/86

PC vernietigde een besluit van de kerkenraad om een contract met de predi­kant niet te verlengen. De predikant (krachtens ovb 277) was benoemd voor de duur van één jaar welk contract telkens stilzwijgend was verlengd met eenzelfde pe­riode. In het contract was de bepaling opgenomen dat 3 maanden voor het einde van de contractduur overleg wordt gevoerd over de mogelijk­heid van al dan niet verlengen.
Op grond daarvan was de kerkenraad verplicht tot het voeren van overleg om­trent de verlenging en kan de kerkenraad die bepaling niet eenzijdig ter zijde schui­ven om zonder overleg mee te delen dat het contract wordt beëin­digd.

De GCBG treft, nu het niet reëel is te verwachten dat nieuw overleg alsnog tot een oplossing van de gerezen problemen zou leiden, zelf een voorziening om het dienstverband te beëindigen.
Tot die datum moet de predikant in staat worden gesteld de werkzaamheden te verrichten conform de regeling die door de kerkenraad tevoren was vastge­steld.

Jur. NHK 1986 17/86

17/86

Bezwaar tegen een eindbeslissing van het breed moderamen van de generale synode inzake ord. 13-30 niet ontvankelijk verklaard. Eenzelfde beslissing ten aanzien van een vordering van de predikant om in het kerkblad volledig en onvoorwaar­delijk gerehabiliteerd te worden en om de huidige kerkenraad of tenminste een deel daarvan te schorsen.

Jur. NHK 1987 02/87

02/87 (voorzitter)

verzoek opschorting van het besluit van de PC afgewezen

02/87 (verbonden met 11/86)

Termijn: een beroepschrift dd. 15 januari, tegen een beslissing verzonden op 15 december, wordt ontvankelijk verklaard, "aangezien het op 15 januari .. gedateerde beroepschrift blijkens het poststempel op 14 januari .. is verzonden".

Zaak: bezwaar tegen het aanhangig maken van de procedure ord. 13-30 bij de in die ordinantie genoemde commissie afgewezen.

De GCBG kan slechts marginaal toetsen of het BM-PKV in redelijkheid het bestreden besluit heeft kunnen nemen.

Nu er sinds enige jaren ernstige spanningen zijn en na gesprekken de visi­tatoren tot het advies aan de kerkenraad zijn gekomen deze procedure te vol­gen, kon het BM in redelijkheid tot deze beslissing komen. Overigens is de beantwoording van de vraag of al dan niet plaats is voor losmaking voor­behouden aan genoemde commissie, die daarbij ook moet betrekken hetgeen is aangevoerd omtrent de rechtspositionele belangen van de predikant.

Jur. NHK 1987 03/87

03/87

Bezwaar tegen de wijze waarop de directeur van een hervormde stichting een sollicitatie heeft behandeld.

De directeur van deze stichting is echter geen "kerkelijk lichaam" (ord. 19-1-1). In de statuten van de stichting wordt de GCBG aangewezen als een orgaan dat beslist over meningsverschillen tussen bestuursleden van de stichting of over bezwaren en geschillen met betrekking tot andere kerke­lijke stichtingen of lichamen van de NHK. Daarvan is hier echter geen spra­ke.

De GCBG verklaart zich niet bevoegd over deze zaak te oordelen.

Jur. NHK 1987 04/87

04/87

Een lidmaat heeft bezwaar ingediend tegen BM-PKV.

Hij had eerst telefonisch en daarna tweemaal schriftelijk bezwaar aan­getekend (laatstelijk op 6 januari) tegen het ophangen van een affiche met het opschrift "Kruisraketten néé" voor een van de ramen van het prov. ker­kelijk bureau. Het BM liet iedere reactie achterwege, waarop hij (op 7 fe­bruari) bezwaar had ingediend bij de PC. Deze verklaarde hem niet ontvanke­lijk omdat het bezwaar zou zijn ingediend meer dan dertig dagen nadat het BM zich in redelijkheid over zijn verzoek had kunnen uitlaten en meer dan 30 dagen nadat het affiche was verwijderd.

GCBG noemt deze beslissing onjuist.

Ord. 19-1-3 biedt de mogelijkheid bezwaar te maken tegen een verzuim. Er bestaat echter geen reden hem daarvoor aan een korte termijn te binden. Als bezwaarde met het indienen van een bezwaarschrift wacht in de hoop dat het kerkelijk orgaan alsnog zal besluiten mag die keuze niet onmogelijk worden gemaakt. Het is niet redelijk dat de bepaling van de tijdsduur waarbinnen een kerkelijk orgaan in redelijkheid dient te beslissen voor risico komt van degene die door het uitblijven van een beslissing is getroffen. Het bezwaar is in dit geval niet onredelijk laat ingediend.

Voorts acht de GCBG de klacht gegrond dat het BM de uiteindelijke verant­woordelijkheid voor de plaatsing van de affiche ten onrechte bij (de voor­zitter van) de staf legt. Het BM kan in de interne organisatie bepaalde beslissingen overlaten aan de staf, maar draagt daarvoor als kerkelijk or­gaan wel de verantwoordelijkheid. Anders zou tegen besluiten van de staf geen mogelijkheid van bezwaar of beroep openstaan. Een beslissing een der­gelijke affiche op te hangen raakt het beleid van het BM en behoort daarom niet tot het beheer van het gebouw, dat aan de prov. financiële commissie is opgedragen.

Het bezwaar tegen de weigering van het BM om het affiche weg te halen wordt ongegrond verklaard. Niet gezegd kan worden dat een beslissing om een af­fiche over het volkspetitionnement op te hangen niet in redelijkheid kon worden genomen. De daarin vervatte boodschap was immers niet in strijd met het standpunt dat de GS over kernbewapening had ingenomen.

Jur. NHK 1987 05/87

05/87

"Kan een centrale kerkenraad door een wijkkerkenraad gesignaleerde en in de praktijk van het gemeenteleven aangetoonde mogelijkheden voor het houden van meer kerkdiensten in de eigen wijkkerk door louter juridische inter­pretatie en toepassing van de kerkorde verdere ontwikkeling met betrekking tot deze diensten in de weg staan"?

De wijkkerkenraad meent belemmerd te worden in taak en verantwoordelijkheid met betrekking tot de zorg voor de dienst van woord en sacrament (ord. 2-12-1) nu de, naar het oordeel van de wijkkerkenraad redelijke wens met be­trekking tot twee diensten onder zijn verantwoordelijkheid per zondag als­ook diensten op bijzondere feestdagen, niet gehonoreerd wordt.

De GCBG acht deze klacht ongegrond.

Ord. 2-15-1 (de CK schrijft getal, tijd en plaats van de kerkdiensten in de centrale gemeente voor) komt niet tot zijn recht als de CK iedere wens van een wijkkerkenraad zou moeten inwilligen op de enkele grond dat voor de ge­wenste kerkdiensten belangstelling zou bestaan. Het oordeel van de PC dat hierbij aan de CK een ruime beslissingsvrijheid toekomt is juist, omdat die vrijheid noch in ord. 2-15-1 noch in enig ander voorschrift wordt beperkt.

De eenheid der kerk brengt in het algemeen mede dat de leden der kerk zich kunnen vinden in een kerkdienst welke plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een andere wijkkerkenraad dan de hunne en getuigt van een andere modaliteit dan die van de eigen wijk. Ook indien deze benadering in een feitelijke situatie niet algemeen wordt gedeeld, dient te worden aanvaard dat de centrale kerkenraad de belangen van de verschillende wijken en modaliteiten moet afwegen en dat daarbij niet altijd zal kunnen worden voldaan aan ieders verlan­gen, hoe redelijk bepaalde verlangens op zichzelf gezien ook mogen zijn.

Jur. NHK 1987 06/87

06/87

In regels met betrekking tot het verkeer tussen een buitengewone wijkgemeente en de andere gemeenten binnen een classis is de volgende bepaling op­genomen:

"Tot die buitengewone wijkgemeente... worden gerekend te behoren die leden der (wijk)gemeente van de classis  ... die aan de kerkenraad van de plaatselijke (wijk)gemeente schriftelijk hebben verklaard te willen behoren tot de buitengewone wijkgemeente en zich hebben doen inschrijven in het ledenregister van die buitengewone wijkgemeente, in welk geval zij verklaren - zolang deze inschrijving van kracht is - in de plaatselijke (wijk)gemeente geen gebruik te zullen maken van hun stembevoegdheid. Zij hebben geen persoonlijke financiële verplichtingen. Deze financiële verplichtingen worden overgenomen door de buitengewone wijkgemeente en worden geregeld in artikel 4. Deze inschrijving kunnen zij te allen tijde ongedaan maken."

Deze regeling is strijdig met de orde der kerk
- wat betreft de stembevoegdheid is strijd met ord. 3-2-2 en 3-11;
- alleen leden van de centrale gemeente kunnen behoren tot een buiten­gewone wijkgemeente (ord. 2-10a-5);
- er is strijd met ord. 2-1-2 en 2-2 doordat in het ledenregister le­den der Kerk worden ingeschreven die tot een andere gemeente be­horen;
- het woord ledenregister wordt anders gebruikt dan bedoeld in ord. 2-2 juncto 2-10a-5;
- dat zij geen persoonlijke verplichtingen hebben aan hun plaatselijke gemeente is in strijd met ord. 16-7.

Beslissing: de betreffende regels zijn niet verbindend verklaard.

Jur. NHK 1987 08/87

08/87

Beslissing PC bevestigd, die een bezwaar niet ontvankelijk had verklaard vanwege de termijn.

Jur. NHK 1987 10/87

10/87

Bezwaarden in hun beroep niet ontvankelijk, omdat ze geen belang meer heb­ben bij een vernietiging van de bestreden beslissing.

Ten overvloede overweegt de GCBG dat ze zich verenigen met de interpretatie die de PC geeft omtrent ord. 13-2a-4.

Hoe die interpretatie inhoudelijk luidt vermeldt de beslissing echter niet.

Jur. NHK 1987 11/87

11/87

Bezwaarde heeft een geschil over het rechtskarakter van een overeenkomst met de kerkvoogdij voorgelegd aan de PC èn aan de burgerlijke rechter. De kantonrechter heeft hem opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat tussen partijen een arbeids­overeenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.

Ord. 19-1 kan er niet toe leiden dat de kerkelijke rechter oordeelt over geschillen die in vérgaande mate verweven zijn met geschillen die zijn voorgelegd aan de bevoegde overheidsrechter en waarin mate­rieel hetzelfde wordt gevorderd, te weten, appellant weer werk­zaam zou zijn als organist.

Nu bezwaarde heeft verkozen het geschil voor te leggen aan de burgerlijke rechter en het geding voor die rechter te vervolgen, had PC het bezwaar niet in behandeling moeten nemen.

Jur. NHK 1987 12/87

12/87

Niet ontvankelijk verklaard, omdat bezwaarde geen lidmaat der NHK meer is en omdat niet blijkt of en zo ja welke bezwaren hij heeft tegen een ker­ke­lijk orgaan.

Jur. NHK 1987 14/87

14/87

Voorzitter besluit de tenuitvoerlegging van de beslissing van de PC op te schorten tot de GCBG uitspraak heeft gedaan, omdat het pastoraal ongewenst is de toelating tot de viering van het Heilig Avondmaal te wijzigen, nu het niet geheel uit te sluiten is dat de GCBG zich niet zal kunnen verenigen met de uitspraak van de PC.

Jur. NHK 1987 15/87

15/87

In mei 1983 werd een principebesluit genomen tot openstelling van het Hei­lig Avondmaal voor de gehele gemeente. In 1986 besloot de wijkraad dit be­sluit ook voor de wijk te praktiseren.

De GCBG overweegt dat het besluit van de wijkraad is te zien als een uit­voeringsbesluit van het principebesluit uit 1983. Het bezwaar is derhalve niet tijdig ingediend.

Bezwaarde voert aan dat een besluit dat niet in overeenstemming is met de kerkorde niet gelegaliseerd is als er niet binnen dertig dagen daartegen protest is aangetekend.

De GCBG overweegt:

De rechtszekerheid, welke door voorschriften als ord. 19-9-1 wordt gediend - vordert dat besluiten, die niet op de voorgeschreven wijze zijn aangevochten, onaantastbaar zijn. Wanneer nietigheid van rechtswege wordt aangenomen, zoals bezwaarde voorstaat, wordt daarop ernstig inbreuk gemaakt. Daarvoor is slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats.

In dit geval is daarvan geen sprake. De GCBG verwijst naar de uitspraak van het moderamen van de GS, in het voorwoord van het synodaal rapport "de deelneming aan het Avondmaal", waarin een regelmatige praktijk van gezins­communie wordt geconstateerd.

Uit een en ander blijkt dat het moderamen van het hoogste orgaan van onze Kerk, ondanks duidelijke bepalingen in Kerkorde (artikel XVII lid 1 en XVIII lid 2) en ordinantie (10-2) van oordeel is dat de praktijk van gezinscommunie gepraktiseerd mag worden...
Wel merkt de Generale Commissie op dat het ongewenst is dat de prak­tijk van de viering van het Heilig Avondmaal afwijkt van niet mis te verstane bepalingen van de orde der Kerk. Op zijn minst is het ge­volg van het niet aanpassen van de regels dat er bijvoorbeeld geen zekerheid is omtrent de leeftijd waarop aan de viering van het Hei­lig Avondmaal kan worden deelgenomen, dat er geen aanwijzingen zijn omtrent de vorming (catechese) van jongeren die willen deelnemen, terwijl ook de vraag of alleen doopleden kunnen aangaan, onbeant­woord blijft, zulks terwijl het gewenst is, mede gelet op het ge­stelde in ord. 10, dat niet elke kerkenraad daaromtrent eigen regels vaststelt.

Jur. NHK 1987 16/87

16/87

Bezwaar tegen de weigering ds. X, predikant van een andere gemeente, te la­ten voorgaan in een huwelijksdienst niet ontvankelijk verklaard omdat het huwelijk inmiddels is bevestigd en appellant geen belang meer heeft bij zijn beroep.

Ten overvloede: blijkens ord. 12-4 geschiedt de bevestiging door een dienstdoend predikant der gemeente, of, op verzoek van het bruidspaar in overleg met de kerkenraad door een ander, naar de orde der Kerk daartoe ge­rechtigd.

De wijkkerkenraad had overleg moeten plegen met het bruidspaar. De kerkenraad had daartoe het initiatief moeten nemen. De weigering kon niet plaatsvinden dan nadat overleg had plaatsgevonden.

Uit de stukken en het verhandelde blijkt dat de verhouding tussen de CK en de wijkkerkenraad met bedoelde predikant "niet is zoals die behoort te zijn. Bruidsparen behoren evenwel niet de gevolgen te ondervinden van bezwaren waar zij part noch deel aan hebben". Het is niet aan de GCBG te beoordelen of ds. X terughoudend zou moeten zijn bij toezeggingen aan bruidsparen in de betreffende gemeente.

Jur. NHK 1987 17/87

17/87

Beroep van de CK tegen een beslissing van de PC waarbij een besluit van de CK werd vernietigd. Het betrof een besluit tot herstructurering en het ge­wicht van de onderhavige materie brengt met zich dat aan de besluitvorming hoge zorgvuldigheidseisen gesteld moeten worden.

De GCBG acht het met name niet juist dat pas ter vergadering waar het be­sluit is genomen de reacties van wijkkerkenraden en enkele wijzigingen in het voorstel ter kennis van de CK zijn gebracht. De CK heeft toen zonder dringende noodzaak direct een beslissing genomen zonder de wijkkerkenraden de gelegenheid te geven zich over die nieuwe voorstellen te beraden. Ook al was de meerderheid van de vergadering van oordeel dat de voorlichting vol­doende was, met betrekking tot de vraag of een zorgvuldige voorbereiding plaats heeft gehad bij een dergelijk vèrreikend besluit, speelt de kwestie van meerderheid of minderheid geen rol.

Dat het besluit genomen is in een vergadering van de CK die niet in over­eenstemming met de bepalingen van de kerkenraden en de plaatselijke regeling was samengesteld leidt niet tot vernietiging van het besluit "aangezien de CK altijd in die toenmalige samenstelling is bijeengekomen en daar ken­nelijk geen bezwaren tegen zijn gerezen, terwijl de wijkgemeenten blijkens hun afvaardiging aan die niet juiste samenstelling van de CK hebben meege­werkt. 

Jur. NHK 1987 18/87

18/87

Bezwaar tegen een regionale commissie voor het opzicht, die in haar besluit niet op alle klachten is ingegaan, waarbij bezwaarden zich afvragen of daar niet een zekere willekeur blijkt.

Op grond van ord. 19-3-1 en hoofdstuk II en III van ord. 11 zijn de commis­sies voor het opzicht bevoegd te beslissen over bijzondere middelen ter handhaving van de kerkelijke tucht.

Mede gelet op ord. 11-7-5 en 11-8 komt de GCBG geen bevoegdheid toe te oor­delen over een besluit van een commissie van opzicht, een handeling of een verzuim daaronder mede verstaan.

Er is derhalve geen onzekerheid als bedoeld in ord. 19-3-2 en de GCBG ver­klaart zich niet bevoegd.

Jur. NHK 1987 19/87

19/87

Een college van kerkvoogden gaat in beroep ex ord. 13-50-4 tegen een uit­spraak van de commissie van beroep voor de traktementen, salarissen en pen­sioenen van predikanten en vicarissen.

Heeft de predikant recht op enige vergoeding van de woonlasten, nu hij op eigen verzoek buiten zijn standplaats is gaan wonen in een niet door de kerkvoogdij ter beschikking gestelde woning en hij uit dien hoofde geen rechtstreeks beroep kan doen op ord. 13-10 of art. 5-13 en art. 6 Gen. Reg. Pred. Tract.

De genoemde commissie heeft de vraag bevestigend beantwoord en een bedrag vastgesteld. De GCBG verenigt zich met deze uitspraak en de gronden waarop die rust. Hier doet zich niet één der gevallen voor waarin plaats is voor vernietiging in overeenstemming met ord. 13-50-4.

Jur. NHK 1988 02/88-P

P-02/88

Een PC heeft op grond van ord. 3-24-2 eindbeslissing genomen in een bezwaar tegen de gang van zaken bij de verkiezing van ambtsdragers. Het bezwaar richt zich tegen een mededeling van de kerkenraad in het kerkblad:

...Wellicht ten overvloede vestigen wij er de aandacht op dat het in onze gemeente gebruikelijk is dat alleen de mannelijke lidmaten aan de verkiezing deelnemen. Hierbij verwijzen wij naar het standpunt van de kerkenraad vorig jaar in "..." (naam kerkblad) uiteengezet".

PC heeft genoemde mededeling opgevat als een advies aan de vrouwelijke lid­maten om geen gebruik te maken van haar stemrecht en daarbij overwogen, dat het de kerkenraad vrijstaat zijn van de kerkorde afwijkende standpunt in de gemeente te bepleiten. Van uitsluiting van de verkiezing was echter geen sprake nu niet is gebleken dat het vrouwelijke lidmaten onmogelijk is ge­weest aan de verkiezing deel te nemen.

De GCBG acht die beslissing onjuist.

De kerkorde gaat uit van gelijke bevoegdheid voor vrouwelijke en mannelijke lidmaten om ambtsdragers te verkiezen als ook om tot ambtsdrager te worden verkozen. Daarmee is niet alleen onverenigbaar dat vrouwelijke lidmaten van het kiesrecht worden uitgesloten, maar ook dat de kerkenraad druk uitoefent die erop is gericht deelneming van vrouwelijke lidmaten aan de verkiezing van ambtsdragers te belemmeren.
De mededeling, die de kerkenraad bij de oproeping voor de stem­mingsvergadering () heeft gedaan vormt zodanige druk en is daarom niet aanvaardbaar.

De GCBG verklaart dat genoemde beslissing onjuist is. Ingevolge ord. 19-16-5 worden de rechtsgevolgen niet aangetast.

Jur. NHK 1988 05/88

05/88

Bezwaarschrift tegen besluit van de CK waarin deze toestemming geeft aan een hervormde stichting om een gerechtelijke procedure aanhangig te maken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen bezwaarde en de stichting.

De ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter heeft inmid­dels plaatsgevonden, zodat bezwaarde geen belang meer heeft bij vernieti­ging: niet ontvankelijk.

Ten overvloede: uitgaande van de zeer ernstig verstoorde verhouding tussen het bestuur van de stichting en appellant is de CK in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen aangezien arbitrage of ander overleg niet tot een oplossing zou kunnen leiden. Het had de CK wel gesierd als ze voor het besluit appellant zou hebben gehoord, al kende ze de visie daar ze die een half jaar eerder had vernomen.  

Jur. NHK 1988 08/88

08/88

Bezwaar tegen een circulaire van de raad voor de predikantstraktementen en een brief waarin een passage daaruit nader wordt uitgelegd.

Niet ontvankelijk vanwege termijn.

Het besluit van de raad wordt in de circulaire voldoende duidelijk en be­zwaarde had daartegen tijdig bezwaar kunnen aantekenen.

Ten overvloede: de raad is niet krachtens enige kerkordelijke bepaling of kerkelijk besluit de overheidsmaatregelen met betrekking tot de V.U.T. on­verkort te volgen. Uit de stukken kan niet worden afgeleid dat de raad zulks in de praktijk reeds jarenlang zou hebben gedaan.

Het bezwaar tegen de uitleg in de brief is wel tijdig ingesteld maar be­helst geen bezwaar tegen een besluit of verzuim, maar slechts tegen een uitleg en is daarom niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1988 11/88

11/88

Bezwaar tegen handelingen van het BM-GS dat aan bezwaarde geen hulppredi­ker-consent heeft verleend en herhaaldelijk preekbevoegdheid heeft gewei­gerd. Bezw. is 16 jaar geleden tweemaal afgewezen bij het examen hulppredi­ker en heeft 5 jaar geleden herhaaldelijk geprobeerd preekconsent te ver­krijgen, wat werd geweigerd. GS heeft geweigerd op die beslissing terug te komen, maar omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren is er geen sprake van een nieuw besluit. Op grond van termijn niet-ontvankelijk.

Jur. NHK 1988 12/88

12/88

Bezwaren tegen een besluit van de CK om de wijkgrenzen vast te stellen con­form een rapport beleidsplan door de PC ongegrond verklaard. Appellanten hebben vijf grieven. De GCBG vermag het besluit van de CK slechts marginaal te toetsen.

De grief dat de aanpassing van de wijkgrenzen heeft geresulteerd in ophef­fing van een wijkdeel, gaat er ten onrechte vanuit dat aanpassing niet met zich zou mogen brengen dat een deel van een wijk naar een andere wijk zou overgaan. Een verplaatsing van grenzen kan dat met zich brengen.

De grief dat in het beleidsplan ten onrechte maar één keuzemogelijkheid was gegeven gaat niet op: de adviescommissie was vrij al dan niet alternatieve voorstellen toe te voegen.

Ook de grief dat aan het "confessioneel" deel van de gemeente schade wordt toegebracht kan niet slagen: naar het oordeel van de GCBG heeft de CK daar­mee voldoende rekening gehouden door toe te zeggen dat de diensten in de betreffende kerk overwegend een confessioneel karakter zullen hebben. In de commissie die de predikanten uitnodigt is een belangrijke plaats voor hen ingeruimd. 

Jur. NHK 1988 13/88

13/88

BM-PKV heeft een verzoek om dispensatie krachtens ord. 1-20-2 afgewezen.

De PC heeft een bezwaar daartegen afgewezen. De GCBG bevestigt deze be­slissing.

De kerkenraad heeft onvoldoende oog "voor de bedoeling van de kerkelijke wetgever een gezonde wisseling in de samenstelling van de Kerkenraad te ver­krijgen, welke bedoeling ook bevestigd wordt door de dispensatiebepalingen. Bovendien geeft de tekst van ord. 1-20-2, met name de woorden "kan... in­dien dit daartoe bijzondere redenen aanwezig acht" het BM PKV niet alleen een grote vrijheid om te beslissen maar zal het BM PKV ook bijzondere rede­nen aanwezig moeten achten om dispensatie te kunnen verlenen".

De kerkenraad heeft onvoldoende bijzondere redenen bijgebracht en vanuit de eigen gemeente waren daartegen bezwaren aangevoerd.

Dat er onvoldoende redenen waren kan ook worden opgemaakt uit het wijkbe­richt: "Jammer is dat er toch een enkele lijst tegen broeder X en broeder Y is ingediend" waaruit blijkt dat andere kandidaten voorhanden waren.

Jur. NHK 1988 15/88

15/88

Het beroep tegen een besluit van het breed ministerie om de vacaturebeurten in de wijkgemeente X niet te laten vervullen door ringpredikanten die be­horen tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond. De PC had het bezwaar ongegrond verklaard. De vacature is inmiddels vervuld zodat appellant geen belang meer heeft.

De GCBG doet maakt echter gebruik van de bevoegdheid, voorzien in ord. 19-16-4, en verklaart de beroepen beslissing onjuist.

In het ringreglement wordt bepaald dat de ringpredikanten de vacaturebeur­ten vervullen volgens rooster, maar dat de mogelijkheid bestaat om in in­cidentele gevallen van deze regel af te wijken.

Het bestreden besluit is ingegeven enerzijds door het standpunt van de be­trokken wijkkerkenraad anderzijds door het standpunt van de predikanten die behoren tot de modaliteit van de Gereformeerde Bond. Appellant meent dat hij recht heeft op het vervullen van de vacaturebeurten; de kerkenraad zou zich aan zijn opvattingen moeten aanpassen door bij een door hem te vervul­len vacaturebeurt een mannelijke ouderling dienst te laten doen.

De GCBG overweegt dat de afwijkingsbevoegdheid van het reglement niet zoda­nig mag worden gebruikt dat het resultaat in strijd is met ord. 13.

Ord. 13-21 had kunnen worden toegepast en het breed ministerie had vervol­gens alle predikanten kunnen inroosteren. Als de betrokken kerkenraad zich vervolgens bezwaard zou gevoelen had deze volgens ord. 13-23 een nadere voorziening kunnen vragen van het BM-CV.

Tegen de afwijkingsbevoegdheid van het ringreglement behoeft geen bezwaar te bestaan, maar ze mag niet worden gehanteerd met de bedoeling de kerkenraad een grotere invloed op de vervulling van vacaturebeurten te geven dan ord. 13-21 toekent.

Jur. NHK 1988 16/88

16/88

De GCBG bevestigt een beslissing van de PC. De PC heeft geoordeeld dat de zorg voor de catechese en het afnemen van de belijdenis des geloofs in ge­volge ord. 2-10-1 en 2-12-1 is toevertrouwd aan de wijkkerkenraad. De CK had aangevoerd dat (gelet op de plaatselijke situatie) het besluit, waarbij het verzoek om (met consent van de woongemeente) toegelaten te worden tot het afleggen van de openbare belijdenis des geloofs binnen de betreffende ge­meente werd afgewezen, valt binnen de grenzen van het door ord. 2-15 gege­ven. Door te beslissen de openbare belijdenis des geloofs af te nemen in een centrale dienst kan de CK echter niet bewerken dat zijn bevoegdheden worden uitgebreid. Als ord. 9-8-1 spreekt van kerkenraad moet ingevolge ord. 2-10-1 gelezen worden: wijkkerkenraad.

De CK kan zich evenmin beroepen op het voornemen een verzoek in te dienen overeenkomstig ord. 2-9-2. De daar bedoelde ontheffing kan het BM-PKV im­mers al dan niet verlenen.

In het algemeen: afwijking van de voorgeschreven bevoegdheidsverdeling tus­sen CK en wijkkerkenraden vereist steeds medewerking van een meerdere ver­gadering (vgl. ord. 2-12-2).

Jur. NHK 1988 20/88 01/02/89

20/88, 01/89 en 02/89

In de zaak 20/88 wordt door de predikant bezwaar gemaakt tegen het besluit van de kerkenraad tot herbevestiging van periodiek aftredende kerkenraadsleden. De PC heeft het bezwaar niet ontvankelijk verklaard omdat ze ord. 3-24-2 van toepassing achtte. Daarbij geldt een korte termijn na de dag van verkiezing of van publicatie van de uitslag.

In dit geval hebben echter geen verkiezingen plaatsgevonden en is aan de lidmaten bewust niet de gelegenheid gegeven aanbevelingen te doen, terwijl in de gemeente toepassing van ord. 3-8 is voorgeschreven. Van een besluit tot herbevestiging van de aftredende leden kon daarom geen sprake zijn.

Toch wordt bezwaarde niet ontvankelijk verklaard, omdat hij geen te be­schermen belang heeft met zijn bezwaar.

Door de ernstig verstoorde verhoudingen tussen de kerkenraad en appellant was het niet mogelijk op aanvaardbare wijze voor langere termijn een nieuwe kerkenraad samen te stellen. Gedurende de overgangsperiode tot de overeen­gekomen vervroegde uittreding van de predikant lag het in de rede, dat de bestaande kerkenraadsleden de lopende zaken zouden behartigen, in afwachting van een definitieve oplossing.

De GCBG "overweegt, dat appellant bij hernieuwde verkiezingen, die naar het niet onbegrijpelijk oordeel van de zittende kerkenraadsleden tot nieuwe problemen aanleiding konden geven en de verhouding tussen predikant, kerkenraad en gemeente gedurende de overgangsperiode ver­der zouden kunnen verstoren, geen redelijk belang had."

In de zaken 01/89 en 02/89 richt appellant zich tegen beslissingen van de PC dat het BM-PKV terecht meermalen ongevraagd verlof heeft verleend als bedoeld in ord. 13-22-4.

"De PC heeft terecht overwogen, dat commissies voor bezwaren en ge­schillen bij de inhoudelijke beoordeling van beslissingen over on­gevraagd verlof een beperkte taak hebben.
Alleen indien het BM PKV in redelijkheid niet tot het geven van on­gevraagd verlof kon besluiten, kon er aanleiding bestaan voor de PC om dergelijke beslissingen te vernietigen".

De verhoudingen zijn zo ernstig verstoord, dat van een onwerkbare situatie kan worden gesproken. Nu partijen er niet in geslaagd zijn in goed overleg tot een regeling te komen kon het BM-PKV in redelijkheid tot ongevraagd verlof besluiten.

Jur. NHK 1988 22/88

22/88

Bezwaar tegen een besluit van de kerkenraad betrekking hebbend op zijn functie als organist. Het bezwaar is in 1982 door PC behandeld en, na een niet geslaagde bemiddelingspoging door visitatoren-provinciaal, niet ont­vankelijk verklaard. Sinds 1982 werd geen nieuw besluit genomen, zodat PC nu op goede gronden appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Jur. NHK 1988 23/88

23/88 (verg. 11/84)

De gemeenten X en Y vormen een combinatie, als bedoeld in ord. 2-7, met een gemeenschappelijke predikantsplaats. De gemeente Y heeft losmaking gevraagd en verkregen via ord. 13-30 en gedurende drie jaar het verschuldigde wacht­geld voldaan. Op verzoek van de gemeente Y heeft de classicale vergadering daarna de combinatie beëindigd en daarbij een nieuwe predikantsplaats ge­vestigd.

Aan de orde is allereerst de vraag of ord. 2-7-4 de eis stelt dat de ge­meente X met de beëindiging van de combinatie akkoord had moeten gaan.

"Ord. 2-7-4 bepaalt, dat voor wijziging van de overeenkomst, die de combinatie regelt, alle betrokkenen moeten instemmen.
De bepaling stelt deze eis niet voor de beëindiging van een com­binatie.
Het verschil vloeit voort uit de formulering van ord. 2-7-4. De woor­den "met goedvinden van de bij de overeenkomst betrokkenen" behoren taalkundig tot het gedeelte van de bepaling, waarin de mogelijkheid van wijziging van de overeenkomst wordt behandeld en niet tot de zinsnede die de beëindiging regelt.
Het ligt ook in de rede, dat voor een wijziging van de overeenkomst, dat wil zeggen vaststelling van contractuele bepalingen, de uitdruk­kelijke instemming van partijen nodig is, terwijl tot beëindiging van een dergelijke overeenkomst wegens gewichtige (in de woorden van ord. 2-7-4 gegronde) redenen door een hoger orgaan kan worden be­slist onafhankelijk van de wil van partijen."

Had de classicale vergadering in redelijkheid kunnen besluiten tot beëindi­gen van de combinatie nu onvoldoende duidelijkheid bestaat over de rechts­positie van de predikant en geen regeling is getroffen over de toekomst van de pastorie, die in gemeenschappelijk eigendom aan beide gemeenten toebe­hoort.

Het spreekt vanzelf dat bij losmaking van de band van de predikant met één van de gemeenten van de combinatie de rechtspositie van de predikant voor een deel verslechtert. Het stelt hem voor de noodzaak een stap terug te doen en zich aan te passen. Ord. 13-2a biedt een mogelijkheid voor de aan­passing van de rechtspositie van de predikant aan de gewijzigde omstan­digheden. De gemeenten moeten, eventueel met behulp van de PKC in staat worden geacht tot ontvlechting van hun zakelijke belangen, onder meer met betrekking tot de pastorie.

Door de ontheffing op grond van ord. 13-30 was de combinatie - die immers bestaat in het hebben van een gemeenschappelijke predikantsplaats - feite­lijk beëindigd. Er waren dan ook voldoende gronden om de combinatie ook formeel te beëindigen.

Jur. NHK 1988 24/88

24/88

Appelante had aangekondigd zes personen te willen meenemen die de zitting wensten bij te wonen, waaronder een redacteur van het weekblad "Vrij Ne­derland". Volgens ord. 19-14-4 en 5 kunnen partijen hun inzichten toelich­ten, desgewenst bijgestaan door een raadsman.

"Deze bepalingen geven geen aanleiding voor de veronderstelling dat bij een zitting van de Generale Commissie toehoorders kunnen worden toegelaten. Ook gelet op de aard van de kerkrechtelijke procedure, acht de Commissie die veronderstelling onjuist."

Alleen de gemachtigde werd toegestaan de vergadering van de Commissie bij te wonen.

Ten aanzien van de vraag of het college van kerkvoogden onnodig of ten on­rechte een kort geding heeft aangespannen wijst de GCBG ten overvloede op artikel 17 van de Grondwet, bepalende dat niemand tegen zijn wil kan worden afgehouden van de rechter (vermoedelijk moet worden gelezen: van de rech­ten) die de wet hem toekent. De burgerlijke rechter heeft zich bevoegd ge­acht van de vordering kennis te nemen. Een beroep op een commissie voor de behandeling van be­zwaren en geschillen kan nimmer leiden tot een uitspraak welke de bevoegd­heid van de kerkvoogdij om zich terzake tot de burgerlijke rechter te wen­den zou aantasten.

Jur. NHK 1988 25/88

25/88

Een bezwaar dat ds. X ten onrechte niet is gehoord door de CK. Appellant merkt op dat "horen" meer is dan "aanhoren". Niet is duidelijk gemaakt dat de CK niet echt "gehoord" heeft wat appellant naar voren heeft gebracht.

De huidige onvolkomenheid in de gemeente, met betrekking tot de belemmering voor appellant om aan het Heilig Avondmaal deel te nemen, is een aan­gelegenheid waar een commissie voor bezwaren en geschillen geen andere openingen voor kan zoeken dan via de visitatie, hetgeen de PC heeft gedaan. Niet de CK doch de wijkkerkenraad is de instantie die pastoraal in deze een taak heeft. De CK heeft aan de betrokken wijkkerkenraad gevraagd aandacht te schenken aan de belemmering van appellant om aan het Heilig Avondmaal deel te nemen.

Jur. NHK 1988 26/88

26/88

Beroep tegen ambtshalve verlening van emeritaat wegens invaliditeit als bedoeld in ord. 13-25-2. De GCBG stelt voorop dat zij zelf niet medisch gekwalificeerd is om de psychische of lichamelijke gezondheidstoestand van betrokkene te beoordelen.

De GCBG oordeelt uitsluitend of op grond van de rapporten van de medische deskundigen moet worden aangenomen dat de gezondheidstoestand zodanig is dat ambtshalve verlening van emeritaat gerechtvaardigd is.

In dit geval verschillen de geraadpleegde specialisten duidelijk van me­ning. Eén van hen komt tot het oordeel dat ds. X wegens zijn psychische ge­zondheidstoestand niet langer geschikt is om zijn taak naar behoren te ver­vullen. De beide anderen die in contra expertise zijn geraadpleegd, onder wie een specialist die is aangewezen door het BM-GS, concluderen evenwel dat de gezondheidstoestand van ds. X een behoorlijke taakvervulling niet verhindert. Zij blijven bij hun oorspronkelijk oordeel, ook na een nadere gedachtewisseling met de eerst bedoelde arts.

De GCBG ziet geen aanleiding aan het oordeel van de eerste arts doorslag­gevende betekenis toe te kennen. Gezien de discrepantie tussen de con­clusies van de deskundigen kan niet worden aangenomen dat de situatie van ord. 13-25 zich voordoet en acht de GCBG het besluit, mede gezien het zeer ingrijpende karakter daarvan voor betrokkene, niet gerechtvaardigd.

Jur. NHK 1988 27/88

27/88

Bezwaar tegen het besluit van het BM-GS om in X een tweede deelgemeente te vormen op verzoek van het bestuur van de Evangelisatie. Ten behoeve van de Evangelisatie is er een kerkenraadscommissie; het is echter moeilijk om voor deze commissie lidmaten te vinden die avondmaalsganger zijn. Ook de voorganger is 'avondmaalsmijder'.

De visitatoren hebben geadviseerd niet tot het vormen van een tweede deelgemeente over te gaan
- omdat er reeds onderscheiden modaliteiten aanwezig zijn;
- omdat het aantal leden en bezoekers van de samenkomsten te klein is;
- omdat er geen predikantsplaats kan worden gevestigd, vanwege de aanwezigheid van een pastoraal medewerker;
- omdat de vorming van een tweede deelgemeente als een allerhoogste uitzondering dient te worden beschouwd.

Door het weer gaan functioneren van de kerkenraadscommissie zouden in de samenkomsten van de Evangelisatie de sacramenten weer kunnen worden gevierd en wordt kerkelijk functioneren weer mogelijk. Het bezwaar wordt verworpen als ongegrond.

Jur. NHK 1988 28/88

28/88 (voorzitter)

wijst verzoek van BM-PKV af om de werking van het besluit van de commissie ex ord. 13-30 op te schorten. De cie heeft geoordeeld dat er geen gegronde reden is voor het losmaken van de band tussen ds. X en zijn gemeente.

28/88

Ds. X heeft inmiddels een beroep ontvangen en aanvaard en is vertrokken en in een nieuwe gemeente als predikant bevestigd. Derhalve heeft het BM-PKV geen belang meer bij een beslissing en wordt niet ontvankelijk verklaard.

De GCBG acht geen termen aanwezig om - zoals het BM verzoekt, mede met het oog op toekomstige procedures, omdat de zaak van principieel en algemeen belang zou zijn - enig verdere voorziening te geven.

Jur. NHK 1989 01/02/89

01/89 en 02/89 (zie 20/88)

Jur. NHK 1989 03/89

03/89

Een CK en college van kerkvoogden gaan in beroep tegen een beslissing van de PC die hen niet ontvankelijk heeft verklaard vanwege de termijn.

De CK en het college van kerkvoogden hadden het bestreden besluit enige dagen na 16 september ontvangen. In de eerstvolgende vergadering van 18 oktober werd besloten een bezwaar in te dienen, wat bij brief van 18 novem­ber geschiedde. De GCBG is van oordeel dat ze hun bezwaar tardief (dwz. te laat) hebben ingediend. De stelling dat ze daarvan redelijkerwijs eerst kennis hadden kunnen nemen op hun vergadering van 18 oktober gaat niet op.

Kennisneming door het moderamen moet in dezen gelijk gesteld worden met kennis van de vergadering omdat het moderamen ingevolge ord. 1-21-5 als taak heeft spoedeisende zaken af te doen, tot welke spoed­eisende zaken zeker behoort het sauveren van een beroepstermijn.

Jur. NHK 1989 05/89

05/89

Een kerkenraad heeft geweigerd doopconsent af te geven voor de doop in een andere gemeente, op grond van de naar het oordeel van de kerkenraad te ge­ringe mate van kerkbezoek door de ouders.

Aldus zou een sanctie worden toegepast die de kerkorde niet kent....
Zoals door de Generale Commissie reeds vaker is beslist, kan alleen de omstandigheid, dat de doopouders niet in de eigen gemeente ter kerke gaan, geen reden vormen om doopconsent te weigeren.

Jur. NHK 1989 07/89

07/89

De PC heeft een beslissing van de kerkenraad vernietigd waarbij aan enkele gemeenteleden toestemming geweigerd werd voor het afleggen van openbare belijdenis des geloofs in een andere gemeente.

De kerkenraad komt in beroep, omdat in de beslissing van de PC "de bijbelse betekenis van de verplichting tot kerkgaan wordt miskend, en tevens wordt miskend, dat door het toestaan van kerkbezoek buiten de eigen gemeente door onnodige gebruikmaking van een vervoermiddel de zondag ontheiligd wordt en onderlinge verdeeldheid binnen de eigen gemeente wordt gebracht.

De betrokkenen hebben inmiddels allen in de andere gemeente openbare belij­denis des geloofs afgelegd. Aan het beroep is daarom het belang ontvallen.

De Generale Commissie pleegt het belang van het louter achteraf vaststellen van gelijk en ongelijk niet aan te merken als een be­lang, dat voortzetting van de procedure kan rechtvaardigen. De Kerkenraad zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beroep.

De kerkenraad meent voorts dat ord. 9-8 onjuist werd toegepast.

Ten overvloede merkt de GCBG op dat het beroep ook op materiële gronden zou zijn afgewezen. De NHK biedt ruimte aan verschillende manieren van geloofs­beleving, voor zover men zich beweegt binnen artikel X van de Kerkorde.

De mogelijkheid om belijdenis te doen in een andere gemeente, zoals om­schreven in ord. 9-8 mag niet restrictief worden uitgelegd. Nu betrokkenen in de andere gemeente belijdeniscatechisatie hebben gevolgd, heeft de PC terecht beslist, dat de kerkenraad de weigering van zijn consent niet kon baseren op het feit dat binnen de eigen gemeente nog geen voorbereiding en onderzoek had plaatsgehad.

Jur. NHK 1989 10/89

10/89

De CK weigerde aan dhr X, wonende binnen de wijkgemeente Y, maar in­ge­schre­ven in de buitengewone wijkgemeente, ontheffing te verlenen om ouder­ling te worden in de wijkgemeente Z, waartoe hij door de wijkkerkenraad is uitge­no­digd.

De CK geeft als argument dat de bepalingen van ord. 2 een dergelijke ont­heffing voor leden van een buitengewone wijkgemeente niet toelaten. De CK wil wel dispensatie verlenen als dhr X weer lid is van wijkgemeente Y.

De wijkkerkenraad verdedigt met een beroep op ord. 2-10a-1 juncto 2-11-4 dat de kerkorde dispensatie wel toelaat.

De GCBG overweegt:

Uit de tekst van ord. 2-10a, en met name uit het eerste lid en uit de bij de totstandkoming van dit artikel gevoerde discussie, blijkt dat buitengewone wijkgemeenten zoveel mogelijk op dezelfde wijze dienen te functioneren als gewone wijkgemeenten. Alleen waar de Orde der Kerk anders bepaalt, wordt van de regeling die voor geografische wijkgemeenten geldt, afgeweken. Ord. 2-11-4 laat toe dat aan leden van een (geografische) wijkgemeente ontheffing wordt verleend om in een andere wijkgemeente binnen dezelfde centrale gemeente ouderling of diaken te zijn. Nu geen andere regeling in de Orde der Kerk is getroffen voor buitengewone wijkgemeenten geldt daarvoor dus dezelf­de dispensatiemogelijkheid.

Jur. NHK 1989 12/89

12/89 (voorzitter)

Verzoek om opschorting:

Aangezien uit de bestreden beslissing blijkt dat het besluit waar­tegen het oorspronkelijk bezwaar zich richt, ... zich niet feitelijk zal realiseren vóór de beslissing van deze Commissie mag worden ver­wacht, zal het verzoek niet worden ingewilligd.

 

12/89

Betreft bezwaar tegen een besluit van de CK met betrekking tot de aanwij­zing van een bepaalde wijkkerk als Samen-op-Weg kerk voor een van de wijk­gemeenten. Dat zou voor een andere wijkkerk en de daar kerkende wijkgemeen­te ten gevolge hebben dat zij in de toekomst minder mogelijkheden hebben om in S.o.W. verband samen te werken.

De GCBG heeft slechts te toetsen of het bestreden besluit in redelijkheid kon worden genomen.

Wijziging van de grenzen van de wijken en dreigende sluiting van een kerk kunnen voor gemeenteleden van groot belang zijn en de procedure die daartoe moet leiden moet met waarborgen omringd zijn.
In dit geval heeft de CK voldoende waarborgen in acht genomen om tot een overwogen besluitvorming te komen. Zo heeft de CK rekening gehouden met de standpunten van de Gereformeerde Kerk en van de Centrale Kerkvoogdij, en van de direct bij het proces betrokken kerkenraden.

De GCBG, hoezeer zij ook waardering heeft voor de poging van bezwaarde om voor de toekomst de mogelijkheden van de wijk voor samenwerking zo goed mogelijk open te houden en om het voortbestaan van de wijkkerk zoveel moge­lijk te garanderen, is van oordeel dat de CK tot zijn besluit is kunnen komen met een duidelijke meerderheid (27 tegen 7).

De Generale Commissie merkt op dat de oprichting van de Stichting ...kerk (naam van de wijkkerk), die actief is zowel in het opvoeren van de inkomsten voor die kerk als in het terugdringen van de uit­gaven uiteraard van belang zal zijn bij de uiteindelijke beoordeling van de te verwachten nieuwe wijkindeling door de C.K.

Jur. NHK 1989 13/89

13/89

Bezwaar van de stichting (in uitspraak 12/89 bedoeld) tegen de niet-ontvan­kelijk verklaring door de PC in zijn bezwaar tegen het besluit van de CK. De bezwaren zijn geen andere dan in 12/89 zijn behandeld.

De stichting is niet ontvankelijk.

De omstandigheid dat ze in goed overleg met de wijkkerkenraad werkt, brengt nog niet mee dat de stichting een kerkelijk lichaam is, evenmin het feit dat de leden van het Stichtingbestuur belijdende leden van de hervormde kerk zijn.

Jur. NHK 1989 19/21/27/28/89

19/89, 21/89, 27/89, 28/89

Bezwaar tegen de besluiten van de GS van juni en november 1989 over tuchtmaatregelen tegen gemeenteleden met homoseksuele geaardheid en levenswijze. De GS wijst in het besluit van juni 1989 ‘iedere vorm van machtsmisbruik op dit terrein, waar mensen met hun diepste overtuigingen en ervaringen in het geding zijn, als de gemeente onwaardig, van de hand’ en wijst ‘derhalve maatregelen van kerkelijke tucht vanwege homoseksuele geaardheid en levenswijze van de hand’. In november 1989 heeft de GS dit besluit aangemerkt als een appèl aan de tot het houden van het opzicht bevoegde instanties om geen maatregelen van kerkelijke tucht te nemen tegen homoseksuele gemeenteleden vanwege hun homoseksualiteit. Aan de gemeenten die aan deze oproep in gemoede geen gehoor kunnen geven, wordt gevraagd zich desgevraagd rekenschap te geven van een aantal in het besluit geformuleerde vragen.

Bezwaarden beschouwen de homofiele leefwijze als een zonde en achten de besluiten in strijd met de vrijheid die ord. 1-2-1, ord. 11-4 en ord. 11-5 geven om maatregelen van kerkelijke tucht te nemen tegen gemeenteleden die in die zonde blijven volharden. Het besluit kon niet genomen worden voordat de kerk een definitief, hermeneutisch onderbouwd, standpunt over homofilie heeft ingenomen.

In deze zaak zijn ook de bezwaren van een breed moderamen van de classicale vergadering en van een centrale kerkenraad ontvankelijk verklaard, ook al zijn deze vergaderingen zelf niet bevoegd tot het nemen van maatregelen van kerkelijke tucht. Het besluit heeft betrekking op de (pastorale) benadering door de gehele kerk van homofiele gemeenteleden en homofiele praxis. Door dergelijke besluiten kunnen in beginsel alle geledingen van de kerk zich in hun kerkelijke verantwoordelijkheid geraakt voelen.

Inhoudelijk oordeelt de GCBG dat het synodebesluit de eigen bevoegdheid van een kerkenraad niet miskent: het consistorie betrekt de aanbevelingen van de GS bij zijn besluiten tot toepassing van tucht, maar behoudt zijn eigen verantwoordelijkheid. Al heeft de kerk nog geen hermeneutisch onderbouwd standpunt over homoseksualiteit ingenomen, kan de synode wel een aanbeveling doen tot terughoudende, in de zin van zorgvuldige, behandeling van de homofiele geaardheid en de leefwijze van gemeenteleden. 

Jur. NHK 1989 22/89

22/89

Beroepschrift tegen toepassing van ord. 13-22-4 (ongevraagd verlof). Er is sprake van verstoorde vertrouwensrelatie. Appellant meent dat onderzocht had moeten worden aan wie de verstoring van de relatie te wijten was.

De GCBG stelt voorop dat ord. 13-22-4 niet vereist dat bij de motivering wordt ingegaan op de schuldvraag. De verhouding was dermate beschadigd, dat van een uitzichtloze situatie kan worden gesproken. Met een beroep op de verstoorde relatie heeft het BM-PKV het verleende ongevraagde verlof ge­noegzaam gemotiveerd.

Appellant heeft, eerst via afkondiging en later via een rondschrijven, bui­ten de kerkenraad om aan de gemeenteleden gericht, melding gemaakt van de onderhoudstoestand van de pastorie en van een financieel geschil met de kerkvoogdij.

Het op een dergelijke wijze uitdragen van een zakelijk meningsverschil moest wel uiterst belemmerend zijn voor een verder functioneren van de pre­dikant als zodanig.

Verschillende grieven worden niet aanvaard door de GCBG, waaronder
- dat appellant door het ongevraagd verlof in een nadelige positie wordt gebracht in de op handen zijnde losmakingprocedure (appellant heeft het door het BM aangeboden studieverlof afgewezen);
- appellant bestrijdt dat de meerderheid van de gemeente hem niet meer als predikant zou wensen (ook al was het geen meerderheid, moet niettemin van een ernstig verstoorde relatie worden gesproken);
- het BM heeft zijn verzoek om op beperkte schaal zijn ambtswerkzaam­heden te hervatten afgewezen (in de regel is bij een ernstig verstoorde relatie ook een beperkte hervatting niet mogelijk).

Jur. NHK 1989 24/89

24/89 (gezamenlijk behandeld met 27/89)

De PC heeft terecht beslist dat dhr X, die al drie termijnen als ouderling heeft gefungeerd, niet voor een nieuwe zittingstijd kan worden benoemd. De CK voert aan dat de PC de beslissing had moeten aanhouden totdat over even­tuele dispensatie zou zijn beslist ingevolge ord. 1-20-2.

Aangezien dispensatie moet worden gevraagd voordat overgegaan wordt tot herverkiezing gaat dat bezwaar niet op.

Ten overvloede merkt de GCBG op dat dhr X "bij delegatie werkzaamheden kan verrichten voor de CK indien naar buiten blijkt dat hij niet als ambtsdra­ger optreedt".

Jur. NHK 1989 27/89

27/89 (voorzitter)

Als grond voor het verzoek tot toepassing van ord. 19-13-3 is slechts aan­gevoerd dat aan de tenuitvoerlegging van de beslissing een dermate korte termijn is gegeven dat het een onevenredig nadeel voor het college met zich meebrengt in vergelijking met het daarmee beoogde doel.

Het verzoek wordt afgewezen, overwegende

Dat binnen een termijn van twee maanden het College van Kerkvoogden in staat moet worden geacht de samenstelling van het College van Kerkvoogden te wijzigen als in de bestreden beslissing is aan­gegeven...

27/89 (gezamenlijk behandeld met 24/89)

Bezwaarde niet ontvankelijk verklaard, omdat vaststaat dat hij reeds lang op de hoogte was van het functioneren van dhr Y namens het college van kerkvoogden.

Ten overvloede merkt de GCBG op dat het wel geoorloofd is dat het college van kerkvoogden aan dhr Y werkzaamheden delegeert, onder volledige verant­woordelijkheid van het college van kerkvoogden, terwijl dhr Y zich uiter­aard dan ook niet presenteert als kerkvoogd.

Jur. NHK 1989 30/89

30/89

Tussen ds. X en de kerkenraad van zijn gemeente is een schikking getroffen, vastgelegd in een "nadere overeenkomst" waarbij de predikant verklaart bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik te zullen maken van de V.U.T. regeling en waarbij de kerkenraad de losmakingprocedure als bedoeld in ord. 13-30 intrekt.

Ds. X heeft verklaard deze overeenkomst onder dwang, althans onder protest of in een overmachtsituatie tot stand is gekomen en dat hij bij verschil­lende gelegenheden verklaard heeft dat hij zich niet meer aan die verkla­ring gebonden acht, zodat hem emeritaat wegens V.U.T. ten onrechte is ver­leend.

De GCBG spreekt uit dat in een dergelijke schikking partijen genoegen nemen met minder dan waarop zij meenden aanspraak te kunnen maken. Beide partijen zijn daaraan gebonden en kunnen zich daaraan niet eenzijdig onttrekken.

Dat ds. X voor een in zijn ogen niet optimale oplossing heeft gekozen heeft niet met dwang te maken. De toevoeging "onder protest" bij zijn handteke­ning over de overeenkomst neemt niet weg dat hij toch aan die overeenkomst gebonden is.

Jur. NHK 1989 32/33/89

32/89 en 33/89

Terecht heeft de PC een van de bezwaarden niet-ontvankelijk verklaard, om­dat hij geen lidmaat is van de NHK en ord. 19-1-1 limitatief opsomt wie een bezwaarschrift kan indienen. Zou het een besluit zijn van een Samen op Weg gemeente, dan zou de PC ook niet bevoegd zijn geweest kennis te nemen van het bezwaar.
Overigens werd bezwaar ingediend tegen de benoeming van een organist die geen lid is van de hervormde gemeente.
Het college van kerkvoogden heeft de keuze van de te benoemen organist overgelaten aan een drietal deskundigen die een bindend advies zouden uit­brengen: Het college heeft vervolgens benoemd, na de CK te hebben gehoord, die met de benoeming heeft ingestemd.
Noch in de opdracht, noch in het besluit heeft het college overwegingen gewijd aan de omstandigheid dat de te benoemen organist bij voorkeur zou behoren tot de NHK dan wel dat hij lid zou zijn van een reformatorische kerk.

De GCBG spreekt uit dat het college van kerkvoogden ten onrechte in het geheel geen rekening heeft gehouden met het bepaalde in ord. 6-6-3 (dat bepaalt dat de organist bij voorkeur wordt benoemd uit de lidmaten der kerk) omdat het college het lidmaatschap van de NHK niet heeft vermeld als een van belang zijnde omstandigheid bij het vragen aan deskundigen van een bindende voordracht.
Ook al wordt het kerkorgel jaarlijks slechts gedurende 10 zondagen voor kerkdiensten bespeeld en moeten er aan de concert-organist andere vereisten gesteld (liefst met een prix d'excellence) dan aan die van een organist die het orgelspel in de kerkdiensten verzorgt, dit alles neemt niet weg dat de duidelijke bepaling van ord. 6-6-3 niet genegeerd had mogen worden.
De GCBG oordeelt dat de benoeming niet op de juiste wijze tot stand is ge­komen, maar laat de gevolgen van die benoeming onverlet aangezien de be­trokkene inmiddels is benoemd.

Jur. NHK 1990 01/90

01/90

Bezwaar tegen het besluit van het BM-PKV om ds. X volgens ord. 13-22-4 on­gevraagd verlof te verlenen en een procedure ord. 13-30 in te stellen.

Bezwaarde voert aan dat het BM-PKV onvoldoende rekening heeft gehouden met de vernietiging van het eerder genomen besluit om hem op grond van ord. 13-25-2 ambtshalve emeritaat te verlenen (zie uitspraak 26/88). Daardoor heeft BM-PKV het hem onmogelijk gemaakt een begin te maken met de hervatting van zijn ambtsbediening, waaruit zou kunnen blijken of een goed functioneren al dan niet tot de mogelijkheden behoort. De GCBG stelt voorop dat het enkele feit dat het besluit om aan ds. X ex ord. 13-25-2 ambtshalve emeritaat te verlenen is vernietigd niet betekent dat zich niet kan voordoen een situatie als bedoeld in ord. 13-30-3. Dit volgt reeds uit de bewoordingen van deze bepaling (".. zonder dat toepassing behoort te worden gegeven aan het bepaalde ...in artikel 25 van deze ordinantie.."). Het BM PKV is niet alleen bevoegd, maar ook verplicht om, wanneer het ontwaart dat in een gemeente uit zijn ressort tegen de verdere ambtsbediening van een predikant aldaar ernstig bezwaar bestaat, dat bezwaar ter behandeling voor te leggen aan de in ord. 13-30-1 bedoelde commissie. Deze commissie heeft dan tot taak de gegrondheid van dat bezwaar te onderzoeken.

De commissie voor bezwaren en geschillen beoordeelt slechts de vraag of het BM in de onderhavige situatie in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. Nu het op goede gronden heeft kunnen vaststellen dat er reeds lang een onwerkbare situatie bestond waarin van een goed functioneren geen sprake meer kon zijn moet het bezwaar ongegrond worden verklaard.

01/90

Verzoek om herziening wordt afgewezen: zelfs al zouden de genoemde nieuwe feiten juist zijn, zouden ze niet tot een andere beslissing hebben geleid.

Jur. NHK 1990 02/90

02/90

PC heeft terecht geoordeeld dat een lidmaat ontvankelijk moet worden ver­klaard, ook al is zij geen lid van de wijkgemeente, nu vaststaat dat zij sinds vele jaren lidmate is van de betreffende hervormde gemeente en voorts dat de predikanten ingevolge het preekrooster op tenminste twee zondagen per maand in kerkdiensten in de andere wijkgemeenten voorgaan. Onder deze om­standigheden kon klaagster in redelijkheid van mening zijn (ord. 19-1-1) in haar kerkelijk belang te zijn getroffen, nu de predikant in het geheel van de hervormde gemeente functioneerde.

Bezwaren tegen publicatie van de wijkkerkenraad worden gegrond verklaard, maar nu ds. X zelf zich niet heeft beklaagd over het artikel acht de GCBG geen termen aanwezig om enige voorziening te treffen, aangezien klaagster daarbij geen redelijk belang heeft.

De GCBG oordeelt dat de wijkkerkenraad niet alleen heeft nagelaten de gepas­te terughoudendheid in acht te nemen, maar ook dat hij zich onnodig laat­dunkend en zelfs grievend over ds. X heeft uitgelaten. Naar het oordeel van de GCBG worden in het artikel de grenzen van betamelijkheid en zorgvul­dig­heid ver overschreden.

Jur. NHK 1990 04/90

04/90

Bezwaren van procedurele aard blijven verder onbesproken (niet vermeld was bij de beslissing van de PC de mogelijkheid van hoger beroep en het af­schrift was niet per aangetekende post verzonden) nu appellanten niet in hun belangen zijn geschaad: ze hebben de beslissing ontvangen en zijn tij­dig in beroep gekomen.

Appellanten waren niet door de kerkenraad van de gemeente toegelaten tot de viering van het Heilig Avondmaal, hoewel zij sinds enkele maanden de kerk­diensten van die gemeente bijwoonden. Als sympathisanten van een stichting die in de nabijheid van deze gemeente een centrum heeft konden ze daar de preek bespreken. Ze zijn belijdende leden die tot een andere gemeente be­horen, één van hen verklaarde in de eigen gemeente aan het avondmaal te gaan.

Ord. 10-2-1 bepaalt dat zij die als belijdende leden tot een andere gemeen­te der Kerk behoren, door de kerkenraad als gast kunnen worden toegelaten.

De kerkenraad heeft besloten hen niet toe te laten op pastorale gronden, omdat zij "onrust in de gemeente kunnen veroorzaken door uiting te geven aan hun mening dat de boodschap die Sonja de Vries via engelen van God zou hebben gekregen, verkondigd moest worden. De kerkenraad wilde niet dat leden van de gemeente in discussie zouden gaan met de sympathisanten. De kerkenraad was op de hoogte van een brief van de provinciale kerkvergadering van Friesland van 23 juni 1987, waarin enige vragen naar aanleiding van de pu­bliciteit rond mevrouw Sonja de Vries worden besproken."

De vraag is of de kerkenraad terecht heeft besloten appellanten als gast bij het Heilig Avondmaal niet toe te laten.

Aangezien de kerkenraad met de groep had afgesproken dat er binnen de gemeente geen discussie met de sympathisanten zou plaatsvinden, het­geen hen niet heeft belet om de kerkdiensten mee te maken, kon de kerkenraad in redelijkheid besluiten dat met degenen met wie men geen gesprek wilde aangaan, men ook geen tafelgemeenschap kon vieren.
De redactie van ordinantie 10-2-1, te weten "door de kerkenraad als gast kunnen worden toegelaten" geeft ruimte aan de kerkenraad om niet toe te laten om redenen gelegen in het belang van de gemeente. De kerkenraad kon van oordeel zijn dat het toelaten niet in het belang van de gemeente was. Daarbij komt dat appellanten als belij­dende leden op grond van ordinantie 10-2-1 in de eigen gemeente ge­rechtigd zijn aan het Avondmaal deel te nemen.

De GCBG is van oordeel     

dat de kerkenraad door akkoord te gaan met de aanwezigheid van de sympathisanten daarmee voldoende tegemoet is gekomen aan deze sym­pathisanten. De kerkenraad heeft - gelet op de verantwoordelijkheid voor de eigen gemeente en kerk - terecht de belangen daarvan voor ogen gehouden en laten prevaleren. Dat vanuit voormelde Stichting andere belangen zwaarder wegen, kan hieraan niet afdoen.

Jur. NHK 1990 05/90

05/90

Een bezwaar tegen het oordeel van de commissie 13-30 wordt niet ontvankelijk verklaard: aparte bezwaren tegen tussentijdse beslissingen en mededelingen van de commissie (ord. 13-30-4 t/m 8) kunnen niet worden ingesteld. Tegen de definitieve beslissing staat slechts beroep open bij het breed moderamen van de generale synode.

Jur. NHK 1990 06/90

06/90

De generale commissie geeft een beslissing over de uitleg van de generale regeling voor de predikantspensioenen. De Raad voor de Predikantspensioenen heeft na de invoering van de gewijzigde tekst van art. 8-6 die terecht toegepast op de predikant, en was - omdat de wetgever heeft ingegrepen in de regeling - niet gehouden de bepaling te blijven toepassen die gold op de datum van zijn pensionering. 

Jur. NHK 1990 07/90

07/90 (voorzitter)

Verzoek om opschorting van de beslissing van de PC afgewezen. De kerkenraad schreef: "Indien ons een verzoek zou bereiken tot het zegenen van een niet huwelijkse relatie zullen wij in goed overleg met betrokkenen proberen een dergelijke inzegening uit te stellen tot na het tijdstip waarop Uw Commis­sie een uitspraak heeft gedaan". Gelet op deze uitspraak is er geen aan­leiding tot opschorting van de beslissing.

07/90

Een bezwaar tegen het besluit van een kerkenraad om de inzegening van levensverbintenissen buiten het huwelijk mogelijk te maken wordt toegewezen.

De generale commissie oordeelt dat het bestreden besluit niet de strekking heeft om buitenhuwelijkse samenlevingen dezelfde status te geven als een kerkelijk bevestigd en ingezegend huwelijk.
Het is ook niet de Kerk die huwelijken sluit; ze bevestigt deze en zegent ze in. Vanouds is bij de regeling van het huwelijk de bescherming van de zwakken (destijds vrouwen en kinderen) drijfveer geweest. Art. XXI geeft aan dat de echtverbintenis gerespecteerd dient te worden.
De wereldlijke overheid laat andere samenlevingsvormen toe en verleent deze een bepaalde erkenning. Het is niet met de kerkorde in strijd als de kerk haar zorgen uitstrekt tot hen die aan zulke samenlevingsvorm deelnemen.
De generale commissie acht echter het bestreden besluit dat aan 'één of twee leden van de gemeente die verlangen naar Gods zegen over hun relatie de ruimte gegeven dient te worden om in het midden van de gemeente te vragen om de zegen en te vragen om voorbede van hun gemeenteleden' in zijn algemeenheid onverenigbaar met art. XXI.
Nu de generale synode thans doende is met een standpuntbepaling terzake, dienen de overige organen van de kerk zich te onthouden van wat het beleid van de generale synode kan doorkruisen of de besluitvorming kan bemoeilijken.
Voorshands mag een kerkenraad niet een dergelijk besluit nemen met betrekking tot samenlevingsverbanden van personen van hetzelfde geslacht. Wel hebben ambtsdragers alle ruimte om te doen wat ze uit oogpunt van pastorale zorg nodig achten om betrokkenen te ondersteunen, zonder daarbij de gemeente als zodanig te betrekken.
Voor zover het gaat om personen van verschillend geslacht moet voorop staan dat het huwelijk niet op de achtergrond mag worden gedrongen en er geen imitatie van de kerkelijke inzegening ontstaat. Er moet een uitzonderlijk en te respecteren motief zijn om niet te trouwen. Er kan geen enkele ruimte worden gegeven als een der partners of beiden nog gehuwd is of zijn.

De generale commissie ontraadt een besluit te nemen in algemene zin: men kan volstaan met van geval tot geval te beslissen.

Jur. NHK 1990 09/90

09/90

De provinciale commissie heeft terecht haar uitgangspunt gekozen dat ze het bestreden besluit van het college van kerkvoogden slechts marginaal kon toetsen. Waar kerkelijke colleges besluiten moeten nemen waarbij enige beleidsvrijheid bestaat en dus min of meer ruime beoordelingsmarges bestaan, kunnen de provinciale commissies slechts toetsen of die besluiten in redelijkheid bij afweging van belangen hadden kunnen worden genomen.

Jur. NHK 1990 10/90

10/90

De generale commissie beslist dat een breed moderamen van de classicale vergadering de beslissing op een verzoek tot dispensatie op grond van ord. 1-16-10 ook kan aanhouden. De kerkenraad had toegezegd met een structurele oplossing te zullen komen. Het bestaan van verdeeldheid binnen de gemeente en de signalering van de binnen de gemeente levende gevoelens omtrent de onvoldoende brede samenstelling van de kerkenraad in verhouding tot de gemeenteopbouw konden het breed moderamen van de classicale vergadering in redelijkheid doen besluiten dat het belang van de gemeente niet was gediend met een onmiddellijke inwilliging of afwijzing van het verzoek.

Jur. NHK 1990 11/90

11/90 (voorzitter)

Het college van kerkvoogden verzoekt opschorting van een beslissing van de provinciale commissie dat de cantor/organist moet worden uitbetaald overeenkomstig de salarisschalen van de Regeling Kerkmuziek.

De voorzitter stemt toe in opschorting, omdat partijen over de inhoud van hun afspraken een verschillende lezing geven en niet voorshands duidelijk is welke lezing de juiste is: het is mogelijk dat de generale commissie tot een ander oordeel zal komen dan de provinciale commissie. Bovendien zal de generale commissie  binnen drie maanden tot behandeling van het beroep overgaan.

11/90

De cantor/organist meent dat er sprake is van een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst met het college van kerkvoogden en dat hij recht heeft op een vergoeding krachtens de Regeling vanaf het moment dat hem de bevoegdheidsverklaring I is verleend.

De generale commissie is van oordeel dat hij - zoals veel organisten - als vrijwilliger, doch tegen een geringe vergoeding heeft gewerkt en dat een dergelijk aangegaan verband niet in een arbeidsovereenkomst wordt omgezet alleen door het behalen van de bevoegdheidsverklaring. Alles wijst op een aanstelling als vrijwilliger, waaraan niet afdoet de passage in de brief 'dat u met ingang van (datum) officieel in dienst treedt als cantor/organist'. Ook de omstandigheid dat hij jaarlijks van de diaconie een bedrag van ƒ1000,- ontving en dat meermalen voor hem werd gecollecteerd wijst erop dat hij wel werd gewaardeerd, maar niet het recht had op een hogere honorering.

Jur. NHK 1990 12/90

12/90

Aan de generale commissie wordt gevraagd te beslissen wie bevoegd is tot oordelen over de bezwaren van dhr. X  tegen de 'wandel' van ds. Y en tegen het rapport van visitatoren-provinciaal over de vastgelopen relatie tussen ds. Y en dhr. X. De generale commissie bepaalt dat een klacht tegen de 'wandel' van ds. Y door de commissie voor het opzicht behoort behandeld te worden.

Tegen de inhoud van een rapport van de visitatoren-provinciaal staat geen voorziening open. Een dergelijk rapport wordt uitgebracht in het kader van het opzicht en is het resultaat van raadgeving en overleg, gericht op het wegnemen van moeilijkheden, en vormt als zodanig geen 'besluit, handeling of verzuim' waartegen kan worden opgekomen.

Jur. NHK 1990 14/90

14/90

Een besluit van de commissie van beroep voor de traktementen (ord. 13-50) wordt vernietigd en terugverwezen naar de commissie.

De ligger van rechten en verplichtingen, verbonden aan de predikantsplaats geeft de keuze tussen twee systemen voor de regeling van transportkosten (vast bedrag of vergoeding op basis van declaratie; ook een combinatie van beide systemen was mogelijk).

Nu er gekozen is voor een vast bedrag is er geen ruimte om op gronden van redelijkheid en billijkheid van de ligger af te wijken.

Jur. NHK 1990 15/90

15/90

Vormvoorschrift: hoewel het bezwaarschrift niet aangetekend was verzonden kan de appellant geen beroep doen op niet-ontvankelijkheid, nu blijkt dat appellant van het bezwaarschrift kennis heeft kunnen nemen. Het bepaalde in ord. 19-9-1 strekt slechts tot waarborg dat het bezwaarschrift inderdaad door de commissie wordt ontvangen.

Zaak ten gronde: ord. 12-4-1 verlangt overleg tussen kerkenraad en bruidspaar en laat geen ruimte voor de stelling dat volstaan kan worden met interne beraadslaging door de kerkenraad resulterend in diens beslissing en gemotiveerde mededeling aan het bruidspaar.
De kerkenraad heeft niet de vrijheid regels te stellen dat, behoudens uitzondering, huwelijk dienen te worden bevestigd door de dienstdoende plaatselijke predikant.
Al berust de uiteindelijke beslissing bij de kerkenraad, uit de formulering 'in overleg met' vloeit voort dat een verzoek van het bruidspaar - na uitwisseling van wederzijdse standpunten - slechts om gewichtige redenen mag worden geweigerd.
Uit art. IV KO en ord. 13-2-1 volgt niet dat de kerkelijke bevestiging is voorbehouden aan de plaatselijke predikant, met uitsluiting van anderen.

Jur. NHK 1991 01/91

01/91 (voorzitter)

Opschorting gevraagd van een beslissing waarbij appellanten zijn ontheven van hun taak bij het zondagsschoolwerk. Verzoek afgewezen - hoewel een terughoudende houding van de CK op grond van de langjarige werkzaamheden voor de zondagsschool geboden was - aangezien opvattingen van appellanten m.b.t. tot de zondagsschool verschillen van die van andere leidinggevenden en het niet in het belang van het werk en van de kinderen is door opschorting wijziging te brengen in de leiding.

01/91

Het zondagsschoolwerk behoort tot de verantwoordelijkheid van de kerkenraad, ook al is die aangesloten bij de NZV en de NWVZ. Deze uiteindelijke verantwoordelijkheid kon niet worden overgedragen toen de kerkenraad in het reglement kinderkerk het zondagsschoolwerk aan de kinderkerk delegeerde. Tot de in ord. 9 neergelegde verantwoordelijkheid behoort dat de kerkenraad maatregelen moet nemen als de voortgang van het werk wordt bedreigd. Daartoe kan behoren het ontheffen van zondagsschoolpersoneel van hun taak.

Terecht is aangevoerd dat op grond van ord. 9-1-3 juncto ord. 2-15 bij gebreke van een plaatselijke regeling niet de CK maar de wijkkerkenraad de zorg voor het zondagsschoolwerk draagt. Het besluit wordt echter niet vernietigd, nu beide wijkkerkenraden volledig in de CK deelnemen en de uitslag (19 voor, 2 tegen, 1 onthouding) ook moet gelden als besluit van de afzonderlijke wijkkerkenraden. 

Jur. NHK 1991 02/91

02/91

De kerkenraad heeft destijds een kerkenraadscommissie ingesteld voor de Evangelisatie, bestaande uit ambtsdragers met een bijzondere opdracht ten behoeve van de leden van de Evangelisatie. Nu het feitelijk functioneren van deze kerkenraadsleden binnen het verband van de kerkenraad zo sporadisch en fragmentarisch was, kon de kerkenraad tot het oordeel komen geen verdere verantwoordelijkheid voor de Evangelisatie te kunnen nemen door het benoemen van nieuwe kerkenraadsleden.

Jur. NHK 1991 03/91

03/91

Een bezwaar tegen het besluit van visitatoren-provinciaal om niet in te gaan op een verzoek van een gemeentelid tot het houden van een buitengewone visitatie had niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Dergelijke besluiten betreffen bemiddeling bij moeilijkheden in het kader van het opzicht en vallen niet onder de besluiten waartegen op voet van ord. 19 kan worden opgekomen. Ord. 11-3-3 biedt het college grote beleidsvrijheid - als het verzoek van een gemeentelid afkomstig is - om al dan niet op te treden. 

Jur. NHK 1991 04/91

04/91

De commissie Oost-Europa, als orgaan van bijstand van de kerkenraad te X. wordt ontvankelijk verklaard als kerkelijk lichaam in de zin van ord. 1-23.

Ten aanzien van het besteden van ontvangen gelden: aan de GDR komt beleidsvrijheid toe bij het (doen) werven en uitgeven van gelden voor Oost-Europa. Aan de generale commissie staat alleen ter beoordeling of de GDR in de gegeven omstandigheden en bij afweging van de in aanmerking komende belangen in redelijkheid tot zijn besluiten had kunnen komen.
Toen de opbrengst van een actie onverwacht groter was dan verwacht, kon de GDR in redelijkheid besluiten het bedrag gespreid over een aantal jaren te besteden.
Dat een percentage voor apparaatskosten werd ingehouden is niet onredelijk.

Het bezwaar wordt toegewezen - waarbij overigens de gevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven - in zoverre het motto 'Geef om Roemenië' bij het publiek de verwachting wekte dat de gehele opbrengst aan Roemenië ten goede zou komen, ook al vermeldde de folder in een slotzin minder opvallend dat daarnaast ook talloze activiteiten elders in de wereld steun ontvangen.

Jur. NHK 1991 05/91

05/91

Het breed moderamen van de PKV onthield de goedkeuring van de persoon van een te benoemen bijstand in het pastoraat, op de voet van ord. 13-39-2. Als argumenten werden aangevoerd dat de werkzaamheden voor hem te zwaar zouden zijn en dat een bijstand van andere modalitaire signatuur wenselijker zou zijn.

De generale commissie oordeelt dat de keuze van degene die benoemd wordt 'allereerst en allermeest' de verantwoordelijkheid is van de plaatselijke kerkenraad. Dat betreft ook de signatuur van de te benoemen persoon en daarom moet het breed moderamen van de PKV bij het verlenen of onthouden van de goedkeuring terughoudendheid betrachten.

Jur. NHK 1991 08/09/91

08/91  en 09/91

Bezwaren tegen het besluit van het breed moderamen van generale synode om een als gravamen ingediend schrijven niet als gravamen aan te merken en het als zodanig niet ontvankelijk te verklaren. In ord. 11-20 wordt de generale synode aangemerkt als beoordelende instantie zodat het oordeel of het ingediende gravamen als zodanig kan worden aangemerkt niet aan het breed moderamen toekomt.

De generale commissie  oordeelt dat (ord. 11-20-1) de PKV beslist of het gravamen aan de generale synode moet worden voorgelegd, zodat het breed moderamen daarin niet een eigen standpunt kan innemen. Volgens ord. 11-20-2 komt de generale synode tot een onderzoek voordat het eindoordeel wordt gegeven. Dat eindoordeel zou kunnen inhouden dat het door de PKV als gravamen erkend bezwaar niet als zodanig kan worden aangemerkt.

De generale commissie beslist dat de generale synode dus alsnog tot een eindoordeel moet komen.

Jur. NHK 1991 11/91

11/91

Een bezwaar tegen het niet openen van de weg van ord. 7-17 wordt afgewezen. De generale commissie kan niet inzien waarom niet in redelijkheid van betrokkene zou kunnen worden gevraagd dat deze de normale opleiding zou volgen.
Op grond van dit gegeven heeft het breed moderamen van de generale synode geen gesprek met betrokkene gehad en zich (terecht) geen oordeel gevormd omtrent de aan- of afwezigheid van singuliere gaven en bijzondere geschiktheid.
Ord. 7-17 kent aan het breed moderamen beoordelingsvrijheid toe. Als aan de totstandkoming van een dergelijk besluit geen gebreken kleven, kan het slechts worden vernietigd indien de generale commissie  tot het oordeel zou komen dat het breed moderamen niet in redelijkheid kon beslissen zoals het heeft gedaan.
Dat de kerkenraad dringend behoefte heeft een X. als predikant kan niet tot een ander oordeel leiden.

De generale commissie  geeft het breed moderamen ten overvloede in overweging het beleid (voor gevallen waarin een normale opleiding redelijkerwijze niet kan worden gevergd) in een algemene notitie vast te leggen en aan belangstellenden te verstrekken.

11/91

Verzoek om herziening afgewezen omdat men wel veel punten van kritiek zijn op de beslissing van de generale commissie  maar er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangedragen die - als de generale commissie  ze wel had gekend - tot een andere beslissing hadden geleid.

Jur. NHK 1991 12/91

12/91

De kerkvoogdij wil de plaatselijke regeling zo wijzigen dat de wijze van verkiezing van notabelen zou plaatsvinden op de wijze waarop ambtsdragers in de gemeente worden gekozen (nl. door middel van door de kerkenraad vastgestelde dubbeltallen). De generale commissie  spreekt in de beslissing uit dat in verband met de toezichthoudende taak van notabelen de vrijheid van de lidmaten om te stemmen op lidmaten van hun keuze op geen enkele wijze kan worden beperkt.

[ord. 16-3 ‘de taak van de notabelen’ is per 1-1-1992 vervallen; aantek. PvdH]

Jur. NHK 1991 13/91

13/91

Een bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing van de commissie van beroep (ord. 13-50) wordt niet ontvankelijk verklaard. In ord. 13-50-4 noemt het uitblijven van een beslissing niet bij de gronden waarop vernietiging mogelijk is. Bovendien wordt bij vernietiging de zaak terugverwezen naar de commissie van beroep, die uiteindelijk toch zelf de beslissing moet nemen.

Jur. NHK 1991 14/91

14/91

Er is geen bepaling die dwingt tot het afbreken van een vergadering als tijdens die vergadering het quorum komt te ontbreken. Als ten tijde van het nemen van het besluit het quorum ontbreekt, kunnen echter geen rechtsgeldige besluiten worden genomen. Er kan wel worden beraadslaagd en het peilen van de mening door middel van handopsteken kan niet worden aangemerkt als het nemen van een besluit.

Het considereren ingevolge ord. 1-5-1 moet worden aangemerkt als het peilen van meningen en niet als besluitvorming. Ingevolge art. XXVII-4 is het vaststellen van een kerkordewijziging voorbehouden aan de generale synode, waarbij de synode de vrijheid heeft om zelfstandig te beslissen. Het mededelen van de consideraties is evenmin aan te merken als een zelfstandig besluit, maar als een uitvoeringshandeling.

Het had overigens de voorkeur verdiend als uitdrukkelijk melding was gemaakt van het ontbreken van het quorum tijdens de consideraties.

Jur. NHK 1991 15/91

15/91

Een besluit dat wijken aan de CK/KAZ en aan het college van beheer informatie over de wijkkassen moeten verschaffen wordt vernietigd, omdat - zolang de gemeenten geen federatie vormen - de wijkgemeenten ingevolge ord. 16-10-3 verantwoording verschuldigd zijn aan het college van kerkvoogden.

Dit college kan aan de centrale kerkenraad informatie verstrekken over de wijkkassen, gelet op ord. 16-4-9 (het college van kerkvoogden oefent zijn taak uit in overleg met en in verantwoordelijkheid aan de centrale kerkenraad), die op zijn beurt, gelet op de stand van samenwerking, deze informatie kan bespreken in een gezamenlijke vergadering met de KAZ.

Jur. NHK 1991 16/91

16/91

Een bezwaar tegen de plaatsing van een kerkblad artikel wordt ontvankelijk verklaard, aangezien het is ondertekend door 'X, voorzitter kerkenraad' en daarom het artikel beschouwd moet worden als een mededeling van of namens de kerkenraad.

Wat de inhoud van het artikel betreft oordeelt de generale commissie  dat de (voorzitter van de) kerkenraad onaanvaardbaar onzorgvuldig is omgegaan met de belangen van de voormalige predikant: aantijgingen zijn niet geverifieerd, een reactie van betrokkene is geweigerd, bepaalde mededelingen waren onjuist,

De kerkenraad dient zo spoedig mogelijk de tekst van de - door de commissie vastgestelde - rectificatie in het kerkblad te plaatsen.

Jur. NHK 1992 01/92

01/92

Bezwaar tegen een besluit van de kerkenraad om de indeling van de gemeente in geografische kerngemeenten te beëindigen en een kerngemeente op te heffen.

Het bezwaar is niet toegewezen: de gemeente beschikte inmiddels over niet meer dan één predikantsplaats, de verplichting tot indeling in wijkgemeenten was daarmee vervallen. De goedkeuring van het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 2-13-2) was daarmee niet langer vereist. De kerkenraad was bevoegd te besluiten (op voorstel van de kerngemeente-raad) tot vervroegde opheffing van de kerngemeente, vooruitlopend op aanpassingen van de plaatselijke regeling aan de nieuwe structuur.

Jur. NHK 1992 02/92

02/92

Bezwaar tegen een passage in de brochure 'Kerstening als Kerkewerk' niet ontvankelijk verklaard wegens termijn overschrijding. X. heeft geen omstandigheden genoemd waaruit kan blijken dat hij redelijkerwijs pas in jan. 1992 kennis kon nemen van de brochure die in april 1991 verscheen.

Jur. NHK 1992 04/92

04/92

Bezwaar tegen het besluit van de kerkenraad om X. te schorsen in zijn functie van cantor, vooruitlopend op de aangekondigde vrijwillige terugtreding, niet ontvankelijk verklaard, omdat het belang aan de procedure is ontvallen.

Er was aan de burgerlijke rechter een voorziening in kort geding gevraagd. De generale commissie oordeelt niet over geschillen die in vergaande mate zijn verweven met geschillen die zijn voorgelegd aan de bevoegde overheidsrechter. Daarvan is in beginsel steeds sprake indien bij kerkelijke en burgerlijke rechter vergelijkbare vorderingen over hetzelfde geschil zijn ingesteld.
Wanneer aan de burgerlijke rechter een (voorlopige) voorziening in kort geding is gevraagd, behoeft dat (in verband met het in beginsel voorlopige karakter van een dergelijke voorziening) onder omstandigheden een commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen niet te beletten een definitief oordeel te geven over de geldigheid van een besluit van een kerkelijk lichaam.

Nu echter de besluiten zijn bekrachtigd door het college van kerkvoogden en de besluiten zijn uitgewerkt, heeft X geen belang meer bij een beslissing en wordt hij niet ontvankelijk verklaard.

Jur. NHK 1992 05/92

05/92

Bezwaar tegen de weigering om aan een ouderling-kerkvoogd de notulen van een kerken­raads­vergadering waarin hij had deelgenomen ter beschikking te stellen.

Het ontbreken van een motivering van het beroepschrift leidt niet tot niet ontvankelijkheid. Betrokkene is in de gelegenheid gesteld het beroepschrift aan te vullen.

In beginsel behoort ieder die als ambtsdrager aan een ambtelijke vergadering heeft deelgenomen, op zijn verzoek gelegenheid te krijgen de notulen van die vergadering (en van de volgende waarin die notulen worden vastgesteld) in te zien en daarover opmerkingen te maken. Daaraan doet niet af dat betrokkene op dat moment in een andere gemeente woonde. Hij heeft er belang bij dat zijn woorden juist zijn weergegeven en dat er een juiste verslaglegging van de vergadering plaatsvindt, omdat nieuwe leden van de kerkenraad daarop moeten kunnen afgaan.

Jur. NHK 1992 07/92

07/92

Het besluit tot ontslag van een lid van de Landelijke Werkgroep Roemenië door de participanten in de Europacommissie (waaronder de commissie Werelddiaconaat) omdat de commissie de contacten met de pers van afzonderlijke leden van de LWR onaanvaardbaar achtte, wordt vernietigd, omdat het op onjuiste gronden is genomen. Er was publieke belangstelling en openlijke discussie in de pers over de besteding van bijeengebrachte gelden. Er bestond voor de CW en de GDR geen gegronde reden die discussie in de pers tegen te werken. Het enkele feit dat een lid van de LWR de pers van zijn zienswijze op de hoogte stelt, vormt geen geldige reden zijn lidmaatschap van de LWR te beëindigen. De wijze waarop hij de pers benaderde was niet onzorgvuldig, gelet op de verwachtingen die waren gewekt, de omstandigheid dat de bezwaren tevoren verschillende malen kenbaar waren gemaakt, en de toonzetting en de inhoud van de gevolgde perspublicatie.

Wat de rechtsgevolgen betreft: de generale commissie  kan niet beslissen over de besluiten van de andere (niet-hervormde) participanten. De CW moet haar besluit heroverwegen, en met de overige participanten overleggen over de gevolgen voor het gezamenlijk genomen ontslagbesluit.

Jur. NHK 1992 09/92

09/92

In geschil is een besluit van de centrale kerkenraad waarin hij akkoord gaat met het starten van onderhandelingen die kunnen leiden tot verkoop van de wijkkerk, waarbij is bepaald dat het college van kerkvoogden in overleg moet treden om alternatieven te ontwikkelen voor het onderbrengen van de activiteiten van de wijkgemeente, welke naar het oordeel van de centrale kerkenraad genoegzaam zijn.

Ter toetsing is de vraag of de centrale kerkenraad in deze omstandigheden in redelijkheid tot de slotsom heeft kunnen komen dat het besluit tot principeverkoop op dat moment nodig en noodzakelijk was. Daarbij dienen alle belangen van partijen te worden afgewogen en niet uitsluitend die van de centrale gemeente.
Daarbij speelt een rol of en hoe de vervangende huisvesting is geregeld, of en in hoeverre inzicht is in de gevolgen van verkoop of van andere opties, en of en hoe een verzoek om advies door andere wijkgemeenten is beantwoord.

Het bestreden besluit is vernietigd omdat de centrale kerkenraad bij de afweging van deze belangen te lichtvaardig te werk is gegaan: er is geen passende oplossing voor de activiteiten, er is onvoldoende inzicht in andere opties, en schriftelijke adviezen van andere wijkgemeenten zijn niet aanwezig. Bovendien is het beleidsplan nog in discussie.

De centrale kerkenraad heeft daarom het bestreden besluit in redelijkheid niet kunnen nemen. Nader overleg is noodzakelijk, bemiddeling door iemand van buiten (bijv. van een visitator-provinciaal) kan worden overwogen.

Jur. NHK 1992 10/92

10/92

Tegen een uitspraak van de regionale commissie voor het opzicht met betrekking tot een bezwaar tegen belijdenis en wandel van een ambtsdrager in verband met herbevestiging als ouderling, staat geen enkele mogelijkheid van beroep open. Dat volgt uit ord. 19-3 in samenhang met ord. 3-11-9 en 10.

Jur. NHK 1992 11/92

11/92

Een bezwaar tegen het niet-instellen door het moderamen van de generale synode van een gekwalificeerde commissie van onderzoek naar het beleid van de commissie werelddiakonaat is ongegrond verklaard.

Het moderamen is weliswaar bevoegd om een commissie van onderzoek in te stellen (op grond van ord. 1-23-1), maar is tot een dergelijk ingrijpend en belastend onderzoek pas verplicht als bijzondere omstandigheden daartoe zouden noodzaken en deze bijzondere omstandigheden zijn niet gebleken.

De diaconie kan de bezwaren op minder belastende wijze aan de orde stellen, bijvoorbeeld door het vragen van gerichte informatie, of door de bezwaren via de afgevaardigde naar de generale synode aan de orde te laten stellen.

Jur. NHK 1992 12/92

12/92

Een bezwaar van een evangelisatievereniging tegen de weigering van het breed moderamen van de generale synode om een deelgemeente in te stellen, wordt afgewezen.

De evangelisatievereniging kan niet worden aangemerkt als kerkelijk lichaam in de zin van ord. 1-15-2. Maar omdat de indieners leden van de hervormde gemeente zijn wordt het bezwaarschrift ontvankelijk verklaard.

Het breed moderamen van de generale synode kan de procedure om te komen tot een deelgemeente pas in werking stellen als naar het gezamenlijk oordeel van de visitatoren-provinciaal en de visitatoren-generaal de andere mogelijkheden niet toereikend of mogelijk zijn. In dit geval luidde het gezamenlijk advies het verzoek tot vorming van een deelgemeente niet in te willigen en behoefden de brede moderamina niet te worden geraadpleegd.

Bovendien heeft het breed moderamen voldoende recht gedaan aan de belangen van de evangelisatievereniging door de kerkenraad te wijzen op zijn verantwoordelijkheid voor deze gemeenteleden en door de provinciale visitatie in te schakelen.

Jur. NHK 1992 14/92

14/92

Een bezwaar tegen besluiten van de GFR die ertoe leiden dat quota van de diaconieën worden gevraagd ter financiering van personeel, administratie en public relations, wordt ongegrond verklaard.

De GFR beheert de kas algemeen kerkewerk (ord. 16-18-1), de inkomsten worden gevormd door een omslag, het quotum (ord. 16-18-3f), dat ook over diaconieën wordt geheven (ord. 16-19-1b). De besteding vindt plaats overeenkomstig ord. 16-18-2. Niet is gebleken dat de GFR in strijd met deze ordinanties heeft gehandeld of oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van ter beschikking gestelde gelden.

Jur. NHK 1992 15/92

15/92

Een bezwaar tegen de vastgestelde rekening van de diaconie is niet ontvankelijk verklaard. Betrokkene heeft geen belang, nu niet de juistheid van de berekeningen of de verslaglegging ter discussie staat; het bezwaar richt zich tegen de aard van sommige uitgaven. Die zijn gedaan en kunnen niet meer ongedaan gemaakt worden.

Overigens is de commissie wel bevoegd van deze bezwaren kennis te nemen. Tegen een door de kerkenraad vastgestelde en door de PDC goedgekeurde rekening staat geen bijzondere voorziening open, zodat de algemene bezwarenregeling van ord. 19 van toepassing is.

Jur. NHK 1992 17/92

17/92

Een bezwaar wordt niet ontvankelijk verklaard omdat het weliswaar binnen 30 dagen na arrestatie van de notulen is ingediend, maar de vergadering waarin het bestreden besluit is genomen was zelf vier maanden eerder gehouden en appellant was daarin zelf aanwezig.

Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.

Jur. NHK 1992 17/92-P

P-17/92

Een zaak wordt terugverwezen naar de provinciale commissie omdat de provinciale commissie, in strijd met ord. 19-10, heeft nagelaten in haar uitspraak de vereiste duidelijkheid te scheppen.

De provinciale commissie had bepaald dat de centrale kerkenraad een verzoek met betrekking tot de grenzen van de wijkgemeenten diende te heroverwegen, rekening houdende met de gevoelens…

De provinciale commissie had - als ze het besluit onjuist achtte - het besluit moeten vernietigen en of zelf in de zaak moeten voorzien of bepalen dat de centrale kerkenraad een nieuw besluit zou nemen, met inachtneming van de aanwijzingen van de provinciale commissie. Nu heeft ze zich met name niet uitgelaten over de vraag of het bestreden besluit in stand bleef of dat de centrale kerkenraad een nieuw besluit diende te nemen.

Jur. NHK 1992 18/19/92

18/92 en 19/92

Een bezwaar tegen de wijze van behandeling van een gravamen wordt ontvankelijk verklaard, waar het een bezwaar tegen de procedure betreft. Over de inhoud van het als gravamen ingediende bezwaar geeft de generale synode een eindoordeel (ord. 11-20-3), waarin begrepen is de vraag of het bezwaar als een gravamen kan worden aangemerkt.

Voor zover het bezwaarschrift andere bezwaren bevat dan betreffende de procedurele aspecten is het niet ontvankelijk.

Voor de generale commissie  is geen taak weggelegd om los van de behandeling van een bezwaar tegen een appellabel besluit in het algemeen een uitleg te geven van een kerkordelijke ordinantie (zoals was gevraagd t.a.v. ord. 11-19-1: wat is te verstaan onder het begrip 'uitingen der Kerk terzake van haar belijden').

Bezwaarde voert aan dat zijn gravamen niet tevoren aan de synodeleden was toegezonden en dat op voorhand was aangegeven dat het niet als gravamen kon worden aangemerkt.

De voorbereiding van de bespreking had plaatsgevonden overeenkomstig ord. 11-20-2 door een commissie van voorbereiding, met een advies van de raad voor de zaken van Kerk en Theologie, die betrokkenen heeft gehoord. Ook in de vergadering van de generale synode heeft hij zijn bezwaar kunnen toelichten.
Na uitvoerige bespreking kwam de synode tot het oordeel dat de bestreden uitspraak van de generale synode niet kan worden aangemerkt als een 'uiting der Kerk terzake van haar belijden' en dat derhalve het bezwaar geen gravamen is.

Het eindoordeel over deze vraag is ingevolge ord. 11-20-3 aan de generale synode en het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Jur. NHK 1992 20/92

20/92

Bezwaar tegen het besluit van de cie 277n dat de werkzaamheden van bezwaarde  ten dienste van de NHK niet 'vergelijkbare werkzaamheden' zijn in de zin van ovb 277m.

Het verweer dat de generale commissie  geen kennis kan nemen van dit bezwaar (omdat beroep openstaat op het breed moderamen van de generale synode) wordt afgewezen. Het beroep op het breed moderamen betreft het oordeel van 'onvoldoende geschiktheid'.

De cie 277n hanteert als criterium dat met de werkzaamheden van een hulpprediker, aangesteld in deeltijd, gelijkgesteld kunnen worden werkzaamheden voortvloeiende uit een dienstverband tussen betrokkene en de kerkenraad en gemeente.

De werkzaamheden van betrokkene - hoe waardevol ook - voldoen niet aan dit criterium. De generale commissie  oordeelt dat genoemd criterium niet in strijd is met de tekst of de wijze van totstandkoming van art. 277n en dat de cie 277n het in redelijkheid kon toepassen.

De generale commissie verstaat het criterium van "werkzaamheden, verricht uit hoofde van een kerkelijke opdracht in een vorm van dienstverband" in de zin dat de betrokkene door een kerkelijk orgaan op zijn werkzaamheden formeel kan worden aangesproken.

Jur. NHK 1992 22/92

22/92

Bezwaar tegen een besluit van de centrale kerkenraad en het college van kerkvoogden tot verkoop van een kerk. Het betrof de bevestiging van eerder genomen besluiten, maar bezwaarden zijn toch ontvankelijk omdat zich nieuwe, voor die beslissing relevante, omstandigheden hebben voorgedaan en het besluit daarom als een nieuw besluit moet worden aangemerkt.

De generale commissie oordeelt dat de centrale kerkenraad en het college van kerkvoogden bij afweging van de belangen van de wijkgemeente en de centrale gemeente in redelijkheid niet tot hun besluiten konden komen.

Immers: de wijkgemeenten hebben besloten geen samen op weg-gemeente te vormen, en nu een stichting het kerkgebouw wil exploiteren vormt ook de reden om te bezuinigen geen dwingende noodzaak meer.

De generale commissie bepaalt dat de centrale kerkenraad bij de verkoop van de kerk de stichting als gegadigde gelijk als andere gegadigden zal behandelen en dat het kerkgebouw niet zal worden gesloten zolang het kerkgebouw niet is verkocht aan anderen dan de stichting.

Jur. NHK 1992 23/92

23/92

Een gemeente maakt bezwaar tegen de termijn van 12 maanden zoals die op grond van ord. 13-30-8 is bepaald door de cie 13-30.
De brief was (ten onrechte) aan het breed moderamen van de generale synode gezonden, die deze heeft doorgestuurd aan de generale commissie. De generale commissie beschouwt de datum van ontvangst door het moderamen van de generale synode als datum van indiening.

Aan de termijn waarbinnen een bezwaar kan worden ingediend dient vanwege het belang van de rechtszekerheid strikt de hand te worden gehouden. Anderzijds moeten procedureregels met soepelheid worden toegepast zolang zwaarwegende belangen zoals die van rechtszekerheid zich daar niet tegen verzetten. Vermeden moet worden dat aan bezwaarden onnodig de inhoudelijke toetsing van bestreden besluiten wordt ontzegd door een onjuiste interpretatie van (gecompliceerde) regels van kerkelijk recht, zoals bijvoorbeeld de bijzondere competentie bij geschillenbeslechting.

Een mededeling op grond van ord. 13-30-8 is voor de predikant een tussenbesluit waartegen geen voorziening mogelijk is (GCBG 5/90), maar houdt voor een gemeente een definitief besluit in, waardoor ze in haar werkelijke belangen wordt getroffen. Het bezwaarschrift is daarom ontvankelijk.

Er is geen verklaring gevraagd aan het college van kerkvoogden dat het de verplichtingen van de wachtgeldregeling zal nakomen. Dat argument geldt hier niet omdat deze verklaring ter bescherming van de predikant dient en niet van de gemeente.

Voor het overige heeft de commissie ex ord. 13-30 beleidsvrijheid en is niet gebleken dat ze niet in redelijkheid tot haar besluit kon komen.

Jur. NHK 1992 24/92

24/92

Bezwaar tegen een brief van het moderamen van de generale synode waarin het IKV wordt aangemerkt als kerkelijk lichaam en de arbeid van het IKV als hervormd kerkewerk.

De stichting die het bezwaar inbrengt is niet in enig werkelijk belang getroffen en daarom niet ontvankelijk.

[de generale commissie gaat niet in op de vraag of de stichting zelf wel ontvankelijk is: een bezwaar kan alleen worden ingediend door een kerkelijk lichaam en dat is de stichting niet; aantek. PvdH]

Jur. NHK 1992 25/92

25/92

Bezwaar tegen het besluit van de generale synode om in ord. 13-46-1 de term 'partnerpensioen' op te nemen, als in strijd met art. XXI en ord. 12. Bovendien is aan de term geen inhoud gegeven.

De generale synode is het hoogste tot regelgeving bevoegde orgaan van de kerk en als zodanig vrij ieder besluit te nemen dat ze in het belang der kerk acht, zolang dat niet in strijd is met dwingende wettelijke voorschriften en de eigen kerkorde.

Ten aanzien van art. XXI: de kerkorde bevat bepalingen die een bepaald welomschreven gedrag voorschrijven of verbieden in juridische zin, maar ook zgn. open normen. De norm van art. XXI 'het huwelijk, als inzetting Gods, zal heilig worden gehouden' is in kerkrechtelijke zin zulk een open norm. De generale synode is geroepen daaraan nadere invulling te geven en daarover vindt momenteel een theologische discussie plaats. De beslissing daarover moet nog genomen worden en het besluit inzake het partnerpensioen is niet te verstaan als een principiële beslissing inzake die nadere invulling.

De generale synode wilde slechts een financiële regeling treffen voor iemand die met de predikant in een bepaalde relatie stond en na diens overlijden in de pastorie achterbleef. De generale synode sprak daarmee geen waardeoordeel over die relatie meende zich niet aan de verantwoordelijkheid voor de achterblijvende partner te kunnen onttrekken.

De generale commissie ziet daarom niet in dat de generale synode niet in redelijkheid tot het bestreden besluit had mogen komen.

Het beroep op het herderlijk schrijven van 1952 is niet geheel terzake omdat de synode zich later opnieuw op het huwelijk en relatievormen heeft bezonnen en nu in de breedte van de kerk wat genuanceerder over huwelijk en relaties wordt gedacht dan in 1952. 

Jur. NHK 1992 26/92

26/92

Bezwaren tegen (besluiten van) de wijkkerkenraad zijn terecht niet ontvankelijk verklaard.
Overigens geeft de wijkkerkenraad door weg te blijven van de mondelinge behandeling, weinig blijk van een pastorale benadering.

Bezwaren tegen het niet afkondigen van het censura morum en het buiten tegenwoordigheid van een ouderling houden van censura morum zijn niet tijdig ingediend.

De generale commissie is niet bevoegd kennis te nemen van bezwaren tegen het niet juist behandelen van bezwaren door de regionale commissie voor het opzicht. Het bezwaar dat de kerkenraad de bezwaren niet heeft doorgezonden heeft geen belang meer, nu de bezwaren door de regionale commissie zijn behandeld.

Het bezwaar tegen de benoeming door de kerkenraad van dhr. X tot ouderling ondanks de bij een aantal gemeenteleden tegen deze benoeming levende bezwaren, kan niet worden ontvangen, omdat de bevoegdheid tot benoeming van ambtsdragers bij de zesjaarlijkse stemming is overgedragen aan de kerkenraad. 

Jur. NHK 1993 01/93

01/93

Bezwaar tegen het voornemen om een niet-huwelijkse relatie op dezelfde wijze in te zegenen als de kerkordelijke verbintenis tussen man en vrouw niet toegewezen omdat het bezwaar niet tijdig is ingediend.

Jur. NHK 1993 02/93

02/93 (voorzitter)

Opschortingverzoek met betrekking tot de verkoop van kerkgebouw toegewezen. Het belang van de centrale kerkenraad en het college van kerkvoogden bij de verkoop op korte termijn is niet zo groot dat de beslissing van de generale commissie niet kan worden afgewacht. De besluitvorming duurt al vele jaren en er zijn nog geen serieuze onderhandelingen met gegadigden gevoerd.

02/93

Bezwaar tegen de verkoop van een kerkgebouw gericht tegen de procedure en inhoudelijke bezwaren tegen de keuze van het af te stoten kerkgebouw.

Ten aanzien van de stemprocedure: op grond van de plaatselijke regeling bedroeg het aantal stemgerechtigde leden 35, over de gebouwenkeuze hebben 23 leden hun stem uitgebracht (van wie 3 slechts een adviserende stem hadden). Van de stemgerechtigde leden stemden er 14 voor en 4 tegen. Twee onthielden zich van stemming zonder dat ze van hun verplichting een stem uit te brengen waren ontslagen (ord. 1-24-4). Er vond geen hoofdelijke stemming plaats.

De omstandigheid dat niet hoofdelijk is gestemd en dat geen ontheffing is verleend voor stemonthouding, leidt niet tot ongeldigheid van het genomen besluit. Uiteraard dienen de voorschriften van ord. 1-24-1 en 1-24-4 die ertoe strekken dat stemgerechtigde leden persoonlijk en openlijk voor hun oordeel uitkomen en zich in beginsel niet aan hun verantwoordelijkheid voor een keuze onttrekken, te worden nageleefd. In beginsel kan een beroep op de schending van die bepalingen echter alleen tijdens de vergadering worden gedaan door degenen die daaraan deelnemen. Het belang dat ermee gemoeid is dat men kan vertrouwen op de geldigheid van besluiten, door bevoegde organen met de vereiste stemverhoudingen genomen in daartoe bevoegde vergaderingen, verzet zich ertegen dat derden naderhand met een beroep op genoemde bepalingen de geldigheid aan die besluiten zouden kunnen ontnemen.

De stemonthoudingen brengen dus geen nietigheid mee, maar zij moeten bij het bepalen van het quorum ingevolge ord. 1-24-4 wel worden veronachtzaamd, zodat slechts 18 voor- en tegenstemmers mogen worden meegerekend. De CK kon met 18 stemgerechtigde leden besluiten, waarbij een meerderheid van twee derde van het aantal stemmen vereist was. Het bestreden besluit is daarom geldig.

Wat de inhoudelijke bezwaren betreft: de CK was het beslissingsbevoegde orgaan en hem kwam bij het nemen van het bestreden besluit beleidsvrijheid toe. Niet is gebleken dat de CK bij afweging van de wederzijdse belangen niet in redelijkheid tot dit besluit had kunnen komen.

Jur. NHK 1993 03/93

03/93

Bezwaar tegen een synodebesluit niet ontvankelijk verklaard. Bezwaarde is door het bestreden besluit niet in zijn werkelijk belang getroffen, hij bekleedt geen ambten of betrekkingen (behoudens zijn lidmaatschap NHK) waarvan de uitoefening door het bestreden besluit in relevante mate wordt geraakt.

Jur. NHK 1993 04/93

04/93

Bezwaar tegen de weigering van de CK tot overschrijving naar een andere wijkgemeente, op grond van behoefte aan andere modaliteit van prediking en catechese.

De CK voert aan dat overschrijving niet noodzakelijk is voor het kunnen participeren in een andere modaliteit van prediking en catechese omdat alle kerkdiensten binnen de centrale gemeente in het zelfde kerkgebouw worden gehouden. Omdat er tussen de wijkgemeenten sprake is van verschillen in benadering ten aanzien van diverse fundamentele punten van geloofsbeleving kan aan verweerders de door de kerkorde geboden mogelijkheid om volwaardig lid te worden van een andere wijkgemeente niet onthouden worden.

Het verweer van de CK dat hij gerechtigd is een terughoudend beleid te voeren, omdat het toestaan van de overschrijvingen de tegenstellingen tussen de wijkgemeenten zal versterken en zal leiden tot opsplitsing van de gemeente in drie blokken, kan door de CK niet worden geconcretiseerd. De generale commissie oordeelt dat de CK in elk individueel geval zal moeten beoordelen of de belangen van de betrokken wijkgemeenten zich tegen het verzoek om overschrijving verzetten.

Jur. NHK 1993 05/93 S

05/93 S

Opschortingverzoek gevraagd tot de beslissing is genomen op het beroepschrift tegen de geldigheid van het besluit van de kerkenraad om naast de traditionele viering van het heilig avondmaal de gemeenteleden gelegenheid te geven aan andere vormen deel te nemen, waarbij kinderen en niet belijdende leden worden toegelaten.

Het besluit wordt in strijd geacht met de kerkorde (in het bijzonder art. XVIII).

De ambtsdragers onder de verzoekers menen daarom dat zij voor zodanige viering geen verantwoordelijkheid kunnen dragen.

Het besluit wordt opgeschort, omdat de discussie in de gemeente reeds acht jaar duurt, er nog geen viering met niet belijdende leden in kinderen heeft plaatsgevonden en voor de kerkenraad onvoldoende belang bestaat op zijn besluit uit te voeren voordat de generale commissie heeft beslist.

[er is geen uitspraak 05/93; aantek. PvdH]

Jur. NHK 1993 06/93

06/93

Bezwaar tegen het besluit van de centrale kerkenraad om overschrijving naar een andere wijkgemeente te weigeren.

Een besluit tot inschrijving in een andere wijkgemeente kan slechts op beperkte gronden worden genomen. De provinciale commissie kan niet volstaan met het beoordelen of bij het besluit de kerkordelijke procedure is gevolgd, maar heeft aan de hand van de neergelegde criteria te toetsen of op grond van de situatie het verzoek in redelijkheid kon worden geweigerd.

In dit geval is er geen sprake van een modaliteitsverschil als bedoeld in ord. 2-10-2b (een modaliteit is ruimer dan het aanhangen van de prediking van een bepaalde predikant), maar gaat het bezwaarden erom invloed uit te oefenen op de samenstelling van de kerkenraad van de wijkgemeente van voorkeur. Daarvoor is de regeling echter niet gegeven.

Ook de problemen in de pastorale contacten met de predikant en kerkenraadsleden van de wijkgemeente van inwoning is geen grond voor overschrijving. De kerkenraad heeft betrokkenen enkele keren bezocht en zij kunnen van de predikant van voorkeur alle pastorale zorg ontvangen die zij wensen.

Jur. NHK 1993 07/93

07/93

Het besluit van de provinciale commissie wordt bevestigd waarin dhr. X niet ontvankelijk wordt verklaard in zijn bezwaar. Hij voelt zich gekwetst door het optreden van de kerkenraad. De kerkenraad heeft daarover zijn spijt betuigd. Het bezwaar richt zich niet tegen een bepaald kerkenraadsbesluit en daarom is dhr. X. niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1993 08/93

08/93

Bezwaar tegen een besluit van het college van kerkvoogden en de centrale kerkenraad om een kerkgebouw (aanvankelijk te verhuren aan de Baptistengemeente en later) te verkopen aan een derde, terwijl door de afd. van de G.B. die in dat kerkgebouw erediensten hield, een bod was gedaan dat weliswaar lager was dan de prijs die in het economisch verkeer zou kunnen worden verkregen.

De generale commissie is van oordeel dat het college van kerkvoogden in redelijkheid kon besluiten een in het economisch verkeer geldende verkoopprijs na te streven en vrij was met derden een verkoopovereenkomst aan te gaan.

De toezeggingen die aan de afdeling van de G.B. gedaan zijn hielden niet in dat zij in dat kerkgebouw zouden plaatsvinden. De generale commissie acht de CK overigens wel aan die toezeggingen gebonden, temeer omdat het daarbij ging om formele afspraken die in onderling overleg zijn gemaakt.

Jur. NHK 1993 11/93

11/93

Beroep niet ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingesteld.

Jur. NHK 1993 12/93

12/93

Bezwaar behelst het verwijt aan de kerkenraad dat deze heeft meegewerkt aan het in gang zetten van een procedure ex ord. 13-30.

De kerkenraad speelt bij het in gang brengen van deze procedure geen rol: de bevoegdheid daartoe is voorbehouden aan het breed moderamen van de PKV. Wel dient de kerkenraad op verzoek van dit breed moderamen zijn mening over de ambtsbediening kenbaar maken.

De wijze waarop de kerkenraad die inlichtingen verstrekt leent zich in beginsel niet voor een bezwaar op grond van ord. 19.

Nu de cie 13-30 heeft beslist dat er onvoldoende redenen zijn om de band tussen predikant en gemeente los te maken, zijn appellanten niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang.

Jur. NHK 1993 13/93

13/93

Beroep niet ontvankelijk verklaard wegens termijn overschrijding

Jur. NHK 1993 14/93

14/93

Beroep niet ontvankelijk verklaard wegens termijn overschrijding

Jur. NHK 1993 15/93

15/93

Verzoek van de PDC om op de voet van ord. 19-3-2 te beslissen welk orgaan tot oordelen bevoegd is bij een beroep tegen besluiten van het college van diakenen om percelen in erfpacht uit te geven aan anderen dan gegadigde lidmaten van de gemeente.

Het gaat om verhouding van ord. 18-17 juncto ord. 15-23a-4 enerzijds en ord. 19 anderzijds.

Tegen besluiten  tot goedkeuring van de PDC (krachtens ord. 18-17) kunnen kerkelijke lichamen ingevolge ord. 18-5 beroep instellen bij het generaal college van toezicht. Voor een gemeentelid is dat beroep niet opengesteld. Het generaal college is daarom niet bevoegd.

Ord. 18 kent ook geen regeling waardoor een gemeentelid bij de PDC bezwaar zou kunnen maken tegen een (door de PDC goedgekeurd) besluit.

Onverlet blijft dat een PDC bij de goedkeuringspraktijk rekening kan houden met bezwaren en de vrijheid heeft om die bezwaarden informeel te horen.

De generale commissie komt terug op de jurisprudentie (8+9/61, 9/67 en 7/81) dat de goedkeuringsprocedure bij de PDC moet worden aangemerkt als een door de kerkorde vastgestelde afzonderlijke wijze van behandelen van zodanige bezwaren (zodat er ingevolge ord. 19-3-1 geen plaats meer zou zijn voor een behandeling bij bezwaren en geschillen).

Voor het behandelen van bezwaren is onontbeerlijk dat er regels bestaan die vastleggen dat en hoe bezwaren tegen een besluit ter kennis worden gebracht, dat partijen gelegenheid krijgen hun standpunten toe te lichten en op elkaars argument te reageren en dat gemotiveerd op die bezwaren wordt beslist.

Dat in de praktijk PDC’s informeel wel degelijk tegenstanders van goed te keuren besluiten in de gelegenheid stellen hun bezwaren kenbaar te maken, betekent niet dat er in de ‘orde van de kerk’ een afzonderlijke wijze van behandeling is vastgesteld.

De provinciale commissie is daarom bevoegd van bezwaren van lidmaten tegen een goedgekeurd besluit van een diaconie kennis te nemen.

Jur. NHK 1993 16/93

16/93

Bezwaar tegen weigering van het college van kerkvoogden om de rechtspositie van de (gereformeerde) organist in overeenstemming te brengen met de regeling voor de Kerkmuziek en het daarbij behorende salaris uit te keren. Dhr. X stelt dat hij op arbeidsovereenkomst werkzaam is, nu er sprake is van een gezagsverhouding tussen hem en het college van kerkvoogden, hij loon ontvangt, arbeid verricht gedurende zekere tijd en niet vrij is in de wijze waarop hij zijn werk verricht.

De generale commissie oordeelt dat het gegeven dat X. wat betreft zijn werkdiscipline en wat betreft de wijze waarop hij zijn werkzaamheden uitoefent mede de aanwijzingen van het college van kerkvoogden heeft te volgen, geen arbeidsovereenkomst met de kerkvoogdij doet ontstaan. Dhr. X is aangesteld door de GK ter plaatse, en toen het kerkgebouw gesloten werd bleef ten aanzien van de honorering een gezagsverhouding bestaan tussen X en de KAZ van de GK. Nu deze rechtsverhouding niet is geëindigd is de generale commissie van oordeel dat er geen arbeidsovereenkomst tussen X en het college van kerkvoogden bestaat en kan hij niet geacht worden kerkelijk medewerker te zijn in de zin van ord. 17.

Hoewel de generale commissie een gelijkstelling in rechtspositie en beloning tussen hervormde en gereformeerde medewerkers redelijk zou achten (er is nu sprake van ongelijkwaardigheid) staan in deze procedure de verschillen in rechtspositie en beloningsstructuur niet ter discussie.

Jur. NHK 1993 17/93

17/93

Bezwaar tegen het in pacht geven door de diaconie aan anderen dan bezwaarde.

De provinciale commissie had zich niet bevoegd verklaard. Deze beslissing wordt vernietigd (op de gronden als in beslissing 15/93).

Het bezwaar is tijdig ingediend: de termijn waarbinnen een bezwaar kan worden ingediend vangt niet aan op de datum van het besluit van de diaconie, maar na de goedkeuring door de PDC.

Bezwaarde is echter niet ontvankelijk omdat hij het bezwaar in volle omvang heeft voorgelegd aan de burgerlijke rechter. Hij heeft daarom geen afzonderlijk te beschermen belang meer bij een beslissing van de kerkelijke rechter op dat bezwaar.

Het argument dat een uitspraak van een commissie van bezwaren en geschillen een extra argument kan opleveren in de procedure voor de burgerlijke rechter acht de generale commissie geen in een procedure voor de kerkelijke rechter te beschermen belang, al was het maar omdat voorkomen moet worden dat de burgerlijke en de kerkelijke rechter over hetzelfde geschil tegenstrijdige beslissingen nemen.

Jur. NHK 1993 18/93

18/93

Bezwaar tegen de vaststelling van het quotum door de GFR.

Het college van kerkvoogden wil zich niet neerleggen bij quotumheffing over dat deel van de renten (van de verkochte pastorie) dat direct benodigd was om de woonruimte van de predikant te bekostigen 'daar wij dit zeer onredelijk achten'.

De GFR voert aan dat het college van kerkvoogden nimmer een beroep heeft willen doen op de door de GFR getroffen uitzonderingsregeling op grond van art. 6 van de Quositatieregeling.

De generale commissie stelt vast dat in de quositatieregeling geen regelingen zijn opgenomen betreffende objectieve vrijstellingen van inkomsten in enige vorm, noch betreffende aftrekbaarheid van bestedingen. Ook heeft het college van kerkvoogden geen beroep gedaan op de enige door de GFR getroffen uitzonderingsregeling.

De GFR kon dus in redelijkheid tot zijn beslissing komen.

Jur. NHK 1993 19/93 02/94

19/93 + 02/94

Bezwaar tegen het besluit van de cie 13-30 dat ten aanzien van het wachtgeld ex ord. 13-30-12 geen verrekening of inhouding zal kunnen plaatsvinden wegens het militaire wachtgeld, toegekend bij het functionele leeftijdsontslag.

Ord. 13-30 voorziet niet met zoveel woorden in deze situatie. Nu noch het op grond daarvan afwijzen van de losmaking, noch het laten bestaan van de onzekerheid die zou leiden tot latere procedures, gewenst was heeft de cie 13-30 naar het oordeel van de generale commissie aan de bedoeling van ord. 13-30 het meest recht gedaan door het financiële geschil te beoordelen.

De generale commissie beslist dus voor zoveel nodig alsnog de cie 13-30 tot beoordeling van het financiële geschil bevoegd.

Wat betreft de toepassing van ord. 13-30-18 acht de generale commissie doorslaggevend de bedoeling van deze bepaling, te weten voorkomen dat de ontheven predikant die tijdens de wachtgeldperiode elders betaalde arbeid verricht, daardoor een hoger inkomen geniet dan werd genoten op het tijdstip van losmaking. Een verdergaande bedoeling kan de generale commissie niet ontwaren. Het beroep dient derhalve te worden verworpen.

Jur. NHK 1993 20/93

20/93

Een bezwaar tegen de beslissing van de regionale commissie voor het opzicht ingevolge ord. 3-11-9 en 10 (bezwaren tegen belijdenis en wandel van verkozen ambtsdragers) is niet ontvankelijk. Tegen de beslissing van de regionale commissie om de bezwaren ongegrond te verklaren staat geen enkel beroep open, ook niet op de generale commissie.

Jur. NHK 1993 21/93

21/93

Bezwaar tegen de weigering van het BM/PKV om overschrijving toe te staan.

Een van de appelanten is niet in zijn beroep ontvangen 'omdat hij - blijkens het verzoek tot overschrijving - geen lidmaat is van de NHK Hetzelfde geldt ten aanzien van de kinderen…'

[bedoeld zal zijn: ‘geen lid is van de NHK’. Ord. 19-1-1 spreekt van ‘een gemeentelid’, waartoe ook doopleden en geboorteleden worden gerekend; aantek. PvdH].

Dat de prediking in A een meer bevindelijk karakter draagt dan in B kan niet worden aangemerkt als een modaliteitsverschil in de zin van ord. 2-1-2b. Daarvan is eerst sprake bij essentiële verschillen in benadering ten aanzien van diverse fundamentele punten van geloofsbeleving.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel gaat niet op. In de aangedragen voorbeelden is van gelijke gevallen geen sprake. De stelling dat in de directe omgeving van appellanten vele overschrijvingen binnen GB gemeenten zijn toegestaan is ongenoegzaam voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verzuimd is aan te geven welke gevallen het betreft en waarin zij gelijk zijn.

Een historisch gegroeide situatie kan grond vormen voor het bestaan van bijzondere overwegingen van pastorale aard, indien tenminste aan de volgende voorwaarden is voldaan:
het betreffende gemeentelid is volledig betrokken op de gemeente van voorkeur,
deze betrokkenheid bestaat al in lengte van jaren, en
deze betrokkenheid is geheel onafhankelijk van de persoon van de predikant in de gemeente van voorkeur.

Nu appellanten reeds resp. 40, 30 en 18 jaar kerkelijk betrokken zijn bij de gemeente van voorkeur doen zich bijzondere overwegingen van pastorale aard voor die aanleiding geven tot overschrijving van betrokkenen.

Jur. NHK 1994 01/94

01/94 (voorzitter)

Het verzoek om opschorting toegewezen. Het betreft het besluit van de CK waarin overschrijving wordt geweigerd. De generale commissie moet over de vraag wanneer sprake is van 'een andere modaliteit van prediking en catechese' haar jurisprudentie nog ontwikkelen. Zonder opschorting moet de CK andere verzoeken toewijzen, die straks moeilijk meer ongedaan kunnen worden gemaakt. De voorzitter acht het daarom niet verstandig zolang de beslissing door de generale commissie nog niet is genomen in de bestaande situatie wijzigingen aan te brengen.

Hoewel de procedure reeds veel tijd heeft gekost en voor betrokkenen onbevredigend moet zijn geweest, valt niet in te zien waarom de beslissing van de generale commissie niet zou kunnen worden afgewacht.

01/94

Bij een verzoek om overschrijving naar een andere wijkgemeente zal de CK de vraag incidenteel dienen te beantwoorden, aan de hand van de in de regeling neergelegde criteria. Het aangevochten besluit van de CK om in het algemeen geen perforatie toe te staan en voor noodsituaties uitsluitend een regeling inzake pastorale begeleiding van een andere wijkpredikant te treffen, kan daarom geen stand houden.

Bezwaarden leggen aan hun verzoek andere modaliteit van prediking en catechese ten grondslag. Nu beide wijkgemeenten gerekend worden tot de GB bestaan er wel enige klimaat- en accentverschillen maar is geen sprake van een andere modaliteit. Een modaliteit is ook ruimer dan het aanhangen van de prediking van een bepaalde predikant. De perforatie regeling is ook niet bedoeld om invloed uit te oefenen op de samenstelling van de kerkenraad van of de stemverhoudingen binnen de (wijk)gemeente.

Over de stemonthouding doet de generale commissie dezelfde uitspraak als vervat in 02/93.

Jur. NHK 1994 03/94

03/94

Bezwaar en uitspraak gelijk aan 20/93

Jur. NHK 1994 04/94

04/94

Bezwaar tegen het breed moderamen van de generale synode omdat het geen onderzoek deed instellen door de cie ord. 7-17 naar de aanwezigheid en de mate van singulariteit en/of bijzondere geschiktheid.

Het BM heeft in het algemeen besloten dat een verzoek om de weg naar ord. 7-17 af te wijzen indien betrokkene redelijkerwijze in staat is een reguliere opleiding te volgen. Dit beleid is ingegeven door de gedachte dat ord. 7-17 niet mag leiden tot het afzien van normale eisen voor het predikantschap.

De generale commissie oordeelt dat dit beleid niet in strijd is met ord. 7-17 of enige andere bepaling uit de kerkorde. Het is ook niet onredelijk of strijdig met enig rechtsbeginsel.

Bij de afwijzing had het BM echter wel de werkelijke grond voor de afwijzing moeten aangeven. Bovendien behoort tijdig gewezen te worden op de mogelijkheden die de kerk biedt ten aanzien van opleiding en financiering. De beleidsnotitie waarin een en ander wordt opgenomen kan aan betrokkenen worden toegezonden. Een besluit moet berusten op een deugdelijke en zo nodig aan belanghebbende meegedeelde motivering.

Nu dit gebrek ter zitting is geheeld en een nieuw besluit tot geen ander resultaat zou leiden kunnen de gevolgen van het bestreden besluit (met toepassing van ord. 19-8-3) in stand blijven.

Jur. NHK 1994 06/94

06/94

Bezwaar tegen een beslissing volgens ord. 3-24 niet ontvankelijk verklaard. Een dergelijke uitspraak is einduitspraak waartegen geen enkele mogelijkheid van beroep meer open staat.

Jur. NHK 1994 07/94

07/94

Bezwaar tegen de volgens bezwaarde onjuiste inhoud van notulen niet ontvankelijk verklaard omdat de notulen betrokkene waren toegezonden en hij geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om opmerkingen daarover in te dienen.

Alvorens te beslissen had de provinciale commissie X. in de gelegenheid gesteld alsnog zijn bezwaren tegen de notulen kenbaar te maken. Wat hij noemt 'enkele pertinente onjuistheden' blijken het niet volledig weergeven van zijn ter vergadering gevoerde betogen of naar zijn oordeel onjuist genuanceerde formuleringen. Er is derhalve geen sprake van 'vervalsingen' of 'pertinente onjuistheden'. Ook hierin is hij niet ontvankelijk.

Het derde bezwaar richt zich tegen de weigering van de kerkenraad tot een door het consistorie te nemen actie van opzicht. De reactie van de kerkenraad behelsde de gronden van die weigering. Daartegen kan niet op voet van ord. 19 worden opgekomen.

Jur. NHK 1994 09/94

09/94

Bezwaar tegen de weigering om overschrijving naar een andere gemeente toe te staan. De verzoeken zijn gebaseerd op langdurige en intensieve band met de gemeente van voorkeur, terwijl zij in de eigen gemeente geen of onvoldoende zorg ontvangen.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat het door appellanten niet voldoende is onderbouwd. Doorslaggevend kan niet zijn dat in de andere gevallen beide kerkenraden positief adviseerden, omdat dit argument onvoldoende recht doet aan de in ord. 2-1-2b neergelegde beslissingsbevoegdheid van het BM/PKV.

De generale commissie noemt de voorwaarden die in 21/93 zijn geformuleerd en vervolgt:

De betrokkenheid in de hierboven aangegeven zin zal tot uiting moeten komen in consistent en duurzaam gedrag m.b.t. deelname aan het kerkelijk leven van de gemeente van voorkeur en het ontvangen van pastorale zorg aldaar. Er moet kortom sprake zijn van een zodanig hechte binding met de gemeente van voorkeur dat men in feite reeds volledig daarvan deel uitmaakt.

Bij het overgrote deel van de appellanten is er sprake van een langdurige verbondenheid met de gemeente van voorkeur (en met de evangelisatie waaruit deze deelgemeente is ontstaan). Van één gezin wordt het beroep afgewezen: hun betrokkenheid op de gemeente van voorkeur bestaat sinds zes jaar, wat niet voldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat er sprake is van bijzondere overwegingen van pastorale aard, gezien het door de generale synode gekozen uitgangspunt tot handhaving van het geografisch principe, en het slechts op beperkte gronden toestaan van inschrijving in een andere gemeente dan die van de woonplaats.

Jur. NHK 1994 14/94

14/94

Bezwaar tegen het besluit van de generale synode tot goedkeuring van een werkverslag van een orgaan van bijstand. Meer concreet: de generale synode heeft het verslag behandeld zonder dat de (voormalige) secretaris was uitgenodigd om zich te verdedigen; ter synode is diens goede naam op fundamentele wijze aangetast. Op grond daarvan verzoekt bezwaarde een voorziening te treffen tot rehabilitatie.

De bezwaren worden ongegrond verklaard: betrokkene had zelf gevraagd de vergadering 'op de publieke tribune' te mogen bijwonen en was daarvoor uitgenodigd maar niet verschenen. In het verslag was diens eigen verslag opgenomen, zodat zijn visie duidelijk naar voren kwam. De synode nam geen beslissing aangaande zijn (rechts)positie als adviseur van de kerk - daaraan was reeds een einde gekomen - maar het werkverslag van het orgaan van bijstand. De wijze waarop het verslag besproken is in de synode, wettigt niet de conclusie dat daardoor de goede naam van X. is aangetast. De op hem geuite kritiek overschrijdt noch naar vorm noch naar inhoud de grenzen van het oorbare. Niet aannemelijk is gemaakt dat X in zijn werkelijk belang is geschaad of dat zijn positie op de arbeidsmarkt door het verhandelde zozeer verslechterd is als hij stelt. 

Jur. NHK 1994 16/94

16/94

Bezwaar tegen het besluit van de CK om alle kerkdiensten van de wijkgemeente als gezamenlijke diensten te doen plaatshebben in de gereformeerde kerk ter plaatse.

De beslissingsbevoegdheid tot het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten berust bij de betrokken kerkenraden, terwijl de centrale kerkenraad de plaats van de kerkdiensten vaststelt.

Het bestreden besluit is genomen nadat de wijkgemeente meermalen haar leden heeft geraadpleegd. De wijkkerkenraad en de CK hebben hun in deze toekomende beleidsvrijheid niet op onredelijke wijze gebruikt. Bestreden besluiten zijn na zorgvuldige afweging genomen, daarom hoefde de CK niet voor nadere advisering of bemiddeling te kiezen.

De omstandigheid dat appellant en een minderheid van de leden van de wijkgemeente een ander besluit hadden gewenst, maakt het bestreden besluit niet onzorgvuldig, in het licht van de situatie (het voortschrijdende SoW-proces en het betrekkelijk geringe kerkbezoek).

Jur. NHK 1995 01/95

01/95

Bezwaar tegen de sluiting van een kerkgebouw. De provinciale commissie is volgens bezwaarde onvoldoende ingegaan op de financiële onderbouwingen voor zo'n ingrijpende beslissing: er was geen financiële onderbouwing voor de vorming van een SoW-wijk en andere bezuinigingswegen zijn onvoldoende onderzocht.

De generale commissie stelt voorop dat zij bevoegd is tot beoordeling van de rechtmatigheid van besluiten van kerkelijke lichamen maar niet van de doelmatigheid daarvan. Bij het beoordelen van de rechtmatigheid betrekt de generale commissie algemeen erkende beginselen van behoorlijk bestuur. In dit geval het evenredigheidsbeginsel, in navolging van de Algemene wet  bestuursrecht (art. 3:4 Awb.) als volgt geformuleerd:

in gevallen waarin een bestuursorgaan de bij een te nemen besluit rechtstreeks betrokken belangen moet afwegen, mogen de voor de belanghebbenden nadelige gevolgen niet onevenredig zijn in verhouding tot het met het besluit te dienen doel.

Indien niet blijkt van strijdigheid met geldende voorschriften of algemene beginselen van behoorlijk bestuur, moet een bezwaar worden verworpen, ongeacht de doelmatigheid van het besluit.

Als de bezwarentermijn van 30 dagen verlopen is, is een besluit onherroepelijk. Dit geldt voor alle besluiten die reeds tot stand gekomen waren voordat het bestreden besluit tot sluiting van het kerkgebouw werd genomen. Daarom heeft de provinciale commissie zich terecht niet begeven in het financiële beleid dat aan het bestreden besluit vooraf is gegaan.

Al heeft (zoals is erkend) de voorlichting aan de gemeente in het verleden te wensen overgelaten, geeft de motivering van het besluit niet blijk van onevenredigheid. Alternatieve ingrijpende maatregelen hadden weer elders pijn gedaan. Daarom was niet noodzakelijk dat alternatieven uitputtender waren onderzocht dan gebeurd is.

Bezwaren ongegrond verklaard.

Jur. NHK 1995 04/06/07/09/12/95

04/95, 06/95, 07/95, 09/95, 12/95

Bezwaar tegen de verklaring van de generale synode naar aanleiding van de voortgaande discussie over de vragen rond homoseksualiteit. Met name tegen de slotzin: 'Daarom spreekt de synode thans uit, dat homoseksuelen in hun geaardheid en leefwijze in de kerk ten volle aanvaard behoren te worden'.

Een bezwaar dat de vereniging van ex-homofielen en andere kerken gehoord en dat de classicale vergaderingen geraadpleegd hadden moeten worden, wordt verworpen: de verklaring bevat geen belijden der kerk in de zin van art. X-3 en ord. 4-19, maar bevat een aanbeveling aan het geheel der kerk.

Het bezwaar dat door het bestreden besluit de ene vergadering gaat heersen over de andere (in strijd met art. V-1) wordt verworpen:
de generale synode heeft zich bewogen binnen de taak en bevoegdheid die haar door art. V-2 en ord. 1-11-1 zijn toevertrouwd: ambtelijke vergadering te zijn voor de gemeenten, classes en kerkprovincies tezamen en mitsdien voor de gehele kerk, leiding te geven aan het leven en werken der kerk en opzicht te houden naar de bepalingen van de ordinantie voor het opzicht. Met een aanbeveling als onderhavige doorkruist de synode niet op onaanvaardbare wijze de bevoegdheden ten aanzien van het opzicht, maar geeft zij gestalte aan de zorg voor de kerk als geheel, wat volgens de orde van de kerk zonder enige twijfel op haar terrein ligt.

De heelheid van de kerk wordt door haar dan niet uitgedrukt in een norm die eenvormigheid van geloof en opvatting beoogt, laat staan dwingend wordt opgelegd, maar in een aanbeveling die ertoe strekt die heelheid in al haar verscheidenheid van opvatting en geloof te bewaren en te versterken.

Het bezwaar dat de generale synode daarmee de bevoegdheden met betrekking tot het opzicht aan zich heeft getrokken, wordt verworpen:
het 'behoren' in de slotzin moet niet worden verstaan als dwingende norm maar als verwoording van de overtuiging van de synode die 'als hoedster van de gehele kerk' (ord. 1-11) alle leden van de kerk aanspoort elkaars gevoeligheden te verdragen en elkaar te aanvaarden zoals ook de Heer ons heeft aanvaard. Zo verstaan is de generale synode niet buiten haar bevoegdheden getreden. Ze heeft de uitoefening van de kerkelijke tucht niet onttrokken aan de bevoegde instanties of de vrijheid beperkt om overeenkomstig de bepalingen en binnen de grenzen van de Kerkorde en ord. 11 tucht te oefenen. De genoemde organen behouden ten volle hun verantwoordelijkheid in deze, ook hoe zij zullen omgaan met de aanbeveling in de verklaring. Die verantwoordelijkheid kan overigens niet gescheiden worden van die welke die organen mede voor het geheel van de kerk dragen.

 

Wat het bezwaar tegen verklaring zelf betreft:

aan de generale commissie is niet opgedragen te beoordelen of homofiele geaardheid of leefwijze strijdig zijn met de Heilige Schrift (vgl. 17/89).

De verscheidenheid van uitleg en verstaan van de Schrift binnen de kerk is een gegeven. Aanvaarding van één wijze van verstaan als de juiste brengt mee dat een andere wijze van verstaan vaak minder volwaardig wordt geacht. Binnen het geheel van de NHK mag dit er niet toe leiden dat men het bestaan van de verscheidenheid negeert en uitsluitend rekening houdt met de eigen opvattingen. Wie tot de NHK wil behoren moet die verscheidenheid, hoe moeilijk ook, erkennen.

Bij de uitoefening van de tucht moet met die verscheidenheid rekening worden gehouden. Het effect van die tuchtoefening blijft immers niet beperkt tot de gemeente van de betrokkene en raakt het geheel der kerk (ord. 10-2 in verbinding met ord. 11-6 aanhef en sub 2).

In de (slotzin van) de verklaring wordt niet één bepaalde opvatting over de vraag hoe de homoseksuele geaardheid en leefwijze vanuit de schrift moet worden beschouwd, aan het geheel der kerk opgelegd (al sluit de formulering dit misverstaan niet geheel uit). Er wordt evenmin een oordeel uitgesproken over de toelaatbaarheid of het schriftuurlijk gehalte van de opvatting dat het aanvaarden van deze geaardheid en levenswijze als zodanig in strijd is met het belijden van de kerk.

Aanbevolen wordt - niet meer en niet minder - om door aanvaarding van de homoseksuele leden van de gemeente in hun geaardheid en leefwijze, hoe men daarover ook moge denken, van elke tuchtmaatregel op grond van het enkele bestaan van die geaardheid en leefwijze af te zien en zo een klimaat van veiligheid in de gemeente voor de betrokkenen te scheppen.

De synode heeft in de verklaring klaarblijkelijk het oog gehad op de aansporing uit de Schrift elkaar te aanvaarden zoals ook de Heer ons heeft aanvaard. Zo'n aanvaarden wordt in de verklaring klaarblijkelijk daarom 'ten volle' genoemd, omdat ook de Heer, als Hij ons uit de overvloed van Zijn liefde en genade aanvaardt, dat 'ten volle', dat wil zeggen geheel en al, doet.
Uiteraard moet dit aanvaarden ook gevraagd kunnen worden van de homofiele leden van de kerk ten opzichte van hun broeders en zusters die op grond van hun verstaan van de Schrift de homoseksuele geaardheid en levenswijze afwijzen.
De aansporing elkaar te aanvaarden dwingt er niet toe elkaars opvattingen te onderschrijven, maar impliceert evenzeer elkaar geen aanstoot te geven.
Op die volledige aanvaarding van elkaar als leden van de kerk, op de onderlinge verdraagzaamheid, het achterwege laten van het oordeel over de (vermeende) zonde waarin de ander verkeert en het op basis van een en ander scheppen van een veilig klimaat met als consequentie het afzien van het toepassen van tuchtmaatregelen, ligt klaarblijkelijk in de verklaring het accent. Slechts in een klimaat van wederzijds begrip en van veiligheid kan het gesprek plaatsvinden dat moet leiden tot een oplossing van de moeilijkheden die in het samenleven binnen dezelfde kerk en dezelfde gemeente kunnen worden veroorzaakt door tegengestelde opvattingen en leefwijzen.

De generale synode heeft met het bestreden besluit, opgevat zoals hierboven uiteengezet, geen regel van de orde der kerk geschonden.

Jur. NHK 1995 05/08/95

05/95, 08/95

Bezwaren tegen het besluit van de generale synode inzake het rapport Afhouding van het Avondmaal als middel van kerkelijke tucht. In het besluit overweegt de generale synode ‘dat tuchtoefening in een bepaalde gemeente niet behoort plaats te vinden vanwege een leer of leefwijze die in het geheel van de Kerk op grond van het verstaan van de Heilige Schrift niet onaanvaardbaar wordt geacht’.

Hierdoor, aldus bezwaarden, heerst de ene ambtelijke vergadering (de generale synode) over de andere (de kerkenraad), in strijd met art. V-1.

De zienswijze van de bezwaarden is: de kerkenraad (handelend in het consistorie) is in zijn bevoegdheid om maatregelen van tucht uit te oefenen gebonden aan de Schrift en de Belijdenis… Het criterium waaraan het besluit van de generale synode de uitoefening van de tucht wil houden (het zogenaamde ‘geheel van de kerk’) is op geen enkele wijze vastgelegd en heeft dan ook geen wettige grond binnen de kerk.

De generale commissie oordeelt op de betreffende bezwaren zoals uitgesproken naar aanleiding van 04/95, 06/95, 07/95, 09/95, 12/95 en voegt daaraan toe:

de generale commissie stelt overigens vast dat het bestreden besluit, zoals dit is toegelicht, geen betrekking heeft op tuchtoefening tegen uitingen of gedragingen van onnodig provocerende aard.

Jur. NHK 1995 10/95

10/95

Bezwaar tegen de verklaring van de generale synode van 24 maart 1995 (Afhouding van het Avondmaal als middel van kerkelijke tucht), gericht aan de leden van de generale commissie, ‘zijnde van het mannelijk geslacht’. Aan bezwaarde is gevraagd een motivering te zenden aan de generale commissie. De toelichting is echter opnieuw slechts aan de mannelijke leden gericht, waarop de commissie oordeelt dat – nu appellant klaarblijkelijk opzettelijk een ontoelaatbaar onderscheid maakt tussen de leden van de generale commissie - op deze brief bij de beoordeling van het bezwaar geen acht kan worden geslagen en bezwaarde niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Jur. NHK 1995 11/95

11/95

Bezwaar tegen ‘de viering van het Heilig Avondmaal, blijkens het verslag van dr. ir. J. van der Graaf in de Waarheidsvriend’, gericht aan de mannelijke leden van de generale commissie. Overigens zijn bezwaar, beoordeling en beslissing gelijk aan 10/95.

Jur. NHK 1995 13/95

13/95

Bezwaar tegen de diaconie die niet wil ingaan op een voorstel tot minnelijke schikking inzake de problemen rond de veiling van een boerderij en de verpachting van daarbij behorende gronden. Bezwaarde wenst tevens herstel van de relatie met de kerk waarvan de diaconie deel uitmaakt.

De beslissing van de provinciale commissie wordt vernietigd voor zover het bezwaarde niet ontvankelijk is verklaard. De generale commissie oordeelt dat het verzoek niet slechts gericht was op het afwikkelen van de tussen partijen gevoerde procedures maar ook op het bereiken van een oplossing van de pastorale problemen die gerezen zijn. In zoverre heeft bezwaarde een door de kerkelijke rechter te beschermen belang en is hij ontvankelijk.

Het bezwaar dat de diaconie geen gesprek wil voeren over de veiling en verpachting is echter ongegrond. Bezwaarde wil daarin de civielrechtelijke en financiële aspecten aan de orde stellen, maar door de beslissing van de burgerlijke rechter is daaraan een einde gekomen. Daarbij dient bezwaarde zich neer te leggen.

Om een oplossing van de pastorale problemen na te streven zou een gesprek van pastorale aard met predikant en kerkenraadsleden plaats kunnen hebben, wellicht in bijzijn van enige leden van de diaconie. Echter zonder voorwaarden vooraf, en met inachtneming van het feit dat de zaak door de uitspraken van generale commissie en de burgerlijke rechter is geëindigd.

Jur. NHK 1995 20/95 A-G

20/95A-G

Bezwaren in zeven beroepsschriften, die samengevat behelzen:

Bezwaar tegen de preambule, conventie en regeling voor het houden van gemeenschappelijke kerkdiensten, als in strijd met de orde der kerk. Verzoek aan de CK en andere gremia van de centrale gemeente elke vorm van SoW op centraal niveau te verbieden, nu wijkgemeente X zich tegen elke vorm van SoW verzet.

Verzoek aan de CK op te dragen overeenkomstig de orde der kerk en de plaatselijke regeling zes keer per jaar afzonderlijk, regelmatig en behoorlijk bijeengeroepen te vergaderen, volgens een jaarlijks schema.

Verzoek de CK te verbieden gezamenlijk met de KAZ te vergaderen als vervanging van de kerkordelijk te houden vergaderingen, nu dit tot praktische fusie leidt.

Verzoek te verstaan dat op 30 aug. 1994 en op 15 dec. 1994 geen rechtsgeldige de hervormde gemeente bindende besluiten zijn genomen, het besluit van 24 febr. 1994 te vernietigen, te schrappen uit de notulen en de CK op te dragen daarvan melding te maken in het kerkblad, nu er sprake is van onzorgvuldig handelen.

Verzoek de CK op te dragen te vergaderen buiten aanwezigheid van hiertoe niet behorende derden, nu wijkgemeente X zich tegen elke vorm van SoW verzet.

 

De generale commissie verklaart de beroepen gegrond:

de provinciale commissie heeft zich beroepen op art. 2-1 van de Interimregeling samenwerking hervormde gemeente en gereformeerde kerk en geoordeeld dat het houden van gemeenschappelijke vergaderingen in de vorm van samenwerking niet op één lijn kan worden gesteld met het aangaan van een federatie waarbij een algemene kerkenraad wordt gevormd waaraan bepaalde bevoegdheden van de CK (kunnen) worden gedelegeerd.

Daarom gaat het, volgens de provinciale commissie, te ver om aan het houden van gemeenschappelijke vergaderingen de eis te stellen dat alle wijkkerkenraden daarmee instemmen, als aan de kerkrechtelijke positie van de wijkkerkenraad die niet SoW wenst te gaan en de eigen verantwoordelijkheid van CK als hervormd orgaan voldoende zijn gewaarborgd.

 

De generale commissie oordeelt dat niet alleen een besluit tot federatie van de basisovereenkomst maar ook de afzonderlijke regelingen voor de verschillende vormen van samenwerking (waaronder de werkwijze van de kerkenraad ingevolge art. 3-2 van de Interimregeling brede interkerkelijke samenwerking) slechts tot stand kunnen komen met inachtneming van de in ord. 20-3a gestelde voorwaarden. Deze voorwaarden gelden ook voor een afzonderlijke samenwerking van de centrale gemeente.

[De generale commissie lijkt hier de voorwaarden van een regeling uit hoofdstuk II van de Interimregelingen voor de gemeenten, namelijk die voor de brede interkerkelijke samenwerking (federatie), toe te passen op een regeling voor gewone samenwerking van gemeenten uit hoofdstuk I; aantek. PvdH]

De gemeenteleden moeten op dezelfde wijze worden geïnformeerd en geraadpleegd en de overeenkomst moet door dezelfde instanties worden goedgekeurd. Overeenkomstig art. 1-2 van de Interimregeling moet de overeenkomst ook worden aanvaard door de kerkenraden van alle wijkgemeenten en als wijkgemeente fungerende delen van de gemeente. De wijkkerkenraden zijn verplicht het ontwerpbesluit voor te leggen aan de gemeenteleden. Alleen als alle wijkkerkenraden instemmen kan de regeling worden vastgesteld.

 

Een en ander sluit niet uit dat door de CK een samenwerkingsregeling kan worden getroffen zonder toestemming maar wel met inachtneming van de positie van de bezwaarde wijkgemeente. Een dergelijke regeling dient dan wel zodanig te zijn dat de wijkgemeente die niet zelf tot samenwerking wil overgaan, ruimte krijgt als niet samenwerkende wijkgemeente haar plaats te behouden om daarin naar eigen overtuiging te kunnen leven. Een dergelijke regeling zal niet alleen een zorgvuldige formulering vereisen, doch zal ook aan de eigen wijze van gemeente-zijn van de wijkgemeente in de verdere toekomst ruimte moeten geven.

Jur. NHK 1995 21/95

21/95

Bezwaar tegen het besluit van de kerkenraad om na het vertrek van de predikant aan ouderling X voor extra werkzaamheden in de gemeente een vergoeding toe te kennen.

De provinciale commissie overwoog dat het uitkeren van een vergoeding aan een ouderling in strijd is met de kerkorde maar – en daartegen richt zich het beroep - liet de rechtsgevolgen van het bestreden besluit onverlet.

De generale commissie verwijst naar de in art. IV-6 en ord. 14-1,2 genoemde taken van de ouderling, terwijl niet is gebleken dat oud. X feitelijk taken heeft uitgeoefend die in de kerkorde bij uitsluiting aan anderen zijn opgedragen of toegekend. Met name blijkt niet dat hij in enigerlei bediening als bedoeld in art. VII is gesteld, terwijl er evenmin sprake was van een – al of niet beoogde – arbeidsovereenkomst. Een regelmatige vergoeding is daarvoor niet voldoende en van een gezagsverhouding is niets gebleken.

Daarom laat de generale commissie de rechtsgevolgen in stand: de ouderling behoeft het hem uitgekeerde niet terug te betalen.

Jur. NHK 1995 22/95

22/95

Bezwaar niet ontvankelijk verklaard op grond van de termijn. Ook als de commissie rekening houdt met een redelijke vakantieperiode, dan nog is het bezwaar te laat ingediend. De omstandigheid dat betrokkene de tijdslimiet van ord. 19-9-1 niet kende brengt daarin, zoals de commissie meermalen heeft overwogen, geen verandering.

Jur. NHK 1995 23/95

23/95

Een bezwaar tegen het besluit van het breed moderamen van de PKV om bezwaren tegen de verdere ambtsbediening voor te leggen aan de in ord. 13-30 bedoelde commissie wordt ongegrond verklaard.

De aangevoerde feiten en omstandigheden worden door de generale commissie niet beoordeeld, maar geven voldoende grond voor het oordeel dat het breed moderamen in redelijkheid kon besluiten aan de commissie ex ord. 13-30 ter behandeling voor te leggen dat tegen de verdere ambtsbediening bezwaren bestaan.

Jur. NHK 1996 01/96

01/96

Bezwaar van een college van kerkvoogden tegen de beslissing van de commissie van beroep (ord. 13-50) omdat
- het college niet in staat was gesteld de mondelinge behandeling in eerste aanleg bij te wonen,
- de lange duur tussen deze behandeling en de uitspraak onacceptabel is, en
- de commissie eraan voorbij is gegaan dat verstrekte informatie onjuist was.

De generale commissie stelt voorop dat zij een beslissing ingevolge van ord. 13-50-4 slechts kan vernietigen op één der in die bepaling aangegeven gronden, namelijk als die beslissing gegeven is in strijd met een kerkordelijke bepaling, als van een bevoegdheid onjuist gebruik is gemaakt, of als een bepaling gehanteerd is op een wijze die in redelijkheid niet als juist kan worden beschouwd.

Het college van kerkvoogden was uitgenodigd voor de mondelinge behandeling, en had zich bij verhindering kunnen laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Nu daarvan geen gebruik is gemaakt heeft – gelet ook op de nadere schriftelijke toelichting van het college van kerkvoogden – het college voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt uiteen te zetten.

De periode tussen behandeling en uitspraak is niet onredelijk lang te achten, temeer nu het van algemene bekendheid is dat kerkelijke commissies als deze niet in staat zijn wekelijks te vergaderen.

Het college van kerkvoogden heeft geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat de uitspraak van de commissie van beroep geen stand kan houden.

Daarom wordt de beslissing bevestigd.

Jur. NHK 1996 03/96 A+B

03/96 A+B

Geschil tussen een breed moderamen van de classicale vergadering en een kerkenraad enerzijds en een predikant anderzijds.

De predikant heeft (als voorzitter van een stichting evangelisatie X en omstreken) een evangelist bevestigd om fulltime in die gemeente te werken, welke evangelist daar zonder toestemming van de kerkenraad actief is.

Het gaat om een vaste kern van 30 personen, met een kring van 150 mensen die zich min of meer betrokken voelen. Samenkomsten vinden elke zondag plaats en er zijn activiteiten voor de jeugd. De doelgroep wordt gevormd door mensen met een r.k. achtergrond, mensen van de plaatselijke hervormde gemeente worden niet benaderd. Er worden geen sacramenten bediend, er is geen ambtelijke vertegenwoordiging. Men wil daartoe wel overgaan, wanneer een gemeente wordt gesticht.

De generale commissie oordeelt dat de werkzaamheden van ds. X behoren tot de gewone ambtswerkzaamheden van de predikant. Deze behoren niet dan ten dienste van een gemeente te worden verricht, onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad.

Nu verantwoordelijke kerkenraad ter plaatse bezwaar maakt dient de kerkenraad te handelen overeenkomstig ord. 13-4b-3 en dient het daar bedoelde overleg ten spoedigste ter hand te worden genomen. Indien dat gebeurt en de kerkenraad geen verantwoordelijkheid blijkt te kunnen dragen voor de arbeid van de predikant en de evangelist, mag van de predikant worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden ter plaatse zal staken en bevordert dat de evangelist evenzo handelt.

Uitgangspunt zal moeten zijn dat de kerk verantwoordelijk is voor de verkondiging van het Woord Gods en dat de verantwoordelijke kerkenraad ter plaatse haar arbeidsveld in dit verband omschreven vindt in ord. 1-2-1.

Wel mag aan de kerkenraad gevraagd worden er oog voor te hebben wanneer er kennelijke behoefte blijkt te bestaan aan hervormd-gereformeerde kerkdiensten en/of evangelisatie bijeenkomsten. De generale commissie kan zich voorstellen dat daarbij voorzichtigheid in acht genomen dient te worden, gelet op de verhouding met de rooms-katholieke kerk. Maar deze voorzichtigheid mag de keuzevrijheid van mensen niet in gevaar brengen. Van de evangelisatie mag verwacht worden dat ze de gevoeligheden op het punt van de verhouding tot de RKK respecteert en daarmee in haar optreden rekening houdt.

Jur. NHK 1996 04/96

04/96

De generale commissie kan een beslissing van de commissie ex ord. 13-50 slechts vernietigen op de in ord. 13-5-4 aangegeven gronden. Het college van kerkvoogden bestrijdt dat de onkostenvergoeding van toepassing is nu in het ministerie van predikanten een afwijkend voorstel aan de orde is geweest dat stilzwijgend is geaccepteerd, welke regeling inmiddels is vastgelegd op de (goedgekeurde) ligger waarvan alle wijkpredikanten een kopie hebben ontvangen.

De vergoeding van de telefoonkosten is vastgelegd in de Generale Regeling voor de predikantstraktementen die wordt vastgesteld middels een met veel rechtswaarborgen omgeven procedure. De door de kerkvoogdij genoemde regeling is niet op die wijze tot stand gekomen. Reeds daarom kan deze wijziging geen rechtsgevolgen hebben voor betrokkene, nu ook overigens niet gebleken is dat betrokkene van deze (procedure)regeling uitdrukkelijk afstand heeft gedaan.

Jur. NHK 1996 04/96 S

04/96S

Verzoek om opschorting van de uitvoering van de beslissing van de commissie ord. 13-50 tot uitbetaling van de vergoeding van de telefoonkosten conform de Generale Regeling afgewezen. Het gaat om reeds enkele jaren geleden gemaakte telefoonkosten, terwijl er bij uitbetaling geen onomkeerbare situatie zou ontstaan. In dat geval kan het college de uitgekeerde vergoeding verrekenen met toekomstige betalingen.

Jur. NHK 1996 05/96

05/96

Bezwaar van de GFR tegen de weigering van het college van kerkvoogden om inzage te geven in de jaarrekeningen over de afgelopen 8 jaar, ondanks een beroep op art. 9-1 van de quositatieregeling. Het college heeft sinds enkele jaren niet meer voldaan aan haar kerkordelijke verplichting inzake het quotum. De kerkvoogdij heeft bezwaren tegen de ambtshalve vastgestelde quotum-aanslagen, omdat onvoldoende rekening is gehouden met de draagkracht van de kerk.

De generale commissie oordeelt dat het quotum wordt vastgesteld op grond van de quositatie-regeling. Volgens deze regeling is de GFR gerechtigd inzage te vragen van de jaarrekeningen, om de draagkracht van de gemeente te kunnen vaststellen.

De kerkvoogdij heeft ook geen inzicht willen geven in de opgerichte stichting ter ondersteuning en instandhouding van de hervormde gemeente te X.

Op grond van de naam van de stichting en omdat het dagelijks bestuur van die stichting bestaat uit personen die ook lid zijn van het college van kerkvoogden gaat de generale commissie ervan uit dat er slechts ruimte was voor het oprichten van een hervormde stichting als bedoeld in ord. 1-27-9, die evenwel slechts met inachtneming van de bepalingen kan worden opgericht. Doordat de kerkvoogdij geen nadere gegevens heeft willen verstrekken is niet gebleken dat die bepalingen ook in acht zijn genomen.

Er dient ernstig rekening mee te worden gehouden dat het besluit om goederen van de gemeente over te dragen aan de stichting niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig de regels van de kerkorde.

Om de draagkracht van de gemeente te kunnen beoordelen dienen ook hierover aan de GFR de voor het vaststellen van het quotum benodigde gegevens te worden verstrekt. De gevolgen van het niet voldoende rekening houden met deze draagkracht komen door de weigering van het college van kerkvoogden voor rekening van de kerkvoogdij.

De generale commissie beveelt het college van kerkvoogden inzage te verstrekken in alle benodigde gegevens.

Jur. NHK 1996 06/96-P

P-06/96

Verzoek om herziening als bedoeld in ord. 19-17 van de eindbeslissing op grond van ord. 3-24 waarbij de verkiezing van ambtsdragers ongeldig is verklaard en het besluit van de kerkenraad tot verkiezing van een ambtsdrager is vernietigd. De predikant voelt zich getroffen in de uitoefening van zijn ambt, aangezien de gekozen ambtsdrager door hem reeds is bevestigd.

Hij is van oordeel dat de provinciale commissie ingevolge ord. 19-8-3 had kunnen bepalen dat de rechtsgevolgen van de verkiezing - ondanks de niet juist verlopen verkiezingsprocedure – onverlet zouden blijven, omdat een wel correct gehouden verkiezing via dubbeltallen niet zou hebben geleid tot een ander resultaat.

De generale commissie oordeelt dat er geen sprake is van feiten en omstandigheden waarmee bij het nemen van de eindbeslissing door de provinciale commissie geen rekening is gehouden.

Ook de beoordeling ambtshalve (op grond van ord. 19-16-4) geeft geen aanleiding te verklaren dat de beslissing onjuist is.

Ten einde het erfgoed van de democratie in de hervormde gemeente te handhaven is het van groot belang dat de kerkenraad van een gemeente zich nauwgezet houdt aan de verkiezingsprocedure die door die gemeente door middel van de zesjaarlijkse stemming is bepaald.

Het verzoek om herziening wordt afgewezen.

Jur. NHK 1996 07/96

07/96

Het college van kerkvoogden komt in beroep op een beslissing van de provinciale commissie dat niet het college maar de kerkenraad bevoegd was een besluit te nemen [nl. om bij de burgerlijke rechter in appèl te gaan].

Appellant erkent niet de bevoegdheid van de provinciale commissie om te oordelen over (besluiten van) een college van kerkvoogden van een gemeente met vrij beheer. De generale commissie verwijst hierbij naar de beslissing 10/81 en ziet geen aanleiding om daarop terug te komen.

De opvatting dat de kerkelijke rechter slechts bevoegd zou zijn indien die bevoegdheid door appellant wordt aanvaard, faalt. Het recht om bezwaar te maken tegen een besluit van een kerkelijk lichaam is neergelegd in ord. 19-1. Dit voorschrift laat geen enkele ruimte voor een kerkelijk lichaam om zich aan de rechtsmacht van de kerkelijke rechter naar eigen goedvinden te onttrekken. Evenmin laat ord. 1-15-2 ruimte voor een orgaan van de kerk om naar eigen inzicht wel of niet de hoedanigheid van lichaam in de zin van dat voorschrift aan te nemen. De wordingsgeschiedenis van deze voorschriften geven geen aanleiding voor het oordeel dat de kerkelijke wetgever een met de tekst van de bewuste voorschriften onverenigbare bedoeling zou hebben gehad.

De generale commissie heeft uit andere hoofde bezwaar tegen de aangevallen beslissing van de provinciale commissie. De kerkelijke rechter respecteert de bevoegdheid en de procesorde van de gewone rechter. Die brengt mee dat wie partij was bij een procedure in eerste aanleg zich tegen de uitspraak van de eerste rechter in appèl moet kunnen voorzien.

Het besluit om een zaak aan de gewone rechter voor te leggen kan op de door de kerkorde aangegeven wijze worden aangevochten, wat tot vernietiging van dat besluit kan leiden. Als dat zou plaatsvinden tijdens de loop van de procedure zou de procesorde van die rechter worden verstoord. Zulk een verstoring is slechts aanvaardbaar als daarvoor bijzonder klemmende redenen zijn, waarvan hier niet is gebleken. Bezwaarde was reeds notabel ten tijde van het besluit om een vordering in te stellen, doch heeft toen geen bezwaar als bedoeld in ord. 19 ingesteld.

Het beroep is gegrond verklaard en de beslissing van de provinciale commissie vernietigd.

Jur. NHK 1996 09/96

09/96

Een bezwaar van de PKC tegen het besluit van de kerkvoogdij tot oprichting van een stichting waaraan de kerkelijke goederen overgedragen kunnen worden en tegen het besluit tot overdracht van die goederen aan die stichting is door de provinciale commissie gegrond geoordeeld en die besluiten zijn vernietigd.

Het college van kerkvoogden voert aan:
a. de PKC is niet ontvankelijk, want niet de kerkvoogdij maar de vergadering van lidmaten heeft een daartoe strekkend besluit genomen;
b. de kerkvoogdij is geen lichaam als bedoeld in ord. 19-1-1 juncto ord. 1-15-2 zodat de provinciale commissie niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen;
c. de kerkvoogdij had voor de oprichting van een stichting geen goedkeuring nodig van de PKC;
d. de PKC meet met twee maten: in andere gemeenten zijn kerkelijke goederen al sinds jaar en dag ondergebracht in een niet kerkelijke stichting.

 

Ad a. en b.:

Het is volstrekt onaannemelijk dat de oprichting van de stichting en de economische overdracht van de kerkelijke goederen niet tenminste mede berust op een besluit van de kerkvoogdij. Noch het plaatselijke oud-toezicht noch het vrij beheer reglement kennen een bevoegdheid toe aan een vergadering van lidmaten, daargelaten de vraag of er daarin sprake was van geldige besluitvorming (wat niet uit de stukken blijkt).

Het betoog dat de kerkelijke rechter behoort terug te treden waar de vraag naar de geldigheid van de kerkordewijziging is voorgelegd aan de burgerlijke rechter faalt. In die zaak is een andere rechtsvraag aan de orde en de provinciale commissie kan en moet uitgaan van de geldigheid van de kerkordewijziging, zolang de burgerlijke rechter daarover niet in andere zin heeft beslist.

Er kan geen twijfel over bestaan dat de kerkvoogdij een locaal lichaam is in de zin van ord. 19-1-1, zeker sinds de kerkordewijziging van 1992, maar ook reeds voordien (zie 10/81).

Art. 2 van boek 2 BW geeft noch de hervormde gemeente noch haar kerkvoogdij ten opzichte van het geheel van de kerk en haar organen rechtens aanspraak op volledige vrijheid van handelen en beschikken. De rechtspersoonlijkheid waarop de bepaling doelt, mag niet worden verward met de onderlinge verhouding waarin rechtspersoonlijkheid bezittende organisatievormen die van een groter organisatorisch verband deel uitmaken, tot elkaar staan. Die verhouding kan een meerdere of mindere mate van controle of zeggenschap van de ene rechtspersoon in de andere meebrengen.

 

Ad c.:

Sinds 1992 (en zeker sinds 1996) geldt de kerkorde als geheel ook voor de gemeente X en is de gemeente met inbegrip van haar kerkvoogdij daaraan gebonden. Ord. 1-27-8 en 9 (en uit kracht daarvan de generale regeling voor stichtingen) golden ook reeds in december 1995 voor de gemeente en meer in het bijzonder voor haar kerkvoogdij.

Stichtingen kunnen ingevolge ord. 1-27-9 alleen met inachtneming van de generale regeling worden opgericht. De stichting is door de hervormde gemeente opgericht, de volmachtgevers handelden als vertegenwoordigers van de gemeente. Het doel van de stichting is het ondersteunen van de hervormde gemeente, het bestuur wordt gevormd door voorzitter, secretaris en penningmeester van het college van kerkvoogden en andere leden van de hervormde gemeente. Beoogd werd de aan de hervormde gemeente toebehorende gelden en vermogensbestanddelen (waaronder registergoederen) aan de stichting in beheer te geven en aangekondigd werd zulks te doen.

Er was, gelet op ord. 1-27-9, slechts ruimte voor de oprichting van een hervormde stichting, waarbij art. 2 van de generale regeling voor stichtingen diende te worden nageleefd, wat niet is gebeurd. Niet is voldaan aan het vereiste van voorafgaande schriftelijke goedkeuring door de PKC (art. 2-3). Goedkeuring zou zijn onthouden, omdat de overgelegde statuten op een groot aantal punten niet aan de in art. 2-5 gegeven voorschriften voldoen.

De generale commissie leidt uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling af dat tot de oprichting van en overheveling van het kerkelijk vermogen naar de stichting is besloten, uitsluitend om te voorkomen dat de zorg voor en het beheer van het vermogen zou komen te vallen onder het kerkelijk toezicht. Dit oogmerk is naar het oordeel van de commissie strijdig met wat mag worden verwacht van een hervormde gemeente die deel uitmaakt van het geheel der kerk. Dat gemeenten zo de bepalingen van de kerkorde waaraan zij zijn of zullen zijn onderworpen, doelbewust trachten te ontgaan is reeds in strijd met de goede trouw die in elk geval voor haar handelen jegens de gehele kerk en al haar onderdelen afzonderlijk richtsnoer dient te zijn.

Dat wordt niet anders als de gemeente wil voorkomen dat zij door het proces van SoW de eigendom zou verliezen van haar kerkelijke goederen. Dat wordt door dat proces thans geenszins beoogd en door de kerkordewijziging 1992 ook in genedele bewerkstelligd. De vrees van verlies van eigendom is ongegrond en kan geen rechtvaardiging vormen voor de bestreden besluiten.

Voor zover sprake is van het uitoefenen van enige bevoegdheid levert het oprichten van de onderhavige stichting en de overdracht van het vermogen van de gemeente daaraan, een gebruik van die bevoegdheid op met een ander doel dan waarvoor zij is verleend (in de bewoordingen van art. 3 boek 3 BW).

 

Ad d.:

het bezwaar van rechtsongelijkheid wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen, nu de kerkvoogdij in gebreke is gebleven overtuigende voorbeelden te geven van met het onderhavige vergelijkbare gevallen.

Jur. NHK 1996 10/96

10/96

De procedure, de feiten, de bestreden beslissing met de in beroep aangevoerde bezwaren, de beoordeling door de generale commissie en de beslissing zijn vrijwel gelijk(luidend) aan die in 09/96. 

Jur. NHK 1996 11/96

11/96

Ds. X meent dat de raad voor de predikantstraktementen zijn functie om verantwoordelijk te zijn voor de regeling van de onkostenvergoeding voor predikanten niet behoorlijk vervult. De generale commissie voor het opzicht heeft hem verwezen naar de regionale commissie die echter de klacht niet in behandeling nam, omdat het in ord. 11 gaat over de vervulling van ambt of functie van individuele personen.

De generale commissie verstaat de brief als een verzoek om toepassing van ord. 19-3-2 en beslist dat het breed moderamen van de generale synode bevoegd is de klachten te beoordelen. De grenzen die aan de taken van de raad worden gesteld worden bewaakt door het orgaan van de kerk dat bevoegd is tot instelling van de raad, dus het breed moderamen van de generale synode.

Jur. NHK 1996 13/96

13/96

De provinciale commissie heeft een college van kerkvoogden niet ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de weigering van de penningmeester van de voormalige streekgemeente een toegekend bedrag uit te betalen, dat in het kader van de financiële afwikkeling van de streekgemeente aan het college van kerkvoogden was toegezegd.

De provinciale commissie overwoog dat de penningmeester niet is aan te merken als een kerkelijk lichaam in de zin van ord. 19-1 en dat er geen sprake is van een geschil in de zin van ord. 19-2.

De generale commissie oordeelt dat de besluiten van penningmeester genomen zijn als lid van de (voormalige) streekkerkvoogdij en moeten worden aangemerkt als besluiten (waaronder is begrepen handelen en nalaten) van een kerkelijk lichaam, te meer waar deze streekkerkvoogdij zich niet van die besluiten heeft gedistantieerd.

Inhoudelijk: de definitieve afrekening van de streekkas zou worden opgesteld door de PKC in overleg met de kerkvoogdijen en de streekkerkvoogdij. Het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering heeft de afrekening definitief vastgesteld en daarbij enkele geschilpunten beslist. Van de mogelijkheid om tegen de vastgestelde eindafrekening bezwaar te maken is geen gebruik gemaakt.

De generale commissie overweegt dat het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering op grond van ord. 2-19 t/m 26 bevoegd is tot het instellen en ontbinden van streekgemeenten en tot het geven van voorzieningen in het kader daarvan. De vaststelling van de eindafrekening past binnen die bevoegdheid.

Ook als de penningmeester de vastgestelde afrekening niet redelijk vindt, dient hij het nog niet betaalde alsnog uit te betalen.

Jur. NHK 1996 14/14a/15/96

14/96, 14A/96, 15/96

14/96 behelst een bezwaar tegen het besluit van het breed moderamen van de generale synode tot toepassing van ord. 2-30 en een commissie in te stellen om te doen wat des centrale kerkenraads is, met name het treffen van een regeling voor het gebruik van het kerkgebouw als bedoeld in ord. 2-10-7.
Bezwaarde wijkgemeente acht het besluit niet voldoende gemotiveerd en de situatie niet zodanig dat toepassing van ord. 2-30 gerechtvaardigd is.

14A/96 maakt bezwaar tegen het besluit van de commissie ex ord. 2-30 waarin een gebruiksregeling voor het kerkgebouw wordt getroffen. Bezwaarde wijkgemeente acht de regeling overbodig en vindt dat onvoldoende tot uitdrukking komt dat de kerkdienst ongehinderd moet kunnen plaatsvinden, dat de zondagsheiliging gerespecteerd moet worden en dat het kerkgebouw ook voor bijzondere diensten als rouw- en trouwdiensten passend moet zijn voor het gebruik.

15/96 is gericht tegen het verzuim van het breed moderamen van de generale synode om te reageren op het verzoek om ord. 2-10a-8 met terugwerkende kracht toe te passen zodat de buitengewone wijkgemeente als rechtspersoon kan optreden, en zodat vermeden wordt - nu de BW sinds 1982 als rechtspersoon is opgetreden - dat voor de kerkvoogden onverdiende en onoverzienbare persoonlijke aansprakelijkheid zou ontstaan.

 

Ad 14/96:

Het besluit van het breed moderamen is niet gemotiveerd, wat in strijd is met het motiveringsbeginsel. In het verweerschrift is het besluit echter alsnog voldoende gemotiveerd, terwijl de gronden reeds meermalen besproken waren met de wijkgemeente. Omdat de feiten en omstandigheden waarop het besluit was gebaseerd, bij de wijkgemeente bekend waren, is de BW door het motiveringsgebrek niet in haar belangen geschaad.

De generale commissie kan slechts beoordelen of het breed moderamen, gegeven diens beleidsvrijheid, in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen. Aan de formele vereisten is voldaan, visitatoren achten de maatregel zelfs onontkoombaar, in de loop der jaren waren er herhaaldelijk conflicten over onder meer het gebruik van het kerkgebouw, de beheersovereenkomst was onderwerp van diverse procedures bij de burgerlijke rechter, de CK heeft verzocht - bij gebreke aan overeenstemming - te doen wat het BM noodzakelijk acht.

Het bezwaar tegen het gebrek aan motivering is gegrond, maar leidt niet tot vernietiging van het besluit, voor het overige zijn de bezwaren ongegrond.

 

Ad 14A/96:

De commissie ex ord. 2-30 heeft dezelfde beleidsvrijheid die de CK heeft ten aanzien van een gebruiksregeling voor het kerkgebouw. De generale commissie beoordeelt slechts of de commissie het besluit in redelijkheid heeft kunnen nemen.

De omstandigheid dat het om een voorlopige regeling met beperkte geldigheidsduur gaat, neemt niet weg dat de BW voldoende belang heeft bij een beoordeling, omdat de geldigheidsduur kan worden verlengd.

Het behoort mede tot de bevoegdheid van de commissie ex ord. 2-30 de geschiktheid van het kerkgebouw ten behoeve van het gebruik voor kerkdiensten te beoordelen. De aangevoerde praktische bezwaren betreffende tijdig overleg met de commissie in spoedeisende gevallen, zijn gezien de huidige communicatiemiddelen niet steekhoudend.

De generale commissie oordeelt dat het kerkgebouw bij voorrang beschikbaar dient te zijn voor gemeentelijke en kerkelijke doeleinden (ord. 6-4-4), waartoe met name ook rouw- en trouwdiensten behoren. Daarbij dient het kerkgebouw ook passend ingericht te zijn: de inrichting van een kerkgebouw en de schikking van de kerkmeubelen mogen niet strijdig zijn met de liturgische grondgedachten van de Reformatie (ord. 6-4-2). Daarom moet de regeling zo worden aangepast dat de geschiktheid van het kerkgebouw ook voor deze diensten voldoende wordt gewaarborgd.

 

Ad 15/96:

Het besluit om ord. 2-10a-8 toe te passen (dat reeds was genomen maar aangehouden tot na de totstandkoming van de gebruiksregeling voor het kerkgebouw) moet onverwijld worden geëffectueerd, ter beëindiging van de bestaande onduidelijkheid over de juridische status van de BW en haar college van kerkvoogden, met alle ongewenste effecten van dien (zowel tegenover derden als binnen de gemeente).

Uitstel van deze toepassing kan de redelijkheidtoets niet doorstaan: ord. 2-10a-8 geeft slechts een regeling voor de verzorging van de stoffelijke belangen. De gebruiksregeling voor het kerkgebouw valt daar niet onder maar behoort tot de taak van de CK (nu de commissie ex ord. 2-30). Langs die weg kan het breed moderamen voldoende toezicht houden op de voortgang van de besluitvorming. 

Jur. NHK 1996 14/96 S

14/96 S

Verzoek om het besluit tot toepassing van ord. 2-30 en een commissie in te stellen 'om te doen wat des centrale kerkenraads is' op te schorten.

De beide wijkgemeenten zijn reeds sinds jaren kennelijk niet in staat om tezamen de centrale gemeente te vormen, met name omtrent het gebruik van het kerkgebouw zijn telkens problemen tussen hen gerezen. Daarom duldt de situatie in de visie van het breed moderamen van de generale synode geen verder uitstel.

Tenuitvoerlegging van het bestreden besluit zal het ingrijpende gevolg (kunnen) hebben dat het aantal kerkdiensten van de wijkgemeente (aanzienlijk) zal verminderen, terwijl dit ingrijpend gewijzigd rooster tenminste zou moeten gelden voor het gehele komende seizoen.

De voorzitter acht het in beginsel niet gewenst, zolang de beslissing niet is genomen, in de bestaande situatie wijziging aan te brengen, tenzij er zwaarwegende belagen bestaan.

Het schorsingsverzoek wordt toegewezen.

Jur. NHK 1996 14/96 S II

14/96 II

Uit een aanvullend beroepsschrift en de reactie daarop blijkt dat reeds eerder besloten was tot invoering van een rooster dat beide wijkgemeenten de mogelijkheid biedt om iedere zondag een kerkdienst in het kerkgebouw te houden. Als de voorzitter deze feiten en omstandigheden had kunnen meewegen, zou de beslissing anders hebben geluid.

Daarom wordt het schorsingsverzoek alsnog afgewezen.

Jur. NHK 1996 17/96

17/96

De provinciale commissie heeft het bezwaar van de PKC tegen het besluit van de kerkvoogdij (met vrij beheer) tot oprichting van een stichting met het doel daarin kerkelijk vermogen onder te brengen en tegen het besluit tot inbreng van kerkelijk vermogen in de stichting gegrond geoordeeld en die besluiten vernietigd.

De hervormde gemeente voert aan dat de provinciale commissie verzuimd heeft hoor en wederhoor te plegen en dat de besluiten juist waren.

Het laatste bezwaar wordt niet toegelicht en kan niet slagen. Het eerste gaat niet op: als de uitnodiging ten gevolge van een ongeval te laat kwam, blijft die omstandigheid voor rekening van de kerkvoogdij. Bovendien is een kerkvoogd alsnog telefonisch gehoord en heeft hij daarbij het standpunt van de gemeente kunnen toelichten.

Jur. NHK 1996 18/96

18/96

De provinciale commissie heeft een bezwaar van de PKC tegen de handelwijze van de hervormde gemeente (de kerkenraad verklaarde zich niet bereid over te gaan tot het opstellen van een aanpassingsverklaring en antwoordde niet op de vraag of het college van kerkvoogden besloten had kerkelijke goederen in een stichting onder te brengen) gegrond verklaard en bepaald dat de kerkenraad het beheer diende in te richten volgens ord. 16 en 18 en het besluit van het college van kerkvoogden tot het oprichten van een stichting en voorts ieder besluit tot het inbrengen van kerkelijk vermogen in een dergelijke stichting, vernietigd.

De bezwaren van de kerkenraad van de hervormde gemeente zijn:
a. de provinciale commissie is niet bevoegd: het betreft een geschil tussen de generale synode en de kerkenraad;
b. de PKC is niet ontvankelijk (vanwege de termijn), zij was reeds eerder op de hoogte;
c. de provinciale commissie heeft ten onrechte aangenomen dat de kerkvoogden een stichting in het leven hebben geroepen;
d. de provinciale commissie heeft geen aandacht geschonken aan een aantal argumenten van de hervormde gemeente.

De generale commissie oordeelt

ad a: de PKC heeft voldoende belang (nu zij sinds 1-1-96 ook bevoegd is m.b.t. voormalige vrij-beheer gemeenten) haar bezwaar bij een geschil over het beheer der kerkelijke goederen voor te leggen aan de provinciale commissie. De omstandigheid dat hoger beroep is ingesteld in de procedure bij de burgerlijke rechter brengt geenszins mee dat die besluiten zouden zijn geschorst.

ad b: De eerste brief was een reactie op een algemeen rondschrijven aan niet-aangepaste gemeenten. Kennelijk was de PKC niet zeker of de gemeente zou volharden in haar standpunt nu een van de belangrijkste argumenten daarin (nl. dat door het hoger beroep de synodebesluiten waren geschorst) evident onjuist was. Daarom mocht de PKC wachten tot na verloop van de termijn die zij in een tweede brief had gesteld.

ad c: het stond de PKC vrij het gestelde feit als vaststaand aan te nemen, nu het door de hervormde gemeente niet voldoende was bestreden: 'bevestigen noch ontkennen' is een onvoldoende betwisting.

ad d: niets verplichtte de provinciale commissie in haar beslissing uitdrukkelijk aandacht te besteden aan de in het beroepschrift genoemde punten. Deze stonden noch afzonderlijk noch tezamen het bereikte oordeel in de weg.

De bestreden beslissing wordt bevestigd.

Jur. NHK 1996 19/96

19/96

De hervormde gemeente vindt het vanuit een oogpunt van het omgaan met Gods Woord onaanvaardbaar zich nu aan te passen en over te gaan tot bevestiging van een ouderling-kerkvoogd, die, als de burgerlijke rechter de gemeente in de civiele procedure gelijk zou geven, dan weer van zijn taak zou moeten worden ontheven. Daarom wenst zij thans niet aan aanpassing mee te werken.

De generale commissie heeft er begrip voor dat de gemeente zo zorgvuldig wil omgaan met het ambt van ouderling-kerkvoogd. Hier moet echter zwaarder wegen dat de gemeente dient uit te gaan van de rechtsgeldigheid van de synodale besluiten zolang deze niet door de rechter bij onherroepelijke uitspraak nietig zijn geoordeeld.

Bovendien heeft de gemeente zichzelf in de situatie gebracht die zij kennelijk in strijd met Gods Woord acht: niets belet haar zich voor goed aan te passen aan de huidige beheersstructuur.

De bestreden beslissing wordt bevestigd.

Jur. NHK 1996 20/23/96

20/96 en 23/96

Appellanten komen in beroep tegen de besluiten van de CK om twee kerkgebouwen te verkopen, een predikantsplaats voorlopig voor 50% te vervullen en een nieuw kerkgebouw te stichten. Zij voeren aan dat de vier besluiten als één onlosmakelijk geheel moeten worden gezien, voeren motiveringsklachten aan, en achten de besluiten in strijd met de Tussenorde.

Appellanten wijzen op het belang van de volledige vervulling van de (enige confessionele) predikantsplaats, achten het besluit in strijd met de belofte voorrang te geven aan mensen boven gebouwen en menen dat het ontbreken van een deugdelijk beleidsplan in de weg staat aan de uitvoering van dergelijke ingrijpende besluiten.

De CK stelt dat er sprake is van vier afzonderlijke besluiten, al is er sprake van samenhang. De CK beroept zich op chronische financiële tekorten, die de besluiten noodzakelijk maken.

De generale commissie neemt als uitgangspunt de beslissingsbevoegdheid van de CK, waaraan beleidsvrijheid toekomt en beoordeelt of de CK bij de afweging van belangen in redelijkheid tot die besluiten heeft kunnen komen.

Deze vraag wordt ontkennend beantwoord (behalve waar het de voorgenomen bouw van een nieuwe kerk betreft). De generale commissie neemt in aanmerking dat de vier besluiten niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Het beleidsplan van de CK bevat geen hoofdstuk over de voor de uitvoering benodigde financiën, hoewel de PDC en de PKC geadviseerd hadden zo'n hoofdstuk toe te voegen en ter beoordeling toe te zenden. De besluiten van de CK zouden, met name ook voor de betrokken wijkgemeenten, verstrekkende gevolgen hebben. Het nemen van dergelijke ingrijpende besluiten zonder dat er enig uitgewerkt financieel beleidsplan voorligt, kan de redelijkheidstoets niet doorstaan. De CK behoort een beleidsplan als bedoeld in ord. 1-3a-1 op te stellen. Bovendien dient de CK bemiddeling van de visitatoren in te roepen om een oplossing te zoeken voor de bestaande verschillen van inzicht met betrekking tot de toekomstige inrichting van de gemeente. Verwacht mag worden van de betrokken partijen dat zij zich zoveel mogelijk inspannen om tot elkaar te komen.

Het besluit is niet in strijd met de Tussenorde: er is geen centraal SoW-beleid in de gemeente, het besluit is genomen door de CK afzonderlijk. De vraag of het bouwen van een nieuwe kerk financieel uitvoerbaar is moet worden beoordeeld door de PKC.

Jur. NHK 1996 20/23/96 II

20/96 II en 23/96 II

Verzoek om toepassing te geven aan ord. 19-8-5. De generale commissie oordeelt dat de CK niet nalatig is in de naleving of tenuitvoerlegging van de beslissing van de generale commissie, nu hij doende is een beleidsplan op te stellen en de visitatoren zijn ingeschakeld en dat er derhalve geen aanleiding bestaat gebruikt te maken van de bevoegdheid op grond van ord. 19-8-5.

Jur. NHK 1996 20/96 III

20/96 III

Verzoek om gebruik te maken van de bevoegdheid krachtens ord. 19-8-5.

Reeds in de vorige beslissing zag de generale commissie geen aanleiding ord. 19-8-5 toe te passen. Nu is daarvoor des te minder aanleiding nu de visitatie heeft plaatsgevonden, met alle betrokkenen is gesproken, het beleidsplan is goedgekeurd door PKC en PDC. De CK heeft de gemeente ook niet onjuist voorgelicht over het beëindigen van de diensten in de betrokken wijkkerk. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Jur. NHK 1996 20/96 S

20/96S

Appellanten vragen de schorsingsbevoegdheid uit te oefenen 'terzake van aangelegenheden o.m. het doen beleggen van gemeenteavonden, wijk- en centrale kerkenraads­vergaderingen', waarop zaken aan de orde komen en besluiten worden genomen terzake van de verkoop van twee kerkgebouwen, de gedeeltelijke vervulling van een predikantsvacature en de stichting van een nieuw kerkgebouw.

De voorzitter schort de daadwerkelijke tenuitvoerlegging op van de bestreden besluiten van de centrale kerkenraad (waardoor een onomkeerbare situatie zou kunnen ontstaan, met name door de verkoop van de beide kerken), maar niet van de voortzetting van het besluitvormingsproces in vergaderingen en gemeenteavonden.

Jur. NHK 1996 20/96 S II

20/96 S II

Gevraagde opschorting van handelingen van de CK niet ontvankelijk verklaard omdat er geen beroepschrift aanhangig is. Voor zover zij een beroep wensen te doen op ord. 19-8-5 (het melden van nalatigheid in het gevolg geven aan een beslissing aan de organen voor het opzicht) berust de beslissing daarover niet bij de voorzitter maar bij de voltallige commissie. De voorzitter zal de brief voorleggen aan de generale commissie.

Jur. NHK 1996 20/96 S III

20/96 S III

Opschortingverzoek afgewezen omdat er geen bezwaar- of beroepschrift aanhangig is.

Jur. NHK 1996 21/96

21/96

Bezwaar van de jeugdraad tegen de (wijk)kerkenraad naar aanleiding van de benoeming van een jeugdouderling, omdat de benoeming dient plaats te vinden door de kerkenraad en de jeugdraad tezamen en de jeugdraad met de benoeming niet heeft ingestemd.

De provinciale commissie heeft de jeugdraad niet ontvankelijk verklaard wegens het niet volgen van de procedure ex ord. 3-24.

De generale commissie oordeelt dat de regeling van ord. 3-24 bestemd is voor stemgerechtigde lidmaten, hier is echter sprake van een bezwaar van een orgaan van bijstand, zodat ord. 3-24 niet van toepassing is. Het bezwaar en beroep van de jeugdraad als kerkelijk lichaam dient te worden behandeld conform ord. 19. De generale commissie zal zelf, met toepassing van ord. 19-15-1b, een inhoudelijke beslissing geven.

Partijen verschillen van mening of in dit geval van ord. 3-11 lid 5 dan wel lid 6 van toepassing is. In beide gevallen echter is instemming vereist van het orgaan van bijstand. Wanneer betrokken organen niet tot overeenstemming kunnen komen over een voordracht, kan geen benoeming plaatsvinden en dient een nieuwe voordracht te worden gedaan.

Nu de benoeming tot jeugdouderling is geschied zonder instemming van de jeugdraad, kan het besluit niet in stand blijven en is de bevestiging niet rechtsgeldig.

Het is van groot belang dat kerkelijke lichamen zich nauwgezet houden aan de kerkordelijk voorgeschreven procedure voor de verkiezing of benoeming van ambtsdragers, opdat het erfgoed van de democratie in de hervormde gemeente worde gehandhaafd (P 06/96).

De kerkenraad en de jeugdraad zullen overeenstemming dienen te bereiken, alvorens een benoeming kan plaatsvinden. In verband met de tijd die sinds de benoeming verstreken is, biedt de generale commissie partijen een laatste gelegenheid om het conflict in onderling overleg op te lossen. De kerkenraad dient het ertoe te leiden dat de beoogde jeugdouderling terugtreedt indien tegen diens benoeming bezwaren blijven bestaan van de zijde van de jeugdraad.

De generale commissie beslist dat bij gebreke van voordien tot stand gekomen regeling tussen partijen het vernietigingsbesluit in werking treedt een maand na de beslissing.

Jur. NHK 1996 22/96

22/96

Appelante heeft bezwaar dat bij de afkondiging en bekendmaking van een tuchtmaatregel jegens de predikant niet de naam is bekend gemaakt van degene die de predikant heeft aangeklaagd; zij meent dat er daardoor sprake is van rechtsongelijkheid.

De generale commissie toetst of de provinciale commissie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen. Het persoonlijk belang van appellante (wegens in het verleden opgedane persoonlijke ervaringen in verband met een echtscheiding) kan geen rol spelen, als zijnde niet direct bij de tuchtmaatregel betrokken belang.

Van belang is te onderstrepen dat de rol van de klager na het voorleggen van de klacht is uitgespeeld.

[De rol van de klager is per 1 september 1996 gewijzigd door een nieuw artikel ord. 11-7-1a; aantek. PvdH]

Wie de klacht heeft ingediend is voor de beslissing en de bekendmaking niet relevant. De beslissing treft de aanklager niet. De kerkenraad heeft niet in strijd met de kerkorde gehandeld. De provinciale commissie heeft terecht geoordeeld dat geen belang aanwezig is om de naam van de aanklager openbaar te maken.

Jur. NHK 1996 25/96

25/96

Bezwaar tegen het uitblijven van een antwoord op brieven aan het breed moderamen van de generale synode. De brief is inmiddels (met excuses over de termijn van beantwoording) beantwoord. Het antwoord op brieven van meer algemene aard laat ten gevolge van de druk van meer spoedeisende zaken veelal (te) lang op zich wachten. Het breed moderamen van de generale synode is doende de procedure te verbeteren.

Omdat de brief inmiddels beantwoord is en de procedure verbeterd wordt, heeft bezwaarde geen belang meer bij zijn zaak en wordt hij niet ontvankelijk verklaard.

Jur. NHK 1997 01/97 S

01/97 S

Opschortingverzoek met betrekking tot een besluit van de PKC: daarover is de generale commissie niet bevoegd te oordelen. Beroep staat open op het generaal college van toezicht. Opschortingverzoek met betrekking tot een besluit van de orgelcommissie: volgens de generale regeling voor de werkwijze van de orgelcommissie art. 8 is de generale commissie wel bevoegd. Het advies van de orgelcommissie in de zin van art. 4 van de generale regeling is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter op te vatten als een besluit in de zin van ord. 19-1-3.

Voor opschorting is echter geen aanleiding omdat door het besluit geen onomkeerbare situatie is geschapen die in geval van vernietiging van het besluit niet of slechts met aanzienlijk verdere besluitvorming zou kunnen worden teruggedraaid. De bezwaarden zijn namelijk niet gehouden de bewuste voorwaarden reeds uit te voeren hangende de behandeling van het bezwaarschrift. Daarom valt niet in te zien waarom de beslissing van de generale commissie in de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

Jur. NHK 1997 02/97

02/97

Bezwaar tegen de wijze van verkiezing van een ouderling-kerkvoogd. De beslissing van de provinciale commissie is blijkens ord. 3-24 een eindbeslissing. Dit wordt niet anders omdat de provinciale commissie de bezwaren heeft behandeld op de voet van ord. 19, ook niet nu de kerkenraad in gebreke is gebleven door de bezwaren niet door te zenden. De commissie had de doorzendingstermijn kunnen negeren en de bezwaren op de voet van ord. 3-24 kunnen behandelen.

Jur. NHK 1997 04/97

04/97

Bezwaren, overwegingen en beslissing sterk verwant met 09/96, 10/96 en 18/96.

In 04/97 is een nieuw element vergeleken bij de genoemde:

de PKC heeft bepaald dat de kerkenraad dient zorg te dragen dat de thans in afzonderlijke stichtingen ondergebrachte vermogens worden ondergebracht in de ene kerkekas onder het beheer van het college van kerkvoogden.

Het bezwaar van de gemeente houdt in dat de kerkenraad geen verantwoordelijkheid draagt voor de door de kerkvoogden voor de datum van 1-1-96 verrichte beheersdaden en dat het bezwaarschrift ten onrechte tegen haar is gericht. De besluiten waren volgens de gemeente rechtsgeldig.

De generale commissie oordeelt dat het huidige college van kerkvoogden (de kerkvoogdijen zijn 'zij het onder protest' aangepast) de rechtsopvolger is van de oude colleges en de hervormde gemeente in alle vermogensrechtelijke zaken vertegenwoordigt (ord. 16-5-1). Maar aangezien het terugdraaien van de vermogensoverheveling, welke hier aan de orde is, als geheel kan worden geacht te vallen onder de werking van ovb 323 heeft naast het college van kerkvoogden de kerkenraad hier een eigen verantwoordelijkheid.

Jur. NHK 1997 05/97

05/97

Bezwaar tegen het besluit tot verkoop van het kerkgebouw: de kerkenraad had eerst de gemeenteleden dienen te raadplegen op een afzonderlijke hervormde gemeenteavond, men had zich op voorhand gebonden verklaard aan een advies van twee deskundigen, de grond was geschonken om een kerk in stand te houden, het advies was financieel onvoldoende onderbouwd.

Het besluit is genomen in verband met een beoogde nauwe samenwerking met de gereformeerde kerk ter plaatse, om de erediensten in één kerkgebouw te gaan houden. Dat is niet strijdig met art. IV-6 en XX-1 en 2. De schenkingsakte stelt niet als voorwaarde dat het kerkgebouw te allen tijde in stand gehouden moet worden.

Er kan slechts van een marginale toetsing sprake zijn. In aanmerking genomen de concept samenwerkingsovereenkomst met verdeling van de exploitatielasten op basis van 50/50% kon de kerkenraad in redelijkheid tot haar besluit komen. Niet aannemelijk is gemaakt dat de beoogde financiële exploitatie in strijd komt met de belangen van de kerk.

Wat de totstandkoming van het besluit betreft: het was verstandiger geweest als de kerkenraad behalve de gezamenlijke gemeenteavond een afzonderlijke gemeenteavond voor de hervormde gemeenteleden had belegd alvorens tot definitieve besluitvorming te komen. Ook was het verstandiger geweest zich niet in vergaande mate te binden aan het advies van een onafhankelijke commissie (al was de kerkenraad zich bewust van zijn verantwoordelijkheid voor het te nemen besluit en was er de mogelijkheid een afwijkend besluit te nemen).

Niet is kerkordelijk vastgelegd dat de kerkenraad slechts bevoegd was het besluit te nemen na expliciete instemming van de gemeenteleden.

Het besluit is derhalve niet in strijd met de kerkorde, enig ander relevant voorschrift of algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

Jur. NHK 1997 06/97

06/97

Wat appellanten inbrengen tegen het onderdeel van de bestreden beslissing waarbij zij in het gelijk zijn kan niet tot vernietiging leiden. Voor het overige brengen ze geen kerkrechtelijke bezwaren tegen de beslissing van de provinciale commissie in, zodat deze kan worden bevestigd.

Ten overvloede merkt de generale commissie op dat zij buiten de haar door de kerkorde opgedragen taak geen invloed heeft op kerkelijke lichamen en lidmaten. Het wegnemen van moeilijkheden in en tussen organen van gemeente en kerk is opgedragen aan de visitatie. 

Jur. NHK 1997 07/97

07/97

Als de commissie ex ord. 13-30 tot het oordeel komt dat de band tussen gemeente en predikant dient te worden losgemaakt (lid 8) staat voor de predikant beroep open op het breed moderamen van de generale synode (lid 9).

Aanvankelijk oordeelde de commissie ex ord. 13-30 dat tegen een besluit als in ord. 13-30-6 geen beroep open stond; de commissie handhaaft dit oordeel niet langer.

Uit het oogpunt van een evenwichtige beoordeling dient ook voor degenen die in hun werkelijk belang of hun kerkelijke verantwoordelijkheid getroffen zijn (in elk geval voor de kerkenraad en het BM van de PKV), beroep open te staan.

Omdat de vraag of er al dan niet redenen zijn voor losmaking bij toepassing van ord. 13-30-8/9 reeds voorbehouden is aan het breed moderamen van de generale synode, wijst de generale commissie dit breed moderamen aan als kerkelijk lichaam om de bezwaren tegen een besluit als bedoeld in ord. 13-30-6 te beoordelen.

De behandeling dient te geschieden naar analogie van ord. 13-30-10, waarbij ook het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering wordt gehoord. Het breed moderamen van de generale synode zal ook dienen te beoordelen of individuele lidmaten die een beroep hebben ingesteld voldoende belang hebben om te kunnen worden ontvangen. 

Jur. NHK 1997 07/97 S

07/97 S

Opschortingverzoek met betrekking tot het oordeel van de commissie ex ord. 13-30 dat er - voorshands - geen reden is voor losmaking volgens ord. 13-30.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter is een besluit als bedoeld in ord. 13-30-6 geen eindbeslissing. Dan wordt dat in de kerkorde uitdrukkelijk vermeld (zoals in ord. 13-30-10). Het vereiste evenwicht zou ontbreken als slechts één van de partijen recht van beroep zou hebben. Ord. 13-30 voorziet niet in een beroep voor anderen dan de predikant; daaraan is bij de totstandkoming kennelijk niet gedacht.

De generale commissie zal dienen te beslissen of zij zich bevoegd acht om bezwaarschriften zelf te behandelen of een ander kerkelijk lichaam aanwijst. Op deze beslissing wil de voorzitter niet vooruit lopen.

Overigens zou opschorting ook niet het beoogde effect bewerkstelligen: het schorsen in de verrichting van het dienstwerk (ongevraagd verlof) behoort tot de bevoegdheid van het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering (ord. 13-22-4).

Jur. NHK 1997 08/97

08/97

Bezwaar tegen het stellen van een termijn en het opnemen van een voorwaarde in de verlening van de bevoegdheden als van een emeritus-predikant op de voet van ord. 13-29-5. Volgens bezwaarde had het breed moderamen van de generale synode betrokkene eerst moeten horen en wordt de indruk gewekt dat achteraf tucht wordt geoefend zonder behoorlijke procedure.

De bezwaren zijn ongegrond: het moderamen was vrij op grond van ord. 13-30-21 juncto 13-29-5 een termijn en een voorwaarde te stellen. Het moderamen heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat de verlening van de bevoegdheden slechts in het belang der kerk geacht kon worden als dit  gebeurde onder gestelde termijn en voorwaarde.

Het horen was niet vereist, het ging om het verlenen en niet om het ontnemen van een bevoegdheid.

Het verdient wel aanbeveling de voorwaarden en de daartoe gegeven motivering op te nemen in het besluit, en niet (zoals was gebeurd) op een andere datum in een afzonderlijke brief te omschrijven.

Jur. NHK 1997 09/97

09/97

Klacht tegen de fictieve weigering van de provinciale commissie om (binnen een redelijke termijn) een beslissing te nemen inzake een ingediend bezwaarschrift.

Tegen een verzuim van de provinciale commissie staat geen voorziening open in ord. 19-13-1 e.v. Daarom is het bezwaarschrift niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1997 10/97

10/97

Bezwaar tegen een besluit tot sluiting van de wijkkerk.

Omdat de generale commissie niet uitsloot dat appellante door wettige verhindering of een misverstand niet is verschenen, is zij alsnog ten haren huize door twee leden van de commissie gehoord.

De generale commissie onderstreept dat de kerkelijke rechter het bestreden besluit niet volledig kan toetsen. De door de kerkenraad verrichte afweging kan in deze beroepsgang niet worden overgedaan, ook al zou een andere afweging ook verdedigbaar zijn geweest en al voelt een aantal hervormde zich door het besluit ernstig gegriefd en benadeeld.

Minder juist was dat alleen een gereformeerde (en niet ook een hervormde) adviseur bij de advisering is betrokken, maar niet is gebleken dat het advies niet voldoende oordeelkundig of onaanvaardbaar onevenwichtig zou zijn geweest.

Het staat niet vast of het legaat slechts betrekking had op de wijkkerk of op de wijkgemeente; alleen de burgerlijke rechter zou dienaangaande kunnen beslissen. Waar deze beslissing ontbreekt mocht de kerkenraad in redelijkheid de beschikking zo opvatten dat ze is getroffen ten behoeve van de wijkgemeente.

Dat de besluitvorming berustte op een ‘oneerlijke gang van zaken’ en vergelijkbare kwalificaties heeft appellante niet waar weten te maken.

De generale commissie bevestigt de beslissing van de provinciale commissie.

Jur. NHK 1997 10/97-P

P 10/97

De generale commissie vernietigt een beslissing van de provinciale commissie met toepassing van ord. 19-16-1 waarbij bezwaarden niet ontvankelijk werden verklaard in hun bezwaar tegen de verkiezing van een ouderling-kerkvoogd, en verklaart diens verkiezing en bevestiging ongeldig.

[zie voor de rechtsgevolgen: P-32/99 II; aantek. PvdH]

De kerkenraad behoort, als de verkozene heeft bedankt, opnieuw de lidmaten in de gelegenheid te stellen aanbevelingen in te dienen. Het is immers mogelijk dat de gemeente behalve de namen die men eerder heeft ingediend nog andere geschikte lidmaten weet te noemen (7/82).

Jur. NHK 1997 12/97

12/97

Bezwaar tegen de benoeming door de kerkvoogdij van vier kerkvoogden.

De kerkvoogdij stelt dat zolang de burgerlijke rechter niet bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis heeft beslist aangaande de aanpassing van de financiën en het beheer, de situatie in de gemeente blijft zoals zij was en dat vernietiging geen enkel redelijk doel dient.

In het verweerschrift wordt betoogd dat hier niet – zoals de provinciale commissie heeft uitgesproken - ord. 3-24 maar ord. 19-1-1 van toepassing was. De generale commissie spreekt uit dat het hier geen verkiezing als bedoeld in ord. 3, maar een niet meer op de kerkorde gebaseerde ‘benoeming’ door een kerkelijk lichaam betreft, hetgeen moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van ord. 19-1. Dus staat tegen de beslissing van de provinciale commissie beroep open, omdat er geen sprake is van een eindbeslissing in de zin van ord. 3-24-2.

Met ingang van 1-1-96 is de gehele kerkorde van toepassing geworden op hervormde gemeenten en had de kerkvoogdij geen bevoegdheid meer om over te gaan tot benoemingen als de onderhavige. Ze doorkruisen de kerkordelijke regeling die thans van toepassing is. Vernietiging van de benoemingen is dus geboden.

Nu de kans bestaat dat de betrokken personen als zodanig reeds werkzaam zijn acht de generale commissie het wenselijk dat haar beslissing zo spoedig mogelijk (in elk geval binnen vier weken) in het kerkblad wordt gepubliceerd. Ze bepaalt dat deze publicatie zal plaatsvinden als aangegeven.

Jur. NHK 1997 13/97

13/97

Bezwaar tegen het besluit van de kerkenraad om een gemeentebrief te handhaven.

In de brief was de passage opgenomen: ‘in onze Hervormde Kerk is het zo geregeld dat de synode wel regels kan uitvaardigen waaraan alle hervormde gemeenten en alle hervormde leden zich hebben te houden. Wie dat niet wil, zal uit de Hervormde Kerk moeten stappen’. De generale commissie acht de formulering van de gewraakte passage onvoldoende zorgvuldig. Hoewel de regelgevende bevoegdheid van de generale synode op zichzelf niet ter discussie kan staan, had de kerkenraad er beter aan gedaan om het oogmerk van structurering en samenbinding van de regelgeving binnen de NHK te benadrukken in plaats van de nadruk te leggen op uitsluiting van wie zich niet aan de regels houden. Appellanten hebben terecht bezwaar gemaakt tegen de aanvankelijke handhaving door de kerkenraad van de gewraakte passage.

Nu de kerkenraad inmiddels in een nieuwe gemeentebrief verklaard heeft dat de passage anders zou zijn geformuleerd als hij vermoed had dat deze tot misverstanden zou leiden en uitdrukkelijk heeft verklaard dat het nooit de bedoeling is geweest om individuele leden buiten de gemeente te sluiten, laat staan hen op te roepen op te stappen, is voldoende tegemoet gekomen aan de bezwaren en moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Jur. NHK 1997 14/97

14/97

Ten aanzien van de termijn:
het niet vermelden van de bezwaartermijn heeft niet tot gevolg dat de termijnoverschrijding bij de indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar is. Een algemene verplichting voor een kerkelijk lichaam tot vermelding van de bezwaartermijn – zoals die ingevolge de Algemene wet bestuursrecht geldt in de verhouding tussen bestuursorganen en burger – kent de kerkorde niet. De bezwaartermijn is neergelegd in ord. 19-9-1 en is als zodanig kenbaar voor appellant.

Inhoudelijk (ten overvloede):
overschrijving in gevolge van ord. 2-1-2a is alleen mogelijk naar een andere gemeente binnen de classis of een aangrenzende gemeente. Die situatie doet zich niet voor.
Het breed moderamen van de PKV behoefde niet te anticiperen op de ontwerpregeling van de SoW-kerken, nu die regeling niet is vastgesteld, mogelijk nog aan wijziging onderhevig zal zijn en het tijdstip van invoering niet vaststaat.

Jur. NHK 1997 15/97

15/97

Een bezwaar tegen de herbenoeming van een kerkvoogd. De provinciale commissie heeft het bezwaar behandeld op voet van ord. 3-24 en een eindbeslissing gegeven. De generale commissie vat het bezwaar op als een bezwaar in de zin van ord. 19-1-1. De zaak is vrijwel gelijk aan 12/97.

Daaraan wordt toegevoegd:
de termijn overschrijding wordt door de door de kerkvoogdij opgegeven reden (dat ze van die termijn niet op de hoogte was) niet gerechtvaardigd. Daaraan doet niet af dat de beslissing van de provinciale commissie, anders dan is voorgeschreven in ord. 19-11-3, niet de mededeling bevat dat beroep mogelijk is op de generale commissie. Deze omstandigheid is namelijk niet voldoende om het niet in acht nemen van de in ord. 19-13-1 neergelegde termijn van beroep verschoonbaar te achten.

De kerkvoogdij wordt niet ontvankelijk verklaard; de generale commissie bepaalt dat de beslissing in het kerkblad moet worden gepubliceerd.

Jur. NHK 1997 16/97

16/97

Bezwaar tegen het verzuim van de provinciale commissie om het bezwaar tegen een besluit van de wijkkerkenraad (waarin wordt gevraagd ongevraagd verlof te verlenen en ord. 13-30 toe te passen) in behandeling te nemen.

De generale commissie is reeds dadelijk van oordeel dat het beroep niet ontvankelijk is en zal overeenkomstig ord. 19-14-1 beslissen.

De generale commissie laat in het midden of vast staat dat de provinciale commissie het bezwaarschrift niet in behandeling zou willen nemen.

Ord. 19-13-1 e.v. geven een voorziening tegen een beslissing van de provinciale commissie, met het verzoek om de beslissing geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken. Volgens deze regeling staat geen voorziening open tegen een verzuim van de provinciale commissie.

Het bepaalde in ord. 19-1-1 t/m 3 biedt evenmin deze mogelijkheid: onder een kerkelijk lichaam als bedoeld in ord. 19-1-1 en 19-1-2 kan naar zijn aard niet worden gerekend een kerkelijk college met een zuiver rechtsprekende taak, zoals de provinciale commissie.

Met vragen of klachten over de behandelingsduur van bij een dergelijk college ingediende bezwaren dient de belanghebbende zich te wenden tot de ambtelijke vergadering die de leden van dat college benoemt.

Jur. NHK 1997 16/97 S

16/97S

niet ontvankelijk verklaard omdat de generale commissie op dezelfde dag bezwaarde niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep.

Jur. NHK 1997 17/97

17/97

Een bezwaar was door de provinciale commissie niet ontvankelijk verklaard vanwege termijn overschrijding. Bezwaarde wijst op de emoties die het bestreden besluit bij hem opriep. Daardoor was zijn bezwaar te laat ingediend.

Deze omstandigheid kan geen aanleiding zijn om van de dwingende voorschriften van de kerkorde af te wijken. Deze bevatten een afweging tussen rechtszekerheid en rechtsbescherming. De strekking ervan brengt mee dat toepassing niet achterwege kan blijven op grond van genoemde omstandigheden.

De generale commissie wijst er ten overvloede op dat bezwaarde had kunnen volstaan met indiening van een formeel beroepschrift dat hij later had kunnen motiveren.

Jur. NHK 1997 18/97

18/97

Verzoekschrift van 62 gemeenten om de 'kerkordewijziging 1991' te vernietigen althans jegens de gemeenten onverbindend te verklaren voorzover de overgangsbepalingen bij ord. 16 en 18 zijn aangevuld met de bepalingen 314a en b en 348a.

De arrondissementsrechtbank heeft de vordering van de gemeenten tot nietigverklaring afgewezen; het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de gemeenten niet ontvankelijk verklaard.

Uitgangspunten van het Hof:
Het Hof overwoog dat het de gemeenten niet vrijstond zich buiten de interne geschillenregeling van de kerk om, rechtstreeks tot de burgerlijke rechter te wenden. Van de gemeenten als (zelfstandig) onderdeel van de kerk kan niet gezegd worden dat zij tegen hun wil of zin aan de kerkelijke geschillenregeling van ord. 19 zijn gebonden. Het Hof acht de op art. XXIV van de kerkorde gebaseerde geschillenregeling niet in strijd met art. 17 en 112 van de Grondwet of art. 6 EVRM.

Het geschil:
Het geschil gaat over de vraag of de generale synode met de kerkordewijziging 1991 haar bevoegdheid heeft overschreden tot het stellen van regels die direct ingrijpen in de (vermogensrechtelijke) huishouding van de gemeenten.

Formele bezwaren:
De gemeenten voeren aan
a. dat zij geen kerkelijk lichaam zijn als bedoeld in ord. 19-1-1 juncto ord. 1-15-2;
b. dat de generale commissie niet bevoegd is (met verwijzing naar 11/87) in dit geschil waarmee vermogensrechten zijn gemoeid, nu zij ervoor gekozen hebben het aan de burgerlijke rechter voor te leggen.
De kerk voert aan
c. dat het geschil moet worden aangemerkt als een bezwaar tegen het besluit tot wijziging van de kerkorde, dat wegens termijnoverschrijding niet ontvankelijk is.

Beoordeling van de formele bezwaren:

Ad a (kerkelijk lichaam):
er kan geen twijfel over bestaan dat de gemeenten in deze procedure als een kerkelijk lichaam moeten worden aangemerkt. Met de wijziging van ord. 1-15-2 in 1979 is aan deze bepaling een zo ruim mogelijke betekenis toegekend, ten einde alle bezwaren en geschillen binnen de NHK binnen de werkingssfeer van de commissies voor bezwaren en geschillen te brengen. Het geschil betreft de organisatorische inrichting van de kerk en de bevoegdheidsverdeling en besluitvorming binnen de kerk. Het is in overeenstemming met het doel en de strekking van de kerkorde dat ook gemeenten die bezwaren hebben betreffende de organisatorische inrichting van de kerk, die aan de commissies moeten kunnen voorleggen.
In beginsel oefenen de kerkelijke lichamen binnen de gemeente de kerkelijke bevoegdheden uit. Nu in dit geval de kerkordewijziging rechtstreekse gevolgen heeft voor de gemeenten aan wie de bevoegdheden zijn toegekend, is de band tussen degene die de bevoegdheid heeft en degene die de bevoegdheid uitoefent zo nauw dat de gemeenten als kerkelijk lichaam moeten worden aangemerkt.
De generale commissie gaat ervan uit dat de gemeenten in deze procedure worden vertegenwoordigd door hun bevoegde organen, te weten de kerkenraad en voor zover nodig, het college van kerkvoogden.
De regels die de kerk intern stelt zijn kerkrechtelijk en niet burgerrechtelijk van aard en kunnen slechts kerkrechtelijk worden gesanctioneerd. Hierbij past geen uitsluiting van hervormde gemeenten om dergelijke geschillen aan de interne kerkrechter voor te leggen.

Ad b (bevoegdheid):
de generale commissie verwijst inzake de bevoegdheidsvraag naar de overwegingen van het Hof en maakt die tot de hare.
Nu er geen cassatieverzoek is ingediend en het oordeel van het Hof onherroepelijk is, hebben de gemeenten geen belang meer bij dit verweer.
Bovendien heeft het Hof de mogelijkheid open gelaten om na het doorlopen van de kerkelijke rechtsgang - voorzover zij niet verkiezen de weg van overleg en overreding te volgen of in de situatie te berusten - het geschil alsnog voor te leggen aan de burgerlijke rechter.

Ad c (ontvankelijkheid):
het Hof heeft de zaak omschreven als een geschil; ook de generale commissie oordeelt dat het geschil betrekking heeft op de bevoegdheid die de generale synode heeft op het gebied van regelgeving en dat daarom sprake is van een geschil in de zin van ord. 19-2.

Inhoudelijke beoordeling:

Artikel 2:2 BW:
de gemeenten voeren aan dat zij als rechtspersonen door middel van eigen organen de interne structuur kunnen bepalen en dat een statutenwijziging niet van buiten af, zonder vrijwillige aanvaarding kan worden opgelegd.
Daarmee miskennen zij doel en strekking van art. 2:2 BW. In verband met de vrijheid van godsdienst en de scheiding van kerk en Staat laat de Staat de organisatorische inrichting van de kerk geheel over aan de kerken zelf. Sinds 1951 is dat voor de NHK de kerkorde met ordinanties en regelingen.
Ieder kerkgenootschap heeft zijn eigen organisatorische inrichting, verworteld in theologische uitgangspunten. Het burgerlijk recht regelt dit niet, maar aanvaardt het als binnen de desbetreffende organisaties geldend recht.
In art. 2:2 BW is geregeld dat kerkelijke organisaties in het maatschappelijk verkeer rechten en verplichtingen kunnen hebben (rechtssubject kunnen zijn), maar ook dat de regels van de Kerk gelding hebben binnen de sfeer van de rechtspersonen. De rechtspersoonlijkheid van de kerk en haar zelfstandige onderdelen laat onverlet dat de interne regels van de kerk kerkrechtelijk en niet burgerrechtelijk van aard zijn.
Dat de gemeenten hun rechtspersoonlijkheid ontlenen aan het zijn van zelfstandige onderdelen van de kerk, brengt niet mee dat zij volledig zelfstandig zijn en dat de toepasselijkheid van de regels van de kerk afhankelijk is gesteld van een aanvaarding door de gemeenten en haar organen. De kerkorde heeft juist tot gevolg dat de gemeenten in een aantal opzichten niet volledig zelfstandig opereren, doch moeten opereren als onderdeel van de kerk. Dit betreft niet alleen bestuurlijke aangelegenheden, maar ook tal van bepalingen die het beheer van de goederen en fondsen van de gemeenten betreffen.
De generale commissie verwerpt de stelling van de gemeenten dat zij tot 1991 een volledig zelfstandige, autonome positie hadden ten opzichte van de kerk, en dat de generale synode dus niet bevoegd was tot het stellen van regels die direct ingrijpen in de vermogensrechtelijke huishouding van de gemeenten.

Eigendomsrecht:
dat de generale synode een vinger in de pap krijgt ten aanzien van vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeenten achten zij in strijd met het eigendomsrecht. Inperking van eigendom kan slechts met hun instemming of door een wet in formele zin worden bewerkstelligd.
De generale commissie oordeelt dat de kerkordewijziging het vermogen van de gemeenten als zodanig niet aantast. Zij blijven recht behouden op hun goederen, al zijn de regels ten aanzien van het vermogensbeheer veranderd en zijn er thans uniforme regels gesteld op dit beheer door de (rechtens bevoegde organen van de) gemeenten zelf. De kerkorde maakt uit welke organen dat zijn. Het toezicht houdt niet in een zeggenschap ten aanzien van de gemeenten als zelfstandige onderdelen. Als zodanig is het onderbrengen van het vermogen van plaatselijke gemeenten in stichtingen zowel in strijd met de beheersregels van de kerk als overbodig. Van de gemeenten mag worden verwacht dat de bepalingen van de kerkorde richtsnoer voor hun handelen jegens de gehele kerk en al haar onderdelen afzonderlijk zullen zijn.

Het presbyteriaal-synodale stelsel:
de gemeenten stellen dat de kerkordewijziging 1991 in strijd komt met het 'presbyteriaal' systeem van de NHK, dat werkt op basis van gedecentraliseerde bevoegdheden (art. V). Daarmee staat op gespannen voet het oordeel van de civiele rechter dat de NHK een centraal hiërarchisch georganiseerde kerk betreft. Zij menen dat de kerk in 1951 slechts regelgevende bevoegdheid heeft verkregen voor de gemeenten die bereid waren het toezicht van de kerk te aanvaarden. Dat het wenselijk geachte beheer niet in werking trad voor vrij beheer gemeenten en alleen van kracht werd na acceptatie van die beheersbepalingen, was geen gunst van de synode maar een erkenning van de autonome status van de vrij beheer gemeenten, die slechts met instemming van de plaatselijke kerkvoogdij kon worden gewijzigd.
De generale commissie is van oordeel dat de gelovigen weliswaar het deelhebben aan de universele kerk beleven in de plaatselijke gemeenten, maar tegelijk dat de generale synode binnen het kerkgenootschap als geheel met bevoegdheden is bekleed op grond waarvan zij ook voor de zelfstandige onderdelen van het kerkgenootschap bindende besluiten van kerkordelijke aard kan nemen en dus ook besluiten tot wijziging en vaststelling van de kerkorde (inclusief de regels terzake van het beheer van het vermogen).
De structuur van de NHK is niet louter presbyteriaal, maar presbyteriaal-synodaal: daarbij berust trapsgewijs via kerkenraad en classicale vergadering het hoogste gezag bij de generale synode. Zo kan dan ook de generale synode beslissingen nemen om tot eenvormigheid inzake het beheer in de kerk te komen.
Dat bepaalde onderwerpen nader geregeld dienen te worden in plaatselijke regelingen doet aan die bevoegdheid niet af en accentueert de zelfstandigheid van de gemeenten als zelfstandig onderdelen van het geheel der kerk.
Dat in 1951 een overgangsregime werd getroffen dat het een hervormde gemeente mogelijk maakte zich vooralsnog niet aan te sluiten, doet aan de bevoegdheid van de generale synode evenmin af. In ovb. 26 en 367 werd de mogelijkheid opengehouden om nader te beslissen over het beheer van de kerkelijke goederen en fondsen; in ieder geval was de kerk na 1975 vrij haar beleid inzake het beheer te wijzigen (ovb. 335 oud). In 1951 kregen alle ordinanties bindende kracht, zij het dat ovb. 314 en 348 regelden dat het tijdstip van inwerkingtreden van de ordinanties 16 en 18 afhankelijk werd van een besluit van gemeenten tot aanpassing van hun plaatselijke reglementen aan de kerkorde. Aan deze overgangsregeling is een einde gekomen door de invoering in 1991 van ovb. 314a/b en ovb. 348a. Daarin is het tijdstip van inwerkingtreding voor alle gemeenten definitief gefixeerd op 1-1-1996, ongeacht of de gemeenten bereid waren het gestelde in ovb. 314 a/b en 348a te aanvaarden.
De generale commissie is van oordeel dat deze regeling past binnen de presbyteriaal-synodale structuur van de NHK en verwerpt de stelling dat de generale synode haar bevoegdheid niet overeenkomstig het doel van de kerkorde (art. III) en/of in strijd met maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft gehanteerd.

Het statuut van de Kerk:
de rechtbank heeft de argumenten voor de stelling van de gemeenten dat de kerkordewijziging 1991 in strijd is met het statuut van de kerk onderzocht en de vraag of die indruist tegen het doel van de NHK als kerkgenootschap ontkennend beantwoord. De generale commissie verwijst naar de behandeling en de beoordeling van de rechtbank en maakt deze tot de hare.
De gemeenten hebben (bij pleidooi) betoogd dat uit art. XXVII volgt dat de overgangsbepalingen van kracht blijven tot alle hervormde gemeenten hun plaatselijke regelingen hebben afgezworen; voorts dat uit art. III blijkt dat niet tot de orde der Kerk behoort het beheer van de goederen van de hervormde gemeenten.
De generale commissie wijst erop dat volgens art. III de orde in het leven en werken der kerk zich uitstrekt '… over het inzamelen en beheren van gelden en goederen voor de dienst der Kerk', waarmee het gehele kerkgenootschap wordt aangeduid met inbegrip van de gemeenten (art. I en II). Men is krachtens het genadeverbond lid van de Kerk en behoort als zodanig tot een plaatselijke gemeente. Samen vormen de hervormde gemeenten de Kerk.
Vanaf 1-1-1996 gelden ord. 16 en 18 onverkort in alle gemeenten en verloren de oude plaatselijke reglementen definitief hun gelding. De definitieve regeling van het beheer zal gestalte dienen te krijgen in de gemeenten door wijziging van hun plaatselijke reglementen. Dat een nieuwe plaatselijke regeling er nog niet is, doet niets af aan de gelding van de ord. 16 en 18, ook voor de gemeenten. Ze zijn als zelfstandige onderdelen van de kerk gehouden hun plaatselijke regeling zo spoedig mogelijk in overeenstemming met de kerkorde te brengen.
De stellingen van de gemeenten betreffende gewekt vertrouwen, een door de kerk misleidende voorstelling van zaken, strijd met dwingend recht dan wel openbare orde zijn door de rechtbank verworpen. Zij oordeelde dat de Kerk in redelijkheid tot de kerkordewijziging 1991 heeft kunnen besluiten. De generale commissie kan zich volledig in deze beoordeling vinden en maakt het oordeel van de rechtbank tot de hare.
Uit geen van de door de gemeenten aangevoerde argumenten volgt dat de Kerk in strijd heeft gehandeld met haar Statuut, de wet, de openbare orde, dan wel dat zij haar bevoegdheid niet te goeder trouw, of in strijd met maatstaven van redelijkheid en billijkheid heeft gehanteerd.

Jur. NHK 1997 19/97

19/97

Bezwaar tegen de thans voorgenomen 'eenwording' van kerken reeds dadelijk niet ontvankelijk verklaard. Een besluit tot fusie is nog niet genomen, wel zijn in het verleden een aantal voorbereidende besluiten tot stand gekomen. Tegen een nog niet genomen besluit kan niet worden opgekomen.

Jur. NHK 1997 20/97

20/97

De provinciale commissie heeft een bezwaar van de PKC tegen het besluit van de kerkvoogdij tot oprichting van een stichting waaraan kerkelijke goederen kunnen worden overgedragen en tegen het besluit tot overdracht c.q. verkoop met uitgestelde levering gegrond geoordeeld en die besluiten vernietigd.

De kerkvoogdij maakt bezwaar tegen de procedure voor de provinciale commissie, voert aan dat de vergadering van lidmaten tot het oprichten de stichting had besloten, meent dat de kerkvoogdij geen kerkelijk lichaam is als bedoeld in ord. 19-1-1 juncto ord. 1-15-2 en stelt dat de provinciale commissie ten onrechte heeft geoordeeld dat de kerkvoogdij in strijd handelt met art. XXII en ord. 1-27-9 (met de generale regeling).

 

Het bezwaar tegen de duur van de procedure kan niet leiden tot vernietiging en de kerkvoogdij heeft haar standpunt voldoende kunnen toelichten.

Ten aanzien van de overige bezwaren komen de overwegingen overeen met 10/96 waarnaar de generale commissie zelf ook verwijst. Daaraan kan worden toegevoegd:

Blijkens de considerans van de akte vindt de overdracht van de kerkelijke goederen aan de stichting plaats in verband met het eindigen van het 'vrij beheer' regime van de gemeente per 1-1-96, met het kennelijke doel om het beheer van die goederen en het toezicht daarop te onttrekken aan de daarvoor met ingang van die datum ook voor de gemeente te X geldende kerkordelijke bepalingen. De generale commissie is van oordeel dat de kerkvoogdij daarmee handelt in strijd met de haar in art. XXII opgedragen taak.

Daaraan doet niet af dat de goederen, naar de kerkvoogdij stelt, slechts aan de stichting zijn verkocht onder het beding dat (nog) niet wordt overgegaan tot levering. Aan het bestuur van de stichting is immers een onherroepelijke volmacht verstrekt om die levering te doen plaatsvinden. Bovendien blijkt uit de oprichtingsakte dat de bevoegdheid om over de kerkelijke goederen te beschikken berust bij het stichtingsbestuur, met voorbijgaan van de kerkelijke bepalingen inzake het beheer en het toezicht.

Jur. NHK 1997 21/97

21/97

Bezwaar van de wijkkerkenraad tegen het besluit van de CK tot herindeling van de gemeente, waarbij het aantal wijkgemeenten, predikantsplaatsen en kerkgebouwen wordt teruggebracht. Daardoor zal er voor de bezwaarde wijkgemeente geen plaats meer zijn.

Het besluit vloeit voort uit het stappenplan van een commissie, maar de CK heeft nooit besloten tot het instellen van die commissie of daaraan enige opdracht gegeven.

De CK voert aan dat het bestreden besluit niet meer inhoudt dan de aanvaarding van beleidsvoornemens en niet de status heeft van een (gewijzigd) beleidsplan in de zin van ord. 1-3a. Alle wijkkerkenraden zullen over de inhoud worden gehoord en verdere besluitvorming moet nog plaatsvinden.

De generale commissie komt tot het oordeel dat er sprake is van beleidsvoornemens en niet van een definitief meerjaren beleidsplan en gaat er vanuit dat de wijkkerkenraden in de beleidsdiscussie die nog zal volgen alle gelegenheid zullen krijgen om hun belangen naar voren te brengen en dat het besluit zal worden genomen nadat de belangen van partijen op zorgvuldige wijze tegen elkaar zullen zijn afgewogen, en dat het besluit deugdelijk zal zijn gemotiveerd.

De wijkkerkenraad heeft prematuur bezwaar gemaakt en is (thans) nog niet in zijn belangen of kerkelijke verantwoordelijkheid getroffen en daarom niet ontvankelijk.

Jur. NHK 1997 22/97

22/97

Termijn: omdat de generale commissie het niet uitgesloten acht dat appellanten de beslissing van de provinciale commissie niet heeft ontvangen, worden ze ontvankelijk verklaard in hun beroep tegen die beslissing (die reeds acht maanden geleden is gegeven, maar waarvan zij pas 27 dagen geleden kennis kregen).

Inhoudelijk: de beslissing van de provinciale commissie wordt bevestigd. De appellanten hebben eerst de weg van correspondentie met de PKC gevolgd en daarna aan die commissie kennis gegeven dat bezwaar zal worden gemaakt. De generale commissie ziet daarin geen reden dat niet tijdig (desnoods nog ongemotiveerd) bezwaar kon worden ingediend.

De bezwaren dat de PKC in hetzelfde gebouw zit als de provinciale commissie en dat de PKC niet op de bezwarentermijn heeft gewezen, worden door de generale commissie niet overgenomen en de beslissing van de provinciale commissie wordt bevestigd.

Jur. NHK 1998 01/98

01/98

Bezwaar tegen de beslissing van het breed moderamen van de generale synode waarin het zijn oordeel geeft over het functioneren van een orgaan van bijstand van de generale synode. Dit oordeel bevat geen rechtsgevolg en bevat dus geen besluit als bedoeld in ord. 19-1.

Het moderamen heeft een gesprek gevoerd met de bezwaarde en een delegatie van de Raad, waarvan een uitvoerig verslag aan betrokkene is toegezonden, die daarop uitvoerig heeft kunnen reageren. De beslissing is aldus zorgvuldig voorbereid door hoor en weder­hoor, zodat een bezwaar tegen de behandeling van de klacht ongegrond moet worden verklaard.

De generale commissie beoordeelt niet de kwaliteit van de over en weer gebezigde argumenten: de kerkelijke rechter beoordeelt de rechtmatigheid van besluiten en handelingen en niet de doelmatigheid.

Jur. NHK 1998 02/98

02/98

De provinciale commissie heeft een bezwaar van de wijkkerkenraad tegen de vaststelling van de notulen van de CK/KAZ ongegrond verklaard: het oordeel van de CK/KAZ over de interpretatie van hetgeen was besproken was beslissend.

De wijkkerkenraad voert als bezwaar o.m. aan dat betrokkenen (in strijd met ord. 19-10-4) niet gehoord zijn. De generale commissie noemt dit een misverstaan van genoemde bepaling: nu de wijkkerkenraad niet had verzocht om een mondelinge toelichting, was de provinciale commissie niet verplicht ambtshalve die gelegenheid te bieden, ook al was zij daartoe wel bevoegd.

De generale commissie trekt de juistheid van de stelling van de CK/KAZ dat het personeelsbeleid is opgedragen aan de commissie van beheer en het college van kerkvoogden en in de CK/KAZ niet ter discussie staat, in twijfel. Nu echter toch over de rechtspositie van de twee organisten in de vergadering uitvoerig van gedachten is gewisseld, is aan de wijkkerkenraad alsnog ruimte geboden het gewraakte besluit aan de orde te stellen.

Het bezwaar van schending door de provinciale commissie van het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor doordat het verweer van de CK niet aan de wijkkerkenraad is toegezonden, kan niet tot vernietiging leiden, nu in elk geval in deze beroepsprocedure partijen van elkaars standpunten nader kennis hebben kunnen nemen en daarop reageren.

De generale commissie noemt de opvatting van de provinciale commissie onjuist dat het oordeel van de CK/KAZ zelf beslissend is ten aanzien van de interpretatie van wat is gezegd en dat de waarneming van andere (niet stemhebbende) aanwezigen daaraan geen verandering kan brengen. Immers in een geschil over notulen kunnen door verklaringen van andere aanwezigen die onjuistheden worden bewezen, gelijk dat ook door andere middelen zou kunnen.

In dit geval kan de generale commissie niet vaststellen of de door de wijkkerkenraad gestelde toezegging is gedaan, maar zij kan het echter ook niet uitsluiten.

De bestreden beslissing wordt bevestigd.

Jur. NHK 1998 02/98-P

P-02/98

Vernietiging in het belang van de eenheid in de behandeling van bezwaren en geschillen (uit hoofde van ord. 19-16-1).

De provinciale commissie heeft de weigering van het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering tot overschrijving op grond van ord. 2-1-2a vernietigd.

Het verzoek tot overschrijving was gebaseerd op bijzondere overwegingen van pastorale aard, voortvloeiende uit een in verband met de functie van betrokkene verplicht gestelde vestiging binnen de grenzen van de woongemeente. Tevens was een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel.

Naar het oordeel van de provinciale commissie was het beroep op bijzondere overwegingen van pastorale aard terecht verworpen, maar was wel sprake van een uitzonderlijke noodsituatie die gelet op het gelijkheidsbeginsel afwijking van de gestelde voorwaarden van de perforatieregeling rechtvaardigt. De provinciale commissie acht afwijzing van het verzoek niet redelijk en billijk, nu in een eerder geval van een gedwongen verhuizing wel overschrijving werd toegestaan door het BM-PKV.

De generale commissie is van oordeel dat deze beslissing treedt buiten de grenzen van de perforatieregeling en de wijze waarop deze blijkens eerdere jurisprudentie (bijvoorbeeld 21/93 en 9/94) en de nadere criteria die zijn opgenomen in de 'Aanwijzingen voor hervormde kerkenraden inzake toepassing van de perforatieregeling' van het moderamen van de generale synode (Kerkinformatie april 1996), dient te worden uitgelegd. Daarin is nogmaals benadrukt dat de perforatieregeling niet mag worden opgevat als zou een onbelemmerde vrijheid in keuze van gemeente mogelijk zijn.

De provinciale commissie had dienen te beoordelen of de individuele omstandigheden zwaarwegend genoeg zijn om overschrijving te rechtvaardigen op grond van bijzondere overwegingen van pastorale aard.

Gelijkheid aan omstandigheden in andere gevallen kan daarbij een rol spelen, maar dat kan uit de tot dusverre geschetste omstandigheden niet zonder meer worden afgeleid.

De generale commissie wijst de zaak terug naar de provinciale commissie om met inachtneming van het overwogene alsnog te beslissen.

Jur. NHK 1998 03/98

03/98

Twee zittende (pastorale) ouderlingen zijn door de kerkenraad benoemd tot ouderling-kerkvoogd, met behoud van hun betrokkenheid bij de pastorale bearbeiding van de gemeente.

Als bezwaren zijn o.m aangevoerd dat zij elk twee formatieplaatsen in de kerkenraad bezetten en dat zij niet in een kerkdienst bevestigd zijn tot ouderling-kerkvoogd.

De generale commissie oordeelt dat een combinatie van kerkvoogdelijke taken met andere ouderling-eigene werkzaamheden op grond van ord. 14-3-3 (slot) is toegestaan.

Conform ord. 1-1-4 dient naast een (minimum) aantal (pastorale) ouderlingen ook een (minimum) aantal ouderlingen-kerkvoogd in de kerkenraad zitting te hebben. In het rooster van periodieke aftreding moet worden gelet op de verhouding tussen de groepen van gekwalificeerden (ord. 1-1-5 juncto ord. 1-19-4 en 1-19-6).

De ouderlingen-kerkvoogd nemen op het rooster een eigen plaats in als ambtsdragers die (art. IV en ord. 14-4-1) in het bijzonder zijn aangewezen voor de verzorging van de stoffelijke, niet diaconale, aangelegenheden van de gemeente. De twee ouderlingen-kerkvoogd kunnen op het rooster alleen de voor hen als ouderling-kerkvoogd bestemde plaats innemen.

De ouderlingen-kerkvoogd bekleden niet een afzonderlijk ambt, maar vervullen wel een specifieke taak en bezetten als zodanig een afzonderlijke plaats in de ambtelijke vergaderingen (ook in de meerdere vergaderingen, ord. 1-4-4, 1-7-4, 1-10-1). Ze worden als zodanig gekozen op de wijze als voorgeschreven (ord. 3-5-2, 3-8-5 of 3-9-4) en vormen in hun hoedanigheid een eigen college (ord. 16-2-1). Blijkens ord. 3-12-1 vormt de bevestiging van de gekozene het sluitstuk van de verkiezing.

Wie tot ouderling-kerkvoogd is gekozen dient ook als zodanig te worden bevestigd. Dat geldt evenzeer voor hen die reeds als (pastoraal) ouderling of diaken zitting hadden in de kerkenraad, als voor hen die nog geen (of niet meer) ambtsdrager waren.

De twee ouderlingen-kerkvoogd dienen dus alsnog als zodanig te worden bevestigd, voorzover die bevestiging nog niet mocht hebben plaatsgevonden.

Jur. NHK 1998 05/98

05/98

De generale commissie constateert dat het begrip ‘historisch gegroeide situatie’ waardoor de generale commissie beoogde een versoepeling in het stelsel teweeg te brengen, het tegengestelde van het beoogde effect sorteert, omdat deze maatstaf blijkbaar behoefte schept aan subcriteria en andere verfijningen die echter het ontstaan van conflicten en ongelijkheden eerder in de hand zullen werken dan voorkomen.

Dit laatste dient de orde van de kerk niet en als de onderhavige voorschriften tot onbegrip en verbittering leiden, kan dit niet zijn rechtvaardiging vinden in het onderhoud van de orde der kerk dat immers (art. IV-1) van Christuswege geschiedt.

De perforatievoorschriften zijn overwegend van administratieve aard en bepalen niet het in art. I en II uitgedrukte wezen van de kerk en haar gemeenten. Dit geldt in steeds sterker mate nu het geroepen zijn tot het lidmaatschap van kerk en gemeente naar de beleving van een toenemend aantal leden van de kerk niet meer samenvalt met de woonplaats die bij een groeiende mobiliteit steeds meer als toevallig wordt ervaren.

Ter rechtvaardiging van het geografisch principe geldt dat het lidmaatschap van Gods gemeente met haar implicatie van het elkaar gegeven zijn niet (enkel) berust op de vrije keuze van de mens maar (mede) op de roeping van Godswege. Hoe roeping en vrije keus zich hier precies tot elkaar verhouden staat niet aan de generale commissie ter beoordeling. Wel merkt zij op dat die roeping weliswaar vaak (en waarschijnlijk nog steeds in de regel) zal worden beleefd in het verband met de plek die het betrokken gemeentelid als woonplaats al of niet door vrije keuze heeft, maar evenzeer is onbetwistbaar dat die roeping zich naar haar aard nimmer laat bepalen, laat staan beperken, door de menselijke geografische maat.

Men kan zich immers geroepen weten tot het gemeente-zijn met degenen met wie men op grond van zijn eigen keuze of omstandigheden de woonplaats deelt, maar men kan evenzeer geroepen worden om gemeente te zijn met hen die in een andere woonplaats wonen. Dus ook bij het uitgangspunt dat het lid zijn van de gemeente niet (enkel) een kwestie is van vrije keus van de mens, blijkt dat het criterium van de woonplaats geenszins wezenlijk is voor het zijn van lid van de gemeente.

Het voorgaande noopt tot bescheidenheid en terughoudendheid bij het ontwikkelen van maatstaven ter beoordeling van de vraag of men aanspraak kan maken op overschrijving.

Zwaarwegend zo niet beslissend zullen hier zijn de persoonlijke omstandigheden en het respect voor het zich geroepen weten tot het lidmaatschap van de gemeente waarnaar men overgeschreven wenst te worden. Bovendien heeft ook hier te gelden dat er binnen de op de gemeenschappelijke belijdenis gestoelde gemeenschap van de kerk ruimte moet zijn voor de eigen geloofs- en gemeentebeleving en dat elke schijn van dwang te dien aanzien moet worden vermeden.

Ten aanzien van de perforatieregeling oordeelt de generale commissie daarom dat, met inachtneming van het geografisch principe dat aan ord. 2 ten grondslag ligt, het criterium van de bijzondere overwegingen van pastorale aard heroverweging behoeft. De eerder door de generale commissie uitgewerkte maatstaf van de ‘historisch gegroeide situatie’ (21/93) is nader uitgewerkt in de uitspraak 09/94 en laat zich in de kern samenvatten in het bestaan van een consistent gebleken betrokkenheid bij de gemeente van voorkeur. Waar daarvan sprake is en – zoals bijna noodzakelijkerwijs het geval zal zijn – van een navenant ontbreken van betrokkenheid bij de woongemeente, zal ook vanuit de gedachte dat men tot het gemeente-zijn wordt geroepen, in beginsel de slotsom geen andere kunnen zijn dan dat voldaan is aan het criterium van ‘bijzondere overwegingen van pastorale aard’. De consistente betrokkenheid bij de gemeente van voorkeur is immers bij uitstek een blijk van het zich geroepen weten tot het gemeente-zijn met de leden van die gemeente en zulks dient door de kerk te worden gerespecteerd èn aanvaard. Het geografisch principe zal hier dan ook moeten wijken.

De generale commissie oordeelt dat van geval tot geval moet worden beoordeeld zonder dat daartoe min of meer vaste subcriteria of vuistregels kunnen worden geformuleerd. Daarbij is tijdverloop een van de factoren, maar ook de aard en mate van aanwezigheid en werkzaamheid in de gemeente van voorkeur. Uit het respect voor en de aanvaarding van het zich geroepen weten tot bewust lid zijn van die gemeente vloeit voort dat betrokkenen kerkelijke organen de toetsing met de nodige terughoudendheid zullen moeten verrichten en moeten getuigen van een ruimhartig beleid.

Ord. 2-1-2i bepaalt dat bij verhuizing de inschrijving in de gemeente van voorkeur vervalt, maar niets weerhoudt betrokkenen opnieuw overschrijving naar de gemeente van voorkeur te verzoeken, waarbij geen andere maatstaven gelden dan die van ord. 2-1-2b.

Jur. NHK 1998 07/98

07/98 (verg. 07/97)

Bezwaar van een predikant tegen het besluit van de wijkkerkenraad om toepassing te vragen van ord. 13-30, tegen de formele kant van de besluitvorming en tegen de wijze van behandeling door de provinciale commissie.

Het bestreden besluit kan slechts marginaal worden getoetst en was niet onredelijk.

Bij de wijze van totstandkoming van het besluit zet de generale commissie vraagtekens: de kerkenraad is niet altijd met de grootst mogelijke zorg omgegaan met de belangen van de predikant. De kerkenraad had met het starten van de procedure van 13-30 kunnen wachten tot de termijn waarbinnen betrokkene kon uitzien naar een beroep, was verstreken. In zoverre wordt het besluit vernietigd. Nu de predikant elders beroepen en bevestigd is, laat de generale commissie de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.

De generale commissie betreurt dat de provinciale commissie geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek om mondelinge behandeling, heeft nagelaten stukken door te sturen en niet is ingegaan op het schorsingverzoek. De bestreden beslissing van de provinciale commissie wordt vernietigd en overigens worden alle rechtsgevolgen in stand gelaten.

Jur. NHK 1998 08/10/12/98

08/98, 10/98 en 12/98

De generale commissie sluit aan bij een aantal overwegingen van 05/98 en vervolgt:

Ook bij deze uitgangspunten van enerzijds het geografisch principe en anderzijds het vereiste van consistentie van de betrokkenheid op de gemeente van voorkeur, welke uitgangspunten de generale commissie onverkort handhaaft, geldt dat elke perforatieregeling – zowel de landelijke als een (nadere) plaatselijke – steeds als strekking heeft en dient te hebben het opheffen van een situatie van pastorale nood. Het verschaffen van zeggenschap in de gemeente van voorkeur is geen doel van de regeling en behoort dat ook niet te zijn.

Daar waar binnen het verband van dezelfde hervormde gemeente in de pastorale nood voldoende is voorzien door een plaatselijke regeling, is er minder snel aanleiding een verzoek tot perforatie in te willigen dan in de gevallen waarin perforatie naar een andere hervormde gemeente wordt verzocht (waarmee geen regeling bestaat ter voorziening in de pastorale nood).

Een met betrekking tot perforatie ontwikkeld beleid, mits neergelegd in een plaatselijke regeling, mag, rekening houdend met die plaatselijke voorziening in pastorale nood, wat stringentere en algemenere criteria voor perforatie vaststellen en in zoverre afwijken van de beslissing in 05/98.

Het in een zodanige plaatselijke perforatieregeling vastleggen van een criterium van tijdsduur voor de vaststelling van genoemde betrokkenheid op de wijkgemeente van voorkeur is weliswaar niet geheel vrij van willekeurigheid, maar is niet onaanvaardbaar als het perforatie maar niet in feite onmogelijk maakt.

De generale commissie acht een eis van 10 jaar gebleken consistente betrokkenheid alvorens tot perforatie toestemming kan worden verleend, in het algemeen niet onredelijk maar tevens ook wel het maximum. Bovendien moet de regeling ruimte bieden voor afwijking in bijzondere gevallen.

De generale commissie wijst er uitdrukkelijk op dat deze uitspraak slechts geldt voor perforatie tussen wijkgemeenten binnen dezelfde hervormde gemeente en dat noodzakelijk is dat een regeling getroffen is om in de periode waarin perforatie nog niet is toegestaan zoveel mogelijk te voorzien in pastorale nood van de betrokkene.

Jur. NHK 1998 13/98

13/98

Bezwaar tegen het besluit van de kerkenraad waarin hij het bemiddelingsadvies van de scriba PKV aanvaardt. De generale commissie acht het onvermijdelijk dat een bemiddelaar keuzen maakt uit verschillende mogelijkheden. Over de uitkomst van de bemiddeling zullen partijen uiteenlopend oordelen, maar de generale commissie heeft geen elementen aangetroffen die hetgeen een bemiddelaar in redelijkheid mag aanbevelen, te buiten gaan.

De kerkenraad hoefde het besluit niet nader te motiveren: zijn motivering is gelegen in het concept zelf en in de toelichting van de opsteller daarop.

De provinciale commissie heeft terecht opgemerkt dat zij niet kan oordelen over het concept en evenmin bevoegd is daarvoor een andere regeling in de plaats te stellen, omdat het concept geen elementen bevat die in strijd zijn met de kerkorde of anderszins in redelijkheid niet door een bemiddelaar voorgesteld kunnen worden.

Appellant wenst in feite een verdergaande toetsing van het bestreden besluit dan een juridische, hij stelt dat overeenkomstig de kerkorde genomen beslissingen nog een afzonderlijke toets van de Allerhoogste zouden moeten ondergaan.

De generale commissie spreekt uit dat de organen van de kerk slechts kunnen functioneren op basis van de taak die de kerkorde hen toekent. Art. XXIV noch ord. 19 dragen aan de commissies voor de behandeling van bezwaren en geschillen meer op dan kerkelijke rechtspraak. Dit betekent een juridische toetsing, welke waar mogelijk omvat een marginale toetsing van het beleid van kerkelijke organen. Een verdergaande bemoeienis met dit beleid verdraagt zich niet met de kerkorde.

Jur. NHK 1998 14/98

14/98 (tussenbeslissing)

Opschortingverzoek op het besluit van de CK om de ochtenddiensten in de Grote Kerk, de zogeheten 'centrale diensten' te beëindigen. Appellanten hebben in kort geding opschorting van het bestreden besluit en continuering van deze diensten gevorderd. De president heeft de vordering toegewezen, echter uitsluitend totdat op het bezwaarschrift van appellanten zou zijn beslist. De provinciale commissie heeft de bezwaren ongegrond verklaard. De CK heeft besloten de centrale diensten voorlopig voor drie maanden voort te zetten.

Nu reeds vaststaat dat de CK de belangen van de betrokken kerkgangers niet voldoende heeft betrokken bij de besluitvorming en omdat de beslissing van de generale commissie in de hoofdzaak mogelijk eerst na de termijn van drie maanden kan worden gegeven, bepaalt de generale commissie dat de centrale diensten worden voortgezet totdat de generale commissie heeft beslist.

14/98

Als bezwaren tegen het besluit om de centrale diensten te beëindigen worden onder meer aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen zonder toepassing van hoor en wederhoor en zonder voldoende voorbereidend onderzoek, dat de termijn tussen het nemen en het uitvoeren van het besluit (te) kort is, dat in het verleden toezeggingen zijn gedaan, en dat met de belangen van de betrokken kerkgangers onvoldoende rekening is gehouden. Ook zijn er geen alternatieven aangedragen en is de mogelijkheid van dubbele diensten niet besproken.

De generale commissie concludeert dat bij het bestreden besluit onvoldoende gewicht is toegekend aan de belangen van de betrokken kerkgangers. Het gesprek dat achteraf met hen is gevoerd kan het gebrek niet opheffen, nu daarbij als uitgangspunt was genomen dat het besluit tot beëindiging van de centrale diensten niet meer ter discussie stond.

Het besluit kan niet in stand blijven: de CK zal een nieuw besluit dienen te nemen ten aanzien van de centrale diensten, met inachtneming van alle betrokken belangen. Dat besluit kan zonodig opnieuw in bezwaar en beroep ter toetsing worden voorgelegd.

[zie ook 03/01 en 08/01, aantek. PvdH]

Jur. NHK 1998 14/98 II

14/98 II

Verzoek om toepassing van ord. 19-8-5. De generale commissie is van oordeel dat de CK niet nalatig blijft in de opgelegde verplichting om met inachtneming van hetgeen de generale commissie heeft overwogen, tot een nieuwe beslissing te komen. 

Jur. NHK 1998 15/98-P

P-15/98

Vernietiging ambtshalve (ord. 19-16-1) , inhoudelijk gelijk aan 03/98

Jur. NHK 1998 16/98-P

P-16/98

Vernietiging ambtshalve (ord. 19-16-1) , inhoudelijk gelijk aan 03/98

Jur. NHK 1999 01/99

01/99

Bezwaar tegen het besluit van het breed moderamen van de generale synode in te stemmen met het model voor ontvlechting en boedelscheiding in het plan van de commissie ex ord. 2-30 en om aan die commissie opdracht te geven de voor de concretisering van het model noodzakelijke regelingen te ontwerpen en voor te leggen aan het BM ter nadere besluitvorming.

Als bezwaren worden aangevoerd dat het BM de betrokken partijen niet heeft gehoord, in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, en dat de opdracht onaanvaardbaar afwijkt van de oorspronkelijke opdracht aan de commissie.

Aan de commissie was de opdracht verstrekt om de partijen te horen, waarmee ook veelvuldig overleg is geweest, en de eventuele bezwaren aan het BM voor te leggen. Daarmee zijn de procedureregels in acht genomen: het BM was niet gehouden ook zelf de betrokken wijkkerkenraden te horen.

Het BM heeft in redelijkheid kunnen besluiten om met de wijze van ontvlechting in te stemmen: van een onaanvaardbare wijze van afwijking van de oorspronkelijke opdracht is geen sprake. Alleen de wijze van de realisering van de ontvlechting is enigszins anders, maar voor de oorspronkelijke voorkeur zijn kennelijk geen reële mogelijkheden beschikbaar. Het BM heeft in het belang van de beëindiging van een reeds jarenlang slepend conflict kunnen kiezen om het voorstel te volgen dat strekt tot een zo volledig mogelijke ontvlechting.

Het model van boedelscheiding komt daarbij de generale commissie niet onredelijk voor, gelet op ord. 2-4-4 en 2-10a-10.

Omdat het besluit slechts de opdracht van de commissie bevat, zal de generale commissie in dit stadium geen inhoudelijke beoordeling geven omtrent de diverse onderdelen van de voorgestelde ontvlechting en boedelscheiding. De nader besluitvorming van het BM omtrent de uitvoering van de ontvlechting en boedelscheiding kan zonodig opnieuw ter toetsing aan de generale commissie worden voorgelegd.

Jur. NHK 1999 01/99 S

01/99S

Het bestreden besluit houdt niet meer in dan de opdracht tot het ontwerpen van regelingen, waarbij het breed moderamen van de generale synode heeft toegezegd met het nemen van besluiten terzake te wachten tot na de beslissing van de generale commissie. Er is geen sprake van een onomkeerbare situatie; het verzoek om opschorting wordt afgewezen.

Jur. NHK 1999 02/99

02/99

In de gemeente X is een 'Stichting Hervormde Kerkelijke gebouwen' opgericht, erop gericht te voorkomen dat de gemeente de vrije beschikking en het eigendom van haar onroerende zaken verliest als gevolg van het fusieproces. Vervolgens heeft de kerkvoogdij de kerkelijke goederen om niet overgedragen aan genoemde stichting.
De provinciale commissie heeft de besluiten vernietigd en de kerkvoogdij opgedragen het daarheen te leiden dat de gevolgen van genoemde besluiten worden hersteld.

Een groot aantal overwegingen van de generale commissie komt overeen met die in 09/96.

Nieuwe elementen zijn:
- het bezwaar dat de provinciale commissie niet 'onafhankelijk' is. De generale commissie spreekt uit dat het tot de taak van de leden van de provinciale commissie behoort zich een oordeel te vormen over de hen voorgelegde zaak. Het staat hen vrij in dat kader ter zitting vragen te stellen naar de achtergrond van de standpunten van partijen. De generale commissie verwerpt de stelling van de kerkvoogdij dat het stellen van indringende vragen ter zitting zou wijzen op een gebrek aan onafhankelijkheid van de provinciale commissie.
- het bezwaar dat de PKC te laat bezwaar aangetekend heeft en derhalve niet ontvankelijk had moeten worden verklaard. De provinciale commissie heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake was van termijnoverschrijding, nu de PKC eerst in de loop van maart 1996 er van op de hoogte kwam dat een stichting was opgericht [het verweerschrift van de kerkvoogdij aan de provinciale commissie dateert van 27 maart 1996].

De generale commissie bevestigt de beslissing van de provinciale commissie.

Jur. NHK 1999 03/99

03/99

Een beroepschrift namens 109 gemeenteleden is afgewezen. Zij waren niet ontvankelijk verklaard in hun bezwaar tegen het besluit van de CK dd. 18 juni 1998. Het  bezwaarschrift was binnengekomen op 29 sept. 1998. Het beroep op communicatieproblemen in verband met de vakantieperiode rechtvaardigt niet de afwijking van de beroepstermijn. 

Jur. NHK 1999 04/99

04/99S en 04/99

Bezwaar tegen een artikel in de plaatselijke regeling: 'verkregen perforatie vervalt na het gaan behoren tot een andere wijkgemeente binnen de centrale gemeente.'

Appellant noemt dat in strijd met ord. 2-10-2h waarin duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen woongemeente en wijkgemeente. De SMRA handhaaft na verhuizing binnen de centrale gemeente wel de inschrijving in de wijkgemeente van voorkeur.

De generale commissie oordeelt dat de perforatieregeling het geografisch principe als uitgangspunt handhaaft en overschrijving mogelijk maakt onder bepaalde voorwaarden. Deze voorwaarden gelden zowel bij overschrijving naar een andere gemeente als binnen de centrale gemeente (ord. 2-1-2e en 2-10-2e). In ord. 2-1-2i resp. 2-10-2h is kennelijk beoogd om als uitvloeisel van het geografisch principe het betrokken gemeentelid na verhuizing weer deel te laten uitmaken van de kerkelijke gemeente binnen welker grenzen hij vaste woonplaats heeft.

In een centrale gemeente wordt blijkens ord. 2-10-2 de wijkgemeente beschouwd als een eigen geografische eenheid. In ord. 2-10-2a, 2b, 2d, 2f en 2i wordt telkens gesproken van de wijkgemeente waarin het gemeentelid zijn (vaste) woonplaats heeft. In deze systematiek van de perforatieregeling dient het woord 'woongemeente' in ord. 2-10-2h eveneens te worden uitgelegd als de wijkgemeente waarin het gemeentelid zijn (nieuwe) vaste woonplaats heeft.

Appellant kan zich, onder verwijzing naar deze beslissing, tot de SMRA wenden.

Jur. NHK 1999 07/99

07/99

De CK heeft besloten om de zaken betreffende overschrijving naar een andere wijkgemeente niet meer plenair te bespreken in de CK, maar te laten afdoen door het moderamen volgens op de bepalingen van de kerkorde gebaseerde criteria. Argument voor deze handelwijze is aanmerkelijke tijdsbesparing. De stukken over perforatie aangelegenheden worden aan de leden van de CK op een aparte lijst bij iedere vergadering toegezonden. Bespreking heeft twee maal per jaar plaats, waarbij vragen kunnen worden ingediend. Voor dringende zaken kan een uitzondering worden gemaakt.

De generale commissie is van oordeel dat het besluit van de centrale kerkenraad valt binnen de termen van ord. 1-21-5, waar de taken van het moderamen zijn omschreven. Niet is gebleken dat de perforatieaanvragen niet juist worden behandeld.

Het bezwaar is door de provinciale commissie terecht verworpen.

Jur. NHK 1999 08/99

08/99

De kerkenraad heeft besloten mevr. X uit te sluiten van deelneming aan het Heilig Avondmaal en geweigerd haar huwelijk te bevestigen en in te zegenen in een kerkdienst der gemeente. Aan deze besluiten lag ten grondslag de stelling van de kerkenraad dat de handelwijze van mevr. X. - door niet de door de kerkenraad voorgestane weg van verzoening te volgen - niet juist is geweest en dat zonder enige schuldbelijdenis van haar zijde de door haar (tweede) huwelijk ontstane nieuwe situatie zodanig zwaar moet worden gewogen dat de kerkenraad op grond daarvan tot deze besluiten kon komen.

De generale commissie is evenals de provinciale commissie van oordeel dat de handelwijze van de kerkenraad het karakter draagt van het toepassen van een tuchtmaatregel. Reeds omdat de procedure van ord. 11-7 niet is gevolgd kan het besluit om haar van het Avondmaal af te houden geen stand houden.

Met de provinciale commissie is de generale commissie van oordeel dat mevr. X. geen verwijt treft voor het mislukken van haar (eerste) huwelijk en dat de door de kerkenraad gehanteerde (algemene) regel bij het al dan niet inzegenen van een tweede huwelijk niet op de kerkorde is gebaseerd. In zijn algemeenheid vormt een echtscheiding binnen het geheel van de NHK geen beletsel om over te gaan tot bevestiging en inzegening van een volgend huwelijk.

Voor zover de kerkenraad het bezwaar tegen de weigering het huwelijk in te zegenen heeft gebaseerd op de voorwaarde dat zij voor het niet volgen van de weg der verzoening eerst schuldbelijdenis zal moeten doen, alvorens haar huwelijk kan worden bevestigd en ingezegend heeft de kerkenraad zijn bevoegdheid op onjuiste gronden gehanteerd.

De generale commissie bevestigt de bestreden beslissing waarin de besluiten van de kerkenraad werden vernietigd.

Jur. NHK 1999 09/99

09/99

Bezwaar tegen besluit van de CK betreffende de verkoop van de wijkkerk. Appellanten zien er kennelijk aan voorbij dat het niet tot de bevoegdheid van de kerkelijke rechter behoort het beleidsplan van de CK en de daaruit voortvloeiende beleidskeuzes volledig te beoordelen.

Ook de overige bezwaren treffen geen doel.

Jur. NHK 1999 10/99

10/99

Ontvankelijkheid: een 'wijkdeelgemeente' is geen lichaam van de NHK; de hervormde wijkgemeente is in deze procedure niet geldig vertegenwoordigd.

De generale commissie overweegt dat het beleidsplan wordt vastgesteld en gewijzigd door de CK na overleg met de wijkkerkenraden (ord. 1-3a). Aan de wijkkerkenraad is toevertrouwd de zorg voor de dienst van het Woord en de sacramenten (ord. 2-12-1). De CK houdt contact met de wijkkerkenraden over de taak en de samenwerking van de delen in het geheel van de gemeente.
In het algemeen kan het besluit om de wijkkerk te sluiten niet worden genomen dan na overleg met de (hervormde) wijkkerkenraad. Het bestreden besluit bevat bovendien een wijziging van het beleidsplan, en kon dus - in al zijn onderdelen - niet worden genomen zolang niet een hervormde wijkkerkenraad bijeen geroepen was. Zo nodig zal een noodkerkenraad in het leven geroepen moeten worden (ord. 2-11-2) die de verkiezing van ambtsdragers voorbereidt.

De generale commissie gaat er niet aan voorbij dat de feitelijke ontwikkelingen op de juridische vormgeving vooruit zijn gelopen en dat om financiële redenen besluitvorming thans dringend gewenst is. Het is helaas onvermijdelijk dat veronachtzaming van de juridische vormgeving nadelig kan worden wanneer rechtshandelingen als kerksluitingen aan de orde komen.

Het besluit de wijkkerk te sluiten is onzorgvuldig en in strijd met het kerkrecht voorbereid en terecht vernietigd.

 

De generale commissie merkt nog op dat de overige besluiten van de CK, waartegen geen bezwaar is gemaakt, van kracht zijn zolang ze niet door een ander besluit worden vervangen.
Alle betrokkenen hebben jarenlang in overeenstemming met de federatie overeenkomst  geleefd; ongeacht of deze is goedgekeurd of niet, hebben betrokkenen in deze omstandigheden geen recht meer om op deze overeenkomst terug te komen. Art. 22-1 van deze overeenkomst ('tot aan de feitelijke inwerkingtreding van de federatie … zijn de kerkenraden … verantwoordelijk voor een zodanig beleid, dat niets het toegroeien naar de feitelijke federatie in de weg staat') moet te goeder trouw worden nagekomen.

Jur. NHK 1999 11/99

11/99

Bezwaar tegen de wijze waarop de zesjaarlijkse stemming is voorbereid en gehouden.

Na een toelichting werden vragen gesteld vanuit de gemeente, ontwikkelde zich een discussie, uitmondend in een verzoek om uitstel van de stemming 'voor nader overleg', welk verzoek werd afgewezen.

De generale commissie oordeelt dat de kerkenraad de zesjaarlijkse stemming tijdig en met het doel waartoe deze gehouden moet worden onder de aandacht van de betrokken gemeenteleden heeft gebracht, hoewel de vorm en de bewoordingen op sommige plaatsen helderder zou hebben kunnen zijn. Het bestreden besluit is dan ook zorgvuldig voorbereid en tot stand gekomen.

Het verzoek om uitstel van de stemming om gelegenheid te geven tot nader overleg, biedt evenmin grond voor een ander oordeel. Een vergadering, waarin een zesjaarlijkse stemming wordt gehouden onder leiding van de kerkenraad heeft niet het karakter van een beraad waarin onderling overleg van de gemeenteleden plaatsvindt. Bovendien is in die vergadering op alle vragen van de aanwezige gemeenteleden geantwoord. Dat een deel van hen het met de beantwoording niet eens was, is op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat het verzoek om uitstel had moeten worden ingewilligd.

Jur. NHK 1999 14/15/99

14/99 en 15/99 (de beide zaken zijn identiek)

Op 2 augustus is een beroepsschrift ontvangen gedateerd 22 juli tegen de beslissing van de provinciale commissie van 25 juni. Desgevraagd geeft het college van kerkvoogden aan dat het beroepschrift om niet duidelijke redenen enige tijd in het ongerede is geraakt tussen tijdstip van verzending en tijdstip van ontvangst.

De beroepstermijn van 30 dagen dient het belang dat het moment waarop beslissingen onherroepelijk worden, vaststaat. De generale commissie oordeelt dat van de beroepstermijn niet dan in zeer bijzondere gevallen kan worden afgeweken. De door het college van kerkvoogden genoemde omstandigheden rechtvaardigen deze afwijking niet.  Daarom dient het college niet ontvankelijk te worden verklaard.

Jur. NHK 1999 16/99

16/99

De generale commissie beslist conform de uitspraak in de zaken 08/98, 10/98 en 12/98.

Nu betrokkenen niet voldoen aan het redelijk te achten tijdscriterium van 10 jaren en er overigens geen bijzondere gronden van individuele aard nopen tot toewijzing van het perforatieverzoek, en een nieuwe wijkindeling op zichzelf niet wijst op het ontstaan van zodanige pastorale nood dat daarin niet redelijkerwijze kan worden voorzien volgens de regeling die daarvoor ter plaatse van kracht is, heeft de CK het perforatieverzoek in redelijkheid kunnen afwijzen.

Jur. NHK 1999 16/99 S

16/99S

Opschortingverzoek van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de provinciale commissie dat de CK een nieuw besluit moet nemen op het verzoek tot overschrijving naar een andere wijkgemeente toegewezen.

Een nieuw besluit van de CK hangende de beroepsprocedure zou de noodzaak van verdere besluitvorming of verdere procedures mee kunnen brengen; het alsnog inwilligen van het perforatieverzoek door de CK zou niet zonder meer kunnen worden teruggedraaid bij eventuele vernietiging van de beslissing van de provinciale commissie door de generale commissie.

Van enig concreet en zwaarwegend belang bij verweerster tot het onmiddellijk verkrijgen van een nieuw besluit van de CK is niet gebleken; de uitspraak van de PC laat de mogelijkheid open dat een dergelijk besluit niet de beoogde inwilliging van het perforatieverzoek zou leiden.

Jur. NHK 1999 17/99

17/99

Ontvankelijkheid: bezwaarde was met vakantie op de datum van verzending van de beslissing van de provinciale commissie. De generale commissie gaat uit van de dag waarop in redelijkheid van de beslissing kennis kon worden genomen en verklaart appellant ontvankelijk.

Bezwaar tegen het besluit van de CK tot het doen houden van gezamenlijke diensten door wijkgemeente A met wijk B of C.

Het behoort tot de taak van de centrale kerkenraad om getal, tijd en plaats van de kerkdiensten in een centrale gemeente vast te stellen. Daarbij komt aan de centrale kerkenraad een ruime beslissingsvrijheid toe, nu deze bevoegdheid noch in ord. 2-15-1, noch in enig ander voorschrift wordt beperkt. De generale commissie kan daarom alleen beoordelen of het besluit is genomen na voldoende zorgvuldige voorbereiding en belangenafweging.

Door de (niet bestreden) sluiting van de Grote Kerk moesten de kerkdiensten van wijkgemeente A elders worden gehouden, gezamenlijk met één van de andere wijkgemeenten.  Het voorstel is voorgelegd aan alle wijkkerkenraden, is besproken in een ambtsdragersvergadering en op gemeenteavonden met de drie wijkgemeenten.

De provinciale commissie heeft de bezwaren terecht niet gegrond verklaard.

De generale commissie overweegt ten overvloede dat het besluit van de CK om de 3e predikantsplaats te bestemmen voor bijzonder pastoraat niet kan gelden als het vervullen van de predikantsplaats in kerkordelijke zin. De CK is gehouden om de kerkordelijke voorschriften voor de herindeling van de kerkelijke gemeenten en voor de vervulling van een predikantsplaats in acht te nemen.

Jur. NHK 1999 18/99

18/99

Vernietiging in het belang van de eenheid in de behandeling van bezwaren en geschillen (uit hoofde van ord. 19-16-1).

Appellant is lid van de Gereformeerde Kerk ter plaatse en is daarom ten onrechte ontvankelijk verklaard door de provinciale commissie. In ord. 19-1-1 wordt gedoeld op kerkelijke lichamen, ambtsdragers en gemeenteleden van de NHK (zie de definitie van gemeenteleden in art. II, en meer in het bijzonder ook ord. 19-1-4 waarin voor toepassing van deze ordinantie met een gemeentelid gelijkgesteld wordt hij, die geen lid van de NHK zijnde, een functie bij een kerkelijk lichaam heeft aanvaard).

Overigens was appellant wel bevoegd in hoger beroep te komen, op grond van ord. 19-12-1, maar wordt hij in zijn beroep niet ontvankelijk verklaard op grond van gebrek aan belang.

De generale commissie overwoog ten overvloede dat het bezwaar van appellant door de provinciale commissie terecht niet gegrond is verklaard omdat het zich richtte tegen het besluit van de (gefedereerde) wijkkerkenraad terwijl het besluit tot het (al dan niet) verkopen van de hervormde wijkkerk een beheerstaak is van het college van kerkvoogden van de (centrale) hervormde gemeente, nu er op het niveau van de centrale gemeente geen federatie bestaat. 

Jur. NHK 1999 19/99

19/99

Bezwaar tegen het besluit van het moderamen GS en de notitie om de terughoudende opstelling van de door de PKC aangewezen gedelegeerden ook te laten gelden voor andere gemeenten met een onbevoegd college van kerkvoogden. De notitie beoogt – binnen de grenzen van de kerkordelijke bepalingen – een zekere ruimte te scheppen voor de procederende gemeenten.

Omdat de maatregelen getroffen zijn in het belang van de bezwaarde gemeenten, ter voorkoming van een onomkeerbare situatie, en zij een pastorale achtergrond hebben, heeft het moderamen in redelijkheid kunnen besluiten tot uitvaardiging van deze notitie.

Jur. NHK 1999 20/99

20/99

Bezwaar van een lidmaat tegen het ontbreken van haar naam op de lijst van stemgerechtigde lidmaten van de gemeente. De kerkenraad voert aan dat op grond van het plaatselijk reglement alleen manslidmaten stemrecht hebben. Hij acht het onjuist dit reglement van de vrij beheer gemeente aan te passen hangende de procedure over de aanpassing van het beheersregime.

Verweerster merkt op dat de twee als kerkvoogd fungerende lidmaten niet bevoegd zijn als college op te treden en dat er geen wettig college is dat de gemeente kan vertegenwoordigen. Zij stelt voorts dat de uitsluitende toekenning van stemrecht aan mannelijke lidmaten in strijd is met ord. 3.

Het standpunt van verweerster dat de twee indieners van het beroepschrift niet kunnen optreden als het college van kerkvoogden is op zichzelf juist, maar leidt niet tot de conclusie dat het beroep door een onbevoegd orgaan is ingesteld. Van hun bevoegdheid om samen met aangewezen gedelegeerden op te treden moet worden uitgegaan, nu tegen hun benoeming niet tijdig bezwaar is gemaakt.

Uitsluiting van lidmaten van het kiesrecht, op de enkele grond dat zij tot het vrouwelijk geslacht behoren is in strijd met de kerkorde. De kerkorde gaat uit van gelijke bevoegdheid voor vrouwelijke en mannelijke lidmaten om ambtsdragers te verkiezen als ook om tot ambtsdrager te worden verkozen. Reeds om die reden is het niet opnemen van de naam van verweerster en van andere vrouwelijke lidmaten op de lijst van stemgerechtigde lidmaten niet aanvaardbaar. De vraag of deze uitsluiting gebaseerd is op een plaatselijk reglement behoeft derhalve geen bespreking meer.

De provinciale commissie heeft terecht het bezwaar gegrond verklaard en bepaald dat omtrent het op de lijst opnemen van verweerster een nieuw besluit moet worden genomen. Bij zo'n nieuw besluit dient de in de kerkorde verankerde gelijke stembevoegdheid van mannelijke en vrouwelijke lidmaten in acht genomen te worden. Bij de besluitvorming door het college van kerkvoogden dienen de bepalingen van ord. 16  met de overgangsbepalingen in acht genomen te worden.

In verband met de belangen van andere vrouwelijke lidmaten bepaalt de generale commissie dat de beslissing binnen vier weken integraal in het kerkblad wordt gepubliceerd.

Jur. NHK 1999 31/99-P

P-31/99

De provinciale commissie heeft, zich daartoe baserend op beslissing 05/98, het besluit van het BM van de PKV waarin overschrijving na verhuizing werd geweigerd, vernietigd.

De generale commissie oordeelt dat de provinciale commissie de in 05/98 ontwikkelde criteria in dit geval ten onrechte heeft toegepast.

Het verzoek strekte er enkel toe om na verhuizing in de oude woongemeente ingeschreven te blijven. Daarvoor is de perforatieregeling echter niet gegeven. Eerst als na verhuizing blijkt van een blijvende consistente betrokkenheid op de oude gemeente en daarmee tevens is gebleken dat men niet betrokken is kunnen raken bij de nieuwe woongemeente - ook hier moet sprake zijn van consistentie - kan een perforatieverzoek aan de orde komen. Zou het anders zijn dan zou het geografisch principe, dat ook in 05/98 als uitgangspunt is gehandhaafd, in feite worden afgeschaft.

De provinciale commissie had geoordeeld dat aan de afwijzing van het verzoek ten onrechte de beleidsafspraak tussen beide betrokken gemeenten ten aanzien van de behandeling van perforatieverzoeken (een moratorium) ten grondslag was gelegd. In dit moratorium was overeengekomen dat voor de bewoners van de nieuwe woonwijk van A, die veelal afkomstig waren uit B, de regels voor de perforatie in elk geval voor de eerstkomende drie jaar zouden blijven gehandhaafd, waarbij gedoeld werd op het strakke beleid van de PKV met een getalscriterium van 8 jaar betrokkenheid.

Daarmee gaf de provinciale commissie blijk van een onjuiste opvatting aangaande de ruimte die de kerkorde de in perforatiezaken tot beslissing bevoegde organen biedt om een beleid te ontwikkelen.

Het stond het BM van de PKV vrij om aansluitend aan de afspraken tussen de gemeenten, tijdelijk het reeds geldende strikte perforatiebeleid te handhaven. Het is redelijk te achten dat het BM van de PKV in verband met de bijzondere situatie tijdelijk een bijzonder beleid voert dat in concrete gevallen strikter zou kunnen uitvallen. Maar ook na deze drie jaar zal de consistente betrokkenheid bij de gemeente van voorkeur moeten blijken.

Bij afwezigheid van modaliteitsverschil mag van de betrokken gemeenteleden verwacht worden dat zij serieuze pogingen doen om betrokken te raken bij de kerkelijke gemeente van hun nieuwe woonplaats. Het antwoord op de vraag of hiervan sprake is geweest mag bij de beoordeling van een perforatieverzoek mede een rol spelen.

De generale commissie heeft overwogen of zij de rechtsgevolgen in stand zal laten, maar door de afwezigheid van enige gebleken pastorale nood vindt zij daartoe geen aanleiding.

Jur. NHK 1999 32/99-P

P-32/99

In gevolge ord. 19-16-4 kan de generale commissie verklaren dat een eindbeslissing van een provinciale commissie onjuist is.

De kerkenraad heeft, wanneer de vacature voortduurt, de lidmaten opnieuw in de gelegenheid te stellen aanbevelingen in te dienen (7/82). De kerkenraad heeft kennelijk geen pogingen gedaan in de vacature te voorzien, betrokkene is ook na de maximale uitloopperiode, officieel als scriba blijven optreden. Bij de voorbereiding van de verkiezing zijn de lidmaten niet in de gelegenheid gesteld aanbevelingen in te dienen.

De generale commissie beziet deze feiten tegen de achtergrond van de grondregel dat het de gemeente is die haar ambtsdragers verkiest (zie P-06/96).

De beslissing van de provinciale commissie kan niet in stand blijven en de generale commissie verklaart de verkiezing van dhr. X ongeldig.

Jur. NHK 1999 32/99-P II

P-32/99 II

Verzoek ingevolge ord. 19-17-1 om herziening. Er worden echter geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot herziening van de beslissing van P-32/99. Deze strekte alleen tot de verklaring dat de verkiezing ongeldig was, de rechtsgevolgen van de beslissing van de provinciale commissie worden door die verklaring, ingevolge ord. 19-16-5, niet aangetast.

Jur. NHK 2000 01/00

01/00

Een bezwaar tegen besluit van de Triosynode om de kerkelijke opleiding te Groningen te beëindigen. Het besluit wordt onbegrijpelijk, niet voldoende gemotiveerd en onzorgvuldig genoemd. De generale commissie heeft het bezwaar opgevat als een bezwaar tegen de ratificatie van dat besluit.

Termijn: bezwaarden worden ontvankelijk verklaard omdat ze pas op 15 december 1999 door een brief van de RU Groningen kennis konden nemen van het op 2 december 1999 genomen besluit.

Inhoudelijk: gelet op de noodzaak van concentratie en de gevolgde procedure oordeelt de generale commissie dat de generale synode in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen.

Jur. NHK 2000 02/00

02/00

Op het bezwaar tegen de gang van zaken rond de zesjaarlijkse stemming wordt op grond van ord. 19-14-1 reeds dadelijk beslist.

De provinciale commissie heeft bezwaarde niet ontvankelijk verklaard omdat hij eerst na het verstrijken van de in ord. 3-24-1 genoemde termijn [nl. 11 dagen na de gehouden zesjaarlijkse stemming] bij de kerkenraad bezwaren ingediend tegen de gang van zaken bij die stemming.

Ontvankelijkheid:

in ord. 3-24-2 is sprake van een eindbeslissing, waarvan naar vaste rechtspraak van de generale commissie geen hoger beroep open staat.

Naar het oordeel van de generale commissie geldt deze uitsluiting van hoger beroep niet als de bezwaarde niet ontvankelijk wordt verklaard of als de provinciale commissie zich niet bevoegd acht. Dan is een in het kader van ord. 3-24 gegeven beslissing geen eindbeslissing en staat hoger beroep open.

Blijkens ord. 19-16-4 en 5 is de generale commissie ten aanzien van een eindbeslissing slechts bevoegd te verklaren dat ze onjuist is, zonder dat dat de rechtsgevolgen aantast. Ten aanzien van een eindbeslissing is de bevoegdheid tot spontane vernietiging aan de generale commissie onthouden.

De generale commissie maakt hier een uitzondering voor de beslissingen waarbij de  bezwaarde niet ontvankelijk wordt verklaard of de provinciale commissie zich niet bevoegd acht. Daarmee wordt immers aan de bezwaarde de toegang tot de kerkelijke rechter ontzegd ter zake van de inhoudelijke toetsing van de toepassing van regels voor een van de meest essentiële aangelegenheden van de kerkorde, de verkiezing van ambtsdragers. De generale commissie acht het niet in overeenstemming met fundamentele beginselen van de orde der kerk als dergelijke verstrekkende beslissingen niet op haar juistheid door een hogere kerkelijke rechter zouden kunnen worden beoordeeld.

Dit brengt mee dat appellant ontvankelijk is in zijn beroep, nu hij niet ontvankelijk is verklaard door de provinciale commissie.

Inhoudelijk:

bezwaarde bestrijdt niet de termijnoverschrijding, maar voert aan dat de methode van stemming 'onkerkordelijk' was. Dat de kerkenraad het bezwaar heeft doorgezonden en dat de provinciale commissie deze in behandeling heeft genomen betekent niet dat hij ontvankelijk was. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat appellant redelijkerwijs niet in verzuim is geweest met betrekking tot het tijdig indienen van zijn bezwaren.

Jur. NHK 2000 03/00

03/00

Het bezwaar dat de provinciale commissie ten onrechte ervan uit is gegaan dat de kerkvoogdij betrokken is geweest bij de oprichting van de Stichting, nu de Stichting op grond van het plaatselijk reglement is opgericht door een vergadering van mannelijke lidmaten, wordt afgewezen: de betrokkenheid van de kerkvoogdij is op goede gronden aangenomen.

Uit het feit dat de Raad voor de predikantstraktementen en –pensioenen op de hoogte was van het bestaan van de stichting volgt niet dat de PKC daarvan op de hoogte moet zijn geweest.

Jur. NHK 2000 06/00

06/00

Bezwaar tegen een plaatselijke perforatieregeling, omdat het criterium van 12 jaar uit de regeling is geschrapt. De generale commissie had (in 08/98, 10/98, 12/98) slechts aangegeven dat aan een criterium van tijdsduur, als dat wordt opgenomen in een plaatselijke regeling, grenzen gesteld moeten worden. Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Jur. NHK 2000 06/00-P

P-06/00

Vernietiging op grond van ord. 19-16-1 (aanhef) en 2.

Het breed moderamen van de classicale vergadering heeft een verzoek tot dispensatie op grond van ord. 1-16-11 afgewezen (echtgenoten beiden in de kerkenraad).

De generale commissie acht het met de provinciale commissie van belang dat de provinciale commissie zich terughoudend opstelt in de beoordeling van een dergelijk dispensatieverzoek. De inhoudelijke afweging van belangen is bij de classis gelegd. De provinciale commissie kon slechts toetsen of de classis in redelijkheid heeft kunne besluiten om de gevraagde dispensatie niet te verlenen.

Het breed moderamen overwoog dat de benoeming van met elkaar gehuwden in een kerkenraad onwenselijk is omdat de kans op verstrengeling van privé- en kerkelijke belangen dan zeer groot wordt en dat het (zeker in een kleine kerkenraad) een onevenwichtige samenstelling in de hand werkt.

De kerkenraad heeft aangevoerd veel gemeenteleden te hebben benaderd, zonder positief resultaat en dat - als straks de federatie met de Gereformeerde Kerk een feit is -het kerkordelijk beletsel voor met elkaar gehuwden vervalt.

De provinciale commissie heeft in haar overwegingen de argumenten van de kerkenraad overgenomen en heeft derhalve niet volstaan met een marginale toetsing van het besluit van het breed moderamen, maar dit inhoudelijk getoetst.

[Uit de beslissing van de provinciale commissie:
'De Commissie is van oordeel dat zij een terughoudend beleid van het breed moderamen heeft te respecteren, inhoudende dat dispensatie wordt geweigerd als de kerkenraad de gemeente niet voldoende heeft gewezen op haar bedoelde verantwoordelijkheid en niet wordt gezocht naar structurele oplossingen voor het probleem voldoende ambtsdragers te vinden.'
Heeft de provinciale commissie hier meer gedaan dat het besluit van het breed moderamen toetsen aan zijn eigen (geformuleerd) beleid? aantek. PvdH]

Zij heeft onvoldoende beoordeeld waarom het breed moderamen niet op de door hem aangevoerde gronden tot zijn beslissing heeft kunnen komen.

Aldus heeft de provinciale commissie op onjuiste wijze toepassing gegeven aan het uitgangspunt dat ze slechts had kunnen toetsen of het breed moderamen in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de gevraagde dispensatie niet te verlenen.

Voor zover de bevestiging inmiddels heeft plaatsgevonden, laat de generale commissie de rechtsgevolgen in stand.

Jur. NHK 2000 07/00

07/00

Een bezwaar tegen het besluit van de kerkenraad om mevr. X. de toegang tot het kerkgebouw te ontzeggen tijdens de rouwdienst van haar vader.

De (verstrekkende) bevoegdheid  om de toegang tot het kerkgebouw te ontzeggen en het daarmee onmogelijk maken aan een kerkdienst deel te nemen, komt slechts toe aan de kerkenraad, die de kerkdienst belegt en daarvoor verantwoordelijkheid draagt.

Kerkdiensten behoren voor een ieder toegankelijk te zijn en slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan de toegang aan iemand worden ontzegd. Besluitvorming daartoe dienst met hoge mate van zorgvuldigheid te geschieden. Daarbij zal de betrokkene moeten worden gehoord (uitzonderlijke dringende en spoedeisende situaties daargelaten). Nu niet geprobeerd is met betrokkene in contact te komen om haar over het voorgenomen besluit te horen, heeft de kerkenraad bij het afwegen van de belangen niet in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

De vrees van de moeder dat mevr. X. het woord zou gaan voeren en daarbij ingaan op de relatie tot haar vader rechtvaardigde deze verstrekkende maatregel niet.

Jur. NHK 2000 08/00

08/00

De verkiezing van kerkvoogden en notabelen is ongeldig verklaard omdat vrouwelijke lidmaten niet in de gelegenheid zijn gesteld hun stem uit te brengen. Het verweer van de kerkvoogdij, die zich beroept op het plaatselijk reglement uit 1869, wordt verworpen omdat – ook bij de procederende gemeenten -  moet worden uitgegaan van de geldigheid van de kerkordewijziging van 1991.

Jur. NHK 2000 08/00-P

P-08/00

De generale commissie vernietigt de beslissing van de provinciale commissie die de kerkvoogdij niet ontvankelijk oordeelt in haar beroep tegen het besluit van de PKC om een beperkte toestemming te geven voor de restauratie.

De provinciale commissie voert als gronden voor de niet ontvankelijkheid aan
- termijn overschrijding;
- door het bezwaar in volle omvang te beoordelen zou de provinciale commissie gaan fungeren als hogere beroepsinstantie; buiten beschouwing gelaten dat volgens ord. 18-5 de Generale Commissie van Toezicht fungeert als appèlinstantie voor besluiten genomen door de PKC;
Iets anders zou zijn wanneer de PKC zich niet zou hebben gehouden aan de voor haar voorgeschreven regels. Dan ligt er wel een terrein braak voor het inschakelen van de provinciale commissie.

De generale commissie oordeelt dat ter zake van een besluit van de PKC op grond van ord. 18-17-1 de provinciale commissie niet bevoegd is doch uitsluitend het generaal college van toezicht. Elke toetsing van het bestreden besluit was daarom aan het provinciale commissie onttrokken, ook als 'de PKC zich niet zou hebben gehouden aan de voor haar voorgeschreven regels'. Ook de toetsing van de door de PKC gevolgde procedure is bij uitsluiting aan het generaal college opgedragen en dus aan de bevoegdheid van het provinciale commissie onttrokken.

De provinciale commissie had zich dus aanstonds op grond van ord. 18-5 niet bevoegd dienen te verklaren.

De provinciale commissie overwoog nog ten overvloede:
'Onze commissie laat hier volledig rusten de interessante vraag of Uw kerkvoogdij wel voor een besluit tot restauratie als door U bedoeld de toestemming van de PKC nodig heeft'. Daarmee - aldus de generale commissie - schept de provinciale commissie onduidelijkheid waar duidelijkheid bestaat. Er kan geen twijfel over bestaan dat de kerkvoogdij niet bevoegd is tot tenuitvoerlegging van enig besluit tot restauratie zonder voorafgaande goedkeuring.

Jur. NHK 2000 09/00

09/00

Twee (vrouwelijke) gemeenteleden hebben bezwaar gemaakt tegen de verkiezing van een ambtsdrager, omdat door de kerkenraad naar hun stelling druk op hen heeft uitgeoefend om hun stemrecht niet uit te oefenen. De PC heeft geoordeeld dat bedoelde druk is uitgeoefend, dat deze handelwijze in strijd is met de kerkorde en heeft de gehouden verkiezing vernietigd.

De kerkenraad stelt van oordeel te zijn dat vrouwelijke lidmaten niet behoren deel te nemen aan het verkiezen van ambtsdragers en heeft deze opvatting aan alle gemeenteleden doen blijken. Hij meent dat naar zijn inzicht het Woord van God verbiedt dat vrouwen spreken in de gemeente. De tekst van de kerkorde kan een gemeente niet dwingen tot het verstaan van de Woord van God dat het hare niet is.

Beoordeling:

De kerkorde is voor de gemeenten van de NHK geldend recht. De kerkorde biedt aan de gemeenten grote ruimte voor een op de leden van de gemeente toegesneden verstaan van het Woord van God. Dit eigen verstaan kan echter de grenzen die de kerkorde trekt niet overschrijden. Het staat de gemeente niet vrij om de kerkorde met een beroep op het eigen geweten ter zijde te stellen. Wanneer een gemeente de inhoud van kerkordelijke bepalingen te knellend voor de eigen geloofsopvatting acht, staan er andere wegen open om dit binnen de Kerk aan de orde te stellen.

De kerkorde verleent de bevoegdheid om ambtsdragers te verkiezen aan alle tot stemmen bevoegde lidmaten van de gemeente en maakt daarbij geen onderscheid tussen mannelijke en vrouwelijke lidmaten. Een optreden van de kerkenraad waarbij aan vrouwelijke lidmaten te verstaan wordt gegeven dat een gang naar de stembus voor hen niet behoorlijk is, is strijdig met de kerkorde.

Jur. NHK 2001 01/01

01/01

Aangevoerde bezwaren:

De kerkvoogdij verzet zich tegen de kerkordewijziging 1991, de kerkvoogdij is niet aan de kerkorde onderworpen maar wordt geregeerd door haar eigen plaatselijk reglement, de provinciale commissie heeft de kerkenraad en de kerkvoogdij ten onrechte verweten trouw te willen blijven aan de belijdenis en structuur van de NHK, de provinciale commissie heeft de bezwaren partijdig beoordeeld daarbij voorbijgaand aan de feitelijkheden die door de kerkvoogdij zijn aangedragen.

De kerkenraad voert aan weldegelijk beleid te voeren waarvan aan kerkelijke organen verantwoording is afgelegd.

Beoordeling:

Van de geldigheid van de kerkordewijziging 1991 moet worden uitgegaan (zie 18/97). De stelling dat de kerkvoogdijen met vrij beheer zich nimmer binnen het statutaire kerkverband hebben bevonden en derhalve niet door enige besluitvorming van de kerkorde gebonden zijn, is onjuist.

Dat de provinciale commissie zich bij de mondelinge behandeling heeft beperkt tot enkele facetten van de talrijke grieven, is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake was van een partijdigheid. De provinciale commissie oordeelde terecht en op goede gronden dat de kerkenraad de situatie op zijn beloop heeft gelaten en de kerkvoogdij niet (althans niet voor de gemeente duidelijk) tot de orde heeft geroepen.

De bezwaren worden verworpen en de beslissing wordt bevestigd.

Jur. NHK 2001 01/01 S

01/01S

De provinciale commissie heeft het bezwaar tegen het oprichten van een stichting ‘instandhouding en beheer kerkelijke goederen van de hervormde gemeente‘ en tegen het nalaten van de kerkenraad om terzake zijn verantwoordelijkheid te nemen, ongegrond verklaard.

Verzoek om opschorting van de beslissing van de provinciale commissie omdat deze ontwrichtend werkt op het kerkelijk leven van de gemeente. Aan de gemeente moet gelegenheid worden geboden om de procedures voor de kerkelijke en de burgerlijke rechter [m.b.t. de kerkordewijziging 1991, aantek. PvdH] te laten behandelen zonder getroffen te worden door maatregelen van kerk- of tuchtrechtelijke aard. Het gaat niet aan nu reeds maatregelen te treffen die niet meer terug te draaien zijn.

Beslissing:

In de huidige stand van zaken moet worden uitgegaan van de geldigheid van bedoelde kerkordewijziging, zolang niet anders is beslist. Verzoekers kunnen de maatregelen toepassen die zijn neergelegd in een notitie van het moderamen van de generale synode, die beogen een onomkeerbare situatie te voorkomen.

De provinciale commissie was bevoegd ingevolge ord. 19-8-5 de stukken in handen te stellen van de regionale commissie voor het opzicht. Of en in hoeverre tuchtmaatregelen aan de orde komen, staat ter beoordeling van de met het opzicht belaste organen.

Jur. NHK 2001 02/01

02/01

Een echtpaar wenst pastorale hulp en steun te ontvangen van een andere dan de predikant aan wie de pastorale zorg in de betreffende wijk is opgedragen.

Beoordeling:

Het is de vrijheid van de kerkenraad om de gemeente geografisch te verdelen in twee werkgebieden. Het beleid om de pastorale zorg te verdelen tussen de twee predikanten en de inwoners van die wijken aan deze verdeling te binden, is niet onredelijk te noemen.

Er dient evenwel voldoende ruimte te zijn om in bepaalde gevallen van dit beleid af te wijken. Met name (maar niet alleen) bij diepingrijpende gebeurtenissen als ziekte en dood behoren de persoonlijke wensen van de betrokken gemeenteleden zoveel mogelijk gerespecteerd te worden. Goed overleg tussen de predikanten kan oplossingen bieden, zulks met behoud van het beginsel van de geografische verdeling.

De bestreden beslissing wordt bevestigd.

Jur. NHK 2001 03/08/01

03/01 en 08/01 [zie ook 08/01S]

03/01: Naar de mening van bezwaarden doet het stappenplan ten behoeve van de voortgang van de centrale diensten te X. geen recht aan de beslissing gegeven in 14/98.

08/01: bezwaar tegen het beëindigen van de centrale diensten

Beoordeling:

03/01: een stappenplan is geen inhoudelijke beslissing die vatbaar is voor een bezwaar. De bij het opstellen van het stappenplan gevolgde procedure heeft bezwaarden voldoende ruimte gelaten hun belangen naar voren te brengen. Het onderzoek naar alternatieven daarin is niet bij voorbaat uitgesloten.

08/01: de kerkelijke rechter kan het bestreden besluit niet volledig toetsen: een andere afweging zou verdedigbaar zijn geweest, maar de keuze van de centrale kerkenraad is, gelet op diens beleidsvrijheid in dezen, niet onrechtmatig.

Nu de centrale kerkenraad in de belangenafweging gewicht heeft toegekend aan verschillende  omstandigheden (o.a. de sluiting van een kerkgebouw tengevolge van de financiële situatie, de noodzaak tot herhuisvesting van een wijkgemeente, de afwezigheid van een ander kerkgebouw en de omvang van de wijkgemeente, de omvang van de groep bezoekers van de centrale diensten en de aanwezigheid van vergelijkbare diensten elders in de gemeente) heeft de centrale kerkenraad in redelijkheid kunnen besluiten tot het beëindigen van de centrale diensten.

Jur. NHK 2001 04/01

04/01

Kerkenraad in zijn bezwaar tegen het verlenen van het recht tot perforatie niet ontvankelijk verklaard, nu het betrokken gemeentelid inmiddels is verhuisd.

Ten overvloede overweegt de generale commissie:

de provinciale commissie heeft zijn beslissing om perforatie toe te staan gegeven op onjuiste gronden. Perforatie is slechts toegestaan naar een gemeente van dezelfde classis of met een gemeenschappelijke grens (ord. 2-1-2a). Aan deze regel dient strikt de hand te worden gehouden, zij het dat niet valt uit te sluiten dat in een bepaald geval zich zodanig uitzonderlijke omstandigheden voordoen dat toepassing van die regels onaanvaardbaar zou zijn. Een dergelijk geval doet zich hier evenwel niet voor.

Jur. NHK 2001 05/01

05/01 [zie ook 01/02]

Gemeentelid maakt bezwaar tegen het besluit van de kerkenraad om oud. X uit te sluiten van het zijn van ouderling van dienst. Appellant wordt - anders dan in de bestreden beslissing van de provinciale commissie - wel ontvankelijk verklaard: als gemeentelid is hij door het besluit in zijn werkelijk belang getroffen en heeft hij belang bij inachtneming van het fundamentele beginsel dat een wettig verkozen ouderling zijn ambt kan uitoefenen.

Beoordeling:

Ondanks genoemd fundamenteel beginsel zijn er omstandigheden denkbaar waaronder de kerkenraad de ouderling tijdelijk kan beletten een of meer van zijn taken uit te oefenen. Bij het aanvaarden van het ambt was betr. ervan op de hoogte wat van hem verwacht werd t.a.v. de geldende gebruiken tijdens de eredienst (met betrekking tot de kleding en het opstaan bij gebeden). Dat betr. zich daaraan niet wenst te conformeren leidt tot onrust in de gemeente, betr. toonde zich niet bereid over deze zaak - door middel van visitatie - in overleg te treden met de kerkenraad. Onder deze omstandigheden heeft de kerkenraad in redelijkheid kunnen besluiten betr. tijdelijk uit te sluiten van het vervullen van de taak van ouderling van dienst tijdens de eredienst zolang betr. zich niet conformeert of in overleg met de kerkenraad een andere redelijke oplossing is bereikt.

Jur. NHK 2001 05/01

05/01 [zie ook 01/02]

Gemeentelid maakt bezwaar tegen het besluit van de kerkenraad om oud. X uit te sluiten van het zijn van ouderling van dienst. Appellant wordt - anders dan in de bestreden beslissing van de provinciale commissie - wel ontvankelijk verklaard: als gemeentelid is hij door het besluit in zijn werkelijk belang getroffen en heeft hij belang bij inachtneming van het fundamentele beginsel dat een wettig verkozen ouderling zijn ambt kan uitoefenen.

Beoordeling:

Ondanks genoemd fundamenteel beginsel zijn er omstandigheden denkbaar waaronder de kerkenraad de ouderling tijdelijk kan beletten een of meer van zijn taken uit te oefenen. Bij het aanvaarden van het ambt was betr. ervan op de hoogte wat van hem verwacht werd t.a.v. de geldende gebruiken tijdens de eredienst (met betrekking tot de kleding en het opstaan bij gebeden). Dat betr. zich daaraan niet wenst te conformeren leidt tot onrust in de gemeente, betr. toonde zich niet bereid over deze zaak - door middel van visitatie - in overleg te treden met de kerkenraad. Onder deze omstandigheden heeft de kerkenraad in redelijkheid kunnen besluiten betr. tijdelijk uit te sluiten van het vervullen van de taak van ouderling van dienst tijdens de eredienst zolang betr. zich niet conformeert of in overleg met de kerkenraad een andere redelijke oplossing is bereikt.

Jur. NHK 2001 06/01 A-S

06/01A-S

Bezwaar tegen het besluit van de generale synode tot het aanvaarden van het rapport ‘Om de eenheid en de heelheid van de kerk’ als verwoording van de visie van de NHK op haar niet te verbreken eenheid en haar inspanning om deze eenheid te bewaren.

3. Het bezwaar behelst o.m. bezwaren tegen de voortzetting van de SoW-proces, tegen ‘fusiedwang’ voor de gemeenten, tegen de wijze van totstandkoming van het besluit, tegen de visie op de aard en structuur van de kerk, tegen het verschil in grondslag van het belijden tussen de NHK en de verenigde kerk en tegen het rapport dat onvoldoende pastoraal is.

5.2 Kader: de generale commissie neemt als uitgangspunt dat aan de generale synode, als het vertegenwoordigende lichaam voor de gehele kerk, binnen de grenzen van de kerkorde een grote mate van vrijheid van uitleg van de kerkorde toekomt. Toetsing door de generale commissie geschiedt in beginsel naar de maatstaf of de bestreden uitleg kennelijk in strijd is met inhoud, strekking en geest van de kerkorde.

5.5 Voor zover de bezwaren zich richten tegen het SoW-proces zijn ze niet ontvankelijk: die gaan het bestreden rapport en het bestreden besluit te buiten.

5.6 De besluitvorming getuigt van voldoende zorgvuldigheid: het besluit is eerst na ampele discussie genomen, waarbij ook bezwaarden ruimte is geboden hun standpunt naar voren te brengen.

5.7 De generale commissie verenigt zich met de conclusie van het rapport over de kerkordelijke presbyteriaal-synodale structuur van de kerk en de vraag of een hervormde gemeente  uit het verband van de kerk kan treden. De commissie KOA heeft daarin een juiste uitleg van de kerkorde gegeven: de hervormde gemeenten maken naar inhoud, strekking en geest een onlosmakelijk deel uit van de NHK en kunnen niet besluiten uit het verband van de NHK te treden of daaraan uitvoering geven.

5.8 Ook wat het rapport zegt over de burgerrechtelijke aspecten van de verhouding van kerk en gemeenten is juist. De rechtspersoonlijkheid van de hervormde gemeenten kan niet los worden gezien van het verband van de kerk: haar zelfstandigheid kennen ze als onderdelen van de NHK en als zodanig bezitten ze rechtspersoonlijkheid (art. 2:2 BW). De kerkorde kent geen regels tot een splitsing welke neerkomt op afscheiding, ze verzet zich tegen toepassing van de wettelijke regeling aangaande splitsing van rechtspersonen zodat daaraan geen argument kan worden ontleend voor het aannemen van een recht op afscheiding.

5.9 De generale commissie onderschrijft de stelling dat het uitreden van (een groot aantal) gemeenteleden geen rechtsgevolgen heeft voor het vermogen van de betrokken hervormde gemeente. Zij blijft in alle opzichten gerechtigd tot haar vermogen en de uitgetreden gemeenteleden kunnen daarop geen aanspraak maken.

5.10 De commissie KOA heeft terecht beklemtoond dat art. 2:8 BW (‘redelijkheid en billijkheid’) ingevolge art. 2:2 BW tweede lid niet van toepassing is op de verhoudingen binnen de kerk.

5.12v De argumenten in het rapport zijn in genen dele strijdig met het gereformeerde belijden als grondslag voor de structuur van de kerk. Ten opzichte van het belijden zal zich na de vereniging niet een zodanige wijziging voordoen dat gemeenten niet de vrijheid zouden hebben als hervormde gemeente te leven bij het bij uitstek gereformeerde belijden. Daarmee is in het SoW-proces uitdrukkelijk rekening gehouden.

5.15 Dat in het belijden van de verenigde kerk ruimte is geschapen voor belijdenisdocumenten van de Lutherse traditie is niet in strijd te achten met de kerkorde. Daarbij wordt o.m. gewezen op de gemeenschap tussen de NHK en de ELK (in hoofdstuk II van ord. 20).

5.16 De NHK kent in haar geschiedenis een grote mate van verscheidenheid in belijden, geloofsbeleving en kerkelijke praktijk, zulks binnen de ruimte die art. X biedt. Deze wordt telkens actueel waar de kerk uitdrukking geeft aan de voortgang van het belijden. Deze verscheidenheid wordt erkend in het bestaan van richtingen, modaliteiten en stromingen (met daarbinnen ook opvallende verschillen). Deze alle  - ook die van de bezwaarden - hebben een plaats in de kerk en de gemeenten, in de NHK en ook in de verenigde kerk.

5.17 Dit karakter van “eenheid in verscheidenheid” van de NHK brengt mee dat geen richting, modaliteit of stroming exclusiviteit kan opeisen. Art. X spreekt niet van gehoorzaamheid aan maar gemeenschap met de belijdenis der vaderen. De NHK heeft zichzelf steeds verstaan als gestalte van de algemene (katholieke) kerk, waarin ruimte is voor verscheidenheid. De generale synode hoefde met de exclusiviteit van één richting bij haar besluit geen rekening te houden.

5.19 Het bestreden besluit is zorgvuldig tot stand gekomen en niet in strijd met inhoud, strekking of geest van de kerkorde.

Jur. NHK 2001 07/01

07/01

Niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding

Jur. NHK 2001 08/01 S

08/01S [zie ook 03/01 en 08/01]

Appellanten verzoeken opschorting van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de provinciale commissie met betrekking tot de beëindiging van de centrale diensten tot de generale commissie heeft beoordeeld of het bestreden besluit in stand kan blijven.

De discussies over het gebruik van het kerkgebouw vinden al plaats vanaf 1994 en sinds 1998 is er sprake van procedures, zonder dat tot nog toe de rechtmatigheid van die besluiten bij onherroepelijke beslissing is vastgesteld. Tegenover het belang van appellanten bestaat van de zijde van de centrale kerkenraad onvoldoende belang om het besluit uit te voeren voordat de generale commissie heeft beslist. Ter meer waar de generale commissie het beroep binnen afzienbare tijd zal behandelen. Het verzoek tot opschorting is toegewezen.

08/01 [zie bij 03/01]

Jur. NHK 2001 09/01

09/01

Bezwaar concentreert zich op het recht op een gratificatie vanwege een 25-jarig ambtsjubileum. Kernpunt is in hoeverre een periode van een dienstverband elders in mindering komt op de ambtsduur van het predikantschap.

De generale commissie oordeelt dat de rechten (alsook de verplichtingen) van een predikant in art. 1 van de generale regeling predikantstraktementen is gekoppeld aan een predikantsplaats. Nu betrokken predikant gedurende ruim 8 jaren niet in het ambt stond, op een standplaats van een predikant was gevestigd of in een daarmee gelijk te stellen positie stond, was er geen sprake van een 25-jarig ambtsjubileum.

Jur. NHK 2001 10/01

10/01

Bezwaar tegen de door de classis verleende dispensatie van het verbod betreffende het tegelijkertijd deel uitmaken van aanverwanten in de eerste of tweede graad (ord. 1-16-10).

Anders dan de provinciale commissie heeft de generale commissie bezwaarde wel ontvankelijk verklaard: bezwaarde had voldoende belang, ook al was de dispensatie reeds verleend.

Volgens bestaande rechtspraak had de benodigde dispensatie moeten worden aangevraagd vóórdat de verkiezing van ambtsdragers wordt gehouden (P16/66). Alleen dan is het mogelijk onderzoek te doen naar de vraag of er gewichtige redenen bestaan om af te wijken van het verbod van nauwe bloed- en/of aanverwantschap. Aan de waardigheid van de verkiezing zou afbreuk worden gedaan indien achteraf zou moeten worden vastgesteld dat de verkiezing niet geldig zou moeten worden geacht, met name indien er andere lidmaten aanwijsbaar zijn die voor verkiezing in aanmerking komen.

Het bezwaar wordt gegrond verklaard, de rechtsgevolgen worden daarbij in stand gelaten (ord. 19-16-5).

Jur. NHK 2001 11/01

11/01

Formeel:

de bestreden beslissing van de provinciale commissie is niet gedateerd en vermeldt niet wanneer zij is verzonden. Ze lijdt aan gebreken die zulke essentiële voorschriften betreffen dat zij reeds daarom niet in stand kan worden gelaten en wordt als geheel vernietigd.

Materieel:

Het bezwaar van een lid van het college van kerkvoogden dat hij onvoldoende informatie ontvangt over de baten en lasten van de wijkgemeenten is onvoldoende aannemelijk geworden; het bezwaar dat de vergaderfrequentie van het college - in strijd met de plaatselijke regeling - is teruggebracht naar éénmaal per twee maanden wordt ongegrond verklaard: de beweegredenen die het college aanvoert zijn niet onredelijk te noemen en appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij daardoor in enig relevant belang als lid van het college is getroffen.

Jur. NHK 2001 12/01

12/01S en 12/01

Het verzoek om opschorting (12/01S) is  afgewezen: het belang bij het ten uitvoerleggen van het bestreden besluit moet zwaarwegender worden geacht dan het belang bij opschorting.

Bezwaar tegen het opnieuw toepassen van ord. 2-30 (gemeente in herstel) voor een periode van twee jaar, met instelling van een nieuwe commissie, nadat deze maatregel reeds eerder gedurende vier jaar was toegepast.

Ord. 2-30 spreekt van een termijn van ten hoogste vijf jaren. Dat laat echter onverlet dat de generale synode na het verstrijken van deze periode opnieuw tot toepassing kan besluiten, als er nog steeds sprake is van de bedoelde inzinking. Noch uit de tekst noch uit de totstandkomingsgeschiedenis valt de uitsluiting van een hernieuwde toepassing af te leiden. Een besluit tot het opnieuw toepassen van ord. 2-30 dient met dezelfde waarborgen te zijn omkleed als bij eerste toepassing, waaraan het bestreden besluit voldoet. Het horen van gemeenteleden wordt daarin niet als vereiste genoemd. De gemeente is wel op een gemeenteavond geïnformeerd.

Het bezwaar tegen de opdracht aan de commissie om te komen tot opheffing van de wijkgemeenten en de vorming van één, niet in wijkgemeenten ingedeelde, gemeente is inderdaad ingrijpend. In de  - als uitzonderlijk aan te merken - omstandigheden heeft het breed moderamen van de generale synode daartoe in redelijkheid kunnen besluiten. Ondanks alle bemoeienissen en hulp van buiten zijn de centrale kerkenraad en de wijkkerkenraden er niet in geslaagd om zelfstandig de oplossing van de problemen ter hand te nemen. De opdracht aan de commissie voorziet in het aangaan van overleg met de wijkkerkenraden, met inschakeling van hun leden. De maatregelen betreffende inrichting van de gemeente en vallen als zodanig onder het bereik van ord. 2-30. De termijn van toepassing is vooralsnog gelimiteerd tot twee jaar.

De bezwaren zijn op alle onderdelen ongegrond verklaard.

Jur. NHK 2002 01/02

01/02S

Verzoek tot opschorting afgewezen: een beslissing in de zin van ord. 3-24-2 is een eindbeslissing waartegen geen beroep open staat.

01/02

Beroep tegen het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de - feitelijk juiste - mededeling van de kerkenraad dat ouderling X per 1 jan. 2002 aftredend was.

Beoordeling:

De provinciale commissie heeft op goede gronden geoordeeld dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De kerkordelijke bepalingen voorzien niet in een verlenging van de zittingstijd in de door appellant voorgestane zin, namelijk buiten herverkiezing om. Inmiddels is op rechtsgeldige wijze een ander in de vacature verkozen, zodat appellant geen belang meer heeft bij zijn beroep.

Verzoek om herziening van de beslissing 05/01: er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd in de zin van ord. 19-17-1 zodat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

Jur. NHK 2002 03/02

03/02

Bezwaar tegen (tussentijdse) beslissingen en mededelingen (zoals bedoeld in ord. 13-30-4 t/m 8) kunnen niet worden ingesteld bij de generale commissie. Ord. 13-30 stelt een bijzondere behandeling van bezwaren tegen een besluit tot tussentijdse beëindiging van de ambtsbediening vast: alle bezwaren tegen losmakingsbeslissingen van de commissie moeten daarom worden geconcentreerd in het beroep tegen de eindbeslissing bij het breed moderamen van de generale synode (zie ook 05/90). Ingevolge ord. 19-3-1 bestaat hier geen taak voor de generale commissie.

Jur. NHK 2002 04/02

04/02

Niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Men kan zich niet verweren met het argument dat men niet op de hoogte was van de termijn en dat de centrale kerkenraad niet eerder had vergaderd en dus van het besluit niet in redelijkheid had kunnen kennis nemen. Het moderamen had in een dergelijke (spoedeisende) situatie handelend kunnen optreden (GCBG 2/75, 2/82, 3/89).

Jur. NHK 2002 05/02

05/02

Bezwaar tegen het besluit van het breed moderamen van de generale synode het verzoek tot vorming van een deelgemeente niet in te willigen.

Het aantal betrokken gemeenteleden is te gering om daaruit een kerkenraad met een continu karakter te kunnen vormen; voor de vorming van een kerkenraadscommissie of een buitengewone wijkgemeente zijn geen mogelijkheden wegens de relatie met de hervormde gemeente ter plaatse.

De evangelisatie voert aan dat ten onrechte de mogelijkheid van een volwaardig kerkelijk leven (ambtelijke diensten en sacramentsbediening) wordt onthouden en dat de vorming van een kerkenraadscommissie of buitengewone wijkgemeente zijn afgestuit op gebrek aan medewerking van de hervormde gemeente. Onder verlening van dispensatie zou men een kerkenraad kunnen vormen van tenminste zes ambtsdragers.

Beoordeling:

Aan het breed moderamen van de generale synode komt bij zo’n besluit een zekere beleidsruimte toe. Het heeft overwegend gewicht mogen toekennen het advies van visitatoren-provinciaal en -generaal: de hervormde basis is te smal voor de vorming van een deelgemeente. Het breed moderamen heeft ook andere adviezen gevraagd en toegezegd de kerkenraad te (doen) verzoeken zich in te spannen voor betere verhoudingen.

Het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

Jur. NHK 2002 06/02

06/02S

Verzoek om opschorting van het besluit van het breed moderamen van de provinciale synode om toepassing te geven aan ord. 13-30-3 is door de provinciale commissie terecht afgewezen. De procedure, neergelegd in ord. 13-30 geeft voldoende waarborgen voor de beoordeling en voor zover nodig bescherming van de belangen bij het behoud van het ambt, werk en middelen van bestaan.

06/02

Naar vaste jurisprudentie beoordeelt de generale commissie slechts of het breed moderamen van de provinciale synode in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de bezwaren tegen verder functioneren aan de cie 13-30 voor te leggen. De cie 13-30 beoordeelt dan de bezwaren zelf. De generale commissie oordeelt dat alle pogingen om de problemen tussen predikant en kerkenraad in der minne op te lossen op zorgvuldige wijze zijn ondernomen en verwerpt het beroep.

Jur. NHK 2002 07/02

07/02-02/02A (S)

Bezwaar van de provinciale kerkvergadering (PKV) tegen ratificatie van het besluit van de Triosynode aangaande de rapportage ‘Op weg naar evenwicht’ voor wat betreft de besturing van het Regionaal Dienstencentrum en het besluit van de kleine synode betreffende overdracht bevoegdheden aan tijdelijk bestuur.

Verzoek om opschorting afgewezen: er is geen sprake van een onomkeerbare situatie als door de PKV gevreesd. Bovendien betreft het een verzoek tot overdracht van bevoegdheden waarbij het de PKV vrij staat aan zo’n verzoek geen gevolg te geven.

Bezwaarden achten genoemde besluiten in tegenspraak met de orde der kerk en maken bezwaar vanuit hun zorg voor de toekomst van de kerk, over de onderlinge verhoudingen tussen het synodale en de andere niveaus van de kerk en over de betrouwbaarheid van de kerk in haar overeenkomsten en afspraken.

Beoordeling:

Gelet op haar taak komt aan de generale synode van de NHK een ruime mate van beleidsvrijheid toe om besluiten als de onderhavige te nemen. Van evidente strijd met kerkordelijke bepalingen of schending van beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken. Aan bezwaarden worden geen kerkordelijke bevoegdheden ontnomen. Naar aanleiding van ontvangen reacties zijn de voorstellen aangepast die aan de Triosynode en de regionale ambtelijke vergaderingen ter goedkeuring zullen worden voorgelegd. Bovendien is overleg voorzien met de regionale besturen. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat maatregelen prematuur, zonder overleg en in strijd met de overeenkomst land/regio zijn opgelegd.

Jur. NHK 2002 08/02

08/02

Bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek tot perforatie, op de grond dat niet is voldaan aan de in ord. 2-1-2a gestelde formele voorwaarden, te weten dat de woonplaatsgemeente en de voorkeursgemeente tot dezelfde classis behoren of aan elkaar grenzen.

Bezwaarden vinden dat handhaving van het geografisch principe niet meer aansluit bij de geestelijke beleving in de praktijk in onze kerk en beroepen zich op hetgeen de generale commissie heeft overwogen ten aanzien van de inhoud en toepassing van het criterium van de ‘bijzondere overwegingen van pastorale aard’ (ord. 2-1-2e) in haar beslissing 05/98.

De generale commissie vindt geen aanleiding om in het onderhavige geval een uitzondering toe te laten op de eerder genoemde formele voorwaarden. Hetgeen zij heeft overwogen in 05/98 had geen betrekking op die voorwaarden.

Jur. NHK 2002 09/02

09/02

Door 854 bezwaarden (waaronder 8 classicale vergaderingen en 87 kerkenraden) is bezwaar ingediend tegen het vaststellen van een aantal ordinanties voor de toekomstige verenigde kerk, waartoe behoort ord. 5-4 PKO.

Bezwaarden kunnen niet aanvaarden dat de kerk ruimte biedt voor zegening van levensverbintenissen tussen personen van hetzelfde geslacht. Zij achten dergelijke verbintenissen evident in strijd met Gods woord, het besluit strijdig met het belijden en dus met de orde van de kerk (in concreto art. X en art. XXI).

Voorts zijn er bezwaren ingebracht tegen de ruime en vage formuleringen van de bepaling.

Beoordeling:

5.2 De generale commissie toetst besluiten aan het kerkrecht. Het belijden van de kerk geeft de richting aan voor de ordening van de kerk en bijgevolg voor het kerkelijk recht. Vanuit dit belijden weet de generale commissie het tot haar taak om ‘het recht, de gerechtigheid en de liefde in het lichaam van Christus [te] handhaven’. Kerkelijk recht en kerkelijk belijden zijn in de NHK dus onafscheidelijk met elkaar verbonden.

5.3 Voor de toetsing van besluiten van kerkelijke organen dienen echter kerkrecht en belijden ten opzichte van elkaar te worden onderscheiden. Ten aanzien van de vaststelling van de inhoud van en het leven vanuit het belijden (zie art. X-5 en 7 en ord. 11: opzicht en gravamen) heeft de generale commissie geen taak.

5.4 Er is weliswaar geen ander kerkelijk orgaan dat opzicht uitoefent op de generale synode, maar de generale commissie heeft geen bevoegdheid tot toetsing aan het belijden van de kerk. Het is de generale synode die in hoogste instantie uitdrukking geeft aan de inhoud van het belijden van de kerk en zij is als enige bevoegd in het belijden wijziging te brengen. De enige taak die de generale commissie op dit punt kan hebben is te beoordelen of een besluit naar aard of strekking een wijziging van de kerkorde inhoudt en of dat besluit volgens de voorschriften is genomen.

5.5v Al acht de generale commissie zich in beginsel niet bevoegd besluiten te toetsen aan het belijden van de kerk (ook niet waar het is uitgedrukt in de kerkorde en de overige kerkelijke wetgeving), dient een uitzondering gemaakt voor de toetsing van een besluit aan het belijden dat de grondslag van het kerk-zijn van de kerk uitmaakt. (art. X-1: de Kerk doet belijdenis van de zelfopenbaring van de Drie-enige God; art. X-3: de Kerk belijdt Jezus Christus als Hoofd der Kerk en als Heer der wereld). Een besluit dat een afwijking van dit belijden inhoudt en daarmee de grondslag van het kerk-zijn aantast zal door de generale commissie kunnen worden vernietigd.
Hetzelfde geldt voor de beoordeling of een besluit zich verdraagt met Gods woord, Zijn geboden en inzettingen en wat daarover in de Heilige Schrift en de belijdenisgeschriften te vinden is. De generale commissie is daartoe evenmin bevoegd tenzij het besluit getuigt van en zodanige opvatting over wat uit Gods woord, geboden of inzettingen volgt, dat daarmee de grondslag van het kerk-zijn wordt aangetast.

5.7v De vraag of bedoelde andere levensverbintenissen in strijd zijn met Gods woord en het belijden raakt niet de grondslag van het kerk-zijn als zodanig. Hoe op dit punt de Heilige Schrift en de belijdenis moeten worden verstaan onttrekt zich aan de bevoegdheid van de generale commissie. Hiermee ontvalt in wezen de voornaamste grond aan alle bezwaren.

5.9 Stond het de generale synode vrij om - bij het gegeven dat binnen de kerk, in elk geval bij de bezwaarden, de opvatting leeft dat bedoelde levensverbintenissen in flagrante strijd zijn met het woord van God en het belijden - een besluit te nemen dat kerkenraden (onder voorwaarden) de bevoegdheid geeft de eredienst open te stellen voor de zegening van zulke levensverbintenissen? Dat is niet enkel een vraag van het belijden maar tevens van orde binnen de kerk, namelijk waartoe de eredienst bestemd kan zijn. Die vraag kan dus in zoverre door de generale commissie worden beantwoord.

5.10v Met het bestreden besluit heeft de generale synode zelf aan de hervormde kerkorde uitleg gegeven, waarbij haar een grote mate van vrijheid van uitleg daarvan toekomt (zie 06/01 A-S). Toetsing door de generale commissie dient in beginsel te geschieden naar de maatstaf of de bestreden uitleg kennelijk in strijd is met inhoud, strekking en geest van de hervormde kerkorde. Waar daarbinnen ruimte bestaat voor keuzen heeft de generale commissie de keuze van de generale synode in beginsel te aanvaarden, tenzij de generale synode in redelijkheid niet tot die keuze heeft kunnen komen.
De NHK kent in haar geschiedenis een grote mate van verscheidenheid in belijden, geloofsbeleving en kerkelijke praktijk, zulks binnen de ruimte die art. X biedt. Deze wordt telkens actueel waar de kerk uitdrukking geeft aan de voortgang van het belijden. Deze verscheidenheid wordt erkend in het bestaan van richtingen, modaliteiten en stromingen (met daarbinnen ook opvallende verschillen). Deze alle  - ook die van de bezwaarden - hebben een plaats in de kerk en de gemeenten, in de NHK en ook in de verenigde kerk.
Dit karakter van “eenheid in verscheidenheid” van de NHK brengt mee dat geen richting, modaliteit of stroming exclusiviteit kan opeisen. Art. X spreekt niet van gehoorzaamheid aan maar gemeenschap met de belijdenis der vaderen. De NHK heeft zichzelf steeds verstaan als gestalte van de algemene (katholieke) kerk, waarin ruimte is voor verscheidenheid. De generale synode hoefde met de exclusiviteit van één richting bij haar besluit geen rekening te houden.

5.13v De materie die wordt bestreken door ord. 5-4 PKO wordt niet geregeld in de hervormde kerkorde. Heeft de inzegening van een huwelijk tussen een man en een vrouw zodanige exclusieve aanspraak dat gemeenten niet de bevoegdheid behoren te hebben de eredienst open te stellen voor de zegening van andere levensverbintenissen? De generale commissie is van oordeel dat de ontwikkelingen in de NHK in de afgelopen decennia op het punt van de opvattingen ten aanzien van (homo)seksualiteit, de waardering van andere levensverbintenissen en de plaats van het huwelijk van dien aard zijn, dat het instemmen met bedoelde bepaling niet strijdig is met inhoud, strekking en geest van de hervormde kerkorde. De exclusieve plaats die het huwelijk tussen een man en een vrouw inneemt weerspiegelt niet meer in gelijke mate als voorheen de situatie binnen het geheel van de kerk. Constante factoren in het beleid van de generale synode zijn geweest: het bieden van ruimte voor de dialoog hierover en het bevorderen van aanvaarding van en het bieden van ruimte en veiligheid aan personen met een homoseksuele geaardheid èn levenswijze ondanks het bestaan van scherpe tegenstellingen van opvatting binnen de kerk. Omdat het bij herhaling onmogelijk is gebleken tot uitspraken van de kerk te komen, is vooralsnog de nadruk gelegd op een pastorale benadering op het niveau van de gemeenten. Het bestreden besluit past in deze beleidslijn van de synode. Het openstellen van de mogelijkheid van zegening is vooral ingegeven door overwegingen van pastorale aard.

5.17 Ord. 5-3 PKO heeft betrekking op de inzegening van het huwelijk tussen een man en een vrouw. Daarmee is beoogd het huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht (wettelijk erkend in BW art. 1:30 lid 1) uit te sluiten van kerkelijke inzegening. Onder andere levensverbintenissen (ord. 5-4 PKO) worden begrepen het burgerlijk huwelijk of andere levensverbintenissen zoals geregistreerd partnerschap (BW art. 1:80a) tussen personen van hetzelfde geslacht. Dergelijke verbintenissen komen in aanmerking voor zegening (niet: inzegening) in de eredienst, indien de kerkenraad na beraad in de gemeente daartoe besluit. Met het verschil in woordgebruik (zegening/inzegening) en de bijzondere waarborgen waarmee art. 3 de inzegening van het huwelijk omringt, bevestigt de verenigde kerk de bijzondere plaats die het huwelijk tussen een man en een vrouw in de kerk van alle eeuwen heeft ingenomen. Zulks in overeenstemming met de hervormde kerkorde.

5.18 Ord. 5-4 geeft aan dat er binnen de kerk ruimte dient te zijn voor gemeenten om de zegening van bedoelde verbintenissen van personen van hetzelfde geslacht als in overeenstemming met het gebod van de liefde tot God en de naaste te aanvaarden of juist als strijdig met Gods woord te verwerpen. Er wordt aldus ruimte gegeven voor een individuele benadering van het onderwerp zonder dat binnen de kerk de ene gemeente kan heersen over de andere. Dit kan leiden tot verdeeldheid en zelfs rechtsongelijkheid binnen de kerk. Maar gelet op de aard en gevoeligheid van de materie is die situatie vooralsnog niet onaanvaardbaar.

5.19 De formulering van ord. 5-4 PKO is zo globaal en vaag dat bij de toepassing de gemeenten weinig houvast wordt geboden bij het nemen van een beslissing. Dit schept het risico van ongerechtvaardigde verschillen en dus van willekeur en rechtsongelijkheid. De generale synode had er beter aan gedaan haar instemming afhankelijk te stellen van een wijziging van de formulering van de bepaling waardoor zij concreter zou aangeven hoe de kerkenraad bij de besluitvorming dient te handelen, op welke wijze het beraad in de gemeente dient plaats te vinden en aan de hand van welke criteria de kerkenraad een concreet verzoek moet beoordelen. Voor de inzegening van het unaniem in de kerk aanvaarde huwelijk worden eisen en voorwaarden gesteld die aan de - in de kerk niet onomstreden - zegening van een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht niet worden gesteld. Dit vergroot de kans op kerkelijk gezegende verbintenissen die, anders dan volgens de gereformeerde traditie, geen grond vinden in een door de overheid erkende vorm daarvoor.

5.20 Deze bezwaren zijn evenwel niet van zodanig gewicht dat zij moeten leiden tot vernietiging van het besluit. Het is wenselijk dat tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren, door in de verenigde kerk aanvullend beleid te ontwikkelen dat de gemeente voldoende houvast biedt bij de toepassing van de bepaling. Teneinde rechtsongelijkheid zoveel mogelijk te voorkomen zou kunnen worden aangegeven dat bij voorkeur vooralsnog, behoudens uitzonderingen, geen andere levensverbintenissen dan het door de burgerlijke wet erkende huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht en het geregistreerd partnerschap in de eredienst worden gezegend en dat de procedurevoorschriften van ord. 5-3-2 t/m 4 PKO analoog worden toegepast. Aldus wordt de zegening gekoppeld aan de burgerlijke staat van levensverbintenis, wat in overeenstemming is met de gereformeerde traditie. Een uitzondering is denkbaar voor andere gelijksoortige relaties die van voldoende consistentie hebben doen blijken.

5.21 De generale commissie beseft dat ze hiermee geen recht heeft gedaan aan hetgeen waar de bezwaarden van overtuigd zijn vanuit hun gewetensvol omgaan met en verstaan van Gods woord en het belijden. Evenmin aan de overtuigingen en opvattingen van allen die evenzeer in gewetensvol omgaan met en verstaan van Gods woord en het belijden pleiten voor de kerkelijke erkenning van de levenswijze van personen van hetzelfde geslacht en de zegening van hun verbintenissen. Hun stem is als gevolg van de procesgang in deze zaak niet gehoord en dat onderstreept, afgezien van haar bevoegdheid, de noodzaak van de door de generale commissie betoonde terughoudendheid.

Jur. NHK 2002 10/02

10/02

Bezwaren tegen de vaststelling van ord. 1, 2, 3 en 5 PKO:
- onder de vigeur van ord. 1-1-2 PKO kunnen zij niet langer ambtelijk functioneren op grond van de Schrift en de belijdenis van de NHK, maar op grond van de Schrift en de belijdenissen van de PKN (Lutherse belijdenissen inbegrepen);
- door ord. 2 PKO wordt het verschil tussen predikant en ouderling voor wat betreft de bediening van de sacramenten verminderd [gedoeld wordt op ord. 2-18-1 sub a; aantek. PvdH];
- op basis van ord. 3-2-3 PKO kan de kerkenraad na het horen van de gemeente bepalen dat ook doopleden stemgerechtigd zijn in de gemeente;
- bezwaren tegen ord. 5.

Voor wat betreft de bevoegdheid van de generale synode: zie overweging 6.2. van 01/03.

Inzake het kader waaraan de generale commissie besluiten betreffende het belijden toetst: zie overweging 5.3 en 5.4 van 09/02. De betwiste bevoegdheid voor ouderlingen om Woord en sacrament te bedienen is uitdrukkelijk voor noodgevallen bestemd. De bevoegdheid om aan doopleden actief en passief kiesrecht te verlenen is met de nodige waarborgen omkleed. Anders dan bezwaarden stellen zijn ook jegens doopleden maatregelen van kerkelijke tucht mogelijk. Nu de bezwaren m.b.t. ord. 5 niet nader zijn toegelicht, verwijst de generale commissie naar haar uitspraak in 09/02. Van onregelmatigheden bij de besluit vorming is niet gebleken. De bezwaren zijn dan ook ongegrond.

Jur. NHK 2002 11/02

11/02

Bezwaren tegen de vaststelling van ord. 1 PKO: door de expliciete vermelding van de Lutherse belijdenisgeschriften kan er in de toekomstige Protestantse Kerk in Nederland geen eenheid van belijdenis zijn. De generale commissie verwijst ook in deze beslissing naar overweging 6.2 van 01/03 en overweging 5.3 en 5.4 van 09/02, die van overeenkomstige toepassing zijn.

Jur. NHK 2002 11/02-P

P-11/02

De kerkenraad heeft voor de verkiezingslijst een dubbeltal opgesteld conform de ingediende aanbevelingen (volgens de procedure van ord. 3-5: verkiezing door de lidmaten) ondanks enige aarzeling ten aanzien van de verkiesbaarheid van een van de aanbevolenen. Toen betrokkene niet verkiesbaar bleek (vanwege aanverwantschap) heeft het moderamen van de kerkenraad de naam van het dubbeltal verwijderd en de overgebleven kandidaat verkozen tot ouderling. Op de stemmingsvergadering heeft in deze vacature geen verkiezing door de lidmaten plaatsgevonden. Het besluit van het moderamen is achteraf goedgekeurd door de kerkenraad.

Een van de leden van de kerkenraad dient een bezwaar in dat door de provinciale commissie ongegrond is verklaard.

In het belang van de eenheid van de rechtspraak (ord. 19-16-4) verklaart de generale commissie deze beslissing onjuist, hoewel de rechtsgevolgen niet worden aangetast (ord. 19-16-5).

Het moderamen was niet tevoren gemandateerd door de kerkenraad om een dubbeltal te halveren en de overgebleven kandidaat als ouderling te verkiezen. Pas na de stemmingsvergadering in de gemeente heeft de kerkenraad goedkeuring verleend aan het moderamenbesluit. De wijze van verkiezing van de betreffende ouderling is in strijd met het in de gemeente geldende systeem, waarbij de lidmaten van de gemeente het recht van verkiezing van kerkenraadsleden aan zich hebben voorbehouden. Grondregel in de kerkorde is dat het de gemeente is die haar ambtsdragers verkiest. Ten einde het erfgoed van de democratie in de hervormde gemeente te handhaven is het van groot belang dat de kerkenraad van een gemeente zich nauwgezet houdt aan de verkiezingsprocedure die door die gemeente door middel van de zesjaarlijkse stemming is bepaald (P-06/96).

Jur. NHK 2002 12/02

12/02

Bezwaren tegen het besluit van de generale synode aangaande het voorstel voor een Unie van SoW-kerken, getiteld Opdat zij allen één zijn. Dit voorstel is aan het Triomoderamen aangeboden door de Confessionele Vereniging (CV) en de Gereformeerde Bond (GB), met een verzoek om de bezinning hierop en de bespreking hiervan breed in de kerken te stimuleren alsmede om het voorstel te overwegen en aan de orde te stellen en om het aan alle kerkenraden en classicale vergaderingen te doen toekomen.

Er hebben gesprekken plaatsgevonden met de drie moderamina, in de hervormde synode werd verzocht het te agenderen voor een bespreking ‘in eigen huis’. Het Unie-voorstel is (in overleg met de moderamina GKN en ELK) geagendeerd voor de hervormde synode van juni 2002. Inmiddels was door verschillende classicale vergaderingen gereageerd op het (hen door de CV en GB toegezonden) voorstel. De generale synode besloot het SoW-proces conform eerder genomen besluiten voort te zetten in de richting van vereniging.

Als bezwaren tegen dit besluit wordt ingebracht
- dat het voorstel is afgewezen voordat alle classicale vergaderingen en gemeenten zich daarover hebben kunnen uitspreken;
- dat onvoldoende is gepeild of het voorstel is voortgekomen uit liefde voor de kerk en uit het verlangen de kerk bijeen te houden;
- dat het verzoek om - in samenhang met het Unievoorstel - de ecclesiologische voorvragen van het SoW-proces in behandeling te nemen is afgewezen;
- dat de generale synode daarmee voortgaat op een weg die in strijd is met de belijdenis en kerkorde van de NHK.

Beoordeling:

In de synodevergadering hebben 32 sprekers het woord gevoerd en zijn 8 moties/amendementen aan de orde geweest, waarna met meerderheid van stemmen is besloten het voorstel niet over te nemen en het SoW-proces voort te zetten in de richting van vereniging, met inachtneming van de daarvoor voorgeschreven procedure. Aan de generale synode komt bij het nemen van een besluit - gelet op de aanleiding van behandeling van het voorstel en de stand van de procedure van het SoW-proces - een grote mate van vrijheid toe. De generale commissie toetst slechts de vraag of de generale synode in redelijkheid heeft kunnen besluiten het voorstel met meerderheid van stemmen af te wijzen en of het besluit procedureel op de juiste wijze tot stand is gekomen.

De generale commissie beantwoordt beide vragen bevestigend. De generale synode mocht besluiten dat het Unie-voorstel voor de kerk als geheel geen bruikbaar alternatief biedt voor de voorgenomen vereniging van kerken. Bovendien blijkt uit het besluit niet dat binnen het kader van de kerkorde van  de verenigde kerk geen ruimte wordt geboden om eigen vormen van kerkelijk leven voort te zetten binnen het gezamenlijk kerkzijn. Er wordt gezocht naar een kerkstructuur waarin structureel en met waarborgen rekening gehouden wordt met de volle breedte van de verenigde kerk. Het besluit is tot stand gekomen met afweging van alle belangen. De bezwaren zijn onderwerp van bespreking en afweging geweest. Voorts is gebleken dat het besluit ten aanzien van de vereniging is [bedoeld zal zijn ‘wordt’; aantek. PvdH] genomen nadat de classicale vergaderingen en kerkenraden in de gelegenheid zijn gesteld consideraties in te zenden met betrekking tot het in eerste lezing vastgestelde verenigingsbesluit. Van gebreken in deze procedure is niet gebleken. De bezwaren zijn ongegrond.

Jur. NHK 2002 13/02

13/02

Niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Jur. NHK 2002 14/02

14/02

In de beroepsprocedure staat primair de vraag ter beoordeling of de kerkenraad een verzoek om bevestiging en inzegening van het huwelijk mag weigeren zonder toepassing te geven aan ord. 12-2-3: de kerkenraad is gehouden om de indiening van een verzoek zo spoedig mogelijk aan de gemeente bekend te maken.

De kerkenraad heeft het verzoek zelfstandig afgewezen met verwijzing naar art. XXI-2, maar ord. 12-2-3 biedt de kerkenraad geen mogelijkheden bekendmaking achterwege te laten indien hij om hem moverende redenen geen goedkeuring aan het verzoek wenst te geven. Art. XXI-2 geeft daarvoor geen grondslag, de afkondiging en de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar is in de ordinanties geregeld. Het verzoek dient derhalve binnen acht dagen na deze beslissing in de gemeente bekend gemaakt te worden.

Jur. NHK 2003 01/03

01/03S

Opschorting afgewezen omdat er niet gebleken is van enig spoedeisend belang.

01/03

Door 2111 bezwaarden (waaronder 2 classicale vergaderingen en 157 kerkenraden) is bezwaar ingediend tegen het besluit van de generale synode van 13 december 2002 tot vaststelling van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland.

3. Bezwaren tegen de procedure:
Bezwaren dat de procedure zoals die in ord. 19 is neergelegd, niet met voldoende waarborgen is omkleed: vanwege de samenstelling van de commissie en het ontbreken van de mogelijkheid van hoger beroep. Bezwaren van dezelfde strekking zijn reeds beoordeeld door de burgerlijke rechter. Het hof ’s-Gravenhage (arrest van 7 maart 2002, rolnr. 00-641) overwoog dat noch de omstandigheid dat de leden van de generale commissie worden benoemd door de generale synode, noch het ontbreken van de mogelijkheid van hoger beroep leiden tot het oordeel dat de rechtsgang voor de generale commissie niet met voldoende waarborgen is omkleed.

4. Bezwaren tegen het bestreden besluit:
a. bezwaren betreffende de bevoegdheid van de generale synode: zij is weliswaar bevoegd tot het wijzigen van de kerkorde, maar niet tot vaststelling van een geheel nieuwe kerkorde en oprichting van een nieuwe kerk dan wel fusering met andere kerken;
b. bezwaren wegens strijd met kerkordelijke en wettelijke bepalingen (met name art. V-1 en ord. 20-9 HKO), art. 6 van de Grondwet (recht van godsdienstvrijheid) en burgerrechtelijke bepalingen betreffende rechtsopvolging bij fusie en vervreemding van goederen;
c. bezwaren tegen de procedure: de voorbereidingstijd van de synodevergadering was te kort, de behandeling te beperkt, met de protesten is niets gedaan, eerdere beloften betreffende het niet uitoefenen van fusiedwang zijn niet nagekomen, het besluit zal leiden tot breuken in de kerk, alternatieven zijn onvoldoende behandeld, kerkenraden zijn niet geraadpleegd over het verenigingsbesluit;
d. bezwaren tegen de inhoud van de PKO: in strijd met de grondbeginselen van de NHK, met haar presbyteriale opbouw en haar belijdenissen, bezwaren tegen een aantal concrete beslissingen in de PKO: deze verschillen zijn zo fundamenteel dat de generale synode (gelet op art. X HKO) het bestreden besluit niet had mogen nemen.

5. Ontvankelijkheid.
Voor de ontvankelijkheid neemt de generale commissie de datum van publicatie van het besluit in Kerkinformatie, het officiële orgaan van de SoW-kerken.

6. Beoordeling

6.1 Toetsingskader. Uitgangspunt bij de beoordeling is de HKO. De generale commissie zal beoordelen of de generale synode bevoegd was het besluit te nemen, of het in strijd met de kerkordelijke en wettelijke bepalingen en of het met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Vervolgens zal de generale commissie de wijze beoordelen waarop door de generale synode van haar bevoegdheid is gebruik gemaakt - gelet op de bezwaren. Aangezien de generale synode als het vertegenwoordigend lichaam voor de gehele kerk een grote mate van vrijheid toekomt bij het vaststellen van regelingen, zal die toetsing geschieden naar de maatstaf of de door het bestreden besluit vastgestelde PKO kennelijk in strijd is met inhoud, strekking en geest van de HKO. Waar daarbinnen ruimte bestaat voor keuzen heeft de generale commissie de keuze van de synode in beginsel te aanvaarden en is er slechts plaats voor een afwijkend oordeel indien de generale synode in redelijkheid niet tot deze keuze heeft kunnen komen. Bij de beoordeling van de bezwaren behoort in aanmerking genomen te worden dat de NHK in haar geschiedenis een grote mate van verscheidenheid kent in belijden, geloofsbeleving en kerkelijke praktijk, zulks binnen de ruimte van de kerkorde. Deze wordt telkens actueel waar de kerk uitdrukking geeft aan de voortgang van haar belijden. Deze verscheidenheid wordt erkend, zoals uit diverse synodale geschriften blijkt. De NHK laat dit in de praktijk zien in haar richtingen, modaliteiten en stromingen (met daarbinnen ook opvallende verschillen). Deze alle  - ook die van de bezwaarden - hebben een plaats in de kerk en de gemeenten, in de NHK. Dat wordt in de verenigde kerk niet anders, zo blijkt uit de kerkorde van de verenigde kerk en de officiële stukken die daaraan ten grondslag liggen.

6.2 Bevoegdheid van de synode. Uit art. V-1 en 2 (over de regering der kerk), art. XXVIII en art. XIII (de bevoegdheid tot wijziging van de kerkorde en het kerkboek), art. XXVI (hereniging met andere kerken), art. XXVII-1 (de orde der kerk wordt verder geregeld bij of krachtens ordinantie), ord. 20-8 en 9 (procedure voor hereniging) in onderlinge samenhang gelezen, vloeit voort dat de generale synode - gelet op art. XXVI (de opdracht om hereniging te zoeken) - bevoegd is tot het wijzigen van de kerkorde, inbegrepen de Romeins genummerde artikelen. Een beperking van die bevoegdheid is niet vastgelegd, ord. 20-8 maakt melding van de wijziging van art. I-XXX van de kerkorde. Hieruit vloeit voort de bevoegdheid om een nieuwe kerkorde vast te stellen voor de kerk waarmee de NHK zich gelet op de opdracht tot hereniging te zoeken zich wil verenigen.

6.3 Strijd met kerkordelijke en wettelijke bepalingen. Het besluit tot vaststelling c.q. tot wijziging van de kerkorde is niet in strijd met het grondwettelijk recht van een ieder om zijn godsdienst vrij te belijden omdat het bestreden besluit de keuzevrijheid van individuele leden van de NHK niet aantast. Art. II-1 PKO bepaalt dat de PKN de voortzetting is (ook) van de NHK. Daarmee is beoogd uit te drukken dat de geloofsgemeenschap van de NHK met de beide andere geloofsgemeenschappen samengaat in de nieuwe kerkstructuur van de PKN. Dat de PKN burgerrechtelijk niet dezelfde rechtspersoon zal zijn als de NHK, stond op zich niet aan het nemen van het bestreden besluit in de weg. Er zijn geen aanknopingspunten voor het bezwaar dat de vereniging zal leiden tot verandering in de vermogenrechtelijke situatie van de plaatselijke gemeenten. Voor de stelling dat de NHK slechts bevoegd is zich te verenigen met andere ‘landskerken’ is in ord. 20-9 of in de totstandkomingsgeschiedenis van die bepaling geen grond te vinden.

6.4 Bezwaren betreffende de procedure. Het bezwaar tegen de korte tijd van voorbereidingstijd gaat niet op: een langere termijn is niet voorgeschreven en ook overigens is een dergelijke termijn (gelet op art. 2:115 en 225 BW) niet als onredelijk kort aan te merken. Het betoog ten aanzien van de behandeling op de vergadering snijdt geen hout. Na te hebben overwogen welke stappen de generale synode in het SoW-proces sinds 1987 heeft gezet en op welke wijze zij de reacties van de bezwaarden heeft besproken en verwerkt, oordeelt de generale commissie dat het bezwaar dat de generale synode de protesten niet heeft gehoord en daarmee niets heeft gedaan, niet op gaat. De kerkrechtelijke voorschriften zijn op de juiste wijze en met voldoende inachtneming van de bij de bezwaarden levende bedenkingen gevolgd.

6.5 Bezwaren tegen de inhoud van de PKO. Na hetgeen overwogen is over de bevoegdheid van de generale synode tot wijziging van de kerkorde dan wel vaststelling van een nieuwe kerkorde, dienen deze bezwaren terughoudend te worden getoetst aan de hand van de maatstaf of de PKO kennelijk in strijd is met de inhoud, strekking en geest van de HKO.
Art. XXVI bepaalt dat de NHK hereniging ‘zoekt’, zodat er van een verplichting sprake is. Uit het criterium ‘eenheid of verwantschap’ (art. XXVI juncto ord. 20-8/9) blijkt dat volledige overeenstemming op elk onderdeel niet is vereist om tot vereniging te geraken; het bestaan van genoegzame overeenkomst of verwantschap is daarvoor toereikend.
De belijdenisgeschriften die in art. X-2 HKO zijn opgesomd worden door de NHK niet aangemerkt als de grondslag van de kerk maar hebben betekenis als aan het geloof richting geven geestelijke documenten. Zij zijn weliswaar van groot belang, maar vormen niet noodzakelijkerwijs de enige, ultieme en exclusieve geloofsregel voor alle leden der kerk. De formulering van art. X-2 dat de belijdenis in de opgesomde geschriften is vervat, sluit niet uit dat aan het belijden der kerk - waarvan de kern is weergegeven in de slotwoorden van art. X-1 en X-3 - zolang het gebeurt in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift mede richting zou kunnen worden gegeven door andere belijdenisgeschriften.
Kon de generale synode in redelijkheid komen tot aanvaarding van art. I-4 en I-5 PKO? Art. I-3 PKO zegt dat de kerk in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als enige bron en norm van de kerkelijke verkondiging en dienst, de drie-enige God, vader, Zoon en Heilige Geest, belijdt. De ‘Verklaring van Overeenstemming’ wijst vier kernpunten van belijden aan. Zowel de gereformeerde als de lutherse belijdenisgeschriften zijn gestoeld op de elementen sola fide, sola gratia en sola scriptura. De geschriften van art. I-5 PKO staan niet op één lijn met de belijdenisgeschriften en behelzen o.m. een verklaring over het niet-kerkscheidend karakter van de belijdenissen van de gereformeerde en lutherse traditie. Dat de PKO is strijd is met de grondbeginselen van de NHK gaat derhalve niet op: de generale synode heeft kunnen oordelen dat er genoegzame overeenkomst of verwantschap bestaat om tot vaststelling van een kerkorde te komen waarin ook de traditionele lutherse belijdenisgeschriften zijn opgenomen en op andere voet betekenis is toegekend aan twee documenten van recentere datum. Daarbij neemt de generale commissie in aanmerking dat voldoende recht is gedaan aan het gegeven dat niet ieder in de verenigde kerk zich op gelijke wijze verbonden weet met beide tradities. Na enkele bezwaren tegen concrete bepalingen te hebben overwogen en beoordeeld, concludeert de generale commissie dat er geen grond is dat de bij het bestreden besluit vastgestelde PKO kennelijk in strijd is met inhoud, strekking en geest van de HKO.

Jur. NHK 2003 03/03

03/03

Een bezwaar tegen het besluit van de centrale kerkenraad inzake beoogde samenwerking dan wel fusie tussen wijkgemeenten en de daarmee gepaard gaande opheffing dan wel reductie van de predikantsplaats is door PC ongegrond verklaard. In beroep oordeelt de generale commissie dat het bezwaar door de provinciale commissie met juistheid en op goede gronden ongegrond is verklaard. Omdat geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht wordt de beslissing bevestigd.

Jur. NHK 2003 04/03

04/03

Door de provinciale commissie was een bezwaar - naar het oordeel van de generale commissie met juistheid en op goede gronden - inzake het niet verkiezen tot diaken niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Deze was onverschoonbaar verklaard daar de kerkenraad al in een vroeg stadium heeft gewezen op de mogelijkheid om bij de provinciale commissie in bezwaar te gaan.

De beslissing wordt bevestigd.

Jur. NHK 2003 05/03

05/03

Bezwaar van wijkkerkenraad A tegen de weigering van wijkkerkenraad B om een publicatie in het kerkblad op te nemen waarin een mededeling wordt herroepen dat de verkiezing van een ouderling-kerkvoogd op de juiste wijze is tot stand gekomen, wordt betreurd dat ten onrechte een andere indruk is gewekt, en wordt bevestigd dat wijkkerkenraad A in deze zaak geen enkel verwijt treft.

De provinciale commissie las geen feitelijke onjuistheden in de gewraakte publicatie en oordeelde dat niet kan worden gezegd dat wijkkerkenraad B met de publicatie de grenzen van de in het verkeer tussen wijkgemeenten en hun kerkenraden in acht te nemen zorgvuldigheid heeft overschreden.

In de beroepsprocedure staat de vraag ter beoordeling of de provinciale commissie het bezwaar geheel schriftelijk mocht behandelen, zonder partijen in de gelegenheid te stellen hun inzichten mondeling toe te lichten. Volgens bestaande rechtspraak sluit ord. 19-10-4 niet uit dat een zaak geheel schriftelijk wordt behandeld. De commissie is alleen verplicht partijen in de gelegenheid te stellen hun inzichten mondeling toe te lichten, als een van hen of beiden daartoe een verzoek indienen (15/60). Evenmin kan uit ord. 19-10-4 worden afgeleid dat partijen moeten worden uitgenodigd hun standpunt mondeling toe te lichten (10/85).

Ook overigens is de generale commissie niet gebleken van omstandigheden die moeten leiden tot van de provinciale commissie een afwijkend oordeel.

Jur. NHK 2003 06/03

06/03 S

Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de provinciale commissie inzake een verzoek tot overschrijving wordt toegewezen. Het bewerkstelligen van de overschrijving zou kunnen leiden tot niet zonder meer omkeerbare gevolgen en een precedent kunnen scheppen ten aanzien van door de centrale kerkenraad te nemen besluiten in de periode tot de uitspraak van de generale commissie. Van enig concreet en klemmend belang aan de zijde van verweerder is niet gebleken.

06/03

Een besluit van de centrale kerkenraad waarin een verzoek om overschrijving naar een andere wijkgemeente werd afgewezen wegens het ontbreken van pastorale nood, is door de provinciale commissie vernietigd.

De provinciale commissie overwoog dat er sprake is van consistent meeleven met de wijkgemeente gedurende meer dan elf jaar en dat niet is gebleken dat het motief voor overschrijving is gelegen in het verkrijgen van zeggenschap in de wijkgemeente van voorkeur, zodat de centrale kerkenraad niet in redelijkheid tot afwijzing heeft kunnen komen. De beslissing van de provinciale commissie wordt bevestigd: dat de centrale kerkenraad in de perforatieregeling een pastorale grond erkent in gevallen van gedwongen verhuizing (bijv. naar een verpleeghuis), kan niet in de weg staan aan toepassing van het criterium van consistente betrokkenheid bij de wijkgemeente van keuze, te minder nu de perforatieregeling van de hervormde gemeente geen getalscriterium meer kent.

Jur. NHK 2003 08/03

08/03

Een familielid van X verzocht aan de kerkenraad een nieuw onderzoek in te stellen, nadat - op verzoek van X zelf - door de kerkenraad reeds een onderzoek was ingesteld. Door de provinciale commissie was overwogen dat het familielid niet rechtstreeks in zijn belang is getroffen, omdat hij - woonachtig in een andere gemeente - geen lid is van dat gezin.

In hoger beroep voert bezwaarde aan dat hij optrad als zaakwaarnemer / woordvoerder van X. De generale commissie overwoog dat een soortgelijk verzoek reeds door de kerkenraad was behandeld en er geen feiten en omstandigheden zijn genoemd die zouden moeten leiden tot een hernieuwde behandeling. Daarbij laat de generale commissie meewegen dat pas in beroep is aangevoerd dat hij niet voor zichzelf maar voor X bedoeld heeft op te treden. De beslissing van de provinciale commissie wordt bevestigd.

Jur. NHK 2003 09/03

09/03

De provinciale commissie heeft het bezwaar tegen het besluit van het college van kerkvoogden dat de predikant per (datum) geen recht heeft op onkostenvergoeding ongegrond verklaard. De provinciale commissie heeft, gelet op de strekking van de in geding zijnde onkostenregeling en gelet op het vaststaande feit dat bezwaarde van (datum) geen ambtswerkzaamheden meer heeft verricht ten behoeve van de gemeente, terecht de in het aanhangsel uitgewerkte bepaling omtrent beëindiging van de onkostenvergoeding bij diens langdurige afwezigheid, analoog toegepast.

Daarmee heeft de generale commissie het bezwaar ongegrond verklaard dat de provinciale commissie dit ten onrechte heeft beslist, nu de omstandigheid dat hij zijn ambt niet langer heeft kunnen uitoefenen een gevolg is van de afwezigheid van de gemeente [de betreffende buitengewone wijkgemeente was per (datum) opgeheven, volgens de procedure van ord. 2-10a-10; aantek. PvdH] en dit niet voor zijn rekening behoort te komen. 

Jur. NHK 2003 12/03

12/03

Bezwaar tegen de vaststelling van de overgangsbepalingen 28 t/m 33 PKO. De bezwaren richten zich kort gezegd tegen de instelling en bevoegdheden van de commissies voor bijzondere zorg en strekken er klaarblijkelijk toe te betogen dat hervormde gemeenten die niet de gemeenschap met de andere kerken binnen de Protestantse Kerk in Nederland zoeken maar daarbuiten hervormd willen blijven, niet door de bestreden besluiten kunnen worden gebonden.

Het betoog is kennelijk gebaseerd op de opvatting dat naar hervormd kerkrecht  de gemeente na 1 mei 2004 geen deel zal uitmaken van de PKN en niet zal zijn onderworpen aan de bepalingen die krachtens de PKO zijn vastgesteld. Die opvatting is evenwel onjuist (zie 06/01 A-S, met name overwegingen 5.7 t/m 5.11).

Nu de bezwaren tegen het verenigingsbesluit zijn verworpen (zie 13/03) staat vast dat de hervormde gemeente met ingang van 1 mei 2004 in haar geheel zal behoren tot de PKN en staat hervormd-kerkrechtelijk niets aan de vereniging en de effectuering van de PKN in de weg.

Het uitgangspunt dat de procedure bij de burgerlijke rechter het inwerkingtreden van de kerkorde van de PKN opschort, is onjuist. Noch naar het recht van de NHK of de PKN, noch naar burgerlijk (proces)recht heeft het instellen van een dergelijke procedure opschortende werking.

Jur. NHK 2003 13/03 01/04

13/03S

Verzoek de tenuitvoerlegging van het verenigingsbesluit op te schorten tot de generale commissie een beslissing op het bezwaar heeft gegeven.

Opschorting van het verenigingsbesluit zou, aldus de generale synode, leiden tot grote onduidelijkheid en onzekerheid op gemeentelijk, classicaal, kerkprovinciaal en landelijk niveau in de NHK en zou tevens invloed hebben op de voorbereidende maatregelen die binnen de GKN en de ELK zijn of worden getroffen.

Dit belang van de generale synode moet als zeer zwaarwegend worden aangemerkt. Van enig concreet en spoedeisend belang van bezwaarde bij opschorting is niet gebleken. Niet is gebleken dat bezwaarde zijn kerkelijk leven hangende de bezwaarprocedure niet feitelijk op gelijke wijze zal kunnen voortzetten. Het verzoek wordt afgewezen.

13/03 en 01/04

Door 3630 bezwaarden (waaronder 1 classicale vergadering en 135 kerkenraden) is bezwaar ingediend tegen het besluit van de generale synode van 12 december 2003 tot vereniging van de NHK met de GKN en de ELK in de Protestantse Kerk in Nederland. Sommigen hebben aanvullend bezwaar gemaakt tegen het aanvullend besluit betreffende de “Verklaring” die is opgenomen in de notitie ‘Verbonden met het gereformeerd belijden”.

5. De bezwaren tegen de bestreden besluiten laten zich als volgt samenvatten:
a. procedurele bezwaren betreffende de behandeling van de voorstellen en de stemming over het verenigingsbesluit;
b. bezwaren wegens strijd met kerkordelijke bepalingen (m.n. art. V-1, art. X, artikelen I, XX, XXVI en ord. 1-11-1, ord. 20-8 en 20-9 HKO);
c. bezwaren wegens de inhoud van de kerkorde van de PKN;
d. bezwaren wegens strijd met wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen (m.n internationale verdragen, art. 6 van de Grondwet, burgerechtelijke bepalingen betreffende de rechtspersoonlijkheid van de gemeente en haar bevoegdheid tot beschikking over en beheer van haar goederen en voorts met het gelijkheidsbeginsel;
e. bezwaren dat bij de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met de gewetensnood ambtsdragers en overige gemeenteleden en met het risico op breuken en scheuring als gevolg van de vereniging.

6. Beoordeling van de bezwaren

6.1 Omvang van het geding. In deze procedure staat slechts ter toetsing de rechtmatigheid van de bestreden besluiten van 12 dec. 2003. Bezwaren tegen eerdere besluiten (o.m. vaststelling verenigingsbesluit in eerste lezing, vaststelling van de PKO, aanvaarding van het rapport ‘Om de eenheid en heelheid van de kerk’) zullen niet worden beoordeeld.

6.2 Procedurele bezwaren. De generale synode heeft ingestemd met de behandeling van het aanvullend besluit en een ordevoorstel om die op te schorten is, met 9 stemmen voor, niet aanvaard.
De HKO bevat geen voorschriften tot rechtstreekse raadpleging van alle leden dan wel lidmaten alvorens een verenigingsbesluit wordt genomen. De art. V-6 en ord. 1-10-1 (samenstelling van en vertegenwoordiging naar de generale synode) staan hier niet ter discussie, evenmin als ord. 20-17 (vereisten voor het nemen van het verenigingsbesluit).
De bezwaren tegen de juistheid van de uitslag van de stemming worden verworpen. Bezwaren betreffende de procedure inzake de stemming kunnen in beginsel alleen tijdens de vergadering worden gemaakt door degene die daaraan deelnemen (2/93 en 1/94). Bij de stemming zijn eerst de tegenstemmen en vervolgens de voorstemmen geteld, hetgeen resulteerde in een totaal van 75 stemmen, zijnde de voltallige synode.

6.3 Bezwaren wegens strijd met bepalingen van de HKO. In 18/97 heeft de generale commissie overwogen dat de structuur van de NHK niet louter presbyteriaal maar presbyteriaal-synodaal van aard is: in die structuur berust het hoogste gezag - trapsgewijze via kerkenraad en classis - bij de generale synode. Deze is binnen de NHK als geheel met bevoegdheden bekleed op grond waarvan zij ook voor de zelfstandige onderdelen bindende besluiten van kerkordelijke aard kan nemen. In 01/03 heeft de generale commissie overwogen dat de generale synode verplicht is te zoeken naar hereniging en dat het bezwaar van uitoefening van fusiedwang niet opgaat. De thans geuite bezwaren bevatten in de kern geen nieuwe argumenten: ook met het nemen van het verenigingsbesluit is de generale synode niet buiten haar kerkordelijke bevoegdheden getreden.

6.4 Bezwaren wegens de inhoud van de PKO. Deze zijn door de generale commissie beoordeeld en verworpen (zie 09/02, 10/02, 11/02 en 01/03) en staan in deze procedure niet meer ter beoordeling.

6.5 Bezwaren wegens strijd met wettelijke bepalingen en algemene rechtsbeginselen. Zie overweging 6.3 van 01/03 en overweging 5.8 van 06/01 A-S. Van belang is voorts dat de Hoge Raad in de zogeheten kerkvoogdijzaak de cassatieklachten tegen het oordeel van de generale commissie en het Gerechtshof te ’s-Gravenhage omtrent de positie van gemeenten als zelfstandige onderdelen van de NHK en hun gebondenheid aan op art. 2:2 BW gebaseerde of daaruit voortvloeiende regelgeving van de Kerk, ongegrond heeft geoordeeld.
Sommige bezwaarden hebben betoogd dat het verenigingsbesluit leidt tot schending van het gelijkheidsbeginsel omdat voor hervormde gemeenten, anders dan voor plaatselijke gereformeerde kerken niet voorzien is in een mogelijkheid om gedurende een overgangsperiode te kiezen buiten de PKN te blijven voortbestaan. Vastgesteld moet worden dat van gelijke gevallen geen sprake is - en derhalve evenmin van een schending van het gelijkheidsbeginsel - nu de positie van een plaatselijke gereformeerde kerk binnen de GKN een andere is dan die van een hervormde gemeente in de NHK.

6.6 Bezwaren wegens gewetensnood en het risico op breuken en scheuring. Omdat de gevolgen van het verenigingsbesluit onevenredig zijn had het besluit niet (althans nog niet) mogen worden genomen en had de synode hoogstens tot een federatie mogen besluiten, aldus bezwaarden. Bij de overweging 6.4 (in 01/03) dat de kerkrechtelijke voorschriften zijn gevolgd met voldoende inachtneming van de bij de bezwaarden levende bedenkingen, wordt thans ook betrokken dat van meet af aan in de PKO is voorzien in het voortbestaan van hervormde gemeenten op plaatselijk niveau en dat de generale synode diverse tegemoetkomingen heeft gedaan en besloten heeft tot verscheidene aanpassingen van de ontwerp-PKO teneinde de identiteit en kerkelijke status van gemeenten met een gereformeerde traditie binnen de PKN te waarborgen. Daarnaast zijn er in de periode voorafgaande aan het verenigingsbesluit gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van de bezwaarden, bezoeken aan gemeenten en classicale vergaderingen gebracht, is voorzien in voorlichting, is de commissie-Stelwagen ingesteld met de opdracht een ultieme poging te doen om breuken en scheuren te voorkomen, is de notitie Verbonden met het gereformeerd belijden aan kerkenraden en predikanten toegezonden, waarin de mogelijkheid is geboden door ondertekening van de ‘Verklaring’ uit te drukken dat men zich binnen het geheel van de verenigde kerk verbonden weet met het gereformeerd belijden, is ter synode verantwoording afgelegd van de inspanningen de eenheid te bewaren en zijn door het moderamen de gesprekken met bezwaarden voortgezet, ook na 12 dec. 2003.

De uit de consideraties blijkende bezwaren zijn ter synode aan de orde gesteld en besproken. Tevens is het aanvullend besluit aan de orde gesteld als een verdere handreiking aan bezwaarden.
Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat de generale synode het bestreden besluit niet (of nog niet) had mogen nemen of in plaats daarvan gehouden was een besluit tot federatie te nemen (zie ook 12/02). De aangevoerde argumenten en ingediende stukken hebben de generale commissie geen aanleiding gegeven op dit punt anders te beslissen.

De generale commissie verklaart de bezwaren ongegrond.

Jur. NHK 2004 03/04-P

P-03/04

De generale commissie heeft kennis genomen van de beslissing van een PC die de centrale kerkenraad niet ontvankelijk heeft verklaard vanwege termijnoverschrijding.

Het bezwaarschrift heeft echter betrekking op een geschil als bedoeld in ord. 19-2-1 tussen de centrale kerkenraad en een wijkkerkenraad over de vraag of aan de wijkgemeente de bevoegdheid toekomt een eigen regeling te treffen voor onder meer huwelijksdiensten in haar kerkgebouw, die afwijkt van de regeling die op dat punt is getroffen door de centrale kerkenraad. De provinciale commissie had het bezwaar van de centrale kerkenraad tegen een besluit van de wijkkerkenraad dienen op te vatten als een bezwaarschrift inzake een geschil, waarbij geen termijn geldt, zodat de centrale kerkenraad geen termijn heeft overschreden. Op grond van ord. 19-16-1 vernietigt de generale commissie de beslissing van de provinciale commissie.

De provinciale commissie zal de zaak opnieuw moeten beoordelen. Daarbij overweegt de generale commissie reeds thans ten aanzien van de vraag in hoeverre de wijkgemeente vrijheid toekomt voorwaarden te stellen aan de wijze waarop een huwelijksdienst binnen haar gemeente wordt ingericht, dat uit ord. 12 blijkt dat het bruidspaar grote invloed heeft betreffende de keuze van het kerkgebouw en de voorganger, onafhankelijk tot welke (wijk)gemeente zij behoren. Gewezen wordt op ord. 12-2-1/2, 12-2-4, 12-4-1 en 12-4-3.

Jur. SOW 2001 01/01

01/01 SoW

De kerkenraad heeft opzicht te houden over de gemeente (Interimregeling de kerkenraad en het consulentschap, art. 2) waarbij deze verantwoordelijkheid wordt uitgeoefend door het consistorie. Het generaal college kan de vervulling van die taak niet ten volle toetsen. De kerkenraad en het consistorie hebben in beginsel de vrijheid een verzoek om een onderzoek in te stellen te weigeren, tenzij in de gegeven omstandigheden  deze weigering de redelijkheidstoets niet kan doorstaan.

In dit geval hebben de klachten betrekking op (materiële) aangelegenheden die reeds door de burgerlijke rechter zijn beoordeeld, zodat de kerkenraad in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het verzoek niet in te willigen.

De overweging van het provinciaal college dat appellant niet in zijn werkelijk belang is getroffen is in zoverre onjuist dat daarin miskend wordt dat de daartoe geroepen kerkelijke organen geroepen kunnen worden om te oordelen over de morele en godsdienstige gevolgen van gedragingen die in ander verband reeds aan het oordeel van de burgerlijke rechter zijn onderworpen.

Van de kerkenraad mag verwacht worden dat deze - als voorheen - de nodige pastorale zorg blijft bieden aan appellant.

De bestreden beslissing wordt bevestigd, zij het met verbetering van gronden.

Jur. SOW 2001 02/01

02/01 SoW

Bij de zitting was het generale college niet in het voorgeschreven aantal leden aanwezig. Partijen hebben desgevraagd verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat zij door een niet voltallig college zouden worden gehoord en dat de beslissing zou worden genomen door het voltallige college.

De zaak betreft een geschil tussen de organist en de kerkenraad, met betrekking tot de vraag met wie een (nieuwe) overeenkomst moet worden gesloten: met de kerkenraad dan wel met de beheersraad. De kerkenraad had de organist meegedeeld niet meer over het conflict te willen spreken, zodat een beoogde bemiddeling door de visitatiecommissie onmogelijk werd.

Uit het proces-verbaal van de schikking die tijdens een kort geding is bereikt, blijkt dat de organist de beheersraad heeft aanvaard als de partij met wie nadere afspraken zouden moeten worden gemaakt. Terecht heeft de kerkenraad zich op het standpunt gesteld dat de beheersraad de bevoegde instantie daartoe is.

Ten overvloede merkt het generale college op dat de kerkenraad niet, zoals het hem vanuit pastoraal oogpunt had betaamd, het uiterste heeft ondernomen om bemiddeling tussen de organist en de beheersraad mogelijk te maken. Ten aanzien van de beheersraad kan worden gezegd dat hij ten onrechte op een gegeven moment de bestaande overeenkomst eenzijdig voor ‘non-existent’ is gaan houden, iets dat rechtens niet mogelijk is.

Jur. SOW 2002 01/02

01/02 SoW

De kerkenraad heeft besloten geen instemming te verlenen aan een perforatieverzoek, wegens een voorgeschiedenis van conflicten en gerechtelijke procedures tussen bezwaarde en (o.m.) de kerkenraad en wegens ernstig verstoorde verhoudingen met veel gemeenteleden. Bezwaren tegen dit besluit zijn door het provinciaal college ongegrond verklaard.

De termijn om beroep in te stellen in verband met de beëindiging van de werkzaamheden als organist (in 1993) is reeds geruime tijd verstreken. Bovendien zijn bezwaren daaromtrent in diverse procedures aan de burgerlijke rechter voorgelegd en zijn daarop inmiddels beslissingen verkregen.

Het generale college heeft in deze procedure slechts te oordelen over de vraag of de kerkenraad in redelijkheid heeft kunnen weigeren om in te stemmen met het perforatieverzoek. Daarbij komt aan de kerkenraad een zekere mate van beleidsvrijheid toe. Gelet op de - niet betwiste - omstandigheid dat er al gedurende langere tijd sprake is van conflicten en verstoorde verhoudingen en de daaruit voortvloeiende vrees voor het ontstaan van verdere problemen in de gemeente heeft de kerkenraad voldoende aanleiding kunnen zien om geen instemming te verlenen aan een perforatieverzoek.

Jur. SOW 2002 02/02

02/02 SoW

Appellanten verwijten de kerkenraad dat deze bewust en structureel samenspant met de predikant inzake een aanklacht tegen de predikant.

Het generale college oordeelt dat de kerkenraad in redelijkheid tot de beleidsbeslissing kon komen, met name die om geen verslag te maken, om niet puntsgewijze te reageren en om het dossier ter beoordeling aan de Officier van Justitie voor te leggen.

Jur. SOW 2002 03/02

03/02 SoW

Op een bij de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen ingediend bezwaar is uitspraak ontvangen van het breed moderamen van de provinciale synode.

Het generale college oordeelt dat de bevoegdheid inzake besluiten van gemeenten die een brede interkerkelijke samenwerking zijn aangegaan berust bij het provinciaal college (Interimregeling voor de behandeling van bezwaren en geschillen, art. 2-1 juncto art. 5). Noch in de Interimregeling, noch in enige andere kerkordelijke bepaling is de provinciale synode dan wel diens breed moderamen aangewezen als tot oordelen bevoegd terzake van bezwaren als het onderhavige. Wel berust bij de, van de provinciale synode deel uitmakende, provinciale kerkvergadering en particuliere synode de bevoegdheid om resp. de hervormde en gereformeerde leden van het provinciaal college te benoemen (Interimregeling, art. 4-1).

De uitspraak wordt vernietigd en het bezwaarschrift wordt ter behandeling gezonden naar het provinciaal college.

Jur. SOW 2003 01/03

01/03 SoW

De kerkenraad heeft - tijdens de vakantie van de predikant - besloten ‘niet verder te kunnen en willen gaan’ met de predikant en de visitatoren verzocht hem op non-actief te stellen. Eerst na ommekomst van de vakantie werd de predikant van dit besluit op de hoogte gesteld.

Het provinciaal college heeft het bezwaarschrift tegen het besluit ongegrond verklaard.

Het generale college vat het besluit op als een besluit tot het ingang zetten van de losmakingprocedure en dient eerst te beoordelen of het besluit in redelijkheid genomen had kunnen worden.

Het generale college heeft vastgesteld dat appellant niet is gehoord alvorens het besluit is genomen. Het achterwege blijven van een dergelijk wezenlijk element van de besluitvoorbereiding levert een onzorgvuldigheid op die ten gevolge heeft dat het besluit niet in stand kan blijven. Het besluit is bovendien onvoldoende specifiek gemotiveerd, waardoor het niet aan de eisen van een behoorlijk besluit voldoet. De beslissing van het provinciaal college wordt vernietigd, het besluit van de kerkenraad wordt vernietigd, onder instandhouding van de rechtsgevolgen daarvan.

Heuvel, P. van den (2005) Ind

Index

(selectie)

 

Kerkorde NHK

 

art. I
art. I en II
art. III
art. IV
art. IV-1
art. IV-6
art. V
art. V-1
art. V-2
art. VII
art. VIII
art. X
art. X-1
art. X-2
art. X-3
art. X-5 en 7
art. XIII
art. XVII-1
art. XVIII
art. XVIII-2
art. XX
art. XXI
art. XXII
art. XXII-1
art. XXIV
art. XXVI
art. XXVII
art. XXVII-4
art. XXVIII

13/03
05/98, 18/97
26/82, 4/84 + 5/84, 18/97
15/90, 03/98
05/98
23/85, 21/95, 05/97, 05/01, 13/03
18/97
04/95, 05/95, 01/03, 13/03
04/95, 01/03
21/95
26/82, 4/84 + 5/84
7/89, 06/01 A-S, 09/02, 13/03
09/02, 01/03
01/03
04/95, 09/02, 01/03
09/02
01/03
15/87
05/93S
15/87
13/03
07/90, 25/92, 14/02
20/97
23/85
13/98
01/03, 13/03
07/90, 18/97, 01/03
14/91
01/03

 

Ordinanties NHK

Ordinantie 1

 

1-1-4
1-1-5
1-2-1
1-3a
1-4-4
1-5-1
1-7-4
1-10-1
1-11-1
1-15-2

1-16-10
1-16-11
1-19-4,6
1-20-2
1-21-5
1-21-6
1-21-10
1-23
1-23-1
1-24
1-24-5
1-26-1
1-26-2,3
1-27-8
1-27-9
 

23/82, 03/98
03/98
19/89, 03/96
20/96, 10/99
03/98
14/91
03/98
03/98, 13/03
04/95, 06/01 A-S, 13/03
13/89, 12/92, 07/96, 09/96, 18/97, 20/97
10/90, 10/01
P06/00
03/98
13/88, 24/89
3/89, 07/99
05/92, 11/92, 02/98
1/85 + 3/85 + 4/85
04/91
02/91, 11/92
02/93
12/85, 17/87, 12/89
5/83, 4/87, 24/89, 27/89
1/85 + 3/85 + 4/85
09/96
05/96, 09/96, 10/96, 17/96, 18/96, 04/97, 20/97, 02/99, 03/00

 

Ordinantie 2

 

2-1-1
2-1-2 a t/m k


2-2
2-4-4
2-5
2-7
2-7-4
2-9-1
2-9-2
2-10-1
2-10-2 a t/m i


2-10-7
2-10a-1
2-10a-5
2-10a-8
2-10a-10
2-10b
2-11-2
2-11-4
2-12-1
2-12-2
2-13-2
2-13-3
2-13-7
2-15
2-15-1
2-19 t/m 26
2-30
 

6/83
6/87, 21/93, 09/94, 14/97, P02/98, 05/98, P31/99, 02/01, 04/01, 08/02, 01/02 SoW
6/87
01/99
6/83
11/84
23/88
01/92
16/88
16/88
04/93, 06,93, 01/94, 08/98, 10/98, 12/98, 04/99S, 04/99, 07/99, 16/99, 06/00, 06/03
14/96, 15/96
10/89
6/87
14/96, 14A/96, 15/96
01/99
05/02
10/99
10/89
1/84, 5/87, 16/88, 25/88, 10/99
16/88
01/92
1/84, 17/87
17/87, 12/88, 12/89
01/91, 14/98, 17/99, 03/01, 08/01
1/84, 5/87, 16/88
13/96
14/96S, 14/96, 14A/96, 15/96, 01/99, 12/01

 

Ordinantie 3

 

3
3-2
3-2-1
3-2-2
3-4
3-5-1,2
3-8
3-8-5
3-9
3-9-4
3-11
3-11-5,6
3-11-8
3-11-9
3-12
3-12-1
3-17-1
3-24


3-24-1
3-24-2

12/97, 20/99
P-02/88
09/00
6/87, 20/99, 08/00
11/99
18/83, 03/98, P-11/02
20/88
03/98
26/92
03/98
6/87
21/96
24/84
14/84, 10/92, 20/93, 03/94
20/88
24/84, 03/98
21/82
14/84, 24/84, 06/94, 15/97, P06/96, 21/96, 02/97, P10/97, 12/97, P32/99, 02/00
18/83
P-02/88, 20/88, 01/02

 

Ordinantie 4

 

4-19

04/95

 

Ordinantie 6

 

6-1-1
6-2-4
6-4


6-4-2
6-4-4
6-6-3

17/84, 07/00
16/83
09/92, 22/92, 02/93, 08/93, 01/95, 20/96, 23/96, 05/97, 10/97, 09/99, 10/99
14A/96
8/83, 23/85, 14A96
32/89

 

Ordinantie 7

 

7-17

10/86, 11/91, 04/94

 

Ordinantie 8

 

8-1-2
8-2

5/85
5/85, 21/85, 22/85, 5/89

 

Ordinantie 9

 

9-1-3
9-8
9-8-1

01/91
7/89
16/88

 

Ordinantie 10

 

10-1
10-2
10-2-1

25/88
15/87, 04/95
4/90, 04/90

 

Ordinantie 11

 

11
11-3-3
11-3-6
11-4, 11-5 en 11-6
11-5-4
11-6
11-7
11-7-5
11-8
11-13
11-19-1
11-20

04/95, 11/96
03/91
12/90
19/89, 04/95
8/86
24/84
22/96, 08/99
18/87
18/87
11/83, 22/84
18/92
08/91, 18/92

 

Ordinantie 12

 

12-2 en 12-4
12-2-3
12-4-1

P-03/04
14/02
16/87, 15/90, 08/99

 

Ordinantie 13

 

13-2-1
13-2a (oud)
13-4b
13-10
13-18-1
13-19-1
13-21
13-22-4

13-22-10
13-23
13-25-2
13-25a
13-29-4
13-29-5
13-30



13-30-1
13-30-3
13-30-4 t/m 8
13-30-6
13-30-8
13-30-9
13-30-10
13-30-12
13-30-18
13-30-21
13-39-2
13-44a
13-46-1
13-50

13-50-4

15/90
10/87, 23/88
03/96
19/87
5/83
5/83
15/88
4/83, 18/84, 1/85 + 3/85 + 4/85, 1/89 + 2/89, 22/89, 01/90, 07/97S
6/84 + 9/84 + 10/84
15/88
26/88, 1/90
30/89
6/84 + 9/84 + 10/84
08/97
11/83, 11/84, 6/85 + 7/85, 11/86, 15/86, 17/86, 2/87, 23/88, 28/88, 01/90, 05/90, 12/93, 23/95, 07/97, 07/98, 16/97, 06/02
01/90
01/90
05/90, 03/02
07/97
23/92, 07/97
07/97
16/84, 6/85 + 7/85, 07/97
19/93
19/93
08/97
05/91
8/88
25/92
14/90, 13/91, 01/96, 04/96, 04/96S
19/87

 

Ordinantie 14

 

14-1-1
14-1 en 2
14-3-3
14-4-1

05/01
21/95
03/98
03/98

 

Ordinantie 15

 

15-1-2
15-21
15-23a-4
15-25
15-26

17/84
15/92
15/93
04/91
07/92

 

Ordinantie 16

 

ord. 16 en 18


16-2
16-2-1
16-3 (oud)
16-3-3
16-4-9
16-5-1
16-7
16-10-3
16-18-1 t/m 3
16-19

09/96, 10/96, 17/ 96, 18/96, 04/97, 18/97, 20/97, 02/99, 19/99, 03/00
27/89, 19/96, 12/97, 03/98
03/98
12/91
11/01
15/91
04/97
6/87
15/91
14/92
14/92, 18/93, 05/96

 

Ordinantie 17

 

17
17-4
17-6

16/93
16/85
16/85

 

Ordinantie 18

 

18-1-1
18-5
18-6-1
18-17
18-17-1

2/83
15/93, P08/00
2/83
15/93
P08/00

 

Ordinantie 19

 

19-1
19-1-1





19-1-2
19-1-3
19-1-4
19-2
19-3
19-3-1
19-3-2
19-8-3
19-8-5

19-9
19-9-1

19-9-4




19-10
19-10-4
19-11-3
19-12-1
19-13-1

19-13-3
19-14-1
19-14-4,5
19-15-1b
19-16
19-16-1
19-16-2
19-16-4

19-16-5
19-17
19-17-1

13/96, 12/97
20/84. 10/85, 11/85, P-13/85, 3/87, 4/87, 02/90, 16/91, 24/92, 03/93, 07/93, 07/94, 14/94, 13/95, 13/96, 21/96, 25/96, 13/97, 16/97, 19/97, 21/97, 01/98, 13/98, 18/99, 01/00
10/95, 11/95, 16/97
16/97, 01/97S
18/99
13/96, 18/97
20/84, 18/87, 10/92
15/93, 03/02
15/93, 11/96
P06/96, 04/94
24/84, 20/96 II en III, 23/96 II, 14/98 II, 01/01S
15/87, 19/84
15/90, 02/92, 17/92, 22/95, 06/97, 14/97, 17/97, 03/99
07/90v, 11/90v, 01/91v, 02/93v, 05/93S, 01/94v, 04/96S, 14/96S, 14/96 II, 20/96S, 20/96 II en III, 01/97S, 07/97S, 16/97S, 14/98 tussenbeslissing, 01/99S, 16/99S
10/85, 15/85, P17/92
02/98, 05/03
15/97
19/83, 19/84, 18/99
11/93, 13/93, 14/93, 09/97, 15/97, 16/97, 22/97, 14/99, 04/02
14/87, 28/88, 12/89, 27/89, 7/90
16/97, 02/00
24/88
21/96
P17/92
P-13/85, P10/97, 18/99, P06/00
P06/00
14/84, P-02/88, 15/88, P06/96, P32/99, 02/00, P-11/02
P32/99 II, 02/00, P-11/02
P06/96, 01/90, 11/91
P32/99 II

 

Ordinantie 20

 

20-2-1
20-3a
20-8 en 9
20-10 t/m 12
20-17

26/82
16/94, 05/97
01/03, 13/03
06/01 A-S
13-03

 

Overgangsbepalingen NHK

 

26
277
314
323
335 (oud)
348
367

18/97
16/86, 20/92
18/97
04/97
18/97
18/97
18/97

 

Generale regelingen NHK

 

Registratie van Gemeenteleden
Stichtingen
Predikantstraktementen
art. 1
art. 5-13
art. 6
art. 10a
art. 11-9
art. 11a
art. 13-2
art. 14-6
model
Predikantspensioenen
Werkwijze orgelcommissie
Tussenorde

Quositatieregeling

20/82, 24/82, 20/83
09/96

09/01
19/87
19/87
09/01
9/86
09/03
9/86
9/86
9/86
06/90
01/97S
20/95 A-G, 01/01 SoW, 02/01 SoW, 03/02 SoW
18/93, 05/96

 

Kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

 

art. I-3 t/m 5
art. II-1
ord. 1-1-1
ord. 1-1-2
ord. 2-18-1a
ord. 3-2-3
ord. 5-3 en 4
ovb 28 t/m 33

01/03
01/03
11/02
10/02
10/02
10/02
09/02
12/03

 

Grondwet

 

art. 6
art. 17
art. 112

01/03, 13/03
18/97
18/97

 

Burgerlijk Wetboek

 

BW art. 1:30 lid 1
BW art. 1:80a
BW art. 2:2
BW art. 2:8
BW art. 2:115
BW art. 2:225
BW art. 3:3
Awb 3:4

09/02
09/02
09/96, 18/97, 06/01 A-S, 13/03
06/01 A-S
01/03
01/03
09/96
01/95

 

EVRM

 

art. 6

18/97