Rutgers, F.L. (1890) 7

|45|

Tot eene rectorale rede behooren van nature drie hoofddeelen, die echter gelukkig niet in omvang met elkander behoeven gelijk te staan. Het ligt eerder in hun aard, dat zij in eene sterke mate evenrediglijk afnemen. En terwijl het derde deel nooit veel woorden noodig heeft, is er ditmaal zeker geene vrees, dat het tweede zijne grens zal te buiten gaan.

Immers, lotgevallen, die aan deze plaats zouden te vermelden zijn, heeft het afgeloopen jaar aan de hoogeschool slechts weinig gebracht.

Eenerzijds is ons dat eene oorzaak van blijdschap en dank. In de laatste jaren was er telkens droefheid, omdat in den kring van Directeuren, Curatorenen Professoren nu deze dan gene ons ontnomen werd, of wel zich onttrok. Maar dit jaar heeft geen leed van dien aard ons getroffen. Ditmaal zijn zij allen voor ons bewaard gebleven ; en dan niet slechts bij het leven, maar ook voorts in ieder opzicht: in de colleges, waarin aftreding plaats had, door herkiezing; en bij allen zonder onderscheid, door volharding in hun ijver voor het Christelijk Hooger onderwijs.

In dit opzicht zullen we over de bestendiging van den ouden toestand dus voorwaar niet klagen. Maar anderzijds ware wel te wenschen geweest, dat er ook verandering was te noemen. Blijvend waren in dit jaar ook de vacaturen: ééne in het college van Curatoren, en meerdere in dat der Hoogleeraren; en het aantal katheders bleef ook wat het was. Niemand zonder twijfel, die dit meer betreurt, dan de beide colleges, aan wie ook te dezen aanzien het beleid en de zorg zijn opgedragen. Zij hebben dan ook waarlijk bij dien toestand zich niet neergelegd. Onveranderd was ook, het zij hier met dankbaarheid openlijk uitgesproken, hun bijzondere ijver, opdat nieuwe krachten aan het onderwijs zouden worden toegevoegd. En terwijl de Curatoren Van Schelven en Van den Bergh hunne gaven beschikbaar stelden, om 'de zoo verzwakte Theologische Faculteit een tijdlang te helpen, deden allen zonder onderscheid, wat de hand vond te doen. Zoo het naar hun wenschen en werken gegaan was, de Senaat zou op dezen dag met eene breedere rij hebben kunnen optreden 1).

Dat heeft thans nog niet mogen zijn. Misschien was het nog te vroeg, om reeds nu te verwachten, dat door alle Gereformeerden zou worden ingezien, hoe noodzakelijk het is dat zij wetenschappelijk


1) Tot de boven bedoelde bemoeiingen behoorde o.a. de benoeming van Dr. H. Bavinck, Docent aan de Theologische School te Kampen, tot hoogleeraar in de Theologische Faculteit ; waarop echter, tot aller leedwezen, geene aanneming volgen kon.

|46|

samenwerken, en om dus te rekenen op eene algemeene ingenomenheid, wanneer nu reeds op die eenheid werd aangestuurd. Misschien moest er eerst nog wat meer gewerkt zijn in den geest van den ouden Marnix; juist niet door de oprichting van eene derde Marnix-Vereeniging; maar dan toch voor de zaak, die aan Marnix zelven zoo bijzonder ter harte ging, zelfs nog meer dan geschiedenis en dan politiek, nl. de bevordering van de kerkelijke eenigheid onder alle Gereformeerden van de Nederlandsche natie 1). Ook in Marnix’ tijd is dat eerst gelukt na een aantal jaren van voorbereiding. — Intusschen, zoo lang konden wij thans niet wachten. En voorts was van de ondervonden teleurstelling dit toch de winst, dat men daarna met vrijmoedigheid kon gaan werken in eene andere richting. Dat dit nu mag bekroond worden met een goeden uitslag, is ons aller bede en wensch. En ik mag er zeker wel bijvoegen,- dat we ook goede verwachting hebben; zoodat onze Theologische Faculteit mag vertrouwen, weldra met verdubbelde kracht te kunnen optreden 2).

Dankbaar zullen we dan zijn over die vermeerdering, maar nog geenszins voldaan. En in dit geval vindt de onvoldaanheid ook bij onze Directeuren en Curatoren vollen weerklank. Zij is hier inderdaad ook iets anders, dan de oude eigenaardigheid van hoogleeraren, die nog nergens en nooit over hun getal zijn tevreden geweest, en voortdurend uitbreiding wenschen. Hier kan zulke wensch wel door niemand gewraakt worden, met betrekking tot geen enkele Faculteit. Om slechts iets te noemen: in de Litterarische Faculteit is een toenemend aantal studenten; en toch, van hunne leiding en vorming blijft omtrent de gansche last op één enkele neerkomen, in den laatsten tijd nog verzwaard door de zorg voor een tweede Christelijk gymnasium. In het algemeen blijft bij toeneming gelden, wat reeds door mijn voorganger werd herinnerd, dat we met een klein getal ons behelpen moeten, en dat van de beschikbare kracht ook nog een aanzienlijk percent tot andere bemoeiingen moet worden overgeleid.

Aan die andere bemoeiingen zal ook nog vooreerst wel geen einde kunnen komen; want zij hangen samen met den aard onzer stichting, die nu eenmaal genoodzaakt is, zelve hare positie als het


1) Vgl. hetgeen hierboven (blzz. 13 vg.) omtrent Marnix herinnerd werd.
2) De hierboven bedoelde benoemingen van Dr. W. van den Bergh, predikant te Voorthuizen, en Dr. G.H.J.W.J. Geesink, predikant te Rotterdam, tot buitengewone hoogleeraren in de Theologische Faculteit zijn daarna gebleken niet vruchteloos geweest te zijn.

|47|

ware te veroveren. Zij moet niet slechts staande blijven, maar ook groeien. En dat eischt wel in de eerste plaats goede wetenschap, maar ook verder praktischen arbeid van allerlei aard. Bij al de bedoelde bemoeiingen laat zich dat gemakkelijk aanwijzen; ook b. v., om slechts dit ééne te noemen, bij de straks vermelde zorg voor een tweede gymnasium op Gereformeerden grondslag. Indien ooit zal bereikt worden, dat in de zoogenaamde hoogere standen de Gereformeerde beginselen weer tot eere komen; indien die beginselen metterdaad zullen doorwerken, en dan ook nog buiten de Theologie en de Kerk; indien onze Universiteit op den duur tot haar vollen wasdom zal uitgroeien; dan is dringend noodig, gelijk nu reeds bij ervaring gebleken is, dat de vorming van aanstaande studenten met verdubbelden ijver worde ter harte genomen; niet op ééne plaats, en ook niet op twee, maar in alle hoeken des lands; binnen korten tijd, als het zijn kan, ook nog in het Noorden en Zuiden. Dat gaat zeker niet zonder moeite: het kost arbeid en geld, het brengt moeite en strijd, het eischt veel geloof en ook veel gebed. Onze Zettensche baanbreker zou ons van dat alles zeer veel kunnen zeggen 1). Maar toch ook werd reeds ondervonden, dat de vrucht dan niet uitblijft. En in ieder geval, het is niet eene zaak, die van onze willekeur afhangt: in den drang der omstandigheden is het blijkbaar de eenige weg.

Intusschen, ook al kan het aantal studenten ons nog niet voldoen, vooral niet met betrekking tot de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, daaruit volgt nog geenszins, dat er over achteruitgang zou te klagen zijn. Juist integendeel. Blijkens de recensie van het vorige jaar was het een getal van 77, waarmede toen de cursus begonnen werd. In den loop des jaars is dat natuurlijk afgenomen; gelukkig niet door de hand des doods, noch ook door een zedelijk doodvonnis; maar doordat de Academische studie voleindigd was, hetzij inderdaad, of wel naar de schatting van vacante Kerken en van de studeerenden zelven 2). Maar de leegte, die daardoor ontstond, is


1) Vgl. b.v. de jaarlijksche verslagen over het Gymnasium te Zetten, van zijnen Directeur F.P.L.C. van Lingen.
2) Het boven gezegde ziet bepaaldelijk op de studie der Godgeleerdheid, welke aan de Vrije Universiteit in den regel niet voleindigd kan heeten, wanneer men, na het propaedeutisch examen, niet nog minstens vier jaren aan de Academie is blijven studeeren. Aan de Staats- en Stads-hoogescholen is voor de geheele wetenschappelijke opleiding van aanstaande predikanten de tijd iets korter gesteld; en in meerdere mate nog is dit het geval aan de Theologische school te Kampen. Dit werkt zeker mede met den nood van vele vacante Kerken, om ook voor studenten aan de Vrije Universiteit den cursus vaak iets korter te ➝

|48|

terzelfder tijd meer dan aangevuld, daarin plaats van degenen, die niet meer terugkomen (vermoedelijk 14), 18 novitii werden ingeschreven, zoodat deze cursus nu met omtrent 81 studenten kan aanvangen. Onder die novitii waren wederom alle Faculteiten vertegenwoordigd; maar, naast 3 litteratoren en één jurist, had toch wederom de Theologie met haar 14-tal verre de meerderheid 1).

Indien nu maar in die schare van leerlingen iets, of veel, van het beginsel onzer stichting mag overgaan! Bij de studie; zoodat wordt gewaakt tegen tweeërlei afwijking: tegen eene vergoding van de wetenschap als zoodanig, en tegen eene geringschatting, alsof zij geen ander nut had, dan om aan een ambt of betrekking te helpen. En terzelfder tijd bij het leven; zoodat wederom tweeërlei verre blijft: gelijkvormigheid aan de wereld, en gelijkvormigheid aan het klooster. „De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid”. Dus geene wijsheid uit een ander beginsel; maar ook geen bedenksel der traagheid, alsof het begin reeds genoeg was, en alsof men zich den arbeid van uitwerking en van toepassing dan ook eigenlijk wel besparen kon. En wederom: „de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid.” Dus geene levensopvatting en geen levensregel uit een ander beginsel; noch ook godsvrucht, die zich in zichzelve zou


➝ maken. Maar voldoende is de studietijd dan toch eigenlijk niet. Bij gewonen aanleg moet als regel gelden, dat na behoorlijke gymnasiale opleiding en Academische propaedeuse (samen gewoonlijk 7 jaren kostende) nog 4 jaren aan de studie van de Godgeleerdheid zelve gewijd worden.
1) Sedert de stichting der Vrije Universiteit (1880) zijn er in de 9 Rectorale jaren (telkens 20 October beginnende) achtereenvolgens in het Album ingeschreven 16, 15, 11, 15, 9, 7, 20, 12 en 18, dus in het geheel 123 studenten. De inschrijving geschiedde bij 21, na met goeden uitslag afgelegd admissie-examen; bij 5, na verkregen dispensatie en zonder recht om tot de Academische examina te worden toegelaten; bij 6, na bewijs dat zij elders reeds een Theologisch-propaedeutisch examen met goed gevolg hadden afgelegd (4 te Utrecht, 1 te Edinburg en 1 in Amerika); bij 31, op een gymnasiaal diploma van het gymnasium te Zetten; en bij 60, op een gymnasiaal diploma van Overheids gymnasia (nl. van de volgende gymnasia: Groningen 1, Leeuwarden 3, Sneek 8, Assen 3, Kampen 4, Arnhem 1, Zutphen 1, Doetinchem 8, Nijmegen 2, Utrecht 2, Amersfoort 3, Amsterdam 10, ’s-Gravenhage 1, Leiden 1, Schiedam 1, Delft 1, Rotterdam 5, Gorinchem 1, ’s-Hertogenbosch 1, Heusden 1 en Staatscommissie 2). Van de laatstbedoelde 60 had de meerderheid het gymnasiaal eind-examen met goed gevolg afgelegd; de anderen werden ingeschreven (gelijk dit tot dusver nog kon) op bewijs dat zij tot de 6e klasse van het gymnasium waren toegelaten (in welk geval voor theologanten de Academische propaedeuse minstens 2 jaren duren moest). Intusschen is deze categorie allengs kleiner geworden: in het laatste jaar was onder de 18 novitii slechts één, die op een diploma van toelating tot de 6e klasse werd ingeschreven. En voortaan zullen (gelijk onlangs, in December 1889, door den Senaat besloten werd) ook de zoodanigen zich nog aan het admissie-examen te onderwerpen hebben.
Van de bovenbedoelde 123 ingeschrevenen kwamen onderscheidene slechts voor een kort verblijf, zonder de bedoeling om hier hunne studiën te voleindigen; enkele anderen zijn door overlijden of door andere oorzaken uitgevallen; en niet minder dan 29 zijn nu reeds tot hunne bestemming gekomen.

|49|

terugtrekken, zonder ook als levenswijsheid openbaar te worden. Dat op zulk eene wijze aan de roeping onzer school inderdaad voldaan worde, is de wensch van al hare vrienden; en bij Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren, mocht het zijn ook bij al de Studenten, is het ook een wensch, die hen bij hun arbeid bestuurt en bezielt. Maar juist in dien wensch ligt dan ook reeds opgesloten, dat er niet gesteund wordt op menschen: het is niet slechts een wensch, maar ook een gebed. Daarom gaat de jaardag onzer stichting dan ook niet voorbij, zonder dat allen, die in haar belangstellen, opzettelijk tot gebed worden samengeroepen. Dit nu blijft bewaard voor den dag van morgen. Maar de toon, die dan zal gehoord worden, is toch ook reeds hier in veler hart. Wat we met en voor onze school begeeren en najagen, het loopt alles uit in de bede:

Doe Gij het, o God! naar den rijkdom van uwe beloften. Blijf Gij op ons neerzien met ontferming en trouw. Geef aan allen, die tot onze stichting in betrekking staan, wat zij voor hun arbeid behoeven. Laat het ons eene eere zijn, dat wij mogen werkzaam zijn voor de eere uws Naams. En van alle vrucht op dat werk zij aan U alleen alle eere. Soli Deo gloria!