Rutgers, F.L. (1890) II.6

Drenthe.

Ofschoon „Drost en Gedeputeerden” hadden medegewerkt tot het opstellen van de instructie, die aan de Drentsche afgevaardigden naar de Dordtsche Synode werd medegeven, en dus ook tot het opstellen van punt 5 dier instructie (in haar geheel afgedrukt bij T.A. Romein, de Hervormde predikanten van Drenthe, Ed. 1861, blzz. VIII-X): „Sullen mede helpen bevorderen, dat, soe doenlick, eene eenpaerige kerckenordning oever alle provinciën ingevoert worde, midts dat de synoden van eene iegelicke provincie respective, sal moegen vrij staen, ten oeverstaen van de Gedeputeerde Staten van deselve, de geseyde kerckenordnung ’t amplieeren ende corrigeeren, sulx als deselve nae natuir ende gelegentheit van iegelix provincie bevinden sullen te behoeren,” schijnt toch na afloop van de Dordtsche Synode in Drenthe niet gehandeld te zijn over politieke approbatie van hare Kerkenordening. Althans, er is niets van bekend.

De reden zal wel dezelfde geweest zijn als in Groningen. Want al is ook niets bekend van den inhoud der destijds in Drenthe geldende Kerkenordening, men weet toch, dat de reformatie aldaar ingevoerd en geleid is door denzelfden Stadhouder en dezelfde Kerkedienaren, als die zulks in Groningen pas te voren gedaan hadden. Wat hierboven te dien aanzien over Groningen gezegd is, geldt dus ook voor Drenthe. En dat bleef gelden, toen daarna eene nieuwe redactie der Kerkenordening, in 1633 door eenige predikanten op last der Provinciale Synode ontworpen, met „conferentie der Kerckenordeninge leestmael in Synodo Nationali te Dordrecht gemaeckt, soo veel het de natuir deeser Landtschaps Kercken eenichsins heeft moegen lyden”, den 13 Februari 1638 door de Staten van Drenthe vastgesteld, en den 8 December d.a.v. door Drost en Gedeputeerden uitgevaardigd werd (zie C. Hooijer, Oude Kerkordeningen, blzz. 463 vgg.). In deze Kerkenordening is zelfs opmerkelijk, dat ook voorzien is in het geval van „het seinden van de Gecomitteerden op de Synoden Nationael” (art. 60).