Schaeffer, H. e.a. (1992)

(red.)
Handboek Godsdienst in Nederland [onderdelen]
Amersfoort
De Horstink
1992

ISBN: 

90-6184-369-3

Schaeffer, H. e.a. (1992) Inh

|5|

Inhoud

 

Inleiding — 9

Deel I Godsdienst als maatschappelijk verschijnsel

Hoofdstuk 1 Godsdienst: een nadere omschrijving (L. Laeyendecker) — 15

Hoofdstuk 2 Christendom in Nederland (Gérard van Tillo) — 32
Excursie: allochtoon christendom (Mar Oomen en Jos Palm) — 56

Hoofdstuk 3 Niet-christelijke wereldgodsdiensten in Nederland
a Jodendom (Edward van Voolen) — 63
b Islam (Abdul Wahid van Bommel) — 73
c Hindoeïsme (Bhagwan-Dutt Sukhai) — 93
d Boeddhisme (J. den Boer en R. Janssen) — 97

Hoofdstuk 4 Kerkelijke vernieuwingsbewegingen
a In de katholieke kerk (L. Laeyendecker) — 104
b In de reformatorische kerken (Hyme Stoffels) — 113

Hoofdstuk 5 Niet-christelijke religieuze bewegingen (R. Kranenborg) — 123

Hoofdstuk 6 Humanisme (Paul Cliteur) — 138

Hoofdstuk 7 Christelijke oecumene (W.R. van der Zee) - 153

Hoofdstuk 8 Interreligieuze dialoog (G. Bouritius) — 167

Hoofdstuk 9 Godsdienst in cijfers (M.M.J. van Hemert) — 180

|6|

Deel II Godsdienst en kerk in de samenleving

Sociaal-culturele context

Hoofdstuk 10 Secularisatie en fundamentalisme (G. Dekker) — 191

Hoofdstuk 11 Kerken in een pluriforme samenleving (Frits de Lange) — 207

Hoofdstuk 12 Bijbel en theologie (Erik Borgman) — 224

Hoofdstuk 13 Filosofie (Peter Jonkers) — 240

Hoofdstuk 14 Technologische samenleving
a Geloof en wetenschap, techniek en cultuur (Paul van Dijk) — 256
b De macht van de media (Wim Koole) — 269

Maatschappelijke vraagstukken

Hoofdstuk 15 Ethiek (A.W. Musschenga) — 280

Hoofdstuk 16 Politiek
a Kerk en staat. Vrijheid en verantwoordelijkheid (Sophie van Bijsterveld) — 292
b Godsdienst en politiek (Andries Hoogerwerf) — 303

Hoofdstuk 17 Kerken, economie en het sociale vraagstuk (Herman Noordegraaf en Henk Tieleman) — 313

Hoofdstuk 18 Natuur en milieu
a Natuur (M.E. Brinkman) — 340
b Milieu (G. Manenschijn) — 349

Hoofdstuk 19 Religie en vrede (Fred van Iersel) — 362

Hoofdstuk 20 Vrouwenbeweging (Annelies van Heijst) — 379

Hoofdstuk 21 Ontwikkeling (Rob van Drimmelen) — 392

Hoofdstuk 22 Minderheden (Jan Slomp) — 401

Hoofdstuk 23 Seksualiteit en relatievormen (Rinus Houdijk) — 414

Hoofdstuk 24 Leven en dood (Rob W. Treep) — 422

|7|

Hoofdstuk 25 Onderwijs
a Vanuit katholiek oogpunt (Frank Kwakman en Jan van Oers) — 436
b Vanuit reformatorisch oogpunt (J.H. Gerritsen) — 448

Hoofdstuk 26 Kunst (Henk Abma) — 455

 

Deel III De organisatie en het functioneren van de christelijke kerken

Hoofdstuk 27 Kerkorde
a Naar katholiek kerkrecht (R.G.W. Huysmans) — 465
b Naar reformatorisch kerkrecht (H.B. Weijland) — 472

Hoofdstuk 28 Kerkelijk ambt (G. Dingemans) — 481

Hoofdstuk 29 Liturgie (H. Wegman) — 494

Hoofdstuk 30 Prediking (Sonny Hof) — 502

Hoofdstuk 31 Spiritualiteit (Otger Steggink) — 510

Hoofdstuk 32 Geloofsoverdracht en catechese (Trees Andree en Piet Steegman) — 522

Hoofdstuk 33 Pastorale zorg (Gerben Heitink) — 535

Hoofdstuk 34 Scholing en opleiding (A.H. Smits) — 552

Hoofdstuk 35 Missie en zending
a Missie (Wiel Eggen) — 565
b Zending (Jan Jongeneel) — 573

 

Registers — 587

Personalia — 609

Schaeffer, H. e.a. (1992) 27a

465-472

|465|

Hoofdstuk 27
Kerkorde

 

A Naar katholiek kerkrecht

 

De katholieke geloofsovertuiging gaat uit van de universele kerk. Deze omvat alle rechtvaardigen vanaf Abel tot aan de laatste uitverkorene. Toegespitst duidt zij alle christengelovigen van iedere tijd en elke plaats aan. De universele kerk wordt in geloof beleden. Haar begrip leent zich niet voor het aanwijzen van de christengelovigen in een bepaald tijdperk of gebied. Want de universele kerk presenteert zich niet zichtbaar en tastbaar als een omschreven verband van gelovigen. Het katholieke kerkrecht gaat daarom uit van het begrip gehele kerk, die alle katholieken van nu met hun herders omvat (verg. de cc. 209, 2; 331; 333). Deze leeft in een historisch gegroeide veelheid van onderling vereende kerken, niet daarbuiten of daarboven. Zij bezitten een eigen aanduiding: Latijnse, Maronitische, Melkitische of een van de overige met Rome verbonden Oosterse Kerken. Het kerkrecht van de Latijnse, westerse kerk stelt verder, dat de éne en enige katholieke kerk bestaat in en uit particuliere kerken, vooral de bisdommen (c. 368). In elk daarvan is de Kerk van Christus waarlijk aanwezig en werkzaam (c. 369). Deze kerken dragen een naam: het bisdom Keulen, Rome, Madrid of Haarlem. Voor het kerkelijke recht vormen de gehele kerk én de bisdommen het uitgangspunt.

De kerk als geheel kent een eigen, hoogste gezag in de bisschop van Rome, de paus, en in het met hem verbonden college van diocesane en overige bisschoppen. Voor de kerk in een bisdom is de diocesane bisschop en bevoegde gezag. Het recht hanteert van meet af aan een tweevoudige lijn. Ieder en alles in de katholieke kerk heeft een verhouding tot de gehele kerk, vertegenwoordigd door het pausschap, en tot een of meer concrete bisdommen, vertegenwoordigd door hun bisschoppen. Dat bepaalt mede hun kerkelijkheid. De hoofdlijnen van deze verhouding zijn voor de Latijnse kerk vastgelegd in het pauselijk Wetboek van Canoniek Recht van 1983.1 Verder geldt sinds 1990 een pauselijk Wetboek van de Canones van de (katholieke) Oosterse Kerken. Het katholieke kerkrecht hanteert de drievoudige band van eenheid: ‘Volledig in de gemeenschap van de katholieke Kerk hier op aarde zijn de gedoopten die in haar zichtbaar verband met Christus verbonden zijn, door de banden namelijk van de geloofsbelijdenis, van de sacramenten en van het kerkelijk bestuur’ (c. 205).

 

Katholieken

Iemand is katholiek, als hij/zij in de katholieke kerk is gedoopt of, indien reeds in een andere kerkelijke gemeenschap gedoopt, daarin is opgenomen. Het gevolg hiervan is in grote mate: éénmaal katholiek,

|466|

altijd katholiek. In de eigenlijke zin kan een katholiek de kerk niet verlaten. Een verklaring aan de kerk, dat hij die verlaat, bevrijdt hem slechts van enige kerkrechtelijke plichten. De louter kerkelijke wetten verplichten alleen de katholieken, niet andere christenen (c. 11).2 Het doopsel heeft belangrijke rechtsgevolgen. Daardoor ‘wordt de mens ingelijfd in de Kerk van Christus en daarin tot persoon gemaakt met de plichten en rechten die aan christenen, gelet evenwel op hun positie, eigen zijn, voor zover ze in de kerkelijke gemeenschap zijn en als een wettig opgelegde sanctie dit niet verhindert’ (c. 96). Er zijn twee bronnen van beperkingen mogelijk: verminderde of geen gemeenschap met de katholieke kerk én een kerkelijke straf. De kerk kan een katholiek niet uit de kerk zetten. Ook de straf van excommunicatie bewerkt dat niet. De doop betekent verder, dat de gelovigen in de kerk ‘aan de priesterlijke, profetische en koninklijke taak van Christus op hun wijze deelachtig’ worden (c. 204, 1).

Nieuw is de uitwerking hiervan in de Verplichtingen en rechten van alle christengelovigen (cc. 208-223) en in de Verplichtingen en rechten van christengelovigen-leken (cc. 224-231). Daarin zijn van belang, dat zij ‘het recht hebben uit de geestelijke goederen van de Kerk, vooral uit het woord Gods en de sacramenten, bijstand van de gewijde Herders te ontvangen’ (c. 213). Voor de binnenkerkelijke verhoudingen is bepalend de nieuwe c. 212: ‘1. Ten aanzien van hetgeen de gewijde Herders, Christus vertegenwoordigend, als geloofsleraren verklaren of als bestuurders van de Kerk bepalen, zijn de christengelovigen, in het besef van hun eigen verantwoordelijkheid, gehouden een christelijke gehoorzaamheid te betonen. 2. hen komt het onverminderd toe hun noden, in het bijzonder van geestelijke aard, en hun wensen aan de Herders van de Kerk kenbaar te maken. 3. Naargelang van de kennis, de deskundigheid en het aanzien dat zij genieten, hebben zij het recht, zelfs soms ook de plicht, hun mening over wat het welzijn van de Kerk aangaat aan de gewijde Herders kenbaar te maken en deze, met behoud van de zuiverheid van geloof en zeden en van de eerbied jegens de Herders, en rekening houdend met het algemeen nut en de waardigheid van de personen, aan de overige christengelovigen kenbaar te maken’. Verder bezitten de katholieken omschreven rechten van deelname aan en van eigen initiatief in de zending van de kerk, en van vereniging en vergadering (cc. 211; 215; 216; 225, 1).3

Volgens oud-kerkelijke traditie ‘zijn de sacramenten van doopsel, vormsel en allerheiligste Eucharistie zo nauw met elkaar verbonden dat zij voor de volledige christelijke initiatie vereist zijn’ (c. 842, 2). De baby-doop binnen  de eerste weken na de geboorte is de regel (c. 867, 1). De bevestiging hiervan met de gave van de Heilige Geest in het vormsel geschiedt meestal op twaalfjarige leeftijd. De bisschop dient dit sacrament jaarlijks toe in de parochies; anders doen dit door hem gemachtigde priesters. De eerste communie ontvangen kinderen, als ze acht jaar zijn. Bijgevolg vieren zij de eucharistie ten volle mee, voordat zij het vormsel hebben ontvangen.

 

De gewijde bedienaren

‘Krachtens goddelijke instelling zijn er onder de christengelovigen in de Kerk gewijde bedienaren, die in het recht ook clerici genoemd worden; de overigen echter worden ook leken genoemd’ (c. 207, 1). Het sacrament van de wijding stelt mannelijke gelovigen blijvend aan tot gewijde bedienaren, in  de graad van bisschop, presbyter (priester), of diaken (c. 1009, 1). Een bisschop of priester dient ongehuwd te zijn en te blijven, een gehuwde kan diaken worden. De permanente diaken is in 1967 in de katholieke kerk heringevoerd.4 Hij vervangt heel- of deeltijds soms de priester,

|467|

en soms behartigt hij de diaconie der kerk. Allen worden ‘gewijd en bestemd om, ieder volgens zijn graad, het Godsvolk te weiden door in de persoon van Christus het Hoofd de taken te vervullen van verkondiging, heiliging en bestuur’ (c. 1008). De bisschoppen en priesters zijn in de eigenlijke zin herders (pastores) van de kerk. Zij zijn door hun wijding de aangewezen personen geworden om kerkelijke jurisdictie- of bestuursmacht te dragen en uit te oefenen (c. 129, 1). Deze wordt onderscheiden in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht (c. 135, 1). Op basis van hun wijding worden zij benoemd in een concreet ambt, dat kan wisselen. Te denken valt aan de functies van diocesane of hulpbisschop, vicaris van de bisschop, deken, pastoor, rector of aalmoezenier.

Er zijn ook kerkelijke ambten, die openstaan voor daartoe geschoolde katholieke leken (m/v). Zij kunnen de functies van econoom van een bisdom, van rechter bij een diocesane huwelijksrechtbank, van medewerker aan een diocesaan pastoraal centrum, of van pastoraal werker5 in de zielzorg van parochies en instellingen vervullen. Niet alle concrete ambten in de kerk vooronderstellen de wijding.

 

De religieuzen

‘In elk van beide groepen (van geestelijken en leken) zijn er christengelovigen die door de professie van de evangelische raden door geloften of andere gewijde bindingen, door de Kerk erkend en bekrachtigd, zich op bijzondere wijze aan God toewijden en de heilszending van de Kerk dienen’ (c. 207, 2). Bedoeld zijn hiermee vooral de orden en congregaties van paters, broeders en zusters. De orden dateren van vóór 1600, de congregaties van daarna, de meesten stammen uit de 19e eeuw. Zij leiden in abdijen en kloosters een gemeenschapsleven. Zij behoeven de erkenning door de paus of door een bisschop. Eigen oversten en kapittels besturen hen. De drie evangelische raden omvatten de kuisheid omwille van het Rijk der hemelen in de volledige onthouding van het celibaat, de armoede tot navolging van Christus in het gebruik van en de beschikking over goederen, en de gehoorzaamheid in Zijn voetspoor in de onderwerping van de wil aan de wettige religieuze oversten (cc. 598-601). De kloosterlingen vallen wat hun apostolaat naar buiten betreft grotendeels onder het gezag van de plaatselijke bisschop. Het Wetboek behandelt in de cc. 573-746 de Instituten van gewijd leven en sociëteiten van apostolisch leven.

 

De parochie6

Katholieken zijn, zonder dat zij er iets voor hoeven te doen, door waar zij wonen bij een concrete parochie ingedeeld. Deze dient zich pastoraal voor hen in te zetten. Maar de katholieken zelf zijn niet verplicht met hun plaatselijke parochie mee te leven of mee te werken. Niettemin kunnen zij er altijd een beroep op doen. In het recht ‘is een parochie een bepaalde gemeenschap van christengelovigen, in een particuliere Kerk (bisdom) duurzaam opgericht, waarover de herderlijke zorg, onder het gezag van de diocesane Bisschop, aan een pastoor als haar eigen herder toevertrouwd wordt’ (c. 515, 1).  Als zodanig is zij een rechtspersoon, ook in het Nederlandse recht erkend. De parochie vormt de voorgeschreven verdeling van een bisdom in onderscheidene delen (c. 374, 1). De Nederlandse bisdommen kennen naast 1.750 territoriaal omschreven parochies een paar personale parochies voor studenten en allochtonen. De parochies zijn ingericht overeenkomstig het bisschoppelijk Algemeen reglement voor het bestuur van een parochie van de r.k. kerk in Nederland.7

Het pastorale bestuur wordt bepaald door de pastoor, samen met eventuele andere priesters, diakens of pastorale

|468|

werkers, en geadviseerd door het kerkbestuur en de parochievergadering. Het kerkbestuur van tenminste 5 leden, benoemd door of namens de bisschop en onder formeel voorzitterschap van de pastoor, bestuurt als college de parochie voor zover het gaat om het parochiaal vermogen en om alles wat daarmee samenhangt. Het neemt daaromtrent rechtsgeldige besluiten, die soms een voorafgaande bisschoppelijke machtiging behoeven, en behartigt door twee van zijn leden de vertegenwoordiging in en buiten rechte. De parochievergadering van tenminste 10, vaak van 20 tot 25 parochianen, ook door of namens de bisschop benoemd en onder leiding van het kerkbestuur, is een college van advies en overleg over pastorale en vermogensrechtelijke zaken. Zij is in vele gevallen geheel of gedeeltelijk samengesteld uit vertegenwoordigers van parochiële commissies en werkgroepen. Daarin werken vele parochianen als vrijwilliger aan verschillende taken van inhoudelijke, sociale en organisatorische aard.8 Zonder deze medewerking kan een parochie niet meer haar opdracht goed vervullen. Enerzijds zijn er minder pastorale beroepskrachten dan vroeger. Anderzijds komen door het wegvallen van katholieke verenigingen en organisaties aan de parochie steeds meer taken toe, ook van geloofsvorming en katechese9, en zoekt zij contact te houden met vele niet meer kerkende katholieken. De structurering van heel deze arbeid is niet bisschoppelijk geregeld, maar wordt aan de parochies overgelaten.

Al lang kennen vele parochies een Parochiële Caritas-Instelling (PCI) als zelfstandige rechtspersoon.10 Onder meer in verband met deze instelling beschikken vele parochies over werkgroepen voor diaconie of voor kerk en samenleving,11 naast die voor missie, ontwikkelingswerk en vrede (MOV).

Het toenemend gebrek aan priesters als parochie-pastores proberen de bisdommen op verschillende wijze op te lossen overeenkomstig c. 517.12 Met behoud van hun eigenheid worden twee tot vier parochies toevertrouwd aan een of meerdere pastorale beroepskrachten, priesters, soms diakens, en pastoraal werkers. Of in een parochie wordt een pastoraal werker (m/v) aangesteld als feitelijke pastor, terwijl een priester van buiten de pastoorsvolmachten bezit. De pastoraal werker, omdat hij niet gewijd is, heeft minder bevoegdheden dan een priester of diaken, met name inzake de bediening van de sacramenten. Daarom blijft medewerking van een priester noodzakelijk. De derde uitweg bestaat erin tegelijk het ambtelijke liturgieaanbod te verminderen (minder bijzondere vieringen, minder weekenddiensten,  dopen van meerdere baby’s tegelijk en andere) én de medewerking van parochiële vrijwilligers uit te breiden, eventueel tot kerkdiensten onder leiding van parochianen, en te vergroten. De Diocesane Pastorale Centra (DPC) en soms de dekenaten verlenen aan de vorming van kerkelijke vrijwilligers via pastorale scholen, materiaal en studiedagen hun medewerking.

 

De dekens en de dekenaten

In de geschiedenis van de laatste eeuwen zijn de dekens priesters, die eigenlijk als plaatsvervangers (vicarissen) van de bisschop zijn oog en oor vormen naar de parochies en katholieke organisaties toe. Zij hielden toezicht op de zielzorg en op de gehoorzaamheid aan kerkelijke voorschriften. Zij staan aan het hoofd van een dekenaat, waarin meerdere naburige parochies verbonden zijn (c. 374, 2). In Nederland verzorgden zij ook de periodieke bisschoppelijke visitatie. Sinds ruim twintig jaar is hun functie aangevuld met die van communicatie tussen bisdom enerzijds en parochies en kerkelijke instellingen anderzijds, en met die van aandacht voor de pastorale beroepskrachten. Bovendien dienen zij de gezamenlijke aanpak, de onderlinge

|469|

uitwisseling, de samenwerking en ten slotte de pastorale planning in hun dekenaat te bevorderen en te behartigen. Dit heet in het recht, dat een deken ‘de plicht en het recht heeft de gemeenschappelijke pastorale activiteit in het dekenaat te bevorderen en te coördineren’ (c. 555, 1, 1º). Hij heeft in de eigenlijke zin geen kerkelijke bestuursmacht. Hij vermag alleen via overtuiging en persoonlijk gezag werken, en kan bij onenigheden een oplossing in der minne nastreven. De 120 dekenaten in de Nederlandse bisdommen zijn verschillend in omvang. Alle zijn ze te groot om schaal van intensieve samenwerking tussen de parochies te zijn. De deken wordt voor een bepaalde termijn door de bisschop benoemd, veelal voor zes jaar, en alle bisdommen kennen procedures tot aanwijzing van hem vanuit het dekenaat, dat een nieuwe deken behoeft. Hij wordt meestal bijgestaan door een klein bestuur of een grotere raad met vertegenwoordigers van de parochies erin. Voor zijn rechtspersoonlijkheid en zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer kan het dekenaat overeenkomstig het bisschoppelijk Algemeen reglement voor het bestuur van een dekenaat, geldend per 1 januari 1978, de rechtsfiguur van een stichting of vereniging kiezen.

 

De bisdommen en de bisschoppen

De niet-universele, dus particuliere kerken zijn vooral de bisdommen (c. 368). ‘Een bisdom is een deel van het Volk Gods, dat aan een Bisschop wordt toevertrouwd om het in samenwerking met het presbyterium te weiden, zodat het, nauw verbonden met zijn herder, en door hem door het Evangelie en de Eucharistie in de Heilige Geest verzameld, een particuliere Kerk vormt, waarin de ene heilige katholieke en apostolische kerk van Christus waarlijk aanwezig is en werkt’ (c. 369). Omdat het bisdom, niet de parochie, eigenlijk volgens oud-kerkelijke traditie kerk ter plaatse is, geldt: ‘Aan de diocesane Bisschop komt in het hem toevertrouwde bisdom alle gewone, eigen en onmiddellijke macht toe, die voor de uitoefening van zijn herderlijke taak vereist is, uitgezonderd zaken die door het recht of door een decreet van de Paus aan het hoogste of een ander kerkelijk gezag voorbehouden zijn’ (c. 381, 1). Hij moet dus ter wille van de kerk en haar zending in het bisdom voldoende in eigen naam leiding kunnen geven en besluiten kunnen nemen. Deze regel geldt sinds het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie (1962-1965). Het schafte het pauselijke concessiesysteem af: een bisschop kan tot niets bijzonders besluiten, tenzij hem dit uitdrukkelijk door de paus is toegestaan. Het verving dit door het gedecentraliseerde reservatiesysteem: een bisschop kan tot alles wat nodig is besluiten, behoudens datgene wat voorbehouden is aan een hoger gezag in de kerk. Zo kan de bisschop niet de baby-doop als regel afschaffen, om slechts de volwassenen-doop toe te staan.

Alleen aan een bisschop komt in het bisdom de kerkelijke jurisdictie- of bestuursmacht (c. 129, 1) toe. Deze omvat onder het gezag van de paus en van de Romeinse Curie namens hem de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht (c. 135, 1), inclusief de straffende. Ten dele kan de uitvoerende macht worden uitgeoefend door vicarissen-generaal of bisschoppelijke vicarissen, priesters die namens en met de bisschop het bisdom leiden (cc. 134, 3; 475-481). Ook bisschoppelijke gedelegeerden kunnen dit doen. Voor de rechtspraak kent een bisschop gerechtsvicarissen en diocesane rechters. Zij houden zich in het officialaat praktisch alleen bezig met uitspraken over aanvragen tot ongeldigverklaring van huwelijken van katholieken. De bisschop wordt verder bijgestaan door de diocesane curie (cc. 469; 482-491), die onder meer de econoom en een Raad voor Economische Aangelegenheden (REA) omvat (cc. 492-494). Deze Raad heeft inspraakrechten,

|470|

doordat hij soms gehoord moet worden, en soms zijn instemming voor bepaalde handelingen vereist is.

Elk bisdom dient een priesterraad te hebben, de senaat van de bisschop. Hij vertegenwoordigt het presbyterium en het is zijn taak ‘de Bisschop in het bestuur van het bisdom volgens het recht te helpen om het pastorale welzijn van het hem toevertrouwde deel van het volk Gods zo goed mogelijk te leiden’ (c. 495, 1.). De helft of meer der leden wordt door de priesters vrij gekozen. De raad heeft een adviserende stem. In aangelegenheden van  groter belang dient de bisschop hem te horen. In sommige landen bestaan er diocesane of kathedrale  kapittels van priesters. Hun adviserende taak is overgenomen door de priesterraad. In ons land zijn de kapittels gehandhaafd, omdat zij het recht hebben namen van kandidaten, als er een nieuwe bisschop moet komen, aan Rome aan te bevelen. Dit is geen voordrachtsrecht, dat Rome verplicht daaruit er een te benoemen. Indien mogelijk, dient in ieder bisdom een diocesane pastorale raad ingesteld te zijn. Het is zijn taak ‘onder het gezag van de Bisschop te bestuderen wat op de pastorale activiteiten van het bisdom betrekking heeft, hierover te beraadslagen en daaromtrent praktische besluiten voor te stellen’ (c. 511). Het bestaat vooral uit leken en heeft een adviserende stem. Tenslotte vergadert de bisschop geregeld met de dekens en andere adviesorganen voor bijzondere terreinen.

 

De bisschoppenconferenties

Bijna in elk land, waar de katholieke kerk zit, is er een landelijke bisschoppenconferentie. Zij vormt niet het collegiale bestuur van de kerk in een gebied. Want de gehele kerk bestaat primair in en uit bisdommen, niet uit landskerken. De bisschoppen ‘oefenen daarin gezamenlijk bepaalde pastorale taken voor de christengelovigen van hun gebied uit’ (c. 447). Tot besluiten met ten minste twee derde van de stemmen, die alle leden verplichten, kan zij maar in zeer weinig, omschreven, door de paus toegestane gevallen komen. Zij is primair een orgaan van onderling beraad, dat de zending van de kerk bevorderen moet.

 

Het hoogste gezag van de kerk

De bisschop van Rome is de paus, ‘het hoofd van het Bisschoppencollege, Plaatsbekleder van Christus en Herder van de gehele Kerk hier op aarde; daarom bezit hij krachtens zijn ambt de hoogste, volledige, onmiddellijke en universele gewone macht in de kerk, die hij altijd vrij kan uitoefenen’ (c. 331). De paus bezit voor zijn dienst aan de eenheid de benodigde bevoegdheid om deze dienst ook daadwerkelijk te kunnen behartigen. Het bisschoppencollege, al of niet in oecumenisch concilie bijeen, ‘is, samen met zijn hoofd en nooit zonder dit hoofd, ook subject van de hoogste, volledige macht over de gehele Kerk’ (c. 336). Onder bepaalde voorwaarden bezitten de paus en het bisschoppencollege onfeilbaarheid in het leergezag (c. 749). ‘Geen leer dient als onfeilbaar gedefinieerd beschouwd te worden, tenzij dit duidelijk vaststaat’ (c. 749, 3). De bisschoppensynode met aangewezen bisschoppen uit de gehele kerk of uit een bepaald deel ervan, met religieuze oversten en de prefecten van de bestuursdepartementen van de Romeinse curie wordt door de paus periodiek bijeengeroepen en voorgezeten. Zij brengt over de behandelde onderwerpen wensen aan hem uit (c. 343). Verder staan de kardinalen, de Romeinse Curie en de pauselijke gezanten de paus in zijn opdracht ten dienste.

|471|

Onderling erkende of vastgelegde gemeenschappelijkheid van kerken in Nederland

In 1968 richtten met andere kerken de Rooms-Katholieke Kerkprovincie in Nederland (RKKN), de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK) en de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) de Raad van Kerken op. De preambule van de Statuten stelt: ‘De kerken aangesloten bij de Raad van Kerken in Nederland, willen in getuigenis en dienst gestalte geven aan de gemeenschap van kerken’. Deze zelfbinding wordt uitgewerkt in art. 2 Taak. ‘De raad heeft inzonderheid tot taak: a. het beraad over en het gestalte geven aan de samenwerking en eenheid van de kerken in getuigenis en dienst door het initiatief te nemen tot en het bevorderen van al datgene wat alle of een deel van de kerken, die aan de Raad deelnemen, gezamenlijk kunnen doen. b. de gezamenlijke bezinning op vragen aangaande geloof en leven en het bevorderen van die bezinning in de kerken’. In de Raad is iedere kerk vertegenwoordigd door twee leden van haar leidinggevende lichamen.

In 1966 kwam in een uitwisseling van brieven de wederzijdse dooperkenning tot stand tussen de RKKN en de NHK, die in 1967 aan beide kerken werd medegedeeld. In 1968 kon hetzelfde gebeuren in een gemeenschappelijke verklaring van de RKKN en de GKN. In datzelfde jaar erkende de RKKN de doop bediend in de Evangelisch-Lutherse Kerk (ELK) en voorwaardelijk die bediend in de Remonstrantse Broederschap.

In 1971 verscheen de Gemeenschappelijke verklaring over het kerkelijk-gemengd huwelijk van de NHK, de GKN, de ELK en de RKKN.13 Deze bevat in haar bijbelse uitgangspunten een beperkte, principiële, maar reële overeenstemming over het verstaan van het huwelijk naar christelijk belijden. Zij biedt verder de concrete afspraken over de huwelijksinzegening, over de gemeenschappelijke pastorale zorg aan de kerkelijk-gemengd gehuwden en over de heilige doop en de opvoeding van kinderen uit een dergelijk huwelijk.

Verdere oecumenische overeenstemming of afspraken bestaan er niet tussen alle tot nu toe genoemde kerken in Nederland. De verschillende gesprekken over de maaltijd des Heren en het kerkelijke ambt hebben daartoe niet kunnen leiden.

 

Noten

1 Latijns-Nederlandse Uitgave, Brussel/Hilversum, 1987, XCVII-855 blz. Daaruit worden hier de regels ofwel canones aangehaald, afgekort als c. of cc. Een alomvattend commentaar hierop in het Nederlands is er niet. In het Engels: The code of canon Law. A text and commentary commissioned by the canon law society of America. Ed. by. J. Coriden, T.J. Green, D.E. Heintschel, London, 1985, ISBN 0 225 66424 0, XXVI-1152 blz.; in het Duits: Handbuch des katholischen Kirchenrechts, Hrsg. von J. Listl, H. Müller, H. Schmitz, Regensburg, 1983, ISBN 3 7917 0860 0, XLIII-1211 blz.
2 Wanneer het Wetboek spreekt over christengelovigen, zijn bedoeld de katholieken.
3 R.G.W. Huysmans (1986), Het recht van de leek in de r.k. kerk van Nederland. Gooi en Sticht, Hilversum, 221 blz.
4 Bisschoppelijke Kaderwet van het permanente diakonaat in Nederland van 5 juni 1975.
5 Sinds januari 1984 is er een bisschoppelijke Rechtspositie van pastorale werkers, tweede, herziene druk oktober 1989. Hun bevoegdheden zijn omschreven in de bisschoppelijke brief Roeping en zending van de pastoraal werk(st)ers, Utrecht 19 juni 1989.
6 Werkgroep Nederlandstalige Canonisten (WNC), De parochie. Hoofdlijnen voor de structuren van een geloofsgemeenschap (1988), Acco, Leuven/Amersfoort, 215 blz.
7 De laatste versie hiervan geldt per 1 januari 1989.
8 Kerk metterdaad. Onderzoek in 1987 onder vrijwilligers in een aantal r.k. parochies in Nederland, (1989). Gooi en Sticht, Hilversum, 111 blz.; N.J.M. Derksen (1989), Eigenlijk  wisten we het wel, maar we waren het vergeten. Een onderzoek naar parochieontwikkeling en geloofscommunicatie in de parochies van het aartsbisdom Utrecht. Kok, Kampen, 404 blz.
9 M.F.M. van den Berk en R.G. Scholten (1989),

|472|

De moeizame weg van belering naar leren. Opzet van de katechese in de parochies van de bisdommen Haarlem en Rotterdam, Gooi en Sticht, Hilversum, 189 blz.
10 Nieuw bisschoppelijk Algemeen reglement voor het bestuur van een (inter)parochiële caritas-instelling in de Nederlandse r.k. kerkprovincie, geldend per 1 juli 1991.
11 Er is een apart tijdschrift Diakonie en parochie, dat in 1992 in zijn vierde jaargang is.
12 E. Verbraak (1991), Priestertekort? Een inventarisatie van oplossingen in Nederland, z.u., z.p.
13 De dooperkenning en de verklaring over het gemengde huwelijk zijn onder andere te vinden in het Oecumenisch Vademecum, Uitgave Hervormd Romeberaad/Sectie Rome-Reformatie GKN/Willibrordvereniging, ’s-Hertogenbosch, 1991.

Schaeffer, H. e.a. (1992) 27b

472-480

|472|

Hoofdstuk 27
Kerkorde

 

B Naar reformatorisch kerkrecht

 

Kerkorde, moet het wel?

In de voorgaande hoofdstukken werd nogal wat aan ontwikkelingen en veranderingen bij ‘Godsdienst en kerk in de samenleving’ beschreven. Men kan zich afvragen, nu het wat nader over de organisatie en het functioneren van de christelijke kerken zal gaan, waar zoiets als het hebben van een kerkorde goed voor is, wanneer zó veel in beweging komt. Een kerkorde... moet dat nog wel?

Wanneer wij de kerk zien als dát deel van de samenleving, dat ook in deze tijd bewust wil kiezen voor het discipelschap van Christus, werk een kerkorde dan niet belemmerend en verstarrend voor de noodzakelijke vrijheid om aan die navolging van de Heer een passende gestalte te geven? Roept juist kérkelijke organisatie geen weerstanden op bij veel mensen — vooral jongeren! —, die vandaag nog wel ‘religie’ maar geen ‘instituut’ meer willen?

Daar komt de vraag nog bij, of kerkelijke organisatie als zodanig niet een innerlijke tegenstrijdigheid is. Immers, de woorden kerk en kerkelijk hebben — als het goed is! — toch te maken met het krachtenveld van de Geest en de samenhang van de liefde? Roept dat niet om een vrijheid van denken en handelen, die in strijd is met het juridisch- en bestuurlijk-gebonden karakter van een organisatie?

 

Kerkorde, kan het wel?

Over deze vragen is reeds lang nagedacht. In 1892 verscheen het standaardwerk van Rudolph Sohm (Kirchenrecht I) waarin hij stelde, dat kerkrecht in strijd was met het wezen van de kerk, want: ‘Das Wesen der Kirche ist geistlich, das Wesen des Rechts ist weltlich’.1 Hij bedoelde daarmee, dat de kerk als een charismatisch bezielde gemeenschap niet onderworpen mocht worden aan dwingende rechtsregels. Kerkelijke organisatie — en dus ook kerkorde — was eigenlijk een zaak van ‘kleingeloof’ dat vreest dat de macht van de zonde wel eens groter kon zijn dan die van de Geest. Na de bloei van de eerste pinkstergemeenten, als een Charismatische Organisation, was de kerk meer en meer tot bisschoppelijke bestuurskaders vervallen, die tal van regels en wetten gingen opleggen, waaraan men in naam van God (dus als een ius divinum, een goddelijk recht) moest gehoorzamen.

Het boek maakte veel indruk, maar loste het eigenlijke probleem niet op. Sohm

|473|

benaderde het ‘recht’, zoals dat in de kerk gehanteerd moet worden, te negatief-dwangmatig en niet als een ‘dienend recht’, dat pastoraal bedoelt te zijn. In feite sloeg zijn argumentatie dus op ‘slecht kerkrecht’. Bovendien gaf hij in zijn boek niet goed aan hoe het dan wél zou moeten...

Dat laatste deed Karl Barth in Die Ordnung der Gemeinde.2 Uitgangspunt was voor hem de kerk als een door Christus geregeerde gemeente. Het gaat om een gemeenschap der heiligen waarvan Hij het Hoofd en de Heer is. Deze Christus-regering is in elk kerkrecht het Grundrecht. Waar Christus niet regeert, ontstaan willekeur en chaos en dát is pas onrecht!

Barth bedoelde met zijn christocratische benadering niet, dat het mogelijk zou zijn om een kerkorde rechtstreeks uit de bijbel over te schrijven. Dat kan gewoon niet, omdat een kerkorde contextueel is, dat wil zeggen gebonden aan de omstandigheden van tijd en cultuur. Wel zal een kerk zich bij het maken van een kerkorde voortdurend aan de bijbel moeten oriënteren.

Het gaat dus bij een kerkorde om ‘de orde in het leven en werken der kerk’.3 Dikwijls beroept men zich daarvoor op het woord van de apostel, dat in de gemeente van Christus alles betamelijk en in goede orde behoort te geschieden (1 Kor. 14, 40). De kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland heeft die woorden dan ook in art. 1 als uitgangspunt.4

 

Kerkorde, kan het oecumenisch?

Veel mensen zouden met de kerk als een kerkordelijk georganiseerd instituut nog enige vrede hebben, wanneer de kerken niet zo verdeeld waren en in ‘verzoende verscheidenheid’ samen zouden optrekken. Het is dan ook geen wonder, dat met de opkomst van de oecumenische beweging ook allerlei pogingen zijn gedaan om te komen tot een oecumenisch kerkrecht. Daarbij ging het om de vraag of er gemeenschappelijke grondstructuren kunnen worden aangewezen als basis en uitgangspunt voor één oecumenische kerk. Wat hebben wij nu eigenlijk sámen?

Een belangrijke bijdrage voor de interkerkelijke bestudering van deze vragen is het werk van Hans Dombois onder de titel: Das Recht der Gnade. Hij wijst er op, dat de oude kerk door drie monumentale scheppingen wordt gekenmerkt: De eucharistische liturgie, het dogma van triniteit en christologie, én het bisschopsambt. Deze drie stonden voor het besef van die tijd in een zodanig nauwe samenhang, dat men er niet één van kan laten vallen zonder aan de wezenlijke bedoeling van de oude kerk als geheel tekort te doen.5

In dat licht zijn zowel de rooms-katholieken (met haar leer van het pauselijk primaat óver de bisschoppen) als de reformatoren (met hun leer van het primaat van het Woord zónder de bisschoppen) beide eigen wegen gegaan, met name ook op het punt van de kerkinrichting. Beide hebben dus zijns inziens een stuk van die oudkerkelijke traditie verloren. De weg tot genezing aan elkaar zal dan ook bij een herbezinning op die oud-kerkelijke waarden moeten beginnen.

Een belangrijke bijdrage aan dat proces vormt met name het zogenaamde Lima of BEM rapport.6 Na jarenlange studie en discussie konden theologen zowel uit de Wereldraad van Kerken als uit de Rooms-Katholieke Kerk met één — nogal hoogkerkelijk uitgevallen! — rapport komen. Bij alle overeenstemming over doop en avondmaal, werden aan de hervormd-gereformeerde traditie fundamentele vragen gesteld over de verhouding tussen gemeente en ambt. Is er een gezagsverhouding, en — zo ja — welke? Wat is daarbij de positie van de ‘tijdelijke lekenambten’ van ouderling en diaken? In een volgend hoofdstuk zal daar nader op worden ingegaan.

Hier zij slechts opgemerkt, dat deze vragen ook terugkwamen bij het beraad

|474|

tussen de Samen-op-Wegpartners over de opstelling van een nieuwe oecumenische kerkorde, waarin zowel de hervormd-gereformeerde als de lutherse traditie moeten worden opgenomen.

 

Kerkorde, hoeveel?

Het zal duidelijk zijn, dat bij een meer hiërarchisch-ambtelijke kerkstructuur ook een meer tot in details uitgewerkte kerkorde past. Veel ‘gezag’ heeft blijkbaar veel ‘kerkorde’ nodig! Geen wonder, dat ook in Nederland het verzet tegen de centralistische ‘top-down’ kerkstructuren van de vorige eeuw sterk groeiende is: laten de plaatselijke gemeenten toch onbelemmerd met een minimum aan kerkorde hun werk mogen doen. Dan pas kunnen de verschillende spiritualiteiten zich voluit ontplooien.

Met alle sympathie voor dit streven, willen wij daarbij toch een tweetal kanttekeningen maken.
— Allereerst moet men bedenken, dat een eenvoudige kerkorde met veel vrijheid van initiatief en handelen voor de gemeenten een uiterste aan zorgvuldigheid in de omgang met het recht vereist. Het gevaar van willekeur en machtsmisbruik loert zeker ook in de ‘laagkerkelijke’ hoek!
— De geschiedenis van 100 jaar gereformeerde Kerken in Nederland — met hun nadruk op de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk tegenover elk teveel aan synode-pretentie! — liet niet alleen veel onrust en twist zien, maar ook ongedacht veel aan elitevorming en ‘dominocratie’...

Onze conclusie is dan ook, dat die kerkorde de beste is, die op uitgebalanceerde wijze gemeenten en ambten in hun plaatselijke en landelijke samenhang in hun eenheid en verscheidenheid optimaal dient. Daarbij past bescheidenheid. Het is een poging ‘om het menselijk apparaat rondom het werk van de Heilige Geest tot een minimum te herleiden’ (Noordmans).

 

Enige beperking

Men hoeft maar een willekeurig regionaal dagblad op te slaan om onder de rubriek ‘kerkdiensten’ de veelheid van reformatorische kerken als een breed spectrum voor zich te zien. Uiteraard is het ondoenlijk om het kerkordelijk bestaan van heel dat ‘reformatorisch veelvoud’, van Anglicanen tot Quakers en van Lutheranen tot Oud-Gereformeerden te behandelen. Wij willen ons in dit hoofdstuk bewust beperken tot een overzicht van de structuur van die kerken, die besloten zich te verenigen in het Samen-op-Wegproces: De Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), de Gereformeerde Kerken in Nederland (GKN) en de Evangelisch-Luthersche Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden (ELK). Door de nauwe verwantschap worden ook de andere kerken van de gereformeerde gezindte mee in de bespreking betrokken.

Intussen moet wel in alle eerlijkheid worden opgemerkt, dat de grote verdeeldheid van het reformatorische christendom een duidelijk teken van structureel-kerkordelijke zwakheid is. Hoe schriftuurlijk die opzet ook bedoeld is, crisisbeheersing was niet onze sterke kant...

 

Het uitgangspunt

Uitgangspunt van de reformatorische visie op de kerk is, dat Christus Zich een gemeente vergadert door Zijn Geest en Woord in eenheid van het ware geloof (Heidelbergse Catechismus, antw. 54). Voor Luther én Calvijn stond vast, dat de gemeente dáár was, waar het Woord wordt gepredikt en de sacramenten naar Christus’ wil worden bediend. Dàt moet worden geregeld en de continuïteit dáárvan moet worden bewaard.

Daar begint dus ook ‘kerkorde’! Het gaat om de instelling van ambten en ambtelijke vergaderingen, om de vorming van

|475|

gemeenten en gemeenteopbouw, om inrichting van kerkdiensten en catechese, om opzicht en behandeling van bezwaren en geschillen.7

Hoewel de reformatorische gelovigen een open oog hebben voor de Catholica (zie hun deelname aan de Wereldraad van Kerken!), ligt toch het kerkordelijk uitgangspunt van hun denken onmiskenbaar bij de plaatselijke gemeente. Zeker, in de ‘Ecclesia’ gaat het geheel vooraf aan de delen. Maar dat neemt niet weg dat elke gemeente die samenkomt rondom Woord en Sacrament ook compleet kerk van Christus is.

 

Presbyteriaal-synodaal

Bovengenoemde kerkordelijke spanning tussen het geheel en de delen komt tot uitdrukking in het presbyteriaal-synodale systeem van kerkregering. Met deze bewust gekozen vorm van kerkinrichting staan de Samen-op-Wegkerken tussen enerzijds het episcopale stelsel en anderzijds het congregationalistische stelsel in.8

In het episcopale stelsel ligt alle nadruk op het ambt. De regering van Christus vindt plaats via de bisschop. Zijn ambt omvat in principe alle functies van de kerk: De leer, de ordinatie en de wetgeving.

Het congregationalisme legt alle nadruk op de gemeente, die als een gemeenschap van heiligen vooral niet te groot mag worden. Deze gemeenschap draagt het hoogste gezag en de ambten ontlenen hun bevoegdheid niet zozeer aan Christus als wel aan de gemeente. Van een synodaal gezag over de gemeenten kan dan ook uiteraard geen sprake zijn.

Bij het presbyteriaal-synodaal stelsel is ‘het ambt uit Christus en door de gemeente’.9 Dat betekent, dat er een wisselwerking is tussen een kerkeraad en de gemeente enerzijds en tussen een kerkeraad en de synode anderzijds. Deze wisselwerking staat niet in het teken van hiërarchie. Reeds in de Dordtse Kerkorde van 1618/1619 werd bepaald: ‘Geen kerk zal over andere kerken, geen dienaar over andere dienaren, geen ouderling of diaken over andere ouderlingen of diakenen enige heerschappij voeren’ (art. 84). Het gaat dus om een goed samenspel tussen de gemeente en haar kerkeraad én tussen die kerkeraad (presbyterium) en de ‘meerdere vergaderingen’ als classes en synoden. Daarbij betekent ‘meerder’ niet hoger, maar breder samengesteld en dus met meer geestelijk gezag. Doel van een presbyteriaal-synodale kerkorde is een harmonie-model.

 

De gemeente

In de reformatorische kerkorden werd opvallend weinig over de functie van de gemeente gesproken. Niet omdat zij niet belangrijk zou zijn, maar omdat zij niet ‘geregeld’ hoeft te worden: Geef haar de ruimte en laat duizend bloemen bloeien...

Maar dit stilzwijgen bevredigde hoe langer hoe minder. De mondigheid en verantwoordelijkheid van alle kerkleden diende nadrukkelijker te worden vastgelegd.

Zo kwam in de gereformeerde kerkorde de tekst: ‘Alle leden van de gemeente hebben de taak om hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht, die Christus aan Zijn gemeente geeft. Ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen hebben daarom tot taak naar vermogen ruimte te scheppen en te laten voor initiatieven uit de gemeente. Zij zullen voor de uitvoering van hun bijzondere taak mede een beroep doen op en gebruik maken van de dienst van de leden der gemeente’ (geref. KO art. 67).

Geheel in lijn van dit artikel wordt — ook in tal van andere kerken — aandacht besteed aan ‘gemeenteopbouw’.10 Met name door het instellen van werkgroepen worden de leden van de gemeente nauw betrokken bij catechese en eredienst, bij diaconaat en toerusting. Heel wat gemeenten

|476|

veranderen dan van een ‘vindplaats van persoonlijk heil’ tot een ‘werkvloer voor vrijwilligers’.

Deze ontwikkelingen roepen ook weerstanden op. Soms bij kerkeraden die zich bedreigd voelen, soms bij leden die gehecht zijn aan het klassieke kerkpatroon. Randleden worden echter vaak door deze activiteiten aangetrokken.

 

De leden van de gemeente

In het algemeen geldt, dat men lid wordt van de gemeente door de doop.11 Door het afleggen van openbare geloofsbelijdenis wordt toegang tot de viering van het avondmaal verkregen. Zo ontstaat het onderscheid tussen doopleden en lidmaten, c.q. belijdende leden. De laatsten hebben dan ook stemrecht, toegang tot het antwoord op de doopvragen voor hun kinderen en kunnen in het ambt gekozen worden.

Hier lagen echter wel verschillen tussen de NHK en de GKN. De hervormden zien hun kerk — door de reformatie — als een planting van de Heilige Geest in het Nederlandse volk. Vanuit deze volkskerkgedachte viel er enerzijds sterke nadruk op het lidmaat-zijn van de leden maar werden anderzijds ook degenen, die uit hervormde ouders geboren zijn, als ‘geboorteleden’ van de gemeente beschouwd.12 Bij de toegang tot de doopvragen wordt een ruimer beleid gevoerd dan bij de gereformeerden. Deze zien de structuur van de kerk veel meer als een één-zijn omdat men het samen eens is (namelijk over de leer van die kerk). Daardoor kreeg hun kerk het karakter van een ‘vrijwilligerskerk’, met duidelijke grenzen tussen (onmondige) doopleden en (gerechtigde) belijdende leden.

De laatste jaren groeien beide kerken steeds dichter naar elkaar toe, met name onder de druk van vragen als: Mogen kinderen aan het avondmaal? Moet iemand belijdend lid zijn om kinderen ten doop te kunnen houden? Mogen kinderen worden opgedragen in plaats van gedoopt? Mogen doopleden meestemmen of in het ambt bevestigd worden?

In de kerken wordt op deze vragen zeer verschillend gereageerd. Velen houden vast aan het klassieke patroon van kinderdoop, openbare geloofsbelijdenis en daarna viering van de maaltijd. ‘Kinderen aan het avondmaal’ wordt als strijdig met de belijdenis en de kerkorde afgewezen.

Anderen stellen, dat het Christus is, die Zijn gemeente krachtens het genadeverbond als één geheel aan de maaltijd nodigt en dat een kerkeraad die nodiging niet met een ‘toelatingsbeleid’ mag doorkruisen. Ook de gedoopte kinderen mogen daarbij niet worden gehinderd. Deze praktijk is in de ELK het meest ingeburgerd.

Weer anderen menen — en deze opvatting groeit sterk — dat de doop zelf als ingrijpend gebeuren in ons leven alleen op grond van (openbare) belijdenis kan worden bediend. De kinderen worden dan niet gedoopt, maar ‘opgedragen’.

Het is opvallend, hoe deze drie stromingen,13 die toch ieder een authentiek bijbels aspect vertonen, elkaar in de praktijk van de eredienst in de gemeente blijken uit te sluiten. Kennelijk liggen zij uiterst kerkgevoelig! Ook is het bijzonder lastig deze ingrijpend verschillende vieringen in één kerkorde onder te brengen.

Een belangrijk punt van bezinning vormt de vraag of men onverschillige en nalatige kerkleden uit het kerkelijk bestand kan verwijderen. Hoewel men het er over eens zal zijn, dat het gedoopt-zijn van iemand nooit ‘geschrapt’ kan worden, wordt in de praktijk toch erg verschillend met het randleden-bestand omgegaan. Soms worden zij toch om financiële redenen uit het bestand verwijderd, soms worden zij in een schaduw-administratie opgenomen. Wij menen, dat een efficiënt omgaan met de leden in een landelijke administratie,14 ten behoeve van tijdig pastoraat, noodzakelijk is om als kerken in deze seculariserende

|477|

samenleving te overleven. Zelfs bij een meer congregationalistische visie op de gemeente als ‘huis om in te wonen’15 zal men toch moeten weten, wie de ‘doelgroep’ van welke kerkelijke actie dan ook nog zouden kunnen zijn.

 

De kerkeraad

De ambtsdragers van een gemeente — predikant, ouderlingen, c.q. ouderling/kerkvoogden en diakenen — vormen samen de kerkeraad. Daarnaast kunnen de predikant en ouderlingen apart vergaderen als consistorie (hervormden) of als smalle kerkeraad (gereformeerden). Ook de diakenen kunnen samen vergaderen voor hun specifieke taken. In de ELK is de predikant, staande in ‘het openbare ambt van Woord en Sacrament’ de ambtsdrager bij uitstek. Ouderlingen, kerkrentmeesters en diakenen fungeren daar eigenlijk meer als hulpambten.

In de NHK is de gemeente zelf rechtspersoon (vertegenwoordigd door het college van kerkvoogden). Voorts is ook de diaconie rechtspersoon.16 In de GKN is de plaatselijke kerk rechtspersoon (vertegenwoordigd door de praeses en scriba van de kerkeraad, zie geref. KO art. 99). In de ELK heeft de kerkeraad wel toezicht op het vermogen, maar voor tal van transacties is hij afhankelijk van goedkeuring door de Synodale Commissie. De diaconie heeft rechtspersoonlijkheid (zie respectievelijk art. 79. 1. 2 en 96. 1 van de algemene ordeningen).

Het bovenstaande geldt voor de kerkeraad van een gemiddelde gemeente, met één predikant. Door uitbreiding, hergroepering en herindeling van gemeenten ontstond geleidelijk door de jaren heen een grote variëteit aan kerkeraadsvormen. Deze tendens werd nog versterkt door de behoefte aan categoriale gemeenten (bijvoorbeeld studenten-ecclesiae) en door de ‘mobiliteit van de modaliteiten’ (het dooreenschuiven van behoudende en progressieve groepen van kerkleden). Zo komt men alleen in de NHK al tot een vijftiental verschillende soorten van kerkeraden.17 De GKN voegen daar dan nog een viertal aan toe.18 Het is uiteraard niet mogelijk al deze varianten in dit artikel te beschrijven. Wij noemen slechts enkele.

• Centrale gemeenten, waarin wijkkerkeraden en een centrale kerkeraad door middel van een duidelijke agendascheiding samenwerken. De wijkkerkeraden behartigen dan met name de eredienst, het pastoraat en de afvaardiging naar de classis, terwijl de centrale kerkeraad onder meer de coördinatie en de financiën behartigt. Deze agendascheiding loopt grotendeels parallel met die van de kerkeraad voor algemene zaken en de wijkkerkeraden in de GKN (alleen daar vaardigt de KAZ af naar de classis en niet de wijkkerkeraad).

• Buitengewone wijkgemeenten en deelgemeenten. Het gaat hier om ‘minderheidsgroepen’ in grote gemeenten, die zich niet thuis voelen bij de spiritualiteit van het plaatselijke kerkelijk leven. Wil de centrale kerkeraad meewerken aan kerkelijke organisatie van die minderheid, dan ontstaat een buitengewone wijkgemeente: een ‘wijk’ die dwars door de andere wijken heenloopt. Wil de centrale kerkeraad niet meewerken, dan kan na een bepaalde procedure het breed moderamen van de generale synode een deelgemeente ter plaatse instellen. Die staat dan los van de kerkeraad en draagt een ‘toenaam’ om haar te onderscheiden van de plaatselijke hervormde gemeente. Bijvoorbeeld de hervormde gemeente De Biezen te Oudewater.

• Streekgemeente. Daaronder wordt verstaan een gemeente, die gevormd werd door een aantal oorspronkelijk op zichzelf staande gemeenten, waarvan minstens één niet bij machte was een zelfstandig bestaan te voeren. Met medewerking van de classis kan dan besloten worden om, onder behoud van beperkte zelfstandigheid, in elkaar op te gaan (zie art. 35. 3 geref. KO). Ook de NHK kent streekgemeenten, zij het

|478|

met iets meer nadruk op het behoud van de rechten van de oorspronkelijke gemeenten (herv. ord. 2. 18-26).

Het is duidelijk, dat deze varianten van kerkeraadsmodellen samenhangen met de doorbraak van een geografisch principe: Elke gemeente heeft vaste grenzen en men behoort tot de gemeente waar men woont (herv. ord. 2 1.2 en 10.2; uitv. bep. 83.1 geref. KO; art. 4.1 alg. ord. van de ELK). Steeds meer blijkt, dat de leden van de kerk grote moeite hebben met deze Pfarrzwang. Het beroep op het ideaal dagt de gemeenteleden elkaar bij alle verschillen toch op één plaats in één eredienst moeten kunnen verdragen is achterhaald. De strijd over verschil in spiritualiteit en uiteenlopende wijzen van viering (bijvoorbeeld al dan niet kinderen aan het avondmaal!) mag niet over de rug van de gemeente worden uitgestreden. Ook bij doorvoering van het Samen-op-Wegproces zullen nog zeer lang gemeenten, die behoorden tot verschillende kerken van de éne nieuwe verenigde kerk, in eenzelfde dorp of stad naast elkaar blijven voortbestaan. Er is immers beloofd, dat geen enkele plaatselijke gemeente tot deelname aan Samen-op-Weg zal worden gedwongen!20

 

De meerdere vergaderingen

Wij zagen reeds, dat het woord ‘meerdere’ niet hiërarchisch geladen mag worden. Toch komt in deze paragraaf het verschil tussen de NHK, de GKN en de ELK zo sterk naar voren, dat een afzonderlijke bespreking van hun structuren wenselijk is.21

De NHK kent naast de kerkeraden: classicale vergaderingen (CV), provinciale kerkvergaderingen (PKV) en een generale synode (GS). Elke wijkkerkeraad zendt twee afgevaardigden naar de CV. Elke CV zendt vier of zes afgevaardigden naar een PKV en één afgevaardigde naar de GS. De helft van deze afgevaardigden zijn predikanten, volgens een ruilschema, met een zittingsduur van vijf jaar.

De taak van de CV is vooral die van een tussenschakel tussen de gemeenten en de GS. De taak van de PKV ligt vooral op het terrein van gemeentetoerusting en kerkvisitatie. Overigens wordt het leeuwendeel van het werk (classicaal en provinciaal) gedaan door het breed moderamen van elk van deze vergaderingen, samen met hun organen van bijstand. Deze laatsten kunnen in een aantal zaken een zelfstandige bevoegdheid hebben, bijvoorbeeld colleges van opzicht, van bezwaren en geschillen en van toezicht.

De taak van de GS is de behartiging van de landelijke belangen, vooral door behandeling van rapporten van de verschillende raden voor zending, diaconaat, kerk en Israël, kerk en jeugd en tal van andere zaken. De GS heeft een moderamen, waarin de scriba (secretaris-generaal) een belangrijke spilfunctie vervult, een breed moderamen en generale colleges van opzicht, toezicht, en bezwaren en geschillen.

Het is duidelijk, dat de structuur door de continuïteit van de vergaderingen, door de bevoegdheden van de brede moderamina en door de onafhankelijkheid van de (generale) colleges een sterker bestuurlijk karakter draagt dan die van bijvoorbeeld de GKN.

Bij de GKN hebben de meerdere vergaderingen geen permanent karakter. Classes komen vier maal per jaar bijeen en particuliere (vroeger provinciale) synoden (PS) meestal tweemaal per jaar om een bepaald agendum af te handelen en daarna ‘gesloten’ te worden. Omdat deze ambtelijke vergaderingen geen brede moderamina kennen en ook geen onafhankelijke colleges van opzicht en dergelijke moeten zij alle zaken zelf ter hand nemen, danwel aan de hand van deputaten- (deskundigen)-rapporten beoordelen.

Anders dan bij de NHK hebben de classis, samengesteld door drie afgevaardigden van elke kerkeraad, een zwaar programma van advies en hulp aan de plaatselijke

|479|

kerken. Zij vaardigen echter geen ambtsdrager naar de generale synode af, doch vijf leden naar de PS, die op haar beurt weer vijf afgevaardigden per PS naar de GS zendt. De PS behartigt met name het kerkelijk examen en fungeert dikwijls als appel-instantie.

De GS komt elke twee jaar in nieuwe samenstelling bijeen en kan haar zittingen dan over anderhalf jaar uitstrekken. Zo’n synode wordt genoemd naar de plaats waar zij haar openingszitting houdt (bijvoorbeeld de synode van Emmen of Mijdrecht). Op het agendum staan algemene zaken, zoals belijdenis, liturgie en kerkorde. De voorstellen hierover worden door deputaatschappen voorbereid, zoals er ook deputaatschappen voor zending en werelddiaconaat, voor gemeenteopbouw en tal van andere zaken zijn. Deputaten worden geacht op hún terrein deskundigen te wezen, terwijl synodeleden in wijsheid een eindoordeel over het gehele arbeidsveld moeten geven. Dit systeem draagt een minder bestuurlijk karakter dan het hervormde, maar de besluitvorming gaat wel over veel schijven en continuïteit wordt vaak node gemist.

De ELK heeft als ‘kleine kerk’ geen tussenkader van classicale vergaderingen of provinciale synoden. Er zijn gemeenten en er is een synode, die bestaat uit 36 leden en enige adviseurs. De zittingsperiode van de synode omvat vier synodale jaren (Algemene Ordening 120.2). Eenmaal per jaar wordt een gewone vergadering gehouden (id. 123.1).

Het leeuwedeel van het bestuurlijk werk wordt gedaan door de synodale commissie, die uit elf leden bestaat (id. 144). Zij heeft met name toezicht op kerkeraden en predikanten en oefent controle op het financiële beheer van de gemeenten. De synodale commissie moet eenmaal in de vijf jaar een overzicht van de geschiednies van de kerk in dat tijdsverloop maken (id. 157g, de ‘staat der kerk’).

De ELK kent ook een aantal raden voor diverse arbeidsvelden, te weten voor het beroepingswerk; voor de pensioenen; voor de zending; voor het diaconaat en voor het jeugdwerk (id. 175).

Voorafgaande aan de jaarlijkse vergadering van de synode wordt een generale kerkelijke vergadering gehouden, waarin met name alle gemeenten vertegenwoordigd en alle predikanten aanwezig zijn. Hier kunnen vragen gesteld worden over het beleid van de synodale commissie.

In de lutherse kerkinrichting zien wij een merkwaardige combinatie van bestuurlijke directheid en democratische controle. Maar volgens de grote kerkenfamilie van de Lutherse Wereldfederatie (met haar bisschoppelijke structuren!) is de ELK wel tamelijk ver in een reformatorisch presbyteriaal-synodaal systeem terecht gekomen!

 

Samen-op-Weg

Na een lange voorgeschiedenis kwamen de synoden van de NHK en de GKN in 1973 voor het eerst in een gezamenlijke zitting bijeen. Hiermee kreeg het Samen-op-Weg-zijn (SoW) van beide kerken een officieel karakter.22 Er werd een statuut opgesteld, waarin voorzien werd in een Raad van Deputaten, die aan het eenwordingsproces stuur en leiding moest geven. Ook werden vaste werkgroepen ingesteld voor de samenwerking op het plaatselijk vlak, voor de kerkordelijke vragen en voor de bezinning op het belijden van de kerk (de werkgroep ‘Kernen van Belijden’).

Na raadpleging van alle plaatselijke kerken verklaarden beide synoden zich in 1986 ‘in staat van hereniging’. Daarmee werd nog niet die vereniging zelf bedoeld, maar de vaste wil om in een onomkeerbaar proces tot die vereniging te komen.

In datzelfde jaar besloot ook de ELK in dit proces te gaan participeren, waardoor een vergadering van drie synoden ontstond. Deze ‘grote synode’ zal veel werk delegeren aan een ‘kleine synode’. De

|480|

regels voor de overgangsperiode gelden voor het recht van wat de drie kerken gezamenlijk doen staan in de zogenaamde Tussenorde. Confessionele basis voor het proces als geheel is de ‘Verklaring van Overeenstemming’. Er wordt naar gestreefd om in 1992 een concept voor een nieuwe gezamenlijke kerkorde te hebben.

 

Noten

1 Zie J. Plomp (z.j.), ‘Kerk en recht’, in: W. van ’t Spijker & L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht. Kok, Kampen, blz. 32-42.
2 K. Barth, Die Ordnung der Gemeinde, München, 1955 (Kirchliche Dogmatik, IV/2, blz. 765-824).
3 Th.L. Haitjema (1951), Nederlands hervormd kerkrecht, Callenbach, Nijkerk, blz. 7.
4 Zie Kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1991), Kok, Kampen. Voor commentaar, zie D. Nauta (1971), Verklaring van de kerkorde van de Gereformeerde Kerken in Nederland, Kok, Kampen.
5 H. Dombois, Das Recht der Gnade. Oecumenisches Kirchenrecht, I 1961/1969, II 1974, III 1983. De aangehaalde passage is uit II, blz. 103 e.v.
6 BEM staat voor Baptism eucharist ministry. Het handelt om Faith and Order paper no. 111, Geneve, 1982. De Nederlandse uitgave Doop, eucharistie en ambt (1982), verscheen op verzoek van de Raad van Kerken in Nederland bij uitgeverij De Horstink, Amersfoort.
7 Voor de NHK zie de Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk (19690, met dertig kerkordeartikelen en twintig ordinanties. Voorts zijn er onder meer nog overgangsbepalingen en generale regelingen. Boekencentrum, ’s-Gravenhage, losbladig. Voor een uitvoerig commentaar, zie P. van den Heuvel (1991), De hervormde kerkorde, een praktische toelichting. Boekencentrum, Zoetermeer.
Voor de ELK zie de Ordeningen voor de Evangelisch-Luthersche Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, uitg. Woerden, z.j. en P. Estié, Het plaatselijk bestuur van de Nederlandse Lutherse Gemeenten (1987). Z.u., Amsterdam.
8 Voor een bondig overzicht van deze stelsels, zie P. van den Heuvel, a.w., blz. 24-29.
9 H.N. Ridderbos (1965), ‘Kerkelijke orde en kerkelijk recht’, in: Ex auditu Verbi, Kok, Kampen, blz. 212.
10 Over gemeenteopbouw, zie P.J. Roscam Abbing (1978), Komen als geroepen. Over de gemeente die haar roeping vervult en over de kerkeraad die haar daarbij helpt. Z.u., ’s-Gravenhage. Voorts, J. Hendriks (1990), Een vitale en aantrekkelijke gemeente. Model en methode voor gemeenteopbouw, Kok, Kampen. zie ook M. te Velde (1989), Gereformeerde Gemeenteopbouw. Een eerste koersbepaling voor een nieuw theologisch vak. De Vuurbaak, Barneveld.
11 Vgl. art. II.1 in de hervormde kerkorde: ‘zij wier inlijving in de gemeenschap der Kerk is bekrachtigd door de Heilige Doop’.
12 Vgl. ook art. II.1 van de hervormde kerkorde: ‘zij, die uit hervormde ouders zijn geboren’.
13 Voor een uitvoerige uiteenzetting van deze problematiek, zie het in 1992 te verschijnen boekje: Draagt elkanders vieringen, rapport van de ‘gezamenlijke studiecommissie toelating jongeren tot het Heilig Avondmaal’. Z.u., Leidschendam.
14 Voor informatie over het hervormde systeem met de SMRA ter zake, zie P. van den Heuvel, a.w., blz. 50-51.
15 G.D.J. Dingemans (1987), Een huis om in te wonen. Schetsen en bouwstenen voor een Kerk en een Kerkorde van de toekomst. Boekencentrum, ’s-Gravenhage. Voor de discussie over dit kerkmodel, zie De Kerk verbouwen (1989), Dingemans’ ecclesiologie critisch bekeken, uitg. Leidsche Lezingen. Callenbach, Nijkerk.
16 Voor de gemeente en het college van kerkvoogden t.z. zie P. van den Heuvel, a.w., blz. 304. Voor de diaconie, zie blz. 179v.
17 Idem, a.w., blz. 62-74.
18 Zie de artikelen 35, 39 en 40 geref. KO.
19 P. van den Heuvel, a.w., blz. 68.
20 Zie hierover H.B. Weijland (1984), ‘A en B’, Een onderzoek naar de geografische gemeente als bijdrage in het beraad over een oecumenisch beleid, Kok, Kampen.
21 Voor het structuurverschil, zie H.B. Weijland, ‘Schild en gebinte’, Over de ‘harde’ elementen in de hervormde en gereformeerde kerkordelijke structuur. In: J.M. Vlijm en H.W. de Knijff (red.) (1991), Elkaar verstaan, Overwegingen na de Verklaring van Overeenstemming van de NHK en de GKN. Boekencentrum, ’s-Gravenhage.
22 Voor een bondig overzicht van de gang van zaken, zie B.J. Aalbers, ‘De afgelegde weg’. In: Elkaar verstaan, blz. 141vv.
Naast literatuur vindt men hierbij ook de teksten van de zogenaamde ‘Intentieverklaring’ en de ‘Verklaring van Overeenstemming inzake het samen Kerk-zijn’. Zie ook L.C. van Drimmelen, ‘Samen op Weg’. In: Inleiding tot de studie van het kerkrecht, blz. 177vv.

Schaeffer, H. e.a. (1992) 28

481-493

|481|

Hoofdstuk 28
Kerkelijk ambt

 

Grote verschillen in kerk- en ambtsstructuur

In onze ‘oecumenische tijd’ komen de kerken steeds dichter bij elkaar op het gebied van theologie en praxis. Oude verschillen over doop en avondmaal; over de plaats van de bijbel; over de verhouding van geloof en werken of de betekenis van Gods genade zijn bezig te verschrompelen tot ondergeschikte kwesties. Maar we zijn op het ogenblik eigenlijk het meest verdeeld over de vraag naar het ambt. Hoe moet de kerkelijke opbouw er uit zien en wat is de plaats van de ambtsdragers in de kerk? Mogen vrouwen ambtsdragers zijn in de kerk? Heeft het ambt een speciale bevoegdheid of is het vooral dienst? 

Grofweg kan men drie typen van kerkorganisatie onderscheiden:
a kerken die een episcopale structuur hebben en zich dikwijls min of meer hiërarchisch hebben georganiseerd, zoals de oosters orthodoxe, de rooms katholieke, de oud-katholieke en de anglicaanse kerken;
b presbyteriaal-synodaal georganiseerde kerken, die in plaats van het ambt van bisschop ouderlingen, predikanten en diakenen kennen, die samen zitting hebben in een kerkeraad, die leiding geeft aan de plaatselijke gemeente en die een synode kiezen om leiding te geven aan een regionale of landelijke kerk, zoals de Nederlandse Hervormde Kerk, de Remonstrantse Broederschap, de Gereformeerde Kerken in Nederland en vele andere kerken van reformatorische snit;
c congregationalistisch georganiseerde kerken, die alle nadruk leggen op de plaatselijke gemeente en die alle gemeenteleden zien als ambtsdragers van de kerk, zoals de Doopsgezinde Broederschap, de Baptisten, de Quakers en Methodisten en vele andere vormen van Free Churches in Engeland en vooral in Amerika. 

In de episcopale kerken ligt de volle nadruk op de bisschop als de representant van de eenheid van kerk en geloof en op de zogenaamde apostolische successie: de rechte lijn van bevoegdheden, die er loopt van Jezus en de apostelen via de bisschoppen van het verleden naar de huidige tijd. De bisschop heeft als ambtsdrager niet alleen de bevoegdheid om het Evangelie te verkondigen, maar hij heeft ook de leiding over de kerk en hij bezit de geestelijke macht over de gelovigen: in opdracht van de Heer (Mat. 16, 19) opent en sluit hij de poorten van het koninkrijk der hemelen. De bisschop — en in afgeleide zin dus ook elke priester — is representant van Christus en heilsbemiddelaar. Alleen priesters mogen de sacramenten — de dragers van de heilsgenade — bedienen. Ook al zijn de sacramenten slechts effectief door de gelovige aanvaarding van de participanten, de ambtsdrager is degene die officieel de

|482|

genade van Christus kan bemiddelen en toedienen. Er ligt een zwaar accent in de episcopale kerkstructuur op de ambtsdragers en hun bevoegdheden, ook al mogen leken tegenwoordig op hun wijze meepraten en meedoen.1

In de presbyteriaal-synodale kerken hebben de ambtsdragers, en vooral de predikanten, ook grote bevoegdheden. Maar er zijn verschillen met de episcopale structuur: In de eerste plaats zijn er drie ambten: de predikant, de ouderling en de diaken. Gezamenlijk representeren deze drie ambten Christus tegenover de gemeente der gelovigen. De predikanten zijn verantwoordelijk voor de verkondiging van het evangelie; de ouderlingen voor de zorg voor het geestelijk welzijn van en het opzicht over de gemeente en de diakenen hebben de taak van de dienst der gerechtigheid en barmhartigheid. In de tweede plaats hebben ook belijdende gemeenteleden toegang tot de ambten van ouderling en diaken. Ook al hebben ze geen preek- en sacramentsbevoegdheid — die is voorbehouden aan de predikanten — ze kunnen wel delen in de regering van de kerk. En in de derde plaats kunnen ambtsdragers nooit individueel beslissingen nemen, maar alleen binnen het kader van de kerkeraad of de synode. In een kerk van presbyteriaal-synodale snit kan gediscussieerd worden. En wel evenzeer over de Waarheid, als over meer utilistische maatregelen. In principe is alles open voor gesprek. En de kerkeraad, c.q. de synode, heeft beslissingsbevoegdheid, want in deze vergaderingen zijn de ‘ambten bijeen’. De bisschop van de episcopale kerkstructuur is in de presbyteriale kerken verschoven naar de kerkeraad of synode, waarin de ambten bijeen zijn.2

In de congregationalistische kerken hoeven eigenlijk geen officiële ambtsdragers aanwezig te zijn. Ze behoren niet tot het ‘zijn’, maar eventueel tot het ‘welzijn’ van de kerk. De ambtelijke volmacht van Christus is niet overgegaan op de bisschoppen, als de representanten van het heil, ook niet op vergaderingen of synoden, maar op de gemeente zelf. Door de gemeentevergadering wordt uitgemaakt wat er moet gebeuren. Om tot een goed bestuur te komen is er natuurlijk wel een structuur en leiding nodig, maar die bestaat op grond van afspraken. Men sluit een ‘verbond’ (covenant) met elkaar. Maar de verbondsstructuur mag evenmin als de ‘ambtsdrager’ of ‘functionaris’ gaan heersen over de beslissingsbevoegdheid van de plaatselijke gemeente. Ambtsdragers worden door gemeenten aangetrokken op grond van hun kennis en vooral vanwege hun charismatische begaafdheid. In de laatste jaren zijn de opvattingen van congregationalistisch georganiseerde kerken vooral in de Verenigde Staten van Amerika steeds dichter bij de presbyteriale ambtsopvattingen komen te liggen.3

Deze drie grondvormen van kerkstructuren met de daarbij behorende ambtsopvattingen maken dat kerken in onze tijd zeer verschillend van organisatie en ‘klimaat’ kunnen zijn. Deze organisatievormen staan de eenwording soms meer in de weg dan dogmatische of ethische verschillen. Vandaar dat de kerken die samenwerken in de oecumene en met name in de Wereldraad van Kerken en de Rooms Katholieke Kerk hebben geprobeerd tot een soort basisconsensus over Doop, Avondmaal en Ambt te komen. 

 

Het Lima-rapport

Die consensus is neergelegd in een document dat in 1982 in Lima werd aanvaard en dat sindsdien het Lima-rapport is gaan heten. Men spreekt ook van het BEM-rapport: het rapport in zake ‘Baptism, Eucharist and Ministry’.4 Het derde deel van het rapport handelt expliciet over het ambt. Daarop richten we nu onze aandacht. Het betoog zet in bij de roeping van de geloofsgemeenschap (I): ‘De Heilige Geest geeft de gemeenschap verschillende elkaar

|483|

aanvullende gaven’. ‘Alle leden moeten, met de hulp van de gemeente, de gaven die ze ontvangen hebben proberen te ontdekken en ze gebruiken voor de opbouw van de kerk en voor de dienst aan de wereld tot welke de kerk gezonden is’ (Ambt, I, 5). Daarover zijn de kerken het eens. ‘Maar zij verschillen van mening over de wijze waarop het leven van de kerk ingericht moet worden, met name over de betekenis en gestalte van het kerkelijk ambt. Willen de kerken deze verschillen overwinnen, dan zullen ze moeten uitgaan van het hele volk van God’ (I, 6). In het tweede deel van de laatste afdeling van het rapport gaat het meer specifiek over het ambt (II): ‘Om haar opdracht te vervullen heeft de kerk mensen nodig, die er officieel en blijvend verantwoordelijk voor zijn om haar te wijzen op haar fundamentele afhankelijkheid van Jezus Christus (...)’ (II, 8). Daarom riep Jezus de twaalf om vertegenwoordigers van het vernieuwde Israël te zijn. ‘De rol van de apostelen als getuigen van de opstanding van Christus is uniek en onherhaalbaar. Er bestaat daarom een verschil tussen de apostelen en de kerkelijke ambtsdragers, wier ambt is gebaseerd op dat van de apostelen’ (II, 10). ‘Zoals Christus de apostelen uitkoos en uitzond, zo blijft Christus door de Heilige Geest mensen voor het kerkelijk ambt kiezen en roepen. Als herauten en gezanten zijn kerkelijke ambtsdragers vertegenwoordigers (representatives) van Jezus Christus, die zijn boodschap van verzoening verkondigen tegenover de gemeenschap. Als leiders en leraren roepen zij de gemeenschap op om zich te onderwerpen aan het gezag van Jezus Christus, dé leraar en profeet in wie de wet en de profeten zijn vervuld. Als pastores onder Jezus Christus, de grote herder, verzamelen en leiden zij het verstrooide volk van God, vooruit grijpend op de komst van het koninkrijk’ (II, 11). ‘Het is de voornaamste verantwoordelijkheid van het kerkelijk ambt om het lichaam van Christus bijeen te brengen en op te bouwen door het woord van God te verkondigen en te onderrichten, door de sacramenten te vieren en door het leven van de gemeenschap te leiden in haar eredienst, haar zending en diaconaat’ (II, 13). ‘Vooral in de viering van de eucharistie is het kerkelijk ambt het zichtbare centrum van de diepe en allesomvattende gemeenschap tussen Christus en de leden van zijn lichaam’ (II, 14). ‘Het gezag van de kerkelijke ambtsdrager vindt zijn oorsprong in Jezus Christus’ (II, 15). ‘De ambtsdragers maken het gezag van Christus zichtbaar en oefenen het uit op de wijze waarop Christus zelf Gods gezag openbaarde aan de wereld: namelijk door hun leven in te zetten voor de gemeenschap’ (II, 16). Men kan de ambtsdragers terecht priesters noemen, ‘omdat zij een bijzondere priesterlijke dienst vervullen, doordat zij het koninklijk en profetisch priesterschap van de gelovigen versterken en opbouwen door woord en sacrament, door hun voorbeden en door hun pastorale leiding’ (II, 17). Wat betreft de traditionele wijze waarop het ambt eenzijdig door mannen is vervuld zegt het rapport: ‘Er is in Christus geen man of vrouw (Gal 3, 28)’. ‘De kerk moet leren zien welke dienst vrouwen en welke dienst mannen kunnen verrichten’ (II, 18). Hier wordt dus geen echt vernieuwende uitspraak gedaan!

Het is in de woordkeus van de vorige paragraaf al duidelijk, dat kerken verschillende keuzen maken. Daarom gaat de derde afdeling van het deel van het hoofdstuk over het ambt over de verschillende vormen van het kerkelijk ambt (III): ‘Het Nieuwe Testament beschrijft niet één bepaalde vorm van ambt als blauwdruk of blijvende norm voor elk toekomstig ambt in de kerk’. ‘In de tweede en derde eeuw vond een drievoudig patroon van bisschop, presbyter en diaken ingang als hèt patroon van het ambt in de hele kerk’ (III, 19). ‘De oudste teksten die melding maken van het drievoudig ambt hebben betrekking op de eucharistie-vierende gemeenschap. De bisschop was de leider van de gemeenschap.

|484|

Hij was geordineerd en aangesteld om het woord te verkondigen en voor te gaan bij het vieren van de eucharistie. Hij werd omringd door een college van presbyters en door diakens die hem bij zijn taken hielpen. In deze samenhang was het ambt van bisschop een centrum van eenheid binnen de hele gemeenschap’ (III, 20). Ook al blijkt binnen het drievoudig patroon de bisschop al spoedig primus inter pares te zijn geworden om vervolgens de episkopè-functie naar zich toe te trekken (III, 21), toch ‘zou het drievoudig ambt van bisschop, presbyter en diaken in onze tijd kunnen dienen als uitdrukking van de eenheid die we zoeken en ook als middel om deze te bereiken’ (III, 22). Dat wil zeggen, dat in sommige kerken ‘de collegialiteit van het leiderschap te lijden heeft gehad. In andere kerken is de functie van diaken teruggebracht tot een assisterende rol bij het vieren van de liturgie: zij vervullen geen enkele rol meer in het diaconaat van de kerk’. Dat is duidelijk een kritische notie ten aanzien van de episcopale kerken: moeten zij niet meer ruimte geven aan de eigenheid van de diaconale functie van het ambt? ‘De verhouding van presbyteriaat en episcopaat en de mate waarin de presbyter deelneemt in het episcopale ambt is alle eeuwen door overal een punt van discussie geweest’ (III, 24). Daarom pleit het rapport ervoor het kerkelijk ambt persoonlijk, collegiaal en communaal in te vullen. ‘Persoonlijk, omdat de verwijzing naar de tegenwoordigheid van Christus het best kan geschieden door die persoon die geordineerd is om het evangelie te verkondigen en de gemeente op te roepen om de Heer te dienen in de eenheid van leven en getuigen. Collegiaal, omdat er een college nodig is van kerkelijke ambtsdragers die de gemeenschappelijke taak delen om de belangen van de gemeenschap te vertegenwoordigen. Tenslotte moet de nauwe band tussen het ambt en de gemeenschap uitgedrukt worden in een communale dimensie, waarin de uitoefening van het kerkelijk ambt geworteld is in het leven van de gemeenschap en die om daadwerkelijke deelneming van de gemeenschap vraagt bij het ontdekken van Gods wil en de leiding van de Heilige Geest’ (III, 26). In het officiële commentaar bij de tekst van het rapport wordt opgemerkt, dat ‘in sommige kerken de persoonlijke dimensie van het ambt afbreuk dreigt te doen aan de collegiale en communale dimensies’ (bij III, 26). Dat moet slaan op de episcopale kerken. ‘In andere kerken’, zo gaat het commentaar verder, ‘vragen de collegiale en communale dimensies zoveel aandacht dat het ambt zijn persoonlijke dimensie verliest’ (bij III, 26). Dat is kennelijk kritiek op de presbyteriale en congregationalistische kerkvormen. De consensus sinds de wereldconferentie van Geloof en Kerkorde in Lausanne 1927 ligt nu juist in het feit, dat de drie grote tradities van episcopaal, presbyteriaal en congregationalistisch type velen telt, die geloven dat de drie patronen wezenlijk zijn voor de juiste inrichting van de kerk. Daarom moeten wij erkennen, dat elk van deze elementen een passende plaats toekomt bij de ordening van het kerkelijk leven van een herenigde kerk (bij III, 26).

Bij de uitwerking komt het rapport tot drie soorten ambtsdragers: bisschoppen, die het woord prediken, voorgaan bij de sacramentsbediening en tucht uitoefenen ‘als representatieve bedienaren van opzicht, continuïteit en eenheid in de kerk. Ze hebben pastoraal opzicht over het gebied waarvoor ze zijn aangesteld. Zij dienen de apostoliciteit en de eenheid van het onderricht, de eredienst en het sacramentele leven van de kerk’ (III, 29). ‘Presbyters zijn pastorale bedienaars van het woord en de sacramenten in een plaatselijke eucharistische gemeenschap’ (III, 30). ‘Diakens houden de kerk haar roeping als dienstknecht in de wereld voor’. ‘Ze oefenen een liefdesdienst in de gemeenschap uit. Ze vervullen bepaalde administratieve taken en kunnen gekozen worden om bepaalde bestuurlijke

|485|

verantwoordelijkheden op zich te nemen’ (III, 31). De apostolische successie (IV), de continuïteit met de apostelen en hun verkondiging (IV, 34), ‘wordt allereerst zichtbaar in de apostolische traditie van de kerk in haar geheel. Binnen de kerk heeft het kerkelijk ambt de speciale taak om het apostolisch geloof te bewaren en te actualiseren’ (IV, 35). ‘In de bijzondere historische situatie van de groeiende kerk van de eerste eeuwen werd de successie van bisschoppen, naast de overdracht van het evangelie en het leven van de gemeente, één van de vormen waarin de traditie van de kerk tot uitdrukking kwam’ (IV, 36). Ook al erkennen de kerken die de episcopale successie kennen, dat er ook in andere kerken continuïteit met het apostolisch geloof is gebleven, desalniettemin doen deze overwegingen ‘niets af aan het belang van het episcopale ambt’ (IV, 38). En de kerken, die de episcopale traditie niet kennen, geven te kennen, ‘dat ze bereid zijn om de episcopale successie te aanvaarden als teken van de apostoliciteit van het leven van de gehele kerk’, zonder toe te geven dat ‘het ambt, zoals dat in hun eigen traditie wordt uitgeoefend, ongeldig zou zijn’ (IV, 38). Ook hier vraagt het rapport, dat alle kerken tenminste elkaars ambtsopvatting en eigenlijk ook de speciale positie van de bisschop als vertegenwoordiger van de continuïteit met het apostolisch geloof zullen erkennen. In de ordinatie, die alle kerken kennen (V), ziet het rapport het gemeenschappelijk aanknopingspunt: ‘De ordinatie door mensen die daarvoor zijn aangesteld, geeft er blijk van dat de kerk haar band met Jezus Christus en het apostolisch getuigenis wil bewaren in het besef, dat het de verrezen Heer zelf is, die ordineert en de ambtsgave verleent’ (V, 39). ‘Samenvattend betekent ordinatie dus een handeling van God en de gemeenschap, waarbij de geordineerden door de Geest gesterkt worden voor hun taak en gesteund worden door de erkenning en gebeden van de gemeente’ (V, 40). Op de weg naar wederzijdse erkenning van de kerkelijke ambten (VI), is ‘de kwestie van de apostolische successie’ van bijzonder belang (VI, 52). Daarbij gaat het om de ‘intentie om het ambt van woord en sacrament in continuïteit met de apostolische tijd door te geven’ (VI, 52). De episcopale kerken wordt gevraagd te erkennen, dat er ook in de kerken die het bisschopsambt als zodanig niet hebben bewaard ‘een ambt van episkopè bestaat in diverse gestalten’. Aan de reformatorische kerken wordt gevraagd ‘zich de diepe betekenis voor de continuïteit te realiseren die in de ononderbroken handoplegging door bisschoppen gelegen is en te bedenken dat, ook al ontbreekt het hun niet aan de continuïteit van de apostolische traditie, dit teken deze continuïteit zal versterken en verdiepen. Ze moeten misschien het teken van de episcopale successie opnieuw ontdekken’ (V, 53). Ten slotte wordt opgemerkt dat het verschil in het ordineren van mannen vrouwen niet kerkscheidend mag zijn. In elk geval moet dit probleem open besproken kunnen worden (V, 54).

 

Evaluatie

Voor protestantse oren klinkt — om te beginnen — de inzet van het deel over het ambt in het BEM-rapport zeer positief. Het ambt wordt zorgvuldig ingebed in de geloofsgemeenschap, die door de Heilige Geest begiftigd is met elkaar aanvullende gaven voor de opbouw van de kerk en voor de dienst aan de wereld tot welke de kerk gezonden is (Ambt, I, 5). Willen de kerken de verschillen overwinnen, zegt het rapport, dan zullen ze moeten ‘uitgaan van het hele volk van God’ (I, 6). Dat lijkt inderdaad ook voor een protestant een goed uitgangspunt te zijn. Toch is er vanuit de reformatorische kerken — ondanks de waardering voor de poging om oude tegenstellingen te overbruggen — nogal wat kritiek gekomen op de Lima-tekst. Het gaat

|486|

immers over het ‘kerkelijk ambt’ zonder dat dat begrip precies wordt gedefinieerd.5 Wat argeloos heet het, dat de kerk mensen nodig heeft, ‘die er officieel en blijvend verantwoordelijk voor zijn om haar te wijzen op haar fundamentele afhankelijkheid van Jezus Christus...’ (II, 8). En: ‘Zoals Christus de apostelen uitkoos en uitzond, zo blijft Christus door de Heilige Geest mensen voor het kerkelijk ambt kiezen en roepen’ (...), ‘die zijn boodschap van verzoening verkondigen tegenover de gemeenschap’. Het ambt wordt stilzwijgend ‘tegenover’ de geloofsgemeenschap geplaatst en gefundeerd in de speciale roeping van Christus, die — na de dood van de apostelen als unieke getuigen — door de Heilige Geest mensen voor het kerkelijk ambt blijft kiezen en roepen (II, 11). Het ambt wordt niet gefundeerd in de geloofsgemeenschap, die de opdracht heeft gekregen om Christus te vertegenwoordigen in de wereld en die daartoe bekwame representanten aanwijst, maar tegenover de geloofsgemeenschap, als leiders en leraren die de geloofsgemeenschap oproepen ‘om zich te onderwerpen aan het gezag van Jezus Christus’ (II, 11). Bovendien wordt het ambt primair verbonden met de eucharistie (II, 13 en 14). ‘Vooral in de viering van de eucharistie is het kerkelijk ambt het zichtbare centrum van de diepe en allesomvattende gemeenschap tussen Christus en de leden van zijn lichaam’ (II, 14). De eenheid van het ambt is direct verbonden met de eenheid rondom de tafel.

De oecumenische consensus wordt — in navolging van Lausanne 1927 — door het BEM-rapport gevonden in de tweede en derde eeuw, toen ‘een drievoudig patroon van bisschop, presbyter en diaken ingang vond als hèt patroon van het ambt in de hele kerk’ (III, 19 en 21). Ook hier weer de directe verbinding met de eucharistie: ‘De oudste teksten die melding maken van het drievoudig ambt hebben betrekking op de eucharistie-vierende gemeenschap’. ‘In deze samenhang was het ambt van bisschop een centrum van eenheid binnen de hele gemeenschap’ (III, 20). In het drievoudig patroon blijkt de bisschop toch primus inter pares te zijn om vervolgens de episkopè-functie naar zich toe te trekken (III, 21). Het rapport gaat een stap verder door nadruk te leggen op de persoonlijke, collegiale en communale dimensies van het ambt, die alle drie aanwezig behoren te zijn (III, 26). De vraag is, of zo niet de typisch gereformeerde ouderling geruisloos verdwijnt. En of de protestantse predikant niet erg in de richting van de bisschop of nog meer van de presbyter (III, 30) wordt geïnterpreteerd als ‘pastorale bedienaars van het woord en de sacramenten in een plaatselijke eucharistische gemeenschap’. De diakenen worden weliswaar binnengehaald in de ambtsstructuur van de kerk, maar ze krijgen — naar reformatorisch besef — toch een ondergeschikte functie (III, 31). Bovendien worden de kerken van de reformatie langzaam maar zeker in de erkenning gedreven van het episcopale ambt. Er wordt zelfs gesuggereerd dat de kerken, die de episcopale traditie niet kennen, te kennen moeten geven, ‘dat ze bereid zijn om de episcopale successie te aanvaarden als teken van de apostoliciteit van het leven van de gehele kerk’, zonder dat ze hoeven toe te geven dat ‘het ambt, zoals dat in hun eigen traditie wordt uitgeoefend, ongeldig zou zijn’ (III, 38). Reformatorische kerken die bereid zijn om de drievoudigheid van het ambt te erkennen, zoals het rapport dat aangeeft, zijn daarmee echter nog niet eo ipso bereid om de apostolische successie via het ‘ambt’ te laten sporen — ze zullen dat liever via de werking van de Heilige Geest en de geloofsgemeenschap doen. Het beroep op de Schrift is in de reformatie belangrijker dan de apostolische successie van het ambt. Of anders gezegd: ook het ambt wordt altijd gemeten aan de Schrift.

Aan het slot wordt de intentie van het hele stuk duidelijk: ‘De kwestie van de apostolische successie’ is van bijzonder

|487|

belang (VI, 52). Vooral aan de reformatorische kerken wordt gevraagd ‘zich de diepe betekenis voor de continuïteit te realiseren die in de ononderbroken handoplegging door bisschoppen gelegen is en te bedenken dat, ook al ontbreekt het hun niet aan de continuïteit van de apostolische traditie, dit teken deze continuïteit zal versterken en verdiepen. Ze moeten misschien het teken van de episcopale successie opnieuw ontdekken’ (V, 53). Tenslotte staat toch het episcopale kerktype model voor de eenheid. De wijze waarop de ordinatie van vrouwen en bagatelle wordt afgedaan (V, 54) laat dat nog eens onverbloemd zien.

Het Lima-rapport is als een eerste poging van de drie grote tradities om met elkaar in gesprek te komen misschien te waarderen — de overheersende positie van de episcopale kerkopvatting maakt het stuk voor protestantse christenen toch moeilijk te verteren. Maar voor mij zit de vraag eigenlijk nog dieper: ik vraag me af, of de structurele eenheid, de uniformiteit het uitgangspunt voor samenwerking van kerken en christenen moet zijn of dat juist de pluriformiteit van opvattingen en de erkenning daarvan ons verder brengt. De veelzijdigheid en veelkleurigheid van het Nieuwe Testament zou wel eens een teken kunnen zijn dat het in de oecumenische eenheid niet moet gaan om uniformiteit, maar om pluriformiteit. En dan niet alleen om pluriformiteit in kerkbestuur en ambtsopvatting, maar ook om pluriformiteit van geloofsbeleven. Tenslotte moet gezegd worden, dat de wijze waarop in het rapport over de plaats van vrouwen binnen het kerkelijk ambt wordt gesproken, onverteerbaar is. Na veel geharrewar hebben vrijwel alle protestantse kerken nu de vrouw in het ambt volledig geaccepteerd — en dat laten we ons door een nieuwe oecumenische discussie niet meer afnemen!

 

Bezinning op de bronnen

Sinds het verschijnen van het Lima-rapport is er een brede en diepgaande bezinning op gang gekomen over het begin van de kerkstructuur, zoals daarover in de bronnen van het Nieuwe Testament wordt gesproken. Sociologisch onderzoek van en theologische bezinning op het materiaal leidde tot nieuwe resultaten met meer aandacht voor de pluriformiteit van opvattingen binnen het vroege christendom. Kennelijk hoefde veelkleurigheid de eenheid niet uit te sluiten. Om verder te komen in deze vragen richten we onze aandacht nu eerst op de bronnen van het begin van het christendom.

 

Het begin

Jezus heeft geen kerk gesticht. De nieuwtestamentici zijn het er over eens, dat Jezus een beweging in gang gezet heeft, die als een sneeuwbal door de geschiedenis van Europa is gaan rollen. Die beweging had aanvankelijk geen andere institutionele vorm dan die van een inspirerende, bevrijdende en vernieuwende boodschap voor mensen die er door werden aangeraakt. Een beweging die mannen en vrouwen omvatte.7 Jezus heeft ook geen ambten ingesteld. Hij heeft mensen geïnspireerd en uitgezonden. We noemen die mensen: apostelen en dat woord betekent letterlijk niet meer dan: uitgezondenen. Jezus was zelf — naar onze maatstaven — ook geen ambtsdrager, maar eerder een charismaticus: een gedreven mens, in wie mensen een van God gezondene hebben herkend en die ze daarom ‘Zoon van God’ hebben genoemd. De inspirerende boodschap van Jezus aangaande het Koninkrijk van God dat aanstaande is en zijn handelen in volstrekte solidariteit met mensen in nood, dat Hem op het kruis bracht, heeft zo aanstekelijk gewerkt, dat zijn leerlingen er mee de wereld zijn ingetrokken en veel mensen

|488|

hebben gewonnen voor deze nieuwe levenswijze. Ik zou deze eerste tijd de charismatische periode willen noemen. 

 

De tijd van de open organisatie

Langzamerhand kreeg deze op het platteland van Palestina ontstane beweging in de steden van het Romeinse Imperium — mede door toedoen van Paulus — een vastere organisatorische vorm. Maar die vastere organisatievorm is niet in één keer ontstaan. Wayne A. Meeks8 (1983) beschrijft hoe Paulus zich aansloot bij verschillende vormen van organisatie. Of misschien moet men zeggen, dat de eerste christenen de beweging van Jezus, of de boodschap van het Koninkrijk van God ‘opvingen’ in verschillende, ter plekke voor de hand liggende, organisatievormen. In de eerste plaats noemt Meeks particuliere huizen, waarin de eerste groepen van mensen die zich ‘christenen’ waren gaan noemen bijeen kwamen (blz. 75 e.v.): De huisgemeente (hè kat’ oikon ... ekklèsia) was de basic cell van de christelijke beweging, en de kern ervan was dikwijls een bestaand huisgezin. Ze worden genoemd in Hand. 1, 13; 2, 46; 5, 42;  10, 2; 11, 14; 12, 12; 16, 15 en 31; 18, 7 en 20, 8; verder in Rom. 16, 5, 10, 11, 14, 15, Fil. 4, 22 en I Kor. 1, 16, 16, 19. In de tweede plaats organiseerde de eerste christenen zich op andere plaatsen in de vorm van Romeinse collegia (clubs, blz. 79). Het derde model dat Meeks noemt is de synagoge, waarbij Paulus zich dikwijls aansloot voor zijn prediking in een vreemde stad (blz. 80 e.v.). En ten slotte noemt Meeks de organisatievorm van de filosofische of retorische school (blz. 81 e.v.). ‘In feite dekt geen van de vier genoemde modellen het totaal van de Paulinische ekklèsia, hoewel allen significante trekken ervan vertonen. Ten slotte blijft het huisgezin de belangrijkste vorm waarin de meeste zo niet alle lokale Paulinische groepen gestalte kregen’ (blz. 84). 

In dit overzicht gaat het ons vooral om de vraag, hoe er leiding werd gegeven in deze eerste christen-gemeenschappen. Als we Meeks blijven volgen, letten we eerst op het grote conflict binnen de vroege kerk, dat in de nieuwtestamentische wetenschap bekend is geworden onder de aanduiding het apostelconvent en dat beschreven staat in Handelingen 15 en door Paulus wordt geïnterpreteerd in Galaten 2. Het gaat over de brandende vraag, of ook christenen uit de heidenen op joodse wijze besneden moesten worden, of anders gezegd of heiden-christenen eerst jood moesten worden en dus de joodse wetten moesten houden, voor ze christenen konden worden. We begrijpen uit wat we weten over dit conflict, dat de zaak wordt geregeld door een bijeenkomst (een vergadering, convent, synode...) te organiseren en door discussie. Schillebeeckx9 (1985), die in zijn boek over de ambten in de kerk ook uitvoerig ingaat op dit eerste grote conflict in de christelijke kerk, schrijft: ‘Wel valt het op, dat de joodse christenen dit geschil niet voorleggen aan de joodse ‘gerousia’ (het presbyterion) of aan de ‘archontes’ van de joodse synagoge in Antiochië, maar aan de ‘eminente lieden’, mensen van aanzien (hoi dokountes), de pijlers van de christelijke Jerusalemse gemeente’. De beslissing of het decreet werd tenslotte volgens Lucas uitgevaardigd op gezag ‘van de apostelen en de presbyteroi tezamen met geheel de ecclesia’ (Hand. 15, 22). Maar Paulus ziet daarin geenszins een decreet of edict, maar een overeenkomst tussen twee gelijkwaardige partijen, met aan de ene zijde de ‘eminente lieden’: Petrus, Jakobus en Johannes uit Jeruzalem en, aan de andere zijde, Barnabas en Paulus. De overeenkomst, zegt hij, werd bezegeld ‘met de hand der gemeenschap’ (Gal 2, 9). ‘Paulus en Lucas hebben duidelijk uiteenlopende visies op kerkstructuren’ (Schillebeeckx, blz. 58). Meeks zegt ervan: ‘De schrijver van Handelingen gaat uit van een tamelijk complexe organisatie in Jeruzalem: precies

|489|

als bij andere religieuze organisaties komt de hele gemeenschap, geleid door een raad van ouderen (gerousia), bij elkaar voor belangrijke beslissingen samen met de twaalf apostelen, die een soort uitvoerend comité (prytania of decania) vormden. Een dergelijke organisatie, die Paulus overigens niet noemt, kan in feite hebben bestaan, maar het is ook mogelijk dat Handelingen een latere stijl van organisatie schildert, die het op het verleden projecteert. Beide opvattingen komen overeen aangaande de uitgangspunten: de heidense bekeerlingen hoefden niet besneden te worden’ (Meeks, blz. 112). Opvallend in het bericht van Lucas is, dat hij nadrukkelijk de instemming vermeldt van de ‘hele ekklèsia’. Besluiten kunnen voorbereid worden door een ‘uitvoerend comité’, maar ze moeten wel erkend en herkend worden door de hele geloofsgemeenschap.

Daarnaast verwierf Paulus zich een groot persoonlijk gezag, ook al had hij in het conflict rond de besnijdenis een grote nederlaag geleden. ‘De door heel dit gebeuren diep ontgoochelde Paulus verlaat daarom zijn oorspronkelijke Antiocheense moedergemeente, stelt zich enigszins vrij op en richt zijn zendingsactiviteiten voortaan naar Asia Minor en Griekenland. Ook Barnabas gaat zijn eigen weg, los van Paulus’ (Schillebeeckx, blz. 59). Omdat Paulus het opnam voor de christenen uit de heidenen, werd hij hun apostel, die door middel van persoonlijke contacten en brieven grote invloed kreeg. Hij werd zelf min of meer ‘model’ van zijn boodschap en hij noemt in I Tessalonisenzen ook de andere apostelen en groepen van christenen ‘topoi’ of modellen voor andere geloofsgemeenschappen. ‘Formeel juridisch gezag speelde nog geen rol. Jurisdictionele gezagskwesties zijn in al die conflicten nergens te ontwaren (Schillebeeckx, blz. 61). Het gezag van Paulus, maar ook van de andere apostelen is ‘geestelijk’, ‘charismatisch’, dat wil zeggen: op grond van de overtuigingskracht van hun boodschap, die door de geloofsgemeenschap werd herkend en erkend. ‘Autoriteit is een kwaliteit van de gemeenschap en dat heeft de overtuiging tot gevolg dat de correctheid van de communicatie zo nodig moest worden aangetoond’ (Meeks, blz. 12210). Precies zoals Jezus door zijn boodschap mensen had geïnspireerd en tot zijn volgelingen had gemaakt, zo inspireerde Paulus mensen. Hij had gelijk, omdat hij het kreeg. ‘Apostolisch gezag van Paulus is naar deze visie niet los te maken van de apostolische gemeenschap zelf, die door Paulus in het leven is geroepen en zijn gezag in geloof accepteert’ (Schillebeeckx, blz. 63). In elk geval wordt de titel apostel in het Nieuwe Testament gereserveerd voor de Twaalf, inclusief Paulus, de charismatische volgelingen van Jezus die zijn boodschap op (formeel-communicatief) vergelijkbare wijze overdroegen. Hun legitimatie lag in de overtuigingskracht van de zaak zelf èn in de herkenning daarvan door de geloofsgemeenschap. Het apostelschap is daarom geen ambt; eerder een charisma. Het is vergelijkbaar met de roeping van de profeten in het Oude Testament. Apostelen zijn de persoonlijke ambassadeurs van Jezus geweest: gezondenen. Volstrekt eenmalig en onnavolgbaar. Zij hebben de Jezusbeweging in zich opgenomen en voortgezet na Jezus’ dood. In hun werk is Jezus opgestaan in de geschiedenis van de christelijke kerk.

Bij het vertrek van Paulus uit een bepaalde gemeente — hij was immers de apostel die steeds verder trok met zijn boodschap — en vooral na de dood van de apostelen ontstond het probleem van de organisatie van de christelijke geloofsgemeenschappen in de tweede generatie. Hoe kon men de oorspronkelijke inspiratie vasthouden en doorgeven? Paulus had geen formele ambten (formal offices) ingesteld in zijn gemeenten. ‘Dat feit is opvallend als we deze groepen vergelijken met de typische Griekse of Romeinse private verenigingen. Inscripties van dergelijke verenigingen tonen een overdaad aan lofprijzing en

|490|

bejubeling van de officiële ambtsdragers’. Het woord archè, in de zin van ‘ambt’, komt in het Nieuwe Testament niet eens voor. ‘We vinden echter wel, dat de rollen beginnen te differentiëren en dat hun relatieve belang in discussie komt in de periode van onze vroegste informatie’. In I Thessalonicenzen 5, 12 is sprake van broeders, die zich moeite getroosten (kopioontes), leiden (proistamenoi) en vermanen (nouthetountes). Dat lijken meer ‘functies’ binnen een (geloofs)gemeenschap dan officiële ‘ambten’: ‘Deze passage verschaft geen noodzakelijke aanduiding voor een formeel proces om leiders te verkiezen’. ‘Hun gezagspositie komt op uit bijdragen die personen van relatieve welstand en status konden leveren aan de gemeenschap’ (Meeks, blz. 134). Men ziet hetzelfde in de langere lijsten van plaatselijke leiders: I Korinthe 12, 8-10; I Korinthe 12, 28-30; Romeinen 12, 6-8 en Efeziërs 4, 11. In I Korinthe 12, 8-10 worden de ‘functies’ of ‘gaven’ (charismata) genoemd, die er in een gemeente (moeten) zijn. In vers 28-30 gaat het om de ‘functionarissen’: apostelen, profeten en leraren als de eerste drie; vervolgens worden er weer ‘functies’, ‘activiteiten’, ‘gaven’ genoemd. Ook in Romeinen 12 is sprake van charismata, die kennelijk door personen in praktijk werden gebracht. Betekent dat, dat er toen eigenlijk nog maar drie min of meer officiële leidersfiguren waren: de boodschappers van het eerste uur (de apostelen, de Twaalf), en direct in hun omgeving (dat wil zeggen met hen verbonden figuren als Stefanus, Philippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs in Jeruzalem (Hand. 6), Barnabas, Silas, Timotheüs, medewerkers van Paulus etc.): de profeten en leraren?  En dat de andere gaven meer incidenteel door mensen uit de gemeente worden vervuld? Pas in Efeziërs 4 worden er andere ‘functionarissen’ genoemd behalve de apostelen. Dat geeft de indruk dat er nu meer officiële leiders zijn gekomen en dat er enige vordering is gemaakt met het formele leiderschap in de gemeente. Maar kennelijk is er aanvankelijk geen vaste organisatiestructuur geweest. Een gemeente heeft ‘functies’, ‘gaven van leiderschap’, ‘charismata’ nodig om de boodschap vast te houden en door te geven. Dat kon incidenteel door ad hoc leiders. Langzamerhand worden deze charismata echter geformaliseerd in ‘functionarissen’, zoals bijvoorbeeld de synagoge ‘oudsten’ had.

In de huisgemeenten traden de gastheren en gastvrouwen bijna vanzelfsprekend als leiders op. We horen van het huis van Stephanas (I Kor. 1, 16 en 16, 15v.); van Aquila en Prisca, Titius Justus (Hand. 18, 7). Crispus (18, 8 vgl. I Kor. 1, 14), Gaius (Rom. 16, 23). De enige titels die Paulus gebruikt voor de leiders van deze huisgemeenten zijn: episkopos en diakonos (Meeks, blz. 79). Opvallend is daarbij dat er veel vrouwen zijn geweest, naar wie die huisgemeenten worden genoemd.11 Lucas noemt Maria in Hand. 12, 12 en Lydia in Hand. 16, 14-40. Verder noemt hij verschillende keren Prisca, waarbij het opvalt dat haar naam drie maal voor die van haar echtgenoot wordt genoemd (Hand. 18, 18 en 26, vgl. Rom. 16, 3). In Col. 4, 15 is het Nymfa in wier huis de gemeente samenkomt. Kennelijk konden vrouwen in de eerste gemeente heel goed als gastvrouw of leidster van een huisgemeente optreden! En Phoebe wordt zelfs diakonos genoemd in (Rom. 16, 1). We kunnen in elk geval over deze eerste periode spreken als een tijd van een open organisatie, waarin verschillende vormen van leiderschap naast elkaar bestonden. En waarin er ook duidelijk plaats was voor vrouwen in leidende rollen.

 

Een vastere vorm van organisatie

In de pastorale brieven treffen we een andere situatie aan. Daar zullen ook nog wel huisgemeenten geweest zijn, maar nu wordt de gemeente in haar geheel

|491|

metaforisch ‘huis van God’ (I Tim. 3, 15) genoemd. Kennelijk werd de leiding nu betaald (I Tim. 5, 18) en kon men dingen naar een ambt (I Tim. 3, 1). ‘In I Tim. 3, 2-13 en Tit. 5, 6-9 vernemen we dat in de gemeente slechts diegenen in aanmerking kwamen voor leidinggevende posities, die zelf in hun eigen huis goede orde wisten te bewaren. In concreto waren dat dus de welgestelde ‘huis-eigenaren’, die pasten in het aristocratisch burgerlijke ideaal van de goede beheerder van het huis’.12 Zie ook Titus 1, 6 en vs. 7. Het charisma is nu niet meer de gave die in het meervoud aan ieder gegeven is, maar de gave die bij handoplegging (II Tim. 1, 6) wordt geschonken (Nauta, blz. 24). Paulus wordt gezien als de didaskalos en zijn vertegenwoordigers in de gemeente zijn episkopoi en presbyteroi. Er is ook sprake van een presbytèrion, een college van oudsten, dat Timotheüs de handen heeft opgelegd (I Tim. 4, 14). Kennelijk is er nog geen uitgekristalliseerde ambtsstructuur, al begint er wel enige tekening te komen in de leiding van de gemeente. ‘Vooral de macht van de ‘patroni’, beschermheren en -vrouwen, wordt geleidelijk geneutraliseerd en het algemeen verspreide (...) verschijnsel van de christelijke profeten wordt geleidelijk weggedrukt. De presbyter-episkopos en presbyters eigenen zich nu dit profetisch gezag toe’.13 Vrouwen worden naar de achtergrond verwezen — ze mogen in elk geval niet leren in de gemeente (I Tim. 2, 12). Haar rol ligt vooral in het gezin (Tit. 2, 4-5; vgl. Nauta, blz. 25).

 

De episcopale structuur

Bij Ignatius van Antiochië is de episkopos (in het enkelvoud!) de leider geworden van het plaatselijk presbyterium. Hij is bij hem het ‘centrum van alle kerkelijke eenheid’ (Schillebeeckx, blz. 77). Hoewel het voor het Nieuwe Testament kennelijk geen probleem was wie er aan de Tafel mocht voorgaan is het in de Didachè de profeet en later de episkopos, die voorgaat. Het episcopale ambt heeft zich niet ontwikkeld vanuit de eucharistie, maar vanuit de organisatie concludeert Schillebeeckx (a.w., blz. 79 en 123). In het vervolg neemt de kerk steeds meer de hiërarchische structuren over van het Romeinse rijk. In de tijd van Tertullianus (±200) en Cyprianus (±250) krijgt de bisschop een vaste plaats en een theologische fundering: de bisschop treedt op bij de Tafel vice Christi, in Christus’ plaats.

 

Conclusie

In de beginfase van de christelijke kerk zijn er mijns inziens vier fasen te onderscheiden: de charismatische periode, die Jezus zelf in gang heeft gezet en die volstrekt uniek en daarom voor ons onherhaalbaar is; de tijd van de open organisatie, waarbij de structuur van de gemeente zich aanpaste aan de bestaande organisatievormen zonder al te groot gewicht te leggen op de formele structuur; de tijd van de vastere organisatie, die nodig was om de beweging te consolideren en tenslotte de episcopale periode

De kerken met een episcopale structuur zien in deze ontwikkeling een vooruitgang van vage en open zoekvormen naar eenheid van organisatie, leer, geloof en identiteit. Ze zien de bisschop dan ook in de eerste plaats als de representant van de eenheid. In de tijd van de reformatie greep men terug op de tijd van de meer open organisatie en legde men de nadruk op de bredere collegialiteit van presbyters, zoals we die vinden in de paulinische tijd. Maar ook voor hen stond de eenheid van geloof en geloofsbelijdenis voorop. De kerk staat niet in de apostolische successie door de legitimiteit van de ordinatie van de ambtsdragers, ook al wordt die collegiaal geïnterpreteerd, maar vooral door te gehoorzamen aan de boodschap van het Evangelie. De congregationalistische kerkopvatting

|492|

legt de nadruk op de gemeente als geloofsgemeenschap, die als zodanig in continuïteit staat met de bronnen van het Evangelie, waarbij de legitimatie van de ambtsdragers van een secundaire orde is.

Het is de vraag, of in onze tijd de eenheid zo sterk moet worden benadrukt als in het verleden is gebeurd en door de Lima-verklaring wordt aanbevolen. Waarom moeten we — met Lausanne 1927 — teruggrijpen op de 2e en 3e eeuw van de christelijke geschiedenis, toen de episcopale vorm zich sterk begon door te zetten? De eenheid van de open organisatievorm van het begin is ook zeer aantrekkelijk, omdat zij een zeer functionele eenheid was, die verscheidenheid van geloofsopvatting en verscheidenheid van organisatievormen in zich borg. Oecumene is daar niet uniformiteit, maar veeleer collegialiteit: wederzijdse erkenning, samenwerking en verantwoordelijkheid voor elkaar. Tegelijk ook een voortdurend zoeken naar de identiteit, authenticiteit en relevantie van de christelijke boodschap en de christelijke geloofsgemeenschap. De uniformering van het Romeinse Imperium was een van de belangrijke oorzaken van het feit dat ook de kerk een uniforme en hiërarchische gestalte aannam. Maar die vorm van uniformering is in onze wereld niet (meer) aan de orde. Omdat onze maatschappij steeds pluriformer wordt zou er bij ons een omgekeerde beweging van oecumene op gang gebracht dienen te worden: niet een organisatorische eenheid, maar een organisatorische en ambtelijke pluriformiteit, die meer uit is op onderlinge collegialiteit en verantwoordelijkheid dan op uniformiteit. En dan zou de open organisatievorm van het vroege christendom uit de tijd van Paulus wel eens veel behulpzamer kunnen zijn dan het pleidooi voor een algemene erkenning van het bisschopsambt, zoals de Lima-teksten die verwoorden. Daarbij gaat het niet om een vrijblijvende en relativistische pluriformiteit, maar om een worsteling om de eigen identiteit en relevantie van de christelijke inspiratie (terug) te vinden en te verwoorden en te belichamen voor mensen van onze tijd.

 

Noten

1 Bij Ignatius (gestorven omstreeks 115) is de bisschop de vertegenwoordiger van de eenheid van de plaatselijke kerk. Cyprianus (± 250) ziet de bisschop als de legitimatie van de ware kerk. Hij alleen bezit de volle potestas magisterii, de potestas ordinis en de potestas jurisdictionis. Daarom geldt Cyprianus wel als de vader van het episcopalisme. H.B. Weijland (z.j.), ‘De ontwikkeling van de oud-christelijke kerkinrichting en de versterking van de episcopale structuren’, in: W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kok, Kampen. blz. 77. Voor verdere literatuur zie: Hans Fr. von Campenhausen (1953), Kirchliches Amt und geistliche Vollmacht in den ersten drei Jahrhunderten, Tübingen; en H. Dombois (1974), Das Recht der Gnade: Oecumenisches Kirchenrecht, Grundlage und Grundfragen der Kirchenverfassung in ihrer Geschichte, Bielefeld; en E. Schillebeeckx (1985), Pleidooi voor mensen in de kerk: christelijke identiteit en ambten in de kerk, Baarn. Voor de katholieke visie: Lexikon für Theologie und Kirche (1957), s.v. Amt (Bd. I, 451-460); A. Rohrbasser (Hrsg.) (1962), Sacerdotis imago. Päpstliche Dokumente über das Priestertum von Pius X bis Johannes XXIII, Fribourg; H. Döring, Grundriß der Ekklesiologie (1969), Darmstadt; De geloofsbelijdenis van de kerk (1986), blz. 377-382.
2 Zie W. van ’t Spijker (z.j.), ‘De opvattingen van de reformatoren’, in: W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding in de studie van het kerkrecht, Kok, Kampen blz. 86-103; W. van ’t Spijker (19872), De ambten bij Martin Bucer, Kampen; en W. van ’t Spijker (1972), Goddelijk recht en kerkelijke orde bij Martin Bucer, Kok, Kampen. Verder Th. L. Haitjema (1951), Nederlands Hervormd kerkrecht, Callenbach, Nijkerk; en P. van den Heuvel (1991), De Hervormde Kerkorde, Boekencentrum, Zoetermeer.
3 Zie D. Deddens (z.j.), ‘Het congregationalisme’. In: W. van ’t Spijker & L.C. van Drimmelen (red.), Inleiding tot de studie van het kerkrecht, Kok, Kampen, blz. 106-109; G.D.J. Dingemans (1987), Een huis om in te wonen, Boekencentrum, ’s Gravenhage, blz. 185-195; H. Shelton Smith e.a. (1960), American christianity, Vol. I, Ch. Scribner’s Sons. Voor de bronnen:

|493|

W. Walker (1983), The creeds and platforms of congregationalism, New York.
4 In Nederland is het rapport uitgegeven onder de titel: Doop, eucharistie en ambt. Verklaringen van de Commissie voor Geloof en Kerkorde van de Wereldraad van Kerken, Archief van de Kerken 1982, nummer 20, De Horstink, Amersfoort.
5 Het rapport verstaat onder ambt of dienst (ministry) de taken waartoe het hele volk van God is geroepen. ‘De term kerkelijk ambt (ordained ministry) heeft betrekking op mensen die een charisma hebben ontvangen en die de kerk door ordinatie voor hun taak aanstelt onder aanroeping van de Geest en handoplegging’ (II, 7).
6 Zie voor de organisatievormen in het vroege christendom: W.A. Meeks (1983), The first urban christians, New Haven/London; A.J. Malherbe (1983), Social aspects of early christianity, Philadelphia; A.J. Malherbe (1987), Paul and the Thessalonians, Philadelphia; G. Theissen (1983), Studien zur Soziologie des Urchristentums, Tübingen; R. Banks (1980), Paul’s idea of community, Exeter; H.J. Klauck (1981), Hausgemeinde und Hauskirchen im frühen Christentum, Stuttgart; E. Käsemann (1960), ‘Amt und Gemeinde im Neuen Testament’, in: Exegetische Versuche und Besinnungen I, blz. 109-134, Göttingen; E. Schillebeeckx (1985), Pleidooi voor mensen in de kerk, Nelissen, Baarn, hoofdstuk II; E. Schüssler Fiorenza (1987), Ter herinnering aan haar: een feministische theologische reconstructie van de oorsprongen van het christendom, Hilversum; en J. Nauta (1989), ‘Flexibele gemeentevormen in de eerste eeuw’, in: De kerk verbouwen, Dingemans’ ecclesiologie critisch bekeken, Callenbach, Nijkerk.
7 Zie: E. Schüssler Fiorenza, a.w., blz. 136 e.v.
8 W.A. Meeks (1983), The first urban christians: the social world of the apostle Paul. Yale University Press, New Haven and London.
9 E. Schillebeeckx (1985), Pleidooi voor mensen in de kerk: christelijke identiteit en ambten in de kerk, Nelissen, Baarn.
10 Vgl. J.H. Schütz (1975), Paul and the anatomy of apostolic authority. Society for NT Studies Monograph Series, 26, Cambridge, blz. 9-14.
11 Zie: E. Schüssler Fiorenza, a.w., blz. 173-246.
12 J. Nauta (1989), ‘Flexibele gemeentevormen in de eerste eeuw’. In: Leidse Lezingen, De kerk verbouwen: Dingemans’ ecclesiologie critisch bekeken, Callenbach, Nijkerk, blz. 23.
13 E. Schillebeeckx (1985), a.w., Baarn, blz. 73.