Rutgers, F.L. (1890) 6

|37|

IV.

Nog één punt blijft mij ter behandeling over, om althans geene hoofdzaken onvermeld te laten. Bij eene kerkenordening, die afkomstig is van Gereformeerde Kerken, moet niet slechts de grond en de omvang en de aard harer geldigheid worden in het licht gesteld, maar komt ook de mate van die geldigheid nog in aanmerking, of

|38|

m.a.w. de vraag: tot hoeverre zij zich uitstrekte, naar het oordeel van die Kerken zelve.

Zonder twijfel zou die vraag overbodig zijn, indien enkel de bedoeling was, ook te dezen aanzien het gezag van Gods Woord nog eens te doen uitkomen. Immers, in Gereformeerde Kerken sprak het wel van zelf, dat aan dat gezag alles onderworpen is, en dat alle kerkelijke macht zóó geheel aan den Koning der Kerk ontleend is, dat zij, Hem ter zijde stellende, daarmede tevens zichzelve vernietigen zou. Op .dat punt waren alle oude Synoden eenstemmig, en het is slechts ten overvloede, dat het in de Kerkenordening nog opzettelijk opgenomen is. En men heeft er voorts voor gezorgd, dat het in die ordening zelve zóó stipt werd in acht genomen, dat eene waarschuwing, om die grens niet te overschrijden, te haren aanzien wel onnoodig werd.

Maar ook waar die grens geëerbiedigd is, en waar buitendien de geldigheid vaststaat, kan de kracht van dit laatste woord nog wel onderscheidenlijk worden opgevat.

En dan is er een opvatting, waarbij, uit het oogpunt van bindende kracht, Kerkenorde en Wet geheel met elkander worden gelijk gesteld. Op dit standpunt is het slechts de vraag, wat in die artikelen staat geschreven, en dat heeft dan alles, enkel daarom, eene gebiedende macht; onverzwakt blijft dat alles gelden, totdat het formeel is veranderd; er is nergens onderscheid en ook nergens uitzondering ; en het moet alles worden opgevolgd, ook om der conscientie wille, zoodat anders metterdaad wordt gezondigd.

Dit nu was nooit het standpunt en de opvatting van de Kerken zelve.

Het bewijs daarvan ligt reeds eenigszins in den naam, dien zij altijd gebruikt hebben. Wat zij vaststelden, was eene kerkenordening, niet eene wet of statuut; en het werd dus voorgesteld, niet als een last en bevel en gebod, maar als een middel „om goede ordre inder Ghemeente Christi te onderhouden”. Men heeft hier te lande, vooral in later tijd, zeker ook wel gesproken van „kerkelijke wetten”, en dan, niet ter aanduiding van wat Christus zelf verordineerd had, maar met het oog op besluiten van kerkelijke vergaderingen. Maar wie daaruit wilde afleiden, dat dus hier ook niet aan den naam mag gehecht worden, zou drie dingen uit het oog verliezen. Vooreerst, dat er wel aan gehecht is door alle schrijvers, die opzettelijk over de benaming gehandeld hebben, en die dan altijd scherp onderscheiden tusschen „leges” en „canones”, tusschen „wetten” en

|39|

„ordinantiën” 1). Voorts, dat in de eerste eeuw na de reformatie ook de Kerken zelve dat onderscheid altijd goed hebben in acht genomen. En eindelijk, dat dit spraakgebruik niet op zichzelf staat, maar dat de gedachte, die er aan ten grondslag ligt, in de gansche Kerkenordening uitkomt; b.v. reeds terstond in het eerste hoofdstuk, dat tot opschrift heeft, niet: „van de kerkelijke ambten”, gelijk ook gekund had, maar: „van de diensten”, en waar dus, met betrekking tot hen, die de Kerk te regeeren hebben, juist op het „dienen” een bijzondere nadruk gelegd wordt.

Het is zelfs opmerkelijk, dat in den aanvang dit samenstel van artikelen nog niet eens den naam had van kerkenordening. Eerst in 1581 is dat het opschrift geworden, toen de inhoud eenigszins beperkt werd, met het oog op de Overheid, wier goedkeuring zou gevraagd worden. Vroeger sprak men eenvoudig van de „acta” of „artikelen” der Synode; gelijk het dan ook inderdaad een samenstel was van Synodale handelingen, die voor alle Kerken belang hadden: in de eerste redactie zelfs met artikelen, die niet eens een voorschrift of ordinantie vermeldden, maar alleenlijk eene benoeming of eene vermaning, die de Synode gedaan had of doen zou 2). En nu is de latere onderscheiding tusschen „canones” en „decreta”, tusschen bepalingen van de Kerkenordening en Synodale besluiten, zeer zeker wel gewettigd; maar het heeft toch ook beteekenis, dat die beide in het eerst geheel dezelfde kracht hadden 3). Trouwens, de Classikale


1) Vgl. b.v. het geschrift van den Utrechtschen Hoogleeraar in de Rechten Paulus Voet (zoon van Gisbertus Voetius), „de usu juris civilis et canonici in Belgio unito” (Ed. 1657), blzz. 90 vgg. en 104 vgg., en de op eerstgenoemde plaats aangehaalde schrijvers.
2) De opschriften of titels, gelijk die oorspronkelijk luidden, zijn te vinden in de reeds vroeger (blz. 7) vermelde, zooveel mogelijk naar authentieke stukken bewerkte, uitgave van de Acta. — Artikelen van de eerste redactie (1571), welke in eene eigenlijk gezegde Kerkenordening niet eens zouden thuis hooren, zijn b.v. artt. 3, 12, 39, 48, 50 van de Emdensche Acta.
3) De boven bedoelde oude beschouwing heeft zelfs in de laatste Nationale Synode (de Dordtsche van 1619) nog nagewerkt. Immers, de wijzigingen, die door haar in de Kerkenordening werden aangebracht, zijn, wat het formeele betreft, niet voorgesteld en behandeld als wijzigingen in de Kerkenordening; maar het waren (blijkens de Postacta, passim) eenvoudig Synodale besluiten, die naar aanleiding van ingekomen gravamina genomen werden. En daarna is ter Synode zelve nog wol geconstateerd, in welke artikelen van de Kerkenordening nu door die besluiten eene wijziging gekomen was. Maar men heeft toen zelfs niet noodig geacht, die constateering van de wijzigingen in de officieele Acta op te nemen. We zouden niet eens weten, dat die constateering geschied was, als het niet was opgeteekend in de particuliere aanteekeningen van al het verhandelde, welke de Amsterdamsche ouderling Theodorus Heyngius (Dirick Heynck) voor zichzelven gemaakt heeft. In dit handschrift (uit de Bibliotheca Heringana naar de Utrechtsche Bibliotheek overgegaan, en aldaar gecatalogiseerd onder de Varia No. 10) staat op blz. 218, bij de 167e (blijkens de Postacta eigenlijk de 175e) zitting, van Zaterdag 25 Mei 1619 voormiddag : „Syn voorgelesen de veranderingen, die inde Kerckenordeninge vande Nederlantsche kercken des Jaers 1586 bij desen Synodum gedaen syn, Namentlyck inde Articulen 4, 5, 7,8, 9, 25, 26, 39, 40, 43,44, 45, 50,52, 53, 54, 60 ende 62, die altesamen goetgekent ende gearresteert syn.” De Postacta zelven zwijgen hiervan geheel.

|40|

en Provinciale ordinantiën van latere eeuwen, ook al werden zij bij de uitgave soms betiteld met den naam van „wetten en statuten”, waren metterdaad, blijkens hetgeen er bijstaat, niet anders dan besluiten, op verschillende tijden genomen, en vervolgens in een handboekje bij elkander gezet en geclassificeerd 1).

Uit de kerkelijke handboekjes in het algemeen valt er in dit opzicht zelfs nog iets te leeren. Zij bevatten doorgaans de algemeene Kerkenordening; maar dan, met de laatste redactie, ook de vroegere bovendien 2). Daar nu alle die boekjes geheel voor de kerkelijke praktijk bestemd waren, werd dus doorgaans geoordeeld, dat men ook voor die praktijk met de oudere redactiën nog niet afgedaan had. En dit wordt verklaard door de opmerking van Voetius, dat bepalingen, die afkomstig zijn uit den bloeitijd der Kerken, d.i. uit den tijd toen zij onderdrukt werden of althans zoo pas nog vervolgingen hadden doorgestaan, soms beter zijn en zuiverder en meer overeenkomstig het Gereformeerde kerkrecht, dan eene latere wijziging, uit den tijd, toen er meer gelijkvormigheid was aan de wereld, of toen om der wille der omstandigheden wel eens iets werd toegegeven, hetzij aan den wil der Overheid of wel aan den wensch des volks. Waar dat blijkbaar is, voegt hij er dan bij, moet men ook het betere zooveel mogelijk opvolgen 3) En het is door de Kerken nooit afgekeurd, wanneer naar dien raad werd gedaan.


1) Zoo b. v. (om nu alleen te spreken van Provinciale en Classikale handboekjes, die in druk zijn uitgegeven), voor Gelderland: J. Smetius, Synodale Ordonnantien ende Resolutien (1e druk 1699, 2e bijgewerkte druk 1737), en H. Magirus, Formulier van Inspectie voor de Visitatores Classium (Ed. 1628); voor Zuid-Holland: Extracten enz. (betreffende catechisatiën, conventiculen en oefeningen, Ed. 1712); voor Utrecht: Utrechts Synodaal-Handboekje (Ed. 1803); voor Zeeland: Acta Synodalia of gearresteerde Kerken-ordeningen van Zeelandt (Ed. 1755); voor Friesland: G. Nauta, Compendium der Kerkelyke Wetten, geëxtraheert uit ’s Lands en Synodalen Resolutien (1e druk 1757, 2e bijgewerkte druk 1771), en daarna: Wetboek en Kerkenordre enz. voor de Herformde Kerk in Vriesland (Ed. 1806). En wat Classikale Handboekjes betreft : voor de Classe van Nederveluwe: P. Wynstok, Classicaal Hand-boekjen (Ed. 1751); voor de Classe van Zutphen : E. W. Verbeek, Zutphensch Classicaal Register (in twee deelen; het eerste Ed. 1760, het tweede Ed. 1770); voor de Classe van Dordrecht: Ordinantien en Wetten des E. Classis (1e druk 1686, 2e bijgewerkte druk 1716, 3e bijgewerkte druk, alleen onder den titel van „Wetten”, 1785); voor de Classe van Schieland (Rotterdam): Orders on Wetten voor de E. Classis (Ed. 1802); voor de Classe van Gorinchem: Wetten en Bepaalingen der E. Classis (Ed. 1765); voor de Classe van Walcheren : Wetten der Classicaale vergaderinge (met een historisch voorbericht van A. ’s Gravezande en J.W. te Water, Ed. 1779; waaruit o.a. blijkt dat de bepalingen en regelen, die op verschillende tijden door de Classe waren vastgesteld, ook reeds in 1738 gedrukt waren); voor de Classe van Utrecht: C. de Kruyff, Utrechtsen Classicaal Handboekje (Ed. 1793).
2) Dit is het geval bij een aantal van de in de vorige noot genoemde handboekjes, en voorts bij alle, hiervoren op blz. 9 genoemde, algemeene kerkelijke handboekjes.
3) Vgl. Voetius, Polit. Eccl., Tom. I, pagg. 285 sq. (Ed. Rutgers, pagg. 237 sq.).

|41|

En voorts in het algemeen leert ook wel de geschiedenis, dat er in de Nederlandsche Kerken altijd zekere ruimte was met betrekking tot de opvolging van de Kerkenordening. Toezicht was er, zeer stipt en zeer streng, dat de grondslag van het kerkelijk samenleven, d.i. de belijdenis, werd gehandhaafd. Maar betrekkelijk slap was daartegenover de handhaving van de Kerkenordening: formalisme of reglementaire preciesheid was er eer te weinig dan te veel. Eigenzinnigheid of willekeur mocht natuurlijk niet heerschen; bandeloosheid of wanorde werd natuurlijk niet beschermd. Maar wanneer de orde, de rust en de welstand der Kerken geen gevaar liepen; wanneer die integendeel nog bevorderd werden door eene kleine afwijking van de ordinantiën; dan werd zulke afwijking niet verkeerd geacht, en dus niet slechts geduld, maar ook goedgekeurd. En vooral werd er zoo geoordeeld bij eigenaardige toestanden, waarin Kerken of personen soms verkeerden; gelijk met name het geval was in de onderscheidene provinciën, telkens wanneer één van tweeën onvermijdelijk was: óf aan de Overheid iets toegeven, óf alles in de waagschaal stellen; en wanneer dan wat het zwaarste was, ook het zwaarste wegen moest. In het algemeen was wel de beschouwing, gelijk die is uitgedrukt in de laatste woorden van de Kerkenordening zelve: woorden, die in bijna alle redactiën voorkomen, maar die zeker aan het einde eener wet niet gepast zouden zijn, en die aan eene wet ook wel nooit zijn toegevoegd: de Kerken zullen „arbeyden” of „neersticheijt doen”, om deze artikelen te onderhouden.

Bij dit alles kan vreemd schijnen, dat de Kerkenordening, telkens wanneer zij op nieuw geredigeerd was, door de nog aanwezige leden der Synode onderteekend is, en dat in de 16e eeuw ook herhaaldelijk besloten is, dat men zulke onderteekening, of wel eene belofte van opvolging, nog van anderen zou verlangen, wel niet van alle gemeenteleden zonder onderscheid, ’t geen in vroeger tijd wel bij niemand kon opkomen, maar dan toch van alle predikanten en ouderlingen 1). Intusschen, het is blijkbaar, hoe die onderteekening of belofte bedoeld, en ook opgevat is. Zeker niet op gelijke wijze als b.v. de onderteekening van de Formulieren van eenigheid, waaromtrent wel gezorgd is, dat zij stiptelijk bond en strengelijk werd gehandhaafd. Immers, eene verbintenis aan de Kerkenordening, hetzij schriftelijk of mondeling, is op vele plaatsen nooit in praktijk gebracht; en toen hebben de Synoden zulks eenvoudiglijk laten gaan, en de laatste


1) Al wat uit de acten en bescheiden van de Synoden der 16e eeuw hierop betrekking heeft is te vinden in de Ned. Syn. Acta, blzz. 134, 155, 160, 237, 404, 422, 446 en 621.

|42|

Dordtsche Synode heeft er zelfs in ’t geheel niet meer van gesproken. In de Kerken zelve werd vervolgens, zonder tegenspraak, openlijk geleerd, dat zij onnoodig en in velerlei opzicht zelfs onraadzaam was 1). In de enkele Classen, waar zij plaats had, geschiedde zij alleenlijk door de Dienaren des Woords 2). En het was volstrekt niet zeldzaam, dat terzelfder tijd ook bepalingen gevolgd werden, die van de Kerken-ordening afweken 3). De onderteekening sloot in zich, gelijk de Nationale Synode van 1586 het uitdrukte 4), dat men de Kerken-ordening „approbeerde”, en voorts, gelijk er ook in stond, dat men arbeiden zou om die te onderhouden. Maar dat dit nog geene verbintenis was, om er nooit van af te wijken, ook niet in geval voor de afwijking goede reden was, kan b.v. blijken uit de omstandigheid, dat er bij herhaling ook geteekend is uit naam van de Nederlandsche Kerken in Engeland. Deze hebben telkens verklaard, dat zij op het stuk der kerkregeering zouden moeten afwijken. Maar toch hebben hare afgevaardigden ter Synode de geheele ordening eenvoudiglijk onderteekend, geheel eveneens als de andere leden, en zonder eenig bezwaar hunnerzijds 5).

Uit dit alles kan nu echter geenszins worden afgeleid, dat men in de Nederlandsche Kerken tot op zekere hoogte ook wel ongeregeldheid toeliet. Dat zou in volkomen strijd zijn geweest met haar eigen geest; want ten allen tijde was het juist bij Gereformeerden een diepgaand beginsel en een overheerschende karaktertrek, om de ordinantiën Gods te erkennen, en om dienovereenkomstig bijzonder gesteld te zijn op een vasten regel en op zuivere lijnen. En daarom, ook bij alle ruimte in de handhaving der Kerkenordening, aan een kerkbedervend individualisme werd nooit ruimte gegeven. Ook de


1) Vgl. Voetius, Polit. Eccl., Tom I, pag. 264 (Ed. Rutgers, pag. 220).
2) Vgl. b.v. de daartoe strekkende bepalingen in enkele van de hiervoren (blz. 38, noot 1) genoemde Classikale Handboekjes.
3) Zoo b.v. in de Classe van Dordrecht, waar de Overheid der Stad Dordrecht zelve niet wilde afgaan van de Staatskerkenordening van 1591, en waar de Classe, in zake de predikantsberoeping, zich daarnaar zooveel mogelijk schikte; terzelfder tijd (misschien wel juist daarom) van alle predikanten (ook van de Dordtsche) verlangende, dat zij de oude Gereformeerde Kerkenordening zouden onderteekenen.
4) Vgl. de Ned. Syn. Acta, blz. 621.
5) Dat door de Nederlandsche Kerken in Engeland, die de Nederlandsche Synoden der 16e eeuw hebben bijgewoond, hare afwijking in zake ceremoniën en kerkregeering van te voren geconstateerd is, blijkt b.v. uit den geloofsbrief der gedeputeerden naar de Dordtsche Synode van 1578 (Ned. Syn. Acta, blzz. 304-306). En dat toch de daar gemaakte redactie van de Kerkenordening door den gedeputeerden predikant eenvoudig onderteekend is, blijkt uit het nog over zijnde authentieke handschrift (a.w., blz .262). Ter Middelburgsche Synode van 1581 is desgelijks gehandeld (a.w., blz. 360, coll. blzz. 339 vgg. en 356).

|43|

afwijking zelve was als het ware geregeld. Natuurlijk niet door opzettelijke bepalingen. Maar dan toch door beginselen, die onmiskenbaar waren, uit Gods Woord, uit den aard der zaak, en uit de Kerkenordening zelve 1). Vooreerst moest er altijd eene afdoende reden zijn, en wel eene reden die gegrond was in het belang der Kerk, om daarin, naar het in art. 1 gestelde doel, des te beter „goede ordre te onderhouden”; en dus, wanneer stipte naleving moeielijk geschieden kon, zonder dat de vrijheid der Kerk, of haar uiterlijke vrede, of hare innerlijke rust, of haar welstand, wezenlijk gevaar liepen, en wanneer terzelfder tijd aan de afwijking mindere bezwaren verbonden waren. Voorts mocht, naar den in art. 86 gestelden regel, dan toch niets veranderd worden in de Kerkenordening zelve, zoodat de afwijking als het ware ook aan anderen zou worden opgelegd, evenmin als zij in gelijke omstandigheden aan anderen mocht worden euvel geduid. En eindelijk bleef altijd, naar het in art. 31 uitgesproken beginsel, dat, wanneer verschil kwam over de noodzakelijkheid of de nuttigheid van de afwijking, waaruit dan natuurlijk weer een grooter kwaad zou voortkomen, alsdan de enkele Kerkendienaar zich naar den Kerkeraad zou te schikken hebben, en de enkele Kerk naar de Classe, en de enkele Classe naar de Synode. Op die wijze was er ruimte, maar binnen zekere grenzen, en regelmaat zonder formalisme. Er kon vrijheid zijn, zonder dat die vrijheid op losbandigheid en willekeur uitliep. En bevorderd werd juist daardoor het doel van de gansche Kerkenordening: ook nog bij de afwijking zelve werd dan daaraan voldaan.

Altijd echter onder ééne voorwaarde, nl. dat de Kerken één bleven in belijdenis en tezamen onderworpen aan Gods Woord. Dat wordt altijd ondersteld; daarop rust de bruikbaarheid van de gansche ordening; en zóó geheel is zij daarop ingericht, dat zij bij een anderen toestand wel niet anders dan ontbindend kan werken. Maar wel verre van een bezwaar te zijn, is dit juist in haar voordeel. Zij bevordert die eenigheid, juist doordat zij haar onderstelt en vereischt.

En wanneer nu ten slotte gevraagd wordt, of bij zulke ordening dan toch niet onzekerheid overblijft; of zij niet voor een aantal gevallen min of meer onbepaald is; of zij in het kerkelijke leven niet gedurig velerlei onderzoek noodig maakt; dan moet op die vragen zonder twijfel bevestigend geantwoord worden. Maar aan dat


1) Vgl. hierover b.v. Voetkus, Polit. Eccl., Tom I, pagg. 272-280 en 284-288 (Ed. Rutgers, pagg. 227-233 en 236-239).

|44|

antwoord moet ook aanstonds worden toegevoegd, dat zulks waarlijk geen schade is, maar juist winst. Het zou zonder twijfel gemakkelijker zijn, wanneer voor iederen toestand een gebiedend voorschrift aanwezig was. Maar de gemakkelijkste weg is juist niet altijd de beste. In de 16e eeuw had men nog den vollen indruk van het einde, waar die weg toe moet leiden; hoe het, bij de velerlei schakeeringen van het leven, dan noodzakelijk worden moet: gebod op gebod en regel op regel; en dit stond bij de vaderen vast: nooit weer een boekdeel met reglementen, gelijk het Corpus iuris canonici in de Roomsche Kerk allengs geworden was. Voor den welstand der Kerk is oneindig veel beter, dat bij algemeene regeling slechts weinig bepaald en omschreven wordt, en dat al het andere aan de Classen en aan de enkele Kerken wordt overgelaten, om dan naar gewoonte of naar tijdelijke schikking of naar plaatselijke behoefte geregeld te worden. Als dit goed zal geschieden, is natuurlijk noodig, dat allen, die tot kerkregeering geroepen zijn, van die zaak eenige studie maken; dat zij de beginselen, die in de Kerkenordening uitgesproken zijn, zooveel mogelijk verstaan en als het ware in zich opnemen, om dan bij de verdere toepassing dienovereenkomstig te handelen. Maar juist daardoor worden die beginselen als het ware het eigendom van iedere Kerk in het bijzonder, zóó vast geworteld, dat geen storm ze kan uitroeien. Gods Woord blijft dan op de plaats, die in iedere Kerk daaraan toekomt; Christus blijft dan erkend als de Koning der Kerk; menscheninzettingen kunnen daar dan niet tot heerschappij komen; en de Kerk kan dan blijven bij de vrijheid en zelfstandigheid, die haar in de wereld toekomen. Ja ook buiten de Kerk werkt dat dan ten goede. De Gereformeerde kerkinrichting, juist omdat zij niet bestaanbaar is zonder onderzoek van hare grondslagen, en eerbied voor Gods ordinantiën, en toepassing van beginselen, en zelfstandigheid bij die toepassing, onderstelt niet slechts, maar zij kweekt ook ontwikkeling, vrijheid en orde op ieder gebied. In den Staat, in de maatschappij, in de school, in het huisgezin, overal oefent zij dien invloed. En dan is zij om die vormende kracht nog zooveel te meer te waardeeren. Het is ook door haar, dat het Calvinisme oorsprong en waarborg is van veel goeds.