Kuyper, A. (1883) § 30

§ 30. Van de oefening der kerkelijke tucht.

De toediening der genademiddelen moet heilig gehouden en de gemeente Gods met geestelijke politie geregeerd. Tot dit tweeërlei doel strekt de oefening der Christelijke tucht, die aan het ambtelijk gezag gebonden is. Deze tucht wordt daarom geoefend 1º. door elk en een ieder geloovige in den weg van vermaan, zoo hij den broeder ziet afdolen; 2º. door elk en een ieder geloovige in de lagere trappen, bij persoonlijke beleediging; 3º. door alle geloovigen saâm bij het bannen of weder opnemen van wie zich misdroeg, door in te stemmen met de beslissing van den kerkeraad, of zich tegen die beslissing te verzetten, en voorts 4º. en ten principaalste door den kerkeraad over de gemeenteleden en door de classes over dolende kerken.

Deze tucht is niet een broedelijk vermaan der liefde, maar een zedelijk strafrecht dat met gezag namens koning Jezus wordt uitgeoefend. Dit strafrecht richt niet den staat des harten noch de bedoeling. De intimis non iudicat ecclesia 1). Het is evenmin inquisitoriaal en zoekt dus niet de overtreding op, die binnenshuis geschiedt. Maar ze is uitsluitend gericht op publieke overtreding, d.i. die óf publiek begaan is, óf, in het verborgene begaan, bekend wierd. Deze tucht gaat over belijdenis en wandel, en dat zonder aanzien des persoons, zoowel over Dienaren des Woords en overheidspersonen, als over den vergeten burger.


1) De kerk onthoudt zich van oordeel over de verborgene dingen.

|75|

Zij volgt een geregelde procedure, die behoorlijken waarborg behoort op te leveren tegen veroordeeling van onschuldigen; schrijdt langs vaste trappen voort tot eindelijke afsnijding van de gemeente; maar keert steeds op haar schreden terug, zoodra er boetvaardigheid blijkt, en dat wel zonder zweem zelfs van eerloosheid op den boetvaardige te laten rusten.

Ze stuit de werking der genademiddelen, overmits de genademiddelen alleen voor de geloovigen zijn, en door toepassing van tucht de vraag of iemand een geloovige is, onzeker wierd en kerkelijk in twijfel is getrokken. Wel kan iemand die onder tucht staat daarom met het Woord bewerkt worden, maar het Woord komt dan tot hem evenals het tot anderen komt die buiten staan, t.w. om hem te veroordeelen en tot bekeering te manen, niet om hem te troosten met zijne beloften. En in strenger zin nog wordt het sacrament gestuit, overmits de kerk niet langer de beloften niag bezegelen aan iemand wiens geloof kerkrechtelijk in twijfel is getrokken. Bij den H. Doop is dit alleen daarom niet toepasselijk, overmits een pasgeboren wicht niet dolen of overtreden kan, en het denkbeeld, om het kind te straffen voor de overtreding der ouders, wel van Gods zij kan geschieden en geschiedt, maar een strafoefening is, waartoe de kerk geen macht bezit.

Van de tucht in het huisgezin behoort hier niet gehandeld te worden, daar de vaderlijke macht een burgerlijk en geen kerkelijk karakter draagt.