Kuyper, A. (1883)

Tractaat van de Reformatie der Kerken, aan de zonen der reformatie hier te lande op Luther’s vierde Eeuwfeest aangeboden
Amsterdam
Höveker & Zoon
1883

Kuyper, A. (1883) Tt

|v|

Tractaat

van de

Reformatie der Kerken,

aan

de zonen der reformatie hier te lande

op Luther’s vierde Eeuwfeest

aangeboden

door

Dr. A. Kuyper

 

Amsterdam/

Höveker & Zoon

1883.

|vi||vii|

 

 

 

Aan

Jonkheer Meester P.J. Elout van Soeterwoude

den langst ons gegunde van het edel drietal

dat

uit ’s lands raadzaal vorst en volk

in kerk en staat

terugriep

naar het Woord des Heeren,

|viii|

wordt

DIT TRACTAAT OVER DE REFORMATIE DER KERKEN

aan den avond zijns levens

met dankbare hulde

opgedragen

door

den Schrijver.

Kuyper, A. (1883) Vr

|ix|

 

VOORREDE

 

|x||xi|

 

Herinneringsdagen werden steeds onder alle volken, door alle eeuwen, in alle kringen van het menschelijk leven heilig geacht!

Niet zelden brachten ze dan ook een zegen.

Vooral machtige geloofsgebeurtenissen uit het verleden, wier nawerking tot stilstand was gekomen, worden door zulke herinneringsdagen weer in boeiende trekken voor onzen geest geplaatst; en het hart des menschen en der volkeren, langs den weg der herinnering weêr in zulk een geloofsgebeurtenis inlevende, gevoelt schaamte over zich komen, bij het zelfverwijt van geestelijke ontaarding; grijpt nieuwen levensmoed bij het aanschouwen van wat geloofsveerkracht eens vermocht; en geeft met warmer geestdrift, dan in lange tijden, weer lof en prijs en eere aan Hem, die deze geloofskrachten eens in menschen werken wilde, en nog dezelfde trouwe God blijft, om ze te werken ook in ons.

|xii|

Terecht maakten daarom de Duitsch-Protestantsche volkeren zich dezen herfst op, om op den tienden van Slachtmaand Luther’s vierde eeuwgetij in alle landen der Christenheid te vieren.

Negentienhonderd en zeventien zal, voor wie het beleven mag, op den 31sten October nóg plechtiger herinneringsdag zijn; maar toch ook Luther’s geboorte is zulk een herinnering overwaard.

Want wel trad eerst bij Wittenberg’s slotkapel de daad der reformatie naar buiten, maar wie met ons belijdt, dat de Heere onze God de instrumenten voor zijn kerk reeds in moeders schoot bereidt, weet dat reeds met Luther’s geboorte ons in het stille Eisleben de man geschonken was, door wiens geloofsmoed het licht weer op den kandelaar zou worden gezet, en die voor alle „ongetroosten en door onweder voortgedrevenen,” weêr den weg zou ontsluiten tot vrede met God.

Ook wij, Gereformeerden, Gereformeerden ook in deze landen, stemmen met dien juichtoon onzer Duitsche broederen in.

Want Luther is volstrekt niet alleen de geloofsheld der Luthersche kerken, maar evenzeer de man ónzer sympathiën, de vertrouweling ook van óns hart, aan wiens woord en werk alle kerken der hervorming, en zoo ook de Gereformeerde kerken van Westelijk Europa, niet slechts veel, maar wat meer zegt, de bezielende hoofdgedachte voor heur reformeering hebben dank te weten.

In Luthersche landen moge men zich de hervorming voltooid kunnen denken zonder Calvijn, nooit daarentegen is het onder Gereformeerden

|xiii|

opgekomen, om zich Calvijn te denken zonder de breede schouders van Luther, waarop zijn slanke gestalte rust.

Calvijn heeft nóg fijner, nóg keuriger, nóg zuiverder het beeld der kerke Christi voor ons afgewerkt, dan de held van Wittenberg, maar Luther was het die het graniet er voor uit de rots te voorschijn haalde en in machtige trekken de gestalte er voor in beeld bracht.

Ook in deze landen is de eerste stoot tot reformatie niet van Calvijn, die eerst later bloeide, maar wel terdege van Luther uitgegaan. En al bleek het ook spoedig, dat de Duitsch-luthersche reformatie hier minder vasten wortel kon schieten; terwijl omgekeerd de Geneefsch-Calvinistische hier terstond orde in den chaös schiep, toch is daarom nooit door onze echte Gereformeerden vergeten, dat Luthers optreden het werpen van de lont in het kruit is geweest, en dat Calvijn slechts in de tweede plaats en na hem kwam, om wat hij begon, te voleinden.

Hoe streng de Gereformeerden dan ook op de zuiverheid van het kenmerkende in hun leer en op het eigenaardige van hun kerkinrichting stonden, nooit hebben ze daarom de banden vergeten, die hen aan Luther en zijn volgelingen verbonden. Luther is steeds door de Gereformeerden gelezen, hoezeer men in Luthersche landen Calvijn ook vergat. In Luthersche landen heeft men Calvijn gesmaad, maar Luther is in Calvinistische landen nooit anders dan met eere genoemd geworden. Van Duitsch-Luthersche zijde heeft men ons de broederhand vaak geweigerd, maar van Gereformeerde zijde is de broederband met de Luthersche kerken in

|xiv|

Duitschland steeds warm begeerd. En hoe men dan ook van Luthersche zijde boogt op zijn mildheid en ruimheid van begrippen en zich aan onze Calvinistische bekrompenheid zegt te ergeren, toch blijft het een onwraakbaar getuigenis der historie, dat in de wederzijdsche verhouding het koesteren van broederzin steeds meer van de Calvinisten uitging, en het uitstooten (lees slechts von Villmar’s opstellen nog in onze dagen) voor het meerendeel ten laste komt van de theologische Luthersche school.

Wel gingen onze Gereformeerden nooit zóó ver als thans vele „Vermittelungstheologen” ten onzent gaan, om met geestdrift in Luther den vriend van hun hart te begroeten, terwijl ze met deftigen groet langs het, naar ze meenen, marmerkoude beeld van Calvijn voorbijschrijden. Dit konden ze niet doen, omdat wie beter dronk, niet tot minder teug terug kan keeren, en elk goed Gereformeerde niet aarzelt te getuigen, dat Calvijn de Reformatie der kerken verder bracht dan Luther ze gedragen had.

Maar ook al heeft en houdt Calvijn hun dankbaarste hulde, toch blijven ze Maarten Luther eeren als den man van God besteld, om den ban te breken waaronder zijn kerk gebonden lag. Te vieren als den godgeleerde, die in de eerste frischheid zijner jeugd even beslist Calvinist was als ooit Calvijn zelf. En hem dankbaar te gedenken als den stichter van tal van Protestantsche zusterkerken, die, zij het ook minder zuiver gereformeerd, dan toch, als echte kerken Christi, het Woord Gods uitdroegen, en met ongeveinsden broederzin als „leden van het mystieke lichaam onzes Heeren” door een ieder in onzen kring worden erkend.

|xv|

Zij het daarom ook aan een gereformeerde uit onze dagen vergund van deze dankbare gezindheid jegens Luther’s persoon en werk bij de herdenking van zijn vierde eeuwgetij eenig openlijk blijk te geven.

Werd mij het voorrecht geschonken, om door een bescheiden deel arbeids de historisch-Calvinistische traditiën hier te lande weer eenigermate, én bij ons volk, én bij onze godgeleerden, én bij onze staatslieden te verlevendigen, niet zelden wekte deze scherpgeteekende invloed bij anderen het vermoeden, alsof bekrompen naijver op niet-Calvinistische broederen met deze liefde voor het gereformeerde beginsel gelijken tred hield.

Niet zelden werd het mij zelfs nagefluisterd, alsof niets dan Calvijn in mijn oog en het oog mijner geestverwanten dankbre hulde waardig scheen.

Welnu, opdat blijken moge, hoe ónjuist deze voorstelling is, en hoe men ten onrechte nu weder aan de gereformeerden dezer dagen zoo kleingeestige enghartigkeid nageeft, kwam het mij gewenscht voor, dat Luther’s vierde eeuwgetij niet voorbij mocht gaan, zonder dat ook van gereformeerde zijde een openlijk blijk van ongeveinsde hulde aan de nagedachtenis van den grooten Hervormer geboden wierd!

En scheen het dan onder alle volken en in alle kringen de nagedachtenis van groote mannen steeds het waardigst, dat men de herinnering verlevendigde aan datgeen wat in hun leven en optreden op den voorgrond had gestaan, zoodat men schilders vereerde door over de kunst van hun penseel, dichters door over hun zang, regeerende

|xvi|

vorsten door over de kunst van regeeren te schrijven, — waarom zou het mij dan euvel worden geduid, indien ik de nagedachtenis van den grooten Reformator poog te eeren, door een tractaat te schrijven van de reformatie dierzelfde kerken, wier reformatorisch leven in Luther’s kloek bestaan zijn oorsprong vond.

Luther is óók de nationale held onzer Duitsche naburen geweest; óók de strijder voor vrijheid van denkbeelden en geweten; óók de godgeleerde met subjectieve strekking in zijn godgeleerdheid; maar boven en voor alle dingen staat Luther in de historie te boek als de Reformator van de Kerken onzes Heeren Jesu Christi.

Al ontzeg ik daarom aan de Duitsche natie het recht niet, om Luther als een harer groote zonen te eeren; en al betwist ik aan de vrijdenkers het recht niet, om Luther te danken, die hen voor boeien heeft gevrijwaard; ja, al gun ik aan onze „Vermittlungstheologen,” zonder boos oog, het genot om aan Luther’s subjectieve zijde met hun theologische voorkeur aan te leunen; toch beweer ik, dat Luther’s volle nagedachtenis alleen door hém [niet] verloochend wordt, die óók den reformatorischen trek in zijn beeldtenis aandurft, en zijn breken met het toenmalig kerkverband niet vergeet.

Een Duitscher kan in Luther’s nagedachtenis zich verheugen, ook al is hij Jood of Roomsch. Een vrijdenker kan Luther eeren, ook al loochent hij al de heilige waarheid, waarvoor Luther streed en worstelde. En ook een legitimistisch bestrijder van elke breuke met het kerkverband

|xvii|

kan zich in Luther als theoloog verblijden. Maar den echten Luther, Luther ten voeten toe uit, d.i. den Luther die als Reformateur optrad, hem eeren deze mannen niet.

Eer omgekeerd zou ik willen staande houden, dat wie thans Duitschlands wedergeboorte zonder den Christus; of ook vrijheid van geweten zonder gebondenheid aan het Woord; of ook genezing der kerk zonder het breken met menschelijke ordonnantiën bepleit, aan Luthers geest ontrouw wordt, en meer zijn moedig optreden verloochent, dan het hem heilige beginsel eert.

Luthers naam moet ook op zijn vierde eeuwgetij als een getuige Gods in ons midden uitgaan.

Een getuige Gods voor alle benauwden van ziel, om toch kun volkomen vrede niet anders, dan in den Christus Gods als hun Borg en Middelaar te zoeken.

Een getuige voor den twijfelzuchtige, om met een „Das Wort sollen sie stehen lassen,” als dwaling alle meening te bestrijden, die ook maar iets op de volstrekte onfeilbaarheid van Gods heilig Woord, in zedelijken of in geschiedkundigen zin, afdingt.

Een getuige voor wie zijn vaderland liefheeft, om nooit zijn politiek van zijn geloof te scheiden, maar steeds uit den Christus ook voor zijn vaderland en volk herleving te zoeken.

Maar dan ook een getuige voor wie de kerken Gods met de liefde van zijn hart bemint, om, kankerde het kwaad nog dieper in, desnoods

|xviii|

zelfs voor geen breuke met zijn kerkverband terug te deinzen, en niet te rusten eer ons Zion weer herleeft.

Dit althans dunkt mij voor tegenspraak onder deskundigen kwalijk vatbaar: Alle man, die roept „Te breken met ons kerkverband ware revolutie!”, die heeft het recht verbeurd, om als echte zoon der reformatie meê te jubelen op het feest van dien held des Heeren, die juist door breuke met het kerkverband van zijn dagen de held onzer liefde en de stichter onzer kerken wierd.

Amsterdam, 1 October 1883.

Kuyper.

Kuyper, A. (1883) Inl

|xxi|

 

Inleiding.

 

Ter inleiding van het hier volgend tractaat slechts een kort woord.

Juist doordien reformatie der kerken ook thans weer aan de orde is, heeft Luthers vierde eeuwfeest een te ernstiger beteekenis.

Ook in Luthers dagen stak men niet onbedacht de hand uit tot slooping van wat onherstelbaar vermolmd was. Aan Luthers optreden was een langdurige en ernstige bestudeering van het kerkrecht voorafgegaan, en in tal van geschriften was de zaak van de reformatie der kerken destijds vooraf bepleit.

Zonder zulk een voorbereiding zou door Luthers optreden slechts een chaös zijn ontstaan. Nu schikt zich na de breuke, die hij in het leven riep, schier alles van zelf, en metterdaad bewonderingswaard is het, hoe in die dagen der reformatie de meest juiste begrippen over kerk en kerkrecht en kerkbestuur bij predikanten, ouderlingen en gemeenteleden ontwikkeld waren.

Zóóver zijn wij thans, helaas, nog niet.

Wel is de reformatie onzer kerken aan de orde gesteld, maar de meeningen er over loopen nog te ver uiteen. Er ontbreekt nog een communis opinio. De weg, dien het op moet, is in veler voorstelling nog zwevend.

Dit leidt tot onaangename wrijving, en een deeling in groepen die daarom onzuiver is, omdat velen alleen op den klank af meêdrijven, en men aldus wat sâamhoort vaak scheidt.

Toch mag het gewichtige werk der reformatie van onze kerken daaronder niet lijden.

Of God de Heere het oordeel waaronder onze kerken thans nog gebukt liggen, nog zal willen verlengen, staat in Zijn vrijmacht. Maar niets ontslaat ons van den plicht der gehoorzaamheid, om in den weg der middelen genezing van de breuke Zijner kerken te zoeken.

De ellende die door zoo jammerlijken kerkstaat over ons land en over de zielen kwam, en nog steeds dreigender komt, is te groot.

De sleutel der kennisse raakt te loor. Op alle wind der leering drijven de onvaste geesten mede. Het huis onzes Gods werd tot een aanfluiting. En de teederder eerbaarheid en godzaligheid begint reeds in onze beste landskringen gevaar te loopen.

|xxii|

Uit dien hoofde schijnt het mij raadzaam, dat die mannen in ons midden, aan wie God de Heere gelegenheid tot indenken en bestudeering van dit gewichtig vraagstuk geschonken heeft, hun denkbeelden over de Reformatie der Kerk in geregelde orde te boek mogen stellen.

Losse weekbladartikelen behandelen het vraagstuk altoos stuksgewijs, en ook in mondeling debat komt men zonder voorbereiding niet verder.

Eerst als een iegelijk die meent een gebaanden weg te kunnen aanwijzen, zijn denkbeelden in orde en in samenhang heeft te boek gesteld, kan er een geregelde bespreking der kwestie aanvangen, en wordt de mogelijkheid tot een handelen met helder bewustzijn geboren.

En het is daarom, dat ik mijn vrije uren dit jaar heb uitgewoekerd, om, waar ik anderen vermaan, zelf niet achter te blijven, en te beginnen met zelf mijn denkbeelden, zoo goed, zoo kwaad ze dan zijn mogen, aan het oordeel mijner broederen te onderwerpen.

Ik poogde dezen arbeid zóó in te richten, dat men door het helder water tot op den bodem kon doorzien.

Om dat doel te bereiken, heb ik mij niet bepaald tot de bespreking van de Reformatie (hervorming) maar aan het hoofdstuk over de Reformatie een ander over de Deformatie (misvorming) der kerk laten voorafgaan. Opdat duidelijk zou zijn wat ik door „deformatie” verstond, liet ik aan dit hoofdstuk weer een ander over de Formatie (vorming) der kerken voorafgaan. En overmits over de „Formatie” der kerken geen eenstemmigheid is te verkrijgen, tenzij men vooraf de algemeene beginselen, die het kerkelijk wezen beheerschen, duidelijk hebbe uiteengezet, meende ik ook deze beginselen in een afzonderlijk hoofdstuk te moeten bespreken.

De indeeling in paragrafen is er op aangelegd, om het naslaan van een of ander onderwerp te vergemakkelijken.

Want, ook al biedt dit tractaat nog slechts het flauwe schaduwbeeld van wat een „handboek voor gereformeerd kerkrecht” behoort te zijn, toch voorzag ik de mogelijkheid, dat men dit tractaat ook in die richting dienst van noodhulp zou laten doen, tot tijd en wijlen een onzer hoogleeraren in het kerkrecht ons dat onmisbare handboek schenke.

En hiermeê zij deze arbeid aan de goede gunste onzes Gods, aan de liefde der broederen en het welwillende oordeel van deskundigen aanbevolen!

Mijn loon zal overvloedig wezen, indien blijken mag, dat dit tractaat meê iets bijdroeg tot reformatie van die vaderlandsche kerken, die al de liefde hebben van mijn hart!

Amsterdam, 1 October 1883.

Kuyper.

Kuyper, A. (1883) § 1

|1|

 

Tractaat

van de

Reformatie der Kerken.

 

 

Hoofdstuk I.

Algemeene beginselen.

 

§ 1. Wat Reformatie der kerken onderstelt.

Reformatie der kerken onderstelt ten eerste, dat de kerken Christi zekere forme, gedaante of gestalte hebben, die haar als kerken eigen is; onderstelt ten tweede, dat deze forme, gedaante of gestalte onzuiver kan worden door deformatie of misvorming; en stelt ten derde den eisch, dat deze gedeformeerde, vervormde of misvormde kerken door reformeering of hervorming terug zijn te brengen tot de oorspronkelijke forme, de goede gedaante of normale gestalte, die uit haar wezen voortvloeit en door haar karakter wordt bepaald.

Kuyper, A. (1883) § 2

§ 2. Waaruit de rechte forme der kerken gekend wordt.

De rechte forme, gedaante of gestalte der kerken wordt gekend uit de Heilige Schriftuur. Niet in den vaak onderstelden zin, als bood de Heilige Schrift ons een reglement voor kerkstichting, of ook een kerkorde voor het bestier der kerken, of zelfs ook maar een, in stelsel gebrachte, uiteenzetting van de beginselen, die ten deze leiden moeten. Van dit alles toch biedt de Heilige Schrift ons niets. Weshalve feil gaat een ieder, die òf elk in de Schrift voorkomend voorbeeld aan ons ten regel stelt; òf wel hare op zichzelf staande uitspraken samenrijgt, om aldus door eigen vindingrijkheid te vergoeden, wat hij in de Schrift vruchteloos zocht. Neen, gezag, en volstrekt gezag, oefent de Heilige Schrift in zake de kerk alleen deswege, wijl ze ons op onfeilbare wijze toont, hoe God Drieëenig in deze wereld, die in het booze viel en

|2|

nog ligt, werkingen en krachten inbracht en inbrengt, die naar vaste wet en op bepaalde wijze, zijn kerk deden ontstaan en in stand houden.

De wereld baart geen kerk uit den schoot van haar eigen onder vloek verzonken leven. Eer druischt haar leven lijnrecht tegen het wezen der kerk in; ze duldt de kerk niet en reageert tegen haar, als tegen een macht, die op beperking en intooming van ’s werelds zondigen aard is aangelegd. De wortel der kerk schuilt alzoo niet in de wereld, maar buiten haar, in den raad Gods. In den raad Gods is het eeuwige welbehagen, om in weerwil van zonde, dood en duivel toch ten slotte alle ding op de eere van God Drieëenig te doen uitloopen; is te dien einde het bestel van een Koninkrijk der heerlijkheid, waarvan vast en onwankelbaar de troon eeuwig staan zal; is de zalving van den Middelaar tot Koning in dat Koninkrijk, tot Vorst om op dien troon te zitten; is de verordineering voor dien Koning van een volk, dat, als één lichaam, onder Hem staat en aan Hem als het Hoofd verbonden wierd; en is eindelijk de verkiezing van de enkele personen, die als onderdanen van dien Koning, rechtens leden van dat lichaam zijn.

Door de uitwerking en volvoering van dien raad ontstaat nu in deze wereld de kerk, op eene voor ons onbegrijpelijke wijze. Naar deze wereld gaan namelijk van God uit, woorden, krachten, werkingen, invloeden, zendingen; en de vrucht van deze veelsoortige inwerkingen Gods, is dat de kerk er komt; hoe ook de wereld tegenwoelt, er blijft; en, ondanks de zonde die in haar eigen boezem insluipt, ja soms inkankert tot in haren levenswortel, steeds wast naar den door God voor haar bestelden wasdom.

Deze woorden, krachten, werkingen, invloeden en zendingen, die van God naar de wereld uitgaan, duren van den aanbeginne tot nu toe onafgebroken voort en zullen voortduren zoolang de Bruid den Bruidegom inwacht. Hielden die ook maar één oogenblik op, de kerk zou verdorren, sterven en niet meer zijn. Niemand mag deze woorden of werkingen of zendingen Gods dus bepalen tot den tijd die van Adam in het paradijs tot Johannes op Pathmos verliep. Onbeperkt duren ze veeleer ook van Johannes tot in onze dagen, en zullen ze duren tot Jezus’ wederkomst.

Slechts moet tusschen deze inwerkingen Gods van toen en nu, naar haar uiteenloopenden aard en hare verschillende bedeeling, onderscheiden.

Vooral op tweeërlei onderscheiding dient hier gelet.

Vooreerst, dwingt elk leven tot een tweeledige vraag, t.w.: Hoe ontstaat het leven? en ten andere: Hoe wordt het eens ontstane leven nu voorts gevoed, onderhouden, bestendigd?

|3|

Eerst schept en vormt God een kind in den schoot zijner moeder, en dan wordt het geboren, om nu voortaan, eerst door zijn moeder en dan door zijn eigen hand, gevoed te worden. Het inpersen in de vrucht van het moederbloed vóór de geboorte is geen voeding maar vorming, in aard en werking volstrekt van alle latere, eigenlijke voeding onderscheiden. Het is dezelfde tegenstelling die zoo sterk spreekt in de twee sacramenten: den H. Doop als het sacrament voor het ontstaande leven, en daarom slechts voor eens, en het H. Avondmaal als sacrament van het te voeden leven, en daarom voortdurend herhaald. En zoo nu ook gaat er van God voor en naar zijn kerk tweeërlei werking uit: vooreerst zúlk een werking, waardoor Hij zijn kerk teelt, draagt in het verborgene, en tot haar ware gestalte uitbrengt; en daarna ten tweede een geheel verschillende werking, waardoor Hij de alzoo geborene kerk eerst met melk en daarna met vaste spijze voedt.

En hiermeê vloeit deze eerste onderscheiding vanzelf over in de tweede, waarop we boven doelden.

De kerk is namelijk niet de kerk van een volk, maar van de geheele wereld. Niet één volk maar de menschheid heeft God gehoond. Niet over één volk, maar over de menschheid moet dus de triumf des Heeren gezien worden. En dan eerst zal de raad des Heeren Heeren krachtig zijn gebleken, niet als zekere kring van vromen in den boezem van een enkel volk Hem aanroept, maar eerst dan als Hij uit de gansche wereld zijn kerk bijeenvergaderd heeft, zoodat het Hallelujah opgaat uit alle natiën en in alle tongen. Dit noemt de heilige Apostel telkens en met nadruk het groote mysterie, de groote verborgenheid, „die alle eeuwen is verborgen geweest, maar nu geopenbaard.” 1)

Alhoewel de Heere dus zijn ware, wezenlijke kerk op aarde altoos gehad heeft, van den aanbeginne der wereld tot nu toe, zoo bestaat er uit dien hoofde nochtans een merkbaar onderscheid tusschen de kerk gedurende en na afloop der bijzondere openbaring.

Zoolang namelijk die bijzondere openbaring voortduurt, wordt de kerk nog pas geteeld, gedragen in het verborgene, en blijft ze ingeweven in de windselen van Israëls volksbestaan, en eerst met het Apostolaat, of juister nog, als het apostolaat wegsterft, slaat de ure


1) Rom. 16: 25; Ef. 3: 9; Col. 1: 26; 2 Tim. 1: 19; Ef. 1: 9; Tit. 1: 2; 1 Petr. 1: 20. Het strijdt dus volstrekt niet, wanneer onze Catechismus belijdt dat God zijn kerk vergaderd heeft van den aanbeginne der wereld tot nu toe, en als Jezus in Matth. 16: 18 verklaart dat hij nu pas op dezen petra zijn kerk bouwen zal. Slechts worde ontvangenis en geboorte ook hierbij onderscheiden.

|4|

harer geboorte, komt haar uittreden in het levenslicht, ziet ge haar verschijnen onder de volken en is haar openbaring op het terrein der wereld en der geheele menschheid voltooid. Dat is dus haar wordingsperiode, de geschiedenis van haar ontstaan. En daarna nu komt eerst het geheel andere, nu nog voortdurende tijdperk, het levenomvattend door die kerk te midden der volken, losgemaakt van Israël, als kerk der menschheid doorleefd.

Vatten we nu deze beide onderscheidingen saâm, dan vinden we derhalve: Er is eerst een reeks van werkingen Gods, waardoor de kerk in Israël tot aan haar geboorte voor de wereld wordt gebracht; en er is ten andere een geheel daarvan onderscheiden reeks van werkingen Gods, waardoor de aldus voor de wereld geborene kerk alsnu in die wereld wordt in stand gehouden.

Nu zijn uit den aard der zaak, en hier lette men op, die werkingen Gods uit de wordingsperiode der kerk normatief en verbindend ook voor de tweede periode van haar bestaan. Immers uit den klomp leem kan de pottenbakker nog naar vrije wilskeus een schaal of kan of vaas bereiden, al naar het hem gevalt, maar, is de vorm, b.v. van de schaal, eenmaal gekozen en is die schaalvorm in het leem ingedreven, dan is alle verdere toebereiding ook aan dien eens bepaalden grondvorm gebonden. En zoo ook kon God de Heere aan zijn kerk wel bij haar wording den vorm indrukken, die Hem goeddacht, of liever goedgedacht had in zijn eeuwigen raad. Maar toen die vorm er eenmaal ingedreven, en de aldus geformeerde kerk eenmaal geboren was, toen was God zelf aan die eerste werking dan ook gebonden, en is dus ook voortaan de geheele verdere ontwikkeling van zijn kerk aan het gezag dier oorspronkelijke formatie onderworpen. Dit gezag is geen willekeur, maar drang van ingeschapen levenswet.

Vast staat derhalve, dat de werkingen die nu van God op zijn kerk uitgaan, zich richten naar de werkingen, waarmeê Hij deze kerk eertijds uitbracht tot haar geboorte in de wereld; en dat uit dien hoofde elk persoon die in die aldus geborene kerk belijdend, predikend of handelend optreedt, verbonden is tot gehoorzaamheid aan de levenswet, die God Almachtig zelf in de teling en vorming der kerk aan haar schonk.

En overmits nu de Heilige Schrift niets anders is dan de zuivere en organische uitstalling van alle werkingen, invloeden, woorden, krachten en zendingen, die van God naar de wereld zijn uitgegaan, om zijn kerk tot haar geboorte voor de wereld te brengen, zoo is derhalve de kerk van Christus onder de volken duurzaam, blijvend en onherroepelijk gebonden, aan wat de Heilige Schrift ons

|5|

in de teling, vorming en baring der kerke Gods, als haar onveranderlijken levensvorm en hare levenswet toont.

Kuyper, A. (1883) § 3

§ 3. Op wat vierderlei wijze de kerke Christi te verstaan zij.

Het wezen der kerk moet op grond van dit gezag der Heilige Schrift onderscheidenlijk beschouwd worden onder vierderlei oogpunt. Men kan namelijk bedoelen òf de kerk, gelijk die in Gods raad besloten ligt; òf de kerk, gelijk haar leven verborgen is in Christus; òf de kerk, gelijk ze onder menschen op aarde verwerkelijkt wordt; òf eindelijk de kerk, gelijk ze eens in heerlijkheid jubelen zal voor den Troon.

Verwarring dezer vier verduistert alle helder inzicht.

Niet als waren er vier kerken; want het is dezelfde kerk die in Gods raad verordineerd ligt, die aan Christus door den Vader geschonken is, die op aarde gewrocht wordt, en die eens in heerlijkheid juicht. Maar onderscheiden moet dit vierderlei gezichtspunt, omdat in en voor de kerk, al naar gelang ge haar in Gods raad, in Christus, in de wereld, of in de glorie des hemels aanziet, geheel andere betrekkingen ontstaan, die het antwoord op alle voorkomende vragen wijzigen.

In Gods raad ligt de kerk aller eeuwen, met het volle getal der uitverkorenen, en naar zuiver bestek voltooid, van vóór de grondlegging der wereld af. In dien raad is ze verordineerd, geroepen, gerechtvaardigd en verheerlijkt voor het aangezicht van den Drieënigen God.

Spreek ik daarentegen van de kerk in Christus, dan wordt die plechtige, majestueuse eenheid aanstonds gebroken, want een andere is de verhouding der patriarchen en profeten onder het Oude Verbond tot den Middelaar, en een andere de betrekking tot Christus voor de geloovigen des Nieuwen Testaments. Er was een oogenblik in den tijd dat hij vleesch wierd, een oogenblik dat bij leed en stierf, een oogenblik dat hij opstond, en er was derhalve ook een tijd toen deze wonderen der Barmhartigheid nog niet geschied waren. De vergeving en rechtvaardigmaking die in Gods raad eeuwig zijn, vallen dus bij den Christus in den tijd. Het rantsoen voor de kerk komt pas als hij sterft, gerechtvaardigd wierd de kerk eerst toen hij opstond. En evenzoo nu verschilt ook de betrekking tot den Middelaar voor de kerk die nog op aarde is van de betrekking, waarin de kerk in den hemel tot hem staat. Hier nog bruid, roepende om den Bruidegom, is ze daar reeds in het heilig

|6|

huwelijk ingetreden; een verschil zoo diep ingrijpend dat ze hier de verzoening nog van noode heeft, daar niet meer. Nochtans is door deze onderscheiding de kerk geenszins gedeeld, want zoowel de uitverkorenen van ouds, als die nu leven op aarde, of ook reeds ingingen in zaligheid, ja ook het zaad der kerk, dat nog uit moet komen, het is alles den Zoon van eeuwig geschonken, ze zijn in hem, één lichaam met hun Heer. Toen hij stierf, stierven alle uitverkorenen in den Christus, en, toen hij opstond, stonden alle uitverkorenen met hem op; ja, nu reeds zitten alle uitverkorenen, met Christus medegezet, in den hemel. „Gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God” (Col. 3 : 2). Het heilig, ondoorgrondelijk mysterie!

En geheel anders weer doen zich die betrekkingen voor, indien de kerk voor ons treedt, niet gelijk ze besloten is in Gods raad, of ook verborgen in Christus, maar gelijk ze zich openbaart op aarde hangende deze bedeeling. Dan toch gaat te loor zoowel de eenheid die de kerk in Gods raad heeft als de heiligheid die ze in Christus bezit, en doorloopt de kerk al die verschillende toestanden en heeft ze zich te bewegen in al die onderscheidene betrekkingen, die voortvloeien uit haar aanraking met de wereld, uit haar bezoedeling door de zonde, alsook uit die overgangen en ontwikkelingen, die van elk leven in den tijd nu eenmaal onafscheidelijk zijn.

Terwijl eindelijk, indien gewaagd wordt van de kerk nu reeds in den hemel, al deze aardsche betrekkingen weer wegvallen, om plaats te maken voor nieuwe verhoudingen, weer van geheel anderen aard, voornamelijk beheerscht door het onderscheid in heerlijkheid tusschen de voorloopige glorie waarin de gezaligden thans reeds jubelen, en de volkomener glorie na de opstanding, die tot Jezus’ wederkomst toeft.

Wie over de kerk spreekt, raakt dan ook zelf verward en verwart anderen, indien hij zich niet telkens en bij alle bespreking afvraagt: in welke van deze vier betrekkingen hij de kerk bedoelt.

Van reformatie der kerk handelende, heeft ook dit geschrift zich derhalve die vraag te stellen, en alsdan kan het antwoord wel geen ander zijn, dan dat bij reformatie der kerk, niet de kerk in Gods raad, noch de kerk in Christus, noch ook de kerk in den hemel is gemeend, overmits de kerk in dezen drieërlei zin niet gedeformeerd, en dus ook niet gereformeerd kan worden, maar dat eeniglijk en uitsluitend van de kerke Christi te handelen valt, gelijk ze zich openbaart op aarde.

Kuyper, A. (1883) § 4

|7|

§ 4. Waarom de ééne zelfde kerk op aarde tegelijk onzichtbaar en zichtbaar zij.

Deze kerke Christi op aarde is tegelijk zichtbaar en onzichtbaar. Op ééne en dezelfde wijze als elk mensch deels een waarneembaar, deels een niet waarneembaar wezen is, zonder daarom twee wezens te zijn, zoo heft ook bij de kerke Christi deze onderscheiding tusschen het zichtbare en niet zichtbare de eenheid van het wezen der kerk allerminst op. Het is eene en dezelfde kerk, die naar haar verborgen wezen in het geestelijke schuilt, om zich alleen aan het geestelijk oog te openbaren, maar die tegelijk naar haar uitwendige gedaante in het zichtbare te voorschijn treedt, om openbaar te zijn voor de natuurlijke waarneming, zoo van de geloovigen als van de wereld.

Naar heur geestelijke, onzichtbare zijde is de kerk één op heel de aarde, en heel die kerk op aarde weer één met de kerk die reeds in den hemel is. En evenzoo is de onzichtbare kerk tegelijk heilig, niet alleen wijl ze een kunstig gewrocht Gods is, geheel hangende aan zijn goddelijke invloeden en werkingen, maar ook omdat de geestelijke verontreiniging zoowel als de inwonende zonde der geloovigen, niet tot haar behoort, maar tegen haar strijd voert.

Naar haar waarneembare zijde daarentegen treedt de kerk niet dan stuksgewijze in het licht en is dus altoos plaatselijk, d.i.: in het onbepaalde gedeeld, en de volkskerken ontstaan eerst doordien tusschen deze plaatselijke kerken zulk een onderling verband wordt gelegd, als de aard der kerk en de nationale verhoudingen met noodwendigheid eischen. Nog grootere verbindingen der kerken kunnen nooit anders dan tijdelijk of uitermate los en rekbaar zijn. En zoomin als deze kerken (als zichtbare openbaringen van de onzichtbare kerk) één zijn, zoomin zijn ze heilig; want ze deelen de onvolmaaktheid van alle aardsche leven en worden ontreinigd door de macht der zonde, die tegelijk van binnen en van buiten, den welstand der kerk voortdurend ondermijnt.

Het is alzoo van de kerke Christi op aarde, en wel nader in haar zichtbare verschijning, dat de gebiedende plicht tot reformatie geldt, zoo dikwijls deformatie aanwezig blijkt.

Welbezien is deze plicht tot reformatie dan ook een altoosdurende, overmits de kerk in strengeren zin altoos gedeformeerd is; nooit in zuiveren, gaven vorm is gezien; en steeds onheilige elementen in zich draagt. Toch is reformatie in dit traktaat niet in dien volstrekten zin bedoeld. Er is een afwijking van het geestelijk wezen der kerk,

|8|

die in den aard van haar optreden in de wereld ligt en zonder welke de kerk onder menschen niet openbaar worden kan; en die derhalve, hoezeer afwijkende van het geestelijke ideaal, toch voor zooveel de zichtbare verschijning der kerk aangaat, zelve normaal is en blijft, althans zoolang de heerschappij van het heilige over het onheilige en van de waarheid over de onwaarheid ongekrenkt en gaaf blijft. Deze noodwendige afwijking van het ideaal kan door geen reformatie weggenomen. Wie dat poogt, verliest de kerk en vindt de secte. Te haren opzichte geldt de plicht tot reformatie dus niet. Dat ware Donatisme! Perfectionisme. Een gemeente najagen van engelheiligen op aarde! Een jacht waarbij helaas, altoos ten slotte de bestialiteit als buit werd ingehaald!

Onder den plicht tot reformatie komt de kerk in haar zichtbare openbaring eerst dan, als de afwijking beneden dit normale peil zinkt, door het onheilige niet slechts in zich te dragen, maar door het stilzwijgend en ongestraft te dulden, of erger nog, door aan het onware en onheilige ten slotte macht en heerschappij over de waarheid en het heilige te geven.

De reformatie der kerk kan op dien grond omschreven als kwijting van de verplichting, die op de kerk in haar zichtbare openbaring, d.i. op de plaatselijke kerken Christi, èn stuk voor stuk in in haar onderling verband, rust, om, zoo dikwijls de leugen en de zonde straffeloos in haar midden het juk afwerpen, door terugkeer tot de oorspronkelijke forme die in Gods Woord voor de kerken geboden is, aan de waarheid en de heiligheid opnieuw haar heerschappij over leugen en zonde te verzekeren.

Kuyper, A. (1883) § 5

§ 5. Hoe Gods Woord geheel het leven der kerk beheerscht.

De normale forme ofte gedaante en gestalte van de kerk op aarde wordt bepaald door het Woord Gods. Door dat Woord vergadert de Heere zijn uitverkorenen, makende Hij dit zaligmakend werkzaam ter wedergeboorte door den Heiligen Geest. Door dien Geest verwekt, belijden de uitverkorenen dat Woord tegenover Satan en de wereld, tegenover elkander en zichzelven; staan er naar, om, door inrichting van een prediking onder de tucht van dit Woord gehouden te worden; zoeken een bediening van de Sacramenten om het geloof aan dat Woord te bevestigen; trachten door dat Woord het zaad der kerk tot ontkieming te brengen; en streven er naar om, insgelijks door dat Woord, de heidenen, de Joden en de afvalligen in de kerk in te lijven.

|9|

De dienst der verzoening, der gebeden en der lofzinging voor den Heere onzen God komt thans bij dat Woord niet meer bij, maar ligt na Golgotha in den dienst van dat Woord besloten. Eertijds was dit anders, eer Christus stierf. Vandaar in de wordingsperiode der kerk onder Israël toen de eenige Offerande nog niet gebracht was, en de Voorbidder nog niet bij den troon der genade bad, en de Geest nog niet was uitgestort op allen (Joël 2: 29), de dienst der ceremoniën, in dagelijksche offeranden, in priesterlijke voorbidding en Levietischen zang bestaande. Deze ceremonieele dienst ging echter in de kerk, na haar geboorte voor de wereld, niet over. Want tusschen het wegzinken der Israëlitische kerk en het opkomen der wereldkerk ligt in de komst van den Middelaar in de volheid der tijden. Die Middelaar heeft toen in en voor de gansche kerk aller eeuwen die eenige en algenoegzame offerande gebracht; voer daarna op ten hemel om in en voor zijne kerk het gebed Gode op te dragen voor zijn volk; en zond den Heiligen Geest die alle tong losmaakt om de groote werken Gods te verkondigen en groot te maken de deugden van Hem, die uit duisternis riep tot zijn wonderbaar licht.

Er mag dus niet gezegd dat wel de kerk in Israël offerde, priesterlijke voorbidding en geestelijke lofverheffing had, terwijl de kerk thans die drie zou missen; maar er moet beleden, dat oudtijds deze drie slechts op gebrekkige wijze als schaduwen uitkwamen, terwijl ze thans in de kerk heerlijk bediend zijn en worden door Christus en den Heiligen Geest. Christus is in de kerk, en nu nog, elken dag, past hij zijn eenige offerande toe, laat hij zijn voorbede voor ons opgaan en maakt hij tot heerlijkheid des Vaders den Geest werkzaam. Romes fout ligt dus niet hierin, dat ze deze drie heiligheden in de kerk in stand wil houden, maar daarin dat ze, terwijl de Middelaar thans zelf deze drie uitricht, ze hem na wil doen of doen in zijn plaats, en dus hem uit de hand neemt.

Practicaal opgevat vloeien deze drie diensten thans, voor wat de reformatie der kerken aangaat (overmits het werk van den Middelaar aan geen deformatie onderhevig kan zijn) feitelijk in den éénen dienst des Woords saâm. „De discipelen Christi zijn thans rein door het Woord dat hij tot hen gesproken had.” (Joh. XV: 3.) Er is toch geen deel aan zijn offerande noch aan zijn voorbidding noch aan zijn Geest anders dan door het geloof en het geloof aan het Woord alleen maakt deze heiligheden voor de ziel waarachtig. In de bediening des Woords wordt ons, als hoofdinhoud zelfs, de offerande Christi toegediend, toebediend zijn voorbiddinge en toebediend de werking des Geestes aan de ziel. Alle sacrament en alle gebed en alle lofzang in

|10|

de kerk is daarom aan dat Woord gebonden, moet op dat Woord gegrond zijn, en door dat Woord opgenomen worden in het nu nog altoos voortdurend Middelaarswerk van Christus onzen Heer.

Een andere dienst dan die des Woords is er in de zichtbare kerk alzoo niet, en alle levensopenbaring der kerk vloeit uit dien éénen dienst des Woords voort. Immers zoo dikwijls nu de uitverkorenen dit Woord Gods tegenover zichzelven belijden, gaan ze in den weg van boete, zelfveroordeeling en bekeering en ontstaat de belijdenis van zonden. Belijden ze daarentegen dit Woordvan God tegenover elkander, dan ontstaat het vermaan en de bestraffing en voorts al de heerlijke arbeid der liefde. Belijden ze dit Woord tegenover de wereld, zoo komt het werk der barmhartigheid, naar lijf en ziel, tot openbaring. Belijden ze dit Woord tegenover Satan, zoo ontstaat het roemen der hope en het ingaan in het martelaarschap. En eindelijk belijden ze dit Woord Gods tegenover den Heere zelven en zijne heilige engelen, zoo ruischt het gebed en jubelt de lofzang. „Belijdenis van het Woord!” is al de levensuiting der kerk.

Kuyper, A. (1883) § 6

§ 6. Hoe de dienst des Woords oudtijds anders was dan nu.

Deze dienst des Woords is verschillend al naar gelang de bijzondere openbaring Gods nog voortduurt, tijdelijk geschorst wierd of reeds ten einde liep.

Duurt deze bijzondere openbaring Gods nog voort, en is ze werkzaam, dan gaat deze dienst rechtstreeks van God uit door zijn zieners en profeten. Er is dan geen geregelde voortzetting van dezen dienst, maar de dienst komt als de Geest Gods in de profeten komt; wordt afgebroken, als voor de profeten het gezicht verduistert; en wordt weer opgevat als God de Heere weer tot zijn knechten spreekt.

Toen daarom met Maleachi de profetie des Ouden Verbonds verstomde en tot op Johannes den Dooper niet weer stond te komen, is voor de vier eeuwen die daar tusschen liggen de geregelde dienst des Woords in de Synagoge op gang gebracht; een dienst die zijn hooge waarde slechts behield tot op den terugkeer der bijzondere openbaring in de dagen van Johannes den Dooper. Daarmeê toch wierd de dienst der Synagoge weer op den achtergrond geschoven en trad daarvoor in de plaats de dienst des Woords van onzen Hoogsten Profeet, door het „Bekeert u” van zijn heraut voorafgegaan en door den dienst van het apostolaat achtervolgd.

De dienst door aangestelde herders en leeraars komt eerst tot mondige

|11|

kracht, als met het wegsterven van dit apostolaat de bijzondere openbaring haar voltooiing bereikt heeft. Wel was er ook vroeger onderwijzing des Woords door den priester en door den vader in zijn gezin, maar een afzonderlijk ambt van herders en leeraars bestond er vóór den uitgang naar Babel niet; trad in de Synagoge slechts als praeformatie te voorschijn; en is eerst normaal geworden na het opvaren ten hemel van hem, die sommigen gezet had tot apostelen, daarna sommigen zette tot evangelisten, en sinds, alle eeuwen door, sommigen gezet heeft en nog zet tot herders en opzieners.

De praeformatie in het rabbinaat der Synagoge kon eerst opkomen toen de Schrift des Ouden Verbonds voltooid was; en evenzoo kon de formatie van dit ambt, na het wegsterven van het apostolaat, eerst tot groei en bloei komen, toen geheel de schriftelijke openbaring van Oud en Nieuw Verbond haar voleinding gevonden had. Zoolang dit geschreven Woord Gods nog niet kon werken, werkte God zelf door zijn Woord in de ziel der profeten te spreken; maar ook dat spreken moest een einde nemen, zoodra het geschreven Woord gereed lag. Ook daarna ging de werkzaamheid van den Heiligen Geest omtrent het Woord wel door, maar op andere wijze. Van nu af licht de Geest toe, gelijk Hij vroeger openbaarde.

Elke richting die deze vaste verhouding loswrikt; voor dit onderscheid tusschen den dienst des Woords voor en na de voltooiing der Heilige Schrift geen oog heeft; en ook nu nog, in gelijken zin als eertijds, van een openbarende werkzaamheid des Geestes gewaagt, rukt de ordinantiën Gods op Montanistische of Anabaptistische wijze omver; of wel maakt erger nog de „Openbaring Gods door zijn profeten en apostelen” gemeen, door, gelijk onderscheidene ethischen dit leeren, de openbarende werking des Geestes in de apostelen en profeten slechts gradueel van zijn verlichtende werking in de uitverkorenen te onderscheiden.

Kuyper, A. (1883) § 7

§ 7. Waarom de kerk vroeger geen eigen inrichting noodig had en thans wel.

Onder de bedeeling der schaduwen was er alzoo wel een geordende dienst voor het priesterschap, maar voor het Woord niet; thans daarentegen is er geen geordende dienst meer voor het priesterschap, maar ontstond wel zulk een ordening voor den dienst des Woords. Deze beide ordeningen zijn niet van gelijke natuur. Immers daar tijdens de priesterlijke bediening de kerk nog in de windselen van Israël verscholen lag, droeg ook de priesterlijke bediening destijds een streng nationaal

|12|

karakter. Ze was toevertrouwd aan een enkelen stam, strenger genomen nog aan enkele familiën, en niet geestelijke voorkeur, maar vleeschelijke aanhoorigheid tot deze familie of dezen stam gaf recht op ordening. Daarentegen, na uitsterving van het apostolaat, wereldkerk geworden, legt de kerk deze nationale beperktheid af, vertoont zuiverder dan dusver haar geestelijk gelaat, en kan dus ook haar diensten niet langer binden aan afstamming en gemeenschap des bloeds.

Hieruit ontstaat vanzelf en gelijdelijk voor de kerk de drang tot eigene organisatie. Onder Israël behoefde dit niet, want het volksorganisme zelf was destijds tevens de organisatie der kerk. Volk en kerk was één, gelijk het nog onvoldragen, ongeboren wicht nog één is met den moederschoot, waarin het gekoesterd wordt en rust.

Met het wegvallen van Israël daarentegen en het vervallen van zijn geheel eenige beteekenis voor de kerk wordt dit geheel anders. Niet bestemd om een Grieksche of Egyptische of Romeinsche kerk te worden, maar om op te groeien als wereldkerk kan de kerk van Christus voor haar verlies van de organische kracht die in Israëls volksbestaan school, geen vergoeding vinden door zich te klemmen in de nationale banden van Griekenland of Syrië, Egypte of het Romeinsche rijk. Veeleer moet ze, om haar roeping te kunnen vervullen, tegen het gevaar van zulk een opsluiting in een onnatuurlijk keurslijf op haar hoede zijn, en voor haar zelfstandigheid waken.

Dit nu kan ze alleen door organisatie op eigen fundament, onafhankelijk van de organisatie der volkeren. Israël was op de kerk aangelegd, voor de kerk geschapen, en uit dien hoofde kon Israëls volksbestaan een passenden vorm opleveren voor het kerkelijk leven in zijn voorbereidenden toestand. Maar dit was bij Israël geheel exceptioneel. Bij andere volken gaat dit niet door. Geen enkel ander volk is op de kerk in dien zin aangelegd noch in die volstrekte ordineering voor de kerk geschapen. Onnatuurlijk, niet passend en met den aard der zaak in strijd zou dus elk pogen zijn, om een ander volksorganisme aan de kerk, als voor haar bestemd, te willen opdringen. Ze heeft geen keuze maar moet zichzelve organiseeren. Niet op een wijs als Israël georganiseerd was, noch ook als copie van het model der volksorganismen, maar naar eigen aard, overeenkomstig den eisch van haar eigen leven. Eerst zoo komt de groote verborgenheid waarvan de heilige apostel Paulus gewaagt, tot haar recht.

Kuyper, A. (1883) § 8

|13|

§ 8. Bij wien voor de kerk de bron van het Souverein gezag ontspringt?

Deze afzonderlijke organisatie der kerk onderstelt, dat er in haar en over haar zij een gezag. Hoe toch zou er een inrichting, instituut of vergadering denkbaar zijn, zonder dat er in haar sfeer macht bestond, om het gebod te geven, en de plicht, om aan dat gebod gehoorzaam te zijn. Een inrichting welke ook, zonder oorspronkelijk of verleendof opgedragen gezag ware een muur zonder cement gelijk, een bintlaag in den muur gelegd zonder ankers. Zulk een gezag bestond dan ook in de voorbereidende kerk: eerst in Mozes’ stedehouderschap van Jehova, toen in de Richteren, en daarna in Israëls Koningschap. Davids huis van Godswege bekleed met goddelijke autoriteit. Maar ook, die autoriteit was niets slechts voor een tijd, maar duurzaam, op Davids koninklijke dynastie gelegd:

„’k Heb eens gezworen bij mijn eigen heiligheid:
Zoo ik aan David lieg’, zoo hem mijn woord misleid’;
Zijn zaad zal eeuwig zijn, zijn troon zal heerlijk pralen,
Zoo duurzaam als de zon, zoo glansrijk als haar stralen.”

Beide moet dus waar zijn, én dat Israëls koningschap wegviel, én dat Davids troon eeuwig staat. Een schijnbare tegenstrijdigheid, daarin haar oplossing vindend, dat Davids huis eerst koningen voortbracht die den waren Koning slechts afschaduwden, en daarna uit zich voortbracht dien waren Koning, die geroepen is, om Koning der koningen te zijn en eeuwig Koning te blijven. Rome’s pogingen om ook te dien opzichte de Mozaïsche en Israëlitische toestanden in haar stedehouderschap na te bootsen, loopen dus uit op aanranding van onzes Konings eere. De Christus Gods en hij alleen, zit als Davids zoon, Heer en Koning over zijn kerk in eeuwigheid.

Kuyper, A. (1883) § 9

§ 9. Hoe Jezus Koning over zijn kerk wierd.

Dit koninklijk gezag bezit de Christus niet uit zichzelf, het is hem verleend door den Vader als loon op zijn zelfvernedering tot in den dood. „Dáárom, omdat hij gehoorzaam geworden is tot in den dood, ja den dood des kruises, dáárom, zegt de apostel Paulus, heeft God hem ook uitermate zeer verhoogd, en heeft hem gegeven een naam boven allen naam die genaamd wordt in hemel of op aarde, opdat voor hem zich alle knie zou buigen en alle tong zou belijden, dat Jezus is de Christus tot heerlijkheid Gods des Vaders.” „Mij is gegeven

|14|

alle macht, getuigt de Christus zelf, gegeven in hemel en op aarde.” Oorspronkelijk berust het gezag over de kerk dus, evenals alle andere macht, alleen bij God Drieëenig d.i. bij Vader, Zoon en Heiligen Geest. Het vloeit voort uit de bron der goddelijke souvereiniteit, en in zooverre de Christus Gods eigen Zoon en zelf God is, neemt hij ongetwijfeld ook aan die oorspronkelijke souvereine macht over de kerk goddelijk deel.

Maar, en hier dient scherp op gelet, aangestelde Koning der kerk is Jezus niet als Gods Zoon, maar als onze Middelaar, want alleen als Middelaar bezit hij het souverein gezag over de kerk niet uit zichzelf, maar is hij koning bij de gratie Gods, of liever overmits gratie altoos onverdiende gunst in zich sluit, door Godes hoog bestel.

De zaak staat dus alzoo, dat in God Drieëenig alle souverein gezag rust, zoowel om te gebieden in den staat en onder de volken, als om te gebieden in de kerk. Nu belieft het intusschen den Heere HEERE, dit gezag noch over de volken noch over de kerk rechtstreeks uit te oefenen, en deswege stelt hij over de volken vorsten en stedehouders, en nu evenzoo over zijne kerk den Middelaar Christus. Gelijk dus de koningen der aarde een aan den souvereinen God ontleende autoriteit over de natiën hebben, evenzoo is Jezus onze Middelaar bekleed met eene aan den souvereinen God ontleende autoriteit over de kerk.

Wel is aan den Zoon, opdat hij een waarachtig koning over zijn kerk zou kunnen zijn, tevens ook macht gegeven over den Satan, die de kerk aanvecht en overweldigen wil, over de engelen die uitgezonden worden om dergenen wil die de zaligheid beërven zullen, en zoo ook over vorsten en volken onder wier kronen en in wier midden de kerken optreden en bloeien; maar dit doet niets af noch toe, aan het ernstig en onloochenbaar feit, dat Jezus’ koningschap over zijn kerk een loon voor zijne onuitsprekelijke liefde is. Zijn loon is op zijn zelfofferande gegrond.

Even uit dien hoofde is zijn koningschap daarom ook van zijn priesterschap onafscheidelijk, en onafscheidelijk evenzoo van zijn profetische eere. Golgotha is geen dood feit, maar de eeuwige altoos levende gebeurtenis, die door hem actief op de zielen zijner uitverkorenen van uur tot uur en van oogenblik tot oogenblik wordt toegepast. En overmits het Woord zonder gezag geen Woord Gods meer zijn zou, kan er in zijn kerk geen profetisch getuigenis naast zijn koningschap zijn. De priester en profeet zijn in den koning één, en voor de organisatie en formatie der kerk op aarde moet dus als door Gods Woord geoordeeld en als Jezus’ eere aanrandend, afgewezen en bestreden elk pogen om een priesterschap na of naast Golgotha, om een gezagsfeer naast

|15|

den troon van Davids Zoon, of ook om een onwaarachtig menschenwoord naast het Woord van den mensch Jezus Christus op te richten.

Van den mensch Jezus, sta hier met nadruk; want eerst als des menschen Zoon is jezus onze hoogste profeet, onze eenige hoogepriester en onze eeuwige koning. God Drieëenig is buiten de kerk, want hij is er boven, maar de mensch Jezus Christus is in de kerk, levende in ons vleesch en bloed. En gelijk het nu Gode behaagd heeft de volken te regeeren door vorsten, die menschen zijn en aan wien Hij macht geeft, zoo ook heeft het den Heere goedgedacht zijn kerk te regeeren door een koning die mensch is en die door Hem met macht is omgord. Het verschil is alleen, dat de vorsten zondaren zijn en koning Jezus afgescheiden van de zondaren is, en dat even daarom het gezag dat bij de vorsten op hen gelegd werd in hun kroon, in Jezus Christus in wordt gelegd, als een macht rustende in zijn goddelijke persoon.

Geen oogenblik is de kerk dus te denken, als ware Jezus buiten haar. Jezus leeft in haar, bedient in haar altoosdurend zijn offerande, doet al door uitgaan zijn hoogepriesterlijke voorbede, en regeert ze onafgebroken door zijn Woord en Geest. Alleen door die gestadige profetische, priesterlijke en koninklijke actie van den Christus is ze kerk, en op aarde komt slechts zooveel van de kerke Gods aan het licht als in haar uitwendige gestalte die altoosdurende, actieve werking van Christus doorstraalt en gezien wordt.

Kuyper, A. (1883) § 10

§ 10. Hoe dit koninklijk gezag van Christus op aarde werkt door het instrumenteel gebruik van menschelijke personen.

Om dit koninklijk gezag over zijn kerk te kunnen uitoefenen, moest de Christus opvaren ten hemel. Op aarde droeg hij de knechtsgestalte, eerst in den hemel is hij met de koninklijke hoogheid bekleed; en die hoogheid spreidt hij ten toon niet krachtens zijne menschelijke natuur, maar in die menschelijke natuur door de kracht zijner Godheid, die hem in staat stelt, om „met zijn genade, majesteit en geest” op alle plaatsen tegelijk in zijn kerk tegenwoordig te zijn. „Waar twee of drie in mijnen naam vergaderd zijn, d. i. de kerk in haar kleinst denkbare afmeting, daar ben ik in het midden van u;” „Ziet ik zal met u zijn al de dagen, tot aan de voleinding der wereld;” „Het is u nut dat ik wegga.”

Men zegge dus niet, dat Christus in den eigenlijken zin alleen in de hemelsche kerk als koning troorit, en in de aardsche kerk slechts door overdracht van gezag op menschen regeert; want al zulk zeggen loochent en weerspreekt zijn Godheid. Christus is wel terdege present

|16|

in zijn kerk op aarde; present in den meest eigenlijken zin des woords; en waar hij niet zelf present is, daar moge een getabberd mensch staan te redeneeren, maar daar is geen bediening des Woords; daar moge water gesprenkeld en brood gebroken worden, maar daar is geen sacrament; daar moge met gesloten oogen gepreveld en luidkeels gezongen worden, maar daar is zoomin gebed als lofzang; en eindelijk evenzoo daar mogen kerkelijke heeren op groene kussens zetelen, maar daar is geen kerkeraad noch concilie noch synode machthebbende in zijn naam.

Alleen de presentie van Christus in zijn kerk maakt de heilige dingen reëel. Zonder die presentie van den Christus zijn het ledige vormen; ijdele schijnvertooning van alle wezen en welwezen ontbloot.

Deze presentie van den Christus is „niet met uitwendig gelaat, maar binnen in u;” dus rust ze niet in de instellingen of plechtigheden, maar uitsluitend in de personen. Dit versta men intusschen niet zoo, alsof de presentie van den Christus alleen in de toegebrachte personen openbaar werd. Vele toch zijn de uitverkorenen die vooralsnog niet zijn toegebracht, en toch ook in dezen is de presentie des Heeren; ja zelfs in het kaf dat met het koren nog vermengd is, blaast de adem zijner lippen; zij het ook met een reuke des doods ten doode, niet ter opstanding maar ten val; of sterker nog, wat nimmer mag uit het oog verloren, om, met overspringing van soms twee of drie geslachten, toch weer uit den nu schijnbaar verloren stam zijn uitverkoren loten te doen uitschieten.

Deze presentie van Christus in zijn kerk, hoewel aldoor in de personen en niet in de instellingen klevende, is nochthans wel terdege aan die instellingen gebonden. Eerst onder en door die instellingen komt het gemeenschapsbesef der kerk tot bewustzijn en wordt door de daad van gehoorzaamheid aan den koning dat heerlijke bewustzijn tot klaarder helderheid verhoogd. Vandaar onder de reëele bediening van Woord en Sacrament een gewaarwording van anders ongekende tegenwoordigheid des Heeren, een weten dat hij, de Heere, in het midden was, een verrukkend besef dán slechts en slechts voor zooverre genoten, als het de presentie van Christus zelf is, die door den dienaar spreekt, die zelf doopt, zelf brood en wijn uitdeelt, ons voorbidt, opdat wij hem na zouden bidden, ons geeft opdat wij aalmoes zouden geven, en zijn loflied voor den Vader zingt in den toon onzer eigen stem. „Ik, sprak de Messias, ik zelf boodschap uwe gerechtigheid in een groote gemeente; zie mijne lippen bedwing ik niet; Heere, gij weet het”! (Ps. 40: 10). „Van u zal mijn lof zijn in een groote gemeente” (Ps. 22: 26). „Het welbehagen des Heeren zal door mijn hand gelukkiglijk voortgaan” (Jes. 53: 10).

|17|

Hieruit vloeit echter geenszins voort, dat er in de oefening van Jezus’ koninklijke heerschappij over zijn kerk geen instrumenteel gebruik van menschelijke personen in de instellingen zou zijn. Zulk gebruik is er zeer zeker, voor zooverre de kerk op aarde in het zichtbare treedt; zich in het uitwendige vertoont, en in waarneembare vormen zich openbaart. Dan toch moet de koninklijke heerschappij van den Christus zich ook tot dat zichtbare, tot dat uitwendige, tot dat waarneembare uitstrekken, en dit is zonder instrumenteel gebruik van menschelijke personen ondenkbaar. Slechts houde men daarbij tweeërlei onwrikbaar vast, t.w. in de eerste plaats, dat dit instrumenteel gebruik van menschelijke personen er niet is en er niet kan zijn, tenzij de actie van den presenten Christus er in en er bij zij; en ten andere, dat het gebruik nooit anders dan instrumenteel is noch zijn kan. Hij is en blijft in alle ding de eenige en onwederstandelijke Werker en de menschelijke persoon is nooit anders dan een instrument, waarvan hij de Koning zich met koninklijke majesteit bedient.

Dit instrumenteel gebruik van menschelijke personen is onderscheiden, naar gelang het strekte, om de kerk in de wereld tot vollediger openbaring te brengen, of wel om in die wereldkerk zelve de heerschappij van koning Jezus te handhaven. Het eerstbedoelde gebruik toch, loopende tot op het wegsterven van het apostolaat, droeg een duurzame vrucht, doordien het instrumenteel gebruik van de profeten en apostelen, onder veel meer, ook dit gevolg had dat er een blijvend, geboekstaafd Woord van God tot stand kwam. Dit Woord is het duurzaam Woord van den Koning in zijn kerk, waarvan in volstrekten zin de uitspraak van den Spreukendichter geldt: „Waar het Woord des Konings is, daar is macht”. Ook al belieft het den Heere dus, in zijn verbolgenheid over de zonde zijns volks of ter beproeving van hun geloof, den publieken dienst des Woords tijdelijk te doen ophouden en zijn kerk onder het kruis der vervolging te krommen, zoo is toch nooit de Koning zwijgend. Hij spreekt en blijft spreken, elken morgen en elken avond in elke kerk, in elk gezin, tot elk hart onder zijn verkoren volk, door zijn blijvend, duurzaam in schrift gesteld Woord.

Onder alle instrumenteel gebruik van menschelijke personen staat uit dien hoofde het gebruik van den dienst der profeten en apostelen steeds op den voorgrond. Nu nog, evengoed als voor achttien eeuwen, zijn deze profeten en apostelen de, alle eeuwen door dienstdoende, instrumenten, door wie Koning Jezus zijn kerk, en in zijn kerk zijn uitverkorenen al den dag en nacht toespreekt.

Maar naast dit buitengewone instrumenteel gebruik van profeten en apostelen, Staat, edoch, onherroepelijk aan de vrucht van hún arbeid

|18|

gebonden, het gewone instrumenteel gebruik van personen in het vaste gewone kerkambt. Doel, strekking, roeping van dit ambt is, om het Woord Gods, het Woord des Konings waar te maken, te verwerkelijken, te realiseeren met onweerstandelijke macht.

Op die bijvoeging met macht valt hierbij de nadruk. Het ambt toch heeft de sleutelmacht. Er is geen ambt zonder institutie van den Koning en oplegging van zijn koninklijk gezag. Zonder dit gezag moge er een betrekking, een menschelijke werkzaamheid, een aanstelling zijn, maar ontbreekt het ambt. Het ambt is orgaan van of hulpe voor de souvereine macht. Een koning op aarde zou welbezien alles zelf moeten doen. Maar dit kan hij niet. Daartoe ontbreken hem de duizend armen waarmede de Indiërs hun goden afbeelden. En daarom nu stelt hij ambten in en bekleedt met die ambten personen, die, als de armen zijner mogendheid, de taak afwerken op zijn last, voor hem, en tot zijn eer. Die ambtelijke werking is òf naar den koning toe gaande, òf van den koning uit gaande. Ze gaat naar den koning toe, als er kennis moet verkregen om den koning voor te lichten, en ze gaat van den koning uit als ze strekt om zijn bevel te doen gehoorzamen. Ze gaat naar den koning toe, als tol en cijns naar den schatkamer des konings wordt gedragen, en ze gaat van hem uit, als de gunste des konings zich keert naar zijn volk. En ook ze gaat naar den koning toe als de hulde van zijn volk voor hem opklimt, en wederom van hem uit, als hij zijne gave schenkt aan zijn onderdanen.

En het is nu geheel in dezen zelfden zin, dat ook onze Heer en Koning Christus, onze Messias en Immanuël, voor de zichtbare verschijning van zijn kerk op aarde een ambt heeft ingesteld, als drager van zijn koninklijke autoriteiten en openbaring van zijn koninklijke majesteit.

Kuyper, A. (1883) § 11

§ 11. Op wat wijze het ambt in de kerke Christi onder het Nieuwe Verbond werkt.

Het ambt is oorspronkelijk als één enkelvoudig ambt ingesteld in het apostolaat. „Gelijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zende ik ook ulieden.” „En zoo wat gij binden zult op aarde, dat zal in den hemel gebonden zijn.” Leerambt, regeerambt, ambt der tafelen, het lag alles in dat ééne apostolische ambt verscholen. Ananias en Saphira leggen hun offergave aan de voeten der apostelen neder, en de apostel des Heeren slaat die offerande wel dadelijk af, edoch niet vermits die gave bij hem niet hoorde, maar dewijl ze de liefderijke reuke miste voor den Heere. Ook de heilige apostel Paulus zamelt op zijn reizen telkens gelden in voor de verarmde Jeruzalemsche kerk. De apostelen

|19|

bedienen dus aanvankelijk het Woord én de tafelen tegelijk. Dit toont dat de drie of vier ambten die later in de kerk tot afzonderlijke ontwikkeling kwamen, niet als zelfstandige ambten, naast elkander staan, maar in den grond der zaak saam één enkel ambt vormen, dat in zijn eenheid dient doorzien en begrepen. Deze eenheid nu ligt in de eenheid van ’s Konings majesteit. Gelijk tijdens ’s Heeren omwandeling op aarde de prediking van het evangelie niet naast de genezing der kranken noch het bestuur zijner jongeren naast de spijziging der hongerigen stond, maar èn deze prediking èn dit regeeren der jongeren èn dit wondere betoon van liefde, alle drie slechts uitingen van éénzelfde zalving waren, zoo ook is het in het wezen der zaak slechts één enkelvoudige werking die door de instrumenteele bediening van één ambt, zij het ook gesplitst in meerdere vertakkingen, thans nog van den Koning naar zijn kerk uitgáat. Waar te midden der heidenwereld nieuwe kerken aan het opkomen zijn, vertoont de zendeling nu nog die eenheid van het ambt in zijn persoon, doordien hij prediker, bestuurder en armverzorger tegelijk is.

Splitsing in dit ambt ontstaat eerst door de uitbreiding der kerk, in verband met de beperktheid van kracht in hen die met het ambt bekleed zijn. Zoo zien we dan ook in Hand. VII uit deze en geen andere oorzaak het afzonderlijk diaconaat zich afscheiden van het apostolaat. Het was, gelijk er staat, omdat „de discipelen vermenigvuldigden” (vs. 1); en overmits nu deze uitbreiding der kerk de apostelen belette elks belang met de vereischte nauwkeurigheid te behandelen, ontstond er murmureering; en deze murmureering bewoog de apostelen tot de erkentenis, niet: „Het hoort niet alzoo dat wij als apostelen ons ook met het stoffelijke bezighouden;” maar wel: „Het is niet behoorlijk dat wij het Woord Gods nalaten, om de tafelen te bedienen.” Zoolang dus de dienst der tafelen nog van zoo kleinen omvang was, dat de dienst des Woords geen schade leed, ging diaconaat en prediking in het ééne ambt saam; maar ook, zoodra de uitbreiding der kerk den dienst der tafelen derwijs uitbreidde, dat het Woord schade moest lijden, schiepen de apostelen voor den dienst der tafelen een afzonderlijk ambt, of liever nog, deden ze uit den stam van hun oorspronkelijk ambt een afzonderlijke loot in het diaconaat uitschieten. Een omstandigheid dáárom van gewicht, omdat er uit blijkt, hoe volkomen naar Gods woord onze Kerkorde in art. 25, en evenzoo ons liturgisch formulier voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen ook het diaconaat wel terdege als ambt erkent, en in onze Belijdenis beleden wordt, dat diakenen „met de herders en opzienders” der gemeente „als een raad der kerke vormen.” En

|20|

niet minder belangrijk, omdat deze loswikkeling van het diaconaat uit het apostolaat ons ongezocht den sleutel in de hand legt, om den alouden strijd over den voorrang van het leerambt over het ambt der ouderlingen gereedelijk op te lossen.

Dit geschil toch liep en loopt nog, gelijk men weet, over de vraag of de leeraar de eigenlijke ambtsdrager en de ouderling slechts zijn helpend instrument is, dan wel of beiden, leer- en regeerouderlingen, op voet van volkomen gelijkheid staande instrumenten van Koning Jezus zijn. Gelijk namelijk eerst het diaconaat zich uit het apostolaat loswikkelde, zoo splitste zich, om gelijke oorzaak, van lieverleê ook het leer- en regeerouderlingschap. De Jeruzalemsche kerk had oorspronkelijk een schitterenden kerkeraad, bestaande uit twaalf apostelen, die tegelijk leerende, regeerende en bedienende instrumenten van Koning Jezus waren. Tengevolge van de uitbreiding der kerk kwamen daar straks zeven diakenen bij. En deze negentien personen zouden ongetwijfeld volkomen in staat zijn gebleken, om het koninklijk gezag van Jezus in zijn kerk uit te oefenen, indien er alleen te Jeruzalem een gemeente ware ontstaan en de roeping van het apostolaat zich tot Jeruzalem had mogen beperken. Maar dit was niet alzoo. Allerwege moesten kerken gesticht, en daar het nu onmogelijk was, dat elk dezer kerken twaalf apostelen zou bezitten, scheidde zich vanzelf uit het wereldapostolaat de ambtelijke dienst der plaatselijke leeraars af; en overmits het aantal dezer leeraars in de meeste kerken zeer gering bleef, moest zich van dit plaatselijke leeraarsambt weer op geheel natuurlijke wijze het plaatselijk regeerambt afscheiden, als een plaatselijke ambtelijke dienst, geheel in gelijkheid van rang bestaande naast het leeraarsambt en het diaconaat. Het doctorenambt bleef, ook na die drieledige ontwikkeling van het ambt, nog een tijdlang verscholen in het leeraarsambt. Dit lag in den aard der zaak. Zoolang toch de bestrijding der ketterij en de verdediging der waarheid nog uitsluitend op practisch-kerkelijk terrein stand hield, bleef deze gewichtigetaak nog geheel voor rekening van den leeraar komen in zijn gewone prediking of zendbrieven, Maar toen later de strijd met de ketterij ook op wetenschappelijk gebied werd overgebracht, zou de herder of leeraar den dienst des Woords hebben moeten nalaten, om met goed gevolg op het erf der wetenschappen zijne kerk te dienen. Weshalve, daar dit niet mocht noch kon, het doctoraat nu geleidelijk en als vanzelf als nieuwe loot aan den ambtelijken stam uitschoot en de leeraar der kerk voortaan enkel herder wierd. Herder altoos wel te verstaan, niet in den nu gangbaren zin, alsof de predikant op den predikstoel leeraar en alleen bij het huisbezoek herder ware; maar herder met

|21|

dien verstande, dat in de eerste plaats op den kansel, en voorts bij elke ambtelijke verrichting, de kudde door haren herder met het Woord Gods worde geweid.

Op tweeërlei, dat hieruit voortvloeit, dient de aandacht gevestigd. En wel ten eerste op het onloochenbare feit, dat de vier ambten van „herder, ouderling, diaken en leeraar” als vier stengels op één wortel bloeien, en dus nooit als vier stekken mogen worden beschouwd, die los naast elkander, elk in eigen aarde, op eigen wortel stoelen. Het ambt van herder in Jezus’ kerk is daarom tevens regeerambt; terwijl de regeerouderlingen, wel verre van buiten den dienst des Woords te zijn gesloten, veeleer voor de zuiverheid van den dienst des Woords hebben te waken. En gelijk het diacohaat overvloedig moet zijn in vertroosting met het Woord, en dies in verreweg de meeste kerken mede in den ambtelijken raad der kerke zit, zoo staat ook het diaconaat midden in den dienst des Woords en behoort tevens vervlochten te zijn in het regeeringsorganisme der kerken. Terwijl eindelijk, hoezeer het diaconaat meer bijzonder het ambt is voor de betooning van een Christendom, dat niet in woorden bestaat, maar in kracht, desniettemin toch geen der drie overige ambten buiten den dienst der ontfermingen staat, en elk ambt verbeurd zou zijn, dat geen licht liet schijnen voor de menschen.

De andere opmerking is, dat bij deze splitsing der ambten in de zichtbare kerk op aarde zich slechts herhaalt wat in het eigen Messiasambt van den Christus gezien, werd. Gelijk toch dat ambt van Messias één in oorsprong, aard en strekking is, en zich niettemin in het drievoudig ambt van profeet, priester en koning deelt, zoo ook is het ambt der zichtbare kerk op aarde wel één in stam en wortel, maar gesplitst in zijn werking. Door het herder- en leerambt spreekt meer bijzonder onze hoogste Profeet en Leeraar; door het presbyteriaat regeert in engeren zin onze eeuwige Koning; en door het diaconaat worden op eigenaardige wijze de ontfermingen openbaar van onzen eeuwigen Hoogepriester, den „Christus Consolator.” Maar evenals nu met gelijk recht kan beweerd dat de dienst des Woords én profetisch getuigt, én priesterlijk bidt, èn koninklijk heerscht, en evenzoo de beide andere diensten beurtelings aan elk der drie ambten van den Christus deel hebben, zoo liggen ook op aarde in de zichtbare kerk deze drie stengels dooreengevlochten, en gaat de juiste kennis van elk ambt op zichzelf te loor, indien men de worteleenheid van al deze ambten saam uit het oog verliest.

En onze slotsom kan derhalve geen andere zijn, dan dat het kerkelijk ambt op aarde niets meer noch minder is dan instrument van het Messiasambt, teneinde hij, die een naam heeft ontvangen boven allen naam, op aarde al de eeuwen door, in het midden van ’s Vaders uitverkorenen,

|22|

profeteere, regeere, leere en ontferming doe. Een geconcentreerd ambt alzoo, van oogenblik tot oogenblik van het eenig Middelaarsambt uitgaande, dat geroepen is om het ééne Woord te prediken in het herderambt, door het doctoraat te bepleiten, en tot heerschappij te brengen, tegenover de zonde door het presbyteriaat, en tegenover de ellende, als vrucht der zonde, in het ambt der diaconen.

Kuyper, A. (1883) § 12

§ 12. Op welke wijze de Heilige Geest het aardsche ambt met het hemelsche Messiasambt van Koning Jezus saamverbindt.

Het opvaren van Jezus naar den hemel is een werkelijk feit dat in onverzwakte beteekenis moet erkend worden. Het mag derhalve niet voorgesteld alsof Jezus ook na zijn hemelvaart toch eigenlijk wel op aarde was. Neen hij is nu in den hemel en blijft daar tot aan den dag der wederoprichting aller dingen. Wel is hij de zijnen nabij in de werkingen van zijn genade, majesteit en geest, maar niet persoonlijk. In het heilig sacrament des Avondmaals zelf daalt Jezus niet tot de uitverkorenen neder, maar trekt hun zielen tot zich op, om ze, niet op aarde, maar in den hemel, te spijzen met zijn waarachtig lichaam en te drenken met den drank van zijn bloed. Met name tegenover de leer der Luthersche broederen op dit punt handhaafden de zuiverder of gereformeerde leeraren, even als Calvijn, steeds en onverzettelijk het „in coelum subvecta” van de verloste ziel, d.i. dat de ziel des uitverkorene bij het heilig sacrament des Avondmaals in den hemel werd opgenomen, en alzoo door den Immanuël gevoed.

Er is eenmaal een zending van Jezus naar deze aarde geweest; maar deze zending heeft nu uit en is thans vervangen door een andere, t.w. door de zending van den Heiligen Geest; en niet nu, maar eerst in den jongsten dag zal er nogmaals een zending van den Zoon plaats grijpen, dan niet meer om zich te ontfermen, maar om gericht te houden over levenden en dooden.

In deze tusschenbedeeling nu moet daarom de kerk haar Hoofd steeds daarboven zoeken, en „heeft ze te zoeken de dingen die boven zijn waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods”. Overmits ze nu echter desniettemin op aarde nog toeft en zich op aarde openbaren moet, zoo ontstaat de vraag, op wat wijze alsnu de band gelegd wordt, die het kerkelijk ambt op aarde aan het Messiasambt van Koning Jezus verbindt; en op die vraag nu is het antwoord: deze band wordt gelegd door den Heiligen Geest. Immers de persoon van den Heiligen Geestis thans de Gezondene, die op aarde werkt, en die als zoodanig niet alleen

|23|

in Christus als ons Hoofd, maar evenzoo in ons als zijne ledematen is, en alzoo Hoofd en kerk saamverbindt. Eerst was de Zoon als onze Trooster gezonden; maar nu hij wegging is er een andere Trooster gekomen, aan wien we dáárom meer hebben, dan de discipelen aan Jezus hadden, omdat de persoon van den Middelaar buiten hun personen stond, maar de persoon van den Heiligen Geest daarentegen in onze personen ingaat. „Weet gij niet dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, die in u is, dien gij van God hebt.” „Het is u nut dat ik wegga, want indien ik niet wegga, kan de Trooster niet komen.”

Deze werking van den Heiligen Geest is nu een tweeledige, t.w. een werking op den mensch en een werking door den mensch.

Ze is een werking op den mensch, doordien de persoon des Heiligen Geestes in den uitverkorene indringt, hem innerlijk roept en overreedt, zijn wil om- en overbuigt, hem voor de rechtbank der consciëntie vrijspreekt en rechtvaardigt, en voorts hem wederbaart en heiligt, in hem bidt met onuitsprekelijke verzuchtigen, hem verlicht en vertroost, verlost en vrijmaakt.

Maar ze is ook een werking door den mensch, overmits het Gode beliefd heeft, den persoon des Heiligen Geestes bij al zijn werk te binden aan het door hemzelven ingegeven Woord, en het is juist daardoor dat de persoon des Heiligen Geestes de eigenlijke Bezieler van het ambt is. In en door dat ambt werkt hij vooreerst door de personen voor dat ambt te heiligen, ten tweede door hun te zijner tijd de roeping tot dat ambt innerlijk te doen toekomen, ten derde door hen voor en in dat ambt te bekwamen, en ten vierde door bij de uitoefening van dit ambt, de vruchtbaarmaking aan het ambtelijk werk te verleenen.

Feitelijk vallen beide werkingen van den persoon des Heiligen Geestes dus saam. Om inwendig op den mensch te werken bedient Hij zich van den ambtelijken dienst van menschen, door wie Hij werkt; en omgekeerd, om door den dienst van menschen, een werking te kunnen doen, laat de Heilige Geest die ambtelijke uitwendige werking verzeld gaan van zijn persoonlijke werking in en op de ziel.

Doch ook hiermeê is het einde van deze heerlijke werkzaamheid des Heiligen Geestes nog niet uitgesproken. Immers de werking van den persoon des Heiligen Geestes gaat volstrekt niet alleen naar de afzonderlijke ledematen, maar wel terdege ook in die ledematen naar het geheele lichaam uit. Vandaar dat Hij aan „een iegelijk de gave toebedeelt gelijk Hij wil” en in de gemeenschap der heiligen Gods

|24|

uitverkorenen uitdrijft, om „hun gaven onderling gemeen te hebben en ten meesten nutte der andere ledematen aan te leggen.” Niet de kerk is om het ambt, maar het ambt om de kerk, en gelijk Israël oorspronkelijk zelf geroepen was om uit al zijne stammen priesters naar het Heiligdom des Heeren te zenden, en later Levi’s stam alleen om Israëls zonden afgezonderd werd tot den dienst, zoo ook staat het met het afgezonderd ambt in de kerk. Eigenlijk moest de werking Christi rechtstreeks door en op alle geloovigen kunnen uitgaan en het is alleen om der zonde wil en ter wille van onze zondige beperktheid, dat nu hetgeen op allen rusten moest, overgedragen is op een kleinen kring, die bijzonderlijk in het ambt gesteld is. Vandaar dat onder dit bijzonder ambt zich als zijn breedere grondslag steeds het ambt aller geloovigen uitbreidt, en dat de Heilige Geest er lust aan heeft gedurig over de zonde te triumfeeren, door dit ambt aller geloovigen weer te doen uitkomen; te doen uitkomen niet enkel in de huisgezinnen, maar ook in de kerken zelve, als bij ontaarding en verbastering van het bijzonder ambt, dit algemeene ambt weer krachtig opleeft. Het bijzonder ambt is en blijft noodzakelijk en volstrekt onmisbaar, maar toch is alleen het ambt aller geloovigen, gelijk het in den hemel eens schitteren zal, het hooge, het heilige, het heerlijke ideaal, dat uit Messias’ ambt in het hart der zijnen afstraalt.

Doch er is meer. Gelijk de persoon des Heiligen Geestes niet alleen in den enkelen geloovige, maar ook in de gemeenschap der heiligen door het ambt aller geloovigen zich betoont, zoo werkt ook de persoon des Heiligen Geestes niet alleen in den enkelen drager van het bijzonder ambt, maar evenzeer in de organische vergaderingen der ambtenaren van Koning Jezus. Zoo dikwijls de koninklijke ambtenaren van koning Jezus in organische vergaderingen saamkomen, is er een meerder iets aanwezig dan de optelsom van de individuën. Een vergadering van Jezus koninklijke ambtenaren, mits organisch saâmgekomen, representeert de macht Christi over heel zijn kerk, ’t zij in een vergadering van de ambtenaren eener locale kerk over die locale kerk, ’t zij in een vergadering of samenkomste van de koninklijke ambtenaren van meerdere kerken over die kerken saam; ’tzij eindelijk in een bijeenkomst van de ambtenaren aller kerken uit één land of meerdere landen, over die landskerk, of ook over de zichtbare kerk op aarde. In al deze bijeenkomsten, vergaderingen, of raden, ’t zij men ze consistoriën, classes, synoden of conciliën noemt, verhoogt het geheel de beteekenis van den enkelen ambtsdrager, en het is juist in deze organische verbinding der velen,

|25|

dat de persoon des Heiligen Geestes beter en krachtiger dan in de beperktheid van den enkele, de majesteit van zijn goddelijke, oneindige, onwederstandelijke werking openbaren kan. Daarom staat zulk een vergadering van ambtsdragers, waar het Woord des Heeren alleen macht heeft, en Christus door zijnen Heiligen Geest in den praeses praesideert, hoog in geestelijke autoriteit boven alle particuliere conferentiën, concilabulen of groepeeringen van geloovigen.

De sleutel der wijsheid voor deze ambtelijke vergaderingen ligt in den aanhef van het decreet der Jeruzalemsche synode: „Zoo heeft het den Heiligen Geest en ons goedgedacht.”

Vereenzelviging met de uitspraak van den Heiligen Geest mag intusschen, na het wegsterven van Apostolaat, de uitspraak van zulk een vergadering nooit worden. Door dit te wanen ging Rome feil. Altoos blijft er een klove gapen tusschen het onfeilbaar Woord des Geestes en het feilbaar menschenwoord. Maar ook door deze afwijking en dwaling en feil heen, voert de persoon des Heiligen Geestes de kerk op aarde toch steeds verder en leidt ze in alle waarheid. Roeping van den Heiligen Geest is het, den Vader en den Zoon te verheerlijken. Daarom is de Heilige Geest de Getuige in het woord der profeten en der apostelen, en tot ons als getuige tredend in het geschreven Woord. Maar dat Woord moet niet slechts gelezen en nagesproken; het moet ook door de kerk in zich opgenomen; voortdurend uit duisterder tot klaarder bewustzijn gebracht; en alzoo voor de kerk aller eeuwen overgeleid worden in een zelfstandig verkondigen der deugden Desgenen, die haar geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. En dat nu bewerkt de persoon des Heiligen Geestes in de totstandbrenging van het dogma, d.i. in de zoo zuiver mogelijk voor het helder bewustzijn der kerk geformuleerde belijdenis van die waarheid, die het Woord ons brengt aangaande den eeuwigen God. Zulk een dogma wortelt diep in het hart der kerken zelve. Want de persoon des Heiligen Geestes bereidt het in de harten der geloovigen voor, door de worsteling die de waarheid in dat hart met de leugen, en dieper nog met de zonde, te voeren heeft. Daarna maakt hij de ketters op, om de leugengestalte, die in het hart der geloovigen onderdrukt werd, van buiten af in volle wapenrusting tegen de kerk te doen inrennen, teneinde haar en haar leeraren aldus te noodzaken tot geestelijke inspanning, om in het zweet van dien geestelijken arbeid het levensbrood der kerk te doen gedijen. Totdat eindelijk de saâmgekomen vergadering van Jezus’ koninklijke ambtsdragers, waar het Woord des Heeren macht heeft en hij zelf in den Heiligen Geest praesideert, den oogst van deze moeite

|26|

der geesten inzamelt, en zoo het woord als den vorm vindt, om de waarheid Gods in te belijden.

En is die belijdenis dan alzoo, zij het ook in nog steeds feilbaren vorm en altoos aan het Woord apellabel, uitgebracht, dan keert hiermee de kringloop der ambtelijke werkzaamheid in de gemeente der geloovigen zelve terug, aan wie ze alsnu deze gevondene belijdenis op de lippen legt.

Die belijdenis ontvangt de kerk dus, niet als gedachtevrucht van geleerde denkers, maar als dierbaar kleinood door den Heiligen Geest haar in de zielsworstelingen der geloovigen en in de bange nooden der kerk heerlijk toebereid. Ze vindt in die belijdenis een stuk van haar eigen leven. Ze koestert die belijdenis als het kostelijk document, waarbij haar triomf over ketterij en dwaling, dankzij ’s Geestes inwerking, erkend is. Ze gaat op die belijdenis af als het eenige compas dat haar veilig door de velerlei uitleggingen van het Woord in de waarachtige beteekenis van dat Woord inleidt. Ze wil wel die belijdenis nog keuriger, nog juister, noch zuiverder zien worden, maar gedoogt nimmer dat eenig deel of stuk van haar prachtig organisme verminkt worde of veel min uitgesneden. En zonder ooit of onder wat vorm ook, die belijdenis met het geheel éénig Woord van God op gelijke lijn te stellen, houdt ze niettemin in de mogendheid des Heeren Heeren haar overtuiging staande, dat zoolang er geen zuiverder belijdenis gevonden wierd, haar belijdenis de allereenvoudigste en vooralsnog volkomenst bereikbare uitdrukking is van de volheerlijke waarheid die ons God heeft geopenbaard.

Kuyper, A. (1883) § 13

|27|

 

Hoofdstuk II.

De rechte formatie der kerken.

 

§ 13. Op wat wijze de formatie eener kerke tot stand komt.

Formatie der kerken doelt uitsluitend op haar waarneembare openbaring, d.i. op haar verschijning in het zichtbare; en dus niet op haar innerlijk, mystiek en geestelijk bestaan. Op de vraag nu: wie deze zichtbare gestalte der kerk formeert; moet geantwoord: God, of wil men nader: de Christus doet dit, door de geloovigen, onder leiding van het ambt.

God doet dit, 1º. door zijn Raad, waarin het bestek ligt van het mystieke wezen der kerk; 2º. door zijn Wonderdaden en Openbaringen, waardoor de fundatie gelegd is, waarop, naar dat bestek, zou worden gebouwd; 3º. door zijn Woord en Geest, werkende de roeping en toebrenging zijner uitverkorenen; 4º. door de aandrift tot kerkstichting, die Hij door de gemeenschap der heiligen in zijn uitverkorenen werkt; en 5º. door den eisch tot belijdenis van het Woord, waarmeê Hij komt tot elk geloovige.

Zonder den raad Gods zou er geen zaad Gods zijn, en alzoo geen kerk waarneembaar kunnen optreden.

Evenwel deze aandrift tot gemeenschap der heiligen en deze eisch tot belijdenis worden dan eerst waarneembaar, indien ze zich openbaren als poging tot aaneensluiting in gehoorzaamheid aan het Woord; en het is hierdoor dat God de Heere zich bij het formeeren van zijn zichtbare kerken instrumenteel gebonden heeft aan het handelend optreden van de geloovigen.

Een zeker aantal geloovigen in een zelfde dorp of in dezelfde stad levende, maar zonder dienst des Woords en geordende gemeenschap, vormen nog geen zichtbare kerk, overmits alsdan die functie van het leven der geloovigen, die de kerk vormt, nog werkeloos bleef. Eerst dan openbaart zich derhalve de kerk in het zichtbare, bijaldien in de schare der geloovigen de aandrift van de gemeenschap der heiligen werken gaat en in gehoorzaamheid aan het Woord tot een resultaat komt. Dan toch is het resultaat van deze functie des geloofs in de geloovigen, dat zij in onderling verband treden, zich

|28|

aaneen sluiten, een kerk in het zichtbare formeeren en om hun formatie een kerk te doen zijn, die formeeren in persoonlijke en gemeenschappelijke gehoorzaamheid aan het Woord van God. Of deze formeerende werking van de functie des geloofs in deze schare der geloovigen echt en zuiver is, d.i. voortkomt uit een aandrang van den Persoon des Heiligen Geestes in een deel van het mystieke lichaam Christi, is Gode en zijn Christus bekend, maar, in volstrekten zin althans, nooit aan menschen. Wie geen kenner der harten is, kan door schijn en vroom vertoon misleid worden, en, hoezeer aan Gods uitverkorenen soms zelfs in hoogen graad de gave wordt toebedeeld van de onderscheiding der geesten, toch is deze gave steeds uitzondering en nimmer volkomen. Reden waarom steeds als regel behoort te gelden, dat elk iudicium de intimis, d.i. elk oordeel over het verborgen leven des harten, blijft buitengesloten, en alle oordeel in het kerkelijke zich te richten heeft naar wat men met zijn mond belijdt en betoont in zijn openbaren wandel.

Onder de geloovigen, als instrument voor kerkformatie, verstaan we derhalve zoodanige personen, die door hun zuivere belijdenis van de waarheid Gods en hun eerbaren wandel zich openlijk als geloovigen aandienen; een regel die van zelf in zich sluit dat wel zelden een kerk zal gesticht zijn, zonder dat reeds in haar wording de hypocriet meê insloop in de verzameling van Gods heiligen.

Voor zoodanige kerkstichting door het instrument der geloovigen, is noodig: 1º. hun vrijheid om te kunnen saamkomen, beraadslagen en besluiten; 2º. hun wil en verklaring dat zij in dezen band zich verbinden; 3º. overeenstemming van hun formeerende handeling met de eischen van Gods Woord; en 4º. derhalve plicht en vrijheid om dezen band persoonlijk te ontbinden, zoodra zulk verband voor hen de gehoorzaamheid aan Gods Woord zou afsnijden. Uit dien hoofde is en blijft elk kerkelijk verband steeds ontbindbaar, of liever nog, valt het van zelf uiteen, zoodra, wat als Christi kerke gesticht wierd, in een kerk van den Antichrist ontaardt.

Eindelijk, deze formatie van kerken, door het instrumenteel optreden der geloovigen, komt niet tot stand dan onder leiding van het ambt.

Een kerk is geen maatschappij, vereeniging of genootschap dat naar eigen keus en inzicht zijn belangen regelt, en zich vertegenwoordigen laat door zekere organen, die het naar eigen wilsbepaling formeert en met personen bezet. Ware de kerk in haar zichtbare gestalte zulk een societas, dan zou ze los zijn van de ware geestelijke, mystieke d.i., eigenlijke kerk, en dus den naam van kerk verbeuren. Ze zou dan niet principieel door God zelven en slechts instrumenteel door de

|29|

geloovigen geformeerd zijn, en, buiten God om, eenvoudig een menschelijk creatuur vormen. Om dit niet, maar om Gods formatie en alzoo een wezenlijke en werkelijke kerk te zijn, moet ze zich conformeeren aan de door God verordende formatie. Niet de wil der geloovigen, maar Gods wil, niet menschenkeus maar Gods Woord moet de vormende kracht uitoefenen, die haar wording beheerscht.

Vandaar reeds in haar oorsprong en wording de gebondenheid van de kerken aan het ambt. Dit beduidt, dat de saamgekomen geloovigen, die een kerk gaan formeeren, geen de minste macht over zichzelven en uit zichzelven, noch ook uit of over elkander hebben, maar dat zij saam hebben te knielen voor den Eénige, die macht over hen allen lieeft; d.i. voor den Heere hunnen God. Dat zij derhalve, zelven geen macht bezittende, dus ook geen macht kunnen op- of overdragen, en dat hun derhalve niets anders rest, dan in gehoorzaamheid aan God mannen aan te wijzen, die niet door hen, maar door God en van Godswege met macht worden bekleed.

Eerst door zulk een goddelijk ambt krijgt de kerk organen en openbaart ze zich dus als organisme, en het is onder leiding van deze organen, dat de kring die zich geformeerd heeft, eerst in vollen zin kerk wordt of althans zich als kerk kan openbaren.

Dit ambt kan of van buiten tot hen komen, óf uit hun eigen boezem ontstaan.

Het komt van buiten in, bijaldien opzieners van andere kerken zulk een kring van geloovigen behulpzaam zijn in het formeeren der kerk. Of ook het ontstaat in zijn eigen boezem, indien zulk een kring van alle gemeenschap met naburige kerken afgesloten, door keuze, krachtens het ambt der geloovigen, personen aanwijst, van wie ze vraagt, dat God ze in het ambt instelle.

Voor kerkformatie blijft alzoo drieërlei eisch: ten eerste de werking van den Drieëenigen God in de gemeenschap der heiligen; ten tweede een wilsdaad der geloovigen tot aaneensluiting in onderwerping aan Gods Woord; en eindelijk ten derde het optreden van het ambt, om de kerke Gods van alle andere maatschappijen te onderscheiden.

Kuyper, A. (1883) § 14

§ 14. Wat het wezen eener tot formatie gekomene kerk uitmaakt.

Bij eene kerk die tot formatie gekomen is, dient scherp onderscheid gemaakt tusschen den vorm dezer formatie als zoodanig en het wezen der kerk dat in die formatie zich openbaart. Het wezen

|30|

nu eener zichtbare kerk is en blijft altoos de onzichtbare kerk, mits men daarbij insluite de ingeschapen aandrift van deze geestelijke en mystieke kerk om zich naar buiten te toonen. De onzichtbare kerk is het lichaam Christi, d.i. de organische verbinding van alle uitverkorenen door den H. Geest onder Christus als hun hoofd. Zijn dus in eenige stad of eenig dorp een zeker aantal levende leden van dit lichaam Christi woonachtig, dan is er het wezen der kerk, en komt dit tot bewustzijn, zoodra slechts deze leden, op hoe gebrekkige wijze dan ook, gemeenschap der heiligen oefenen, en des zins en willens zijn, om deze hunne gemeenschap tot voller en zuiverder kerkelijke openbaring te brengen, zoodra de mogelijkheid hiertoe slechts geboren wordt. Gezelschappen zooals door sommige onkerkelijke secten of antichristelijke kringen worden opgericht, vallen hier dus buiten; niet omdat in deze kringen geen levende lidmaten Christi kunnen opgesloten zijn; noch ook alsof men in deze kringen geen gemeenschap der heiligen zou pogen te oefenen; maar overmits de zin en de wil ontbreekt, om, waar dit kan, de kerkelijke formatie te openbaren. Gelijk een pas gestekte rank, ook al toont hij voor het oogenblik nog zoomin blad als tros, toch het wezen van een wijnstok bezit, overmits het vaststaat, dat zij al voortgaande vanzelf tot het uitbotten van blad en bloesem en het aldus formeeren van tros en druif komen zal, zoo ook bezit een vergadering het wezen eener kerk, ook al werken haar organen nog niet, zoodra slechts vaststaat, dat ze, opgroeiende en verder ontluikende, die organen verkrijgen zal en deze organen zullen werken. Daarentegen is een wilde wingerd geen wijnstok en mist het wezen ervan, ook al schoot hij hoog in zijn hout op en al is hij overdekt met het weelderigste loof, eenvoudig, omdat hij, hoe ook uitgroeiende, nooit één enkele tros van de edele druif kan telen.

Het wezen eener kerk ligt dus ook niet in de genademiddelen noch in de instellingen die deze genademiddelen helpen aanwenden. Geen wijnstok toch, om bij hetzelfde beeld te blijven, kan leven, veel min tieren, zonder vocht en licht, zonder aarde en warmte; maar wie zal daarom ooit in vocht of warmte het wezen van den wijnstok zoeken? En zoo nu ook kan wel geen kerk leven zonder de genademiddelen, maar nooit mag daarom, in welk genademiddel ook, het wezen der kerk als besloten gedacht worden. En even hetzelfde geldt van de instellingen die deze genademiddelen toedienen. Om den persikboom in het leven te houden, moet hij met mest gevoed, begoten met water en bij vorst met riet gedekt worden, maar noch die voeding aan zijn wortel, noch de gieter of het riet, waarmeê de tuinman hem

|31|

verzorgt, behooren daarom tot zijn wezen. En zoo nu ook kunnen de genademiddelen wel niet geschiktelijk zonder kerkelijke regeling, zonder kerkgebouw, zonder doopvont, brood en wijn aan de kerk worden toebediend, maar dit maakt nog geenszins dat deze regeling en wat uit haar voorvloeit, tot het eigen wezen der kerk zou behooren.

Het wezen der kerk ligt altijd uitsluitend in datgene wat de kerkformeerende kracht in zich draagt, en deze kracht nu berust, naar we zagen, voor de onzichtbare kerk rechtstreeks in God, en voor de zichtbare in de leden van het lichaam Christi.

Hieruit vloeit voort, dat eene vergadering, waarin geen leden van het lichaam Christi meer zijn, het wezen eener kerk verloor en niets dan het spotbeeld van een kerk overhield, hoe symmetrisch zuiver ze ook nog in haar instellingen sta. En omgekeerd, dat elke kerk nog altoos het wezen eener kerk behoudt, zoolang ze een kring van levende lidmaten Christi in haar schoot draagt, ook al waren al haar instellingen verdorven. Zelfs een geheel afgekapte boom behoudt nog altijd het wezen van een boom, zoolang het leven nog maar in den wortel zit.

Hiermeê is natuurlijk in het allerminste niet bedoeld, dat elke kerk, hoe ontredderd ook, nochtans kerk zou blijven, zoolang er nog maar enkele kinderen Gods lijdelijk in haar verkeerden; maar omgekeerd, dat deze kinderen Gods, deze kring van lidmaten Christi, nog altoos het vermogen in zich blijft behouden om de kerke Gods hetzij te reformeeren, hetzij nieuw te formeeren. Zoolang er nog eikels ter uwer beschikking blijven, is het wezen van den eik nog niet verloren, maar kan, hoe ook schuil gegaan, weer te voorschijn komen. Edoch dit punt komt eerst in deel vier breeder aan de orde.

Thans zij nog slechts opgemerkt, dat men in zijn oordeel over het wezen der kerk niet te haastig zij. Immers voor de eerste openbaring van het wezen der kerk is zeer zeker een kring noodig van uitverkorenen, die tevens reeds volwassen en besliste belijders zijn. Jonge kinderen of nog niet tot belijdenis gekomen personen zijn, ook al behooren ze tot Gods uitverkorenen, tot kerkformatie onbekwaam. In een bestaande kerk daarentegen rekent het zaad der kerk wel terdege mede, en is het wezen der kerk nog geenszins te loor gegaan, ook al waren de laatste uitverkorenen onder de volwassenen uitgestorven en nog geen der uitverkorenen onder de jongeren tot bekeering gekomen. Davids huis blijft het huis van Messias, ook al woedt een Achaz en Manasse en Amon in gruwelijken afgodendienst, omdat uit Achaz weer een Hizkia, uit dien Amon weer een Josia staat geboren te worden.

|32|

Komt het daarentegen zoover dat in een vroeger bloeiende kerk alle levende lidmaat uitsterft en geen zaad des Heeren meer wordt opgeschreven, zoodat dientengevolge ook de genademiddelen wijken en de instellingen vervalscht worden, dan kan er wel op datzelfde dorp weer een kerke Christi komen, maar slechts door nieuwe kerkformatie van buitenaf, niet meer door een scheute uit den niet slechts uitgehouwen, maar ook innerlijk verstorven tronk.

Niets hoeft dus afgedaan of toegevoegd aan de omschrijving door onze vaderen van de kerke Christi gegeven, t.w. „dat ze is een heilige vergadering der ware Christ-geloovigen, alle hare zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest,” een omschrijving die evengoed voor de onzichtbare als voor de zichtbare gestalte der kerk doorgaat, en dus zoowel voor elke plaatselijke kerk geldt als voor de kerk in ’t algemeen.

Slechts houde men hierbij wel in het oog, dat het wezen eener kerk uit een dubbel oogpunt kan beschouwd, al naar gelang men let op het wezen naar zijn vermogen, (potentiâ), of wel op het wezen naar zijn uitwerking (actu). Dynamiet is dynamiet ook al ontplofte het nog niet, omdat het toch het vermogen om te ontploffen in zich draagt. En zoo ook bezit een vergadering wel terdege het wezen eener kerk, zelfs al mist ze nog alle ambt, mits ze nog het vermogen om het ambt op te richten in zich drage.

Naar het vermogen, of gelijk men oudtijds zei, naar de potentie gerekend, is alzoo voor het wezen der kerke niets noodig dan de vergadering der Christ-geloovigen, overmits deze vergadering het vermogen om ambt en genamiddelen op te richten en aan te wenden in zich heeft. Naar de uitwerking daarentegen, of actu, gelijk men eertijds sprak, is van het wezen der kerk zoomin het ambt als het genademiddel af te scheiden. En naardien nu bij de zichtbare kerk het wezen bijna altoos actu optreedt, hebben onze vaderen volkomen terecht het wezen eener kerk in „de vergadering der geloovigen” gesteld, en nochtans als merkteekenen der ware kerk gewezen op Woord en Sacrament, door de discipline der kerk beveiligd.

Kuyper, A. (1883) § 15

§ 15. Hoe de kerken gedeeld en toch één zijn.

Het mystieke lichaam van Christus is één en alle deelen er van hooren saâm. Tot volledige openbaring zal de kerke Christi derhalve eerst dan komen, als ze, na geheel getriomfeerd te hebben, met Christi zitten zal op den troon. Alle voorloopige openbaring daarentegen is

|33|

nooit anders dan gedeeld en gebrekkig. Gedeeld door den tijd, naardien de uitverkorenen van deze eeuw geen gemeenschap der heiligen oefenen kunnen zoomin met de uitverkorenen uit Augustinus’ dagen als met de uitverkorenen van over drie of meer eeuwen. Maar ook gedeeld naar plaats, omdat de geloovigen, naar de beperktheid van hun natuur, duurzaam slechts met dezulken gemeenschap der heiligen kunnen oefenen, die met hen in een zelfde plaats wonen. Deze indeeling naar tijd regelt God de Heere rechtstreeks zelf door de tijdsbepallng van ieders geboorte en sterven, „bescheiden hebbende de tijden te voren verordend” (Hand. 17: 26), maar deze indeeling naar plaats niet dan middellijk door de geloovigen. Niet zoo echter alsof de geloovigen daarbij naar willekeur konden splitsen of saâmvoegen, maar met dien verstande, dat ze daarbij gebonden zijn én aan „de bepalingen van hun woninge, gelijk God die bescheiden heeft” (Hand. 17: 26) én aan den drang tot eenheid die van het lichaam Christi nooit is weg te denken.

God heeft de bepalingen van ieders woning gemaakt, en het is door zijn voorzienig Bestuur, dat de grenzen der landen bepaald en de afscheidingen van steden en dorpen ontstaan zijn. Het is alzoo één en dezelfde God, die eenerzijds het leven van landen en volken, van steden en dorpen leidt, en die anderzijds zijn kerk formeert en in stand houdt. Beide levenskringen staan uit dien hoofde, zonder saâm te vallen, met elkander in betrekking; en het is aan den Middelaar dat gegeven is èn het koningschap over de kerk èn alle macht over landen en natiën, steden en vlekken.

Met het onderscheid van volk en volk, van land en land, van gewest en gewest, ja van dorp en dorp heeft de geloovige bij kerkformatie dus wel terdege te rekenen. Het is het ééne lichaam van Christus, dat in onderscheiden landen onderscheidenlijk, in verschillende gewesten en streken op verschillende wijze, en ook in naast elkander liggende dorpen en steden zich toch weer op zelfstandigen voet, openbaart. Zoo min de eigenaardigheid van elke plaatselijke kerk, als de band die haar met kerken uit dezelfde streek, en deze weer met de kerken van hetzelfde gewest, en deze weer met de kerken van hetzelfde land te saâm bindt, mag door de geloovigen bij hun formatie der kerk uit het oog verloren. De ordinantie van Gods voorzienig bestek en bestel deelt de kerk in plaatselijke en gewestelijke en nationale kerken, maar ook de eenheid van het lichaam Christi houdt deze onderscheidene deelen in organisch verband saâm.

Zóó saâm zelfs, dat de kerk van het eene land zich er steeds bewust van hebbe te blijven, dat ze alleen met de kerken in andere landen

|34|

de kerke Christi is; reden waarom onze vaderen op de synode te Dordt gehouden dan ook de buitenlandsche kerken genoodigd hadden.

Met deze korte aanduiding kunnen we intusschen niet volstaan.

Immers de hier gegevene voorstelling, dat de plaatselijke kerk de primaire openbaring van de gemeente Jesu Christi is, en de classen en landskerken eerst secundair door foederatie van deze locale kerken ontstaan, wordt niet algemeen gedeeld.

Van de Independenten en Congregationalisten spreken we hier nu niet, zoomin als van de Roomsche kerkidé. Te meenen toch, gelijk de Independenten doen, dat elke kring, elke congregatie, een organische kerk-eenheid is, of ook gelijk de Roomsche dat de organische kerkeenheid eerst in de wereldkerk geopenbaard wordt, is een dwaling, die onder ons door niemand bepleit wordt.

Maar wel dient het gevoelen getoetst van hen, die oordeelen, dat onze landskerk een organische eenheid vormt en de classen en locale kerken slechts als deelen of cellen in deze organische eenheid bestaan.

Gelijk boven reeds gezegd is, wordt dezerzijds volkomen toegegeven: 1º. dat het Independentistische denkbeeld, alsof elke congregatie of elk kerspel als organische kerkeenheid kon optreden, verwerpelijk is; 2º. dat de samenhang der kerken van een zelfde natie niet aan wilkeur is overgelaten, maar beschikt en bescheiden is in het bestel van woningen en steden, in de eenheid van een gemeenschappelijk verleden, in den drang der liefde en der gemeenschap, en bovenal gegrond ligt in de éénheid van het lichaam Christi waarvan, alle locale kerken de openbaringen zijn; en 3º. dus ook dat, stel al het confederatieve kerkverband wierd voor een tijdlang verstoord, desniettemin de locale kerken van eenzelfde natie, ook zonder verband in het zichtbare, wel terdege bij elkander hooren en hoe eer hoe beter weer tot verband dienen te komen.

Beweerd daarentegen wordt dezerzijds: 1º. dat elke locale kerk in zichzelven het wezen eener kerk bezit; 2º. dat het uiterlijk verband in rechten met andere kerken niet anders dan door confoederatie tot stand komt; en 3º. dat het organische geheel alleen gevormd wordt door de onzichtbare kerk, terwijl in deze onzichtbare kerk de locale kerken de organisch samenstellende deelen, en de classen en nationale kerk slechts de organische groepen zijn.

Om zich hiervan te overtuigen behoeft men zich slechts af te vragen, wat het wezen eener kerk uitmaakt, en blijkt dit nu te liggen eenerzijds in den kring van geloovigen, anderzijds in de bediening der genademiddelen en zoo is het hiermeê uitgemaakt, dat men aan het wezen eener kerk niets af of toedoet, of men een plaatselijke

|35|

kerk tijdelijk isoleert, dan gedeeld laat. Op de gesteldheid van die kerk zal dit ongetwijfeld invloed hebben, niet op haar wezen. Zoodra een vergadering slechts openbaring is van het lichaam van Christus is haar wezen als kerk verzekerd.

Bovendien het woord organisme dient in juisten zin genomen, en deze zin nu kan velerlei zijn. Volledig is het organisme der kerk niet anders dan in het gansche mystieke lichaam van Christus gegeven. Immers tot het volledige organisme der kerk behooren al hare deelen; zoowel die nu reeds uitgegroeid zijn, of nog uitgroeien zullen. Bedoelt men daarentegen een gedeeltelijke organische openbaring van dit volledige organisme, voor zooverre in elke levenscel de natuur van geheel het organisme geschetst ligt, dan is zulk een kerkorganisme overal dáár aanwezig, waar de kerk naar heur kerkelijk wezen op onmiskenbare wijze waarneembaar is, dat is in elke plaatselijke kerk. En nu kan ik ten slotte het woord organisme nog wel in een derden zin nemen, om uit te drukken, het natuurlijke levensverband waarin deze onderscheidene organische levensopenbaringen met elkander staan, maar dan verkrijg ik daarmee nog nooit iets anders dan een relatief en rekbaar begrip, dat in grooter of kleiner omvang zich kan uitdijen, en dat uit dien hoofde nooit in de plaats kan treden voor het organische begrip van kerkeenheid dat reeds in de locale kerk gegeven was.

Te zeggen, dat dit in den aanvang der reformatie wel zoo was, maar sedert de historie van drie eeuwen anders wierd, gaat evenmin op. Immers toen onze hervormers ook hier te lande opstonden, hadden de plaatselijke kerken reeds eeuwen lang bestaan, en evenzoo hadden de plaatselijke kerken reeds eeuwenlang heur kerkverband gehad, ’t welk zich ook destijds naar de nationale grenzen richtte. Desniettemin hebben onze vaderen geen oogenblik geaarzeld, om onverwijld weer tot de locale kerk terug te gaan, en eerst uit deze locale kerken het kerkverband voor land en volk weder te doen herleven.

Maar wat alles afdoet, de Heilige Schrift geeft hier beslissend getuigenis, en dat wel op tweeërlei wijs.

Ten eerste doordien de heilige Apostelen alle plaatselijke formatie als ἐκκλήσια of kerk erkennen, en steeds spreken van de ἐκκλήσιαι of kerken. Nooit daarentegen van een ἐκκλήσια of kerk als begrip van uitwendig organische kerkelijke eenheid. Zij richtten zich tot de kerk van Rome, tot de kerk van Corinthe, maar schrijven ταῖς ἐκκλησίαις τῆς Γαλατίας, d. i. tot de kerken van Galatië. Zelfs de kerken van deze ééne provincie vat Paulus dus niet als uitwendige organische eenheid, maar als organische formatiën met eigen zelfstandigheid.

En ten tweede, nergens is in de schriften der heilige Apostelen een

|36|

spoor van te ontdekken, dat zij de opsmelting van de plaatselijke kerken in zekere nationale eenheid als voorwaarde voor het behoud en het wezen eener kerk stellen.

En wat nog sterker spreekt, als de Heere Jezus zelf in Openbaringen II en III aan den heiligen Apostel Joannes zeven brieven geeft voor de zeven ἐκκλησίαι d.i. kerken in Klein-Azië, vertoont de Heere wel de organische eenheid van het zevental in de eenheid der zeven luchters op den kandelaar, maar de kerken zelve worden als op zichzelf staande toegesproken; van een uitwendig verband met elkaar wordt heur wezen als kerk geen oogenblik afhankelijk gesteld; en daartegen wordt elke plaatselijke kerk uitdrukkelijk als ἐκκλήσια τοῦ κυρίου, d.i. een kerk des Heeren erkend.

Op deze gronden meenen we derhalve, dat Schrift, historie en juistheid van begripsonderscheiding er zich tegen verzetten, om aan de plaatselijke kerken als zoodanig het wezen van een kerk te betwisten. En kan dit heur niet betwist, zoo staat het dan ook vast, dat de kerkeenheid, waarvan we hebben uit te gaan, niet in wereldkerk, noch ook in landskerk of classen, maar uitsluitend in de locale kerk gegeven is.

Kuyper, A. (1883) § 16

§ 16. Of er in één zelfde plaats meer dan ééne kerk kan geformeerd worden.

Mogen de geloovigen bij het formeeren der kerken niet naar willekeur te werk gaan, maar zijn ze gebonden, zoo aan de eenheid van het lichaam als aan de bepaling van ieders woning, die God de Heere bescheiden heeft, zoo ontstaat de vraag of alle geloovigen in één zelfde plaats slechts ééne kerk saâm kunnen formeeren.

Deze ééne vraag valt weer in twee anderen uit elkander, t.w.: mag men in de onderscheidene deelen van grootere steden afzonderlijke kerken formeeren; en mag men zonder de steden in te deelen, twee gelijksoortige kerkformatiën naast elkander plaatsen.

Op beide vragen nu moet ontkennend geantwoord. De eenheid der burgelijke gemeenten bepaalt van zelf het terrein voor afzonderlijke kerkformatie. Waar, gelijk in Londen, de zoogenaamde stad slechts een bijeenvoeging van dertig en meer gemeenten is, elk met een eigen burgerlijke huishouding, is splitsing dus eer geboden dan te ontraden. Maar blijft de burgerlijke gemeente één, dan behoort ook de formatie der kerk één te blijven, ook al omvat ze dan een getal van honderd duizend en meer zielen. Iets, wat echter allerminst in zich sluit, dat er in deze ééne kerk geen onderdeelen of kerspelen konden geformeerd

|37|

worden, mits aan het hoofd van al deze onderdeelen slechts ééne kerkeraad sta en deze de eenheid der gemeente representeert.

En evenzoo moet ontkend, dat naar den eisch van het beginsel meerdere kerkformatiën naast elkander op hetzelfde terrein mogen aanwezig zijn. Een Luthersche of gescheidene Gereformeerde kerk naast een van ouds bestaande Gereformeerde kerk in één zelfde stad, haar leden in dezelfde straten tellende, is niet gelijk het behoort, ook al moet het om ’t gebrekkige van den toestand, soms tijdelijk geduld. Slechts wat in Belijdenis der waarheid principiëel uiteenloopt mag zich afzonderlijk formeeren; wat daarentegen één in belijdenis is, hoort saâm. En aan den strengen eisch van het beginsel zou dan eerst recht geschieden, indien men bij verschil in Belijdenis van ondergeschikte punten niet rustte eer men hierin „hetzelfde gevoelde”, om voorts aan allen, die tegen deze Belijdenis der waarheid overstonden, het recht op den naam van kerk te ontzeggen.

Intusschen is in Rome blijkbaar aan welke gevaren de geloovigen zich blootstellen, indien ze bij het in praktijk brengen van dit beginsel, geen rekening houden met het gebrekkige en onvolkomene van onze toestanden.

Deze toch maken het noodzakelijk, dat men steeds in de conscientie een grens eerbiedige, die nimmer mag overschreden. Waar de formatie der kerken op vrije aaneensluiting van de geloovigen berust , kan noch mag de eenheid der kerkformatie verder strekken dan de eenheid in overtuiging gaat, en moet alzoo kerkformatie nevens onze kerk, mits op den grondslag van afwijkende belijdenis, worden geduld.

Ja zelfs dan als bij volkomene overeenstemming in de belijdenis nochtans om uitwendige oorzaken, twee kerkformatiën in één zelfde stad of dorp naast elkaâr staan, mag in abnormale toestanden de ééne aan de andere het recht op den eerenaam van kerk niet betwisten, maar dient over en weder geijverd met liefdedrang om beide kerken te vereenigen.

Kuyper, A. (1883) § 17

§ 17. Hoe een eenmaal geformeerde kerk duurzaamheid erlangt.

Geloovigen, die in den naam des Heeren een plaatselijke kerke Christi formeeren, bedoelen daarmeê niet de oprichting van een kerk voor hun eigen profijt, en die dus bij hun verhuizen of versterven, als overtollig zou kunnen gemist worden, of bij ontstentenis van leden zou doodbloeden. Dit zou zoo zijn, indien zij de kerk maakten. Nu daarentegen de kerk er was eer zij optraden, en hun formatie uitsluitend

|38|

bedoelde, die reeds aanwezig zijnde geestelijke kerk tot openbaring in het zichtbare te brengen, handelen zij evenzoo als iemand die een fontein boort, die er in den bodem reeds was eer hij boorde, maar eenmaal geboord, dan ook bestemd is om duurzaam water te bieden aan elk komend geslacht. Of wil men meer Hollandsch, met een beeld aan onze polders ontleend, zeg dan: het formeeren van zulk een kerk is niet ongelijk aan het droogmaken van een binnenmeer, waar de bodem altoos onzichtbaar onder school, om nu door droogmaking eerst openbaar te worden, maar dan ook duurzaam als ingedijkte en drooggemalen polder teelland te bieden zoo aan den tegenwoordigen als komenden bezitter.

De duurzaarnheid eener kerk rekent dus wel terdege bij het ernstig karakter van haar formatie mede, en er dient alzoo gevraagd: hoe deze duurzaamheid verkregen wordt.

Hierbij laten zich twee wegen denken, gemeenlijk als de gereformeerde en de methodistische onderscheiden.

De Methodist namelijk oordeelt dat de profijtelijkste manier om aan de kerk geduurzaamheid te geven bestaat in het bekeeren van nog onbekeerden, die alsnu, na bekeerd te zijn, in de kerke inkomen. Voor wat zalig afsterft, komen dan telkens zalig gemaakten, die eerstverloren waren,in de plaats. Doop na de belijdenis is op dit standpunt het eenig juiste en voor Christelijk onderwijs te zorgen heeft in dezen gedachtengang geen zin. Al wat gedaan dient te worden is dat men én onder de kinderen der geloovigen én onder de Joden én onder de heidenen voortdurend werve voor koning Jezus. Gelukt dat werven, dan is het doel bereikt, en zet het ledental der kerk zich uit. Maar, eens bekeerd, heeft iemand eigenlijk op aarde geen reden van bestaan meer. Hij kan sterven, en dat hij stierve, ware voor hem verreweg het best. Alleen de beweegreden, dat hij nu op zijn beurt anderen moet bekeeren, kan hem verzoenen met het denkbeeld, om zijn leven hier nog voort te leven.

Vandaar dat in den kring van hen, die alzoo denken, de kerk geheel bijzaak is. Ze doet dienst als bekeeringsmiddel. Maar bekeeren doet men ook door tal van andere middelen. En overmits die andere middelen, zooals bijv. de „Salvation Army”, bidstonden meetings, enz. veel beter doel treffen, staat de kerk, als weinig bruikbaar, in de schatting derzulken meestal verre op den achtergrond. Die kerk ontvolkt men dan ook, om de particulieren samenkomsten overvol te maken. In naam wordt de kerk nog bijgehouden, maar inderdaad valt ze weg.

Geheel anders daarentegen oordeelt de Gereformeerde. Naar zijn overtuiging is de Eenige die zielen krachtdadelijk bekeeren kan, de Heere onze God. Niet bij manier van spreken, maar feitelijk en zeer

|39|

eigenlijk, zoodat geen enkele ziel ooit krachtdadiglijk en in echten zin bekeerd wierd, tenzij God de H. Geest in de ziel inplantte het geloofsvermogen, en dat vermogen tot werking bracht. Gereformeerde lieden beelden zich daarom nooit in dat ze anderen bekeeren moeten, maar belijden veeleer dat ze dit in het allerminst niet kunnen; en dat zij slechts hebben toe te zien, dat geen der middelen onaangewend blijve, die in Gods hand ter bekeering van hun naaste dienen konden. Het oordeel over deze middelen matigen ze intusschen niet zichzelven aan, maar achten dat het Gode alleen toekomt die middelen te verordenen, en dat zij mis en feil gaan, zoodra ze iets anders doen dan in stille gehoorzaamheid, een iegelijk in den weg zijner roeping, die middelen werkzaam te maken, die van God verordend zijn. En overmits nu de genademiddelen van God in zijn kerk zijn gelegd, zoo is het uit deze oorzaak dat ze niet van buiten-kerkelijke, maar juist van kerkelijke levensuiting bij voorkeur de toebrenging van Gods uitverkorenen verwachten.

Hun zorge voor de geduurzaamheid der kerk toont zich dan ook op geheel andere manier. Komende uit de geestelijke kerk en pogende die te openbaren, weten ze dat ze die kerk niet als afgetrokken individuën formeerden, maar als mannen en vrouwen, als vaders en moeders, met al wat het hunne was. Zij zijn dus met hunne kinderen, of wil men, zelfs met het zaad in hunne lendenen in die kerk ingetreden, en al wat hun geboren wordt, wordt dus in die kerk geboren. De rivier die langs uw erve haar wateren voortstuwt, blijft niet voortstroomen, zoo oordeelt een Gereformeerde, doordien gij er nu en dan een emmer water van elders ingiet, maar alleen door de beekjes die afvloeien van Gods bergen. En zoo ook wordt de levende stroom der kerk niet in stand gehouden, door enkele bekeerlingen, die gij er inmengt, maar veeleer en veelmeer door dat nieuwe leven, in de kinderen die geboren worden, welk leven voortkomt uit God. Hun kinderen bekennen ze daarom reeds bij hun geboorte, als ja in zonde ontvangen en der verdoemenisse onderworpen, maar tegelijk als in Christus geheiligd, en dus in de kerk als lidmaten, zij het ook nog als onuitgegroeide lidmaten inzijnde. Vandaar hun stokstijf staan op den kinderdoop. Vandaar hun hechten aan degelijke opvoeding. Vandaar de nadruk dien ze op Christelijk onderwijs leggen. Vandaar hun rust en kalmte in het stil gehoorzaam aanwenden der middelen, ook daar waar nog geen bekeering gezien wordt. Dit toch weten ze, zij hebben te gehoorzamen en het getal der uitverkorenen wordt nooit vermeerderd, maar ook stellig vol.

Hoe uitwendig hun kerkformatie dan ook zij, ze is daarom nooit één

|40|

oogenblik los van den geestelijken achtergrond der onzichtbare kerk. Het leven is onder den bodem en uit dien levensbodem schiet het telkens op. Hun kerk is een levend organisme, waarvan de bladen verwelken mogen, maar om zich telkens in nieuw loof te verjongen. Vandaar dan ook dat hun vol verklaren van de nu uitgegroeide leden bij hen nooit een bloot formeel, maar altoos een geestelijk karakter draagt. Want natuurlijk moet elk nieuw lid door een openlijke daad de eerste kerkformatie helpen voortzetten. Of iemand een nieuwe kerkformatie helpt oprichten, dan wel in een bestaande als nieuw geboren lid optreedt, dit maakt niet het minste verschil. Een lid der kerk moet eenmaal in zijn leven hebben verklaard: „Ik ben een geloovige en als geloovige zoek ik de gemeenschap der heiligen met de andere geloovigen.” En waar dit nu uitkomt? In een lidmatenboek? o, Gewisselijk, de Heere onze God is niet te geestelijk, om ons ook aan de orde van het geschrevene te binden. Maar toch, dat boek is slechts de catalogus van het leven, en het leven waarvan dat boek getuigt, is de belijdenis van eigen verdoemelijkheid en Christi heiligheid, bezegeld in de gemeenschap der heiligen aan het Avondmaal.

Dat nu onder deze volgeworden leden, die ten H. Avondmaal komen, vele hypocrieten insluipen, laten de Gereformeerden aan het oordeel Gods over; indien zij slechts toezien, dat ze in den weg der gehoorzaamheid niet te kort schieten en alzoo niet ophouden door oefening der kerkelijke tucht gedurig dit hypocrietendom te besnoeien. Indien het anders konde, zouden ook zij liever het hart beoordeelen; maar ze weten dat dit nu eenmaal Gods onschendbaar privilege is, zoodat de vurigste methodist, zoomin als zij, den inwendigen mensch kan doorgronden, en teleurstelling allerwegen een iegelijk beidt, die het peillood in die geestelijke wateren neêrlaat. Zoo laten ze zich dan genoegen met wat God de Heere over hen verordineerd heeft, en stellen ze dezen regel vast: dat ze anderen zullen beoordeelen naar de belijdenis, maar zichzelven, bij Gods licht, naar het hart.

Bij deze aanneming van volgeworden leden der kerk, of liever bij hun toelating tot het H. Avondmaal, moet de vergadering der geloovigen intusschen minstens evenzeer handelend optreden als de ten Avondmaal komende personen. De kerk blijft een vergadering, die in haar geestelijken wortel den band in Christus heeft, maar in het zichtbare geen band heeft dan in onderlinge overeenstemming. Wie naar het H. Avondmaal verlangt, kome, maar ook aan de kerk, d.i. aan de vergaderinge der geloovigen blijve het onverkorte recht, om in haar kring op te nemen of uit dien kring uit te sluiten.

|41|

Ditzelfde geldt nog sterker bij het van elders aankomen van personen, die in de plaatse hunner woning reeds in een kerkelijke vergadering leefden. Nooit mag een kerk in het algemeen verplicht of gedwongen worden, om iemand als lid op te nemen, alleen omdat hij reeds elders lid eener kerk was. Elke kerk heeft voor zichzelve te beslissen, aan wie ze medezeggenschap in haar kring wil verleenen. En hoezeer attestatie uitreiken dit overgaan van kerk naar kerk zeer vergemakkelijkt, zoo mag toch nooit dit huismiddel het recht der kerk verkorten, noch kan het ooit den geloovige van den plicht tot vernieuwde belijdenis ontslaan. Elke goed geformeerde kerk moet wel en deugdelijk weten of ze op den inhoud eener attestatie aan kan, en is, zelfs bij het opkomen van twijfel, tot vernieuwd, zelfstandig onderzoek van den persoon, die zich aanmeldt, verplicht.

Hiermeê is echter een kerk in de zorge voor haar geduurzaamheid nog niet aan het einde van haar taak gekomen. Behalve toch de in haar schoot geboren kinderen en de van elders ingekomenen, heeft ze ook om te zien, of er in de plaats harer inwoning niet nog anderen leven, die voor de kerk misschien te winnen waren. Ze moet toch de mogelijkheid stellen, dat er uitverkorenen Gods ook onder deze schuilen, en ook afgezien hiervan heeft ze voor de eere van Gods Naam ook bij deze mede-ingezetenen te ijveren. Het gebod waaronder ze staat is: „Predikt het Evangelie aan alle creaturen”! — een gebod waarvan ze allerminst ontslagen is door zendelingen op duizenden mijlen afstands in haar naam te laten werken, doch waaraan gehoorzaamheid allereerst betoond dient door het uitgaan in de heggen en stegen, niet alleen onder de kerkleden, maar ook onder de buitenstanders, niet enkel bij maniere van kerkdienst, maar ook door missie.

Kuyper, A. (1883) § 18

§ 18. Waar het gezag in de zichtbare kerk berust.

Niet alle gezag is gelijk. Een geformeerde kerk kan staatkundige rechten begeeren en verlangen, teneinde door de Overheid erkend, gesteund, beschermd te worden. Te dezen opzichte berust het gezag ook over de kerk bij de Overheid des lands. Zoo ook kan een geformeerde kerk burgerlijke rechten willen uitoefenen door het verwerven van eigendom, daden van beheer, door koop of huur of het sluiten van contracten. Te dien opzichte nu komt ze onder het gezag van den burgerlijken rechter. Aan de uitspraak van welken rechter ze eveneens onderworpen is, bij verschil over contracten met andere

|42|

kerken, indien geen scheidsgerecht of andere uitkomst, op beiderzijds bindende wijze, bedongen is. Al zulk gezag intusschen is niet het gezag dat in den kring der kerk als zoodanig thuis hoort. Er is zeer goed een kerk denkbaar, en ze zijn er onder het kruis in menigte geweest, die noch staatsrechtelijke noch burgerlijke rechten bezaten en zelfs elke confoederatie misten, en nochtans kerken waren. Waar van gezag in de kerke Christi sprake valt is daarom uitsluitend dat eigenaardig gezag bedoeld, dat in haar eigen boezem wordt uitgeoefend over zaken haar wezen als kerk rakende. Een kerk is, eenmaal geformeerd zijnde, een instituut, waarin bevoegdheid om te bevelen en daden van hoogheid uit te oefenen staat naast den uit dat gezag voortvloeienden plicht om te gehoorzamen en eere te bieden. De vraag is nu maar, waar dit gezag berust, en wel berust, niet voor het onzichtbare, in mystieken zin, maar voor wat het kerkelijk instituut aangaat, in het zichtbare.

En op die vraag nu is te antwoorden: Het gezag in en over de kerk berust in haar Koning en Heer, aan wien het door God Drieëenig is overgegeven, en deze eenige Koning en Heer oefent dit zijn heerlijk en souverein gezag rechtstreeks uit door zijn Woord, d.i. door de H. Schriftuur, door zijnen Geest, die als Werker in de harten optreedt en door de lotgevallen in lief en leed die hij over zijn kerke op aarde beschikt. Recht om te bevelen en daden van hoogheid, als souverein, uit te oefenen, berust dus onder menschen bij niemand. Er is in de kerk geen andere Overheid dan haar Koning en Heer, en noch overdrachtelijk noch bij maniere van spreken, mag ooit van iemand gezegd, dat hem de overhoogheid over eenige kerke Christi toekomt. Wel kan van kerkelijke overheid gewaagd, in den zin, waarin onze vaderen ook parlementsleden, als volksvertegenwoordigers, en de ambtenaren, als „magistratus inferiores” eerden; maar nu in onze dagen dit gebruik van den naam „overheid” geheel verdween, is elk spreken van „kerkelijke overheid”, indien men eenigen mensch bedoelt, ongerijmd geworden. Souvereine hoogheid, of overhoogheid (getijk onze ouden spraken) in de kerk onder menschen te zoeken, is ontkennen dat Jezus koning is, of dat hij leeft, of ook dat hij nog inderdaad macht op aarde rechtstreeks uitoefent.

Alle gezag door menschelijke personen in de kerk uitgeoefend is daarom altoos het omgekeerde van de overhoogheid, t.w. bedienend. Gelijk een ambtenaar zeer zeker gezag uitoefent, maar nooit dan in naam, op last, krachtens de hoogheid zijns konings en onder verantwoordelijkheid aan hem, zoo ook is alle gezag dat

|43|

in de kerk wordt uitgeoefend, nooit anders dan ambtelijk en bedienend gezag, waarbij de uitoefenaar niets is en zijn koning alles. Het in de kerk uitgeoefend gezag is daarom tevens heilig, want het ontstaat nooit door overeenkomst noch uit met zonde vermengde aardsche mogendheid, maar vloeit rechtstreeks voort uit dat apart gestelde gebied van het koninkrijk der hemelen, waarover de Zone Gods als Middelaar den scepter voert.

Dit ambtelijk bedienend gezag nu komt hier alleen ter sprake naar onze toestanden, onder het Nieuwe Verbond, zoodat niet in aanmerking komen noch de vroegere privilegiën van Israëls stammen, noch het gezag door den priester of profeet in oude dagen, noch ook het gezag van Davids afstammelingen op den troon te Jeruzalem. David immers leeft niet na in onze koningen, maar David leeft voort in den Christus. En van dit buitengewone en voorloopige alzoo op de gewone en nu duurzame gestalte der kerk komende, moet dus gevraagd: door welke menschelijke personen deze koning thans zijn gezag uitoefent. Een vraag waarop het antwoord tweeledig luidt, t.w. wezenlijk of essentieel door het ambt aller geloovigen, en wat de bewerktuiging aangaat, of organisch, door de aangestelde dienaren.

Zonder den band aan Christus ook maar één oogenblik los te laten, dient dus vastgesteld, dat het gezag in de kerk bij de kerk zelve rust, maar voor hare uitoefening meestendeels gebonden is aan bepaalde organen. Geestelijk streng monarchaal, zijnde een koninkrijk onder het absolute koningschap van den Christus, is de kerk dusin het zichtbare beslist democratisch, maar voor haar bewerktuiging aan den aristocratischen vorm gebonden. Niet intusschen, men lette hier wel op, alsof de vergadering der geloovigen de gezagsopdracht van den Koning ontving, om nu op haar beurt dit gezag op de dienaren over te brengen. Neen, en de geloovigen èn de dienaren ontvangen beiden hun ambtelijke-roeping rechtstreeks van den koning. Zoo het ambt der geloovigen als het ambt der dienaren staat volmaakt op één lijn. De gemeente staat niet over de dienaren en de dienaren staan niet over de gemeente, maar over beiden staat Christus, die beider onderlinge verhouding bepaalt, door beider gezag uitsluitend aan zijn Woord te binden. Waagt de gemeente het op de dienaren een pressie uit te oefenen, die buiten het Woord van God om of er tegenin gaat, dan is het gezag van zulk een gemeente van nul en geener waarde, en deert het den dienaar niet. En evenzoo, onderwindt zich een dienaar, buiten het Woord om of er tegenin, gezag over de geloovigen uit te oefenen, dan valt dit gezag geheellijk in duigen, is geen gezag meer, maar werd pure aan matiging. En

|44|

daarom is de verhouding van dit gezag dan ook wisselend. Zuiver is het alleen daar verdeeld, waar èn de geloovigen èn de dienaren stipt bij het Woord blijven en alleen krachtens dat Woord optreden. Maar ontzinkt de gemeente aan het Woord dan klimt over haar het goddelijk gezag der dienaren, en evenzoo verlaten de dienaren het Woord, dan klimt over hen het goddelijk gezag der gemeente. Tot ten leste een vergadering der kerk, die het Woord geheel verlaat, alle gezag kwijt is, en evenzoo dienaren die geheel buiten het Woord gaan geen enkel recht op gezag meer pretendeeren kunnen. Het verschil tusschen het overheidsgezag en het kerkelijk gezag springt dus in het oog. De burgerlijke overheid blijft haar gezag behouden ook al gaat ze tegen God in, en deswege moest ook een Nero gehoorzaamd. Maar in de kerk niet alzoo. Daar wordt gehoorzamen zonde, eere bieden schuld voor God, zoodra de persoon die beveelt en eere vraagt, omgaat buiten het Woord.

Zij, die, vreemdelingen in de eerste beginselen van het kerkrecht, ten deze van revolutie spreken, toonen derhalve slechts de verkeerdheid van hun eigen hart op het stuk van de gehoorzaamheid, die we aan Christus, onzen Koning, schuldig zijn.

Revolutie is het gezag van den koning weerstaan. En dat gezag nu weerstaat, niet hij, die den afvalligen ambtenaar bestraft, maar juist omgekeerd elk geloovige, die den ontrouwen ambtenaar naar de oogen ziet en eert.

Kuyper, A. (1883) § 19

§ 19. Welke stelsels van kerkregeering er beproefd zijn?

Vijf stelsels van kerkregeering zijn achtereenvolgens voor de kerken Christi in haar zichtbare gestalte uitgedacht, die we duidelijkheidhalve onderscheiden zullen, als het Roomsche, het Luthersche, het Gereformeerde, het Independentistische en het Collegiale.

Van het Roomsche stelsel zijn dit de vier eigenaardigheden: 1º. dat het ééne regeering voor heel de zichtbare kerk op aarde in het leven roept, 2º. dat het de kerk deelt in de beide standen van de geestelijkheid en de leeken, om voorts de leeken geheel buiten het bestuur te sluiten, 3º. dat het in beginsel streng monarchaal is, en 4º. dat het de supprematie vestigt van de kerk over den staat. Het Roomsche stelsel wil ééne regeering voor geheel de wereldkerk, maakt zich daarom los van de nationale eigendommelijkheden, verdringt de levende schakeering der volkstalen door ééne doode taal, die voor allen

|45|

gelijk zal zijn, en boet dáárdoor het meest haar geestelijk karakter in, dat het de organische eenheid der kerk in Christus niet vertrouwt en ze daarom door een uitwendigen band instrumenteel waarborgen wil. Hiermeê hangt haar tweede kenmerk: „scheiding tusschen clerus en leekenelement, om voorts den leek onmondig te verklaren”, rechtstreeks saâm. Immers met het leekenelement drong vanzelf het nationale verschil weer in de kerkregeering; niet den leek, maar wel den clerus, kan men buiten het nationaal verband plaatsen; vooral door invoering van het coelibaat. Aldus toch vormt deze geestelijkheid, losgewikkeld uit het nationaal verband der maatschappij, een afzonderlijke orde, die uitsluitend voor de kerk leeft, en juist daardoor een wereldkerk helpt in het leven roepen. Dientengevolge moest de Roomsche kerk zich dan ook, in de derde plaats, streng monarchaal ontwikkelen. Wel zag men dit niet aanstonds in en hebben Rome’s pausen een hardnekkigen strijd te strijden gehad, eer ze het republikeinsche denkbeeld van het souvereine concilie, uit alle bisschoppen der wereld samengesteld, onderdrukt hadden, maar de consequentie van het beginsel streed voor hen en was op hun zijde, en niet de bisschoppelijke oppositie, maar wel terdege Hildebrand en zijn pauselijke school hebben de diepe gedachte gegrepen, die het Roomsche kerkstelsel bezielt. Om de eenheid der wereldkerk uit te drukken is het conciliestelsel onmachtig en alleen het pauselijk systeem bekwaam. In het concilie toch komen altoos weer de nationale onderscheidingen te voorschijn, en alleen in den paus valt alle nationaal verschil weg. En eindelijk, in het concilie is de band aan Christus nooit te vinden, dien band vertoont alleen zijn stedehouder op aarde. Vandaar dan ook, dat nog als vierde kenmerk van dit stelsel is te wijzen op de suprematie die het Roomsche stelsel. beoogt over den Staat. De kerk opvattende als gelijkluidend met het Koninkrijk Gods en onder den paus als stedehouder Christi zelfstandig georganiseerd, kan Rome geen macht boven zich dulden, daar dit een macht van de nationale overheid zou zijn, die haar eenheid brak, en evenmin in die overheid een geheel zelfstandige macht naast zich toelaten, daar dit haar dwingen zou, zich terug te trekken op zuiver geestelijk terrein. De theorie der twee zwaarden is derhalve in ’t minst geen eenzijdige overdrijving, maar slechts de logische, ontwikkeling van wat in de valsche idée van één eenige zichtbare kerk schuilt.

Geheel anders poogde de Luthersche kerk de vraag naar de beste kerkregeering op te lossen. Haar stelsel is feitelijk hetzelfde als dat hetwelk door de Remonstranten hier te lande, en op naam van Erastus in Engeland gedreven is, en, na Thomasius’ optreden

|46|

meest bekend is onder den naam van het territoriaal systeem, d. i. het stelsel dat de ééne wereldkerk splitst en indeelt in zoo vele deelen en brokstukken als er vorstelijke territoriën zijn, met eigen souvereiniteit. Dit stelsel staat lijnrecht tegen Romes stelsel over, in zooverre het de eenheid der wereldkerk opzettelijk breekt en verstoort; de nationale onderscheidingen den toon laat aangeven; en het niet den Staat onder de Kerk, maar principieel de Kerk onder den Staat stelt. De strijd thans nog altoos in Duitschland tusschen het Pruisische Hof en de curie van Rome gevoerd, geldt dan ook niets minder dan de volstrekte tegenstelling tusschen dit Luthersche en het Roomsche systeem.

Naar luid van dit Luthersche stelsel namelijk, heeft Christus het gezag over zijn kerk in handen van den vorst des lands gelegd. De koning, hertog of graaf is heer over de kerk, gelijk hij heer over het land is. De kerk als kerk heeft geen eigen gezag; alle gezag over haar is den vorst des lands opgedragen. Want wel verschilde men in de uitlegging van dit feit, door dien de één leerde, dat de vroegere bisschoppelijke macht slechts op den vorst was overgegaan, en de andere, stellig meer consequent, staande hield, dat de vorst, krachtens zijn eigen vorstelijke souvereiniteit, souverein ook over de kerk was, maar feitelijk werd door beiden beleden, dat de vorst alleen autoriteit over de landskerk bezat, naar den fatalen stelregel: cuius regio eius religio d.w.z. „wie heer is in het land zet den godsdienst naar zijn hand”. Het leekenelement kwam in dit Luthersche stelsel geenszins tot zijn recht. Niet twee, maar drie standen onderscheiden de voorstanders van dit Luthersche systeem, t.w. den regeeringsstand, den dominé’sstand en den leekenstand. Van deze drie berustte bij den regeeringsstand alle gezag, had de dominé’sstand aan te wijzen op wat manier dat gezag zou werken, en bleef voor den leekenstand niets over dan, wat men in vollen ernst noemde, het recht om te gehoorzamen en zich te onderwerpen. Consistoriaal werd daarom dit systeem ook genoemd, overmits de vorsten ten einde niet onder de predikanten te geraken, enkele dominé’s in den vorm van een consistorie in hun hoofdstad onder zich plaatsten, die dienst moesten doen om hun collega’s in toom te houden; terwijl voorts de aanstelling van superintendenten en generaalinperintendenten strekte, om den teugel beter te doen werken.

Reeds hieruit blijkt, hoe het Erastiaansche of Remonstrantsche stelsel, hoewel in de territoriale hoofdgedachte met het Luthersche stelsel samenvallende, toch in dit stelsel een gewichtige schakeering brengt. Erastus en onze Remonstranten leerden namelijk,

|47|

ten deele op Zwingli’s voetspoor, dat er in de kerk van Christus op aarde eigenlijk geen gezag is; dat het gezag door de overheid uitgeoefend, gelijk over heel den staat en heel de maatschappij, zoo ook over de kerk ging, maar zonder als zoodanig een speciaal kerkelijk karakter te dragen, en dat de predikanten dientengevolge geen anderen last hadden dan om te vermanen en aan te raden, maar zonder gebruik van de sleutelen des hemelrijks. Van daar het verzet van de Remonstranten tegen een generale en hun pleidooi voor con territoriale of provinciale synode. Vandaar hun verzet tegen de invoering van de tucht, waartoe ze de kerk niet gerechtigd achtten. En van daar eindelijk hun eisch, om in de kerk diverse leeringen te duiden, hetgeen rechtstreeks uit het bloot vermanend en van alle gezag verstoken karakter, door hen aan de bediening des Woords toegekend, voortvloeit.

Men ziet hieruit tevens dat de kerkelijke ideeën van de dusgenaamde irenischen en legitimisten in hoofdzaak het Luthersche stelsel volgen, en wel in zijn Remonstrantsche schakeering. De vorst des lands decreteerde in 1816 de kerkorde. Voor heel het territoir moet de kerk één zijn. De dominé’sstand moet den toon aangeven. Het leekenelement mag niet meêtellen. Provinciale besturen en classicale besturen treden in de plaats der generaal-superintendenten en superintendenten. De Algemeene Synodale Commissie vormt het Luthersche Consistorie. Alle optreden der kerk moet bloot vermanend zijn. En eindelijk, allerlei schakeering van belijdenis moet geduld, opdat het gezag der kerk in zake de leer niet weer opwake.

Vanzelf brengt ons dit door de wet der tegenstelling op het derde of Gereformeerde stelsel, gemeenlijk bekend onder den naam van het Presbyteriale of Synodale systema. Hoofdkenmerken van dit stelsel zijn: 1º. dat de inwendige eenheid der wereldkerk, die het Luthersche systema in territoriën splitste, door de gereformeerden nogmaals gedeeld wordt, zoodat de plaatselijke kerk uitgangspunt voor alle kerkregeering wordt; 2º. dat deze plaatselijke kerken confoederatief verbonden worden in classis en synodale landskerken, en, zij het ook in zwakkere mate, tot wereldconciliën; 3º. dat hier voor het eerst het leekenelement krachtig te voorschijntreedten door de aanstelling van ouderlingen en diakenen alle clericalisme den kop indrukt; en 4º. dat het kerkelijk gezag, zonder zich het minste recht over den Staat aan te matigen, zich volkomen zelfstandig tegenover de landsoverheid poneert. Dit zijn de vier groote beginselen van gereformeerd kerkrecht, die beslissen of men in deze zich op gereformeerde, dan wel op Roomsche, Luthersche of Congregationalistische

|48|

paden beweegt. Op den voorgrond als hoeksteen van geheel het stelsel staat de theorie der plaatselijke kerk. Hierin toch schuilt de godvruchtige belijdenis van het verborgen, geestelijk karakter der ééne heilige algemeene kerk van Christus, die overal zich openbaart, waar ook belijders saâmwonen. Het Luthersche denkbeeld van één groote landskerk, ingedeeld in vakken, die men gemeenten noemt, is hiermeê in onverzoenlijken strijd. De gereformeerde kerk heeft naar luid van Gods Woord tot cor ecclesiae niet de genademiddelen, maar de verkiezing der uitverkorenen, en het is dienovereenkomstig dat de kerk niet door de instelling van eenigen dienst, maar door het optreden der geloovigen tot openbaring komt. Opdat echter dit locale uitgangspunt aan de grootsche heerlijke gedachte van de eenheid der kerk geen afbreuk doe, staat hier als tweede kenmerk naast, dat deze locale kerken met elkander in verband moeten treden, en onderling tucht en dus gezag over elkander behooren uit te oefenen. Vandaar niet een classicaal bestuur, maar de heerlijke inrichting der classis en synode, gelijk te Dordt, liefst tot wereld-synode uit te breiden. Dit confoederatieve gezag van classis en synode mag intusschen nimmer het karakter der kerk als een kerk der geloovigen krachtens de uitverkiezing vernietigen. Vandaar als derde kenmerk het optreden van de presbyters of ouderlingen en van de diakenen als vertegenwoordigers van de geloovigen, en alle suprematie van het clericalisme afsnijdend. Terwijl eindelijk in zake de Overheid onze gereformeerde kerken steeds met alle beslistheid de scheiding van wereldlijk en kerkelijk gezag in eere hielden. Dit kwam in volstrekten zin uit in landen, waar de personen van den magistraat Roomsch waren gebleven, gelijk in Frankrijk en Polen. In die landen toch heeft de gereformeerde kerk zich, op Calvijns advies, volkomen zelfstandig ontwikkeld, georganiseerd en geinstitueerd. En dit wel zóó beslist en streng, dat een iegelijk die in onze dagen, nu we thans ook in deze landen onder een niet-gereformeerde overheid verkeeren, desniettemin de scheiding van kerk en staat afslaat, als wederpartijder van de gereformeerde beginselen positie neemt. Het feit toch, dat Calvijn en zijn volgelingen ook hier te lande, in staten met gereformeerde overheid, wel terdege inmenging toelieten, doet aan den gestrengen eisch en de juiste strekking van het beginsel niet toe noch af. Slechts onderscheide men hierbij wel. In de eerste plaats toch zijn b.v. te Genève de vertegenwoordigers der collegiën van de burgerij niet als een overheid, gezag hebbende in de kerk, opgetreden, maar als representanten van het leekenelement,

|49|

ongeveer als thans de gemachtigden. In de tweede plaats is niet aan de overheid zeker ius in sacra toegekend, krachtens haar souverein recht, maar heeft men aan de overheidspersonen, als uitnemende kerkleden, een gezag van kerkelijken oorsprong ingewilligd. In de derde plaats heeft men, gelijk nog behoort, aan de overheid de regeling overgelaten van de wijze waarop de kerk staatsrechtelijk en burgerrechtelijk positie zou nemen. En in de vierde plaats eindelijk heeft men aan de overheid, en zeer terecht, de verplichting voorgehouden, om krachtens haar roeping als souverein bij de gratie Gods, de eere Gods en Gods gerechtigheden in den lande naar den dienst van de beide tafelen der wet te bevorderen. Denkbeelden, waarin naar onze innige overtuiging nu nog de juiste lijnen zijn aangegeven, waarlangs we ook nu ons slechts te bewegen hebben, om tot een zuivere en gerechtige scheiding van kerk en staat te geraken. Mits men, en dat worde nooit uit het oog verloren, bij ontstentenis, gelijk thans ten onzent, van een gereformeerde overheid niet dit laatste, maar het door Calvijn voor Frankrijk en Polen aangeprezen stelsel van absolute scheiding volge.

En was alzoo, na de totale mislukking van het Roomsche stelsel, en de wreede teleurstelling waarop het Luthersche stelsel uitliep, ten slotte door Calvijn het zuivere en beste en door Gods Woord gewilde stelsel van kerkregeering dan toch ten slotte gevonden, en met name door onze vaderen met kloeken moede en treflijken uitslag tegen de velleiteiten van onze Erastiaansche Remonstranten verdedigd, zoo laat zich reeds hieruit vermoeden, dat de beide stelsels die thans nog ter bespreking overblijven, t.w. het Independente en Collegiale stelsel ons wel verre van zuiverder systemata, veeleer slechts verbasteringen van het eenig goede stelsel brengen.

De Independenten of Congregationalisten namelijk, hier te lande oorspronkelijk Brownisten geheeten, bewegen zich in het algemeen genomen, niet op de Roomsche, ook niet op de Luthersche, maar zeer beslist op de gereformeerde lijn. In de meeste stukken der leer staan ze dan ook zuiver. Cor ecclesiae is ook hun de uitverkiezing, norma ecclesiae alleen het Woord van God, bijna in gelijken zin als ons. In het stuk der kerkregeering daarentegen wijken ze van de gereformeerde lijn af in deze navolgende punten. Ten eerste ligt het uitgangspunt voor hun stelsel niet in de plaatselijke kerk, maar in elke groep van geloovigen, die zich kerkelijk organiseert. Zulk een groep heet congregatie. Vandaar de naam van Congregationalisme. In Londen b.v. bestaan op dit oogenblik honderden congregatiën, en deze beweren nu

|50|

elk voor zich de macht en de bevoegdheid van een kerke Christi te hebben. Waar tegenover de gereformeerden steeds staande hielden dat wel in grootere steden tal van kerspelen konden gevormd wor:den, maar dat in elke stad of dorp slechts ééne kerk en dus ook slechts één raad der kerke kon bestaan, waarin de leerende en regeerende ouderlingen van alle kerspelen zitting hadden van rechtswege. Ten tweede oordeelden de Independenten dat niet slechtshet kerkelijk gezag in generalen zin, maar ook het besturend gezag bij de geloovigen berustte, zoodat de gemeente in alle ding meê had te oordeelen, en sterker nog, had te beslissen; waar tegenover de gereformeerden volhielden dat het besturend gezag over de kerk niet bij de leden, maar wel terdege bij de presbyters berustte, een onderscheiding veelal opgehelderd door het duidelijke voorbeeld, dat wel de levenskracht door heel ons lichaam verspreid is, maar dat ons lichaam toch niet zien kan dan door het oog en niet gestuurd kan worden dan door het hoofd. In de derde plaats hieven de Independenten feitelijk het onderscheid op tusschen leerende en regeerende ouderlingen en wilden dat elk ouderling leeraren zou, en dus ook ouderling zou zijn levenslang; een theorie waartegenover de gereformeerden aanvoerden dat de bediening des Woords een eigen dienst is, die een eigen voorbereiding en een eigenaardige gave eischt, en van den anderen kant dat invoering van een ouderlingschap ad vitam kerk en gemeente te zeer vervreemdt. In de vijfde plaats waren ze van meening, dat meerdere kerken wel conferentiën mochten houden, maar dat de deputatie van meerdere kerken nooit classicaal of synodaal gezag over de enkele kerken konden uitoefenen, ook niet zoolang ze in kerkverband waren aaneengesloten; waartegenover de gereformeerden het beginsel vasthielden, dat het gezag van Christus over heel zijn kerk gaat en dus ook de tucht van meerdere kerken noodzakelijk was om de enkele kerken te houden in de paden des Woords. Terwijl de Independenten eindelijk, in de zesde plaats aan de kerk alle recht betwistten, om door confessie, catechismus of liturgisch formulier de waarheid der Schrift tegen kettersche opvatting te verdedigen. De Schrift, zoo meenden ze, moest éénig symbool zijn. Een idealistische onware stelling, die onze gereformeerden door de juiste opmerking bestreden, dat de Heilige Geest het Woord in de gemeente aller eeuwen uitlegt en deze historische uitlegging kracht en autoriteit behoort te hebben tegenover de vaak willekeurige uitlegging van den enkelen prediker. Feitelijk is het Independentisme alzoo een poging om de zichtbare gestalte der kerk tot een schaduw te herleiden, zich schier geheel terug te trekken in haar geestelijk

|51|

karakter als vergadering van uitverkorenen, en dientengevolge met namen de rechtssfeer in de kerk van Christus terug te laten treden achter de convenientie der geloovigen.

Zulk een stelsel, het spreekt van zelf, kan een tijdlang goed loopen, zoolang het geestelijk leven in de geloovigen onder het kruis der vervolging in hoogen toon wordt gehouden, maar moet noodwendig geheel buiten het kerkelijk erf voeren, zoodra dit geestelijk leven verslapt en inzinkt; en gelijk dan ook een deel der kwakers zoo in Engeland als in Amerika, nu reeds feitelijk in openbaar modernisme verliep, zoo ontaardde ook het stelsel der Independenten reeds in den loop der 18e eeuw ongemerkt in het dusgenaarnd Collegiaal systeem, dat intusschen niet van Engelschen, maar van Duitschen oorsprong is. Dit Collegiaal systeem is niets anders dan de toepassing op de kerk van Christus van de denkbeelden der Fransche revolutie. De leer der volkssouvereiniteit als bron van alle gezag ook in de kerk van Christus, ziedaar het hoofdkenmerk van het Collegiaal stelsel. De naam beduidt: Vereeniging en is ontleend aan de wet op de vereenigingen die in het heidensche Rome bestond, en krachtens welke wet de kerken een tijdlang als Collegia licita, d.i. als geoorloofde vereenigingen, erkend zijn. Het souverein gezag van Christus wordt hier dus losgelaten; van geloovigen is geen sprake meer; het Woord houdt op autoriteit te hebben; en hetgeen alleen autoriteit heeft en over kan dragen, is eenvoudig het enkele lid met de andere leden, beslissende naar het stelsel van de helft plus één. Is die helft plus één voor Jezus, welnu dan behoudt de kerk haar Christelijk karakter; maar ook valt het anders uit, dan is diezelfde kerk allicht morgen ’tzij Joodsch of Mahomedaansch. Terwijl dus bij de independenten de leden ten minste nog „geloovigen” waren, zijn hier ten slotte ook de geloovigen in eenvoudige leden zonder onderscheidend karakter omgezet, en is daarmeê het specifiek Christelijk karakter geheel prijsgegeven. Dit Collegiale systeem, naar welks model ook de Hervormde kerken thans voor een goed deel georganiseerd zijn, is puur revolutionair en laat evenals de Fransche revolutie allerlei vorm van regiment toe. Met het Collegiaal systeem als basis kan ik een Roomsche kerk formeeren, door de fictie dat de leden hun gezag op den paus hebben overgedragen. Maar ook kan ik het Caesaropapisme der Luthersche en van onze Hervormde kerk er meê bepleiten, want waarom zouden de leden niet kunnen geacht worden rebus ipsis et factis hun recht overgedragen te hebben op den koning. Raakt kniebuigen voor den koning weer in gebruik en wenscht de leeraarsstand weer het clericalisme in te voeren, welnu, wat zou

|52|

beletten om ook dat ideaal met het Collegiaal systeem te bereiken? Alsof de leden niet konden gefingeerd worden op oligarchische kerkeraden, waarin de predikanten het één en het al zijn, hun oorspronkelijk recht te hebben overgebracht! Dit Collegiaal systeem is een echt cameleontisch stelsel; ge kunt er elk stelsel meê goedpraten; alleen het fundament staat wrak en trekt van onder elk dier andere stelsels het goddelijk fundament weg, om er het revolutionaire voor in de plaats te schuiven. Want dit is zijn zonde, dat het de autoriteit Gods in zijnen Christus nooit anders in zijn kerk gedoogt dan rustende op de autoriteit van den vrijen wil des menschen.

Kuyper, A. (1883) § 20

§ 20. In welke deelen het gezag, dat in de kerk van Christus wordt uitgeoefend, zich splitst.

Wie zegt dat er in de kerk gezag bestaat, geeft daarmeê te kennen, dat de kerk niet slechts aanraadt, vermaant en poogt te overtuigen, maar ook macht ontving om te binden; gemeenlijk aangeduid door het symbool van de sleutelen des hemelrijks: „En ik zal u geven de sleutelen des hemelrijks, en zoo wat gij binden zult op de aarde, zal in den hemel gebonden zijn, en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.” Dit plechtige woord des Heeren mag niet verzwakt. Er vloeit uit voort, dat een kerk haar adelbrief verliest, als ze niet langer aan het belijden van haar belijdenis de zaligheid durft verbinden, en dat omgekeerd een kind Gods zijn kerk derft die hij hebben moest, indien hij op het woord zijner kerk niet meer vastelijk, als vertolkende den wil des Heeren, afgaat en vertrouwt. En goed is dus alleen die kerkstaat, waarin de kerkregeerders, wetende, tolken van ’s Heeren Woord te zijn, met macht de waarheid op de conscientiën leggen en recht spreken; en anderzijds de kerkleden om ’s Heeren wil voor het gezag der kerkregeerders buigen als voor de autoriteit door Koning Jezus over hen gesteld. En dat wel, niet door inschikking, om des vredes wil, bloot in het uitwendige, maar als gebonden in de ziel, op perykel van zaligheid.

In dezen hoogen, ernstigen zin het gezag der kerk nemende, herinnere men zich bovendien wel, dat zulk gezag niet geboren wordt uit toestemming, doordien de kerkleden ten deele afstand doen van hun vrijheid, maar dat dit gezag opgelegd is door Christus en zijn oorsprong heeft in de souvereiniteit Gods. Doordien we tot een kerk toetreden, ontstaat niet eerst de verplichting tot eerbiediging van dit gezag, maar we treden tot een kerk toe, omdat we gevoelen

|53|

aan dat gezag te moeten onderworpen zijn. En evenzoo bij kerkstichting scheppen de stichters van een kerk dat gezag niet, maar geven aan dat gezag slechts zijn organen om te werken. Gelijk een moeder door een kindeke te baren geen lucht of licht schept, maar slechts een wezen baart, voorzien van organen, om die lucht in te ademen en dat licht op te vangen, zoo ook ontstaat er door nieuwe kerkstichting geen nieuw gezag, maar treedt slechts een organisme te meer in het leven, dat voorzien is met organen, er op ingericht om het vooruit reeds bestaande gezag te laten werken.

Deze autoriteit nu, die in den strengen zin van gezag dient gehandhaafd, wordt uitgeoefend door Jezus Christus, die koning van heel zijn kerk, en dus ook koning van elke plaatselijke kerk, koning ook b.v. van de kerk te Amsterdam is. Deze koning oefent dit gezag uit deels rechtstreeks, deels middellijk. Rechtstreeks, ten eerste, doordien hij aan zijn kerken de genademiddelen van Woord en Sacrament verschaft; ten tweede doordien hij in de leden dier kerken met zijn Heiligen Geest werkt; en ten derde doordien hij door voorzienig bestuur het lot dier kerken en van haar leden beschikt. Maar ook middellijk oefent deze koning dat gezag door menschen, en alleen dit middellijk gezag komt hier ter bane.

Dit middellijk gezag nu oefent deze koning uit op tweeërle wijze, t.w. óf door heel de kerk óf door hen die in haar midden met het ambt bekleed zijn. Dit gaat zóó toe, dat de koning zijn gezag feitelijk geheel aan de kerk als kerk schenkt, maar dat hij haar tevens in het ambt voorziet met organen, waaraan ze voor de werking en uitoefening er van gebonden is. Gelijk nu het oor ophoudt te hooren en het oog ophoudt te zien, als de persoon wiens dat oor en dat oog is, zijn bewustheid verliest, zoo kunnen ook die organen van het ambt geen geestelijke functie meer doen, zoodra de kerk zelve verstijft of inslaapt. En omgekeerd, gelijk een wakker en levend persoon noch zien noch hooren kan, indien oog en oor hem verminkt zijn of ontnomen, zoo ook kan de kerk het haar geschonken gezag niet richtig laten functionneeren, tenzij de organen van het ambt aan haar ontwikkeld zijn. De juiste richtige verhouding worde dus stipt in het oog gehouden. Alle gezag is in Jezus; wordt door hem aan de kerk in haar geheel gegeven; maar is voor haar richtige functie gebonden aan de ambtelijke organen. De kerk schept deze ambtelijke organen niet, maar ontvangt ze, gelijk ook het lichaam het oor niet maakt, maar door God met oog en oor versierd en verrijkt werd. En om juist te gaan dient dus onderscheidenlijk bezien welk deel van het gezag de kerk zelve, zonder het orgaan van het

|54|

ambt, uitoefent en welk ander deel van het gezag gebonden is aan het organisch ambtelijk leven. Naast de bijzondere functiën van oog, oor, neus, mond, hersenen, enz. zijn er in het menschelijk lichaam ook algemeene functiën, van warmteontwikkeling, gewaarwording, enz.; en zoo nu ook liggen in de kerk van Christus naast elkander de algemeene werkingen van heel het lichaam der kerk, en de bijzondere werkingen door haar onderscheidene organen.

Beide deze algemeene en bijzondere gezagsoefeningen strekken zich nu uit over drieërlei terrein, t.w. over dat der genademiddelen, over de orde der kerk, en over de rechtspraak.

Gezag oefent de kerk op het terrein der genademiddelen, vooreerst ordinairlijk doordien ze macht ontving om Woord en Sacrament uit te deelen en er de conscientiën aan te binden. Dit is de bediening der sleutelen in de predicatie en door particulier vermaan, waarvan het Sacrament als zegel van het Woord niet mag afgescheiden. Maar ook ten andere extraordinairlijk door te bestrijden hetgeen die genademiddelen tegenstaat, en dat wel door de dwaling te veroordeelen en tegenover haar de waarheid te belijden. Zonder dwaling zou er geen belijdenis wezen. Maar nu er dwaling bestond, bestaat en tot het einde toe bestaan zal, is belijdenis van het wezen der kerk onafscheidelijk.

Evenzoo oefent de kerk gezag over de orde die er in haar midden bestaan zal, en dat op tweeërlei wijze, t.w. ten eerste door het opstellen van een kerkorde en het maken van nadere ordonnantiën, en ten andere door de artikelen dezer kerkorde en deze nadere ordonnantiën of maatregelen van orde uit te voeren.

En eindelijk oefent de kerk gezag over de rechtspraak; vooreerst door wie in belijdenis of leven misgaat, rechterlijk te vermanen, te straffen en desnoods onder den ban te leggen; en ten andere door den boetvaardige te herstellen in eere en weer op te nemen in den kring, waar het volle genot der genademiddelen gesmaakt wordt.

Van deze drieërlei macht dient nu eerst beschouwd het algemeen gezag, dat aan heel de kerk toekomt; daarna de bijzondere werking van dit gezag, die gebonden is aan de ambtelijke organen.

Aan de kerk in haar geheel nu komt toe: vooreerst wat aangaat de genademiddelen, de plicht en het recht om te getuigen, te belijden, te bidden en particulier te vermanen, alsook de vrijheid der profetie. In zake de ordre der kerke staat aan de geloovigen het recht om een kerk te stichten, zoo die er niet is, of ook, indien de kerk, die er was, wegviel; en voorts in een reeds

|55|

bestaande kerk het recht om mede te oordeelen over de aanneming van attestatiën en het toelaten tot het heilig Avondmaal; om de personen aan te wijzen voor het ambt; om geschillen naar de classis en synode te brengen; bij de kerkelijke vergaderingen als toehoorders tegenwoordig te zijn; het afvaardigen van deputaten naar andere kerken; voogden der kerk mede aan te stellen, en toezicht te houden op het beheer van haar goed. En eindelijk, d.i. ten derde, in zake de rechtspraak bezitten de geloovigen het recht, om in particuliere geschillen de eerste graden van tucht te oefenen; zich aan ongeschikte medeleden en ambtsdragers te onttrekken; om mede te oordeelen in zake van afsnijding en wederopneming; om tegen ongoddelijke kerkelijke toestanden te protesteeren en remedie te eischen; om, baat dit niet, over te gaan tot het organiseeren van eigen kerkeraden, als wanneer de kerk doleerende wordt; en om eindelijk, indien de kerk geheel verloren blijkt te zijn, aan die schijnkerk of valsche kerk een afscheidsbrief te zenden en de ware kerk elders te openbaren.

Daarentegen is de kerk aan de ambtelijke organen gebonden voor, het bijzondere gezag, waarin de kerkelijke regeeringe tot uiting komt. Diensvolgens komt aan de dragers van het ambt het recht toe, allereerst in zake de genademiddelen, om in de vergaderingen der gemeente het Woord met autoriteit te bedienen, de smeekingen en gebeden op te dragen en de Sacramenten uit te reiken, en om evenzoo in de kerkelijke samenkomsten over de belijdenis der kerk te beslissen. Ten tweede in zake de ordre der kerk, dat zij den gang van zaken regelen en maatregelen van orde vaststellen; dat zij den gang der dingen overeenkomstig die regeling leiden en het beslotene uitvoeren; dat zij in de samenkomsten der gemeente of van haar gemachtigden het moderamen vormen; dat ze de kerk vertegenwoordigen bij andere kerken of in samenkomsten van classis en synode; dat ze in lagere of hoogere samenkomsten de voorkomende zaken onderzoeken en dienaangaande besluiten; en voorts dat ze aan nieuw verkoren personen, die daartoe aangewezen zijn, het ambt verleenen en hen daarin bevestigen. En eindelijk wat ten derde de rechtspraak betreft, komt hun het recht toe, om voor zich te citeeren en te ondervragen; om met gezag te vermanen en te berispen; om in vereeniging met de gemeente te straffen, af te snijden en weer op te nemen; om bij het indringen van wolven in de gemeente, de geloovigen tegen hen te beschermen; desnoods de geloovigen als doleerende kerk apart te vergaderen; en, baat ook dit niet, ze elders in nieuwe kerkstichting te verzamelen.

Kuyper, A. (1883) § 21

|56|

§ 21. Hoe dit gezag der kerken zich met het gezag der overheid verdraagt.

Het gezag der kerke en het gezag van de overheid zijn in oorsprong, wezen, aard en strekking geheel onderscheiden. In oorsprong, want het overheidsgezag vloeit rechtstreeks uit de souvereiniteit van den Drieëenigen God, terwijl het kerkelijk gezag uit den Middelaar als Hoofd zijner kerk voortkomt. Evenzoo in wezen, want het overheidsgezag raakt het uitwendige leven, naar lichaam, recht en bezit, terwijl het kerkelijk gezag op den inwendigen mensch betrekking heeft, naar zijn geestelijk bestaan. Ook in aard, want het overheidsgezag is een gezag van heerschappij dat dwingt met geweld, terwijl het gezag der kerk nooit anders dan een ambtelijk of bedienend gezag is, zoo tegenover Christus als tegenover de geloovigen. En eindelijk in strekking, daar het overheidsgezag doelt op de instandhouding van de gerechtigheid en de eere Gods in dit leven, terwijl het kerkelijk gezag de verheerlijking Gods in het toebrengen van de uitverkorenen tot hun hemelsche gelukzaligheid beoogt.

Hieruit volgt rechtstreeks tweeërlei, en wel 1º. dat alle kerkelijke personen als burgers van den Staat aan het heerschappijoefenend gezag van de overheid onderworpen zijn, onverschillig of de persoon van den magistraat een belijder dan wel een bestrijder van de waarheid is. En 2º. dat de overheid als overheid in de kerk in geen enkel opzicht of onder wat naam ook, ooit eenig kerkelijk gezag kan uitoefenen. De verplichting die op de overheid rust, om in den Burgerstaat de eere Gods te handhaven, is niet een kerkelijke, maar een politieke verplichting, die blijft bestaan, ook al viel de kerk weg, en die in het afgetrokkene zoowel voor een Willem van Oranje als voor een Filips, voor een Nero als een Constantijn geldt. Wie, onder wat titel ook, bij de gratie Gods regeert, is gehouden de eere van dien God in geheel zijn regiment te bedoelen. Ook zijn de grenzen, aan deze verplichting gesteld, t.w. dat ze haar doel niet moet voorbijstreven noch ook de conscientiën drukken mag, geen compromis tusschen Staat en kerk, maar grenzen door God zelf in het verleenen van de souvereiniteit gesteld, overmits deze niet over den inwendigen, maar uitsluitend over den uitwendigen mensch aan de magistraat geschonken is.

Zoomin dus de kerk ooit eenig burgerlijk gezag mag uitoefenen, zoomin mag de burgerlijke overheid zich ooit eenig kerkelijk gezag aanmatigen. Beider sfeer is volstrekt onderscheiden. Wel is er een gemengd gebied, waarop beide machten elkaâr ontmoeten, omdat het lid der kerk tevens burger van den Staat

|57|

is, en kan er alzoo conflict ontstaan, doordien de kerk zich aanmatigt wat des keizers is of ook de keizer voor zich afeischt en neemt wat der kerke is. Hieruit volgt intusschen geenszins dat beider sfeer niet streng onderscheiden zou zijn, maar alleen dat het over en weer niet altijd gelukt, dit onderscheid scherp te zien. En beslisser in zulke geschillen is er dan helaas niet, en de strijd, die aldus ontbrandt, kan niet opgelost, dan door verzoening en vergelijk.

Dit versta men evenwel niet alzoo, alsof in de verplichting van de politieke overheid niet ook de verplichting zou opgesloten liggen, om de ware kerk te beschermen. Evenals elk souverein bij de gratie Gods geroepen is al wat waar en goddelijk is te handhaven, zoo ook moet de overheid de hand houden aan de ware kerke. Die plicht blijft op haar rusten, ook al kiest ze voor de valsche kerk, ja, ook al treedt ze als vervolgster van de ware kerke Gods op. De vraag hoe ze zich het best van deze verplichting kwijt, is een quaestie van toepassing, die vroeger opgelost werd in den weg van veelzijdige bemoeiing, maar thans, op grond van de droeve uitkomsten, waartoe deze veelbemoeiing leidde, beantwoord dient in den zin van schier algeheele onthouding. De ware kerk Gods tiert nooit weliger, dan waar ze gelegenheid ontvangt om zich vrij, uit haar geestelijke kracht op te bouwen. Bovendien zal de kwijting van dezen plicht van zelf een ander karakter aannemen naar gelang in eenig land schier alle, of de meeste of maar een deel der inwoners, dan wel slechts enkele tot de ware kerk behooren. En niet minder zal de kwijting van dezen plicht een andere worden, naar gelang de overheid zelve de waarheid is toegedaan en publiek belijdt, dan wel ze óf onverschillig liggen laat óf wel publiek verwerpt. Want wel brengt dit alles geen wezenlijke verandering in de verplichting der overheid om de ware kerk te beschermen, maar toch brengt het een aanmerkelijk verschil in de uitvoering. Een verschil nog daardoor verbreed, dat de belijdende overheidspersonen in de kerk als kerkleden vanzelven een invloedrijke positie bekleeden, en, om de majesteit Gods waarmeê ze bekleed zijn, te hooger worden geacht. Toch moet de kerk, ook al is de magistraat niet-belijdend, er op aanhouden, dat haar publiekrechtelijke positie worde erkend. Zij mag er geen vrede meê nemen, om op voet van gelijkheid met andere vereenigingen te worden gesteld, alsof het gezag in haar midden slechts vennootschappelijk van aard ware. Ze is in den Staat door God Almachtig besteld om het eeuwige Koninkrijk der heerlijkheid voor te bereiden, en is er als zoodanig jure divino, d.i door Goddelijke institutie. En elke overheid, die aan deze aldus optredende kerk in haar staatsrecht niet de eere geeft, die aan de kerk

|58|

van Koning Jezus toekomt, schiet in plichtsbetrachting te kort en begaat zonde.

Onderscheiden hiervan moet intusschen de invloed van vertegenwoordigende lichamen worden beschouwd, die geen overheid zijn. In Genève en elders b.v. waren de burgers vertegenwoordigd in burgerlijke raden, en overmits nu dezelfde burgers ook kerkleden waren, liet men eenvoudigheidshalve deze burgerlijke raden dubbelen dienst doen, eenerzijds om de burgerlijke belangen te behartigen op politiek, en anderzijds om de geestelijke belangen te behartigen op kerkelijk terrein; een ineenvloeiing als men wil van kiescollegie en gemeenteraad, gelijk nu nog op dorpen denkbaar zou zijn, waar schier alle inwoners eenzelfde belijdenis der waarheid toegedaan, niet zelden geheel hetzelfde stel personen kiezen, eerst onder den naam van gemachtigden om de kerk, en daarna als raadsleden om de burgerij te vertegenwoordigen.

Met geldelijke middelen, als voedsterheeren, de kerke Gods te ondersteunen, ligt zeer zeker op den weg der overheidspersonen, indien dit geschieden kan zonder de conscientiën te krenken en indien het werkelijk den welstand der kerk bevordert. Blijkt daarentegen op de proef, dat de overheid door dien geldelijken steun veeleer de valsche elementen in de kerke Gods staande houdt en stevigt, en voorts de conscientiën der burgers te na komt, dan laat ze beter ook deze geldelijke ondersteuning varen; altoos onder kwijting door kapitaalvorming van wat ze rechtens onder wat titel ook verschuldigd is.

Zitting in synodale, classicale of presbyteriale vergaderingen kan de overheid, als kerkelijke macht, nooit hebben. Waar de overheid in kerkelijke vergaderingen verschijnt, behoort ze nooit tot het lichaam der vergadering, maar staat er buiten, en mag hare hemoeiing niet verder uitstrekken, dan om toe te zien, dat geen politieke quaestiën behandeld of iemands rechten verkort worden; en voorts om het publiekrechtelijke karakter der kerk door haar verschijning te eeren.

En wat ten leste de approbatie van kerkelijke benoemingen betreft, zoo kan deze nooit bestaan in een deelhebben aan de benoeming of in het verleenen van zekere investituur. De benoeming toch van een kerkelijk persoon is geheel kerkelijk van aard en geen milligram kerkelijk gezag kan ooit door de overheid aan een kerkelijk ambtsdrager geschonken worden. Maar wel kan die approbatie strekken, bij tractementsbetaling van overheidswege om op die betaling orde te stellen; en voorts om bij vreemdelingen door de landsoverheid, en over personen die van buiten stad of dorp naar die stad of dat dorp geroepen worden, door de stedelijke overheid te doen

|59|

beslissen, of zij deze personen op publiekrechtelijk terrein als ambtsdragers der kerk wil erkennen.

De heerlijke rechten van beroep of collatie of agreatie daarentegen, die onder den naam van patronaatsrecht, floreenstelsel, enz. zoo droeve heugenis achterlieten, zijn als ten eenemale in strijd met het zuiver kerkelijk beginsel te veroordeelen. Want ook al wendt men voor, dat de gemeente dan geacht wordt deze macht tot beroeping vervreemd en aan derden te hebben overgedragen, zoo dient altoos geantwoord, dat deze overdracht daarom niet geldig mag heeten, overmits het kerkelijk gezag van beroeping nu eenmaal onvervreemdbaar is uit zijn aard.

En wat ten slotte „de uitroeiing van alle afgoderij en valschen godsdienst betreft, om het rijk des Antichrists ten gronde te werpen en het koninkrijk van Christus te voorderen,” zoo moet ook hier het beginsel zeer zeker vastgehouden, maar bij de toepassing van het beginsel scherp en streng onderscheiden. Ongetwijfeld rust de verplichting op de magistraat om de eere Gods te bevorderen, niet het minst daardoor, dat de magistraat de afgoderij weere. Maar geenszins volgt hieruit, dat elk middel ten deze geoorloofd of doeltreffend is te achten. Had de historie geleerd, dat gewelddadige uitroeiing van afgoderij en ketterij metterdaad vrucht droeg en de eere Gods hoog hield, zeer zeker zou die uitroeiing als dan geboden kunnen zijn. Nu daarentegen de aard der menschen zoodanig is, dat geweld tegen zedelijke dwaling niets vermag, en de natuue der afgoderij en ketterij maakt, dat ze door tegenstand eer geprikkeld wordt tot nieuwe krachtsontplooiing, en bovendien de overheid, blijkens het getuigenis der geschiedenis, bijkans altoos misgetast heeft, door voor ketterij aan te zien wat waarheid was en wat waarheid was afgoderij te doemen, zoo is hiermeê overtuigend bewezen, dat voor gewelddadige uitroeiing van de ketterij de ketterij zelve onvatbaar, des menschen aard ongeschikt, en de overheid tegelijk onmachtig en onbekwaam is. Reden waarom de practijk der oude kerk ten deze moet afgekeurd, en de overheid vermaand, dat ze de ketterij langs geen anderen weg poge te weren, dan door de ware kerk vrij te laten en alzoo te bekwamen tot voller ontplooiing van haar geestelijke kracht.

Kuyper, A. (1883) § 22

§ 22. Wat gelden moet van de Dienaren des Woords.

Onder de ambtsdragers der kerk bekleeden de Dienaren des Woords de eerste plaats. Dezen voorrang ontleenen zij niet aan

|60|

eenige waardigheid hunner personen, noch ook aan eenigen hoogeren graad, die aan hún ambt boven het ambt van ouderling of diaken zou toekomen, maar uitsluitend aan de waardij van het Woord Gods, dat ze bedienen; en elke pretentie op eere of waardeering, die op iets anders dan op de waardij van het Woord gegrond zou zijn, moet als zelfzucht en hoogheid des harten, én om huns persoons wil én ter wille van hun dienst met beslistheid tegengestaan. Zoo ver zelfs is de waardigheid van den Dienaar des Woords afhankelijk van de waardij waarin hij zelf Gods Woord houdt, dat zijn ambtelijk gezag, ook al draagt hij den titel nog, verbleekt en verdwijnt, naar dezelfde mate waarin de macht van het Woord over zijn persoon en prediking afneemt. De gereformeerde kerk kent geen Roomsch ambt, dat ex opere operato door priesterlijken invloed werken zou. Een Dienaar des Woords is voor den gereformeerde een gewoon mensch, wiens adem in zijn neusgaten is, en dies even weinig als andere menschen te achten, daar God alleen groot is en een schepsel nooit groot zijn kan. En zelfs door het ambt waarmeê hij bekleed, is, wierd de waardij van zijn persoon als persoon niet in het allerminste verhoogd. Met of zonder ambt is en blijft hij dezelfde zwakke, brooze mensch en afgedoolde zondaar, die alleen door Gods genade staan kan. Een burgemeester in zijn qualiteit is met zekere majesteit Gods bekleed, onverschillig hoe hij zijn ambt bediene, maar bij den predikant wordt al de waardij van zijn optreden uitsluitend beheerscht door de waarheid van het Woord dat hij predikt. Voor zooverre door zijn dienst dat Woord er komt, spreekt hij met ’s Konings macht en hanteert hij de sleutelen des Hemelrijks. Maar ook waar door hem dat Woord verlaten of verminkt wordt, verminkt hij zijn eigen dienstwerk en laat varen de heerlijkheid van zijn ambt.

Roeping nu van deze Dienaren des Woords is, om de kudde des Heeren met dat Woord te weiden. Te weiden op tweeërlei wijs, t.w. door leer en leven. Door leer in de vergaderingen der gemeente, in de onderwijzing der jeugd en aan de huizen der geloovigen. En door leven, in zijn eigen huis, onder zijne medeburgers, en met name onder de heiligen. Hij heeft de kudde des Heeren te weiden in de vergadering der geloovigen, door het Woord aldaar uit te leggen en toe te passen. Het Woord van God heeft zijn strekking tot elke gemeente, in elken tijd, en in elken tijd tot elk persoon; en de verborgenheid der prediking schuilt nu juist hierin, dat aan het Woord van God door consciencieuse uitlegging en fijn onderscheidende toepassing die door den Geest gewilde strekking worde gegeven. Elk mottopreeken moet derhalve als zonde in het heilige afgekeurd. Men heeft niet de kudde

|61|

te weiden met eigen ideeën, waar men een tekst voor plaatst; neen, maar het Woord gelijk het daar ligt te prediken door het te ontvouwen en werkzaam op de harten te maken. Wie niet onvoorwaardelijk de onfeilbaarheid der Heilige Schriftuur belijdt, kan om die reden niet tot den Dienst des Woords worden toegelaten. Immers deze onfeilbaarheid te bestrijden en nochtans meteen „daar staat geschreven” voor de gemeente op te treden, is den schijn aannemen van iets te belijden, wat men ontkent. Dus onzedelijk.

Voor dezen Dienst behoort de persoon die er in dienen zal, te worden opgeleid, zoo door oefening in godzaligheden als door oefening in studiën. Een geleerd maar ongodzalig man is op den kansel machteloos en stoot af. Maar ook een godzalig maar onnoozel man is in de bediening misplaatst. Studie met godzaligheid gepaard, is dus de onafwijsbare voorwaarde, mits bij die onderscheidene studiën de studie, ik zeg niet over, neen, maar van en in Gods Woord steeds onverbiddelijk op den voorgrond sta.

Ontbreekt er gelegenheid voor zulk een opleiding, dan dient de kerk haar in het leven te roepen. Bestaat die, dan kan de kerk volstaan met na volbrachte studie de candidaten te examineeren.

Het recht tot deze examinatie van proponenten berust bij den kerkeraad, omdat de kerkeraad beroept. Overmits echter naburige kerken hierin een gelijk belang hebben, en vele dorpskerken buiten staat zijn, om in studiën te examineeren, doet men beter, door vele kerken saâm in de classis zulk een examen te laten afnemen. Zulk een examen dient én over de studiën én over de godzaligheid te gaan. Niet om wat het laatste punt betreft den staat van zulk een persoon voor God te beoordeelen, maar om zeer scherp acht te geven op zijn belijdenis en wandel. Op zijn belijdenis door te onderzoeken of hij in allen deele rechtzinnig is, en op zijn wandel door te ondervragen die hem kennen. Bovendien behoort er keuring te geschieden van de gave tot mededeeling door Koning Jezus aan zulk een persoon verleend of onthouden, opdat men naarstiglijk onderzoeke, of hij de gave der predicatie, der gebeden, der onderwijzing en der vertroosting werkelijk bezit.

Aldus van kerkswege behoorlijk geëxamineerde personen komen alsnu tot hun ambt door de roeping der kerken en door inzetting in hunne bediening. De kerken hebben heur Dienaren des Woords te roepen. Niet door hoofdelijke stemming; ook niet in kiescolleges gekozen door ieder die maar wil; maar zoo dat de geloovigen hun wenschen kenbaar maken aan den kerkeraad door het formeeren van een voordracht; dat daarna de kerkeraad

|62|

uit die voordracht de keuze doe; den gekozene roepe; en na zijn overkomst hem in het ambt inzette, hetzij door andere dienaren des Woords, hetzij door regeerende ouderlingen. Staat men gelijk het hoort, in correspondentie met andere kerken, dan behoort bovendien de classis zulk een beroep goed te keuren, daar de dienaren des Woords ook in naburige kerken optreden, en de kerken onderling te waken hebben voor de degelijkheid en de waarheid van elkanders kerkelijk leven.

Daar Dienaren des Woords zich geheel aan den dienst der kerk wijden, moeten ze ook van de kerk leven. Over de wijze waarop de kerk deze middelen ontvangen moet, zij hier alleen herinnerd dat de oudste gereformeerde kerken onder het kruis deze middelen vonden én door hoofdelijken omslag én door vrijwillige giften; maar hoe ook ontvangen, de kerken als zoodanig hebben ze aan heur Dienaren uit te keeren: en dat volstrekt niet als aalmoes, maar als vereering der liefde nog meer dan als recht. De zorge hiervoor behoort gelijk thans onze inrichting is, bij kerkvoogden, maar kan ook gevoegd worden bij het Diaconaat, alsdan opgevat, niet als beperkt tot armverzorging, maar als algemeene dienst der tafelen.

Alle Dienaren des Woords zijn in rang volkomen gelijk. De Dienaar van het kleinste dorp is in rang geheel de evenknie van den Dienaar des Woords in hof- of hoofdstad. Bisschoppelijke hoogheden kent de gereformeerde kerk niet. Ze verfoeit die en keurt ze als ongeestelijk insluipsel en onbetamelijke heerschappijvoering af.

Eindelijk, overmits niet alleen de zielen der geloovigen, maar ook de kerken, als lichamen, moeten geregeerd door het Woord Gods, zoo zijn de Dienaren des Woords tegelijk ook regeerders der kerken evengoed als de regeerende ouderlingen, en staat aan hen, om de waardigheid des Woords, in alle vergadering van kerkelijke herkomst zelfs de praesidiale leiding.

Kuyper, A. (1883) § 23

§ 23. Hoe het Ouderlingschap in de kerk behoort te staan.

Ouderlingen, in engeren zin, zijn in graad van ambt gelijk aan de Dienaren des Woords, die in de Heilige Schrift met denzelfden naam van Ouderlingen en Opzieners bestempeld worden. De onderscheiding, die de Dienaren des Woords als leerende van de gewone Ouderlingen als regeerende Ouderlingen onderscheidt, is dan ook niet volkomen juist. Ook de gewone Ouderling toch leert. Slechts hier ligt het verschil in, dat aan den Dienaar des Woords de publieke uitlegging en toepassing van het Woord in de vergadering der gemeente toekomt, terwijl

|63|

de Ouderling in engeren zin slechts privatelijk leert door vermaning aan de huizen en het Woord te belijden heeft door zijn leven. Bij ontstentenis van den Dienaar des Woords kan ook wel de Ouderling de vergaderde menigte stichten, maar dit is waarneming van eens anders ambt, niet uitoefening van eigen ambt. Daarentegen staan in het kerkelijk regiment en bij de oefening der tucht de Ouderlingen geheel als evenknieën naast de Dienaren des Woords. In den dienst des Woords zijn ze slechts een hulpe, een aanvulling van de Dienaren, maar in de zaken van regiment en tucht niet alzoo. Dan toch vormen ze met de Dienaren één gezelschap, hebben gelijke bevoegdheid en moeten volgens Vraag 85 van onzen Catechismus beschouwd als „mannen daarover van de gemeente gezet”, ook, gelijk ons formulier van bevestiging zich uitdrukt, opdat „daardoor geweerd worde alle tyrannie en heerschappij.” Zelfs komen ze in zake kerkelijk regiment soms schijnbaar boven een Dienaar des Woords te staan, in zooverre namelijk wie toezicht op iemand heeft tehouden staat boven den persoon over wien dat toezicht gaat, en aan de regeerende Ouderlingen, om dit woord nogmaals te bezigen, zeer bepaaldelijk is opgedragen „toezicht te nemen op de leeringe en den wandel van de Dienaren des Woords.”

Ze moeten. gelijk Vraag 85 van onzen Catechismus zegt, door de gemeente verkozen worden, doch in het ambt ingezet door hun mededienaren, ’t zij de Dienaren des Woords, ’t zij regeerende Ouderlingen. Voor de wijze van verkiezing geldt hetgeen in de vorige § over de verkiezing van de Dienaren des Woords is gezegd.

Ze kunnen dienen, desnoods voor hun leven, maar beter voor een bepaald aantal jaren, opdat ook anderer gaven der kerke ten beste komen, en alle oligarchie uit de kerke Gods worde geweerd.

Indien aan één of meerdere Ouderlingen zoodanige dienst in de gemeente wordt opgedragen, dat hij zijn eigen beroep verzaken moet, behoort ook aan de zoodanigen levensonderhoud voor hun personen en gezinnen verstrekt te worden, op geheel dezelfde wijze en onder geheel dezelfde bedingen als boven avoor de Dienaren des Woords is aangeduid. Het doel thans nagestreefd door de aanstelling van godsdienstonderwijzers, en dusgenaamde Evangelisten, kon op zulk een wijze veel juister, beter en ordelijker worden bereikt.

Kuyper, A. (1883) § 24

§ 24. Wat van de Doctoren zij te houden.

De vraag of er naast het ambt van predikant, ouderling endiaken nog een vierde ambt, dat van Doctor of leeraar, in de kerke

|64|

Gods bestaat, is niet uit te maken door verwijzing naar Ef 4: 1. Daar toch staat wel onderscheidenlijk, dat de Heere er sommigen gezet heeft tot apostelen en sommigen tot evangelisten, maar dan volgt er: sommigen tot herders en leeraars. Stond er sommigen tot herders en sommigen tot leeraars, zoo ware de zaak beslist. Thans niet. Onze Belijdenis in Art. 30 en 31 kent dan ook slechts drie ambten, en wel wordt in de Kerkorde van Dordt, Art. 2, van vier diensten gesproken, maar vooreerst moet de kerkorde naar de belijdenis, nooit de belijdenis naar de kerkorde uitgelegd, en ten andere is de kerk ook na 1619 niet overgegaan tot het scheppen van een kerkelijk Doctorenambt. Op grond hiervan dient erkend, dat het Doctorenambt dusver nog in staat van wording verkeerde, en eerst allengs door verdere ontwikkeling van den kerkelijken toestand tot zijn recht zal kunnen komen. Bij die verdere ontwikkeling zal dan als regel dienen te gelden: 1º. dat het kerkelijk Doctorenambt geheel onderscheiden worde van de universiteitstitels aan gepromoveerde personen verleend; 2º. dat het kerkelijk Doctorschap nooit een bloote titel, maar steeds een ambt zij, ten doel hebbende om de aanstaande dienaren des Woords op te leiden, wetenschappelijk de waarheid uiteen te zetten, en de waarheid, die de kerk belijdt, tegen ketterij te verdedigen; en wel deze drie saâm, of één dezer drie; 3º. dat zulke Doctoren aan de kerkelijke seminariën geplaatst worden, liefst tegelijk met opdracht van een deel van den dienst des Woords; 4º. dat zulke kerkelijke Doctoren zitting ontvangen in den kerkeraad hunner plaats, en adviseerende stem erlangen op classis en synode; 5º. dat ze voor het Doctoraat niet verkiesbaar worden gesteld dan na behoorlijke examinatie van studiën en godzaligheid; en 6º. dat deze kerkelijke Doctoren voor hun ambt aangewezen worden door de kerk, en in hun ambt ingezet hetzij door den kerkeraad, indien ze plaatselijk beroepen zijn, ’t zij indien ze voor een kerkelijke kweekschool zijn aangesteld, door de classis of synode die deze kweekschool heeft gesticht.

Hoogleeraren in de godgeleerdheid aan universiteiten, d.i. niet aan kerkelijke kweekscholen, maar aan zelfstandige niet-kerkelijke wetenschappelijke stichtingen, kunnen door den kerkeraad hunner woonplaats tevens tot kerkelijke Doctoren benoemd worden, maar zijn het niet als zoodanig. Raadzaamst is voor zulke universiteiten, dat ze voor de benoeming heurer hoogleeraren in de theologie de medewerking der kerk inroepen, op zulk een voet, dat aan deze hoogleeraren het kerkelijk ambt worde gegeven en aan de kerk het toezicht over hen die dit ambt bekleeden.

Kuyper, A. (1883) § 25

|65|

§ 25. Wat de Diakenen in de kerke Christi te doen hebben.

Het ambt van Diakenen is reeds ten deele in de oude Christelijke kerk, daarna geheellijk in de Roomsche kerk bedorven, en tijdens de Reformatie slechts gedeeltelijk in eere hersteld. Slechts gedeeltelijk, doordien de Luthersche kerk het wegliet; maar gedeeltelijk ook, doordien het zelfs in de gereformeerde kerk nooit tot genoegzame ontwikkeling kwam. Een Diaken bekleedt een ambt, een koninklijk door Christus hem opgedragen ambt, evengoed als de Dienaar des Woords en de Ouderling. Te zeggen dat Diakenen in het stoffelijke arbeiden en dus lager dan de predikanten en de ouderlingen staan, die in het geestelijke arbeiden, is een valsche scheiding, die wegvalt, zoodra het ambt van Diaken slechts in zijn hoogere beteekenis wordt genomen. Het Diaconaat is het ambt der Christelijke liefde, en gelijk de Heere Christus tijdens zijn omwandeling op aarde tweeërlei Goddelijk werk deed, namelijk ten eerste het Evangelie prediken om de zonde te stuiten, en ten andere de ellende van kranken en hongerigen lenigen, om de gevolgen der zonde te breken, zoo moest ook in Christus’ kerk het Diaconaat naast het Presbyteriaat staan, om naast de bediening van het Goddelijk Woord te openbaren de bediening der Goddelijke barmhartigheid. Het Diaconaat mag dus volstrekt niet opgaan in collecteeren en bedeelen van behoeftige personen, maar dient zich allengs te ontwikkelen als het heerlijk orgaan der kerk voor de Christelijke philanthropie. De zorge voor weezen en weduwen, voor ouden van dagen en kranken, voor blinden en idioten, voor krankzinnigen en ongeneeslijke kranken, ja zelfs voor gevangenen, ook voor doorreizende vreemdelingen, enz. ligt op der Diakenen weg. En terwijl zij op deze wijs de ellendigen des Heeren hebben te helpen, te steunen en te troosten, niet alleen door geld en goed, maar ook door geestelijke vertroosting, hebben ze tevens de gemeente geestelijk te bewerken door haar te leeren geven. Geven van geld is voor den zelfzuchtigen en hebzuchtigen mensch een geestelijke daad, waartoe alleen genade bekwaamt, maar die ook genade brengt, en de Diakenen schieten te kort in plichtsbetrachting jegens de gemeente, indien ze haar dit geven niet leeren. Wel verre dus van het Diaconaat als een bloot stoffielijk ambt te minachten, heeft men het veeleer als een hoog geestelijk ambt te eeren, ook al wordt het zelfs heden ten dage nog bijna in geen enkele kerk naar dien eisch bediend.

Diaconessen bekleeden geen ambt, maar zijn als helpsters der Diakenen

|66|

te beschouwen, doch als zoodanig dan ook in elke kerk te eeren, overmits de liefde Christi over ellendigen niet tot haar recht kan komen, tenzij ook de vrouwelijke teederheid haar instrument zij.

De dragers van dit ambt moeten evenals de predikanten en ouderlingen verkozen worden door de gemeente, maar beroepen en ingezet door hun mededienaren, op gelijke wijze als bij de Dienaren des Woords en de Ouderlingen gezegd is. De vereischten voor hun ambt zijn ten eerste geestelijk, maar zoodra aan de onmisbare vereischten van rechtzinnigheid en godzaligheid voldaan is, ook die van zekere positie in het burgerlijke, opdat door finantieel beheer hun ziele niet in gevaar kome en het vertrouwen ongeschokt sta.

Of ze overeenkomstig Hand. 6: 7 bevestigd moeten worden met handoplegging, moge onzeker zijn, stellig blijkt uit de handoplegging door de Apostelen aan de eerste Diakenen, dat hun ambt in waardigheid bij de overige ambten in niets mag worden achtergesteld.

Indien dan ook bij de breedere ontwikkeling van het kerkelijk Diaconaat onderscheidene personen hieraan geheel hunne kracht zullen moeten wijden, zou er niets tegen zijn, om zoodanige Diakenen ook evenals de predikanten van levensonderhoud voor hunne personen en gezinnen te voorzien; mits de gelden hiervoor niet genomen worden uit de aalmoezen, maar gekweten worden door de kerk.

Over de vraag of diakenen deel hebben aan de regeering der kerk is lang en veel gestreden. Gewoonte der gereformeerden ten onzent was, dat in ruim duizend van de circa elf honderd gemeenten de Diakenen aan de regeering wel deel namen, t.w. in alle plattelandsgemeenten en zeer kleine steden, en dat daarentegen in een goede honderd de Diakenen een afzonderlijk college vormden en slechts voor de beroeping van ambtsdragers en stoffelijke aangelegenheden meê in den raad der kerke stemden. Vandaar de schijnbare strijd tusschen de Belijdenis, die in Art. 30 de Dienaren, Ouderlingen en Diakenen in éénen kerkeraad vereenigt, en ons Formulier van bevestiging, dat het college van Diakenen van het gezelschap der Dienaren en Ouderlingen onderscheidt. En toch is het geenszins twijfelachtig in welken zin dit geschil dient opgelost. Uit het stellige feit toch, dat onze gereformeerde kerken, na de eerste troebelen, geen Diaken op de classis of op de synode hebben toegelaten, blijkt dat het eigenlijke kerkelijke regiment hun door onze kerken niet is toegekend. Wel behooren ze dus zitting te hebben in den plenairen raad, waar heel het ambt saâm komt en de gemeente vertegenwoordigt, maar indien ze op de dorpen aan de regeering deel hebben, is dit om het klein getal der ouderlingen, wier tekort ze aanvullen. Daarentegen gaan we

|67|

niet mede met hen, die de Diakenen ook aan de beroeping slechts laten deelnemen, als eerzame gemeenteleden. Dit kan niet. Ambt is ambt. En ook Diakenen zitten nu eenmaal in den raad der kerke als ambtelijke personen.

Een andere vraag, die we slechts aanstippen, zou daarentegen zijn, of gelijk de classis en synode vergaderingen zijn van meerdere kerken, om de zaken te behartigen die aller regiment aangaan, zoo ook Diakenen van onderscheidene kerken niet van lieverleê op gelijke wijs zullen moeten saâmkomen om de zaken te behartigen die vele ellendigen aangaan. Voor de inrichting van de weesverzorging op kleinere dorpen, voor de verzorging van kranken, idioten, krankzinnigen, blinden, vreemdelingen, enz. schijnt zulk een saâmwerking in een Classicale Diaconie al meer onmisbaar.

Kuyper, A. (1883) § 26

§ 26. Hoedanig het ambt aller geloovigen in de kerke Christi zij.

In Art. 28 belijdt onze Confessie o.m. dat er ook is een ambt aller geloovigen, daarmeê helder en nauwkeurig weergevende, wat H. Schrift bedoelt, als ze het volk des Heeren siert met de eeretitels van koningen en priesters. Want wel komt deze eere aan allen toe, maar zonder daarom het karakter van een ambt te verliezen. Wat ge krachtens uw ambt doet, doet ge niet uit uw persoon, maar ten gevolge van een op uw persoon gelegde waardigheid; terwijl omgekeerd, hetgeen ik buiten ambt verricht, door mij verricht wordt als uitvloeisel van mijn persoonlijk welbehagen, zonder dat van een opgedragen macht sprake komt. In de Vereenigde Staten van Amerika bestaat evengoed als in Frankrijk algemeen stemrecht op burgerlijk terrein, maar tusschen beide landen bestaat dit alles afdoend verschil, dat de Fransche kiezer zegt: „Ik stem omdat dit mijn recht als mensch is, een recht dat ik bezit, en waar ik niemand voor heb te danken;” terwijl de Amerikaan, die zijn constitutie verstaat, zal zeggen: „Ik stem niet, krachtens mijn recht als mensch, maar bij de gratie Gods, omdat God mij dit ambt verleend heeft.” Geheel hetzelfde verschil nu bestaat ten deze tusschen de denkbeelden der geestdrijvers en die der gereformeerden. Beiden erkennen dat er macht in de kerk bij de geloovigen berust, maar terwijl de geestdrijver uitroept: „Ik, ik als persoonlijk geloovige, heb in Jezus’ kerk te beslissen,” betuigt de gereformeerde: „Als geloovige heb ik niets dan den plicht om eeuwig mijn God

|68|

voor zijn genade te danken, en eerst doordien koning Jezus mij een ambt heeft opgelegd, bezit ik alsnu in die kerk een verantwoordelijke macht.”

Dit ambt der geloovigen bestaat allereerst hierin, dat, waar de regeerende ambten wegvallen, het ambt der geloovigen er voor in de plaats trede. In een kerk op een eenzaam eiland, waar pestziekte opeenmaal alle ambtelijke personen ten grave sleepte, zouden de geloovigen zelven krachtens hun ambt in de plaats van deze ambtelijke personen hebben op te treden, en wel door onverwijld het ambtelijk werk te verrichten bij manier van waarneming, en voorts door nieuwe ambtsdragers te verkiezen. Het eene ambt schuift, bij wegvalling, zijn taak altoos op het naastkomend ambt over. Valt de Dienaar des Woords weg, dan komt de regeerende Ouderling in zijn plaats; valt de Ouderling weg, dan neemt de Diaken zijn taak op; en valt ook de Diaken weg, dan treedt het ambt aller geloovigen er voor in plaats. Een regel, die, gelijk we zien zullen, dus ook doorgaat, waar de ambtsdragers niet door sterven of heengaan weg-, maar door ongeloof en ontrouw afvallen, of door verzuim en hoogmoed te kort schieten; een helaas, maar al te breed veld, waarop als aanklacht tegen ambtsdragers en ouders, thans de Zondagschool enzoo menige andere (op zich zelf, onnatuurlijke en dus ongeoorloofde) inrichting staat, maar die als correctief onmisbaar bleken en dankbaar zijn te waardeeren. Toch is deze ambtelijke waarneming van anderer taak slechts een uitvloeisel van de meer algemeene taak, die in het ambt aller geloovigen besloten is, t.w. de plicht, om gestadig en rusteloos in zake van belijdenis, kerkregiment en eeredienst de beslissingen en daden der andere ambtsdragers te controleeren. Nooit mag een geloovige zich bij iets neerleggen, omdat de dienaren der kerk het zóó uitwezen. Dat is Roomsch, niet gereformeerd. In een gereformeerde kerk moet elk geloovige zijn geestelijk oordeel hebben en dat oordeel laten werken; niet uit betweterij of bedilzucht, maar uit geestelijke gehoorzaamheid; en dus nooit op grond van zijn opinie, maar uitsluitend naar het geestelijk verstand van den Woorde Gods. Aldus moet al hetgeen in de kerk beleden, beslist of bediend wordt steeds zijn gestadigen steun vinden in de geestelijk verlichte conscientie der geloovigen. En ontstaan er nu tusschen deze verlichte conscientiën der geloovigen en de beslissing of handeling der Opzieners strijd, dan is het ambt aller geloovigen, zich hierover een oordeel te vormen, dit oordeel met eerbiediging van het regeerambt eerst geheimelijk mede te deelen, dan als beklag in te brengen, en eindelijk desnoods als publiek getuigenis algemeen te maken. Een zeer

|69|

ernstige taak, waaruit tevens deze andere ambtelijke verplichting voortvloeit, om, blijkt elke poging, om het kerkelijk regiment bij de waarheid te houden, vruchteloos, zich af te scheiden van alzulke Opzieners, die alsdan blijken niet meer van de kerk te zijn, en zich te voegen tot de ware kerk, of ook zelf die kezk op nieuw te openbaren.

Doch ook in gewone tijden is er in dit ambt der geloovigen nog een ander, zeer actief en positief moment. Niet slechts toch is het ambt aller geloovigen, om, gelijk we zooeven reeds aanstipten, een te kort in kennis bij de jeugd door de Zondagsscholen en andere inrichtingen aan te vullen; maar sluit dit ook de plicht in, om het Evangelie te verkondigen, waar dit niet geschiedt of slechts in schijn plaats heeft zoodra God de Heere er gave toe verleent. Mits, en hier hangt alles aan, mits men het doe ambtelijk, krachtens zijn ambt, en niet in geestdrijverschen zin, omdat men er lust toe gevoelt of waant er drijving des Geestes toe te hebben.

De oude Gereformeerde kerken dreven dit, op het voetspoor der eerste gemeente, zelfs zoo verre, dat ze oorspronkelijk geregelde dusgenaamde profetieën instelden, d.w.z. saâmkomsten der gemeente, waarin gewone geloovigen, onder leiding van den kerkeraad, de gemeente poogden te stichten uit den Woorde Gods, opdat alzoo alle gave, door Jezus in zijn kerk gelegd, ten nutte der kerk mocht worden aangewend. Nog van Comrie is het onlangs uitgekomen, dat ook hij dezen dienst in het Woord krachtens het ambt der geloovigen aanmoedigde. Waarmeê dan tevens samenhangt, dat men voor mannen van „extraordinairische gaven,” die kennelijk door den Heere daartoe bekwaamd waren, ook zonder universitaire opleiding, den toegang tot het ambt van Dienaar des Woords ontsloot.

Kuyper, A. (1883) § 27

§ 27. Hoe het staat met der kerken goederen.

Eigendom of bezit van goed is voor het wezen eener kerk niet onmisbaar. Zelfs zonder vast kerkgebouw kan een kerke Gods in de open lucht, in een schuur of pakhuis saâmkomen zonder dat het wezen der kerk daardoor verkort wordt. Bij uitbreiding en in rustiger tijden daarentegen is, althans in ons klimaat, het bezitten van een of meer kerkgebouwen onmisbaar; en onmisbaar ook eenige localiteit voor kleinere samenkomsten van ambtsdragers of gemeenteleden. Behalve deze gebouwen bezit een kerk meestal ook een vast kapitaal aan roerend of onroerend goed, waarvan de inkomsten door erflaters of schenkers bestemd zijn voor het onderhoud der gebouwen, den eeredienst of de bezoldiging der kerkedienaren. En zijn de inkomsten

|70|

uit deze vaste bezittingen niet voldoende, om te zorgen voor localiteit en dienstpersoneel, den eeredienst in stand te houden en de ambtsdragers behoorlijk te bezoldigen, dan behoort de kerk bovendien nog door inzameling van vrije giften of door hoofdelijken omslag dit tekort aan te vullen.

Het beheer over deze goederen en inkomsten staat aan de kerk zelve. Het is haar goed, het zijn haar gelden, die ten haren bate besteed moeten worden en waarvoor zij verantwoordelijk is. De wijze waarop zij dit beheer voeren kan, is velerlei. Oudtijds liet zij dit veelszins over aan de gereformeerde overheid. Nu die wegviel stelde zij eigen voogden en beheerders aan, en deed ze dit deels rechtstreeks, deels door den kerkeraad. Naar beginsel dienen de navolgende regelen hierbij als leiddraad te strekken. 1º. In zeer kleine kerken kan dit beheer overgegeven worden aan de Diakenen, als belast met den algemeenen dienst der tafelen, d.i. van alle geld, en niet alleen van het geld der armen. 2º. In gewone en grootere gemeenten is dit noch doenlijk noch raadzaam. Niet doenlijk, daar de diakenen, bij hun gebrekkige organisatie, reeds hun eigen taak voor twee derden onafgedaan moeten laten. En evenmin raadzaam, omdat het geestelijk karakter van het Diaconaat er schadebij lijdt. 3º. Men doet beter met in het beheer niet door den kerkeraad te laten voorzien, daar deze als ambtelijk collegie een eigen roeping heeft en de kerkvoogdij niet ambtelijk, slechts zaak is van commissie. En 4º. Het veiligst gaat men derhalve, indien men door alle leden der kerk, onder de leiding van den kerkeraad, een afzonderlijk collegie van kerkvoogden benoemt, en voorts, eenige kerkleden naast hen committeert, om de rekening en verantwoording van kerkvoogden op te nemen.

Hoofdelijke omslag steunt niet op het beginsel der liefde, maar op verplichting naar rechten. Zulk een aanslag mag dientengevolge nooit gebezigd, om aalmoezen te vervangen en in den nood der armen te voorzien; maar mag zeer wel aangewend, om saâm de kosten te vergoeden, die men saâm als kerk maakt. Een kerk die een gebouw gebruikt, dienstpersoneel houdt, een orgel laat bespelen en zich verbindt een predikant te bezoldigen, doet telken jare gezamenlijke uitgaven, maakt gezamenlijke kosten, en gaat alzoo een jaarlijksche schuld aan. Al nu wat uitgave voor eigen gebruik, kosten voor eigen genieting en schuld voor eigen uitgave is, valt nooit onder de rubriek van aalmoes, maar is en blijft tributum, d.i. wat men in rechten verschuldigd is. Dit nu kan men of vrijwillig bijeenbrengen, of gaat dat niet, dan moet men de kosten onder elkaar verrekenen en verdeelen. Maar ook al brengt men deze gelden vriiwillig bijeen, dan zijn het nog nooit aalmoezen, maar

|71|

blijven het altoos betalingen voor genoten of te genieten waarde. Wie zich dan ook inbeeldde, dat bij den ommegang in onze kerken de collecte voor de kerk en voor de armen op één lijn stond, zou zich een goed werk toeschrijven dat hem niet toekwam. Zelfs wie meer in de kerkcollecte geeft dan hij pondpondsgewijze schuldig zou zijn, reikt daarom nog volstrekt geen aalmoes aan zijn kerk, maar betaalt, behalve zijn eigen verschuldigd aandeel, nog een ander deel in de schuld van min willige betalers.

Voor goeden kerkdienst zal men in gewone kerken en tijden omstreeks vijf Gulden per hoofd of vijf en twintig Gulden per gezin en per jaar hebben te betalen; een som die alzoo, naar den regel dat kerkelijke betaling zich schikt naar het vermogen, terwijl de genieting voor allen gelijk is, voor de onvermogenden op nul daalt, maar voor de gewone burgers dan ook op dertig à veertig en voor de meervermogenden tot honderd en meer per gezin klimmen moet.

Kuyper, A. (1883) § 28

§ 28. Door welke vergadering de kerk bestuurd wordt.

Het bestuur over de kerken wordt uitgeoefend door de kerkeraden, die in wijderen zin zijn saâmgesteld uit de predikanten, ouderlingen en diakenen, in engeren zin, voor zooveel de hanteering van den tweeden sleutel des Hemelrijks aangaat, uit de predikanten en ouderlingen alleen, terwijl evenzoo de diakenen op hun beurt een afzonderlijk collegie vormen voor de bediening der tafelen. Dat in kleinere kerken ook de diakenen aan het bestuur in engeren zin deel nemen, is een toegeven aan de noodzakelijkheid, maar vloeit niet voort uit het beginsel. In alle zaken daarentegen, waarin noch uitsluitend van de handteering der sleutelen, noch uitsluitend van de bediening der tafelen gehandeld wordt, maar die de algemeene belangen der kerk raken, staat de beslissing uit beginsel bij den vollen raad der kerke, waarin diakenen zoowel als predikanten en ouderlingen zitting hebben. Belangen van algemeenen aard zijn de beroeping van predikanten, de benoeming van ouderlingen en diakenen, de representatie der kerke bij de overheid, de zorge voor de kerkelijke goederen, enz. In den breeden kerkeraad zoowel als in den kerkeraad voor de hanteering der sleutelen zitten de predikanten voor, maar staan overigens de ouderlingen en diakenen in macht hun volkomen gelijk. Deze kerkeraad behoort zelf de voorkomende zaken naar goede ordre af te doen, en mag nooit anderen committeeren dan ter uitvoering van een bepaalden last; behoort de leden der kerk die zulks wenschen voor zich te ontvangen; en blijft het best met

|72|

de kerk in levend contact door aan de geloovigen gelegenheid te bieden, als toehoorders de vergaderingen bij te wonen; natuurlijk behoudens het recht, om in besloten kring te vergaderen, zoo dikwijls de geaardheid der voorkomende zaken zulks eischt.

De Dienaren des Woords kunnen saâm wel een bijeenkomst of krans vormen voor de bespreking van hun werkzaamheden, en evenzoo de regeerende ouderlingen een eigen krans organiseeren om de verdeeling van hun arbeid te bespreken, maar macht, recht of bevoegdheid heeft zulk een dusgenaamd ministerie of presbyterie in het allerminste niet, en de ééne zoomin als de andere krans was van oudsher in onze gereformeerde kerken bekend. Wel de Diakenen hebben een onderscheiden dienst en vormen deswege een afzonderlijk college. Maar leerende en regeerende ouderlingen zijn lieden van een zelfde categorie, verbonden door de bediening van de sleutelen des Hemelrijks, en kunnen dus ook naar luid ons Bevestigingsformulier, geen ander collegie of gezelschap vormen, dat macht en wettelijke bevoegdheid zal bezitten, dan den gewonen kerkeraad, waarin ze saâm met gelijke stem en geheel gelijke bevoegdheid optreden.

Kuyper, A. (1883) § 29

§ 29. Van de toebediening der genademiddelen.

De genademiddelen der kerke zijn de schatten die in Christus voor de uitverkorenen zijn weggelegd, en die ons voorgehouden worden in het Woord en bezegeld door de Sacramenten. Woord en Sacrament worden daarom terecht de beide genademiddelen der kerk genoemd. Deze genademiddelen nu worden toebediend door den één en genomen door den ander. Vandaar dat het Sacrament gebonden is aan den presbyterialen dienst, overmits niemand een sacrament nemen kan, tenzij er een toebediening zij. Anders staat het daarentegen met het Woord. Dit kan ook zonder toediening genomen en genoten worden, zij het ook op minder rijke wijze. Het genademiddel van het Woord is derhalve alleen voor zijn uitlegging en toepassing aan het ambt gebonden, en wel met dien verstande, dat het ambt der geloovigen dit genademiddel toediene aan een iegelijk, die vermaan wil hooren, het priesterambt van den vader in zijn huis het toediene in alle huisgezin, en het ambt van den Dienaar des Woords het publiekelijk toediene aan de geheele gemeente. Deze toediening van het Woord draagt tweeërlei karakter, naar gelang er melk moet toegediend of vaste spijze. Het toedienen der melk is de toediening van het Woord door de catechisatie, het toedienen van de vaste spijze is de toediening van dit genademiddel door uitlegging

|73|

en toepassing van het Woord. Met het uitreiken van deze melk is ambtelijk belast, de Dienaar des Woords voor publieke en private catechisatiën; de regeerende ouderling voor private onderrichting; de vader, of ook de moeder, in elk huisgezin; en elk geloovige bij zoodanige kinderen, bij wie noch de ouders of de verwanten noch de kerk kwijting van plicht betoont. Het toedienen der vaste spijze daarentegen geschiedt ambtelijk alleen in het huisgezin door den vader als priester, en in het midden der gemeente door den Dienaar des Woords, beide malen als hanteering van den eersten sleutel des Hemelrijks; niet als dusgenaamde Evangelieverkondiging, maar als een spreken in den Naam des Heeren met macht; kan slechts bij wijze van waarneming op regeerende ouderlingen overgaan; en geschiedt slechts subsidiair in de dusgenaamde profetieën, of bij ontstentenis van ambtsdragers door gewone kerkleden. Voorts echter rust op de Dienaren des Woords niet minder de verplichting om dit genademiddel aan de huizen der kerkleden om te dragen; bij huisbezoek vóór elk Avondmaal aan allen; bij krankheid of droefenisse aan de bedrukten, en bij naderend doodsgevaar aan de stervenden. Alleen het geloof is machtig tot behoudenisse, en om het geloof te wekken en levendig te houden is er geen ander genademiddel dan het Woord.

Het Sacrament bezegelt het woord en sterkt daardoor het geloof, zoowel aan de kerk in haar geheel als bij den enkele die het geloof deelachtig werd. Gelijk nu elk zegel om zegel te zijn, een publiek karakter moet dragen, zoo is het ook met den dienst der Sacramenten. Ze moeten overeenkomstig haar natuur publiek bediend worden, en zijn deswege aan den publieken dienst der kerk als zoodanig verbonden. Ze worden uit dien hoofde door de kerk aan de kerk toegediend, onder de leiding van den kerkeraad en onder de aanwending van den dienst der herderen. Alleen in de kerk, onder de leiding van den kerkeraad, door de herderen toebediend, zijn de Sacramenten sacramenteele zegels. Zegels op het Woord zijnde, mogen ze dan ook van den dienst des Woords niet worden afgescheiden, en worden het best na geëindigde predicatie toegediend. Dus nooit aparte Doop- of Avondmaalbeurten.

Op de toediening van beide genademiddelen, zoowel op die van het Woord als op die van het Sacrament, heeft elk lid der kerk recht, maar ook het aannemen en gebruiken ervan is voor beiden plicht. Vandaar geldt als regel niet bejaarden-, maar kinderdoop; en mag niemand van den Doop geweerd, die op eenige wijze als lid der kerk is aan te merken. Het Woord en het sacrament des Avondmaals zouden evenzeer reeds aan de kleinste kinderen toekomen, bijaldien deze er vatbaar voor waren. Nu daarentegen de natuur dit onmogelijk

|74|

maakt, verkrijgt het kind eerst dan recht op het Woord als het hooren, en eerst dan recht op het H. Avondmaal als het belijden kan. Wie geen lid der kerk is, of ook van elders komt uit kerken, die niet erkend zijn, mag men niet tot de Sacramenten toelaten, gelijk evenzoo van de Sacramenten moet uitgesloten, al wie door dwaling of boosheid onder tucht geraakt.

Maar evenzeer is omgekeerd elk kerklid tot het gebruik van het Sacrament verplicht. Een ieder is verplicht zijn kind te laten doopen, en evenzoo staat een ieder geloovige onder de verplichting, om zoo dikwijls het H. Avondmaal wordt uitgereikt, zich bij die uitreiking te laten vinden. Niet alsof aan het Sacrament zijn zaligheid hing. Geen goed Christen die dit niet beter weet. Maar ook geen goed Christen, die, overmits God vrij machtig is, hem ook zonder Sacrament zalig te maken, aan den Heere God zijn ontferming met verachting van zijn heilig Sacrament vergeldt.

Kuyper, A. (1883) § 30

§ 30. Van de oefening der kerkelijke tucht.

De toediening der genademiddelen moet heilig gehouden en de gemeente Gods met geestelijke politie geregeerd. Tot dit tweeërlei doel strekt de oefening der Christelijke tucht, die aan het ambtelijk gezag gebonden is. Deze tucht wordt daarom geoefend 1º. door elk en een ieder geloovige in den weg van vermaan, zoo hij den broeder ziet afdolen; 2º. door elk en een ieder geloovige in de lagere trappen, bij persoonlijke beleediging; 3º. door alle geloovigen saâm bij het bannen of weder opnemen van wie zich misdroeg, door in te stemmen met de beslissing van den kerkeraad, of zich tegen die beslissing te verzetten, en voorts 4º. en ten principaalste door den kerkeraad over de gemeenteleden en door de classes over dolende kerken.

Deze tucht is niet een broedelijk vermaan der liefde, maar een zedelijk strafrecht dat met gezag namens koning Jezus wordt uitgeoefend. Dit strafrecht richt niet den staat des harten noch de bedoeling. De intimis non iudicat ecclesia 1). Het is evenmin inquisitoriaal en zoekt dus niet de overtreding op, die binnenshuis geschiedt. Maar ze is uitsluitend gericht op publieke overtreding, d.i. die óf publiek begaan is, óf, in het verborgene begaan, bekend wierd. Deze tucht gaat over belijdenis en wandel, en dat zonder aanzien des persoons, zoowel over Dienaren des Woords en overheidspersonen, als over den vergeten burger.


1) De kerk onthoudt zich van oordeel over de verborgene dingen.

|75|

Zij volgt een geregelde procedure, die behoorlijken waarborg behoort op te leveren tegen veroordeeling van onschuldigen; schrijdt langs vaste trappen voort tot eindelijke afsnijding van de gemeente; maar keert steeds op haar schreden terug, zoodra er boetvaardigheid blijkt, en dat wel zonder zweem zelfs van eerloosheid op den boetvaardige te laten rusten.

Ze stuit de werking der genademiddelen, overmits de genademiddelen alleen voor de geloovigen zijn, en door toepassing van tucht de vraag of iemand een geloovige is, onzeker wierd en kerkelijk in twijfel is getrokken. Wel kan iemand die onder tucht staat daarom met het Woord bewerkt worden, maar het Woord komt dan tot hem evenals het tot anderen komt die buiten staan, t.w. om hem te veroordeelen en tot bekeering te manen, niet om hem te troosten met zijne beloften. En in strenger zin nog wordt het sacrament gestuit, overmits de kerk niet langer de beloften niag bezegelen aan iemand wiens geloof kerkrechtelijk in twijfel is getrokken. Bij den H. Doop is dit alleen daarom niet toepasselijk, overmits een pasgeboren wicht niet dolen of overtreden kan, en het denkbeeld, om het kind te straffen voor de overtreding der ouders, wel van Gods zij kan geschieden en geschiedt, maar een strafoefening is, waartoe de kerk geen macht bezit.

Van de tucht in het huisgezin behoort hier niet gehandeld te worden, daar de vaderlijke macht een burgerlijk en geen kerkelijk karakter draagt.

Kuyper, A. (1883) § 31

§ 31. Van den Eeredienst.

De eeredienst doelt uitsluitend op de heilige handelingen, die in de openbare vergaderingen der kerken plaats grijpen. Noch hetgeen in de huisgezinnen noch hetgeen in bijzondere bijeenkomsten geschiedt, mag dus onder dezen titel begrepen worden. Eeredienst is hetgeen de kerk als kerk in de ure van geestelijke gemeenschapsoefening en gemeenschappelijke aanbidding doet onder de hanteering van de sleutelen des Hemelrijks. Hieruit vloeit voort, ten eerste, dat de leiding van den Eeredienst aan de Dienaren des Woords moet opgedragen worden, en dat de inrichting er van ter beslissing van den kerkeraad staat. Zijn vele kerken vereenigd, dan kan die inrichting voor die vele kerken saâm door de classis, of voor nog meerdere kerken door de synode worden vastgesteld, maar ook in deze classicale en synodale beslissing is het feitelijk de kerkeraad die de inrichting regelt. Vloeit in de tweede plaats voort, dat de

|76|

Dienaar des Woords in de vergadering der gemeente niet verschijnt om zijn individueel geestesleven uit te spreken, maar om in den Naam des Heeren aan de vergaderde gemeente haar zonde en Gods oneindige barmhartigheden aan te zeggen, en evenzoo in naam der vergaderde menigte tot God den Heere te gaan met gebeden, lofzegging en dank. Zekere vaste gang is hierbij onmisbaar. Of al de Dienaren wisselen, of ook in grootere kerken, meerdere Dienaren naast elkander optreden, het moet toch altijd de ééne kerke blijven die in aller veelvuldigen dienst haar eenheid en gedurigheid terugvindt. Op dien grond zijn formulieren voor de bediening der Sacramenten, voor bevestigingen, voor openlijke tuchtoefeningen, enz. stellig geboden; dient de algemeene gang van den eeredienst in groote kerken te zijn voorgeschreven; hetgeen gezongen moet worden, vast te staan; en is zelfs een enkel formulier-gebed allerminst te veroordeelen. Altoos echter met dien verstande, dat uit deze regelen geen vormdienst of formalisme geboren worde en de vrije uiting des Geestes in de gemeente niet door menschelijke bepalingen worde gebonden. En vloeit ten slotte voort, dat in eenzelfde stad of groot dorp wel meer dan één kerkgebouw voor den dienst mag worden ingericht; en dat evenzoo aan elk kerkgebouw zekere vaste predikers en zekere vaste stadswijken, in den vorm van kerspelen mogen verbonden worden; maar dat al deze diensten altoos onder éénen kerkeraad behooren te staan, opdat in elk dier diensten, in wat kerkgebouw ook gehouden, steeds dezelfde belijdenis beleden en dezelfde liturgie gevolgd worde.

Uit dit oogpunt bezien, is de dusgenaamde gezangenquaestie een kerkelijke quaestie van ernstig belang. Zoolang b.v. de kerk van Amsterdam verbonden blijft met die andere kerken, met wie zij sedert 1775 één was, staat de regeling en inrichting van den eeredienst, dus de bepaling van wat er gezongen mag worden uitsluitend aan de nationale synoden. Nu hebben alle vroegere Synoden bepaald, dat alleen de Psalmen zouden gezongen worden, en kon alzoo dit constante besluit alleen door een nationale synode rechtens ook herroepen worden. De Deputati Synodi echter die in 1806 de Gezangen invoerden, hadden tot deze invoering van geen enkele Nationale Synode opdracht ontvangen, terwijl naar gereformeerd kerkrecht een deputaat niets doen kan noch mag, dan wat een Synode binnen haar kring hem opdroeg en uitdrukkelijk gelastte. En overmits nu een Synode-provinciaal nooit kan noch mag te niet doen wat een Synode-nationaal bepaald had, zoo bezaten de provinciale Synoden in 1805 zelven geen macht hoegenaamd, om de bepalingen der

|77|

Synode-Nationaal van 1619 te vernietigen, en konden dus ook evenmin een macht, die ze zelve niet bezaten, op haar deputaten overbrengen. De invoering der Gezangen was alzoo in volstrekten zin onwettig. En de Synode van 1816 heeft deze onwettige daad dáárom niet kunnen goedmaken, overmits zij, volgens haar lastbrief, optrad uitsluitend als Bestuurscollegie en alle aanbrengen van verandering in de geestelijke aangelegenheden der kerk opzettelijk van haar bevoegdheid was uitgesloten. We laten dus de vraag, of het goed dan wel niet goed zij, bij den eeredienst der gemeente naast de Psalmen ook liederen te zingen, thans geheel in het midden; en spreken alleen als ons gevoelen uit, dat de invoering der dusgenaamde Evangelische Gezangen kerkrechtelijk in elk opzicht onwettig was en dusver nog nimmer gewettigd is geworden.

De tegenbedenking, dat men dan ook de Psalmen van Datheen nog zou moeten zingen, gaat niet op. Dit toch is een quaestie van uitvoering, die het groote beginsel, of men bij den zang in het Godshuis al dan niet aan het Woord Gods gebonden zij, ongedeerd laat. Dat groote beginsel: „In Gods huis niets anders dan Gods Woord ook in uw lied!” hebben onze wettige geestelijke Synoden, op voorgang van Datheen en Marnix beiden, met beslistheid beleden; ook tegenover de Remonstranten, die het eerst gezangen eischten. En zulk een beginsel kan, ja moet zeer zeker, als het naar den Woorde Gods anders blijkt te zijn, door een latere Synode-Nationaal veranderd; mits dan die verandering maar op wettige wijze geschiede, en niet, gelijk ten onzent, door onbevoegden plaats grijpt.

Kuyper, A. (1883) § 32

§ 32. Hoe een kerk in verband treedt met andere kerken.

Een kerk mag niet op zichzelve blijven staan, daar zij niet de kerke Christi is, maar slechts een openbaring van de kerke Christi op ééne enkele plaats. Vergaderingen in andere plaatsen, die insgelijks openbaringen van hetzelfde lichaam Christi zijn, hooren dus bij haar en zij bij deze. Hieruit spruit de stellige verplichting tot correspondentie met andere kerken binnen de perken van het mogelijke. Die verplichting ontstaat intusschen dan eerst, als in andere plaatsen de kerke Christi tot zoodanige openbaring is gekomen, dat ze als kerke Christi herkenbaar is. Is dit niet het geval, dan kan een kerk er geen correspondentie meê aangaan. Verliezen de kerken elders dat karakter, dan moet ze er de correspondentie meê afsnijden. Eenheid van belijdenis is de onmisbare grondslag, waarop alle kerkelijke correspondentie, en dus ook alle kerkverband, moet staan.

|78|

Waar nu zoodanige eenheid van beginsel gebleken is, en alzoo door correspondentie kerkverband moet gezocht, daar behoort dit kerkverband ten doel te hebben: 1º. het uitspreken van de gemeenschappelijke belijdenis der kerken, en het behandelen van gravamina daartegen; 2º. het regelen van den gemeenschappelijken eeredienst en leerdienst; 3º. het onderhouden van weerkeerig toezicht op elkander; 4º. het gemeenschappelijk verdedigen van de rechten der kerken tegenover derden; 5º. het uitwijzen van geschillen tusschen de kerken onderling; 6º. de verzorging van den Dienst des Woords, door het oprichten, indien noodig, van kweekscholen, het keuren van candidaten, het approbeeren van beroepene Dienaren en ontslaan van weggaande, enz.; 7º. het regelen van den overgang van lidmaten uit de eene in de andere kerk, ’t zij voor de bediening van den H. Doop, ’t zij voor die van het H. Avondmaal, door dusgenaamde attestatie; en 8º. het onderhouden van de gemeenschap door afvaardiging van deputaten naar elkanders vergaderingen.

De verzorging der Belijdenis, van den leerdienst en den eeredienst staat daarbij op den voorgrond, overmits hierin zich het geestelijk karakter der kerken afteekent. Formulieren van eenigheid vast te stellen en te waken voor heur handhaving is alzoo de eerste plicht aller kerken die in kerkverband treden. Niet, dit sta duidelijk op den voorgrond, om deze schriften in eenige waardij ook maar bij den Woorde Gods te houden, maar overmits een iegelijk die buiten staat of binnen is, moet kunnen weten wat de kerk van den Woorde Gods houdt. Deze formulieren binden dus nimmer de conscientie. De conscientie bindt alleen de Heilige Schriftuur, aan welke deze formulieren altoos examinabel blijven. Daarentegen staat het niemand vrij in de kerk tegen die formulieren te leeren; behoort een iegeijjk die gravamina heeft, deze bij de kerke aan te brengen opdat ze onderzocht worden; en is een iegelijk gehouden zich óf aan de uitspraak van de kerk in deze te onderwerpen, óf anders uit een kerk, die naar zijn overtuiging tegen het Woord Gods koos, te scheiden. Hierin ligt al het verschil tusschen een Remonstrantsche en Gereformeerde revisie.

Dit kerkverband of deze correspondentie met andere kerken staat onder het bestuur van een Synode, maar overmits niet alle kerken die saâm in correspondentie staan op de Synode saâm kunnen komen, heeft men van ouds en terecht de naburige kerken streeksgewijze nog in kleinere kringen saâmgevoegd onder den naam van Classis. Op deze Classis behooren alsdan alle kerken van de streek saâm te komen, als vrije geconfedereerden of geünieerden; doch naardien nu

|79|

de geheele kerk, en zelfs heur kerkeraden, niet in vollen getalle verschijnen kunnen, komen alleen de Dienaren saâm met de ouderlingen. Deze behooren niet hoofdelijk, maar kerksgewijze te stemmen, onder leiding van een moderamen, dat voor elke vergadering gekozen wordt en wegvalt als de vergadering sluit. Is er geen classis saâm, dan bestaan er niets dan naast elkander liggende kerken, en elk denkbeeld van eenig duurzaam bestuur of moderamen moet als inkruipsel van pauselijke tirannie met ijver uit de kerke Gods geweerd blijven. Wel kan de classis deputaten committeeren, maar nooit anders dan met bepaalde lastgeving. Dus nooit een commissie die als een soort collegie zou beraden en besluiten, maar losse gecommitteerden, die den last der classis uitvoeren, zonder meer.

Uit deze Classis en door deze Classis worden dan afgevaardigden ter Synode gekozen. De tusschenschakel van een Provinciaal kerkbestuur is in elk opzicht met de beginselen van het gereformeerde kerkrecht in strijd, en dat te meer nu men de provinciale Synoden vervallen liet. Rechtstreeks behoort men dus uit de Classis naar de Synode te deputeeren, hetzij naar de provinciale Synode, die dan op haar beurt een generale Synode benoemen, hetzij op eens naar een Synode-nationaal. Maar ’t zij men langs één, hetzij men langs twee trappen naar de Generale Synode opklimme, in elk geval geldt voor deze provinciale en generale Synoden geheel dezelfde regel als voor de classis, Ze komen en ze gaan, zonder eenige Synodale Commissie of eenig Synodaal moderamen achter te laten, en worden telkenmale saâmgeroepen door een kerk of classis die daartoe opdracht ontving; benoemen dan hun moderamen en ontslaan dit, als ze uiteengaan; gecommitteerden worden belast met de uitvoering der besluiten, mits voor een bepaalde zaak en met bepaald mandaat; en deze gecommitteerden doen dan eerst verslag als de Synode opnieuw saâmkomt.

Op deze generale Synode pleegt men dan en terecht ook correspondentie te onderhouden met de kerken buitenslands, voor zooverre die eenzelfde belijdenis hebben. Deze correspondentie kan óf in een bloote begroeting bestaan, óf gelijk te Dordrecht het dubbel doel hebben, om kerken die in moeielijkheden geraakten, te helpen, en om de eenheid van de gereformeerde wereldkerk tegenover andersdenkenden uit te spreken.

Met kerken van een andere belijdenis onderhoudende kerken geen correspondentie, hoewel de nadere verwantschap met de Luthersche kerk er altoos toe geleid heeft, om de kerken, die onder deze benaming staan, met broederlijke genegenheid te bejegenen en steeds

|80|

te staan naar hereeniging, van wat wel saâm hoort, doch, alvorens het in belijdenis één wierd, niet saâm wonen kan.

Kuyper, A. (1883) § 33

§ 33. Of de kerken ook bemoeienis hebben met wat niet tot de kerk behoort.

Een kerk van Christus mag zich niet opsluiten in zichzelve, om voor zichzelve te leven. Ze heeft ook een roeping voor wat buiten haar ligt, en dat in drieërlei opzicht. Ten eerste door, nadat de huisgenooten des geloofs behoorlijk verzorgd zijn, haar aalmoezen en de zorge harer barmhartigheid ook uit te strekken naar de ellendigen buiten haar poorte. Ten tweede door degenen die met de kerk in een zelfde stad of dorp saâmwonen, maar niet in haar heerlijke belijdenis deelen, door evangelisatie voor de belijdenis van den Christus te winnen. En ten derde door evangelisten of zendelingen ook naar andere oorden en streken te zenden, om de kerk te planten waar ze nog niet is. Het werk der Philanthropie, der Evangelisatie en der Missie of Zending.

Barmhartigheid aan wie buiten zijn moet gepleegd, niet om daardoor een goede reuke bij menschen te verkrijgen, maar om ’s Heeren wil, en uit besef van gemeenschappelijke schuld als bron van de gemeenschappelijke ellende.

De Evangelisatie moet uitsluitend ten doel hebben: de uitbreiding der kerk in de plaatsen waar ze gevestigd is, en behoort zich uit te strekken tot Joden en heidenen, tot nietsgeloovenden en bijgeloovigen, zoo armen als rijken. De prediking van het Evangelie aan gedoopten, is geen Evangelisatie maar catechisatie, en moet uitgaan van den Dienst des Woords, of, bij verzuim van de Dienaren, van het ambt aller geloovigen. Tot dit werk der Evangelisatie onder hen die buiten staan, is ieder in het particulier geroepen, voor zooverre God de Heere hem met buitenstanders in aanraking brengt; maar is ook de kerk als kerk geroepen, die daartoe bepaalde mannen onder den naam van Evangelisten kan aanstellen. Hun werkzaamheid moet leiden tot het brengen van deze buitenstanders in de kerk; overmits een goed onderwezene, die nu belijden wil, gedoopt behoort te worden en het recht van den H. Doop te bedienen, alleen aan de kerk toekomt.

De Missie of zending naar andere oorden of landen kan evenzeer óf particulier óf kerkelijk zijn. Ieder geloovige, die zich daartoe geroepen weet, mag naar vreemde landen of oorden gaan om het Evangelie te verkondigen, en het ware te wenschen, dat meerderen zich hiertoe gedrongen gevoelden. Niet geduld mogen daarentegen

|81|

worden particuliere zendingsvereenigingen, die zenden willen met bevoegdheid, om een Dienst des Woords in te richten, een Sacramentsbediening te organiseeren, en een kerke Gods te stichten. Wat particulieren doen mogen, is geld saâmbrengen om een geloovige die derwaarts gaan wil aan reis- en teerkost te helpen. Maar dan is zulk een geen zendeling, geen gezondene, geen Dienaar des Woords, heeft hij niet het recht om ’t Sacrament te bedienen, en is al wat hij doen mag, ginds als een getuige Christi optreden, om het Evangelie te verkondigen. Slaagt zulk een particulier er echter in, Joden, Heidenen of Mahomedanen te bekeeren, en vragen deze den Doop, dan behoort zulk een particulier zich tot zijn eigen kerk of tot de naastbijgelegen kerk te wenden, opdat deze kerk alsnu zende, een zendeling doe overkomen, en door dezen zendeling aan deze bekeerlingen den H. Doop toediene, ze in een kerk vereenige en door het verkiezen van ouderlingen en diakenen een eigenlijken Dienst des Woords voorbereide. Maar óók kan een kerk rechtstreeks zenden, d.i. een Evangelist of Dienaar des Woords afzenden, met last om het Evangelie te prediken, en met bevoegdheid, om, geeft de Heere bekeerlingen, dezen namens de kerk den H. Doop toe te dienen, ze kerkelijk te vereenigen en een Dienst des Woords onder hen in te voeren.

Alleen een zending op déze grondslagen mag duurzaam rekenen op de sympathie der gereformeerde kerken; ook al komt het niemand toe, terwijl men zelf stilzat, anderen te oordeelen, die deden wat hun hand vond om te doen.

Slechts ééne zaak moet stellig afgekeurd. Het dusgenaamd ordenen van genootschaps-zendelingen door eenige predikanten is een bedrijf dat onverantwoordelijk dient te heeten. Predikanten zijn geen Roomsche priesters die ex opere operato werken, en al waren er legioenen predikanten saâm, deze hebben, los bijeengevoegd, buiten kerkelijk verband, noch eenige macht noch eenige de minste bevoegdheid, om een ordening te verleenen, die zich alleen uit liet verband der kerken laat afleiden.

Kuyper, A. (1883) § 34

§ 34. Wat de roeping der kerken ten opzichte van de scholen zij.

Het onderwijs vormt een eigen zelfstandigen kring van geestelijke werkzaamheid, evenals de huiselijke opvoeding. Het komt derhalve aan de kerk niet toe, het schoolwezen zonder meer aan zich te trekken. Dit zou de burgerlijke ontwikkeling tegenhouden, gelijk Romes

|82|

sterke inmenging met het huiselijk leven in tal van landen het huiselijk leven heeft gedood.

Wel heeft daarentegen de kerk zich met de school in te laten in deze drieërlei opzichten: 1º. heeft de kerk, bij wijze van waarneming, scholen te stichten, te voeden en in stand te houden, voor zooverre die ontbreken door anderer verzuim, of ook door inmenging van onbevoegden wel bestaan, maar bestaan in verkeerden geest; 2º. heeft de kerk voor de kinderen harer behoeftigen te zorgen, dat ze onderwezen worden, wat zuinigheidshalve vanzelve leidt tot de stichting van Diaconiescholen; en 3º. heeft de kerk bij zelfstandig optreden der scholen te waken voor de goede onderwijzing in de zuivere waarheid, die naar den Woorde Gods is.

De eerste en laatste dezer regels gelden voor het onderwijs in alle graden; het Hooger onderwijs incluis. Krachtens haar natuur en wezen komt het aan de kerk niet toe, om wetenschappelijk te onderwijzen, al staat het haar volkomen vrij, om kweekscholen op te richten ten einde te voorzien in de behoefte aan candidaten voor den Heiligen Dienst. Ontbrak daarentegen alle gelegenheid om onderwijs in de hoogere wetenschappen te ontvangen, of was het bestaande onderwijs voor Christen-jongelingen onbruikbaar, dan zou de kerk wel terdege gehouden zijn, niet krachtens haar eigen ambt, maar bij wijze van waarneming, in deze leemte te voorzien. Maar ook, waar, ’t zij dan door particulieren, ’t zij door de overheid Hoogescholen, die voor de kinderen van haar Heiligen Doop bruikbaar zijn, wierden opgericht, zou de kerk toch altoos hebben te waken en toe te zien, dat de aanraking van, het aldus gegeven onderwijs met de waarheid Gods aan die waarheid geen afbreuk dede.

Zij, de kerk van Christus, is de pilaar en vastigheid der waarheid, en wáár dus ook, ’t zij binnen ’t zij buiten haar kring, die Waarheid, die naar den Woorde Gods is, bedreigd wordt of in gevaar geraakt, daar is het haar recht en haar roeping, om luide haar stem te verheffen en met heldenmoed op te komen voor de rechten van haar Koning en Heer!

Kuyper, A. (1883) § 35

|83|

 

Hoofdstuk III.

Van de deformatie der kerken.

 

§ 35. Wat hier onder deformatie der kerken te verstaan zij.

Deformatie ontstaat doordien in kerken, die van goede formatie geweest zijn, deze goede formatie sinds in deugdelijkheid verloor. Alle gebrek, dááruit voortspruitende, dat de formatie der kerk nog in wording is, valt hier dus buiten. In de apostolische kerk te Jeruzalem, te Antiochië, te Rome enz. was, tijdens het leven der Apostelen, de formatie nog verre van volkomen. Vele ledematen aan het kerkelijk organisme waren nog niet uitgegroeid; nog niet ontwikkeld. Evenzoo verkeerden de kerken die tijdens de Hervorming hier nieuw tot openbaring kwamen, vaak in nog zeer gebrekkigen staat. Zelfs ontbrak voor 1563 een gemeenschappelijke confessie. Toch was dit zoomin in de eerste als in de zestiende eeuw deformatie; overmits deformatie, of misvorming, verbastering, ontaarding, altoos stelt, dat de vorm, de geaardheid eerst goed geweest is en sinds leed en verviel. — Evenmin mag onder deformatie verstaan het niet bereiken van het ideaal. Ook bij deformatie van kerken toch kan men zich indenken in een idealen toestand, en dat wel in tweeërlei zin. Men kan namelijk óf den toestand van de hemelsche kerk zich reeds als ideaal hier op aarde denken; wat niet mag, overmits het Gods bestel over deze bedeeling wraakt en in verzet komt tegen zijn beschikking; óf wel men kan zich een toestand op aarde denken, die een enkel maal, in een enkel oord, onder zeer gunstige omstandigheden, voor een korte poos bestaan kon en bestaan heeft, en dien men zich nu voorts als model kiest voor de formatie aller kerken aan alle plaatsen en in alle tijden. Aan dezen maatstaf nu gemeten en met dat ideale model vergeleken, zullen schier alle kerken te kort schieten en onder het oordeel der onvolkomenheid vallen. Goed is in deze strenge critiek het levendig besef, dat de kerk nimmer vrede met zichzelve mag hebben noch insluimeren op wat ze verwierf, doch steeds hoog heur heerlijke banier heeft te houden, om nimmer te rusten bij het verkeerde en gebrekkige. Maar verkeerd is in deze wijze van beoordeeling tweeërlei.

|84|

Ten eerste dat ons ideaal nooit mag ontleend aan wat in een enkele kerk soms een korte poos gezien is, maar steeds moet genomen uit Gods Woord. En ten andere, dat aldus het verschil van plaatsen, tijden en gelegenheden niet tot zijn eisch komt, en het stellen van de exceptie tot regel ontmoedigt, onbillijk maakt en Donatisme in de hand werkt. Met betrekking tot het ideaal gelde derhalve, dat ons eenig wettig ideaal zij hetgeen de Heilige Schriftuur ons voor de kerke Gods tot eisch stelt; hetzij rechtstreeks, hetzij bij wettige gevolgtrekking; ook met inachtneming van de uitlegging des Heiligen Geestes in de historie. Dat voorts dit hooge ideaal, juist omdat het ideaal is, nooit ten volle op aarde, met eenige geduurzaamheid bereikt wordt. En eindelijk, dat met het oog hierop, dan pas van deformatie sprake kan zijn, indien de kerk waartoe men behoort van een hooger standpunt tot een lager afdaalde en inzonk, Wel blijft ook op een kerk, die nog nimmer een hooger standpunt innam, de verplichting rusten, om naar volkomener toestand te streven; en is het geoorloofd ook dat streven naar een volkomener toestand als reformatie op te vatten; maar tot deformatie, d.i. verbastering, kwam het onder zulke omstandigheden niet.

Om met beleid en helder doorzicht te werk te gaan, onderscheide men dus wel drieërlei, t.w.: ten eerste kerkformatiën die nog pas bezig zijn tot vaste gestalte te komen; ten tweede kerkformatiën die, hoezeer tot vaste gestalte gekomen, toch hebben te streven naar nog volkomener gestalte; en ten derde, kerkformatiën die, aan een vroeger zuiverder gestalte ontzonken, zich alsnu uit die inzinking weer hebben op te heffen. En alleen de laatstbedoelde verkeeren in gedeformeerden staat.

Kuyper, A. (1883) § 36

§ 36. Van onvolkomene kerkformatiën.

Kerken die, zonder onder deformatie te lijden, nochtans de ware kerkgestalte niet vertoonen, zelfs niet in den op zichzelf bereikbaren vorm, verkeeren in staat van onvolkomenheid, en volledigheid eischt dus, dat ook deze onvolkomene kerken hier ter sprake komen; althans voor zooveel de kerken onzer dagen aangaat.

Onvolkomene kerken kunnen van vierderlei aard zijn, t.w. zendingskerken, gelegenheidskerken, kruiskerken en doleerende kerken, en van elk dezer vier behoort afzonderlijk gehandeld te worden.

Zendingskerken zijn niet wat men thans b.v. in Doetinchem en op den Vluchtheuvel alzoo noemt. Daar toch heeft men, in strijd met alle goede beginselen van kerkrecht, op plaatsen waar reeds een

|85|

kerk bestond, een tweede soort kerkelijke gemeente in de bestaande ingeschoven. Te Doetinchem bestaat namelijk vooreerst de Nederlandsche Hervormde kerk, met eigen kerkeraad en dienaars, zoo predikanten als ouderlingen en diakenen; maar daarnaast bestaat nu in hetzelfde Doetinchem nog een andere kerk, evenzeer met een eigen bestuur en eigen inrichting, die zich zendingsgemeente noemt. En ook omtrent de kerk op den Vluchtheuvel is bepaald, dat in dezelfde gemeente naast de kerk van Zetten, de Vluchtheuvelskerk een zelfstandig bestaan zou hebben, met dien verstande, dat wie woont op goed aan de Heldringsstichtingen toekomende, recht zou hebben om zich aan den kerkeraad van Zetten te onttrekken en te voegen bij de Vluchtheuvelsgemeente. Stel dus, er ware geld voorhanden, om half Zetten aan te koopen, dan werd achtereenvolgens half de gemeente van onder den Zettenschen kerkeraad weggekocht. Met hoe goede bedoelingen deze stichtingen nu ook in het leven mogen geroepen zijn, toch zijn ze op grond van de beginselen van ons gereformeerd kerkrecht zeer stellig te veroordeelen. Zoo iets mag niet. Neen, zendingskerken kunnen slechts daar ontstaan waar de kerk nog niet is, en derhalve of in landen door Joden, heidenen of Mahomedanen bewoond, of in streken van ons eigen land, waar het geloof in Jezus Christus vernietigd werd; doch ook daar alleen.

Zulke zendingskerken nu kunnen ontstaan op tweeërlei manier namelijk òf doordien een bestaande kerk er van elders afgevaardigden heenzendt, om er een kerk te stichten, òf ook doordien particuliere geloovigen in Gods hand het middel zijn, om ongeloovigen tot belijders te maken, en doordien alsnu deze belijders zich tot een kerk vereenigen.

Een zendingskerk van het eerste soort begint met uiterst gebrekkig te zijn, en voorloopig slechts te bestaan uit het gezin van den gezonden dienaar des Woords. Ze is dan een filiaal-kerk van de kerk die hem zond; staande onder haar kerkeraad; onder haar belijdenis; en als een nog niet uitgestekte plant aan de moederplant verbonden. Schenkt God de Heere aan enkele inwoners dier plaats bekeering, dan worden deze gedoopt, niet krachtens het ambt van den Dienaar, maar krachtens volmacht aan dien dienaar door den zendenden kerkeraad verstrekt. Breidt die kring zich uit, dan wordt onder gelijk beding het heilig Avondmaal verstrekt. En eerst van lieverleê zal men er in slagen, naast den Dienaar des Woords een enkelen ouderling en diaken te plaatsen, om aldus eerst allengs de organisatie dezer kerk tot eenige volkomenheid te brengen, en den dag te doen komen, waarop ze, als een losgemaakte stek van de

|86|

moederkerk, haar eigen zelfstandig bestaan zal kunnen beginnen. Men heeft hier dus in deze zendingskerken het voorbeeld van nog onvolkomene kerken, die een tijdlang zonder het recht gebruik der Sacramenten en zonder oefening van tucht zijn, en aan wie toch als wordende kerken het karakter van kerk niet kan worden ontzegd.

Eenigszins anders is de gang van zaken, waar een zendingskerk ontstaat door particulier initiatief. Om het sterkste geval te nemen, is het namelijk zelfs denkbaar, dat eenige schipbreukelingen, op een onbekend eiland geland, er in slaagden de bewoners van dit eiland tot den Christus te bekeeren, en toch door gebrek aan communicatie buiten de mogelijkheid verkeerden, om met eenige bestaande kerk in aanraking te komen. In zulk een geval nu zouden deze belijders niet zonder kerkelijk verband mogen leven, maar zouden ze verplicht zijn, een kerk te stichten, opzieners en diakenen te verkiezen, door deze een dienaar des Woords te laten aanstellen en door dien dienaar in te voeren een dienst des Woords, het gebruik der Sacramenten en de oefening der tucht. Het zuiverst, zeer zeldzaam voorkomend geval, maar dat toch de wording der kerk in het helderst lichtstelt. Meestal daarentegen zou zulk een kring wel in contact kunnen geraken met bestaande kerken, en alsdan ging men veiligst, door aan een dier bestaande kerken hulpe te vragen, opdat een afgevaardigde dienaar des Woords met een ouderling daar ter plaatse verschenen, om opzieners te doen verkiezen, een dienaar des Woords van elders aan te bevelen, en door den heiligen Doop der bekeerlingen hunne belijdenis te bezegelen.

Gelegenheidskerken zijn die onvolkomene kerken, die tijdelijk ontstaan, nooit vaste noch volkomene gestalte verkrijgen, en weer verdwijnen met het verdwijnen van de oorzaak, die ze in het leven riep. Zoo vormt zich in tijden van oorlog een gelegenheidskerk in een leger te velde. Zoo vormt zich een gelegenheidskerk op een vloot, die langen tijd in zee is. Zoo vormt zich een gelegenheidskerk in badplaatsen, waar tijdelijk eenige Christenen saâm vertoeven. Zoo vormden zich vroeger vele zulke kerken in gezantschapswoningen, doordien Christen ambassadeurs met hun Christelijke helpers en familie tijdelijk aan Mahomedaansche, heidensche, of ook Gereformeerde gezanten aan Roomsche en Luthersche hoven verkeerden. Met uitzondering van enkele ambassadekerken verkregen deze gelegenheidskerken nooit een vaste gestalte. Vaak ontbrak er alle kerkinrichting, zelfs alle gebruik van het Sacrament, en stond de dienaar des Woords, bijaldien er zulk een ambtsdrager aanwezig was, geheel op zichzelf zonder kerkeraad en derhalve zonder kerkbestuur. Voor de koopvaardijschepen leverde

|87|

dit minder bezwaar op, daar deze gerekend werden te behooren onder den kerkeraad van de plaats van uitklaring. Maar voor het leger te velde en de marinevloot in zee ontbrak ook die aansluiting. Meestal zelfs werd de dienaar des Woords niet kerkelijk, maar door het militair bestuur gekozen; en zoo hebben we hier dan voorbeelden van nauw herkenbare kerken, die schier alle kenmerk misten, en toch ook zoo in haar tijdelijke en zeer onvolkomene gestalte, niet van alle kerkelijk wezen ontbloot waren. De rechtvaardiging van dezen zeer onvolkomen vorm lag in de onmogelijkheid van anders te handelen. Zoodra daarentegen die mogelijkheid aanwezig was, sneed men zoo onvolkomene kerkformatiën terstond af, en zoo bleef dan ook steeds veroordeeld het streven, om afzonderlijke kerkjes op te richten in hoogescholen, in koninklijke paleizen, op adellijke hoven en lustsloten, in Godsgestichten en dergelijke. Wel stond men toe, dat er in deze gestichten afzonderlijk gepredikt en afzonderlijk Sacrament bediend werd, bij manier van kerspelvorming, mits, en daar hield men aan vast met hand en tand, mits zulke kerspelen onder den kerkeraad der plaats verkeerden en aan de oefeninge van tucht onderworpen bleven, en aldus ook de bediening van den sleutel der predicatie en de bediening van het heilig Sacrament niet op autoriteit van den hulpprediker of dienaar, maar op last van den kerkeraad plaats greep. Wat op het Loo geschiedt, dat de koning hofpredikers aanstelt, die, buiten verband met den kerkeraad van Apeldoorn, in het Loo als predikers en Sacramentsbedienaars optreden, is in strijd met de eischen van het gereformeerde kerkrecht. Zulke dienaren moesten dus óf door den kerkeraad van ’s-Gravenhage gecommitteerd worden óf wel gesanctioneerd door den kerkeraad van Apeldoorn.

Kruiskerken, de derde soort van gelegenheidskerken, zijn óf nog onvolkomene óf wel besnoeide kerken. Haar eigenaardig karakter is, dat ze niet door innerlijk bederf, maar juist omgekeerd door hoog betoon van geloofskracht in heur belemmerden toestand gebracht zijn. Een kruiskerk namelijk is altoos een vervolgde kerk. Bijaldien de overheid van een land of stad of dorp vijandig gezind is en haar macht als overheid misbruikt, om den dienst der kerk te belemmeren, dan komt over zulk, een kerk het kruis der vervolginge. Zulk een kruis kan zeer licht, kan zwaar, kan ook middelmatig zijn, en naar gelang het kruis is, is dan ook de onvolkomenheid van zulk een kerk gering of wel aanmerkelijk. Treft nu zulk een kruis van vervolging de kerken Gods, eer ze zich volledig organiseeren konden, zoo snijdt het kruis wel nog geen bestaande organisatie af, maar belet toch het opkomen er van. Alzoo

|88|

was het in de dagen der Reformatie, toen de pas ontloken kerken aanstonds in de hitte van de vervolging vielen, en was het, hoewel op verren afstand, ook met de nieuwe kerkformatie van 1834, die pas opkomende, min of meer belemmerd werd in heur vrije ontwikkeling. Is nu zulk een kruis van vervolging zeer zwaar, gelijk onder de vervolging der Romeinsche keizers en van de Roomsche pausen, dan kan zulk een kruiskerk geheel onvolkomen worden, alle organisatie verliezen, van dienaren en opzieners beroofd worden, buiten den dienst van Woord en Sacramenten geraken, en ten slotte alleen in den kring der geloovigen bestaan, zonder dat daarom alsnog het wezen der kerk wegvalt. Bij minder zwaar kruis boet zulk een kruiskerk meest alleen haar vergaderplaats en het geregeld gebruik van heur dienaren in, zoodat ze in het verborgen schuilen, op onderscheidene plaatsen vergaderen moet, en met de stichting door oefenaars zich moet behelpen; bovendien vaak afgesloten zijnde van alle correspondentie met naburige kerken. Bij een zeer licht kruis daarentegen overkomt aan zulk een kruiskerk meest geen andere bedruktheid, dan dat ze met geldboete gestraft wordt, dat ze van zekere voorrechten verstoken blijft en haar publiek-rechtelijk karakter niet kan handhaven. In zeer onderscheidene gradatiën optredende, vertoonen deze kruiskerken ons derhalve een geheele reeks van de bijna volkomene tot bijna onherkenbare, steeds echter daardoor van alle andere onvolkomene kerken onderscheiden, dat ze niet alleen volkomen willen, maar ook zouden zijn, indien het kruis der vervolging maar ophield.

Doleerende kerken, het laatste soort gelegenheidskerken, waarop we wezen, daarentegen zijn een soort onvolkomen kerken, die ook wel volkomen zouden willen en konden zijn, maar die hierin verhinderd worden niet door het kruis der vervolging, dat de overheid over haar brengt, maar uitsluitend door den druk die een ingedrongen en dus valsch kerkbestuur op haar uitoefent. Ook hier laten zich weer onderscheiden graden en gevallen denken, allen echter steeds daarin overeenkomende, dat de kerk zelve nog niet als valsche, noch ook als ontvormde kerk, beschouwd wordt; dan toch zou men haar hebben te verlaten en tot nieuwe kerkformatie hebben over te gaan; maar dat de kerk, hoewel nog goede kerk Christi zijnde, door de ongetrouwigheid of ook door de verklaarde vijandschap van valschelijk ingeslopen kerkregeerders, belet wordt als kerk uit te komen en haar leven te toonen. Zulk een ingedrongen stel kerkregeerders kan staande worden gehouden door verschillende machten. Die macht namelijk kan óf

|89|

in de kerk zelve gelegen zijn, indien vele hypocrieten indrongen, die de geloovigen overstemden, en met meerderheid van keurstemmen het ongeloovig en vijandig kerkbestuur handhaafden. Die macht kan ook liggen in de correspondentie met andere kerken, d.i. in het kerkverband, bijaldien dit kerkverband in een geloovige gemeente, waar slechts weinige hypocrieten zijn, aan ontrouwe opzieners de hand boven het hoofd houdt en hun verwijdering belet. Of eindelijk kan die macht buiten de kerk gelegen zijn, indien de overheid door rechtstreekschen of zijdelingschen invloed zulke ontrouwe opzieners in het ambt bestendigt. Ook kunnen twee of zelfs drie van deze oorzaken samenwerken, indien er kerken zijn die lijden onder overstemming van hypocrieten, gebonden liggen in een belemmerend kerkverband, en b.v. door den invloed van Staatstractement belet worden in het doen van recht. Doch onder wat verschillenden vorm deze plage der kerken Christi ook optrede, toch is deze plage nooit het kruis der vervolging, maar steeds de plage van gedrukt te gaan onder een opgedrongen ontrouw kerkbestuur, dat men wel verwijderen wilde, maar voorshands niet kan. In al zulke gevallen nu wordt zulk een kerk, zoodra ze haar plicht doet, een doleerende kerk, d.i. een kerk die naar God klaagt of haar plage mocht worden weggenomen: die nog het besef heeft, dat ze zich herstellen zal, hoe doodelijk krank ze ook nederligge; en die eindelijk door geen verslappende theorieën misleid, de oprechtheid harer klachte juist daarin openbaart, dat ze zich onverwijld, zij het ook gebrekkiglijk, inricht naar den Woorde Gods. Een kerk die klaagt zonder zich op te richten, is een lamenteerde en geen doleerende kerk. Immers een kerk die recht zal hebben, om voor God en menschen te doleeren, is zulk een vergadering van geloovigen, die zich afscheidt van degenen, die de kerk verdrukken, naar Gods Woord trouwe opzieners aanstelt, en met het overgeven van de gevolgen aan God Almachtig, zoodra doenlijk overgaat tot een goede inrichting van den dienst des Woords en der Sacramenten. Intusschen kunnen deze pogingen voorshands nog tot zeer gebrekkige resultaten leiden. Het kan zijn dat men slechts zeer enkele opzieners vinden kan, genegen, om dit ambt te aanvaarden. Het kan zijn, dat men den dienst des Woords niet dan zeer ongeregeld kan hebben. Misschien ook slechts eenmaal per jaar den dienst der Sacramenten. Dit echter deert het karakter der doleerende kerk niet. Ze blijft kerk. Ze heeft er het wezen van. Ze zoekt het welwezen.

Volledigheidshalve zou men onder de onvolkomene kerken soms ook nog de zeer kleine, en als regel de vacante, kerken kunnen

|90|

meêtellen; doch daar dit verschijnsel niet abnormaal is, blijve het buiten bespreking.

Kuyper, A. (1883) § 37

§ 37. Uit wat oorzaak de deformatie der kerken moet verklaard.

Deformatie der kerk is altoos en onder alle omstandigheden een zaak van schuld, beloopen door zonde, waarin die kerk voor haar God verviel. Op drieërlei oorzaak dient hierbij onderscheidenlijk gewezen, op de zonden der enkele personen, op de zonde der gemeenschap, en op den drijver van alle zonde, d.i. Satan. Van die verstliggende oorzaak, d.i. van Satan, gaat alle aanval en alle booze aanslag tegen de kerke Christi uit. In zijn kerk viert Immanuel zijn triomf, en Satan, die onder niets dieper lijdt dan onder de zegepraal van Christus, is daarom bovenal op die kerke Christi fel en in woede gebeten. Die kerke Gods is hem een doorn in zijn oog, en de poorte der hel beweegt hij van onderen op, om die kerk des Heeren te overweldigen. Van die macht des Satans nu denke men niet te gering. Wie van den aanbeginne der wereld tot nu toe, of ook, meer bijzonder, van de vernieuwing der kerk door de uitstorting des Heiligen Geestes, of ook maar van hare herstelling sedert de dagen der Hervorming, den loop van haar geschiedenis nagaat, staat telkens weer verbaasd over het aangrijpend feit, dat de kerke Gods op deze zestig eeuwen, misschien geen drie eeuwen van betamelijken bloei en triomfeerende ruste gekend heeft. Verreweg het meerendeel der eeuwen is de kerke Gods ter nauwernoocl herkenbaar; een ander deel dezer eeuwen verstrooid, uiteengeworpen en nauwlijks vindbaar; en van het kleinere deel der eeuwen, dat dan nog rest, vindt ge haar meest innerlijk worstelend, het bloed in koortsachtige drift fel door haar aderen jagend; pas uit diepe krankheid opgekomen; en zie, straks weer door nieuwe krankheid bedreigd. Zoo vergaat deze verdrukking en benauwing door Satan aan de kerke Christi aangedaan, dat haar teederste zonen en dochteren telkens twijfelmoedig vragen, of ze ook aan één ongelooflijke vergissing ter prooi waren, en misschien voor een kerke Christi nog aanzagen wat reeds Synagoge des Satans wierd! Vandaar het Donatistisch streven, om aan dien stroom van dwaling en ongerechtigheid te ontkomen; te vluchten naar de vrijstad Gods; en met niets dan Gods heiligen een heiliger, zuiverder kerk te openbaren. Een pogen, telkens herhaald, maar ook even dikwijls door de uitkomst geoordeeld. Immers in nog erger dan men ontweek, ten leste zelve te verloopen, was het oordeel, dat onveranderlijk door Gods ontzettende

|91|

gerichten over dit, in den grond hoovaardig, bedoelen gegaan is.

Deze bittere vijandschap nu heeft Satan tegen de kerke Gods geopenbaard langs tweeërlei weg; t.w. deels door uitwendige vervolging, deels door inwendige vergiftiging; altoos menschenmoorder van den beginne, en zoo ook moordenaar van de kerke des Heeren. Eerst zette hij dan de overheden en machten der wereld aan, om met brutaal geweld de kerke Gods de plek te betwisten voor het hol van haar voet; te dooden, te moorden en uit te roeien de trouwe getuigen, die den dood van Christus als het machtig offer ter verzoening verkondigden; en de kleine kudde derwijs onbarmhartig door martelisatie schrik aan te jagen, te kwellen en te verstrooien, dat ze wel moest deinzen, tot er een oogenblik geen kerke Gods meer scheen te zijn. Maar van achteren bespeurende, dat zulk een botvieren van boosheid gemeenlijk de tegenovergestelde uitwerking had, en dat der kerke Gods nieuw zaad uit het bloed der martelaren opschoot, bond Satan zich dan telkens in; bewoog de wereld om vrede met de kerk te sluiten; dreef de overheden aan om haar met schat en gunste en eere te overladen; en als de arme kerk, door zooveel glans en glorie bedwelmd, dan op haar triomf insliep, kwam in de stilte van den nacht de booze vijand en druppelde haar het doodelijk gif in de aderen, dat ze, na niet lange dagen haar geestelijke kracht wijken voelde, en nogmaals het triomflied weer voor bittere, droeve klacht over doodelijke uitputtingen geestelijke ingezonkenheid moest uitruilen.

Toch kon Satan dit schrikkelijk kwaad niet over de kerke Gods brengen, dan onder het gedoogen en gehengen van den Almachtigen God. Hadde God gewild dat zijn kerk op aarde in stillen vrede haar kruistriomf gevierd had, het zou alzoo geschied zijn. Maar aldus was zijn welbehagen niet. Een kerke vergaderende uit goddeloozen te midden eener goddelooze wereld, heeft de Heere haar, gelijk Job, telkens in de hand van den Satan overgegeven; eensdeels opdat door geestelijke worsteling de triomf der waarheid schitteren zou, en ten andere opdat in het toch stand houden van een aldus schriklijk aangevallene kerk de mogendheid des Heeren Heeren glorieuslijk zou uitkomen. Hij is daarom geen auteur of bewerker van het kwaad, dat zijn kerk overkomt, maar nochtans moet dit kwaad over die kerk naar zijn eeuwig en onwankelbaar besluit gebracht worden, namelijk het kwaad des lijdens, opdat openbaar worde, welke de kracht zij van het geloof, dat hij in haar plantte, en evenzoo het kwaad der zonde, opdat openbaar worde, welke de kracht zij van het verderf, waaruit hij haar heeft verlost. — Maar hoezeer we ook in dezen zonder schroom en met alle beslistheid

|92|

aan de majesteit van den Raad des Heeren hulde doen, zoodat hij te achten zij, dit woeden des Satans over en in de kerke Christi niet slechts geduld, maar ook gewild te hebben, toch ontneemt dit in niets aan Gods kinderen hun diepe, ergerlijke en onverantwoordelijke schuld. Belijden we toch reeds van harte, dat Gods ondoorgrondelijk bestel, om de historie van ons geslacht door zonde en genade te laten gaan, in niets de verdoemelijke schuld van Adam opheft, hoeveel te minder kan er in dien Raad Gods dan een ontkomen gezocht aan schuld voor Gods wedergeborene kinderen, die gesmaakt hebben de krachten der toekomende eeuw, die de liefde Christi hebben bekend, en het schild des keloofs konden opheffen, en die toch de vurige pijlen van Satan niet hebben gebluscht, maar ze met onheiligen wellust hebben opgevangen in hun eigen borst. En daarom mogen we nooit bij de verste oorzaak dezer deformatie blijven staan, maar dienen ook tot de nadere oorzaken af te dalen, die liggen in de zonde der enkelen en in de zonde der gemeenschap.

Eerst noemen we de zonden der enkelen, omdat dit het scherpst de conscientie raakt. Die zonden der enkelen begonnen al terwijl Jezus nog op aarde was, in dat vragen: „Heere, wie zal de meeste zijn? Heere, wanneer zult gij aan Israël het koninkrijk weder oprichten?” in dat zeggen: „Heere, dit zal u geenszins geschieden!” in dat op de vlucht slaan, toen ze Jezus vingen; in dat loochenen van Jezus als hij verhoord wordt; in dat zeggen: „Indien ik niet zie, ik zal geenszins gelooven;” in dat veinzen van Petrus te Antiochië, en in wat niet al meer. En dat waren nog wel de heilige apostelen, die met Jezus zitten zullen op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israëls. Wat moest dan der gemeente niet overkomen? Ja, wat is haar niet reeds overkomen, toen ze pas ontlook en nog blonk in al de frischheid van haar eerste levenskracht. Is een Ananias en Saffira niet schandelijk? Is voor wat Corinthe aan gruwel beleefde „schandelijk” niet nog een te verschoonend woord? En wat zullen we zeggen van den gruwel, in de gemeente opgekomen, toen Judas zijn eenigen en Petrus zijn tweeden zendbrief moest schrijven, en de Heere zelf op Pathmos zijn kerk dreigen kwam. En is het sinds niet voortgegaan, onder allerlei vorm, allerlei zonde, zelfs de ontzettendste, en die men niet noemen zal telkens en telkens weer in de kerke Gods, onder Gods eigen volk insluipende, en Hém verwekkende tot toorn, die dáárorn toch immers ze geroepen en gerechtvaardigd had, opdat ze zouden verkondigen de deugden Desgenen, die ze geroepen had tot zijn wonderbaar licht. Tegen de wereld zou men staan, en zie men droeg haar in de kerke in! Niet Mammon, maar God zou men dienen,

|93|

en zie voor Mammon wierd het in zoo menig hart een straks onbetwiste triomf. Het vleesch zou men onder den Geest brengen, en zie weer werd in het vleesch gewandeld. Ja, Satans werk zou verbroken liggen, en weer trad de ziel met Satan in een gevloekt onheilig verbond. Zoo week de geestelijke macht. Het geloof kwijnde. De liefde verdorde. De hope verwelkte. En het gebed, dat een kracht moest zijn, verloor gloed en bezieling en toon. Arme kerke Gods! Want, wat het schriklijkst is, overkomen die zonden u buiten de kerk, dan komen ze nog alleen, maar als ze onder het volk des Heeren opkomen, dan sleepen ze onveranderlijk nog een andere schriklijke zonde na zich, t.w. de zonde van het Farizeïsme. In de kerk kan men niet met open deuren zondigen, noch zeggen: Ik ben goddeloos. Bij de zonde moet dus in de kerk altoos de praktijk der godzaligheid waargenomen, en dat juist maakt den dubbelhartige, kweekt de geestelijke valschheid, dat schriklijk kwaad, dat het „Wee u! wee u! gij addergebroedsel!” aan diezelfde lippen ontlokte, die nu nog aldoor bidden voor de uitverkorenen Gods. En dat weet Satan, daarop juist spitst hij zich; eerst het gif der zonde indruppelen, en dan de zwere der zonde toedekken met vrome windselen, of aldus een hart geheel kon verwoest worden, dat God de Heere zich ten tempel koos.

Eindelijk behalve die zonde van de enkelen, is er een zonde van de gemeenschap. Men doet als leden eener kerk vele dingen gezamenlijk; men vormt saâm een levenskring, waarin zekere toon heerscht; men ademt uit en in een dampkring, waarin allen gezamenlijk leven; men vormt algemeene begrippen; men schept een zedelijk oordeel; doet een algemeene opinie ontstaan, die een macht wordt; en aldus is het, dat èn die gemeenschappelijke verantwoordelijkheid, èn dus ook de gemeenschappelijke schuld ontstaat, die weer allerverderfelijkst op de enkelen, werkt en dusdoende geheel het Lichaam van Christus aansteekt, tot ten leste zelfs de allerheiligsten inwilligen en de zonde in de kerke Gods algemeen wordt.

Dit kan zóóver gaan, dat eindelijk ook voor- de kerke des Nieuwen Verbonds het woord komt: „Als gij uw handen uitbreidt dan verberg Ik mijn aangezicht, en als gij het gebed vermenigvuldigt, dan hoor ik niet.”

Maar gelijk er in den eik en den haageik na de verwelking van de bladeren nog een steunsel is, alzoo zal het heilige Zaad ook dán nog het steunsel der kerke Christi wezen.

Zijn ontfermingen zijn oneindig en zijne roepingen onberouwelijk.

Dit alleen is het mysterie, waardoor de kerke Gods er nog altoos staat!

Kuyper, A. (1883) § 38

|94|

§ 38. In wat manier zulke deformatie in de kerke Gods gemeenlijk uitbreekt.

Alle deformatie der kerke Gods pleegt daarmeê te beginnen, dat het geloof zijn bezieling verliest. De kerk hangt aan Christus. Ranken, half van den wijnstok afgescheurd, vangen aan te verkwijnen en te verdorren. In den aanvang, als vrucht van ontzettende worstelingen en benauwingen, leeft Christus dan kennelijk in de zijnen, de trillingen van zijn leven worden gevoeld, de warmte van zijn goddelijke liefde straalt door; er is genieting van zijn zaligheid; betooning van zijn kracht. Dit werkt dan de Heilige Geest door de kinderen Gods teedertemaken, te sieren met geestelijk sieraad en de gekochten des Heeren tedoen leven nauw en teeder nabij hun God. Maar dan komt er, men weet nauwlijks door wat oorzaak, ongemerkt verkoeling. Verlating van de eerste liefde. Het wordt minder teeder, minder nauw, minder innig, en reeds zien de zieners, dat de innige gemeenschap van den Heiligen Geest en daardoor het innig liefdeleven met den Bruidegom uit het hart der Bruid wijken gaat. Dan is eigenlijk de deformatie der kerk reeds voltrokken, zonder dat ze nog openbaar is. — Maar lang toeft ook dit niet. Immers, „indien gij wel doet, is er geen verhooging? Maar ook indien niet, de zonde ligt voor de deur”! en zoo kan ook hier de werking van den Heiligen Geest nauwlijks aflaten, of de deur gaat open en de zonde sluipt binnen, en het goddelooze hart, van den heiligen band ontslagen, begint weer te gieren in eigen, duivelschen lust. Dat begint in het fijne en kleine; bagatellen die er wel meê door kunnen. Zoo breekt de zonde nog sterker uit. En eindelijk vindt men in de kerke Gods reeds gansche kringen, die het masker der vroomheid reeds lastig gaan vinden en openlijk met de wereld boeleeren. — In dit stadium is nog wel op verre na niet heel de kerk door dat gif aangegrepen; integendeel in haar overgroote meerderheid ijvert ze daar nog tegen; maar die ijver is reeds te weinig energiek en te onbezield, om het kwaadnog uit te bannen. Men oordeelt het nog wel, maar durft het reeds niet meer zoo openlijk veroordeelen. Tot bestraffing met tucht, ontbreekt de zedelijke werking van het geloofsvermogen. Dit maakt dan de zonde en den werelddienst nog stouter. De rollen worden haast omgekeerd. In plaats van met zedelijke macht tegen de dienaars der wereld te kunnen optreden, raken de kinderen Gods zelven onder den druk der wereld. Haast schamen ze zich om hun oude levenswijs nog vol te houden. Ze beginnen zich te verontschuldigen in steê dat ze de wereld bestraffen zouden. Er gaat

|95|

geen tucht meer van hen op de zondaren uit, maar de zondaren gaan door intimidatie en spot tucht over hen uitoefenen. Zoo daalt, zoo zinkt het peil van publiek geestelijk leven. En het einde is, dat de Heere, door zijn rechtvaardig oordeel, zooveel trouweloosheid straffend, zijn kerke overgeeft in de macht van haar boeleerders, opdat ze weer schuld zou leeren erkennen en weer den weg zou vinden van het gebed.

In deze ontwikkeling der zonde komt vroeg of laat het punt van kentering. Het is als een weegschaal. Eerst rustte de schaal van het heilige vast en solide op het fundament des Woords, en hoog in de lucht hing de schier ledige schaal van kerkelijke ongerechtigheden. Maar sinds is dat veranderd. Van de schaal der heerlijkheden is al afgegaan, op de schaal der ongerechtigheden is al ingedragen. Zoo rees de eene en daalde de andere. Tot eindelijk de oorspronkelijke verhouding geheel omslaat, en de macht der ongerechtigheid de schaal der heiligheden van alle vastheid berooft. Dan is de kerk ontzet, en gaat het kwaad machtiger proportiën aannemen, door te sluipen ook in de herderen. In de kerke Christi zal men dááraan altoos het kenteringspunt kennen kunnen. Weet de kerk als kerk, ondanks de zonden die inslopen, haar heilig karakter nog hoog te houden, dan vindt ge de herderen nog altoos als voorbeelden der kudde, met priesterlijken drang om de redding dier kudde smeekende, en met het geklank van de boetbazuin manende tot bekeering. Maar houdt dat geklank op, wordt de kring der herderen zelven aangestoken, en sluipt de werelddienst ook onder hen in, die als getuigen Gods bij en voor de kudde strijden moesten, dan heeft ook onherroepelijk voor de kerk het uur van de geestelijke inzinking geslagen, en begint het bederf ook haar organisatie aan te tasten, en haar aldus om te zetten in onheilige gedaante bij haar openlijk optreden als kerk.

Zoo sluipt dan de leugen uit de krank geworden gemeente in de herderen; en nu, als derde stadium, uit de krank geworden herderen ook in de leer en den dienst der kerken, zoodat ze haar belijdenis prijs geeft en een eigenwilligen dienst inbrengt in ’s Heeren huis. Hierdoor op de been gekomen, begint dan de ketterij, op allerlei wijs, een nieuwe verwoesting aan te richten; voor geloof komt twijfel; de vastigheden worden losgemaakt; en alles dringt en drijft om de belijdenis der kerk weer met de belijdenis der wereld te vereenzelvigen.

Zoo komt het aan den eeredienst toe, die niet langer met zijn eenvoudig, geestelijk karakter voldaan, toevlucht neemt tot zinlijke middelen, om te streelen wat voor het oog en het oor is, en den Heiligen Geest te bedroeven.

|96|

Zoo ontstaat er spanning, verzet, de banden, ook van de kerkregeering, worden te eng, ze zijn niet meer te dragen. En aldus wrikt dan het ingeslopen bederf ten slotte ook de kerkregeeringe in haar samenstelling los, en rust niet eer de reglementen derwijs misvormd zijn, dat al wat den Christus verwerpt er meê door kan, en alles wat den Christus nog aanhangt in de mazen van het reglementennet worde gevangen.

Zoo voleindt dan het verschriklijk bederf zijn loop. Het begint met verlating der eerste liefde. Het gaat voort in werelddienst. Die wereldschgezindheid sluipt uit de kudde in de herderen. Door die herders vindt het zijn weg naar de leer; uit de leer naar den eeredienst; om ten slotte heel het samenstel van der kerke ordeningen aan te grijpen, en haar om te zetten in een instrument des Satans, dienst doende tegen Gods volk, en in dit volk tegen den Heere.

Kuyper, A. (1883) § 39

§ 39. Op welke drie afwijkingen bij dezen regel te letten valt.

De gemeene regel, dat het bederf der kerk met verkoeling der liefde begint; dan in den vorm van werelddienst eerst in de leden; en uit de leden in haar herders sluipt; om aldus door het ambt achtereenvolgens de belijdenis, den eeredienst en de ordeningen der kerk aan te tasten, gaat niet altoos door; en met name zijn er drieërlei veelvuldiglijk voorkomende afwijkingen, waarop hier dient gelet.

De eerste afwijking is, dat in zeer veel gevallen in de geestelijk opgewekte tijden van het kerkelijk leven, uit kwalijk begrepen geestelijkheid, niet genoegzaam gelet is op het hoog belang van een zuivere kerkregeeringe. Dit is, om slechts twee voorbeelden te noemen, in Duitschland verzuimd na Luthers optreden, en in Engeland na het doorbreken der gereformeerde religie onder Eduard VI. Men acht dan het geestelijke hoofdzaak, en oordeelt dat het uitwendige minder kwaad kan, ook al blijft het in gedeformeerden vorm. Dit maakt dan, dat de zuiverheid van eeredienst niet wordt doorgezet, dat de herders niet aan de kudde verbonden blijven, en dat de belijdenis op den achtergrond raakt. Immers in al zulke toestanden ontstaat er ten leste spanning en strijd tusschen dien onzuiveren kerkvorin en het zuivere Woord. In dien strijd kiezen de meeste herderen dan partij voor den onzuiveren kerkvorm tegen het volk des Heeren, dat opkomt voor zijn Woord. En de aldus ontstaande deformatie der kerk, uit anderen hoofde oorzaak nemende, werkt

|97|

als een krankheid, die, niet uit het lagere lichaam maar in de hersenen opkomende, alras het bewustzijn bedwelmt en de hulpeloosheid der kerke groot doet zijn.

De tweede afwijking, waarop we doelden, bestaat in de onzuivere formatie der kerk wat haar leden betreft. Niet dan hoogst zelden zijn onze kerken uit geleidelijke vergadering van belijders ontstaan. Verreweg de meeste zijn eerst onder de Roomsche hierarchie geweest en door de Reformatie daar van onder uitgekomen. Dit heeft gemaakt dat men in tal van plaatsen groote massa’s in de gezuiverde kerk heeft meêgekregen, bij wie belijdenis en wandel in menig opzicht van den beginne aan nog hoogst gebrekkig was. Toen nu later deze kerken een staatsrechtelijk privilegie verkregen, is dit kwaad nog verergerd, doordien velen tot deze kerken toetraden met het oog op ambten en eereposten. En nog breeder proportiën nam dit euvel aan, toen het denkbeeld van een volkskerk de geesten begon te benevelen, en men, het nationaal belang als richtsnoer voor kerkelijke gedraging kiezende, de sluizen wijd openzette voor alle wateren, die er slechts in wilden stroomen. Feitelijk is derhalve de toestand in deze kerken nooit zuiver geweest, en heeft men naast het eigenlijk belijdend bestanddeel nog een niet-belijdend, onverschillig en wereldsch bestanddeel in de kerk bijgehouden, dat van den aanvang af tegen de gezondheid van haar levenskracht heeft gereageerd.

Een afwijking, waarvan weer onderscheiden is de derde of laatste afwijking waarop gedoeld werd, en die zich daar voordeed, waar het bederf niet in de kerke zelve ontstond, maar er insloop van buiten af. Dit had op allerlei manier plaats. De eene maal uit een naburige of verwante kerk, gelijk dit aan de Duitsche gereformeerde kerken overkomen is, nu onlangs uit de unirte en vroeger uit de Luthersche kerk. Een andermaal kwam dit bederf uit de scholen, gelijk ten onzent het geval was met de Leidsche hoogeschool in de dagen van Arminius, en in de kerken der Hugenoten door den schadelijken invloed van de school van Saumur. Weer een andermaal sproot dit bederf voort uit de algemeene letterkunde, gelijk in de dagen der Engelsche Deïsten. Nog weer een andermaal vond dit bederf zijn oorsprong bij een overheid, buiten de kerk staande, die met opzet den eigenaardigen geest der kerk zocht te breken. Of ook eindelijk werd dit zaad des verderfs met kwistige hand in den akker der kerk gestrooid door de revolutionaire en mystieke geestdrijvers, die de vaste ordeningen in de conscientie loswrikten, en dusdoende het karakter der kerk ondermijnden.

Reeds deze drie afwijkingen manen dus, om bij deformatie

|98|

der kerk nooit naar een vasten maatstaf alle toestanden te meten, alsof reeds met het opnoemen van eenige kenteekenen der kerk het pleit beslist ware, en moeten ons nopen, om elke kerk steeds op zichzelve te beoordeelen, rekenende met haar historisch verleden en de verschillende invloeden die op haar hebben gewerkt.

Iets waar we te meer nadruk op leggen, omdat meestal de krankheden onzer kerken niet voor zoo eenvoudige diagnose vatbaar zijn, maar wat de medici noemen een zeer gecompliceerd ziekteproces opleveren, d.w.z. zulk een krankheidsverloop, waarbij twee, drie of meer oorzaken door en op elkander werken, zonder dat het altoos mogelijk is den schadelijken invloed van elk dier oorzaken door juiste deeling af te passen.

Wie door den Geest geleid wordt, laat zelfs in zijn teederste oogenblikken ten slotte van alle ontleding af, en belijdt als eenige oorzaak van de ellende zijner kerk de trouweloosheden van de kinderen des Heeren, saâmloopend en afgespiegeld in de goddeloosheden van zijn eigen hart. Maar wie, geroepen tot beoordeeling der dingen, eenmaal ontleden moet en dus als rechter gaat zitten, die hoede zich voor oppervlakkigheid, die zie af van algemeenheden, en late geen uitspraak over zijn lippen komen, zoolang niet de veelzijdige bewegingen dezer krankheid ontward liggen voor zijn oog.

Kuyper, A. (1883) § 40

§ 40. Van de deformatie in de leden.

Alle deformatie bij de leden eener kerk, die de kerk zelve als zoodanig misvormt, vangt aan bij hun belijdenis; en niet gelijk men gemeenlijk oordeelt, in hun levenswandel. Niet alsof het leven minder gold, maar overmits de wandel uitsluitend als belijdenis kerkelijke waarde heeft. Alle ding wordt in de kerk van Christus naar den Christus gemeten. Slechts één ding heeft voor de kerk als kerk waarde: t.w. uw geloof. Alleen uw geloof is instrument ter zaligheid; en alleen uw geloof verbindt u met den Heere. Deugden van onbegenadigden mogen dus waardij hebben voor de burgerlijke samenleving, en in zooverre tot Gods eere strekken, als ze de bandeloosheid der boosaardigen intoomen, ja zelfs aan de kerk een plaatse voor het hol van haar voet bereiden; maar kerkelijke waardij hebben zij niet. Een kerk zonder één ongebonden lid, uit leden bestaande, die één voor één, met burgerlijke deugden versierd waren, maar van het geloof in den Heere Jezus verre stonden, zoude niet alleen geen goede kerk, maar zelfs geen kerk met al vormen. Zulk een verzameling van menschen toch, kon even goed Turksch zijn als afgodisch.

|99|

De poging om bij de beoordeeling van de leden der kerk het dusgenaamde leven op den voorgrond te schuiven, moet dus met beslistheid afgewezen. Het blijve bij wat het alle eeuwen door was: belijdenis en wandel, niet wandel en belijdenis. Belijdenis blijve voorop staan, omdat daarin het Christelijk kenmerk ligt, en de wandel eerst bij het schijnsel van dat licht kan worden beoordeeld.

Deze verbastering nu op het stuk van belijdenis treedt bij de leden onder meer dan één vorm op.

De, helaas, meest gewone vorm is die van onverschilligheid, indien menigeen de belijdenis nog wel zegt te beamen, maar ze ter nauwernood kent; er zich ook niet om bekreunt; niet voelt wat er tegen ingaat; en zich niet meer warm maakt voor haar eer. De stuitende zonde van zoovele mannen en vrouwen, die bij aanneming en Doop en Avondmaal telkens verklaren de leer der kerk te zijn toegedaan, doch nimmer een vinger verroerden om te weten te komen wat toch die leer der kerk is.

Een schijnbaar hieraan tegenovergestelde vorm is die der veruitwendiging, d.i. de zonde, die de belijdenis losmaakt van het hart. Dan heeft men het over de belijdenis zeer druk, ijvert er voor met brandenden ijver; onder- en doorzoekt ze; maar beschouwt ze als een dorre afgetrokkenheid, die in het geheugen is te prenten, door redeneering moet staande gehouden, en in geijkte vormen wil nagesproken zijn. Feitelijk neemt deze zonde uit de belijdenis juist het belijden weg. Ge dacht een leeuw te hooren brullen, en gevindt van den koning der wouden niets dan het anatomisch skelet.

De derde vorm waaronder de belijdenis der leden haar krankheid toont, is de verbreking van het evenwicht. Er zijn in de belijdenis der kerk evenals in elk organisme onderscheidene ledematen of deelen en stukken, die in het welgeordend geheel elk hun eigen plaats en bestemming hebben. Deze stukken zijn onderling niet gelijk, maar verschillen elk naar zijn eigen aard. Het eene is het oog, het andere oor, een derde stuk is het hart, een vierde het hoofd, kortom geheel de belijdenis zit als een lichaam harmonisch inéén. Eisch van die belijdenis is derhalve dat ze zie met haar oogen, op haar voeten ga, en het hoofd omhoog heffe. Maar nu verbreekt de zonde telkens dezen rechten stand; verplaatst den nadruk; ontneemt gewicht aan wat klem hebben moet en legt klem op wat zulk gewicht niet kan dragen; men laat het oog hooren, wil dat het oor zie, en geeft aan het hoofd de functie, die het hart alleen verrichten kan. Daardoor ontstaan die vele eenzijdigheden, die monstrueuze onnatuurlijkheden, die de belijdenis der

|100|

gemeente ziekelijk maken, en alle daarin haar kenmerk vinden, dat ze verstoringen zijn van het evenwicht.

De vierde vorm is die van het bijgeloof, als de leden der kerk in de belijdenis zoeken te mengen wat er niet in hoort. Deze zonde ontstaat daaruit, dat ze, geen oog hebbende voor het eigenlijk mysterie des Koninkrijks, hun belijdenis niet mysterieus genoeg vinden, en er nu lust aan hebben, om door overdrijving allerlei valsch mystieke bestanddeelen in hun belijdenis in te schuiven.

De vijfde of laatste vorm eindelijk is die van het ongeloof, dan opkomende, als de belijdenis genoeg uit haar voegen is gewrikt, om openlijk bestreden te worden, en de leden der kerk zich niet langer ontzien om luidkeels hun loochening tegen de belijdenis der kerk over te stellen.

Verder kan de zonde tegen de belijdenis niet. Aan dat punt toegekomen, brokkelt ze af en verstuift ze, en de belijdenis der zondige wereldbeginselen treedt voor de belijdenis der waarachtige heilige beginselen in de plaats.

Met deze vijf vormen van deformatie der belijdenis nu houdt de deformatie in den wandel gemeenlijk gelijken tred.

Onverschilligheid, haar eerste vorm, maakt dat alle verschil in wandel tusschen de belijders van Jezus en de fatsoenlijke kinderen der wereld wegvalt. Ze leven gewoon. Zooals anderer wandel is, zoo is hun wandel. Naar die daalt of rijst, dalen of rijzen ook zij in zedelijken zin mede. Maar van Christus is niets in hun wandel te speuren. Ze doen niets om Jezus, noch laten iets om zijns naams wil.

Veruitwendiging daarentegen, haar tweede vorm, kweekt het Farizeïsme. Een voortwoelen van het zondig hart onder hooggekleurden schijn van haarfijn belijden, maar gedwongen om zich schuil te houden en daardoor den schimmel des bederfs en de reuke des doods aan zich dragend.

Verbreking van evenwicht, haar derde vorm, kweekt evenals in de belijdenis, zoo ook in den wandel, een reeks van eenzijdige verschijnselen; raadselen van het menschenhart; felle zondeuiting op het ééne terrein naast diepe zelfverloochening op het andere. Doodeerlijk, maar brandgierig. Sober en matig, maar innerlijk aan de leugen verkocht. Volop barmhartig, maar slaaf van zinnenlust. Twee harten in één boezem. Een tegelijk aanbidden van den Mammon en van God.

Bijgeloof, in de vierde plaats, vervalscht het leven door overdrijving, in eigenwilligen godsdienst, om het lichaam niet te sparen, en slaat door innerlijken drang ten leste in het tegendeel over, om

|101|

wat begonnen werd in den geest, in het vleesch te doen eindigen.

Terwijl ongeloof eindelijk, haar laatste vorm, in besliste vijandschap tegen de Christelijke levensvormen uitbreekt en er tuk op is, om den dienst der wereld in al haar luister te vieren onder de schaduw van het kruis.

Gaat nu zulk kwaad, bij ontstentenis van tucht, ongestraft en ongestuit door, dan deformeert dit ten slotte ook de kerk als kerk, zoodra het de meerderheid der leden aantast. „De merkteekenen der Christenen zijn het geloof, en wanneer zij aangenomen hebben den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, de zonde vlieden en de gerechtigheid najagen, den waren God en hun naaste lief hebben, niet afwijken noch ter rechter- noch ter linkerzijde, en hun vleesch kruisigen met zijne werken.” Wel is er in hen nog groote zwakheid, „maar hier strijden zij tegen door den Geest al de dagen huns levens; nemende gestadiglijk hunne toevlucht tot het bloed, den dood, het lijden en de gehoorzaamheid Christi.” Vervallen daarentegen deze merkteekenen allengs geheel, zoodat er niet alleen zwakheid, maar ook ontstentenis van strijd; niet alleen ontstentenis van strijd, maar ook opzet tegen Christus komt; en de wateren der ongerechtigheid hand over hand toenemen, dan komt ook de kerk als kerk in gevaar, ook al is haar prediking nog zoo zuiver, omdat er in de kerke Christi wel onheiligheden kunnen zijn, mits aan het heilige onderworpen. Maar keert die verhouding om, en krijgt door kentering van het rad, het onheilige den boventoon, om het heilige ten onder te houden, dan heeft men een vergadering van goddeloozen in steê van een vergadering van godvruchtigen om zich, en ontstaat er voor het leven der kerk doodelijk gevaar.

Kuyper, A. (1883) § 41

§ 41. Van de deformatie in de ambtsdragers.

Gemeenlijk trekt het bederf der leden ook het bederf der dienaren na zich. Er bestaat tusschen beiden verband. Een godzalige kerk is gemeenlijk versierd met godvruchtige leeraars. Daarentegen een kerk die zonk, ziet haar eigen smaad op den kansel. Toch gaat deze regel niet vastelijk door. En dat wel om twee oorzaken. Vooreerst namelijk belieft het God den Heere niet zelden uit loutere ontferming, aan een afgedoolde kerk nochtans leeraars der gerechtigheid te schenken, om zijn kerk weer op te richten. Maar ook omgekeerd, verlaat God de Heere een goede kerk soms en berooft ze van dienaren, indien die kerk gevaar liep aan die dienaren een eer te

|102|

geven, die alleen aan Hem toekomt, of ook, indien ze door verlatinge moet worden beproefd.

Dit nu is oorzaak, dat de deformatie eener kerk wel terdege ook van de dienaren kan uitgaan. Dat w.z. dat de kerk kan worden aangetast door een ziekteverschijnsel, dat zijn oorsprong niet vindt in het gewone leven der leden, maar zeer bijzonder in het ambtelijk leven van de dienaren. Met name toch de dienaren des Woords nemen in de kerke Christi een zeer invloedrijke plaats in en staan daardoor bloot aan zeer eigenaardige, ambtelijke verleiding. Deze verleiding draagt vierderlei karakter. De eerste vorm van dit ziekteproces is, dat de dienaar des Woords onbezield in het heilige verkeert. Met gloed bidt, maar uit een koud hart. Water sprengt en brood breekt, maar met een onaandoenlijke ziel. En aldus, al naar zijn aard is, zich opschroeft in valsche opwinding of wel verdort in werktuiglijkheid. — Is door deze zonde eenmaal de leugen in zijn bediening ingeslopen, dan gaat het ziekteproces in zijn tweeden vorm over, en wordt misbruik van gezag. De dienaar moet in naam des Heeren spreken. Hij raadt niet slechts aan, maar hanteert een sleutel des Koninkrijks. En dat mag en kan hij, zoolang hij over zichzelven absolutelijk gaan laat het gezag van zijn Koning en Heer. Sloop nu daarentegen de werktuiglijkheid in zijn bediening, dan sluipt hij zelf onder het gezag des Heeren weg, en gaat nu zijn eigen gezag stellen in de plaats van ’s Heeren Woord. Geen prediking meer van ’t Woord des Konings, maar van zijn eigen idée. De derde vorm is: nemen wat hem niet toekomt, de dusgenaamde dominésvergoding. Hij moest alleen liefde voor Jezus wekken, en zie nu wordt hij zelf middelpunt in zijn werkkring. Dit streelt hem, en prikkelt hem. Zoo mag hij het gaarne. En hij weet het niet, dat de pijl van Satan zijn hart reeds heeft doorboord. „Ik zal mijne eere aan geen ander geven”, sprak de Heere, en zie, zulk een dienaar neemt ze toch. — En zoo wordt dan eindelijk de krankheid voleind en die geestelijke typhus geboren, die men gemeenlijk clericalisme noemt; naar den zondigen regel, dat niet de herder om de kudde zou zijn, maar de kudde om den herder. Dan is het niet meer een stellen van zijn leven voor de schapen, maar een opkomen voor eigen rechten. Een staan niet voor de mogendheid des Heeren, maar voor eigen eer en aanzien. Niet meer een saâm in eede zich verbinden voor het heil der kerke, maar een saâm complotteeren als dragers van eenzelfde ambt. Dan komt de tirannie op. Dan woelt het ondraaglijkst egoïsme. En met een Icabod op de lippen klaagt dan de kerke Gods, dat hare eere weg is.

|103|

En overmits dit clericalisme nu de leden tot muiterij prikkelt, en alzoo het gezag des Woords van twee zijden tegelijk ondermijnt zoo kan ook dit clericalisme zeer terdege oorzaak worden dat de kerk geheel uit haar voegen raakt en in toestand komt van deformatie.

Kuyper, A. (1883) § 42

§ 42. Van de deformatie in de belijdenis.

De leden en dienaren belijden, maar hetgeen ze belijden is de belijdenis der kerk. Gedeformeerd wordt dus een kerk ook in de derde plaats, bijaldien ze, ook bij redelijken wandel van haar leden en veel vromen zin onder haar dienaren, nochtans toelaat, dat de zenuw harer publieke belijdenis worde doorgesneden. Ook dit ziekteproces doorloopt meer dan één stadium, neemt meer dan éénen vorm aan. Die zenuw der belijdenis toch wordt allereerst doorgesneden, indien een kerk in valschen zin confessioneel wordt, d.w.z. indien ze haar beginsel put uit haar formulieren in steê van uit den Woorde Gods. Gods Woord alleen heeft gezag over de conscientie. Bindt derhalve een kerk de conscientie rechtstreeks aan de formulieren, als hadden deze waardigheid in zichzelve; poogt ze op haar Synodale vergaderingen uit die formulieren in steê van uit den Woorde Gods te bewijzen; laat ze geen gravamina, op grond van Gods Woord ingebracht, toe; en verliest ze den plicht uit het oog, die op haar rust, om ten allen tijde het rechterlijk gezag van het Woord, zoo over haar organisatie als over hare formulieren te doen gaan; dan ontstaat het ongezonde confessionalisme, waartegen de Heilige Geest in de gemeente protesteert. — Geheel anders is de ziektevorm die ontstaat, waar de belijdenis wel als leuze geëerd, maar niet in rechten erkend wordt. Dit is de zonde van het kerkelijk dualisme; een verstoren van den samenhang, die, zal het welzijn, tusschen het lichaam en de ziel der kerk, werken moet. Men acht dan dat de Formulieren wel goeden dienst doen als herkenningsteeken tegenover den buitenstander, maar houdt ze buiten het rechterlijk geding. Ook dit vervalscht. Immers het doet tegenover den buitenstander den schijn aannemen, dat men wel beleed, wat men in de binnenkamer toch bekent niet te belijden; althans niet zóó te belijden, dat men het gelden laat, ook op dat hoogste terrein, ’t welk onder de souvereiniteit staat van het recht. — En dit nu leidt ons vanzelf tot de belijdeniskrankheid in haar meest acuten vorm, bekend onder den naam van niet-handhaving of leervrijheid. Op tweeërlei wijze werkt dit kwaad, t.w. èn in de inwendige organisatie der kerk, èn in haar verband met andere kerken. Inwendig toont zich dit kwaad

|104|

in de kerk, zoodra men van elders gekomen lidmaten toelaat, zonder voldingend bewijs, dat ze de belijdenis der kerk toestemmen, of ook in eigen boezem de volle rechten toekent aan personen, die òf onverschillig staan òf tegen de belijdenis reageeren. En erger afmetingen nog neemt dit kwaad in de organisatie zelve aan, indien men diakenen, ouderlingen, en ten. slotte ook dienaren des Woords duldt, die van de belijdenis ’t zij veel, ’t zij weinig zijn afgeweken. Daarentegen in het verband met andere kerken openbaart zich deze krankheid, bijaldien men in correspondentie of kerkverband blijft, met kerken die òf onze belijdenis niet hebben òf wel haar niet handhaven.

Deze belijdeniskrankheid heeft dan meestal een dubbel kwaad gevolg, t.w. vooreerst, dat bij ontstentenis van recht, ieder zich als rechter in de kerk opwerpt en het oordeelen en veroordeelen geen einde neemt, noch nemen kan. En ten tweede, dat, na buiten werkingstelling der eigenlijke formulieren, een soort van nieuwen conventioneelen standaard als standaard der orthodoxie gaat gelden. Men meent dan, in een gereformeerde kerk niet juist meer het gereformeerde beginsel te moeten handhaven, mits men maar orthodox blijft, en eert dan met den schoonen naam van orthodox zekere willekeurig omlijnde, of liever in haar vaagheid alle lijn missende, belijdenis, die niemand grijpen kan. Zoo begint men met het recht te krenken, en eindigt met er pure wilkeur voor in de plaats te schuiven. Niets toch is wilkeuriger dan om in een kerk, welke ook, iets anders orthodox te noemen, dat wat met de formulieren dier kerk overeenkomt. In Romes kerk is alleen de Roomsche orthodox, in de Synagoge alleen de Jood, die den Christus verwerpt. En zoo ook in de gereformeerde kerk alleen hij, die glorie roept bij het zien opheffen van de gereformeerde veldteekenen.

Kuyper, A. (1883) § 43

§ 43. Van de deformatie in de toebediening der genademiddelen.

De kerk leeft van genade en deze genade komt haar toe door de van God daartoe bestemde middelen, in de prediking des Woords en de bediening der heilige Sacramenten. Vandaar dat de kerk aan bloedarmoede verkwijnt, indien deze genademiddelen haar onthouden worden, of erger nog vergiftigd, of ook indien in plaats van die genademiddelen haar verkeerd voedsel wordt toegediend. Deze deformatie nu ontstaat, doordien de toehoorders en de prediker willen, dat in de kerken de persoon des Dienaars in stede van God Almachtig zal worde gehoord. Een genademiddel is het Woord, indien de dienaar en de gemeente er

|105|

zich diep onder buigen en metterdaad saâmkomen, om uit dat Woord onderwezen te worden. Elk motto prediken is derhalve streng af te keuren als ontheiliging van het Woord. Ook af te keuren het prediken over een denkbeeld, waar men een tekst bijzocht. En af te keuren evenzoo een prediken over een tekst, waarbij anders dan door uitlegging het Woord Gods vernomen wordt. De deformatie van dit genademiddel begint aldus nog onder de rechtzinnige predikers, met name onder hen, die bevinding in plaats van het Woord stellen. Maar eens onder hen begonnen, gaat ze dan onder de halfgeloovige en ongeloovige dienaren al verder, door alle Schriftprediking ten leste te vernietigen en het kerkgebouw om te zetten in een lokaal, waar boeiende of ook vervelende redevoeringen worden aangehoord.

Met de heilige Sacramenten gaat het evenzoo. Sluipt eenmaal in den bedienaar de bange gedachte, dat het Sacrament dood is, en dat nu het leven er pas bijkomt door zijn aandoenlijke aanspraken, door zijn plechtigheid en indrukwekkendheid, dan is in beginsel het Sacrament weg. Immers al het Sacrament is, dat Christus werke door zijnen Heiligen Geest. Aandoenlijkheid komt er dus gansch niet bij te pas; eer is het raadzaam het gevoel in te binden. En wie nu als liturg het toch in die aandoenlijkheid zoekt, toont klaarlijk aan de macht van Christus niet te gelooven. Dit merkt men het best aan de behandeling, der kerkelijke formulieren. Wie goed staat, spreekt bij het Sacrament liefst juist en zuiver door het woord der kerk, en zal alzoo die formulieren op kalmen toon, zonder verminking of uitlating, geheel en duidelijk lezen, om in het woord, dat hij er van zichzelven bijvoegt, voorts kort te zijn. Maar wie omgekeerd aan de heilige kracht van het Sacrament met zijn hart ontzonk, die werpt óf het formulier geheel op zij, óf verminkt het en raffelt het af, om daarna eerst weer plechtiglijk met het eigenlijke, zoo hij waant, voor den dag te komen, als hij weer toekomt aan zijn eigen toespraak en het door hem zelfbedachte, vaak gedachtelooze, woord.

Kuyper, A. (1883) § 44

§ 44. Van de deformatie in de tucht.

Het laten zinken van de tucht in de kerke Christi is niet slechts een niet handhaven van de belijdenis of niet zuiverhouding van het Sacrament, maar in zijn diepste kern: een prijs geven van het gezag. Gelijk men ook buiten kerkelijk verband iemand iets aan kan raden en op het hart binden, zoo oordelt men dan dat ook de kerk geen hooger macht bezit, dan om haar leden haar belijdenis aan te raden en ze te manen tot godzaligheid. Laten vallen

|106|

van de tucht is derhalve het zoek maken van de sleutelen des hemelrijks, een vernietiging van de macht, die Christus in zijn kerk gelegd heeft, en even daardoor een afsnijden van het gezag van Koning Jezus. Jezus als den profeet aanhooren, als den hoogepriester danken, maar hem als koning het gezag opzeggen. Vandaar dat ook deze krankheid het wezen der kerk zoo doodelijk aantast. Meest ontstaat die krankheid in de ouderlingen. Zij, als de meer bijzonderlijk met de dienaren tot kerkregeeringe geroepen ambtsdragers, beginnen dan met hun ambt tot aanhangsel van het ambt der dienaren te verlagen, in steê van te belijden, dat ze even vorstelijk als de dienaren door Koning Jezus in het ambt zijn ingezet. Straks zien zij in hun ouderlingschap geen ambt meer, gunnende alleen aan de dienaren den hoogeren titel. Een gevolg hiervan wordt dan, dat het geestelijk en zedelijk besef van plicht en roeping bij hen kwijnen gaat; dat ze zich geen denkbeeld meer vormen van de heerlijke macht, die hun Koning op hun hand heeft gelegd en dat ze ten slotte, krachteloos en geesteloos geworden, en geen tucht meer over zichzelven latende gaan, ook den moed missen, om tucht over anderen te oefenen. De deformatie der kerk, die uit de ontaarding van het ouderlingschap voortvloeit, is dus minstens even bedenkelijk als de deformatie, die in de ontaarding van het ambt der dienaren haar oorsprong vindt. Het is bij de ouderlingen de krankheid der anarchie, die met een laten varen van recht en gezag en orde in den kerkeraad begint, en op prijsgeven van alle recht ook in de Synodale saamkomsten uitloopt. Principieele revolutie is het, waarbij de herderen zich laten vonnissen door de kudde, en de kudde den wil verleert van zich onder het oordeel der herderen te buigen. Want uit deze krankheid vloeit ook wel de bandeloosheid der gemeente, de geestelijke ontucht der dienaren, de vervalsching der genademiddelen, en wat dies meer zij, voort, maar toch is dit alles slechts gevolg, niet het eigenlijke type van deze krankheid. Haar eigen kenmerk is het opheffen van het gezag.

Kuyper, A. (1883) § 45

§ 45. Van de deformatie in het werk der liefde en der barmhartigheden.

In de kerk van Christus welt de liefde voor den ellendige onder de broederen en de ontferming voor de ellendigen onder die buiten staan, even vanzelf en onweerstaanbaar naar boven, als het water opborrelt uit de sleuven en spleten, die een fontein in de steenrots vond. Er is in die kerk dus een storende oorzaak

|107|

aanwezig, die de natuurlijke uiting van haar leven tegenhoudt, bijaldien de geldgierigheid, aller kwaden wortel deze bron der liefde en der barmhartigheden in haar doet opdrogen en de ellendige, die naar God roept, door de kerk van Christus ledig wordt heengezonden. Dit is een ontzaglijke schuld voor den Heere, voor hem, die, in het oordeel van den grooten dag, eens de liefde zijner Bruid voor hem, den Bruidegom, af zal meten naar de warmte of de koelheid, waarmeê zijn hongerigen gespijsd zijn of zijn naakten gekleed. In toorne moet hij zich dus keeren tegen een kerk, die hem zelven wegschuift uit het Heiligdom, om er het afgodsbeeld van Mammon weer op te richten, en er kan geen „licht van het vriendelijk aanschijn” in zijn kerk stralen, als koude berekenende zelfzucht en hebzucht weer de plaats inneemt, die der Barmhartigheid in zijn heilig huis toekomt. Zeer verkeerd deed men dus, met bij de deformatie der kerk dusver van dezen gruwelijken misstand te zwijgen. Wel, dit moet toegegeven, raakt deze deformatie niet het wezen der kerk, maar haar levensuiting, even als een verdorren en verschrompelen van bloesem en vrucht nog geen bewijs is dat de boom stierf in den wortel; maar toch blijft zelden bloesem en vrucht uit, indien het leven in den wortel niet krank is. Daarom zal men wel doen met ook hierop voortaan scherper te letten, en dat in drieëerlei opzicht. — En wel, ten eerste, wat het diaconale ambt aller geloovigen aangaat, om toe te zien, of in de leden der kerk van Christus de aandrift, om zijn goud en zilver te offeren, met genoegzamen prikkel werkt. Een geloovige moet altoos een blijmoedig gever zijn. Het moet niet een afgeperste gave wezen, maar willige offerande. Ja dieper zelfs nog dient de genegenheid des harten bespied, of er maar niet een toewerpen is van een aalmoes, maar een priesterlijk deelnemen der deernis. Of er niet is hoogheid, die zich naar den ellendige nederbuigt, maar diepe ontferming, die zich met den armste en nooddruftigste één weet als broeders en zusters in den Heere. Ook of er niet is Farizeeuwsch vertoon van offervaardigheid, maar een reiken van aalmoezen in het verborgene, opdat de Vader, die in het verborgene ziet, zulks in het openbaar vergelde. — In de tweede plaats dient onderzocht, of de kerk niet slechts in haar leden, door het ambt aller geloovigen, maar ook in haar centraal liefdeambt, t.w. door de bediening der diakenen, op de hoogte van haar roeping blijft. En wel met name of de diakenen hun roeping gevoelen, om de kunst van geven in de kerke Gods te ontwikkelen; of zij naar de hooge beteekenis van hun ambt, beseffen, de voetstappen van Christus te moeten drukken in het spijzen van den

|108|

hongerigen en het genezen van den kranke; en eindelijk of zij, wel verre van tevreden met koud en koel en onbarmhartig uit te deelen de penningen die inkomen, er integendeel hun hart op zetten en niet rusten, eer al wat God nooddruftig maakte, ook geholpen zij door die liefde Gods, die de Heilige Geest uitstort in de kerk. — En in de derde plaats eindelijk dient scherpelijk toegezien, of de kerke Gods bij dezen arbeid der liefde en des mededoogens, niet afgaat op gevoel. maar haar vastigheid zoekt in Gods Woord; haar taak niet beperkt tot een aalmoes reiken aan den bedelaar, maar ook de ellendigen opzoekt, wier nood in het verborgene tot God schreit; en bovenal of ze, naarmate de wateren van den nood klimmen, ook de maat harer liefde wete uit te zetten, door ook als kerk zorg te dragen voor wat krank en gebrekkig, verlaten en verminkt is en aldus, in den naam des Heeren Jezus, zich te ontfermen over wie doof of blind, idioot of krankzinnig, kreupel of melaatsch, of met welk ander lijden bezocht is. — En merkt men nu, helaas, dat dit machtig werk der liefde en des ontfermens kwijnt; dat de kunst om te geven niet meer verstaan wordt; dat de kerk liefst aan anderen overlaat wat haar eeretaak is; en dat de ellendige en nooddruftige zijn aangezicht van de kerke Christi afwendt, wetende dat dáár voor zijn klachte toch geen gehoor is, dan mag en moet uit deze verdorring van de vrucht der liefde wel terdege het gevolg getrokken, dat zulk een kerk in haar wortel verkankerd is. „Zooveel ge dit niet aan een mijner minste broeders gedaan hebt, zooveel hebt gij dit ook aan mij niet gedaan,” is haar dreigende veroordeeling.

Kuyper, A. (1883) § 46

§ 46. Van de deformatie in den Eeredienst.

„De ure komt en is nu, dat de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in Geest en in Waarheid,” sprak de Heere onze koning. Zal het goed zijn, dan moet derhalve bij onzen eeredienst de gewijde vorm slechts zooverre in het zichtbare treden, als noodig is, om de aanbidding in den Geest waarneembaar te maken voor de gemeenschap der heiligen. Vandaar de strenge eischen door onze vaderen gesteld, om sober te zijn in den stijl en de opsiering onzer kerkgebouwen; om het orgelspel liefst geheel te mijden, maar wordt het toegelaten, nooit meer te doen zijn dan begeleiding; om met prijsgeving van alle kunstmatig gezang, het zingen der gemeente de stille uitlating der ziel voor God te laten zijn; om door rustig nederzitten, alleen met opstaan der mannen onder het gebed afgewisseld, alle beweeglijkheid in buigingen en omwendingen te

|109|

voorkomen; en dienovereenkomstig ook bij de gebeden, bij de Sacramenten, bij de begrafenissen en wat dies meer zij, te streven naar sobere zinrijke symboliek, die uitdrukking is van een heiligen vrede Gods. Nu is in deze zaak van uitwendigheden intusschen zoomin een bovenmatig verheffen van soberheid, als een buiten mate toegeven aan zinlijke neiging geoorloofd; ook is er verschil van klimaat en van nationaliteit. Wat sober is voor een Italiaan, zou hier reeds bont en overdreven heeten. Vaste regelen bestaan er in dezen niet, en is alzoo de deformatie minder licht te constateeren. Toch wane niemand, dat daarom in den eeredienst geen deformatie zou kunnen insluipen. Het droeve voorbeeld van de ritualisten in de Engelsche zusterkerk bewijst helaas het tegendeel. Een goed deel dier kerk gaat juist door het onbesnoeid en wild uitwassen van haar eeredienst te gronde. En ook al stijgt het kwaad niet tot zulk een hoogte als in Groot-Brittannië, toch neigt een kerk ook ten onzent reeds tot deformatie in den eeredienst, indien gemis aan geestelijken klank in het lied, de kerk verleidt om door kunstmatig spel aan de orgelpijpen te ontlokken, wat uit de ziel der geloovigen niet meer opwelt; indien men de ongeestelijkheid van het gebed door lichamelijke buigingen zoekt te vergoeden; en voorts door gedurig opstaan en dan weer gaan zitten, door allerlei beurtzangen, of veelstemmig zingen of koorgezang, of ook door plechtige gewaden en het aanbrengen van kronen en wat dies meer zij, in het uitwendige poogt te vertoonen, wat in de kern der zaak ontbreekt. Opmerkelijk is het, dat ook ten onzent de eeredienst zuiver en sober bleef zoolang het „Mijn Heer en mijn God!” haar uit het harte kwam, maar opgesmukt en met allerlei vreemdsoortigheid versierd werd, toen de Groningers er de Godheid des Heeren uit wegdroegen, en de gemeente weer toespraken met de afgemetenheid en onbezieldheid van den practischen Ariaan.

Kuyper, A. (1883) § 47

§ 47. Van de deformatie in het kerkbestuur.

Deformatie in het kerkbestuur kan daardoor ontstaan, dat de personen der kerkbestuurders ongeestelijke, bureaucratische, vormelijke lieden zijn, van alle gaven des Geestes voor het bestuur van Jezus’ kerk misdeeld. Ze zullen dan het recht ongewroken laten, zij het ook dat ketterij of bandeloosheid het schendt, en ten slotte zelfs neigen, om hun macht als rechters te misbruiken, om wat onrecht is recht te doen heeten en de onschuldigen te verdoen. Intusschen is dit nog niet deformatie van het kerkbestuur als zoodanig. Deze deformatie is dan eerst aanwezig, als de bestuursinrichting zelve

|110|

afwijkt van wat ze zijn moet naar den Woorde Gods. Er kan een kerk zijn, met een uitnemende bestuursinrichting, maar die, door slecht personeel bezet, slecht werkt. Maar omgekeerd kan er ook zijn een zeer slechte bestuursinrichting, die hoe ook met uitnemend personeel bezet, nooit goed werken kan. Het is er meê als met de machinekamer in een stoomschip. Heb het prachtigste schip met de uitnemendste machine, en toch gaat uw schip in den grond, als uw machinist óf onkundig óf onoplettend, óf door drank bedwelmd is. Maar ook heb omgekeerd een ellendig schip met onbruikbare machines, en al plaatst ge er dan de uitnemendste machinisten in, dan brengen ze u toch niet vooruit. En zoo nu is het ook met een kerkbestuur. Ge redt door een goed kerkbestuur uw kerk niet als de Geest Gods haar verlaat; maar is uw kerkbestuur slecht, dan kunt ge ook uw kerk niet van het verderf afhouden, al kondt ge al uw kerkbestuur bezetten met stipt rechtzinnig personeel. Ook op deze deformatie dient dus zeer scherpelijk gelet, overmits ze het recht krenkt, de beste krachten verlamt; de ankers en gebinten van het huis loswrikt; en de toekomst der kerk op het spel zet. En geen wonder voorwaar, want elke deformatie in zake het kerkbestuur raakt rechtstreeks de vraag, of in de kerk van Christus al dan niet alle macht aan Koning Jezus en zijn Woord zal blijven ; en voorts niet minder die, andere, of in de kerke Christi, waarin allen broeders zijn, al dan niet weer een meesterschap van den broeder over den broeder zal worden opgericht. Revolutie door opstand tegen den koning, of Clericalisme door heerschappijvoering over de broederen, is de dubbele vorm van krankheid, die door deze bestuursdeformatie het leven der kerk aantast. „Eén is uw meester, en gij zijt allen broeders!” is het levenswoord, dat hier alleen genezing aanbrengt. Het geldt den alouden strijd tusschen de heilige ordinantiën Gods en de valsche ordonnantiën der menschen.

Kuyper, A. (1883) § 48

§ 48. Van de deformatie, door woekerplanten op den kerkelijken stam, ofte van de secten.

Secten ontstaan bijna altoos door de schuld der kerk, en wel op drieërlei manier. Of namelijk, doordien de kerk een stuk der waarheid verduisteren laat, dat nu in de secte een uitweg zoekt. Of doordien ze aan de behoefte naar gemeenschap der heiligen geen voldoening schenkt, die nu voldoening op eigen terrein najaagt. Of eindelijk, doordien ze de teugels van de tucht laat glippen, en daardoor dwaalleer tot macht laat komen en straks, wortel laat schieten

|111|

tot eigen formatie, meest soms levende van haar eigen kerkelijk levenssap. Ook dit is een der gevaarlijkste deformatiën van de kerk van Christus, die gemeenlijk in milderen vorm, zonder nog als secte op te treden, zich in sectarische paden openbaart. Sectarisme namelijk drijft elke groep reeds in de kerk van Christus, die een aparten kring formeert, en daarvoor een ander middenpunt koos dan het middenpunt der kerk zelve. Het middenpunt der kerk is de geheele waarheid, levende in hem die sprak: „Ik ben de waarheid.” Een groep om dát middenpunt in de kerk, tijdelijk tegen de kerk, geformeerd, blijft kerkelijk en mag nooit sectarisch genoemd. Maar vormt zich een kring van enger verbondenen, die óf een enkel punt uit de volle waarheid uitlichten en tot middelpunt stellen, óf ook in eenig menschelijk persoon, nog levende of reeds gestorven, de samenbinding hunner geesten vinden, òf ook die buiten de genademiddelen hun eigenlijke gemeenschap der heiligen zoeken, dan zijn deze kringen sectarisch in aard en wezen, en moeten bij wettige ontwikkeling tot formeering van eigenlijke secten overgaan. Van schismatieke formatiën behoeft hierbij ter nauwernood gewaagd, daar deze formatiën meestal slechts ontstaan uit morrende ontevredenheid over kerkelijke rechtspraak, of door overdrevene gehechtheid aan kerkelijke uitwendigheden. Deze formatiën blijken dan ook meestal geen wortel te hebben, verdorren spoedig, en sterven uit. Een scheurmaker is dan ook in de schatting der kerk steeds een ontevredene geweest, die uit het vleesch werkte en toegaf aan onheiligen toorn, terwijl de sectarische lieden, en de secten die uit hun woelen opkomen, bijna altoos misleiden zijn, dolende te goeder trouw; personen in wie ernst en hemelzin werkt, maar die deels door de schuld der kerk, deels door eigen onvoorzichtigheid en hardnekkigheid, zich niet tot beter lieten gezeggen. Zoo is bijv. het perfectionisme op dit oogenblik, evenals de ethische kring nog slechts een sectarische beweging in de kerk, terwijl het Darbisme, Irvingianisme, enz. secten zijn, die zich reeds zelfstandig poogden te organiseeren en nu als woekerplanten leven op den kerkelijken stam.

Kuyper, A. (1883) § 49

§ 49. Hoe de kerk door deformatie ten slotte in een schijnkerk verloopt.

Vat men nu al deze deformatiën saâm, in de Ieeken en de dienaren; in de belijdenis en in de genademiddelen; in de tucht en in het liefdewerk; in den eeredienst en in het kerkbestuur; door de

|112|

sectarische groepen en door de secten, — dan tast ieder hoe deze veelvuldige krankheden ten leste derwijs het leven der kerk kunnen aantasten, dat de deformatie een einde neemt, doordien alle leven uit de kerk weggaat. Er is dan aan de kerk niets meer te deformeeren, omdat alle leven haar ontzonk. Aldus ontstaat de schijnkerk, d.i. de absoluut gedeformeerde kerk, die melaatsch is van den hoofdschedel tot de voetzool toe; gansch wit in de ingezonken huid; alle levenstint van haar geweken, zonder een spoor meer van gezond vleesch, waarop het gif der krankheid verstorend werken kon. In zulk een schijnkerk is het vrede, ruste, stilte als de stilte des grafs. Ze is gelijk een uitgebrande haard, die u slechts witte asch en grauwe sintels toont. Een lijk, maar nog niet overgegaan tot ontbinding! Zulk een schijnkerk zou ondenkbaar wezen, indien een kerk op zichzelve stond, en noch door kerkverband met andere kerken, noch door banden van den Staat, noch eindelijk door burgerrechtelijke betrekkingen van eigendom, bezit, rechten, of titels, nog een tijdlang werd opgehouden! Dan toch zou ze, na het wegnemen van haar kandelaar, eenvoudig ineenzinken, in staat van ontbinding geraken en vergaan. Nu daarentegen, door zulk kerkverband, staatsverband en rechtsverband, de ineenzinking en ontbinding wordt tegengehouden, kan zulk een formatie, die in geen enkel opzicht kerk meer is, toch nog den schijn van kerk te zijn behouden. Men vindt dan een geraamte, maar nog gekleed in het deftig, zij het ook gescheurd en bezoedeld kerkelijk gewaad. Zulke schijnkerken vindt men bijv. in, onze Oost-Indische koloniën, waar regeeringsgezag en staatsgeld ze staande houdt. Men vindt ze in Noord-Brabant, waar ze kunstmatig geteeld, nooit wortel schieten konden, maar toch door de biezen van een staatstractement blijven hangen aan den bijgestoken bloemstok. Eindelijk vindt men ze ook in Noord-Holland, in Groningen en Drenthe, misschien ook elders, in die plaatsen, waar geen enkel persoon meer is die belijdt, geen kerkelijke bediening, die de genademiddelen brengt, en waar elken morgen de zon opkomt en elken avond de zon ondergaat, zonder dat een enkele knie voor Koning Jezus gebogen wordt of een enkele tong hem belijdt.

Kuyper, A. (1883) § 50

§ 50. Hoe de valsche kerk opkomt.

Wel te onderscheiden van deze schijnkerk is ten slotte die ontzettendste van alle deformatiën, die uitloopt in het optreden der valsche kerk of de kerk van den antichrist. Nog altoos is de

|113|

leer van den antichrist in de kerk weinig ontwikkeld en meenen de meesten dat antichrist eensluidend is met satan. Dit is stellig zoo niet. Satan stelt zich tegenover God, en bootst in de radeloosheid van zijn onmacht al het doen Gods na, of het hem gelukken mocht, met Gods eigen instrumenten zijn koninkrijk af te breken. De antichrist daarentegen duidt aan zulk een persoon, in wien den Satan iets soortgelijks laat optreden, als de Heere God liet optreden op aarde, toen Hij ons den Middelaar zond. Zulke antichristen zijn er nu velen en staan er door alle eeuwen op, in zoo verre ook de mislukte en zwakke pogingen van Satan, om een tegenchristus te scheppen, door de apostelen met dien naam bestempeld worden. Maar ook de eigenlijke antichrist is alleen hij, in wien het Satan gelukken zal eenmaal zijn bedrieglijken schijn en misdadige vertooning een tijdlang door te zetten. Evenals nu Christus zijn kerk en Koning jezus zijn onderdanen heeft, zoo poogt ook Satan, altoos het doen Gods nabootsende, een kerk voor zijn antichrist en onderdanen voor zijn valschen koning te formeeren. Vandaar het gestadige streven van Satan, om een tegenkerk, een antichristelijke, een valsche kerk te openbaren. Dit nu kan Satan niet door nieuwe stichting doen. Daartoe is hij te onmachtig. En zoo komt het dat Satan er telkens op loert, om in een bestaande kerk in te sluipen en die kerk onder valschen schijn om te zetten in haar tegendeel. Gelijk in den zeeoorlog de vijand er soms op uit is, om een weerbaar schip van zijn tegenpartij te enteren, het bootsvolk dat er op was in boeien te slaan, er zijn volk in te zetten; en dan met de ram of het geschut van vijands eigen schip onder valsche, bedrieglijke vlag, zijn overige schepen in den grond te boren, zoo ook is de toeleg van Satan. Hij breekt daartoe de kerk niet af, maar maakt haar juist machtig. Hij neemt de heiligheden niet weg, maar misbruikt ze. En wel zijn het grijpende wolven die hij binnenlaat, maar die grijpende wolven zien er van buiten alle uit als lammeren; zoo naïef loopen ze in de lammerenvacht om. Deze valsche kerk wordt dan bediend door duivelen, maar van wier duivelenaard niets uitkomt, doordien ze zich voordoen als engelen des lichts. Het is, om het beeld van een kranke te nemen, niet de teringlijder, die aan uitputting inzinkt, maar veel meer de bezetene, die sterk en boosaardig, terwijl gij dacht een lijder te vinden, dien ge verzorgen zoudt, u aanvliegt, bij de keel grijpt en, zoo God het niet verhoedt, u vermoordt.

Scherp dient derhalve onderscheiden tusschen wezenlijke kerken van Christus, die in staat van deformatie verkeeren; tusschen schijnkerken, die ophielden kerken van Christus te zijn, omdat de

|114|

deformatie er bij ten einde liep; en tusschen de valsche kerken, bij wie de deformatie slechts dienst deed, om een satanische contraformatie in het leven te roepen.

Van deze valsche kerk beleden onze vaderen „dat zij haar en hare ordonnantiën meer macht en autoriteit toeschrijft dan den Woorde Gods en zich aan het juk Christi niet wil onderwerpen; dat zij de sacramenten niet naar den Woorde Christi bedient, maar daaraan toe of afdoet, gelijk als het haar goed dunkt; dat zij zich grondt meer op de menschen dan op Christus; en vervolgt degenen die heiliglijk leven naar den Woorde Gods en die haar bestraffen van hare gebreken, gierigheid en afgoderijen.”

Intusschen heeft ook deze valsche kerk hare onderscheidene graden. Gelijk een bezetene door één, maar ook door een millioen demonen kan bezet zijn, zoo kan ook een kerk door groote of mindere listigheid van Satan worden omgeleid. En evenzoo, gelijk er bezetenen waren, voor wie nog naar Jezus geroepen werd, en die Jezus op dat gebed van hun demonen verloste, zoo kunnen er kerken zijn, die ten deele en tijdelijk instrumenten van den Satan waren geworden, en die de Heere toch weer op het ootmoedig gebed van Satans inwerking vrijmaakt. Men zij dus ook op dit punt tegen overijld oordeelen op zijn hoede. Ongetwijfeld lag de kerk van Christus, in de dagen toen Luther optrad, schier geheel in banden van den Satan gebonden, en toen Rome het bloed van Gods heiligen dronk, was er zeer stellig een anti-christelijke macht in haar kerkorganisme gevaren. Het zou laf en ongeestelijk zijn, dit niet te durven uitspreken. Of daarentegen de Roomsche kerken als zoodanig derwijs geheel en duurzaam van den Heiligen Geest verlaten zijn, dat de Paus de antichrist zou zijn, is een vraag, die wel in 1603 door de Fransche kerken op haar synode in bevestigenden zin is beantwoord, maar zonder dat de gereformeerde kerken van hier en elders dit artikel, hoezeer er kennisse van dragende, te Dordrecht in haar belijdenis overnamen. Onze vaderen dorsten blijkbaar deze absolute uitspraak, hoezeer er toe overhellende, niet geheel aan, en gingen integendeel voort ook den in Romes kerken toegedienden Doop, als geldend Sacrament te erkennen; en overmits nu het Sacrament niets is zonder de werking der genade, zoo beleden ze derhalve, dat ook in deze geheel ontaarde kerken nog genade des Heeren werkende was.

Leggen we ons bij dit oordeel onzer vaderen neder, dan volgt hieruit, dat er dusver wel gedeeltelijk vervalsche en in zooverre valsche kerken gezien zijn, maar de absoluut-valsche kerk, d.i. de voltooide openbaring van de kerk, waarin Satan

|115|

zijn eindtriomf zal pogen te vieren over den Christus, dusver nog toeft.

Beware God Almachtig ons, dat daarbij onze kerken geen dienst van instrument voor Satan mogen doen, en opdat Satan onze kerken niet met zijn demonischen invloed beziele, wordt zelven, o, belijders des Heeren, niet van den Booze bezeten, maar wone, werke, bidde in u, als in zijn wettigen tempel, onze hemelsche Leeraar en aanminnige Trooster, God de Heilige Geest!

Kuyper, A. (1883) § 51

|116|

 

Hoofdstuk IV.

Van de reformatie der kerken.

 

§ 51. Wat onder reformatie der kerken te verstaan zij.

Reformatie kan in wijderen of engeren zin genomen, en klaarheid van opvatting eischt, dat deze uiteenloopende beteekenissen, hoezeer ook vroeger reeds aangeduid, bij den ingang van dit IVde hoofdstuk, nader juist en scherp onderscheiden worden.

Het algemeenste begrip van reformatie, dat het wijdst ommeloopt en het verste strekt, is het brengen van waarheid en heiligheid in de plaats van dwaling en zonde.

In die ruimste beteekenis sluit reformatie dus ook in de doorgaande verlichting, die de kerk in den loop der eeuwen van den Heiligen Geest ontvangt, alsmede den doorgaanden wasdom in heiligmaking: beide, verlichting en heiligmaking, zoo van het lichaam der kerk als van haar enkele leden te verstaan. Al wat de kerk nader aan de Fontein aller goeden brengt, of ook omgekeerd, die Fontein aller goeden milder en zuiverder in de bedding der kerk doet uitvloeien, heeft die kerk gereformeerd.

Toch neemt men het begrip van reformatie in dien uitgestrekten zin slechts zelden, en gelijk wij bij ons lichaam gemeenlijk onderscheiden tusschen den regelmatigen groei en wasdom, en de genezing van onregelmatig ingeslopen krankheden of toegebrachte wonden, zoo pleegt men veelal ook bij de kerken Christi eenerzijds de plicht te stellen tot regelmatigen wasdom in verlichting en heiligmaking, en anderzijds de herstelling uit ziektetoestanden, waarin ze door eigen schuld en ongeloof, of ook door Satan’s boosaardigheid, verzonk.

Die regelmatige wasdom in verlichting en heiligmaking heet dan de voortdurende stichting en opbouwing der kerke Gods door de werking der genademiddelen, en alleen die genezing van haar wonden heet dan reformatie.

Maar ook in dezen engeren zin laat het begrip van reformatie nog drieërlei beteekenis toe, al naar gelang de herstelling van het kranke gezocht wordt in opheffing uit ingezonken kracht, in uitdrijving van ingeslopen ziektestof, of eindelijk in gewelddadige kunstbewerking.

|117|

Het eerste, de methode, die uitsluitend nieuwe prikkeling van de verdoofde levensgeesten bedoelt, is men thans meest gewoon met den naam van réveil, revival of opwekking te bestempelen.

Het tweede, de methode, die zonder gewelddadige insnijding, uitdrijving van ingeslopen ziektestof beoogt, heet meest kerkherstel.

En alleen het derde, d.i. de methode, die het mes in de wonde zet en tot kunstbewerking overgaat, draagt dan den naam van reformatie in den engsten zin.

Aanwending van welke dezer drie graden plichtmatig zij, hangt geheel af van den aard der aanwezige ziekteverschijnselen.

Is het organisch weefsel der kerk nog ongedeerd gebleven, zoodat de kerkinrichting nog ongeschonden bleef, en de bediening der genademiddelen zuiver, dan is een geestelijke opwekking van leeraren en leden het ééne noodige. Een nieuwe verwakkering van den Heiligen Geest, door een opnieuw bezegelen van het trouwverbond des Heeren. De réveil!

Sloop daarentegen de krankheid verder door en zonk niet alleen het geestelijk leven in, maar wierd ook het graveersel der kerk geschonden, zoodat de waarheid op de straten struikelt, ook dan moet zeer zeker geestelijke verwakkering het uitgangspunt zijn, maar behoort men voorts van dat punt verder te schrijden tot geleidelijke verbetering van de kerkinrichting en wegneming van de dwaling. Alzoo réveil én kerkherstel.

En kwam het eindelijk zoover, dat niet alleen het genadeleven verdorde en de waarheid op de straten struikelde, maar dat ook, door de overheerders der kerk én uitroeiing van de dwaling én herstel in eere van Gods Woord duurzaam onmogelijk werd gemaakt, dan mag de geestelijke verwakkering, die zich den weg tot geleidelijk kerkherstel ziet afgesneden, zelfs niet voor het pijnlijkste terugdeinzen, en behoort ze, ter levensredding, tot kunstbewerking over te gaan, d.i. voort te schrijden tot publieke reformatie, in den zin waarin Luther dit deed en Calvijn Luthers daad voleindde.

Maar ook al dringt en perst de Geest des Heeren, om tot dit uiterste over te gaan, toch moet geestelijke verwakkering altoos het uitgangspunt wezen.

Van buiten naar binnen wekt ge slechts schijnleven, wat stand zal houden werkt nooit anders op dan uit den Geest.

Kuyper, A. (1883) § 52

|118|

§ 52. Dat alle goede reformatie God tot auteur heeft.

Alle menschenpogen is in Jezus’ kerk ijdelheid en minder dan de ijdelheid zelve. De kerk van Christus is ten spijt van ’s menschen zondig woelen door Gods wondere genade in de wereld ingedragen; wierd eeuw na eeuw in weerwil van der menschen tegenstand en ontrouw in die wereld staande gehouden; en heeft nooit één oogenblik anders dan uit, door en in genade getierd. Er kleeft aan de kerk ook slib, en dat trok ze natuurlijk uit de wereld op, maar als kerk gold van haar steeds en onveranderlijk in volstrekten zin: „In Hem leeft ze, beweegt ze zich en is ze.”

Geen onzinniger bedrijf dan ook, dan dat eenig mensch, al ware hij de uitnemendste, of eenige kerkelijke vergadering, ook al ware ze de invloedrijkste, zich ooit zou vermeten te zeggen of te denken: „Ja, wij zullen door ons beleid deze of die ingezonken kerk eens reformeeren!”

Zulk zeggen is ongereformeerde hoovaardij, en kan nooit anders dan op nog verdere deformeering uitloopen. Het is het averechts gevoelen, alsof wij een zuivere kerk aan God hadden te leveren, inste van dat Hij ons in zijn ontfermingen met een gezuiverden kerkstaat begenadigt.

Dit is de orde des Evangelies omkeeren, het genadeverbond op zij zetten, en weer naar loon dingen voor goede werken.

Dit te willen toont dat nog de dwaling in ons hart huist, alsof een kind van God uit zichzelf ook maar één stippeltje heiligheid kon voortbrengen; en overwonnen wordt die dwaling dan eerst volkomen, als onze ziel oprecht voor God komt te belijden, dat elk stippeltje heiligheid, dat uit ons straalt, eerst in ons daalde uit de heiligheid Christi; zoo zelfs dat ook het beste dat nog uit ons natuurlijk leven nawerkt, zonde eer dan heiligheid zij te achten.

Ten deze moet een vroom Christenmensch loven noch bieden kennen.

Een kind des koninkrijks, dat de deugden wil verkondigen van Dengene die hem uit de duisternis riep tot zijn wonderbaar licht, kent op dit punt geen halfheid. Uit hem niets dan zonde, alle heiligs uit God. Leugenachtig al wat uit hem opwelt, waarachtig alleen de Heere.

Is dus reformatie, gelijk de vorige  uitsprak, het brengen van waarheid en heiligheid in de plaats van leugen en zonde, dan zij toch gevraagd van waar anders aan de kerk die waarheid en heiligheid toe zou komen, dan uit Hem die alleen beide heeft?

|119|

God, de auteur van alle deugdelijke reformatie, is daarom het beginsel, dat door de trouwe zonen der kerk nimmer is verloochend. Vandaar hun bidden, vandaar hun wachten, vandaar hun gehoorzamen aan den Heere.

Dit beginsel geldt van de reformatie in haar drie stadiën.

Uit God is alle verwakkering der gemeente uit haar doodelijken slaap. Niet alsof alle réveil’s uit Hem en uit Hem alle revivals en opwekkingen waren. Helaas, wie betreurt het niet, dat zoo vaak menschelijk geknutsel zich met dien schoonen naam siert. Neen, maar dit is bedoeld, dat er nooit, dat er nergens leven in de doodsbeenderen opwaakt; dat nooit en nergens de wasdom in heiligmaking, na langen stilstand, weer begon; en dat nooit en nergens de drang om anderen voor den Heer te winnen een geopende deur vond, dan op die tijden en in die kerken, waarin het God den Heer beliefde, in weerwil van de zonde en het ongeloof en de trouweloosheid van zijn volk, zich over dat afgekeerde volk te ontfermen. En wel te ontfermen, doordien Hij óf een profeet zond, zeggende: Spreek tot deze doodsbeenderen, óf ook zonder boetgezant overtuiging van zonde en ongeloof in de zielen wekte, en door den prikkel van dit schuldbesef uitdreef in gebeden.

Het geldt hier den alouden strijd tusschen de Gereformeerden en de Arminianen, toegepast op de geestelijke verwakkering. Wie slaapt hoe zal die opstaan, tenzij hij gewekt worde! Hoe zou er betering uit een volk kunnen komen dat van dag tot dag geestelijk verergert. Gelijk dus de onwedergeborene alleen door een daad Gods uit de duisternis kan uitgaan naar het licht, zoo ook kan een kerk die in duisternis terugzonk, alleen door een genadedaad Gods weer naar het licht opzien.

Dit weer begenadigen van zijn volk met het duizendwerf verbeurde en eindelijk schuilgegane licht is zijn goddelijk en onschendbaar privilegie.

Nooit genoeg kan dus ’s Heeren volk vermaand om op te waken uit zijn slaap, de eerste liefde weer op te wekken, hare heilige werken vol voor God te maken en te verwakkeren in ijver voor de redding van anderer zielen, maar wee hem, die deze heerlijke opleving uit iets anders putten wil dan uit de Fontein aller goeden!

Hij alleen vermeerdert het geloof, stort door zijn Heiligen Geest de warmer liefde in het hart uit, geeft in verzoeking de overwinning en bindt ons anderer heil op de ziel.

Iets wat sterker uitkomt voor wie bedenkt, dat een geestelijke opwekking meerdere zielen te gelijk verwakkeren moet. Stel dus al,

|120|

ge hadt macht over uw eigen hart (des neen); dan kondt ge toch nog nimmer zaligmakend in anderer ziel indringen, en bleeft ge alzoo nog even diep afhankelijk van de vrijmachtige genade uws Gods.

Maar ook die tweede trap van reformatie, die we geleidelijk kerkherstel noemden, heeft alleen God tot auteur.

Buiten God kunnen menschen misschien betere artikelen van kerkelijk regiment opstellen en aldus de kerk reformeeren op het papier, maar dit doode ding, dat uit den dood gebaard is, zal dan ook volstrekt onmachtig blijken, om ook maar eenigszins aan het lichaam der kerken heur geestelijken welstand te hergeven.

Neen, als er kerkherstel komen zal, dan moet de opsteller der betere kerkorde slechts boeken, wat het God beliefd heeft reeds door zijn Woord en Geest in den zin en in de bedoeling der personen te verwekken.

Voor kerkherstel zijn gelegenheden noodig, en wie anders beschikt die dan de Heere onze God? Voor kerkherstel zijn allerlei personen onmisbaar, en wie anders schept personen dan Hij? Voor kerkherstel moet overeenstemming van inzichten, moet gelijkmatigheid van bedoeling, moet zin tot samwerking gewekt, en wie anders leidt de harten als waterbeken dan de Heere?

Bovendien in de vergaderingen waarin dat geleidelijke kerkherstel wordt doorgezet, besluit, niet slechts de meerderheid van zeker aantal stemmen, maar is de presente koninklijke macht van Christus de eenig dwingende macht, en triumfeert de waarheid nooit dan onder het voorzitterschap van den Heiligen Geest.

Zóó was het te Nicaea! Zóó was het te Dordrecht geweest! En dat juist is het wat in onze Haagsche Synode wordt gemist. Ze besloot, o, conclamate vos, ecclesiae! haar gebed in te krimpen tot eenmaal ’s weeks.

En wat eindelijk het derde stadium van reformatie betreft, t.w. reformatie door verbreking van de bestaande organisatie, gelijk Luther en Calvijn ze doordreven, ook daarvan geldt onvoorwaardelijk dat ze óf diep zondig was, óf gewekt werd door God.

Diep zondig, want schriklijk is de overmoed van wie het lichaam des Heeren verscheurt en de kerke Gods misbruikt als het eerloos lijk, waarop de heelmeester zijn ontleedkundige bekwaamheden oefent.

Wie dat aandurft, om de eenheid te verbreken van de kerk, waarin hij geboren werd, moet wel zeer gewisselijk verzekerd zijn, dat hij van God hiertoe gezet is, of hij laadt op zich een verantwoordelijkheid, die hem den vloek zou indragen in het geschokte hart.

Zulk een roekelooze daad kan dan ook alleen de lichtzinnige

|121|

bestaan, wiens ongeestelijke zin of fanatieke overspanning voor de kinderen Gods genoegzaam openbaar is.

En tot reformatie door kunstbewerking, door breuke, door verscheuring van banden kan en mag het onder het volk dat God vreest, alleen dan komen, als de Heere zelf zijn volk bezoekt, de mannen verwekt, die zijn kudde kunnen uitleiden en zelf hun voor- en achtertocht is op hun weg door de woestijn.

Er moet dus niet maar gezegd, dat, ja, ter laatste instantie alle werking, en dus ook de reformatie der kerken, tot God kan worden teruggebracht; neen, maar er moet beleden, dat er nooit of nimmer reformatie in de kerk des Heeren, ’t zij in den vorm van opwekking, ’t zij als geleidelijk herstel, ’t zij door noodzakelijke breuke, tot stand kwam, of de bijzondere inwerking van de goddelijke genade begon dat heerlijk werk, zette het door en wist het te voleinden.

Kuyper, A. (1883) § 53

§ 53. Van reformatie door geestelijke opwekking.

„Geestelijke opwekking,” réveil of revival, is een later in zwang gekomen woord voor hetgeen onze vaderen beter noemden „vernieuwing van het verbond.” Het heerlijke type voor den drang tot zulk een geestelijke verwakkering bezitten de kerken Gods in de zeven brieven, die de Christus door zijn heiligen Apostel Jonnes aan de zeven kerken van Klein-Azië zond, en die ons nog toespreken in Openbaringen, hoofdstuk twee en drie.

Deze brieven zijn niet gericht aan heidenen, noch ook aan onbekeerden. Die aan de kerk van Laodicea uitgezonderd, over welken beknoptheid ons hier ter plaatse verbiedt uit te weiden, onderstellen alle deze brieven, dat de kerken, aan wie ze gericht zijn, krachtig in heur belijden staan, en voor verreweg de meerderheid van heur leden blonken in krachtige bezieling des geloofs. Er waren verkeerde elementen ingeslopen; zondige leer zocht en vond ten deele ingang; hun werken waren niet vol; de Heere had eenige weinige dingen tegen haar; er ontbrak het ideale; — evenwel, de kerken als zoodanig waren noch afgevallen noch verwaterd, noch ook wereldsch geworden in den zin waarin wij over onze kerken klagen. Het waren in elk geval nog én belijdende én geloovige kerken. En zie, desniettemin grijpt de Christus deze kerken om deze kleinere onvolkomenheden (naar wij thans zeggen zouden) derwijs krachtig en snijdend aan, dat ze vermaand worden tot „bekeering,” tot „versterking van het overige, dat sterven zou.” tot een gedenken vanwaar zij uitgevallen waren, en een doen van de eerste werken, en dat

|122|

onder de gestrenge bedreiging dat „anders heur kandelaar zal worden geweerd van zijne plaatse.”

De Heere nu zou deze brieven niet aan de toenmalige kerken gezonden en voor de kerken aller eeuwen bewaard hebben, indien deze valsche gerustheid in Zion niet tot de vaste verschijnselen behoorde, en niet gedurig een „ontwaakt, gij die slaapt en laat Christus over u lichten” juist voor de verkorene gemeente en in haar voor het volk van God, onmisbaar was.

Te roepen tot boete en bekeering, te manen tot schuldbelijdenis en heiligen wandel, is dan ook de roeping van den dienaar des Woords in alle kerken Gods; een roeping, die deswege nooit verzaakt mag, omdat het Woord het door God verordend middel is om de inwonende zonden der geloovigen te kruisigen en te begraven.

Toenemen in aandrang moet het geklank dier boetbazuin, zoo dikwijls de oordeelen des Heeren van verre vernomen worden, of ook naderkomen, ja, als een plage uitbreken in de plaatsen zelven, waar de kerke Gods verkeert.

Een bijzonder karakter behoort dat roepen tot geestelijke verwakkering aan te nemen, indien onder de toelating Gods onheilige wereldzin of eenige zonde, met name genoemd, het hoofd merkbaar opsteekt, en de teederder conscientiën, om de eere Gods, pijnlijk aandoet.

Maar in hun eigenlijk ten volle uitgedrukt karakter treden toch deze predikers van boete en bekeering dan eerst op, als het God belieft aan een deel van zijn kinderen, of ook maar aan een enkel van zijn verkorenen, de geestelijke gezonkenheid van het gemeenteleven derwijs overweldigend op de ziele te binden, dat hij roepen moet, en niet kan inhouden, omdat hij, naar Amos het uitdrukt, het brullen van den leeuw heeft gehoord.

Dan is het de welaangename ure, dat God zijn volk bezoekt; met de openbaringen, invloeden en inwerkingen van zijn Heiligen Geest krachtiger, dan in lange, naar de zielen van zijn volk uitgaat. Hieruit wordt dan eerst in enkele harten en allengs in kleiner of grooter kringen onvoldaanheid met den geestelijken toestand geboren; de zielen schreien weer uit de diepte; wat verstijfd scheen, smelt weer; de tongen raken los; er komt lust aan verloochening, en het Woord en het gebed en de lofzegging krijgen een innerlijke zoetheid, die hemelsch dunkt bij de dorheid vergeleken, waarover zoo lange dagen was geklaagd.

Zulk een bevochtigen van den hof des Heeren door dauw van Boven, zulk een overgieten van de beklemden met versche olie, zulk

|123|

een doen schitteren van het gewaad des lofs voor een benauwden geest, is dan aanstekelijk. Aanstekelijk als een vuur, dat door vonk op vonk zich mededeelt. Het springt over van ziel op ziel, van huis op huis, van kerk op kerk, altoos onder het blazen van den wind des Geestes. En de uitkomst is, dat weer in wijden kring veel dieper dan in lang de verdoemelijkheid onzer natuur gepeild, onze onmacht zonder terughouding beleden, het kruis volvaardiger aangegrepen, de rijkdom Christi zaliger genoten en de vruchten des Geestes overvloediger in ootmoedigheid en langmoedigheid geteeld worden.

In drieërlei bedding vloeit dan deze stroom des levens uit.

Allereerst in verrijking van het verborgen leven des harten voor God. De mystieke werking van de réveil. Het weervinden van den verlorenen Trooster in ons hart. Een uitgaan in het heilgeheim, dat naar het heilige vreêverbond aan zijn gunstgenooten vertoond wordt. Voorwaar, een volzalige genieting. Een hier reeds proeven van het manna, in hooger oord geteeld.

Onderscheiden hiervan is de strooming, die op heiliging van wandel doelt; niet (tenzij het sectarisch wordt) als iets bijzonders, om iets hoogers dan anderen te bereiken, maar eenvoudig als vernieuwing van zijn bekeering, en dus gekenmerkt door een meer afsterven van den ouden mensch; om de zonde hoe langs zoo meer te haten en te vlieden; en gekenmerkt evenzeer door een weer opstaan van den nieuwen mensch, in hartelijke lust en liefde, om niet slechts naar enkele, maar naar alle Gods geboden te leven.

Waar dan nog bijkomt de heilige drift om ons voor anderen over de grootheid der liefde van Christus te openbaren, of wil men de bedding der zending. Aan Philadelphia schrijft de Heere Jezus: „Ziet, ik heb een geopende deur voor u gegeven, ook geef ik u enkelen uit de Joden en ik zal maken dat ze zullen komen en aanbidden aan uwe voeten.” En in gelijken zin verleent de Heere nu nog aan elke kerk, die geestelijk uit haar doodslaap opwaakt, macht om voor zijn Koninkrijk te winnen; niet slechts door zending onder Kaffers of Eskimo’s, maar heerlijker nog door winning van wie nabij is.

Het geheim nu, of zulk een „geestelijke verwakkering” zuiver zal loopen, ligt in de vraag, of deze drie stroomingen onderling in juiste verhouding blijven. Want, gebeurt dit niet, dan ontstaat het gevaar voor sectarische ontaarding in gemaniëreerde heiligheid bij de personen van wilskracht, en in oppervlakkige veeldoenerij bij de lieden der uitwendigheid.

Blijven daarentegen die drie stroomingen in onderling verband,

|124|

zoodat in de ééne kerke Gods de lieden van gevoel, van wil en van bedrijvigheid elkaar in evenwicht houden, dan mijdt men het sectarisch pad, zoekt sam de tucht der kerke, en heerlijk is het rijke genadeleven, dat in zulk een kerk alsdan opbloeit.

Alle kunstmatig gedreven réveils zijn daarom af te keuren. Ze baren niets dan wind. En al moge het God den Heere soms behagen om ook op de vleugelen van dezen wind een zaad des levens uit te strooien, toch geschiedt dit nooit anders dan ondanks zulk een opgeschroefde beweging en is nooit haar natuurlijke vrucht. Waarbij echter niet vergeten worde, dat het recht om zulke valsche réveils af te keuren, nooit ontleend kan worden aan eigen niets doen, maar doordien van de kerk of haar leden de van God gewilde, echte verwakkering uitgaat.

In niet al te diep gezonken toestand zullen de leden der kerk hierbij den prikkel tot zulke verbondsvernieuwing van de herders, niet omgekeerd de herders van de leden ontvangen. Niet licht wordt een kerk in die mate van den Heere verlaten, dat Hij niet althans nog enkele teedere kinderen Gods, met talenten versierd, in het ambt zou zetten, om als lichtgevende starren te flonkeren te midden van de donkerheid, die is neergedaald. Herders zijn in zoo bijzondere mate geroepen tot nauwer omgang met hun Zender, tot het laten schijnen. van hun licht in heiligen wandel en tot een dragen op het priesterlijk hart van de eere Gods en het heil der zielen. Meer dan anderen nog zijn zij de aangestelde wachters, de trouwe honden, die bassen moeten voor hun Heer. Zij moeten den wolf gezien hebben, eer de schapen die bespeuren, en wee den herder, die den wolf niet aangrijpt en zijn leven voor de schapen niet stelt. Jozua en Josia, Ezra en Nehemia zijn dan ook de schitterende getuigen, die elken van God gezonden herder tot trouwbetoon in dit hun aanbevolen werk manen. En de geschiedenis van Jezus Kerk in de dagen des Nieuwen verbonds is rijk aan bezielende voorbeelden van dit teedere leven der Herders, in de kerke, voor het aangezicht des Heeren. Hun boetbazuin spreekt door hun geschriften nog. Ja, er is meer. Ook in ons eigen land getuigt de historie van meer dan een classicale vergadering, waarop de gezamenlijke Dienaren des Woords hun eigen schuld en ontrouw voor God beleden, en sam voor zijn aangezicht beloften van verwakkering in eigen dienst en leven gedaan hebben. Van de gezamenlijke predikanten in alle Kerken in Londen is het bekend hoe zij in 1660, bij het dreigen van bang gevaar, aan het Christenvolk in deze groote stad hun zonden aangezegd en ze tot verbondsvernieuwing vermaand hebben. Zelfs ontbreken ook onder

|125|

de latere kerken de heerlijke voorbeelden niet van den kerk die, op de boetprediking van haar Herderen, in de schuld voor God gevallen, openlijk in het bedehuis, onder vasten en gebeden, opnieuw haar verbond van trouw met den Heere bezegeld heeft.

Evenwel zijn er nog dieper gezonken toestanden denkbaar, waarin de Heere God zijn kerk óf schier geheel van trouwe wachters ontbloot, óf aan de trouwe wachters, die Hij nog liet, de genade om te ijveren voor zijn heiligheden onthouden heeft. In zulk een jammerlijken toestand heft uitteraard de ijverloosheid der trouwe, of ook de trouweloosheid der overige herders, allerminst voor de kerke Gods de plicht tot verwakkering in godzaligheid op, en heeft geen ander uitwerksel ten dezen, dan dat de plicht tot het nemen van initiatief, die de leden vroeger aan de herders overlieten, thans op henzelf overgaat. Toch is hierbij de ordening Gods te eeren, opdat de leden nooit hun ijveren voor Gods eer door minachting voor het door Hem ingezette ambt bezoedelen. Zoo dikwijls dus door den Heiligen Geest (want zonder diens werk is alle werk slechts schijn) kinderen Gods buiten het ambt in bijzondere mate door overtuiging van gemeenschappelijke schuld worden aangegrepen, en een vuur van jaloerschheid voor de eere Gods in hun boezem wordt ontstoken, om tegen de zonde des volks te toornen, behoort altoos hun ijverbetoon uit te gaan van liefdebetoon aan de Voorgangeren.

Op hen dient de eerste aandrang gericht. Er moet geen zucht zijn om het, buiten hen om, zelf te doen, maar een stille drang en bede: „Och, of zij er toe mochten opwaken!” En eerst, als drang en smeeking hiertoe ijdel bleek, en de herderen of in hun trouweloosheid zich verharden óf ook de getrouwe herders in hun lauwe ijverloosheid voortvaren, is het oogenblik voor zulke leden der kerk gekomen, om zelven de kerk tot boete en bekeering te roepen.

Dit eeren van Gods ordinantiën achte niemand gering noch loope iemand er in zelfgenoegzaamheid over heen. Men bedenke toch, dat al ons roepen tot boete en bekeering niets dan dood kan baren, tenzij God de Heere de harten aangrijpe; dat alle boetbazuin slechts instrument en alleen de heerlijke God de Wakkerschudder der slapenden is; en dat die afgebeden zegen van zijn Vaderhand verbeurd en schier gebannen is, zoodra we ons aanstellen in eigenwilligheid en niet volgen in zijn spoor.

Toetst men aan deze leidende beginselen hetgeen om ons heen geschiedt, dan mag het volgende niet verzwegen.

1º. dat in de prediking onzer dagen het roepen tot boete en bekeering niet van de wilde massa, maar van het volk des Heeren, veel te zwak vernomen wordt.

|126|

2º. dat onder de Dienaren des Woords, én in hun onderling verkeer, én in hun zorge voor de kerke Gods een droef gemis te betreuren valt van die geestelijke verwakkering, die niet rust eer de smaad der inzinking van ’s Heeren erf geweerd is.

3º. dat geestelijke opwekking die van de leden in meer dan één kring uitging, met menigerlei krank verschijnsel behebt was. Krankheden waaronder deze vier de voornaamste zijn; ten eerste dat men het ambt voorbijgaat, soms zelfs minacht; ten tweede, dat men naar heiligheid dringt zonder in de schuld te zijn gevallen; ten derde, dat men óf eenzijdig het mystieke, óf levensbetering, óf het overvloedig zijn in werken, najaagt, en door die eenzijdigheid sectarisch wordt; en ten vierde dat men jacht maakt op iets buitengewoons, in plaats van het gewone huisraad blank te schuren.

4º. dat met name van Moody’s optreden moet getuigd, dat dit met een geestelijke opwekking niets te maken heeft, daar het slechts prediking van het Evangelie aan de wilde massa beoogt. Alzoo geen opwekking na insluimering, maar eerst bekeering uit den geestelijken dood bedoelt. In hoeverre de tekortkoming en het plichtverzuim der kerken in Engeland en Amerika tot zulk optreden dwong, blijve hier buiten beoordeeling.

5º. dat de geestelijke verwakkering waartoe Pearsall Smith opriep, in zooverre in het rechte spoor ging, als zij zich niet tot de wilde massa, maar juist tot de toegebrachten wendde; maar daarentegen het spoor bijster ging, in zooverre ze de kerkelijke bedding ontweek, bijmengselen in de leer opnam, en me kracht zocht in overprikkelende middelen.

6º. dat de „Salvation Army” of het leger des Heils, evenals Moody’s optreden, geen geestelijke opwekking, maar toebrenging van onbekeerden bedoelt; hierbij echter het spoor geheel bijster gaande, in zooverre deze beweging buiten de bedding der kerk stroomt, de perelen voor de zwijnen werpt, en ter oefening van invloed de toevlucht tot middelen neemt, die indruischen tegen den geest des Woords.

En 7º. dat het onder de kinderen Gods in deze landen eerst dan en alleen daardoor tot deze van God geëischte geestelijke verwakkering en verbondsvernieuwing komen zal, bijaldien een ieder persoon den bijl aan den wortel van zijn eigen ik aanlegt; van de bekeering zijns harten tot de betering van zijn gezin voortschrijdt; en zonder te vragen wat een ander doet, voor eigen huis en kring afdaalt in die nederigheid, die de onveranderlijke belofte heeft van genade.

Kuyper, A. (1883) § 54

|127|

§ 54. Van reformatie door geleidelijk kerkherstel.

Het kerkbederf blijft, helaas, zelden tot de verachtering in genade van haar leeraren en leden bepaald, en bijna altoos sleept de verkoeling in liefde en godzaligheid tevens vervalsching der leerenontreddering van de kerkregeering na zich. Er dient dus in de tweede plaats onderzocht, wat te oordeelen zij van het tweede soort reformatie, door ons als „geleidelijk kerkherstel” aangeduid.

„Uitzieken” is hiermeê in het minst niet bedoeld.

Van door- of uitzieken kan noch mag in de kerk van Christus ooit sprake zijn, en de medische weg dien men tegen de juridische heeft overgesteld, staat niet tegenover dezen, maar tegenover de chirurgische.

De zaak ligt aldus.

Indien men het kerkbederf vergelijken wil met het bederf in ons lichaam, dan laat de medische behandeling het organisme ongestoord, terwijl de chirurgische behandeling ter redding van het geheele organisme een deel er van door het ontleedmes verstoort.

Laat men nu van de chirurgische behandeling af, om zich voorshands te bepalen tot de medische, dan is daarom die medische behandeling nog op verre na niet altoos van dezelfde soort. Dit hangt af van den aard der te genezen krankheid. Die krankheid kan namelijk of één der organen hebben aangetast, of wel, zonder eenig orgaan te hebben aangetast, in verzwakking of kwaadsappigheid van de algemeene levenskrachten bestaan. In het laatste geval poogt de geneeskunde door voeding die verzwakking of door uitzuivering die kwaadsappigheid te genezen. Is daarentegen n der organen aangetast, dan richt zich de geneeskunde er op, om de overige organen tegen medeaandoening te vrijwaren en zoo mogelijk, door uitdrijving of oplossing van verkeerde bestanddeelen, het aangetaste orgaan te herstellen in oorspronkelijke zuiverheid.

Brengt men deze beeldspraak nu op de kerke Gods over, dan is ook bij die kerk een krankheid door verachtering in genade denkbaar, die slechts in de personen openbaar, het organisme der kerk onaangetast laat. Tegen dit kwaad mag en kan dan niet anders aangewend dan zuivere prediking des Woords, zoo op den kansel als in de huisgezinnen. — Is daarentegen het bederf van zulk een aard, dat niet slechts de leden, maar ook het organisme zelf der kerk is aangetast, dan is deze methode ongenoegzaam, en behoort goede geneeskunde er op bedacht te zijn, om door uitdrijving, oplossing of

|128|

absorbeering van de kwade bestanddeelen, het aangetaste organisme in zijn oorspronkelijke zuiverheid te herstellen.

Hoe men dit doen moet, hangt natuurlijk af van de geaardheid van het organisme. Op de longen werkt een verstandig arts anders dan op de lever, op de nieren anders dan op het hart. Ook bij de Kerk dient derhalve, zoodra er bederf in haar organisme insloop, gevraagd: wat zijn de kanalen, de wegen, de gangen, die het organisme oplevert ter uitdrijving, betering of oplossing van schadelijke bestanddeelen? En luidt hierop nu het antwoord: Deze kanalen zijn tweeërlei, t.w. de uitoefening van de Kerkelijke tucht en de verbetering der Kerkelijke ordonnantiën, — zoo is het klaar als de dag, dat beteugeling van het kwaad door berisping, schorsing of afzetting van ontrouwe dienaren, of ook door berisping, censuur en desnoods banning van ontrouwe leden der Kerk, hoe juridisch ook, nog even goed tot de medische wijze van kerkherstel behoort, als de sterking van levenskracht door de prediking des Woords.

Laten uitzieken of doorzieken is gansch geen methode, maar of plichtverzuim of het nietsdoen der machtelooze wanhoop. De arts die door laat zieken neemt als arts zijn ontslag. En de vraag of, als men eenmaal medisch handelen wil, prediking van boete en bekeering volstaat, dan wel tot oefening van tucht en herziening der kerkorde moet worden voortgeschreden, hangt volstrekt niet van uw goedvinden af, maar uitsluitend van de geaardheid die het kerkbederf vertoont. Schuilt het kwaad nog alleen in verachtering in genade, dan alleen de boetbazuin; maar drong het verder door en wierd het organisme zelf aangetast, dan moogt ge daarbij niet stilstaan blijven, maar dient evenzoo de hand gelegd aan de tucht en de kerkorde.

De dienaren in Jezus kerk zijn volstrekt niet alleen predikers des Woords, die zich voor God verantwoord kunnen rekenen, indien ze slechts het Woord op den kansel en in een deel der huisgezinnen prediken. Ze zijn krachtens hun ambt evenzeer kerkregeerders, en als zoodanig tot oefening der tucht en het stellen van goede order op de zaken der kerke gehouden. Zich in te beelden, dat prediking van het Woord genoegzaam zou zijn, en de taak der kerkregeering wel ongedaan kan gelaten, komt dus op niets minder neer, dan op een prediken van dat Woord aan anderen, terwijl men zelf zonder verwijt der conscientie, in eigen ambt aan dat Woord ongehoorzaam is.

Toch dient evenzeer gewaarschuwd tegen een andere eenzijdigheid, t.w. tegen het pogen en woelen derzulken, die zonder oog voor de verachtering in genade en onder kennelijke minachting van de

|129|

krachten die in het Woord liggen, zich in Farizeeuwsche hoogheid en hoogst ongeestelijke oppervlakkigheid inbeelden, dat de diep kranke als met een tooverslag te genezen zou zijn, indien men de kettersche bestandeelen slechts afsneed en de reglementen doortastend herzag.

Wie aldus oordeelt kent noch zijn eigen hart, noch de nooden der gemeente, noch de krachten des koningrijks. Wat in het organisme uitkomt, schuilt als nog dieper bederf in de harten en huisgezinnen, en nooit zal een kerkherstel iets anders dan een schijn voor het oog zijn, indien de genezing niet met bestraffing der zonde en vernieuwing des Verbonds begint. En dat wel met dien verstande, dat de bestraffing der zonde niet aanvange bij de wereld, noch ook bij de onbeslisten, maar haar aanvang neme bij het volk des Heeren zelf en onder dat volk voor een iegelijk bij zijn eigen hart.

Zonder dien geestelijken achtergrond blijft elke poging tot kerkherstel met onvruchtbaarheid geslagen. Dan kan men wel vernissen, maar nooit levensglans te voorschijn roepen. Zonder personeele toevluchtneming tot genade, moge er veel geknutseld en beduimeld worden, maar tot wasdom der kerke brengt men het niet.

Bureaucratische wetsgeleerden die in koude onverschilligheid sam plannen beramen om de bestaande misstanden weg te nemen, mogen stapels van keurig ineengezette reglementen afleveren, maar zullen nooit door den Heiligen Geest verwaardigd worden, om te bouwen aan ’s Heeren geestelijk huis.

Dat ziet men aan de Haagsche Synode in overdroef exempel!

Wat hebben deze heeren niet geploeterd en gewurmd, om, door altoos nieuwe bepalingen en door altijd keuriger reglementen en immer beter doeltreffende maatregelen, de breuke der kerk te heelen en haar oneffenheden glad te strijken. En toch wat hebben ze anders als vrucht van hun noeste vlijt en onmiskenbare talenten en verre van geringe inspanning zien rijpen, dan toenemende ontevredenheid, voortgaande krachtsinzinking en een steeds verder voortvreten van den knagenden kanker?

En lag dit nu aan hun min goeden wil of mindere bekwaamheid of gemis aan wijs beleid?

Wie dat waant, vergist zich.

De meeste heeren die aan dit ijdel en doelloos werk hun kracht beproefden, waren mannen van zeer goeden wille; in bekwaamheid overtroffen ze zeer stellig de meesten onzer; en in overleg waren ze zeer slimme meesters.

Neen, wat hun ontbrak was alleen de kennisse der kwaal en der

|130|

geneesmiddelen. Ze zochten in de huid wat diep in de wrongen der nieren school. Ze gingen buiten hun eigen hart om. Van het vallen in de schuld voor een God, wiens naam in en door zijn kerk onteerd was, hadden ze zelfs het besef niet. Het Woord des Heeren was bij hen in geen aanzien. Van genade spraken ze soms, maar verstonden ze proefondervindelijk het ware niet. Het gebed was hun een vorm geworden, en de Heilige Geest zat in hun vergaderingen niet voor.

En natuurlijk, dan moet men wel op rotsen ploegen.

Kerkverval is een straffe Gods, een plage, die Hij over ons brengt, en op zijn volk legt ter oorzake van hunne zonden, en juist daarom kan de Heere die plage niet van ons nemen, tenzij vooraf die schuld gevoeld, beleden en in het bloed des kruises verzoend zij. Zonder die overtuiging van zonde kan er dus ook geen oprechte boete en bekeering komen. En waar deze vernieuwing des verbonds ontbreekt, hoe wil men daar op beteren kerkstaat hoopen?

Maar dan ook omgekeerd, is die overtuiging van schuld bij ’s Heeren volk levendig, en drijft de Geest des Heeren tot verwakkering de zielen uit, zoodat de wet en het getuigenis weer worden opgenomen, en het verbond met den Almachtige weer in hart en huis en land wordt opgericht, hoe zou dan de gehoorzaamheid der getrouwe Dienaren uitblijven?

Dat kan niet, want de waarheid Gods is als een geurende olie, die door alle poriën heentrekt. Richt de naam des Heeren zich in het hart zijns volks weer op, dan keert niet alleen de godzaligheid, maar ook de waarheid terug, en alle ketterij gaat zich beklemd en bedreigd voelen. Ongemerkt en zonder iemands toedoen komen de fundamenten dan weer bloot liggen voor ieders oog, dat ze gezien en bewandeld worden. En waar eenmaal de grondvesten van Gods verborgenheden der ziele weer vastigheid bieden, daar werkt vanzelf de kracht dier waarheid ook in de denkwijze over de inrichting der kerke door. Het eerst gehalveerde ambt begint dan weer in zijn schoonheid te blinken. Die eerst eigen opiniën in pikante volzinnen op den kansel bracht, komt er toe, om zich zelf en zijn eigen woord te verloochenen, en weer de macht te openbaren van het Woord van zijn God. Wie eenmaal aan dat Woord zijn dienst weer verpandde, dringt met dat Woord tijdig en ontijdig om zonden te bestraffen en godzaligheid in den lande te bevorderen. En waar de macht van dat Woord hem ten leste licht ook op zijn eigen ambt gaat werpen, daar moet in zijn besef ook de plicht der kerkregeering weer leven gaan, en kan de Dienaar des Woords geen ruste vinden eer ’s Heeren huis weer gebouwd is.

|131|

De vraag van wie dit kerkherstel in den geleidelijken weg uit moet gaan, is niet moeilijk te beantwoorden. Dan alleen toch komt het, indien de Heilige Geest de kerkelijke besturen of beter gezegd de kerkelijke vergaderingen daartoe aandrijft.

Één man alleen of ook enkelen saâm kunnen nooit op afdoende en geleidelijke wijze kerkherstel tot stand brengen, en de leden der kerk kunnen ten deze nog veel minder hulp aanbrengen.

Immers ziet men eenmaal wel in, dat geleidelijk kerkherstel in oefening van den kerkelijken tucht en in betering van de kerkorde bestaat, en weet men dat alleen wettige kerkeraden, classes en synoden tot deze beide bevoegd zijn, dan is het hiermeê ook uitgemaakt, dat geleidelijk herstel alleen door kerkeraden, door classes, en door synoden tot stand kan worden gebracht.

Al wat enkele dienaren of ook leden der kerk ten deze willen doorzetten, heft juist het geleidelijk karakter van het kerkherstel op, en brengt die op de chirurgische lijn, die later ter sprake komt. Al wat de enkele dienaar, of ook de leden der kerk ten deze vermogen, bestaat hierin, dat ze van den Heere deze begeerlijke zaak afsmeeken; de verplichting er toe betoogen en aandringen; en dat ze als leden der kerk door verzoekschrift of protest, of ook als dienaren door advies en stem in de kerkelijke vergaderingen, tot de kwijting van dezen plicht manen.

Is eene kerk, gelijk veelal het geval is, met andere kerken genootschappelijk in vaste correspondentie getreden, dan is geleidelijk kerkherstel zelfs ng moeilijker. Dan toch hangt de vraag, of men tot oefening der tucht in staat is en tot betering van de kerkorde kan overgaan, niet enkel van de goede gezindheid van den kerkeraad af, maar is de medewerking van de andere kerken in classes en synoden hiertoe onmisbaar.

Niet, men versta ons wel, als zouden we meenen, dat leden, dienaren of ook kerkeraden zich door deze belemmeringen van den plicht tot kerkherstel duurzaam mochten laten afhouden. Slechts dit is bedoeld, dat zoodra leden, dienaren of kerkeraden eigener beweging hebben op te treden, de medische weg verlaten wordt en eo ipso tot kunstbewerking, d.i. tot de chirurgische methode wordt overgegaan.

In deze paragraaf, die uitsluitend het medische of geleidelijke proces bespreekt, moet dit buitengewone dus ter zijdegelaten, en het is met het oog daarop, dat we den regel opstellen: Geleidelijk kerkherstel kan in op zichzelfstaande kerken van de kerkeraden alleen uitgaan, maar voor kerken in vaste correspondentie niet anders dan van den kerkeraad onder medewerking van classis en synode.

|132|

Over den weg hierbij te volgen kunnen wij slechts wenken geven, want zoo ooit dan geldt hier het variis modis bene fit, d.w.z. men kan, het doel treffen op meer dan ne goede manier.

De wenken van meer algemeenen aard bepalen zich tot deze vijf:

 

1º. de oefening van kerkelijke tucht ga gelijkelijk over leer en wandel.

Een weêropnemen van de kerkelijke tucht tegen de ketters, sectariërs en scheurmakers, dat niet tegelijk een weêropnemen van de tucht tegen den hoereerder en dronkaard en lasteraar was, zou geoordeeld staan voor de conscientiën.

 

2º. bij de weêropneming van de kerkelijke tucht zitte het oordeel des onderscheids voor.

Een dienaar die slecht leert of slecht leeft is schuldiger dan een afgewekene of afgedoolde onder de leden der kerk. Alle tucht beginne dus met tucht over hen die het ambt dragen. Alleen zulke ambtenaren die op elkander acht hebben, bezitten het recht om anderen te oordeelen.

Evenzoo, bij weêropneming der tucht na lange verwaarloozing, zij men te overvloediger in ernstig vermaan, in teedere barmhartigheid, in zucht om door de macht der liefde te winnen, en ga men niet dan bij gebleken onboetvaardigheid of verharding tot censuur of afsnijding over.

In het stuk der leer vooral pare gestrengheid tegenover de dienaren zich aan het uiterste der lankmoedigheid tegenover de gewone leden der kerk.

Bij de dienaren mag niet worden geaarzeld. Wie anderen leeren zal, moet het Woord der kerk spreken. Wie dat weigert, of niet kan, mag niet gespaard. Hem te sparen ware de kerk opofferen. Schijnliefde voor één enkele met gemis aan liefde voor de duizenden tot achtergrond.

Evenwel, en hier worde wel en scherp op gelet, dit mag volstrekt niet opgelost in een zin, alsof bij ernstige poging tot kerkherstel, de eerste stap b.v. ten onzent zou moeten bestaan in een onverbiddelijk afzetten van alle predikanten, ouderlingen en diakenen, die weigerden de drie formulieren te onderteekenen, of, ook van dezulken die, na onderteekening, van bestrijding dezer formulieren overtuigd werden. Zoo zou wel het fanatisme te werk gaan, dat verderven wil, maar niet de kerk van Christus, die bidt voor haar vijanden en zichzelven verloochent om te behouden.

Veeleer zou dan op de kerkelijke vergaderingen de moeielijke taak rusten, om geestelijk te onderscheiden tusschen hen die uit

|133|

boosheid des harten de waarheid tegenstaan en degenen die uit onwetendheid dwalen. Er zou onuitputtelijk geduld, er zou veel kracht der overreding, er zou veel gave der wijsheid noodig zijn, om te winnen, wie nog kon gewonnen, eer men den draad doorsneed.

Natuurlijk, ten slotte zou het tot dit uiterste bij allen moeten komen, die in hun opzet volhardden; maar wie durft niet hopen, dat dit bij zeer velen anders zou zijn.

Voor leden kan men zelfs nog verder gaan, en ter eerste instantie slechts diegenen met tucht aangrijpen, die door woord of geschrifte openlijk de leer der kerk bestreden, om voorts eerst door onderwijzing voor te lichten, en langs dien weg allengs tot schifting te komen tusschen hen die met opgezetten wille de waarheid verwerpen, en hen, wier ziele nog in de bedding der waarheid medrijft.

 

3º. bij het beteren der kerkorde worde niet het glad schuiven van een kunstig mechanisme, maar de gezonde bloei van het organisme der kerk in het oog gevat.

Niet op maatregelen van orde, maar op beginselen van kerkregeering komt het aan. Doel moet zijn om de souvereine genade Gods in zijn kerk te laten heerschen. Daartoe moet verwijderd al wat aan die betwiste souvereiniteit in den weg staat of haar volle doorwerking belemmert. Al het overige is bijzaak en des noods onverschillig. Maar wat met onverbiddelijke gestrengheid moet doorgezet, is het zwichten van alle menschenwoord voor het Woord van God en het rechtstreeks afvloeien van alle menschelijk gezag uit Koning Jezus.

 

4º. Om dit doel te bereiken, moet op de samenstelling der reformeerende vergaderingen nauwkeurig toegezien.

De meerderheid moet eigenlijk niet beslissen. Veel beter is het zóólang in den geest der gebeden elkander te overtuigen, tot er eenheid van inzicht geboren worde. Maar, overmits ten slotte toch beslissing met meerderheid tegen ons zou kunnen genomen worden, mag de samenstelling van deze collegiën ons niet onverschillig zijn.

 

En 5º. In deze vergadering verloochene men zelf het beginsel niet waarvoor men strijdt.

Dit kan op velerlei manier gebeuren, en daartegen dientgewaakt.

Vooreerst zie men wel toe, dat geen besluit van zulk een vergadering uitga, of de wil moet ook achter het besluit zitten, om voor

|134|

zijn raadslag in te staan. Overrompelen baat niet. Er moet geestelijke, helder bewuste overtuiging gewekt; zij het ook bij ieder naar zijn mate.

Ten tweede, men ga niet zitten, indien dat zittingnemen zelf tegen den eisch van Gods Woord of tegen de souvereiniteit van Koning Jezus indruischt.

En ten derde, wie tot een besluit heeft medegewerkt, trede niet terug als het op uitvoeren aankomt. Wie zijn hand aan de ploeg slaat en achterwaarts ziet, is onbekwaam voor het Koningrijk Gods.

Kuyper, A. (1883) § 55

§ 55. Van reformatie door breuke met het bestaande.

Verbondsvernieuwing door geestelijke verwakkering is evenmin als geleidelijk kerkherstel hetgeen gemeenlijk onder reformatie verstaan wordt. In engeren zin toch hecht men aan „reformatie” geen ander begrip dan van de geschiedkundige reformatie der zestiende eeuw, gelijk die onder de bezieling van Luther, Zwingli en Calvijn tot een breuke met de destijds bestaande volkskerken heeft geleid.

Ook hierbij intusschen dient ter voorkoming van misverstand, nogmaals scherp tusschen twee zeer uiteenloopende gevallen onderscheiden. Iets geheel anders namelijk is een inbreuk op het bestaande, die er toe leidt, om de oude kerk, waarin men geboren werd, te hervormen, en iets geheel anders, om uit die oude kerk ganschelijk uit te gaan en zoo naast als tegenover haar een nieuwe kerk te stichten. Beide gevallen kwamen in de reformatie der zestiende eeuw voor.

In Amsterdam b.v. en Londen, evenals in Wittenberg en Genève scheidde men zich niet af van de kerk, waarin men geboren was, om een nieuwe kerk op te richten, maar men maakte zijn eigen oude kerk los uit haar correspondentie met andere kerken, riep een nieuw en beter Kerkverband in het leven, en zuiverde zijn kerk van misbruiken. Daarentegen te Parijs en te Weenen, in Polen en Italië, trad men uit de kerk, waarin men gedoopt was uit, en stichtte tegenover haar een nieuwe kerkformatie.

Op dit aanmerkelijk verschil is slechts zelden gelet. Men beging namelijk de fout, om enkel de ééne groote, algemeene kerk, gelijk ze onder het pauselijk gezag tot een eenheid was saâmgesnoerd, als de kerk te beschouwen, en overmits nu onze vaderen zoowel te Parijs als te Amsterdam met de roomsche hiërarchie braken, beeldde men zich zeer ten onrechte in, dat b.v. ook hier te lande en te Londen nieuwe kerken gesticht werden. Dit was intusschen volstrekt niet het geval, en zoodra het tractement in het spel komt, weten zelfs de meest achterlijken van de onzen er nog zeer goed op te wijzen, dat de hervorming

|135|

eigenlijk geen nieuwe kerken hier te lande in het leven riep, maar slechts een voortzetting in zuiverder vorm was van de oude Christelijke kerken die in de 6e en 7e eeuw hier ontstonden. Wat een deel der onzen in 1834 bewoog tot hun reformeerende daad, staat dus volstrekt niet op één lijn met wat te Amsterdam geschiedde, toen Amsterdam geus werd. Daarmeê zou het dán eerst op één lijn gestaan hebben, indien het aan deze vaderen gelukt was in de kerken zelven de Synodale heerschappij neêr te werpen. En te vergelijken is de stap van 1834 slechts met de Hervorming in die landen, waar gelijk in Polen en Italië de oude kerk zich bleef handhaven en de kerkjens der hervorming slechts als nieuwe plantjens naast de veroordeelde oude konden opschieten.

Om helderheid van inzicht te bevorderen zullen we daarom onderscheidenlijk en achtereenvolgens afzonderlijk beide gestalten van reformatie door breuke met het bestaande bespreken, en alzoo eerst handelen van zulk eene breuke met het bestaande, waardoor men tot hervorming van de oude kerk geraakt, en daarna opzettelijk die breuke met het bestaande bezien, waardoor men komt tot nieuwe kerkstichting naast een bestaande kerk.

Een gemengd geval dat zich hierbij voor kan doen, ontstaat dan, als men er wel in slaagt, om zijn oude kerk door hervorming van misbruiken te zuiveren, maar de andere kerken, met welke men in kerkverband stond, niet tot gelijke hervorming kan bewegen. Dan toch ontstaat er een botsing, die tot slooping van dat oude en tot aanlegging van een nieuw kerkverband moet leiden. Zulk een geval is gemengd, omdat men dan geen nieuwe kerk, maar wel een nieuw kerkverband sticht, en alzoo voor wat zijn kerk aangaat, onder de eerstbedoelde categorie komt, terwijl men voor zoover zijn kerkverband betreft, komt te vallen onder de tweede.

Dit noopt ons, duidelijkshalve, ook dit gemengd geval afzonderlijk te bespreken, zoodat we in drie rubrieken handelen willen:
1º. van reformatie door breuke met het bestaande, waarbij het nochtans gelukt de bestaande kerk en haar kerkverband te behouden.
2º. van reformatie door breuke met het bestaande, waarbij men tot formeering van een nieuw kerkverband komt;
en 3º. van reformatie door breuke met het bestaande, waarbij men verplicht is een nieuwe kerkformatie tegenover de oude te plaatsen.
Alleen door deze splitsing in drie categoriën wordt een duidelijk inzicht in den gang van het reformatie-werk mogelijk.

|136|

„Breuke met het bestaande” is de algemeenste uitdrukking die het karakter van alle min of meer chirurgische reformatie aanduidt, zóó echter, dat deze breuke, óf plaats kan grijpen met de bestaande organisatie alleen, óf met de bestaande organisatie en het bestaande kerkverband, óf eindelijk niet alleen met deze beide, maar bovendien ook met de bestaande kerk als lichaam.

Er bestaat dus niet alleen een scherpgeteekend onderscheid tusschen deze drie categoriën, maar ook een klimming van minder tot meerder in de breuke.

De eerste breuke is slechts tijdelijk; een wonde die straks weer dichtgroeit.

De tweede breuke is duurzaam, maar raakt in haar duurzaamheid niet de kerk doch slechts het kerkverband.

Terwijl de derde breuke eindelijk niet slechts duurzaam met organisatie en kerkverband, maar ook met de kerk zelve tot stand komt.

Van de eerste breuke ligt het meest bekende voorbeeld ons op het historieblad geteekend in het reformeerend optreden der Gereformeerden tegen de Remonstranten. Te ’s Gravenhage, Haarlem en op vele andere plaatsen, ja zelfs in classes en synoden leidde dit tot een zeer bepaalde breuke, maar tot een breuke, die op de Synode te Dordrecht weer geheeld is en sinds vergroeide.

Van de tweede soort breuke treedt de gestalte voor ons in de reformatiën van Wittenberg, Zurich en Genève, van Amsterdam, Londen en Koppenhagen, in de zestiende eeuw.

Van de derde soort breuke eindelijk strekt ten voorbeelde de nu gescheidene kerkengroep in ons eigen vaderland.

Breuke met de bestaande kerk, het zij ten overvloede nog opgemerkt, wordt door de brekers ten deze nooit anders opgevat dan als zijnde een breuke met haar ontaarde schijngestalte of valsche nabootsing.

De rechtvaardiging of veroordeeling van zulk een breuke hangt dus schier uitsluitend aan de vraag, of deze qualificatie van ontaarde of valsche kerk juist is, en het is daarom, dat op de bespreking dezer drie een opzettelijke beschouwing volgen moet over de kenmerken, die ten deze beslissen.

Kuyper, A. (1883) § 56

§ 56. Van reformatie door breuke met de bestaande organisatie.

Zoo mogelijk in nog ernstiger zin, dan bij geestelijke opwekking en geleidelijk kerkherstel, moet bij alle reformatie door breuke het uitgangspunt liggen in overtuiging van zonde en schuld.

|137|

Wie zonder dit besef zich aan breuke met de bestaande organisatie waagt, verzaakt het geloof aan Gods voorzienig bestel.

Immers voor zulk een is het dan, alsof de reformatie der kerk alleen door sommiger tegenwerking en verkeerden zin ontstaan is, zoodat God de Heere ons wel een goeden kerkstaat schenken zou, indien maar de moedwil van die enkelen Hem niet in den weg stond. En de diepste gedachte huns harten, is dan, dat zij, als de beteren, die kwaadwilligen nu eens onschadelijk zullen maken, om aldus weer een goeden kerkstaat voor den Heere in het leven te roepen. Drieërlei zonden dus voor één. Vooreerst een niet inzien in eigen medeschuld. Ten tweede een zich verheffen boven anderen. En ten derde den waan alsof een goede kerkstaat niet een geschenk van God aan ons, maar van ons aan den Heere was.

Belijdt men daarentegen dat een goede kerkstaat een uitnemende genadegifte Gods is, die Hij ons vrijmachtig schenkt, en die wij zonder eenig recht onzerzijds van Hem ontvangen, dan ziet men ook terstond in, dat, onthoudt de Heere ons dit goede, er een verhindering in de zonde der kerk moet liggen, en dat alzoo het kastijden met een slechten kerkstaat altijd een oordeel over ongerechtigheid is. Wie nu dit oordeel Gods in den droeven staat der kerke erkent, kan dan ook niet langer meenen, dat de vroomheid van het eigenlijke volk daarbij slechts slachtoffer van de boosaardigheid der bijloopers zou zijn; maar zal integendeel belijden, dat alle schuld en zonde gemeenschappelijk is; en dat juist het eigenlijke volk, naarmate het meer waarheid gekend en milder genade ontvangen heeft, juist te gruwelijker heeft overtreden. De liefde is het teederste, en niet het wild gedierte dat u verscheurt, maar juist de kinderen des huizes zijn het, die die liefde schenden.

Hij die in den Naam des Heeren zich tot reformatie der kerke opmaakt, kan noch zal dit dus doen in hoogheid, veel min in minachtend neêrzien op anderen. Eer omgekeerd zal hij zelfs den moed in zichzelven missen om de hand tot zulk een werk op te heffen en zich angstig afvragen, of het ook ’s Heeren wil zij, dat zijn schuld voor den Heere nog verder en bitterder door deze plage der kerkverwoesting worde gestraft. En de echte Boetgezant die tot dit werk bekwaam is, zal er zoo aan toestaan, dat hij niets hoopt, eer verlenging van druk over zijn zonde voorziet, maar nochtans uit loutere gehoorzaamheid zelf handelt en anderen dwingt om te handelen naar den Woorde Gods.

God zelf is alleen de auteur ook van „reformatie door breuke met de bestaande organisatie”. Niet alsof dit óns van plichtsbetrachting

|138|

ontsloeg en een vrijbrief gaf voor geestelijke traagheid. Wie dat beweerde, kreeg heel Gods Woord tegen zich. Dit ware ambtelijk antinominianisme! Maar ligt hier deze zin in, dat zulk eene reformatie er in den goeden weg niet kan komen, tenzij de Heilige Geest de ontfermende daad verrichte, om in gevoellooze harten overtuiging van zonde te wekken en in het kerkbederf een oordeel Gods te doen zien. Deze overtuiging kunt ge niet kunstmatig kweeken. Want of de n het den ander al napraat, dat alle kerkherstel van schuldbelijdenis moet uitgaan, dit baat niet met al, en brengt nooit verder dan tot een schijnvertooning. En waarheid, werkelijkheid, geestelijk bestand en wezen kan deze schuldbelijdenis dan eerst erlangen, als de Heilige Geest zelf als Overtuiger in het schuldige hart spreekt, om dan tegelijk dat schuldig hart, o zoo teederlijk, te vertroosten.

Zelfs moet hier nog iets bijgevoegd. Kerkreformatie is niet iets dat door de daad van één persoon tot stand komt. Toen Luther optrad, trad hij wel vooraan, maar zijn werk zou in vergetelheid en dood zijn weggezonken, indien niet tal van andere personen, reeds lang gerijpt en voorbereid, en slechts wachtende op een teeken, niet ijlings hun arm bij de zijne hadden gevoegd. Of dus al in een enkel hart overtuiging van kerkelijke schuld gewekt is, is niet genoeg. Zulk een overtuiging moet gelijktijdig bij velen warm worden en een beweging des geestes onder ’s Heeren volk verwekken. Eerst daardoor ontstaat die warmtegloed, die alles smelten, die tinteling des levens, die alles opwaken, die kracht die elken tegenstand overwinnen doet. En zie, juist hieraan bespeurt men nu, hoe alleen God de Heere auteur van zulk een reformatie kan zijn. Want dit beseft men toch aanstonds: Ook al kan een mensch in een kleinen kring van vrienden nog geestdrift voor zijn denkbeelden wekken, in uitgebreider kring een gelijksoortig geestelijke beweging in de ziele bewerken, dat kan geen mensch, dat kan alleen de Heere.

Hiermeê is niet gezegd, dat iemand, in wien die overtuiging gewekt is, stil mag en moet zitten tot tijd en wijle hij merkt, dat ook in andere harten die overtuiging leeft. Dit ware de eisch van Gods Woord minachten en verwerpen. En zij, die zelf wanen en anderen voorhouden, dat men, ook met overtuiging van kerkelijke schuld ende zonde der kerk tegen God inziende, nochtans lijdelijk wachten moet tot de Heere óf een bijzonder teeken doet, waardoor buiten ons om verbreking inden toestand komt, óf ook aller hart zoo tegelijk tot kerkherstel zal opwekken, dat er als een stem veler wateren begint te ruischen, — verstaan blijkbaar nog het eerste beginsel der gehoorzaamheid niet.

Een Christenmensch mag niet om het succes, maar moet alles uit

|139|

gehoorzaamheid des geloofs doen, en niet de vraag of hij slagen zal, noch de vrees dat men hem zal uitlachen, maar alleen het gebod Gods mag hem richtsnoer zijn voor zijn pad. Niet Gods verborgen raadsbesluit uit te voeren, maar te loopen in de wet des Heeren is zijn roeping. En geheel afgescheiden van de vraag wat anderen doen, of wat er uit worden zal, of zelfs wat in ’s Heeren raadsbesluit bepaald is, moet hij doen wat plicht hem gebiedt en getuigen waar getuigen hem geboden is. Als het God belieft, ons liefste kind met bange krankheid te doen verdorren, dat ons het hart breekt en de dood reeds op buit durft hopen, wat Christenvader is er dan, die niet schriklijk het oordeel Gods over eigen schuld en zonden voelen zal? Maar ook, wat zoudt ge oordeelen van een vader, die onder die overtuiging van schuld neergebogen, zijn hulpeloos kind aan zijn eigen krankheid overliet en geen hand uitstak ter genezing?

Weeropvatting van het gezonde, juiste, eenig goede beginsel moet dus tot den stelregel leiden: Geen reformatie dan uit overtuiging van schuld bij ’s Heeren volk. Geen waarachtige overtuiging van schuld dan door de overtuigende inwerking van den Heiligen Geest. Geen inwerking van den Heiligen Geest dan naar Gods verborgen raadslag. Maar ook al is die raadslag anders, ook al bleef dan die Geesteswerking nog uit, en al blijft dan die overtuiging van schuld bij ’s Heeren volk ontbreken, plicht, dure plicht blijft het desniettemin voor allen en een ieder, om het onheilige van ’s Heeren altaar te weren. En al ware er ook slechts één enkele, die overtuiging van schuld van den Geest ontving, hij kan noch mag aarzelen om te doen naar het Woord des Heeren, onverschillig wat hij er zelf ook om te lijden hebbe, ja, al bracht het hem broodeloos op straat.

Gods gebod is onvoorwaardelijk en doorgaande tot op de samenvoegselen der ziel. Elke schuld aan dat gebod, hoe gering ook, brengt den eeuwigen dood. Alleen het oneindig offer van Christus, kan, omdat hij God was, de schuld tegen dat gebod uitdelgen. En juist om dat absolute karakter van het gebod kan het niet anders, of elke verontschuldiging, die men aan te brengen offers of aan mogelijke gevallen, wil ontleenen, om aan de gestrengheid van dat gebod te ontkomen, moet ijler dan een stofvlok zijn in de weegschaal van Gods recht.

Men bedenke en overwege toch wel, dat een afwijken van en ingaan tegen de bestaande ordinantiën voor een teeder geweten een ontzettende zaak is, en dat niemand hiertoe den heiligen moed kan bezitten, tenzij hij weet en inziet: God wil het! Ongehoorzaam aan menschelijke ordonnantiën mag en kan men alleen uit hoogere gehoorzaamheid aan de ordinantiën Gods zijn. En de overgeestelijke lieden, die onder

|140|

velerlei redeneering, die stem der gehoorzaamheid wegpraten, snijden de zenuw van het christelijk leven door.

Neen, neen, het staat niet maar zoo, dat over het stuk der kerkreformatie de ne zus denkt en de andere van die opinie is, en dat nu ieder maar overeenkomstig zijn eigen inzicht veel doe of niets doen kan. Van opinie of denkwijs is hier ganschelijk geen sprake. Indien hier niet de plicht der gehoorzaamheid tegenover God noopt, dringt en dwingt tot handelen, dan is alle handel zonde. Maar ook geldt die plicht tot gehoorzaamheid aan God eenmaal voor den één, dan geldt ze ook tegelijk en gelijkelijk voor allen. Het gebod is algemeen.

De reformatie, waarvan deze paragraaf handelt, omschrijven we uit dien hoofde als: het kerkelijk terugkeeren tot de gehoorzaamheid aan God en zijn Woord, nadien men kerkelijk ongehoorzaam aan dien God en dat Woord geworden was.

Wie in zijn eigen huis regels had ingesteld en gewoonten ingevoerd, waarvan hij van achteren inzag, dat ze ingingen tegen Gods Woord, zou terstond die regels moeten veranderen en die gewoonten moeten omzetten, ten einde weer gehoorzaam aan God te worden. En noch het beroep op het gezag van die regels, noch een verwijzing naar de vastheid dier gewoonten, zou hem of iemand ook maar één oogenblik verontschuldigen kunnen, indien hij voortging ongehoorzaam te zijn.

Breuke met de bestaande regelen en gewoonten, of wil men met de bestaande organisatie, is ons dan alleen geoorloofd, maar dan ook onafwijsbaar geboden, indien deze organisatie u belet Gode den Heere ook in uw kerk, en als kerk, gehoorzaam te zijn.

Hieruit vloeit voort, dat aan alle reformatie door breuke niet alleen geestelijke verwakkering door overtuiging van schuld vooraf moet gaan, maar ook, dat men tot zulk een breuke nooit mag voortschrijden, tenzij eerst de weg van geleidelijk herstel zij beproefd.

Bij een kind van God is de geest der bedachtzaamheid. Hij verfoeit de drift, die de breuke wil zoeken, en zint eer op middelen om die breuke te mijden. Slechts harde, pijnlijke noodzakelijkheid perst en dwingt en brengt er hem toe. Hij wilde wel anders, maar hij kan niet anders.

Eerst moeten dus alle andere wegen zijn afgeloopen, eer het door zijn toedoen of met zijn gedogen tot die breuke komt.

Geleidelijk herstel moet dus vooraf begeerd, gezocht, afgebeden zijn, en eerst als de kerkelijke vergaderingen, van wie dit geleidelijk herstel alleen kan uitgaan, wel verre van de eere Gods hierin te zoeken, volstandig uit beginsel en hardnekkig weigeren de kerkelijke

|141|

organisatie uit haar ongehoorzaamheid jegens God tot gehoorzaamheid aan zijn Woord terug te brengen; ja, erger nog, elke poging tot gehoorzamen aan den Heere, tegengaan en straffen; eerst dan is, maar dan ook gewisselijk, het oogenblik gekomen, waarop die breuke niet langer uitblijven kan noch mag.

Overmits de breuke met het bestaande kerkverband eerst in de volgende paragraaf ter sprake komt, behoeft hier alleen gehandeld van zoodanige reformatie, die het kerkverband ongemoeid laat of althans buiten botsing met het kerkverband blijft. Hoofdzakelijk komt het hier dus aan op de reformatie van de plaatselijke kerk, dat is van die kerk, die ieder lid in de eerste plaats aangaat.

De kerk waartoe wij behooren is het lichaam, van Christus; maar dit lichaam van Christus wordt plaatselijk openbaar; het is derhalve de plaatselijke kerk waarin wij met het lichaam van Christus rechtstreeks in aanraking komen. Voor die plaatselijke kerk draagt een ieder onzer alleen rechtstreeksche verantwoordelijkheid, en het is in, door en met haar dat wij kerkelijk onze gehoorzaamheid aan God hebben te betoonen.

„Kerkelijke gehoorzaamheid betoonen” is eene uitdrukking, die nauwlijks toelichting behoeft. God de Heere heeft gehoorzaamheid van ons te vorderen op elk terrein des levens. We moeten den Heere onzen God gehoorzamen in ons persoonlijk, in ons huislijk, in ons maatschappelijk, in ons staatkundig, en zoo nu ook in ons kerkelijk leven. Grenzen bestaan er voor de gehoorzaamheid aan God niet. Of iemand dus al persoonlijk en maatschappelijk in gehoorzaamheid wandelt, maar in zijn huis die gehoorzaamheid nalaat, zoo is hij toch schuldig. En zoo ook, of iemand al in huis en maatschappij zijn God dient, maar in zijn kerk aan de ongehoorzaamheid tegen God meêdoet, diens schennis van Gods majesteit is openbaar.

Als regel geldt dus, dat een iegelijk in zijn eigen kerk zelf God niet ongehoorzaam mag zijn, en evenmin door zijn meêdoen of toezien medeschuldig mag worden aan de ongehoorzaamheid van anderen.

Leeft derhalve de kerk waartoe hij behoort in staat van ongehoorzaamheid, dan is elk kind van God verplicht tegen deze ongehoorzaamheid gehoorzaamheid over te stellen.

Laat de ongehoorzame kerk dit toe, ruimt ze daar plaats voor in, maakt ze hem dit mogelijk, dan leidt dit niet tot breuke. Belemmert of belet ze hem daarentegen dit oefenen van gehoorzaamheid aan God, dan mag het kind van God daarvan niet aflaten, maar moet doorgaan, op gevaar af van gestraft te worden, ja, al dreigde

|142|

hem de straffe des doods. Dit geldt in tweeërlei opzicht. Vooreerst namelijk moet elk kind van God weigeren iets te doen, aan iets deel te nemen of tot iets me te werken, wat ongehoorzaamheid aan God zou zijn. En omgekeerd moet hij doen en volbrengen wat de gehoorzaamheid aan God eischt, ook al ware het dat men hem dit verbood, belette of onmogelijk wilde maken.

De gevallen waarin dit voor kan komen zijn in hoofdzaak de volgende: 1º. voor wat aangaat om te doen wat God verbiedt, zoo komt in aanmerking: a. het weigeren om beelden te dienen, Maria of de heiligen aan te bidden; b. deel te nemen aan godsdienstige samenkomsten waarin de waarheid verzwegen of verminkt wordt; c. liederen te zingen, die niet naar den Woorde Gods zijn; d. deel te nemen aan sacramenteele handelingen die niet recht bediend worden; e. zijne kinderen godsdienstonderwijs te doen geven of te doen „aannemen,” naar men zegt, of ook bevestigen, bij of door leeraars die aan de waarheid te kort doen; en f. kerkelijke personen te moeten huldigen in qualiteiten die afbreuk doen aan het koningschap van Jezus. En evenzoo 2º. voor wat aangaat het gehoorzamen aan God, waar men dit beletten wil, zoo wijzen we op a. de verplichting om prediking des Woords te hebben en die te zoeken óf buitenaf óf door ze zelf op te richten; b. de verplichting om de sacramenten van den H. Doop en het H. Avondmaal, zoo voor zichzelf als voor zijne kinderen te hebben; en c. de verplichting om te getuigen tegen zonde en dwaling in de gemeente.

In elk dezer gevallen is elk lid der kerk gehouden te handelen en in eenvoudigheid des harten te wandelen op den weg van plicht en roeping. Stelt nu de kerkeraad zich hiertegen, dan moet zulk een lid desniettemin doorgaan. Volgt er straf, dan moet het die straf over zich komen laten, en wel over zich laten komen zonder ook maar één oogenblik af te laten van hetgeen waarover hij straf beliep. En belet de kerkeraad hem in het van kerkswege verkrijgen van hetgeen hij van de kerk naar Gods Woord hebben moet, dan rust op hem de verplichting, om in vereeniging met gelijkgezinden, in deze leemte te voorzien.

Is zoo b.v. de kerk nalatig in het uitdeelen van de genademiddelen, zoodat de Christen ’t zij geen prediking van het Woord, ’t zij geen bediening van het Sacrament, in den door God geboden weg, kan erlangen, dan rust op hem de verplichting om deze leemte aan te vullen. Op de eenvoudigste wijze kan hij dit doen, door te verhuizen naar een andere kerk, waar een rechte uitdeeling van

|143|

genademiddelen overbleef. Maar dit staat niet in ieders macht. Menigeen is aan de plaats zijner woning gebonden. En in dat geval nu kan hij volstrekt niet volstaan met een locaal te huren en daar nu en dan dusgenaamde Evangelisten te laten prediken, maar is hij gehouden een geordend leeraar te ontbieden. En overmits dit ontbieden van een leeraar wettig alleen door een kerkeraad kan geschieden, zoo behoort de kring van hen, die tegenstaan, tot benoeming van ouderlingen en diakenen voort te schrijden en door deze een leeraar te laten beroepen. Een leeraar voor den dienst, dus niet slechts iemand die nu en dan preekt, maar wel ter dege zulk een leeraar, die ook de beide Sacramenten bedient. D.i. niet alleen het H. Avondmaal, maar ook ter dege wel den H. Doop. En derhalve een leeraar, die met zijn kerkeraad ook tevens tucht oefent, opdat de bediening der Sacramenten wel toega.

Dat hiermeê de breuke gekomen is, ontkennen we allerminst. Het is juist van een reformatie door breuke, dat we hier handelen. Maar toch willen we opmerken, dat zulk een breuke nog volstrekt niet duurzaam behoeft te zijn.

Gedurende de woeling der Remonstranten hebben de getrouwen in den lande allerwege de boven aangeduide gedragslijn gevolgd, en in onderscheidene gemeenten is het tusschen den kerkeraad en deze Gereformeerden dan ook tot zoo openlijke breuke gekomen, dat de Remonstranten in de 26e en 29e zitting van de Synode in 1618/19 deze kringen openlijk van scheurmakerij hebben aangeklaagd en op dien grond hun recht op deelgenootschap aan het kerkelijk lichaam betwistten. Maar zoo weinig vond dit gevoelen ingang, dat én de Engelsche, én de Geneefsche, én de Paltzische, én de Bremer theologen, in afzonderlijke declaratiën uitdrukkelijk betuigd hebben, dat zulk een zich scheiden van hetgeen aan God ongehoorzaam was met scheurmakerij niets gemeen heeft.

Al ontkennen we dus niet, dat zulk een stap tot duurzame verbreking leiden kan, toch is even waar, dat de weg tot toemuring der bresse er volstrekt niet door is afgesneden. Het voorbeeld van 1619 toont dit.

Vraagt men op welke wijze zulke doleerenden daarbij te werk hebben te gaan, dan mag veilig deze regel opgesteld: 1º. Is onder de doleerenden een predikant der gemeente, met andere kerkeraadsleden, zoo heeft men deze, mits ze apart vergaderen, als raad der kerke, te erkennen; 2º. doleert men zonder predikant, zoo zal men wel doen met één der naburige predikanten uit te noodigen, dat hij als consulent optrede, om het werk te leiden; en 3º. is ook zulk

|144|

consulentschap onverkrijgbaar, dan ga men zelf onder de leiding van een der oudste broederen tot verkiezing van ouderlingen en diakenen over. Of ook is het aantal der doleerenden daarvoor te klein, dan zoeke men onder de hoede van een nabijgelegen kerkeraad te komen, die deze gemeente dan tijdelijk als combinatie verzorgen moet.

Dit voor wat aangaat de houding der gewone leden. Duurder verplichtingen echter rusten nog op de dragers van het ambt. Is het voor hun overtuiging onbetwistbaar, dat de kerk waarin ze dienen niet in gehoorzaamheid wandelt, dan mogen ze niet rusten, maar moeten ze optreden, en nauwkeurig toezien, hoe ze voor zichzelven in gehoorzaamheid gaan en de hun toevertrouwde kudde in gehoorzaamheid leiden zullen. Daartoe hebben ze de leden der gemeente dan rusteloos voor te lichten van den kansel, bij het godsdienstonderwijs, in de huisgezinnen, en des noods door zendbrieven of rondgaande geschriften. Ten tweede in den kerkeraad op betering van kerkelijk leven aan te dringen. Ten derde, zonder te vragen of de kerkeraad dit veroorlooft, te doen wat de gehoorzaamheid aan Gods Woord van hem eischt en voor de gemeente noodig is, opdat zij in den weg van Gods Woord wandele. En ten vierde ook buiten zijn eigen kerk hulpe te verleenen aan kerken die in geestelijken nood verkeeren.

Haalt hij zich hierdoor de berisping van zijn kerkeraad op den hals, zoo heeft hij die te dragen en inmiddels op dezelfde wijze voort te gaan. Legt men hem doorschorsing het zwijgen op, zoo moet hij desniettemin met de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten voortgaan; want dit is zijn zending van ’s Heeren wege. En gebeurt het, dat zijn kerkeraad, ondanks dit bestendig vermaan en dit betoon van veerkracht, hardnekkig blijft voortwandelen op den ongehoorzamen weg, zoo is hij gehouden om ten slotte de gemeenschap met zulk een kerkeraad af te breken en zijn kerk in het saâmroepen van een getrouwen kerkeraad behulpzaam te zijn.

Welk een uitslag zulk een botsing hebben zal, is niet te zeggen; maar zeker mag de bedienaar des Woords nooit uit vreeze voor geldelijk verlies den weg der gehoorzaamheid mijden.

Ware gerucht maken zijn doel, zoo zou het vleesch en niet de geest werken, en kort na den aanvang vol trots en overmoed een buigen en bukken in smadelijke vernedering volgen.

Maar dreef hem in oprechtheid des harten de zucht om den Heere HEERE te gehoorzamen, dan zal de held, die des noods met zijn bloed voor ’s Heeren Naam getuigen zou, zich wel nooit door tijdelijk verlies van geld of goed van de trouw aan zijn Heer laten af brengen.

|145|

Dan echter zou de breuke reeds verder dan de organisatie der plaatselijke kerk gaan, reeds het kerkverband zelf raken, en dus onder deze paragraaf niet meer thuis hooren.

Wel echter hoort hier nog de vraag thuis, in hoeverre, ook waar men ons tot geen ongehoorzaamheid dwingt, noch ons in den weg van gehoorzaamheid belemmert, nochtans de medeschuld aan anderer ongehoorzaamheid breuke wettigen kan.

En hier zouden we, uit vreeze voor overspanning en overmoed, ten dringendste willen manen tot dubbele voorzichtigheid.

Ze zijn zoo weinigen, ook onder de teedere kinderen Gods, die deze medeverantwoordelijkheid zoo diep voelen, dat ze er als schuld me voor den genadetroon gaan. En immers, ware dit schuldbesef niet aanwezig is, ontbreekt de eerste voorwaarde die tot breuke wettigt.

Is het daarentegen dat de Heilige Geest ook daar de ziele inleidt, zoodat ge niet maar met woorden tegen anderer ongehoorzaamheid schermt, maar in de gemeenschap van het lichaam van Christus uw medeschuld daaraan u op het harte voelt wegen, zóó voelt wegen, dat ge het bloed van Christus er over inroept, o, gewisselijk, dan hebt ge recht en plicht beide, volle recht en onafwijsbare plicht zelfs, om den band met zulk een organisatie te verbreken, doordien ge wel niet uit uw kerk treedt, noch uw kerk als kerk veroordeelt,en haar dus veel min als valsche kerk op de kaak stelt, maar doordien ge, als stil en ernstig getuige tegen haar, alle gemeenschap met haar kerkeraad afbreekt.

Deze plicht komt het eerst en het eenvoudigst uit, door het niet ontvangen bij huisbezoek van leeraars of ouderlingen die aan het Woord des Heeren ongehoorzaam zijn. Maar moet, wel verre van daarbij te blijven staan, voortschrijden tot een scheidend protest aan den kerkeraad, daar deze het kwaad niet lijdelijk mag dulden.

Zoo kan reeds de enkele aanwezigheid van ongeloovige kerkeraadsleden oorzaak zijn voor geloovigen, om afzonderlijk te vergaderen. Iets, waaruit voortvloeit, dat ook de kerkeraad als zoodanig hier tot een breuke van Godswege kan geroepen worden. Immers een kerkeraad, die gehoorzaamheid aan Gods Woord wil betrachten, zal niet rusten mogen eer de ongeloovige leden uit haar midden verwijderd zijn; het stemrecht der gemeente weer aan de belijdenis gebonden is; en de dienst van ongeloovige leeraars is gestuit. Een voorzitter van den kerkeraad die hierin getrouw wenscht te zijn, zou zulke niet-geloovige leden niet tot de vergaderingen van den kerkeraad oproepen; bij het oplezen van de naamlijst hun namen overslaan; en weigeren hun het woord te geven.

|146|

Botsing, breuke zelfs zou hierdoor hoogstwaarschijnlijk in den boezem van den kerkeraad, of althans in de plaatselijke kerk, openbaar worden, maar dit kan noch zal terughouden van plichtsbetrachting, indien maar eerst oprechte schuldovertuiging door den Heiligen Geest is gewekt en de lust tot gehoorzaamheid aandrijft.

Zelfs kerkvoogden kunnen hiertoe van Godswege geroepen worden, indien zij beseffen, dat zij de kerkgebouwen niet langer mogen afstaan voor onheilige prediking noch tractementen mogen uitbetalen aan ontrouwe leeraars.

Kortom de gehoorzaamheid heeft geen grens. Ze gaat door tot den organist, die weigeren zal te spelen; tot den voorlezer, die weigeren zal voor te zingen; tot den koster, die weigeren zal op te leiden; tot den bankopsluiter, die weigeren zal dienst te doen; ja tot den collectant, die weigeren zal te collecteeren.

Overal waar de ongehoorzaamheid machtig wierd, zal de gehoorzaamheid haar in het aangezicht weerstaan.

En voor de botsing, die dit na zich mocht slepen, vreezen we geen oogenblik; zelfs willen we deze botsing zegenen; indien het maar een werk uit den Heere en niet een wild spel van fanatieken overmoed is.

Komt de aandrift uit de uitgieting eener ziel, die in schuldbesef verslagen, in stof en assche voor haar God geworsteld heeft, dan dient zelfs de inhouding van tractement door een kerkvoogdij toegejuicht; maar ook, is er geen schuldbesef en ijvert slechts het zelfverheffend Farizeïsme, wee dan over de minste poging tot getrouwheid; dan is ze niet welaangenaam, maar geoordeeld voor den Heere.

Kuyper, A. (1883) § 57

§ 57. Van reformatie door breuke met het bestaande kerkverband.

Onze vaderen die in de zestiende eeuw de reformatie der kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz. ondernamen, kwamen niet tot breuke met hun kerk, d.i. met de kerk hunner woonplaats of zelfs van hun kerspel. Ze kwamen tot breuke met de organisatie van hun plaatselijke kerk; ze kwamen ook tot breuke van het verband waarin hun kerk met andere kerken stond, maar hun kerk als kerk bleef in haar geheel; was na de reformatie dezelfde als ze van te voren geweest was; en leidde niet tot het stichten van een nieuwe kerk naast of tegenover de bestaande. Al wat geschiedde, was dat de bestaande kerk in professie en eeredienst en organisatie van misbruiken gezuiverd werd.

Hieruit blijkt dat een nieuwe reformatie, die thans gelijkvormigheid

|147|

zou vertoonen met de reformatie der zestiende eeuw, wel de organisatie zou breken en evenzoo breken zou met het kerkverband, maar het lichaam der kerken als zoodanig ongedeerd zou laten. Een ander kleed, maar om hetzelfde lichaam! dus luidde de toenmalige leus.

Reeds dit toont het groot gewicht van de tweede categorie waaraan we met deze  toe komen, en die handelen zal van reformatie door breuke met het kerkverband.

Het karakter van deze soort van reformatie is scherp geteekend.

Gelijk in het tweede Hoofdstuk over de Formatie der kerken breeder is aangetoond, is de kerk van Jezus één aan alle plaatsen der wereld en zelfs aan alle oorden der zalige gewesten. Één is ons aller hoofd, zoo zijn we dan één lichaam onder Hem, die ons gekocht heeft tot den prijs van zijn bloed. Maar gelijk het ééne licht van dezelfde zon in de verschillende kamers van een huis door onderscheidene vensters instraalt, om door de muren en wanden gedeeld te worden, zonder dat het ook maar één oogenblik ophoudt in kelder en op zolder, in voor- en achtervertrek, in zaal en opkamer het ééne zelfde licht van dezelfde zon te zijn, zoo ook is het met de lichtstralen van Jezus leven in zijne kerken op aarde. Al die kerken vormen saâm een huis, maar in dat ééne huis zijn veel afzonderlijke vertrekken, door muren en wanden van een gescheiden, en in die onderscheiden vertrekken straalt nu het licht, niet uit zekere lichtbron in het midden van het huis verborgen, maar rechtstreeks uit de zon door dakraam en venster. Zoo is het dus één georganiseerd leven Christi, gelijk het ééne licht der zon om heel de aarde en in den hemel één is. En ook is het op aarde één huis, één kerk, waarin de onderscheidene kerken slechts localen of vertrekken, of kamers vormen, en die van nature door goede deuren gemeenschap met elkander hebben; maar het licht dat in allen instraalt, komt van buiten en maakt elk vertrek tot een eigen vertrek, met eigen licht en eigen leven. Dit is de dringende reden, waarom nooit mag toegelaten, dat een plaatselijke kerk, als een onderdeel, een afdeeling of compartiment van eenige landskerk zal worden beschouwd. Dit toch rooft heur eere als kerk. Ze is onderdeel, afdeeling, compartiment, of om liever organisch te spreken, ze is lid of cel van de ééne ondeelbare kerk van Christus, en ontvangt als zoodanig haar licht, haar liefde, haar leven rechtstreeks uit Hem. Ze zou dus kerk blijven, ook al vielen alle andere locale kerken, waarmeê ze verbonden is, weg. Ze bestaat niet doordien, noch ook omdat de nationale kerk bestaat, maar eenvoudig omdat het leven Christi in haar openbaar wordt. Wel mag dus gezegd

|148|

dat ze een deel is van de algemeene, catholieke, heilige kerk op aarde, maar nooit dat ze een compartiment of afdeeling is van eenige kerkengroep op aarde. Immers, niet zij ontstond, doordien die groep bestaat, maar omgekeerd die groep ontstond, doordien de kerken van Amsterdam, van Rotterdam, Utrecht, enz., eerst zelven onafhankelijk van elkaar bestonden, en nu met elkander in verband en in verbond traden. Niet, dit versta men wel, alsof dit verband en verbond niet noodzakelijk ware, en goede kerken door den drang des levens en der liefde hier niet vanzelf toe komen zullen, maar in dien zin, dat het bestaan der kerk altoos aan het bestaan van het kerkverband voorafgaat en het kerkverband uit de kerken geboren wordt. Omgekeerd slechts bij hooge exceptie!

Intusschen kan dit kerkverband, dat ten nutte en bate der kerken door de kerken gesticht wierd, na verloop van tijd en door verandering van de toestanden, voor den geestelijken bloei der kerken en voor heur wasdom in godzaligheid en heiligmaking hinderlijk, ja, belemmerend worden.

Is toch na eeestelijke inzinking van schier alle kerken geheel het kerkverband allengs in een dorre en doodsche saâmrijging van slechts reglementair verbonden kerken ontaard, dan kan het niet anders of elke geestelijke verwakkering en elk pogen tot kerkherstel in een of meer der verbonden kerken, zal op den verkeerden geest, die in het kerkverband insloop, afstuiten.

Immers zulk een kerkverband bindt. Kerken in zulk een verband levende, zijn niet meer vrij in haar beweging. Ze leven onder gemeenschappelijke regelen, en staan onder de macht van gemeenschappelijk geconditioneerde vergaderingen in classis en synode. Door deze gemeenschappelijke regelen is de deur van de ne kerk voor de leden der andere kerken opengezet. Om den invloed die ze onderling op elkaâr uitoefenen, is aller bestuurswijs door één gemeenschappelijke kerkorde geregeld, en het veranderen van die kerkorde is niet het recht van ééne kerk, maar van alle kerken saâm.

En hieruit nu vloeit drieërlei voort:

Ten eerste, dat bij geestelijke inzinking der kerken, die in verband en verbond leven, noodzakelijk allengs een ongeestelijke zin in hunne kerkorde en regels van samenleving moet insluipen, zoodat ten leste de kerkelijke regeering in ste van het Woord des Heeren te dienen, dit Woord gaat tegenstaan.

Ten tweede, dat bij zulk een geestelijke inzinking de kerken heur natuurlijk verband in de eenheid van gemeenschappelijke belijdenis verliezen, en dus vanzelf gedrongen worden, om de dus verloren

|149|

eenheid te herwinnen door sterker aanbinden van de reglementaire banden, zoodat, naarmate Gods Woord achteruit wordt gezet, op het gezag van menschelijke ordonnantiën te meer nadruk zal worden gelegd.

En ten derde eindelijk, dat, waar ten gevolge van zulk een geestelijke inzinking der kerken de regels van heur onderling verband in conflict met Gods Woord zijn gebracht, en ten andere het gezag van menschelijke ordonnantiën voor boven mate heilig gaat gelden, een kerk, die uit die inzinking naar Gods Woord terug wil, stuiten zal én op de aan Gods Woord vijandige bepalingen in de bedorven kerkorde, én op de ingebeelde majesteit van het zich aan die kerkorde vastklemmend menschelijk gezag.

De loop van zaken ontwikkelt zich daarbij zeer geleidelijk.

Ontwaakt in eenige kerk door Gods goede gunste weer lust én aandrift, om naar den Woorde Gods te leven, dan zal die aandrift zich wel eerst slechts in kleiner kring openbaren, maar toch aldra uit dien kleinen kring zoeken voort te planten naar het lichaam der kerk in haar organisatie. Aldus den kring der geestelijke ambtsdragers bereikende, zal deze aandrift dan vanzelf in den kerkeraad zich gaan vertoonen en daar de alles beslissende vraag aan de orde stellen, of de kerkeraad in de haar toevertrouwde gemeente weer de eere van Gods heiligen naam wil oprichten, dan wel tegen de geestelijke verwakkering der kerk wil ingaan. Neutraliteit is ten deze onmogelijk. Elke kerkeraad kiest of voor de aldus aangedrevenen of wel tegen hen partij. De uitvlucht, dat men elk voor zichzelf maar stil voort zal gaan met het Woord te verkondigen, is hiertegen volkomen ijdel. Immers de Heere heeft in zijn kerk niet maar losse predikers, maar een ambt ingesteld. Dit ambt maakt, dat alle predikers in onderling verband staan, voor elkander over en weer verantwoordelijk zijn, en aldus voor hun aandeel óf het geheel der kerk naar Gods Woord zullen inrichten, óf wel er toe zullen medewerken om hun kerk in haar afwijking van Gods Woord te laten volharden. De keuze moge pijnlijk zijn, maar er aan ontkomen kan men niet.

Nu van tweeën één. Kiest nu een kerkeraad tegen de geestelijke verwakkering in de kerk en handhaaft hij ter wille van het kerkverband de menschelijke ordonnantiën tegen het Woord van God in, dan wordt hieruit een strijd geboren van het kerkverband tegen het geestelijk ontwaakte deel der kerk, waarbij de ontrouwe kerkeraad dan als handlanger en politiedienaar van het onheilig kerkbestuur tegen de ijveraars voor den Woorde Gods dienst doet. Of wel de kerkeraad kiest voor het Woord des Heeren, en erkent zijn verplichting om tot de gehoorzaamheid aan dat Woord terug te keeren, maar loopt

|150|

dan ook grootelijks gevaar om door het vijandig kerkverband ter verantwoording te worden geroepen.

Deze twee onderscheidene gevallen dienen dus wel uiteen te worden gehouden.

Er kan een conflict ontstaan van enkele personen met het kerkverband, waarbij de kerkeraad dan als lasthebber en handlanger van het kerkverband optreedt. Maar er is ook een heel ander conflict denkbaar, niet van enkele personen, maar van den kerkeraad zelven, zoodra deze aan het hoofd van zijn kerk tegen het kerkverband in verzet komt.

Bespreken we elk dezer twee afzonderlijk.

De enkele personen die met het kerkverband in conflict komen, kunnen of gewone leden der kerk wezen, of wel personen, die in eenig ambt of in eenigen dienst bij de kerk zijn.

Gewone leden kunnen in zulk conflict komen op tweeërlei manier: of doordien ze handelen in strijd met eenig reglement door dat kerkverband aan de kerken opgelegd, of wel doordien ze in hooger beroep door het kerkverband in het ongelijk worden gesteld.

Greep het eerste plaats en komt zulk een lid dan in het hoekje te staan van „weêrstrevers van kerkelijke verordeningen,” dan kan het kerkverband of door de vingers zien en de „onregelmatigheid” op zijn beloop laten, of wel het kan den eisch stellen, dat de „weêrstrever” aflate van zijn ongeoorloofd bedrijf. Geeft de opposant daarin toe, dan is de zaak hiermeê natuurlijk ten einde. Maar acht hij uit gehoorzaamheid aan Gods Woord niet te mogen toegeven en gaat hij dan op den ingeslagen weg voort, dan zal het kerkverband met tuchtmiddelen tegen hem optreden, en hem tot onderwerping zoeken te dwingen. De middelen, die hiertoe aan het kerkverband ten dienste staan, zijn. 1º. ontzegging van de benoembaarheid voor kerkelijke ambten en betrekkingen; 2º. ontzegging van de Sacramenten; 3º. schorsing als lid, en 4º. eindelijk afsnijding.

De „weêrstrever,” overtuigd van niet te mogen toegeven, gaat dan stil door, laat tuchtmiddel na tuchtmiddel over zich komen, en zoodra de Sacramenten hem b.v. ontzegd zijn, gaat hij toch tot de Sacramenten.

Dit stelt den kerkeraad voor de quaestie of hij de weêrstrever wil helpen executeeren, dan wel, hiervoor terugdeinzend, weigert de opgelegde straf aan hem te voltrekken. Geschiedt het laatste, dan gaat het conflict hiermeê van den enkelen persoon op den kerkeraad over en komt dus straks ter sprake. Maar doet hij het eerste en leent hij er zich toe, om den weêrstrever van kerkelijke verordeningen door onthouding van de genademiddelen te straffen, dan komt het conflict

|151|

op zijn uiterste spitse tusschen den onrechtmatig gevonnisde en het kerkelijk verband, dat hem dwingen wil.

In zulk een geval nu zou het onverantwoordelijk van zulk een persoon zijn, indien hij zich onderwierp. Dit ware afval van de eens betoonde trouw. En niets zal hem dan resten, dan om toch tot de Sacramenten toe te treden, en worden die hem met geweld geweigerd, met gelijkgezinden een eigen bediening der genademiddelen op te richten, of mist hij gelijkgezinden, elders in een andere kerk te zoeken, wat zijn eigen kerk hem onthoudt.

Leidt dit dan tot zijn afsnijding, dan behoeft hij daarom zich zelf nog volstrekt niet als van de kerk afgesneden te beschouwen, maar wel rust dan op hem de verplichting, om tot nieuwe organisatie in zijn kerk over te gaan, en, zonder vertoon of zucht naar opspraak, in de vreeze Gods de hand aan te leggen, opdat hij voor zich en de zijnen en zijn medestanders wer de zuivere bediening der genademiddelen erlange.

Het tweede gestelde geval, dat hij namelijk door een vonnis in hooger beroep met het kerkverband in conflict komt, kan of zoo staan dat hij zelf tegen een besluit van zijn kerkeraad in appl kwam, of dat zijn kerkeraad hem wel gelijk gaf, maar een ander in appèl kwam tegen het kerkeraadsbesluit. Feitelijk echter komt dit op hetzelfde neêr, en zal het verloop van het conflict al spoedig saâmvallen met het verloop van het zooeven besproken conflict. Immers hij zal zich óf aan het vonnis onderwerpen, en dan is er geen conflict meer; óf wel hij zal zich niet kunnen onderwerpen, en dan moet of het kerkverband de zaak loopen laten, of wel, het komt ten laatste toch tot afsnijding, en uit die afsnijding wordt voor den afgesnedene weêr gelijke plicht als boven tot zelfstandig optreden geboren.

Feitelijk zullen conflicten tusschen gewone leden en het kerkverband dus steeds de quaestie te berde brengen van breuke met de kerk als zoodanig, reden waarom we de verdere bespreking van dit soort conflict verschuiven naar de volgende paragraaf.

Intusschen rest ons, eer we tot de conflicten van kerkeraad en kerkverband komen, nog de bespreking van het wezenlijk afwijkend soort conflict met het kerkverband, hetwelk dan ontstaat, indien het verzet niet uitgaat van gewone leden, maar van personen in kerkelijke ambten of betrekkingen.

Dit soort conflict neemt meestal een veel ernstiger verloop. Gewone leden toch zijn minder schadelijk, maar ook minder trefbaar voor kerkelijke tuchtmiddelen. Afsnijding van gewone leden komt zelfs bijna nooit voor. Zekere schaamte, gepaard met besef van

|152|

onmacht, weerhoudt gemeenlijk de kerkelijke machthebbers, om iemand, aan wien anders niets ten laste is te leggen, dan dat hij voor de eere van zijn God ijvert, met geestelijke straffen te achtervolgen of ook te treffen met een vonnis van bannissement. Maar geheel anders komt de zaak te staan, indien de weêrstrever een ambtsdrager of kerkelijk persoon is. Dan toch is er veel meer van zijn invloed te duchten en staan aan het kerkverband veel krachtiger middelen ten dienste, om hem gevoelig te treffen. Wie in het ambt is, kan in dat ambt geschorst, of uit dat ambt gezet worden. Ook van niet-ambtelijke betrekkingen geldt hetzelfde. Een kerkvoogd, die niet heulen wil met de ongodzaligheid, kan aan het kerkverband veel moeite berokkenen, maar ook het kerkverband kan dien kerkvoogd zijn lidmaatschap ontnemen. Een koster, een voorzanger, een organist, die niet slaafsch meê willen loopen, kan men straffen in hun brood. Zoo kan men doen met „weêrstrevige” godsdienstonderwijzers. En wat de ambten aangaat, wat is gemakkelijker, dan een diaken of ouderling, die de kerkelijke verordeningen aan Gods Woord durven toetsen, van hooger hand te verwijderen. Maar wat bovenal hier dient uit te komen, is het hoog gewicht van een conflict tusschen het kerkverband en een leeraar. Daarin toch bereikt natuurlijk deze reeks conflicten haar toppunt. Eensdeels om den machtigen invloed waarover een leeraar beschikt, en de openbaarheid van zijn handelingen, maar ook anderdeels omdat het kerkverband hem rechtstreeks kan aantasten, en hem ontzetten uit zijn ambt en werkkring, ja, uit zijn huis en goed en geld.

Het is dan ook uit deze soort conflicten dat meest alle doortastende reformatiën geboren zijn, en de oorzaak ligt voor de hand, waarom juist hier de hoogste zedelijke kracht openbaar wierd.

Een gewoon gemeentelid kan zich laten afsnijden schier zonder nog met zijn God geworsteld te hebben, misschien uit euvelen overmoed. Immers, ook afgesneden blijft hij die hij tevoren was. Vooral heden ten dage beteekent het lijden, dat daarmede over hem komt, schier niets.

Voor een kerkvoogd of koster, voor een ouderling of diaken, is afgezet te worden zeker hoogst onaangenaam, maar bij slot van rekening maakt het hem toch niet ongelukkig. Een kerkvoogd verliest eenigen geldelijken invloed. Een koster een zeer klein deel van zijn broodwinning. En een ouderling of diaken keeren in het gewone leven terug zonder iets, wat de wereld begeerlijk noemt, verloren te hebben.

Maar met een predikant is dit geheel anders. Voor een bedienaar

|153|

des Woords toch is afzetting niet minder dan afsnijding van zijn levenspositie, wegneming van zijn werkkring, ontneming van heel zijn levensbestaan, en dat met den prikkel er achter, om óf trouweloos te zwijgen, óf leerende op te treden, en alzoo het conflict op een nieuwen lijdensweg voort te zetten. Denk aan Kohlbrugge, wat hem die weg des lijdens heeft gekost!

Op dien grond nu zeggen we, dat er in den bedienaar des Woords een veel hoogere genade wordt geëischt, om in zulk een conflict getrouw te blijven, dan in een gewoon lid of ouderling. De zedelijke triomf over vleesch en zonde moet in den leeraar zooveel machtiger, zijn bereidheid om zijn Heer te dienen zooveel onverwinlijker, zijn lust aan gehoorzaamheid zooveel sterker, zijn offervaardigheid zooveel schitterender uitblinken.

Gewone leden en ook ouderlingen, die zoo gereed zijn om over de ontrouw onzer leeraars te klagen, mochten zich dan ook wel eens afvragen of zij even getrouw zouden bevonden worden, als er ook hun geheele levenspositie, ja het brood van vrouw en kinderen me op het spel stond.

Maar aan den anderen kant moet dan ook geijverd in gebeden, of het God believen mocht, in het hart van recht vele Bedienaren des Woords deze overvloedige genade uit te storten; de verleiding in hen te breken van veel valsche redeneering waarmeê zij hunne zielen ophouden; en alzoo aan de kerken Christi die natuurlijke leiders voor heur reformatie te schenken, zonder wier voorgang en medewerking de reformeering eener kerk zoo zelden is gelukt.

En wierd die bede verhoord, dan zou ook de buitengewone mate van zedelijken moed en geloofskracht, die in de Bedienaren zich ontwikkelde, aan hun woord zulk een gloed en aan hun optreden zulk een kracht leenen, dat de tegenstand in het kerkverband vanzelf bezweek.

Alleen door de geestelijke verwakkering der Bedienaren des Woords kan een kerk gered worden, maar ook alleen door de lijdelijkheid der leeraren blijft een vijandig kerkverband krachtig.

De gevolgen van een conflict tusschen leeraars en het kerkverband zijn dan ook altoos ernstig.

Hetzij ernstig in droeven zin, doordien de Bedienaar des Woords na een oogenblik van ijver, het hoofd weer in den schoot legt, en dus de zake Gods, die hij zich onderwond op te nemen, weer prijs geeft.

Hetzij ernstig in rechtstreeksche gevolgen. Want een leeraar die geschorst wordt, moet in zulk een geval blijven doorpreeken in de kerk, of kan dit niet, dan buiten de kerk; en zet men hem af, dan

|154|

verzamelt hij aanstonds de getrouwen weer om zich en predikt het Woord des noods in stal of schuur, van een scheepsdek of op den open akker.

Daaraan toegekomen kan aldus ook dit conflict zeer licht tot breuke met de kerk zelve leiden, en dient dus, even als de uitgang van het conflict tusschen gewone leden en het kerkverband, besproken in de volgende paragraaf.

 

Zoo komen we nu dan tot de tweede categorie, die we afteekenden onder de conflicten met het kerkverband, t.w. dezulken, die niet door enkele personen, (’tzij dan gewone leden of ambtsdragers) maar door de houding van den kerkeraad zelven in het leven worden geroepen.

Deze conflicten dragen uitteraard een geheel ander karakter, in zooverre ze den strijd gaande maken niet tusschen enkele personen en het kerkverband, maar tusschen dit en een geheele kerk als georganiseerd lichaam.

Langs drieërlei weg kan zulk een conflict ontstaan. Vooreerst toch kan het zijn, dat een persoon (’t zij gewoon lid, ’t zij ambtsdrager) door het kerkverband wordt gevonnisd, zonder dat de kerkeraad vrijheid voor God vindt om dit vonnis te helpen uitvoeren. In zulk een geval neemt de kerkeraad het dan voor den veroordeelde op en wordt, houdt het kerkverband zijn opzet vol, met den veroordeelde lotgemeen. Ten tweede kan het gebeuren dat de kerkeraad zich bezwaard gevoelt, om een reglement of wijziging der kerkorde, die door het kerkverband tot wet is verheven, uit te voeren. En ten derde, is het denkbaar, dat de kerkeraad in verdere aanhouding van het kerkverband geen heil, maar wel geestelijke. schade voor zijn kerk ziende, dat kerkverband verbreekt en een nieuwe kerkorde invoerend, op het vormen van een nieuw kerkverband bedacht is.

Deze drie wegen loopen echter even na het uitgangspunt in twee wegen saâm. Of namelijk de kerkeraad bij behoud der kerkorde en nog staande in het kerkverband, in conflict geraakt door verzet van leden zijner kerk, of wel door zijn eigen verzet, komt feitelijk voor de verdere ontwikkeling van het conflict op hetzelfde neêr, en zonder vrees voor verwarring mag dus geconstateerd, dat de kerkeraad in conflict kan komen op tweerlei manier, t.w. óf onder de bestaande kerkorde, óf wel doordien ze de vigeerende kerkorde op zij zet.

Beide gevallen houden we staande.

Want wel weten wij, dat door mannen van naam de theorie is verdedigd: „zoolang ge onder de bestaande kerkorde verkeeren

|155|

blijft, zijt ge gehouden u naar die kerkorde te gedragen”, maar uit innige overtuiging komen we tegen die o.i. valsche theorie in verzet. De regel toch, dat nooit eenige gehoorzaamheid aan menschen, onder welke omstandigheden ook, verder kan noch mag gaan, dan met de volstrekte gehoorzaamheid aan Gods Woord bestaanbaar is, geldt niet alleen voor staat en maatschappij, voor school en huisgezin, maar evenzeer en zelfs in hoogere mate nog voor de kerk.

Een kind staat onder de huisorde; maar beval vader of moeder of gouvernante ooit iets dat tot ongehoorzaamheid aan Gods Woord zou leiden, dan mag het kind niet gehoorzamen. Evenzoo staat de regel voor de dienstboden tegenover heur vrouwen, van de scholieren tegenover hun meester, van werklieden tegenover hun bazen, van soldaten tegenover hun hoofdlieden, en van burgers tegenover hun koning, en dus ook, ja in sterkeren zin nog de regel van den kerkeraad tegenover het kerkverband.

Het voorgeven dat de gegevene beloften van trouw of bezworen eeden dien regel van kracht zouden berooven, is de ongerijmdheid zelve. Het Thebaansche legioen had ook den krijgseed aan den keizer gezworen, maar nochtans weigerde het bij de afgodische offerande aan te treden, en liet zich, naar Genève teruggetrokken, eerst tweemaal decimeeren en toen als schapen ter slachting afmaken, liever dan te gehoorzamen aan het commando van hun generaal.

Ook al is de kerkorde nog niet veranderd, ook al leeft men dus nog in het kerkverband, toch mag een kerkeraad nooit of nimmer uit onderwerping aan dat kerkverband of ter opvolging van die kerkorde doen, wat hij weet, dat niet goed, niet eerlijk, niet te verantwoorden is voor God den Heere.

En dat wel om deze alles afdoende reden, dat alle beding van gehoorzaamheid of verband van belofte of gehoudenheid tot onderwerping aan menschelijke bevelen, altoos en overal en onder alle omstandigheden, beperkt is door de alles beheerschende voorwaarde, die nooit hoeft uitgesproken, omdat ze altoos van zelve spreekt: voor zooverre hiermeê niet te kort wordt gedaan aan de gehoorzaamheid jegens God.

Velerlei zijn de gevolgen, die een aldus ontstaan conflict na zich kan sleepen, al naar gelang de samenstelling van den kerkeraad is, de organen van het kerkverband gezind zijn, de staatsrechtelijke positie der kerk staat, de band tusschen kerkvoogden en kerkeraad is gelegd, en ook de kerk in haar geheelheid of meerderheid den in conflict geraakten kerkeraad steunt of tegenwerkt.

Is de staatsrechtelijke verhouding vrij van elke partijdige zin bij

|156|

de administratieve besturen zoowel als bij den rechter; staat de kerkvoogdij den kerkeraad trouw ter zijde; behoeft de kerkeraad niet voor heulen van eigen leden of kerkgenooten met de wederpartijders beducht te zijn, — dan levert zulk een conflict weinig gevaar op, en zal het kerkverband in den regel eindigen met toe te geven; en dat te meer indien de lagere organen van het kerkverband (b.v. het Classicaal Bestuur) weigeren zich tot executie te leenen.

Maar, het mag niet verheeld, zoo gunstig staan de kansen slechts zelden. In tal van kerkeraden zal een minderheid, meest met predikanten aan het hoofd, de zijde van het kerkverband tegen de trouw aan Gods Woord kiezen. In bijna alle gemeenten zal een deel van de kerkleden zich gebruiken laten om tegen den kerkeraad in oppositie te komen. In verreweg de meeste gevallen zal het Classicaal Bestuur zich de rol van politiedienaar gevallen laten. In zeer vele gevallen zal de kerkvoogdij de gebouwen, goederen en wat dies meer zij, aan de organen van het kerkverband in handen leveren. Al naargelang van de ministers, die den koning dienen, kennelijk vóór of tegen den geest van het kerkverband gezind zijn, zal de administratie de dingen geworden laten of er hinderend tegen optreden. En eindelijk, al naarmate in de toongevende juridische kringen historisch onderzoek tot betere kennis van de kerkrechtelijke quaestiën geleid heeft, of wel gemis aan zulk onderzoek nog tot het aankleven van conventioneele inzichten noopt, zal de beslissing der hoogste rechterlijke macht het oorpronkelijk recht der kerken handhaven, of wel dat recht, misschien voor altoos, krenken.

Bijna evenwijdig hiermeê zal de loop der zaken zich ontwikkelen, bijaldien het conflict niet onder de bestaande kerkorde, maar uit terzijzetting van die kerkorde geboren wordt. En dat te meer, daar het voor kerkeraden, die nog onder de kerkorde in conflict kwamen, bij eenigszins dreigend uitvallen van dit conflict, altoos geraden zou zijn, terstond met de kerkorde als zoodanig te breken.

Dit terzijde zetten van de kerkeraden kan intusschen ook plaats grijpen zonder bepaalde aanleiding. Zoodra namelijk in een kerke Gods oprecht en trouwhartig schuldbesef over den ongeoorloofden en voor God geoordeelden kerkstaat gewekt is, en dit besef doordrong tot in de conscientiën der ambtsdragers, en door hen in den kerkeraad werd ingedragen, zou zulk een kerkeraad te overwegen hebben, of de bestaande kerkorde reformatie der kerk naar eisch van Gods Woord toeliet. Indien niet, of het alsdan voor het minst mogelijk ware, die kerkorde zoo te wijzigen, dat de beletselen die

|157|

aan reformatie in den weg stonden, daardoor vervielen. En, bleek ook dit niet doenlijk, of er dan ten minste uitzicht bestond, dat men die kerken, die reformatie wilden doorzetten, daarin niet zou tegenstaan.

Zelfs indien op dit laatste althans nog uitzicht bestond, zou verandering van de kerkorde nog niet volstrekt noodig zijn. Maar indien daarentegen door den kerkeraad de zekerheid werd verkregen, dat het bestaande kerkverband zich tegen de noodzakelijke reformatie zou verzetten; dat de verbonden kerken niet tot wijziging dier kerkorde bereid of genegen waren; en dat de organen van het kerkverband de reformeerende kerk niet zouden laten begaan, dan ja, is er geen de minste twijfel of zulk een kerkeraad is gehouden, den band met de bondgenootschappelijke kerken tijdelijk los te maken, en, op den bodem der historische belijdenis, een betere kerkorde in te voeren.

Kan zulk een kerkeraad dit te saâm met andere kerkeraden doen, zoodat ze tevens onverwijld in nieuw kerkverband trede, des te beter; maar ook, indien dit niet gelukt, en hem de keuze staat tusschen of alleen zijn weg te gaan, of de reformatie na te laten, is zijn plicht aangewezen en geheel zelfstandig optreden eisch.

Het recht tot dezen stap ontleent zulk een kerkeraad aan tweeërlei overweging. Vooreerst namelijk aan de verplichting die op hem rust, om de hem toebetrouwde kerk te houden bij Gods Woord. En ten anderen aan de omstandigheid, dat elke kerk, die in kerkverband trad, het recht behield om dien band weer te slaken; en dat wel overmits geen kerk ooit macht bezat of kon hebben om zichzelve als slavin te verkoopen. Want, stel al een kerkeraad hadde een contract aangegaan, om haar kerk voor altoos te binden, zelfs al ware het, dat uit dien band een afhoereeren van den levenden God voor haar zou voortvloeien, dan ware zulk een contract reeds daarom nietig, omdat elke immoreele verbintenis zelfs door het Burgerlijk wetboek voor ongeldig wordt verklaard.

Overgaande tot zulk een stap zal zulk een kerkeraad intusschen op vierderlei zeer nauwkeurig hebben te letten.

En wel 1º. daarop, dat de drang en aandrift tot zulk een stap niet uit farizeeuwschen hoogmoed, uit woelziek malcontentement of uit oppervlakkige kerkideeën voortkome, maar diep wortele in de gebondenheid en gehoudenheid der ziele tot onderwerping aan Gods Woord. Alle aandrift die niet in gehoorzaamheid aan Gods Woord wortelt, is revolutionaire overmoed en dient weerstaan.

Ten 2º, zie de kerkeraad, die tot zulk een stap overgaat, wel toe,

|158|

dat hij den grondslag voor den nieuwen gevel juist legge, door niet met de historie te breken, maar de historische belijdenis der kerk als basis te behouden en tevens de nieuw in te voeren kerkorde zoo te beschrijven, dat er aan de beginselen van Gods Woord recht geschiede, geen nieuwe tirannie worde ingevoerd, en de weg tot een nieuw kerkverband niet slechts worde opengelaten, maar zelfs in het kader worde opgenomen.

Ten 3º. ga zulk een kerkeraad met omzichtigheid te werk. Oprecht als de duiven, maar ook voorzichtig als de slangen, gelijk Jezus ons geboden heeft. En waar alzoo drie, vierderlei wijzen van aanvatten der zaak mogelijk zijn, spare hij zich het verwijt, dat hij door ondoordacht en min wijs aanleggen der zaak, de aangelegenheden der kerk, ja haar voortbestaan voor de toekomst, onvoorzichtiglijk zou hebben gewaagd.

Kan men om een voorbeeld te noemen, de verhouding tot de kerkvoogdij, stel die ware min goed, vooraf beter maken, dan ware het roekeloos dit te verzuimen.

Allerminst voor zoo gewichtig werk mag goede, doeltreffende voorbereiding worden uitgesloten.

Ontstaat een conflict, naar aanleiding van een voorgekomen zaak, dan heeft men niet te kiezen, maar wierd de tijd voor ons gekozen door Hem, die ons voor de aanleiding plaatste.

Heeft men daarentegen, gelijk bij het invoeren van een nieuwe kerkorde het geval is, de keuze van den tijd aan zich, dan behoort die keuze van den goeden tijd met ernst overwogen te worden.

Een kerkeraad, die zich tot zoo heilig werk onderwindt, mag niet in overhaasting handelen, noch buiten heldere bewustheid van wat hij doet.

En ten 4º. betoone de kerkeraad dien zedelijken ernst ook daarin dat hij de gemeente zelve gevoelen doe, dat een heilig werk voor haar eigen behoudenis ondernomen wordt.

Dit zal de kerkeraad daardoor toonen, dat hij zulke besluiten niet neemt met een nauw noemenswaarde meerderheid, alzoo gevaar loopende, dat het besluit, eer het aan de uitvoering toekomt, weer in zijn tegendeel omsla.

Daardoor ook dat hij niet slechts tegen het valsche en bedorven kerkverband reageere, maar gelijktijdig de censuur in de gemeente late doorwerken, en de kracht der reddende, ook der straffende liefde, niet enkel over leervervalsching, maar evenzeer over ontheiliging door slordigen levenswandel doe uitgaan.

Daardoor niet minder, dat de predikatiën der leeraren rusteloos daartoe strekken om de gemeente op dit punt voor te lichten, en de reformatie van hart en huis op de zielen te binden.

|159|

En eindelijk ook daardoor, dat de kerkeraad, ’t zij in opzettelijke samenkomsten, of door rondgaande zendbrieven, de gemeente inlichte omtrent hetgeen voorvalt en haar doe medeleven in den strijd, die gestreden wordt voor de eere Gods en van zijn Woord.

Kortom, gelijk ge een kunstbewerking van een uwer lieve panden in uw woning niet onder luidruchtig geschreeuw, maar onder stille gebeden en met heiligen ernst zoudt laten verrichten, zoo ook ga het bij deze kunstbewerking in uw kerk toe.

Er zij gebed.

Er zij heldere bewustheid van het gevaar dat dreigen kon.

Er zij overtuiging dat het toch, desniettemin, moet.

En onder dat alles zij er, om het tot een waar en oprecht werk voor den almachtigen God te maken, verbrijzeling des harten en verslagenheid van geest.

En of dan al uit den boezem des kerkeraads enkele verraders voortkomen; een deel der afgedoolde gemeenteleden den kerkeraad verloochenen; en de hoogere besturen over hem heenvallen; en kerkvoogden hem tegenwerken; en de Overheid hem belemmere; en de rechter hem ten slotte in het ongelijk stelle, dat alles moet gedragen, geduld, doorworsteld in den Naam des Heeren. Toen de Romeinsche keizer heel de kerk van Nicomedië in haar kerkgebouw opsloot en verbrandde, was dat dulden en lijden nog o, zoo veel vreeselijker, en toch de kerke Gods heeft over dien machtigen keizer getriumfeerd.

Kuyper, A. (1883) § 58

§ 58. Van reformatie door breuke met de bestaande kerk.

Ernstig reeds is de roeping van Gods kind indien hij komen moet tot breuke met de bestaande organisatie van zijn kerk. Nóg ernstiger wordt die roeping, bijaldien het ook tot breuke moet komen met het verband waarin die kerk met andere kerken verbonden lag. Maar toch onvergelijkelijk veel ernstiger nog wordt des Christens roeping als het toekomt aan de breuke met de kerk zelve.

Bedenk toch wel, bij breuke met de organisatie zoowel als bij breuke met het kerkverband, kwam de geloovige nog nooit voor de quaeste te staan, of de eens ware kerk ook wellicht ongemerkt in de valsche kerk ware omgeslagen. Hij zag dan dat de bestuursregeling in zijn kerk niet naar den eisch van Gods Woord, ook dat de levensaard niet naar de weegschaal van Gods heiligdom, zelfs dat het verband met andere kerken onheilig was geworden, maar zijn kerk zelve bleef hem nog altoos de kerke Christi. Aan uittreden dacht hij dus niet.

Maar, in het derde hoofdstuk over de deformatie der kerke, bleek

|160|

het ons, bederf in Jezus kerke kan ook tot het uiterste der ontheiliging voortschrijden. Een kerk, die eens kerk van Jezus was, kan ontaarden in een kerk van den Antichrist, en dus als valsche kerk onder bedriegelijken schijn voortbestaan.

De mogelijkheid hiervan blijkt uit Jezus eigen woord, als hij zegt, dat de Synagoge der Joden na zijn kruisdood ontaard is in de Synagoge van den Satan. Aldus toch schreef de Heere aan de kerk van Philadelphia. „Zie ik geef u eenigen uit de Synagoge des Satans, dergenen die zeggen dat ze Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen.”

De synagoge der Joden was door Jezus aanvankelijk nog wel ter dege als Synagoge van Jehovah erkend. Anders toch zou hij zelf niet in haar bidzalen zijn opgegaan, en veel minder nog zijne discipelen in haar hebben binnengeleid. Te meer, nu we weten, dat Jezus zelf aan den dienst in deze synagogen heeft deelgenomen, staat het vast, dat deze synagogen oorspronkelijk door Jezus als de echte kerke Gods erkend zijn. Maar zie, door en na zijn kruisiging werd dit anders. De synagogen ressorteerden onder het Sanhedrin en kwamen niet tegen dat Sanhedrin in verzet; ook niet, toen dat Sanhedrin door den Zoon van God als Godslasteraar ter dood te veroordeelen, voor eeuwig met de kerke Gods brak. Aan den Christus moest de synagoge zich óf oprichten, óf den dood eten, en ze deed het laatste. Want, toen het Sanhedrin gevonnisd, en de priesters het volk opgehitst, en mannen uit dat volk het „Kruist, kruist hem!” en de vrouwen het: „Zijn bloed kome over ons!” geroepen hadden, toen ging de Geest des Heeren bedroefd uit de kerken dezer Synagogen weg, om er Satan’s geest in te laten trekken. Zoo werd de kerk der Joden een synagoge des Satans, of wat wij noemen zouden: een valsche kerk.

Dit toont, dat een kerk, waarin we geboren werden en eens de zaligheid vonden en vaak de bondszegelen ontvingen, in een valsche kerk ontaarden kan. En deze ontzettende waarheid nu legt aan Gods kinderen de verplichting op, om, bij diep verval der kerken, biddende, scherpelijk en op het allernauwkeurigst te onderzoeken, of de kerk, waaronder hij leeft, nog wel de ware kerke Christi is, dan wel misschien in de gestalte van Satan’s synagoge is overgegaan. Deze taak is uiterst pijnlijk, overmits er zooveel meê op het spel staat. Immers, is er de ware kerk nog wel, dan mag een Christen er zich niet afscheiden. Maar ook, is het een synagoge des Satans geworden, dan mag hij er geen oogenblik langer aan verbonden blijven. Dan moet hij er uit.

|161|

Zoo ziet men dat de vraag naar „scheiden of blijven?” volstrekt geen disputabel punt is, waar men zoo eens het voor en tegen van beredeneert, of ook naar luim en inval zijn goed- of afkeuring over uitspreekt, maar dat integendeel, in tijden van kerkbederf, elk kind van God voor deze hoogernstige vraag in het diepst zijner ziel te staan komt, en wel heeft toe te zien, dat hij in haar beantwoording trouw bevonden worde voor zijn God. Het zou toch iets schrikkelijks zijn, indien wij en onze kinderen bleven voortleven in een kerk, waarvan de Heere Jezus aan zijn apostel getuigen zou: „Deze zijn een kerk van Satan, die zeggen dat ze Gereformeerden zijn, en zijn het niet, maar liegen!” Maar ook het zou schrikkelijk zijn, indien we door een uittreding of afscheiding een kerk uitgingen, die nog openbaring van Jezus’ lichaam was, en alzoo als synagoge van Satan veroordeelden wat nog orgaan was van den Heiligen Geest.

Beide zonden zouden even ernstig zijn, en niet dringend genoeg kan het daarom aan Gods volk op het harte worden gebonden, dat ze toch biddende en smeekende licht bij den Alleenwijze mogen zoeken, om ten deze voor dwaling te worden behoed en tegen valsche keuze gevrijwaard.

Ons althans komen weinige verschijnselen zoo bedenkelijk voor, als de uitwendigheid, lichtvaardigheid en ondoordachtheid, waarmeê vele kinderen Gods zich nog steeds over deze teedere en ernstige quaestie heenzetten.

Gelijk er, helaas, velen zijn die nog altoos aan drie staten gelooven voor de ziel, zoo oordeelen ook velen nog altoos ter goeder trouw, dat er drie kerkstaten denkbaar zijn.

Voor de ziel beelden ze zich in, dat een ziel óf dood óf levend óf ook nog bekommerd kan zijn, en evenzoo stellen ze zich voor, dat een kerk óf de ware óf de valsche óf iets tusschen waar en valsch in kan wezen.

Toch weet ieder onderleid en ingewijd geloovige dit van de ziel beter. Voor hem staat op grond van Gods Woord vast, dat alle ziel, die niet meer ganschelijk dood is, leeft, en dat alle ziel die nog niet leeft, ganschelijk dood is. Zoo zijn dan schijnbekommerden nog ganschelijk dood; maar ook waarachtig bekommerden reeds overgezet uit den dood in het leven.

En ditzelfde nu geldt ook van de kerken onzes Heeren. Wat nog niet valsch is, is nog de ware kerk, en ook wat niet meer de ware kerk is, is ganschelijk de valsche. Een tusschenstaat is er niet, en ook voor de kerken op aarde een vagevuur onbekend. Elke kerk is dus of nog de ware of reeds de valsche. Een mengsel van het ware en valsche zich te denken is ongerijmd.

|162|

Maar hiermeê is dan ook geoordeeld het lichtvaardig doen van niet weinigen, die oordeelen dat ze wel konden uittreden, maar toch liefst nog maar blijven willen; of ook van hen die achtten dat ze wel hadden kunnen blijven, maar toch maar uittraden, en nochtans ook na hun uittreding de verlatene kerk als een „half en half nog ware” kerk bleven steunen.

Van tweeën één: of ge ziet, tast, weet, dat uw kerk een synagoge des Satans is geworden, en dan moet ge op staanden voet over haar drempel, uitgaan en het stof uwer voeten tegen haar afschudden; — of wel, ge ziet, tast, weet, dat ze nog geen synagoge van Satan wierd, maar dan moogt ge haar den scheidbrief ook niet zenden, en is integendeel blijven uw plicht.

Dit maakt het van hoog aanbelang voor de kinderen Gods, dat ze duidelijk onderwezen worden over de merkteekenen, waaraan ze onderscheiden kunnen, wat nog ware kerk is en wat reeds synagoge des Satans wierd; en het is uit dien hoofde, dat we in de volgende paragraaf bescheidenlijk een poging willen wagen, om bij de beantwoording dier vraag onze, broederen en zusteren eenig licht te bieden. Thans echter laten we die straks te behandelen vraag rusten en gaan in deze  uit van de vooronderstelling, dat een kind van God lid is van een kerk, die metterdaad valsche kerk geworden is, om voorts te onderzoeken, hoe hij alsdan in het werk der reformatie te verkeeren heeft.

We schreven met opzet, hoe hij alsdan in het werk der reformatie te verkeeren heeft, en niet, hoe hij er dan heeft uit te loopen.

Dat laatste toch is een ongeestelijke opvatting der zaak. Niet alsof het einde niet misschien kon zijn, dat hij moederziel alleen uit die valsche kerk zonder meer had uit te treden; maar, omdat hij, zonder groote schuld, hiermede niet mag beginnen, en zonder groote liefdeloosheid de quaestie niet alzoo stellen mag.

Te zeggen: „Ik loop er uit,” is egoïstisch, zelfzuchtig gedacht. Men zorgt dan voor zichzelven, en toont zoo voor zijne broederen als voor de kerk geen hart te hebben. Of erger nog, door gemis aan hart voor de broederen en voor de kerk loopt men gevaar om het rechte hart te missen voor zichzelven.

Dit zal het best uitkomen, indien we den goeden weg voor een kind van God onder zulke omstandigheden voorteekenen.

Staat bij een godzalig man de reformatie der kerk op den voorgrond, en niet de zucht om maar voor zichzelven een gewenschte kerk te bezitten, dan zal zulk een kind Gods zijn bemoeienis met

|163|

de kerk daarmeê beginnen, dat hij droefheid naar God gevoelt over den jammerlijken staat waartoe zijn kerk verzonk. Die droeve staat zijner kerk zal hem als een oordeel Gods op de ziel wegen. Hij zal er leed over dragen om den Naam des Heeren, en nochtans zal hij niet klagen en niet morren, maar belijden dat God de Heere rechtvaardig is in zijn richten, want dat het volk des Heeren door zijn trouwelooslijk handelen driewerf dit oordeel heeft verdiend. Zelf tot dat volk des Heeren behoorende en zijn ziel kennende als in het bundelke der levenden besloten, zal hij zichzelven dan ook insluiten in die schuld van zijn volk voor God. Niet bij maniere van redeneering, „dat het volk schuld heeft, hij van dat volk is en dus die schuld ook op hem rust,” neen, maar langs geestelijken weg van zondeovertuiging. Zijn eigen gestalte zal hem een hinder worden, en zijn eigen ongeloof en eigen liefdeloosheid en koelheid voor den hemel hem zoo bang op de ziel worden gebonden, dat hij ’s Heeren doen rechtvaardig acht, al wierd in heel het volk geen andere ban dan zijn eigene zonde gevonden.

Ook hier zal dus persoonlijke schudding der ziel over eigen zonde en verslagenheid onder de schuld van het volk des Heeren geestelijk uitgangspunt zijn.

Deze verslagenheid des harten zal vanzelf invloeien van meerder genade en geestelijke verwakkering ten gevolge hebben; want „den nederige geeft Hij genade;” en de reformatie der kerk zal alzoo daar beginnen, waar ze altoos moet aanvangen, t.w. bij de reformatie van het eigen hart en de reformatie van het eigen leven.

Een opnieuw zich bekeeren tot den levenden God en door verbondsvernieuwing met den God onzer trouwe voor onszelven en anderen het bewijs ontvangen, dat onze dorst naar kerkreformatie niet voortspruit uit den dunk, dat we beter zijn dan anderen, maar omgekeerd juist uit de diepe overtuiging, dat vooral onze schuld me het oordeel Gods inriep.

Vandaar schrijdt dan zulk een reformatie voort tot de eigen huiskerk. „Mij aangaande, ik en mijn huis, wij zullen den Heere dienen!”

En gelijk een kring op het water zich in al wijderen kring uitbreidt, zal ook die reformeerende beweging zich dan vanzelf uitbreiden naar den nog wijderen kring van de gemeenschappelijke kerk.

Voor zooveel aan hem ligt, zal hij die kerk dan niet uit de hoogte berispen, maar met doordringenden ernst manen en bidden, alsof God door hem bade, „laat u met God verzoenen!” Schonk de Heere er hem de gaven voor, dan zal hij zelf de stukken aan zijn kerkeraad voorleggen, waarin de liefde voor ’s Heeren naam moet bekend

|164|

worden. Hij zal zelf, niet uit hoovaardij, maar uit stille onderwerping aan Gods Woord, weigeren te doen, wat niet goed voor God is, en doen wat naar Gods Woord moet gedaan, ook al poogt men het hem te beletten. Brengt hem dit smaad, berokkent dit hem lijden, hij zal dien smaad willig dragen, „verheugd dat hij waardig is geacht om Christus wille smaadheid te lijden.” En komt het eindelijk zoover dat hij in den publieken dienst zijner kerk niet meer de bediening der genademiddelen voor zich en zijn huis vinden kan, zoo zal hij overwegen, of de krankheid der kerk misschien slechts een tijdelijke bezwijming is, en door zelf de hand aan den ploeg te slaan, een poging wagen om haar als doleerende kerk aan zichzelven te hergeven. En eerst, waar al deze middelen zijn uitgeput, en elke poging tot zachter reformatie blijkt den haat tegen Gods naam en zijn Woord slechts te klaarder, naar buiten te lokken, zal hij de vraag voor zichzelven beslissen, of God de Heere hem het licht wil geven, om vastelijk in te zien of zijn kerk misschien reeds Synagoge des Satans is geworden.

En dan ja, als hij die vraag, langs den weg niet van betoog en redeneering, maar van boete en persoonlijke bekeering, helaas, met een ontzettend ja moet beantwoorden, dan, het spreekt van zelf, moet haar aanstonds den scheidbrief gezonden, dan is de breuke beslist.

Niet echter alsof met eigen uittreden de taak der reformatie dan ware afgeloopen.

Wie schipbreuk leed, en zelf gered, zich om zijn medeschipbreukelingen niet bekommerde, zou schuldig staan aan hardvochtigheid; en niet hardvochtigheid, maar door teedere liefde met innerlijke ontferming bewogen zijn, is de trek uit het beeld van Hem, naar wiens evenbeeld we moeten hernieuwd worden.

Zelf uittreden brengt derhalve de plicht met zich, om ook uw medebroederen tot uittreden te bewegen. Door de vlammen heen redt soms de spuitgast een hem vreemd kind, een hem vreemde vrouw uit de vlammen. Dat, kinderen des Heeren, is het u beschamende voorbeeld, waarin uw heilige roeping u geteekend staat.

Maar zelfs hiermeê is de reformatie-taak nog niet ten einde.

Goed, het zij zoo, die kerk, waarin ge geboren werdt en gedoopt zijt, is dan naar uw vaste overtuiging Synagoge des Satans geworden, maar waar is dan nu de ware kerk?

Immers, op uzelven blijven moogt ge niet.

Tenzij het bleek, dat geen kerk van Christus zich in uw

|165|

woonplaats kan openbaren, moet gij die kerk zoeken en was ze er niet, pogen, of ge ze met Gods hulpe tot openbaring brengen kondt.

Drieërlei kan hieruit voortvloeien:

Of dat ge in de plaatse uwer woning een andere kerk vondt, die de teekenen der ware kerk niet nagemaakt, maar in het leven vertoont; en dan zou het uw roeping zijn, de broederen dier kerk te smeeken, dat ze u en uw huis in hun gemeenschap wilden opnemen na openlijke belijdenisse van uw geloof.

Of wel, dat ge in de plaatse uwer woning zulk een kerk niet vondt, en dan zou het op uw weg liggen met even sterk overtuigden als gij, op grond van uw gemeenschappelijke belijdenis, de kerke Gods in de plaatse uwer woning op te richten.

Of eindelijk, bleek dat op den duur onmogelijk, alsdan om tezien naar gelegenheden, om naar elders te verhuizen, naar een plaats waar een kerk van Christus bestaat.

En mislukte elk dier drie, zoodat ge blijven moest waar gewaart, en dan gedwongen werdt, zonder kerk voort te leven, dan zou het uw roeping zijn uw eigen huiskerk te krachtiger te openbaren, of het u allengs op uw ootmoedig gebed van uw God mocht geschonken worden, dat weer de bediening der genademiddelen u hergeven werd.

Maar stel nu tegenover dezen weg der godzaligen eens het hellend pad der oppervlakkige lieden, en zie, wat klove tusschen hen gaapt.

Hén hoort ge in schelle woorden afgeven op de misbruiken in den misstand der kerk, maar zonder dat een oordeel Gods hierin gekend of Gods slaande hand gekust wordt. Buiten alle verslagenheid der ziel en alle besef van eigen schuld omgaande, neemt dan dit ijveren veeleer het karakter van hooghartig bedillen aan, en blijft van boete en bekeering verre. Er is dan geen geestelijk onderscheiden, maar een geestelijk veroordeelen. En niet uit drang der ziele, niet met een bloedend hart, maar in opgewondenheid, in overmoed en overspanning, snijdt men, schier zonder gebed of zonder ernst, met een koud woord schrifts den band met zijn oude kerk af, en treedt in onbegrijpelijke luchthartigheid over naar een nieuwe. Het kleed was te bezoedeld geworden, zie, men legt het af, en schiet het wisselkleed om de leden!

Dit wordt niet gezegd, om daarmeê over iemands overgang een oordeel te vellen. Alleen de Kenner der harten oordeelt, en zelfs de beste heeft zichzelve maar al te zeer luchthartigheid in het reformatiewerk te verwijten, dan dat hij anderen zou mogen oordeelen. Wie de hand in eigen boezem steekt, heeft genoeg aan zijn eigen melaatschheid. Maar wat hier moest geteekend worden, is de tweeërlei

|166|

aandrift, die tot uittreding brengen kan, en waarvan de ééne even prijzenswaard en kostelijk is, als de andere afkeuring verdient en moet gelaakt.

 

Nog behoort het tot deze  afzonderlijk de bijzondere gevallen te bespreken, die tot losmaking van den band tusschen onze kerk en onzen persoon leiden kan.

Vierderlei geval dient hier vermeld:

1º. Het geval, dat niet een gewoon lid, maar een Dienaar des Woords zich gedrongen gevoelt, om zijn kerk als valsche kerk uit te werpen.

In dat geval vloeit uit die overtuiging een tweerlei bijzondere verplichting voort. Vooreerst de verplichting, om de getrouwen te waarschuwen van den kansel en met zich te voeren; en ten anderen de verplichting, om den dienst des Woords elders in een ware kerk van Christus te zoeken, of ook in de plaats zijner woning een nieuwe kerkstichting tot openbaring te brengen. Begraven mag hij zijn talent niet, en zijne ordening blijft ongedeerd, ook al is de kerk, die hem eens ordende, in een valsche synagoge des Satans omgezet.

2º. Het geval, dat niet een broeder, maar een zuster acht haar kerk, als zijnde een synagoge des Satans geworden, te moeten verlaten.

Dan toch vloeit uit haar bijzondere positie als vrouw voort, dat ze niet handelend mag optreden, en zich bepalen moet tot het vermanen in het privaat, en voorts voor zichzelve heeft uit te treden.

3º. Het geval, dat men van zijn kerkelijk lidmaatschap wordt ontzet.

Het kon bijv. zijn, dat de synode der Hervormde kerk, nu of later, bij eindvonnis mij afsneed en mijn kerkelijk lidmaatschap mij ontzegde, dan zou hiermeê intusschen nog volstrekt niet zijn uitgemaakt, dat de kerk van Amsterdam, waarin ik leef en waartoe ik als lid behoor, een synagoge des Satans was geworden.

Omdat een orgaan van het kerkverband mij uitwerpt, hield mijn kerk, waarin ik leef, nog niet op de ware kerk te zijn.

Dit punt wel te overwegen is van het uiterste gewicht.

Niets prikkelt toch lichter tot een onwaarachtig oordeel over den staat onzer kerken, dan onze eigene uitwerping. In zulk een oogenblik kan men zich haast niets anders inbeelden, of de kerk die mij uitwierp moet een synagoge des Satans zijn. En toch wordt ze een synagoge des Satans niet doordien ze ons, maar alleen doordien ze den Christus uitwerpt. En nu is het wel waar, dat het verwerpen van een Dienaar des Heeren en ook het uitwerpen van een uitverkorene een uitwerping van den

|167|

Christus kan zijn, maar zeker is dit volstrekt niet. Te minder daar de kerkeraad onzer kerk buiten het geding kan blijven en alleen het kerkverband in actieve schuld kan zijn.

Daarom komt het ons voor, dat een aldus uitgeworpene door een hooger bestuur 1º. af heeft te wachten of zijn eigen kerkeraad zich leent tot executie van dat vonnis; want doet hij dat niet en laat deze hem in het genot van de bediening der genademiddelen, zonder zijn naam van haar boek weg te nemen of daaraan openbaarheid te geven, zoo kan de uitgeworpene stil voortleven als ware er van uitwerping geen sprake; 2º. executeert zijn eigen kerkeraad hem, dan behoort hij gelijkgezinden om zich te verzamelen en met dezen een doleerende kerk op te richten; 3º. en eerst als ook dat belet wordt, mag hij tot uitwerping van zijn kerk en nieuwe formatie aangaan.

Het geval dat een kerkeraad rechtstreeks afsnijdt is hierin besloten.

En 4º. kan het geval voorkomen, dat de Bedienaar des Woords door de kerkelijke regeering uit zijn ambt en uit zijn lidmaatschap wordt gezet, niet door wangedrag, maar ter oorzake van zijn vasthouden aan Gods Woord.

Ook in dat geval is niet aanstonds uitgemaakt dat de kerk, waartoe deze Dienaar des Woords behoort, een synagoge des Satans is geworden. Het kan toch zijn, dat een vijandig hooger kerkbestuur dit vonnis sloeg, zonder dat zijn eigen kerk er zelf in bewilligde. En ook al ware het dat zijn eigen kerk, in verkeerde legitimiteitsbegrippen bevangen of ook uit vreeze, hem in den steek liet; dan volgt daaruit nog geenszins dat zijn eigen kerk hem zelve zou hebben uitgeworpen. Ze kan dus in een synagoge des Satans zijn omgeslagen, maar uit zijn afzetting volgt dit op zich zelf niet.

Daarom zouden we meenen, dat zulk een afgezet en ontzet predikant stil voort had te gaan met de prediking des Woords, kon het in de kerk; maar kon dit niet, dan daarbuiten. Dat hij, indien zijn kerkeraad zich aan dezen dienst onttrok, een doleerende kerk hadde op te richten. En, wierd ook dit hem belet, elders een dienst des Woords had te zoeken, of wel de getrouwen had uit te leiden en opnieuw als kerk te formeeren.

Kuyper, A. (1883) § 59

§ 59. Van de onderscheiding tusschen de ware en valsche kerk.

Ten einde echter de geloovige een vaste toetssteen hebbe om te beslissen, wanneer zijn kerk ophoudt een ware kerk te zijn, en wanneer ze begint een valsche kerk te wezen, dient nader uiteengezet,

|168|

hoe het gelegen is met de merkteekenen der ware en valsche kerk.

In den godgeleerden en kerkrechtelijken strijd door onze vaderen in de 16e eeuw met Rome gevoerd, gaf Rome als merkteekenen der ware kerk een vijftiental kenmerken op, die om tal van redenen door gereformeerde kerkleeraars te licht werden bevonden, en waartegen zij hunnerzijds een poging waagden, om juister kenmerken over te stellen. Vat men saâm wat destijds daarover verhandeld is, dan dient gezegd, dat alle gereformeerde godgeleerden als noodzakelijk kenmerk stelden; de prediking van het Woord Gods; dat de meesten hier als tweede kenmerk bijvoegden de bediening der Sacramenten; dat enkelen met deze beiden nog verbonden de oefening der kerkelijke tucht; en dat zeer enkelen hetzij hiervoor in de plaats, hetzij hiernevens plaatsten: de Christelijke liefde, de heiligheid van zeden, enz.

Onze geloofsbelijdenis stelt in art. 29 gelijk men weet, eerst drie kenmerken: 1º. de prediking des Woords; 2º. de bediening der Sacramenten; 3º. de oefening der kerkelijke tucht; en vat daarna deze drie saâm in den algemeenen regel, dat men zich aansluite „aan het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het eenige Hoofd.”

Waarbij voorts nog zij opgemerkt, dat zoowel onze oudste godgeleerden als genoemd artikel van onze geloofsbelijdenis, aan elk dezer drie kenmerken den eisch van zuiverheid toevoegt. Niet prediking des Woords is genoeg, het moet reine predicatie des Evangeliums zijn. Evenzoo wordt reine bediening der Sacramenten geëischt. En de oefening der Christelijke tucht moet zóó worden aangelegd, dat niet enkele, maar alle zonden gestraft worden.

Dit lezende, zijn nu enkele broeders tot het besluit gekomen, dat derhalve elke kerk als van de ware kerk vervallen moet worden beschouwd, in wier prediking iets ontbrak, aan wier Sacramentsbediening iets haperde, of wier tuchtoefening verslapt was. En hieruit namen deze broederen dan aanleiding, om ijlings het lidmaatschap van deze kerk op te zeggen; teneinde opnieuw een zuiverder kerk op te trekken; tot ook die kerk weer haar gebrek en zonde vertoonde, en ook aan haar weer de scheidbrief geteekend wierd.

Intusschen gaat het toch kwalijk aan, zoo diepgaande levensquestie derwijs oppervlakkig te behandelen. Reeds het algemeen bekende feit, dat een man als Joannes à Marck, daarin door Bernhard de Moor gevolgd, twee andere merken stelde; t.w.: „De zuiverheid in de grondslagen der leer en de heiligheid des levens,” had, dunkt ons, van zoo lichtvaardig oordeel moeten terughouden. Althans, wijzer en beter mannen, gelijk de Moor, Turretin en wie niet, hebben

|169|

er steeds op gewezen, dat niet elk dier drie kenmerken even onmisbaar is, alsook dat in het afeischen van deze drie kenmerken zekere speelruimte dient gelaten voor gradueel verschil.

Het is op dien grond, dat wij ons veroorloven, dit uiterst gewichtig punt eenigszins nauwkeuriger te behandelen dan gemeenlijk geschiedt.

En dan zij er in de eerste plaats de aandacht op gevestigd, dat zich bij het opstellen van de kenmerken der ware kerk gemeenlijk drieërlei richting doet gelden. Drieërlei richting die men de persoonlijke, de schriftuurlijke en kerkelijke zou kunnen noemen.

Over de laatste kunnen we kort zijn, daar ze door Rome is vertegenwoordigd, en de controvers met Rome in dit tractaat buiten spel is gebleven.

Maar wel dient met een enkel woord de tegenstelling aangeduid tusschen de schriftuurlijke en de persoonlijke richting, die men naar een ander beginsel ook als de objectieve en subjectieve zou kunnen onderscheiden.

Een deel der Christenen heeft er namelijk alle eeuwen op gedrongen, dat het kenmerk der ware kerk gezocht zou worden in de subjectieve persoonlijke heiligheid harer leden. Zeer terecht belijdende, dat de kerk de vergadering der uitverkorenen is, stelden deze broederen den begrijpelijken, maar uiterst gevaarlijken eisch, dat dan ook deze uitverkorenen zich als kinderen Gods betoonen zouden, en grondden daarop hun bedenkelijke meening, dat de kerk bekend moet worden aan de heiligheid van haar leden; die heiligheid bedoeld in geestelijken, niet in uitwendigen zin.

Terwijl omgekeerd, tegenover dat subjectief gevoelen, ten allen tijde door de kerk van Christus de meening is gehandhaafd, dat de uitwendige kerk niet naar het geestelijk bestaan van haar leden, maar alleen naar het uitwendig optreden van de kerk als zoodanig mocht beoordeeld. Een inzicht dat van zelf tot de stelling leidde: Het merkteeken der kerk ligt niet in de heiligheid van haar leden, maar in het karakter dat ze als kerk vertoont.

Hard oordeele men over het eerste gevoelen niet. Dorst naar heiligheid is aan Gods kind bij zijn nieuwe geboorte ingeschapen, en hoe kan het anders, of de wereldzin, waarin de kerk gedurig verzinkt, moet aan hen, die Gods verborgen omgang kennen, pijn doen en ze doen uitzien naar schifting van het reine en onreine, en stuiting van het kwaad. Leefden deze broederen nu dieper in het ongelooflijk machtig wezen der zonde in, en hadden ze onder bange zielsworsteling zelven geleerd, hoe elke genadevlok. die sneeuwwit op onze ziele neêrdaalt, door de bezoedeling onzer ziele bemorst wordt,

|170|

dan zouden ze niet het fanatisme van ingebeelde zuiverheid, maar den ernst van het dringend vermaan tegen deze gruwelen hebben overgesteld. Maar te dweepziek van aard, te veel in gemoedsoverspanning levende, hebben én de Donatisten, én de Katharen, én de Brownisten, én de Labadisten, en wie niet al, steeds den inhoud van het vischnet vóór zijn tijd willen schiften, en onveranderlijk is de schoone hoop van hun heilig bedoelen in bittere teleurstelling, niet zonder verflensing van hun eigen geloofsfrischheid, ondergegaan.

En dit kon niet anders. Immers in vierderlei opzicht gingen ze feil: 1º. vergaten ze, dat de echtheid van het werk Gods in de ziel zich toch niet uitwendig beoordeelen laat; 2º. dat de bedeeling, waaronder we tot op onzen dood verkeeren, het gedurig invloeien van de zonde in het heilige, naar Gods ondoorgrondelijke toelating, nog niet uit-, maar vooralsnog steeds insluit; 3º. dat de uitverkorenen een tijdlang in de kerk verkeeren kunnen, alvorens ze uit den dood in het leven worden overgezet; en 4º. dat de personen het voorbijgaande en wegstervende zijn, maar dat de kerk blijft.

Alle Hervormers, en met name Calvijn, hebben dan ook steeds dit Donatistisch streven, uit volle overtuiging bestreden. „In het dragen, zegt Calvijn, van de onvolkomenheden der leden, moet onze inschikkelijkheid zeer verre gaan; want het pad is zoo glibberig en de kunstgrepen van Satan om ons ten val te brengen, zijn zoo sluw . . . . En zegt men, dat het toch ondragelijk en onuitstaanbaar is, zooals de pest der ongerechtigheid in de kerk des Heeren voortkankert, dan vraag ik, of het gevoelen der Apostelen hen dan niet bevredigt? In de Corinthische gemeente waren er niet slechts enkelen, die in zonden waren gevallen, maar schier het geheele lichaam der gemeente was krank; het was niet maar een enkele zonde, die er woekerde, maar velerlei ongerechtigheid; en dat geen zonden van mindere beduidenis, maar vreeselijke gruwelen; en niet alleen de zeden waren verdorven, maar verderf was ook ingeslopen in de leer. En wat doet nu de heilige Apostel, tolk des Heiligen Geestes, met wiens oordeel de kerk staat of valt? Raadt hij scheiding aan? Sluit hij hen van Christus uit? Werpt hij den banbliksem onder hen? Niets van dit alles, maar omgekeerd en integendeel erkent hij hen nog voor een kerke Christi en eene verzameling der heiligen!” — „Zie het aan Christus zelf en zijn jongeren! — Schrikkelijk en gruwelijk waren de schilderingen, die de propheten Jesaia, Jeremia, Joël en Habakuk ons geven van de zonde der Jeruzalemsche kerk in hun dagen. Onder het volk en onder de overheden, onder de priesters zelf was alles dermate verdorven, dat Jesaia niet aarzelt om Jeruzalem

|171|

een Sodom en Gomorrha te noemen . . . . Was dit in de dagen van Christus en zijn apostelen beter? Immers neen. En toch heeft zoomin de valsche vroomheid der Farizeën als de losbandigheid der Sadduceën, Christus en zijn apostelen verhinderd om naar een zelfden tempel met hen op te gaan en een zelfde Sacrament met hen te gebruiken En zijt ge nog niet overtuigd, zie dan op David, die van Godswege met het handhaven der zedelijkheid belast was, door welke gruwelen heeft hij niet door rechtsverkrachting en bloedvergieting de misdaad van zijn schandelijke wellust bedekt! En toch, was diezelfde David niet wedergeboren? Wordt hij niet onder de wedergeborenen met eerbetuiging genoemd? En desniettemin, wat zelfs onder Heidenen afschuw verwekte, hij, David, dorst het bedrijven!” 1)

In gelijken zin heeft steeds onze geheele kerk geoordeeld; en overmits, zooverre ons bekend is, niemand die tot meêspreken bevoegd is, heden ten dage voor dit Donatistisch gevoelen het woord opneemt, laten we dit drijven van de subjectieve of persoonlijke merkteekenen der ware kerk hiermeê glippen, om alsnu de aandacht van den lezer bij de tweede of schriftuurlijke en objectieve richting te bepalen, die de kenmerken der ware kerk zoekt niet in den persoonlijken staat der leden, maar in den staat der kerk zelve.

Deze richting, die door al onze Hervormers, en evenzoo door alle Gereformeerde confessiën, en op wettige wijze door schier al onze goede godgeleerden verdedigd is, stelt den eisch dat er in de kerk van Christus zij: zuiverheid van belijdenis en reinheid van wandel. Dusdoende blijft het hart dus onbeoordeeld; men raakt niet aan den staat der personen. Zelfs komen die personen slechts in zooverre in aanmerking, als het werk der kerk uit de verschijning en het optreden van deze personen openbaar wordt. De vraag is dus niet, of elk individueel lid zuiver van belijden is, maar of de kerk de goede belijdenis uitspreekt, en of in haar wandel als kerk de eerbied voor Gods Woord openbaar is. Daar dit echter alleen uit kan komen in haar openlijke acten, en in haar openlijk optreden, brengt dit er van zelf toe om ten principaalste te onderzoeken, of de prediking werkelijk de Bediening van.het Woord is, of de Sacramenteele handeling metterdaad voertuig van de Sacramenteele genade kan wezen, en of de kerk door oefening der tucht die prediking en dat Sacrament dekt.

Toch laten reeds de meesten de tucht hierbij glippen, niet alsof oefening der tucht niet tot het wezen, maar in dien zin dat ze


1) Calv. Inst. Relg. Christ. L. IV, c. 1, § 13, 14, 18, 19, 24.

|172|

niet noodzakelijk tot het welwezen eener kerk behoort, 1) een concessie, die wel moest gedaan worden, daar anders strenge handhaving van dit merkteeken ongemerkt in de Donatistische strooming zou hebben teruggeleid. Calvijn geeft dan ook toe, dat reeds daar de kerk aanwezig is, waar voorshands nog slechts het Woord Gods en de Sacramenten gezien worden. 2) Raadpleegt men bovendien de ervaring, dat gedurende de achttien eeuwen dat Jezus’ kerk onder het Nieuwe Verbond bestaat, hoogstens in de beide eerste en voorts in de 16e eeuw van ernstige handhaving der tucht sprake is geweest, zoo komt men van zelf voor het dilemma te staan, om óf de tucht voor het wezen der kerk niet onmisbaar te keuren, óf wel te belijden, dat de ware kerk van Christus in vijftien van deze achttien eeuwen op aarde niet is gezien.

Hieruit leide intusschen niemand af, dat we de tucht in Jezus kerk voor niet noodig zouden achten. Het tegendeel is waar. Zonder tucht moet een kerk ontheiligd worden en te gronde gaan. Maar belijdt en gelooft men eenmaal dat de kerk op aarde ten doel heeft, instrument van den Heiligen Geest te zijn, opdat deze de uitverkorenen wederbare door het Woord, dan volgt hieruit rechtstreeks, dat het wezen der kerk, hoe gebrekkig ook, reeds daar aanwezig is, waar de Heilige Geest dit instrument tot wederbaring van de uitverkorenen gereed vindt. En staat het nu vast dat de kerk dezen dienst volbrengen kan, zoolang er nog prediking van het Woord in haar midden gevonden wordt en het Sacrament dit Woord nog bezegelt, zoo is hiermeê uit den wortel zelf van de gereformeerde belijdenis aangaande de kerk aangetoond, dat de oefening van de tucht geen onmisbaar kenmerk van het wezen der kerk zijn kan. Gelijk een menschelijk organisme blijft voortleven ook al kapt men het armen en beenen af, maar sterft zoodra het hart of het hoofd wordt weggenomen, zoo ook is het met Jezus kerk. Zoomin iemand het als onverschillig voor den mensch zal beschouwen, als hij armen en beenen verliest, en men in den romp zelfs nauwelijks een mensch herkennen zal, zoo ook mag niemand meenen dat een kerk goed loopen of werken kan, als haar de tucht is afgesneden. Maar ook, gelijk het leven, d.i. het wezen uit den mensch toch dan eerst weggaat, als de teederder deelen doodelijk getroffen worden, zoo ook gaat het wezen der kerk dan


1) Witsius, adm. adv. Labadisten, p. 159-174. Cf. de Moor, Comm. in Marck. Tom. V. 42.
2) Calvin, Inst. Rel. Christ. L. IV, c. 1, § 9.

|173|

eerst te loor, als de verkondiging van het Woord in haar ophoudt, of ook de Sacramentsbediening wegvalt.

In onze Confessie is dan ook volstrekt niet bedoeld, dat elke kerk, die één der drie genoemde kenteekenen in haar volle zuiverheid miste, daarmeê aanstonds in de valsche kerk zou zijn omgeslagen; maar slechts dit: dat een kerk, waarin de drie kenteekenen uitblonken, zeer stellig voor de ware kerk moest erkend. Er was tegenstelling in die dagen. Eenerzijds stond de Roomsche kerk; naast haar woelde de Anabaptistische secte; en tegenover die beiden hadden zich de kerken der Hervorming geplaatst. Deze laatste kerken nu vertoonden destijds de drie genoemde kenteekenen ten volle, en het was op dien grond dat onze kerken in hun belijdenis beweerden zelven zeer stellig en ongetwijfeld de ware kerke Christi te zijn.

Dat dit de bedoeling van onze Confessie is, blijkt overtuigend uit het slot van art. 29. Immers, indien men bedoeld had, dat elke kerk valsch zou zijn, waarin van deze drie kenmerken één ontbrak, zou men ter kenschetsing van de valsche kerk eenvoudig hebben verklaard: valsch is elke kerk, die één van deze drie kenteekenen mist. Maar wel verre van zoo oppervlakkig over de zaak heen te glijden, achtten onze vaderen zich veeleer verplicht het wezen der valsche kerk niet in negatieven, maar in positieven zin te omschrijven, als zulk eene die . . . . eigen ordonnantiën boven Gods Woord stelt, de Sacramenten vervalscht, en . . . . de tucht nalaat? . . . . neen, dat niet, . . . . maar „die zich meer op menschen dan op Christus grondt, en vervolgt die heiliglijk willen leven.”

Let men dus niet op het welwezen, maar op het wezen der kerk, zoo mag de kerk dan eerst voor valsche kerk worden uitgekreten, als ze het Woord terzij zet, de Sacramenten vervalscht en Gods heiligen vervolgt.

Evenwel ook dit mag, naar den geest en de bedoeling der heilige Schrift, gelijk onze vaderen die verstonden, nooit zóó opgevat, alsof de prediking des Woords volkomen zuiver en de bediening der Sacramenten volkomen ongerept moet zijn, op straffe van bij gemis dier volkomen uitgewerkte hoedanigheden het karakter der kerke Christi te verliezen.

Het duidelijkst geeft Turretin te dien opzichte het gevoelen onzer kerk terug als hij zegt: „Voorts verlieze men niet uit het oog, dat deze kenteekenen onderscheidene graden van noodwendigheid toelaten. In eersten rang staat de zuivere prediking en belijdenis van het Woord, waarzonder geen kerk denkbaar is. Maar reeds de bediening van het Sacrament staat hiermeê niet op ééne lijn, zoo zelfs dat ze

|174|

tijdelijk kan wegvallen, zonder dat de kerk vervalt, gelijk de kerk onder Israël dit herhaaldelijk toonde. En nog verder gaat dit met de tucht, die onmisbaar is om de kerk in goede orde te houden, maar wier wegvallen nog niet aanstonds het wezen der kerk opheft. Maar voorts laten deze kenteekenen ook zekere speelruimte toe, zoodat ze zuiverder en min zuiver zich kunnen vertoonen, en naar gelang ze meer of minder naar de Schrift naderen, de kerk, hoewel ze kerk blijft, zuiverder of onzuiverder maken. Niet dat men dit zoover mag trekken, dat gronddwalingen zouden te dulden zijn, maar wel lichtere vlekken. Gelijk dus een kerk, die in de grondstukken der leer dwaalt, niet staan kan blijven, zoo houdt ze daarom nog niet op kerk te zijn, al is het dat ze in enkele opzichten dwaalt . . . . Een kerk kan zelfs onzuiver en ten deele bedorven zijn, zonder dat ze ophoudt kerk te zijn. Eindelijk zij opgemerkt, dat een kerk niet mag beoordeeld naar de bijzondere gevoelens van haar voorgangers, maar uit de publieke belijdenis die door de kerk als zoodanig aanvaard en behouden is.” 1)

Calvijn dacht evenzoo. Zijn uitlatingen zijn soms zelfs nog krasser. Een kerke Gods erkent hij overal waar nog prediking is en de Sacramenten bediend worden.

„Waar ook de prediking des Woords nog met eerbied wordt aangehoord en de sacramenten niet verwaarloosd worden, daar is op dat oogenblik ongetwijfeld de gestalte der kerk nog aanwezig” 2). En zeer ernstig waarschuwt Calvijn dan ook, dat men van een kerk, waar deze teekenen nog eenigszins gevonden worden, toch vooral zich niet zal afscheiden: „Scheiden van de kerk is afval van God en Christus, en er kan geen grooter gruwel worden uitgedacht, dan door ontrouw het huwelijk te scheiden, dat de eerstgeboren Zoon van God met ons heeft willen aangaan!” 3)

„Wie zou, zegt hij in het volgende hoofdstuk, wie zou den naam van kerk durven betwisten aan een vergadering, aan wie God de prediking des woords en de Bediening der Sacramenten nog gunt . . . Zelfs in den afval van Israel waren nog zekere graden” 4). En dan wijst hij er op, hoe in Israel soms schier alle prediking des Woords verdwenen was, en alle sacrament ontheiligd werd, zonder dat zelfs de afgoderij die insloop, het wezen der kerk nog ophief 5). Wel weken de profeten en hun getrouwen soms tijdelijk uit, maar het wezen der kerk bleef ook onder deze stormen van ongerechtigheid


1) Turretin, Inst. Theol. Elenchth. T. III, p. 98.
2) Calvin, Inst. Rel. Chr. L. IV, 1 § 10.
3) Ibidem.
4) Ibidem, L. IV, c. 2, § 7, 8.
5) Ib. § 8, 9.

|175|

voortbestaan 1). Zelfs gaat Calvijn zoover om ten opzichte der Roomsche kerk te verklaren: „Al betwisten we dat Rome’s kerkverband zonder nader beding op den naam van kerk aanspraak mag maken, daarom ontkennen we nog geenszins, dat er nog kerken onder haar gebied gevonden worden.” Slechts houdt hij vol, dat, let men op de kenteedenen, elk dezer roomsche parochiën en heel het lichaam der Roomsche kerk, den wettigen kerkelijken vorm mist 2).

Voeg hier uit de practijk nog dit bewijs bij. De Luthersche kerk heeft geen oefening der tucht in den zin van onze Confessie gehad; toch is er nooit twijfel geweest, of de kerk der Lutherschen was wel waarlijk een ware kerk van Christus.

Men mag dus de bijvoeging van „reine” prediking en „reine” bediening der Sacramenten nooit zoover trekken, dat de kenteekenen zouden moeten geacht worden te ontbreken, waar predikatie of Sacramentsbediening te wenschen overlaat; of ook de tucht ontbreekt.

Ook hier weer geldt de onderscheiding tusschen wezen en welwezen. Er zijn bestanddeelen der prediking die haar sieren, zonder dat men nog zeggen kan, dat haar gemis de prediking doet ophouden prediking te zijn. En ook er zijn bestanddeelen in de Sacramenten, die hun glorie verhoogen, zonder dat hun ontstentenis het sacrament nog vernietigt.

Doch, laat ook hier Calvijn ons weer voorlichten: „Wat we gezegd hebben, dat de zuivere prediking van het Woord en de zuivere bediening der Sacramenten een geschikten waarborg oplevert, om de echtheid eener kerk toe te geven, dit worde zóó verstaan, dat een kerk nooit mag verworpen worden, waar deze twee nog zijn, al ergert ze ook door allerlei ergernissen. Maar er moet meer gezegd. Want stel, er ware ook in die prediking of in die sacramentsbediening iets verkeerds ingeslopen, dan mag daarom die kerk nog niet aanstonds verlaten. Immers zelfs alle stukken der leer zijn niet van gelijk gewicht.” 3)

Onze slotsom is derhalve, dat voor goeden kerkstaat en het welwezen der kerke Gods, d.i. voor de kerken in gezonden, normalen toestand n de zuivere prediking des Woords, n de reinebediening der Sacramenten, n de gestrenge oefening der tucht noodzakelijk en onmisbaar is.

Maar ook, dat de kerken Christi, zonder haar wezen als kerk te verliezen, óf verminkt, óf onzuiver kunnen zijn, èn ten deele zelfs,


1) Calvin, L. IV, c. 2, § 10.
2) Ib. § 12.
3) Calvijn Inst. Rel. Christ. L. IV, c. 1 § 12.

|176|

gelijk Calvijn zegt, door verderf aangetast. Dat deze verminking meest het eerst gezien wordt in het afsnijden van de tucht; deze onzuiverwording in vlekken, die de leer of sacramentsbediening ontsieren; dit bederf in het opkomen van valsche leer naast de getrouwe prediking.

Dat voorts, waar deze krankheid en verminking, doorgaat, de kerk allengs haar wezen als kerk verliest en verbleekt tot een geesteloos genootschap.

En dat eindelijk waar in dit gestorven lichaam zich giftige gassen gaan ontwikkelen, deze verbleekte kerk in een valsche kerk kan overgaan, zoodra ze, onder Satans invloeden, de waarheid en haar belijders vervolgt.

Ten ernstigste zouden we daarom op het voetspoor van Calvijn, een iegelijk vermanen willen, om toch wel toe te zien of de kerk, die hij verlaten wil, metterdaad zooverre door God verlaten is, dat ze het welwezen, niet alleen, maar ook het wezen eener kerk verloor.

Omdat uw kerk krank, omdat ze verminkt is, moogt ge haar uw liefde nog niet onthouden. Eer mag ze juist om die krankheid op meerdere deernis van uwe zijde aanspraak maken.

Eerst als ze gestorven is, hield ze op uw kerk te zijn, en eerst waar de giftige gassen der valsche kerken u doodelijk bedreigen, vliedt ge van haar aanraking en trekt ge uw liefde van haar af.

Vooral lette men er op, dat de vraag nooit is, of ge eenig kerkgenootschap, maar uitsluitend of ge uw kerk zult verlaten. Een kerkgenootschap bestaat in den nu meest gangbaren zin uit kerken, en die kerken uit leden 1). Gij zijt dus lid van uw kerk, en uw kerk is lid van een kerkgenootschap. Uw kerk kan dus het genootschap verlaten, maar wat gij alleen verlaten kunt is uw kerk. Wel weten we, dat er kerken zijn, die ook een lidmaatschap van het „genootschap” hebben aangenomen, zonder dat men lid van een kerk is, maar deze ongerijmdheid houdt ons niet op. Voor u, voor mij, voor een iegelijk is het alleen maar de vraag: Moet, mag ik de kerk van Amsterdam, van Rotterdam, van Utrecht verlaten?

Ik heb dus volstrekt niet te letten op wat elders plaats grijpt, maar alleen te letten op mijn eigen kerk. De solidaire verantwoordelijkheid voor hetgeen elders geschiedt, komt voor rekening van den kerkeraad, niet van de enkele leden, en kan er wel toe leiden, om den band tusschen mijn kerk en die andere kerken af te snijden, maar kan nooit aan mijn kerk het wezen van kerk ontnemen.


1) Dit gebruik is intusschen onhistorisch. Oorspronkelijk beteekent kerkgenootschap één locale kerk.

|177|

In de zeven brieven aan de gemeenten in Klein-Azië heeft de Heere Christus nergens op verantwoordelijkheid der leden voor het kerkverband gewezen.

Gelijk dus onze vaderen de kerk van Amsterdam niet verlieten, omdat die kerk met de kerken van Rome in kerkverband stond, en dus oordeelden, dat haar het wezen van kerk nog toekwam, zoo mogen ook wij onze kerken niet opgeven, al is het dat ze in een onhoudbaar kerkverband staan, overmits dit haar het wezen van kerk niet derven doet.

En wat voorts die kerken zelven betreft, zoo heb ik alleen te vragen: Biedt die kerk waarin ik leef, mijn kerk, mij nog de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten, in zulk een zuiverheid, dat het wezen dezer beide genademiddelen er nog in overig zij?

Het feit dat er naast deze tamelijk zuivere bediening der genademiddelen óók afgoderij bestaat, heft het wezen der kerk niet op, en stelt wel aan den kerkeraad den eisch om dezen gruwel af te snijden, maar niet aan een lid der kerk om die kerk te verlaten. De organisatie mijner kerk is dan wel krank, verminkt en ten deele tot bederf overgegaan, maar toch niet zoo of ze biedt mij nog in betamelijke zuiverheid de genademiddelen, en dus derft ze nog haar wezen en haar leven niet.

Zoo bleven de profeten in de kerk van Jeruzalem, al was ook de afgoderij meê ingeslopen, en jaren lang hebben onze vaderen onder Rome voortgeleefd, eer ze kwamen tot reformatie.

Deze laatste opmerking leide nog tot een niet minder ernstige waarschuwing.

Sommigen stellen zich aan, alsof het plicht en roeping van Gods kinderen ware, op staanden voet, dezen zelfden dag, den band met hun kerk te verbreken.

Maar ook dit schijnt ons tegen de Schrift en de historie te zijn.

Komt er in menschelijke ziekte bedwelming, soms zelfs schijndood voor, ook de kerk kent dezelfde verschijnselen. Onder Israël scheen het maar al te vaak alsof geheel de kerk verloren ware, en zie, toch bloeide de onvergankelijke kerk altoos weer op. In den donkeren nacht der middeneeuwen zou men gedurig gemeend hebben dat de kerk verstorven was, en zie, toch verhief ze haar hoofd weder. En ook in de dagen der Hervorming zijn in het allerminst niet alle kerken onmiddellijk hersteld, maar heeft het van 1517 tot 1570 geduurd, eer het begonnen werk der Kerkhervorming tamelijk algemeen was doorgedrongen.

Ook dit mane in onze dagen tot omzichtigheid. Wie het stukder kerk uitwendig en reglementair, zonder piëteit of hoogere liefde beschouwt, pakt aanstonds zijn reisvalies en is elk oogenblik tot afreizen

|178|

gereed. Maar wie met teederen ernst, wie met vreeze der conscientie zich de vraag stelt: „Loop ik ook van onder het oordeel weg, verwerp ik ook wat nog leeft, begraaf ik ook een schijndoode?” O, die aarzelt en toeft. Want altoos hoopt hij nog, altoos wendt hij nog nieuwe middelen aan, om de levensgeesten op te prikkelen, en als anderen hem dan bespotten, vragende: „Hoe lang zal dat sollen met uw lijk nog aanhouden!”, dan brengt hij eerbiedig den vinger aan de lippen, en fluistert: Het is mijn moeder!

Kuyper, A. (1883) § 60

§ 60. Van Zacharia’s roepen: „Niet door kracht of geweld, maar door den Geest des Heeren!” Reformatie en legitimisme.

Strekking van de vorige paragraaf was om breuke met iemands kerk, als kerk, tot het uiterste te verhoeden, en het aan elk kind van God nauw en teeder op het hart te binden, dat zulk een breuke met zijn kerk dán alleen geoorloofd is, bijaldien zijn kerk óf gestorven óf in een valsche kerk ontaard ware. Anders nooit. Vroeger nimmer. En dat om de alles afdoende reden, dat onze kerk zoolang ze niet óf stierf óf in valsche kerk omsloeg, nog altoos openbaring bleef van het lichaam van Christus.

Toch wane niemand, dat het in onze bedoeling lag daarmeê het pleit te voeren voor valsche lijdelijkheid of onheilig legitimisme. En het is daarom, dat we in deze en de volgende paragraaf én over dat legitimisme én over de revolutie nog een woord zeggen moeten.

Wie ernstig te werk gaat en de reformatie zijner kerk uit God als haar Werker, niet alleen bij anderen, maar ook bij zichzelven wil afleiden, kan tot dit heerlijk werk eigen hand nooit uitsteken met het oog op een vooraf berekend resultaat. Hij zou dit wel kunnen, indien het boek van Gods raad voor hem ontzegelbaar ware. Maar nu dit Boek voor hem gesloten is en blijft, is de weg om zijn handelingen naar de uitkomst te regelen, onherroepelijk voor hem afgesneden en blijft er slechts één weg voor hem open: de weg der gehoorzaamheid.

Alle reformatie der kerk, ’t zij door geestelijke verwakkering, ’t zij door geleidelijk kerkherstel, ’t zij door breuke met de organisatie, met het kerkverband of met de kerkzelve, kan noch mag dus ooit anders dan in den weg van stille, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid ondernomen.

Al schijnt het dat alles er me ondergaat, men moet toch reformeeren, want te reformeeren is Gods hoog gebod aan zijn kerk en

|179|

haar dienaren en leden. Niets, onder wat vorm het ook optrede, kan ooit de kerk, of haar dienaren en leden van dien plicht der gehoorzaamheid ontslaan.

Opdat echter deze gehoorzaamheid geen dekmantel zij voor eigenwillig woelen, heeft elk kind van God vooraf zeer ernstig de overlegging zijns harten te toetsen, of de aandrift die hem drijft metterdaad wel lust aan gehoorzaamheid zij.

Dit nu meet men het veiligst af naar deze beide vragen: 1º. of men in schuld voor God ligt over vroegere ongehoorzaamheid; en 2º. of men in de keuze zijner middelen zich ontziet om de eere zijns Gods te kwetsen.

Vandaar ons dringen op verslagenheid onder het oordeel des Heeren, als uitgangspunt van alle goede reformatie, en niet minder op eerbiediging van het lichaam des Heeren in elke kerk, die nog niet ganschelijk wegstierf of bezeten wierd van Satan.

Vooral de overweging, dat Calvijn in Boek IV, hoofdstuk 2 paragraaf 12 van zijne Institutie zelfs van de Roomsche kerken nog getuigt: „hoewel ze de wettige vorm van de kerk missen, ontken ik toch niet, dat er nog kerken Gods onder hen zijn,” gelegd naast het klare feit, dat in Israël de kerk toch weer opbloeide, al was het ook dat de afgoderij tot in den tempel was doorgedrongen, weegt hier zwaar.

Leidde men hieruit intusschen af dat derhalve ook dit tractaat in den toon viel van: „Niet door kracht of geweld, maar door den Geest des Heeren!” zoo zij daarop geantwoord, dat we dien uitroep ganschelijk verfoeien in den valschen zin, waarin hij gemeenlijk op der lijdelijken lippen zweeft, maar hoog houden en er met heel onze ziel bijvallen, naar de beteekenis waarin de Heilige Geest dien uitroep aan den profeet Zacharia heeft geopenbaard.

Niet ernstig genoeg toch kunnen we het onze broederen op het harte binden, dat ze toch mogen aflaten van de onheilige gewoonte, om deze kostelijke Schriftuurplaats op zoo verregaande wijze te misbruiken, in zin en beteekenis te vervalschen, en ten slotte het tegendeel te laten zeggen van wat zij bedoelt.

Gemeenlijk toch haalt men deze woorden aan zonder op het verband gelet te hebben, en leidt er dan uit af, dat de Heilige Geest ons in deze woorden toeroept: „Gij, dienaren en leden mijner kerk, laat toch af van al uw eigen pogen tot reformatie. Daar komt toch niets van. Dat is alles kracht en geweld, dat toch niets nut. Gij hebt niets te doen, dan gewoon te prediken, en al het overige moet komen van mijnen Geest.”

|180|

Hiervan staat intusschen in het vierde hoofdstuk van Zacharia’s godspraken geen woord.

Sprake is daar van Zerubbabel, den vorst, die aan het hoofd der teruggekeerde ballingen, de reformatie der gevallen Jeruzalemsche kerk ondernomen had. En ondernomen, niet door prediking alleen maar zoo materiëel mogelijk, door het hanteeren van truffel en houweel. Kracht en geweld dus in den meest letterlijken zin!

Naar vele broederen op den klank af onze woorden verstaan, zou dus aan Zerubbabel moeten gelast zijn, om van dat reformeeren, van dat hanteeren van truffel en houweel, kortom van al dit geweld, al dit krachtbetoon af te laten, en stil te wachten op ’s Heeren Geest.

Intusschen is de strekking van de Godspraak juist omgekeerd.

Zerubbabel wil aflaten, en de Heilige Geest gelast hem niet af te laten, maar moedig te volharden.

Zerubbabel is bang geworden. De belagers van rondsom trekken met wapengeweld tegen hem op, en nu ontzinkt aan Zerubbabel de moed, en hij denkt: „Tegen dat wapengeweld heb ik geen leger over te stellen. Dus ben ik verloren! Ik geef de reformatie op! Heere, doe Gij het!”

Maar de Heilige Geest staat dit niet toe, en geeft hem nu deze openbaring: „Zerubbabel, staak uw reformatie in Jeruzalem’s kerk geen oogenblik. Want ge vergist u, door te meenen, dat ge dan alleen reformeeren kunt, als ge geweld tegenover ’s vijands geweld kunt zetten. Ze zullen niet tegen u vermogen. Want zie, de uitkomst hangt niet af van geweld tegen geweld, of kracht tegen kracht te zetten, maar uitsluitend van de geheimzinnige en onzichtbare werking van den Geest des Heeren!”

Wel verre van lijdelijkheid aan te bevelen, keurt dit Schriftwoord derhalve juist omgekeerd alle lijdelijkheid af en gebiedt ons veeleer in den weg van geloofsgehoorzaarnheid rustig met reformeeren door te gaan, ook al schijnen we het hoofd te stooten tegen een koperen muur.

Of, om het nog duidelijker te zeggen, volgens de eigen woorden van den tekst is de uitroep: „Niet door kracht of geweld, maar door ’s Heeren Geest zal het geschieden,” verklaring van het onmiddellijk voorafgaande gezicht.

En wat was nu dit gezicht?

Dit: Er stond een gouden kandelaar, beeld der kerke Christi. Een kandelaar met zeven lampen. Nu liep uit elk dezer lampen een aanvoerpijp opwaarts, en door deze pijpen moest de olie, d.i. de invloeiing van den Heiligen Geest aan de kerken worden toegevoerd. Daartoe nu liepen deze zeven aanvoerpijpen uit in een kruik,

|181|

en in deze kruik druppelde voorts de olie uit twee olijfboomen, die links en rechts van die oliekruik geplaatst waren.

Zonder nu hier ter plaatse in nader onderzoek te willen treden, omtrent de beteekenis dier twee olijfboomen, een onderzoek dat weer samenhangt met de verklaring van de twee getuigen in Openb. XI : 4, zoo staat toch, naar alle uitleggers toegeven, vast, dat met deze twee olijfboomen menschen, ambtelijke personen t.w. priesters en profeten bedoeld zijn.

Strekking van deze profetie kan dus nooit zijn, om ons te zeggen: „De werking van den Heiligen Geest komt buiten menschelijke bemoeienis om,” maar integendeel: „De toevloeiing van den Heiligen Geest tot de gemeente komt door het intermediair van menschelijke personen, in wier hart Ik genade werk.”

Dit geeft vanzelf aanleiding, om de gronddwaling van deze verkeerde lijdelijkheid bloot te leggen.

Deze dwaling schuilt namelijk in een onjuiste opvatting van het werk van den Heiligen Geest.

Men denkt zich dit werk van den Heiligen Geest namelijk, als buiten de gewone organen en buiten de gewone werkzaamheden der bediening omgaande. Iets dualistisch.

Dit nu is niet zoo, en kan zoo niet zijn. Dit toch zou ons geheel op Doopersche fanatieke paden leiden. De enthousiasten van alle gading, niet de Gereformeerdan zijn het, die steeds op zulk een dualistische werking van den Heiligen Geest aandringen. En, naar de zuivere leer aangaande het werk van den Heiligen Geest, is alle ambtelijke gehoorzaamheid in de bediening, óf doode vorm en dan met onvruchtbaarheid geslagen, óf wel vrucht van invloeden van den Heiligen Geest.

Men mag niet den Roomschen weg opgaan, van de ambtelijke gehoorzaamheid in de bediening als een loonverdienend werk des dienaars te beschouwen. Dan toch verlaat men het Gereformeerde erf geheel. En doet men dit niet, zoodat men in deze ambtelijke gehoorzaamheid geen eigen werk eert, zeg zelf, wiens werk zou het dan anders zijn, dan het werk van den Heiligen Geest?

Wel verre er van daan, dat alzoo een persoon in het ambt zich, met beroep. op Zacharia IV: 6, aan den plicht tot reformatie zou kunnen onttrekken, moet integendeel, juist met het oog op dat woord; alle onttrekking aan den plicht der gehoorzaamheid streng in hem gegispt en door de kracht des Woords in hem bestreden worden, en veeleer dit hem in de ziel dringen: Dat hij juist ingelijfd moet zijn in een dier beide olijfboomen, door wier takken en twijgen, d.i. door wier

|182|

gehoorzaamheid ook in het werk der reformatie, de zalfolie des Heiligen Geestes moet toegebracht aan de zeven kerken des levenden Gods.

Kuyper, A. (1883) § 61

§ 61. Van de reformatie in tegenstelling tot de revolutie.

Aan hen, die zij het ook bedachtzaam, maar dan toch met doortastendheid het werk der reformatie alzoo voorstellen, dat ten slotte noch voor breuke met de bestaande organisatie, noch voor breuke met het bestaande kerkverband, noch ten slotte zelfs voor breuke met de bestaande kerk mag teruggedeinsd, wordt door hun tegenstanders meestal voor de voeten geworpen, dat dit dáárom niet mag, overmits elke breuke van dien aard een verbreking van de wettige orde en van den wettelijken gang van zaken is, en op dien grond als revolutie dient veroordeeld.

In allerlei variatiën wordt telkens ditzelfde verwijt hun naar het hoofd geworpen.

Daar het ons nu te doen is, om met vreeze en beven de kinderen Gods in deze landen bij het werk der reformatie voor te lichten, achten we ons gehouden, om deze tegenbedenking ernstig te onderzoeken. Voor revolutie in kwaden zin bidden we dat God de Heere zijn volk heiliglijk bewaren wil, en zwaar zou onze schuld zijn indien we door overmoed of in euvelmoed ’s Heeren volk naar zoo zondige paden heenlokten.

We wenschen daarom door bedaarde onderscheiding onzen tegenstanders duidelijk te maken, waarom ze het recht missen ons zoo zware aanklacht voor te leggen, en waarom ze, willen ze hun eigen ziel niet tegenover hunne broederen bezondigen, wel zullen doen met van deze aanklacht voortaan af te laten.

Daartoe nu zij er allereerst op gewezen dat er van revolutie én in goeden zin én van revolutie in kwaden zin sprake kan vallen, en dat volstrekt niet alle revolutie over één kam mag geschoren.

Om dit onderscheid wel en helder in te zien, sta op den voorgrond, dat een mensch nooit in zoodanige achting is, alsof hij aan een medemensch den plicht tot gehoorzaamheid uit zichzelf zou kunnen opleggen.

Elk mensch is zondig en heeft daardoor alle aanspraak op ontzag voor zijn persoon verbeurd.

De vader is even weinig in waardij als het kind, en er is in den vader als persoon geen enkele reden of oorzaak, waarom het kind hem zou gehoorzamen.

Elk koning is even zondig als de minste zijner onderdanen, en ook

|183|

in zijn persoon is alzoo geen enkele reden of oorzaak aanwijsbaar, waarom zijn onderdanen hem onderdanig zouden zijn.

En evenzoo in de kerk van Christus is elk persoon, die als Bisschop, lid der Synode, Classicaal Bestuurslid of hoe ook optreedt, even zondig en nietswaardig als elk lid der kerk, en er is in hun persoon reden noch oorzaak aanwijsbaar, waarom de leden der kerk hun ontzag of eerbied gunnen zouden.

Zie ik op den mensch als mensch alleen, buiten God gerekend, dan staat het kind derhalve precies met zijn vader gelijk, en steekt er geen zweem van zonde in als een onlieve zoon aan zijn vader de gehoorzaamheid weigert.

Van nature is een koning niets meer waard dan een bedelaar, en steekt er dus kwaad noch zonde in, zoo die bedelaar dien koning weigert te gehoorzamen.

En evenzoo is van nature een lid van den kerkeraad of Synode geen haar beter dan een gewoon gemeentelid, en is er schijn noch zweem van zonde in te ontdekken, indien een gewoon gemeentelid deze personen praten laat en zich in niets aan hen stoort.

Dit uitgangspunt denke men wel in.

Wie dit niet toegeeft is óf een Pelagiaan, óf wel hij kent het diep bederf der zonde niet.

Maar waaruit ontstaat dan nu de plicht tot gehoorzaamheid?

Antwoord: Eeniglijk en alleenlijk daaruit dat God de Heer iets van zijn majesteit aan deze personen toevertrouwt.

Stelregel is en blijft: Aan God absolute gehoorzaamheid schuldig, want Hij is uw Schepper, uw Onderhouder, uw Bezitter, uw Verlosser. Maar gehoorzaamheid aan de menschen nooit.

Van gehoorzaamheid aan menschen kan dus dan eerst, dan alleen en slechts zoolang en in zooverre, sprake zijn, als metterdaad en in der waarheid God de Heere mij gelast en beveelt, dat ik aan eenige menschen de Hem, Gode, toekomende gehoorzaamheid, in zijn naam, betalen zal.

En waarin ligt nu het wezen der revolutie, haar zonde, haar gruwel?

Daarin, dat zij tegen menschen in verzet komt, en weigert den mensch te gehoorzamen, en zegt koning en bedelaar staan als mensch gelijk?

In het allerminste niet!

Neen, de zonde, de misdaad, de gruwel der revolutie bestaat uitsluitend in deze twee heel andere dingen: 1º.Daarin de mensch weigert in den persoon van menschen, die in het ambt staan, de tol der gehoorzaamheid te betalen die hij aan God schuldig is. En 2º. dat

|184|

hij de stelling durft uitspreken: het gezag wordt op den ambtsdrager gelegd, niet door God, maar door mij en mijne medeburgers.

En hierin nu steekt gruwelijke zonde, vermits het een hoonen van Gods majesteit is, en een rooven van die majesteit voor zichzelven.

Twee zonden tegelijk: Den levenden God ontgoden, en zichzelven vergoden.

 

Meenen nu onze beoordeelaars dat ze ook in onzen voorslag van reformatie, doorgevoerd tot op breuke met de kerk, deze soort revolutie kunnen aanwijzen, laat ze dan in broederlijke liefde hierin getrouw zijn, en onze dank zij hun vooruit voor hun broedertrouw geboden.

Kunnen ze dit daarentegen niet, en kunnen ze hun ernstige aanklacht van „revolutie” niet verder waarmaken, dan dat ons advies strekt om desnoods met den bestaanden wettelijken toestand te breken, vergunne men ons dan deze beschuldiging verre van ons te werpen. Want immers met den bestaanden wettelijken toestand brak ook David toen hij benden verzamelde en optoog tegen koning Saul. Met den bestaanden wettelijken toestand brak ook de Christus, toen Hij touwkens nam en een geesselkoorde maakte, en de wisselaars uit den tempel dreef. Met den bestaanden wettelijken toestand braken ook de apostelen, toen zij den ceremoniëelen dienst afschaften en naast de Synagoge de kerke Christi plaatsten. Met den bestaanden wettelijken toestand braken ook de Waldensen, toen zij naast en tegenover de Roomsche hierarchie hun vrijkerken oprichtten. Met den wettelijk bestaanden toestand braken ook Luther, Zwingli en Calvijn, toen zij aan hun kerkelijke overheid den scheidbrief zonden. Met den wettelijk bestaanden toestand braken ook onze vaderen, toen zij de Geuzen op den Briel afstuurden en deze landen van Spanje vrijvochten. Met den bestaanden wettelijken toestand braken ook onze kerken, toen ze in de zestiende eeuw te Amsterdam en elders het kerverband met Rome verbraken. Met den bestaanden wettelijken toestand brak ook Willem de Derde toen hij den troon der Stuarts in Engeland beklom, evengoed als Willem de Zwijger toen hij als stadhouder tegen Filips zijn koning optrad. En ook met den bestaanden wettelijken toestand braken onze Helden, die ons in 1813 vrijmaakten en straks bij Waterloo streden; want in legitimistischen zin was Napoleon hun wettig Souverein.

Oordeelt nu elk kind van God met ons, dat noch David, noch Christus, noch de Apostelen, noch de Waldensen, noch onze

|185|

Hervormers, noch onze vaderen, noch onze Oranjevorsten in deze zondigden, maar veeleer dat ze met aldus breuke in den bestaanden toestand te brengen, zich van den plicht der gehoorzaamheid aan God kweten, dan is het openbaar: dat breuke met den bestaanden toestand, op zichzelf en zonder meer, nog geen zonde, veeleer zelfs plichtsbetrachting zijn kan.

Waar hangt dit nu van af?

Uitsluitend hiervan, of zulk een breuke met den bestaanden toestand al dan niet geschiedt uit gehoorzaamheid aan God.

Had David niet Samuels openbaring gehad, zoo had hij tegen Saul niet mogen optrekken. Hadde Jezus niet krachtens de gemeenschap met den Vader gehandeld, zoo ware Hem geen gezagsuitoefening in den tempel toegekomen. Hadden de Apostelen niet geweten dat ze uit gehoorzaamheid aan Gods Woord handelden, zoo hadden ze het Sanhedrin niet mogen weerstaan. En zoo ook hadden onze Hervormers en vrije Geuzen niet geweten, dat hun inbreuk op Rome’s en Spanje’s wettelijk geordend gezag voorsproot uit drang om God meer dan menschen te gehoorzamen, zoo zou hun breuke hun tot gruwelijke schuld geweest zijn.

De legitimist zegt dit dan ook, en in Engeland zoowel als in Duitschland gaan er reeds stemmen op, om zoo de Reformatie als onzen Opstand te veroordeelen.

En daartoe, merkt het wel op, zullen onze legitimisten ten slotte ook moeten komen.

Ons veroordeelende om wat ze noemen revolutionair bedrijf, zullen ze gelijk oordeel ook over onze Hervormers en onze vaderen moeten vellen.

Of wel, deinzen ze, wat God geve, hiervoor terug, dan zullen ze ook hun ondoordacht en voorbarig oordeel ten onzen laste moeten herzien, en moeten zeggen: Revolutionair is niemand om het feit op zichzelf, dat hij breekt met den bestaanden toestand; maar revolutionair zal hij dan eerst wezen, indien hij die breuke waagt uit andere beweegredenen, dan om God meer dan menschen te gehoorzamen.

Kuyper, A. (1883) § 62

§ 62. Van de reformatie en de overheid.

De vraag is ook opgeworpen en van gewicht, of aan de Overheid alsdan niet aandeel in het werk van de reformatie der kerken toekomt; en wel met name, of de Overheid al dan niet geroepen, gerechtigd en gehouden is, „om te weren en uitte roeien alle afgoderij en valschen godsdienst.”

|186|

Ten dezen opzichte komt onze overtuiging niet met die onzer vaderen overeen. Van dit verschil maken we geen geheim. Alleen Gods Woord, niet het woord der vaderen is voor ons ten slotte gezaghebbend. En het is op grond van Gods Woord dat we in de conscientie overtuigd zijn, onze vaderen in dit onderdeel van hun belijdenis niet te mogen volgen.

Reden hiervan is, dat bovenbedoelde woorden aanduiden en in zich sluiten, dat op de Overheid de verplichting rust, om ter laatster instantie de ketters, niet slechts te vermanen of hun publieken eeredienst te weigeren, maar ook wel terdege, om hen gevangen te nemen, in boeien te slaan, te vonnissen en op het schavot ter dood te brengen.

Dit ligt metterdaad in deze woorden in.

Bewijs hiervoor is, Calvijn’s geschrift „dat de ketters met het zwaard moeten ter dood gebracht;” Beza’s opstel „dat de ketters door de Burgerlijke Overheid aan den lijve moeten gestraft worden”; en voorts het gevoelen van Maresius in zijn verklaring van de geloofsbelijdenis; vergeleken met het gevoelen van onze theologen: Voetius in zijn Disput. Theol. III. 802-809 en II. 122; Henr. Alting in zijn Script. Heidelb. Tom. 2. p. 2. probl. XX. p. 335 s. 9; Spanheim, Vind. Euang. l. II. loc. 20; Corn. van Velzen, Theol. pract. II, l. I. p. 632; Gerdesius, Bibl. menstr. Belg. m. Jan. 1742, p. 30; J. à Marck, Med. Theol. c. XXIII,  32; De Moor, Comm. à Marck, VI. p. 490 vlg. en Turretin, Theol. Hand. T. l. XVIII. p. 84.  30.

Eenparig zijn alle deze godgeleerden van gevoelen dat Art. 36 van onze belijdenis wel metterdaad aan de Overheid de verplichting oplegt om, ter laatster instantie, een ketter op het schavot ter dood te laten brengen.

Ze verschillen van Rome hierin, dat ze aan de Overheid eigen oordeel laten. Rome meende dat de Overheid vonnissen moest op grond van het kerkelijk oordeel. Zij daarentegen zeggen: De Overheid zie uit eigen oogen.

Ook geven ze toe, dat de Overheid niet in den regel, niet dan in het uiterste geval, niet dan bij de Heresiarchen enz. tot dit verschrikkelijkste behoort over te gaan.

Zelfs werd het sinds à Marck gewoonte er bij te voegen, dat de Overheid den ketter dan alleen om hals mocht brengen, zoo hij ook de Republiek met gevaar bedreigde. Maar hoe ook verzacht en hoe ook ingekleed, ten slotte komt hun gevoelen dan toch altoos hierop

|187|

neer, dat, baat geen ander middel, het uitroeien van afgoderij door vuur en zwaard moet gaan.

En tegen deze belijdenis nu komen wij uit volle overtuiging op; bereid de gevolgen van onze overtuiging te dragen; ook al is het dat men ons deswege, als ongereformeerd wil op de kaak stellen.

Liever gaan we voor niet-gereformeerd door en blijven volhouden, dat men ketters niet moet ter dood brengen, dan dat men ons den gereformeerden naam late tot den prijs van meê het ketterbloed te helpen vergieten.

Het is onze overtuiging: 1º. dat de voorbeelden, die onder het Oude Verbond desaangaande voorkomen, dáárom voor ons van geen kracht zijn, overmits de toen aanwezige onfeilbare aanwijzing van wat kettersch of niet kettersch was, thans ontbreekt.

2º. dat de Heere en de Apostelen nergens de hulp der Overheid inroepen om met den zwaarde te slaan, wie afweek van de waarheid. Zelfs bij zoo gruwelijke ketters als in Corinthe de gemeente bezoedelden, meldt Paulus hiervan niets. En met geen woord is uit het Nieuwe Testament op te maken, dat in de dagen, waarin de bijzondere openbaring zou wegvallen, uitroeiing der ketterij met den zwaarde plicht der overheid zou zijn.

3º. dat onze vaderen deze monstrueuse stelling niet uit hun beginsel hebben afgeleid, maar uit den Roomschen praktijk overgenomen;

4º. dat de aanvaarding en uitvoering van dit beginsel bijna altoos op het hoofd der niet-ketters is neergekomen, en niet de waarheid, maar de ketterij in eere heeft gehouden.

5º. dat deze stelling tegen den geest en het Christelijk geloof ingaat.

En 6º. dat deze stelling onderstelt dat de overheid in staat zij het onderscheid tusschen waarheid en ketterij te beoordeelen, een ambtelijke genade die haar, blijkens de geschiedenis van 18 eeuwen, door den Heiligen Geest niet verleend, maar onthouden is.

We verhelen dus in het minst niet, dat we ten opzichte van dit punt het met Calvijn, onze Confessie en onze Gereformeerde theologen oneens zijn.

We betuigen gaarne, dat we niet dan noode en door onoverwinlijke overtuiging gedrongen dit verschil doen uitkomen.

We geven volkomen toe, dat zij die in Art. 36 ook deze zinsne ten volle beamen, in dit opzicht een gemakkelijker positie hebben.

We komen er voor uit, dat wie ons in dit opzicht bij de gemeente voorstelt als in de Belijdenis afgeweken, een volkomen waarachtig getuigenis geeft.

|188|

Maar, niettegenstaande deze ernstige bezwaren, die we volstrekt niet licht achten, blijven we desniettemin onbewimpeld uitspreken: Een schavot voor den ketter vragen we in den naam des Heeren niet.

Want, dit wete en versta de gemeente onzes Heeren Jesu Christi wel, en dit zij aan de kinderen Gods, die liefde kennen, wel scherpelijk op de ziel gebonden: Die leeraars, die zeggen ook nu nog Art. 36, voor wat deze zinsneê aangaat, te handhaven, leggen aan het volk des Heeren den eisch voor, dat ze dit schavotteeren van de ketters zullen goedkeuren, neen meer nog, als door God gewild, zullen belijden, en op zich de verantwoordelijkheid zullen nemen voor het weêr vergieten van het ketterbloed.

Achten de kinderen Gods in deze landen, dit nu te mogen doen, natuurlijk dan moeten ze ons in dezen deele veroordeelen.

Maar ook, spreekt een betere getuige in hen: „Een schavot voor den ketter oprichten mag ik niet!” laat ze dan den moed hebben openlijk hun stem bij de onze te voegen, opdat de voorstanders en tegenstanders van het verbranden of schavotteeren der ketters in zuivere positie tegenover elkander staan.

Gelijk men weet, ontkennen we daarom allerminst hetgeen uit Christus’ koningschap en de beide tafelen der wet voor de overheid voortvloeit. Dit echter is afgehandeld in vorige paragraphen en mag dus hier niet herhaald.

Slechts dit zij ons nog vergund hier bij te voegen.

Hoewel onze tegenstanders moeten volhouden dat ook Nero verplicht was de ketters, naar eigen oordeel, (d.i. de mannen, die hij voor ketters hield) ter laatster instantie, te verbranden, geven ze feitelijk toch toe, dat deze plicht rechtens alleen goed kan vervuld worden door een overheid professie doende van de gereformeerde religie.

En overmits nu zulk een Overheid er niet is, noch in ons land te komen staat, zoo willen we gevraagd hebben, of het goed is, de broederen te verdeelen over zoo pijnlijk vraagstuk, als het schavot voor den hardnekkigen ketter.

Wij althans, blijven ons vleien met de hoop, dat zelfs die leeraars, die thans bij voorkeur voor het behouden dezer schavot-zinsnede in Art. 36 ijveren, zelven de eersten zouden zijn, om voor de consequentie van hun stelsel terug te deinzen, als de Burgemeester hunner woonplaats eens feitelijk een ketter op het schavot of op den brandstapel liet brengen.

Ons dunkt, in die ure zouden ze liever, dan te roepen om het ketterbloed, zelven water aandragen om de brandende houtmijt te

|189|

blusschen, of in liefdeijver nog de koorde doorsnijden die reeds als strop om den hals van hun medeburgers lag.

Kuyper, A. (1883) § 63

§ 63. Van de reformatiën die tot stand kwamen, en hun onderscheiden karakter.

Doordien men gewoon is, de reformatie der 16e eeuw als de reformatie te beschouwen, verkeeren velen onder den indruk, alsof van andere reformatiën in de Heilige Schrift noch in de geschiedenis sprake was.

Dit is intusschen een valsch denkbeeld.

Reformatiën zijn gedurig tot stand gekomen, zij het ook van minder omvang, niet zoo doortastend, of in gevolgen minder rijk dan de reformatie, die aan Luther’s en Calvyn’s naam is verbonden.

Op dit feit dient gelet.

Went men zich toch, om de reformatie van Luther als de eenige wezenlijke reformatie te beschouwen, dan heeft dit ten gevolge, dat men „reformatie” aanziet voor een eenmaal plaats gehad hebbend feit, dat ons voorts niets te zeggen heeft. Gaat daarentegen het oog er voor open, dat „reformatie” een constante factor in de geschiedenis van Jezus’ kerk is geweest, zoodat telkens na in geslopen misbruik of ontaarding herstel door reformatie beproefd en niet zelden geslaagd is, dan begint het denkbeeld van reformatie weer voor ons te leven, ons toe te spreken, en wordt van zelf de vraag geboren: „Kan ook mijn kerk niet weer door reformatie opgebeurd uit haar diep verval?”

Dit nu noopt ons, de onderscheidene reformatiën, waarvan de Heilige Schrift en de Geschiedenis ons melden, vluchtig te doorloopen en tevens het karakter aan te duiden, de beteekenis in het licht te stellen en het stempel te doen uitkomen, hetwelk elk dezer reformatiën droeg.

We spreken daartoe onderscheidenlijk, eerst van de reformatiën, die ons in de Heilige Schrift geboekt staan, en daarna van de reformatiën die vermeld staan in de Geschiedenis der Kerk.

Deze onderscheiding mag niet verwaarloosd worden; te meer daar o.i. zelfs onze beste Canonisten door deze onderscheiding over het hoofd te zien, metterdaad niet weinig verwarring in de denkbeelden over reformatie hebben aangericht.

Immers, wie zal ontkennen, dat het gevaar zeer voor de hand ligt, om hetgeen van de reformatiën in de Heilige Schrift vermeld staat, ook voor ónze reformatie der kerk als richtsnoer aan te nemen? En dit nu juist gaat feil. Gelijk namelijk, waar sprake valt van de onderhouding der Mozasche politieke en sociale, ceremonieele

|190|

en huiselijke wetten, door ieder er op wordt gewezen, dat we verkeerd zouden doen, met geheel deze reeks van wetten (al staan ze ook in de Heilige Schrift) voor in letterlijken zin nog voor ons verbindend te verklaren; en men er op aandringt, dat bij alle deze wetten tusschen hun leidende gedachte en speciale uitwerking, en evenzoo tusschen hun zedelijke en ceremonieele strekking zal onderscheiden worden 1), zoo ook eischt heilig beleid, dat men bij deze reformatiën der Heilige Schrift zich wel afvrage: welke bestanddeelen van deze reformatiën saâmhingen met Israëls eigenaardigen toestand als openbaringsvolk, en welke andere bestanddeelen een algemeen karakter droegen, — om voorts alleen dit laatste voor ons zelven als regel van gedraging te kiezen.

Op vier elementen in deze reformatiën der Heilige Schrift dient hier met name gewezen.

1º. Tijdens de bijzondere openbaring nog voortduurde, ontvingen sommige mannen Gods een rechtstreeksche mededeeling, aanwijzing en oproeping uit den hemel, in een zin waarin zulk een aanwijzing en oproeping thans aan niemand meer ten deel valt.

2º. In den Israëlietischen volksstaat was de wetgeving van rechtstreeks goddelijken oorsprong, zoodat overtreding der wet, zelfs in het kleine, als zonde in absoluten zin gold, terwijl thans de kerkelijke reglementen hun oorsprong aan menschelijk inzicht danken en dus dat absoluut karakter missen.

3º. In Israël was de koning niet een bloot burgerlijk, maar evenzeer een kerkelijk persoon, die als drager van het Messiaansche beeld even goed als de priester of profeet, een ambt in de kerk bezat. Ook dit is nu weggevallen, overmits Jezus nu zelf Koning in zijn kerk is. Alle gevolgtrekking, die men uit het optreden van David en Salomo, van Josia, Johaz en Hiskia voor onze Overheid wil afleiden, gaat dus mank.

En 4º. In Israël kon men het bloed der afgodische ketters, gelijk Elia deed, bij stroomen vergieten en ook tegen de dwaalleeraars de doodstraf aanwenden, zoo dikwijls God de Heere, gelijk aan Elia en Mozes, hiertoe rechtstreekschen last gaf. Het theocratisch karakter der wetten maakte deze absolute straffen noodwendig en rechtvaardigde ze tevens. Nu daarentegen, nu én deze rechtstreeksche wetgeving, én deze rechtstreeksche last beiden ontbreken, zou navolging van Elia’s handelwijs tegen de Baälspriesters een gruwel der ongerechtigheid zijn.


1) Cf. Junius, de observatione legis mosaicae, in ed. Amst. 1882, p. 336-392.

|191|

Diegenen onzer broederen, die zich in het vervolg op het Oude Testament als richtsnoer voor kerkreformatie beroepen willen, zullen derhalve voortaan met dit vierderlei verschil te rekenen hebben. Immers, ze mogen wel bedenken, dat, gelijk Franciscus Junius het uitdrukt, „het aanhouden van een schaduwbeeld, nadat het ware zelf gekomen is, niet maar onraadzaam en doelloos, maar zelfs zondig is.” Nog varren en rammen te offeren, na Golgotha, ware aan de eere van Jezus’ geheel eenige offerande te kort doen. Maar zoo nu ook ware het aan het Souvereine Koningschap van Jezus over zijn kerk afbreuk doen, indien men ook na zijn troonsbeklimming en gedurende zijn goddelijk regiment vanuit den hemel, voortging om aan een aardsche Overheid een macht over de kerk te gunnen, als David en zijn op volgers slechts als voorloopers van den Christus bezeten hebben.

Na deze voorloopige opmerkingen kan nu voorts onze opsomming van de Bijbelsche reformatiën kort zijn.

Reeds vóór Israël als volk optrad, vernemen we van vier gebeurtenissen, waardoor de kerke Gods na inzinking weer opgericht, of door scheiding voor algeheele verbastering bewaard is.

De eerste dezer reformatiën kwam tot stand door het uiteengaan der Sethieten en Cananieten. In de dagen van Enoch, zoo lezen we, begon men den naam des Heeren weer aan te roepen.

De tweede ontzachlijke, door God zelf bewerkte reformatie, greep plaats door den zondvloed, toen al het verdorven volk in den vloed onderging, en alleen de arke met haar kostelijke schat de kerk des Heeren droeg, en na korte poos toevens aan de aarde teruggaf.

De derde alles beheerschende reformatie kwam door Abram tot stand, toen hij, op Gods bevel de kerke Gods uit Terah’s afgodisch geworden geslacht uitdroeg en overbracht naar het land dat God hem wijzen zou.

Terwijl eindelijk de vierde reformatie door het uiteengaan van Jacob en Ezau wierd doorgezet. Ook Ezau was in de kerke Gods geboren en had het Sacrament des Verbonds in zijn lichaam ontvangen. Maar het kwaad sloop in, en de kerke Gods zou geheel ontaard zijn, indien de Heere niet door Jacob en Ezau af te scheiden, de Edomieten in hun zonde had teruggestooten om in en met Jacob zijn kerk vrij te houden.

Alle vier deze reformaties dragen het karakter van minder door menschelijk toeleg, dan wel door Gods eigen doen, tot stand te komen. Het zijn reformatiën die daarom ons niet ten voorbeeld kunnen strekken, omdat de menschheid niet meer, gelijk destijds, met de kerk saâmvalt en het Godsbestuur andere paden volgt als toen.

|192|

Na deze vier vóór-Israëlietische reformatin komen de reformatiën, die onder het volk van Israël tot stand kwamen, en wel in twee categoriën ingedeeld, naar gelang ze vóór of onder het koninklijk regiment vielen.

Die reformatiën in Israël die vóór het Koninklijk regiment vielen, zijn vier in getal.

Vooreerst de uitredding van de kerke Gods uit den ondergang waarmeê Egypte’s politiek hen bedreigde, en wel door overplaatsing van gansch de kerk uit het land Gosen naar de woestijn.

Ten tweede de reformatie door Mozes tot stand gebracht na de oprichting van den kalverendienst door Aron.

Ten derde de onderscheidene reformatiën, die door Gideon, Jephta, Simson en andere richters in den volkstoestand wierden bewerkt.

En ten vierde de reformatie waartoe Samuël drong en die hij ten deele tot stand bracht.

Het karakter der drie laatstbedoelde reformatiën was uitroeiing van het verkeerde, geestelijke verwakkering van het volk en gewelddadig doorzetten van de triomf over de ongerechtigheid; edoch, telkens door mannen Gods, die daartoe bijzondere opdracht ontvangen hadden.

De reformatiën door de Koningen tot stand gebracht zijn zeven in aantal, en wel onder Asa, Josaphat, Jos, Hiskia en Manasse in Juda, en onder Jehu en onder Achab door Elia in Israël.

Deze reformatiën werden telkens in het leven geroepen door de schrikkelijke uitbarsting van afgoderij en goddeloosheid onder het volk. Wat de Schrift ons daarvan meldt gaat alle beschrijving te boven. De Sacramenten werden soms in jaren niet uitgedeeld. Alle wetsonderhouding geraakte in onbruik. Allerlei afgodische eerediensten werden openlijk in dorpen en steden, ja zelfs te Jeruzalem gepleegd. Het zedenbederf kende geen grenzen. Met het heillige werd gespot. Gods trouwe dienaren sloeg men dood. En tot in den tempel en onder de priesteren was het roekeloos bederf doorgedrongen.

En tegen deze gruwelen nu zijn in Juda vijfmalen de Koningen zelf opgetreden, met name Josaphat, Hiskia en Manasse, terwijl ook Asa’s en Joäs’ namen met dank en eere worden vermeld.

In Israël was Jehu de eenige Koning die met een Hiskia’s ijver tegen het bederf der kerk is opgetreden, terwijl de reformatie onder Achab niet van den Koning, maar juist tegen den Koning van Elia was uitgegaan.

Bij deze zeven reformatiën, die, allen tamelijk wel een gelijk karakter dragen, valt op te merken, dat ze niet tot een breuke met de

|193|

bestaande kerk leidden, maar door de wettige, door God bestelde organen der kerk tot stand kwamen; terwijl ze niet tot vernieuwing van den kerkvorm of verandering van den eeredienst voerden, maar uitsluitend strekten om de afgoderij uit te roeien, de zedeloosheid te stuiten en den verwaarloosden kerkedienst weer in eere te brengen.

Na den val der Koningen tot op Jezus’ optreden lezen we in de Heilige Schrift van nog drie reformatiën.

De eerste toen Zerubbabel de ballingkerk weer naar Palestina leidde en met Jozua de weêropbouwing van Jeruzalems muren begon.

De tweede toen Ezra en Nehemia met fieren moed optraden om het nogmaals insluipend bederf in de geboorte te verstikken.

En de derde toen, vier eeuwen later, Joännes de Dooper aan de boorden van den Jordaan verscheen, om Israël te manen tot boete en bekeering.

De eerste was een reformatie die geheel den toestand der kerk wijzigde en haar voor altoos in twee deelen splitste: de kerk die in Babylon bleef en de kerk die zich in Jeruzalem weer verzamelde.

De tweede was een geleidelijk kerkherstel tot afweren van verdervende elementen.

Terwijl de derde een reformatie door geestelijke verwakkering was, een réveil zonder meer, waarbij de kerkvorm als zoodanig buiten sprake bleef.

 

En gaan we hiermeê nu over tot de geschiedenis der kerk buiten de Schriftuur, zoo dient wel onderscheiden tusschen de reformatiën door de groote Conciliën, de reformatiën door de kleine groepen, de reformatiën die tot splitsing der kerk leidden, en die reformatiën eindelijk die strekten om de eens gesplitste kerken te bewaren bij haar zuiverheid.

De groote Conciliën, wier reeks in 325 met het Concilie van Nicaea opende, waren alle reformatorische Conciliën, en hadden de kerken in 1517 op gelijke wijze in Concilie de hervorming der kerken kunnen tot stand brengen, zoo zou de jammerlijke splitsing en deeling der kerk ons nooit verscheurd hebben. Immers aan elk dezer groote Conciliën ging telkens het droeve feit vooraf, dat ergerlijke dwaalleer in de kerken van Jezus was ingeslopen; tot zelfs in den kring der leeraars op uitgebreide schaal sympathie had gevonden; heel het bestaan der kerk met scheuring en ondergang bedreigde; en de godzaligheid op grievende wijze schipbreuk deed lijden. En telkens zijn het dan deze Oecumenische Conciliën geweest, die in ’s Heeren

|194|

Geest saâmgekomen, de waarheid weer gehandhaafd, de ketterij veroordeeld, de eenheid der kerk hersteld en de bandeloosheid gestuit hebben.

Van geheel ander karakter weer waren de reformatiën door de kleine groepen, waarvan die door de Waldensen in Savoije, van de Hussieten in Boheme en van de Wicklefieten in Engeland de bekendste zijn, zij het ook op verre na niet de eenigen. Deze reformatiën gingen niet van de toongevende kringen uit, waren eer tegen de machthebbenden gericht, en strekten alleen om, ’t zij door, hetzij zonder breuke met de kerk, terug te keeren tot apostolische zuiverheid.

De groote reformatie, die eindelijk in de 16e eeuw doorbrak droeg de eenheid van haar stempel daarin, dat ze tot een finale breuke met het Roomsche kerkverband leidde, maar vertoonde overigens in onderscheidene landen een zeer uiteenloopend karakter.

Met name op drieërlei verschil is te letten.

De Duitsche reformatie, en op haar voetspoor die in Denemarken, Noorwegen enz. ging vooral van de Vorsten uit, kwam van bovenaf, en strekte om de geheele landskerke in heur ongedeeldheid om te zetten.

De Zwitsersche reformatie daarentegen, en op haar voetspoor die in Schotland en ten onzent, ging uit van het volk, kwam van beneden op, en strekte om de plaatselijke kerken eerst vrij te maken en daarna in nieuw kerkverband te verbinden.

Terwijl eindelijk de Slavische en Fransche reformatiën daarin weer van beiden onderscheiden waren, dat in Duitschland en Zwitserland wel met het kerkverband, maar niet met de kerken gebroken wierd, terwijl in Polen en Boheme, evenals in Frankrijk en Italië niet de bestaande kerk werd omgezet, maar naast en tegenover de bestaande Roomsche kerken, nieuwe Protestantsche werden opgericht.

Welk onderscheid echter geen oogenblik het aan allen gemeenschappelijk karakter opheft, t.w. dat ze allen tot stand kwamen door afbreken van de legitimistische lijn en door breuke met het bestaande.

 

En dient thans ten slotte nog met een enkel woord gewezen op de na-reformatorische reformatiën, dan bepalen we ons liefst tot ons eigen land, en wijzen op drie reformatiën, die meer in het oog liepen, zonder daarom tal van kleinere reformatiën te willen onderschatten.

De eerste was de reformatie die tot stand kwam door de Dordsche Synode. Ook toen was bederf in leer en leven ingeslopen en had zelfs een deel der leeraren en de kerkeraden aangetast. Ook toen brak men allerwege met den bestaanden toestand door het oprichten van doleerende kerken, en dus zonder de kerk te verlaten. Ook toen

|195|

ontstonden tegen-kerkeraden en tegen-classes. Ook toen dreigde de kerk gescheurd te worden. Maar door geleidelijk kerkherstel is destijds dit kwaad nog op de Dordsche Synode in 1619 bezworen.

De tweede was de reformatie door geestelijke verwakkering, die in de voorgaande eeuw in Zeeland, op het platteland van Holland en op de Veluwe tot veler opstaan uit den dood geleid heeft.

En de derde eindelijk is de reformatie, die omstreeks 1830/40 in onderscheidene deelen van ons land door Budding, Ledeboer, de Cock en Scholte beproefd is, en die in Zeeland tot het optreden in kleine kringen, onder de Ledeboerianen tot een soort doleerende kerken, en onder de Cock en Scholte, van Velzen en Brummelkamp tot de bekende afscheiding geleid heeft.

Van deze drie heeft alleen de laatste tot een resultaat van eenigen omvang geleid, doordien zelfstandig optreden en aanwending van de kracht der organisatie hier metterdaad nieuwe kerkstichting in het leven riep.

De Ledeboerianen wilden reformatie door breuke met de bestaande organisatie en desnoods met het bestaande kerkverband, maar oordeelden dat de kerken dezer landen nog niet als Baälskerken mochten uitgekreten worden.

De later gescheidene broederen daarentegen achtten zich gerechtigd in de kerken dezer landen de merkteekenen der valsche kerk aan te wijzen, en op dien grond met deze verdorvene synagoge des Satans door nieuwe kerkformatie te breken.

Hierbij onderscheide men intusschen wel tusschen de zoodanigen die wierden afgezet, en hen die, zonder afgezet te zijn, eigener beweging de kerken dezer landen verlieten.

Voor den stap der eersten is zóóveel te zeggen, dat we ons niet gaarne aan hun gemeenschap zouden onttrokken hebben.

Het doen der laatsten daarentegen kan o.i. zeker zacht protest niet ontgaan.

Immers, men mag zijn kerk niet uitgaan, tenzij men wel verzekerd zij, dat ze een Synagoge des Satans wierd. Calvyn met name waarschuwt er zoo dringend tegen. En nu mag en moet het o.i. ten ernstigste betwijfeld, of de kerken dezer landen, waarvan men uitging, altoos en in elk onderscheiden geval, en in elke stad en in elk dorp, reeds zoo duidelijk de merkteekenen der valsche kerk vertoonden, dat uitgaan met een bloedend hart plicht was.

Gelijk men in de volgende § zien zal, komt het ons dus voor, dat helaas, in niet zoo zeldzame gevallen de conclusie om uit te treden, metterdaad niet langer te ontwijken was. Maar hier staat tegenover,

|196|

dat ook velen destijds uittraden uit zoodanige kerken, die in zichzelven nog volstrekt niet derwijs gedeformeerd waren, en die dit deden alleen overmits deze kerken het kerkverband niet braken met andere dieper gezonken kerken.

En nu zien we niet in, dat of op grond der Schrift, of op grond der geschiedenis, ooit kan worden volgehouden, dat eenige kerk, alleen om het ongerechtig kerkverband, waarin ze staat, zoo maar voetstoots als valsche kerk, d.i. als Synagoge des Satans, mag verworpen.

Gaat men na hoe ontzettend de afval en verbastering van de kerk onder Israël geweest is, en evenzoo hoevele tientallen van jaren, ja eeuwen, onze vaderen gewacht hebben, eer ze het verderf in Rome’s kerk hoog genoeg geklommen achtten, om breuke geoorloofd te doen schijnen, dan ontvangt men onwillekeurig den indruk, dat de nu uitgetreden broederen de kranke wel wat spoedig hebben opgegeven, en moeilijk aan den schijn kunnen ontkomen, van reeds de begrafenis voor menige kerk besteld te hebben, die door ’s Heeren goedheid weer bijkwam en nog leeft.

Kuyper, A. (1883) § 64

§ 64. Van de reformatie die in de Gereformeerde kerken dezer landen thans dient ondernomen.

Ook de Gereformeerde kerken dezer landen wachten wederom op doortastende reformatie, om in beteren kerkstaat hersteld, Gode weer zijne eere, aan zijn uitverkorenen de genieting zijns heils, en aan ons volk en vaderland steun tegen inzinking in dieper zedelijk verval te bieden.

Dat deze reformatie noodwendig is, blijkt uit droeve feiten, die, helaas, door niemand worden ontkend. Als daar zijn: dat de godzaligheid onder ’s Heeren volk beneden het gewone peil zonk. Dat de sleutel der kennisse, enkele zeer kleine kringen uitgenomen, weg is. Dat wereldgelijkvormigheid onder de leden der kerken niet slechts doordrong, maar bij de massa de overhand kreeg. Dat de grootste zedeloosheden en meest drieste ketterijen, tot godloochening voortgaande, openbaarlijk en straffeloos door de kerken worden geduld. Dat valsche leer onder de leeraars is doorgedrongen. Dat in veel kerken de Sacramenten worden ontheiligd. Dat de liefde onder de broederen week voor twist en verdeeldheid. Dat er onder de kerken scheuring is ontstaan, doordien tal van kleinere groepen als afzonderlijke kerk zijn opgetreden. En eindelijk, dat de meesten dier kerken in een kerkverband staan, dat steeds onheiliger karakter vertoont en al meer nadert aan de pauselijke hiërarchie.

|197|

Overdrijven willen we hierbij niet, en wel heeft men zich te wachten voor de onware voorstelling, alsof de staat onzer kerken nu reeds op één lijn ware te stellen, met b.v. den staat der kerk van Jeruzalem, onder de latere Koningen, of ook met den staat van onze Vaderlandsche kerken in het laatst der 15e eeuw.

Wie dit zegt, kent de historie niet.

Veeleer moet staande gehouden, dat de Gereformeerde kerken dezer landen nog altoos dáárin van beide genoemde kerken onderscheiden zijn: 1º. dat de bediening van het Woord en van het Sacrament in vele dezer kerken nog voortbestaat in een zuiverheid als destijds geheel ongekend was; 2º. dat de ingeslopen ketterij en zedeloosheid nog op verre na niet dat afgodisch en satanisch karakter van destijds heeft aangenomen; 3º. dat die beter wil nog veel vrijer zich beweegt en op verre na niet als destijds mishandeld wordt; en 4º. dat de zedeloosheid onder de leeraren, hoewel hier en daar zich reeds vertoonende, toch in geen vergelijking komt met hetgeen in Jeruzalem en onder Rome in de 15e eeuw is gezien.

Vraagt men dan ook, of we de Gereformeerde kerken dezer landen reeds beschouwen mogen als zijnde valsche kerken of synagogen des satans geworden, dan wenschen we te antwoorden met onderscheid en verschil te maken tusschen drieërlei soort van kerken.

In eerste linie plaatsen we daartoe die kerken waar nog tamelijk zuivere bediening van het Woord en tamelijk zuivere bediening van de Sacramenten is, gelijk in de kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht enz., naar we meenen te mogen gissen, wel een 5 à 600 in aantal.

Van deze kerken komt het ons geen oogenblik twijfelachtig voor, dat ze metterdaad nog ware kerken van onzen Heere Jezus Christus zijn. En dat wel niettegenstaande we grif en gaaf toegeven, dat in deze kerken de navolgende misstanden bestaan: 1º. dat ze nevens de goede bediening der genademiddelen nog ontheiliging er van toelaten, 2º. dat ze de tucht in onbruik lieten komen, 3º. dat ze ook aan ongeloovigen stemrecht verleenen, en 4º. dat ze in valsch kerkverband staan.

Gebreken die we ganschelijk niet gering achten, maar nog geenszins bij ons bewerken kunnen, dat we deze kerken als valsche kerken durven uitwerpen.

Men bedenke toch wel, dat ook onze vaderen, hoewel de valsche prediking voortbestond, nochtans er geen oogenblik aan gedacht hebben, om hun plaatselijke kerk (wel Rome) als valsche kerk op te geven.

In tweede linie plaatsen we die kerken, waar wel voor het

|198|

oogenblik de goede bediening van de genademiddelen ontbreekt, doch waar nog bidders zijn en nog hope wordt gekoesterd, dat op ’s Heeren tijd de Baälsdienst voor den dienst des Heeren zal wijken.

De voorbeelden zijn met name noembaar van tal van kerken waar twintig, dertig jaren lang nooit anders dan leugenleeraars dienden, en die op het gebed der geloovigen desniettemin thans weer met goede bediening der genademiddelen verwaardigd en begenadigd zijn. Och, of ze er Gode dank voor mochten brengen!

De toestand van deze kerken nu beschouwen we als uiterst gevaarlijk, en geven zelfs toe, dat ze den naam van kerk of althans „den wettigen vorm” er van, gelijk Calvijn zegt, bijna verloren hebben. Maar als we nochtans letten op hetgeen in Israël geschied is, letten op de behoudenisse der kerken onder de Roomsche hiërarchie, en zien ook op de teekenen die onze eigene oogen in tal van andere kerken aanschouwd hebben, durven we het voor God den Heere nog niet aan, om deze kerken reeds nu voor dood te verklaren, noch om hun kerkeraad gelijk te stellen met een Synagoge des Satans.

Wel helaas, meenen we dat te mogen doen bij de derde categorie van kerken, gelijk er niet weinigen in onze provinciën gevonden worden, en waarvan gezegd dient: 1º. dat de bediening der genademiddelen er niet slechts week, maar zonder dat eenig uitzicht op terugkeer gekend of hope op terugkeer gekoesterd wordt; 2º. dat de bediening van ongeloof en afgoderij er openlijk de heilige plaatsheeft ingenomen zonder de conscientie meer aanstoot te geven; en 3º. dat de vijandschap tegen de waarheid en de ontstentenisse van godzaligheid zóóver voortschreed, dat een zedelijke ontbinding in alle verhoudingen der maatschappij valt waar te nemen.

Van zulke kerken meenen we dat gezegd moet: Ze zijn gestorven. De kandelaar is van haar plaatse genomen. En wel kan God de Heere te dier plaatse een nieuwe kerk doen opbouwen, maar uit dien ouden, verdorden stam wordt niets meer.

Want wel achten we het niet ondenkbaar, dat bijv. door ringprediking tijdens vacature de genade Gods er weer gepredikt, door die prediking eenige zielen getroffen, en uit dien kring van getroffenen een nieuw leven voor de kerk voortkwame, maar betwijfelen zeer of men dit een nieuw opleven van de oude kerk zou kunnen noemen. Op geheel gelijke wijze toch kan ook in een valsche kerk door toevallige omstandigheden het Woord komen, zonder dat iemand daarom die valsche kerk ter oorzake van dit bijkomstige rehabiliteeren zal.

Misschien vraagt men, waarom we aan deze drie categorien van

|199|

Gereformeerde kerken nog niet een vierde toevoegen voor de kerken der gescheidenen in hun drie of vier groepen, die onder onderscheidene benamingen voortbestaan.

Reden hiervan is, dat wij in al deze gescheidene kerken niets anders kunnen noch mogen zien dan doleerende kerken, die zich tijdelijk misschien iets te zelfstandig georganiseerd hebben. Als morgen den dag de kerken van Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, enz. door reformatie weer in zuiveren staat hersteld worden, zijn we overtuigd, dat al deze nu gescheidene kerken zullen saâmvloeien; terwijl het heur allerminst euvel is te duiden, dat ze dit weigeren te doen, zoolang die reformatie toeft en een ongeoorloofd kerkverband wordt bijgehouden.

Nu weten we wel, dat deze gescheidene kerken zelven volstrekt niet zullen toegeven, dat ze doleerende kerken zijn. Maar dit deert ons niet. Waren ze toch geen doleerende kerken, dan zouden ze moeten volhouden dat onze kerken alle valsche kerken of Synagogen des Satans zijn. En naar we gelooven durven, doen althans de godzaligen onder hen dit niet meer. En mag nu als veldwinnende overtuiging onder hen aangenomen, dat lang niet alle kerken, waarnaast de gescheidene kerk is opgetreden, als valsche kerken wegstierven, dan volgt hieruit immers van zelf, dat deze gescheidene kerken óf schismatiek zouden zijn, óf wel, en dat is onze stelling, als doleerende kerken van iets te zelfstandige organisatie door ons zijn te eeren.

Aan het huldigen van deze beschouwing stond vroeger in den weg, dat men van de modernen en groningers de onjuiste voorstelling had overgenomen, alsof er hier te lande slechts ééne groote kerk bestond, met plaatselijke afdeelingen. In die gedachtenlijn nu moest men wel redeneeren: „Al wat de kerk in haar afdeeling te Ulrum doet, doet altoos die geheele kerk!” en dan moest men die kerk in al haar afdeelingen ook verwerpen. Maar gelukt het dan ook, dit valsche collegiale denkbeeld te doen wijken voor meer gereformeerde denkbeelden, mag dan geen hoop gekoesterd, dat men ook bij deze gescheidene kerken het gemaakte onderscheid toe zal geven, door het kerkverband weer als bijkomstig te gaan beschouwen, en het wezen der kerk te stellen, niet in het genootschap, maar in de plaatselijke kerken.

Tevens zal dit bij die gescheidenen, die onder den naam van „Christelijke Gereformeerden” bij de Regeering erkend zijn, een reactie in het leven roepen tegen de min of meer collegiale beschouwing, waardoor sommigen ook onder hen het gescheiden kerkgenootschap

|200|

zich denken als hoofdide en de plaatselijke kerken als van dat genootschap de compartimenten.

Dit is ongereformeerd en zal door de heerschappij van het gereformeerde beginsel ook uit deze kerken allengs worden uitgedreven.

 

En wat nu de vraag betreft, op wat wijze de reformatie der Gereformeerde kerken bij deze onderscheidene categoriën hier te lande dient ondernomen, zoo antwoorden we daarop onderscheidenlijk, én voor zooveel aangaat de boven aangegeven drie categoriën, én voor zooveel betreft de personen of lichamen die tot handelen geroepen worden.

We doen dit in de navolgende opmerkingen.

1º. Alle kinderen Gods in deze kerken zullen weldoen met geestelijk dezen droeven staat der kerk voor de poorte van hun hart te brengen. Het oordeel Gods over zijn volk moet in dezen droeven kerkstaat veel meer dan dusver erkend. Niet enkel in de kerken, die half verwoest zijn, maar ook in kerken, als die van Amsterdam moet de jammerlijke gesteldheid der kerk tot gebed en smeeking uitdrijven. Het moet van den Heere begeerd, dat Hij om Zijnen heiligen Naams wille zich weer ontferme over Zijn Zion.

2º. Deze geestelijke bemoeienis met de ellende der kerken Gods moet leiden tot persoonlijke schuldbelijdenis en persoonlijke bekeering ook van de godzaligen. Gods kind kent zijn eigen schuld als de diepste. Ieder zij in zijn eigen oog de grootste der zondaren. En ook, uit dien dood sta hij op. Er zij boete, er zij bekeering, er zij vernieuwing des Verbonds met den Allerhoogste!

3º. Uit het persoonlijk leven ga deze reformatie over in onze huisgezinnen en broederkringen. Daarheen dringe het eerst de impulsie des beteren levens door. Het ga weer op hope tegen hope. Van de wereld af naar den Heere der heirscharen toe. Uit de tente der ijdelheid naar de tente onzes Heeren. En zich versteken in Zijn hut.

4º. Uit dezen kring trede deze reformatie naar buiten in bestrijding van zonde en dwaalleer, en in betooning van barmhartigheid, me door bekendmaking van het Evangelie der behoudenis. Het ambt der geloovigen, dat nog sluimert, trede heerlijk in zijn bediening uit. En de diepst ingeleiden, wel verre van dit aan anderen over te laten, mogen toch gebeden zijn, om hierin voor te gaan.

5º. In die kerken, die naar onze derde categorie geheel verstorven zijn, zouden we voorts de geloovigen vermanen willen, om óf een kerke Christi op te richten, óf zich aan te sluiten bij een andere kerk, die in hun woonplaats als gescheiden kerk mocht bestaan; mits

|201|

slechts zooveel van die kerk kan verkregen worden, dat ze de mogelijkheid van nieuw kerkverband met andere gereformeerde kerken openhield.

6º. In die kerken, waarin naar onze tweede categorie de zuivere bediening der genademiddelen tijdelijk ontbreekt, maar nog hope bleef op herstel, zouden we de geloovigen gebeden willen hebben, om zonder verwijl een doleerende kerk op te richten, d.w.z. een bedeeling der genademiddelen in het leven te willen roepen onder leiding van een geloovigen kerkeraad, daartoe expresselijk gekozen.

7º. En in die kerken, waar, overeenkomstig onze eerste categorie nog tamelijk zuivere bediening der genademiddelen is, zullen de geloovigen goed doen, met deze middelen getrouwelijk te gebruiken, God den Heere voor zijn genadebetoon in deze middelen te danken en Hem te bidden, dat die bediening hun gelaten worde. En voorts zullen dan de geloovigen gehouden zijn, om in geen enkel opzicht, ’t zij door onderwijs, huisbezoek, doop of prediking gemeenschap te oefenen met zoodanige leeraars of ambtsdragers in hun kerk, als den raad Gods weerstaan.

 

In de tweede plaats voor wat aangaat de personen in het ambt zoo zouden we meenen:

1º. dat predikanten in wier nabijheid gemeenten van de 2e of 3e categorie lagen, gehouden zouden zijn, om door missie in deze verstorven kerken personen tot de kennisse des Evangelies te brengen en aan de doleerende kerken als consulent elken verlangden steun te bieden.

2º. dat predikanten in kerken, waar zij ongeloovige leeraars naast zich vinden, alle ambtelijke gemeenschap met dezen hebben af te breken, zij het ook onder alle bescheiden betoon van belangstelling in hun persoonlijk leven, opdat geen verheffing aanstoot geve.

3º. dat predikanten van den predikstoel, in de catechisatie en bij het huisbezoek gedurig de gemeente bij het oordeel Gods dat op de kerk rust, hebben te bepalen; tot boete en bekeering hebben op te wekken; en zelven door hun exempel in heiligen wandelen betering des levens hebben voor te gaan.

4º. dat predikanten in de vergadering van den kerkeraad op kerkherstel naar den Woorde Gods hebben aan te dringen, en ten leste, zoo dit niet baat, met de belijdende kerkeraadsleden afzonderlijk behooren te vergaderen.

5º. dat predikanten in hunne Classes er op hebben aan te dringen dat bijzonderlijk acht worde gegeven op kerken die van de belijdenis

|202|

afgaan, of waar de bediening der genademiddelen wordt vervalscht.

6º. dat predikanten bij de Classis hunner kerken allen ijver dienen aan te wenden, om de gezamenlijke kerken tot verootmoediging voor den Heere en terugkeer naar zijn Wet en getuigenis te bewegen.

7º. dat ouderlingen, voor zooveel hun ambt dit meêbrengt, gelijken weg hebben in te slaan als de Bedienaren des Woords, en bovendien in kerken waar geen bedienaar des Woords de gemeente met het Woord voedt, haar hebben te sterken door plaatsbekleedende bediening, en haar hebben behulpzaam te zijn bij het formeeren van doleerende kerken.

en 8º. dat diakenen, evenals de ouderlingen, naargelang hun ambt is, de Bedienaren des Woords in de reformatie der kerken terzijde hebben te staan, en de werken van barmhartigheid, door reformatie der verkoelde liefde, krachtig behooren op te wekken.

 

In de derde plaats, voor zooveel de kerkelijke vergaderingen aangaat, zoo komt het ons voor:

1º. dat de kerkeraden er op bedacht behooren te zijn om kerken van de tweede categorie te hulpe te komen, en in verstorven kerken van de derde categorie door missie te werken.

2º. dat de kerkeraden er naar behooren te streven, om de niet-belijdende elementen uit hun midden te verwijderen en alle gemeenschap met ongeloovige leeraars behooren af te breken.

3º. dat de kerkeraden hun kerk behooren op te wekken tot schuldbelijdenis, boete en bekeering en betering des levens, en hiertoe de tucht weer behooren te herstellen.

4º. dat de kerkeraden het kerkverband met andere kerken moeten doen strekken, om die andere kerken tot medereformatie te bewegen, en zoo dit blijkt niet verkrijgbaar te zijn, alsdan dat kerkverband behooren los te maken, door de invoering van een eigen kerkorde den staat hunner eigene kerk behooren te regelen, en voorts met al zulke doleerende of niet doleerende kerken in verband dienen te treden als met hen n zijn in belijdenis.

5º. dat de Classis de verkiezingen voor de onwettige besturen behooren na te laten; opdat deze besturen van zelf wegvallen; en voorts met andere classes in verband behooren te treden, om uit deze classes een wettige, geestelijke, nationale synode saâm te roepen.

6º. dat de classicale en provinciale Besturen, die niet in Gods Woord gegrond zijn en dus elk goddelijk bestaansrecht missen, zich behooren te ontbinden.

En 7º. dat de synode dezer kerken haar aangematigd souverein

|203|

gezag behoort af te leggen; van heur staan naar de kroon van Christus behoort af te laten; en de classes behoort uit te noodigen, om op grond der formulieren van eenigheid in betere Synode saâm te komen door deputaten, en door deze gedeputeerde Synode de reformatie van het kerkverband ter hand te doen nemen.

 

Wat in de vierde plaats de Overheid aangaat.

1º. dat de Overheid de Kon. Besluiten van 1815 en 1852 behoort in te trekken, opdat de fictie vervalle, alsof in 1852 de kerken vrij over haar eigen toekomst hadden kunnen beschikken, iets wat daarom niet gezegd mag, overmits de in 1852 tot stand gekomen regeling geheel beheerscht is door invloeden die krachtens het Besluit van 1815 in de kerk waren ingedrongen.

2º. dat de Overheid de noodige stappen doe, om Art. 168 voor zooveel de finantiëele banden aangaat, uit de Grondwet te doen uitlichten, zoo mogelijk na vooraf aan de plaatselijke kerken, hetzij in eens, hetzij bij termijnen de kapitale som te hebben terugbetaald en wat haar rechtens in rechten toekomt.

en 3º. dat de Overheid aan kerken, die in hun geheel het kerkverband verlaten, krachtens de wet van 1853 op de kerkgenootschappen erkenning en, zoo lang Art. 168 in de Grondwet vigeert, het genot van de daar gegunde emolumenten behoort te verleenen.

 

En wat eindelijk in de vijfde plaats de gescheidene kerken aangaat:

1º. dat deze haar zelfstandigheid als plaatselijke kerken steeds duidelijker hebben te accentueeren, opdat elk overblijfsel van den zuurdeesem van het collegiale stelsel gebannen worde.

2º. dat zij gemeenschap hebben te onderhouden met andere doleerende kerken, die zulks verlangen.

En 3º. dat zij, zoodra de oorspronkelijke kerken door geestelijke reformatie, uitbanning van onware bestanddeelen en losmaking van elk verkeerd kerkverband, hun vrijheid van handelen herwonnen hebben, weer met deze hebben saâm te smelten tot ééne plaatselijke kerk, zij het ook in onderscheidene parochieën.

Bij geheel dit kerkrechtelijk deel der reformatie zullen onze kerken zich hebben te stellen op de basis van Gods Woord, naar de Belijdenis hiervan gedaan in onze Drie formulieren van Eenigheid. Niet alsof die formulieren ooit in eenige gelijke waarde, of ook maar in vergelijking van waarde, met dat Woord konden komen, maar overmits noch aan eenig particulier persoon,

|204|

noch aan eenig drager van het ambt, maar alleen aan de kerken, in wettige Synode saâmgekomen, het recht toekomt om de gravamina die op grond van dit Woord tegen eenig Formulier mochten worden ingebracht, als rechters te beoordeelen en daarover in den naam des Heeren te beslissen.

Kuyper, A. (1883) § 65

§ 65. Van inbezitneming der Hoogere Besturen.

Den weg van inbezitneming der Classicale en Provinciale Besturen, die anderen verkieslijk toeschijnt, blijf ik ontraden. Reeds op zichzelf schijnt zulk een weg van opportuniteit, waarbij de beginselen hun stofgoud verliezen, minder verkieslijk. Maar bovendien, te zitten in zulk een bestuur, onder deze kerkorde, is een deel uitoefenen van een macht, die niet aan ons, maar aan Jezus onzen Koning toekomt. Voorts, ook al slaagde men er in, om met hulpe van dissentiëerende broederen, en dus zonder vasten grond van belijdenis, de kerkbesturen te eigenen, zoo zoudt ge immers aan het einde van den weg u toch weer deelen en de oude worsteling van nieuws af aan beginnen mogen. En eindelijk, wat ook onzen broederen toch immers niet minder zwaar weegt, ge maakt er het kerkherstel zoo ongeestelijk door, en berekening vervangt de wondere kracht van boete voor God te doen, en den adel van het gebed.

Meenen echter velen onzer broederen dien weg te mogen inslaan, niet wij wenschen hen te oordeelen, en geven den uitslag der worsteling aan Hem over, zonder wiens hoogere bezieling toch alle reformatie mislukt.

Maar welken anderen of beteren weg, dan den door ons geteekende, men ook voor de reformatie onzer kerken moge afbakenen, één ding moge toch met stillen ernst en heiligen aandrang van alle broederen in den geloove zijn afgebeden. Dit namelijk, dat de geestelijke stroom, die bij schuldbelijden begint en in bekeering des levens te voorschijn treedt, geen oogenblik van onder den kouden ijskorst der kerkrechtelijke bemoeienisse wegvloeie. Dat de drang tot reformatie bij leden noch ambtsdragers ooit door een antinomiaansche theorie van uitzieken worde tegengehouden, noch ook ruste eer alle ding in de kerke Gods weer naar den regel ga van zijn Woord. En ten slotte, dat bij alle ijveren voor den Naam des Heeren, zelfs dan als de ééne broeder tegen den anderen getuigen moet, de hoogere liefde toch bij geen onzer verdorre, maar in aller hart welig bloeie op het graf van ons eigen Ik.