Rutgers, F.L. (1890)

De geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken
Amsterdam
J.A. Wormser
1890

Rede, gehouden bij de overdracht van het Rectoraat der Vrije Universiteit, den 21 October 1889.

Met aanteekeningen en aktenstukken.

Rutgers, F.L. (1890) 1

|5|

 

Hoogeerzame Heeren Directeuren onzer Vereeniging,
Hoogachtbare Heeren Curatoren onzer Universiteit,
Hooggeleerde Heeren Professoren in de onderscheidene Faculteiten,
Zeergeleerde Heeren Doctoren in onderscheidene Wetenschappen,
Weleerwaarde Heeren Bedienaren des Woords,
Weledele Heeren Studenten,
En voorts Gij allen, van wat naam of rang ook, die herwaarts opkwaamt om deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid te vereeren,

 

Zeer geachte en zeer gewenschte Toehoorders! 1)

 

Toen de Groninger hoogleeraar Cornelius van Velzen, vóór ruim anderhalve eeuw, zijne rectorale oratie hield „pro studio Jurisprudentiae Ecclesiasticae in Academiis excolendo” 2), had hij veel te roemen over deze „scientia”, als „praestantissima et nobilissima”, en niet minder „propter jucunditatem quae in illa cum utilitate de palma certat”; maar ook tevens veel te klagen, „quia apud multos


1) De hier volgende rede, die zonder eenige verandering teruggeeft wat den 21 October 1889 werd uitgesproken, was natuurlijk ook toen reeds geheel klaar om in druk te worden uitgegeven. Het scheen echter wenschelijk, bij de uitgave eenige aanteekeningen en akte-stukken daaraan toe te voegen. En nu is daardoor de uitgave omtrent vier maanden vertraagd, daar velerlei andere werkzaamheden, en ook ongesteldheid, juist in de Kerstvacantie, den schrijver veelszins belemmerden. Gelukkig is de actualiteit van het onderwerp niet aan weken of maanden gebonden.
2) D.i.: „Over de noodzakelijkheid der beoefening van het Kerkrecht aan de Academiën”. Deze redevoering, den 3 September 1737 uitgesproken, is in hetzelfde jaar te Groningen uitgegeven.

|6|

admodum jejuna illius deprehenditur cognitio” 1). En de oorzaak van die onkunde lag ook voor de hand: „alia quaevis Theologica in Academiis exteris et Belgii nostri abundanter tractantur; sed Jurisprudentiae Ecclesiasticae expressior et sufflciens institutio ab Academiis plurimis exteris, et omnibus Belgii exulasse videtur post celeberrimi Voetii aliorumque pauciorum fata suprema” 2). Er was toen ter tijd, en dat sedert lang reeds, verwaarloozing van het kerkrecht aan de Academiën, en daaruit voortvloeiende onkunde in de Kerken zelve.

Ruim eene kwart eeuw later was dat anders, althans tot op zekere hoogte en schijnbaar. Niet slechts werd er aan dezelfde hoogeschool toen geregeld onderwijs in het kerkrecht gegeven; maar dat vak kwam nu ook op eens tot groote eere, en het werd met bijzondere opgewektheid beoefend. De hoogleeraar in de rechtsgeleerdheid Friedrich Adolph van der Marck, die ter wille van zijne theologische toehoorders dat onderwijs op zich nam, beschouwde het waarlijk niet als eene bijzaak; maar, overtuigd dat „nulla jurisprudentiae pars salutem Reipublicae et Ecclesiae, immo totius generis humani felicitatem magis amplificat, quam quidem distinctior et pro-fundior juris Ecclesiastici scientia” 3), heeft hij juist van dat college wel het meeste werk gemaakt. Dat is nog te zien in zijne later uitgegeven Lectiones Academicae, waarvan drie deelen aan het kerkrecht zijn toegewijd; terwijl uit diezelfde opstellen tevens blijkt, dat hij velerlei gaven in zich vereenigde om als Academisch docent grooten invloed te oefenen 4).

Toch kon ook toen nog de klacht van den ouden Van Velzen blijven gelden; zelfs nog meer dan in diens eigen tijd; want de


1) Volgens deze aanhalingen (l.l., pagg. 28, 34 en 40) werd dus in de genoemde rede aangewezen, dat „de wetenschap van het kerkrecht bijzonder voortreffelijk, aangenaam en nuttig” is, maar dat „bij velen de kennis van die wetenschap bijzonder mager blijkt te zijn”.
2) D.i.: „Alle andere Theologische vakken worden in de buitenlandsche en in onze Nederlandsche Academiën meer dan voldoende behandeld; maar een opzettelijk en voldoend onderwijs in het Kerkrecht schijnt van de meeste buitenlandsche en van alle Nederlandsehe Academiën verbannen te zijn na het overlijden van den zeer vermaarden Voetius en van enkele anderen” (l.l., pag. 41).
3) D.i.: „Er is geen deel van de rechtsgeleerdheid, dat tot den welstand van Staat en Kerk, ja tot het geluk van de geheele menschheid, meer bijdraagt, dan juist eene goed geordende en diepgaande kennis van het kerkrecht” (Lect. Acad., Tom. II, Fascic. III, pagg. 248 sq.).
4) Van de bovengenoemde „Lectiones Academicae” behandelt het eerste Deel (Ed. 1771): „Selecta philosophiae practicae jurisque naturae capita et praecipue officia erga Deum”; en het tweede Deel, in drie Stukken, alle in omvang met Deelen gelijkstaande (Ed. 1772, 1775 en 1776): „Praecipua juris ecclesiastici Protestantium universalis capita”.

|7|

vroegere verwaarloozing was nu overgegaan in terzijdestelling, ondermijning en bestrijding. Van der Marck was een rechtsgeleerde, die het aan hem opgedragen ius naturae boven alles stelde; in dier voege, dat een aantal andere vakken eenvoudig daarbij ingelijfd en daardoor beheerscht werden. Bij hem was het kerkrecht, en eigenlijk ook de dogmatiek en de moraal, die hij daaraan ten grondslag legde, slechts een onderdeel van het ius naturae. En gelijk de theologie, die hij voordroeg, dientengevolge niet anders was dan rationalisme en naturalisme, zoo was door dezelfde oorzaak zijn kerkrecht zuiver collegiaal. Hij ging zelfs nog verder dan men in zijn Duitsche vaderland toen gewoon was; want nog boven alle rechten, die de kerk als collegium hebben kon, liet hij deze twee beginselen gelden: aan de Overheid, ook op kerkelijk gebied, alle macht van wetgeving en van uitvoering; en in de kerk zelve tolerantie, in den zin van leervrijheid, slechts beperkt door de grenzen, die de Overheid uit staatsbelang noodig zou achten. In die kerk konden, volgens hem, de Formulieren van eenigheid daarom toch wel blijven. Hij ontraadde zelfs elke poging om ze te veranderen of af te schaffen, daar dan nieuwe twist, en misschien wel uitbreiding van die Formulieren, te wachten was. Maar men zou ze kunnen handhaven, en dan tevens praktisch de leervrijheid invoeren. Het voorzichtigste zou wel zijn, „per cordatiorum virorum libertatem sentiendi dicendique easdem [formulas] potius honeste sepelire, quam magno impetu illas evertere velle. Maneant igitur fidei formulae, sed maneant omni effectu juris externi denudatae” 1).

Wat op dit college met zooveel ijver en bekwaamheid gedoceerd werd, was dus eigenlijk juist het tegendeel van Gereformeerd Kerkrecht. Voor dit laatste was nu inderdaad zelfs geen plaats meer.


1) D.i.: „Zich liever ten doel te stellen, om de bedoelde Formulieren aan eene eerlijke begrafenis te helpen, doordat kloeke mannen vrijelijk denken en vrijelijk spreken, dan wel te beproeven, ze door een krachtigen en rechtstreekschen aanval uit den weg te ruimen. Er zij dus handhaving der Geloofsformulieren, maar met dien verstande dat zij geenerlei rechtswerking naar buiten meer kunnen hebben” (l.l., Tom. II, Fasc. II, pag. 69).
Op eene eigenaardige wijze wordt dit advies toegelicht door hetgeen drie jaren vroeger, in 1772, met Van der Marck zelven gebeurd was. In zijn tijd hadden de Belijdenisschriften nog „rechtswerking naar buiten”, ook aan de Groninger hoogeschool, waar, volgens de Academische wetten, een hoogleeraar, die in strijd met die Formulieren bleef leeren, in geen geval in zijn ambt mocht blijven. Nu was tegen Van der Marck, die letterlijk op alle punten geheel afweek, door de Classe van Groningen eene klacht ingediend. De Senaat had na onderzoek wel moeten uitspreken, dat althans op eenige punten zijne leeringen „met de leer van de Symbolische boeken der Hervormde Kerk in strijd” waren. En toen was natuurlijk aanstonds gevolgd, dat zijn katheder vacant werd verklaard. Opmerkelijk is, dat hij bij en ook na die procedure bleef volhouden, dat hij geenerlei dwaling erkennen kon, daar er in zijn onderwijs zelfs geen zweem was van onrechtzinnigheid, en dat hij herhaaldelijk ➝

|8|

En zoo werd het allengs meer, ook in de Kerken zelve, toen het onderwijs van Van der Marck daarin doordrong, en toen dit na de Revolutie als het ware het program werd, dat men zich ter uitvoering voorstelde 1). Wel was de Politica Ecclesiastica van Gisbertus Voetius nog in veler bezit; en bij onze vaderen kon het Latijn ook wel geen bezwaar zijn. Maar er werd gewaarschuwd door de toongevers der toenmalige wetenschap, ook door Van der Marck, met een beroep op den destijds zeer gevierden Boehmer: „summa cautione in lectione hujus libri opus est; nam ubique adeo mirifice Cl. Voetius omnia involvit talesque inde nectit conclusiones, quas nemo nisi juris naturalis peritissimus facile extricare possit” 2). En theologen, die nu eenmaal niet „iuris naturalis peritissimi”, zelfs niet eens „periti” waren, deden dus bij slot van rekening nog een goed werk, wanneer zij dat gevaarlijke boek maar niet gingen bestudeeren.

Toch is de belijdenis, ondanks alle pogingen om haar, naar den raad van Van der Marck, op non-activiteit te brengen, op kerkelijk gebied weer actief geworden. En toen kon ook de herleving van het daaruit voortvloeiende kerkrecht wel niet uitblijven. De leerstellige strijd, die in eenzelfde kerkverband over de grondslagen der belijdenis te voeren was, werd, gelijk in dergelijke omstandigheden altijd het geval is, hoe langer hoe meer ook kerkrechtelijk. En bevorderd werd die opleving van het kerkrecht, doordat wetenschappelijke studie daarmede samenviel, en doordat die studie zich met, name richtte op de oude kerkordeningen en op hare


➝ aanbood, zich bij vernieuwing aan de kerkelijke Formulieren van eenigheid te verbinden, door onderteekening der formule die te dien einde door de Curatoren was opgesteld. Op die manier behoefden dus die Formulieren, zelfs bij iemand die ze onderteekende, ook „naar binnen” geene werking meer te oefenen! Het- is bijna onbegrijpelijk bij een man, die terzelfder tijd de oprechtheid zoo bijzonder kon aanprijzen, en die zoo uitnemend kon spreken en schrijven over „de waarheidsliefde als de bron van alle zedelijke deugden” (b.v. l.l., pagg. 129 sqq.).
1) Prof. Van der Marck, die spoedig na zijn ontslag Groningen verlaten had, om achtereenvolgens te Lingen, te Deventer en te Burgsteinfort als hoogleeraar werkzaam te zijn, werd in 1795, bij de revolutie, te Groningen in zijn ambt hersteld; en die triomf voor hemzelven was een teeken, dat nu inderdaad zijne beginselen ook begonnen te triomfeeren. De theologen hadden gehandeld, alsof het reeds voldoende was, Van der Marck te doen zwijgen; in plaats van eerst en meest er op bedacht te zijn, dat de door hem verkondigde beginselen bestreden werden, en dat dientengevolge de Gereformeerde beginselen ook aan de hoogeschool behoorlijk werden gedoceerd.
2) D.i.: „Bij de lezing van dit boek is de meest mogelijke behoedzaamheid noodig; want overal maakt prof. Voetius alles zóó buitengemeen ingewikkeld, en hij knoopt er zulke kunstige sluitredenen aan vast, dat alleen iemand, die in het natuurrecht bijzonder ervaren is, ze gemakkelijk kan ontwarren” (J.H. Boehmer, Ius Parochiale, Ed. 6, 1760, pag. 23, overgenomen, met bijvoeging van de laatste 9 woorden, door F.A. van der Marck, l.l., Tom. II, Fasc. II, pagg. 211 sq).

|9|

geschiedenis 1). Thans valt wel niet meer te klagen, dat dit vak wordt verwaarloosd. En al laat de kennis ook nog vaak te wenschen over, de belangstelling is toch bijna algemeen.

Verontschuldiging of zelfs verklaring zal het dan ook wel niet noodig hebben, dat ik thans, voor de tweede maal tot het houden eener rede geroepen, wederom over kerkrecht tot u spreken ga, en dan wederom zooveel mogelijk met historische toelichting 2). In het laatste jaar had ik mij bijzonder bezig te houden met de Nederlandsche Synoden van de 16e eeuw 3); met die samenkomsten, die in vollen zin constitueerende vergaderingen waren, en bij welke een aanzienlijk deel van haar arbeid dus aan kerkelijke regeling was toegewijd. En omdat nu eene belangrijke vraag is, welke beteekenis aan die regeling toekomt, terwijl juist in onzen tijd deze vraag ook belangstelling vindt, achtte ik het niet ondienstig, te dien aanzien eenige opmerkingen aan u voor te stellen, of m.a.w. u te bepalen bij de geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde Kerken.

Tot uwe geruststelling zij hier aanstonds bijgevoegd, dat ik uw geduld niet te veel op de proef zal stellen; althans niet, voor zoover dit geschieden zou door de poging om mijn onderwerp uit te putten. Daarvoor is het zonder twijfel van te grooten omvang. Wat ik u wensch aan te bieden, zijn slechts eenige beschouwingen over de hoofdzaken die daarbij in aanmerking komen. En om dat geregeld te doen, vragen we achtereenvolgens, waarom, voor wie, in welken zin en in welke mate, bij de oude ordening onzer Kerken van geldigheid sprake kan zijn.


1) Het zal wel geene aanwijzing noodig hebben, dat dit in de eerste plaats te danken is aan den arbeid van C. Hooijer, die in 1865 de „Oude Kerkordeningen van de Nederlandsche Hervormde gemeenten” uitgaf, met eene korte geschiedenis van het ontstaan en van de lotgevallen dezer kerkenordoningen. Thans, na bijna 25 jaren, zou er in dat werk zeker menige verbetering zijn aan te brengen; maar het heeft toch zooveel verdiensten, en het was en is nog van zóóvoel nut, dat de schrijver hier, eershalve, wel uitdrukkelijk mocht genoemd worden.
2) De hierboven bedoelde eerste rede, in 1882 gehouden en uitgegeven, was over „Het Kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen Kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw.”
3) Nl. om voor de, thans reeds ontbonden, Marnix-Vereeniging de uitgave te bewerken van haar laatste Deel (Serie II, Deel III), dat in Juli 1889 verschenen is onder den titel: „Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw.” Waar in volgende noten naar dit werk te verwijzen is, zal het kortelijk als „Nederlandsche Synodale Acta” worden aangehaald.

Rutgers, F.L. (1890) 2

Het is van algemeene bekendheid, hoe de Nederlandsche Gereformeerde Kerken aan hare Kerkenordening gekomen zijn. Zij is

|10|

voorbereid door de particuliere samenkomst, die in 1568 te Wezel gehouden is, toen een aantal ballingen, die als woordvoerders konden optreden, tot zoodanige voorbereiding bijeenkwamen. Volgens de kerkrechtelijke beginselen, die reeds tegelijk met de belijdenis waren aangenomen; naar het voorbeeld van de gelijksoortige kerkenordeningen, die bij andere natiën reeds aanwezig waren; en in overeenstemming met de regelingen, die de Nederlandsche Kerken, hetzij plaatselijk of wel provinciaal, onder het kruis of in de verstrooiing reeds gemaakt hadden; werd toen een ontwerp gesteld, dat voor al die Kerken als eene handleiding dienen kon, en waarin de hoofdpunten niet slechts aangegeven, maar ook uitvoerig uitgewerkt waren. En nu heeft men later dat ontwerp wel weer laten rusten, daar het niet slechts veel te uitvoerig was, maar ook in de formuleering aan zijn oorsprong en bedoeling beantwoordde. Maar het werk is toch voortgezet op denzelfden grondslag, toen men tot formeele vaststelling komen kon. En die vaststelling is vervolgens het werk geweest van een zestal Nederlandsche Synoden. Zij heeft telkens plaats gehad op die grondleggende vergaderingen, die van 1571 tot 1619 gehouden zijn 1).

Met het oog op dat zestal Synoden onderscheidt men gewoonlijk zes Kerkenordeningen, die dan nader worden aangewezen door het noemen van de plaats of wel van het jaar der vaststelling. Nu, dat kan ook wel, kortheidshalve. Maar geheel nauwkeurig is het eigenlijk toch niet. Immers, de bedoelde Synoden hebben geenszins elk voor zichzelve eene eigene Kerkenordening vastgesteld. Eigenlijk heeft alleen de eerste zulks gedaan, toen zij een aantal besluiten nam, die de kerkelijke orde betroffen, en voorts aan hare algemeene Acta, waarin die besluiten werden opgeteekend, het karakter en ook eenigszins den vorm gaf van eene algemeene kerkenordening. En nu is het zeker waar, dat de volgende Synoden ook wel zulke besluiten genomen hebben, waartoe ingekomen vragen of gravamina haar ook telkens weer aanleiding gaven. Maar door die besluiten werd dan niet teweeggebracht, dat nu ook eene nieuwe Kerkenordening in het leven trad. De bestaande bleef. Wat er telkens plaats had, was slechts dit, dat het een of ander punt nader werd uitgewerkt,


1) De bovenbedoelde vergaderingen zijn: de Synode te Emden, 4-13 October 1571; de Provinciale Synode te Dordrecht, 15-28 Juni 1574; de Nationale Synode te Dordrecht, 3-18 Juni 1578; de Nationale Synode te Middelburg, 30 Mei-21 Juni 1581; de Nationale Synode te ’s-Gravenhage 20 Juni-1 Augustus 1586; en de Nationale Synode te Dordrecht, 13 November 1618-29 Mei 1619. — De Wezelsche artikelen hebben de dagteekening van 3 November 1568.

|11|

of wel dat eenige regeling met de veranderde omstandigheden in overeenstemming werd gebracht, of wel dat ter wille van de Overheid en om politieke approbatie te verkrijgen sommige bepalingen uit de Kerkenordening naar de andere Acta werden overgebracht en nieuwe bepalingen werden bijgevoegd, of wel dat bijzonder gelet werd op de formuleering of de rangschikking van een aantal artikelen 1). Al wat niet veranderd was, bleef eenvoudig gelden. En wanneer dan, gelijk doorgaans ter Synode zelve geschiedde, alle die veranderingen ter plaatse waar zij thuis hoorden waren overgebracht, dan kon het daaruit ontstane stuk wel in zekeren zin de Kerkenordening van die bepaalde Synode genoemd worden, maar eigenlijk was het toch niet anders dan de oude in ge wijzigden vorm. Vooral omdat de veranderingen inderdaad niet iets nieuws in het leven riepen. Niet slechts de beginselen, maar ook bijna alle toepassingen, niet slechts de hoofdlijnen, maar ook verre de meeste formuleeringen, werden telkens overgenomen en gehandhaafd; ja zelfs is er tusschen alle die redactiën zóó weinig wezenlijk onderscheid, dat men in de kerkelijke handboekjes veilig de gewoonte kon aannemen, om ze alle achter elkander te doen afdrukken 2): welke der redactiën men ook volgde, men liep weinig gevaar van te komen tot handelingen, die de kerkelijke orde verstoren zouden. Dat was ook de beschouwing van de tijdgenooten zelven, die aan die regelingen hebben medegewerkt; b. v. van den Dordtschen predikant Hendrik de Corput, die, toen in 1586 de vijfde redactie gemaakt was, kort daarna o.a. schreef: „daer benevens en is de gestelde ordeninge niet nyeuw, maer geüseert onder ’tcruys ende van aen-vang aen, ende geconfirmeert met veel Synoden” 3). En ook die


1) Wat hierboven in den tekst gezegd is, blijkt vanzelf, als men van die oude Synoden de kerkenordeningen, de notulen, de instructiën, de antwoorden op particuliere vragen, enz. doorleest (zie de Ned. Syn. Acta, waarin dat alles is afgedrukt).
2) Van den aanvang af is dit geschied in alle algemeene kerkelijke bandboekjes, nl. in „De Kercken-ordeninghen der Ghereformeerder Nederlandtscher Kercken” enz. (1e druk, 1612; 5e druk, 1730) en in het „Kerkelyk Handboekje” (1e druk, 1732; 5e druk, 1794); en voorts in een aantal Provinciale en Classikale handboeken en handboekjes. Aan de Kerkenordeningen werden dan doorgaans, en met toenemende volledigheid, ook nog andere kerkelijke resolutiën toegevoegd; met name in de algemeene handboekjes, die o.a. de Synodale antwoorden op particuliere vragen en de Post-acta van de laatste Dordtsche Synode mede opnamen. In volledigheid, en ook in nauwkeurigheid, laten echter alle die uitgaven (ook zelfs de „Oude Kerkordeningen”, door C. Hooijer in 1865 uitgegeven) te wenschen over; waarom door de Marnix-Vereeniging gezorgd is voor de hiervoren blz. 9, noot 3, aangehaalde nieuwe uitgave.
3) Dit komt voor in een brief van Henricus Corputius aan Arnoldus Cornelii, d.d. 15 Aug. 1587 (Werken der Marnix-Vereen., Serie III, Dl. II, blz. 281).

|12|

Synoden zelve gebruikten telkens uitdrukkingen, die alleen op dat standpunt te verklaren zijn 1). Daarom sprak ik, bij de formuleering van mijn onderwerp, dan ook niet van de eene of andere Kerkenordening in het bijzonder, b.v. van de eerste of van de laatste of van welke dan ook, en evenmin van die allen in het meervoud, maar van „de oude Kerkenordening” in het algemeen.


1) Zoo b.v. werd van wege de Provinciale Synode, in 1582 te Haarlem gehouden, uitdrukkelijk verklaard, dat in de Nationale Dordtsche Synode van 1578 „ouersien werde tgene Anno LXXI. te Embden vande Nederlantsche Kercken gehandelt was, ende oock het ontworp Anno LXXIIII. te Dordrecht (als bouen geseyt is) gemaeckt: waer wt als doen met gemeynen consente een Kercken-ordeninge beschreuen werde, genoech gelijck de Kercken int heymelick onder de veruolginghen, ende eenighe Iaren daerna in Hollant ende Zeelant openbaerlick gebruyet hadden” (Ned. Syn. Acta, blz. 231). De Kerkenordening van de daarop volgende Nationale Middelburgsche Synode van 1581 is, naar het eigen getuigenis van deze Synode, „vut den acten Synodael gemaect”, nl. door „de artyckelen des laesten Dordrechtsen Synodi te ouersien ende daer wth te trecken een Corpus Disciplinae ofte Kerekenordeninghe (a.w., blzz. 364, 402, 413 en 431). Desgelijks werd de Kerkenordening van de daarop volgende Nationale Haagsche Synode van 1586 door deze Synode zelve genoemd „de Kerckenordeninghe bij ons alsnu van nieus ouersien ende gestelt” (a.w., blz. 620). En ten slotte werd de Kerkenordening van de daarop volgende Nationale Dordtsche Synode van 1619 door deze Synode zelve voorgesteld als „de Kerken-ordeninge, soo als de selve in dese Synodus geëxamineert, ende in sommige Articulen tot meerder vrede ende stichtinge vermeerdert is” (in de zeer dikwijls uitgegevene en nog in grooten getale voorhandene Post-acta, de 177e Sessie, in punt III van het in de acta dier Sessie opgenomen Request aan de Staten-Gteneraal). Wie punt voor punt alle die kerkenordeningen naast elkander legt, ziet ook zelf, hoe betrekkelijk gering inderdaad het verschil is.

Rutgers, F.L. (1890) 3

I.

Toen de artikelen dezer Kerkenordening voor het eerst werden vastgesteld, en ook later bij de wijziging en bestendiging, was het niet onzeker, welke beteekenis de Synoden zelve aan haren arbeid toekenden. Die artikelen werden opgesteld en uitgevaardigd, niet als een voorstel, waarover nu door anderen zou moeten beslist worden ; niet als een ontwerp, welks definitieve vaststelling nog van iemands goedkeuring zou afhankelijk zijn; niet als eene reeks van stellingen, die slechts toonen zouden wat de opstellers noodig of wenschelijk achtten; maar als Synodale besluiten, die dus als zoodanig zooveel mogelijk moesten gevolgd worden; als een samenstel van regelingen, waarnaar nu vervolgens het kerkelijk leven zou zijn in te richten. Daarom was de formuleering ook zoo geheel anders dan b. v. in het Wezelsche ontwerp van 1568, en in onderscheiding daarvan bijzonder gekenmerkt door vastheid van toon. En daarom werd van de gansche Kerkenordening reeds in Emden uitgesproken, en vervolgens telkens herhaald: „Deze Artikelen, de wettelijke ordening

|13|

der Kerken betreffende, zijn met gemeen accoord alzoo vastgesteld, dat zij, zoo het profijt der Kerken anders vereischte, veranderd, vermeerderd en verminderd mogen en moeten worden; nogtans zal het geene bijzondere Kerk vrijstaan zulks te doen, maar alle zullen arbeiden om deze te onderhouden, totdat door eene Synode anders worde vastgesteld” 1).

Kon en mocht dat gezegd worden? — is nu allereerst onze vraag. De bedoelde Synoden waren zonder twijfel overtuigd, dat zij recht hadden tot het vaststellen eener algemeene kerkenordening. Maar bezaten zij dat recht inderdaad? Vooral en met name de vergadering, die het eerst zulke vaststelling heeft ter hand genomen; die in aantal en in aanzien zoo geringe schare, die in 1571 te Emden bijeen was; waaraan ontleende zij het recht tot een regelend optreden ? Wie of wat gaf haar de bevoegdheid, die zij blijkbaar zelve zich toekende?

Alle op haar volgende Synoden konden nog een rechtsgrond vinden in het reeds aangehaalde slotartikel van de Emdensche acta, en dus in bepalingen die nu eenmaal bestonden. Maar te Emden zelf kon daarvan natuurlijk geen sprake zijn. Juist integendeel. Volgens de officieel bestaande algemeene Kerkenordening, die reeds sedert eeuwen ook in Nederland gegolden had, en die nog pas te voren bevestigd was door het Trentsche concilie, was die Emdensche vergadering eenvoudig te beschouwen als eene samenrotting van afvallige oproermakers, en kwam aan de deelnemers wel niets anders toe, dan dat zij, als ketters en scheurmakers van de ergste soort, ban en doodvonnis overwaardig waren.

Politiek gezag kon hun evenmin ten goede komen; want de Nederlandsche Overheid van die dagen was het met de Roomsche beschouwing geheel eens. Bij alle volgende Synoden was dat anders. Regelende macht werd haar door de Overheid wel niet toegekend; maar zij werden toch erkend als Synoden, en zij vonden soms ook medewerking en zelfs goedkeuring van besluiten. Maar in 1571 kon daarvan geen sprake zijn. De aanzienlijken die hun steun gaven, ook de Prins van Oranje, die zeer zeker het samenkomen bevorderd heeft, ook al was hij daarna met den afloop niet geheel


1) Het bovenstaande is de letterlijke vertaling; van bet laatste artikel der (oorspronkelijk in het Latijn gestelde) Emdensche Kerkenordening. Het is bijna woordelijk overgenomen in alle volgende Kerkenordeningen (behalve in die van 1578; welke weglating echter stellig niet opzettelijk was), alleenlijk vermeerderd met de bijvoeging, die noodzakelijk werd, toen de bijzondere Kerken geregeld samenkwamen in Classen, particuliere en generale Synoden.

|14|

tevreden 1), zij konden destijds geen van allen voor de Overheid optreden, ballingen als zij waren, gelijk de leden der Synode zelven 2). En niet slechts moest nu buiten de Overheid alles omgaan; maar men moest ook buiten de grenzen bijeen komen; en men moest zelfs bij de voorbereiding zooveel geheimzinnigheid in acht nemen, dat tijd en plaats van te voren bijna aan niemand bekend konden zijn, tenzij dan aan het zestal vertrouwden, aan wie de bepaling was opgedragen, en voorts natuurlijk aan de leden zelven 3).

En toch was men daar te Emden volstrekt niet bijeen, gelijk drie jaren vroeger te Wezel, als een kring van broeders, die slechts voor hunne eigene personen konden spreken en handelen. Er was aan de samenkomst heel wat voorafgegaan. En juist daarin lag de grond van hun recht.


1) Het boven gezegde blijkt duidelijk uit een brief van Gaspar van der Heyden, die praeses van de Emdensche Synode geweest was, aan Arnoldus Cornelii.d.d. 25 September 1573, waarin o.a. voorkomt: „’t Wondert my seere dat syn Excel. Synodum Embdanam soude misprysen, daer ons D. Ald. eer wy er henen ginghen anders geseyt heeft, ende het doet nv vele achterdenckens hebben wat dat bediedt. Ick sorge wel ten deele dat het quaet is, dat hy niemand by hem heeft die Christus saken wat meer diene. Ick wil haest met Dath. en Taf. daervan spreken”, enz. (uit M.E. van Lennep, G. v.d. H., Ed. 1884, blz. 208). Dat de Prins niet geheel tevreden was met den afloop van de Emdensche Synode, is uit zijn toenmalig standpunt ook wel te verklaren. Eene nauwe vereeniging met de Lutherschen in Duitschland achtte hij destijds nog volstrekt noodzakelijk; en daarom had hij er door Marnix bijzonder op laten aandringen, dat de Emdensche Synode al het mogelijke doen zou om zulke eenigheid te bevorderen, ook door aanneming van den naam der Augsburgsche Confessie (vgl. de artikelen van de Prov. Synode te Bedtbur van 3 en 4 Juli 1571, en de punten die door de Kerken van Keulen in de Prov. Synode te Aken van 9 Sept. 1571 werden ingediend; hierachter in Bijlage I afgedrukt). De Synode echter had volstrekt niet daaraan voldaan, maar had juist integendeel haar Gereformeerd standpunt zeer beslist doen uitkomen. En nu is het zeer natuurlijk, dat dit later door den Prins werd afgekeurd. Met die onderstelling laten zich de straks aangehaalde woorden van Van der Heyden ook zeer goed vereenigen; vooral omdat deze zeer sterk anti-Luthersch was: toen hij in 1562 nog predikant was hij de Nederlandsche vluchtelingen-gemeente te Frankfort, was hij over de verhouding tot de Lutherschen zelfs in strijd geraakt met zijn ambtgenoot Petrus Dathenus, die te dien aanzien veel gematigder en verdraagzamer was (vgl. de uitvoerige brieven die Van der Heyden en Datheen, onafhankelijk van elkander, aan Calvijn geschreven hebben, om advies en bemiddeling van hem in te roepen, en de brieven, waarin Calvijn op hun beider voorstellingen heeft geantwoord; te vinden, deels in Calvini Opp., Ed. Brunsv., Vol. XIX, p. 396-398, 461-463, en 522-529, deels in M. F. van Lennep, G. v.d. H., blz. 197-203; welke twee uitgevers echter, daar zij elkanders stukken niet kenden, van de zaak zelve geene juiste en volledige voorstelling konden geven).
2) De medewerking van den Prins van Oranje was dan ook ingeroepen, geenszins wegens eenig Overheidsgezag dat hem zou zijn toegekend, maar „van weghen der authoriteyt die sijne V. G. over ons heeft, als onser aller Beschermheer zijnde” (uit een brief van de Kerken te Keulen aan den Prins, d.d. 22 Aug. 1571; hierachter in Bijlage I afgedrukt). — Bovendien heeft de Prins wel medegewerkt, maar zich toch op geenerlei wijze rechtstreeks met de Synode ingelaten; noch vóór, noch gedurende, noch na hare samenkomst; anders zou haar praeses daarvan natuurlijk wel iets geweten hebben (zie de vorige noot).
3) Vgl. de hierachter in Bijlage I opgenomen stukken; vooral den brief van de zes gedeputeerden voor de samenroeping der Synode aan den Kerkeraad van de Nederlandsche vluchtelingen-gemeente te Londen, d.d. 24 Juli 1571.

|15|

De geschiedenis, die voorafging, kennen we genoegzaam uit de gelijkluidende berichten van de hoofdpersonen zelven; vooral uit de mededeelingen, die aan de commissie van voorbereiding en aanMarnix van St. Aldegonde te danken zijn 1). En nu kan van al die berichten de hoofdzaak in één enkelen volzin worden uitgedrukt: alle komen neer op dit ééne, dat de Emdensche Synode niet is samengekomen, voordat alle Kerken van de Nederlandsche natie, die op eenigerlei wijze konden geraadpleegd worden, niet slechts die in Duitschland, maar ook die in Engeland, niet slechts die in de verstrooiing waren, maar ook de kruiskerken van het vaderland, alle zonder onderscheid in de zaak bewilligd hadden, en zich tot de vereischte medewerking hadden bereid verklaard. Zonder eenige moeite is dat zeker niet gegaan. Er wordt ook gesproken van tegenstand, die moest overwonnen worden; van broeders, die het voorgestelde doel niet wilden, zeggende: „Het zijn niet dan menschen instellinghen” 2). Maar ook wordt dan medegedeeld, hoe er op die broeders gewerkt is; met name door den ijver van Marnix, die reeds jaren lang meer dan iemand gedaan had om op kerkelijke eenigheid aan te dringen, en die thans, nu er uitzicht was om haar te verkrijgen, meer dan iemand heeft toegebracht aan den goeden uitslag 3). Het


1) De twee hierboven bedoelde stukken zijn eerst onlangs bekend geworden, door de in Augustus 1889 verschenen uitgave van het tweede Deel van het „Ecclesiae Londino-Batavae Archivum”, inhoudende „Epistolae et Tractatus cum Reformationis tum Ecclesiae Londino-Batavae historiam illustrantes; Ed. J.H. Hessels”. Deze uitgave is zeer zeker prachtig uitgevoerd, maar ook tevens, naar den inhoud gerekend (282 brieven, uit de jaren 1541-1622), bijzonder kostbaar (per deel 70 sh., in den Nederlandschen boekhandel ƒ 45.—). Daar zij dus wel niet veel verspreiding zal vinden, zijn de belangrijke stukken over de Emdensche Synode, die daarin voorkomen, hierachter overgenomen in Bijlage I; met toevoeging van hetgeen over de voorbereidselen van die Synode reeds elders was openbaar gemaakt; opdat men dit alles (’t welk in de hierboven blz. 7 genoemde Nederl. Synod Acta niet is opgenomen) hier nu zou bijeen hebben.
2) Deze bedenking wordt uitdrukkelijk genoemd in de Punten die door de Kerken van Keulen op de Prov. Synode te Aken van 9 Sept. 1571 ter behandeling werden ingediend. Aldaar was zij denkelijk ontleend aan het antwoord, waarin een deel der „Hollanders” de eerste uitnoodiging om aan eene generale Synode mede te doen, met opgave van redenen, had afgewezen, welk stuk niet bewaard is, maar vermeld word t in den brief van de Kerken te Keulen aan den Prins, d.d. 22 Aug. 1571. Althans wanneer sprake is van tegenstand en bedenkingen, wordt altijd alleenlijk van „Hollandsche” broeders gesproken; niet slechts in den genoemden brief, maar ook in dien van dezelfde Kerken aan de Nederlandsche predikanten te Heidelberg, d.d. 18 Aug. 1571. In den brief van de zes gedeputeerden aan den Nederlandschen Kerkeraad te Londen, d.d. 24 Juli 1571, wordt slechts in het algemeen gedoeld op bezwaren in den kring „vande wtgewekene Dienaren ende broederen van verscheyde provinciën”. Zie de in deze noot aangehaalde stukken hierachter in Bijlage I.
3) Het hierboven over Marnix gezegde blijkt, voor zooveel de Emdensche Synode betreft, uit de hierachter in Bijlage I opgenomen stukken. Met betrekking tot den vroegeren tijd toont de door hem gestelde (en door Gaspar van der Heyden mede geteekende) zendbrief, dien hij d.d. 21 Maart 1570 aan de verstrooide Nederlandsche Gereformeerde Kerken schreef ➝

|16|

was hem en anderen niet te veel, her- en derwaarts te reizen om met de Kerken te gaan handelen; waar men zelf niet gaan kon, moest een brief zooveel mogelijk overtuigen; en persoonlijke invloed werd ook in het werk gesteld, inzonderheid de invloed van Prins Willem, die zich wel niet rechtstreeks met de Synode heeft ingelaten, maar die toch het samenkomen zeer bevorderd heeft, en die zelfs aan Marnix vergunde, te dien einde vrijelijk van zijn naam gebruik te maken. Als voornaamste beweegreden werd natuurlijk aangevoerd, dat de kerkelijke eenigheid van alle Gereformeerden strekken zou „ter eeren Godes almachtich ende tot opbouwinge Syner lieue Gemeijnte”, en dat zij daardoor „Gode almachtich een seer welgeuallich werk ende dienst doen sullen”. Maar een sterke aandrang lag ook hierin, dat de voorgestelde „versamelinge [van een generael Synodum] voorwaer gheen kleyne nutticheyt ende eenicheyt inder Kercken onses Heeren Jesu Christi brenghen en sal”. En voorts mocht bij mannen, die hun vaderland liefhadden, ook wel geiden, wat als laatste grond nog genoemd werd: „waerwt oock volghens dien spruyten sal een goede gheregheltheyt ende voorderinge tot alle goet in politicque saeken”; vooral, gelijk ook nog gezegd werd, omdat het aan den Prins bijzondere oorzaak zou geven, „om hem van gantscher herten van v L. ende van alle andere wtgewekene ende oock noch inlandische Gemeijnte haere groote eenicheijt beijde inder Leeringe ende conuersatie, te verblijden, ende door dien eenen meerderen moet te grijpen om de algemeyne verlossunge door Godts genadige hulpe an de handt te nemen ende [te] volvoeren” 1). Door de werking van dat alles kwam men eindelijk tot de zoo gewenschte eenstemmigheid. En toen hebben de Nederlandsche Kerken, die in Engeland waren, wel niet kunnen voortgaan, daar zij door de Overheid van dat land tot onthouding gedwongen


➝ (afgedrukt in de door J.J. van Toorenenbergen bewerkte uitgave van „Philips van Marnix van St. Aldegonde, Godsdienstige en Kerkelijke Geschriften”, in het „Aanhangsel”, Ed. 1878, blzz. 3-38), dat hij reeds jaren lang geijverd had, om „alle de gemeynten der Nederlanden tot éénen lichaeme in te lijven, opdat sy met eenen ghelijcken voet nae de opbouwinge der Kercken Godes trachten” (t.a.p., blz. 16). Een antwoord op dit laatste schrijven, afkomstig van de Nederlandscbe vluchtelingenkerk te Maidstone, d.d. 10 Augustus 1570, is afgedrukt in de „Epist. et Tract.” van het Londensche Archief, blzz. 348-352; waarbij echter naar den brief van Marnix zelven niet verwezen wordt, daar, blijkens de bijgevoegde aanteekeningen van den bewerker der Londensche uitgave, de bedoelde, door J.J. van Toorenenbergen uitgegeven, geschriften van Marnix hem niet bekend waren.
1) De hierboven vermelde motieven zijn woordelijk ontleend aan den brief van de zes gedeputeerden aan den Nederlandschen Kerkeraad te Londen, d.d. 24 Juli 1571, en aan den brief van de Kerken te Keulen aan den Prins, d.d. 22 Aug. 1571 (Zie hierachter in Bijl. I).

|17|

werden 1). Maar al was nu de Synode die samenkwam dientengevolge niet generaal of nationaal, het was dan toch eene „versamelinghe”, gelijk zij zelve zich noemde, „der Nederlantsche Kercken die onder ’tCruys sitten ende in Duytschlandt, ende Oost-Vrieslandt verstroyt zijn” 2). Alle die Kerken hadden tot haar samenkomen medegewerkt ; de personen waaruit zij was samengesteld, waren door die Kerken daartoe afgevaardigd en gemachtigd; en in die personen waren dus de Kerken zelve daar alle bijeen.

Dat was het karakter van die vergadering; en nu ligt juist daarin de eenige, maar ook tevens afdoende grond voor de aan haar toegekende bevoegdheid. Immers, bij de Kerken, waarvan hier sprake is, gold ten volle de Nederlandsche Gereformeerde belijdenis, die zij hadden aangenomen: deze eenigheid in belijdenis was voorafgegaan; en omdat alle uiterlijke eenheid daarop rustte, werd zij bij den aanvang der Synode niet slechts geconstateerd, maar ook verder zooveel


1) Dat de Vreemdelingen-kerken in Engeland zeer begeerig waren om zich met de andere Nederlandsche Kerken te vereenigen, maar dat zulke vereeniging haar destijds onmogelijk was door een uitdrukkelijk verbod van de Engelsche Overheid, tenzij dan dat zij haar bestaan metterdaad in groot gevaar wilden brengen, blijkt b.v. uit de brieven van die Kerken aan de Classe van de Paltz, d.d. 14 Maart en 2 Juni 1572 (te vinden in de hierboven blz. 15, noot 1, vermelde „Epist. et Tract.”, blzz. 391-393 en 410 vg.), en uit den brief van den NederlandschenKerkeraad te Londen aan de Classe van Walcheren, d.d. September 1574 (a.w., blzz. 504-507). Zoo b.v. wordt in den laatstgenoemden brief, die ook duidelijk toont, dat het bedoelde verbod reeds in 1571 de voorbereidselen tot het deelnemen aan de Emdensche Synode had doen staken, te dezer zake o.a. gezegd : „Quia non ignoramus quam vtile et prorsus necessarium sit ecclesiis hoc modo consilia quam frequentissime fieri potest communicare, quantumque prestet omnes vndiquaque in idipsum consentire, atque allaborare, Non possumus non ex animo optare, vt et nobis in Anglia peregrinantibus, vobis adesse liceret cum conuenitis, atque vt liberum denique nobis esset communibus Synodorum eiusmodi legibus vti, quatenus illae nobis vsui esse possent. Quid autem in causa sit quo-minus id hactenus factum sit vel in posterum vt fiat sperari possit sane non existimabamus vos omnino latere, cum quia plerique vestrae Synodo interfueriut, quibus causae ex ipsa experientia constant, quique eas synodo poterant exponere, tum maxime, quod eas jampridem semel atque iterum perscripserimus, cum iisdem petitionibus Embdanae Synodi respondimus. Erant autem istae, videlicet, monitos iam tum fuisse nos (ex occasione quod pleraeque ecclesiae hic peregrinantes suos huc ad nos delegatos misissent, essemusque auspicati actionem ipsam consultandi vna quomodo nos pararemus ad classicos deinceps conuentus et ad Legationem in Synodum tum proxime Emdam conuocatam) monitos inquam nos sub ipsa actione fuisse per Angliae primatem et suos collegas Episcopos Regiae Maiestatis commissarios (quos vocant) in causis religionis, nequid eiusmodi tentaremus, vtpote quod per leges Regni publicas non liceret: sed potius contenti essemus eo quod precario obtinemus Regiae Maiestatis dementia, vti hactenus vsitatis inter nos seorsim ritibus, (licet differentibus ab institutis huius Regni) frueremur, neque temere aliquid noui moliri auderemus; tam enim strictas esse Regni leges, vt neque ipsi concedere, neque nos committero tale aliquid sine maximis totius ecclesiae periculis possemus” enz.
2) De aangehaalde woorden zijn het opschrift van de acta der Emdensche Synode. Dat zij zelve zich niet beschouwde als eene Nationale Synode, maar slechts als eene Synode van de Kerken in twee der drie groote provinciën, waarin alle Nederlandsche Kerken waren ingedeeld, blijkt ook uit de bewijzen, die daarvoor aangehaald zijn in de Ned. Syn. Acta blz. 46.

|18|

mogelijk gewaarborgd 1). Door alle die Kerken was dan ook reeds aangenomen, wat in die belijdenis op het stuk van kerkregeering uit Gods Woord was afgeleid 2). En met name was men het dus eens over deze beginselen: geenerlei regeering, dan die aan Gods Woord gebonden en daarvan afhankelijk is; onder die bepaling, en dus onder Christus als het eenige Hoofd, alle kerkelijke macht bij de Kerken zelve, uitgeoefend door den plaatselijken kerkeraad; alle Dienaren, en dus ook de Kerken waaraan zij verbonden zijn, in macht en gezag met elkander gelijkstaande; en de geloovigen allen samen leden van de ééne, algemeene Kerk, en dus ook geroepen om de eenheid van die Kerk door de daad der vereeniging zooveel mogelijk te doen uitkomen. Toegepast op de bevoegdheid tot het vaststellen eener kerkenordening, kan dit ook aldus worden uitgedrukt: dat voor iedere Kerk die bevoegdheid aan den Kerkeraad toekomt; mits binnen de grenzen, die hem door Gods Woord gesteld zijn; en dus ook met de verplichting, om zooveel mogelijk in vereeniging met de andere Kerken daarvan gebruik te maken. Maar uit die beginselen vloeit dan nu ook rechtstreeks voort, dat dus de Synode van Emden zich op geenerlei wijze eene bevoegdheid heeft aangematigd. Zij had, voor zooveel de Nederlandsche natie betrof, macht tot het maken eener algemeene kerkenordening, omdat alle Kerken en een iegelijke Kerk hare macht aldaar hadden samengebracht. Dit had nu gekund, en dus ook gemoeten; en in die bijeenkomst had natuurlijk de een aan den ander wel eens iets moeten toegeven. Maar de daaruit ontstane algemeene ordening werd nu toch aan niemand van buiten opgelegd. Zij was voor geene enkele Kerk als het ware iets vreemds. Metterdaad was zij vastgesteld, juist door hen die in iedere Kerk daartoe de bevoegdheid hadden. Zij had algemeene geldigheid, juist omdat de Kerken zelve haar voor zich zelve gemaakt hadden.

Toen dit eenmaal geschied was, hadden alle volgende Synoden daarin een grondslag om op voort te bouwen. Niet, alsof die volgende Synoden nu eene andere bevoegdheid hadden; alsof door die eerste Kerkenordening ééne enkele groote Landskerk was in het leven geroepen, waarin alle plaatselijke Kerken zich als het ware zouden opgelost hebben, waaraan zij hare leden zouden hebben overgedragen, en waarover de Synode als een algemeen bestuurscollege nu eene eigene macht zou ontvangen hebben. Dat zou in volkomen


1) Zie artt. 2-5 van de Emdensche acta.
2) Vgl. artt. 27-32 van de Nederlandsche Confessie.

|19|

strijd zijn geweest met de straks aangehaalde beginselen der belijdenis; en van die belijdenis kon in dit geval nog zooveel te minder worden afgeweken, omdat de rechtmatigheid van de gansche reformatie, en dus het bestaansrecht zelf der Gereformeerde Kerken, met de handhaving of verloochening dier beginselen stond of viel. Ook al zouden alle Kerkeraden samen zulke afwijking hebben aangenomen, het zou toch niet geldig geweest zijn; want bij alle bevoegdheid tot het maken eener ordening, was een Kerkeraad toch gebonden aan bepaalde grenzen. Hij kon, en hij moest zelfs, de Kerk, waarover hij gesteld was, met andere Kerken in verbinding brengen; maar in geen geval kon hij aan die Kerk haar bestaan als zoodanig metterdaad ontnemen. Aan iets dergelijks is dan ook te Emden volstrekt niet gedacht. Juist integendeel, de geheele ordening werd zóó ingericht, dat het onmiskenbaar karakter van die eerste Synode ook voor alle volgende werd gehandhaafd 1). Ook voor deze kwam dus alles er op aan, dat het inderdaad de Kerken zelve waren, die aldaar bijeenkwamen. Dat alleen gaf haar recht, om de algemeene ordening weer te wijzigen. Maar de geldigheid van die nieuwe redactie volgde dan ook van zelf.

Dat was de blijvende voorwaarde; en nu is wel niet onzeker, of zij steeds erkend is, en of daaraan steeds is voldaan. De geloofsbrieven zelven, die van onderscheidene Synoden nog over zijn, kunnen dat genoeg in het licht stellen 2). En het kon ook eigenlijk


1) Het boven gezegde blijkt uit allerlei besluiten van de Emdensche Synode; vgl. b.v. artt. 7-12 van de acta, en voorts de aan de acta toegevoegde bepalingen over de Classen en Synoden. Dat een zoodanig kerkverband ook geheel in den geest was van den man, die het met zooveel ijver heeft helpen tot stand brengen, is met onderscheidene aanhalingen uit de geschriften van Marnix aangewezen door A.F. de Savornin Lohman en F.L. Rutgers, in „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke Kerken”, 2e uitg., 1887, blzz. 194 vgg.
2) Met betrekking tot de Nederlandsche Synoden der 16e eeuw zijn de nog aanwezige geloofsbrieven afgedrukt in de Ned. Syn. Acta, blzz. 176 vgg. (die van de Prov. Dordtsche Syn. van 1574), 287 vgg. (die van de Nat. Dordtsche Syn. van 1578) en 520 vgg. (die van de Nat. Haagsche Syn. van 1586). En in alle die geloofsbrieven is blijkbaar de hoofdzaak, dat zij aan de daarin genoemde gecommitteerden last en volmacht gaven om de Kerken, die hen afvaardigden, ter Synode te vertegenwoordigen, zoodat deze niet eene vergadering was van personen (gelijk de Kerkeraad, waarin de gezamenlijke opzieners eener gemeente hunne eigene persoonlijke ambtsmacht samenbrachten), maar eene vergadering van Kerken, alsof deze alle, en een iegelijk harer, aldaar zelve tegenwoordig waren.
Trouwens, alle meerdere vergaderingen hadden datzelfde karakter; ook de Classen, en de particuliere en provinciale Synoden. En daarom werd bij alle die vergaderingen aan de geloofsbrieven zooveel gewicht gehecht; gelijk ook om dezelfde reden altijd noodzakelijk geacht werd, dat er geen verzuim zou zijn in de afvaardiging naar die meerdere vergaderingen, waardoor eene Kerk of Classe of particuliere Synode zou kunnen geacht worden, daar niet te zijn tegenwoordig geweest.
Zoo b. v. is er heel wat moeite uit voortgevloeid, dat de prov. Hollandsche Synode te Haarlem in 1582 gehouden is zonder gedeputeerden van de Classe van Leyden (die destijds ➝

|20|

wel niet anders; want het gold hier beginselen, die zeer diep waren doorgedrongen. Die waardeering van de meerdere vergaderingen, uit het oogpunt van karakter en bevoegdheid, juist omdat zij in de reformatie zelve en in de belijdenis en in de geschiedenis der Kerken een driedubbelen grond had, was volstrekt niet iets bijkomstigs, dat men licht vergeten kon, maar eene diep gewortelde overtuiging, die in allerlei opzichten helder uitkwam. Het was wel inzonderheid daarom, dat men van den aanvang af zoo bijzonder aandrong op de tegenwoordigheid van gedeputeerde ouderlingen 1).


➝ maar al te gaarne gehoor gaf aan het verbod van den Leydschen Magistraat, wiens predikant Caspar Coolhaes, indien hij zijne afwijkingen niet herriep, door de Haarlemsche Synode zou geëxcommuniceerd worden). De Kerkeraad van Leyden heeft toen geweigerd, dat Synodale vonnis, als zijnde buiten hem omgegaan, te erkennen. Hij heeft, om der wille van zijn recht, dat verzet volgehouden, ook toen hij later zich reeds van Coolhaes had losgemaakt. En daaruit is toen een langdurige strijd ontstaan tusschen hem en de overige Classen van Holland; terwijl nog het opmerkelijkste is, dat hij in dien strijd het ten slotte gewonnen heeft. De Nationale Synode, die in 1586 te ’s-Gravenhage gehouden is, heeft, toen zij de zaak van Coolhaes weder ter hand nam, aan den Leydschen Kerkeraad de, zeker zeer exceptioneele, voldoening gegeven, dat, uitsluitend voor de behandeling van die zaak, aan twee gedeputeerden van den Leydschen Kerkeraad zitting en stemrecht ter Synode werd toegekend. De voornaamste aktestukken, die betrekking hebben op dezen uit een kerkrechtelijk oogpunt belangrijken strijd, zijn afgedrukt in de Ned. Syn. Acta, blzz. 562-589.
1) Volgens de bekende bepalingen der oude Kerkenordening (in bijna alle hare redactiën) moest iedere Kerkeraad één predikant en één ouderling naar de Classe deputeeren; iedere Classe twee predikanten en twee ouderlingen naar de particuliere Synode; en iedere particuliere Synode twee predikanten en twee ouderlingen naar de generale Synode. En met die bepalingen waren ook de Classikale regelingen (op enkele uitzonderingen na) in overeenstemming.
De praktijk is zeer zeker vaak anders geweest; soms misschien door het clericalisme van sommige predikanten, die liever zelven het kerkbestuur in handen hadden; maar in verre de meeste gevallen enkel door de omstandigheid, dat de ouderlingen doorgaans te bezet waren om een aantal dagen of weken voor kerkelijke vergaderingen beschikbaar te hebben; en met die afwijkende praktijk is toen in een enkel geval de Classikale regeling in overeenstemming gebracht. Het zou echter ongerijmd zijn, daaruit af te leiden (gelijk soms geschied is), dat men het in de genoemde bepalingen zoo duidelijk uitgesproken beginsel dus eigenlijk liever ter zijde stelde. Men zou het dan waarlijk in de Kerkenordening wel niet hebben laten staan. Dat het daarin altijd gehandhaafd is, ondanks de bezwaren der uitvoering, moet juist integendeel tot de slotsom brengen, dat men aan die samenstelling van de meerdere vergaderingen dus wel zeer veel hechtte.
Inderdaad is dan ook voortdurend geijverd, om de genoemde bepalingen te doen nakomen. De generale Synoden hebben zich daarmede telkens beziggehouden. Herhaaldelijk is bepaald, dat gedeputeerden (ook ouderlingen), die wegbleven, hierover tot verantwoording moesten geroepen worden (Emden 1571, bijvoegsel, Cap. III, art. 3; Dordrecht 1578, art. 36; Middelburg 1581, Part. Vragen, art. 16; Ned. Syn. Acta, blzz. 110, 214 en 406). Indiende verontschuldiging niet voldoende was, werd censuur noodzakelijk geacht (Middelburg 1581, Part. Vragen, art. 105; Ned. Syn. Acta, blz. 453 ; vgl. blz. 371, waar de acta vermelden dat dit ook werd toegepast op een aanzienlijk Overheidspersoon uit Amsterdam). En om zulk een uiterste te vermijden, werden ook middelen aan de hand gedaan, waardoor het bijwonen van de meerdere vergaderingen voor de ouderlingen minder bezwaar zou opleveren (Middelburg 1581, Part. Vragen, artt. 71 en 96; Ned. Syn. Acta, blzz. 419, 426, 442 en 450). ➝

|21|

Daaruit verklaart zich, althans ten deele, dat van de meerdere vergaderingen niet de Synoden, maar de Classen de meeste beteekenis hadden, d.i. die vergaderingen, waar de plaatselijke Kerken het meest onmiddellijk tegenwoordig waren. Uit diezelfde overtuiging kwam ook voort, dat in den grondregel van de kerkelijke inrichting, volgens welken de generale Synode over de particuliere hetzelfde zeggen heeft als de particuliere Synode over de Classe en als de Classe


➝ Dat ook kleinere Synoden, van den aanvang af, met den meesten ernst op datzelfde hebben aangedrongen, kan b. v. blijken uit de volgende uittreksels uit de (nog onuitgegeven) acta van de Prov. Hollandsche Synode van Haarlem in 1582:
Zitting van 15 Maart voorm.: „Alsoo in de credentien van Delff, Rotterdam, Haghe, ende Briel beuonden is, dat de Classen affgeveerdicht hebhen twee Dienaers ende gheene Ouderlinghen: soo syn de Ghecommitteerde vermaendt, dat volghende de kerckenordeninghe behoorden mede het halff deel Ouderlingken ghesonden te worden, daer op de voorsz. Classen hen hebben ontschuldieht, dat het om anders gheen oorsaecke gheschiet en is, als dat tot eenighe plaetsen soo gheene bequame Onderlinghen en syn; ende ten anderen, dat de Ouderlinghen ghemeenlyck niet uyt hare neeringhe ende ambachten connen vaceren. Doch dat sy ten naesten meerder neersticheyt hier inne willen doen, ende wel begeeren, dat de Synode hier aff aen hare Classen schryuen sal: syn de Ghecommitteerde vermaent, dat sy voortaen neersticheydt doen, dat oock mede Ouderlinghen totte vergaderinghe eommen, ende soo eenighe Classen daer inne swaricheydt maecken, soo sal elck aenden ghenen, die den particulieren Synode uytschryuen sullen, dat ouerschryuen, op dat de selue dan int uitschryuen daer op regard nemen ende neerstichlyck aenhouden, dat het geschiede. Sullen oock alle Classen toesien, dat de Dienaeren ende Ouderlinghen die uytghesonden worden, ten eynde toe der vergaderinghe moghon blyuen, off emmer niet scheyden tot dat andere, uyt der Classe gecommitteert, in haere plaetse comen”.
Zitting van 17 Maart voorm.: „Is in de vergaderinghe verschenen Ioannes Leo, dienaer des Woorts tot Saltbommel ende heeft den Credentiebrieff voor hem ende synen Collega ouergegeuen, ende dewyle uyt der Classe van Gorekum ende Saltbommel oock twee dienaers ende gheen ouderlinck ghesonden is, soo syn sy daer aff vermaent, als voor die van Delft, Rotterdam, Haghe ende Briele”.
Zitting van 17 Maart nam.: „Cornelis Aelbrechtsz Ouderlinck van Schagen, is op syn begeeren ende nootwendighe voorstellinghe gheconsenteert naer huys te reysen, met conditie, dat hy teghen maendach Auondt [19 Maart] eenen anderen Ouderlinck in syn plaetse seynde, off selfs wedercommen sal, t’welck hy aen des Praesidis handt belooft heeft”.
Zitting van 19 Maart nam.: „Henrick Pietersz van Puermereynde, Ouderlinck heeft aen-gegeuen, dat hy begeert naer huys te trecken, men sal morgen daer aff sprecken”.
Zitting van 20 Maart voorm.: „Heyndrick Pietersz is verreyst sonder des Synode bewilliginghe, is syn censure ghestelt aenden particulieren Synode van Noordthollandt eerst-kommende”.
Zitting van 21 Maart: „Euert Michiels, Ouderlinck tot hoorn heeft oorloff begheert van den Synode, van wegen hem voorgeuailen nootsaeeken, te mogen verreysen, ende daer toe gelesen eenen brieff vander kercke van hoorn: soo is uyt aensien des noot des voorsz. Euerts hem toeghelaten te reysen, behoudelyck dat hy volle commissie synen Collegae Jakob Willems laten sal, t’welck hy gedaen heeft. Maer heeft de Synode gheen behagen ghehadt dat niemandt anders in syn plaetse ghesonden is : wort daeromme de censure daer aff na golegentheydt ghestelt aen den eersten particulieren Synode van Noorthollandt: daer aff Laurens Iansz dienaer tot Monninckendam aen die van hoorn van des Synode weghen schryuen sal”.
Zitting van 22 Maart nam.: „Is gecompareert Claes Matthysz Ouderlinck van Edam, heeft ghebracht den credentie brieff der Ciasse van Edam, de welcke is geaccepteert, ende de voorsz. Claes Matthysz inde vergaderinghe toe ghelaten, inde plaetse van Hendrick Piotersz, die vertoghen is”.
Zitting van 23 Maart voorm.: „Cornelis Aelbrechtsz Ouderlinck van Schaghen inde ➝

|22|

over den Kerkeraad, aan die reeks niet werd toegevoegd: en als de Kerkeraad over de gemeente; want dit laatste zeggenschap was van gansch anderen aard. En (om nog iets te noemen) de bedoelde beschouwing was hier blijkbaar zóó algemeen, dat men in de 17e eeuw zich daarop beroepen kon in den strijd met de Independenten. Laat mij van de schrijvers over kerkrecht, door wie dat gedaan is, slechts een enkel getuigenis hier nog bijvoegen. Nu eens niet van Voetius, die te dezer zake reeds zoo vaak is aangehaald, maar van zijn jongeren tijdgenoot Johannes Hoornbeek, die ook hoogleeraar was, eerst te Utrecht en daarna te Leyden, en die, in zijn belangrijk werk over de Controversiae religionis, tot bestrijding der Brownisten natuurlijk ook handelt over het karakter en de bevoegdheid van Synoden. „Si bene introspiciamus,” zegt hij, „dependentia [Ecclesiarum] a Synodis non congruè dicitur. Quippe haud existimandum, vel ab aliis superioribus aut Ecclesiis, aut Synodis habere precariam potestatem particularem quamque Ecclesiam, vel se potestate sua exuere, quando in Synodum coit, illamque ei tradere. Neutiquam. Synodorum vel usus vel potestas nihil officere potest aut debet Ecclesiarum particularium libertati et potestati, estque non privativa, sed cumulativa potestas, ecclesiaque particularis quaelibet manet subjectum proprium et adaequatum plenae potestatis ecclesiasticae. Neque Synodi in alias sub ea comprehensas ecclesias potestatem usurpant imperantem, quae Dominorum, et superiorum est in inferiores sibi subditos; sed ex communi et libero Ecclesiarum consensu in Synodum, haec potestatem habet delegatam, et auxiliarem vel ministrantem, Ecclesiis volumtaria consensione, ob necessitatem ordinis et aedificationis, Synodis se subjicientibus ...... Non est ergo proprie haec Ecclesiarum ad Synodum relatio, dependentia dicenda, neque commodo mihi vocabulo Independentismi vel denotata controversia, vel hominum secta videtur: nam bene dici potest, Ecclesiam particularem esse independentem ab alia, vel a Synodis, aut hominibus; pendere autem a solo Christo: submissio potius appel-landa fuerat, ut quae venit ex communi consensu Ecclesiarum se illi ordini, ad aedificationem et bene esse Ecclesiae, subjicientium ........ Non in alias Ecclesias Synodus pronunciat,


➝ Classe van Alckmaer, ende Laurens Iansz Dienaer tot Monninckendam, inde Classe van Edam is gheconsenteert nade verhandelinghe van Caspar Coolhaes saeck te vertrecken na huys”.
Over de bijwoning van de meerdere vergaderingen door gedeputeerde ouderlingen is voorts nog het een en ander opgemerkt in „De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke Kerken” door A.F. de Savornin Lohman en F.L. Rutgers, 2e uitg., 1887, blzz. 27-29.

|23|

quam suas, id est, quae ibi per Legatos suos conveniunt, communesque causas ei subjiciunt, omnino per voluntariam et mutuam submissionem, neque in alienam segetem falcem suam immittit Synodus, sed combinata Ecclesiarum potestas, in earundem Ecclesiarum bonum invigilat una, et communiter prospicit” 1).


1) D.i.: „Wèl beschouwd is voor de verhouding der Kerken tot de Synoden het woord afhankelijkheid (dependentie) niet gepast. Immers men moet niet denken, dat de particuliere Kerk eene macht heeft, welke zij van andere, hooger staande, hetzij dan Kerken of Synoden, zou ontleend hebben, of dat zij, ter Synode samenkomende, hare macht zou afleggen, om die aan de Synode over te geven. Dit is geenszins het geval. Het gebruik of de macht van Synoden kan of moet geenerlei schade doen aan de vrijheid en de macht der particuliere Kerken; die macht heeft niet een beroovend maar een samenvoegend karakter; en iedere particuliere Kerk blijft in het eigen en zelfstandig bezit van de volle kerkelijke macht. De Synoden matigen zich ook niet aan, dat zij over andere onder haar samengevoegde Kerken de gebiedende macht zouden hebben, die aan heeren en hooger geplaatsten met betrekking tot de aan hen onderworpene lager geplaatsten toekomt; maar de Synode, als zijnde eene vergadering die voortvloeit uit de gezamenlijke en vrije overeenstemming der Kerken, heeft eene macht, die opgedragen en helpend of dienend is, terwijl de Kerken zich met vrijwillige toestemming aan de Synoden onderwerpen, omdat de orde en de stichting zulks vereischen ...... Deze verhouding der Kerken tot de Synode moet dus eigenlijk niet afhankelijkheid (dependentie) genoemd worden, en ter aanduiding van het strijdpunt of van de sekte, die hier bedoeld zijn, schijnt mij het woord Independentisme dan ook niet passend; want in goeden zin kan gezegd worden, dat eene particuliere Kerk independent is van eene andere Kerk, of wel van Synoden, of ook van menschen, maar dat zij eeniglijk van Christus afhankelijk is: het had liever onderwerping (submissie) moeten genoemd zijn, als voortspruitende uit de gezamenlijke toestemming der Kerken, om zich tot stichting en welstand der Kerk aan die orde te onderwerpen ...... De Kerken, waarover de Synode uitspraak doet, zijn geene andere dan hare eigene, dat is, de Kerken, die daar door hare gedeputeerden samenkomen en die de gemeene zaken aan de Synode onderwerpen, alleszins door eene vrijwillige en wederzijdsche onderwerping: en de Synode slaat haren sikkel niet in een vreemd korenveld, maar de vereenigde macht der Kerken waakt en zorgt gemeenschappelijk voor het welzijn van diezelfde Kerken” (Johannes Hoornbeek, Summa Controversiarum religionis, Ed. 2a, 1658, pag. 781-783).

Rutgers, F.L. (1890) 4

II.

Door al het gezegde omtrent den grond, waarop de geldigheid van de Kerkenordening steunde, is de vraag, voor wie zij nu gold, ook reeds in beginsel beantwoord. En dat antwoord kan dan slechts zijn: voor de Kerken, die haar hadden helpen maken of wijzigen, of die haar later mede aannamen.

Dat dit inderdaad door de Kerken ook zoo begrepen werd, blijkt vooral uit twee dingen.

Vooreerst uit het feit, dat de oude Synoden aan gemeen accoord zooveel hechtten. Er is zooveel mogelijk gezorgd, dat men dat verkrijgen kon; en daarna werd het dan geconstateerd in de ordening zelve 2). Van te voren was er zeker over menig punt wel verschil


2) Zie het laatste artikel van de Kerkenordening, in bijna alle hare redactiën.

|24|

van gevoelen. Maar reeds in de eerste Synode werd als regel aangenomen, dat, wanneer het gevoelen der meerderheid was gebleken, de scriba dit zou opteekenen en „klaarlyk leezen, op dat het met gemeene bewilliging bestendigt worde”, of, zooals er in het oorspronkelijke staat, „vt omnium calculis probetur”; en die regel is vervolgens altijd gehandhaafd, ook al werd hij later anders geformuleerd. Van te voren had dus ieder verklaard, dat hij, bij eene stemming in de minderheid blijvende, zich vervolgens met de meerderheid conformeeren zou. Denkelijk heeft men dit te Emden ook wel door eene tweede stemming laten uitkomen; maar ook zonder dat kon men toch wel zeggen, dat er was besloten met gemeen accoord. Bij die handelwijze was natuurlijk het voorbehoud: „in allen saken, die altyts wtghenomen van den welcken wy een wtghedruckt woordt Gods hebben.” Maar ten aanzien van de Kerkenordening is dat nooit een bezwaar geweest: men heeft wel gezorgd, dat daar niets in voorkwam, waarvan in de Kerken ook maar zou te zeggen zijn, dat het met Gods Woord in strijd was 1).

En aan die eenstemmigheid werd nu voorts nog iets anders toegevoegd. In den eersten tijd althans was het de gewoonte, dat de Kerkenordening, nadat zij was vastgesteld, in de mindere vergaderingen wederom werd aangenomen 2). Schijnbaar was dat overbodig, en zelfs zonderling. Maar toch, wel beschouwd, was het zeer doeltreffend, opdat het gemeen accoord des te beter blijken zou. De reeds vastgestelde ordening werd dan als het ware geratificeerd, juist door hen die de lastgevers der Synode geweest waren.

Indien nu de toestand van 1571 was blijven voortduren, of indien hij enkel veranderd was in dien zin, dat er aan de vervolging een eind kwam, dan zou, met betrekking tot den omvang der


1) Vgl. voor het in deze alinea gezegde de acta van Emden 1571, bijvoegsel, Cap. III, art. 3; die van Dordrecht 1578, art. 23; die van Middelburg 1581, art. 23; die van ’s Gravdnhage 1586, art. 28 (Ned. Syn. Acta, blzz. 110 vg., 241, 384 en 494); en die van Dordrecht 1619, art. 31.
2) Vgl. voor het hierboven gezegde A.F. de Savornin Lohman en F.L. Rutgers, „De rechtsbevoegdheid” enz., blzz. 198 vgg.
De bedoelde gewoonte blijkt ook verder uit al wat van de oudste Classikale en Provinciale acta bekend is. Vgl. b.v. voor de Dordtsche Classe de uittreksels die te vinden zijn bij H.G. Kleyn, „Algemeens Kerk en Plaatselijke Gemeente”, Ed. 1888, blzz. 41 vgg. Evenzoo (om nog een voorbeeld te noemen) beginnen de (nog onuitgegeven) Acta van de Provinciale Geldersche Synode, in art. 1 van de eerste zitting (20 Augustus 1579): „Seijndt voor-gelesen die Articulen, die in Iunio 1578 toe Dordrecht verordenet vnd opgericht seijnn, die welcke alle Kerckendienaeren vnd ouderlingen die tegenwoordich geweest voor recht vnd der H. Schrift gelijckformich te sijn bekant hebben, Hebben oock insgelijcken vrijwiliich toe saemen onderschreuen”.

|25|

geldigheid, de gang van zaken altijd zeer eenvoudig geweest zijn. Bij de uitbreiding van de reformatie zou het dan wel altijd hebben moeten gaan op dezelfde wijze als in 1571, d.w.z. dat de Kerken-ordening slechts gold, waar men haar vrijwillig aanvaard had, hetzij door uitdrukkelijke verklaring of wel door de daad der aansluiting. En bij eventueele weigering zou dan wel niet anders kunnen gehandeld zijn, dan in een gelijksoortig geval met de Nederlandsche Kerk van Norwich, die zich aan de ordening en de samenkomst harer Classe onttrok, en met welke de andere Kerken toen niet anders doen konden, dan haar blijven noodigen, dringen en opwekken, met een waarlijk onuitputtelijk geduld, totdat kon geboekt worden, omtrent 24 jaren later, dat de Kerk van Norwich het eindelijk opgaf, en zich ook aan de ordening onderwierp 1).

Maar in Nederland zelf was de toestand reeds spoedig veranderd. Toen de vrijheid doorbrak, kwam er, in steeds ruimeren kring, eene Overheid, die Gereformeerd was; niet in de personen, waaruit zij was samengesteld, maar in haar karakter als Overheid. Zij bleef, gelijk vroeger, de religie handhaven, maar dan nu naar de overtuiging der Gereformeerden. Zij bleef, gelijk vroeger, de Kerk beschermen, maar dan nu de Kerk van Gereformeerde belijdenis. En daarvan was o. a. het gevolg, dat zij zich nu niet slechts gerechtigd, maar ook geroepen achtte, en ook door de Kerken zelve werd aangespoord, om de Overheidsmacht te gebruiken tot bevordering van de reformatie. Heel wat personen en Kerken zijn toen, om het zoo eens uit te drukken, Gereformeerd gemaakt. En nu is de vraag, met betrekking tot het punt dat ons bezighoudt, of niet daardoor juist • de Gereformeerde Kerkenordening (hetzij dan formeel die der Kerken, of wel eene ordening die er in substantie mede overeenkwam) aan heel wat onwilligen opgelegd is, en of dus het beginsel van vrijwilligheid niet geheel is ter zijde gesteld, om juist voor het tegendeel plaats te maken?

Bij het eerste hooren schijnt die vraag slechts bevestigend te kunnen beantwoord worden. Toch is, in de eeuw die volgde, door alle Gereformeerden, die over kerkrecht geschreven hebben, de vrijwilligheid volgehouden; en dat is eene waarschuwing, om niet naar den


1) Vgl. J.J. van Toorenenbergen, „Acten van de Colloquia der Nederlandsche gemeenten in Engeland 1575-1609” (Werken der Marnix-Vereeniging, Serie II, Dl. I), blzz. 3, 12, 33 vg., 38 vg., 58, 65 vg., 71, 78, 82, 88. Het geduld en de inschikkelijkheid van de Nederlandsche Kerken in Engeland voor de zich onttrekkende Kerk van Norwich blijkt wel inzonderheid uit het op blz. 82 vermelde.

|26|

schijn, en dus oppervlakkig, te oordeelen. Wat er op de genoemde vraag eigenlijk te antwoorden is, wordt geheel beheerscht door het antwoord op eene andere vraag, nl. deze: of bij den triomf van de reformatie hier te lande het beginsel van persoonlijke vrijheid in zake de religie, al dan niet, is erkend en gehandhaafd? Of het ieder vrijstond, desverkiezende, Roomsen of Doopersch of ook buiten alle kerkgemeenschap te blijven, dan wel of men werd gedwongen, Gereformeerd te worden? — En dan is het buiten twijfel, dat velen met de reformatie zijn medegegaan, onder sterke pressie van de Overheid. De Gereformeerde Kerk, maar ook zij alleen, werd erkend ; wie daar niet toe hoorde, had geen recht op vrije uitoefening van religie; hij had allerlei moeite, om voor zijne kinderen het gewenschte schoolonderwijs, en ook zelfs den doop, te verkrijgen; hij werd, zoo al niet wettelijk, dan toch feitelijk, van bedieningen en ambten allengs meer uitgesloten; en ook in de samenleving werd hij telkens gedrukt, of althans bij anderen achtergesteld. Pastoors, die zich (naar de uitdrukking van dien tijd) „niet wilden laten reformeeren,” werden met den sterken arm verwijderd, en een Gereformeerd predikant in de plaats gezonden. En niet anders dan Gereformeerden konden genot hebben van de kerkelijke gebouwen en goederen. Van dat alles is zeer zeker het gevolg geweest (of het een gelukkig, dan wel treurig gevolg was, doet thans niet terzake) dat de reformatie doordrong op een aantal plaatsen, waar zij anders vooreerst nog wel niet zou zijn aangenomen. — Maar zou het nu juist zijn, daaruit af te leiden, dat dus op godsdienstig gebied het beginsel van persoonlijke vrijheid in de Republiek is ter zijde gesteld, en dat het beginsel van religiedwang is bestendigd? Daar is zeker niemand, die dat zal beweren. Telkens is het beginsel van persoonlijke vrijheid door de Overheid uitgesproken, zoo beslist en zoo duidelijk als maar kon. Het is ook gehandhaafd, wanneer soms beproefd werd om het te doen wegvallen. En het is dan ook een feit, dat zeer velen tot de Gereformeerde Kerk nooit zijn toegetreden. Wat geschied is, komt dus hierop neer, dat zeer zeker het beginsel erkend bleef, maar dat feitelijk toch gedurig aan de vrijheid is te kort gedaan, doordat ook het stelsel was aangenomen van de Staatsreligie en van de publieke Kerk. — Op gelijke wijze nu is er ook te oordeelen over het, al of niet, vrijwillige van onderwerping aan de Gereformeerde Kerkenordening. Voor de Overheid was er slechts ééne soort van Gereformeerde Kerken; en het was altijd in aansluiting daaraan, dat zij de reformatie invoerde of bevorderde. Met de reformatie

|27|

medegaan, sloot ook altijd in zich: onderwerping aan de Gereformeerde ordening. En wanneer dan bij de eerste handeling, ondanks de pressie, toch bleef gelden, dat men niet gedwongen werd, dan natuurlijk bij de andere ook, om dezelfde reden en in gelijken zin. Ook al zou de vrijwilligheid dan in menig geval niet veel meer dan eene fictie zijn, het beginsel werd toch daarom niet ter zijde gesteld, maar bleef altijd van kracht.

Rutgers, F.L. (1890) 5

III.

Bij dit laatste punt heb ik, om niet onnauwkeurig te zijn, aan het woord „Gereformeerde Kerkenordening” toegevoegd: „hetzij dan formeel die der Kerken, of wel eene ordening die er in substantie mede overeenkwam.” Immers, op vele plaatsen was de Kerkenordening, die door Overheidspressie gevolgd werd, wel in substantie die der Kerken zelve, maar formeel van de Overheid uitgegaan. En dat brengt er ons van zelf toe, om op die omstandigheid nog wat nader te letten. Voor een juist begrip van de geldigheid der oude Gereformeerde Kerkenordening moet van de Overheidsbemoeiing nog wat meer gezegd worden.

Bij de eerste vaststelling, in 1571, kon er uit den aard der zaak slechts in één zin van geldigheid sprake zijn. Dat de ordening van kracht was, rustte geheel op de onderlinge overeenstemming van de Kerken; en dit ius humanumwas terzelfder tijd ook een ius divinum, omdat het gemeen accoord in den eisch van Gods Woord was gegrond. Maar met deze grondslagen moest de aard harer geldigheid dan ook overeenstemmen; d.w.z. het gezag kon niet anders dan kerkelijk zijn, op een zedelijken grondslag berustende, in zijne werking gebonden aan geestelijke middelen, en bepaald tot het kerkelijk gebied.

Dat het ook nog anders kon opgevat worden, was eerst mogelijk, toen de Overheid Gereformeerd werd, en toen dientengevolge slechts de Kerk, die Gereformeerd was, als Kerk werd erkend. Het publiek gezag, waardoor dit karakter van publieke Kerk verleend werd, was nu voortaan met die Kerk in aanraking. Het kon daarbij allerlei werking zich ten doel stellen: aan de Kerk ten dienste staan, of wel haar beheerschen, of wel haar steunen, of wel haar belemmeren. Ook de Kerk harerzijds kon ten aanzien van de Overheid onderscheiden standpunt innemen. En omdat nu altijd en immer de kerkelijke macht bij die wederkeerige houding rechtstreeks betrokken

|28|

was, moeten we ook nagaan, hoe die houding geweest is, voor zoover dat met ons onderwerp in verband staat.

Door de Kerken zelve is steeds geoordeeld, dat nu, wat het wezen der zaak betreft, niets veranderd was; daar toch alle gronden, waarop vroeger de geldigheid van de Kerkenordening steunde, van publieke erkenning der Kerk geheel onafhankelijk waren. Daarom bleven zij, geheel zooals vroeger, met die ordening zich bezighouden, om haar telkens te wijzigen en bij vernieuwing vast te stellen; om het even, of de Synoden, waarop dat geschiedde, al of niet door de Overheid waren samengeroepen, al of niet met hare goedkeuring gehouden werden, al of niet haar behaagden. En zij bleven naarstigheid doen, dat die ordening zooveel mogelijk onderhouden werd; onafhankelijk van eene, al of niet, verleende politieke approbatie. Slechts in tweeërlei opzicht kwam er nu iets bij, als gevolg van den nieuwen toestand: nl. dat de Kerken liefst onder het schild van de Overheid hare Synodale vergaderingen hielden, en dat zij het niet slechts wenschelijk, maar in zekeren zin ook noodig achtten, dat de Overheid hare ordening goedkeurde.

Zij bedoelden niet, naar Roomschen trant, dat de Overheid slechts zou hebben uit te voeren, wat de Kerken besloten hadden, of dat er tusschen die beiden een soort van concordaat zou tot stand komen. Het is dikwijls genoeg van harentwege uitgesproken, dat de Overheid zelve, van haar standpunt, de gemaakte ordening ook te beoordeelen had. En zij toonden voorts zich bereid, om op allerlei punten aan de Overheid toe te geven; soms misschien nog wel eenigszins verder dan het eigenlijk kon en mocht. Maar in geen geval was ooit toe te geven, dat de gansche ordening aan de Overheid toekwam, en dat al wat de Kerken daarvoor opstelden, slechts de waarde had van een voorstel: ongeveer als een kerkelijk advies, of als eene verzameling van kerkelijke wenschen. Tegenover zulke opvatting hielden zij met nadruk vast, dat die ordening voor de Kerken zelve reeds behoorlijk van kracht was, daar zij hiervoor reeds genoegzame autorisatie had, en wel van de Overheid zelve, maar dan natuurlijk van de kerkelijke Overheid, d.w.z. van den Heere Christus, het Hoofd en den Koning der Kerk. Deze geldigheid echter kon natuurlijk niet anders dan kerkelijk zijn. En nu wenschten de Kerken ook eene politieke geldigheid, opdat het publiek karakter der Kerk ook op hare ordening als het ware zou overgaan, zoodat deze niet slechts kerkelijke ordinantie, maar ook tevens Staatswet zou zijn. Dat dit inderdaad hare meening en bedoeling

|29|

was, behoeft niet eens uit allerlei handelingen en getuigenissen te worden afgeleid. De Synoden zelve hebben het ten stelligste uitgesproken, door de formuleering zelve van de hierop betrekking hebbende besluiten. Wat zij met betrekking tot de Kerkenordening van de Overheid begeerden, werd uitgedrukt door de woorden: „approbeeren”, „confirmeeren” of „bevestigen”, „sancieeren” en „authoriseeren” of „met publieke autoriteit sancieeren”. En geheel in overeenstemming met dat standpunt luidde het besluit zelf, dat door de laatste Synode van Dordrecht genomen werd: „Is besloten, de Doorluchtige en Hoogmogende Heeren Staten Generaal te verzoeken, dat hunne Hoogmogenden gelieven met hunne autoriteit en approbatie deze Canones [nl. van de Kerkenordening] te versterken, opdat zij doorgaans [d.i. overal zonder onderscheid] in de Nederlandsche Kerken kracht van openbare wetten zouden mogen hebben, en des te nauwer tot vrede en stichting der Kerken onderhouden zouden mogen worden” 1).

Daartegenover was het standpunt van de zoogenaamde „politieken”, dat het aan de Overheid toekwam te bepalen, niet slechts welke Kerk de publieke zijn zou, maar ook hoe die Kerk zou zijn ingericht en welke ordinantiën daarin gelden zouden. Door de voorstanders van dit stelsel is veel moeite gedaan, om voor zulke bevoegdheid een rechtsgrond te vinden: in het Oude Testament; in de geschiedenis sedert Keizer Constantijn; in het ius naturae; in de omstandigheid dat de Overheid sedert 1576 zelve dat recht zich heeft toegekend; enz. En al die betoogen, waarop dan gedurig van de zijde der Kerken geantwoord is, zijn natuurlijk voor de geschiedenis zeer belangrijk. Maar we kunnen ze hier ter plaatse toch laten rusten; want in onze eeuw, althans hier te lande, is er weinig van overgebleven. En dat spreekt ook eigenlijk wel van zelf, daar de onderstelling, waar zij allen van uitgaan, sedert lang reeds vervallen is. Allen waren zij berekend voor een toestand, waarin slechts aan ééne religie en aan ééne Kerk door de Overheid kon gedacht worden, en waarin die Kerk de publieke Kerk was. Daarmede stond of viel inderdaad het geheele stelsel. En juist daarom werd dan ook erkend door de politieke woordvoerders zelven, dat Kerken, die vervolgd of


1) Zie de Postacta van de Dordtscbe Synode, in de acta van de 156e Sessie, waar het besluit in den oorspronkelijken tekst aldus luidt: „Statutum fuit rogandos esse Illustres ac Praepotentes DD. Ordines Generales, ut placeat Illustrissimae ipsorum Amplitudini autoritate atque approbatione sua, hosce Canones stabilire, quo passim in Ecclesiis Belgicis vigorem legum publicarum obtinere et tanto strictius ad Eeclesiarum pacem atque aedificationem observari queant”.

|30|

althans niet anders dan oogluikend geduld worden, niet slechts gerechtigd, maar ook zelfs geroepen zijn, om de noodige ordinantiën zelve vast te stellen; terwijl dienovereenkomstig dan ook nooit beweerd is, dat de Overheid te dien aanzien eene algemeene roeping had,ook voor Roomschen en Doopers en Joden, en voor alle secte die slechts werd getolereerd.

Op dien toestand der Kerk rustte het geheele standpunt, dat de Overheid innam; en juist daardoor wordt dit standpunt ook verklaard, en zelfs eenigszins gerechtvaardigd. Die het voor haar opnamen, wezen er gedurig op, dat het souverein gezag ongeschonden en ondeelbaar aan de Overheid blijven moest, en dat daarom een imperium in imperio nimmer kon geduld worden. En nu kon wel in oprechtheid geantwoord worden, dat dit ook volstrekt niet door de Kerken bedoeld werd. Maar het laat zich bij de Overheid van dien tijd toch zeer goed begrijpen, dat zij daarmede dan nog niet was voldaan. Het was enkel door hare beschikking, dat die ééne Kerk haar publiek karakter had. Juist uit dat karakter vloeide voort, dat zij des te grooteren invloed had, en dat hare tucht in vele gevallen ook op Staatsgebied aanstonds werking had. En omdat nu misbruik van dien invloed en van die tucht in ieder geval niet ondenkbaar was, kon met zeker recht gezegd worden, dat de Overheid zich aan mogelijk misbruik niet kon blootstellen, en dus met betrekking tot de macht, die zijzelve verleend had, ook de hand aan den teugel moest houden. Daaruit verklaart zich dan ook, dat de Overheid bijna altijd dat standpunt heeft ingenomen, ook wanneer de personen, waaruit zij was samengesteld, voor het overige inderdaad Gereformeerd waren. De Kerk had zeer zeker gelijk, dat zij hare vrijheid in Christus niet kon opgeven; maar de Overheid, die zich als zoodanig wilde handhaven, was toch ook in haar recht. Bij het stelsel, dat men met de reformatie had aangenomen, was de strijd dan ook inderdaad onoplosbaar te noemen.

En wie van die beiden, zoo is nu de vraag, wie heeft in de praktijk zich het meeste gehandhaafd? Of, om die vraag te bepalen tot het onderwerp dat ons bezighoudt: is de ordening der Kerken door de Overheid goedgekeurd? Of, nog nader bepaald, daar hetgeen betrekking heeft op de redactiën van de 16e eeuw slechts een tijdelijk karakter had 1): is er op de laatste redactie, die van 1619, politieke approbatie verleend?


1) In hoeverre de oude Gereformeerde Kerkenordening, in hare redactiën van de 16e eeuw, door de Overheid goedgekeurd is, blijkt o.a. uit de stukken die zijn opgenomen in de Ned. Syn. Acta, op de plaatsen die in het Register, in voce „Overheid”, zijn aangegeven.

|31|

Reeds in het midden der 17e eeuw is die vraag bevestigend beantwoord, b.v. door Voetius, die daarvoor deze twee hoofdgronden aangeeft: 1º. dat de Kerken feitelijk hare ordening opvolgden, onder toelating en met goedkeuring van de Overheid zelve, zoodat ook in die provinciën, waar formeel nog geen approbatie verleend was, de bedoelde ordening toch wel kon beschouwd worden als „reipsa” geapprobeerd; en 2º. dat de Formulieren van eenigheid, met de Liturgie, in alle provinciën door de Overheid waren goedgekeurd, en dat mitsdien ook geapprobeerd was al wat daarin te lezen stond over de regeerders der Kerk en de kerkelijke ordinantiën 1). — Inderdaad was er ook wel kracht in die redeneeringen; en vooral de laatste was nog al klemmend. Want indien op het stuk van kerkregeering niet anders dan volgens de belijdenis mocht geleerd worden, kon dezelfde Overheid, die dat voorschreef, eigenlijk de toepassing ook niet afkeuren. Wat uit die belijdenis blijkbaar voortvloeide, was dan eigenlijk ook reeds geapprobeerd.

Toch zou nog te antwoorden zijn, gelijk inderdaad door de „politieken” gedaan is, dat in deze materie rebus ipsis et factis geene wettigheid voor de Kerken kon verkregen worden, daar bij rechten die aan de Overheid per se toekomen, geen praescriptie ooit gelden kan, allerminst, wanneer reeds bestaande en uitdrukkelijke bepalingen daardoor zouden worden opgeheven ; en dat voorts alleenlijk te rekenen is met uitdrukkelijke besluiten van de Overheid zelve 2). In


1) Zie Polit. Eccl., Pars I, Lib. I, Tract. II, Cap. XI, § 4 (Tom. I, pagg. 292 sq.; Ed. Rutgers, pag. 243). Van de vier gronden, die Voetius aldaar voor zijn gevoelen bijbrengt, is de hoofdzaak in de twee boven genoemde punten samengevat.
2) Op de boven vermelde wijze is door vele „politieken” geredeneerd, b.v. door den rechtsgeleerde, die in de vorige eeuw, nevens Prof. P.A. van der Marck, hun beste woordvoerder was, nl. den Leidschen griffier Mr. Daniel van Alphen, in zijn geschrift „Het Recht der Overheden omtrent kerkelyke bedieningen” (eerst, in Juli 1755, onder den naam van „J.C. Dikaiophilus” enz. als een klein opstel in den „Nederlandschen Spectator” geplaatst; daarna in Januari 1756 tot een boekje uitgewerkt en afzonderlijk uitgegeven ; en eindelijk in Juni 1756, wederom veel vermeerderd en nog altijd zonder vermelding van den naam des schrijvers, herdrukt).
Aangenaam is de lectuur van dat boekje zeker niet; door de onbetamelijke heftigheid, waarmede de schrijver, zonder eenige provocatie, tegen andersdenkenden uitvaart. Wel verzekert hij aan het einde (a.w., blzz. 366 vg.), dat hij geschreven heeft, „geenzins uit eene kleinachtinge voor de Kerkelyken, ... waarom ik ook niet hoope, dat iemand zig door myne uitdrukkingen zal beleedigd vinden : .... Meent echter iemand, dat myne uitdrukkingen zomtyds wat scherp zyn, ’t welk ik niet denke, hy schryve zulks alleen toe aan eenen geoorloofden ijver .... en geenzins aan eenige bitterheid ofte haat tegen iemand der Kerkelyken”. Maar zijn gansche boek maakt dit ieder oogenblik tot eene „protestatio actui contraria”. Overal is de toon, gelijk b.v. ter plaatse waar hij do behandeling der Dordtsche Kerkenordening begint met de historische herinnering (a.w., blzz. 246 en 248), dat „de Kerkelyken hunne gewoone streeken, van in troubel water te visschen, in ’t ➝

|32|

onze eeuw is door bijna alle juristen juist het tegendeel aangenomen; ongelukkig juist op een tijd, dat zulke stellingen nu eens aan de Kerken zouden zijn ten goede gekomen. Maar in de vorige eeuw werden zij nog voorgesteld als onveranderlijke rechtsbeginselen 1).

Bij de vraag, die we stelden, moet dus, in ieder geval, op formeele Overheidsbesluiten ook gelet worden.

En dan blijkt, dat de approbatie, formeel, slechts ten deele verleend is. Nl. door de Staten van Overijssel, zonder eenig bepaald voorbehoud; en door die van Gelderland en Utrecht, met een paar reserves, die intusschen niet zeer bezwarend waren. Maar niet door de Staten-Generaal, van welke zij eigenlijk door de Synode gevraagd was; en ook niet door de Staten der andere provinciën.

En dus, zoo is wel gezegd, in die andere provinciën is de bedoelde Kerkenordening geheel ter zijde gesteld. — Maar wie zóó redeneert, oordeelt zonder twijfel geheel oppervlakkig.


➝ werk stellende, als weetende, dat hun gezag nooyt grooter wasdom krygt, dan wanneer verdeelinge is in de Politieke Regeeringe, en meenende nu de rechte tyd, om zig voor altoos ontzaglyk te maaken en, met vertrapping van hunnen eed en pligt en met uitblussing van het licht hunner conscientie, hun onwettig gezag op den ondergang van het wettige recht der Overheden tot verkrachting van ’s Lands vryheid te vestigen, gebooren te zyn met het houden van het Nationaal Synode te Dordrecht in de jaaren 1618-1619, hebben, na het vertrek der Buitenlandsche Gedeputeerden, eerst op den 13 May 1619 gerevideerd en geap-probeerd de bovengemelde Kerkenorde van den jaare 1586” ; welke nieuwe redactie dan verder wordt gekenschetst „als eene ongelukkige nageboorte en jammeriyke vrucht van Kerkelyke Regeerziekte” enz.
Toch is dit boekje volstrekt geen schotschrift, maar een degelijk werk van een kundigen schrijver, als zoodanig ook erkend en geprezen door de vele geestverwanten die hij destijds had (zie b.v. F.A. van der Marck, Lectt. Acad., Tom. Il, Fasc. III, pagg. XXVIII en 226). En wanneer dan een dergelijk schrijver, die ook in maatschappelijk opzicht alleszins een achtbaar man was, toch op zulk een groven toon tegen de Gereformeerde Kerken schrijven kon, dan teekent dit metterdaad den toenmaligen tijd: het maakt openbaar, hoe er in de toongevende kringen over de Gereformeerde Kerken toen gedacht en gesproken werd.
Het vertoog, waarvan de hoofdinhoud boven in den tekst is aangegeven, is bij hem te vinden a.w., blzz. 280 vgg.
1) De bovenbedoelde stellingen zijn ook inderdaad onveranderlijke rechtsbeginselen; en de onjuistheid van de redeneering der toenmalige „politieken” lag dan ook niet in de handhaving van die beginselen, maar zij lag in de grondstelling, dat aan de Overheid per se het recht van kerkregeering toekomt. Het is dan ook op zijn minst zeer vreemd, dat in onze eeuw die beginselen door de meeste rechtsgeleerden geheel zijn ter zijde gesteld. Toen in onze eeuw door de voorstanders van de Koninklijke organisatie van 1816 beweerd werd, dat zij rebus ipsis et factis door de Kerk was aangenomen, is van Gereformeerde zijde niet slechts de juistheid van die bewering bestreden, maar is voorts ook aangevoerd, dat in deze materie rebus ipsis et factis geene wettigheid voor de Koninklijke besturen kon verkregen worden, daar bij rechten, die aan de Kerk per se toekomen (nl. om onder Christus als haar eenig Hoofd, en overeenkomstig Gods Woord, zelve zich te organiseeren en te besturen), geen praescriptie ooit gelden kan, allerminst wanneer reeds bestaande en uitdrukkelijke bepalingen (nl. de oude Gereformeerde Kerkenordening) daardoor zouden worden ter zijde gesteld. Maar thans is met die beginselen in het geheel niet gerekend, en eerder het tegendeel aangenomen. Dit is m.a.w. de negatie van alle Kerk als zoodanig.

|33|

In Friesland is de ordening wel niet goedgekeurd, doordat de gezamenlijke steden, die er vóór waren en die in dien zin zelfs uitdrukkelijk besloten hebben, ten slotte geheel overstemd zijn door de landschappen. Maar met goedvinden van de Staten zelven, en daarna ook zelfs op hun naam, is men toen gebleven bij de ordening, die tot dusver in Friesland gebruikelijk was, d.w.z. bij de Kerkenordening van 1586, altijd behoudens het in Friesland geldende recht bij de predikantsberoeping. Deze ordening nu was volstrekt niet eene andere, dan de zoogenaamde Dordtsche, maar dezelfde, in hare vorige redactie; eene redactie, die zóó weinig van de Dordtsche verschilde, dat het in de praktijk bijna onmerkbaar werd, en die zelfs nog vrij was van de concessiën, die in Dordrecht aan de Overheid zijn gedaan.

In Groningen en in Drenthe heeft zeer zeker de Overheid zelve eene Kerkenordening uitgevaardigd, die toen kerkelijk aanvaard en gevolgd is. Maar behoudens de inmenging in de predikantsberoeping en in de kerkvisitatie, waren die twee ordeningen eigenlijk niet anders dan de algemeene ordening van de Kerken zelve, doorgaans zelfs woordelijk daarmede overeenstemmende, en dat juist in artikelen, die de beginselen raakten. Ja, wat meer is, juist door de bepalingen zelve van die provinciale regelingen werden alle Kerken in die provinciën ook uitdrukkelijk aan de daar met name genoemde Nederlandsche Kerkenordening verbonden. Geheel in overeenstemming met het uitgesproken doel van de Overheid, die die ordinantiën uitvaardigde, nl. om aan de genoemde provinciën eene kerkelijke inrichting te geven, zooveel mogelijk overeenkomende met die van de andere provinciën.

Daarom hadden te Dordrecht de gedeputeerden van Groningen dan ook volle recht om te zeggen, dat zij in hunne provincie eene ordening hadden, die met de algemeene ordening in substantie accordeerde, en om voorts mede hunne stem te geven aan de redactie, die te Dordrecht werd vastgesteld.

Ook door die van Zeeland kon met hetzelfde recht zoo gesproken en gehandeld worden; terwijl bovendien in Zeeland de provinciale ordening niet formeel van de Overheid uitgegaan was, maar afkomstig was van eene provinciale Synode der Zeeuwsche Kerken zelve, en daarna door de Overheid was geapprobeerd.

En in de voornaamste provincie, in Holland, is wel van langdurige onderhandelingen het einde geweest, dat de Kerkenordening niet werd goedgekeurd. Maar ter anderer zijde hielden ook de Staten op, eene Overheidsordening te willen opdringen. En hun laatste

|34|

besluit, in 1624, om „alle saecken te laten by ’t gebruyck dat in elcke Classe dien-aengaende tot noch toe is gevolght, met onderhoudt van alsulcke Rechten van Patronaetschap of anderen, als yemandt wet-telyck zyn competerende”, kwam voor bijna alle Kerken metterdaad hierop neer, dat nu met goedvinden van de Staten zelve de Dordtsche Kerkenordening kon gevolgd worden. Waarom dan ook de Zuid-Hollandsche Kerken als het ware daarop antwoordden, in de IJsselsteinsche Synode van 1626, door hetgeen nu bij die Kerken het laatste besluit was: „Noopende de bevorderinghe van de Kercken-ordeninghe ... verstaet deese Sijnodus, dat het wel dienstich ende ten hoochsten noodich ware, dat de Kercken hier te lande eens mochten hebben een geauthoriseerde Kercken-ordeninghe; maer alsoo het schijnt dat het tegenwoordelijck onvruchtbaar ende te vergeefs wesen soude daerop wijder instantie te doen: soo acht deese vergaederinghe noodich, Dat ondertusschen de Kercken blijven sullen bij de ordre in t’ laeste eerweerde Sijnodo Nationael gearresteert. ende inde Kercken, van onder den Zuijdhollandschen Sijnodo ressorteerende, gebruijckelijck is; verwachtende de gemelde Gedepp. beter ende bequaemer gelegentheijt om soodaenighen gewenschten Kercken-ordeninghe wijders te versoecken” 1).

Uit dit alles blijkt, dat de strijd over de Kerkenordening, die reeds aanstonds na de reformatie hier begonnen is, eigenlijk nooit is uitgestreden, waarom er dan ook plaatselijk telkens weer conflicten voorkwamen, maar dat hij in het algemeen toch gestaakt is, doordat men gekomen is tot een soort van modus vivendi. Beide, Overheid en Kerk, bleven hare bevoegdheid tot regeling handhaven. Maar de Kerken legden zich neder bij Overheidsregelingen, die haar feitelijk toelieten, bijna geheel hare eigene ordening na te leven. En de Overheid heeft de Kerken veelszins ontzien, hetzij door zich van regeling te onthouden (Holland en Friesland), of wel door approbatie van de Gereformeerde Kerkenordening (Overijssel, Gelderland en Utrecht), of wel door het maken of approbeeren eener regeling die genoegzaam daarmede overeenkwam (Groningen, Drenthe en Zeeland); en voorts in het algemeen, door approbatie en handhaving van de Formulieren van eenigheid.

En die toestand heeft geduurd tot vóór omtrent honderd jaren, toen de Revolutie er op eens een einde aan gemaakt heeft. De


1) De officiëele stukken, waaruit het hierboven met betrekking tot de onderscheidene provinciën gezegde meest is afgeleid, zijn hierachter bijeengevoegd in Bijlage II.

|35|

Gereformeerde Kerk verloor het karakter, dat zij kort na de reformatie verkregen had, dat van „heerschende” of „bevoorrechte” Kerk, of, om juister te spreken, dat van eeniglijk erkende of publieke Kerk. En met dien geheelen toestand viel nu ook natuurlijk alles wat daarop gebouwd was, d.w.z. niet slechts alle kerken-regeling, die in vroeger tijd van de Overheid uitgegaan was, maar ook heel dit Overheidsrecht in het algemeen. Zij bleef zeker bevoegd en ook zelfs geroepen, om zich door bescherming en toezicht met de gezindheden in te laten. Maar dan als eene Overheid, die ze alle op gelijke lijn stelt, en bij wie dus geen sprake meer zijn kon van dezelfde verhouding, als waarin Overheid en Kerk vroeger tot elkander stonden. Wat zij vroeger gedaan had in zake kerkelijke regeling, dat had juist zijn grond in haar eigen karakter als Gereformeerde Overheid, en in het publiek karakter der Gereformeerde Kerk. Maar nu voortaan èn die Kerk èn zijzelve dat karakter verloren hadden, was er ook geen grond meer voor gelijksoortige handelingen; waren alle antecedenten er juist tegen; en moest wel de regel worden toegepast: „causa sublata tollitur effectus” 1).

En zoo was de oude strijd dan geëindigd, doordat het voorwerp zelf waarover gestreden werd, de publieke Kerk, feitelijk verdwenen was. Maar natuurlijk bleef die Kerk daarom toch wel voortbestaan. Haar publiek karakter had zij aan de Overheid te danken gehad, maar volstrekt niet haar karakter als Kerk. En zelfs kon zij in dit laatste karakter nu voortaan des te beter uitkomen. Vervallen was nu alles, wat de Overheid omtrent haar bepaald en geregeld had; maar wat door de Kerken zelve besloten was, onafhankelijk van de Overheid, kon natuurlijk in dien val niet getroffen worden; juist integendeel, dat stond nu te vaster, daar het van de vroegere belemmering nu was vrijgemaakt. Blijvend was dus de Gereformeerde Kerkenordening, gelijk zij laatstelijk te Dordrecht door de gezamenlijke Kerken was vastgesteld; en al kon er van eene politieke werking niet meer sprake zijn, op kerkelijk gebied stond er aan de volle werking nu ook niets meer in den weg. Wat tot schade van de Kerk was bedacht, kwam haar door de leiding Gods nu toch wezenlijk ten goede. En voortaan, — of het moest dan zijn, dat het oude stelsel inderdaad onsterfelijk was; dat het altijd van kracht bleef, ook al was het wettelijk afgeschaft; en dat bovendien voor alle eerediensten de Overheid als zoodanig het hoogste kerkbestuur is (stellingen, die we echter kunnen


1) D.i.: „Als de oorzaak weg is, kan zij ook geene werking meer oefenen.”

|36|

laten rusten, zoolang het bewijs nog niet eens is beproefd) — voortaan was er nu ook waarborg voor het recht van de oude Gereformeerde Kerkenordening. Hare kerkelijke geldigheid kon nu verder zelfs niet worden betwist1).


1) De kerkelijke geldigheid van de oude, door de Kerken zelve gemaakte, Kerkenordening kon na de Revolutie niet meer betwist worden; want de Overheid, die de eenige macht was van welke zulke betwisting kon uitgaan, had voor goed het standpunt verlaten waarop zulke betwisting nog mogelijk was.
Inderdaad zijn dan ook de Gereformeerde Kerken na de Revolutie voortgegaan met het opvolgen en toepassen harer oude Kerkenordening. Wel was in velerlei opzicht de oude geest uit de Kerken zelve geweken; maar de oude ordening was er nog. In de wijze, waarop zij werd nageleefd, behoefde na de Revolutie zelfs niet veel te veranderen. Dienovereenkomstig gingen Kerkeraden, Classen en Provinciale Synoden dan ook nu vervolgens te werk. En door de Overheid werden zij te dien aanzien nu niet meer gehinderd. De Staatsregeling van 1798 hield zich, gelijk te verwachten was, geheel buiten kerkelijke organisatie. Zij liet alle burgers te dien aanzien vrij; slechts met deze ééne, aan de vrijheid niets te kort doende, clausule : „mids de openbaare orde, door de Wet gevestigd, door hunnen uiterlijken eeredienst nimmer gestoord worde” (art. 18 van de „Burgerlijke en Staatkundige Grondregels”).
De daarop gevolgde Staatsregeling van 16 October 1801 bleef geheel op hetzelfde standpunt. Zelfs werd het beginsel van onthouding nu ook positief en opzettelijk uitgesproken, ter verduidelijking van eene in die Staatsregeling voorkomende uitdrukking, die in het Ontwerp bij velen tot verkeerde gevolgtrekkingen aanleiding gaf. In art. 12 werd bepaald: „Elk hoofd eens Huisgezins, en op zich zelf staand Persoon van beiderlei Kunne mits den ouderdom van veertien jaar bereikt hebbende, doet zich inschrijven bij een of ander Kerkgenootschap, hetwelk vrijwillig kan verlaten worden, om tot een ander over te gaan. Voor ieder Kerkgenootschap wordt van de alzo ingeschreven Leden tot onderhoud van deszelfs Dienaren en Eigendommen, eene Jaarlijksche gift gevorderd, niet te boven gaande een zekere bepaalde Som, achtervolgens het geen aangaande dit een en ander nader bij de Wet zal worden vastgesteld”. En nog vóór de vaststelling werd dit nu toegelicht door een „Besluit van het uitvoerend bewind des Bataafschen Republieks, van Maandag den 28sten September 1801”, van den volgenden inhoud :
„Op het geproponeerde ter Vergadering, en in aanmerking genomen zijnde, dat aan het 12 en 15 Articul van het Ontwerp van Staatsregeling, door veelen, het zij dan uit misvatting of kwalijkgezinde oogmerken, eene verkeerde meening wordt toegeschreven: is goedgevonden, de respective Commissarissen van het Bewind bij de Departementaals Besturen aan-teschrijven en te kennen te geeven:
„1°. Dat met de woorden van het 12 Art., achtervolgens het geene aangaande dit een en ander bij de Wet nader zal worden vastgesteld, niets anders of meerder wordt bedoeld, dan dat bij eene Wet zal worden vastgesteld de hoeveelheid der Contributie voor de Leden van elk Kerkgenootschap, het welk buiten staat zal zijn om buiten dien voor zijn bestaan te zorgen; mitsgaders, dat de Wet zal bepaalen de wijze, waarop de Contributie in ieder Kerkgenootschap onder de respective Gemeenten zal worden verdeeld, en geenzins dat de Wet zich verder met de Godsdienstige schikkingen en inrichtingen van elk Kerkgenootschap zoude bemoeijen ; en
2°. Dat het 15 Art.” enz.
En geheel in denzelfden geest was nu wederom de volgende Staatsregeling (die van 1805), die te dezen aanzien bepaalde (art. 4): „Er bestaat geene Heerschende Kerk. Het Gouvernement verleent gelijke bescherming aan alle Kerkgenootschappen, binnen dit Gemeene-best bestaande. Het handhaaft dezelve bij de ongestoorde uitoefening van hunne Kerkelijke Instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdienstige beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde. Het neemt de noodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden van deze Kerkgenootschappen, met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart, vereischen”. ➝

|37|


➝ Uit den tijd na de Revolutie is er slechts ééne wettelijke bepaling, die van een geheel tegenovergesteld beginsel uitgaat, nl. de bepaling der nu volgende constitutie van 1806. In de „Constitutioneele Wetten” van dat jaar (2e afd., art. 1a) en in de spoedig daarvoor in de plaats gekomen „Constitutie” van hetzelfde jaar (art. 6a) was zij geheel gelijkluidend, en aldus geformuleerd: „De Koning en de Wet verlenen gelijke bescherming aan alle de Godsdiensten, welke in den Staat worden uitgeoefend ; door hun gezag wordt bepaald al hetgeen noodzakelijk geoordeeld wordt, betreffende de organisatie, de bescherming en de uitoefening van alle Eerediensten”. Dit was zonder twijfel overheersching van de Kerken door do Overheid; maar ook tevens geheel iets anders, dan wat vóór de Revolutie door de Overheid steeds bedoeld was. De Overheid werd nu niet weer Gereformeerd, en evenmin was er sprake van eene Kerk, die eeniglijk als publiek zou erkend zijn. Het werd nu dus eene overheersching, die alleenlijk rustte op Napoleontische willekeur. Intusschen is de bepaling zelve nooit tot uitvoering gekomen, en de gelijksoortige bepaling van den Franschen Keizer zelven (die ook nooit is uitgevoerd) had natuurlijk in de Nederlanden zelfs geen schijn van recht meer, toen in 1813 hier een einde kwam aan de gansche Fransche heerschappij.
Een geheel ander standpunt werd vervolgens ingenomen in de „Grondwet voor de Ver-eenigde Nederlanden van den 29 Maart 1814”, in art. 139 aldus geformuleerd: „Onverminderd het recht en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle de godsdienstige gezindheden uitteoefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, heeft dezelve bovendien in het bijzonder het recht van inzage en beschikking omtrent de inrigtingen van die gezindheden, welke, volgens een der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit ’s Lands kas genieten”. Hier was geen sprake van terugkeer tot den vroegeren toestand, noch ook van een regelingsrecht in het algemeen, dat de Overheid als zoodanig bezitten zou. Al het recht, dat de Overheid zich te dien aanzien nu toekende, stond en viel met het feit, dat eene Kerk uit ’s Lands kas gelden aannam.
En ook dit werd niet gehandhaafd, toen het (Roomsche) België kort daarna met de Nederlanden vereenigd werd. In de „Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden van 1815” kwam in art. 195 daarvoor in de plaats : „De Koning zorgt dat de toegestane penningen, die voor den openbaren Godsdienst uit ’s lands kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn”. Eene bepaling, die de vrijheid der Kerken, om zich zelve te organiseeren, zeer zeker onbetwist liet, en die voorts, bij de wijziging der Grondwet in 1848, ook nog geheel is weggevallen.
Dat er feitelijk door de Overheid wel gehandeld is, alsof zij het oude stelsel wel weer volgen kon, ook zonder zijn grondslag en zijne levensvoorwaarden, en in strijd met hare eigene grondwet, wordt met het bovenstaande zeker niet ontkend. En evenmin, dat er wel gehandeld is, en ook nu nog vaak geredeneerd wordt, alsof het als een axioma vaststond, dat de Overheid als zoodanig van zelf het hoogste kerkbestuur is, en dat zij dit zelfs aan door haarzelve ingestelde colleges kan overdragen. Maar die afwijkingen vallen altijd op het gebied der praktijk. Theoretische rechtvaardiging blijft ontbreken.
Toch zou het waarlijk niet overbodig zijn, dat van de zijde dergenen, die de zoogenaamde organisatie der Nederlandsche Hervormde Kerk van 1816/1852 blijven handhaven, eens beproefd werd, hun standpunt juridisch te verdedigen. Vooral, na de grondige wijze waarop het bestreden is door D.P.D. Fabius, in zijn geschrift: „Het Reglement van ’52. Historisch-juridische studie over het Hervormd Kerkbestuur” (waarvan het 1e en 2e Stuk in 1888 verschenen zijn, en het 3e spoedig verwacht wordt).

Rutgers, F.L. (1890) 6

|37|

IV.

Nog één punt blijft mij ter behandeling over, om althans geene hoofdzaken onvermeld te laten. Bij eene kerkenordening, die afkomstig is van Gereformeerde Kerken, moet niet slechts de grond en de omvang en de aard harer geldigheid worden in het licht gesteld, maar komt ook de mate van die geldigheid nog in aanmerking, of

|38|

m.a.w. de vraag: tot hoeverre zij zich uitstrekte, naar het oordeel van die Kerken zelve.

Zonder twijfel zou die vraag overbodig zijn, indien enkel de bedoeling was, ook te dezen aanzien het gezag van Gods Woord nog eens te doen uitkomen. Immers, in Gereformeerde Kerken sprak het wel van zelf, dat aan dat gezag alles onderworpen is, en dat alle kerkelijke macht zóó geheel aan den Koning der Kerk ontleend is, dat zij, Hem ter zijde stellende, daarmede tevens zichzelve vernietigen zou. Op .dat punt waren alle oude Synoden eenstemmig, en het is slechts ten overvloede, dat het in de Kerkenordening nog opzettelijk opgenomen is. En men heeft er voorts voor gezorgd, dat het in die ordening zelve zóó stipt werd in acht genomen, dat eene waarschuwing, om die grens niet te overschrijden, te haren aanzien wel onnoodig werd.

Maar ook waar die grens geëerbiedigd is, en waar buitendien de geldigheid vaststaat, kan de kracht van dit laatste woord nog wel onderscheidenlijk worden opgevat.

En dan is er een opvatting, waarbij, uit het oogpunt van bindende kracht, Kerkenorde en Wet geheel met elkander worden gelijk gesteld. Op dit standpunt is het slechts de vraag, wat in die artikelen staat geschreven, en dat heeft dan alles, enkel daarom, eene gebiedende macht; onverzwakt blijft dat alles gelden, totdat het formeel is veranderd; er is nergens onderscheid en ook nergens uitzondering ; en het moet alles worden opgevolgd, ook om der conscientie wille, zoodat anders metterdaad wordt gezondigd.

Dit nu was nooit het standpunt en de opvatting van de Kerken zelve.

Het bewijs daarvan ligt reeds eenigszins in den naam, dien zij altijd gebruikt hebben. Wat zij vaststelden, was eene kerkenordening, niet eene wet of statuut; en het werd dus voorgesteld, niet als een last en bevel en gebod, maar als een middel „om goede ordre inder Ghemeente Christi te onderhouden”. Men heeft hier te lande, vooral in later tijd, zeker ook wel gesproken van „kerkelijke wetten”, en dan, niet ter aanduiding van wat Christus zelf verordineerd had, maar met het oog op besluiten van kerkelijke vergaderingen. Maar wie daaruit wilde afleiden, dat dus hier ook niet aan den naam mag gehecht worden, zou drie dingen uit het oog verliezen. Vooreerst, dat er wel aan gehecht is door alle schrijvers, die opzettelijk over de benaming gehandeld hebben, en die dan altijd scherp onderscheiden tusschen „leges” en „canones”, tusschen „wetten” en

|39|

„ordinantiën” 1). Voorts, dat in de eerste eeuw na de reformatie ook de Kerken zelve dat onderscheid altijd goed hebben in acht genomen. En eindelijk, dat dit spraakgebruik niet op zichzelf staat, maar dat de gedachte, die er aan ten grondslag ligt, in de gansche Kerkenordening uitkomt; b.v. reeds terstond in het eerste hoofdstuk, dat tot opschrift heeft, niet: „van de kerkelijke ambten”, gelijk ook gekund had, maar: „van de diensten”, en waar dus, met betrekking tot hen, die de Kerk te regeeren hebben, juist op het „dienen” een bijzondere nadruk gelegd wordt.

Het is zelfs opmerkelijk, dat in den aanvang dit samenstel van artikelen nog niet eens den naam had van kerkenordening. Eerst in 1581 is dat het opschrift geworden, toen de inhoud eenigszins beperkt werd, met het oog op de Overheid, wier goedkeuring zou gevraagd worden. Vroeger sprak men eenvoudig van de „acta” of „artikelen” der Synode; gelijk het dan ook inderdaad een samenstel was van Synodale handelingen, die voor alle Kerken belang hadden: in de eerste redactie zelfs met artikelen, die niet eens een voorschrift of ordinantie vermeldden, maar alleenlijk eene benoeming of eene vermaning, die de Synode gedaan had of doen zou 2). En nu is de latere onderscheiding tusschen „canones” en „decreta”, tusschen bepalingen van de Kerkenordening en Synodale besluiten, zeer zeker wel gewettigd; maar het heeft toch ook beteekenis, dat die beide in het eerst geheel dezelfde kracht hadden 3). Trouwens, de Classikale


1) Vgl. b.v. het geschrift van den Utrechtschen Hoogleeraar in de Rechten Paulus Voet (zoon van Gisbertus Voetius), „de usu juris civilis et canonici in Belgio unito” (Ed. 1657), blzz. 90 vgg. en 104 vgg., en de op eerstgenoemde plaats aangehaalde schrijvers.
2) De opschriften of titels, gelijk die oorspronkelijk luidden, zijn te vinden in de reeds vroeger (blz. 7) vermelde, zooveel mogelijk naar authentieke stukken bewerkte, uitgave van de Acta. — Artikelen van de eerste redactie (1571), welke in eene eigenlijk gezegde Kerkenordening niet eens zouden thuis hooren, zijn b.v. artt. 3, 12, 39, 48, 50 van de Emdensche Acta.
3) De boven bedoelde oude beschouwing heeft zelfs in de laatste Nationale Synode (de Dordtsche van 1619) nog nagewerkt. Immers, de wijzigingen, die door haar in de Kerkenordening werden aangebracht, zijn, wat het formeele betreft, niet voorgesteld en behandeld als wijzigingen in de Kerkenordening; maar het waren (blijkens de Postacta, passim) eenvoudig Synodale besluiten, die naar aanleiding van ingekomen gravamina genomen werden. En daarna is ter Synode zelve nog wol geconstateerd, in welke artikelen van de Kerkenordening nu door die besluiten eene wijziging gekomen was. Maar men heeft toen zelfs niet noodig geacht, die constateering van de wijzigingen in de officieele Acta op te nemen. We zouden niet eens weten, dat die constateering geschied was, als het niet was opgeteekend in de particuliere aanteekeningen van al het verhandelde, welke de Amsterdamsche ouderling Theodorus Heyngius (Dirick Heynck) voor zichzelven gemaakt heeft. In dit handschrift (uit de Bibliotheca Heringana naar de Utrechtsche Bibliotheek overgegaan, en aldaar gecatalogiseerd onder de Varia No. 10) staat op blz. 218, bij de 167e (blijkens de Postacta eigenlijk de 175e) zitting, van Zaterdag 25 Mei 1619 voormiddag : „Syn voorgelesen de veranderingen, die inde Kerckenordeninge vande Nederlantsche kercken des Jaers 1586 bij desen Synodum gedaen syn, Namentlyck inde Articulen 4, 5, 7,8, 9, 25, 26, 39, 40, 43,44, 45, 50,52, 53, 54, 60 ende 62, die altesamen goetgekent ende gearresteert syn.” De Postacta zelven zwijgen hiervan geheel.

|40|

en Provinciale ordinantiën van latere eeuwen, ook al werden zij bij de uitgave soms betiteld met den naam van „wetten en statuten”, waren metterdaad, blijkens hetgeen er bijstaat, niet anders dan besluiten, op verschillende tijden genomen, en vervolgens in een handboekje bij elkander gezet en geclassificeerd 1).

Uit de kerkelijke handboekjes in het algemeen valt er in dit opzicht zelfs nog iets te leeren. Zij bevatten doorgaans de algemeene Kerkenordening; maar dan, met de laatste redactie, ook de vroegere bovendien 2). Daar nu alle die boekjes geheel voor de kerkelijke praktijk bestemd waren, werd dus doorgaans geoordeeld, dat men ook voor die praktijk met de oudere redactiën nog niet afgedaan had. En dit wordt verklaard door de opmerking van Voetius, dat bepalingen, die afkomstig zijn uit den bloeitijd der Kerken, d.i. uit den tijd toen zij onderdrukt werden of althans zoo pas nog vervolgingen hadden doorgestaan, soms beter zijn en zuiverder en meer overeenkomstig het Gereformeerde kerkrecht, dan eene latere wijziging, uit den tijd, toen er meer gelijkvormigheid was aan de wereld, of toen om der wille der omstandigheden wel eens iets werd toegegeven, hetzij aan den wil der Overheid of wel aan den wensch des volks. Waar dat blijkbaar is, voegt hij er dan bij, moet men ook het betere zooveel mogelijk opvolgen 3) En het is door de Kerken nooit afgekeurd, wanneer naar dien raad werd gedaan.


1) Zoo b. v. (om nu alleen te spreken van Provinciale en Classikale handboekjes, die in druk zijn uitgegeven), voor Gelderland: J. Smetius, Synodale Ordonnantien ende Resolutien (1e druk 1699, 2e bijgewerkte druk 1737), en H. Magirus, Formulier van Inspectie voor de Visitatores Classium (Ed. 1628); voor Zuid-Holland: Extracten enz. (betreffende catechisatiën, conventiculen en oefeningen, Ed. 1712); voor Utrecht: Utrechts Synodaal-Handboekje (Ed. 1803); voor Zeeland: Acta Synodalia of gearresteerde Kerken-ordeningen van Zeelandt (Ed. 1755); voor Friesland: G. Nauta, Compendium der Kerkelyke Wetten, geëxtraheert uit ’s Lands en Synodalen Resolutien (1e druk 1757, 2e bijgewerkte druk 1771), en daarna: Wetboek en Kerkenordre enz. voor de Herformde Kerk in Vriesland (Ed. 1806). En wat Classikale Handboekjes betreft : voor de Classe van Nederveluwe: P. Wynstok, Classicaal Hand-boekjen (Ed. 1751); voor de Classe van Zutphen : E. W. Verbeek, Zutphensch Classicaal Register (in twee deelen; het eerste Ed. 1760, het tweede Ed. 1770); voor de Classe van Dordrecht: Ordinantien en Wetten des E. Classis (1e druk 1686, 2e bijgewerkte druk 1716, 3e bijgewerkte druk, alleen onder den titel van „Wetten”, 1785); voor de Classe van Schieland (Rotterdam): Orders on Wetten voor de E. Classis (Ed. 1802); voor de Classe van Gorinchem: Wetten en Bepaalingen der E. Classis (Ed. 1765); voor de Classe van Walcheren : Wetten der Classicaale vergaderinge (met een historisch voorbericht van A. ’s Gravezande en J.W. te Water, Ed. 1779; waaruit o.a. blijkt dat de bepalingen en regelen, die op verschillende tijden door de Classe waren vastgesteld, ook reeds in 1738 gedrukt waren); voor de Classe van Utrecht: C. de Kruyff, Utrechtsen Classicaal Handboekje (Ed. 1793).
2) Dit is het geval bij een aantal van de in de vorige noot genoemde handboekjes, en voorts bij alle, hiervoren op blz. 9 genoemde, algemeene kerkelijke handboekjes.
3) Vgl. Voetius, Polit. Eccl., Tom. I, pagg. 285 sq. (Ed. Rutgers, pagg. 237 sq.).

|41|

En voorts in het algemeen leert ook wel de geschiedenis, dat er in de Nederlandsche Kerken altijd zekere ruimte was met betrekking tot de opvolging van de Kerkenordening. Toezicht was er, zeer stipt en zeer streng, dat de grondslag van het kerkelijk samenleven, d.i. de belijdenis, werd gehandhaafd. Maar betrekkelijk slap was daartegenover de handhaving van de Kerkenordening: formalisme of reglementaire preciesheid was er eer te weinig dan te veel. Eigenzinnigheid of willekeur mocht natuurlijk niet heerschen; bandeloosheid of wanorde werd natuurlijk niet beschermd. Maar wanneer de orde, de rust en de welstand der Kerken geen gevaar liepen; wanneer die integendeel nog bevorderd werden door eene kleine afwijking van de ordinantiën; dan werd zulke afwijking niet verkeerd geacht, en dus niet slechts geduld, maar ook goedgekeurd. En vooral werd er zoo geoordeeld bij eigenaardige toestanden, waarin Kerken of personen soms verkeerden; gelijk met name het geval was in de onderscheidene provinciën, telkens wanneer één van tweeën onvermijdelijk was: óf aan de Overheid iets toegeven, óf alles in de waagschaal stellen; en wanneer dan wat het zwaarste was, ook het zwaarste wegen moest. In het algemeen was wel de beschouwing, gelijk die is uitgedrukt in de laatste woorden van de Kerkenordening zelve: woorden, die in bijna alle redactiën voorkomen, maar die zeker aan het einde eener wet niet gepast zouden zijn, en die aan eene wet ook wel nooit zijn toegevoegd: de Kerken zullen „arbeyden” of „neersticheijt doen”, om deze artikelen te onderhouden.

Bij dit alles kan vreemd schijnen, dat de Kerkenordening, telkens wanneer zij op nieuw geredigeerd was, door de nog aanwezige leden der Synode onderteekend is, en dat in de 16e eeuw ook herhaaldelijk besloten is, dat men zulke onderteekening, of wel eene belofte van opvolging, nog van anderen zou verlangen, wel niet van alle gemeenteleden zonder onderscheid, ’t geen in vroeger tijd wel bij niemand kon opkomen, maar dan toch van alle predikanten en ouderlingen 1). Intusschen, het is blijkbaar, hoe die onderteekening of belofte bedoeld, en ook opgevat is. Zeker niet op gelijke wijze als b.v. de onderteekening van de Formulieren van eenigheid, waaromtrent wel gezorgd is, dat zij stiptelijk bond en strengelijk werd gehandhaafd. Immers, eene verbintenis aan de Kerkenordening, hetzij schriftelijk of mondeling, is op vele plaatsen nooit in praktijk gebracht; en toen hebben de Synoden zulks eenvoudiglijk laten gaan, en de laatste


1) Al wat uit de acten en bescheiden van de Synoden der 16e eeuw hierop betrekking heeft is te vinden in de Ned. Syn. Acta, blzz. 134, 155, 160, 237, 404, 422, 446 en 621.

|42|

Dordtsche Synode heeft er zelfs in ’t geheel niet meer van gesproken. In de Kerken zelve werd vervolgens, zonder tegenspraak, openlijk geleerd, dat zij onnoodig en in velerlei opzicht zelfs onraadzaam was 1). In de enkele Classen, waar zij plaats had, geschiedde zij alleenlijk door de Dienaren des Woords 2). En het was volstrekt niet zeldzaam, dat terzelfder tijd ook bepalingen gevolgd werden, die van de Kerken-ordening afweken 3). De onderteekening sloot in zich, gelijk de Nationale Synode van 1586 het uitdrukte 4), dat men de Kerken-ordening „approbeerde”, en voorts, gelijk er ook in stond, dat men arbeiden zou om die te onderhouden. Maar dat dit nog geene verbintenis was, om er nooit van af te wijken, ook niet in geval voor de afwijking goede reden was, kan b.v. blijken uit de omstandigheid, dat er bij herhaling ook geteekend is uit naam van de Nederlandsche Kerken in Engeland. Deze hebben telkens verklaard, dat zij op het stuk der kerkregeering zouden moeten afwijken. Maar toch hebben hare afgevaardigden ter Synode de geheele ordening eenvoudiglijk onderteekend, geheel eveneens als de andere leden, en zonder eenig bezwaar hunnerzijds 5).

Uit dit alles kan nu echter geenszins worden afgeleid, dat men in de Nederlandsche Kerken tot op zekere hoogte ook wel ongeregeldheid toeliet. Dat zou in volkomen strijd zijn geweest met haar eigen geest; want ten allen tijde was het juist bij Gereformeerden een diepgaand beginsel en een overheerschende karaktertrek, om de ordinantiën Gods te erkennen, en om dienovereenkomstig bijzonder gesteld te zijn op een vasten regel en op zuivere lijnen. En daarom, ook bij alle ruimte in de handhaving der Kerkenordening, aan een kerkbedervend individualisme werd nooit ruimte gegeven. Ook de


1) Vgl. Voetius, Polit. Eccl., Tom I, pag. 264 (Ed. Rutgers, pag. 220).
2) Vgl. b.v. de daartoe strekkende bepalingen in enkele van de hiervoren (blz. 38, noot 1) genoemde Classikale Handboekjes.
3) Zoo b.v. in de Classe van Dordrecht, waar de Overheid der Stad Dordrecht zelve niet wilde afgaan van de Staatskerkenordening van 1591, en waar de Classe, in zake de predikantsberoeping, zich daarnaar zooveel mogelijk schikte; terzelfder tijd (misschien wel juist daarom) van alle predikanten (ook van de Dordtsche) verlangende, dat zij de oude Gereformeerde Kerkenordening zouden onderteekenen.
4) Vgl. de Ned. Syn. Acta, blz. 621.
5) Dat door de Nederlandsche Kerken in Engeland, die de Nederlandsche Synoden der 16e eeuw hebben bijgewoond, hare afwijking in zake ceremoniën en kerkregeering van te voren geconstateerd is, blijkt b.v. uit den geloofsbrief der gedeputeerden naar de Dordtsche Synode van 1578 (Ned. Syn. Acta, blzz. 304-306). En dat toch de daar gemaakte redactie van de Kerkenordening door den gedeputeerden predikant eenvoudig onderteekend is, blijkt uit het nog over zijnde authentieke handschrift (a.w., blz .262). Ter Middelburgsche Synode van 1581 is desgelijks gehandeld (a.w., blz. 360, coll. blzz. 339 vgg. en 356).

|43|

afwijking zelve was als het ware geregeld. Natuurlijk niet door opzettelijke bepalingen. Maar dan toch door beginselen, die onmiskenbaar waren, uit Gods Woord, uit den aard der zaak, en uit de Kerkenordening zelve 1). Vooreerst moest er altijd eene afdoende reden zijn, en wel eene reden die gegrond was in het belang der Kerk, om daarin, naar het in art. 1 gestelde doel, des te beter „goede ordre te onderhouden”; en dus, wanneer stipte naleving moeielijk geschieden kon, zonder dat de vrijheid der Kerk, of haar uiterlijke vrede, of hare innerlijke rust, of haar welstand, wezenlijk gevaar liepen, en wanneer terzelfder tijd aan de afwijking mindere bezwaren verbonden waren. Voorts mocht, naar den in art. 86 gestelden regel, dan toch niets veranderd worden in de Kerkenordening zelve, zoodat de afwijking als het ware ook aan anderen zou worden opgelegd, evenmin als zij in gelijke omstandigheden aan anderen mocht worden euvel geduid. En eindelijk bleef altijd, naar het in art. 31 uitgesproken beginsel, dat, wanneer verschil kwam over de noodzakelijkheid of de nuttigheid van de afwijking, waaruit dan natuurlijk weer een grooter kwaad zou voortkomen, alsdan de enkele Kerkendienaar zich naar den Kerkeraad zou te schikken hebben, en de enkele Kerk naar de Classe, en de enkele Classe naar de Synode. Op die wijze was er ruimte, maar binnen zekere grenzen, en regelmaat zonder formalisme. Er kon vrijheid zijn, zonder dat die vrijheid op losbandigheid en willekeur uitliep. En bevorderd werd juist daardoor het doel van de gansche Kerkenordening: ook nog bij de afwijking zelve werd dan daaraan voldaan.

Altijd echter onder ééne voorwaarde, nl. dat de Kerken één bleven in belijdenis en tezamen onderworpen aan Gods Woord. Dat wordt altijd ondersteld; daarop rust de bruikbaarheid van de gansche ordening; en zóó geheel is zij daarop ingericht, dat zij bij een anderen toestand wel niet anders dan ontbindend kan werken. Maar wel verre van een bezwaar te zijn, is dit juist in haar voordeel. Zij bevordert die eenigheid, juist doordat zij haar onderstelt en vereischt.

En wanneer nu ten slotte gevraagd wordt, of bij zulke ordening dan toch niet onzekerheid overblijft; of zij niet voor een aantal gevallen min of meer onbepaald is; of zij in het kerkelijke leven niet gedurig velerlei onderzoek noodig maakt; dan moet op die vragen zonder twijfel bevestigend geantwoord worden. Maar aan dat


1) Vgl. hierover b.v. Voetkus, Polit. Eccl., Tom I, pagg. 272-280 en 284-288 (Ed. Rutgers, pagg. 227-233 en 236-239).

|44|

antwoord moet ook aanstonds worden toegevoegd, dat zulks waarlijk geen schade is, maar juist winst. Het zou zonder twijfel gemakkelijker zijn, wanneer voor iederen toestand een gebiedend voorschrift aanwezig was. Maar de gemakkelijkste weg is juist niet altijd de beste. In de 16e eeuw had men nog den vollen indruk van het einde, waar die weg toe moet leiden; hoe het, bij de velerlei schakeeringen van het leven, dan noodzakelijk worden moet: gebod op gebod en regel op regel; en dit stond bij de vaderen vast: nooit weer een boekdeel met reglementen, gelijk het Corpus iuris canonici in de Roomsche Kerk allengs geworden was. Voor den welstand der Kerk is oneindig veel beter, dat bij algemeene regeling slechts weinig bepaald en omschreven wordt, en dat al het andere aan de Classen en aan de enkele Kerken wordt overgelaten, om dan naar gewoonte of naar tijdelijke schikking of naar plaatselijke behoefte geregeld te worden. Als dit goed zal geschieden, is natuurlijk noodig, dat allen, die tot kerkregeering geroepen zijn, van die zaak eenige studie maken; dat zij de beginselen, die in de Kerkenordening uitgesproken zijn, zooveel mogelijk verstaan en als het ware in zich opnemen, om dan bij de verdere toepassing dienovereenkomstig te handelen. Maar juist daardoor worden die beginselen als het ware het eigendom van iedere Kerk in het bijzonder, zóó vast geworteld, dat geen storm ze kan uitroeien. Gods Woord blijft dan op de plaats, die in iedere Kerk daaraan toekomt; Christus blijft dan erkend als de Koning der Kerk; menscheninzettingen kunnen daar dan niet tot heerschappij komen; en de Kerk kan dan blijven bij de vrijheid en zelfstandigheid, die haar in de wereld toekomen. Ja ook buiten de Kerk werkt dat dan ten goede. De Gereformeerde kerkinrichting, juist omdat zij niet bestaanbaar is zonder onderzoek van hare grondslagen, en eerbied voor Gods ordinantiën, en toepassing van beginselen, en zelfstandigheid bij die toepassing, onderstelt niet slechts, maar zij kweekt ook ontwikkeling, vrijheid en orde op ieder gebied. In den Staat, in de maatschappij, in de school, in het huisgezin, overal oefent zij dien invloed. En dan is zij om die vormende kracht nog zooveel te meer te waardeeren. Het is ook door haar, dat het Calvinisme oorsprong en waarborg is van veel goeds.

Rutgers, F.L. (1890) 7

|45|

Tot eene rectorale rede behooren van nature drie hoofddeelen, die echter gelukkig niet in omvang met elkander behoeven gelijk te staan. Het ligt eerder in hun aard, dat zij in eene sterke mate evenrediglijk afnemen. En terwijl het derde deel nooit veel woorden noodig heeft, is er ditmaal zeker geene vrees, dat het tweede zijne grens zal te buiten gaan.

Immers, lotgevallen, die aan deze plaats zouden te vermelden zijn, heeft het afgeloopen jaar aan de hoogeschool slechts weinig gebracht.

Eenerzijds is ons dat eene oorzaak van blijdschap en dank. In de laatste jaren was er telkens droefheid, omdat in den kring van Directeuren, Curatorenen Professoren nu deze dan gene ons ontnomen werd, of wel zich onttrok. Maar dit jaar heeft geen leed van dien aard ons getroffen. Ditmaal zijn zij allen voor ons bewaard gebleven ; en dan niet slechts bij het leven, maar ook voorts in ieder opzicht: in de colleges, waarin aftreding plaats had, door herkiezing; en bij allen zonder onderscheid, door volharding in hun ijver voor het Christelijk Hooger onderwijs.

In dit opzicht zullen we over de bestendiging van den ouden toestand dus voorwaar niet klagen. Maar anderzijds ware wel te wenschen geweest, dat er ook verandering was te noemen. Blijvend waren in dit jaar ook de vacaturen: ééne in het college van Curatoren, en meerdere in dat der Hoogleeraren; en het aantal katheders bleef ook wat het was. Niemand zonder twijfel, die dit meer betreurt, dan de beide colleges, aan wie ook te dezen aanzien het beleid en de zorg zijn opgedragen. Zij hebben dan ook waarlijk bij dien toestand zich niet neergelegd. Onveranderd was ook, het zij hier met dankbaarheid openlijk uitgesproken, hun bijzondere ijver, opdat nieuwe krachten aan het onderwijs zouden worden toegevoegd. En terwijl de Curatoren Van Schelven en Van den Bergh hunne gaven beschikbaar stelden, om 'de zoo verzwakte Theologische Faculteit een tijdlang te helpen, deden allen zonder onderscheid, wat de hand vond te doen. Zoo het naar hun wenschen en werken gegaan was, de Senaat zou op dezen dag met eene breedere rij hebben kunnen optreden 1).

Dat heeft thans nog niet mogen zijn. Misschien was het nog te vroeg, om reeds nu te verwachten, dat door alle Gereformeerden zou worden ingezien, hoe noodzakelijk het is dat zij wetenschappelijk


1) Tot de boven bedoelde bemoeiingen behoorde o.a. de benoeming van Dr. H. Bavinck, Docent aan de Theologische School te Kampen, tot hoogleeraar in de Theologische Faculteit ; waarop echter, tot aller leedwezen, geene aanneming volgen kon.

|46|

samenwerken, en om dus te rekenen op eene algemeene ingenomenheid, wanneer nu reeds op die eenheid werd aangestuurd. Misschien moest er eerst nog wat meer gewerkt zijn in den geest van den ouden Marnix; juist niet door de oprichting van eene derde Marnix-Vereeniging; maar dan toch voor de zaak, die aan Marnix zelven zoo bijzonder ter harte ging, zelfs nog meer dan geschiedenis en dan politiek, nl. de bevordering van de kerkelijke eenigheid onder alle Gereformeerden van de Nederlandsche natie 1). Ook in Marnix’ tijd is dat eerst gelukt na een aantal jaren van voorbereiding. — Intusschen, zoo lang konden wij thans niet wachten. En voorts was van de ondervonden teleurstelling dit toch de winst, dat men daarna met vrijmoedigheid kon gaan werken in eene andere richting. Dat dit nu mag bekroond worden met een goeden uitslag, is ons aller bede en wensch. En ik mag er zeker wel bijvoegen,- dat we ook goede verwachting hebben; zoodat onze Theologische Faculteit mag vertrouwen, weldra met verdubbelde kracht te kunnen optreden 2).

Dankbaar zullen we dan zijn over die vermeerdering, maar nog geenszins voldaan. En in dit geval vindt de onvoldaanheid ook bij onze Directeuren en Curatoren vollen weerklank. Zij is hier inderdaad ook iets anders, dan de oude eigenaardigheid van hoogleeraren, die nog nergens en nooit over hun getal zijn tevreden geweest, en voortdurend uitbreiding wenschen. Hier kan zulke wensch wel door niemand gewraakt worden, met betrekking tot geen enkele Faculteit. Om slechts iets te noemen: in de Litterarische Faculteit is een toenemend aantal studenten; en toch, van hunne leiding en vorming blijft omtrent de gansche last op één enkele neerkomen, in den laatsten tijd nog verzwaard door de zorg voor een tweede Christelijk gymnasium. In het algemeen blijft bij toeneming gelden, wat reeds door mijn voorganger werd herinnerd, dat we met een klein getal ons behelpen moeten, en dat van de beschikbare kracht ook nog een aanzienlijk percent tot andere bemoeiingen moet worden overgeleid.

Aan die andere bemoeiingen zal ook nog vooreerst wel geen einde kunnen komen; want zij hangen samen met den aard onzer stichting, die nu eenmaal genoodzaakt is, zelve hare positie als het


1) Vgl. hetgeen hierboven (blzz. 13 vg.) omtrent Marnix herinnerd werd.
2) De hierboven bedoelde benoemingen van Dr. W. van den Bergh, predikant te Voorthuizen, en Dr. G.H.J.W.J. Geesink, predikant te Rotterdam, tot buitengewone hoogleeraren in de Theologische Faculteit zijn daarna gebleken niet vruchteloos geweest te zijn.

|47|

ware te veroveren. Zij moet niet slechts staande blijven, maar ook groeien. En dat eischt wel in de eerste plaats goede wetenschap, maar ook verder praktischen arbeid van allerlei aard. Bij al de bedoelde bemoeiingen laat zich dat gemakkelijk aanwijzen; ook b. v., om slechts dit ééne te noemen, bij de straks vermelde zorg voor een tweede gymnasium op Gereformeerden grondslag. Indien ooit zal bereikt worden, dat in de zoogenaamde hoogere standen de Gereformeerde beginselen weer tot eere komen; indien die beginselen metterdaad zullen doorwerken, en dan ook nog buiten de Theologie en de Kerk; indien onze Universiteit op den duur tot haar vollen wasdom zal uitgroeien; dan is dringend noodig, gelijk nu reeds bij ervaring gebleken is, dat de vorming van aanstaande studenten met verdubbelden ijver worde ter harte genomen; niet op ééne plaats, en ook niet op twee, maar in alle hoeken des lands; binnen korten tijd, als het zijn kan, ook nog in het Noorden en Zuiden. Dat gaat zeker niet zonder moeite: het kost arbeid en geld, het brengt moeite en strijd, het eischt veel geloof en ook veel gebed. Onze Zettensche baanbreker zou ons van dat alles zeer veel kunnen zeggen 1). Maar toch ook werd reeds ondervonden, dat de vrucht dan niet uitblijft. En in ieder geval, het is niet eene zaak, die van onze willekeur afhangt: in den drang der omstandigheden is het blijkbaar de eenige weg.

Intusschen, ook al kan het aantal studenten ons nog niet voldoen, vooral niet met betrekking tot de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, daaruit volgt nog geenszins, dat er over achteruitgang zou te klagen zijn. Juist integendeel. Blijkens de recensie van het vorige jaar was het een getal van 77, waarmede toen de cursus begonnen werd. In den loop des jaars is dat natuurlijk afgenomen; gelukkig niet door de hand des doods, noch ook door een zedelijk doodvonnis; maar doordat de Academische studie voleindigd was, hetzij inderdaad, of wel naar de schatting van vacante Kerken en van de studeerenden zelven 2). Maar de leegte, die daardoor ontstond, is


1) Vgl. b.v. de jaarlijksche verslagen over het Gymnasium te Zetten, van zijnen Directeur F.P.L.C. van Lingen.
2) Het boven gezegde ziet bepaaldelijk op de studie der Godgeleerdheid, welke aan de Vrije Universiteit in den regel niet voleindigd kan heeten, wanneer men, na het propaedeutisch examen, niet nog minstens vier jaren aan de Academie is blijven studeeren. Aan de Staats- en Stads-hoogescholen is voor de geheele wetenschappelijke opleiding van aanstaande predikanten de tijd iets korter gesteld; en in meerdere mate nog is dit het geval aan de Theologische school te Kampen. Dit werkt zeker mede met den nood van vele vacante Kerken, om ook voor studenten aan de Vrije Universiteit den cursus vaak iets korter te ➝

|48|

terzelfder tijd meer dan aangevuld, daarin plaats van degenen, die niet meer terugkomen (vermoedelijk 14), 18 novitii werden ingeschreven, zoodat deze cursus nu met omtrent 81 studenten kan aanvangen. Onder die novitii waren wederom alle Faculteiten vertegenwoordigd; maar, naast 3 litteratoren en één jurist, had toch wederom de Theologie met haar 14-tal verre de meerderheid 1).

Indien nu maar in die schare van leerlingen iets, of veel, van het beginsel onzer stichting mag overgaan! Bij de studie; zoodat wordt gewaakt tegen tweeërlei afwijking: tegen eene vergoding van de wetenschap als zoodanig, en tegen eene geringschatting, alsof zij geen ander nut had, dan om aan een ambt of betrekking te helpen. En terzelfder tijd bij het leven; zoodat wederom tweeërlei verre blijft: gelijkvormigheid aan de wereld, en gelijkvormigheid aan het klooster. „De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid”. Dus geene wijsheid uit een ander beginsel; maar ook geen bedenksel der traagheid, alsof het begin reeds genoeg was, en alsof men zich den arbeid van uitwerking en van toepassing dan ook eigenlijk wel besparen kon. En wederom: „de vreeze des Heeren het beginsel der wijsheid.” Dus geene levensopvatting en geen levensregel uit een ander beginsel; noch ook godsvrucht, die zich in zichzelve zou


➝ maken. Maar voldoende is de studietijd dan toch eigenlijk niet. Bij gewonen aanleg moet als regel gelden, dat na behoorlijke gymnasiale opleiding en Academische propaedeuse (samen gewoonlijk 7 jaren kostende) nog 4 jaren aan de studie van de Godgeleerdheid zelve gewijd worden.
1) Sedert de stichting der Vrije Universiteit (1880) zijn er in de 9 Rectorale jaren (telkens 20 October beginnende) achtereenvolgens in het Album ingeschreven 16, 15, 11, 15, 9, 7, 20, 12 en 18, dus in het geheel 123 studenten. De inschrijving geschiedde bij 21, na met goeden uitslag afgelegd admissie-examen; bij 5, na verkregen dispensatie en zonder recht om tot de Academische examina te worden toegelaten; bij 6, na bewijs dat zij elders reeds een Theologisch-propaedeutisch examen met goed gevolg hadden afgelegd (4 te Utrecht, 1 te Edinburg en 1 in Amerika); bij 31, op een gymnasiaal diploma van het gymnasium te Zetten; en bij 60, op een gymnasiaal diploma van Overheids gymnasia (nl. van de volgende gymnasia: Groningen 1, Leeuwarden 3, Sneek 8, Assen 3, Kampen 4, Arnhem 1, Zutphen 1, Doetinchem 8, Nijmegen 2, Utrecht 2, Amersfoort 3, Amsterdam 10, ’s-Gravenhage 1, Leiden 1, Schiedam 1, Delft 1, Rotterdam 5, Gorinchem 1, ’s-Hertogenbosch 1, Heusden 1 en Staatscommissie 2). Van de laatstbedoelde 60 had de meerderheid het gymnasiaal eind-examen met goed gevolg afgelegd; de anderen werden ingeschreven (gelijk dit tot dusver nog kon) op bewijs dat zij tot de 6e klasse van het gymnasium waren toegelaten (in welk geval voor theologanten de Academische propaedeuse minstens 2 jaren duren moest). Intusschen is deze categorie allengs kleiner geworden: in het laatste jaar was onder de 18 novitii slechts één, die op een diploma van toelating tot de 6e klasse werd ingeschreven. En voortaan zullen (gelijk onlangs, in December 1889, door den Senaat besloten werd) ook de zoodanigen zich nog aan het admissie-examen te onderwerpen hebben.
Van de bovenbedoelde 123 ingeschrevenen kwamen onderscheidene slechts voor een kort verblijf, zonder de bedoeling om hier hunne studiën te voleindigen; enkele anderen zijn door overlijden of door andere oorzaken uitgevallen; en niet minder dan 29 zijn nu reeds tot hunne bestemming gekomen.

|49|

terugtrekken, zonder ook als levenswijsheid openbaar te worden. Dat op zulk eene wijze aan de roeping onzer school inderdaad voldaan worde, is de wensch van al hare vrienden; en bij Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren, mocht het zijn ook bij al de Studenten, is het ook een wensch, die hen bij hun arbeid bestuurt en bezielt. Maar juist in dien wensch ligt dan ook reeds opgesloten, dat er niet gesteund wordt op menschen: het is niet slechts een wensch, maar ook een gebed. Daarom gaat de jaardag onzer stichting dan ook niet voorbij, zonder dat allen, die in haar belangstellen, opzettelijk tot gebed worden samengeroepen. Dit nu blijft bewaard voor den dag van morgen. Maar de toon, die dan zal gehoord worden, is toch ook reeds hier in veler hart. Wat we met en voor onze school begeeren en najagen, het loopt alles uit in de bede:

Doe Gij het, o God! naar den rijkdom van uwe beloften. Blijf Gij op ons neerzien met ontferming en trouw. Geef aan allen, die tot onze stichting in betrekking staan, wat zij voor hun arbeid behoeven. Laat het ons eene eere zijn, dat wij mogen werkzaam zijn voor de eere uws Naams. En van alle vrucht op dat werk zij aan U alleen alle eere. Soli Deo gloria!

Rutgers, F.L. (1890) 8

Voor het ingetreden Academiejaar is door H.H. Directeuren, op voordracht van den Senaat, tot Rector benoemd de hoogleeraar in de Rechten Mr. Dammes Paulus Dirk Fabius.

Aan U, mijn geachte ambtgenoot, geef ik dus die waardigheid over. En ik doe dat, op de wijze die in onze eeuw de gewone is, door het woord van overdracht, zonder eenige symboliek. Als het more maiorum geschieden zou, moest ge thans naar het spreekgestoelte worden opgeleid, en zou ik de insignia zelven in den vorm van boeken, sleutels, schepter en zegel, in het openbaar U te overhandigen hebben. Nu dit niet meer noodig is, en zelfs zonderling zijn zou, zij mij toch vergund, hier de wenschen uit te spreken, die bij zulke feitelijke overdracht wel gebruikelijk waren 1). Moogt Ge


1) De hier volgende wenschen zijn aan onderscheidene oude redevoeringen ontleend. De twee rechtstreeksche aanhalingen zijn uit de vroeger (blz. 3) vermelde rede van Prof. C. van Velzen (l.l., pagg. 54 en 56).

|50|

in het Album Academicum vele namen aan de reeds geschrevene kunnen toevoegen; in de Acta Senatus vele goede besluiten met uwe onderteekening bekrachtigen ; en de Leges Academicae handhaven naar den eisch van het recht. Van de Claves Regiminis mogen die der Scholae in dit jaar veel gebruikt worden, en dan voor een telkens grooter aantal colleges; en wat aangaat de sleutels van de Academische tucht, of, zooals het vroeger was, van den Carcer Academicus, die den Rector ten dienste stond voor studenten die naar geene vermaning wilden luisteren, „eas ex perpetua legum observantia tanta rubigine conficiendas vellem, ut per eas carceris fores reserari amplius non possent” 1). Onder uw bestuur zij ons aller wetenschap als het voor den Rector uitgedragen Sceptrum Academicum, dat baan maakt en doorbreekt als een »signum dignitatis et potestatis” 2), en dat tevens hoorbaar vermaant, om aan het „fortiter in re” ook altijd „suaviter in modo” toe te voegen3), „dum tintinnabula argentea appensa atque mota monstrant, Palladem, quae in vertice sceptri sub Aegide tuta comparet, audiri quidem veile, sed sonitu molli ac grato, non duro et molesto” 4). En op onze gansche school zij als stempel ingedrukt wat op het Sigillum Academicum onze leuze is: „Auxilium nostrum in nomine Domini.” „In den naam des Heeren onze hulpe”: op dit laatste vooral komt het aan, ook naar uwe schatting. Bloei en vruchtbaarheid heeft de hoogeschool, ja, ook door een toevloed van hoogleeraren en studenten, ook door betooning van wijsheid en wetenschap, ook door de handhaving van statuten en tucht, maar toch boven dat alles door trouw aan haar hoogste beginsel. Zij het U vergund, naar uw eigen wensch, daartoe krachtig te mogen medewerken: tot uwe eigene voldoening, en tot heil van de Vrije Universiteit!

Ik heb gezegd.

 


1) D.i.: „Mijn wensch is, dat die sleutels, door de groote bestendigheid, waarmede de wetten worden in acht genomen, aan zooveel verroesting worden prijsgegeven, dat zij ten slotte zelfs niet meer bruikbaar zijn, om de kerkerdeuren nog open te maken.”
2) D.i.: „Een teeken der waardigheid en der macht.”
3) D.i.: „Krachtig in de zaak, zacht in de manier.”
4) D.i.: „Terwijl de daaraan hangende en in beweging gebrachte zilveren schelletjes te verstaan geven, dat de wetenschap, wier symbool (Pallas met het schild, dat haar dekt) boven aan den schepter te zien is, wel verlangt, dat men haar zal hooren, maar dan met een klank, die zaeht en aangenaam, niet hard en lastig is.”

Rutgers, F.L. (1890) I.1

|51|

BIJLAGE I.

Stukken betreffende de Emdensche Synode van 1571.

(Zie hiervoren blzz. 12-15).

 

1. De Acta van de Provinciale Synode der verstrooide Kerken in het land van Kleef, Sticht van Keulen en Aken, d.d. 3 en 4 Juli 1571 (Uit de Werken der Marnix-Vereen., Serie II, Dl. II, blzz. 3-7).

Articulen voorghehouden ende besloten in het provincial Synodum, ghehouden tot Bedtbur den 3 ende 4 Juli anno 1571.

Sybertus Lohn ende Everaerdt van Heyst zijn in dese Synodo verschenen van weghen onser gemeynte 1).

Eerst aenghaende het quahficatum Synodum te beroepen, tselve is by allen seer noodich bekendt ende besloten wordden daervan een gheschrift te maken, dwelck een yeghelijck sal onderteekenen die hier teghenwoordich is ende dat in sijnen particulieren ofte eyghenen naem, om tselve aen andere gemeynten te seynden.

2. Is voorts besloten dat men nu noch vander plaetse, noch van den tijd des qualificaten Synodums, dat te houden is, niet besluyten en sal; dan tselve sal ghestelt wordden inde discretie van sommige persoonen diemen daertoe deputeren sal.

4. Is raidtswijse besloten datmen den ghenen die'ghedeputeert sullen wordden verclaren sal, dat de broeders hier teghenwoordich zijnde hun te bedyncken gheven oft de plaetsen als namelick Embden, Eranckendael oft Sighen niet bequaem en souden sijn tot het ghene dat voorszt is. Ende datmen de tijt soo kort neme alst moghelijcken is doch noch desen somer.

4. Monszr Niuelt (alhier absent) ende Mr Geeraert van Culenborch (hier teghenwordich) zijn ghedeputeert om te reysen naer Embden ende aldaer met de gemeynte te spreken ende te besluyten vanden dach ende


1) Deze drie regels, even als de verder in dit stuk voorkomende, met kleiner letter en inspringend gedrukte, bijvoegsels zijn kantteekeningen, die blijkbaar afkomstig zijn van de Nederlandsche Kerk te Keulen, aan wier archief dit stuk, even als de hierna sub 4-6 volgende stukken, ontleend is. Deze eerste kantteekening is in de uitgave der Marnix-Vereeniging bij vergissing onder, in plaats van boven art. 1 geplaatst.

|52|

plaetse des toekomenden Synodums qualiflcatums; ende sulcx dan besloten zijnde te schrijven aen de kercken van Engelandt ende oock aen die beneden onder tcruys zijn ende oock aen die in Duytslandt wtNederlandt verstroyt zijn; ende indien Monszr Niuelt de last niet en konde ofte begheerde aen te nemen, is besloten dai Monszr St. Aldegonde ende Mr. Geeraert voorszt eenen anderen tot Wesel in sijn plaetse sullen kiesen.

Monszr Niuelt heeft de last hier gemencioneert geaecepteert ende wtgericht.

5. Den voorsz. Mr. Geeraert ende Monszr Muelde is eene credentzbrieff metghegheven, gheteekent van de gantssche versamelinge, om de voorsze last ende commissie wtte richten, ende daertoe is hun oock 24 daelders medt ghegeven tot der reyse, welcke 24 daelders hier in de versamelinge opghebrocht zijn wordden.

6. Item zijn alhier noch besloten ende beantwordt wordden verscheyde puncten, die mijn heere van St. Aldegonde voorghaff van weghen etc. Ende dewijle de copie vande selve puncten hier nu volghen in sulcken voeghen ghelijck het teghenwoordich Synodus hem die heeft beantwordt ende metghegheven, gheteekent by het selve Synodus, so sijn sy hier onnodich etc.

 

In de verghaerderinge des Synodums provincial, ghehouden tot Bedtbur ten datum ende jaere als voorsz. is de broederen aldaer versamelt zijnde voorghedraghen van Philippus van Marnix, genaempt van Mont St. Aldegonde, wt name ende van wege mijnes Genadigen Heere den P. V. O. etc. ende oock sommige wt particuliere naem ende aengheve des voorsz. Philippi etc. — dese naest volghende Articulen.

 

Is ten eerste voorghegheven vande puncten, die voormaels van die van Heydelberch ende Franckendael de andere gemeynten zijn voorghedragen gheweest. Als naemelijck van de ghemeyne contributie aller gemeynten tot onderhoudinge der Dienaren des Wordts ende Studenten int ghemeyne.

Item van de ghemeyne overeencominghe der gemeynten met onderlinge schrijven aen malcanderen etc.

Item van de ghemeyne puncten ende articulen belangende de Eege-ringe der Nederlantsche christelijcken Ghemeynten, welcke articulen oock ter selffster tijt aen onse Gemeynte geschreven zijn gheweest.

Dese dry puncten zijn wtgestelt wordden tot op het naestkomende Synodus qualiflcatus.

Item dat daer een goede overeenkominge ende onderlinge verstandt opgericht wordden mach in politicque saeken belangende de wederoprichtinge der Nederlanden. Ende dat tot dien eynde alle Gemeynten verstandt

|53|

ende overdracht hebben met sijner Excellentie, overschrijvende wat daer sekerlijcx [?] omgaet.

Sy hebben beloefft een yegelijck sijn beste hierin te doene voor so vele als een yder Gemeynte verneimen kan.

Item datse eendrachtelijck besluyten willen over de beroepinge sijner F. G. ende de gerechticheyt der were ende waepens etc. om de swacke gewissen des te beter daerdoor te stillen etc.

De vergaderinge en twijffelt daer niet aen en sullen arbeyden tselvige in te bilden [?].

Item dat se haere gemeynte vermanen willen haere behoorelicke plicht nae te kommen in de beloefde contributiën; ende sich beneerstigen alle misvertrouwen, quaede achterclappingen ende lichtveerdige onbehoorelicke geruchten ofte opiniën den lieden te benemen etc.

Daerenteghen datse de hand daer aen houden, dat een yeder, nalatende het ghene dat hem van weghe sijner beroeping gheenssins en beroert, sich bevlitige sijne roep nae te kommen ende de saeke na den eissche desselvigen beroeps behulpich te wesen. Bedwingende so vele als een yder moghelick is alle ydele ende lichtveerdige klappinge ende nieuwe mare, vermanende een yegelicken tot bidden ende boetveerdicheyt, opdat den toorne Gods eens van sijnen volcke affgekeert wordde.

Sij beloven hiervan in een yeghelijcke ghemeynte(met vermanen) haer beste te doene. [Kantteekening bij de twee voorgaande artikelen.]

Item datse so vele het moghelijck is een vlietigh opsicht nemen op de verspieders, verraders ende ledichghangers, in somma een yeder nae sijne beroep doe tghene dat tot stichtinge der kercke ende verlossinge des vaderlandts dienen kan, laetende voorts voor den krijchshandel sorgen deghene die hem dies verstaet.

Sy sullent haere consistory aansegghen ende de saeke beneerstighen na haer vermoghen.

Item dat de gemeynten beneffens de ordeninghe der Collatie tot on-derhoudinge der Dienaren ende Studenten, oock eenige somme geldts versameien willen, welcke altijt bereyt zij tot verrichtinge der voorvallende extraordinaris sake tot ghemeyne welvaren des laudts ende stichtinge der kercke dienende, op dat door het gebreck des verstreckens goede nutte saken (so kerckelijke als politicque) niet verachtert en wordden.

Sy sullen ’t haere Consistoriön aengeven ende de saeke bevestigen nae haer vermoghen.

Item datmen beraetslage wat voor een beste middele nu soude kon-nen volghen om een eenicheyt ende overeenkominghe op te richten met de gemeynte der Confessie van Ausborch. Item oft het goet wesen sal den naem der Confessie voorszt. te voeren. Oock so is voorghegeven de goede gheneghenheyt sommiger Predicanten, int landt van Dillenborch residerende ende oock in Hessen, ende is voorghegeven datmen door Godes hulpe ende ghenade goede middel vinden soude tot een goede christelijke overeenkominge der voorszer Predicanten, jae oock met die van

|54|

den lande van Sacxen, wt aenmerckinge des Catechismi, nu onlancx tot Wittenberch wtghegheven; voorts datmen sich daerover beraetslagen wille, om te besien wat in desen goet ghedaen oft ghelaten zijn soude.

Dit is wtgestelt om op het Synodus qualificatus voorgedragen te wordden.

Item dat goet waere den voorghenoemde Philippo eenen vrindelicken brief met te gheven aen de voorsze Dienaren des Wordts van dlandt van Dillenborch, tot verclaringe haerder goede Christelijcke genegentheyt tot de gemeyne vrede.

Dit is verwillicht ende verricht wordden.

Men sal oock handelen van een overeenkominge op te richten met de ghemeynten in Vranckrijck ende die Articulen haerlieders laestvoorleden Synodums (tot la Rochelle ghehouden) te begheeren, om sich met deselvige op het alderghelijckformichste te vergelijcken ende voeghen als het moghelijck zij, ende altijt goede eenicheyt ende vrindtschap t’onderhouden.

Dit is wtgestelt om op het Synodus qualificatus voor te dragen.

Item oft het niet goet sijn en soude eenigen brieff ofte boecxken aen de Nederlantssche gemeynten, die onder tcruys gheseten zijn, te schrijven tot haerlieder vertroostinge ende vermaninge; opdat sy haere verlossinge ende alle goede middelen ter hertten nemen ende slechts eenen goeden moet grijpen etc.

Het is goet gevonden een boecxken te maken, maer niet eenigen brieff te schrijven.

Rutgers, F.L. (1890) I.2

2. Brief van Philips van Mamix van St. Aldegonde aan de twee Nederlandsche vluchtelingen-kerken te Londen (de Nederduitsche en de Waalsche), blijkbaar van Juli 1571 (Uit: Ecclesiae Londino-Batavae Archivum, Tom. II, Epistvlae et Tractatus, blzz. 365-369) 1).

Ghenade en vrede van God den vader door Jesum Christum onsen Heere ende Heylant sy v l. vermenichfuldiget.

Eersame welgeliefde broeders, Het is genoech openbaer ende kennelick hoe grootelicx het inde kerke Godes van noode sy, eene goede, vaste en onbewegelicke ouereenkominge onder elcander te houden, niet alleen inde hooftstucken der reyner leere, maer oock inde wysen, ceremoniën ende regeringhe der kercken, ende daerenbouen een onderlinghe ghemeynschap


1) Dat deze brief, hoewel ongeteekend, toch zonder eenigen twijfel van Marnix is, wordt door den bewerker van bovengenoemde uitgave met afdoende gronden gestaafd. Niet alleen komt naar zijn getuigenis het schrift met dat van Marnix overeen, maar ook de inhoud toont duidelijk wie de schrijver zijn moet. Voorts blijkt uit den brief van de gedeputeerden tot voorbereiding van de Emdensche Synode, d.d. 24 Juli 1571 (in deze Bijlage het onmiddellijk volgende stuk), dat Marnix juist op dezen tijd een brief van zoodanigen inhoud aan de Nederlandsche Kerken te Londen geschreven heeft, en dat deze brief gemerkt was met de letter E., waaraan een merk op het bovenbedoelde stnk schijnt te beantwoorden. En eindelijk vermeldt ook de brief der genoemde gedeputeerden, dat en waarom die brief van Marnix niet door hem geteekend was.

|55|

ende goet verstant te houden, So dat de eene vlietich vernemen vanden staet ende gelegentheyt der anderen, ende d’een den anderen in alle vooruallende saecken behulpich vallen, Het welcke opentlick blyckt in het exempel der Francoissche ghemeynten die bouen alle andere dingen, nae dese eenicheyt ende ouereenkominge altyt getrachtet hebben, hoewel dat het sick seluen ghenoechsaem wtwyst. Dewyle nu dan sulcke nutte ende gantz noodige ouereencominge ende eendrachtigheyt geenssins en kan aengelegt noch wtgerichtet werden, het en sy by onderlinghe besoeckinghe ende ouereendraginge der voorvallende saeken, welcke inden vergaderingen ofte Synoden geschiedt, also oock by het exempel der voorghemelde Frantzoissche ghemeynten ghenoech openbaer is, So hebben onser broederen ettelicke synde wt eenen goeden christelicken yuer daertoe gedreuen worden, Dickmael voorgehouden ende vermeldet wat een ghewensschete saecke het wesen soude, Soo men yet sulcx in dese jammerlicke verstroyinghe der nederlandssche ghemeynten der beyde spraken, konde te wegen brenghen, om aldaer, int ghemeyn met gelycker hant, ende eendrachtighe herten te beraetslagen ende te besluyten ouer vele sware hoochtwichtighe daghelycks vooruallende saecken, ende in sonderheyt, om eene algemeyne lieflicke ende christelicke ouereenkominge aller nederlandissche ghemeynten op te richten, Ende hebben dit soo verre gedreuen, tot dat men nu onlancx in eene particuliere vergaderinge der Gulickssche ghemeynten, alwaer ettlicke broederen wt de nederlandissche ghemeynten die nu onder ’tcruyce syn ende oock wt sommige anderen ghemeynten verschenen waren sulcx voor te. dragen heeft voorgenomen ende besloten. Hiertoe hebben sommige broederen wt haeren eyghen ende besonderden naeme mynen ghenaedigen Heere Den printze van Orangien onderdanichlick versocht, dat syn vorstelicke Ghenade wilde toelaten dat ick, die wt beuel mynes ghenadichsten heeren des Palsgrauen, nu eenen tyt lanck, by syn vorstelicke ghenade naemelick des printzen geweest was, mochte oock inde voorgenoemde vergaderinghe verschynen, om nae de cleyne gauen die ick van God ontfangen hebbe, welcke sy magschien hoogher achteden, wt liefde ende ghenegentheyt die sy my toedroegen, dan ickse kan geuoelen, haere voornemen te helpen voorderen. Hetwelcke syn Vorstelicke ghenade niet alleen voor goet heeft ingesien, ende haere voornemen hem laten geuallen, maer oock van gantzer herten daertoe geraden, ende hoogelick gewenscht dat sulcx mochte te wege gebracht werden, verhopende dat het met Godes hulpe ontwyffelick tot eenen goeden saligen eynde soude ghedyen.

Ende heeft my wtdruckelick belast, hun die aldaer vergadert waren datselue oock te kennen te gheuen, tsamen met sommige andere punten die ick hun soude van syner vorstelicke ghenade wegen voordragen. In den welcken nochtans niets en heeft kunnen besloten werden, ouermits dat sy voor den meesten hoop werdden wtgestelt ende opgeschorst tot aen het algemeyne Synodum der nederlandissche gemeynten. In het welcke sy alle te samen eendrachtelick gewillcuert, ende gestemt hebben, bekennende het voor seer nut ende gantz noodich te wesen. Waerin oock geuolcht hebben alle de dienaren ende broederen der Weselsscher

|56|

ghemeynte, den welcken het oock desghelycks is voorgehouden geweest.

Derhaluen so ben ick vanden voorghenoemden broederen versocht geweest, als die ghene die konde getuygeniss geuen vanden will ende meyninghe myns voorgenoemden ghenadighen heeres des printzen, v L. met eenen brief wt haerer aller naeme te bidden ende te versoecken, dat v L. dese saecke met een christelick hertt ende ghemoet willet insien, ende den grooten noot onser armer ghemeynte die niet alleen met sware veruolginghen maer oock met velerley sieckten ende andere aen-uechtinghen soo van binnen als van buyten schier onderdrucket wordt, aensiende, willet ernstelicken bedencken hoe grootelicx van noode dat het syn soude ende wat een grooten nut ende orboor alle lidmaten des lyffs Christi daer wt souden ghenieten, dat sulcx te weghe ghebracht werdde, also men in Vranckryck dickmael beuonden ende gespuert heeft, daer sy in ’t midden onder ’t cruyce haere generaele Synoden so te Parys als te Orleans ende elders op verscheyden tyden ghehouden hebben: Ick achte broeders dat het v L. nae de wysheyt ende verstandt daer mede v God begauet heeft, dit vele beter ende grondelycker kunnet begrijpen ende by v seluen ouerwegen dan ick het met eenich schryuen soude kunnen wtdrucken, wieshaluen het oock onnoodich is vele woorden hier in te gebruycken, Dewyle doch de saecke haer seluen ghenoechsaem wt-wyst, ende schier claerlicken spreeckt, also dat het een yeder wt hem seluen mercken kan.

Daerom is myn ootmoedich ende vriendelick bidden aen v l. soo wt naeme vande voorghemelde broederen ende te samen oock der broederen tot Heydelberg ende Pranckendal, als oock wt mynen eygen naeme als wesende een cleyn lidmaet des Heylighen Lichaems Christi Jesu, daerin wy alle te samen verbonden ende verknocht syn, Dat v L. met alle vliet ende arbeyt dese saecke beneerstigen wilt, ende v hierin met ghemeyne eendrachticheyt begeuen, seyndende wt vwe ghemeynten ettlicke dienaeren ende broederen van beyderley spraeken Duytssche ende Walssche die volmachtiget syn, om alles wat inde ghemeyne vergade-ringe sal voorgedragen werden te mogen bewilligen ende besluyten euen als off v l. alle met eenander aldaer tegenwoordich waert, Ter plaetsen ende ten tyde als v l. van onsen broederen van Embden (welcke wy gebeden hebben, dat sy aengesien de gelegentheyt haerder plaetsen willen met den ghenen die van hier met eendrachtighe bewillinghe der broederen daertoe geschickt syn beraetslagen ende besluyten ouer den bequaemsten tyt ende allergelegenste plaetse) sal genoemt ende verclaert werden. De ghemeynten all hier sullen haer oock daarin met christelicke liefde ende eenicheyt begeuen, begherende van gantser herten dat het tot loff ende prys Godes ende tot opbouwinghe syner gemeynte ghedyen muege. Oock muegen v l. haer versekert houden dat Syner vorstelicken ghenaden een groot welgeuallen daeraen geschieden sal, dewyle hy doch niets inder werelt so seer en begheert als de voorderinghe der heerlicheyt Godes ende de opbouwinghe der ghemeynten, welcke hy genoech bekent hier door eene groote voorderinghe ende toeneminghe te kunnen ontfangen. Ende nademael ick ouer v l. goeden heyligen ende

|57|

christelicken yuer geenssins en twyffele, ende derhaluen my wel versekert houde dat het v l. in geenerley wyse en sullent affslaen, So will ick hiermede v l. den almachtigen God, ende syner ghenadighe beschuttinghe van herten beuolen hebben biddende dat v l. my haere arme medelidmaet ende dienaer in alles wat ick vermach willet in vwen heyligen gebeden den almachtigen God beuelen. Datum te Wesel.

[Buitenop, met eene andere hand:]
Voor de wtgewekene Nederlantsche Ghemeijnten
beijde Duytsche ende Franchoijsche In Engellant
Ende eerst bijde Duijtsche Consistorie te openen. Etc.

Rutgers, F.L. (1890) I.3

3. Brief van de gedeputeerden ter voorbereiding van de Emdensche Synode aan den Kerkeraad der Nederduitsche vluchtelingenkerk te Londen, d.d. 24 Juli 1571 (Uit: Eccl. Londin-Bat. Arch., Tom. II, Epp. et Tract. blzz. 378-387).

Genade ende vrede van God den Vader door Jesum Christum onsen Heere ende Heylandt, Amen.

Eersame Heeren ende seer geliefde broeders inden Heere. Wij onderschreuen broederen doen v L. verstaen, hoe dat eenige onser met wtgewekene broederen, die wij vmmers meijnen dat Godt van herten vresen, ende de welvaert ende opbouwinge syner Gemeijnte soucken, nu onlanx bij haer seluen hebben ouerslagen, Offmen niet eens een generale bijeencompste ende vergaderinge soude cunnen becomen van de Kercken die althans door Gods sonderlinghe genade so wel inde Nederlanden onder t’ cruys bewaert worden, als oock die allenthaluen door de wille dësselfs verstroyt sijn. Ende hebben sulx hare goetgedachte voornemen eenige vande voornaemste Dienaren des Woordts ende anderen broederen tot Heydelberch ende Franckendael residerende voorgehouden. De welcke het selfde vermits de groote ende wtnemende vruchten die daer wt den Ghemeijnten Christi Jesu in toecomenden tijt ende oock staende dese algemeijne verstroyinge soude mogen toecomen, hebben onbeswaert der seluer broederen voorgeuen voor heylich goet ende nootsakelick ingesien, ende opte selfde begeert dat sij toch met alder diligentie eenige wyder middelen souden willen voorwenden, om dat dit ter eerster gelegender tyt int werck gestelt soude mogen worden, gelyck v L. dan oock wt den bijgevoechden brief [A] der voerseiden Dienaren tot Heijdelberch woonacht. die sij aen de kercke van Wesel ende elwaerts in ghelyke tenoor hebben geschreuen volcomelicken sult verstaen, daer sij dan oock eenige artijculen bijgeuoecht hebben, van de welcke hen goet gedacht heeft dat men in so een vergaderinge soude mogen verhandelen. Tis nu also dat de voerseiden broeders ende aengeuers van so een heylich concept terstonts daerna sijn gereijst bij onsen genedigen Heere den Prince van Oraengien &c. om hier op te aenhoren het auijs ende den goeden wille van syn Excellentie de welcke sulx niet alleen voor goet ende

|58|

nootwendich gheacht heeft, dan heeft daer beneuen oock wel genedichlicken belooft sijn authoriteijt daer ouer te willen interponeren, als ons de godsalige ende hoochgeleerde Heere Philippus van Marnix, genaemt van Mont sint Aldegonde onsen lieuen broeder selfs mondelick heeft aengedient, dewelcke van syn Excellentie brieuen van credentie voor hem brengende bij de welcke alle gemeijnten van syn Excellentie versocht worden volcomelick geloof toe te stellen in al het ghene hij van wegen syne Excellentie soude voordragen, mette andere bijgeuoechde broeders gereijst is in het Prouinciael Sijnodo te Betber in het sticht van Coelen den iiijen Julij lestleden gehouden, alwaer te dier tijt vergadert sijn geweest sekere Dienaren des Woordts der Nederlantsche Kercken daer ontrent residerende, ende oock een Dienaer des Woordts te Bruijsel, met noch een ouderlinck der Gemeijnte van Antwerpen, den welcken altesamen de voerseide van Aldegonde heeft voorgestelt sekere artijculen [B], die wij v L. alhier nu ouerseynden, met corte beantwoordinge ofte Apostillen des voerseiden Prouinciael Sijnodi in mergine aengeteijkent, waer in v L. sien mogen de eendrachtige bestemminge der nootsakelickheijt van een algemeijne oft generale vergaderinge der voerseiden wtghewekene ende oock onder t’ cruys suchtende gemeenten ter eerster gelegentheijt ende op eenen sekeren prefixen tijt te celebreren. Tot welcken eynde het voorgemelte Prouinciael Synodus ons onderschreuen beyde haer heeft gecommitteert ende met een versocht dat wij in der ijle souden reijsen aen de Nederlantsche Kercken in het Lant van Cleef haer onderhoudende om oock haerlieder aduijs daer op te anhoren. Het welcke wij dan also gedaen ende ons tot Wesel hebben geuonden, alwaer de voerseide van Aldegonde selfs in persoon is geweest, ende heeft de propositie der voerseiden angeuers met ons den wt-gewekenen Dienaren ende broederen aldaer, oock helpen voordragen, ende henlieden het aduijs kies voerseiden Prouinciael Sijnodus vertoont mette voerseide gheapostilleerde beantwoordinge der bijgeuoechde artyculen, ende hen met een mondelick verclaert ende angedient de genedige ende goede affectie die syn Excellentie daer toe hadde. Al het welcke bij die van Weesel met Christelicker andacht ouergeweecht sijnde, hebben sulx oock eendrachtelick gheauoueert, ende gans nootwendich gheacht dat so een algemeyne vergaderinge beijde der binnen ende buytenlantsche Kercken metten alder eersten te wege gebracht soude mogen werden; ons wyders tot dien eijnde authoriserende, dat wij desgelijx oock an die andere Cleefsche ende Eemdelantsche wtgewekene gemeijnten souden versouken, also wij dan oock metterdaet sijn nagecomen ende gelyke aduys ende genegentheijt tot dese sake vande voerseide Cleefsche kercken voor eerst gheimpetreert hebben. Ghelyck v L. het seluige wt den brief [C] des voerseiden van Aldegonde aen de Duytsche en Francoijsche wtgewekene broederen te Eembden woonende, gheschreuen, ende v L. hier bij werdt ouergesonden genoech sullen vernemen &c.

Dit dan aldus te Wesel ende bij andere gemeenten daer ontrent synde bij ons verricht wesende, syn wij ylende naer Eembden getogen, ende hebben aldaer oock eijntelick, na veele beraetslaginge van wtgewekene

|59|

Dienaren ende broederen van verscheyde prouincien so veel gheobtineert dat sij inde substantie des voorgeuens bewillicht ende geconsenteert hebben. Maer want dit wel de aldermeeste swaricheyt is wanneer ende tot welcker plaetse men dit alles op het bequaemste ende sonder perijkel hoe eer hoe beter soude cunnen int werck stellen, so hebben wij wt laste ende beuel des voerseiden Prouinciael Synodus ende der broederen van andere gemeijnten, metten wtgeweken Dienaren ende broederen alhier, die inde voorgestelde propositie bewillicht hebben, so veele vercregen, dat ons bij een yeder natie een persoon gestelt ende begevoecht is geworden, mette welcke wij, om dese sake also gans secreet te houden, vande tyt ende plaetse souden delibereren, ende oock besluyten, namelick waer ende wanneer men dese voerseide algemeyne bijcompste der kercken op het be-qwaemste soude mogen ten effecte brengen. Welcke bijgeuoechde persoon den tijt ende plaetse niemant anders en soude vercondigen dan den genen die wt syn natie gedeputiert soude werden in dese algemeyne vergaderinge te reysen, ende dat oock niet eer ende voor de tijt der houdinge desselffs nu bij na voor de duer syn soude, om also alle voorvallende peryculen ende verraderije (so de duijuel met syne trawanten toch niet en slaept) te voorcomen ende euiteeren.

Dewyle wij dan alhier metten voerseiden wt eelcke natie ons bijgeuoechden broederen vanden tijt ende plaetse syn geresolueert, ende wij ons niet anders en cunnen persuaderen of v L. sullen in so een heijlich ende goet voornemen mette andere Dienaren ende broederen van herwaerts ouer oock geerne bewilligen, so heeft het ons niet ongeraden gedacht de selue middelen, om deze sake gans ende so veel het vmmer-mcer mogelick is secreet te houden, v L. also oock voor te dragen, ende den tyt ende plaetse in desen niet wtdruckelick ofte oopentlick te nomineeren, dan sulx in desen ingeleyden besloten brief met D geteekent te specificeren, den welcken v L. nadat sij inde substantie van dese alhier voorgedragene ende geaccordeerde sake sullen bewillicht hebben, v L. Dienaer des woordts der Nederduijtsche gemeijnte te Londen terstonts mogen ouer antwoorden, ten eynde hij de seluige met eenige andere Dienaren ende broederen, so wel der Franchoische als der Nederduijtsche gemeijnten, daer toe ghestelt, sal mogen communiceeren, ofte andere Dienaers also besloten ouerseijnde, De welcke den inhouden des-selfs dengenen wijders sullen alleen vercondigen die van v L. gedeputeert sullen worden om opte voerseide algemeijne vergaderinge te verschijnen. Tis nu also dat wij alhier van de tyt ende plaetse niet absoluytelick geresolueert souden hebben, indien dese sake so wel in de voor-somer als in de nasomer des tegenwoordigen iaers eerst voorgegeuen ende also verde gebrocht hadde geweest, en connen wel vernemen dat v L. ons sulx niet ten besten hadden mogen affnemen, vermits de mennichte der loffelicke Gemeynten aldaer florerende ende het getal ende gauen van dese van herwerts ouer maschien verde passeerende; De welcke men in sulcken geual voor eerst hadde moeten besouken, om metten selfden al het geene voerseid is voor alle andere kercken te consulteeren. Maer want dit wt anders geen oorsake en is nagelaten, dan om dat den

|60|

tyt des voor iaers ende somers wat verlopen, ende dat wij daeromme alhier van den tyt ende plaetse geresolueert sijn, om of het v L. vermits den naest bijwesenden winter ongelegen waer eenige gedeputeerde broederen wt v L. gemeijnten herwaerts ouer te schicken, datter eeuenwel dit Jaer noch eens een algemeijne bijeencompste van alle de gemeijnten, die hier sijn, ghehouden mochte werden. Dan of het v L., so wij wel verhoopen ja, niet iegenstaende den verlope des tyts eenichsins gelegen mochte wesen ten prefixen tyt ende plaetse daer dit sal geschieden te compareren, so is onse hertelick bidden v L. willen den jegenwoordigen metten alder eersten soot v belieft, doen copieren ende die den anderen Gemeynten aldaer met v L. scriftelicke vermaninge om in desen handel te bewilligen, doen adheresseeren: als wij ook bidden van desen bijgeuoechden brief [E] bij handen van Monsr dAldegonde aen v L. geschreuen, ende ons van hem belast den seluen, so haest wij hier te Eembden gedaen souden hebben, aen v L. ouer te seijnden, de welcke met noch andere van gelyken inhoudt door de haesticheijt van ons vertreck van Wesel de voerseide van Aldegonde ons heeft behantreijckt ende vergeten te superscriberen ende subsigneren. Dies wij dan eerst alhier te Eembden gewaer syn geworden. Maer om v L. desen aengaende alle scrupulus ende nadencken te benemen, hebben wy v L. bij den voerseiden ongeteykenden brief den voornoemden geteykenden brief ouergesonden aen de wtgewekene dienaren ende broeder alhier geschreuen ten eijnde v L. deene bij dander leggende sien mogen dat het een handt is ende van een ende den seluen man geschreuen. Welcke onse duechtelick excuijs wij ons oock versien dat v L. int goede sullen opnemen. Om dan hier eens een eynde te maken so willen wij v L. in den Name onses Heeren Jesu Christi ende van wegen sijner Lieue Gemejjnte welhertelicken gebeden hebben, sij willen desen brief ende alle andere bijgeuoechde opene brieuen ende stucken indient v L. goetdunckt terstonts doen wtschrijuen ende de seluige oock andere gemeenten toeschicken, Ten eynde sij lieden in alder diligentie daer op geresolueert synde, eenige godtsalige ende treffelicke mannen vol des H. Gheests, met v L. te samenderhant mochten verkiesen die hen bij dese Heylige algemeijne vergaderinge ten prefixen tyde ende plaetse inder yle mochten laten vinden, Om van alle voorvallende saken ende geproponeerde ofte meer andere swaren questien te verhandelen ende communiceren, ter eeren Godes almachtich ende tot opbouwinge Syner lieue Gemeijnte; Ende dit alles nae het hertelick begeeren des voerseiden Prouinciael Sijnodus ende der andere versochte kercken. Twelck doende v L. niet alleen Gode almachtich een seer welgeuallich werck ende dienst doen sullen, dan sullen oock den Prince van Oraengien etc onsen genedigen vorst end Heere een sonderlinge materie beraden om hem van gantscher herten van v L. ende van alle andere wtgewekene ende oock noch inlandische Gemeijnte haere groote eenicheijt beijde inder Leeringe ende conuersatie te verblijden, ende door dien eenen meerderen moet te grijpen om de algemeyne verlossunge door Godts genadige hulpe an de handt te nemen ende volvoeren.

|61|

Hier mede den seluen getrouwen Godt ende Vader onses Heeren Jesu Christi wel hertelick beuolen. Actum onder ons, hier toe gecommitteert sijnde, gewoonlike handt ende subsignatie den XXIIIen dach van Julius anno 1571.

Die alle v L. zeer goetwillige vrunden ende broeders in den Heere.
Vester in Christo frater Gerardus Culenborgquus verbi Dei minister.
Willem van Zuijlen van Nijeuelt.

 

Wy onderschreuen broederen als gedeputeert synde van enighe broederen wt elcker natie te Eembden woonachtich om mette bouengeschreuen gecommitteerde broederen van den tyt ende plaetse deser algemeijner vergaderinge der Kercken na luijt huerder Commission te resolueren, bekennen en certificeren bij desen dat wij met hen een sekeren dach ende plaetse bestemt hebben na inhoudt des besloten briefs hier bouen gementioneert ende opten rugge met D getekent. Oorconde ons handen hier onder gestelt tot Eembden den XXIIIIen July Anno 1571.

Gherardus mortaingne ad hoc a nonnullis Flandris deputatus.
Joannes Polyander Gallicanae Ecclesiae Minister, Emdae, ad praescriptum a fratribus deputatus.
Cornelius Rhetius deputatus a certis quibusdam fratribus nationis Brabantiae et Zelandiae ad praescriptum 5. 24. 1571.
Isbrandus Hardenvichius fratrum rectorum nomine ecclesiae Firisae.

Rutgers, F.L. (1890) I.4

4. Uittreksels uit de Acta van den Nederduitschen Kerkeraad van de Nederlandsche vluchtelingen-kerk te Keulen, d.d. 13, 22, 27 en 31 Augustus 1571 (Uit de Werken der Marnix-Vereen., Serie I, Dl. III, blzz. 5-9.)

[Den 13 Augustus.]

Item volghens den accorde vanden 5 ende 12 Augusti 1571 voors. 1)


1) Het bovenstaande wordt opgehelderd door het stuk, dat in het Actenboek van den Nederduitschen Kerkeraad te Keulen onmiddellijk voorafgaat, en waarmede dat Actenboek begint (a.w., blzz. 3-5); welk stuk aldus aanvangt: „Inden naeme des Heeren. Also de wtghewekene Nederlanderen tot nu toe hier inder Stede Cuelen altijt by de Ghemeynte gheweest zijn, die voor hare koemste daer was, ende dat daer dickwils disputacien ghevallen zijn in verseheyden saeken den kercken belanghende, ende daer de een partye so wel als de andere sich somtijts excuseerden als dat hun de saeken niet aen en ghinghen, ende dat also sommighe goede saeken diewils te rugghe ghebleven zijn, dwelek tot opbouwinge der Kercke niet voorderlick en was, soo hebben de broederen sich dicwils daer over beraetslaecht, hoe men op beyder sijden alle saeken soude moghen wtrechten tot Godes eere ende der opbouwinge sijnder kercken ende nae veel tsaemensprekinge veraccordeert opten 5 ende 12 Augustus 1571 dat men sich in de Kegeringe der Kercken sal houden van ➝

|62|

zijn tot Auderlinghen vercoren ende aen den dienst bleven de naevolghende persoonen:
Peeter van den Eynde, Everaert van Heyst, Adriaen van Coninxloo.
Ende tot Diaconen zijn aenghebleven ende vercoren:
Jan Droochbroot, Lenaert d.... [oningevuld], Jooris Faes.

Welcke voors. Auderlinghen ende Diaconen (wtghenomen Peeter vanden Eynde absent wesende, ende Jan de Roy e in sijn plaetse) hebben aenghevanghen ende ghehouden het eerste particulier Consistorie den 13 Augusti 1571, ende aldaer besloten tghene des hier naest volcht, teghen-woordich zijnde beyde de ordinari Dienaeren des Woordts [nl. Sibertus Lohn en Henricus Vellem], in het welcke een vanden selven, naemelijck Henricus Vellem voor d’eerste gepresideert heeft.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Die broeders hebben eendrachtelick tsamen in consistorio bewilllicht und fuer goet aengesienn, dat men dat Generael Synodum sal besuchenn.

 

Den 22 Augusti.

Presentes: Adriaen, Roy, Heist, Droochbroot, Sibertus.

Item beschlossen dass die Nederlenschen noch einmal den Cölenschen aen sullen suechen om zu verwillighen einen von den diener zu erlauben auff dat generael Synodum zu senden; so aber solches nit gestadet wirdt, salmen schicken na M. Pieter Haesert, om den selbighen mit Johan de Roy al daer op dat Synodum to senden. Hie zu verordnet Adriaen Konixloo un Johan de Roy.

Item beschlossen das Adriaen Konixloo und Johan Droochbroot van wegen der Nederlenschen sullen am C.F.G-. den Pflasgrave [sic] supplieren om to verlauben Dathen, Colonium, Taphinum und fort sumssmehr dar zu dienelich, so die nottruft fortdert, to trecken op dat generael Synodum.

 

Den 27 Augusti.

Presentes: Sibertus, Henricus, Adriaen, Heyst, Jan de Roy, Droochbroot, Leenart, Gieles scepper.

Beslossen das Jan de Roy sal besuchenn das Provinciael Synodum int landt van Gulich, mit dem dienaer die gesondenn sal werdenn van der gemeynte van Cuelen.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Men sal hier achter bey die brieven te boeck stellenn die credentie


➝ nu voort aen als volcht.” En daarop volgt dan, in 9 artikelen, het Accoord, tot organisatie van twee kerkelijke kringen, die, hoewel in belijdenis, kerkelijke inrichting en taal geheel overeenstemmende, toch ieder hunnen eigenen kerkeraad enz. zouden hebben. Met het oog op die afzonderlijke organisatie kan dus, voor den tijd na Augustus 1571, duidelijkheids-halve, gesproken worden van de Nederlandsche vluchtelingen-kerk te Keulen, en zelfs, nog meer bepaald, van de Nederduitsche vluchtelingen-kerk (daar ook de Waalsche vluchtelingen te Keulen, reeds om het verschil van taal, hunnen eigenen kerkeraad hadden); maar eigenlijk is dat toch niet geheel juist. Het was en het bleef ééne Kerk of Gemeente; gelijk dan ook in het genoemde Accoord, in den aanhef van art. 1, dit beginsel op den voorgrond stond, dat „de Broederen het zij die voors. Nederlanderen ofte Inghesetene” erkend en beschouwd werden als „tsaemen in een Ghemeynte wesende een Corpus oft lichaem zijnde.”

|63|

brieven met oock die instructienn ende punctenn welcke die gedeputeerde die reysenn sullenn op het provinciael und generael Sinodum metsullenn dragenn um vuer te geven.

 

Den 31 Augusti.

Presentes: Adriaen, Johan de Roy, Droochbroot, Lenert, Sibertus.

Item beschlossen dass Adriaen von Koninxloo sall von wegen der gemeinte verleggen acht und twinctich daller und overtellen Johan de Roy umb das Synodum provinciael zu Achen zu versuchen, und folgens dar-nach das generael in den Niderlanden mit Siberto, von welcken daller wederom komende sijn, sal darvon den Consistorio rekentschap geven, und hyr tegen so bald als dass gelt von der gemeinte ist ingefordert, als dan sall das Consistorium Adriaen voors. von den verluchten penningen genocht doen.

Rutgers, F.L. (1890) I.5

5. Brief van de twee Nederlandsche vluchtelingen-kerken te Keulen (de Waalsche en de Nederduitsche) aan de Nederlandsche predikanten te Heidelberg, P. Dathenus, P. van Cuelen en Taffin, d.d. 18 Augustus 1571 (Uit de Werken der Marnix-Vereen., Serie III, Dl. V, blzz. 6 vg.).

Paix et salut par Christ.

Messieurs et freres treschers, Combien que nous soyons plus qu’asseurez du grand desir que vous avez que le Synode general se tienne, pour le tres grand prouffit qui en reviendra a leglise du Sr, nous vous avons bien voulu prier et inciter par la presente a y tenir la main tant que pourrez, a ceque ceste oevre tant prouffitable et necessaire ne demeure arriere pour les difficultez qui se presentent tant du lieu que dautres choses. Car nous ne doubtons point, que dautant que cest une oevre de grande importance et qui peult beaucoup pour restablir les Eglises dissipees, confirmer celles qui sont ja dressees, et couper breche a beaucoup de vices et corruptions, qui y ont lieu et y auroyent a l’advenir, que le Diable ne face tous ses efforts pour l’entre-rompre et empesscher. A laquelle ruse il est du tout necessaire d’obvier. Car nous entendons (a notre tres grand regret touttefoys) que Satan se vouldroit bien servir des freres Hollandois pour rompre ceste saincte entreprise; chose vrayement a deplorer.

Or daultant que cela est de mauaise grace et attirant avec soy une tres mauaise queue, nous avons trouve bon d’en advertir son Exce. et prier icelle dinterposer son authorite sous la charge de monsr. St. Aldegonde, afin que led. Synode estant authorise par sade. Exce., il puisse avoir plus de vertu et proffit, et nous semble que feriez tres bon sy avec nous vous luy en escrivies, Le suppliant de ne dilayer a envoyer incontinent audits Hollandois commandement expres de sy trouver.

En attendant vos responces, nous prierons le Donateur de tous biens de combler vos saincts et vertueulx desirs, a la ste. grace du quel nous vous recommandons, et nous aux votres. De Couloigne 18 de Aoust 1571.

|64|

Onder stondt geschreven:
Francoys le Clerc
Nicolas Moryan,
Ancien de L’eglise Walon en Coulongne.

Et au nom de Leglise Flamengue audt. Cologne
Adriaen van Conincxloo et
Jan de Roye, Anciens.

Rutgers, F.L. (1890) I.6

6. Brief van de twee Nederlandsche vluchtelingen-kerken te Keulen (de Waalsche en de Nederduitsche) aan Prins Willem I, d.d. 22 Augustus 1571 (Uit de Werken der Marnix-Vereen., Serie III, Dl. V, blzz. 3-6).

Doorluchtighe, Hoochgheboren, Genadeghe Vorst ende Heere, U. V. G. sal ghenoech bekent zijn (so ons niet en twijfelt) de groote genade, die ons onse goede God ende Vader ghedaen heeft in het beweghen der hertten van meest alle de Ministèren onses Vaderlants, met oock noch diversche andere, niet van onsen Vaderlande wesende (die oock nochtans onder het cruyce gheseten zijn), ende dat in sulcker voeghen als dat sy hun seer korts by een sullen versaemeien in een.generael Synodum, waer van den dach ende plaetse sijne Vorstelijcke Ghenade ghenoech sal te kennen ghegheven zijn door den Heere van St. Aldegonde, also ons niet en twijfelt. Welcke versamelinge voorwaer gheen kleyne nutticheyt ende eenicheyt inder Kercken onses Heeren Jesu Christi brenghen en sal, waerwt oock volghens dien spruyten sal een goede gheregheltheyt ende voorderinge tot alle goet in politicque saeken. Want waer goede ordeninge ghestelt ende eendrachticheyt is in gheestelijcke saeken, daer ghetuycht elck eene de vreese des Heeren ende volghens dien een goede gheneghentheyt tot sijne evennaesten ende tot der ghemeyner welvaert. Daer in contrarie, sulcke ghoede ordeninge ontbrekende, ende volghens dien de vreese des Heeren in der menschen hertten niet te recht gheplant en wordt, wel eenen schijn der voors. goeder genegentheyt ende affectie is, maer als ment inden grond aensiet ende wel ondersoeckt, so en bevindt men daer niet dan gheveynstheyt, eyghen nut ende baete. So datter inderdaet seer weynighe bevonden wordden, die de ghemeyn welvaert soeken te voorderen, ghelijck sijne V. G. by velen in dese voorleden tijden (d’welck Gode geklaecht zij) wel bevonden sal hebben.

Ende also wy wel dencken dat sijne V. G. ghenoech bericht sal wesen van dat de Hollandsche natie hen (ten deele) weygheren op het voors. generael Synodum, brenghende voor excusatie sommeghe redenen, welcke (naer ons beduncken) niet ghewichtich en zijn, ghelijck wy wel meynen dat sijne V. G. wel ghesien sal hebben wt de copie van hun antwoorde, ende dat sijne V. G. veel bij de selve natie (desghelijcx oock bij allen anderen onse natiën etc.) vermach, niet alleen midts de goede gheneghentheyt die sy van naturen tot sijne V. G. draeghen, maer oock van weghen der authoriteyt die sijne V. G. over ons heeft, als onser aller Beschermheer zijnde, So is ons ootmoedich bidden aen sijne V. G., dat hem ghelieven wille aende voors. Hollandtsche natie niet alleenlij eken te begheeren, maer oock te ghebieden hen, oft hunne ghedeputeerde, opt selve Synodum te laeten vinden, opdat door dien aldaer (sonder eenighe Nederlantsche

|65|

natie tontbrekene) met ghoeder ende ghesaemelder eendrachtigheyt alle gheestelijcke saeken mochten ghehandelt ende besloten wordden tot Godes eere ende tot opbouwinge sijnes Huys, het welck sijne Kercke oft Ghemeynte is.

Bidden voorts seer ootmoedelijcken, ghelijck sijne V. G. eenmael toeghelaten heeft, mijnen Heere van St. Aldegonde te compareren op het provintiael Synodum voorleden, dat oock nu sijne V. G. tot voorderinge derselver saeken voorst. den voors. Heere wederom gelieve te seynden op dit teghenwoordich generael, midts sijne presentie aldaer seer vele kan wtrichten, ghelijck wy tselve ghenoech weten by experientie van het voorleden provintiael, merckende in alles dat onse goede God den voors. Heere grootelijcx beghaeft heeft met vele ghaven, also dat hy voor veel andere een sonderlinge Instrument is, seer bequaem om het vervallen, huys des Heeren wederom op te bouwen. Ende des te meer als hy met authoriteyt sijnes V. G. ghesonden wordden sal, sonder welcke authoriteyt te beduchten is, dat daer somighe hun bemoeyen sullen (so wt onverstandt als wt boosheyt) alsulcken ghoeden ende seer noodighe saeke voorst. te verachten ende soeken te verachteren.

Wel is waer, dat ons niet en twijfelt, oft sijne V. G. en sal den voors. Heere seer quaelijcken van hem laeten reysen konnen, midts hem in veel ander noodtsaekelijcke dinghen van doen hebbende; maer wy hoepen als sijne V. G. aenmercken sal de ghewichticheyt des voors. Synodus, hy onse ootmoedige bede niet en sal afslaen. Ende so doende sal sijne V. G. een seer goet christelijck werck doen ende der Kercken des Heeren eenen grooten dienst, ende sullen derhalven oock veroirsaeckt zijn den Heere voor sijne V. G. te bidden dat hem God sijnen H. Gheest seynden, hert ende moet gheven wille om de rechte saeke van so menighen be-druckten ende benauden menssche (ter gheleghener tijt) met der handt te nemen. Versekerende sijne V. G. een yeghelijck nae onsen vermoghen inder selffder saeken altijt ons debvoyr te doene ende de selve te helpen voorderen alst wel behoorlijcken is. Datum tot Cuelen den 22 Augusti 1571.

Onder stondt gheschreven: By ons sijne V. G. onderdanighe dienaren
In naemen als ondersch.
Nicolas Moryan, Ancien
au nom de l’eglise Walon a Colougne.
Francoys le Clerc.
Ende van weghen der Kercke van de Nederlantsche Duytsche spraecke,
Adriaen van Conincxloo ende
Jan de Roye, Ouderlinghen.

Rutgers, F.L. (1890) I.7

7. Punten ter overweging gegeven op de Provinciale Synode te Aken van den 9 September 1571, door de Nederlandsche Kerken te Keulen, d.d. 27 Augustus 1571 (Uit de Werken der Marnix-Vereen., Serie III, Dl. V, blzz. 8 vg.)

|66|

Dit zijn de puncten ende Articulen welcke door Henricus Vellem ende Jan de Roye, als gedeputeerde, sullen voorghedraeghen wordden op het naest komende Provintiael Synodum, welcke (so het God toelaet) tot Aken sal aenghevanghen wordden den 9en Septembris, anno 1571.

1. Den Broederen, int provintiael Synodum voorst. present wesende, kerckelijcken te vermanen, van op het generale Synodum te verschijnen, welck nu haestvolghend den 1 October tot Embden in Oost-Vrieslandt sal ghehouden wordden, soo het de Heer toelaet.

2. Dat sy om op het voorso. Generael over te gheven by memorie stellen willen alle naemen van predicanten hun bekent, welcke haeren roep (wt noodt oft by ghebreke) verlaten hebbende, nu ledich zijn, oft eenighen anderen staet aengheslaeghen hebben. Ende van ghelijcken oock de naemen van persoonen, die tot sulcken Ampte mochten sonderlinge bequaem wesen ende eenen inghanck alreede hebben. Desghelijcx oock van allen anderen Studenten ofte Scholieren, daermen tot sulckes als gheseyt is ghoede hoepe van heeft, het zij rijcke ofte arme.

3. Dat het noodich ende ghoet waere datmen alle puncten besluytende in desen provintialen Synodum die annoteerde ende aenwese met eenighe klaer texten wt der H. Schrift, oft met exempelen der selffster oft met eenighe ander redenen, welcke op Godes woordt mochten klaerlijcken ghegrondt zijn. Ende sulckes om alle onverstandige ende lasteraers den mondt te stoppen, welcke segghen mochten: Het zijn niet dan menschen instellinghen.

4. Oft het den Christenen gheoorloft is hun te vinden opte maeltijden ofte feesten, welcke ghemeynelijck hier te lande ghehouden wordden, wanneer daer eenich kindt inde papistische kercke ghedoopt wordden is.

5. Item den teghenwoordighen Synodo indachtich te maeken, datmen int eyndeghen ofte besluyten desselvighen eenen President verordineere ende erwele oft verkiese, die authoriteyt hebbe op het naestvolghend Synodum Provintiael alle omligghende kercken der Provintie te beroepen ende hun te laeten weten vanden dach ende plaetse daer het voorse. sal ghehouden wordden.

Rutgers, F.L. (1890) I.8

8. Punten ter overweging gegeven op de algemeene Synode te Embden van den 4 October 1571, door de Provinciale Synode te Aken, d.d. 9 September 1571 (Uit de Werken der Marnix-Vereen., Serie III, Dl. V, blzz. 9-17).

Dit zijn de puncten ende articulen, welcke door Sibertum Lohn D. d. W. ende Jan de Roye (als gedeputeerde) sullen voorghedraegen wordden op het naestkomend Synodus generael, welcke (so het God toelaet) tot Embden in Oost-Vrieslandt eerst sal beghinnen ende aenghevanghen wordden den 1 Octobris anno 1571.

Volghen eerst de generale puncten.

1. Dat het ten eersten ende voor al noodich zij te ordineren ende te

|67|

verkiesen (indien sy anders niet alree verordineert ofte verkoren en zijn) eenen President ende tot sijnder hulpe twee, drye ofte meer bysitters, ende oock eenen Secretarius, die alles opschrijve.

2. Item oft niet goet ende nut soude wesen dat een yeghelijck sijne redenen, die hy voor te draeghen hadde, schriftelijcken soude overgheven den derdden dach naer de voors. verkiesinge, in handen vanden voorsen. Secretarius, welcke de selve by malcanderen oversien sal om acht te nemen oft diversche kercken eenighe ghelijcke redenen ofte puncten van wille zijn voor te draghene. Ende indien tselve bevonden wordde, dat hy dan als het tijt is sulcke redenen voort te brenghene, sal verclaeren dat sulcke redenen ende puncten (welcke alree eens van eenighe kercke daer mach voorghedragen zijn gheweest) by sulcke oft sulcke ghedeputeerde van dier oft dier kercke voortghebracht zijn, ende dat derhalven onnoodich is die wederom voor te stellen. Ende dit daeromme, opdat eenderley puncten ofte redenen niet 2, 3 ofte meermaels verhaelt en wordden ende den tijt niet te vergeeffs also overghebrocht en wordde. Ende oock opdat de ghene die God so seer niet beghaeft en heeft (als meer andere) van haere redenen mondelingh voor te draeghen, sulcx schriftelijcken (als voorst, is) te bequaemer mochten voorgheven 1).

3. Offt niet ghoet ende noodich waere alle puncten ofte articulen welcke in dit generale Synodum sullen besloten zijn, ende oock hier naemaels in eenighe naevolghende Synodis (het zij generael ofte provintiael) mochten besloten wordden, die selve (in het opschrijven als besloten zijnde) te annoteren ofte aenwijsen met eenighe klaere texten der H. Schrift, oft met eenighe andere redenen, welcke op Godes Woordt vast ende klaer ghegrondt mochten wesen. Ende sulckes om alle onverstandige ende lasteraers den mondt te stoppene, welcke segghen mochten: Het zijn niet anders dan menschen instellingen?

4. Item oft niet ghoet ende noodich en waere eenighe Bijbels te laeten drucken met approbatie eenighes generales Synodums, midts dat vele verscheyden Bijbels ghedruckt zijn, waer van sommige ghelijcke capittelen ofte texten van verscheyden verstande ende translatie sijn ende teghens malcanderen schijnen te strijden, oft ten weynichste seer duyster zijn?

5. Item oft niet ghoet ende noodich en zij allen Christenen te vermaenen ende te ghebieden, gheene boecken der Religiën aenghaende te laeten drucken, ten zij dat de selve eerst ende vooral by dry ofte vier kercken ghevisiteert ende gheapprobeert zijn?

6. Item oft in een ghereformeerde ghemeynte Christi het eerste wtkiesen ende noemen der persoonen, welcke mochten tot den dienst der kercken voorst, bequaem zijn, den Consistorio alleen toekomt oft den ghemeynen volcke, oft der kercken tsaemen int ghemeyne?


1) In margine is het volgende geschreven: „Indien de broeders onser gedeputeerde bevinden dat dese 2 eerste puncten niet voorghenomen en zijn om int werck te stellen, so sullen sy inder eerster Sectie ofte sittinghe audiëntie begheeren ende de selve proponeron.”

|68|

7. Item oft niet ghoet ende noodich en zij in alle Ghemeynten de prophetiën ende propositien op te richten ende eens ter weken tonderhoudene, op dat also alle jonghe predicanten beter gheoeffent ende te gheschickter mochten wordden in sulcken weerdighen ende swaeren ampt, ende op dat daer door oock alle onghereghelde ende te seer eenvuldige predicatiën mochten ghebetert wordden?

8. Item oft niet ghoet ende raetsaem en waere datmen saeghe te bekomen de puncten ofte articulen, welcke nu laest verhandelt ende besloten zijn int generale Synodum, ghehouden te la Rochelle in Vranckrijck, ende sich te verghelijcken [= gelijk te maken] met den selvighen in al wat moghelijcken zij ende ons dienen mach tot opbouwinge ende bevestinge des huys Godes in dese landen?

9. Item datmen alle gheoorloefde ende bequaemste middelen wil ghedachtig zijn voor te wenden ende te ghebruycken om die vander Ausborchsche Confessiën tot ons te ghewinnen.

10. Item oft oock gheoorloeft soude wesen den ghereformeerden Christenen den naem van der Ausborchscher Confessiën te voeren.

11. Item oft niet gheraeden wesen en soude alle voortreffelijcke ende groote Steden, daer eenighe ghereformeerde kercke onder tcruys schuylen, sichtent [= sedert] de aenghevanghen groote vervolghinge des hertoghen van Alba met sijnen aenhangheren noch ghebleven oft weder opghericht is, als naemelijck Amsterdamme, Middelburch, Antwerpen, Brussel, Ghendt, Doornijcke ende meer andere, die (seggh ik) te versorghen met eenighe sonderlinghe beghaefde dienaren des Woordts, niet om meerder authoriteyt te hebben oft te ghebruyckene, maer opdat het licht, daerse de Heere sonderlinge mit verlicht ende beghaefft heeft, te beter en openbaerlijcker verschijnen mocht inden ghantssche lande ende op dat alle andere omligghende te beter daer door int ronde mochten ghedient ende sulcke ghaeven ghelijckelijcken deelachtich wordden?

12. Item indien men gheraeden vonde onderhoudt te ghevene allen predicanten, die wt gebreke, noodt ofte benautheyt ende door de seer groote tyrannie ghedwonghen zijn gheweest haeren dienst ende beroepinge te laeten vaeren ende eenighen anderen staet aen te nemene, ende oock de selveghe te vermaenen haeren eersten roep waer te nemen, te studeren ende de H. Schrift te ondersoekene op dat sy des te bereeder ende bequaemer mochten wesen wanneer men haeren dienst in eenighe kercken van doen hadde. Item desghelijcx oock onderhoudt te ghevene ende bystandt te doene nae alle vermoghen. eenighe persoonen die tot sulcken Ampte voorst. alree eenighe goede ghaeven, beghinssel ende inghanck hadden, ende van ghelijcke oock eenighe jonge Studenten, het zy rycke oft arme, daermen ghoede hoepe van mocht hebben dat sy tot sulcx als voorst. is mochten bequaem wordden, oft dan niet (seggh ik) ghoet en waere dat elcke kercke de naemen van alsulcke voorse persoonen, daer sy kennisse van mochten hebben, opteekende ende den teghenwoordighen generalen Synodo by gheschrifte overghaeven ten einde als voorst, is?

13. Item oft den Consistoriis ghorloft is ende vrystaet in eenige

|69|

saeken, daer sy van twijfelen ende niet door eenighe ander middel de waerheyt gheweten en konnen, vanden principaelen persoon, dien de saeke beroert, eenighe forme des eedts aff te nemene ende daerop voort te vaeren ende te besluytene, ende oft sulckes alleene der Overheyt toekoemt ende niet den Consistoriën?

 

De particulier puncten.

14. Item oft eenige ghereformeerde Christenen niet gherust en waeren in haerlieder conscientie, omdat sy onder het pausdom opde papistische wijse ghedoopt zijn gheweest, oft sy hen dan met ghoeder conscientiën wederom souden moghen laeten doopen inder ghereformeerde christelijcker kercke ?

15. Item oftmen soude moghen doopen de kinderen van eenigen papist oft van anderen ongheloovighen, indien sy selffs sulckes aen eenighe christelijcke kercke begheerden oft door andere deden versoeken, midts oirsaeke sy gheloofden ende bekenden dat den doop alder suyverlijckste naer de instellinge Codes ghebruyckt wordt?

16. Item oft het den Christenen toeghelaeten is tot ghetuyghen over den doop haerder kinderen te nemen eenighe persoonen, die hun tot der kercken des Heeren niet begheven oft niet begheven en willen ende nochtans de waerheyt weten?

17. Oft eenich Christen van eenen sijnen medebroeder aenghesocht ende ghebeden zijnde om ghetuyghe te zijne over den doope des voorsen. kindts ende als mede vaeder oft ghevader daer by te compareren, schuldich is sulckes naer te kommen ende te bewiilighen sonder eenighe onschult ofte wedersprek?

18. Item so daer eenich onghehoorsaem, wederspenich ende argherlijck iidtmaet der kercken onder tcruys schuylende waere, welck so verre kommen mochte wesen datment behoorde aff te snijdene, ende sulck eene de kercke voorst. dreychde te verraeden ende te verstroeyen, indien men anders met sijne affsnijdinge voort voere, Questie is, oft men des niet teghenstaende sulck eene affsnijden sal, oft sulcx noch te rugghe stellen ende bequameren tijt verwachten sal tot dat de tyrannie ghanssch ter nedergheleyt oft ten weynichsten seer gheswicht zij, om alsdan sulckes te konnen volbringhen sonder so groote ghevaerelyckheyt, ende te vermijden het perijckel vander verschoringe der ghantsscher Ghemeynten?

19. Item so de Christenen, ghevraecht zijnde van eene papistsche Overheyt oft sy Catoliken zijn, toeghelaten is simpelijcken te antworden Jae, oft dat het noodt sij sulcke antwoordde breeder te verclaeren?

20. Item so de Christenen wt Nederlandt zijnde, welcke ondersaeten gheweest zijn van Philippus, Coninck van Spaengien etc, van een papistsche Overicheyt ghevraecht wordden, oft sy de wapenen teghens den selven haeren Heere ghedraeghen hebben, ende oft sy eenighe contributie ghedaen ofte ghelt daer toe ghegheven hebben, ende sy daer op eenvuldichlijck antwordden met den woordeken Neen, hoewel sy nochtans teghens den voorsen. Coninck oft sijnen Ghesanten den Hertoghe van Alba de wapenen ghedraghen ofte ghelt daer toe ghegheven ende gecontribueert

|70|

hebben, ende nochtans oock also Neen gheseyt hebben, door dien sy hem tot sulcker tijt voor haeren Heere ende Overighe macht niet bekent en hebben, midts syne Majesteyt de conditie sijnder heerschappije over den voorsn. misbruyckt ende overtreden heeft teghens sijnen loffelijcken eedt, welcken hy den lande voorst int aannemen ofte ontfanghen des selvighen lieffelijck ghedaen ende ghesworen heeft etc, somen breeder sien mach inden boeck der Blijder Inkomste desselvighen, Questie is nu, oft sulcke eenvuldighe antwordde voorst sonder breeder verclaeringe met goeden gewisse bestaen mach, oft dat het noodich is breeder verclaeringe daervan voor de voorse Overicheyt te doene?

21. Item oft den Christenen toeghelaeten is eenighe Vorsten-munten op te wisselen oft te koopen ende op andere munten te draeghene (het zij dat de Overicheyt aldaer met sulckes conniveert oft tselve oversiende is, oft niet); sulckes van den voorse Christenen gheschiedende niet wt noodt, om ghoet ghelt te hebbene, welck sy in andere plaetsen bequae-mer ghebruycken mochten, maer alleenelijck om ghewin ende eyghen baete daer aen te doene?

22. Item datmen indachtich zij aen het teghenwoordich generael Synodum te versoeken eenighen Dienaer des Woordts, welcke ervaeren zij inder kercken regeringe ende beghaeft om te predicken so wel inder Walsscher als Nederduytscher spraeken, ten versoeke van de Nederduytsche kercke ende tot behoeff vande selvige tsaemen oock vande Walssche, nu beyde op ghenade ende nochtans onder tcruys schuylende binnen der Stadt Cuelen, midts dat Walssche voorst door de laeste ver-stroeynge aldaer sonder Dienaer sij ?

23. Item datmen den teghenwoordigen generale Synodo te kennen gheve ende verclaere welcke ghestalt de ghevluchte Nederlandtsche duytsche kercke van Consistorio onderscheyden is met dier vander Inghesetenen der Stadt Cuelen, ende hoe sy elck haer putzier ofte seghel onderscheyde hebben ende besonder ghebruycken, hoewel sy nochtans eendeelig ordinarij Dienaeren des Woordts hebben ende ghelijkelijken in het predicken ende int presideren van beyden Consistoriën ghebruycken. Opdat de andere kercken moghen weten onderscheydelijken aen elck van hun te schrijven (tot gheleghener tijt), het zij om die te beroepen op eenich ander toekomende Synodus oft andersins yet te laeten weten etc.

24. Item een Christen wt eenich landt om het ghetuyghenisse Jesu Christi ende sijner waerheyt verdreven ofte ghebannen ende ghevlucht zijnde, in welcke de selffste niet wederkeeren en mach noch en kan sonder seer groot ende opentlijck ghevaer sijnes levens, hebbende ter selffster plaetse een sijn ghetroude medepart ghelaten, midts dat het niet volghen en wildde, ende de voorse. ghevluchte eenen tijt lanck alle moghelijcke ende bequaeme middelen ghesocht ende ghebruyckt hebbende om sijn voorse. medepart daerwt te ghekrijgen ende tot sich te treckene, so met vermaenen, onderrichten, bidden ende smeecken, nochtans niet en heeft konnen verwerven van sijn medepart voorst. dan enckel ydele belofften sonder daet, den verlaetenen paerte wtstellende van daeghe te daeghe, een, twee, drye ofte meer jaeren gheduerende, segghende nochtans dese

|71|

oft derghelijke woorden: Ick en begheere u niet te verlaetene hoe well ick hier ende ghy daer zijt; ick hoepe het sal eens anders ofte beter zijn alst den Heere beliefft etc, ende blijft nochtans daerentusschen van sijn ghewillich medepart verscheyden, het selve inderdaet (so voorst. is) verlaetende, niet teghenstaende dat sulcke verlaetene persoon den anderen sijne medepart in alder eernst dickwils ende tot verscheyden reysen heeft laeten weten ende te kennen ghegheven, dat hy de ghaeve niet en heeft van sich alleen te konnen lijden ende onthouden etc. Questie is nu oft sulcke verlaeten persoon voorst, met ghoeder conscientie vande kercke begheeren ende versoeken mach vande voorse. sijne onwillige partye ontbonden, vry, los ende ontslaeghen te zijne om een ander te trouwen in alder godsaelicheyt. Ende daer beneffens is questie, oft de kercke dan macht heeft alsulcke persoon (nae diers begheerte voorst.) t’ontbindene ende los te sprekene als voorseyt is?

Rutgers, F.L. (1890) I.9

9. Brief van Ds. Michael Ephippius (= Michiel Panneel), te Ipsivich, aan den Kerkeraad van de Nederduitsche vluchtelingen-kerk te Londen, d.d. 21 September 1571 (Uit: Eccl. Lond.-Bat. Arch., Tom. II, Epp. et Tract., blzz. 388-390).

De ghenade onses Heeren Christi Jesu ende de liefde Godes, ende de ghemeenschap des helighen gheestes zy met v l. Amen.

Verstaen hebbende (Christelicke broederen ende mededienaren inden Heere) zoo vut de gheschriften vande Broederen der ghemeenten van Heidelberghe ende Embden, als vut v l. missyue in Dato vanden 13en September 1571 ghescreuen ande ghemeente van Colchestre, het Christelick voornemen ende goetdijncken zommigher vredebegherrender broederen te wesene, datter eenen alghemeenen Synodus ende Christelicke tsamenkomste ghehouden wierde, ter tyt ende plaetse daertoe meest bequame, aller Nederlandscher vutghedreuener ghemeenten: Daer te handelen van een seker eendrachticheyt, zo wel der Leerynghe halfuen, als oock der Ceremoniën, kerckenregierijnghe ende ander puncten, dienende tot voorderijnghe van de glorie des almachtigen godes, ende opbauwijnghe sijner vervallener ghemeente: Verheesschende daerop, zo der anderer als ons aduijs ende goetdijncken:

V L. zal verstaen (Broeders) hoe dat den stant deser onser ghemeente alhier, beneuens dat hij onseker is (alleene stuenende op eene verbale ende tytlicke permissie vanden Magistrat, zonder eenich schriftelick octroy vande Con. Mt. ofte van yemant anders daer toe ghecommitteert, te hebbene) also oock bestaet alleenlick in 10 ofte 12 huijsghesinnen, ende isser kleene hope van augmentatie, ja eer van diminutie, ouermits datter hen de vremdelijnghen op gheen ghestablisseerde neerrynghe en weten te ontdraghene: welcke beede saken inghesien zynde, v l. kan lichtelick considereren, Ten eersten dat ons aduijs in dien deelle on-noodich is: Ten anderen, dat het ons oock difficyl is peremptoirlicken te andwoorden op v l. Requeste ouermits wij, om de kleene menichte der broederen willen niet bequaemlick vande sake consulteren en konnen:

|72|

Derhalven ons submitterende inde Christelicke discretie anderer meerder ghemeenten: God biddenden, dat Hij ons allen met sijnen helighen Gheest so regieren wille, dat synen name in alle onse affairen mach groot ghemaectsyn: Amen amen: Lieue Broeders, blyffc hier mede de Heere ende twoort zijner ghenade beuolen. Vut Ypswich desen 21en September 1571.

Vobis deditissimus: Michael Ephippius: Nomine omnium.

Rutgers, F.L. (1890) I.10

10. Brief van Gaspar van der Heyden, Nederlandsch predikant te Franckenthal (die de Emdensche Synode gepresideerd heeft), aan den Kerkeraad te Franckenthal, d. d. (uit Emden) 4 October 1571 (Uit: M.F. van Lennep, G. v. d. H., blzz. 204 vg.).

Godes genade door Jesum Christum, Amen.

Eersame ende eerweerdige lieve broeders, ick heb v. l. van Wesel geschreven, dwelck ick hope dat ghy nv lange ontfanghen hebt. Wy syn t’ Embden aengekomen met goeden spoede ende oncost genoech, den 1 Octobris. Daer comende wy vinden alle dinghen so raw, dat ick ende Taffin dese 3 voerleden daghen niet gedaen hebben dan loopen, om d’ander te beweghen, so dat wy ’t doer Godes genade so wyt gebracht hebben, dat wy heden na middagh deerste versamelinghe hebben sullen; de Heere wille ons daerin bywoonen doer Synen Geest. Hier syn verschenen ter merct (want t’is nv hier jaer merct) verscheyden personen wt Nederlandt, van Gendt, Andwerpen, Brussel, wt het Westquartier. Die van Wesel, Aken, Cuelen, Emmerick syn een deel met, en een deel na ons comen. Hierom can ick v. l. niet schryven wanneer ick weder thuys comen sal, totdat wy sien hoe ons de rekeninge in handen gaen sal. Als ick weder geleghenheydt hebben sal, sal ick weder schryven. Ick bevlytighe my vroech ende spade int oversetten [van het Protocol van het godsdienstgesprek tusschen de Gereformeerden en de „Wederdoopers”, 28 Mei — 19 Juni 1571 te Franckenthal gehouden], maer ick vreese, dat ickt hier niet al sal connen afdoen. Ick heb de broederen geschreven of ick soude moghen te Wesel blyven, totdat sulcks volmaeckt ware, anders tsal den druckers tot grooten nadeele comen, die van nv op my wachten, ende ick weet niemandt dien ickt soude dorven toebetrouwen, dus verwachte ick der broederen andworde hiervan. Ick bidde den broederen datse voer ons bidden, dat wy weder spoedich tsamen mogen comen, ende desgelycks datse tewijle vlytich in haren dienst syn, dat toch geen swaricheyt in der gemeynten op en sta. Hier is seker tydinghe, dat Theophilus ende Anthonius te Nordwyck [Norwich] hares dienstes ontset syn ende verbannen syn. Ysbrand is oock ontset, maer toegelaten met anderen te mogen vercoren werden; den ganschen handel is hier gesonden tot eenen, van dien ickt cryghen sal. Och l. broeders, dat syn ons vermaningen God te dancken voor den staet onser kereken, ende Hem te bidden dat Hy ons altyd in vrede houde, desgelycks toetesien dat wy geen occasien plaetse laten vinden, daerdoer men tot sodane swaricheyden soude mogen comen. Ick hope dat Hy by ons sal wesen, gelyck Hy geweest heeft. Hiermede

|73|

bevele ick v. l. in Syn bewaringe; syt vlytich in uwen roep, insonderheyt de siecken te besoecken, ende te troosten die aengevochten werden; wilt myn huysvrouwe tsomtljds aenspreken. Met haesten, den 4 octobris. In Embden, by my v. l. goetwillige dienaer

Gaspar van der Heyden.

 

Ick begroete v alle tsamen; groet die dyaconen ende gerichtspersonen, ende andere godsaligen, die by v. l. syn.

Het coren wert hier alle dagen dierder, ende daer is geene te cryghen; nochtans segt men, datter corens genoech is in de stadt. De natiën van Hollandt schryven in Engeland om coren, desgelycks anderen, so dat het hier noch seere benaut wil werden. Daer comen geen schepen met coren; al hebben sys gecocht, sy mogen niet wtvoeren, die tydinge is hier gecomen. Tschynt dat de Heere den honger ouer al roepen wil. Ick versta hier dat Gilles de Visscher last heeft om v. l. te betalen de 50 f., daerom hope ick dat ghyt gelt ontfanghen sult hebben.

Blyft den Heere bevolen.

 

De eersame mannen Arnoldo Crusio, dienaer
der gemeynten, ende Jan Mondekens, ende die
andere dienaers der gemeynte Christi te Franckenthal.

Rutgers, F.L. (1890) I.11

11. Brief van denzelfden Gaspar van der Heyden, predikant te Middelburg, „in den naem der Classe van Walcheren” aan „Den eersamen mynen L. broeder Ghristiano Synapio, predicant te Dordrecht, om voorder te bestellen met eenen getrouwen bode aen Petro Janssen of Arnoldo Cornelii tot Delft, mitsgaders den anderen ministers vande Classe Delft”, d.d. (uit Middelburg) 20 September 1577 (Uit: M.F. van Lennep, G. v. d. H., blzz. 236-240).

In dezen langen brief, die bijna geheel handelt over het samenroepen eener Generale of Nationale Synode (daarna in 1578 te Dordrecht gehouden), komt met betrekking tot de Emdensche Synode het volgende voor:

„... Om dese ende desergelycke redenen dunckt ons beter, datmen de versamelinge wtstelle tot ’t begin des somers, gelyck men oock t’ Embden, om te vergaderen, den somer voer den winter vercoren heeft.

„So vele aengaet de versamelinge selue, wy verstaen dat v. l. eenen Prouincialen Synodum woude beroepen, ende nochtans de dienaren onder den cruyce ofte wten heymelycken gemeynten oock beschryuen: nv moest men niet alleen beroepen die by ons woonen in Brabant of Vlaenderen, maer oock die in Vrieslandt, Gelderlandt, omtrent der Mase of elders woonen, ende also soude de versamelinge niet Prouinciael, maer schier Generael of Nationael, ofte immers so groot syn als die men t’ Embden gehouden heeft. Daerom dunckt ons, soverre de saken redelyck wel afloopen, dat men tegen ’t begin des somers beter soude eenen Generalen

|74|

Synodum beroepen, daer men niet alleen die van Noort-Hollandt, maer oock die van Engelandt ende elders beschryuen sal, om eene geheele eendrachticheyt aller Nederlandscher kercken te maken ende beuestigen, ende dat alle occasion van suspitiën ende prejudiciën benomen werden”. Enz.

Rutgers, F.L. (1890) I.12

12. Brief van Ds. Joannes Miggrodius, „Scriba der Classe in Walcheren”, geschreven „In den menie der classen van Zuydt ende Noorthollant ende Walcheren, Tot Dordrecht vergadert den XXVIen February [1578]”, aan de Nederlandsche Kerken in Engeland. (Uit: Eccl. Lond.-Bat. Arch., Tom. II, Epp. et Tract., blzz. 611-614).

In dezen brief, geschreven op last der vergadering, die den 26 Februari 1578 te Dordrecht gehouden is, ter voorbereiding van de aanstaande Nationale Synode (van welke voorbereidende vergadering de acta zijn afgedrukt in de Ned. Syn. Acta, blzz. 282-285), komt met betrekking tot de Emdensche Synode het volgende voor:

„Wy hebben geene cleyne vrucht beuonden wt de tzaemeneompste der dienaren binnen de stadt van Embden Anno LXXI Alwaer onze kercken vande eenich inder Leere, Ceremoniën ende andere dingen die totter ordeninghe ende stichtinge der kercken behooren, gehandelt zyn ende sich vergeleken hebben. Ende alzoo daer veele dinghen besloten waren die inde prouinciale tzaemencompste vande Hollantsche ende Zeelantsche kercken te Dordrecht vergadert Anno LXXIIII nyet hebben verandert wezen verwachtende eene nationale tzaemencompste diemen volgens tbesluyt van Embden ontrent het Jaer LXXIII hadde behooren te beroepen maer door de invallende verhinderingen nyet en heeft konnen te wege brenghen.

Zoo ist dat wy Dienaren der classen van Zuydthollant ende Walcheren ons omme deze oirzaken in des Heeren naeme te Dordrecht hebben tzaemen geuonden met bewillinge der classen van Noorthollandt hebbende oick aduys ende auctorizatie van zyne Princelycke Excellentie ende myne Heeren de Staeten van Hollant ende Zeelant: hebben ouer zulex een-drachtelyck besloten den Synodum nationalem aller kercken onser nederderduytscher spraeke tzaemen te beroepen jegens den eersten Junii naestcommende”. Enz.

Rutgers, F.L. (1890) II.1

|75|

 

BIJLAGE II.

Over de politieke approbatie van de Kerkenordening, naar de Dordtsche redactie van 1619, in de onderscheidene Provinciën.

(Zie hiervoren blzz. 30—32).

 

Gelderland.

Onder de uitgave van de Kerkenordening, die in 1620 voor „het Furstendom Gelre vnd Graefschap Zutphen” in het licht is gekomen, staat met betrekking tot de politieke approbatie het volgende besluit afgedrukt:

„Wy met rijpe overlesinghe ende examinatie der selver Kercken-Ordeninghe gedaen door Cantzler ende Raden met toedoen van onze Speciale daer toe Gecommitteerden uyte respective Quartieren, ende op alles ghelet hebbende, ende vindende dat de selve Kercken-Ordeninghe niet langher uytstel en kan verdraghen, hebben goetgevonden tot ruste ende eenicheydt der Kercken in desen Furstendomb ende Graeffschap de selve. Kercken-Ordnungh te approbieren, ratificieren, gelijc wy deselve approbieren ende ratificeren bij desen, uytghenomen de cleyne veranderinghe ende duydelijcke interpretatie: Soo wy naede constitutien van particuliere Kercken, Classen, Synoden, mede ooge genomen hebbende op de constitutie ende regeringhe van Desen Furstendomb ende Graeffschap bevonden hebben het sticht ende oirbaerlijckst te zijn. Ordonneren daerom ende bevelen hiermede de Dienaren des Godtlijcken Woordts, Kercken-Raden, Classicale ende Synodale vergaderinghen ende voorts allen anderen van wat qualiteyt ende conditie die sijn, ende dese eenichsins aengaen mach hem in desen na de voorsz. Kercken-Ordeninghe haer in hare respective Kerckenbedieninghe te reguleren alles by provisie ter tijdt ende tot dat anders over de selve Kercken-Ordeninghe by de samentlicke Vnieerde Provintien off by ons naeder ende speciaelder gheordonneert zijn sal, oock mede ongekrencket deser Landtschaps resolutie voor desen opt stuck ende beleyt der Kercken ghenomen. Aldus ghedaen tot Arnhem den XXI Julii XVIe twintich.

Onderstont
Ter ordonnantie als boven
Ende was onder-teeckent
J. Dibbets.

|76|

„Volghen de articulen daer inne de veranderinghe ende interpretatie gedaen is.

 

Art. 11.

„Op d’ander zijde sal den Kercken-Raedt als representerende de Gemeente oock gehouden zijn te bevorderen dat hare Dienaers van behoorlijck onderhoudt moghen versien worden: Sal oock den Kercken-Raedt de selve hare Dienaers niet verlaten sonder kennisse ende Oordeel des Classis, de welcke oock by gebreck van onderhout sullen oordeelen off de voorsz. Dienaers te versetten zijn off niet.

 

Art. 13.

„Soo het geschiedt dat eenighe Dienaers door ouderdom, sieckte off andersins onbequaem worden tot oeffeninghe hares Dienstes, soo sullen sy nochtans des niet te min d’eere ende den name eenes Dienaers behouden, ende vande Kercke die sy gedient hebben eerlicken in haren nootdruft versorget worden.

 

Art. 41.

„De Classes sullen met consent vande Overicheyt ende respective Quartieren op der selver goetvinden tweemael des Jaers mogen vergaderen, ende niet tot meerderen tijdt, ten ware de noodt vande Kercken ende respectieve Quartieren sulcx quame te vereyschen, ende de voorsz. Overicheyt ende de Gedeputeerden vande Quartieren voorgedragen zijnde, haer consent daer over vercreghen werde. Ende sullen deselve Classicale vergaderinghen bestaen uyt ghenabuerde Kercken, dewelcke elck eenen Dienaer ende eenen Ouderlinck ter plaetse ende tijde by hem int scheyden van elcke vergaderinge goet ghevonden, daer henen met behoorlijcke credentie afveerdighen sullen, in welcke t’samen-comste de Dienaers by ghebeurte, ofte andersins die vande selve vergaderinghe vercoren wort, presideren sullen, soo nochtans dat de selve tweemael aen een niet en sal moghen vercoren worden: Voorts sal de Praeses onder anderen eenen eyghelijcken afvraghen, off sy in hare Kercken haren Kercken-Eaedt vergaderinghe houden, off de Kerckelijcke discipline geoeffent wort, off die Armen ende Schooien besorght worden. Ten laetsten offer yet is daer inne sy het Ordeel ende hulpe der Classe tot rechte instellinge harer Kercken behoeven. Die Dienaer dien ’t inde voorgaende Classe opgheleyt was, sal een corte predicatie uyt Godts woordt doen, van welcke de andere oordeelen, ende soo daer in yet in ontbreeckt, aenwysen sullen. Ten laetsten sullen inde laetste vergaderinghe voor den particulieren Synoden vercoren worden, die op den selven Synodum gaen sullen.

J. Dibbets.”

Rutgers, F.L. (1890) II.2

Overijssel.

Met betrekking tot Overijssel wordt door Voetius, in zijne Pol. Eccl., Tom. I, pag. 209 (Ed. Eutgers, pag. 175), ter loops opgemerkt, dat de Kerkenordening, gelijk zij in 1619 te Dordrecht was vastgesteld, ook in

|77|

Overijssel „politicam confirmationem obtinuit”. Aan de juistheid van dit op zichzelf staand bericht is in de laatste jaren wel eens getwijfeld; en ook waar het werd aangenomen, gelijk meestal geschiedde, bleef toch nog eenige onzekerheid over. Door C. Hooijer (Oude Kerkordeningen, blz. 448) wordt aan het getuigenis van Voetius toegevoegd: „Wij hebben evenwel geen besluit van approbatie, door de ridderschap en steden dier provincie genomen, kunnen vinden. Door onzen vriend P.C. Molhuijsen, archivaris van Kampen, zijn ons echter uittreksels uit de handelingen der Overijsselsche Synode van 1619 medegedeeld, waarin bij de ridders en steden aangedrongen wordt op de handhaving van enkele artikelen der Dordrechtsche Kerkordening, wat niet zou geschied zijn, indien die Kerkordening afgewezen ware geweest.” Toch is het feit volstrekt niet onzeker; en het behoeft ook geenszins uitsluitend op gezag van Voetius te worden aangenomen. Het is behoorlijk geboekstaafd in de notulen van de Statenvergadering; en het is daaruit openbaar gemaakt in een Overijsselsen handboekje, in 1636 te Zwolle uitgegeven onder den titel: „Nederlantsche Belydenisse des Geloofs, Canones des Synodi van Dordrecht, Nederlantsche Kercken-ordre, ende Houwlyckx-ordre der Kercken van Overijsel” (met een titelvignet, waarop o.a. eene afbeelding van de vijf zegels der vijf Overijsselsche classen staat afgedrukt). In dat boekje nl. staat, op de keerzijde van het titelblad der Kerkenordening, onder het opschrift: „Extract uyt het Register van de Staten van Over-Yssel”, het volgende uittreksel:

„Is ghelesen de Kercken-ordeninge opten Synode Nationael tot Dordrecht beraemt, ende is naer examinatie goet ghevonden ende gheresolveert, dat de ghedeputeerden deser Landtschap ter vergaderinge vande Heeren Staten Generael residerende, uyt naemen der selver Landtschap, sullen moghen verklaren, dat inde Provintie van Over-Yssel de voorsz. Kercken-ordeninge geobserveert sal worden, voor soo veele de selve niet teghens die Privilegiën ende gherechticheden vande selve Provintie in ’t Generael, ende vande Leden ofte Particulieren vandien is strijdende. Actum op eene by-komste tot Zwolle den dertichsten Julii, Anno 1619.”

Rutgers, F.L. (1890) II.3

Utrecht.

In het Groot Placaatboek van Utrecht, Dl. I (in 1729 door Johan van de Water uitgegeven) staat onder de Dordtsche Kerkenordening zelve (die aldaar blzz. 375-380 is afgedrukt):

„Aldus gedaan en besloten, in de Nationale Synode binnen Dordrecht den 28 Mey 1619. in kennisse van ons ondergeschreven: ende was ondertekent, Johannes Bogermannus, Synodi praeses. Jacobus Rolandus, Assessor. Hermannus Faukelius, Praesidis Assessor. Sebastianus Damman, Synodi Scriba. Festus Hommius, Synodi Scriba.

„Aldus goedgevonden ende gearresteert by de Ed. Mog. Heeren Staten ’s Lands van Utrecht, op den sesden dag Augusti, in ’t jaar ons liefs Heeren en eenigen Saligmakers Jesu Christi sestien hondert en negentien. Was geparapheert, Dirck van Bek, vt. Onderstont, ter Ordonnantie van

|78|

myne voornoemde Heeren Staten ’s Lands van Utrecht. Ende was die ondertekent, Ant. van Hilten.”

In hetzelfde Placaatboek is het onmiddellijk daarop volgende stuk:

Resolutie van de Ed. Mag. Heeren Staten ’s Lands van Utrecht, behelsende eenige bedenkingen en consideratien nopens den sin en meyninge van het IV, V, en XXII Art. van de voorsz. Kerken-Ordening van den jaare 1618 en 1619; mitsgaders de Verklaringe van de Gedeputeerden van de voorsz. Nationale Synode, daar op gevolgt, in dato den 17 Augusti MDCXIX.

Alsoo de Ed. Heeren Gedeputeerden van wegens de Ed. Mog. Heeren Staten deser Provincie in last hadden, te eysschen verklaaring van dese Synodus van eenige poincten, in de gemelte Kercken-Ordening gestelt, aangaande voornaamlyck de verkiesing der Predikanten en Ouderlingen, om alsoo in toecomende tyden alle misverstanden ende inconvenienten voor te koomen; soo hebben de Eerwaarde Gedeputeerden des Synodi Nationalis, als dewelcke de meyninge des Nationalis Synodi best verstonden, een eenvoudige verklaring daar op gedaan, die oock niet alleen by de Eerwaarde broederen des Synodi, maar ook by de Ed. Heeren Gedeputeerden met groot genoegen is aangehoort, beloovende daar van rapport te doen aan hare Principalen. Ende is deze Verklaaringe tot een eeuwige memorie hier bygevoegt, in maniere navolgende, ten eynde, dat alle de Kercken in dese Provincie weeten, waar na sy haar hebben te reguleeren.

Volgens de Resolutie, die op den 21 des voorleden maand Julii genomen is, doen de Heeren Gecommitteerden tot de nader examinatie van de Kerken-Ordening, in dit artikel gementioneert, rapport met opening van verscheyde bedenkingen ende consideratien, die daar vallen, beroerende de interpretatie van eenige articulen, in de voorseyde Kerken-Ordeninge vervat, ende is goedgevonden, dat de Heeren, by dese Verklaringe te committeren, met de nu staande Synodus Provinciaal sullen koomen in verdere communicatie, om op de navolgende poincten een nadere Verklaring ingestelt, ofte beraamt te mogen werden, te weten:

Op den IV Art.

Hoe verre men verstaat te sullen strekken de Correspondentie met de Christelyke Overheyd, in ’t verkiesen der Dienaren des Woords, etc Ende of de examinatie derselver niet en dient te geschieden, ten overstaan van eenige Gecommitteerden van de respective Overheyd, wesende Lidtmaaten van de Gemeynte.

Op den V Art.

Aangaande de correspondentie etc.

Op den XXII Art.

Of het verkiesen der Ouderlingen en Diaconen niet in ’t geheel en sal geschieden by den Kerkenraad, en of het, ten regarde van de stad Utrecht,

|79|

niet en soude goed zyn, in deselve verkiesinge te gedenken, op gequalificeerde Lidmaten, van de Collegien der Heeren Staten, en Vroedschap der stad Utrecht, en van den Hove van Utrecht; mitsgaders ten opsien van de andere Steden, op Lidmaaten uyt de Magistraat, ende van de platte Landen op de respective Ambachts-Heeren, en die van den Gerechte, wesende Lidmaten van de Gemeynte, als vooren.

Noch op den V Art. voorsz.

Verklaring te eysschen van de woorden, voor soo veel het selve stichtelyk kan worden gebruykt sonder nadeel van Gods Kerk.

Ende is na voorgaande genome rype deliberatie, en verscheyde communicatien, dese beraamde Kerken-Ordening, soo die daar leyt, goedgevonden, en gearresteert, gelyk gedaan word by desen, mits conditie, by soo verre hier na, over de interpretatie van dien, eenige disputen mochten koomen te verrysen, tusschen eenige subalterne Overheyd, en de Kercke deser Provincie, dat het selve different voor de Heeren Staten van dien sal worden gebracht, omme by haar Ed. Mog. te worden beslecht, en soo sulks by deselve niet gevoeglyk en konde geschieden, dat het als dan sal staan tot decisie van haar Hoog Mog. de Heeren Staten Generaal, en den Heere Stadhouder deser Provincie in der tyd.

Mitsgaders, dat noch in cas van dispute desen aangaande, tusschen de souveraine Overheden en de Kerken voornoemt, men hem ook ter eerster instantie sal addresseren aan de Hooggemelte Heeren Staten Generaal, en de Stadhouder voornoemt, om by deselve te worden gedecideert. Onder stont. Geëxtraheert uyt de Kesolutien, by de Ed. Mog. Heeren Staten ’s Lands van Utrecht genomen, ende accordeert. In kennisse van my, ende was onderteeckent, Ant. van Hilten.

Verklaringe gedaan by de Gedeputeerden des Synodi Nationalis, die verscheenen zyn in de Synode Provinciaal van de Landen van Utrecht, over de navolgende Poincten, rakende de Kerken-ordre, by de Ed. Mogende Heeren Staten deser Provincie den Synode voorgestelt.

Op den IV Art.

Hoe verre men verstaat te sullen strekken, de Correspondentie met de Christelyke Overheyd, in ’t verkiesen van de Dienaren des Woords, etc.

Antwoord.

De Correspondentie bestaat in drie stukken. Eerst, wanneer der een of meer Predikanten in eenige Kerken gebreeken, soo sal den Kerken-raad ’t selve haare Christelyke Overheyd te kennen geven, om deselve van de nood der Kerke te berigten, en met haar consent na een bequaam persoon, of persoonen uyt te sien.

Ten tweeden, wanneer den Kerken-raad op een, of meer persoonen haare oogen geslagen heeft, zoo sullen sy deselve haar Ed. Overheyd bekent maken, om te verneemen, ofte haar Ed. ietwes hebben, waaromme

|80|

deselve persoonen in dese Kerke niet stigtelyk soude konnen dienen, ende soo de Overheyd tegens die persoonen niets wettelyks en heeft, soo sal den Kerken-raad tot de verkiesinge voortvaren, ende, na de gedaane verkiesing, versoeken de approbatie van de Overheyd.

Ten derden, soo wanneer de gaven syn te hooren, of de bescheydingen syn te doen, tot voltrekking van de beroepinge, soo sal de Overheyd hare Gedeputeerden moogen voegen by de Gedeputeerden der Kerke, soo het haar gelieft.

Op den V Art.

Verklaaringe te eysschen van de woorden, voor soo veel ’t selve stigtelyk kan worden gebruykt, zonder nadeel van Gods Kerke.

Antwoord.

De meyninge des Synodi Nationalis, is geensints om met deese woorden, imand, hy zy wie hy zy, in zyn deugdelyk recht van presentatie te verkorten, maar wel het rechte gebruyk van dien aan te wysen, te weten, dat het moet gebruykt worden, met stigtinge, dat is, dat ’er gepresenteert worde persona habilis, daar van de Classis moet oordeelen, dat de Kerke blyve by haar recht van verkiesing, en wettelyke repudiatie, ook na het oordeel der Classis, en dat de presentatie geschiede binnen den tyd van ses weeken, na dat de plaatse vacant geworden is, of dat anders de Kercke zal gerechtigt zyn, om selve uyt te sien na een bequaam persoon. Dat den Patroon een Pastoor versorge van een eerlyk tractement, en voorts sig voege na de Kerken-ordening.

Op den XXII Artic.

Te letten, of het kiesen van Ouderlingen en Diaconen, niet in ’t geheel en sal geschieden by den Kerken-raad?

Antwoord.

Wy verstaan, dat alhoewel de Kercken-ordening daar van alternative spreekt, het evenwel in dese Provincie best sal syn, dat niet alleen de nominatie, maar ook de verkiesing, van het enkel getaal dat bevestigt sal worden, na voorgaande proclamatie, simpelyck by den Kerken-raad geschiede, gelyk meest in andere Provinciën geschied.

Of het ten regarde van de Stad Utrecht, als ook van andere Steden en Dorpen, niet en souden goed syn te gedenken, op gequalificeerde Lidmaaten, van de Collegien der Heeren Staten, van de Vroedschap der Stad Utrecht, en van den Hove van Utrecht?

Antwoord.

’T is behoorlyk caeteris paribus, ende als de Heeren daar toe vaceren konnen, gelyk met stigtinge in andere Provinciën gedaan word.

Dese verklaaringe, by de voorzeyde Gecommitteerden gedaan zynde, is by de gansene Synodus voor goed aangenomen, gelyk ook de Heeren Gecommitteerden van de Ed. Mog. Heeren Staten deser Provincie belooft

|81|

hebben, aan haare Principalen daar van rapport te doen, en de goede hant te bieden, dat in de voorsz. poincten de gemeene Verklaringe mag aangenomen, ende by haar Ed. bevestigt worden. Was onderteykent. J. Bogermanus. J. Dibbetius. Jacobus Triglandus. Godefridus Udemans.

Rutgers, F.L. (1890) II.4

Friesland.

Met betrekking tot de politieke approbatie van de Kerkenordening, gelijk zij in 1619 te Dordrecht was vastgesteld, bevat het in 1793 uitgegeven 5e Deel van het Groot Placaat en Charter-boek van Vriesland (ook betiteld als het 1e Deel van het Nieuw Placaat en Charter-boek van Vriesland) de volgende besluiten, alle afgedrukt „Uit het Staats-resolutie-boek.”

Resolutie der drie Landkwartieren, enz. (a.w. blz. 253).
Den 3 Julii 1619.

Die Staten van Vrieslandt gesien ende wel ernstelyck geëxamineert hebbende ’t geene anno 1619 op ’t Nationale Synode binnen Dordrecht geholden, aengaende de Leere der Chrystelyke Gereformeerde Religie gebesoigneert ende besloten is, hebben nae rype deliberatie ’t selve geapprobeert ende geaggreëert, approberen ende aggreëren mits desen, om allenthalven in de Christelycke Gereformeerde Kercken geoeffent ende geleert te worden.

Aengaende de Kerckenordinge, en verstaen sy Staten niet, dat de selvige in de Kerkeu deser Provincie met dienst ende vrugt van de Gemeenten, in voegen de selvige haer E. M. alhier voorgedragen wordt, ingevoerdt, toegelaten ende geoeffent can worden; dan persisteeren ende gedragen sig tottet vorige gebruyck der Kerckenordinge, observantien, regten en privilegiën, alhier te Lande voor desen int gebruyk geweest synde.

Aldus gedaan en gearresteert by de Staaten voorsz. ter ordinaris Landsdage vergadert op ’t Landschaps-huys binnen Leeuwarden den 3 July 1619.

Voor Oostergo,
Boeke van Feytsma,
H. Bouricius.

Voor Westergo,
Hessel Laes de Vernou,
Harrent Hendricx Fogel.

Voor de Zevenwolden,
H. van Baerdt,
Teye Saeckens.

Resolutie der Steden, enz. (a.w. blz. 254).
Den 7 Julii 1619.

Die Volmachten der Steden, Staetswyse binnen Leeuwarden vergadert synde, wel rypelyck geleth ende geëxamineert hebbende, die canones van de Synode tot Dordregt, approberen ende aggreëren deselve, gelyk sy doen by desen, om allenthalven in de Cristelyke Gereformeerde Kercken geoeffent ende geleert te worden, ende conformeeren haer mits desen met die resolutie by de Heeren Volmagten van Oostergoe, Westergoe ende Se venwolden, dies aengaende genomen, van dato den 3 July sestien hondert negentien. Aengaende die Kerckenordinge, laten die welgemelte Volmagten deselve als nog in state, ter tyt ende so lange die selve by haer naerder sal weesen geëxamineert, om als dan daer op te resolveeren,

|82|

soo als sy tot welstand, ruste ende vreede der Kercken ende policie deser Provincie bevinden sullen te behoren.

Aldus gedaen ende geresolveert by die Volmagten van de Steden int Landschaps-huys binnen Leeuwarden den 7 July 1619.

(getekend)
Reyn Wybes,
Tyerck Abbes.

Resolutie, waarbij de Staaten, enz. (a.w. blz. 258).
Den 26 Maii 1620.

Die Staten van Vriesland ... [volgt een besluit om te persisteeren bij eene vroegere resolutie over de ontruiming van Delfzijl]...., van gelycken oock te persisteren by de resolutie den 3 July 1619 genomen op ’t stuk van de Kerckenordeninge.

Aldus gedaan ende gearresteert by den Staten van Vrieslandt ten ordinaris Landsdage binnen Leeuwarden op ’t Landschappehuys vergadert deesen 26 May 1620.

(getekend)

Voor Oostergo,
Adolph ab Heemstra,
Allert Luythiens.

Voor Westergo,
B. van Burmannia,
Harrent Hendricx Fogel.

Voor de Zevenwolden,
H. van Idsaerda,
A. Beetzius
.

Resolutie, waarbij de Steden, enz. (a.w. blz. 258).
Den 30 Maii 1620.

De Volmachten der Steden by de meeste stemmen, adproberen de Kerckenordeninge, soo als deselve in den Nationalen Synode tot Dordrecht is gearresteert.

Aldus gedaan by de Heeren Volmagten voornoemt desen 30 May 1620.

(getekend)
Govert Tiepkes,
Gerryt Folkerts
.

Verbod, enz., van de drie Landkwartieren (a.w. bl. 275).
Den 10 Julii 1622.

Die Staten van Oostergoe, Westergoe ende die Zeuenwolden ordonneren en statueren om mouerende redenen, dat geen Synodale resolutien enige cracht ofte effect sullen hebben voer ende aleer die selue by die Staten van ’t Landt sullen syn geadprobeert, ende alsoe enige Dienaeren tot diuerse tyden, ymmers noch onlancx in den Sinode tot Bolswert, haer verstoutet hebben, den Kerken ordre in den Nationale Synodo tot Dordrecht gearresteert, deur te dringen ende alhyer mede in train te brengen, niet tegenstaende d’selue alhyer te Lande niet practicaebel, ende teegens des Landts priuilegien in veele poincten strydende, by solemnele resolutie by die drie Leden op ten Landtsdage is affgeslaegen, tenderende ’t selue tot groote verachtinge, preiudicie ende disreputatie van hun Staten: Soe interdiceren ende verbieden sy Staten wel expresse allen Dienaren des Goddelycken Woordts, d’gemelte Kercke ordre in enige Synodale ofte

|83|

Classicale vergaderinge voor te stellen, te onderleggen, deur te dringhen ofte in train te brengen, by poene, dat soedanige Voorstellers ofte Machinateurs voor Perturbateurs van de gemeene ruste gehouden ende daer ouer nae exigentie van saecken gestraft sullen worden: Ordonnerende den Procureur Generael, hyer op goede reguard te nemen, ende ’t Recht van de Heerlyckheyt deeses Landtschaps tegens die Contrauenteurs te bewaren, ende by aldien tot invalidatie deeses enige solicitatien by die Deputaten Sinodi, ofte yemant anders aen de Heeren Gedeputeerden mochten geschien, wordt d’selue Heeren Gedeputeerde by desen wel ernstelyck geordonneert, omme haer in alles nae desen te reguleren.

Aldus gedaen ende geresolueert op ten tegenwoordigen ordinaris Landtsdage by die Staten voorschreuen, opt Landschappe-huys binnen Leeuwarden vergadert, desen X July XVIe twee ende twintich.

(getekend)
Voor Oostergo,
J. v. Bootsma,
Wybe Freerks
.

Voor Westergo,
Laes van Glins,
Jan Dirckx
.

Voor de Zevenwouden,
T. van Oenama,
Waltha van Hettingha
.

Resolutie van de Steden 1).
Den 10 Augusti 1622.

Alsoo de Volmaghten van den platten Lande op den gemeenen landtdagh Staetsgewijse jongst in Vrieslandt gehouden, tegen ’t oude lofflijk gebruik van dien, mitsgaders tegens ’t recht van alle welgestelde vergaderingen, aengevangen hebben in de Camer van het minder getal der samentlijke leden aparte byeenkompsten te houden, de steden sijnde een mede lidt van het landt uit te sluiten, op des gemeene landts sake particuliere resolutien te nemen, Ende onder anderen den 10 July 1622 hebben geresolveert. Dat geen Synodale resolutien eenige kracht ofte effect sullen hebben, voor ende al eer deselve by den Staten van het landt sullen sinn geapprobeert, Item, Dat sy interdiceren alle Dienaers des Goddelijken woordts, de kerkenorde in den Nationalen Synode tot Dordrecht gearresteert in eenige Synodale ofte Classicale vergaderingen voor te stellen, t’ onderleggen, door te dringen ofte in trein te brengen, by pene, dat soodanige voorstelders ofte machinateurs voor perturbateurs van de gemeene ruste gehouden, ende daer over naar exigentie van saken gestraft sullen werden, Ordonnerende de Procureur Generael hierop goedt regardt te nemen, ende ’t recht van de Heerlijkheit deses landts te bewaren &c. Welke alles in de kamer van de Steden wel erwogen wesende bevinden de Volmachten van dien niet alleen van schadelijke consequentie te sijn int stuk van de regieringe; dan dat deselve resolutie ook is genomen op ongefondeerde rapporten, ende sonder eenichsins te hooren de gene die aldaer beswaert, jae als wettelijk overwonnen genoegsaem veroordeelt werden, behalven dat met de gemelde resolutie aen de kerken van de Gereformeerde religie, ende andere goede Patriotten,


1) Deze resolutie en verklaring, in het boven (blz. 78) genoemde Groot Placaatboek niet opgenomen, is hier overgenomen uit G. Brandt, Historie der Reformatie, Dl. IV, blzz. 767-770.

|84|

soo binnen als buitens slandts groote ergernisse werdt gegeven, ende daer tegens die Nieusgesinde ende vyanden van de kerke merkelijk worden gestijft ende gesterkt, ende alle ’t selve noch meerder sal gebeuren, mitsgaders andere quade gevolgen de Religie nadeelich sullen ontstaen, indien deselve resolutie ter executie soude werden gestelt. Immers dat ook de meer gemelte resolutie niet conform is de resolutie van de Steden in den Jaere 1620 op ’t stuk van d’approbatie der kerkenordre door haer minder getal Staetsgewrjse ingebragt: Verklaren daeromme de Volmagten van de Steden dat se aen de resolutie der platten landen niet begeren deelachtig te sijn, maer verstaen dat de kerkelijke besluitingen kracht ende effect behooren te sorteren Soo ende als Godes woordt medebrengt, ende dien volgende specialijk hier te lande voor desen gebruikelijk is geweest, Ordonnerende hen Gedeputeerden metten Hooch en welgeboren Heer Graef Ernst Casimir onsen Stadtholder, volgens hun Instructie int stuk van de Religie ende Kerkelijke saeken by de Staten des landts eendrachtelijk gearresteert, onverbreekelijk geobserveert, ende door veel acten bevestigt, de goede kerkelijke besluitingen (voor soo veel noot) t’ approberen, ende de goede handt daer aen te holden, dat deselve tot Godes eere ende stichtinge sijner kerke mogen worden geeffectueert, sonder te verwachten tot onse ordinaris vergaderingen ofte landtsdagen, soo sulken trein veeltijts groote inconvenienten inde conscientien ende kerkelijke saeken veroorsaekt, ende sulx tot desen toe by de Gedeputeerden van de Landen selfs niet gebruikelijk is geweest.

Nopende d’approbatie van kerkenordre by de Gecommitteerde van alle kerken der vereenigde Nederlanden eendrachtelijk door de publijke authoriteit van de Ho: Mo: Heeren Staten Generael op die loffelijke Synode tot Dordrecht met last ende volgens voorgaende gebruik beraemt Insisteren de volmachten van de steden hen voorgenoemde resolutie daer op uitgegeven ende verstaen, dat de Dienaeren des Goddelijken woordts niet alleen vry staet, maer amptshalven toekomt, d’approbatie ende onderhoudinge van de gemelte Kerkenordre met allen vlijt te bevorderen, met dien verstande dat de kerken deser Provintie, in ’t achtervolgen van dese generale Kerkenordre, naar eisch der stichtinge behoorlijk acht mogen nemen op haere particuliere gelegentheit ende voorgaende practijk, in voegen ’t selve in de kerken van andere vereenigde Provinciën werdt gepractiseert, ende daer op rede by de Dienaeren des Goddelijken woordts in verscheiden kerkelijke byeenkomsten (die deshalven in de voorsz. resolutie van den 10 July eerder diende gepresen als soo hooglijk getaxeert te worden) hier te Lande is gelet, selfs ook soo verre, dat sy om de vrede der kerken ende haer soo veel doenlijk te voegen nae de resolutie van de Heeren volmachten der platte landen in dato den 30 July 1619 meermaels hebben verklaert, als notoir ende kennelijk is, sonder daer mede andere Nederlandtsche kerken te prejudiciëren, te weden te sijn met observantie van ’t gene in de kerkenordre des Synodi van Dordrecht met voorgaenden gebruik der Kerkenordre ende dese Provincie, Waer toe de Heeren volmaghten van den platten Landen haer selven nae de voorgeroerde resolutie van den 30 July sijn gedraegende, overeenkomt. Soo verre ist van daer, dat sy iedts vreemts wesende niet practicabel tegen de Privilegiën des Landts

|85|

souden souken door te dringen ofte in trein te brengen, ende als pertur-bateurs van de gemeene ruste behooren gestraft te worden. Desen volgenden ordonneren de volmachten van de steden hen Gedeputeerden, Procureur Generael, ende alle Magistraten van de Steden hen met d’executie van de voorsz. resolutie niet te bemoeyen, maer tegen deselve en dergelijke onwettelijke proceduiren alle getrouwe Dienaers des Goddelijcken ivoordts, vrome ledematen ende goede Patriotten, mitsgaders alle kerkelijke vergaderinge in hare eere, goede diensten, getroutvigheit, recht ende welherbrachte vryheden, soo deselve sedert de Reformatie in desen Landen stichtelijk ende vredelijk sijn gebruikt te mainteneren. Ende nadien het de volmachten van den platte Landen op den selvigen dato van den 10 July lestleden wijders belieft heeft, buiten alle weten ende communicatie van de volmachten der Steden, haer aen te matigen d’absoute dispositie in sekere kerkelijke saeke van beroepinge, deselve niet alleen t’ approberen tegens het oordeel des Classis van Leeuwarden ende sonder de saeke nae older gewoonte te laten examineeren by de Deputaten Synodi ofte den Synodum, maer ook daer te vooren een yeder, ende specialijk den Classe voorsz. te ordonneren, om sekeren kerkendienaer voor Predikant tot Belkom te erkennen, mitsgaders den Classi van de Sevenwolden, om hem van sijn kerke of plaetse die hy bedient te ontslaen,

Soo ist dat de volmachten van de Steden wijders genoodtsaekt sijn daer tegens te verklaren, dat die selfde proceduire niet alleen is nieuwe ende van quaeden gevolge in de Regieringe, maer ook strijdich tegens alle voorgaende gebruik van Kerkenorde sedert de Reformatie in dese Provincie geobserveert, volgens welke die haer beswaert vinden in ’t oordeel van den Classe, haer hebben te vervougen by de deputaten Synodi ofte Synodum deser Provincie, in conformiteit van de generale kerken-ordre aller vereenigder Provinciën. Verstaen daerom de volmachten der Steden, dat den kerkendienaer en de gemeente in de voorsz. dispositie gementioneert haer behooren te reguleren nae d’uitspraeke dies Classis ofte de saeke te brengen tot de voorgemelde Hooger Kerkelijke Vergaderinge, ende in cas van hertnekkigheit de selve de kerkelijke straffen onderworpen te wesen.

Aldus gedaen ende gearresteert op ’t landtschapshuis binnen Leeuwaerden by de samtlijke machten van de steden van Vrieslandt, t’Oorconde haer handen hier onder gestelt den 10 Augusti 1622.

Onderstondt :

Tierk Abbes, J. Lamberti, Gerrit Folckert, Jan Maessum, Dirk Obbes, Goossen Willems, Dirk Claessen, J. Gerrit Velten, Jan Broers, Jochem Rierix, G. Simons, Feyt Rijnx, Reinier Allerts, Serapins Tetlum, Bartel Doedes ende Merch Bonnes.

Intusschen hebben de Steden hare approbatie feitelijk niet gehandhaafd, maar zich blijkbaar ten slotte geconformeerd naar de Landkwartieren, zoodat b.v. de resolutie der Staten van den 30 November 1613 (a.w. blz. 481), waarin o. a. de resolutie der drie Landkwartieren van

|86|

den 10 Juli 1622 wordt gehandhaafd, niet alleen door de Volmachten van Oostergo, Westergo en Zevenwolden, maar ook door die van de Steden geteekend is.

Gelijk reeds in de resolutie van den 3 Juli 1619 was uitgesproken, bleef dus in Friesland, wat de Hooge Overheid betreft, de oude kerkelijke ordening gelden. En dit was m.a.w. de Gereformeerde Kerkenordening, naar de redactiën van de Nationale Synoden der 16e eeuw; altijd behoudens de in Friesland geldende „observantien, regten en privilegiën”, bepaaldelijk in zake de predikants-beroepingen. Dat die oude Gereformeerde Kerkenordening ook met uitdrukkelijk goedvinden van de Hooge Overheid voor Friesland van kracht was, blijkt uit hetgeen dienaangaande getuigd wordt in het voorbericht van de eerste uitgave (1757) van Het Compendium der Kerkelyke Wetten van Vriesland, „volgens Kesolutie en Lastgeving der Ed. Mog. Hr. Gedep. Staten van Vriesland” door hunnen Canonicus Ds. G. Nauta bezorgd; welk voorbericht officieele beteekenis heeft, als zijnde, gelijk aan het einde vermeld wordt, „aldus opgestelt, ter visie Examinatie en approbatie van haar Ed. Moog. de Hr. Ged. Staeten van Friesland, en door Expresse order alhier geinsereert.” In dat op gezag der Staten zelven uitgegeven handboek wordt dan ook voortdurend verwezen naar de bepalingen van de Nationale Synoden der 16e eeuw, wier Kerkenordeningen vervolgens ook daaraan zijn toegevoegd.

Rutgers, F.L. (1890) II.5

Groningen.

In Groningen schijnt over de politieke approbatie van de Dordtsche redactie der Gereformeerde Kerkenordening niets te zijn voorgevallen. Er is althans niets van bekend. Blijkbaar waren de Kerken van die provincie tevreden met de aldaar reeds geldende redactie van dezelfde Kerkenordening. En dit wordt verklaard door hetgeen te lezen staat in de Postacta van de Dordtsche Synode (156e Sessie, van 13 Mei 1619): „De Articulen van de Kerken ordeninge zyn in de substantie van alle de Gedeputeerden, Predicanten en Ouderlingen, van yder Provincie geapprobeert. Eenige verklaarden, dat sy in hare Provinciën bysondere Kerken-ordeningen hadden, door authoriteyt van de Staten van haare Provinciën bekragtigt, in substantie met dese over-een-komende.” Dit laatste toch kan alleenlijk door de Gedeputeerden van Groningen, van Drenthe en van Zeeland verklaard zijn, daar alleen in die provinciën zulke bijzondere Kerkenordeningen bestonden.

Voor de provincie Groningen waren er destijds twee zulke Kerkenordeningen: de eene voor de stad Groningen met hare jurisdictie, terstond na de reductie in 1594 door „Borgemeesteren ende Baedt der Stadt Groningen” vastgesteld, en den 16 September 1594 door den Stadhouder Willem Lodewijk geapprobeerd (in haar geheel afgedrukt door H.H. Brucherus, in zyne Geschiedenis van de opkomst en de vestiging der Kerkhervorming in de prov. Groningen, Ed. 1821, blzz. 425-465, met de onderteekeningen der Stadspredikanten van 1594 tot 1661); en de andere voor de „Stadt und Omlanden van Groeningen”, den 27 Februari 1595 door den

|87|

Stadhouder Willem Lodewijk met de Gedeputeerde Staten van de Stad en Ommelanden vastgesteld (terstond in 1595 afzonderlijk uitgegeven, en later herdrukt en in onderscheidene geschriften mede afgedrukt).

Van die twee redactiën, die in geen enkel opzicht tegenstrijdig en vaak woordelijk gelijkluidend waren, kon inderdaad gezegd worden, wat de Groninger afgevaardigden in de Dordtsche Synode verklaarden. Trouwens, dat kon ook wel niet anders, daar die gansche regeling eigenlijk opgesteld was door Menso Alting, met Sibrandus Lubberti en Martinus Lydius (vgl. Ubbo Emmius, Mensonis Altingii vita, Ed. 1728, pagg. 84 sq..; en Brucherus, a.w., blz. 285), alle drie mannen die, gelijk de Stadhouder zelf, beslist „Calvinistisch” waren, geheel in den geest van de oude Synoden, die de Gereformeerde Kerkenordening hadden opgesteld.

Dienovereenkomstig wordt dan ook in die Groninger Kerkenordeningen telkens naar de algemeene Nederlandsche Kerkenordening verwezen, en worden de Groninger Kerken ook daaraan verbonden.

Zoo b.v. in de Kerkenordening voor de Stad met hare jurisdictie (hier aangehaald naar de uitgave van Brucherus): in de Inleiding, waar zij genoemd wordt „dese forma (welke met der Nederlantsche Kercken-ordnung overeenkomt)”; — in art. 1, waar onder de redenen, waarom „een algemeene Senatus Ecclesiasticus uit Kerckendienaeren en Politischen luiden” geheel verwerpelijk geacht wordt, ook voorkomt: „Gelyck een Prediger sich der Politischen regieringe ontholden sall, also is het oock behoorlick, dat sich die Politici der Kerckenregieringe ontholden”; en een weinig verder: „Eyndelick so is dese Senatus in allen Nationalibus Synodis verboden” (’t geen dan met aanhalingen uit de Kerkenordeningen van die Synoden gestaafd wordt); — in art. 6, waar een Roomsche pastoor geacht wordt met de reformatie mede te gaan, wanneer hij „dat Pausdom verlaeten, en dat H. Euangelium nae der regel der H. Schrift, reyn, lauter en klaer predigen, en den Kerckendienst in alles conforme der Nederlandischen en Frantzosischen Confession en Kerckenordnunge verrichten will”; — in art. 13, dat bepaalt: „In een ieder Classe sal een boeck wesen, waer in die Confessiones Gallica, Belgica, ofte Helvetica, Heydelbergensis Catechismus met der Nederlantschen Kerckenordeninge met wat veel schoon pampier te samen gebonden is; in welkerem boeck een ieder dienaer, ehr hy aengenomen wort” enz.; — in art. 62, dat zegt: „Wat sonst in den Ehesaecken aen to mereken en to holden sy, sal een ieder Prediger uit den Conclusionibus Synodorum Dordracenae, Middelburgensis en Hagensis; item ex libro Bezae de divortiis en andere Boecken leeren” enz.

En in de Kerkenordening voor de Stad en de Ommelanden (hier aangehaald naar de uitgave van 1595) komen niet alleen bijna alle deze bepalingen ook voor (artt. 2, 12 en 68), maar desgelijks in art. 33: „De openbare feyten moet hy (nl. de prediger) thoe den consistorio brengen, und se mit raede der olderlingen, nae der nederlantschen kercken ordeninge off holden”; terwijl voorts in de inleiding als de drangreden tot het stellen dezer Kerkenordening wordt aangegeven, dat het alleszins noodig was, „dat in conformiteyt vanden anderen vereenichden Provinciën onsen

|88|

Buntgenoten eenerleye forme van Discipline ende kerckelicke Ordeninge worde ingestelt ende onderholden, gelijc sulcx alhier inder Stadt. stracx nae die Beductie oock ingewilliget, ende int warck gestelt is geweest.”

Nog wordt omtrent de invoering dezer Kerkenordening medegedeeld (door Brucherus, a.w., blzz. 293 en 295, met verwijzing naar zijne bronnen), als voorgevallen op de eerste Provinciale Synode, 14-17 Juli 1595: „Eindelijk hebben de Heeren Commissarissen Politijk, ten einde de Predikanten het werk hunner bediening naar het voorschrift der Kerken-orde mogten inrigten, op de verbindtenis aan, en onderteekening van dezelve aangedrongen. Doch deze daarin eenige zwarigheid vindende, hebben verzocht en verkregen, om dit eerst in hunne Klassikale vergadering rijpelijk te mogen overwegen”; en als voorgevallen op de tweede Provinciale Synode, 11 Mei vgg. 1596: „Toen hebben alle Predikanten van de Ommelanden, gelijk die van de Stad misschien reeds gedaan hadden, door onderteekening hunner namen, zich aan de Kerken-Orde verbonden.”

Rutgers, F.L. (1890) II.6

Drenthe.

Ofschoon „Drost en Gedeputeerden” hadden medegewerkt tot het opstellen van de instructie, die aan de Drentsche afgevaardigden naar de Dordtsche Synode werd medegeven, en dus ook tot het opstellen van punt 5 dier instructie (in haar geheel afgedrukt bij T.A. Romein, de Hervormde predikanten van Drenthe, Ed. 1861, blzz. VIII-X): „Sullen mede helpen bevorderen, dat, soe doenlick, eene eenpaerige kerckenordning oever alle provinciën ingevoert worde, midts dat de synoden van eene iegelicke provincie respective, sal moegen vrij staen, ten oeverstaen van de Gedeputeerde Staten van deselve, de geseyde kerckenordnung ’t amplieeren ende corrigeeren, sulx als deselve nae natuir ende gelegentheit van iegelix provincie bevinden sullen te behoeren,” schijnt toch na afloop van de Dordtsche Synode in Drenthe niet gehandeld te zijn over politieke approbatie van hare Kerkenordening. Althans, er is niets van bekend.

De reden zal wel dezelfde geweest zijn als in Groningen. Want al is ook niets bekend van den inhoud der destijds in Drenthe geldende Kerkenordening, men weet toch, dat de reformatie aldaar ingevoerd en geleid is door denzelfden Stadhouder en dezelfde Kerkedienaren, als die zulks in Groningen pas te voren gedaan hadden. Wat hierboven te dien aanzien over Groningen gezegd is, geldt dus ook voor Drenthe. En dat bleef gelden, toen daarna eene nieuwe redactie der Kerkenordening, in 1633 door eenige predikanten op last der Provinciale Synode ontworpen, met „conferentie der Kerckenordeninge leestmael in Synodo Nationali te Dordrecht gemaeckt, soo veel het de natuir deeser Landtschaps Kercken eenichsins heeft moegen lyden”, den 13 Februari 1638 door de Staten van Drenthe vastgesteld, en den 8 December d.a.v. door Drost en Gedeputeerden uitgevaardigd werd (zie C. Hooijer, Oude Kerkordeningen, blzz. 463 vgg.). In deze Kerkenordening is zelfs opmerkelijk, dat ook voorzien is in het geval van „het seinden van de Gecomitteerden op de Synoden Nationael” (art. 60).

Rutgers, F.L. (1890) II.7

|89|

Zeeland.

Ook voor Zeeland gold de hierboven, bij Groningen, aangehaalde verklaring van eenige Gedeputeerden ter Dordtsche Synode, „dat sy in hare Provinciën bysondere Kerken-ordeningen hadden, door authoriteyt van de Staten van haare Provinciën bekragtigt, in substantie met dese [nl. de oude Gereformeerde Kerkenordening, laatstelijk in 1586 herzien] over-een-komende”.

In Zeeland toch had de Provinciale Synode van den 1 Februari 1591 eene dergelijke Kerkenordening, die door eenige Gedeputeerden van de Zeeuwsche Classen ontworpen was, vastgesteld; en deze was door de Staten van Zeeland den 17 Mei 1591 geapprobeerd, en den 14 September d.a.v. gearresteerd.

Ten aanzien van hetgeen daarna voorgevallen is over de politieke approbatie van de Dordtsche redactie van 1619, wordt door J. W. te Water in zijn „Kort Verhaal der Reformatie in Zeeland” (in de „Verhandelingen”, die daaraan zijn toegevoegd, nr. VI: „Historisch bericht wegens de Kerken-ordeninge van Zeeland”, blzz. 474 vgg.) nog het volgende medegedeeld:

„Als de Gecommitteerde Raeden onder de punten van beschryvinge tegen den 5 September 1619, onder andere hadden gezonden, Copye van de vergelykinge der kerken-ordeninge, in Synodo Nationali tot Dordrecht ingestelt, niette gearresteerde kerken-ordeninge gestelt in Synodo Provinciali Zeelandiae 1591, omme daer op te resolveeren, totte meeste ruste eneenigheit der Kerken deezer Landen (Notulen van Zeeland 1619, bl. 75, 76), is gedelibereert over de aenneeminge van de kerken-ordeninge (van Dordrecht) omme te dienen voor een generaele kerken-ordeninge in alle de Geünieerde Provintien; wesende daer nevens gezegt, hoe wenschelyk het waere, dat alle de Provintien ten deeze mogten vergelyken; en dat zyn Furstl. Genade heeft in zeer hooge recommandatie, dat dezelve, omme andere Provintien te beter te induceeren, by deeze Vergaderinge mogte goetgevonden worden, zoo veel mogelyk. En hebben alle de Leden van Staat zig eindelyk geconformeert met het advys van Middelburg, dus luidende (Notulen van Zeeland, den 13 September 1619): Die van Middelburg geeven in bedenking, of het even nodig is, dat gelyk de Provintien eenstemmig zyn in de Leere, alzoo meede wert vereischt, dat dezelven waeren gelykformig in de regeeringe der Kerken; dat de Provintie van Zeelant by de kerken-ordeninge d’anno 1591, in ruste tot nog toe is behouden, waer meede die by den Synode Nationael van Dordrecht meest in alle poincten is accordeerende; bestaende de zonderlinge discrepantie alleene in de exercitie van ’t recht der Overheeden in de beroe-pinge van de Dienaeren des H. Woorts, Ouderlingen, en Diakonen, en ’t geen daer van dependeert; welke kerken-ordeninge veen Dordrecht was in deezer maniere ingestelt, zonder volkomen kennisse van de Kerken van Zeelant, die dezelve in de aenstaende Synode Provinciael examineerende, daer inne wel mogten eenige poincten niet goetvinden; waer by dan nog meede komt, dat men niet en is verzekert, of de andere Provintien even bereit zyn omme de voorsz. kerken-ordeninge aen te neemen; ende

|90|

derhalven oft niet beter waere den tyt nog wat af te wagten, tot men waere onderricht van het oordeel van de aenstaende Synode Provintiael van Zeelandt, als meede van de genegentheit van de andere Provintien ten deezen: Omme ’t welk te verstaen, aen de Heeren Gedeputeerden ter Generaliteit van wegen deeze Provintie resideerende, zoude worden geschreven; welk dilay de zaeken wel konden lyden, mits de Vergaderinge van de Meeren Staten van Hollant eenigen tyt was uitgestelt. Gelyk nu in de overgeleverde punten tot de Synode van Goes 1620 niets vervat was, waar uit bleek dat in dezelve niet alle de punten der kerken-ordeninge van Dordrecht zouden worden goed gevonden, en in de Acten dier Synode ook geen aanmerkingen daar over gevonden worden, waar door dit gedeelte van de bedenkingen der Staaten van zelven ophieldt; heeft aan de andere zijde de Provintie van Vriesland de aanneminge van die kerken-ordeninge nadrukkelyk en volstandig geweigerd, en also hebben de Staaten van Zeeland die, volgens het voren staande besluit, noch volstrektelyk in ’t geheel, noch met bepaalinge van eenige Artikelen, als 4, 8, 10, 22 en z.v. aangenomen. Ook toonden Hunne Ed. Mog. de kerken-ordeninge van Zeeland te zullen handhaven als die zy den Classen van Zeeland weder op nieuw aanprezen in hun antwoord op derzelver vertoog (Notulen van Zeeland, 5 February 1620).”

Rutgers, F.L. (1890) II.8

Holland.

In zake de politieke approbatie van de Dordtsche Kerkenordening hebben de Staten van Holland, reeds in Juni en Juli 1619, de volgende resolutiën genomen (alle hier overgenomen uit G. Brandt, Hist. der Reformatie, Dl. III, blzz. 749-752):

Den 19 Junii 1619.

Van gelijken in deliberatie gestelt sijnde het tweede lidt van ’t selve vierde punt van de beschrijving, sprekende van arresteren van de kerkelijke Ordonnantie sulks de selve gecorrigeert bij forme van concept aen de Heeren Edelen en steden respective mede is geweest overgesonden. Ende soo der Heeren Edelen als der Gedeputeerden van de steden consideratien daer over gehoort, hoewel eenige van de Leden verstonden, best te wesen, en ook gelast waeren die aen te nemen, soo de selve leidt, is nochtans, onaengesien het goedtvinden van d’andre Leden, en om in dese saeke, sijnde van soo groote consideratien, te gaen met goede correspondentie, verstaen, dat eenige uit dese vergaderinge souden worden gedeputeert, om ’t ingestelde naerder te examineren, op de gemoveerde consideratien van de Heeren Edelen, en Gedeputeerden van de steden te letten en sulks te stellen, als sij souden verstaen te behooren, ende alsoo aen de vergaderinge te rapporteren. Daer toe gecommitteert sijn, uit de Heeren Edelen, de Heeren van Benthuisen en Somersdijk, en van de steden Dordrecht, Haerlem, Leyden, Amsterdam, Rotterdam, Alkmaer, Hoorn, mitsgaders de geenen van d’andre steden, die daer bij sullen begeerën te wesen, en datse t’haerer onderrichting en kennisse daer bij souden mogen roepen den gewesen President Bogerman.

|91|

Den 21 Junii 1619.

„Andermael in deliberatie geleidt sijnde, het tweede lidt van ’t vierde punt van beschrijving, aengaende het aennemen van de Kerkelijke Ordonnantie, en tot dien einde gehoort sijnde ’t rapport van de Heeren uit de Edelen en steden, die daer over gebesoigneert hadden, en verstaen, datse den Preses van de Synode Nationael, geweest D. Bogermannus, op verscheide punten, die bij de Leden deser Vergadering in consideratie genomen waeren, hadden gehoort, die heur sulken goeden contentement van ’t suiver en oprecht verstandt van de Synode hadt gegeven, en naementlijk van ’t woordt, met communicatie van de Overigheit, in ’t stuk van ’t beroepen van de Kerkendienaeren, en hoe verre d’intentie daer van strekte, datse daer over hadden genomen alle genoegen; alleen dat van de selve sijne verklaering alhier, en in de Acte van aenneming ofte arreste boven bij de Generaliteit notitie diende gehouden, te weten, dat de meining daer van was, met voorweten, kennisse, en goedtvinden selfs van de Magistraeten de beroepinge te doen, sij daer mede de vordre scrupule dien aengaende hadden laeten vaeren, blijvende over sulks maer eenige woorden noch nae, die maer en dienden tot verbetering en verklaering van den sin. Is nae deliberatie bij de Heeren Edelen, en ’t meerendeel van de steden verstaen, dat niet alleen hoognoodig, maer bijsonder dienstelij ken is, dat d’aenneminge van de kerkenordre moge worden gedaen, met vertrouwen, dat d’advysen gehoort, de discrepanten soo weinig sijn, dat men d’aenneminge wel sou mogen doen; mits in de Generaliteit gearbeidt werde de openstaende verbeteringe daer te mogen worden goedtgevonden, soo ’t selve sonder retardement of prejudicie van de geheele saek mogte geschieden; anders en aleer men retardement of prejuditie in ’t aennemen of voortgaen van de saeke daer bij veroorsaeken soude, dat men eerder de ordre sal mogen aennemen, soo die leidt. Doch alsoo de Gedeputeerden van de steden Leyden, Amsterdam, Rotterdam, Briele, en Hoorn niet gelast waeren, dan op rapport, is ’t eindelijke besluit tot op Dingsdagh naestkomende uitgestelt, tegens wanneer alle Leden versocht worden op desen volkomen gelast te komen, ten einde ’t werk ten principale niet te retarderen.

Den 28 Junii 1619.

In deliberatie wederom gebraght sijnde het stuk van de kerkelijke ordre, uit het tweede deel van ’t vierde punt van de beschrijvingen, is daer op verstaen, dat men in de Generaliteit bij gevoegelijke wegen sal aenhouden, dat het geene bij de respective Leden hier gemoveert is, naementlijk mede in ’t vierde Artijkel moge klaer gestelt worden, soo ’t selve gevoegelijk aldaer kan worden bekomen, sonder nochtans daer over te komen in contestatie met de Provinciën, maer eer in contestatie te komen de selve te mogen helpen arresteren, soo die leidt, om niet te geven retardement, mits daerna sal worden aengehouden en te weegh gebragt, daer op te verkrijgen behoorlijke verklaeringe tot contentement van de respective Leden.

|92|

Den 2 Julii 1619.

Nochmaels gedelibereert sijnde op het tweede deel uit het vierde punt van de beschrijving, aengaende het aennemen van de kerkelijke ordre, en de approbatie van wegen alle Provinciën daer van te doen, is nae verscheide deliberatien, omvraegen en dispuiten, communicatiewijse daer over gevallen, eindelijken omme met eenpaerigheit en overeenstemminge van alle de Leden alhier, en boven bij de Provinciën, tot het arresteren, approberen en aggreëren van de selve te geraeken, gelijk sulks ten allerhooghsten voor den staet van den Lande en van de kerk noodig sij, verstaen, dat men sal letten, of niet noodig bevonden wordt in de aggreatie daer van bij Acte te maeken aen de Heeren Staeten Generael te reserveren d’interpretatie van alle duisterheden, en omme deselve sulks te mogen verklaeren, als tot der Landen dienst en ruste van de kerk verstaen sal worden te behooren, ende sulks goedtgevonden wordende, gelijk men verstaet alhier te behooren, de acte van aggreatie daer mede sal worden geclauseleert, en op dien voet de kerkelijke ordre, soo die leidt, gehouden worden voor gearresteert, soo de selve gehouden wordt bij desen.

 

Hoe de slotsom van deze Resolutiën van Juni en Juli 1619, bepaaldelijk het slot der laatste Resolutie, algemeen werd opgevat, blijkt b. v. uit het bericht in den brief van den Engelschen gezant Dudley Carleton aan de Engelsche Regeering, d.d. 26 Juni/6 Juli 1619 (Lettres, Mémoires et Negociations du Chevalier Carleton, Tome III, pag. 103):

„En attendant les ordonnances Ecclésiastiques dressées par les Députés Provinciaux après Ie départ des exteri du Synode, ont été aprouvees et ratifiées par lés Etats d’Hollande; mais elles rencontrent quelque difficulté dans les autres Provinces.”

En evenzoo uit de „Acta des Suijdthollandtschen Sijnodi, gehouden binnen de stadt Leijden,” 23 Juli-17 Augustus 1619, waarvan art. 89 aldus luidt:

„Op het XIIe Gravamen: Datter een gheautoriseerde (I) Kerckenordeninghe moghe vercreghen werden, om ten minsten inden Kercken van Hollandt ende West-Vrieslandt in de regeeringhe der Kercken eenen eenpaerighen voet te houden. (II) Ende dat inde selve Kercken-ordeninghe mede ghelet werde op het verschijnen der Vaderen voor den Predickstoel, als haere Kinderen sullen ghedoopt worden. (III) Als oock op de Kerckelijke Censuren teghen die ghene die vande waere Leere der Gereformeerde Kercken affwijcken tot de wederdoopers, Papisten ofte andere Secten: offmen niet eiindelijck en behoort teghen de selve te procedeeren tot Excommunicatie. (IV) Item, hoemen procederen sal teghen den ghenen die dickmael Jaeren langh haer absenteeren van de ghemeenschap der Kercke in t’ gebruijck des H. Avondmaels, sonder reden te gheven van haer Absentie:

„Het Ie acht de Sijnodus hoochnoodich; ende is met vreuchden ver staen, dat de Kercken ordeninghe in Sijnod. Nat. gheresumeert ende overghelevert aende Heeren Staten Generael, is bij de Heeren Staten van

|93|

Hollandt ende West-vrieslandt, soo alsse leijt, opghenomen 1). Op het IIe Salmen volgen t’ghene Art. 57 vande gheresumeerde Kercken-ordeninghe besloten is. Belangende het IIIe Is goet gevonden, datmen geen generalen Resolutie ofte Regel hier op maecken sal, alsoo de omstandigheden verscheijden zijn; wort niet te min geraeden ghevonden, datmen sulcke sal vermaenen ende soecken te onderrichten, maer niet komen tot Affsnijdinghe, voor end’ aleer de Casus, met alle sijn omstandigheden bekleedt, aen den Particulieren Sijnodum sal wesen gebracht, ende daer over gehoort sal zijn het oordeel des selvighen Sijnodi. Aengaende het IVe Sal dienen daer op gelett te worden, off sulck Absenteeren geschiet uijt verachtinghe van de instellinghe Christi, ofte uijt andere swackheden ende geestelijcke aenvechtinghen; dewijl men geheel anders met de Swacke, als met de Halstarrighe, moet handelen.”

 

Intusschen was het niet de bedoeling der Staten, dat de Resolutie van 2 Juli 1619 reeds als eene definitieve approbatie voor de provincie Holland zou gelden. Later althans was hunne eigene opvatting, dat de Kerken-ordening wel door hen geapprobeerd was in zooverre, dat Holland in de Staten-Generaal tot de voorstanders der approbatie behooren zou, maar dat de particuliere approbatie van Holland formeel nog niet was verleend. Dit is blijkbaar de zin van de schijnbaar tegenstrijdige Resolutie die nu volgde, die van 18 December 1619 (openbaar gemaakt in het Kerkelyk Placaat-boek, Dl. III, blzz. 273 vg.; en daaruit hier overgenomen); en diezelfde opvatting lag ook ten grondslag aan de daarop weder gevolgde Resolutiën van Juli 1620 (openbaar gemaakt in het Bijvoegsel bij de 2e uitgave, in 1681, van het 3e Dl. van P. Bor Cz. Hist. der Nederlandtsche oorlogen, blz. 16; en daaruit hier overgenomen).

Den 18 December 1619.

Het vyfde Poinct de Schoolen en Meesters in dezelve aangaande; is verstaan daar in te gaan met distinctie; als te weeten, dat men de Meesters van de publicque Schooien daar toe zal houden, dat ze in agtervolg van de Kerkelyke Ordre tot Dordrecht geraamd, en alhier aangenoomen en geapprobeert, de beloften daar by gerequireert, zal doen onderteekenen, ter presentie en met ordre van de Magistraaten van de Plaatsen die men verstaat het gezag over de Schooien te behooren: en noopende de kleine By-Schoolen, dat daar in zal mogen gebruikt worden discretie na geleegentheid, en niet te min dezelve daar toe gehouden, dat ze niet en leeren onstigtelyke Boekskens, of zulke die strydig zyn jegens de Leere der Gereformeerde Kerken; en door de Gedeputeerden gaande ter Vergaderinge van de Hoog Mog. Heeren Staaten Generaal aldaar zal worden serieuse aangehouden, dat de Kerken Ordre voorsz. generalyken moge worden aangenoomen, andersints dat zulks particulierlyk in Holland en


1) In overeenstemming hiermede was ook reeds in Art. 6 van de Acta dezer Synode (waar een paar artikelen van de Dordtsche Kerkenordening worden aangehaald) gesproken van „de Kercken-ordeninghe inde naeste Synodo Nationali geresumeert ende bij de Hooghe Overheijt gearresteert.”

|94|

Westvriesland zal worden gedaan, omme wat zeekers te hebben waar na hem te reguleeren.

Den 11 Juli 1620.

Aangaende de Kerkelijke ordre by de Synode Nationael ingestelt en omme de selve voor geapprobeert aen te nemen wordt het selve dienstig en hoognodig bevonden, maer dat noch alvoorens particulier daer op te resolveren in de Generaliteyt sal worden aengehouden dat sulks generalijk by de Provinciën moge worden gedaen, of ’t selve niet willende vallen, mits de difficulteyten by Zeelandt en Vrieslandt daer inne gemaekt, men onderstaen soude met d’andere van de Geünieerde Provinciën daer toe willig zijnde, tot d’aenneemingh en approbatie te komen, maer dat mede niet willende gelukken dat men als dan alhier in de Vergadering de voorsz. geconcipieerde ordre naerder soude resumeeren en sien te arresteeren en approbeeren.

Den 13 Juli 1620.

Hoewel veele verstonden dat men als noch in de Generaliteyt by de Provinciën aenhouden soude om generalijk tot aenneeming van de selve Kerkenordre te komen of anders met de Provinciën die daer toe souden wesen gelast en gewillig: soo is nochtans by de meeste Leden voor goet geacht en daer op geconcludeert, dat men noch dese Vergadering de selve Kerkelijke ordre soo die in de Synode Nationael is ingestelt alhier te resumeeren en is ’t mogelijk arresteren, en dat gedaen by de gewillige Provinciën arbeyden de aenneeminge in den haare mede te willen doen, om alsoo van de hooghnodige saeke eenemael een eynde te maken.

Tot het resumeeren der Kerkelijke ordre gecommitteert de Heeren van Benthuysen, daer na Opdam in plaets van Somersdijk absent zijnde.

Den 22 Juli 1620.

Is gedaen rapport van de besoigne by de Heeren Gedeputeerden uyt de Edelen en Steden gedaen op ’t stuk van de Kerkelijke Ordonnantie en van alle redenen daer over in consideratie koomende en verstaen, dat men in ’t reces daer van sal mentie maeken en de consideratien op elk punt schriftelijk daer nevens over senden, en daer by voegen de consideratien ofte ’t gemoveerde van de Gedeputeerden der Stadt Leyden, aengaende ’t compareren van de Politijken in de Ciassicale vergaderinge, ten eynde alomme daer van eenpaerig rapport gedaen wordende met eenpaerige resolutie wederom in te koomen.

 

Door de Kerken van Zuid-Holland is toen over deze zaak weer gehandeld in de particuliere Synode te Gouda, 4-19 Augustus 1620, van wier Acta art. 12 aldus luidt:

„Noopende de Correspondentie te houden tusschen de Christelijcke Magistraet ende Kerckenraeden, over de Beroepinge der Predicanten, daer van de voorgaende Sijnodus, Art. VI, bij noodt provisioneele verclaeringhe gedaen heeft; hoe verre sich deese Correspondentie behoort uijt te strecken, ten besten der Kercken, om alsoo alle occasien van verdere ofte nieuwe

|95|

swaericheden in eenige Kercken te verhoeden; verclaeren de Gedeput. des Synodi, verstaen te hebben uijt eenighe Heeren, dat [lees: die] sijluijden deesen aengaende int particulier hadden gesproocken, dat soodaenige uijtlegginge des Synodi den Ed. Mogh. Heeren Staten niet wel en soude gevallen, seggende, Dat het den particuliere Synodis niet toe en staet Interpretatie te doen over het gene in Synodo Nationali is besloten. Is ter oorsaecke van deesen goetgevonden, alsoomen hadde verstaen inden voorgaenden Synodo, ende daer na, Dat de Kercken-ordeninghe geresumeert in Sijnodo Nationali, prout jacet, bij de Ed. Mogh. Heeren Staten van Hollandt ende Westvrieslandt was gearresteert, Dat tot verhoedinghe van alle verdere swaericheden de Kerckelijcke ordeninghe alhier soude werden geleesen, aengenomen, ende allen Classibus toegesonden. Doch alsoomen bericht was dat de Ed. Mogh. Heeren Staten in haere aenstaende vergaederinghe voor hadden op eenige poincten vande selve Ordrenaerder te letten, ende wat bij te voegen; ende dat de Heeren vroetschappen der steden van Hollandt ende Westvrieslandt eenige Articulen deesen aengaende waren toegesonden om daer over haeren Gedeput. op de Daghvaert met Instructie te dienen; Soo heeft de Synodale vergaederinghe noodich ende dienstich geacht, datmen haere Ed. Mogh. vriendelijck sal versoecken ende bidden, Dat het doch haere Ed. Mogh. gelieve inde selve Poincten niets flnelijck te arresteeren, sonder alvooren de selve veranderinghe ofte Bijvoeghselen met de Kercken der selver Provinciën in Communicatie geleijt te hebben, ten eijnde dat door soodaenige billijke en Christelijcke Correspondentie alle verdere onheijl en schaede der Kercken (die anders te vreesen staet) voorsichtelijck mochte werden voorgekomen. Doch op dat het niet en werde bij haere Ed. Grootmogh. alsoo geduijdet, Datmen haere handelinghe voor hadde te contramineeren: Soo is goet gevonden, Dat door de Gedeput. des Synodi sal werden een Remonstrantie gestelt, Dewelcke, nae voorgaende revisie ende approbatie der vergaederinghe, door Henricum Arnoldi ende D. Assessorem [nl. Hugo Beijerus] haere Ed. Mogh. sal werden inden aenstaenden Daghvaert overgelevert, op dat de vergaederinghe voor haer scheijden, deesen aengaende, noch mochte rapport hebben.”

 

Door de Staten van Holland is de zaak daarop weer behandeld in de vergadering van Augustus 1620, met de volgende Resolutiën (openbaar gemaakt bij Bor, a.w., Bijvoegsel, blzz. 16 vg.; en daaruit hier overgenomen).

Den 13 Augusti 1620.

Syn in de vergadering gecompareert D. Henricus Arnoldus en Hugo Beyer, Kerkendienaren tot Delft en in den Hage, als Gedeputeerden uyt de Synode particulier van Zuydt-Hollandt gehouden ter Goude, die aengegeven hebbende haere last by monde en in geschrifte aengaende ’t stuk van de Kerkelijke ordre, en om daer in niet gedaen, beslooten of gearresteert te worden buyten ’t geene tot Dordrecht by de Synode Nationael was ingestelt dan by communicatie van de Synode. Is naer deliberatie haer geseyt, hen te bedanken van de moeyte en die van de Synode van

|96|

de sorge voor de rust en welstant van de Kerke, met begeeren van daer inne te willen continueren, en voor antwoordt te verstaen dat men hier niet difficieel in ’t aennemen van de Kerkelijke ordre met moderatie, correctie, en soude geweest zijn, soo de andere Geünieerde Provinciën ’t selve mede te doen gelieft hadde. Dan sulks niet zijnde, en de Kerke niet kunnende wesen sonder reglement, men besig was, en noch dese vergadering met den eersten ter hande neemen soude de selve ordre te resumeeren, en te vertrouwen dat men in de saeke komende, verstaen sal ’t selve te doen met communicatie van de Broederen van de Synode of Kerken van Zuydt en Noordt Hollandt, sonder hun ’t selve in geschrifte te geven, maer dat men de Gedeputeerden in de Synode soude aenschrijven, ook de selve vermaenen in prejudicie van desen in de Synode niet te laeten besluyten.

Den 19 Augusti 1620.

Is goedt gevonden dat de Heeren van Benthuysen en Somersdijk met die van Dordrecht, Haerlem, Leyden, Amstelredam, Rotterdam, Alkmaer, Hoorn, Enkhuysen en d’andere Steden die hen present sullen willen vinden de voorgaende consideratien (op de Kerkelijke ordre) en de geene alsnu gemoveert ter handen sullen neemen en de correctien van naerbrengen elk op ’t sijne en hier dan refereren en ook letten, en rapporteren, hoe en in wat voegen men de Hoven van Justitie en de Synoden van Zuydt en Noordt-Hollandt allergevoeghlijkst daer van sal doen de communicatie om niet te geraeken in disputen.

Den 20 Augusti 1620.

Is gelast te schrijven aen de Gedeputeerden in de Synode ter Goude, aldaer aen de selve Synode te vermaenen eenigen te deputeren, welke men de correctien en veranderingen in de Kerkelijke ordre te doen soude mogen communiceren, en van gelijken aen de Synode van Noordt Hollandt tot Alkmaer ten selven eynde.

Den 21 Augusti 1620.

De Heeren uyt dese Vergadering gebesoigneert hebbende op de consideratien en correctien van de Kerkelijke Ordonnantie, doen punctuelijk rapport van haere gedaene besoigne, en na ’t selve was gehoort en verstaen wel te zijn gebesoigneert, zijn versocht de Gedeputeerden van Haerlem de gedaene correctien te resumeeren en te brengen op ’t papier om daer na aen de Hoven van Justitie te mogen werden gesonden, ten eynde de selve te sien en te dienen van haer advijs, en die gesien door eenige Gedeputeerden aen de Kerkelijke persoonen van de Zuydt en Noordt Hollandtsche Synode (daer toe by de selve specialijk gelast) te worden gecommuniceert, ende der selver bedenken daer op zijnde verstaen aen dese vergadering te refereren, om daer na alles gehoort en in goede achtinge genomen zijnde, gedaen te worden als men bevinden zal voorden Lande en Kerkendienst best te behooren.

Wordende van nu af geresolveert dat aen de Steden Delft, Leyden, Goude, Enkhuysen en d’andere die ’t begeeren sullen, acte sal worden gegeven te

|97|

mogen blijven by haere ordre die se elks hebben in t distribueren van de aelmoessen, sonder datse gehouden sullen wesen de Kerkenordonnantie daer in te volgen, of haer de selve dien aangaende te onderwerpen.

Als mede voor vast geresolveert wordt dat geene acten Synodale effecte sullen hebben, of yemant verbinden als die by de Ed. Mog. Heeren Staten alvoorens sullen zijn geapprobeert.

Dat ook voortaen alle Classicale vergaderingen in de Hooftsteden in eiken Classe zijnde Leden van dese vergaderinge, sullen moeten worden gehouden, en alle Kerkendienaren gehouden wesen te doen den eedt daer toe geconcipieert.

 

Over deze onderhandelingen berichten de Acta van de bovengenoemde Goudsche Synode:

Art. 60: „Het 1e en 2eGravamen zijn wat uijtgestelt, alsoo te vooren was goet gevonden bij Remonstrantie haere Ed. Mogh. te vertoonen, ende te versoecken sulks, als Art. XII deeses Sijnodi te sien is: Ende wert uijtgewacht wat door de Broederen, die nae den Haghe uijt de vergaederinghe zijn gedeputeert, sal worden gerapporteert: als volght Art. XCI”.

En art. 91: „D. Henricus Arnoldi ende Hugo Beijerus, die volgens de Commissie haer opgeleght Art. XII hier vooren, waren inden Haghe geweest, hebben rapport gedaen, Datse haeren last hadden gecommuniceert int particulier met eenige Heeren, ende dat haer bij de selve was geraeden, Datse haere Remonstrantie, alsoo gededuceert, niet en souden ingeven, maer alleen versoecken, Dat de aenmerckinghen ofte naerder verclaeringhen op de Kercken-ordeninghe bij haere Ed. Mogh. gestelt, ende daer over nu inde vroetschappen Leden ende steden des Landts was gedelibereert, eerse wierden gearresteert, deesen Sijnodo mochten werden gecommuniceert, ten eijnde alsoo met onderlinghe Correspondentie de Kercken eens mochten haere gewenschte Ordere bekomen. De vergaederinghe dit overweghende, heeft goetgevonden dat het alsoo geschiede, ende dat de Remonstrantie tot dien eijnde behoorlijck werde ingestelt, ende bij de selve Gedeput. haere Ed. Mogh. overgelevert. De selve Gedeput. Broederen haer Commissie in S’ Gravenhaghe verricht hebbende, hebben rapport gedaen, hoe dat sij, inden Haghe komende, ende haere saecke als vooren met eenighe particuliere Heeren, die op den Daghvaert gecommitteert waren, in communicatie geleijt hebbende, waren geadvijseert, dat sij nevens haere Remonstrantie souden versoecken om de vergaederinghe van haere Ed. Mogh. mondelinge openinghe te moghen doen; ende dat sulcks hun veroorloft zijnde, sij wijtloopich hadden verthoont, hoe veel de Kercke Godts aen goede Ordre was geleghen; Dat oock sulcks was voor deesen bij de Hooghmogh. Heeren Staten Generael verstaen; blijckende uijt de Resumptie vande Kercken-ordeninghe in Sijnodo Nat. onder d’authoriteijt van haere Hooghmogh. beleijt ende gehouden; Dat oock haere Ed. Mogh. van Hollandt ende Westvrieslandt het selve alsoo hadden geoordeelt, overmits haere Ed. Mogh. alle vlijt hadden aengewent dat de geresumeerde Kerkenordre bij alle andere Provinciën oock mochte werden aenghenoomen; gelijck de selve bij haere Ed. Mogh. volgens t’ghene inden laesten

|98|

Sijnodo Leijdensi is verstaen, was aenghenomen: Dat oock deese vergaederinghe op het selve ooghmerck siende, volgende den last des Nat. Sijnodi deselve hadden aenghenoomen; Ende alsoo verstaen was, dat bij haere Ed. Mogh. gestelt waren seeckere Aenmerckinghen ende verclaeringhen over deselve Ordere, dat het doch haere Ed. Mogh. geliefte zij, geen arrest in de selve te doen sonder alvooren, om de ruste ende welstant der Kercke te bevorderen, de selve den E. Synodo te communiceer en. Hier op vertreckende, Dat haer, nae langhduerighe deliberatie wederom binnen geroepen zijnde, was tot antwoorde gegeven: Dat haere Ed. Mogh. den Sijnodo bedanckten voor haere sorghe ende devoijr diese voor den welstant der Kercken aanwendet, Dat oock haere Ed. Mogh. becommert en besich waren om t’selve te bevorderen; ende dat sij daerin soo souden handelen dat blijcken soude dat haere Ed. Mogh. becommert waren over de vreede en welstant der Kercken; sonder nochtans te seggen, Datse het met den E. Synodo souden communiceeren, ende dat de Gedeput. hier van hadden versocht een Acte, om den Sijnodo dies te getrouwelijcker te konnen rapportesren t’ goetvinden van haere Ed. Mogh., ende dat haer was tot antwoorde gegeven, Dat haere Ed. Mogh. souden schrijven aen haere Ed. Mogh. Commissarissen op den Sijnodo gedeputeert. Dit rapport gedaen zijnde, is bij den Heere Raetsheer [Rochus van den Honaert] de vergaederinghe te kennen gegeven, Dat haere Achtb. van haere Ed. Mogh. hadden seeckere Missive ontfanghen, ende dat den inhoudt soodaenigh was, Dat haere Ed. Mogh. de vergaederinghe bedanckten voor haer devoijr en sorghe, ende Dat haere Ed. Mogh. besich waren, om de Kerckelijcke Ordere met den eersten in haere vergaederinghe noch te Resumeeren, met vertrouwen dat, inde saecke getreden zijnde, men goetvinden sal daer in te gaen met onderlinge communicatie van Synoden ofte Kercken van Zuijd-ende Noord-Hollandt. Dit aldus den Sijnodo voorgedraegen zijnde, is de saecke tot den 18en uijtgestelt. Ende alsoo de vergaederinghe ten eijnde neijghde, heeft men van Nieuws aengevanghen daer van te spreecken. De Achtb. Heeren Commissarisen, van wegen haere Ed. Mogh. op de vergaederinghe gesonden, hebben seer ernstelijck ende instantelijck aengehouden, Datmen de saecke in haer geheel soude laeten staen, sonder ijets te resolveeren, maer uijtwachten den tijt, dat met sulcken communicatie, als de Ed. Heeren Staten sullen goetvinden, met den Sijnoden van Zuijd-ende Noord-Hollandt, daer over te houden, ijet werde besloten, verclaerende hier nevens door openinghe van twee distincte Missiven, die de selve haere Achtb. hadden ontfangen, de eene vande E. Gecommitteerde Raden, van dato den 8en Augusti, ende d’andere vande Ed. Mogh. Heeren Staten, van dato den 13en Augusti, haeren last te wesen niet toe te staen, Dat ijet bij den Synodo aldaer werde gedaen, maer alles beleijt tot goede Correspondentie end’ onderlingh goet verstandt vande Hooghgemelte Heeren Staten, ende die vande Kercke, daer in de ruste vanden Lande en welstant vande Kercke grootelijcks is bestaende: Ende oversulcks haere Ed. Mogh. verclaerden niet te twijffelen, ofte sulcks soude mede bij de voorschr. Sijnodo werden verstaen. De vergaederinghe dit ende alles wat ter saecke mochte dienen inde vreese des Heeren met rijpe deliberatie overwegende, vint

|99|

noodich, datmen van Nieuws haere Ed. Mogh. sal remonstreeren, hoe veel dat den Kercken is gelegen aen de onderlinghe Correspondentie over t’ stuck vande Kerckelijcke Ordinantie, tusschen haere Ed. Mogh. van Hollandt ende Westvrieslandt ende de Kercken der selver Provincie: Mitsgaders dat de selve haere Ed. Mogh. niet alleen gedienstelijck werden gebeden, Dat het haer gelieve den Kercken te openbaeren de Maniere van Communicatie ofte Correspondentie, daervan haere Ed. Mogh. Missiven spreecken; Maer oock beleefdelijck en duijdelijck werde geremonstreert, hoe de Sijnodus verstaet dat, haeres oordeels, in soodaenige Communicatie behoort ge handelt te werden: ende dat ondertusschen, alsoo de Kercke niet en kan zijn sonder Ordere, selffs niet de minste tijdt, sonder te vervallen in merckelijck perijckel en schaede, onderhouden werde den train der Kerckelijcke Ordinantie tot noch toe gepractiseert: Ende sal deese Remonstrantie werden ingestelt en vervolght bij d’ordinaris Gedeput. des Sijnodi [de vier predikanten Balthazar Lydius, Henricus Arnoldi, Henricus Bosueus en Samuel Gruterus]; end’ in gevalle haere Ed. Mogh. gelieven met de Kercken communicatie te houden, dat alsdan den Ordinariis Deputatis sullen bijgevoeght werden uijt den Classibus, daer geen Ordinarii Deputati uijtgekoren zijn, deese volgende Broederen; vijt de Classe van Leijden, B. Hermannus Kuchlinus: vijt de Classe van Gouda, D. Bartholomaeus Nicolai: vijt de Classe vanden Briel, D. Tobias Dammannus: vijt de Classe van Gorcum, D. Gisbertus Voetius: vijt de Classe van "Woerden, D. Jacobus Gralingius: vijt de Classe van Bueren, D. Petrus Vliegerius: vijt de Classe van Breda, B. Anthonius Plancius; respective Predicanten tot Leijden, Gouda Briel, Heusden, Woerden, Iselsteijn, end’ Oosterhout; die alleen bij forme van communicatie sullen handelen, zonder ijet peremptoirlijck te doen, maer gehouden sullen zijn reces te nemen tot den Sijnodum Particularem.”

 

Van toen af is over de veranderingen, die de Staten van Holland in de Kerkenordening wenschten, niet alleen in de Statenvergadering en in kerkelijke vergaderingen telkens gehandeld, maar ook tusschen die beide veel onderhandeld; maar alle die resolutiën, rapporten, vertoogen, conferentiën enz. hebben niet tot overeenstemming kunnen leiden.

De twee stukken, waarin is uiteengezet, welke veranderingen de Staten verlangden aan te brengen, met den bed dien zij wilden invoeren, en welke bedenkingen de Kerken tegen dat alles hadden (beide, vooral het laatste, van nog al grooten omvang), zijn afgedrukt, b.v. bij Bor, a.w., Bijvoegsel, blzz. 18-23, en bij Brandt, a.w., Deel IV, blzz. 326-331 en 779-793.

De hierop betrekking hebbende Resolutiën van de Staten, na Augustus 1620, zijn grootendeels te vinden bij Bor, a.w., Bijvoegsel, blzz. 17-24, waar afgedrukt zijn de Resolutiën van 17 September, 19 September en 14 December 1620, van 25 Mei vgg. en 26 Juni 1621, van 4 en 5 Juli, 16 Juli, 30 Juli, 1 October en 8 December 1622, van 29 Juni 1623, en van 19 Juli 1624. Door Brandt, waar hij handelt over de politieke approbatie der Kerkenordening in Holland (a.w., Dl. III, blzz. 749-752 en 908 en Dl. IV, blzz. 317-321, 324-332, 520-522 en 779-794), wordt van deze

|100|

Resolutiën, voor zoover hij ze vermeldt, alleen de hoofdinhoud medegedeeld. Het Kerkelyk Placaat-boek, dat er ook slechts enkele heeft, bevat daaronder ééne Resolutie, die bij Bor niet voorkomt, nl. die van 5 Juli 1621 (Dl. III, blz. 549).

De Synodale resolutiën over dezelfde zaak, na Augustus 1620, zijn vervat in de Acta van de Hollandsche particuliere Synoden; voor zooveel Zuid-Holland betreft, in de volgende Acta: Synode te Rotterdam, 20-30 Juli 1621, art. 38; Synode te Gorinchem, 5-9 Juli 1621, art. 6; Synode in den Briel, 4-12 Juli 1623, art. 4; Synode te ’s Gravenhage, 2-20 Juli 1624, artt. 4 en 38; Synode te Woerden, 22-26 Juli 1625, art. 9; Synode te Ysselsteijn, 7-17 Juli 1626, art. 5; en Synode te Dordrecht, 6-16 Juli 1627, art, 5.

Alle de daar vermelde stukken hier af te drukken, zou zeer veel plaats vereischen; en het is ook eigenlijk minder noodig. Deze uitgave kan volstaan met de laatste resolutiën, die aan beide zijden genomen zijn, en waarbij daarna de zaak gebleven is. Het laatste besluit van de Staten, in vele boeken en verzamelingen afgedrukt, wordt hier overgenomen uit Bor, t.a.p. En de laatste besluiten der Zuid-Hollandsche Synoden uit hare (nog uitgegeven) Acta.

Resolutie van de Staten van Holland.
Den 19 Julii 1624
.

Zyn in de vergadering binnen gestaen de Gedeputeerden des Zuydt-hollandschen Synode, vertoonende met veele redenen de noodigheyt van een Kerkelijke Ordeninge, dewijle de Kerke Gods geen tijdt buyten ordeninge kan wesen, sonder te vervallen in confusie, dat se daer op in haere vergadering gelet hebbende goedtgevonden hadden, dat by provisie gebleven soude werden by de gewoonlijke ordre van den jaere 1586, wel verstaende dat de Kerken die eenige andere practijken in ’t eene of ’t andere punt hebben (nochtans geen gemeenschap hebbende met de Kerkenordre van ’t jaer 1591) daer inne by provisie souden werden getollereert, behoudelijk dat dese haere resolutie geen prejuditie en sal geven aen ’t besoigne over de Kerkenordening noch openstaende, versoekende dat de Heeren Staten ’t selve goetvinden wilden, dewijle de Heeren Gecommitteerde Raeden verklaert hadden, haer daer toe niet geauthoriseert te vinden: ten tweden, versoekende dat haer by de Heeren Staten mochte toegestaen werden met de Kerken en de Synode van ’t Landt van Uytrecht te mogen houden correspondentie, als met de Kerken van Gelderlandt en van Groeningen haer toegelaeten is, hoewel verder gelegen, te meer dewijle de Gedeputeerden van de Regeeringe en van de Synode aldaer des nu versoeken: ten derden, dewijle sy doende waeren omme met de Gedeputeerden van de Nationaele Synode te communiceren op verscheyde projecten ofte formulieren by de andere Provinciën hier en daer gepractiseert, omme alsoo in de Latijnsche Schooien in alle Classen te hebben eenparigheyt van lessen, dat de Heeren Staten op ’t punt dienaengaende uytgeschreven niet en wilden disponeren, al eer mede te sien ’t geen by haerl. daer op ingestelt soude werden, en ten vierden, dat de Heeren

|101|

Staten believen wilde naerder ordre te stellen op ’t verbodt van de Luthersche Predicatien tot Bodegraeven, volgende diversche voorgaende bevelen daer op gegeven. Op alle welke punten by de Heeren, Edelen en Steden gedelibereert wesende, verstaen en geresolveert is: Op ’t eerste punt, dat ’et besoigne beraemt op de Kerkenordening van ’t jaer 1619 met den eersten by de handt genomen en afgedaen sal worden, en dat ondertusschen haere Ed. Mog. niet en konnen vinden dat by provisie eenige ordre geraemt ofte geresolveert werde te volgen, maer alle saeken gelaeten by ’t gebruyk dat in elke Classe dienaengaende tot noch toe is gevolght, met onderhoudt van alsulke rechten van patronaetschappen ofte andere als yemanden wettelijk zijn competerende: Op ’t tweede punt verklaeren haere Ed. Mog. dewijle men niet en twijffelt of de besoigne op de voorsz. Kerkenordeninge sal in korten tijdt konnen werden afgedaen en met eene gedisponeert op de correspondentie der Kerken dat sy ondertusschen goedtvinden, dat met de Kerke van de Provincie van Uytrecht noch voor een jaar mag werden gecorrespondeert van saeken puure Kerkelijke raekende: Op ’t derde punt verklaeren haere Ed. Mog. te vreden te zijn ’t voorgenomen besoigne van de Latijnsche Schoolen voor een korten tijdt uyt te stellen, mits dat de voornoemde Gedeputeerden be-neerstigen dat haer Ed. Mog. met den eersten mogelijk en immers voor de maendt van September toekomende ter handen mag werden gestelt ’t gene sy ten besten van de voorsz. ordre beraemen en by geschrifte over te leveren goedtvinden sullen, en op ’t leste punt hebben haere Ed. Mog. gelast haere Gecommitteerde Raeden haer met den eersten behoorlijk te informeeren, op ’t doen van ’t exercitie van de Luthersche Religie tot Bodegraeven, omme ’t rapport daer van gehoort, daer inne gedaen en gedisponeert te werden naer behooren.

Acta van de Zuidholl. Synode in den Briel, Juli 1623.
Art. 4
.

Ter occasie van den VIen Art. [van de Acta der Gorinchemsche Synode van 1622] end’ op het IeGravamen is geresolveert, datmen in alle Kercken-raeden Classen ende voorts in alle Kerckelijcke besoignien punctueelijck onderhouden ende naecomen sal de gewoonlijcke Kercken-ordre inde Synoden van der Goude, Rotterdam, Gorinchem, ende nu iterativelijck gearresteert. Ende dat ondertusschen de Gedeputeerde, volgens de Instructien vande voorgaende Synoden haer gegeven, geassocieert met den Gedeputeerden des Noordhollandschen Synodi, sullen op nieuws aen-houden dat eenmael de Kercken-ordre bij haere Ed. Mogh. geapprobeert werde.

Acta van de Zuidholl. Synode te ’s Gravenhage, Juli 1624.
Art. 4
.

Wat aengaet de Kercken-Ordeninghe, rapporteerden de Gedeputeerde deeses Synodi, datse met de Gedeputeerde van Noord-Hollandt meermaelen hadden aengehouden bij haere Ed. Mogh. dat de selve mochte worden geapprobeert: Doch en hadden tot noch toe sulcx niet konnen

|102|

verwerven: Het welcke deese vergaederinghe verstaen ende daerop geadviseert hebbende, is bij deselve goet gevonden: Datmen bij provisie sal blijven bij de gewoonlijcke Kercken-Ordeninghe van A°. 1586. Welverstaende dat de Kercken, die eenighe andere Practijcke in t’eene off t’ander poinct hebben (Nochtans geen gemeenschap hebbende met de Kercken-ordre van A°. 1591), daer in bij provisie sullen worden getolereert: Mits oock dat deese Resolutie geen praejuditie sal geven de Besoingien over de Kercken-Ordeninghe, noch open staende tusschen haere Ed. Mogh. ende deesen Svjnodum: Het welcke de Gedeputeerde deeses Sijnodi bij gelegentheijt sullen soecken te bevorderen op den selven voet, als in Svjnodo Roteroda-mensi Art. XXXVIII is gearresteert.

Hier op heeft de de E. Heere Commissaris Persijn, tot waerschouwinghe deeser vergaederinghe, te kennen gegeven: Hoe dat sijn E. geweest zijnde bij de Ed. Mogh. Heeren Gecommitteerde Raeden, soo veel hadde verstaen, dat haere Ed. Mogh. het beste genoeghen niet en souden hebben in deese Resolutie, meenende datmen daermede de Kercken-Ordeninghe van A°. 1586 soude arresteeren in praejudicie van de handelinghe der Ed. Mogh. Heeren Staten in t’arresteeren van een Kercken-Ordeninghe, dewelcke (soo sij meenden) in corten soude geschieden.

Om welcke misnoeginghe te gemoet te gaen ende wech te neemen, bij deese vergaederinghe gedeputeert zijn D. Assessor [Henricus Arnoldi], Luderus Vogelsangh, ende Gisbertus Voetius, omme met de Copije deeser Acte bij haere Ed. Mogh. te verschijnen, ende daermede te verthoonen dat dit de meeninghe deeses Siijnodi geensins en zij. De selve Broederen wederom gekomen zijnde, rapporteerden, dat de voorsz. Ed. Mogh. Heeren de Copije gelesen, ende daerbeneven haere breedere mondelinghe verclae-ringhe gehoort hebbende, hadden geantwoort, Datse de Resolutie niet en approbeeren noch improbeeren, als gehoorende tot de vergaederinghe der Ed. Mogh. Heeren Staten van Hollandt ende West-vrieslandt: Maer datse de vergaederinghe souden raeden, de saecke te laeten bij de Resolutie van den Sijnodo gehouden inden Briel: Ofte soo de vergaederinghe meende datse hierinne noch ijet hadden te doen, datse sulcs souden remonstreeren aende Ed. Mogh. Heeren Staten voorsz. Het welcke de vergaederinghe verstaende, heeft goet gevonden te deputeeren D. Praesidem [Henricus Rosaeus], Assessorem, ende Jacobum Leeuwium omme haer Ed. Mogh. ter naester vergaederinghe van deese saecke te onderrichten ende te contenteeren.

Art. 38.

De E. Magistraet van Dordrecht heeft deese Missive gesonden aen deese vergaderinghe, inde welcke haere E. te kennen geven haer misnoeghen over seeckere Parenthesis, gestelt inden IVen Art. deeser Synodale Acten: versoeckende dat de selve soude uijtgedaen ende achtergelaeten werden: Gelijck mede de E. Heeren Commissarissen eene Missive vanden Magistraet voorsz. aen haere E. gesonden, ende van gelijcken inhoudt zijnde, voorgeleesen hebben: waerop de vergaederinghe lettende ende advijseerende, en kan niet goet vinden den Art. te veranderen, maer den

|103|

selven alsoo te laeten blijven: Sullen derhalven de Broederen D. Boxhornius, D. Luderus Vogelsang, D. Nieuwenrodius, D. Leeuwius, dewelcke met haere Ed. Mogh. sullen handelen over den selven Art. nopende het exprimeeren van het Jaer 1586 en met eenen deese saecke, indien t’noodich is, excuseeren.

Deese Eerw. voorsz. Broederen bij haere Ed. Mogh. geweest zijnde, hebben met haer gebracht een schriftelijcke Resolutie van haere Ed. Mogh. voorsz., waer inne onder anderen dit Art. gestelt was: Dat bij haere Ed. Mogh. verstaen ende geresolveert is, op het eerste poinct, Dat de Besoigne beraemt op de Kercken-ordre van t’jaer 1619 met den eersten bij de handt genomen ende affgedaen set worden. Ende dat ondertusschen haere Ed. Mogh. niet en connen goet vinden, dat bij provisie eenighe ordre beraemt ofte geresolveert werde te volghen, maer alle saecken ghelaeten bij t’ gebruijck dat in elcke Classe dien aengaende tot noch toe is gevolght, met onderhout van alle sulcken rechten van Fatronaetschappen ofte andere als iemandt weltelijck sijn competerende.

Het welcke de vergaederinghe voorgeleesen, ende bij deselve daerop gelett zijnde, is goet gevonden, datmen blijven sal inde Classen ende Kercken deeses Sijnodi, totter tijdt toe het voorsz. Besoingnie sal affgedaen zijn, bij t’ geene t’ welcke geresolveert is inden Sijnodo vanden Briel, Art. IV.

Acta van de Zuidholl. Synode te Woerden, Juli 1625.
Art. 9
.

Aengaende de Kercken-ordeninghe, Art. XL [lees: Art. IV; nl. van de Acta der Haagsche Synode van 1621] geroert; Naedemael de Gedeputeerde, volgens haer rapport, tot noch toe, door verscheijdene voorgevallen empechementen, gantsch geen gelegentheijt en hadden gesien om op het langhduerigh versoeck der Kercken aen te houden, Dat de Kercken-ordre bij haere Ed. Mogh in conformiteijt des Rotterdamschen Sijnodi Art. XXXVIII mochte worden geapprobeert. Soo oordeelt de Synodus hoochnoodigh, Dat de Gedeputeerde nochmaels bij alle gelegentheijt ende de gevoechlijkste middelen bij haere Ed. Mogh. arbeijden, om eenmael die soo langhgewenschte approbatie der Kercken-ordeninghe te erlanghen; allegeerende onder andere redenen oock de loffelijcke exempelen van andere Provinciën, in welcke de Kercken-ordre is gearresteert, ende tot groote gerusticheijt ende stichtinghe der Kercken als mede tot contentement der E.E. Heeren Magistraeten selffs aireede wort gepractiseert: Ende dat ondertusschen de respective Classen souden volghen de gewoonlijcke ende tot noch toe gebruijckte Kercken-ordre. Versochte oock de vergaederinghe aende Achtbaere Heeren Commissarissen, dat deselffde gelieffde dit gewichtighe poinct in haere Achtb. rapport de Ed. Mogh. Heeren Staten tot faveur vande Kercken te recommendeeren.

Acta van de Zuidholl. Synode te IJsselstein, Juli 1626.
Art. 5
.

Noopende de bevorderinghe vande Kercken-ordeninghe, waer van Art. IX [van de Acta der Woerdensche Synode van 1625] wort gesproocken:

|104|

verstaet deese Sijnodus, dat het wel dienstich ende ten hoochsten noodich ware, Dat de Kercken hier te Lande eens mochten hebben een geauthoriseerde Kercken-ordeninghe; maer alsoo het schijnt dat het tegenwoordelijck onvruchtbaer ende te vergeeffs wesen soude Daerop wijder instantie te doen: soo acht deese vergaederinghe noodich, Dat ondertusschen de Kercken blijven sullen bij de Ordre in ’t laeste Eerweerde Sijnodo Nationael gearresteert, ende inde Kercken, van onder den Zuijd-hollandschen Sijnodo resorteerende, gebruijckelijck is; verwachtende de gemelde Gedepp. beter ende bequaemer gelegentheijt om soodaenighen gewenschten Kercken-ordeninghe wijders te versoecken.

Acta van de Zuidholl. Synode te Dordrecht, Juli 1627.
Art. 5
.

Den Ven Art. [van de Acta der IJsselsteinsche Synode van 1626], spreeckende vande Kercken-ordeninghe, verstaet de Sijnodus, Datmen moet verstaen ende uijtleggen, conform die Resolutien, daervan inde voorgaende Synoden genoomen; Als Briel: Art. IV, s’ Gravenhage: Art. IV en XXXVIII.