Kerkorde Emden (1571) Titel

Acta Synodi Ecclesiarum Belgicarum, quae sub cruce sunt, et per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae: habitae Embdae 4. Octob. Anno etc. 71.

Acta ofte Handelinghen der versamelinghe der Nederlandtsche Kercken die onder ’t Cruys sitten, ende in Duytschlandt, ende Oost-Vrieslandt verstroyt zijn1), gehouden tot Embden den 4. Octobris2) Anno 1571.


1) De laatste twaalf woorden zijn in nr. 3: Kercken die onder ’t cruijs sitten, ende der gener die door Duijtsch ende Oost Vrijeselandt verstroijt syn; en bij C.: Kercken onder ’t kruuse, ende door Duutschlandt ende Oostvrieslandt verstroijdt sijnde. Bij J. is het geheele opschrift: Geschicht und Verhandlunghen deren Niderlendischen Kirchen, so vnter dem Creutze durch Deutschland vnd Ostfrieslandt verspreiet, gehalten zu Embden a. 1571 d. 4-14. Octobris.
2) In nr. 3, bij C. en bij J. staat, evenals in den grondtekst, 4 October; zóó duidelijk, dat geen twijfel mogelijk is; terwijl ook van elders genoeg bekend is, dat op 4 October de eerste zitting gehouden is (zie hiervoren de inleidende opmerkingen over den tekst). De in alle uitgaven overgenomen drukfout der eerste uitgave, die 5 Oktober noemde, is dus boven in den tekst verbeterd.

Kerkorde Emden (1571) Art. 1

Artikel
1

Nulla Ecclesia in alias, nullus minister in ministros, nullus Senior in Seniores, Diaconus en Diaconos primatum seu dominationem obtinebit, sed potius ab omni et suspitione et occasione cauebit.

Gheen Kercke sal over een ander Kercke, gheen Dienaer des Woorts, gheen Ouderlinck, noch Diaken sal d’een over d’ander heerschappie voeren, maar een yeghelijck sal hen voor alle suspicien, ende aenlockinge om te heerschappen wachten1).


1) Dit geheele artikel luidt in nr. 3: Gheen Kercke, gheen Dijener des Worts, gheen Ouderlingh noch Dyaken enn sal heerschappie d’een over d’ander voeren, maer sal sijch veel meer hyer yn voor alle quaedt vermoeijen ende anlockynghe om te herschappen wachten; en bij C: Gheen kercke sall oover een andere kercke, gheen Dienaar des Woordts Ghodts sall oover eenen anderen Dienaar des Woordts Ghodts, gheen Ouderling sall oover eenen anderen Ouderling, gheen Diaacken sall oover eenen anderen Diaacken uuttneemenheyt ofte heerschappije hebben; maar veel meer van alle suspijtie ende oorsaack desselfs wachten.

Kerkorde Emden (1571) Art. 2

Artikel
2

Ad testandum in doctrina inter Ecclesias Belgicas consensum, visum est fratribus confessioni Ecclesiarum Belgicarum subscribere, et ad testandum harum Ecclesiarum cum Ecclesiis Regni Galliae consensum et coniunctionem, confessioni fidei Ecclesiarum illius Regni similiter subscribere, certa fiducia earum Ecclesiarum ministros confessioni fidei Ecclesiarum Belgicarum vicissim ad mutuum testandum consensum subscripturos.

Om die eendrachtigheydt in de Leere tusschen de Nederlandtsche Kercken te bewijsen, heeft het den Broederen goet ghedocht de belijdinghe des Gheloofs der Nederlandtsche Kercken te onderschrijven, insgelijcx oock de belijdinghe der Kercken in Vranckrijck te onderteeckenen, om daer mede hare verbindinghe ende eenigheyt met der selver Françoischer Kercken te betuygen, seeckerlijck vertrouwende, dat de Dienaren der selver Françoischer Kercken oock op hare zijde de belijdenisse des Gheloofs der Nederlandtscher Kercken, tot ghetuyghnisse der onderlingher eendrachtigheyt, onderschrijven sullen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 3

Artikel
3

Delecti sunt Petrus Dathenus et Joannes Taffinus, qui id ad proximam Synodum Galliae ministris significent, responsumque proximo fratrum conventui referant.

Men heeft vercooren Petrum Dathenum en Iohannem Taffinum, die dit den Kercken-Dienaeren ter naest-comende versamelinghe in Vranckrijck aensegghen, ende ter naester t’ samencoomste der Broederen der Nederlantsche Kercken, antwoort weder inbrengen sullen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 4

Artikel
4

Admonebuntur quoque ministri Belgici qui ab hoc coetu absunt, vt in eandem subscriptionem consentiant.
Idem et ab aliis omnibus praestabitur, qui in posterum ad ministerium verbi vocabuntur, antequem ministerium exercere incipiant
.

Men sal oock de Nederlantsche Kercken-Dienaers die in dese versamelinghe niet en zijn, vermanen, dat sy in die selve onderschrijvinghe bewillighen: T’ selve salmen oock allen anderen doen1), die van nu voortaen, tot den dienst des Woorts beroepen sullen worden, eer sy in haren dienst treden.


1) De laatste zeven woorden zijn bij C.: sulcks sall oock van allen anderen ghedaan werden; en evenzoo bij J.: Das soll auch also von allen andern Dhienern .... volnbracht vnd gehalten werden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 5

Artikel
5

Catechismi formulam in Ecclesiis quidem Gallicanis Genevensem, in Teutonici vero Heydelbergensem sequendam duxerunt fratres, sic tamen, vt si quae Ecclesiae alia Catechismi formula verbo Dei consentanea vtantur, necessitati illius mutandae non adstringantur.

De Broeders hebben gheacht, datmen in den Ghemeenten der Françoischer spraecke die forme des Geneefschen Catechismi, ende in de Ghemeenten der Nederduytscher spraecke, de forme des Heydelbergschen behoort te ghebruycken; doch alsoo, dat, of daer eenighe Kercken, eene andere forme van Catechismus den woorde Gods gelijckformigh zijnde gebruyckten, die sullen te veranderen niet ghedwonghen worden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 6

Artikel
6

In singulis Ecclesiis consessus erunt seu consistoria ministrorum, Seniorum et Diaconorum quae singulis vt minimum hebdomadibus habebuntur, loco et tempore, quae singulis Ecclesiis commodissima videbuntur.

In een yegelijcke Kercke salmen t’ samen-coomsten ofte Consistorien der Dienaren des Woorts, Ouderlinghen ende Diaconen hebben, die ten weynighsten alle weecken eenmael ghehouden sullen worden, ter plaetse ende tijt die een yegelijcke Ghemeente sal achten bequaemste ende gheleghenste te wesen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 7

Artikel
7

Praeter hos consessus erunt Classici tertio vel sexto quoque mense vicinarum aliquot Ecclesiarum conventus, pro earum commoditate et necessitate.

Benevens desen Consistorien, sullen oock alle drie ofte ses maenden Classische versamelinghen ghehouden werden van sommighe Kercken die by een gheleghen zijn, nae hare gheleghentheyt ende nootdruft.

Kerkorde Emden (1571) Art. 8

Artikel
8

Singulis praeterea annis habebuntur conventus omnium, quae per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae sunt Ecclesiarum inter se, Anglicanarum inter se, et earum quae sub cruce sunt inter se.

Daer benevens sullen jaerlijcxsche versamelinghen, aller verstroyde Kercken in Duytslandt ende Oost-Vrieslandt besonder, aller Engelscher Kercken besonder, ende aller Kercken onder ’t Cruys besonder, ghehouden werden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 9

Artikel
9

Secundo denique quoque anno Conventus omnium simul Ecclesiarum Belgicarum habebitur.

Voorder salmen alle twee jaren eens, een alghemeyne versamelinghe aller Nederlantsche Kercken houden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 10

Artikel
10

Classes Ecclesiarum Belgicarum per Germaniam et Phrisiam Orientalem dispersae. Classicum conventum constituent vtraque Ecclesia Francfortensis, Schonoviensis, Gallica Heydelbergensis, Franckenthalensis et S. Lambertana. Alium vtraque Coloniens, vtraque Aquisgranensis, Traiectensis, Limburgensis, Nouesiensis, et quae in Juliacensi sunt ditione. Alium Wesaliensis, Embricensis, Gochgensis, Renensis, Gennepensis, et si quae aliae sunt in Clivensi ditione. Alium Embdana cum peregrinis ministris et Senioribus Brabantiae, Hollandiae, et Phrisiae occiduae.

Beyde de Franckfortsche Ghemeenten, die Schoenausche, die Françoische tot Heydelbergh, die Franckendaelsche, ende die van S. Lambert sullen eene Classem maecken. Een ander Classem sullen macken beyde de Ceulsche Kercken, beyde1) die Aecksche, die van Maestricht, die van Limburgh, die van Nuys, ende die int Landt van Guylick zijn. Een ander Classem sullen maecken die van Wesel, van Embrick, van Gogh, van Rees, van Gennep, ende anderen die daer meer int Landt van Cleef souden mogen zijn. Een ander Classem sullen maecken die Kerke2) van Embden met den vreemden Dienaren des Woorts ende Ouderlinghen van Brabandt, Hollandt, ende West-Vrieslandt.


1) Het woord beyde staat niet bij C.; in nr. 3 staat hiervoor: ende; maar bij J. staat: beide Aquinische.
2) Het enkelvoud, dat de uitgave van 1612 hier heeft, in overeenstemming met alle afschriften en met den grondtekst, is in de tweede uitgave (van 1617) bij vergissing tot een meervoud geworden; en daarna is die drukfout in alle volgende uitgaven eenvoudig overgenomen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 11

Artikel
11

Classes Ecclesiarum sub cruce. Classicum conventum constituent Ecclesia vtraque Antwerpiana, Buscoducensis, Bredana, Bruxellensis, et si quae aliae sunt in Brabantia. Alium Gandensis, Marterensis, Roncensis, Aldernadensis, Verwicensis, Rominensis1), et ceterae quae in utraque Flandria sunt. Alium Tornacensis, Insulensis, Atrabatensis, Duacensis, Armentiriensis, Valencinensis, et ceterae idiomatis Gallici. Alium Amsterodamensis, Delffensis, et ceterae Hollandicae, Transisulanae et Phrisiae occiduae.

Beyde die Ghemeenten tot Antwerpen, die Ghemeente van ’s Hertogen-Bosch, van Breda, van Brussel, ende andere die in Brabant zijn mochten, sullen oock een Classem maecken. Een andere Classem sullen maecken die van Gent, van Ronsen, van Oudenaerden, van Comen2), ende die andere die in Oost- ende West-Vlaenderen zijn. Een ander Classem sullen maecken die Doornicksche, Rijsselsche, Atrechtsche, Armentiersche, Valencijnsche3), ende die andere Walsche Kercken. Een ander Classem sullen maecken die Ghemeente van Amsterdam, van Delft, ende andere Hollandtsche, Overijsselsche, ende Westvriessche Kercken.


1) Bij F. staan voor deze zes namen de volgende vijf: Gandavensis, Cominensis, Ronsensis, Aldenardensis, Werwicensis.
2) Bij C. staan voor deze vier namen de volgende zes: Ghendt, Mortiers, Remonde, Oude Naarde, Vervick, Komen; bij J. de volgende vijf: Gendt, Ronsen, Aldenarde, Werwich, Comen.
3) Bij deze vijf namen (in nr. 3 gelijkluidend, met plaatsverwisseling van Rijssel en Atrecht) heeft C. tusschen Doornick en Atrecht eene opene ruimte, en na Atrecht bovendien nog Duwaaij; welk naam ter zelfde plaatse ook voorkomt bij J. (Doway), die voorts dezelfde namen heeft als in den gedrukten tekst.

Kerkorde Emden (1571) Art. 12

Artikel
12

Admonebuntur qui in Anglia sunt, vt suas Ecclesias in Classes distribuant.

Men sal die van Enghelandt vermanen, datse hare Kercken in Classen afdeylen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 13

Artikel
13

Ministri eligentur a Consistorio, cum iudicio Conventus Classici, aut duorum triumve ministrorum vicinorum. Electi autem sistentur coram Ecclesia, vt vel tacitis suffragiis comprobentur, vel si quid sit, cur in electionem minus consentire velit1) Ecclesia, intra dies plus minus quindecim obiiciatur. Si quae tamen Ecclesiae consuetudinem electionis popularis, quae apud eas est, mutandam non esse censerent, ferentur, donec Synodo Generali sit aliter constitutum.

De Dienaren des Woorts sullen van den Consistorie met het oordeel ende goet duncken2) der Classischer versamelinghe, ofte twee ofte3) drie Ministers uyt de genabuerde Kercken vercooren worden. Vercoren zijnde, sullen sy der Ghemeente voorghestelt worden, op dat sy, ofte door stilswijghen der Ghemeente4) aenghenomen worden, ofte soo daer yet ware daerom die Ghemeente in de Verkiezinghe niet verwilligen en wilde, dat binnen 15. daghen onghevaerlijck5) voortghebracht werde. Nochtans of eenighe Kercken, daer de Verkiesinghe by ’t Ghemeene volck staet achteden, dat hare ghewoonheyt niet te veranderen en ware6), die sullen ghedraghen worden ter tijt toe, dat het door die alghemeene Synodale versamelinghe anders sal verordent zijn.


1) Voor de laatste drie woorden staat bij F.: consentire nolit.
2) De laatste zes woorden zijn in nr. 3: mit het oordel ende consent ofte goetdunken; bij C.: bij advijs ende oordeel; en bij J.: mit vrtheil vnd erkentnus.
3) De laatste twee woorden zijn in latere uitgaven, evenals in nr. 3 en bij C., bij vergissing uitgevallen.
4) De laatste vier woorden zijn bij C.: door stillswijgende suffragia; en bij J.: durch deroselben stilschweigendt mitstimmen.
5) Voor dit woord, dat bij C. en J. in ’t geheel niet gevonden wordt, heeft nr. 3: onbeghrepen.
6) Voor de laatste twintig woorden heeft J.: Jedoch so eine Kirche die gewohnheit einer Gemeiner erwehlung hette, welche gewohnheit sie nicht verendern wolle.

Kerkorde Emden (1571) Art. 14

Artikel
14

Eadem ratio in Electione Seniorum et Diaconorum servabitur1) nisi quod Classici conventus aut vicinorum ministrorum iudicium non erit expetendum.

Die selve wijse salmen oock in die Verkiesinghe der Ouderlinghen ende Diaconen houden, behalven datmen niet behoeven en sal t’ ghevoelen des Classis ofte der omlegghende Kercken-Dienaren te verwachten.


1) Voor dit woord staat bij F.: observabitur.

Kerkorde Emden (1571) Art. 15

Artikel
15

Singulis annis dimidia pars tum Seniorum tum Diaconorum mutabitur, ascitis in eorum locum aliis, qui itidem biennium inserviant, relicta tamen Ecclesiis praesertim sub cruce constitutis, vel longioris vel brevioris temporis libertate, pro earum commoditate et necessitate.

Alle jaren sal ’t halve deel, soo wel der Ouderlinghen, als der Diaconen, verandert werden, andere in haer plaetse ghestelt zijnde, die oock twee jaren lanck dienen sullen, doch dat de Kercken (voornamelijck die onder ’t Cruys sitten) hare vrijheyt van langher ofte corter tijt te nemen, nae hare gelegentheyt ende nootdruftigheyt behouden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 16

Artikel
16

Examinabuntur ministri ab iis a quibus eliguntur, si probetur eorum doctrina et vita, confirmabuntur cum solemnibus praecibus et impositione manuum, absque superstitione tamen et necessitate.

De Dienaren des Woorts sullen gheëxamineert, dat is, ondersocht worden van den ghenen daer van sy vercooren worden. Ist dat haer Leer ende leven voor goet bekent wort1), soo  sullen sy met Ghebeden daer toe dienende2), ende oplegginghe der handen (doch sonder superstitie ende nootsaeckelijckheyt) bevestight worden.


1) Voor de laatste tien woorden heeft C.: ende soo sij oprecht bevonden sijn in leere ende leeven.
2) Voor de laatste vijf woorden heeft J.: mit gewonlichen gebreuchen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 17

Artikel
17

Nulli ministro in aliena Ecclesia concionari absque illius Ecclesiae ministri et Consistorii, aut ministro absente, absque Consistorii consensu licebit.

Het en sal gheen Kercken-Dienaer gheoorloft zijn in een andere Ghemeente te Predicken sonder bewillinghe des Dienaers der selver Ghemeente ende der Consistorie, ofte int afwesen des Dienaers, sonder consent der Consistorie.

Kerkorde Emden (1571) Art. 18

Artikel
18

Qui se in ministerium iis locis insinuant, vbi ministerium iam constitutum est, vt abstineant, a Consistorio admonebuntur: Si nihilominus pertinaciter prosequantur, convocatis statim tribus quatuorve, aut etiam pluribus, si fieri potest, ministris vicinis ex classe cuius est illa Ecclesia, Schismaticus ibidem declarabitur. Quod vero ad auditores attinet, si contemtis pertinaciter admonitionibus, audire schismaticum illum iam declaratum pergent, Consistorium ex praescripto disciplinae Ecclesiasticae aget.

Die sich in den Kercken-Dienst indringhen in die plaetsen daer den Kercken-Dienst nu inghestelt is, die selve sullen van den Consistorien vermaent worden, datse afstaen, maer ist datse evenwel hartneckelijck voortvaren, soo salmen terstont drye ofte vyer, ofte oock meer, ist moghelijck, van den omlegghende Kercken-Dienaren dier Classe onder welcke dese Kercke is, beroepen, ende hem die het is verclaeren een Scheur-maecker te zijn. Ende aengaende die toehoorders, ist datse alle vermaninghen ende waerschouwinghen hartneckelijck verachtende, den Scheur-maecker (welcke hem nu verclaert is, sulck een te zijn) voortvaeren aen te hooren, soo sal de Consistorie nae uytwijsen der Kercken-tucht ofte Christelijcke straffe handelen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 19

Artikel
19

Vnica vel trina tinctio1) pro Adiaphora censetur, proinde Ecclesiis liberum vsum apud ipsas receptum relinquimus, donec aliter in proxima Synodo generali statuatur.

Eens, ofte drye mael in den Doop met water te besprenghen wort voor een middelmatigh ende vry dinck ghehouden: daerom laten wy den Kercken hare ghewoonheyt, diese hier in hebben, behouden, ter tijt toe dat anders in de naest-comende alghemeyne Synodale vergaderinghe verordent worde.


1) Bij F. staat hiervoor: immersio.

Kerkorde Emden (1571) Art. 20

Artikel
20

Testes adhibere vel non adhibere ad Baptismum, rem adiaphoram arbitramur, proinde vsus receptus in Ecclesiis servabitur pro sua cuiusque libertate, donec aliter in Synodo generali statuatur.

Ghetuyghen in den Doop te nemen, ofte niet te nemen, achten wy voor een middelmatigh dinck: derhalven salmen den Kercken haer oude ghewoonheyt laten, een yegelijck nae hare vrijheyt, ter tijt toe dat daer van anders in de alghemeyne Synodale vergaderinghe besloten werde.

Kerkorde Emden (1571) Art. 21

Artikel
21

In Ecclesiis, quarum instituendarum nobis libertas datur, pane communi seu cibario vtendum eumque frangendum esse in sacrae coenae administratione censemus. Eundo autem stando vel sedendo sacrae coenae communicare indifferens iudicamus, idcirco ratione vtentur Ecclesiae, quae ipsis commodissima videbitur.
Cantare Psalmos, aut sacras literas legere, dum sacra coena administratur, liberum Ecclesiis relinquitur, quemadmodum et verbis Christi vel Pauli vti in exhibendo pane et vino, qua in re cavebitur, ne verborum pronunciatio in consecrationis spetiem vel opinionem tandem trahatur.

In den Ghemeenten, daer ons vrijheyt ghegheven wort te mogen reformeren1), achten wy datmen ghemeyn spijsbroot ghebruycken, ende ’t selve in de uytdelinge des Nachtmaels breecken moet. Maer2) staende ofte sittende ’t Nachtmael te ontfanghen, oordeelen wy middelmatigh te zijn. Derhalven sullen die Ghemeenten sulck eene wijse ghebruycken, die hen de alder-gheleghenste dunckt te zijn. Psalmen te singen, ofte yet wat uyt de heylighe Schrift te lesen ter wijle ’t heylighe Avontmael uytghedeelt wort, wort den Kercken vry ghelaten. Insghelijcx oock staet in de vrijheyt der Kercken die woorden Christi ofte Pauli te ghebruycken, in ’t uitreycken des Broodts ende des Wijns, waer in men toesien sal, dat het uyt-spreken der woorden, met der tijt niet tot een schijn ofte waen van Consecratie ghetrocken en werde.


1) Voor de laatste acht woorden heeft J.: da vns zu lehren, vnd zu vnterrichten freyheit zu gelassen.
2) Tusschen dit en het volgende woord hebben nr. 3 en C. beiden nog het woord: gaande; en evenzoo J.: gehende.

Kerkorde Emden (1571) Art. 22

Artikel
22

Nemo qui sub parentem potestate est, aut eorum qui parentem locum obtinent, sine eorum consensu matrimonium contrahere debet; et fides matrimonii sine eorum consensu data, nullius est momenti. Siqui tamen ita se iniquos hac in re praestarent ac difficles, vt consentire nullo modo velint (quod interdum religionis odio et aliis de causis accidit), an tam sancti instituti impediendi iusta sit causa, consistorii erit iudicare.

Niemandt die noch onder de macht zijner Ouderen staet, ofte der ghener die in plaets der Ouderen zijn, en behoort hem selven sonder hare verwillinghe in den Houwelijcken staet te begheven, ende die houwelijcksche belofte sonder haer consent ghedaen1), is van gheener waerde. Soo daer nochtans eenighe van de Ouders hier in sick soo onbescheyden ende hart bewesen te zijn, datse in gheenerley wijse wilden verwillighen (’t welck somtijts uyt haet der Religie, ende uyt andere oorsaecken geschiet) alsdan sal het int oordeel der Consistorie staen, of daer eenighe billicke oorsaecke zy, sulck eene heylighe ordeninghe2) te verhinderen ofte te breken.


1) Voor de laatste zeven woorden heeft C.: de trouwe des houwelijcks sonder hun consent ghegheven sijnde.
2) Voor dit woord heeft J.: furnhemen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 23

Artikel
23

Sponsalia legitimè contracta, ne vtriusque quidem partis consensu dissolui poterunt, quin et operae pretium erit, iis contrahendis interesse vel ministrum vel seniorem Ecclesiae, ut antequam reciproca fiat promissio, intelligatur, an puram religionem amplectatur uterque; an consentiant parentes; et si alterutra, aut vtraque pars ante matrimonio iuncta fuerit, an de morte priorum coniugum legitimo testimonio constet.

De ondertrouwe Wettelijck ghedaen zijnde en sal gheensins moghen ghebroocken worden1), al waert dat beyde partien daer in verwillighden. Daerom salt raetsaem zijn, als d’Ondertrouwe gheschiet2), dat de Kercken-Dienaer ofte een Ouderlinck daer by zy, op dat, eer der onderlinghe beloftenisse geschiede, vernomen werde: of sy beyde die reyne Religie bekennen: of haer Ouders in haer Houwelijck verwillighen; Ende ist dat beyde partien ofte een van beyden, te vooren in den Houwelijcken staet gheleeft hebben: of men door gheloofwaerdighe ende seeckere ghetuyghnissen van de aflijvinghe der eerster partie verseeckert is.

Kerkorde Emden (1571) Art. 24

Artikel
24

Matrimonio copulandorum nomina ternis diebus dominicis, aut alioqui per tres vices iustis intervallis pro concione edentur.

Die namen der persoonen die in den Houwelijcken staet te bevestighen zijn, salmen drye Sondaghen, ofte anders drye mael, mits datter een tamelijcken tijt tusschen zy, voor de Ghemeynte uytroepen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 25

Artikel
25

Ecclesiasticam disciplinam in singulis Ecclesiis observandum esse censemus; ministrorum itaque partes erunt, non solum publicè docere, hortari, arguere, sed et priuatim vnumquemque officii sui admonere, qua in re et seniore operam suam impendere oportet.

Wy gevoelen dat de Kerckelijcke discipline ofte Christelijcke straffe in een yegelijcke Ghemeente behoort onderhouden te werden; derhalven salt der Dienaren des Woorts ampt zijn, niet alleen opentlijcken te leeren, vermanen ende straffen, maer oock int bysonder eenen yeghelijcken tot zijn plicht te vermanen, ’t welk oock den Ouderlinghen toestaet te doene.

Kerkorde Emden (1571) Art. 26

Artikel
26

Siue autem quis in doctrinae puritate errauerit, siue in morum sanctitate peccauerit, si id occultum est, et à scandalo publico remotum, observabitur regula, quam diserte praescribit Christus Matth. 18.

Daerom indien yemant in der reynigheyt der leer ghedwaelt, ofte in de oprechticheyt des levens1) ghesondicht sal hebben: soo verre alst verborghen ende sonder opentlijcke Erghernisse toeghegaen is, soo salmen den reghel onderhouden, welcken Christus uytdruckelijck voorschrijft Matth. 18.


1) Voor reynigheyt der leer en oprechticheyt des levens heeft C.: suuverheyt der Leere en heijlichheyt der seeden; en J.: reinigkeit der lehr en heiligkeit des wandels.

Kerkorde Emden (1571) Art. 27

Artikel
27

Peccata igitur occulta, quorum peccatorum priuatim, vel ab vno vel duobus, tribusve testibus adhibitis, admonitum poenituerit, non sunt ad Consistorium deferenda, occulta tamen, vel Reipublicae vel Ecclesiae grauem perniciem adferentia, vt sunt proditiones, vel animarum seductiones, ministro significabuntur, vt ex eius consilio, quid in ea re agendum sit, dispiciatur.

Ende die verborghen sonden, daer de sondaer (int heymelijck, ofte van eenen, ofte met twee ofte drye ghetuyghen vermaent zijnde) leetschap van bewijst, en salmen der Consistorie niet aendraghen: maer die verborghen sonden, die der alghemeyne welvaert, ofte der Kercken, eenige merckelijcke schade ende verderffenisse toebrengen moghten, als daer zijn verraderije, oft verleydinghe der zielen, die salmen den Kercken-Dienaer aensegghen, op datmen nae zijnen raet toe sie, wat hier in te doen staet.

Kerkorde Emden (1571) Art. 28

Artikel
28

Siquis in occultis duas tresue admonitiones non audierit, aut publicum peccatum perpetrauerit, ad Consistorium deferetur.

Indien yemant heymelijck ghesondight hebbende, de vermaninghe van twee ofte drye persoonen niet en hoort, ofte die eene openbare sonde begaen heeft, die salmen voor de Consistorie brenghen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 29

Artikel
29

Peccatorum natura sua publicorum, aut propter contemtum admonitionum Ecclesiae publicatorum, publica fiet reconciliatio, non ex vnius aut alterius, sed totius Consistorii arbitrio, eoque modo et forma, quae ad aedificationem cuiuslibet Ecclesiae commodissima iudicabitur.

Die sonden welcke van haer naetuere openbaer zijn, ofte die der Ghemeente (om der verwerpinghe der vermaninghen wille) gheopenbaert werden, die salmen opentlijck versoenen, niet nae het oordeel van een ofte twee persoonen, maar nae het ghevoelen der gantscher Consistorie, ende dat op sulcker wijse ende forme, welcke men achten sal tot opbouwinghe eener yegelijcker Ghemeente die alderbequaemste te wesen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 30

Artikel
30

Qui pertinaciter Consistorii admonitiones reiecerit, à Coenae communione suspendetur, quod si ita suspensus post iteratus admonitiones, nullum poenitentiae signum dederit, hic erit ad excommunicationem progressus.

Soo wie hartneckelijck die vermaninghen der Consistorie verwerpen sal, dien salmen vander ghemeynschap des Nachtmaels afhouden1), ende afghehouden zijnde, ist dat hy nae vele2 vermaninghen geen teecken van berou en bewijst, soo sal dit den voortgangh zijn tot der uytsluytinghe.


1) C. heeft hier en vervolgens voor afhouden doorgaans ophouden.
2) Bij C. staat hiervoor: seeckere.

Kerkorde Emden (1571) Art. 31

Artikel
31

Publice e suggestu peccatorum obstinatum admonebit minister, peccatum exponet, officia in eo reprehendendo, a Coena suspendendo, posteaque diligenter adhortando, praestita declarabit; Ecclesiam, vt pro hoc peccatore inpoenitente sedulo oret, monebit, antequem ad vltimum excommunicationis remedium descendere Ecclesia cogatur. Eiusmodi tres fient admonitiones. In prima non nominabitur peccator, vt aliquo modo ei parcatur. In secunda nomen edetur. In tertia Ecclesiae significabitur1), nisi resipiscat, excommunicandum esse, et si pertinax fuerit, tacitis Ecclesiae suffragiis, excommunicetur. Intervalla admonitionum in Consistorio arbitrio erunt. Si ne his quidem officiis ad resipiscentiam possit adduci, promulgabitur coram Ecclesia eiusmodi pertinacis peccatoris a corpore Ecclesiae Excommunicatio et Abscissio. Vsum et finem excommunicationis fusè exponet minister, admonebitque fideles, ne familiarem et non necessariam cum excommunicato consuetudinem habeant, sed eius consortium vitent, hoc praecipue consilio, vt pudore suffusus excommunicatus de resispiscentia serio cogitet.

De Kercken-Dienaer sal den hartneckighen sondaer opentlijcken van den Predickstoel vermanen, hy sal zijn sonde duydelijck verclaren, ende wat naersticheyt men ghedaen heeft hem bestraffende ende vant Nachtmael afhoudende2), hy sal de Ghemeente vermanen datse vyerighlijck voor desen onboetvaerdighen Sondaer bidde, eer dat die Ghemeente tot de laetste remedie der uytsluytinghe te comen ghedwonghen werde. Sulcke drie vermaningen salmen doen: In d’eerste en sal de Sondaer niet ghenoemt worden, op datmen hem eenighsins verschoone: In de tweede salmen hem noemen: In de derde salmen der Ghemeente aensegghen, datmen hem excommuniceren ofte uytsluyten sal, ten zy dat hy sick bekeerde, op dat hy, ist dat hy hartneckigh blijft, door stilswijghende verwillinghe der Ghemeente, afghesneden werde. Maer aengaende den tijt hoe langhe d’een vermaninge nae d’ander geschieden sal, dat sal int oordeel ende goetduncken der Consistorie staen. Indien hy oock door dese naersticheyt der Dienaren tot bekeeringhe niet en can gebracht worden, soo sal eenes sulcken hartneckighen mensches verbanninghe ende afsnijdinge van den lichame Christi3) voor de Ghemeente vercondight worden. De Kercken-Dienaer sal ’t ghebruyck ende ’t eynde des Bans in ’t breede verclaren, ende sal den gheloovighen vermanen, dat sy gheene alte ghemeensame ende onnoodighe conversatie ende geselschap met den verbanneden hebben, maer zijn geselschap schouwen tot dien eynde voornemelijck, op dat die verbande ofte uytgheslotene beschaemt zijnde, ernstelijck bedencke sick te bekeeren.


1) Bij F. staat hiervoor: indicabitur.
2) De laatste twaalf woorden zijn bij C.: ende hoe datt alle diensten in hem te bestraffen, van ’t Nachtmaal aff te houden, ende volghens in hem naarstelijck te vermaanen, te vergheefsch gheschiedt sijn; en bij J.: vnd die vberwiesene mit seinem Dhienst, vnd Ampt vom Nachtmal abgehalten, vnd doch mit fleissigem vermanen erklieren.
3) Voor de laatste elf woorden staat bij C.: desselfs hardtneckighen Sonndaars affsnijdinge ende excommunicaatie van hett ligchaam der ghemeijnte; en evenzoo bij J.: solchen halstarrigen sunders verbannungh, vnd Abschneidung vom leib der kirchen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 32

Artikel
32

Qui grauia, Ecclesiis1) probrosa et2) Magistratus auctoritate plectenda peccata perpetrauerint, etiamsi verbis poenitentiam testentur, a Coenae tamen communione suspendentur; quot autem vicibus, in arbitrio consistorii erit.

Die daer sware ende der Ghemeente Gods lasterlijcke sonden begaen hebben, ofte sulke stucken die door die authoriteyt ende t’ghewelt der Overheydt behooren ghestraft te werden3), hoe wel sy met woorden boetvaerdicheyt betuyghen, soo sullen sy nochtans vanden Nachtmale afghehouden werden. Doch, hoe dickwils dat gheschieden sal, sulcx sal int oordeel der Consistorie staen.


1) Bij F. staat hiervoor: Ecclesiae.
2) Bij F. staat hiervoor: vel.
3) Voor de laatste zes en twintig woorden heeft J.: Die aber schwere, der kirchen lasterhaffte, vnd der gewalt der Oberkeit straffbare sunden begangen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 33

Artikel
33

Si Ministri, Seniores et Diaconi peccatum publicum, Ecclesiae probrosum, vel auctoritate Magistratus plectendum perpetraverint; Seniores quidem et Diaconi statim auctoritate consistorii munere abdicabuntur; ministri autem suspendentur a functione; an vero abdicandi sint ministerio, Classici conventus erit iudicare, cuius sententiae si non acquieverint, ad Synodum Provincialem prouocabunt.

Ist dat die Dienaers des Woorts, die Ouderlinghen, ofte Diaconen eenige openbare sonde die tot schande ende lasteringhe der Ghemeente streckt, ofte door de macht der Overheydt behoort ghestraft te werden, bedreven hebben1): Soo sullen die Ouderlingen ende Diaconen door de authoriteyt der Consistorie terstont van haren dienst afgeset werden: Maer den Dienaren des Woorts salmen haren dienst voor een tijt lanck opsegghen2), doch of mense t’eenemael van haeren dient afsetten sal, daer van sal de vergaderinge des Classis oordeelen, met welckers oordeel, ist dat sy niet te vreden zijn, soo sullen sy haer beroepen op dien Provinciale ofte Lants-Synode3).


1) Voor de laatste drie en dertig woorden heeft J.: So die Dhiener, Eltisten, oder Diacken eine offentliche der kirchen lasterhaffte, vnd der Gewalt der Obrigkeit straffbare sunden begiengen.
2) De laatste vier regels zijn bij C.: als dann sullen de Ouderlingen ende Diaackenen terstondt bij autoriteijt des Kerckenraadts van hunn ampt ghesteldt werden; maar de Dienaaren sullen in hunnen dienst ghesuspendeerdt werden; en bij J.: sollen die Eltisten und Diacken auf macht des Consistorii alsbald ihres amptz entsetzet werden. Die Dhiener aber sollen im Dhienst vffzuhalten verwircket haben.
3) Bij C. en J. worden de woorden ofte Lants niet gevonden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 34

Artikel
34

An vero ministri, Seniores et Diaconi iam abdicati, postquam poenitentia Ecclesiae satisfecerint, si denuo eligantur, admitti debeant: quod ad Seniores et Diaconos attinet, Consistorii, quod vero ad ministros spectat vel pertinet, classici conventus erit iudicare.

Maer of die Dienaren des Woorts, ende die Ouderlinghen, ende Diaconen afgheset zijnde, nae dat sy de Kercke door hare boete voldaen hebben, wederom tot den dienst behooren toeghelaeten te werden, waert datse wederom vercoren wierden: Soo veel d’ Ouderlingen ende Diaconen aengaet, sal het in der Consistorie discretie ofte oordeel staen: maer soo veel als de Dienaren des Woorts belanght, sal die Classicale vergaderinghe oordeelen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 35

Artikel
35

Ministri Belgio oriundi, qui exteris Ecclesiis operam addixerunt, si ab Ecclesiis Belgicis revocentur, dabunt operam vt vocationi obtemperent, constituto Ecclesiis suis1) legitimo tempore, quo sibi de aliis ministris prospiciant. Quod si Exterae illae Ecclesiae illos dimittere nolint, ad alias non suspectas erit provocatio. Admonebuntur autem ii, qui nondum operam suam cuiquam addixerunt, vt libertatem obtemperandi vocationi retineant.

Die Kercken-Dienaren geboren uyt Nederlant, die sick in vreemder Kercken dienst begheven hebben, soo  sy wederom van de Nederlantsche Kercken gheroepen werden, sullen naerstigheyt doen datse die beroepinghe volghen, haren Kercken eenen seeckeren tijt bestemmende, in welcken sy haer met anderen Kercken-Dienaren voorsien moghen. Maer soo de uytlantsche Ghemeenten haer niet willen laten gaen, soo salmen die saeck betrecken tot andere Kercken, die niet suspect en zijn2). Ende die sick noch aen niemant verbonden hebben, salmen vermanen datse hare vrijheyt behouden, op datse connen volghen, soose beroepen werden.


1) Dit woord ontbreekt bij F.
2) Voor de laatste dertien woorden heeft C.: sullen sij sick op andere onpartijdighe kercken moghen beroepen; en J.: soll die beruffungh bei andern vnuerdechtigen kirchen stehen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 36

Artikel
36

Admonebuntur etiam membra Ecclesiarum, quae ministri alicuius opera libertatis tempore vsae sunt, vt de alimentis ei, si egeat, prospiciant.

Men sal oock de Lidtmaten der Kercke vermanen, die eenighes Kercken-Dienaers dienst in den tijt der vrijheyt ghebruyckt hebben, dat sy den selven met onderhout, soo hy ghebreck heeft, versorghen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 37

Artikel
37

Qui ex hac dispersione in aliqua civitate collecti sunt, studiosos aliquot alent, quos sibi deuinctos habeant, quorum opera, si qui aluerunt, carere possint, et patiantur vt alia quaepiam Ecclesia plene sibi addictos habeat, sumtus factos repetere poterunt; secus vero, si ad tempus tantum concedant.

Die uyt deser verstroyinghe in eenigher Stadt ofte plaetse vergadert zijn, sullen etlijcke Studenten onderhouden, die aan hen verbonden sullen zijn, der welcker dienst, soo die ghenen diese onderhouden hebben, ontbeeren moghen, ende toelaten dat een andere Kercke de selve gantschelijck tot haer met verbindinghe overneme, soo sullen sy die ghedaene oncosten wederom moghen eyschen, maer dat en sullen sy niet moghen doen, ist dat zijse alleen voor eenen tijt uyt leenen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 38

Artikel
38

Conscriptus est Catalogus ministrorum nunc ministerio destitutorum et aliorum ad verbi ministerium aptorum. Delecti sunt singuli singularum classium ministri, qui hic sunt, qui classis suae ministros huius Synodi nomine hortentur, vt diligenter inquirant, num quae sint in suis classibus Ecclesiae ministris destitutae, eas hortentur, vt ministrum vocent, aliquos ex Catalogo proponant, ut mutuo consilio aliquis vocetur.

Daer is een Register beschreven der Kercken-Dienaren die nu geen dienst en hebben, item der ghener die tot den Kerckendienst bequaem zijn1). Ende is uyt elcke Classe der ghener die hier zijn, eenen Kercken-Dienaer vercooren, die de Kercken-Dienaers zijnes Classis in den naem deser Synodale vergaderinghe vermanen sal, dat sy naerstelijck vernemen, of eenighe Kercken in haren Classe sonder Kercken-Dienaers zijn, ende soodanighe Kercken vermanen eenen Dienaer te beroepen, dat sy oock sommigen uit den register voorstellen, op dat met ghemeynen rade yemant beroepen werde.


1) Voor de laatste achttien woorden heeft J.: Derer Dhiener, so ietz ihres dhienst entsetzet, vnd auch der andern, so zum dhienst gottliches wortz bequem zugelassen.

Kerkorde Emden (1571) Art. 39

Artikel
39

Delecti sunt Embdae Dominicus Iulius, Cornelius Rhetius, Ioannes Arnoldi, Wesaliae Ioannes Lippius, Petrus Rickius, Michael Iordanis; vt Ecclesiae Belgico-germanicae ministris destitutae sciant ad hos viros scribendum, vt ministros in iis aut vicinis locis degentes indicent.

Tot Emden zijn vercoren1) Dominicus Iulius, Cornelius Rhetius, Iohannes Arnoldi. Te Wesel, Iohannes Lippius, Petrus Rijckius, Michaël Iordaens, op dat de Nederduytsche Kercken2) die gheen Dienaren hebben, weten datse aen dese Mannen schrijven sullen, ende op dat dese den Kercken eenighe Dienaren in hare, ofte in de naest-gheleghene plaetsen woonende, aengheven3).


1) Bij de volgende namen heeft C., zonder uitzondering, de gelatiniseerde vormen, dus Michaël Iordanus (bij den eersten naam enkel eene D. in plaats van Dominicus); nr. 3 daarentegen bijna zonder uitzondering de Hollandsche vormen, dus Jan Arents en M. Pieter de Rijcke; en J. na Johannes Lippius Carolus Neellius, met weglating van Michaël Jordanus. Alle drie hebben Lippius, in plaats van het in bijna alle uitgaven voorkomende Lipsius (blijkbaar eene drukfout of verkeerde lezing, die de onderscheiden uitgevers eenvoudig van elkander overnamen).
2) Bij C. staat: Nederlandtsche Ghemeijnten; en bij J.: Niderlandische Deutsche kirchen. Wat het laatste woord betreft, is in alle vertalingen op vele plaatsen Kerk en Gemeente met elkander verwisseld.
3) Voor de laatste twintig woorden staat in nr. 3: schryuen sullen, op dat sy die Dienaers die in haeren ofte inden naestghelegen platzen woonen, aengheuen; bij C.: (dattmen) sall schrijven, op dattse sulcks den Dienaaren aldaar, ofte in eenighe naabuer plaatsen wonende, aansegghen; en bij J.: (welchen die ... kirchen...) zuschreiben (wissen), vnd sollen disse menner ihnnen die Dhiener, so da in ihren, der darbey liegenden orthern vorhanden, anziegen, vnd vermelden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 40

Artikel
40

Si tanta egestate laboret vlla Ecclesia, vt ministrum quem vocat, alere non possit, classis dispiciet, ac primo plures Ecclesiae vicinae coniungi poterunt. Praeterea ministri Ecclesiarum dispersarum admonebuntur, vt Ecclesiae membra hortentur ad opem ferendam: praesertim autem eos monebunt, qui ex ea erunt provincia in qua est illa Ecclesia, ipsi quoque ministri hac in parte aliis exemplo erunt.

Soo daer eenighe Kercke(n) soo arm ende behoeftigh ware(n), dat sy den Dienaer welcken sy beroept niet onderhouden en conde, soo sal de Classe sulcx versorghen: ende sullen voor eerst sommighe naebuerighe Kercken t’samen gevoeght moghen werden1); Daer beneven sullen de Dienaren der verstroyder Ghemeenten vermaent worden, dat sy de Litmaeten der Kercken tot bystant te doen aenporren: doch insonderheyt sullen sy die aenporren2) die uyt die selve Provincie oft Lantschap zijn, daer in die Kercke leyt, ende de Kercken-Dienaren sullen anderen in desen deele met haer exempel voorgaen.


1) Voor de laatste zeventien woorden staat in nr. 3: soo sal die Classe sulcks versorghen. Ende ten eersten soo sullen sych meer anligghende Kercken tsamen voeghen moghen; bij C.: sall de Klassis daar inn versien, ende sullen meer dan een, ghenaabuerde Kercken te saamen mooghen ghevoughd werden; en bij J.: soll das Quartier vmbsehen, ob nicht mehr vmbliegende gemeinden darzu mogen gethan werden.
2) Voor de laatste zes woorden staat in nr. 3: doch insonderheit sullen sy die verwecken; en bij C.: ende sy sullen vermaanen sonderling die gheen. Bij J. luidt deze geheele volzin: Darneben sollen die Dhiener der verspreieten kirchen erinnert werden der kirchen glieder zu ermhanen, so auss dem ohrt seien, da disse kirche ist.

Kerkorde Emden (1571) Art. 41

Artikel
41

Ministri classis iis locis in quibus ministerium verbi constitui non poterit, lectores, Seniores et Diaconos constituent, vt sic colligantur Ecclesiae.

Die Dienaren des Classis sullen in die plaetsen, daermen den dienst des Woorts niet sal connen oprechten, Lesers, Ouderlinghen ende Diaconen verordenen1), op dat alsoo de Kercken2) versaemelt moghen werden.


1) Voor de laatste veertien woorden heeft J.: dahin keine dhiener des wortz gesetzet mogen werden, personen die lesen konnen, auch Eltisten vnd Diacken setzen.
2) Voor de laatste twee woorden staat in nr. 3 alleen Kercken; bij C.: een Ghemeijnte; en bij J.: letzlig eine kirche.

Kerkorde Emden (1571) Art. 42

Artikel
42

Ministri et Seniores Classium quae sunt sub cruce, in omnibus civitatibus et pagis Classium suarum et vicinis diligenter inquirent eos, qui propensi sunt ad puram religionem, ut eos ad officium hortentur. Itaque Ecclesias aut saltem Ecclesiarum initia colligere studebunt; quod vt melius exequutioni mandetur, partientur classes hae inter se civitates, et pagos vicinos, ne quid negligatur. Eandem curam gerent Ecclesiae dispersae ciuitatum et aliorum locorum vicinorum, praesertim à classibus procul dissitorum. Fideles dispersi illos classium sub cruce ministros hac in re iuvabunt, indicando circumspectè nomina eorum, quos cognoverint ad religionem esse propensos in iis locis vnde eiecti vel digressi sunt.

De Dienaren ende Ouderlinghen der Classen1) die onder ’t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren Classe, ofte daer omtrent gheleghen, naerstelijck ondersoecken ende vernemen nae den ghenen, die tot de reyne Religie gheneghen zijn, om de selve tot haren schuldigen plicht te vermanen2): Derhalven sullen sy pooghen, Kercken, ofte ten minsten beginselen der Kercken te vergaederen; Ende om sulcx te beter na te comen, soo sullen de Classes, alle die naest-gheleghen Steden ende Dorpen onder haer verdeylen, op dat niet versuymt en werde. Die selve sorghe sullen die verstroyde Ghemeenten over die Steden ende andere by-legghende plaetsen draeghen, voornamelijck die wijt van den Classe3) ghelegen zijn. Die verstroyde gheloovighen4 sullen die Kercken-Dienaeren der Classen onder ’t Cruys hier in helpen, hen voorsichtelijck aenghevende die namen der ghener die sy weten dat tot de Religie gheneghen zijn gheweest5) in die plaetsen, daer sy uytgheworpen, ofte uyt gheweken zijn.


1) In nr. 3 staat hier Kercken, waarboven daarna Classen geschreven is, als ter verbetering; bij C. staat Klassen; en evenzoo bij J.: Quartier.
2) De laatste negen woorden zijn in nr. 3: op dat sy die selue tot haer plicht vermanen; bij C.: omm die hunns ampts te vermaanen; en bij J.: vnd dieselbe zu dem ampt ermanen.
3) Voor de laatste achttien woorden staat in nr. 3: sullen die verstroide Ghemeijnten voor die steden ende andere biligghende platzen draghen, voornemelicken voor die platsen die wyt vande Classe; bij C.: sullen oock op sick neemen de verstrooijde Ghemeijnten der Steden, ende andere naabuere plaatsen henn naastgheleghen, ende bijsonder oover die verre vande Classe; en bij J.: sollen die verspreite Gemeinden vber ihre benachbarte stette, vnd ohrter, sonderling so sie weit von Quartieren.
4) Bij de laatste drie woorden is in nr. 3 nog bijgevoegd: (die erghent vertrocken synde hen gheset hebben); bij C. staat alleen: De gheloovighe verstrooijden; en evenzoo bij J.: Die verspreiete gleubige.
5) Voor de laatste zeven woorden staat in nr. 3: dat totter Religie geneijcht syn; bij C.: de Relijgie toeghedaan te sijn; en bij J.: zu der Religion geneigt.

Kerkorde Emden (1571) Art. 43

Artikel
43

Vtilissimum est eam esse Ecclesiarum coniunctionem, ut mutuis inter se literis crebo significent, quae ad Ecclesiarum in genere vel aliquarum privatim conservationem, et incrementum pertinere videbuntur, et nominatim haereticos, schismaticos, Mercenarios, cursores, et alios eius generis homines exitiosos designent, vt Ecclesiae sibi ab illis caveant.

T’ is seer oorbaerlijck datter sulcke eene vereeninghe der Kercken zy, datse dickwils met onderlinghe Brieven malcanderen te kennen gheven, wat daer dienstelijck sal zijn tot de onderhoudinge ende wasdom der Kercken int ghemeen, ofte oock sommigher int bysonder1), ende dat sy voornamelijck van die Ketters, scheur-maeckers, huerlinghen, landt-loopers, ende andere soodanighe schaedelijcke menschen malcanderen verwittighen, op dat de Kercken sick voor soodanighen wachten connen.


1) De laatste negentien woorden zijn in nr. 3: wat daer dienstelyk sal schijnen te syn tot onderhoudinghe ende wasdom der Kercken in t’ ghemeyn, ofte oock summighe besondere Ghemeijnten aenghaende; bij C.: ’t gheene datt henn dunckt ofte in ’t ghemeijn, ofte in ’t partikulier tot behouding ende wasdom van alle ofte sommighe Ghemeijnten dienstelijck te sijn; en bij J.: was ihre zu erhaltung, vnd wachsung dero gemein, oder etlicher besonderer kirchen notig zu sein bedunkt.

Kerkorde Emden (1571) Art. 44

Artikel
44

Vt gravibus Ecclesiarum oneribus occurratur, quae indies augentur eorum levitate qui nimis facile sedes mutant, et aliorum qui praetextu paupertatis et religionis eleemosynas domesticis fidei necessarias et debitas praeripiunt; consultum esse iudicavimus, vt in singulis Ecclesiis publicetur eos qui inde migrabunt, non esse in posterum vt domesticos fidei iuvandos in aliis Ecclesiis, nisi testimonium ante actae in Ecclesia vnde proficiscuntur vitae et doctrinae habeant.

Op datmen de sware belastingen der Kercken voorcome ende verlichte, welcke daghelijcx toenemen1) door de lichtvaerdicheyt der ghener die al te lichtelijck hare woonplaetsen veranderen, ende der gener die onder ’t dexel datse geloovigh ende behoeftigh zijn, d’Aelmoessen, den huysghenooten des Gheloofs toecomende ende van nooden zijnde, onttrecken: Soo hebben wy voor raetsaem aenghesien, dat in allen ende yegelijcke Kercke vercondigt werde, dat de ghenen die van daer vertrecken, voortaen niet en sullen als huysghenooten des Gheloofs gheholpen werden in andere Ghemeenten, ten zy datse attestatie ofte ghetuyghnisse hebben, hoe sy sick te vooren in leere ende leven by de Ghemeynte, van daer sy ghecomen zijn, ghedraeghen hebben.


1) Voor dit woord staat bij C.: vermeerderdt werden; en bij J.: vermehret.

Kerkorde Emden (1571) Art. 45

Artikel
45

Dabunt autem operam Ministri, ut quicunque testimonium postulabunt eos qua de causa migrare velint, interrogent, negentque praecisè testimonium, si non satis iustam profectionis esse causam deprehenderint, cauebuntque ministri et Diaconi, ne procliues et faciles sint in exonerandis Ecclesiis suis pauperibus, quibus alias nulla necessitate gravent; quibus testimonium dandum esse censebunt, in eo nomina et cognomina eorum, vnde oriundi sint, quod sit eorum opificium, quae causa migrationis, quamdiu in ea Ecclesia egerint, quomodo se gesserint, quo tempore inde proficiscantur, quo se recipere statuerint, et alia eiusmodi ascribent.

De Dienaren1) sullen daer op letten, datse allen den ghenen die attestatie ofte ghetuyghnisse begheeren, vraghen uyt wat oorsaeck sy begheeren te vertrecken, ende bevindende d’oorsaeck des vertrecx niet genoeghsaem te zijn, den soodanighen attestatie weygheren. De Dienaren ende Diaconen sullen oock toesien, datse niet te seer ghenegen zijn hare Kercken van de armen te ontlasten, met welcken sy andere Ghemeynten sonder eenighen noot beswaren. Ende soo wien sy attestatie geven, sullen2) haer naem, toe-naem, Vader-landt, ende hant-werck in den Brief uyt-drucken, mitsgaders de oorsaeck hares vertrecx, ende hoe langhe sy in de Ghemeente verkeert hebben, hoese sick ghedragen hebben, wanneer sy van daer gescheyden zijn, waerse henen gaen willen, ende andere dierghelijcke dinghen.


1) In nr. 3 staat hier: Doch die Dienaers; bij C. en J. ontbreekt dat woordje doch.
2) In nr. 3, bij C. en bij J.: sullen sij.

Kerkorde Emden (1571) Art. 46

Artikel
46

Dabitur autem profecturis, quantum vsque ad proximam Ecclesiam, qua transituri sunt, satis esse videbitur; quantum vero id sit, in testimonii literis annotabitur. Idem praestabunt aliae, per quas transibunt Ecclesiae, pro sua quaeque facultate, vt exhibito testimonio si legitimum sit, ceteraque probentur, tantum largiantur, quantum opus esse ad proximam vsque Ecclesiam iudicabunt, idque testimonii literis adscribent, et quo die inde discedant, notabunt; ita se et aliae gerent, donec ad designatum pertigerint locum, vbi testimonium exhibitum lacerabitur.

Den genen die vertrecken salmen soo veel geven, als men achten sal ghenoegh te wesen om tot de naeste Ghemeente, daer sy door passeren sullen, te comen, doch hoe veel het zy, salmen op de attestatie teyckenen. T’ selve sullen oock andere Ghemeenten daer sy door-trecken, doen, yder nae zijne macht: sy sullen de attestatie besien, ende soo sy oprecht is, soo veel mede deelen, als noodich is om tot de naest-legghende Ghemeente te comen, hoe veel sy geven, ende wanneer sy van haer vertrecken, sullen sy op de attestatie teyckenen. Alsoo sullen oock andere Ghemeynten haer draghen, tot datse in die plaetse comen daer sy wesen willen, alwaer de overgheleverde attestatie sal ghescheurt werden.

Kerkorde Emden (1571) Art. 47

Artikel
47

Qui post mensem proximum Novembris sine vllo testimonio, aut aliquo, sed non ad hanc normam conscripto ab Ecclesiis migrabunt, non habebuntur pro fidei domesticis, quibus maxime benefaciendum esse docet Paulus. Si qui tamen ex Ecclesiis quae sunt sub cruce, vel iis locis vbi nullum est ministerium constitutum, venerint, examinari eos operae pretium est, an sciant precari, et possint rationem fidei reddere, qua de causa migrarint, et de aliis eiusmodi. Diaconorum autem erit prudentiae quatenus istiusmodi sint iuvandi, dispicere.

Alle die nae de naest-comende maent Novembris, sonder eenighe ghetuyghnisse, ofte met gheen ghetuyghnisse nae dese forme beschreven, uyt de Ghemeynte vertrecken sullen, die sullen voor geen huysghenooten des Gheloofs, den welcken men, nae de leere Pauli, aldermeest behoort goet te doen, ghehouden worden. Soo daer nochtans eenighe comen uyt de Ghemeynten onder ’t Cruys sittende, ofte uyt sulcke plaetsen daer gheen Kercken-dienst1) inghestelt en is, soo salmen die ondersoecken, ofse bidden ende reeckenschap hares Gheloofs gheven connen: item uyt wat oorsaeck sy vertrocken zijn, ende van dierghelijcke dingen meer, doch sal in de discretie der Diaconen staen, hoe veel men soodanighen tot onderstant sal gheven.


1) Bij C. staat hiervoor: Dienst des Woordts; bij J. alleen: dhienst.

Kerkorde Emden (1571) Art. 48

Artikel
48

Rogabitur D. Aldegondius huius synodi nomine, vt Rerum in Belgio gestarum abhinc aliquot annos conscribat historiam, ac praecipuè earum, quae ad instaurationem Ecclesiarum, persecutiones earum, idolorum deiectionem et restitutionem, martyrum constantiam, horrenda dei in persecutores iudicia, mutationes Politiarum etc. pertinent.

Men sal den Heer van S. Aldegonde bidden in den naem van deser Synodale vergaderinghe, dat hy een Historie der dinghen die in sommighe jaeren herwaerts gheschiet zijn1), beschrijve: ende voornamelijck van die dinghen, die de oprechtinghe der Kercken, de vervolginghe der selver, die afworpinghe ende weder-oprechtinge der Beelden2), de volstandicheyt der Martelaren, die grouwelijcke oordeelen Gods teghen de vervolghers, de veranderinghen der Politien, etc. betreffen.


1) De laatste zeven woorden luiden in nr. 3: die in sommighe jaeren herwarts in Nederlandt gheschiet syn; bij C.: die nuu sommighe verleeden jaaren in de Nederlanden gheschiedt sijn; en bij J.: so in den Nidderlanden fur etlichen iharen bis anhero sich zugetragen haben.
2) Voor deze twee woorden heeft J.: deren Abgoetter, und bilder.

Kerkorde Emden (1571) Art. 49

Artikel
49

Dabunt autem operam singularum Ecclesiarum ministri, et alii omnes qui opera sua hoc institutum iuvare poterunt, vt quae eo spectabunt, diligenter sciscitentur et inquirant, et alicui ex his qui ad hoc electi sunt, consignata mittant, quae postea ad D. Aldegondium fideliter perferenda curent.

Alle1) Kercken-Dienaren, mitsgaders alle andere die met haer hulp dit voornemen connen vorderen, sullen naerstelijck ondervraghen ende ondersoecken alles wat tot soodaenighen Historie dient, ende in gheschrifte oversenden aan yemandt der ghener die hier toe vercoren zijn, welcke dese dinghen daer nae aen den Heer van S. Aldegonde ghetrouwelijck sullen overschrijven.


1) In nr. 3 (niet bij C. en bij J.) staat: Doch alle.

Kerkorde Emden (1571) Art. 50

Artikel
50

Delecti sunt Embdae Christophorus Becanus et Cornelius Rhetius, Wesaliae Petrus Rickius et Carolus Niellius, Coloniae N. Adrianus Koningsloe et Ioannes le Roy, Aquisgrani Ioannes Christiani et Ioannes Hueckelum, Francofurti Dns de Balieu et Sebastianus Matte, Heydelbergae Petrus Dathenus et Ioannes Taffinus, Franckentalii Caspar Heydanus et Petrus Anthonius, Schonouiae Franciscus Iunius, S. Lamberti Nicolaus Schoubroeck.

Ende zijn hier toe vercooren1): tot Emden, Christophorus Becanus, ende Cornelius Rhetius: te Wesel, Pieter de Rijcke, ende Carolus Nielius: te Coelen, Adriaen van Conincksloo, ende Iohannes Regius: tot Aecken, Iohannes Christiani, ende Iohannes Heuckelom: tot Franckfort, den Heer van Bailleul, ende Sebastiaen Matte: tot Heydelbergh, Petrus Dathenus, ende Iohannes Taffinus: te Franckendael, Caspar van der Heyden, ende Petrus Anthonii: te Schonau, Franciscus Iunius: te Sint Lamberts, Nicolaus Schoubrouck.


1) Bij C. zijn de volgende namen zooveel mogelijk alle gelatiniseerd; in nr. 3 geschiedt dit nog minder dan in den gedrukten tekst. Voor het overige zijn de namen dezelfde, behalve dat Petrus Anthonii ontbreekt, en dat Dominicus de Balgoul gelezen wordt, waar nr. 3 den Heer van Bailieul heeft. Ook bij J. staan dezelfde namen, maar bijna alle zeer misvormd.

Kerkorde Emden (1571) Art. 51

Artikel
51

Nemo librum a se aut alio compositum, in quo de religione agatur imprimendum vel alioqui evulgandum curabit, aut patietur, nisi a ministris classis aut publicis Theologiae professoribus nostrae confessionis examinatum et probatum.

Niemant sal eenigh Boeck van hem selven, ofte van een ander ghemaeckt, waer in van de Religie ghehandelt wordt, doen ofte laeten drucken, ofte andersins int licht brenghen, ten zy dat ’t selve Boeck van den Kercken-Dienaren des Classis, ofte van de openbare Professoren der Theologie, die van onsen gheloove ofte confessie zijn, geëxamineert ende gheapprobeert zy.

Kerkorde Emden (1571) Art. 52

Artikel
52

In Ecclesiis frequentioribus operae pretium erit propositiones privatas haberi, quibus ii concionando exerceantur, de quibus spes bona est posse aliquando Ecclesiae inseruire; atque ad ordinem servandum praesidebit actioni minister aliquis.

In groote Ghemeenten salt oorbaerlijck zijn, datmen sommighen die hope gheven, datse de Kercke Gods t’ eeniger tijt sullen connen dienen, int besonder oeffene, int proponeren: ende op dat het ordentlijck gheschiede, sal een Kercken-Dienaer over die Actie presideren.

Kerkorde Emden (1571) Art. 53

Artikel
53

Articuli hi ad legitimum Ecclesiae ordinem spectantes ita mutuo consensu sunt constituti, vt si vtilitas Ecclesiarum aliud postulet, mutari, augeri, et minui possint ac debeant; non erit tamen alicuius privatae Ecclesiae id facere, sed dabunt omnes operam vt illos observent, donec a Synodo aliter constituatur.

Deze Articulen de Wetterlijcke ende behoorlijcke ordre der Kercken betreffende, zijn alsoo met ghemeyn accoort ghestelt, datse, soo de nutticheydt der Kercken vereyschet, verandert, vermeerdert, ende vermindert moghen ende behooren te worden. Nochtans sal ’t gheen besondere Kercke vry staen sulcx te doen: maer alle Kercken sullen arbeyden dese te onderhouden, tot dat in een Synodale vergaderinghe anders besloten wort.

Kerkorde Emden (1571) Ondertekening

Embdae 12 die Octobris Anno etc. 71
a quarto die usque ad duodecimum
.

Casparus Heydanus, Praeses manu propria subscripsit.
Ioannes Polyander, Scriba1).

Tot Embden den 13 Octobris2)
Anno onses Heeren 1571.

Caspar van der Heyden, Praeses Synodi.
Iohannes Polyander, Scriba.


1) Bij F. zijn deze namen aan de dagteekening niet toegevoegd.
2) Bij C. en J. staat hier: den 12en October; maar terzelfder tijd staat bij J. in het opschrift der acta, dat de vergadering gehouden is van 4 tot 14 October. Dat de vergadering nog tot op laatstgenoemden dag zou geduurd hebben, is zeer onwaarschijnlijk; want in het jaar 1571 viel de 14e October op een Zondag (blijkens de lijsten in L’art de vérifier les dates, Ed. 1770, blzz. 32 en 102). Blijkbaar was men op 12 October gereed met de besluiten die de Kerkenordening betreffen; en dan is het zeer goed mogelijk, dat van de noodige afschriften en vertalingen sommige op den 12en, andere op den 13en October zijn gemaakt, gecollationeerd en door praeses en scriba geteekend.