Rutgers, F.L. (1906)

De Beteekenis der Gemeenteleden als zoodanig, volgens de Beginselen, die Calvijn, toen hij openlijk optrad, heeft ontwikkeld en toegepast
Amsterdam
J.W.A. van Schaik
1906

Rede, gehouden bij de overdracht van het Rectoraat der Vrije Universiteit, den 20 October 1906

Rutgers, F.L. (1906) 1

|5|

Mijne Heeren Directeuren, Curatoren, Professoren, Doctoren, en Studenten van de Vrije Universiteit,

En voorts Gij allen, van wat naam of rang ook, die deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid vereert,

Zeer geachte en zeer gewenschte  toehoorders.

 

Sedert Thomas Carlyle zijne bekende opstellen „On Hero-worship” in het licht gaf, zijn reeds bijna zeventig jaren verloopen; maar de geest die daaruit spreekt, of wel de gedachte waar die studiën door beheerscht worden, is toch allerminst verouderd te noemen. Ook in onzen tijd, zelfs nog meer dan vroeger, kan er van een „hero-worship” gesproken worden: van een soort van eeredienst voor talent of genie, waar dit samengaat met werkkracht en wilskracht. Niet, alsof daaraan alleen nog zou zijn toe te schrijven, dat men groote mannen waardeert en huldigt. Er is ook een plicht van dankbaarheid, die tot zulke huldiging aandrijft, en die zonder twijfel bij velen op den voorgrond staat. Maar dat kan toch alleenlijk bij hen, die gevoelen, dat zij inderdaad iets ontvangen hebben; of wel, voor zooveel men in den man, die geëerd wordt, iets terugvindt van het eigen leven en streven. Voor zooveel dit anders is, werkt dan naast die dankbaarheid, of wel daarvoor in de plaats, de bekoring van eene werking die het gewone te boven gaat, enkel en alleen omdat zij buitengemeen is. Kracht en macht als zoodanig, waar die in bijzondere mate betoond wordt, is voor menigeen stof genoeg tot bewondering en verheerlijking, bijna als een god der eeuw, waar men zich met eerbied voor buigt.

Waar een dergelijke drang min of meer algemeen is, en zich dan nog vaak verbindt met gevoelens van dankbaarheid, daar is zeker niet vreemd, dat er veel gedaan wordt om beroemde mannen te vieren, als het vol worden van een eeuw sedert hun geboorte-

|6|

of sterfdag daartoe de gereede aanleiding geeft. En het is zelfs begrijpelijk, dat dit ook geschiedt met een man als Calvijn, nu de tijd nabij komt, dat er sedert zijn geboortedag juist een viertal eeuwen zal verloopen zijn. Inderdaad zijn voor dien gedenkdag dan ook nu reeds groote plannen in wording. En wanneer het Comité, dat zich in Genève daarvoor gevormd heeft, zijne wenschen vervuld ziet, dan moet die herdenking eene waardige feestviering zijn, niet uitsluitend voor Genève of in kerkelijken kring, maar internationaal en met algemeene strekking, en dan moet zij als het ware uitgedrukt en bekroond worden door een monument, met het standbeeld van Calvijn als den hoofdpersoon.

Nu, dat er zulke plannen gemaakt worden, is in zeker opzicht geen wonder. Want indien werkelijk een standbeeld de rechtmatige hulde is, die aan groote mannen altijd toekomt, ook bij dezulken, wier grootheid een zuiver geestelijk en godsdienstig karakter draagt, en die een werk tot stand brachten dat reeds op zichzelf de eeuwen verduurt, dan zou zeker een man als Calvijn daarop alle aanspraak hebben. Onder hen, die in de geschiedenis als „mannen van beteekenis” bekend staan, zal wel niemand hem eene plaats ontzeggen; en misschien zijn er wel niet velen geweest, die hem evenaarden, niet slechts in zijn velerlei geestesgaven, maar ook in den invloed die er voor de leiding der geesten van hem is uitgegaan. Een invloed, dien hij niet alleen persoonlijk oefende door zijn geestelijk overwicht, maar die door de leerlingen, die hij vormde, en door zijne geschriften zich alom deed gevoelen, en die niet beperkt bleef tot zijn eigen tijd, maar voortdurend blijft werken.

En toch, als Calvijn zelf nog eens kon gehoord worden, er zou van eene dergelijke huldiging wel niets komen; zelfs niet eens van eene feestviering. Ziende, hoe het thans gesteld is in die landen, waarop indertijd zijn invloed zoo groot was, en wat thans  geworden is van die kerken en scholen, die van hem haar gereformeerd karakter ontvingen, zou hij aanleiding vinden, niet voor een feestdag, maar veeleer voor een vast- en biddag. En een monument zou ook zeker niet in zijn geest zijn: het zou zelfs niet passen bij hem, die van menschelijk eerbetoon zóó afkeerig was, dat dit bij zijn leven hem niet veel kon gegeven worden, en ook op zijn graf door hemzelven verhinderd is, doordat naar zijn eigen beschikking dat graf zelfs niet door een steen of teeken mocht gekenmerkt

|7|

worden, en juist daardoor later niet eens meer was terug te vinden 1).

Uiterlijke hulde, met een zichtbaar gedenkteeken, zou dus voor Calvijn minder passen. En ik mag wel verder gaan en daarbij voegen: zulk een monument heeft hij eigenlijk ook niet noodig; want hij heeft het reeds lang, op de rechte wijze en zoo eervol mogelijk. Toen hem in zijn laatste levensjaren door een smaadschrift o.a. was voorgeworpen dat hij geene kinderen had, was zijn antwoord kort en treffend: „God had mij een zoontje gegeven; Hij heeft het genomen. En nu word ik ook gesmaad wegens kinderloosheid. Maar ik heb immers zonen, bij tienduizenden, in de gansche Christelijke wereld” 2). Welnu, in die zonen, die hij sinds dien tijd nog voortdurend gehad heeft, in die groote familie, die met hem verwant is in geloof en beslistheid en ijver en zelfverloochening, en die de door hem wêer aan het licht gebrachte beginselen verder uitwerkt en toepast, in die allen heeft hij voortdurend, niet slechts hetzelfde als een standbeeld geven kan, maar ook inderdaad nog veel meer: iets dat zijn aandenken levend houdt, niet op ééne plaats en dan onbewegelijk, maar door heel de wereld en in volle actie. En zijn monument, dat is wel inzonderheid dat geheel van Gereformeerde kerken, voor wier bouw en inrichting hij de grondlijnen wêer zoo duidelijk in het licht heeft gesteld; althans voor zooveel dat gebouw in zijn eigen stijl onderhouden is. Marmer en steen zou er voor Calvijn eerst noodig zijn, wanneer al die levende gedachtenis weg was. Thans gelukkig nog niet.

Laat mij in dit uur op een enkel stuksken van dat groote geheel uwe aandacht vestigen, ook om daardoor tot zijne instandhouding eenigszins mede te werken. Laat mij uit het kerkrecht, dat de Gereformeerde kerken inzonderheid van Calvijn geleerd hebben, ééne der vele eigenaardigheden aan u voorstellen; en dan liefst een punt, dat ook thans nog met den geest des tijds in verband staat: ik bedoel dat kenmerk, dat men wel eens aangeduid heeft met den naam van „democratisch”. Niet, alsof ik dat woord hier zou willen overnemen. Zelfs op staatsgebied kan het thans wel niet gebruikt worden, zonder dat men aan de woorden waaruit het is samengesteld, en aan de samenstelling zelve, een eenigszins anderen zin geeft, dan zij eigenlijk hebben. En op het gebied der kerk is eene dergelijke uitdrukking wel geheel onbestaanbaar. Toch

|8|

is ook daar een belangrijke vraag, of en in hoeverre de geloovigen niet alleen plichten hebben, maar ook kerkelijke rechten; eene vraag, die vooral bij de Reformatie aan de orde was, en die toen inzonderheid door Calvijn blijkbaar ernstig is doorgedacht. Wat hij in zijn gansche leven daarover geleerd heeft, theoretisch en practisch, zou natuurlijk in een kort bestek niet zijn samen te vatten. Maar een onderzoek van dat alles is ook eigenlijk niet noodig, omdat bij Calvijn reeds zijn eerste optreden voor de hoofdzaak voldoet. Laat mij u dus thans bepalen bij de beteekenis  der gemeenteleden als zoodanig, volgens de beginselen, die Calvijn, toen hij openlijk optrad, heeft ontwikkeld en toegepast.

Rutgers, F.L. (1906) 2

Toen Calvijn, na met Rome en het Pausdom gebroken en reeds veelszins voor de Reformatie gearbeid te hebben, in het jaar 1536 dien arbeid ook formeel aanvaardde en nu openlijk daarvoor optrad, stond reeds bij hem vast, klaar en helder, wat de hoofdzaken waren die in Christus’ kerk naar het Woord van God moesten gelden, en hoe die beginselen in het kerkelijk leven hunne toepassing zouden moeten vinden. Uit dienzelfden tijd toch zijn een tweetal geschriften, waarin hij over die twee vragen zijne gedachten heeft samengevat.

Het eerste, dat eene uiteenzetting gaf der bedoelde hoofdzaken, is zijne „Institutio religionis Christianae”, die reeds in Augustus 1535 was afgewerkt en in Maart daaraanvolgende van de pers kwam. Voor het punt, dat ons nu bezig houdt, komt hieruit bepaaldelijk dat gedeelte in aanmerking, waarin wordt gehandeld over de heilige katholieke kerk, over de Christelijke vrijheid der geloovigen, en over de kerkelijke macht 3).

En toen de auteur van die onderwijzing kort daarna geroepen werd om de reformatie van Genève te bevorderen en te organiseeren, heeft hij, bijna gelijktijdig met de aanvaarding zijner kerkelijke functie, een vertoog opgesteld, waarin hij uiteenzette, wat er voor de toepassing der beginselen nu te doen was. Wel staat dat vertoog, dat bij wijze van advies en voorstel aan de Overheid aangeboden werd, op naam van „Farel en de andere predikanten”; maar het kan toch blijkbaar door Farel niet gesteld zijn, en wordt dan ook algemeen erkend als het werk van

|9|

Calvijn. Voor ons tegenwoordig doel zijn daaruit met name die gedeelten belangrijk, die betrekking hebben op de individueele geloofsbelijdenis als den grondslag voor de reformatie van het kerkelijk instituut, op de onmisbaarheid van kerkelijke tucht, en op de noodzakelijkheid om te dien einde opzieners uit de gemeente aan de predikanten toe te voegen 4).

In die twee geschriften (die, om het zoo eens uit te drukken, het program waren van Calvijns  reformatie, het eene voor de beginselen en het andere voor de actie) wordt natuurlijk veel gevonden, dat algemeen Protestantsch of ook algemeen Christelijk kan genoemd worden; maar bij al die overeenkomst hebben zij ook tevens een geheel eigenaardigen inhoud, in allerlei opzicht verschillend van hetgeen elders theorie en practijk was. Toch was dit voor Calvijn volstrekt niet iets nieuws, dat hij als het ware zelf had uitgevonden; maar het was  eenvoudig, wat hij gevonden had bij het licht van Gods Woord 5). En (wat nog wel het meest opmerkelijk is) dat program van zijn eerste optreden heeft hij later op geen enkel wezenlijk punt meer behoeven te veranderen. Wel heeft hij zijne „Institutio” vaak omgewerkt, met eene bijna al te minutieuze zorgvuldigheid, en dan telkens den inhoud veel vermeerder, met eene andere rangschikking van de stof; maar bij al die omwerking is toch bijna nooit wijziging of weglating noodig geweest: wat reeds in de eerste uitgave was geschreven, is in alle volgende bijna woordelijk overgenomen 6). En desgelijks zijn de kerkelijke ordinantiën, die Calvijn later voor Genève heeft opgesteld, heel wat uitgebreider dan zijne eerste voorstellen; maar wat hierin reeds te lezen stond, is toch altijd de hoofdzaak gebleven 7). Blijkbaar was hij met zijn 26e levensjaar reeds tot zulk eene hoogte gekomen, dat hem niet alleen de grondlijnen van zijn stelsel klaar voor den geest stonden, maar ook bovendien (wat met zulk een inzicht in beginselen nog volstrekt niet altijd gepaard gaat) de grondlijnen voor de toepassing dier beginselen op het leven. Blijkbaar had hij niet slechts groote talenten en besliste toewijding van den God zijns levens ontvangen, maar ook (wat men doorgaans met den naam van genie pleegt te noemen) het vermogen, om bij zijne studiën als bij intuïtie te zien waar het bovenal op aankwam, en dan voor de practijk met een enkelen greep het rechte  te vatten. Inderdaad

|10|

een reformator, die is opgetreden, niet alleen door menschelijke roeping, maar in vollen zin „bij de gratie Gods”.

 

Als we ons nu verder bepalen bij het punt, dat ik als mijn onderwerp aangaf, dan is allereerst op te merken, dat Calvijn aan de gemeenteleden als zoodanig deze beteekenis heeft toegekend, dat zij tezamen de kerk uitmaken, zoodat deze door hen gevormd wordt en uit hen bestaat. Het woord „kerk” wordt, in verband met gemeenteleden, natuurlijk bedoeld in concreten zin; en dan is zij, reeds naar de eerste uitgave van de „Institutio”: „universus electorum numerus”. Dat is de kerk, gelijk zij bestaat voor het oog des Heeren, en gelijk zij ook bestaan moet op aarde; maar dan hier natuurlijk voor zooveel dit onder menschen, die nu eenmaal niet alwetend zijn, mogelijk is, d.i. voor zooveel God het hun mogelijk heeft gemaakt, door hun in zijn Woord te leeren, naar welke kenmerken de geloovigen en de kerk te beoordeelen zijn. Daar dit echter nooit een oordeel kan zijn, dat geheel aan de werkelijkheid beantwoordt, is te onderscheiden tusschen de kerk „quatenus invisibilis” en „quatenus visibilis”, d.i. in zoover zij een onzichtbaar en een zichtbaar bestand heeft; eene onderscheiding die Calvijn reeds maakte bij zijn eerste optreden, al gebruikte hij de genoemde uitdrukking pas drie jaren later 8).

Schijnbaar is dat alles eene voorstelling, die ook destijds algemeen Christelijk of althans algemeen Protestantsch was. En toch was hier inderdaad  groot verschil. De Roomsche beschouwing, die haar punt van uitgang nam in hetgeen voor haar de Christelijke kerk was, en dus in die kerk naar haar zichtbaar bestand, bracht vanzelf mede, daarbuiten geen onzichtbaar bestand te erkennen: eene dergelijke onderscheiding werd er eigenlijk niet gemaakt. Van een standpunt, dat lijnrecht daartegenover stond,  kwamen de Anabaptisten tot eenzelfde vereenzelviging, door te doen alsof de kerk voor hun oog geen onzichtbaar bestand had, maar, voor zover zij op aarde was, met hun zichtbaren kring  inderdaad samenviel. En de Luthersche opvatting stond wêer tegenover die beide, doordat zij voor de kerk zulk eene scheiding maakte tusschen haar onzichtbaar en haar zichtbaar bestand, dat ten slotte slechts het eerste een geestelijk karakter had, en dus inderdaad

|11|

de kerk kon genoemd worden, terwijl het zichtbaar bestand eigenlijk „ein Stück Welt”  was, waarvan men kon zeggen: „was daran Kirche ist, das ist nicht sichtbar, und was daran sichtbar ist, das ist nicht Kirche” 9).

Bij Calvijn was er in dit opzicht geen vereenzelviging en geen scheiding. Er was ééne kerk, het „corpus electorum”, dat, in zoover het alle uitverkorenen omvat en dan deze alleen, een voorwerp is niet van zien maar van gelooven, maar dat  tevens, in zoover het zich op aarde door belijdenis en leven doet kennen zichtbaar is, en dan als Christus’ kerk moet erkend worden, al zijn er ook bij die er niet toe behooren. Waar nu zulk een gezelschap van geloovigen is, ligt het niet slechts in den aard der zaak, maar is het ook een eisch des geloofs, dat het naar des Heeren ordinantiën wordt geconstitueerd, in een vorm en gestalte die zoo zuiver mogelijk zijn. En dan is het die saamvergadering der geloovigen, die, waar zij kan optreden, als de kerk van Christus te erkennen is, de zichtbare openbaring van zijn mystiek lichaam 10).

Naar datzelfde beginsel heeft Calvijn bij zijn komst in Genève ook terstond gehandeld. Hij vond er een toestand, die in zoover „reformatie” kon heeten, dat door medewerking van de Overheid al het eigenaardig Roomsche was weggedaan, de kerkgebouwen voor Gereformeerde prediking waren opengesteld, en een drietal goed Gereformeerde predikanten aanwezig waren. Voor een reformator uit de Lutherschen, of ook uit den kring van Zwingli, zou dat alles in een kerkrechtelijk opzicht voldoende geweest zijn, en zou het er nu nog maar op zijn aangekomen, dat gereed staande arbeidsveld te bewerken. Calvijn daarentegen, dit laatste ook wel met grooten ijver ter hand nemend, vond tevens den toestand zelven zóó weinig bevredigend, dat hij later zijn indruk in deze woorden uitsprak: „Quand je vins premièrement en ceste Eglise, il n’y avoit quasi comme rien. On preschoit et puis c’est tout” 11). En wat hij nu aanstonds noodig achtte, dat was, volgens het vertoog dat hij voor de Overheid opstelde, een maatregel „pour cognoëstre lesquelz accordeert à l’Evangile, et lesquels ayment vieux estre du royaulme du pape que du  royaulme de Jésuchrist”; immers, zoo lezen we  een weinig verder, „on n’a poënt scores discerné quelle doctrine ung chascun tient, qui est le droict commencement d’une église”. Bij Calvijn was  de kerk, ook in haar

|12|

zichtbaar bestand, de vergadering der geloovigen; en juist daarom moest nu allereerst hun kring formeel worden vastgesteld.

Uit dat alles is wel duidelijk, dat hij aan de leden der gemeente eene hooge beteekenis heeft toegekend, veel hooger dan men destijds gewoon was, doordat men het wezen der kerk anders opvatte. Het is niet toevallig, maar het ligt in den aard der zaak, dat zoowel bij de Roomsche als bij de Luthersche opvatting de leden der gemeente geheel op den achtergrond komen, althans wanneer sprake is van de kerk, gelijk die in haar zichtbaar bestand is geconstitueerd. Immers wordt die kerk dan beschouwd, allereerst en zelfs bijna uitsluitend, als een instituut, eene inrichting, eene „Anstalt”, ’t geen dan plaatselijk wordt uitgedrukt door het woord „parochie”; welke stichting voorts de roeping heeft, deels om de menschen tot geloof te brengen en dus leden der gemeente te vormen, deels om hen ook verder in geestelijk opzicht te verzorgen en te leiden. De genoemde twee opvattingen loopen dan vervolgens zeker ver uiteen. Naar de Roomsche voorstelling is die stichting als het Koninkrijk Gods te beschouwen, altijd voor zoover zij aan den Paus onderworpen is, terwijl zij voorts gedacht wordt als in hem geconcentreerd, en onder hem in de bisschoppen, wien de lagere geestelijken als helpers ten dienste staan. En naar de Luthersche voorstelling is zij juist integendeel van het Koninkrijk Gods onderscheiden; in die mate zelfs, dat zij als instituut niet een geestelijk maar veeleer een wereldlijk karakter draagt, en wel onder geestelijke leiding staat van de predikanten, maar voorts geregeerd wordt door of van wege de overheid. Maar aan beide die opvattingen is dan toch gemeenschappelijk (ook al komt men tot dat resultaat langs verschillende wegen), dat de leden der gemeente, wel niet voor de kerk in het algemeen, maar dan toch voor hare inrichting en regeering, weinig of niets beteekenen, ja zelfs voor haar wezen niet eens onmisbaar zijn. Die kerk gaat dan, ook als instituut, aan de geloovigen vooraf, en kan zelfs aanwezig zijn, ook waar leden der gemeente nog niet of niet meer gevonden worden; waar zij zijn, is hunne kerkelijke roeping eigenlijk samen te vatten in het ééne woord van „gehoorzaamheid”; zij zijn als „leeken” van den „clerus” te onderscheiden; en zij zijn met betrekking tot dien clerus niet meer dan het object hunner werkzaamheid 12).

|13|

Bij Calvijn daarentegen zijn het juist die gemeenteleden, die tezamen de kerk uitmaken (en dan natuurlijk niet met plaatselijke uitsluiting van de kerkedienaren, gelijk aan het zoogenaamde „parochie-stelsel” eigen is): al worden zij ook onderwezen en geleid door den dienst des Woords en der Sacramenten, het is toch door hen, dat de kerk wordt gevormd. Met betrekking tot de kerkedienaren zijn zij zeker wel het object hunner werkzaamheid; maar terzelfder tijd zijn zij daarvan ook het subject, in zoover die werkzaamheid middellijk uitgaat van de gemeente in haar geheel en steeds onder hare controle staat. In één woord: dat de kerk de vergadering der geloovigen is, moet in vollen zin blijven gelden; ook voor zooveel zij zichtbaar optreedt door de vorming eener eigen gemeenschap.

 

Waar die hooge beteekenis der gemeenteleden door Calvijn werd gehandhaafd, heeft hij echter aanstonds dat begrip van gemeenteleden nog wat nader bepaald; en ook daarop moet gelet worden, opdat een beginsel, dat hem geheel vreemd was, hem niet worde toegeschreven. Als hij stelt, dat de kerk door de leden der gemeente gevormd wordt, dan wil dat volstrekt niet zeggen, dat zij dus uit hen haren oorsprong heeft, zoodat zij in dat opzicht zou gelijkstaan met de vele vereenigingen of gezelschappen of genootschappen, die voor allerlei doeleinden door menschen zijn opgericht. Zulk eene voorstelling aan Calvijn toe te schrijven, zou inderdaad eene groote eenzijdigheid zijn, en dan eigenlijk niet eens eene halve waarheid, maar veeleer eene heele dwaling. Toch is hem zulk een misverstand niet bespaard. Van den aanvang af is hij opgetreden, ook reeds in de eerste uitgave zijner „Institutio”, om met al zijne kracht en met al den gloed eener heilige overtuiging de Christelijke vrijheid te verdedigen, de vrijheid der consciëntie tegenover alle inzetting of gezag van menschen. En gelijk men nu op politiek gebied vaak geredeneerd heeft, vooral van Roomsche zijde, alsof Calvijn  dus de man was van het individualisme, de voorstander der beginselen van het natuurrecht, de geestelijke vader van de Revolutie, in zoover deze „de rechten van den mensch” als punt van uitgang nam, zoo is ook op kerkelijk gebied wel beweerd, in de laatste jaren zelfs nog meer dan vroeger, dat hij, wel niet met opzet of met bewustheid, maar dan toch feitelijk,

|14|

het begrip van „genootschap” in de kerk heeft ingebracht, en de geestelijke vader is van het collegiale stelsel van kerkrecht 13).

Alsof zulke leeringen ook maar eenigszins met Calvijn iets te maken hebben, of de consequentie zijn zouden van een Calvinistisch beginsel! Er kan hier en daar wel eene schijnbare overeenkomst zijn, en er kunnen soms woorden gebruikt worden, die gelijkluidend zijn; evenals de nagemaakte vrucht op de echte kan gelijken, en de caricatuur op het eigenlijke beeld. Maar verder gaat de overeenkomst dan ook niet; want (en dit is het groote verschil, dat principieel is en geen samenhang toelaat) bij Calvijn is de vrijheid der consciëntie wel een los zijn van menschelijke banden, maar volstrekt niet een los zijn van God. Aan Hem is die vrijheid juist integendeel zóó geheel gebonden, dat zij buiten Hem zelfs niet kan bestaan. Punt van uitgang is voor Calvijn, niet des menschen rechten, maar het recht dat God op hem heeft; en alleen waar dat erkend wordt, kan er Christelijke vrijheid zijn met betrekking tot anderen. En voor kerkformatie wil dat zeggen, dat haar fundament en haar oorsprong te stellen is, niet in de gemeenteleden zelven, maar in God. Ook in dit opzicht is bij Calvijn de verkiezing het feit, waardoor alles beheerst wordt: de kerk is „universus electorum numerus”. Zij is vrucht der verkiezing: niet een product van der menschen willen en werken, maar eene schepping Gods. En zij is dat, niet alleen voor zoover zij onzichtbaar is, maar ook in haar zichtbaar bestand; immers voor zooveel dit is ingericht naar hetgeen God zelf daarvoor heeft verordend. Zij is inderdaad Gods gebouw; en die vergelijking gaat ook  door in dit opzicht, dat een bouwwerk wel bestaat uit bouwmaterialen, maar toch niet gemaakt wordt door dat hout of die steenen zelven, maar door hem, die als bouwmeester ze verkiest  en bijeenvoegt, en naar wiens bestek wordt gebouwd 14).

Daarom kon er bij Calvijn ook geen sprake van zijn, dat het in de kerk gaan zou als in eene door menschen opgerichte vereeniging, waarin door die menschen (of door hunne meerderheid) dan bepaald wordt, welke regelen daarvoor zullen gelden. Ook dat zou aan de gemeenteleden eene beteekenis toekennen, die zij in het minst niet kunnen hebben. Voor Calvijn was de kerk, niet eene bijeenvoeging van losse eenheden, maar een lichaam, en dan een lichaam waarvan Christus het Hoofd is: niet eene

|15|

republiek, maar een koninkrijk,  waarover Christus als Koning gesteld is. En dat was dan bedoeld, niet als eene manier van spreken, of als eene beeldspraak, of als eene theorie waar men in de practijk niet mede rekenen kan, maar als volle waarheid en werkelijkheid; terwijl de erkenning van dat koningschap zóózeer als eene hoofdzaak beschouwd werd, dat het gansche kerkrecht daardoor inderdaad werd beheerscht. Te dien aanzien werd door Rome in het zichtbaar kerkverband de Paus voor Christus in de plaats gesteld; en werd in de Luthersche opvatting Christus’ Koningschap zóó verwereldlijkt, dat het zichtbaar kerkverband daarvan eigenlijk werd uitgesloten. Maar in tegenstelling met die beide was de voorstelling van Calvijn (evenals later van alle Gereformeerde kerken), dat Christus de Koning is zijner kerk, niet alleen voor zoover die onzichtbaar is, maar ook in haar zichtbaar bestand en gelijk zij hier op aarde geïnstitueerd is; dat hij als zodanig voor die kerk ordinantiën gesteld heeft, die zij als eene onveranderlijke grondwet heeft te eerbiedigen; dat hij zijne koninklijke macht met niemand deelt, en ook aan menschen geene  macht gaf over zijne kerk te heerschen, maar integendeel allen onbepaald aan Gods Woord heeft onderworpen; en dat hij regeert, wel ten deele door menschen die het Woord te bedienen hebben, maar ook buitendien nog op allerlei andere wijze, hetzij middellijk of rechtstreeks. De gemeenteleden zijn dus nooit ook maar eenigszins van hem onafhankelijk. Wat bij de regeling van het kerkelijk leven, en bij de behandeling van vragen die zich daarin voordoen, altijd op den voorgrond moet staan en den doorslag moet geven, dat is, niet wat aan de leden der gemeente al dan niet aangenaam is of wat zijzelven zouden willen of niet willen, maar wat door Gods Woord wordt gevorderd of wat bij wettige gevolgtrekking daaruit is af te leiden. Op dit kerkelijk gebied geldt ten volle, zonder eenige beperking of voorbehoud: „Waar het woord des Konings is, daar is heerschappij” 15).

 

Voor Calvijn was de kerk dus principieel iets geheel anders dan eene gewone menschelijke vereeniging; en van dat verschil lag de grond juist hierin, dat de kerk erkend werd als het „corpus electorum” of als de saamvergadering der geloovigen. Maar ten aanzien van ons onderwerp is er uit dit laatste nog iets meer af

|16|

te leiden: in verband met die opvatting staat bij Calvijn ook de voorstelling, dat de betekenis der gemeenteleden geheel afhangt, objectief van hun al of niet door God verkoren zijn,  en subjectief van hun al of niet geloovig zijn. En nu staat het feit der verkiezing zeker buiten alle menschelijk onderzoek en weten, terwijl ook over het geloof van anderen niet met zekerheid kan geoordeeld worden: dat zijn dingen die God aan Zichzelven heeft voorbehouden. Maar (wordt dan aan die opmerking aanstonds toegevoegd) God heeft ons toch eenige kenmerken gegeven, waardoor wij de uitverkorenen en de kinderen Gods van de verworpenen en buitenstaanders te onderscheiden hebben, voor zoover Hij wil dat dit door ons zal erkend worden; zoodat ieder, die aan die kenmerken genoegzaam beantwoordt, door het oordeel der liefde voor een uitverkorene en een lid der kerk moet gehouden worden. En van die kenmerken is dan het eerste: de belijdenis des geloofs 16). Bij de reformatie van Genève is toen naar dien regel door Calvijn ook gehandeld, deels doordat hij, in vereeniging met zijne ambtgenooten, voor de kerk aldaar eene Confessie en een Catechismus redigeerde 17), en voorts door hun vertoog, dat, wanneer nu de gemeente zou geconstitueerd worden, de recensie van hare leden geschieden zou door persoonlijke instemming met die Christelijke belijdenis 18). Nu het allereerst noodig was „à cognoëstre ceux qui se veulent advouer de l’esglise de Jhésucrist”, werd te dien einde met aandrang van de Overheid gevraagd, „que tous les habitants de voste ville ayent à fère confession et rendre rayson de leur foy, pour cognoëstre lesquelz accordent à l’Evangile, et lesquelz ayment mieux estre du royaulme du pape que du royaulme de Jésucrist”. In die belijdenis des geloofs moeten dan de „Messieurs du Conseil” het voorbeeld geven; „et après, ordonniez aulcuns de vostre compagnie, qui, estans adjoinct avecq quelque ministre, requissent ung chascun de fayre de mesmes”. In die theorie en practijk was dus de beteekenis der gemeenteleden onafscheidelijk vast aan hunne qualiteit van geloovigen, altijd voor zooveel die te kennen is uit hunne belijdenis; waardoor tevens voor de kerk in haar zichtbaar verband die belijdenis gesteld werd als grondslag.

Met dit laatste werd nu zeker niets nieuws door Calvijn op den voorgrond gesteld. Dat eene kerk niet bestaan kan zonder Christelijke

|17|

belijdenis, werd althans in de zestiende eeuw nog algemeen erkend. Maar wel was het iets bijzonders en iets eigenaardigs bij de reformatie van Genève, dat Calvijn die belijdenis toen onmisbaar achtte, niet alleen voor de kerk als geheel, maar ook voor alle hare leden persoonlijk. Waar de Reformatie destijds reeds was aangenomen, niet alleen in Duitschland maar ook in Zwitserland, had men daarbij zich bepaald tot het aannemen der belijdenis door hen die de kerk hadden te regeeren of te leeren. In Genève werd zulks voor het eerst ook verlangd van alle leden der gemeente. En hoe nauw dit samenhing met de hooge beteekenis, die aan hen werd toegekend, is gemakkelijk in te zien. Wanneer de gemeenteleden inderdaad zelven de kerk zijn, en dus niet slechts object van de kerkelijke werkzaamheid, maar ook tevens het subject, waarvan die werkzaamheid uitgaat en waardoor zij steeds wordt gecontroleerd, dan ligt in den aard der zaak, dat zij met de kerkelijke belijdenis moeten instemmen. Wat de kerk belijdt, moet dan tevens de belijdenis zijn van de leden waaruit zij is samengesteld.

Laat mij, om misverstand te voorkomen, hier nog bijvoegen, dat de kinderen der geloovigen, die van wege hunnen leeftijd aan dien eisch niet voldoen kunnen, van het lidmaatschap der gemeente daarom toch volstrekt niet werden uitgesloten. Immers (was reeds toen door Calvijn uitgesproken), ook al hebben die kinderkens niet een geloof, waarvan zij innerlijk een begrip en eene voorstelling hebben en waarvan zij naar buiten een getuigenis kunnen geven, het geloof zelf kunnen zij toch met de volwassenen gemeen hebben; en voorts moet ons meer dan voldoende zijn, wat de Schrift ons leert omtrent hunne verhouding tot het Koninkrijk Gods 19). Tot dat Koninkrijk moeten zij geacht worden te behooren; en juist daarom moeten zij door de ouders, onder leiding en toezicht van de kerk, in de Christelijke religie onderwezen worden. Bij de reformatie van Genève was dan ook een der hoofdpunten van Calvijns vertoog aan de Overheid, dat voor die onderwijzing der kinderen goed zou gezorgd worden, zoodat zij later in staat zouden zijn „pour venir testifier à l’Esglise leur foy, dont il n’avoyent peu rendre tesmoignage à leur batesme”. En inmiddels waren zij dan zeker nog wel onmondig; maar toch even goed leden als de reeds volwassenen. Ook uit hen bestaat de gemeente; en het is zelfs door hen, dat zij blijft bestaan 20).

|18|

Bij Calvijn was de beteekenis der gemeenteleden dus verbonden aan hunne qualiteit van geloovigen, voor zooveel die uit hunne belijdenis blijken kon. Maar natuurlijk moest dat kenmerk dan ook bewaard blijven; en voorts moest het ook bevestigd worden door het tweede kenmerk, dat bestaat in een Christelijken levenswandel. Aangezien de kerk de vergadering der geloovigen is, moest de geheele gemeente zooveel mogelijk dat karakter vertoonen, en moest dus gewaakt worden tegen ergerlijke afwijking. En dan stond het van den aanvang af bij Calvijn reeds vast, hoe er aan dien eisch te voldoen was, nl. door een toezicht, dat met tucht gepaard ging en, waar deze niet baatte, ook met excommunicatie; uitgaande, niet van de overheid, maar van de kerk zelve, en dan uitgeoefend, niet door eene hiërarchie of een zoogenaamden clerus, maar door opzieners die uit de gemeente zelve aan de Dienaars des Woords werden toegevoegd. In tegenstelling met Rome, dat de vorsten en overheden aan den Paus ondergeschikt maakte, en met de destijds reeds bestaande Protestantsche kerken, die juist omgekeerd het kerkelijk instituut aan de overheid onderwierpen, was de voorstelling van Calvijn, dat de geïnstitueerde kringen van staat en kerk wel dezelfden oorsprong hebben en hetzelfde einddoel, en tot samenwerking geroepen zijn, maar dat zij daarbij toch ieder een eigen terrein hebben, waarop zij zelfstandig en met de aan ieder eigene middelen moeten werkzaam zijn: de overheid, voor het burgerlijk leven, met eene dwingende macht, en de kerk, voor het geestelijk leven, met uitsluitend geestelijke middelen. Hoe nu de kerk, om aan die roeping te beantwoorden, op haar eigen terrein zou hebben op te treden, had hij in de eerste uitgave zijner „Institutio” nog niet rechtstreeks ter sprake gebracht; maar toen hij het gestelde beginsel kort daarna te Genève in practijk moest brengen, bleek genoegzaam, dat hij ook dit punt reeds had doorgedacht 21).

In zijn vertoog aan de Overheid stond de invoering van de kerkelijke discipline op den voorgrond, als zijnde „le principal ordre qui est requis et duquel il convient avoyr la plus grande sollicitude”. Zij werd daarin beschreven en aangedrongen, meest met dezelfde woorden als reeds in de „Institutio” gebruikt waren. Er werd voorts gewezen op hare misvorming door de Roomsche hiërarchie, die haar aan de gemeente ontroofd had, en haar had

|19|

veranderd tot een middel voor overheersching en tirannie. En om haar nu te herstellen, naar den regel der H. Schrift, werd ten slotte voorgesteld, dat door de zorg der Overheid eenige gemeenteleden zouden verkozen worden, die, ieder in de hem aangewezen wijk der stad, in vereeniging met de predikanten toezicht zouden houden op de gemeente, en dan bij voorkomende afwijkingen zouden handelen naar den regel van Matth. 18; waarbij tevens, zoowel voor de broederlijke vermaningen als voor de toepassing van kerkelijke tucht en van excommunicatie, nadruk gelegd werd op de medewerking der gemeenteleden zelven. Wat hierin werd voorgesteld, was dus inderdaad (ook al werd het woord „consistorie” nog niet genoemd) de instelling van een kerkeraad: die niet alleen uit predikanten maar ook uit gemeenteleden zou zijn samengesteld, die de kerk dan vertoonen zou waar een vorm of orgaan hiervoor noodig was, en die voorts, in dienst van den Koning der kerk en in samenwerking met de gemeente, door opzicht en tucht over alle hare leden de kerkelijke macht zou hebben uit te oefenen 22).

In den loop des tijds is die regeling door Calvijn nog gedurig uitgebreid en hoe langer hoe meer in bijzonderheden uitgewerkt, zoowel theoretisch als practisch; maar dat alles was niet anders dan eene verdere ontwikkeling en toepassing: in geen enkel opzicht werd er iets gewijzigd: wat hij bij zijn eerste optreden reeds had voorgesteld, is hij onveranderd blijven handhaven. Van den aanvang af heeft hij helder ingezien, dat de kerk, om aan hare roeping goed te beantwoorden, vrijheid en zelfstandigheid noodig had; en hij heeft er alles voor overgehad, ook zelfs ballingschap en veeljarigen strijd met eene Libertijnsche Overheid, om ten slotte aan de kerk de macht te verzekeren, die haar als vergadering der geloovigen toekwam 23).

Het geldt hier dus een beginsel, dat voor het kerkelijk leven door Calvijn als eene hoofdzaak beschouwd werd; en omdat het betrekking heeft op de leiding van dat leven, is het wel inzonderheid bij dit punt, dat de betekenis der gemeenteleden kan en moet uitkomen.

Wat Calvijn te dien aanzien bij zijn optreden vond, kwam in hoofdzaak nêer op twee stelsels. Dat de kerk in haar zichtbaar bestand vrij moest zijn en zelfstandig, en de kerkelijke macht dus

|20|

niet aan de overheid maar aan de kerk zelve toekwam, werd erkend, eenerzijds door alle Roomschgezinden, en anderzijds  door een aantal Hervormingsgezinden, die destijds nog meestal tot de kringen der Anabaptisten behoorden. Maar wanneer de zaak dan nader moest bepaald worden, was er tweeërlei opvatting: volgens Rome berustte die macht geheel en uitsluitend bij de hiërarchie, zoodat in dit opzicht aan de leden der gemeente geenerlei beteekenis toekwam; en lijnrecht daartegenover stond eene beschouwing, volgens welke juist de kerkedienaren geenerlei macht hadden, maar over alle discipline, en daarmede tevens over alle kerkelijke inrichting en regeering, steeds moest gehandeld en beslist worden door de gezamenlijke gemeenteleden.

Geen van beide nu kon Calvijn als Schriftmatig erkennen: zoowel het een als het ander heeft hij principieel veroordeeld en tegengestaan.

Dat hij daarbij eerst en meest tegen Rome zich richtte, ligt wel in den aard der zaak,  daar de Reformatie zelve een verzet was tegen de hiërarchie en met hare handhaving niet kon samengaan. Zeer uitvoerig werd reeds in  de eerste uitgave van de „Institutio” het geheele wezen van de hiërarchie op Schriftuurlijk gronden bestreden, en hare voor de kerk verderfelijke werking historisch in het licht gesteld; waarbij de bewoordingen, waarin dat geschiedde, aan duidelijkheid niets te wenschen overlieten. Zoo b.v. (om slechts iets daaruit aan te halen), waar geconcludeerd werd, dat, „indien wij Christus onder ons laten regeeren, dat geheele soort van heerschappij gemakkelijk wordt verstoord en ter neder geworpen”; dat, waar Christus zijne leiding en nabijheid belooft, die belofte niet beperkt mag worden tot de kerk als geheel, maar bestemd is voor alle geloovigen; dat de „clerus”, waar de Schrift van spreekt, de erfenis Gods, d.i het volk der geloovigen beteekent; dat de kerk volstrekt niet staat of valt met hare herders en opzieners of met hunne conciliën; ja zelfs, dat, naar de vaak herhaalde voorzegging van Christus en van de Apostelen, juist „van de zijde der herders de grootste gevaren voor de kerk te verwachten waren”. En nu werd dat alles wel in de eerste plaats met het oog op Rome gezegd; maar toch niet uitsluitend daartegen: het werd ook uitdrukkelijk toegepast op de „universa pastorum natio”, waarin niemand denken mocht, dat

|21|

hij in de kerk iets te zeggen had enkel uit kracht van zijn ambt en titel. Zulke meening heeft Calvijn, ook al was hij zelf Dienaar des  Woords, of liever juist daarom, steeds ten sterkste bestreden: hij was inderdaad (om nu eens een term van den nieuweren tijd te gebruiken) door en door „anti-clericaal” 24).

Maar als in éénen adem moet daaraan worden toegevoegd, dat hij tevens (om dit woord nu eens kerkelijk te gebruiken) door en door „anti-revolutionnair” was; ’t geen ook eigenlijk met zijn anti-clericalisme nauw samenhing. Wat hij in zijn vertoog aan de Overheid uitsprak, „que les pseudos évesques ont ravy à l’assemblée des fidèles et tiré à eux la cognoissance et puissance d’excommunier, laquelle véritablement ne leur apertenoyt pas par la Parolle”, kan niet worden opgevat, alsof hij dus oordeelde, dat de hiërarchie nu eenvoudig door de „assemblée des fidèles”  moest vervangen worden, zoodat aan haar, en aan haar alleen, alle kerkelijke macht zou zijn toe te kennen; gelijk dit later het stelsel werd van de Independenten. Het tegendeel had hij in de „Institutio” reeds aangewezen, toen de polemiek tegen Rome hem de vraag deed stellen, of er dan in het geheel geene kerkelijke macht is. In het antwoord op die vraag werd  de dienst des Woords als eene Goddelijke instelling gehandhaafd, en niet minder werd gehandhaafd, dat daaraan macht en gezag verbonden was; een gezag, dat ook gelden moest voor alle gemeenteleden, van den hoogsten tot den minsten. Wel werd daarbij gevoegd, dat dat door de Schrift werd toegekend, geenszins aan de dienaren zelven, maar alleen aan den dienst waarover zij gesteld zijn, of, kort uitgedrukt, aan het Woord Gods dat zij te bedienen hebben. En ten aanzien van de vraag, of zij aan die roeping voldeden, werden de gemeenteleden opgewekt tot de noodige onderscheiding en keur. Maar juist daardoor werd de macht, die er aan den kerkedienst verbonden was, dan toch geenszins weggenomen, maar veeleer bevestigd. Zij werd wel onder de contrôle gesteld van de leden der gemeente, maar zij werd juist daardoor niet op hen overgebracht 25).

Hunne beteekenis voor de kerkelijke leiding werd dus, naar het oordeel van Calvijn, in de twee genoemde stelsels geheel miskend, eenerzijds per defectum, en anderzijds per excessum. Hiermede is de zaak echter nog slechts antithetisch en negatief in het licht gesteld. Wat bedoeld werd, moet dan nu nog positief

|22|

worden aangewezen. En dan kan de hoofdzaak in de volgende opmerkingen worden samengevat.

De kerkelijke macht, die in dienst van den Koning der kerk te gebruiken is, en die geconcentreerd is in de macht tot excommunicatie, berust bij de kerk zelve, d.i. bij de geloovigen die haar samenstellen.

Maar die macht wordt niet uitgeoefend door hen allen gezamenlijk; want door Christus zelven zijn daarvoor kerkelijke diensten ingesteld, die in zijnen naam en volgens zijne opdracht te vervullen zijn. Eenigszins zooals bij den mensch onderscheidene vermogens aan zijn lichaam gegeven zijn, maar toch voor de werking der vermogens niet alle leden, maar bepaalde organen zijn aangewezen, terwijl tevens die organen op het allernauwst met het gansche lichaam verbonden zijn, en het lichaam zelf door hen werkt. Dat hebben de gemeenteleden dan ook met betrekking tot de kerkedienaren te erkennen, en dus onderwerping en volgzaamheid te betoonen, niet aan hen persoonlijk, maar aan het Woord, dat in naam des Heeren door hen bediend wordt.

Uit den aard der zaak moet dit laatste dan ook werkelijk het geval zijn. Anders valt al hun macht; gelijk in het lichaam een orgaan, dat niet meer met het hoofd in betrekking staat, zijn vermogen verliest. En nu gaat dat in een lichaam als vanzelf; maar in de kerk hebben de gemeenteleden daarop toe te zien; niet alsof zij een ambt zouden hebben, waaraan dat der dienaars ten slotte toch onderworpen was, maar eenvoudig omdat zij zelven als geloovigen aan Christus verbonden zijn. Die band is rechtstreeksch; niet met eene hiërarchie als noodzakelijke tusschenschakel; terwijl hun band aan de dienaars, juist integendeel, niet rechtstreeksch is, maar over Christus heenloopt, en niet anders werkt dan in en door Hem. Waar dit laatste niet kan, en dus moet gekozen worden, daar hebben de gemeenteleden niet alleen het  recht, maar ook de verplichting, hunne onderwerping en volgzaamheid alleenlijk aan Christus te betoonen; ook hierin, dat zij, bij het laten varen der ontrouwe dienaren, tevens er toe medewerken dat door middel van anderen de dienst zelf in stand blijft.

Daartoe had het in de zestiende eeuw moeten komen, ook doordat een clerus in de kerk was gaan heerschen, met algeheele uitsluiting van de gemeenteleden. Des te meer was dan noodig,

|23|

dat ook in dit opzicht naar den regel der Schrift zou gereformeerd worden. En zoo kwam Calvijn tot het voorstel, of eigenlijk tot den eisch, om den dienst van opzieners  weder in te voeren; nl. van opzieners, die niet tevens tot den dienst des Woords zouden geroepen zijn, maar die, uit de leden der gemeente gekozen, naast en met de Dienaren des Woords, opzicht en tucht zouden oefenen. Dikwijls wordt dit kortelijk aldus uitgedrukt, dat het leeken-element door Calvijn in de regeering der kerk is ingebracht. Maar die terminologie is hier toch niet juist, en zij zou zelfs schadelijk kunnen werken. De bedoeling was niet, aan een zoogenaamden „geestelijken stand” een soort van „leekenvertegenwoordiging” toe te voegen; want al werd ook onderscheid gemaakt tusschen de twee diensten, vooral omdat predikanten nog veel te doen hadden dat niet aan de ouderlingen was opgedragen, met betrekking tot het werk, dat aan beiden gemeen was, hadden zij dezelfde instructie en dezelfde qualiteit; ook tezamen de gemeente vertoonende, waar die bij haar optreden een orgaan noodig had. Hunne samenwerking kan dus niet beschouwd worden als eene combinatie van „clerus” en „leeken”. Zij had juist integendeel de strekking, om die Roomsche tegenstelling eens voor al te doen ophouden 26).

In de terminologie, die Calvijn van den aanvang af steeds gebruikt heeft, wordt gesproken van „ouderlingen” of van „opzieners”. En hij koos dien naam, allereerst omdat die Schriftuurlijk was, maar dan ook omdat hun mandaat er zoo goed door werd uitgedrukt, en juist daardoor alle heerschzucht des te beter werd afgesneden. Immers toen hij in zijn voorstel aan de Overheid hunnen dienst vrij uitvoerig beschreef, werd uitsluitend melding gemaakt van hun geestelijken arbeid in en voor de gemeente. En nu was daarin zeker wel opgesloten, dat zij ook veel te regelen hadden; maar dit werd toch met geen enkel woord vermeld; terwijl bij dat stilzwijgen niet kan gedacht worden aan eene zekere onvolledigheid, daar het ook kan worden opgemerkt in al wat hij later over dit punt heeft geschreven. Na verloop van tijd is men in Gereformeerde kerken wel eens gaan spreken van „regeerouderlingen”; maar die naam, die reeds op zichzelf niet kan dienen om hun  dienst van dien der predikanten te onderscheiden, brengt ook bovendien het gevaar met zich, dat op het „regeeren” te veel

|24|

nadruk gelegd wordt, en dan aan hun eigenlijk ambt en ook aan de beteekenis der gemeenteleden weder wordt te kort gedaan. Naar de opvatting van Calvijn moest de kerk ook wel regeling en bestuur hebben; maar dat was in den kerkedienst toch volstrekt niet de hoofdzaak. Waar het om te doen was, zoowel bij de ouderlingen als bij de predikanten, dat was: geestelijk opzicht over de gemeente te houden, en door al hun arbeid hare geestelijke opbouwing te bevorderen 27).

Met een enkel woord is hier nog te vermelden, dat, toen de voorgestelde instelling van ouderlingen ruim vier jaren later tot stand kwam, bij de nadere regeling ook werd ingevoerd, dat allen jaarlijks zouden aftreden; zij het ook met de bijvoeging, dat herkiezing wenschelijk was bij degenen die hun ambt goed hadden waargenomen. Daar de predikanten uit den aard der zaak levenslang bleven dienen, lag er in die periodieke aftreding van de ouderlingen ook nog een waarborg, dat de kerkeraad zelf niet ontaarden zou tot een soort van nieuwe hiërarchie 28).

Nog een ander punt, dat voor de beteekenis der gemeenteleden van niet minder belang was, werd in diezelfde regeling opgenomen; nl. de bepaling, dat de keuze van een Dienaar des Woords approbatie noodig had, niet alleen van de overheid, maar ook van het volk, „affin quil soit receu par consentement commun de la compagnye des fidelles”. Dat Calvijn aan die approbatie een groot gewicht hechtte, is wel overduidelijk uit hetgeen hij later gedaan heeft, toen de voorstelling der gekozenen feitelijk geworden was tot een soort van kennisgeving aan de gemeente, „sans demander si on les approuvoit”. Met bijzonderen nadruk heeft hij toen aan de Overheid geremonstreerd, „que par cela le peuple et tout le corps de l’Eglise ons esté fraudez de leur liberté”; met bijvoeging, ook uit naam zijner ambtgenooten, „qu’ en tout ceci ils ne cerchent point nul avantage pour eux, mais plustost qu’ eux et leurs successeurs soyent tenuz en bride plus courte”. En op zijn voorstel werd toen door de Overheid, die ook oordeelde dat men hierin afgeweken was „de ce qui avoit esté bien estably du commencement”, bij vernieuwing vastgesteld, „quant un Ministre sera esleu, que son nom soit proclamé avec avertissement, que celui qui saura à redire sur lui le vienne declarer …, afin que s’il n’estoit point capable de l’office, on

|25|

procede à nouvelle election”. In dezelfde resolutie werd dat toen ook toegepast op de benoeming van ouderlingen; ’t geen Calvijn in het eerst nog niet had kunnen doorzetten, maar toch even noodig achtte, „affin que si quelcung les peut arguer dincapacité le face aussi” 29). Voor het overige was de wijze, waarop kerkedienaren benoemd werden, voor Calvijn geen hoofdzaak. Als het maar geschiedde onder leiding van degenen die reeds in den kerkedienst gesteld waren, en onder medewerking van de geheele gemeente.

En voorts werd zulke medewerking in alle opzichten door hem noodig geacht. Dat werd zelfs uitdrukkelijk uitgesproken met betrekking tot het eigenlijke ambt van de opzieners. Niet door hen alleen, met uitsluiting van de andere gemeenteleden, moest de kerkelijke discipline worden uitgeoefend. Reeds in het vertoog, dat hij bij zijn optreden stelde, werd verlangd, dat tot excommunicatie niet zou worden overgegaan, dan nadat de hardnekkigheid van den afgewekene aan de gemeente was bekend gemaakt; terwijl desgelijks de onderlinge vermaning aan de kerkelijke tucht werd ten grondslag gelegd 30). Wat de opzieners deden, moest niet, als van buiten af, op de gemeente werken en haar worden opgelegd; het moest met haar eigen leven in het nauwste verband staan; en alleen als het daarmede zooveel mogelijk overeenkwam, kon het inderdaad haar ten goede komen.

In verband hiermede zou men nu ten slotte nog eene vraag kunnen stellen; nl. de vraag, hoe het in de kerk moet gaan,  wanneer over het gebruik van de macht soms een ernstig verschil komt; of, om die vraag nog wat meer te preciseeren: bij wie is ten slotte het overwicht? Bij de kerkedienaars of bij de gemeenteleden?

In het stelsel van Calvijn kon daarop slechts één antwoord zijn; nl. dit: De kerk is geen republiek, waarin tusschen de regenten en het volk over het gezag kan gestreden worden, maar zij is een koninkrijk, zelfs eene monarchie die zoo absoluut mogelijk is, met eene grondregeling die niet kan veranderd worden, en met Christus zelven als koning. Wie dat koninklijk gezag niet erkent, en zich  aan de Schrift dus ook niet gebonden acht, die hoort in de kerk niet thuis; en alle gezag, dat er in de kerk geoefend wordt, hetzij door de dienaars van Christus in de waarneming van hun ambt, hetzij

|26|

door de gemeenteleden bij hun toezicht en medewerking, moet dus steun hebben in de Schrift en overeenkomstig de Schrift gebruikt worden. Als dat inderdaad geschiedt, is geen ernstige botsing te vreezen. En dat zij toch gedurig is voorgekomen, ook met name in de zestiende eeuw, had alleen tot oorzaak, dat men in de kerk zelve het Woord Gods had ter zijde gesteld, om er menscheninzettingen voor in de plaats te stellen.

Dit nu kan geschieden, hetzij door kerkedienaren, uit een soort van hiërarchisch streven, of wel door gemeenteleden, uit een soort van revolutionair individualisme, of ook door beide tegelijk. Maar het is dan altijd een kwaad, dat niet door kerkrechtelijke regeling kan voorkomen worden. Als er daardoor strijd komt, en men vraagt, waar het overwicht zijn moet, dan komt eigenlijk die vraag hierop nêer, wie alsdan inderdaad aan hun Koning getrouw zijn; en formeele bepalingen,  die dit van tevoren reeds zouden vaststellen, zijn natuurlijk niet denkbaar. Het kan ook niet worden uitgemaakt door eene staatswet of door het gezag van de overheid. Hier moet de beslissing geheel aan den Koning der kerk worden overgelaten. En Hij geeft die dan ook; wel niet altijd terstond; ook niet zóó, als menschen dat wel zouden wenschen; menigmaal zelfs met beproeving en druk, waarin zijne kerk dan de gevolgen van haar ontrouw te erkennen heeft. Maar toch altijd toont Hij voortdurend, dat hare zaak ook de zijne is. Daarop kunnen allen, die hem inderdaad getrouw zijn, het dan ook veilig laten aankomen. Als maar onder hen blijft gelden, wat de grondregel is van het kerkrecht, ook reeds door Calvijn bij zijn eerste optreden als zoodanig op den voorgrond gesteld, dat het Woord Gods is „la certayne reigle de tout gouvernement et administration, mays principalement du gouvernement ecclésiastique”.

Rutgers, F.L. (1906) 3

Volgens oude usantie moet een Rector, voordat hij zijne waardigheid overdraagt, in zijn laatste woord nog de aandacht vestigen op de fata Academica van het afgeloopen jaar.

En dan is hier allereerst te vermelden, dat Hare Majesteit onze geëerbiedigde Koningin, bij besluit van den vierden December

|27|

1905, heeft „goedgevonden en verstaan, de Vereeniging voor Hooger onderwijs op Gereformeerden grondslag aan te wijzen, als bevoegd, in de van die Vereeniging uitgaande „Vrije Universiteit” eene bijzondere universiteit te hebben, die ten aanzien van de door haar te verleenen doctorale graden in de rechtswetenschap, in de classieke letterkunde, in de Semietische letterkunde en in de wijsbegeerte gelijke rechten heeft als de Rijksuniversiteiten”.

Dit besluit heeft, zooals ieder weet, eene lange geschiedenis achter zich, en het zou  ook buitendien in allerlei opzicht stof genoeg geven voor een aantal beschouwingen. Maar al had ik ook mijne gansche rede daaraan toegewijd, ik zou toch nog tijd zijn te kort gekomen; en ik zou dan bovendien slechts herhaald hebben, wat aan bijna ieder nog genoeg voor den geest staat. Voor ons is de hoofdzaak, dat nu wêer een band is losgemaakt, die de Vrije Universiteit in haar groei en ontwikkeling tegenhield. Tot dusver had zij altijd een gedrukte positie, doordat met haar Academischen arbeid officieel niet gerekend werd; en daardoor had zij ook het nadeel, dat hare wetenschappelijke graden geen effectus civilis hadden, zoodat ieder,  wien het daarom ook te doen was, haar niet kon bezoeken zonder allerlei schade en last. Zulk een druk is dan thans van ons weggenomen; er is wêer een vrijheid veroverd, die aan onze universiteit ten goede komt; wie nu hier studeert, behoeft enkel daarom niet bij anderen achter te staan. Moge blijken, dat die meerdere vrijheid door een goed gebruik ook goede vruchten draagt.

De genoemde bevoegdheid kon natuurlijk niet verkregen worden, zonder dat voldaan werd aan de bepalingen, die de Hooger-onderwijswet te dien aanzien stelt. Maar daartegen was gelukkig geen principieel of overwegend bezwaar. Ook niet, om nu dit met name te noemen, tegen de bepaling, dat er nu een toezicht kwam van Regeeringswege. Controle kan lastig zijn, als men eigenlijk liever aan geen band of regel zich stoort en in plichtverzuim geen bezwaar ziet; of ook, als  de wijze, waarop zij wordt uitgeoefend, krenkend is of onaangenaam. Maar wanneer geen van beide het geval is, wordt een arbeid, die gecontroleerd wordt, daardoor juist bevorderd. Dit nu mag ook hier wel verwacht worden. Althans, de Commissie, die door Hare Majesteit de Koningin voor het toezicht op het bijzonder Hooger Onderwijs benoemd is en

|28|

die in het afgeloopen jaar hare werkzaamheid  aanving, heeft reeds in dit eerste jaar hare taak zóó vervuld, dat een woord van dank en waardering hier wel openlijk mag worden uitgesproken. En zij zelve zal, naar ik mag vertrouwen, ook wel nu reeds den indruk ontvangen hebben, dat de Vrije Universiteit hare taak inderdaad ernstig opvat, en dat zij te dien aanzien de Commissie ook gaarne van alles op de hoogte houdt, om haar tot een volledig oordeel zooveel mogelijk in staat te stellen.

In de samenstelling der colleges, die de Universiteit hebben te besturen en te leiden, bracht het afgeloopen jaar eene min gewenschte overeenstemming, in zoover zij thans beide eene vacature hebben. Voor het college van Curatoren is de heer A. Brummelkamp, die aan de beurt van aftreding was, met gunstig gevolg herkozen; maar de vijfde plaats bleef onvervuld. En in het college van Directeuren, waarvoor geene herkiezing mogelijk is en waaruit de heer E.G. Wentink dus wegviel, werd wel de heer S.J. Seefat als zijn opvolger aangewezen; maar de vergadering, die hem koos, werd in hare verwachting teleurgesteld, doordat deze benoeming niet werd aangenomen. In een dubbel opzicht wordt dus nu de heer Wentink gemist. Maar we blijven dankbaar aan hem denken, als aan een der oudste vrienden van de Vrije Universiteit, die bij hare oprichting een der medestichters was, die de laatste achttien jaren als een trouw Directeur haar belangen ter harte nam, en van wien we verzekerd zijn dat hij haar genegen blijft. Moge door mijn opvolger te vermelden zijn, niet slechts dat die vacature waardiglijk vervuld is, maar ook dat er dan wêer overeenstemming is in de twee colleges,  doordat geen van beide dan nog vacaturen hebben.

Voor den kring der hoogleeraren gaf het afgeloopen jaar slechts betrekkelijk weinig, dat hier zou zijn mede te deelen. We zijn dankbaar, dat Prof. Biesterveld, die bij den aanvang van het Academiejaar door eene ernstige ziekte bezocht was, betrekkelijk spoedig geheel hersteld is; dat vervolgens geen krankheid of ongeval den arbeid der hoogleeraren gestoord heeft; en dat Dr. J.  Woltjer zelfs gedenken mocht, hoe hij nu reeds 25 jaren zich daaraan kon toewijden; een voorrecht, dat de God zijns levens hem nog menig jaar moge schenken, met de blijde ervaring, dat hij door zijn arbeid niet slechts onzer school tot eere is, maar ook

|29|

tot een rijken zegen is voor de wetenschap en voor het onderwijs in het algemeen. Zulk een voorrecht met diezelfde ervaring, blijve ook nog lang verzekerd aan Dr. Bavinck, die in het afgeloopen jaar werd benoemd tot lid der Koninklijke Academie van wetenschappen: eene wetenschappelijke ridderorde, die wel niemand zal doen vragen, waarom zij aan hem is verleend.

Voorts, al was geen verlies te betreuren, uitbreiding kon er thans ook niet zijn. Wel kreeg in den aanvang des jaars de Litterarische faculteit een vierde lid, doordat Dr. Geesink, met behoud van zijne plaats in de Theologische faculteit, als buitengewoon hoogleraar aan haar werd toegevoegd; maar door die benoeming werd er feitelijk niets veranderd: wat reeds lang bestond, werd nu daardoor formeel geregeld.

Onveranderd bleef ook in het afgeloopen jaar de Academische positie van Dr. A. Kuyper, daar hij bleef in den staat van een non-actief hoogleeraar. Waar dat praedicaat ons herinnert aan hetgeen voor onze stichting een groot gemis is, daar mag toch met blijdschap worden opgemerkt, dat de qualiteit van hoogleeraar gebleven is, dat hij daardoor blijft behooren tot de stichting die aan hem zoo nauw verbonden is, en dat ook bij hem die band blijkbaar altijd nog werkt. Laat mij hier den wensch mogen uitspreken, dat die band blijve trekken, dat die trekking zóó actief zij als maar eenigszins mogelijk is, en dat, onder welken vorm ook, zijn persoonlijk onderwijs aan de Vrije Universiteit wêer ten goede kome. Hoog zal dat zeker gewaardeerd worden, in den ganschen Academischen kring; ook meet name in den kring der studenten.

Van dien kring der studenten moet ik nu ten slotte nog een overzicht geven.

Bij den aanvang van het Academiejaar bedroeg hun aantal, blijkens de gehouden recensie, 168. In den loop des jaars werden voor het eerst ingeschreven: voor de Godgeleerdheid 11, voor de Letteren en Wijsbegeerte 5, en voor de Rechtsgeleerdheid 8; samen 24. Maar natuurlijk hebben anderen in hetzelfde tijdsverloop hunne Academische studie geëindigd; en al kan hun aantal eerst met juistheid worden opgegeven na de nieuwe recensie, met groote waarschijnlijkheid kan toch nu reeds gezegd worden, dat er bijna evenveel zijn uitgevallen als er bijkwamen. Het geheele cijfer is

|30|

dus thans op 170 te stellen; waarvan 92 voor de Godgeleerdheid, 18 voor de Letteren en Wijsbegeerte, en 60 voor de Rechtsgeleerdheid.

Voorts kan nog uit de Academische acta worden medegedeeld, dat in het afgeloopen jaar bij examens geslaagd zijn: in de Faculteit der Godgeleerdheid, 14 voor het Candidaats-examen eerste gedeelte, 18 voor het definitieve Candidaats-examen, en 8 voor het Doctoraal; in de Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte, 1 voor het examen bedoeld in art. 135 van de Hooger-onderwijswet,  9 voor het Theologisch-propaedeutisch, 11 voor het Juridisch-propaedeutisch, en 1 voor het Doctoraal; en in de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, 6 voor het Candidaats-examen, en 6 voor het Doctoraal.  Waaraan nog is toe te voegen, dat bij publieke promotie de graad van Doctor verworven werd: in de Godgeleerdheid door de heeren J. van Lonkhuijzen en J. Jansen, en in de Letteren door den heer S. Ridderbos.

In die cijfers wordt geconstateerd, wat het resultaat was de studie. Maar (en dit mag nooit worden uit het oog verloren, allerminst door de studenten zelven) alleenlijk voor zooveel dat resultaat door examens te beoordeelen is; en dit is betrekkelijk nog niet veel. Eerst wanneer alle examens zijn afgelegd, komt de onderzoeking die beslissend is, het examen dat wordt ingesteld door het leven zelf. Slechts wie inderdaad goed studeert, zal ook  dan goed kunnen slagen. En dat is toch altijd dure roeping, allermeest aan de Vrije Universiteit. Waar erkend wordt, dat „de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid” is, ligt juist daarin een prikkel te meer, om dan dat beginsel ook te laten werken, en dus op den weg van wijsheid en wetenschap het „altijd verder” tot leuze te nemen. Moge blijken, dat dit ook zoo begrepen wordt in het corps der studenten, zodat velen daaruit voortkomen, op wie later het Schriftwoord van toepassing is: „Een wijs man is sterk en een man van wetenschap maakt de kracht vast”.

 

Voor het jaar, dat nu aanvangt, is door H.H. Directeuren, op voordracht van den Senaat, tot Rector benoemd Mr. Dammes Paulus Dirk Fabius; aan wien ik mijn ambt dus thans heb over te dragen.

|31|

Aan die laatste Rectorale verplichting voldoende, en dus U, hooggeachte ambtgenoot, nu als Rector proclameerende, mag ik tevens de eerste zijn om U als zoodanig te begroeten. Gaarne stel ik de leiding, die aan mij was opgedragen, thans in uwe handen, want ik weet, dat zij aan U wel is toevertrouwd. Orde en regel te handhaven, wat inzonderheid de taak is van den Rector, geldt een belang, dat aan U, zeker niet minder dan aan mij, ter harte gaat. Moge uwe  ervaring daarbij dezelfde zijn, als de mijne geweest is. Moge de vervulling van treurige plichten ook aan U bespaard blijven. En moge uwe taak toch veelomvattend zijn, in zover bij voortgaande ontwikkeling weder veel moet geregeld worden. Dan kan door den zegen des Heeren onze Universiteit tot een zegen gesteld worden, en de wensch vervuld worden, die op dezen dag in het hart van al hare vrienden is: Vivat, crescat, floreat.

Ik heb gezegd.

Rutgers, F.L. (1906) 4

|32|

Aanteekeningen

Bij blz 7.

1) Nadat Calvijn op Zaterdag 27 Mei 1564, des avonds omstreeks 8 uur, overleden was, had de begrafenis plaats op Zondag 28 Mei, des namiddagen te 2 ure; volgens de in Genève bestaande verordening, „de ne porter le corps en sepulture plus tost de douze heures suivantes, ni aussi plus tard de vingt quatre”. En dat die begrafenis, ook bij alle betooning van hooge vereering en van hartelijke liefde, toch inderdaad zoo eenvoudig mogelijk was, blijkt wel uit het bericht, dat Beza daarvan geeft in zijne „Vita Calvini”, en dat in zijn geheel aldus luidt (Calv. Opp., Ed. Brunsv., Vol. 21, p. 169):
„Pomeridiana vero seconda, sequentibus funus patriciis, una cum pastoribus professoribusque scholae omnibus totaque paene civitate non sine uberibus lacymae prosequente elatus est, communique coemiterio, quod Planum Palatium vocant, nulla penitus extraordinaria pompa nulloque addito cippo (sic enim mandaret) conditus, cui propterea his versiculis parentavi:

Romae reuntis terror ille maximus,
Quem mortuum lugent boni, horrescunt mali,
Ipsa a quo potuit virtutem discere virtus,
Cur adeo exiguo ignotoque in cespite clausus
Calvinus lateat, rogas?

 Calvinum adsidue comitata modestia vivum,
Hoc tumulo manibus condidit ipsa suis.

 O te beatum cespitem tanto hospite!
O cui invidere cuncta possint marmora!”

Geheel in denzelfden geest schrijft Prof. E. Doumergue in zijne monumentale biographie van Calvijn, waarvan het laatst verschenen Deel „la ville, la maison et la rue de Calvin” tot inhoud heeft (Tome III, Ed. 1905, p. 150):
„Où celui-ci fut-il déposé? On ne le sait. Il avait interdit tout signe

|33|

sur sa tombe. Son voeu fut exaucé. Pendant des années, un concierge entretint une petite pierre, sur laquelle étaient gravées les deux lettres J.C. Mais c’était à l’usage des touristes anglais. Calvin n’a pas de tombe.
„Et c’est bien fait. Peu d’hommes sont restés aussi vivants après leur mort. Calvin est partout, sauf au cimetière de Plainpalais.”

2) Ioannis Calvini responsio ad Balduini convitia etc. (Calv. Opp., Vol. 9, p. 576):
„Orbitatem mihi exprobat. Dederat mihi Deus filiolum: abstulit. Hoc quoque recenset inter proba liberis me carere. Atqui mihi filliorum sunt myriades in toto orbe christiano.”

Bij blz. 8.

3) Calv. Opp., Vol. 1, p. 72-78, 195-230.

Bij blz. 9.

4) Het in den tekst bedoelde vertoog is openbaar gemaakt door J. Gaberel, Hist. de l’église de Genève, Tome I (Ed. 1858), Pièces justificaties, p. 102-110; in Calv. Opp., Vol. 10a, p. 5-14; en door Prof. A.L. Herminjard, Correspondance des Reformateurs dans les pays de langue française, Tome IV (Ed. 1872), p. 154-166.
Dit vertoog, in het laatst van het jaar 1536 opgesteld en door de Geneefsche overheid in vergaderingen van 15 en 16 januari 1537 behandeld, wordt in de „Registres du Conseil” vermeld als „les articles donnes par Maistre Guillaume Farel et les aultres predicans” (Calv. Opp., Vol. 10a, p. 206). Dat alleen Farel hier met name genoemd werd, lag in den aard der zaak, daar hij reeds sedert lang als de geestelijke leider der Geneefsche Reformatie voortdurend met de Overheid in betrekking stond, en Calvijn pas sedert Augustus 1536 te Genève gevestigd was. Maar dat inderdaad die artikelen, niet van Farel, maar van Calvijn afkomstig waren, is wel volkomen zeker. Het wordt uitdrukkelijk gezegd door Beza en door Colladon, in de levensberichten, die zij in 1565 van Calvijn in het licht gaven (Calv. Opp., Vol. 21, p. 30 et 59). En het is buitendien, ook met het oog op beider persoonlijkheid en werkzaamheid, uit vorm en inhoud zóó duidelijk, dat het algemeen wordt erkend. B.v. door Prof. F.W. Kampschulte, Johann Calvin, Bd. I (Ed. 1869), S. 289; A. Roget, Hist. du peuple de Genève, Tome I (Ed. 1870), p. 15; Baum, Cunitz en Reuss, Calv. Opp., Vol. 10a (Ed. 1871), p. 5; Prof. A.L. Herminjard, Corresp. etc., Tome IV (Ed. 1872), p. 154; A. Rilliet, Le Catéchisme français de Calvin (Ed. 1878), p. XV; Prof. C.A. Cornelius, Historische Arbeiten

|34|

(1899), S. 130 ff.; Prof. E. Doumergue, Jean Calvin, Tome II (Ed. 1902), p. 220.
Als het werk van Calvijn is dus dit vertoog te beschouwen; en dan als een werk van groote beteekenis. Terecht, althans wat de hoofdzaak aangaat, zegt Prof. Cornelius (a.w. blz. 128), na eene beschrijving van den gang der Reformatie in Genève vóór de komst van Calvijn: „Das Ziel dieser Entwicklung war deutlich, der Weg war gewiesen:  er führte unfehlbar zu einer Kirchenordnung, ähnlich wie die, welche in den deutschen evangelischen Städten, in Bern, Zürich, Basel, Platz gegriffen hatte. … Farel, solang er allein an der Spitz stand, wäre keineswegs unzufrieden mit einem solchen Gang der Dinge gewesen. Dagegen muszte Calvins Eintritt eine Wendung herbeiführen. Denn dieser junge Mann hatte über Religion und Kirche und was damit zusammenhängt, seine eigenen ganz bestimmten Gedanken gefaszt und diese nicht allein im Stillen und für den eigenen Gebrauch zu einem in sich abgeschlossenen System ausgebildet, sondern auch in einem Religionshandbuch niedergelegt, das ganz vor kurzem erschienen, aber schon auf dem Weg zu groszer Berühmtheit begriffen war. Daneben besasz er die Eigenschaft, das einmal für wahr Erkannte für immer und unabbrüchlich festzuhalten und keinem Widerspruch das geringste Recht einzuräumen. Indem er nun, ohne vorher das neue kirchliche Leben irgendwo näher kennen gelernt zu haben, zum erstmal aus der Studierstube unmittelbar in die Gemeinde trat, verstand es sich ihm von selbst, dasz die Praxis der Theorie gehorchen, die Genfer Kirche seinem Religionshandbuch sich anbequemen muszte.” Het hooge belang van dit vertoog wordt dan ook algemeen erkend. B.v. door Roget, waar hij op de resumtie van den inhoud laat volgen (a.w., blz. 20): „Telle est la substance de ce document important, dans lequel se trouvent dessinés tous les principaux linéaments du gouvernement de l’Eglise tel qu’il était conçu par Calvin”. En door Prof. Doumergue, waar hij ervan zegt (a.w., blz. 223): „Ces pages sont capitales pour comprendre la conception ecclésiastique de Calvin. On peut dire qu’au moment d’entreprendre son oeuvre il donne son programme”.
Hiermede wordt nu zeker niet bedoeld, dat dit opstel geheel en ten volle bevatte, wat Calvijn zou gewenscht hebben. Toen hij in Genève kwam, vond hij daar volstrekt niet een soort van ideale gemeente, die voor eene volledige ordening naar Gods Woord ontvankelijk en bereid was; veeleer juist het tegendeel. Bovendien vond hij er, zoowel op kerkelijk gebied als op dat van staat en maatschappij, een historisch gewordenen toestand, die in allerlei opzicht aan de toepassing zijner beginselen in den weg stond. En in zulke gevallen was hij nooit zoo onberaden, dat hij de als waar erkende beginselen toch maar aanstonds en tot in de uiterste consequentie zou willen doorvoeren. Hij had reeds op jeugdigen leeftijd

|35|

die voorzichtige wijsheid, die in de practijk des levens met de omstandigheden genoegzaam rekening weet te houden. Zelfs Prof. Cornelius, die in zijn straks aangehaald opstel (over „die Verbannung Calvins aus Genf 1538”, in 1886 openbaar gemaakt) aan Calvijn eene niets ontziende en altijd doortastende onverzettelijkheid toeschrijft, komt in eene andere studie (over „die Gründung der Calvinischen Kirchenverfassung in Genf 1541”, van 1892 dagteekenend) tot de slotsom: „Wir haben eine Anzahl Punkte gefunden, in welchen der Reformator hat nachgeben müssen. Die Zuchtordnung gehört nicht zu innen: vielmehr ist er im Kampf um dieselbe siegreich gewesen. Dennoch ist es gerade sie, die er als ein unvollkommenes Werk bezeichnet und deren Gebrechen er mit der Schwäche der Zeit entschuldigt” (Hist. Arb., S. 387). En Calvijn zelf geeft ook te dien aanzien getuigenis; b.v. in een brief aan een onbekende, van Januari 1542: „Principio hinc fuit inchoandum, ut leges ecclesiasticae scriberentur. Nobis adiuncti sunt sex e Senatu qui eas conciperent [d. 13 Sept. 1541]. Intra viginti dies formulam composuimus, non illam quidem satis absolutam, sed pro temporis infirmitate tolerabilem. Ea suffragiis populi recepta fuit [d. 20 Nov. 1541]. Constitutum deinde Iudicium quod morum censuram exerceat ac ecclesiae ordini servando invigilet. Volui enim, sicut aequum est, spiritualem potestatem a civili iudicio distingui. Ita in usum rediit excommunicatio.” En in een brief aan Oswald Myconius, van 14 maart 1542: „Nunc habemus qualecunque presbyterorum Iudicium et formam disciplinae, qualem ferebat temporum infirmitas. Sed ne putes id nos sine maximo sudore fuisse consequutos. Ubique enim erumpunt profani illi spiritus qui, ut disciplinam et ordinem effugiant, quem nullo modo ferre queunt, quoslibet quaerunt praetextus ad labefactandam ecclesiae auctoritatem.”
Maar al moet die inschikkelijkheid nooit worden uit het oog verloren, wanneer men uit Calvijns practische werkzaamheid zijn gevoelen wil afleiden, toch moet anderzijds evenzeer erkend worden, dat hij op het stuk van beginselen nooit toegaf. Al kon hij ze nog niet aanstonds geheel in toepassing brengen, zij werden dan toch duidelijk door hem uitgesproken; en voorts waren de regelingen, die hij opstelde, er geheel op ingericht om die beginselen allengs te doen doorwerken. Inzonderheid geldt dit van het hier bedoelde vertoog; te meer, omdat het niet eens bedoeld was als een concept voor eene kerkelijke verordening, maar blijkbaar de hoofdlijnen wilde aangeven, die bij de gewenschte regeling zouden te volgen zijn. Daarom kan dit stuk dan ook bij uitnemendheid dienst doen, om die hoofdlijnen te doen kennen: het was inderdaad Calvijns program van actie.

5) Voor Calvijn stond reeds van den aanvang af vast, dat de geheele kerkelijke inrichting aan Gods Woord moest ontleend zijn, en dat alle kerkelijke regeling met dat Woord moest overeenstemmen. Duidelijk wordt

|36|

dit uitgesproken in het vertoog, waarvan hier sprake is; b.v. in het slot van de inleiding: „Maintenant qu’il az pleuz au Seigneur de ung peu mieux establir icy son règne, il nous az semblé advis estre bon et salutayre de conférer ensemble touchant ces choses, et après avoyr advisé entre nous par la Parolle du Seigneur, ayant invocqué son nom et imploré l’assistence de son esprit, quelle polisse il seroyt bon de y tenir cy-après, nous avons conclud de vous présenter par articles ce que en avons déliberé, selon la cognoyssance que le Seigneur nous en az donné, vous priant au nom de Dieu que vostre playsir soyt ne vous espargner, de vostre part, à faire icy ce qui es de vostre office: C’est que si vous voyés nostre advertissement estre de la saincte parolle de l’Evangile, mettez bonne diligence que ces observations soyent receues et maintenues en vostre ville, puisque le Seigneur, par sa bonté, vous az donné ceste cognoyssance que les ordonnances par lesquelles son Esglise est entretenue sont: que elle soyt vrayement et le plus prest que fère se peult conformée à sa Parolle, qui est la certayne règle de tout gouvernement et administration, mays principalement du gouvernement ecclésiastique”. En desgelijks in de peroratie, waarmede het stuk besloten werd: „Maintenant, nous très-honnorés Seigneurs, nous vous supplions affectueusement, tous d’ung accord, et prions au nom de Dieu, si vous voyés que ces advertissemans et exhortations soyent vrayement de la Parolle de Dieu, ne les prendre poënt comme de nous, mays comme de Celluy dont elles procèdent”, etc.
Door het in die woorden uitgesproken beginsel werd het kerkrecht naar de opvatting van Calvijn (en vervolgens ook van de latere Gereformeerden), inderdaad gekenmerkt. Terecht, althans in hoofdzaak, wordt daarom gezegd door Dr. Karl Rieker (hoogleeraar in de Rechten te Leipzig), Grundsätze reformierter Kirchenverfassung (Ed. 1899), in den aanvang van het hoofdstuk, dat over „das Formalprinzip der reformierten Kirchenverfassung” handelt (S. 95):
„Das Formalprinzip lautet: nur diejenige Verfassung ist die richtige und wahre, die aus Gottes Wort geschöpft ist und mit der Ordnung der apostolischen, überhaupt der christlichen Urkirche übereinstimmt. In einem Briefe an Farel vom 16. September 1541 (opp. XI p. 281) schreibt Calvin im Rückblick auf seine Bemühungen, eine rechte Kirchenverfassung in Genf zu begründen: Exposui non posse consistere ecclesiam, nisi certum regimen constitueretur, quäle ex verbo Dei nobis praescriptum est et in veteri ecclesia fuit observatum.
„Vor allem wird der erste Moment betont: Die Schriftmässigkeit der rechten Kirchenverfassung. Um dies zu verstehen, muss man bedenken, dass der Calvinismus sich zur hl. Schrift etwas anders stellt als das Luthertum. Ihm sind nicht bloss wie diesem die religiösen Gedankenkreise

|37|

der hl. Schrift normativ, sondern auch die darin beschriebenen sozialen Ordnungen und Einrichtungen, insbes. der apostolischen Kirche, die der Lutherische Christ schon deshalb nicht als verbindlich anerkennen kann, weil inzwischen die geschichtlichen Bedingungen, unter denen sie entstanden sind, sich völlig verändert haben. Die Bibel ist für den Calvinisten der Codex der von Gott für das öffentliche und private Leben seiner Erwählten gegebenen Gesetze und Ordnungen. Während lutherischerseits alles, was Gott in seinem Worte nicht verboten hat, für erlaubt gilt, schränkt der Reformierte den Kreis des Gottwohlgefälligen auf das ein, was Gott in der hl. Schrift ausdrücklich geboten oder erlaubt hat. Verwirft die lutherische Kirche Menschensatzung nur soweit, als sie nicht mit Gotteswort zusammenbestehen kann, so wird reformierterseits der Grundsatz ausgesprochen: es darf in der Kirche überhaupt keine Menschensatzung bestehen; nur Gottes Wort soll darin herrschen.”
En desgelijks wordt dat kenmerk erkend door Dr. Emil Friedberg (hoogleeraar in de Rechten te Leipzig), in zijn werk, dat thans in Duitschland als handboek voor het Kerkrecht bijzonder gewaardeerd wordt, Lehrbuch des katholischen und evangelischen Kirchenrechts, 5e Aufl. (1903), waar hij schrijft (S. 92): „Während Luther das Schwergewicht in die unsichtbare Kirche verlegt und ihm die sichtbare nur äuszerliche Gemeinde ist, über welche die Schrift nichts aussagt, erscheint der reformirten Lehre die sichtbare Kirche, als das Reich Christi auf Erden, für dessen Verfassung er selbst die Grundzüge in der Schrift festgelegt hat und das in der urchristlichen zur Darstellung gelangt ist; darum ist die Verfassung dem Dogma gegenüber nichts Nebensächliches und ihr richtiger Ausbau, der sich nicht nach geschichtlichen oder Zweckmässigkeitsmomenten zu bestimmen hat, nicht minder bedeutungsvoll als die Formulirung des richtigen Glaubens und die Handhabung von Predigt und Sacrament”.

6) De „theologi Argentoratenses” (G. Baum, E. Cunitz en E. Reuss), aan wie de „editio Brunsvicensis” van „Calvini opera quae supersunt omnia” te danken is, hebben van de „Institutio religionis christianae” al de Latijnsche uitgaven, die door Calvijn zelven bewerkt en bezorgd zijn, in hun geheel afgedrukt in Vol. 1 en 2, met bijvoeging van eene „synopsis editionum” (Vol. 1, p. LII-LIX), en met gebruikmaking van verschillende lettersoorten voor de bijeengevoegde zes uitgaven, die tusschen de eerste (van 1536) en de laatste (van 1559) verschenen zijn; zoodat zonder veel moeite nu kan worden nagegaan, hoe Calvijns hoofdwerk allengs gegroeid is. De slotsom, waartoe de vergelijking van alle die uitgaven henzelven gebracht heeft, wordt in Vol. 3, p. XI, aldus door hen uitgedrukt:
„Nous avons fait voir dans les précédents volumes combien de fois il

|38|

[nl. le chef-d’oeuvre de Calvin] a été remanié, comment a chaque remaniement il s’est enrichi et transformé, comment, de petite ébauche qu’il avait été d’abord, il a fini par devenir un gros volume, comment l’esquisse toute populaire se changea en savant système, et pourtant, à travers toutes ces métamorphoses qui ne laissèrent pas une seule page absolument intacte, l’idée, la conception théologique est restée la même, les principes n’ont pas varié. Vainement les adversaires, aux yeux desquels le changement était par lui-même la plus grave erreur, se sont-ils efforcés de découvrir des variations dans la doctrine enseignée dans ce livre. Calvin a ajouté, développé, précisé, il n’a rien retranché ni rétracté. Et c’était avant d’avoir accompli sa vingt-sixième année qu’il se trouvait en pleine possession de toutes les vérités génératrices de sa théologie, et jamais après, durant une vie de méditation et de travail d’esprit incessant, il n’a trouvé dans son oeuvre, ni des principes à renier, ni des éléments à changer foncièrement.”
De Fransche tekst van de „Institutio” is voor eene vergelijking minder dienstig. Immers, alleen bij de  eerste uitgave (van 1541, op wier titel vermeld staat: „translatée en françois, par luymesme”) is Calvijn zelf voor de juiste vertaling aansprakelijk. Van de daarna gevolgde Latijnsche uitgaven heeft hij de vertaling aan anderen overgelaten. En wel was het zijn plan, na de laatste Latijnsche uitgave van 1559, deze wederom zelf in het Fransch te vertalen; maar hij heeft dat reeds spoedig (bij het 7e hoofdstuk van het 1e Boek) moeten opgeven; en de vertaling is toen toch wel gekomen, maar volstrekt niet met de noodige nauwkeurigheid. De uitgevers van Calv. Opp. zeggen daarvan terecht (Vol. 3, p. XXV): „Il est même peu probable qu’il [nl. Calvijn] ait seulement revu les épreuves. Car non seuelement nous avons rencontré un grand nombre d’inexactitudes, d’omissions, d’additions oiseuses et embarrassantes, mais encore des passages où il est évident que le traducteur n’a pas même compris le texte Latin. Un simple coup d’oeil sur les notes critiques que nous avons jointes à notre texte convaincra le lectuur de la justesse de notre assertion. Mais on nous permettra de la justifieer ici par un petit nombre d’exemples, choices au hasard dans les notes du présent volume”; waarna dan een aantal plaatsen worden aangehaald, die een zóó verkeerden zin geven, dat onmogelijk is aan te nemen, dat Calvijn ze ooit onder de oogen zou gehad hebben.

7) Ook hier is de vergelijking gemakkelijk, doordat in de Brunswijksche uitgave van Calvijns Werken het vertoog van Januari 1537 (Vol. 10a, p. 5-14) gevolgd wordt door een afdruk van al de „ordonnances ecclésiastiques” enz., die Calvijn voor Genève ontworpen heeft, of die met zijne medewerking zijn gemaakt en uitgevaardigd (a.w., p. 15-124).

|39|

Bij blz. 10.

8) Vgl. voor het in deze alinea gezegde Calvijns verklaring van het geloofsartikel over de kerk, in de eerste uitgave der „Institutio”, Calv. Opp., Vol. 1, p. 72 sqq.; waar hij o.a. zegt: „Primum credimus sanctam ecclesiam catholicam, hoc est, universum electorum numerum (p. 72). … Caeterum, de aliis certo censere an sint ex ecclesia, nec ne, ac electos a reprobis discretere, non nostrum est. Haec enim singularis est Dei praerogativa, nosse qui sint, ut testatur Paulus (2 Tim. 2). … Quanquam autem fidei certitudine agnosci a nobis electi non possunt, quando tamen scriptura certas quasdam notas nobis describit, ut antea dictum est, quibus electos et filios Dei a reprobis et externis distinguamus, quatenus a nobis vult agnosci, debent quodam caritatis iudicio pro electis ac ecclesiae membris haberi omnes, qui et fidei confessione et vitae exemplo et sacramentorum participatione eundem nobiscum Deum ac Christum profitentur. … His enim notis ac indiciis scriptura electos Dei, filios Dei, populum Dei, ecclesiam Dei nobis definit, ut a nobis intelligi possunt (p. 75). … Quanquam autem, dum adhuc incertum est nobis Dei iudicium, censere singulatim non licet, qui ad ecclesiam pertineant nec ne, ubi tamen cunque verbum Dei sincere praedicari atque audiri, ubi sacramenta ex Christi institutione administrari videmus, illic aliquam esse Dei ecclesiam nullo modo ambigendum est. … Certior autem alia etiam de ecclesia Dei haberi in terris notitia non potest, nec aliter discerni, qui ex ea sint, aut minus. Quin potius nihil horum nisi fide intelligitur, quod ipsum significamus, cum dicimus: nos ipsam credere. Creduntur enim quae praesenti oculo spectari nequeunt (p. 77). … Haec est ecclesia catholica, corpus Christi mysticum (Eph. 1). Ita proximo capite testati sumus, nos credere ecclesiam. Hoc vere declaramus, qualem ipsam esse credamus. Scio vero hanc partem ab aliis praeteriri, ab aliis in alium sensum trahi; sed sum interpretatus, qua optima potui fide” (p. 78).
Bij hetgeen aldus van de kerk gezegd wordt, gebruikt de tweede uitgave van de „Institutio” (van het jaar 1539) ook de uitdrukking „ecclesia visibilis”, ter onderscheiding van de kerk, zooals ons geloof die „incognita apprehendit” (Calv. Opp., Vol. 1, p. 542; waar van de drie onderscheidene lettersoorten de gewone of Romeinsche letter aangeeft, wat tot de uitgave van 1539 behoort; volgens de aanwijzing in de „Prolegomena”, p. XLVII).

Bij blz. 11.

9) De in den tekst aangehaalde woorden zijn van Prof. Rieker, a.w., blz. 60 vg.

|40|

10) Vgl. voor het in deze alinea gezegde wat reeds hierboven (noot 8) uit de eerste uitgave van de „Institutio” is aangehaald.

11) De aangehaalde woorden zijn ontleend aan de toespraak, waarmede Calvijn op zijn sterfbed van de gezamenlijke predikanten heeft afscheid genomen; voor het eerst afgedrukt door Jules Bonnet, Lettres de Jean Calvin, Tome II (Ed. 1854), p. 573 ss., en daaruit overgenomen in Calv. Opp., Vol. 9, p. 891 sqq. De hier bedoelde alinea luidt in haar geheel aldus:
„Quand je vins premierement en ceste Eglise il n’y avoit quasi comme rien. On preschoit et puis c’est tout. On cerchoit bien les idoles et les brusloit-on; mail il n’y avoit aucune réformation. Tout estoit en tumulte. Il y avoir bien le bonhomme Me. Guillaume [Farel], et puis l’aveugle Couraut (non pas né aveugle, mais il l’est devenu à Basle). D’advantage il y avoit Me. Anthoine Saulnier, et ce beau prescheur Froment qui ayant laissé son devancier s’en montoit en chaire, puis s’en retournoit à sa boutique où il iasoit et ainsi il faisoit double sermon”.
Een soortgelijk oordeel van Calvijn zelven over den kerkelijken toestand van Genève in het einde van het jaar 1536 is ook reeds te vinden in een veel ouder document, nl. in de voorrede van de door hemzelven gemaakte Latijnsche vertaling van den Catechismus, dien hij in het eind van 1536 voor Genève had opgesteld, welke vertaling in Maart 1538 in het licht kwam (afgedrukt in Calv. Opp., Vol. 5, p. 313-362). Daarin wordt te dien aanzien o.a. gezegd (p. 319):
„Quanquam post abominationem papismi, verbi virtute hic prostratam, senatusconsulto edictum fuerat, ut sublatis superstitionibus, earumque instrumentis, ad evangelii puritatem urbis religio componeretur: nondum tamen ea exstare nobis videbatur ecclesiae facies, quam legitima muneris functionem nostram adeo exiguis finibus terminatam non putamus, ut concione habita, ceu persoluto penso, conquiescere liceat. Proprius multo ac vigilantiore opera curandi sunt, quorum sanguis, si desidia nostra perierit, a nobis reposcetur. Si quando autem alias nos anxios habebat haec sollicitudo, tum vero acerrime urebat ac discruciabat, quoties distribuenda erat Domini coena. Quum enim multorum dubia nobis foret, et maxime etiam suspecta fides, omnes tamen promiscue irrumpebant. Et illi quidem iram Dei vorabant potius, quam vitae sacramentum participabant. Atqui an non ipse quoque pastor tantum mysterium profanare credendus est, qui delectum in eo communicando nullum habet? Quare non alia lege pacem ac quietem obtinere cum nostris ipsorum conscientiis potuimus, quam ut solonni professione nomen Christo darent, qui in eius populo censeri, atque ad spirituale sacrosanctumque illud epulum admitti vellent”. Etc.

|41|

Bij blz. 12.

12) De in den tekst genoemde eigenaardigheid, waardoor Calvijns opvatting van het wezen der kerk werd gekenmerkt, in tegenstelling met de Roomsche en Luthersche opvatting, is vervolgens steeds meer een kenmerk geweest van het Gereformeerde stelsel van kerkrecht, en als zoodanig goed voorgesteld o.a. door Prof. K. Rieker, Grundsätze reformierter Kirchenverfassung (Ed. 1899), waar hij zegt, dat het in de practijk neerkomt op „die Ersetzung der Parochie durch die Gemeinde”, en dan laat volgen (S. 79 fg.):
„Die Parochie bezeichnet nach ihrem mittelalterlichen-kanonischen Begriff, der in das Recht der lutherischen Kirche übergegangen ist, die Gesammtheit derjenigen, die an Einem Orte derselben Konfession zugethan sind, lediglich als Objekt der pfarramtlichen Thätigkeit des Parochus. Es ergiebt sich daraus einmal, dass die Parochie als solche kein Rechtssubjekt ist, sondern der örtliche Verwaltungsbezirk des Pfarrers, und dass dieser selbst, als Parochus, als derjenige, dessen Amtskreis eben die Parochie bildet, nicht zur Parochie gehört, nicht parochianus ist.
„ Dem reformierten Protestantismus ist der Begriff der Parochie nicht unbekannt, aber, man darf wohl sagen, unsympathisch. Für ihn kommen die an Einem Orte wohnenden Christen desselben Glaubens nicht als passives Objekt der pfarramtlichen Thätigkeit, sondern als aktives Subjekt der auf die Herstellung des Gottesreiches auf Erden gerichteten Energie in Betracht. Daher sagt ihm der Begriff der Gemeinde (congregatio) als der genossenschaftlichen Form der Gemeinschaft mehr zu als der der Parochie, der anstaltlichen Form der Gemeinschaft. Zur Gemeinde aber in diesem Sinne als der Vereinigung derer, die an Einem Ort für die Ehre Christi eifern, gehört auch der Pfarrer”.
Waarbij in eene noot nog wordt aangeteekend: „Zu demselben Ergebnis komt, wenn auch auf anderem Wege, Rehm in der deutschen Zeitschrift für Kirchenrecht, Bd. II, S. 205: „Der Pfarrer gehört nicht zur Parochie, wohl aber zur Kirchengemeinde”. Die Frage, ob der Pfarrer bei den kirchlichen Gemeindewahlen stimmberechtigt sei, erledigt sich verschieden, je nach dem man sich mehr auf den Standpunkt des altlutherischen Parochialbegriffs oder auf den des reformierten Gemeindebegriffs stellt”.
Slechts op één punt is er tegen die voorstelling bezwaar te maken, nl. tegen de kenschetsing van het Gereformeerde begrip van kerk als „genossenschaftlich”, in zoover het woord „genootschap” hier bedoeld is in den juridischen zin van het woord „vereeniging”. En dat dit inderdaad het geval is, blijkt b.v. hieruit, dat het Independentisme beschouwd wordt als de consequente doorvoering van dit Gereformeerde beginsel (blz. 84),

|42|

en eene nauwe verwantschap gesteld wordt tusschen de beginselen van het Gereformeerde kerkrecht en die van het natuurrecht (blz. 88 en 100). Dit staat weer in verband met den geheelen opzet van Prof. Rieker’s boek, dat wel in menig opzicht zeer belangrijk en leerzaam is, maar toch vaak het Gereformeerde kerkrecht miskent, doordat het bij kerken, die oorspronkelijk daarnaar ingericht waren, de regelingen van de 17e, 18e en 19e eeuw te veel beschouwt als regelmatige ontwikkeling, zonder genoegzaam rekening te houden met het feit, dat vooral gedurende de laatste twee eeuwen in vele kerken, die „Gereformeerd” bleven heeten, toch metterdaad zeer ongeïnformeerde beginselen zijn ingedrongen en tot heerschappij gekomen.

Bij blz. 14.

13) De handhaving van de Christelijke vrijheid der consciëntie tegenover alle inzetting en gezag van menschen beslaat in de eerste uitgave van de „Institutio” de grootste helft van het zesde (laatste) hoofdstuk (Calv. Opp., Vol. 1, p. 195-228). Hoe zij daarin geschiedt, kan althans eenigszins blijken uit de volgende aanhalingen:
„Tractandum nunc de christiana libertate. Cuius explicatio praetermitti minime ab eo debet, cui summam evangelicae doctrinae compendio complecti propositum sit. Est enim res apprime necessaria ac citra cuius cognitionem nihil fere sine dubitatione aggredi conscientiae audent, in multis haesitant et resiliunt, semper variant et trepidant” (p. 195).
„Iam vero cum hac libertatis praerogativa, qualem antea descripsimus, donatae fideles conscientiae, in Christi beneficio consecutae sint ne ullis observationum laqueis in iis rebus implicentur, in quibus eas esse liberas Dominus voluit, omnium hominum potestate exemtas esse constituimus. Est enim indignum, aut Christo gratiam tantae suae liberalitatis perire: aut conscientiis ipsis fructum. Neque res levicula existimanda nobis est, quam videmus tanti Christo constitisse. Utpote, quam non auro aut argento, sed proprio sanguine aestimavit, ut Paulus non dubitet dicere, irritam fieri eius mortem, si animas nostras hominibus in subiectionem tradimus. Siquidem non aliud agit aliquot capitibus epistolae ad Galatas, quam Christum nobis obscurari vel potius extingui, nisi in sua libertate stent conscientiae nostrae: a qua certe exciderunt, si possunt hominum arbitrio, legum ac constitutionum vinculis illaqueari. Verum, ut res est cognitu dignissima, ita longiori magisque perspicua explicatione indiget” (p. 203 sq.).
„Scilicet, si a solo Dei verbo pendet fides, si in illud solum respicit et recumbit, quis iam hominis verbo locus relinquitur? Legum vero ferendarum potestas cum et ipsa apostolis incognita fuerit et toties ecclesiae ministris

|43|

per verbum Dei adempta, miror qui eam, praeter apostolorum exemplum et contra manifestum Dei interdictum, ad se trahere ausint. Non enim ambiguum est quod scribit Iacobus (Iac. 4): Qui iudicat fratrem, iudicat legem. Qui legem iudicat, non est observator legis, sed iudex. Unus autem legislator, qui potest servare et perdere. Id ipsum apud Iesaiam dictum erat, quanquam paulo obscurius: Dominus rex noster, Dominus legislator noster, Dominus iudex noster, ipse salvavit nos (Ies. 33). Audimus ab Iacobo, vitae et mortis arbitrium pronunciari, qui ius habet in animam” (p. 209 sq.).

14) Voor het in deze alinea gezegde kan verwezen worden b.v. naar hetgeen in de eerste uitgave van de „Institutio” met de volgende woorden gezegd wordt:
„Statim atque iniecta est aliqua mentio Christianae libertatis, ibi aut fervent libidines, aut insani motus surgunt, nisi mature obviam eatur lascivis ingeniiis istis, quae alioquin optima quaeque pessime corrumpunt” (p. 195).
„Partim enim, huius libertatis praetextu, omnem Dei obedientiam excutiunt et in effrenatam licentiam se proripiunt, partim indignantur, putantes omnem moderationem, ordinem, rerumque delectum tolli. Quid hic agamus, talibus angustiis circumsepti? An christiana libertate valere iussa, huiusmodi periculis opportunitatem praecidamus? Atqui, ut dictum est, nisi ea tenetur, nec Christus, nec evangelii veritas recte cognoscitur. Danda potius opera, ne adeo necessaria doctrinae pars supprimatur et occurratur tamen interim absurdis illis obiectionibus, quae inde enasci solent” (p. 196).
„Hoc unum contendo, necessitatem imponi conscientiis non debere, in quibus rebus a Christo liberantur, nec nisi liberatae, ut antea docuimus, quiescere apud Deum possunt. Unicum regem agnoscant, suum liberatorem Christum, et una libertatis lege, nempe sacro evangelii verbo, regantur oportet, si gratiam quam in Christo semel obtinuerunt, retinere volunt; nulla servitute teneantur, nullis vinculis adstringantur” (p. 204 sq.).
„Porro, cum duplex in homine regimen superius statuerimus, et de altero illo, quod in anima seu interiori homine residet, aeternamque vitam respicit, satis iam multa verba fecerimus, de altero etiam, quod ad instituendam civilem duntaxat externamque morum iustitiam pertinet, non nihil ut disseramus, locus hic appetit. Principio, antequam in rem ipsam ingredimur, tenenda illa est distinctio ante a nobis posita, ne, quod multis vulga accidit, haec simul duo imprudenter permisceamus, quae diversam prorsus rationem habent. Illi enim cum in evangelio promitti liberatem audiunt, quae nullum inter homines regem, nullumque magistrum agnoscat, sed in Christum unum intueatur, nullum libertatis suae fructum capere se

|44|

posse putant, quamdiu aliquam supra se eminere potestatem vident. Itaque nihil fore salvum existimant, nisi totus in novam faciem orbis reformetur, ubi nec iudicia sint, nec leges, nec magistratus et si quid simile est quod officere suae libertati opinantur. At vero”, etc. (p. 228).

Bij blz. 15.

15) Vgl. voor het in deze alinea gezegde b.v. de volgende uittreksels uit de eerste uitgave van de „Institutio”:
„Primum credimus sanctam ecclesiam catholicam, hoc est, universum electorum numerum, sive angeli sint, sive homines (Eph. 1, Col. 1); ex hominibus, sive mortui, sive adhuc vivant; ex viventibus, quibuscunque in terris agant, aut ubivis gentium dispersi sint: unam esse ecclesiam ac societatem et unum Dei populum cuius Christus, Dominus noster, dux sit et princeps, ac tanquam unius corporis caput; prout in ipso divina bonitate electi sunt, ante mundi constitutionem, ut in regnum Dei omnes aggregarentur” (p. 72).
„Hoc ergo unum apostolis relictum est et eorum successoribus etiamnum restat, eam legem diligenter retinere, qua eorum legationem Christus limitavit, cum iussit: irent ac docerent omnes gentes, non quae temere ipsi apud se essent fabricati, sed quaecunque ipsis praeceperat (Matth. ult.). Nec aliud aut sibi, aut aliis reliquit apostolus Petrus, optime a magistro edoctus, quantum sibi liceret. Qui loquitur, inquit, loquatur sermones Dei (1 Petr. 4). Quid hoc aliud  est, quam omnes humanae mentis inventiones, a quocunque tandem capite profectae sint, arcere, ut purus sermo Dei in fidelium ecclesia doceatur ac discatur; omnium hominum, cuiuscunque sint ordinis, placita tollere, ut solius Dei decreta statuantur?” (p. 208).
„At quanti putamus referre, suum Domino regnum eripi, quod tanta severitate sibi asserit? Eripitur autem, quoties humanarum inventionum legibus colitur, quando solus ipse cultus sui vult haberi legislator. Ac ne rem esse nihili quis existimet, audiant quanti reputetur a Domino” (p. 223).
De hier bedoelde eigenaardigheid, die het Gereformeerde kerkrecht van Calvijn af steeds heeft gekenmerkt, wordt door Prof. Rieker goed uiteengezet, waar hij over „das Materialprinzip der reformierten Kirchenverfassung” o.a. schrijft (a.w., blz. 105 en 108):
„Welches ist dies? negativ der Ausschluss jeglicher menschlicher Herrschaft in der Kirche, positiv die Alleinherrschaft Christi in seiner Kirche (Christokratie). Es ergiebt sich dies als natürliche Folge aus dem reformierten Kirchenbegriff. Ist die Kirche der Gottesstaat, das Königreich Christi auf Erden, dann darf und soll niemand darin herrschen ausser Christus. Das war

|45|

der grösste Schaden, den das Papsttum mit seiner Hierarchie der Kirche zugefügt hat, dass es an die Stelle des Regiments Christi die Herrschaft von Menschen gesetzt hat. Wenn Menschen in der Kirche eine Herrschaft ausüben, so begehen sie damit einen Raub an der Ehre und Macht Christi als ihres alleinigen Herrn und einzigen Haupts. Es gibt keine andere Idee, die die Verfassungstheorie der reformierten Kirche so beherrscht, wie die von der Königsherrschaft Christi, dem headship of Christ, wie es Presbyterianer englischer Zunge nennen. Wir finden sie fast in allen reformierten Bekenntnissen und Kirchenordnungen” (blz. 105).
„Nun ist die These, dass Christus das Haupt seiner Kirche sei, dem lutherischen Protestantismus durchaus nicht fremd und kann es nicht sein, weil Christus in mehreren Bibelstellen so bezeichnet wird. Allein dies bezieht sich zunächst nur auf die unsichtbare Kirche; und wenn mit Beziehung auf die sichtbare behauptet wird, ihr Haupt könne der Papst zu Rom nicht sein, weil es Christus sei, so bedeutet dies doch immer nur dass dem Päpste jure divino eine solche Stellung und Würde nicht zukomme. Dagegen wird sie, soweit er damit zufrieden wäre, sich auf das jus humanum zu stützen, principiell nicht für unzulässig erklärt, wie die bekannte Unterschrift Melanchthons unter den Schmalkaldischen Artikeln (libr. symb. p. 326) beweist. Denn das ein Mensch eine hervorragende Stellung, ein headship in der sichtbaren Kirche einnimmt, ist vom lutherischen Standpunkt aus so lange unbedenklich, als diese Stellung nicht auf ein jus divinum gegründet oder zur Unterdrückung des Evangeliums verwendet wird. Auch Fürsten können in der sichtbaren Kirche eine hervorragende Stellung einnehmen, ja es ist sogar ihre natürliche und gottgefällige, praecipua membra ecclesiae zu sein (libr. symb. p. 339). Denn wohl will Christus auch die sichtbare Kirche regieren, aber, wie der lutherische Dogmatiker Johannes Gerhard ebenso kurz wie treffend sich ausdrückt, Christus ecclesiam suam non regit immediate (Loci theologici XIII, 272). Ein menschliches Kirchenregiment hebt die „Hauptschaft” Christi nicht auf, wenn es von Christi Wort sich leiten lässt.
„Ein derartiger Gedankengang ist dem Calvinisten unverständlich. Ist Christus das Haupt der Kirche, dann kann dies niemand anders sein, dann ist jede überragende Stellung eines Menschen in der sichtbaren Kirche mit der Ehre Christi unverträglich; das headship eines Menschen in der Kirche hebt das headship of Christ auf. Der Einwand, dass ja die Vaterschaft Gottes über alle Menschen doch auch nicht die natürliche und irdische Vaterschaft von Menschen ausschliesse, macht den Reformierten nicht irre, weil ihm eben die unsichtbare und die sichtbare Kirche in einander übergehen, was von der einen gilt, auch von der anderen gelten muss: das headship of Christ ist eben nicht blos

|46|

geistig-moralisch, sondern auch politisch-juristisch zu verstehen” (blz. 108).

Bij blz. 16.

16) De inhoud der laatste volzinnen is grootendeels vertaald uit hetgeen reeds hierboven (in noot 8) is aangehaald.

17) Van den hier bedoelden Catechismus, die tot titel had: „Instruction et confession de Foy, dont on vse en Leglise de Geneue”, is de oorspronkelijke tekst (de Fransch, uit het laatst van 1536) afgedrukt o.a. in Calv. Opp., Vol. 22, p. 25-74; nadat de Latijnsche vertaling, die Calvijn in 1538 gemaakt heeft, reeds in Vol. 5, p. 313-354, was opgenomen.
De Confessie van denzelfden tijd, die tot titel had: „Confession de la foy, laquelle tous Bourgeois et habitans de Geneue et subietz du pays doyuent ivrer de garder et tenir, extraicte de Linstruction dont on vse en Leglise de la dicte Ville”, is in den oorspronkelijken (Franschen) tekst afgedrukt o.a. in Calv. Opp., Vol. 9, p. 693-700; nadat de Latijnsche vertaling, die Calvijn in 1538 gemaakt heeft, reeds in Vol. 5, p. 355-362, was opgenomen. Daarna is de Fransche tekst nog eenmal afgedrukt in Vol. 22, p. 77-96, met noten, die aangeven, waar de Latijnsche vertaling zich eenigszins anders uitdrukt dan het origineel.
Beide die stukken worden door Beza en Colladon, in de drie bewerkingen hun levensschets van Calvijn (uit de jaren 1564, 1565 en 1575), als het werk van dezen genoemd (Calv. Opp., Vol. 21, p. 30 sq., 59 et 126). Met betrekking tot den Catechismus wordt dit ook door niemand betwijfeld; maar de redactie van de korte Confessie is dikwijls aan Farel toegeschreven; zij het ook, dat men dit auteurschap dan slechts als „waarschijnlijk” voorstelde, of wel Calvijn daarbij toch liet medewerken.
Dat de redactie aan Farel is toe te schrijven, is in den laatsten tijd nog verdedigd o.a. door de uitgevers van Calv. Opp., Vol. 5, p. XLIII sq., Vol. 9, p. LII, en Vol. 22, p. 9-22, en door Lic. A. Lang (Domprediger u. Privat-dozent in Halle a/S.), Der Heidelberger Katechismus und vier verwandte Katechismen (in October 1906 verschenen, reeds met het jaartal 1907 op den titel), S. XXXV fg.
Daarentegen is het bericht van Beza en Colladon, die Calvijn als auteur noemen, in den laatsten tijd nog gehandhaafd o.a. door A. Rilliet, Le Catéchisme français de Calvin (Ed. 1878), p. LII-LVII, en door Prof. Doumergue, Jean Calvin, Tome II (Ed. 1902), p. 237-239.
Voor het verband, waarin hierboven, in den tekst, van deze Confessie gesproken wordt, is de quaestie van het formeele auteurschap van te weinig beteekenis, om hier in bijzonderheden aan te wijzen, waarom dit aldaar aan Calvijn is toegekend.

|47|

18) Het hier bedoelde gedeelte van het vertoog aan de Overheid was aldus geformuleerd (Herminjard, Corresp., Tome IV, p. 161, en Calv. Opp., Vol. 10a, p. 11):
„Davantage, pour ce qu’il y a grandes suspicions et quasi apparances évidentes, qu’il y a encore plusieurs habitants en ceste ville qui ne se sont aulcunement renié à l’Evangille, mays il [of: y] contredisent tant qu’il peuvent, nourissant en leur cueur toutes les supersticions compétantes [of: contrepetantes] contra la Parolle de Dieu, ce seroyt une chose bien expédiente de commencer premièrement à cognoëstre ceux qui se veulent advouer de l’esglise de Jhesucrist ou non. Car s’il est besoing de mesmes rejecter par excommunication de nostre assemblée ceux qui vrayment et à juste cause auroyent par avant esté tenus comme membres d’icelle, combien plus est-il nécessayre de discerner lesquelz on doyt recepvoyr pour membres, ou lesquelz on ne doyt accepter. Secundemant, il est certain qu’il n’y a nulle plus grande division que de la foy, et pourtant, si ceux qui conviennent en foy avecq nous, seullement pour leurs vices doibvent estre excommuniéz, par plus forte raison ceux ne doibvent estre tolléréz en l’esglise qui sont du tout contrayres à nous en religion. Le remesde doncq que avons pensé à cecy est de vous supplier que tous les habitans de vostre ville ayent à fère confession et rendre rayson de leur foy”, etc.

Bij blz. 17.

19) Vgl. voor het hier gezegd het volgende betoog uit de eerste uitgave van de „Institutio” (Calv. Opp., Vol. 1, p. 117 sq.):
„Verum, quia ex quo dictum est sacramenti usum duabus his partibus constare: primum, ut de Domini promissionibus edoceamur; deinde ut fidem nostram apud homines profiteamur, dubitari possit cur Christianorum liberi adhuc infantes baptisentur, qui neque talibus documentis doceri quidquam posse multis videntur, nc fidem habere intus conceptam, cuius testimonium palam reddant, rationem paedobaptismi paucis explicabimus. Principio, temere affirmatur et arroganter, fidem in hanc aetatem cadere non posse. Nam si ex his, quos in eiusmodi aetatula ab hac mortali vita revocat Dominus, regnis coelestis aliquos haeredes facit, aeterna autem beatitudo in Dei cognitione sita est, cur non illis hic gustum aliquem et primitias dare possit eius boni, quo abunde ollim pleneque fruentur? Cur non per speculum et in aenigmate ab iis videri possit, a quibus facie ad faciem spectabitur? Id si assequi non possumus, cogitemus quam magnifica sint opera eius omnia et quam eius consilia sint abstrusa sensibus nostris.
„Praeterea si fatemur (quod certe fateri necesse est) et ex hac aetate a Domino vasa misericordiae eligi, neque de fide inficiari possumus, quae unica est ad salutem via (Rom. 5. Hab. 2. Rom. 1). Nam si in uno

|48|

Christo vivimus et quidem per fidem, ubi a fide discessum fuerit, nihil possumus nisi in Adam mori. Clarum est enim testimonium: qui crediderit et baptisatus fuerit, salvus erit; qui non crediderit iam condemnatus est (Marc. ult.). Nonnulli, ex loci circumstantia, verbum hoc ad eos duntaxat referendum contendunt, qui per aetatem evangelicam praedicationem exaudire potuerint, quod eo loco mittantur apostoli ad evangelisandum, deinde sequitur: qui crediderit, hunc salvum fore; nempe, inquiunt, cui praedicatum fuerit, non autem praedicatur, nisi adultis. Sed ego contra assero, hanc generalem esse sententiam, toties inculcatam repetitamque in scripturis, ut tam levi solutione eludi non possit. Nullum aetatum discrimen statuitur, cum dicitur, hanc esse vitam aeternam, nosse unum verum Deum et quem misit, Iesum Christum (Ioan. 3, 6 et 17); cum dicitur, iram Dei manere super eum, qui non crediderit in unigenitum filium Dei; vitam non habituros, nisi qui ederint carnem filii hominis, et alia eius generis. Quare manet fixa sententia, nullos nisi fide salvos fieri, siver pueri sint, sive adulti.
„Ideo et baptismus ad infantes iure pertinet, quorum cum adultis communis est fides. Neque vero haec quispiam in eum sensum accipere debet, quasi dicam a matris utero semper inchoari fidem, cum adultos etiam ipsos nunc serius, nunc citius Dominus vocet; sed  tantum dico, omnes Dei electos per fidem ingredi in vitam aeternam, quacunque aetatis parte ex hoc corruptionis carcere tollantur. Quod si haec ratio nos deficeret, abunde tamen nobis esset, quod in baptisandis infantibus Domini voluntati paremus, qui voluit, ut venire ad se sinerentur (Matth. 19). Quos impediri prohibet, simul utique adiuvari praecipit. Et cum dixerit, talium esse regnun coelorum, nihil aliud quam eius sententiae subscribimus, veritatem obsignamus, cum illis signum remissionis peccatorum communicamus, sine qua regnum coelorum omnibus clausum obseratumque est.” Etc.

20) Het gedeelte van het vertoog, dat het hierboven gezegde uiteenzette, luidde aldus (Herminjard, Corresp., Tome IV, p. 164, en Calv. Opp., Vol. 10a, p. 12 sq.):
„Le 3e article est de l’instruction des enfans, lesqueulx sans doubte doibvent à l’Esglise une confession de leur foy. Pour ceste cause, anciennement on avoyt certain cathécisme pour instituer ung chascun aux fondemens de la religion crestienne, et qui estoyt comme ung formulayre de tesmoignage dont ung chacun usoyt pour déclairer sa crestienté, et nomméement les enfans estoyent enseignéz de ce cathécisme pour venir testifier à l’Esglise leur foy, dont il n’avoyent peu rendre tesmoignage à leur batesme. Car nous voyons que l’Escripture nous a conjoinct tousjours la confession avecq la foy, et nous dict que si nous croyons

|49|

véritablement de cueur à justice, qu’il nous fault confesser de bouche à salut ce que nous avons creu. Or si ceste ordonnance a jamays esté propre et convenable, elle est maintenant plus que nécessayre, veu le mespris de la Parolle de Dieu que nous voyons en la plus part et la négligence des parens à instruire leurs enfans en la voye de Dieu, dont on voyt une merveillieuse rudesse et ignorance en beaucop, laquelle n’est aulcunement tollérable en l’esglise de Dieu.
„L’ordre que nous avons advisé de y mettre, c’est qu’il y are une briesve somme et facile de la foy crestienne, laquelle soyt aprinse à tous les enfans, et que, certaynes saisons de l’année, il viennent par devant les ministres pour estre interroguéz et examinéz et recepvoir plus ample déclaration, selon qu’il sera besoing à la capacité d’ung chascun d’eux, jusques à ce qu’on les aye approvez estre suffisamment instruicts. Mays que votre playsir soyt fère commandement aux parens de mettre payne et diligence que leurs enfans apprennent icelle somme et qu’il se présentent aux ministres aux temps qu’il sera dict”.

Bij blz. 18.

21) Vgl. voor het in deze alinea gezegde b.v. de volgende plaatsen uit de eerste uitgave der „Institutio” (Calv. Opp., Vol. 1, p. 75, 204, et 229):
„Qui vero, aut nobiscum non consentiunt in eandem fidem aut, etiamsi confessionem in labris habent, Deum tamen, quem ore confitentur, operibus abnegent (ut quos videmus in omni vita sceleratos ac perditos, peccandi voluptate ebrios, malisque suis indormientes), huiusmodi omnes suis se indiciis produnt, non esse ad praesens ecclesiae membra. In hunc usum constitutae sunt excommunicationes, quibus a fidelium consortio abdiarentur atque expellerentur ii, qui fidem Christi falso obtendentes, viae nequitia effrenique peccandi licentia, nihil aliud sunt quam scandala ecclesiae ideoque indigni, qui Christi nomine glorientur (1 Cor. 5. Matth. 18. 1 Tim. 1). Primum, ne cum Dei contumelia inter Christianos nominentur, ac si sancta eius ecclesia foret maleficiorum ac publice improborum hominum coniuratio; diende, ne frequenti consuetudine alios corrumpant perversae vitae exemplo; postremo, ut eos ipsos pudore confusos, suae turpitudinis poenitere incipiat, ac ex ea poenitentia resipiscere tandem discant” (p. 75).
„Animadvertamus, duplex esse in homine regimen: alterum spirituale, quo conscientia ad pietatem et cultum Dei instituitur, alterum politicum, quo ad humanitatis et civilitatis officia, quae inter homines servanda sunt, homo eruditur. Vulgo appellari solent, iurisdictio spiritualis et temporalis; non impropri nominibus, quibus significatur priorem illam regiminis speciem ad animae vitam pertinere, hanc autem, in his, quae praesentis vitae sunt

|50|

versari; non quidem in pascendo aut vestiendo, sed in praescribendis legibus, quibus homo inter homines vitam honeste modesteque exigat. Nam illa in animo interiori sedem habet, haec autem externos mores duntaxat componit. Alterum vocare nobis liceat regnum spirituale, alterum regnum politicum. Haec autem duo, ut partiti sumus, seorsum singula dispicienda, et dum alternum tractatur, avocandi avertendique ab alterius cogitatione animi. Sunt enim in homine veluti mundo duo, quibus et varii reges et variae leges praeesse possunt” (p. 204).
„Sed de politiae usu erit alius opportunior dicendi locus. Nunc istud tantum intelligi volumus, de ea exterminanda cogitare immanem esse barbariem, cuius usus non minor inter homines, quam panis, acquae, solis et aeris; dignitas quidem multo etiam praestantior. Non enim (quae illorum omnium commoditas est) huc spectat duntaxat, ut spirent homines, edant, bibant, foveantur (quanquam haec certe omnia complectitur, dum efficit ut simul vivant), non tamen, inquam, huc spectat solum: sed ne idololatria, ne in Dei nomen sacrilegia, ne adversus eius veritatem blasphemiae aliaeque religionis offensiones publicae emergant, ac in populum spargantur; ne publica quies perturbetur, ut suum cuique salvum sit et incolume, ut innoxia inter se commercia homines agitant, denique ut inter Chrisianos publica religionis facies existat, inter homines constet humanitas” (p. 229 sq.).

Bij blz. 19.

22) Met betrekking tot de invoering van de kerkelijke tucht, gelijk Calvijn oordeelde dat zij moest geregeld zijn, zegt het vertoog aan de Overheid (Herminjard, Corresp.,  Tome IV, p. 158-161, en Calv. Opp., Vol. 10a, p. 8-11):
„Mays le principal ordre qui est requis et duquel il convient avoyr la plus grande sollicitude, c’est que ceste Saincte Cène, ordonnée et instituée pour conjoindre les membres de nostre Seigneur Jésucrist avecq leur chefz et entre eux mesmes en ung corps et ung esprit, ne soyt souillée et contaminée, si ceux qui se déclairent et manifestent par leur meschante et inique vie n’appertenir nullement à Jésus, viennent à y communiquer; car en ceste profanation de son sacrement, Notre Seigneur est grandement déshonoré. Pourtant il nous fault donner de garde que ceste pollution, qui redunde tellement au déshonneur de Dieu, ne soyt vehue entre nous par nostre négligence, veux que saint Paul dénunce une si grosse vengeance sur ceux qui traicteront ce sacrement indignement. Il fault doncq que ceux qui ont la puissance de fayre ceste police mettent ordre que ceux qui viennent à ceste communication soyent comme approuvéz membres de Jésucrist. Pour ceste cause, Nostre Seigneur a mise en son Esglise la

|51|

correction et discipline d’excommunication, par laquelle il az voullu que ceux qui seroyent de vie désordonnée et indigne d’ung crestien, et qui mespriseroyent après avoyr estés admonestéz de venir à amendemant et se réduire à la droicte voye, fussent déjectéz du corps de l’Esglise et, quasi comme membres pourris, couppéz jusques à ce qu’ils revinissent à resipiscence, recognoyssant leur faulte et paovreté.
„Ceste manière de correction a esté commandée du Seigneur à son Esglise, au 18e de S. Mathieu. Nous en debvons doncq user, si nous ne mesprisons le commandement qui nous en est donné. Nous en avons l’exemple en S. Paul (1 Timoth. 1 et 1 Corinth. 5), avecq griesve dénunciation que nous n’ayons à hanter aulcunement avecq ceux qui se disons crestiens et néantmoins seront notoyrement palliars, avaricieux, idolâtres, maldisans ou yvrongnes, adonnés à rapines. Pourtant, s’il y a quelque craincte en nous de Dieu, il fault que ceste ordonnance aye lieu en nostre esglise. Encores les raysons mesmes sur quoy elle est fondée, et les fruicts qui en proviennent, nous debvroyent esmouvoyr à en user, quant il n’y auroyt pas si exprès commandement: C’est premièrement, que Jhésucrist n’est pas blasphème et déshonneur, comment si son Esglise estoyt une conjuration de gens pervers et dissoluz en tous vices. Secundement, que ceulx qui reçooipvent telle correction, ayans honte et confusion de leur péché, viennent à se recognoëstre et se amender. Tiercement, que les aultres ne sont pas corrompuz et pervertis de leur conversation, mays plustost par leur exemple sont advertiz de ne cheoyr en pareilles faultes.
„Ceste usance et praticque a duré anciennement quelque temps en l’Esglise avecq singulière utilité et advancemant de la crestienté, jusques à ce que aulcungs meschans évesques, ou plustost brigans tenans places d’évesques, l’ont tournée en tirannye eet en ont abusé à leurs mauvayses cupidités, tellement que c’est aujourduy l’une des choses plus pernicieuses et mauldictes qu’on voye an royaulme du pape que l’excommunication, combien que ce soyt une des choses des plus prouffitables et salutayres que ayt donné Nostre Seigneur à son Esglise. Or ceste faulte est advenue par ce que les pseudos évesques ont ravy à l’assemblée des fidèles et tiré à eux la cognoissance et puissance d’excommunier, laquelle véritablement ne leur apertenoyt pas par la Parolle; et après avoyr usurpé ceste domination, il l’hont convertie en toute perversité. Après doncques avoir considéré que une esglise ne peult consister en son vray estat sans garder ceste ordonnance du [Seigneur], et qu’il seroyt fort à craindre que le contempnement ne fûtz pugny par une grande vengeance de Dieu, il nous az semblé advis estre expédient qu’elle fûtz remise sus en l’esglise et exercée selon la reigle que nous en avons en l’Escripture, et néantmoins qu’on mist, d’aultre part, bon ordre de ne tomber en inconvénient de la dépraver et corrumpre par mauvays usaige.

|52|

„Et, pour ce faire, nous avons deslibéré requérir de vous, que vostre playsir soyt ordonner et eslire certaynes personnes de bonne vie et de bon tesmoignage entre tous les fidèles, pareillement de bonne constance, et que ne soyent poënt aysés de corrumpre, lesquels estans départis et distribués en tous les quartiers de la ville, ayant l’oil sus la vie et gouvernement d’ung chascun; et s’il voyent quelque notable vice à reprendre en quelque personne, qu’il en communiquent avecq quelcung des ministres, pour admonester quicunque sera celluy lequel sera en faulte et l’exorter fraternellement de se corriger. Et si on veoyt que telles remonstrances ne profitent rien, le advertir que on signiffiera à l’esglise son obstination; et lors s’il se recognoyt, voylà desjà un grand prouffit de ceste discipline. S’il n’y veult entendre, il sera temps que le ministre, estans advoué de ceux qui auront ceste charge, dénunce publicquement en l’assemblée le devoir qu’on aura fait de le retirer à amendement, et comment tout cela n’a rien proffité. Adoncques on cognoëstra s’il veult persévérer en la durté de son cueur, et lors sera temps de l’excommunier, c’est à sçavoyr qu’il soyt tenu comme rejeté de la compagnie des crestiens et laissé en la puissance du diable, pour une confusion temporelle, jusque à ce qu’il donne bonne apparence de sa pénitence et amendement; et, en signe de ce, qu’il soyt rejecté de la communion de la Cêne, et qu’il soyt dénoncé aux aultres fidelles de ne converser poënt familièrement avecq luy; toutefoys, qu’il ne laisse poënt de venir aux prédications pour recepvoyr tousjours doctrine, afin d’esprover toujour s’il playra au Seigneur luy toucher le cueur pour retorner en bonne vote. Les vices qui seront à corriger en ceste manière sont ceux que vous avés ouy par avant nommés de S. Paul, et telz semblables. Quant quelques aultres, comme voysins ou parens, auroyent cognoyssance des vices, premier que les dicts desputés s’en apperceussent, il en porroyent eux-mesmes faire la remonstrance, et quant il cognoëstriont n’y faire par eux aulcung proffit, il auroyent à en advertir iceux desputéz pour procéder en leur office.
„Velà comment il nous semble ung bon moyen de réduyre l’excommunication en nostre esglise et l’entretenir en son entier. Et oultre ceste correction, l’esglise n’a poënt à procéder. Mais, s’il y en avoyt de si insolens et habandonnéz à toute perversité, qu’il ne se fissent que rire d’estre excommuniéz et ne se souciassent de vivre et morir en telle réjection, ce sera à vous à regarder si vous aurés à souffrir à la longue et laissé impugny ung tel contempnement et une telle mocquerie de Dieu et de son évangille”.
Met betrekking tot die voorstellen wordt terecht opgemerkt door Prof. C.A. Cornelius, Historische Arbeiten, S. 133:
„Calvin weisz, dasz er hiermit eine Einrichtung begehrt, die bisher in keiner der bestehenden evangelischen Kirchen eingeführt worden war, die

|53|

von manchen der Reformatoren ersehnt, aber für schwer oder gar nicht durchführbar gehalten, von andern erfolglos ersucht, von andern gar principiell abgelehnt worden war. Aber sein System steht fest und darf weder von der Meinung anderer noch vor der allgemeinen Erfahrung sich beugen. … Wie er die Verwaltung des geistlichen Amtes, die Seelsorge auffaszt, ist sie nicht ausführbar ohne die Exkommunikation. Darum musz diese eingeführt werden. Und nicht die Exkommunikation allein, sondern um ihr die volle Wirkung zu geben, deren sie fähig ist, bedarf er einer Organisation der Kirchenzucht, die noch auffallender und unerhörter für die Zeitgenossen war als die Exkommunikation selbst”.
En diezelfde beschouwing wordt, bij de behandeling van het hier bedoelde vertoog, met eenige uitvoerigheid ontwikkeld en toegelicht door Prof. E. Doumergue, Jean Calvin, Tome II, p. 223-227; waar hij de vraag beantwoordt: „En quoi précisément consiste  l’originalité du programme et de l’oeuvre de Calvin?” (p. 223) en daarbij dan bepaaldelijk twee punten behandelt: „Dans la discipline telle qu’elle était partout en sage, ce que d’abord est plus ou moins contesté, même refusé, c’est l’excommunication. Pour Calvin, c’est l’essentiel. Première différence! Ensuite dans la discipline, telle qu’elle était partout en usage, ce qui est affirmé c’est le droit de l’Etat. Pour Calvin, il est inadmissible. Seconde différence! Voyons encore les faits précis”. Etc. (p. 225).

23) Dat Calvijn de reformator geweest is, aan wien de Gereformeerde kerken te danken hebben, dat zij, onder Christus haren Koning, vrij en zelfstandig zijn opgetreden, ook met name ten aanzien van de overheid, is te duidelijk, dan dat het ooit door iemand zou ontkend zijn. En nu is het, oppervlakkig beschouwd, dan wel eenigszins vreemd, dat hij bij de kerkelijke regelingen in Genève toch schijnbaar zooveel aan de overheid overliet, vooral bij het beroepen van predikanten en ouderlingen, en bij de vaststelling van de kerkenordening. Maar toch is wel niemand, die zich met Calvijn bezighield, daardoor ook maar eenigszins misleid. Algemeen is erkend, dat de macht, die bij die kerkelijke regelingen formeel aan de overheid toegekend werd, inderdaad werd uitgeoefend door de kerkedienaren, wier „voorstellen” en „voordrachten” inderdaad kerkelijke regelingen en benoemingen waren, waarbij de handeling der overheid niet veel meer was, dan hetgeen later en elders „approbatie” genoemd werd. En juist op het punt, waarin te Genève de quaestie van kerkelijke macht zich concentreerde, nl. de excommunicatie, heeft Calvijn er nooit van willen weten, dat ook daarvoor approbatie van de overheid zou vereischt worden; hoeveel moeite en strijd die beginselvastheid hem ook heeft gekost.
In het algemeen moet bij de kerkelijke regelingen, die in Calvijns tijd  te Genève gemaakt zijn, o.a. goed worden in het oog gehouden, dat hij

|54|

bij zijne komst aldaar een toestand vond, waarin juist de overheid de Reformatie had ter hand genomen, en nu, na het wegzenden van de Roomsche geestelijkheid, uit den aard der zaak de eenige macht was, ook voor de behandeling van kerkelijke aangelegenheden; te meer, omdat de gemeente zelve nog volstrekt niet rijp was voor een zelfstandig optreden; en dat voorts samenwerking tusschen de overheid en de kerk allerminst in strijd was met Calvijns opvatting van de verhouding tusschen die beide.
Het eenvoudigste en het klaarste bewijs, dat de kerkelijke regelingen te Genève, ook al was daarin veel dat formeel van de overheid uitging, de kerk  toch volstrekt niet van haar afhankelijk maakten, maar integendeel bedoelden en ook inderdaad uitwerkten dat de kerk vrij werd en zelfstandig, is wel hierin gelegen, dat de overheid zelve, zoolang zij in Libertijnschen geest was, zich met alle macht tegen de doorwerking van die regelingen verzet heeft. De zoo heftige strijd, dien zij over de kerkelijke macht met Calvijn en de kerk gevoerd heeft, bijna twintig jaren lang, zou wel de ongerijmdheid zelve geweest zijn, indien de macht, die zij met betrekking tot de kerk begeerde te hebben, reeds in haar bezit was geweest door de regelingen, die met Calvijns medewerking gemaakt waren.

Bij blz. 21.

24) De in deze alinea voorkomende aanhalingen zijn ontleend aan de volgende plaatsen in de eerste uitgave van de „Institutio” (Calv. Opp., Vol. 1):
„Tametsi non omnia diximus, quae huc adferri poterant, et ea quoque ipsa quae diximus paucissimis perstricta sunt, sic tamen debellatum esse confido, ut nihil iam sit cur quisquam ambigat, spiritualem potestatem, qua papa cum toto suo regno superbit, impiam esse contra Dei verbum, ac iniustam in Dei populum tyrannidem. Ac spiritualis quidem potestatis nomine complectimur et audaciam quam usurparunt in ferendis novis doctrinis, quibus miseram plebem a germana simplicique verbi Dei puritate prorsus avertunt, et in ferendis novis legibus licentiam, quibus infelices conscientias crudeliter voxarunt, et totam denique ecclesiasticam, ut vocant, iurisdictionem quam per suffraganeos et officiales exercent. Nam si Christum inter nos regnare permittimus, totum istud dominationis genus evertitur facile ac prosternitur” (p. 221).
„Principio, quascunque promissiones allegare solent, non minus singulis fidelibus datae sunt, quam toti fidelium populo. Nam tametsi duodecim apostolis loquebatur, cum dicebat Dominus: ecce ego vobiscum sum usque ad oonsummationem saeculi (Matth. ult.); item (Ioan. 14): ego rogabo patrem et alium consolatorem dabit vobis, ut maneat vobiscum in aeternum, spiritum veritatis, quem mundus non potest accipere, quia non

|55|

videt eum, nec scit eum; vos autem cognoscitis eum, quia apud vos manet et in vobis erit: non tamen numero duodenario id promittebat, sed illis singulis et aliis etiam discipulis, vel quos iam assumpserat, vel quos postea erat assumpturus in suum regnum. Quum autem huiusmodi promissiones eximiae consolationis plenas sic interpretantur, quasi nemini Christianorum datae sint, sed universae simul ecclesiae, quid aliud quam Christianis omnibus consolationem tollunt, quae inde ad ipsos redire debuerat?” (p. 213).
„Petrus quoque, cum pastores officii sui admonet, sic gregem pascere hortatur, ne dominia exerceant adversus cleros; quo nomine haereditatem Dei, hoc est, fidelium populum significat (1 Petr. 5)” (p. 210).
„Nam quod in ecclesia remanere veritatem non putant, nisi inter pastores constet; nec ecclesiam ipsam consistere, nisi in conciliis generalibus emineat: multum abest, quin id verum semper fuerit, si vera de suis temporibus testimonia nobis reliquerunt prophetae. Iesaias ait (Ies. 56): speculatores eius caeci sunt omnes, nec quidquam noverunt; omnes canes muti, nec valent latrare; iacentes dormiunt et amant dormitationem et pastores ipsi nihil sciunt, nec intelligunt et in universum respiciunt ad vias suas. Ieremia autem (Ier. 6): a propheta usque ad sacerdotem quilibet operatur mendacium; item: (Ier. 14): Prophetae mendacium prophetant in nomine meo, cum ego non miserim eos, neque praeceperim eis. Iam et Iezechiel (Ez. 22): Coniuratio prophetarum eius in medio eius, sicut leo rugiens ct qui rapit praedam. Animam comederunt et quod pretiosum est rapuerunt et viduas multiplicaverunt in medio eius. Sacerdotes eius violaverunt legem meam, et profanaverunt sancta mea, nec discrimen fecerunt inter sanctum et profanum. Prophetae leverunt eis caementa insulsa, videntes vana et divinantes mendacium, sic dicentes: Dominus locutus est, cum non sit locutus. Item Zephanias (Zeph. 3): Prophetae eius inconstantes, viri mendaces; sacerdotes eius violaverunt sancta, et transgressi sunt legem. Praeterea, quoties a Christo et eius apostolis praedictum: ut a pastoribus summa ecclesiae pericula impenderent (Matth. 24. Act. 20. 2 Thess. 2. 1 Tim. 4. 2 Tim. 3 et 4. 2 Petr. 2)? Ac ne enumerando multum chartarum impleam, non eorum temporum modo, sed omnium fere saeculorum exemplis monemur, nec veritatem sempcr in sinu pastorum ali, nec ecclesiae incolumitatem ab eorum statu pendere.
„Decebat quidem illos ecclesiasticae pacis ac salutis, cui conservandae destinati sunt, praesides esse ac custodes. Sed aliud est, praestare quod debeas, aliud debere quod non praestes. Neque tamen nostra ista verba in eam partem quis accipiat, quasi pastorum autoritatem passim ac temere, nulloque delectu, labefactandam censeam. Tantum, intor eos ipsos delectum haberi velim, ne qui dicuntur pastores quoque esse protinus existimemus. Nam sic omnino habendum est, totam eorum functionem verbi Dei

|56|

ministerio, totam sapientiam eius verbi cognitione, totam facundiam eius praedicatione terminatam; a quo si declinarint, sensu fatuos esse et hebetes, lingua balbos, partibus omnibus infideles et officii desertores, sive prophetae sint, sive episcopi, sive doctores, seu quidvis etiam aliud maius. Non de uno aut altero loquor: universa simul pastorum natio, si relicto Dei Verbo sensu suo feratur, nihil aliud quam infatuari poterit” (p. 215 sq.).
„Ad spirituale regnum, cuius hic locus proprius est, revertor. In quo defendendo, ubi omnia rationis praesidia labascere sibi vident, ad extremum illud miserumque suffugium concedunt. Etiamsi mente et consilio stupidi ipsi sint, animo vero et voluntate nequissimi, manere tamen verbum Domini, quod praepositis obedire iubet etiamsi iniquas et nimium duras leges ferant. Dominum tamen praecipere, ut faciamus quaecunque dicunt scribae et Pharisaei (Matth. 23), etiam dum onera importabilia alligant, quae digito nolint tangere. Itane vero? At si nulla haesitatione accipienda est quorumvis pastorum doctrina, quorsum attinebat, toties tamque sollicite Domini verbo nos admoneri, ne pseudoprophetarum aut pseudopastorum sermoni auscultaremus? Nolite, inquit Dominus, audire verba prophetarum, qui prophetant vobis. Vanitatem enim docent vos et visionem cordis sui loquuntur, non ex ore Domini (Ier. 23). Item (Matth. 7): Cavete vobis a falsis prophetis, qui veniunt ad vos in vestitu ovium, intrinsecus autem sunt lupi rapaces. Frustra et Ioannes (1 Ioan. 4) nos hortaretur, ut probemus spiritus, numquid ex Deo sint. Cui iudicio ne angeli quidem eximuntur, nedum diaboli mendacia (Gal. 1). Quid autem istud (Matth. 15): si caecus caecum ducat, ambo in foveam cadent. An non satis declarat, multum interesse, quales pastores audiantur, nec temere omnes audiendos?” (p. 222 sq.).

25) Het in deze alinea gezegde is ontleend, behalve aan de plaatsen, die reeds in de vorige noot zijn opgenomen, aan de volgende woorden uit de eerste uitgave van de „Institutio”:
„Quid igitur? Nullane est potestas ecclesiastica? Haec enim cogitatio simpliciores multos anxios habet, quibus nos potissimum scribimus. Respondemus: esse sane, sed quae in aedificationem data sit, ut Paulus testatur, non in destructionem (2 Cor. 10 et 13); qua qui legitime utuntur, nihil se plus esso existimant, quam ministros Christi et dispensatores mysteriorum Dei. Eam recte definierit, qui appellarit verbi Dei ministerium (1 Cor. 4); his enim finibus a Christo terminata est, cum mandavit apostolos, irent, ac docerent omnes gentes, quaecunque illis praeceperat (Matth. ult.). Cuius mandati legem utinam sibi propositam esse meminissent, qui ecclesiae Dei olim praefuerunt et nunc etiam praesunt; ita et veris pastoribus praeclare sua constaret dignitas, nec de potestate falso gloriarentur, qui populum Dei plus quam tyrannica iniquitate vexant. Nam hic memoria

|57|

repetendum est, quod obiter quodam loco indicavimus. Quidquid autoritatis ac dignitatis scriptura, sive prophetis, sive sacerdoribus, sive apostolis, sive apostolorum successoribus defert, id totum non hominibus ipsis dari, sed ministerio, cui praefecti suntt; vel, ut expeditius loquamur, verbo Dei, in cuius ministerium vocati sunt. Ut enim ordine omnes persequamur, tam prophetas et sacerdotes, quam apostolos et discipulos, non reperiemus ulla iubendi, docendi aut respondendi potestate fuisse praeditos nisi in nomine et Verbo Domini” (p. 205).
„En plane ac perspicue definitam potestatem, qua ecclesiae pastores quocunquo demum nomine vocentur, praeditos esse convenit, nempe, ut verbo Dei, cuius positi sunt ministri ac dispensatores, confidenter omnia audeant, eius maiestati omnem mundi virtutem, gloriam, sublimitatem, cedere atque obedire cogant, ipso omnibus a summo usque ad novissimum imperent, Christi domum aedificent, satanae regnum subvertant, oves pascant, lupos interficiant, dociles exhortentur et instituant, rebelles et pervicaces arguant, increpent, revincant, solvant, ligent, fulgurent deniquo et fulminent: sed omnia in verbo Dei” (p. 208).

Bij blz. 23.

26) Geheel anders wordt geoordeeld door Prof. K. Rieker, waar hij zegt (a.w., blz. 125):
„Die reformierte Kirche hat den von der mittelalterlich-katholischen geschaffenen Gegensatz eines geistlichen und eines weltlichen Standes wenn auch in modifizirter Form beibehalten, aber nicht, um wie diese daraus ein Übergewicht des geistlichen Standes über den Laienstand und die Pflicht des letzteren zur unbedingten Unterwerfung unter den ersteren abzuleiten, sondern gerade umgekehrt, um ein solches Übergewicht des Einen Standes und eine solche Unterordnung des anderen zu verhüten. Indem den Laien, Ältesten und Diakonen, ein Anteil an den Aufgaben der Kirchengewalt eingeräumt, ja den Ältesten die eigentliche Regierung der Kirche überwiesen wird, erscheinen sie als ein den Geistlichen gleichberechtigtes, kirchliches Subjekt, was sie in der römisch-katholischen Kirche nicht sind”.
En daarbij wordt in eene noot nog aangeteekend:
„Ich verstehe nicht, wie M. Göbel, Die evangelische Kirchenverfassungsfrage 1848 S. 24 und K. Bähr, Die Revision der Evangelischen Kirchenverfassung im Grossherzogtum Baden mit besonderer Rücksicht auf die geschichtlichen Grundlagen des Presbyterialsystems 1861 S. 28 f. behaupten können, das Presbyterialsystem kenne die Unterscheidung von geistlichen und weltlichen Synodalmitgliedern nicht, es verwerfe von vornherein jede Scheidung und Gegenüberstellung von Klerus und Laien, von Geistlichen und

|58|

Weltlichen. Man nehme nur eine Stelle wie die in Calvins Instit. IV, 12, 1: — dividamus ecclesiam in duos ordines praecipuos: clerum scilicet et plebem!
Bij die opvatting van Calvijns woorden is echter uit het oog verloren:
1˚. dat die aanhaling uit de laatste uitgave van de „Institutio” in haar verband aldus luidt (Calv. Opp., Vol. 2, p. 905): „Disciplina ecclesiae, cuius tractationem in hunc usque locum distulimus, paucis expedienda est, ut aliquando ad reliqua transeamus. Ea autem maxima ex parte a potestate clavium et spirituali iurisdictione pendet. Quod ut facilius intelligatur, dividamus ecclesiam in duos ordines praecipuos: clerum scilicet et plebem. Clericos appello usitato nomine qui publico ministerio in ecclesia funguntur”; waaruit blijkt, dat de namen „clerus” en „clerici” hier ook gebruikt worden van de ouderlingen, aan wie zelfs zeer speciaal de „discipline ecclesiae” en de „spiritualis iurisdictio” was opgedragen; zodat die ouderlingen dus door Calvijn volstrekt niet beschouwd worden als „Laien” of „Weltlichen”, of als vertegenwoordigers van een „weltlichen” of „Laienstand”, in tegenstelling met een „Klerus” of „geistlichen Stand”;
2˚. dat Calvijn aldaar de woorden „clerus” of „geestelijkheid” (van alle kerkedienaren) en „plebs” of volk (van de overige gemeenteleden wel gebruikt, maar enkel gemakshalve, bij wijze van concessie aan het destijds zoo bekende spraakgebruik, om in hetgeen hij daarvan zeggen zou te beter begrepen te worden („quod ut melius intelligatur, dividamus” etc.);
en 3˚. dat Calvijn een misverstand zijner woorden, gelijk dit bij Prof. Rieker voorkomt, bij zijne lezers reeds had afgesneden, door in een vroeger hoofdstuk te schrijven (IV, 4, 9; Calv. Opp., vol. 2, p. 794): „Omnes autem qui eiusmodi tirociniis imbuebantur, generali nomine vocabantur clerici. Vellem equidem aloud nomen magis proprium inditum illis fuisse. Haec enim appellatio ex errors, vel carte prava affectione nata est: quum tota ecclesia clerus, hoc est haereditas Domini, a Petro dictatuur (1 Petr. 5, 3)”.
Indien in Duitschland het standaardwerk over het Gereformeerde kerkrecht, de Politica Ecclesiastica van G. Voetius, meer bekend was, zou op dit punt, gelijk op zoovele andere punten, misverstand van dat kerkrecht minder voorkomen. Over de vaak gemaakte onderscheiding van „geestelijkheid” een „leeken” wordt aldaar gezegd (Pars II, Lib. I, Tract. I, Cap. 1, § 2; Vol. 3, p. 2-4):
I. Quaest. An distinctio laicorum et clericorum, seu laicatus et clericatus, sit proba et scripturaria? — Resp.
„1. Concl. Si rem ipsam consideres: distinguit scriptura inter populum collective, et privatos quosque fideles in illo populo, distributive consideratos;  et inter antecessores sive collegialiter, sive singulos in illo collegio aut extra collegium, seorsim consideratos. Actor. 20, v. 28, ubi dicit Ephesinos presbyteros seu episcopos, quos ad se evocaverat (non populum,

|59|

aut aliquos ex populo), esse constitutos ad pascendam Ecclesiam et gregem, hoc est, populum Ecclesiae Ephesinae. Philipp. 1, v. 1, distinguitur populus Ecclesiae Philippensis (quem sanctos appellat) ab Episcopis et Diaconis. I Petr. 5, v. 1, 2, distinguuntur presbyteri pascentes et exemplaria gregis, ab ovibus, et grege Domini qui pascuntur. Apocal. 1 et 2 distinguuntur Ecclesiae, a stellis in manu Christi, et angelis istarum ecclesiarum. Hebr. 13, v. 17, distinguuntur fideles subjecti et obedientes, a praepositis, quibus obedire debebant. Et qui hanc distinctionem negaret, videretur cum haeresi et factione Corah, Dathan etc. symbolizare, dicente: Quia omnis congregatio, ipsi sancti sunt, et in medio eorum est Dominus, etc. Num. 16, v. 3. Argumentis ergo illis, quibus infra lib. 2 probatur necessitas, potestas etc. ministerii, unâ probatur distinctio antecessorum a populo ecclesiastico, et privatis quibusque in illo populo fidelibus.
„2. Concl. Si terminos clerici et laici consideres, quibus distinctio illa antecessorum seu pastorum, a populo seu grege exprimitur, controversia aliqua Pontificiis hic mota fuit. Bellarminus, lib. 1 de membris ecclesiae militantis cap. 1, hanc distinctionem et utrumque ejus membrum ex scriptura et patribus probare conatur. Nostri, Lutherus, Calvinus, antagonistae Bellermini Daneus et Amesius, aliique eam rejiciunt; ex sensu scil. Pontificiorum acceptam, et prout illi describunt clericum et laicum, per suas cujusque distinctas affectiones seu proprietates. Similiter hic faciunt, ac cum ex nominibus altaris, sacerdotis, Papae, monachi, meriti, etc. apud antiquos quosdam scriptores occurrentibus, Papisticum sacrificium et sacerdotem missaticum, et Papam, monachum, meritum Papisticum in forma, probare conantur. Quod ad scripturae dicta, ab illo citata, Jerem. 12, v. 13, Numer. 16, v. 3, Resp.: 1˚ In textu Hebraeo vox nulla occurrit, quae respondeat Gr. κλῆρος: discant hoc ex versionibus Pagnini et Ariae Montani. Nec vulgata translatio eos juvare potest: quamvis habeat vocem haereditatis: quia haereditas illa dicitur de bonis externis et possessionibus Judaeorum, quae ipsis non proderant. Videant commentar. Corn. a Lapide; aut saltem semel modo textum inspiciant. In loco Numer. vox cleri in versionibus Gr. aut vulg. non comparet. Resp. 2˚ Dato etiam, non concesso, locis ab illo cit. et vocem et rem haberi (uti nullo modo habentur), non tamen distinctio ipsorum inde probari posset, nec membra distinctionis opposita ἀντιδιηρημένα. Siquidem populus a pastoribus distinctus dicitur κλῆρος I Petr. 5, v. 3. Breviter probandum esset, solos pastores cum exclusione populi, in scriptura dici κλῆρον. Quod hactenus non factum.
„3. Concl. Quamvis autem ob ἀκυρολογίαν, et terminorum istorum usum, nolimus contendere, modo sensum utentium norimus sanum esse: praestaret tamen abstinere ab illis ἀγράφοις, ambiguis, et male sonantibus terminis; ne aliqua specie cum errore Papali symbolizare videamur. Si

|60|

sanus noster sensus, etiam sanas voces sensui nostro exprimendo adhibeamus. Sunt autem voces non unae, quibus antecessores et populus distincte in scripturis designantur. Illi dicuntur ἡγούμενοι, προστάται, presbyteri, inspectores seu episcopi, ministri, etc. Iste, ecclesia, grex, domus Dei, etc., et distributim singuli fideles, sancti, etc. Tertullianus in Apolog. cap. 49: Praesident probati quique seniores. Quod ad nos, uti a vocibus sacerdotis, sacrificii, meriti, etc., sic etiam a vocibus clerici et laici abstinemus; juxta regulam: vox sit usitata, propria, distincta, perspicua. Interim diffiteri nolumus, quin omnes, ut in patribus leguntur, sint exponibiles: ut loquar cum scholasticorum parvis logicalibus. Sed qui opus est fieri per plura, quod fieri potest per pauciora, et absque specie aut occasione mali. Ubi exstirpatum est abominandum missae sacrificium, non opus est coenam Domini appellare missam, pastorem ecclesiae sacerdotem, mensam altare. Ubi obtinet justificatio et juris vitae acquisitio per gratiam Dei et meritum Christi fide apprehensum, non opus est, vocem meriti nostri adhuc tinnire. Nec putemus, nos hac abundanti cautela nostra nimium ἀκριβολογεῖν, cogitemus Deum voce Bahal (quae maritum et Dominum significat), antehac neutr, et scriptura usitata, Jesa. 54, v. 5, nolle amplius compellari, quod e a communi usu idolis jam appropriata esset, Hosea 2, v. 18. Et quis hodie in Rebuplica Regem aut Principem appellaret tyrannum, et politicam potestatem aut politiam tyrannidem?
„Haec ita distincte monere volui, tum ut Papistas non judicet aut pronuntiet reformatos in Anglia, qui jam inde a stabilita sub regno Elizabethae reformatione terminos illos cleri seu clerici et laici usurparunt; tum ut ostendam nostros in Gallia, Belgio, etc., ab iisdem consulto et non sine ratione abstinere. Praesertim cum apud nostrates contemtum quendam sapere videatur appellatio laici, Belgice leecken, opposita appellationi spirituales, Belgice geestelijcken: ita ut non alium [designet], quam idiotam, ignorantem, carnalem, mundanum, coeca et carbonaria fides, clericis seu spiritualibus subjectum, atque iis inferiorem: uti corpus animâ, terre coelo, caro spiritu, humana divinis. Quo faciebant allegoricae illae interpretationes Job 1, v. 13: et asinae pascebantur juxta illas; et Psalm 8, v. 7: de Papae subjectis ovibus et bobus et pecoribus campi, hoc est, laicis”.
Bepaaldelijk met betrekking tot ouderlingen wordt ditzelfde punt dan nog in bijzonderheden uitgewerkt Pars II, Lib. I, Tract. 1, Cap. 1 (Vol. 3, p. 8-11), waar gehandeld wordt over de vraag: „An sint dicendi laici, seniores seu presbyteri gubernantes, a concionatoribus distinctie, qui in ecclesiis Gallicis, Scoticis, Belgicis, multisque Germanicis, et ecclesiis exterorum tum Gallicis, tuk Belgicis, in Anglia constitui solent, qui cum concionatoribus faciant synedrium locale in quaque ecclesia topica, sive urbica sive agraria?” En Pars II, Lib. II, Tract. 3, Cap. 5 (Vol. 3, p. 464-466), in welk hoofdstuk „objectionibus contra ordinem seniorum respondetur”, en dan

|61|

t.a.p. geantwoord wordt op hetgeen als „III objectio” vermeld wordt, nl. de tegenwerping van Roomschen, Anglikanen en Arminianen: „sunt laici”.

Bij blz. 24.

27) Dat de kerken, voor zoover zij in haar zichtbaar bestand een geïnstitueerde vorm hebben, kerkelijke regeling niet kunnen missen, wordt in de eerste uitgave der „Institutio” o.a. aldus uitgesproken:
„Quando vero imperiti plerique, dum humanis traditionibus et impie ligari hominum conscientias et frustra Deum coli audiunt, eadem litura leges omnes inducunt quibus ecclesiae ordo constituitur, illorum quoque errori commodum hic occurrendum est.
„Falli hic sane perquam lubricum est; quia non prima statim facie apparet quantum inter illas et has intersit. Sed nos ita dilucide rem totam paucis expedimus, ne cui imponat similitudo. Hoc primum habeamus: si in omni hominum societate necessariam esse politiam aliquam videmus, quae ad alendam communem pacem, ac retinendam concordiam valeat, si in rebus agendis aliquem ritum, qui ad publicam pertinet honestatem atque adeo humanitatem ipsam, id in ecclesiis praesertim observandum esse, quae cum bene composita rerum omnium constitutione optime sustinentur, tum vero sine concordia nullae sunt prorsus. Quamobrem si ecclesiae incolumitati bene prospectum volumus, diligenter omnino curandum est, ut, quod Paulus iubet (1 Cor. 14), decenter omnia et secundum ordinem fiant. At cum in hominum moribus tanta insit diversitas, tanta in animis varietas, tanta in iudiciis ingeniisque pugna: neque politia ulla satis firma est, nisi certis legibus constituta; nec sine stata quadam forma servari ritus quispiam potest. Huc ergo quae conducunt leges, tantum abest ut damnemus, ut his ablatis dissolvi suis nervis ecclesias totasque deformari ac dissipari contendamus. Neque enim aliter haberi potest quod Paulus exigit, ut decenter omnia et ordine fiant, nisi additis observationibus, ceu vinculis quibusdam, ordo ipse et decorum consistat. Id tantum semper in istis observationibus excipiendum est, ne aut ad salutem credantur necessariae, atque ita conscientias religione obstringant; aut ad Dei cultum conferantur, ut in illis reponatur pietas. Quae una ratio inter impias illas constitutiones distinguit, quibus veram obscurari religionem, et conscientias subverti dictum est, et legitimas ecclesiae ordinationes, quibus ex his alterum semper esse propositum nuper monuimus: aut ut ad decorum duntaxat pertineant, quo in fidelium coetu peragantur omnia, quo decet ordine, aut ut ipsam hominum communitatem, velut quaedam humaitatis vincula, retineant” (p. 225 sq.).
Toch, waar Calvijn van het ambt der opzieners spreekt, maakt hij niet opzettelijk melding van hetgeen zij voor kerkelijke regeling te doen hebben.

|62|

De zuiver geestelijke arbeid, dien zij door het oefenen van opzicht en tucht te verrichten hebben, was bij hem de hoofdzaak. En daarin was de taak van ordening en regeering dan vanzelf opgesloten. Met betrekking tot de geheel daarmede overeenkomende beschouwing der latere Gereformeerde kerken wordt dan ook niet ten onrechte opgemerkt door Prof. K. Rieker, aan het slot van een vertoog over de hooge beteekenis, die door de Gereformeerden, in tegenstelling met de Lutherschen, aan de kerkelijke tucht wordt toegekend (a.w., blz. 67):
„Auch darin zeigt sich die Wichtigkeit der Kirchenzucht, dass kirchliche Disziplin und kirchliche Verfassung nahezu identische Begriffe sind. … Die ganze Verfassung der Kirche also dient der Übung der Zucht, und die kirchliche Behörden sind nur ihretwegen da. Die Kirchenordnung der französischen reformierten Kirchen heisst Discipline ecclésiastique; ebenso gebrauchen die wallonischen Kirchen die Bezeichnungen Discipline ecclésiastique und Ordre ecclésiastique unterschiedslos”.

28) De kerkenordening, die spoedig na Calvijns terugkeer in Genève door den „Conseil général” (de vergadering van alle Geneefsche burgers) in zijne vergadering van Zondag 20 November 1541 werd aangenomen, bepaalde omtrent de verkiezing der ouderlingen, op dit punt bijna woordelijk overeenstemmende met het concept der commissie ad hoc, waarvan Calvijn lid was en waarin hij natuurlijk grooten invloed had, ook al moest hij zich in vele opzichten naar de omstandigheden schikken (Calv. Opp., Vol. 10a, p. 22 sq.):
„Comme ceste esglise est disposée, jl seroit bon den eslire deux du conseil estroict, quatre du conseil des soixante, et six du conseil des deux cens, gens de bonne vie et honeste, sans reproche et hors de toutte suspection, sur tout craignans dieu et ayans bonne prudence spirituelle. Et les fauldra tellement eslire quil y en ait en chascun quartier de la ville, affin davoir loeil par tout; ce que voulons estre faict.
„Pareillement nous avons determine que la maniere de les eslire soit telle c’est que le conseil estroict advise de nommer les plus propre quon pourra trouver et les plus suffisans, et pour ce faire appeller les ministres pour en communiquer avec eulx, puys quilz presentent ceulx quilz auront advise au conseil des deux cens, lequel les approuvera. Sil les trouve dignes, apres estre approuvez quilz facent serment particulier dont la forme sera dressee comme pour les ministres. Et au bout de lan, apres avoir esleu le conseil, quilz se presentent a la seygneurie, affin quon regarde silz debvront estre continuez ou changez. Combien quil ne seroit expedient de les changer souvent sans cause, quant jlz se acquiteront de leur debvoir fidellement”.
Bij de revisie der Kerkenordening in 1561, aangenomen door den

|63|

„Conseil général” op Woensdag 12 November 1561, zijn deze twee alinea’s bijna woordelijk overgenomen (Calv. Opp., Vol. 10a, p. 100 sq.).
Over de uitvoering der bepaling van periodieke aftreding geven de „Registres du Conseil”, voor zooveel zij in Calv. Opp. zijn uitgegeven de volgende berichten:
D.d. Woensdag 10 Februari 1546:  „M. Calvin a prier que suyvant les ordonnances du Consistoyre lon aye a proceder sus lelection des Srs. Consellier qui doybvent assistyr et qui soyent presentés aux deux cens et que le rolle de cieulx de lannee passee soyt liseu affin que lon soyt advertyr lesqueulz rendent leur debvoyer et esquieulx il faudra oster ou laysser etc. Ordonne que les esditz soyent visites affin dy proceder ainsin quest contenuz en iceulx” (Vol. 21, p. 369).
D.d. Donderdag 11 Februari 1552: „Par lorgane de M. Calvin sont faictes remonstrances de avoyr bon advis sus lelection des Sgrs. assistans au Consistoire. Est este advise et faicte election des Sgrs. du consistoire: oultre ceux du conseil ordinaire de lannee passee qui sont demores sont esleuz”: [volgen 12 namen] (Vol. 21, p. 502).
D.d. Woensdag 12 Februari 1556: „Election des Srs. auditeurs du consistoire. Icy suyvant la coustume est appelle M. Calvin pour suyvre a lelection du consistoire lequel a fait bon raport des Seigneurs qui y sont este l’annee passee requerant totesfois en procedant a lelection avoir regard a ceux que ayent la crainte du seigneur pour edifier tousjours de plus en plus: parquoy est suyvy et procede. Sont elus” etc. (Vol. 21, p. 628).
D.d. Donderdag 11 Februari 1557: „Icy suyvant la coustume a este ouy M. Calvin es remonstrances sainctes faictes pour lelection quest a faire du Consistoire et notamment que dautant le gouvernement de ceste cite despend de Dieu que aussi on advise quil soit honore et pource que le Consistoire est pour reprendre et veiller sur les vices que on aye regard a choisir gens de bonne vie creignans Dieu affin quilz soient exemple aux autres et soient tant plus voluntaires  a faire honorer Dieu. Quant a ceux de lannee passe que on ne sen pourroit pas autrement plaindre: toteffeois quîl seroit a désirer que le tout allait tousiours mieux. Parquoy conclut que on advise que ceux qui seront esleuz soient qualifiez comme il a dit affin que Dieu nostre protecteur soit honore” (Vol. 21, p. 660).

Bij blz. 25.

29) Met betrekking tot de beroeping van predikanten werd in de kerkenordening van 1541 o.a. bepaald, bijna geheel in overeenstemming met het concept van de commissie ad hoc, tot welke Calvijn ook behoorde (Calv. Opp., Vol. 10a, p. 17):

|64|

„Sensuit a qui jl appartient dinstituer les pasteurs.
„Jl sera bon en cest endroict de suyvre lordre de lesglise ancienne, veu que ce nest que practique de ce qui nous est monstre par lescripture. Cest que les ministres eslisent premierement celluy quon doibvra mettre en l’office, layant faict a scavoir a la seigneurie. Apres, quon le presente au conseil. Et sil est trouve digne, que le conseille recoive et accepte, selon qu’il verra estre expedient, luy donnant tesmonage pour le produyre finablement au peuple en la predication, affin quil soit receu par consentement commun de la compagnye des fidelles. Sil estoit trouve jndigne et demonstre tel par probations legitimes jl fauldroit lors proceder a nouvelle election pour en prendre un aultre”.
Bij de revisie der Kerkenordening in 1561 werd deze bepaling bijna woordelijk overgenomen (Vol. 10a, p. 94, 95).
Intusschen waren reeds het jaar tevoren nadere bepalingen gemaakt o.a. over beroepingen van kerkedienaren (welke vervolgens in de redactie van 1561 mede zijn opgenomen).
Er was nl. in de Raadsvergadering van Dinsdag 30 Januari 1560 door Calvijn en Viret, uit naam van de predikanten, mondeling een voorstel gedaan aan de Overheid, tot wijziging van eenige regelingen voor den kerkeraad (Vol. 21, p. 726 sq.; ook afgedrukt Vol. 10a, p. 120).
Daarin hadden zij o.a. „propose quil y a plusieurs gens de bien qui desireroient que la police ecclesiastique tochant le Consistoire soit mieux separee de la iuridiction temporelle comme au temps de lancienne eglise il en estoit, mesme que autrefois au commencement de le reformation on ne lentendoit pas ainsin, comme aussi les editz ne le portent pas expressement. Parquoy puys quil se faut confermer le plus prez quon peult de chrestiente, il seroit bon de suyvre de plus prez les traces de sa parolle, et ainsin quil ne fust pas restreint aux citoiens, mais quon eslise ceux qui seront les propres de leglise, veu que ce ne sont offices questueux ne de pratique. Au reste il y a une chose contenue aux editz qui ne sobserve pas, cest quon doibve appeller et communiquer avec les ministres, et toteffois au lieu de cela on l’appelle luy tout seul [nl. Calvijn], comme sil estoit les ministres. Aussi seroit bon que il y heubt ung point des editz que les ministres par bon advys presentassent ceux quon voudroit eslire, lesquelz Messieurs pourroieut reveoir et seroit sans estre preiudique a la liberte de Messieurs. … Item seroit bon que au lieu quung ministre estant esleu est presente devant la chiere, quil fut anunce par troys dimenches, affin que si quelcung scavoit quelque chose en celuy qui seroit esleu par [of: pour] laquelle il ne peult exercer le ministore, quil la peult venir declairer”.
Hierop was door den Raad goedgevonden, dat die voorstellen schriftelijk zouden ingediend worden; en toen dit geschied was, volgde reeds

|65|

op Donderdag 1 Februari het besluit (Vol. 21, p. 727 sq.; ook afgedrukt Vol. 10a, p. 120 sq.):
„Editz de reformation du Consistoire. Icy a este advise sus la proposite et requeste dernièrement faite par les ministres tochant la reformation du Consistoire et iuridiction ecclesiastique. Et premierement sus le premier point par eulx requys, cest que en lelection du Consistoire on ayt liberté deslire de tout le Conseil des deux cens sans distinction des citoyens et bourgeois: veu mesmement que quant on voudroit suyvre la parole de Dieu il faudroit avoir liberté deslire de tout le peuple les plus propres: A este arreste puisque ledit duquel a este icy faite lecture porte que lesdits anciens soient choisis de tout le Conseil des deux cens, que cela soit pratique sans distinction des citoyens aux bourgeois veu aussi quelle nest pas faite es esditz. Et quant a ce quilz ont requys dadviser que le Sr. Sindique qui est la, y soit, tellement que la iuridiction temporelle soit distinguee davec la spirituelle, veu aussi queles editz nen font point mention quil doibve presider ou tenir iuridiction, a este arreste que on le pratique ainsin, tellement que le Sindique quiy sera ne porte pas son baston, mais soit la comme ung des autres anciens. Sus ce quilz ont requys que en lelection quant elle se fera soient appelez tous les ministres, comme le portent les editz: arreste puys que ledit le porte, quil soit aussi ainsin pratique. Quant a ce quilz ont requys pratiquer que les ministres esleuz soient proposez aux peuple et anuncez, affin que sil y a quelcung qui y puisse contredire ou arguer lesleu dincapacite, quil soit ouy, a este arreste que cela soit fait. Quant a ce quilz ont requys que tout ainsin que lesdits ministres seront presentez au peuple, que le semblable soit fait des anciens du Consistoire, affin que si quelcung les peut arguer dincapacite, le face aussi: Arreste que il soit fait aussi”, etc.
Dientengevolge zijn toen op 9 Februari 1560 in den „Conseil des deus cents” twee besluiten aangenomen, tot nadere verklaring van de bestaande kerkenordening (en vervolgens bij de revisie van 1561 daarin mede opgenomen), nl. (Calv. Opp., Vol. 10a, p. 94 en 120 sqq.):
„Addition de ce qui as esté passé et conclu au conseil des deux Cens le 9 de Fevrier 1560 pour déclarer comme cest  article de la présentation doit estre entendu, et pour corriger l’abus qui s’y estoi commis:
„Item, sur ce que lesdits spectables Ministres nous ont remontré, que l’ordonnance faicte sur leur presentation n’avoit point esté gardée, d’autant que ceux qui estoyent esleuz et acceptez par la Seigneurie ont esté presentez simplement au temple, sans demander si on les approuvait: et que par cela le peuple et tout le corps de l’Eglise ont esté fraudez de leur liberté, en quoy aussi il nous est apparu qu’on s’estoit destourné de ce qui avoit este bien estably du commencement: ioint aussi que

|66|

lesdicts Ministres nous ont remonstré qu’en tout ceci ils ne cerchent point nul avantage pour eux, mais plustost qu’eux et leurs successeurs soyent tenuz en bride plus courte: Nous avons aussi arresté, que l’Edict ancien selon sa teneur soit deuement observé. Et afin de prevenir tel abus comme il estoit survenu, et qu’il n’y ait point de ceremonie en nostre Eglise sans ce que la verité et substance y soit coniointe: nous avons proveu du remede qui s’ensuit. C’est quand un Ministre sera esleu, que son nom soit proclamé avec avertissement, que celui qui saura à redire sur lui le vienne declarer devant le jour qu’il devra estre presenté: afin que s’il n’estoit point capable de l’office, on procede à nouvelle election.
„Et pour ce que les Anciens qui sont commis pour le Consistoire et superintendence de l’Eglise ont charge commune avec les Ministres de la parole, nous avons aussi arresté que leurs noms soyent publiez en l’Eglise: tant affin qu’ils ayent authorité requise à exercer leur estat, qu’aussi pour donner à tous ceux de l’Eglise liberté d’avertir de leur insuffisance ceux que il appartiendra, assavoir lun des quatre Syndiques”.
En het tweede besluit van diezelfden dag was (Vol. 10a, p. 120 sqq.):
„Edicts passez en Conseil des deux cens, le vendredi neuvième de Fevrier 1560, pour déclaration des precedens, touchant l’élection des Anciens et l’excommunication.
„Nous Syndiques petit et grand Conseil des deux cents de la ville de Genève, à tous par çes presentes savoir faisons, sur ce que les spectables Ministres de la parole de Dieu en nostre Eglise nous ont remonstre que certains abus s’estoyent introduits tendans à corrompre les ordonnances Ecclesiastiques autresfois passees en nostre Conseil general. Et pour ce nous ont supplié et requis d’y vouloir remedier, afin que s’il y a quelque bien commencé entre nous il soit plustost avancé que reculé. Nous aussi de nostre part, desirans qu’il y ait bon ordre entre nous, et pour ce faire quece qui nous est monstré par la parole de Dieu soit conservé en son entier: pareillement ayans cognu que ce qui avoit esté ordonné par cidevant est conforme à l’Escriture saincte, tellement qu’on a failly de s’en destourner: affin de remedier au mal, et que ce qui aura esté bien estably, pour le temps advenir ne soit point changé ne violé et n’aille en decadence: avons avisé et arresté de faire sur les poincts à nous proposez telle declaration que s’ensuit.

„En premier lieu, d’autant que contre les ordonnances de nostre Conseil general on a parcidevant introduit une coustume, que l’un des quatre Syndiques presidast au Consistoire avec son baston (ce qui a plustost apparence de iurisdiction civile que de regime spirituel) afin de mieux garder la distinction qui nous est monstree en l’Escriture saincte entre le glaive et authorité du Magistrat, et la superintendence qui doit estre en l’Eglise, pour renger à l’obeissance et au vray service de Dieu tous

|67|

Chrestiens et empescher et corriger les scandales: Avons derechef conclu et ordonné qu’on se tienne à ce que porte l’Edict, c’est qu’on choisisse seulement deux conseillers de vingt cinq: et en cas que l’un soit Syndique, qu’il n’y soit qu’en qualité d’Ancien, pour gouverner l’Eglise, sans y porter baston. Car combien que ce soyent choses coniointes et inseparables, que la seigneurie et superiorité que Dieu nous a donnee, et le regime spirituel qu’il a ordonné en son Eglise: toutesfois pource qu’elles ne sont point confuses, et que celui qui a tout empire decommander, et auquel nous voulons rendre suiection comme nous devons, a discerné l’un d’avec l’autre, nous declarons nostre intention estre telle, qu’on suive ce qui avoit esté bien ordonné, sans y adiouster ce qui est survenu depuis par corruption.
„Secondement, pour ce que notamment il est dict qu’en faisant election des Anciens du Consistoire, les Ministres de la parole de Dieu y soyent appelez pour en communiquer avec eux, et que par usurpation vicieuse on les avoit excluz, et que par ce moyen on a esleu quelques fois gens mal propres à tel office, dont l’authorité du Consistoire estoit venue à mespris: Nous voyans que le contenu de l’Edit estoit fondé en iuste raison et reglé selon la parole de Dieu, d’autant qu’il est bien convenable que les Pasteurs en l’Eglise soyent ouys en ce qui concerne le gouvernement et police d’icelle, et que c’est faire tort à leur estat et ministere, de choisir sans leur seu et sans avoir adverti ceux qui doivent veiller d’un commun accord avec eux, à procurer quo Dieu soit honoré et servi: Avons ordonné que doresnavant lesdicts Ministres soyent appelez, pour avoir conseil et admis d’eux, quelles gens il sera bon de choisir: et par ainsi qu’on se tienne à l’Edict qui avoit esté bien dressé du commencement.
„Tiercement, attendu qu’il est dit indifferemment par les Ordonnances, qu’on prendra pour Anciens du Consistoire quatre du Conseil des soixante, et six des deux cents, sans specifier citoyens ni bourgeois: et neantmoins que par ambition ou autrement on a restreinct l’election aux citoyens: Ayans ouy la remonstrance qui nous a esté faicte et mesmes la raison qui nous a esté alleguee, Que les privileges et dignitez quise doivent reserver aux Citoyens, ne se peuvent comprendre en l’estat spirituel de l’Eglise, et que plustost il seroit à desirer qu’on choisist les meilleurs de tout le corps: Nous avons ordonné quant à cest article, que ci apres on n’ait plus regard des citoyens à bourgeois, mais qu’on se regle simplement à l’ordonnance ancienne.
„Finalement”, etc.

30) Vgl. hetgeen hierboven in noot 22 uit het bedoelde vertoog is aangehaald.

|68|

Voor de kerkelijke tucht vindt men daar reeds hetzelfde beginsel, dat later door Calvijn aldus is geformuleerd (Calv. Opp., Vol. 2, p. 906):
„Primum disciplinae fundamentum est, ut privatae monitiones locum habeant: hoc est, si quis officium sponte non faciat, aut insolenter se gerat, aut minus honeste vivat, aut aliquid admiserit reprehensione dignum, ut patiatur se moneri: atque ut quisque fratrem suum, dum res postulabit, monere studeat”.