Berkhof, H. e.a. (1970) III

|46|

III Ambtstheologie en Nederlands-hervormde ambtspraktijk

 

 

59. De Nederlands-hervormde kerkordelijke vormgeving van de ambtelijke structuur der kerk gaat uiteindelijk terug op de theologische gedachten en de kerkordelijke ontwerpen van Calvijn. Calvijn is in de kerkgeschiedenis een groot en misschien wel het grootste voorbeeld op dit terrein van de geestelijke wijze waarop wij met de Schriftgegevens hebben om te gaan en de ambtelijke structuur moeten laten beantwoorden aan de noden van het heden. Voor Calvijn ging het in het ambt geheel om de gemeente, om de dubbele beweging van inlijving en toerusting die het wezen der kerk is en waaraan de ambtelijke Christus-representatie dienstbaar heeft te zijn. Vanuit deze visie ruimde Calvijn met grote vrijmoedigheid eeuwenoude tradities op en ontwierp hij geheel nieuwe ambtsgestalten. Zo maakte hij een einde aan het bisschopsambt dat allerwegen zijn ambtelijke functionaliteit had verloren en tot een administratieve, financiële en politieke macht was geworden. De ware bisschop was voor hem de plaatselijke bedienaar van Woord en sacrament. Daarvoor was echter de traditionele figuur van de priester niet geschikt, omdat daarbij de Woordverkondiging achter een sacramenteel ritualisme schuil ging. Dus werd de priester vervangen door de dienaar des Woords. Naast dit ambt trad het regeerambt van de oudsten. En het diakenambt herkreeg zijn lang verloren sociale functie. Als nieuw ambt werd dat van de leraar, doctor, ingesteld. Calvijn ontleende dat aan Efeziërs 4: 11. Maar de daar genoemde ambten van profeet en evangelist herstelde hij niet, omdat hij ze functioneel te zeer aan de situatie van de vroege kerk gebonden achtte (zie Institutie IV, 3, 1-9). Calvijn ging dus met grote en ons inziens gewettigde en geboden vrijheid te werk bij het ontwerpen van een ambtenstructuur voor zijn tijd. Hij was zich echter van deze vrijheid niet

|47|

bewust en zou haar ook niet hebben gewild. Hij beoogde slechts de ambtenstructuur aan te passen aan het beeld dat het Nieuwe Testament daarvan geeft. Gezien de uiteenlopende gegevens van het Nieuwe Testament was dat een onmogelijke zaak. Calvijn deed dan ook een keus, waarbij hij zijn uitgangspunt nam in Efeziërs 4: 4-16. Hij trachtte de daar gevonden gegevens echter achteraf te verbinden met gegevens uit andere traditielagen. Dat moest leiden tot gewrongenheden en onduidelijkheden. En deze werden nog vergroot door de concessies die Calvijn in de kerkordelijke praktijk in Genève moest doen. Mede daardoor komt het, dat de gereformeerde of hervormde of presbyteriale kerken overal ter wereld vrij diepgaande verschillen in ambtelijke structuur vertonen.

60. Calvijns ambtelijke ontwerp heeft zijn kracht en geldigheid tot vandaag toe bewezen. Deze ligt in allerlei elementen, als: de band van het ambt met de plaatselijke gemeente; de verbinding van ambtelijkheid en volop staan in de wereld, in de figuren van oudsten en diakenen, de nadruk op verkondiging, leren en toerusten der gemeente (zijn ‘tucht’ was als toerusting der gemeente bedoeld); de pluraliteit van ambten en ambtsdragers waardoor alles in collegiaal overleg moet geschieden en hiërarchie en autocratie worden geweerd. Al deze elementen hebben zozeer hun effectiviteit bewezen, dat wij ze niet kunnen opgeven. Wij willen dan ook niet minder maar meer. Wij moeten echter meer willen om twee redenen: enerzijds omdat het gereformeerde ambtenontwerp met een aantal onduidelijkheden en onevenwichtigheden behept is, die steeds dringender om correctie roepen. Anderzijds omdat elke tijd zijn eigen noden en behoeften meebrengt waarop de ambtelijke structuur zich door voortdurende wijzigingen moet weten in te stellen. De gereformeerde kerkstructuur heeft in de loop der eeuwen bewezen, over een grote flexibiliteit te beschikken. Ook allerlei in de Nederlands-hervormde kerkorde van 1951 is daarvan een bewijs. Met het oog zowel op de snel wisselende situatie in de wereld van de 20ste eeuw als

|48|

ook op de oecumenische problematiek en het zoeken van ambtelijke structuren voor zich verenigende kerken, mag met goede redenen van onze Hervormde Kerk een kritisch en creatief voorgaan op de weg naar vernieuwing van de ambtsstructuur worden verwacht. In dit onderdeel zal het kritische, in het volgende het creatieve domineren. Wij sommen hier dus een aantal zwakke punten op, die deels de ambtsstructuur als zodanig betreffen, deels haar huidige kerkordelijke inkleding.

61. De meest fundamentele zwakte is wel de onduidelijkheid van het ouderlingenambt. Deze gaat terug op Calvijn zelf. Uitgaande van Efeziërs 4 kwam Calvijn wel pastores en doctores tegen, maar geen ouderlingen. Hij vereenzelvigde de pastores op voorgang van Handelingen 20: 17 en 28 en Titus 1: 5 en 7, met episcopi en presbyteri. Daarnaast wilde hij met een beroep op Romeinen 12: 8 en 1 Korintiërs 12: 28 ‘gubernatores’, ‘die samen met de opzieners leiding moeten geven aan het opzicht over de zeden en de uitoefening van de tucht’. Deze mensen moeten fungeren als een ‘senaat’ en moeten zijn ‘ouderen uit het kerkvolk gekozen’ (Institutie IV. 3, 8). Calvijn noemt hen hier geen presbyters, omdat hij die naam voor de opzieners had gebruikt. Maar elders ziet hij zich genoopt om op grond van 1 Timoteüs 5: 17 en de (zijns inziens goede) praktijk der vroege kerk te onderscheiden tussen de opziener (episcopus) en de ándere presbyters. In de vroege kerk waren alle presbyters dienaren van Woord en sacrament (IV, 4, 2 v.). Maar blijken 1 Timoteüs 5: 17 waren er ‘twee soorten presbyters’: ‘er werden ernstige en betrouwbare mannen uit het kerkvolk gekozen, die samen met de pastores in gemeenschappelijk overleg en gezag de kerkelijke tucht moesten verzorgen’ (commentaar 1 Timoteüs 5: 17). Hier krijgen dus de ‘ouderen uit het kerkvolk gekozen’ die voor de tucht verantwoordelijk zijn, de presbyter-status die ze in de Institutie niet hebben. Maar in beide gevallen is de dienaar des Woords de eigenlijke presbyter, en de oudste hoogstens een assistent-presbyter met het oog op de tucht.

|49|

In Genève waren de ‘anciens’ de afgevaardigden van het stadsbestuur naar de kerkeraad (comys ou deputes par la seygneurie au consistoire), gekozen door de brede gemeenteraad uit de bredere en smallere gemeenteraden. Hun ambtelijk karakter is daar zeer onduidelijk. In Straatsburg, waar Calvijn de handen veel meer vrij had, hadden de ‘oudsten of presbyters’ naar de kerkorde van Calvijn veel meer een positie die met onze huidige overeenstemt.

62. Geen wonder, dat in vele Hervormde Kerken het ambtelijk karakter van de ouderling minstens twijfelachtig is. Daar de kerkelijke tucht meestal ingeschrompeld of weggevallen is, hebben de ‘Ältesten’ of ‘elders’ hoofdzakelijk de functie van onze kerkvoogden. In het wijdst verbreide gereformeerde ambtensysteem, dat uit Schotland stamt, is alleen de predikant ‘presbyter’. De Nederlandse traditie (Nederlandse Geloofsbelijdenis art. 30-32, synode van Emden, formulieren voor de bevestiging van ouderlingen en diakenen) heeft daarentegen duidelijk gekozen voor het ambtelijk karakter van de ‘oudsten’ als presbyters. Daarmee is de onduidelijkheid echter niet opgeheven. Juist het klassieke bevestigingsformulier, dat op voorgang van 1 Timoteüs 5: 17 twee soorten ouderlingen onderscheidt en zo predikanten en oudsten één ambtsnaam geeft, haast zich om direct daarop het oudstenambt weer ‘een bijzonder ambt’ te noemen, ‘tot hulp en bijstand’ der predikanten ‘zoals eertijds de levieten de priesters bijstonden’, ‘terwijl nochtans de ambten altijd onderscheiden bleven’.

63. Hier ligt een innerlijke tegenspraak, die zich ook in de praktijk voortzet. Officieel en principieel worden predikanten en ouderlingen geacht in hetzelfde ambt en op één lijn te staan, maar tegelijk is er een groot verschil in ambtelijke bevoegdheden, zozeer zelfs, dat van een hoger en lager (priesters en levieten) gesproken wordt. De ouderlingen mogen immers de kerkeraad niet voorzitten, geen kerkdiensten leiden, geen sacramenten bedienen, geen lidmaten bevestigen; zij worden voor een begrensde periode

|50|

gekozen en als regel zonder handoplegging bevestigd. Heel vreemd is vooral, dat het leiden van een kerkdienst wel is toegestaan aan een gemeentelid-kandidaat met voorstel, maar aan deze ambtsdragers is ontzegd. Ambtelijkheid en specialisatie doorkruisen elkaar hier op een weinig doordachte wijze. Grotere helderheid over de ambtelijke status van de ouderling is dringend nodig.

64. Van veel recenter datum is een andere onduidelijkheid ten aanzien van het ouderlingenambt, namelijk de creatie in de kerkorde van 1951 van de ouderling-kerkvoogd. Het scheppen van deze figuur kan als een noodzaak worden verdedigd. De kerkvoogdijen waren immers overal eigen beleidsmachten naast en vaak tegenover de ambtelijke colleges. Dat ging geheel tegen de draad van een verantwoorde gemeentestructuur in. Maar moet het alternatief zijn, dat de kerkvoogd nu zelf ouderling wordt? Dat is alleen verdedigbaar, als hij primair ouderling is en zich aan de Christus-representatie wijdt. Dat is echter niet het geval, en het is ook niet de bedoeling. Primair en vaak uitsluitend is zijn taak de financiële beleidsvoering. Die taak is als zodanig niet ambtelijk. Door haar met een ambt te combineren, worden zowel het ambt als de taak onduidelijker.

65. Er zal ook nieuw moeten worden nagedacht over de verhouding van ambt en sacrament. In onze traditie is de bediening van doop en avondmaal streng voorbehouden aan de predikant; slechts bij hoge uitzondering kan ze ook aan de zogenaamde hulpprediker worden toegestaan. De vicaris mag verder bijna alles wat de predikant doet, maar dit is hem als het laatste en hoogste van ambtelijke bevoegdheid ontzegd. Waarop berust deze strenge reservatie? Niet op het Nieuwe Testament. Daar wordt sacramentsbediening zelfs niet met het ambt in verband gebracht, behalve dan in negatieve zin, namelijk als Paulus blij is te kunnen verklaren, dat hij bijna niemand heeft gedoopt, daar hij nu eenmaal niet is gezonden om te dopen

|51|

maar om het evangelie te verkondigen (1 Korintiërs 1: 14-17). 1 Clemens (40 vv.) moet er voor strijden dat de oudsten de eucharistie-viering leiden, opdat dit niet ‘onberaden en onordelijk geschieden zou’. Bij Ignatius is het onwrikbaar principe, dat de opziener de viering leidt. Zo is het sindsdien gebleven. Dit is terecht, waar doop en avondmaal, samen met de prediking, bij uitstek fundamentele middelen van Christus-representatie zijn. Het lag nu echter voor de hand, dat in de gereformeerde ambtstraditie, voorzover ze predikant en ouderling in één ambt ziet staan, de sacramentsbediening ook aan ouderlingen zou worden toevertrouwd. De reden waarom dit niet geschiedde, moet men gissen. Waarschijnlijk lag ze in een onbewust sacramentalisme dat de Hervormde Kerk nog uit de middeleeuwen had meegenomen. De praktische moeilijkheden die deze reservatie der sacramentsbediening meebrengt, in vacante gemeenten en vooral op zendingsterreinen en bij de jonge kerken zijn welbekend. Zij hebben op hun beurt in de hand gewerkt, dat de maaltijd des Heren zo zelden wordt bediend. Over dit punt zullen we opnieuw of voor het eerst moeten gaan nadenken.

66. De onduidelijkheid die aan het diakenambt kleeft, is uit de geschiedenis van het gereformeerde kerkrecht welbekend. In het Nieuwe Testament maakt de diaken geen ambtelijke indruk. Hij lijkt daar eer de assistent van de ambtsdragers voor het volvoeren van taken die uit het ambtelijk handelen voortvloeien of daarmee samenhangen. De diaken is altijd iemand die op duidelijke wijze het charisma heeft om te helpen, om te dienen, om mede te delen, om barmhartigheid te bewijzen (1 Korintiërs 12: 28, Romeinen 12: 7b). In de gereformeerde conceptie bestaat het ambtelijk ‘tegenover’ in de prediking van het woord, de bediening van de sacramenten en de toerusting der gemeente door opzicht en tucht. Dat is verdeeld over twee ambten en voor een diakenambt als ‘tegenover’ is eigenlijk geen plaats. Vandaar dat de diakenen een eigen college vormden, dat van de bijwoning van een deel der

|52|

kerkeraadsvergaderingen en van vertegenwoordiging in de bredere vergaderingen (classis, synode) was uitgesloten. Tegelijk sprak men echter graag van de drie ambten waarin zich het drievoudig ambt van Christus als profeet, priester en koning uitdrukte; in die opvatting viel aan de diakenen het centrale priesterambt toe. Na de oorlog heeft men overal aan de onduidelijkheid een eind willen maken door theoretisch en praktisch de ambtelijkheid van het diaconaat sterk te onderstrepen. Dat is juist waar immers Christus door prediking en genezing werkte, en het diaconaat het daadkarakter van het evangelie naar voren brengt. Deze diaconia bewaart de ambtelijke Christus-representatie er voor, om woord-achtig, verbaal in de verkeerde zin te worden. Er blijven dan echter twee bezwaren aan onze huidige praktijk kleven: 1. Ondanks de theorie van het drievoudig ambt wordt het diakenschap aangevoeld als ‘lager’ dan het ouderlingschap, zoals dit laatste weer als ‘lager’ dan het predikantschap geldt. Ondanks onze tegengestelde theorie over de gelijkheid van ambten en ambtsdragers, heerst de hiërarchie van Ignatius nog ongebroken in onze kerk. 2. De diaconia onderling en naar buiten te is bij uitstek het werk van de charismatische gemeente. De grens tussen ambt en gemeente is hier nog veel vloeiender dan elders. Voorzover het diaconaat ambtelijk geschiedt, zal het vooral een stimulerend en pionierend karakter moeten dragen. Het moet aan de gemeente door woord en daad de barmhartigheid en gerechtigheid van het koninkrijk voorhouden. Maar de diaconale arbeid zelf zal zoveel mogelijk door de gemeente moeten worden verricht. In onze huidige praktijk is de verambtelijking van het diaconaat te ver gegaan, waardoor tevens het ambt van diaken als Christus-representatie onduidelijk is geworden.

67. Op een geheel ander terrein komen we, als we de onevenwichtigheid tussen de locale en de bovenlocale elementen in onze ambtsstructuur in het oog vatten. In onze kerk wil men principieel alleen van locale ambten

|53|

weten, al worden de uitzonderingen daarop met de dag meer. We zagen al, dat dit principe geen steun vindt in het Nieuwe Testament. het was een heilzame reactie op bovenlocale ambten die bureaucratisch of politiek verworden waren. Deze tendens werd versterkt door de congregationalistische invloeden in de 17e eeuw en door het Nederlandse individualisme. Vandaar dat een puur wereldse leus als ‘de autonomie van de plaatselijke gemeente’ bij ons ingang vond, hoewel deze terecht nergens in praktijk wordt gebracht. Het gevolg is echter, dat alle bovenlocaal ambtelijk handelen zoveel mogelijk locaal wordt gecamoufleerd. De enige bovenlocale ambtelijke instanties zijn de vergaderingen der locale ambtsdragers (classis, provinciale kerkvergadering, synode). Dat brengt ons op een punt dat hiermede onmiddellijk samenhangt:

68. De onevenwichtigheid tussen het collegiale en het personale element in de bovenlocale ambtelijke structuur der kerk. Alleen een vergadering van locale ambtsdragers mag bij ons volop bovenlocaal zijn. Er zijn geen bovenlocale ambtsdragers als zodanig, slechts gedelegeerden die in opdracht van deze vergaderingen handelen. Dat zijn vaak locale ambtsdragers, die geheel of gedeeltelijk van hun locale werk voor een bepaalde of onbepaalde tijd worden vrijgesteld. Classis, provincie en land hebben als zodanig geen individuele ambtelijke ‘tegenovers’, alleen collegiale. Dat bevordert op bovenlocaal niveau niet de effectiviteit, het schept integendeel een zeker bureaucratisch klimaat. Vandaar dat telkens weer de roep om een ‘bisschop’ wordt gehoord, een roep die vaak weinig doordacht, maar emotioneel duidelijk is. Met het instellen van provinciale en generale visitatoren (half vrijgestelde dragers van locale ambten) tracht onze kerk de hier gevoelde lacune enigszins te vullen.

69. Onze kerkorde is een indrukwekkende poging om de gereformeerde kerkordelijke structuren zoveel mogelijk aan te passen aan de behoeften van tijd en plaats.

|54|

Tengevolge daarvan zijn er allerlei locale en bovenlocale functies gecreëerd die soms wel en soms niet in de ambtsstructuur werden ingebouwd. De beslissing daarover vond lang niet altijd op principiële, veel vaker op praktische gronden plaats. Ook dat heeft de duidelijkheid op ambtsgebied niet bevorderd. Willen we die vergroten, dan zullen we op den duur twee vragen niet mogen ontwijken.

70. De eerste is: zijn er in onze kerk geen functies, die ten onrecht als ambt worden voorgesteld? Ten onrechte namelijk, omdat ze hoewel misschien zeer gewichtig in de gehele organisatie der kerk, toch niet als Christus-representatie fungeren en niet of niet primair gericht zijn op de dubbele beweging van inlijving en toerusting? Dit zal vooral moeten worden gevraagd ten aanzien van de vrijgestelde secretarissen van ambtelijke vergaderingen en van verschillende raden der generale synode, van predikanten die in dienst treden van niet-kerkelijke organisaties, van hen die leraar godsdienstonderwijs worden en dergelijke. Wat is er tegen dat ze hun ambt neerleggen en nu op een andere wijze met de hun geschonken charismata de gemeente gaan dienen? Zit achter de tegenzin daartegen niet een clerikaal en on-charismatisch imago van het gemeente-zijn-met-elkaar? Hoe dit ook zij, diepgaander bezinning en groter klaarheid zijn hier gewenst.

71. De tweede vraag is dan: Zijn er in onze kerk geen ambtsdragers die niet als zodanig worden erkend? Kunnen er geen vormingsleiders, jeugdwerkleiders, kerkelijk-maatschappelijke werksters en dergelijke zijn, die in feite ambtelijk handelen en als zodanig zouden moeten worden erkend? Dat ze wellicht als vrijgestelden salaris ontvangen, kan in de gemeente geen bezwaar zijn om hen volop te laten meespreken; men laat dit bezwaar bij de predikant ook niet gelden.

72. Wij moeten van de gedachte van elke ambtshoogheid af. In de kerk is er maar Eén hoog. Alles wat ieder

|55|

doet, is louter dienst. Dat de dienst van sommigen als ambtelijk moet worden aangemerkt, verheft hen niet boven de gemeente. Het geeft aan hun dienst een eigen verantwoordelijkheid. Het is immers geen kleinigheid om Christus te moeten vertegenwoordigen en de centrale zorg te hebben voor de dubbele beweging van inlijving en toerusting. Maar daarnaast zijn er talloze andere taken te verrichten in de kerk en ten dienste van de verhouding van de kerk tot de wereld. Deze zijn even nodig voor de opbouw der gemeente als de ambten. Zij die ambten en diensten verrichten, zijn allen broeders; en Eén is hun meester.