Spijker, W. van ’t e.a. (1990) 20

423-435

|423|

 

Het pastoraat van de kerk

 

 

Inleiding

Pastoraat is herderschap. In deze beeldspraak heeft de kerk al eeuwenlang vastgelegd een karakteristiek aspect van de ambtelijke zorg, die in de gemeente uitgaat naar de leden.

De beeldspraak is ontleend aan het bedrijf van de kleinveehouder en dit taalgebruik verplaatst ons naar de agrarische wereld van het oude Israël. Desondanks laat het zich niet gemakkelijk denken dat dit doorzichtig taalgebruik zijn functie zal verliezen binnen het culturele klimaat van een moderne, geïndustrialiseerde samenleving.

Groter dan het gevaar van de onherkenbaarheid is dat van de romantisering: het herderschap van de kerk krijgt dezelfde functie als een lommerrijke parkeerplaats bezijden de snelweg. Het uitzicht over een groene weide roept voor ons besef de zachte muziek van de ‘pastorale’ op, waarin een opgejaagd gemoed zich kan ontspannen onder de lieflijke tonen van een imitatie-herdersfluit. Daarna begeven wij ons opnieuw in de kakofonie van het moderne verkeer. Daar komen geen herders aan te pas; de regeling van dat verkeer hebben wij inmiddels geautomatiseerd met elektronische signaleringssystemen. En wij moeten immers snel verder?

Om deze reden is het noodzakelijk om de herder-beeldspraak van tijd tot tijd te herijken. Wie het niet doet, loopt het risico dat aan het zuinig bewaarde woord stilaan de betekenis ontvalt.

Vanuit deze overweging laat zich de opzet van dit hoofdstuk verstaan.

In alle geboden kortheid willen wij
1. nagaan de herkomst van het (spreken over) pastoraat;
2. een blik werpen op de historische ontwikkeling van dit pastoraat;
3. aandacht geven aan de actuele context van het pastoraat, en
4. ons afvragen waaraan dit pastoraat zijn blijvende bruikbaarheid ontleent.

 

1. Het herderschap volgens de Heilige Schrift

Wanneer de apostel Petrus voor de gemeenten het beeld oproept van de Heer van

|424|

de kerk die zijn gemeente bouwt (vgl. Matth. 16, 18; 1 Petr. 2, 4 v.v.), verheft zijn taal zich op zeker moment tot grote hoogte. Als in een verheven gedicht schetst hij ons het werk van Hem die Zich voor ons allen heeft overgegeven en door wiens dood ons leven is verdiend (1 Petr. 2, 21-25). Hier spreekt de man die ooit van geen lijden van zijn Meester wilde weten! In zijn naïeve liefde zag hij de noodzaak niet en kende hij de vijand niet.

Hardhandig is hij tot bekering gebracht, in die zwarte dagen tussen Goede Vrijdag en Pasen. Nu doet hij wat zijn Heer hem had opgedragen in de nacht van het verraad: als getuige van het lijden van Christus versterkt hij de broeders (Matth. 16, 21 v.v.; Luk. 22, 31-34; 1 Petr. 1, 3; 5, 1).

Op het hoogtepunt van zijn gedicht horen wij deze apostel in zijn zorgvuldige woordkeus zijn Here Christus bezingen als ‘herder en hoeder’: ‘want gij waart dwalende als schapen, maar thans hebt gij u bekeerd tot de herder en hoeder van uw zielen’ (1 Petr. 2, 25).

Vanwaar deze beeldspraak?

Ongetwijfeld heeft de apostel daarbij zich de gebeurtenissen in de weken vóór en ná Pasen voor de geest gesteld. Want in die zwaargeladen maand heeft zijn Meester juist ook hem aangesproken over het herderswerk, dat de Vader Hem had opgedragen.

Wij denken aan het diepe woord na de avondmaalsviering: ‘gij zult allen aanstoot aan Mij nemen, want er staat geschreven: Ik zal de herder slaan en de schappen zullen verstrooid worden. Maar nadat Ik zal opgewekt zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea’ (Mark. 14, 27. 28). Pure herderstaal! Maar blijkens het volgende vers werd juist dit woord door Petrus weersproken. Slechts door het zeer diepe dal van schande en tranen kon Petrus dat woord zich uiteindelijk eigen maken en de herder volgen naar Galilea (Mark. 16, 7; Matth. 28, 16). En het was in datzelfde Galilea, dat de opgestane Heer Petrus heeft aangesproken over zijn lammeren en zijn schapen (Joh. 21, 15-17). Zo heeft Petrus zijn Heer leren kennen. Toen pas kende hij Hem echt. Zijn Heer was de Goede Herder, die zijn leven inzet voor de schapen (Joh. 10, 11. 17. 18).

Geen wonder dat de apostel vele jaren later juist deze prachtige woorden van zijn Meester te voorschijn roept, nu hij aan schapen die niet van de stal van Israël waren (vgl. Joh. 10, 16), het wonder van hun bekering mag uitleggen en aan hun voorgangers de stijl van de ambtelijke arbeid op het hart mag binden, onder nadrukkelijke verwijzing naar het lijden en de opstanding van Christus (1 Petr. 2, 25; 5, 2-4).

Hier valt ook te denken aan het spreken in Hebreeën 13, met name de verzen 7, 17-21.

Wat doet immers een herder?

Een herder is een voorganger. Hij wijst de weg en Hij baant de weg.

Een herder is een verzamelaar. Hij brengt de schapen bijeen en maakt er een kudde van.

|425|

Een herder zorgt. Hij is bedacht op voedsel en verkwikking en weet de weg naar weidegrond en waterbronnen.

Een herder verzorgt de zieke, zwakke en kreupele dieren. Hij laat de achterblijvers niet in de steek, maar besteedt zijn zorg juist aan deze zwakke schapen.

Een herder zoekt het schaap dat de weg kwijtraakte en buiten de kudde zijn ondergang tegemoet loopt.

Een herder beschermt en vecht met de roofdieren, die erop uit zijn om zijn schapen te roven en te slachten.

Dat is het krachtig en barmhartig regiment van de herder. Zo komen in [het] Oude Testament de zorg-functies van de voorgangers in Israël in beeld (vgl. b.v. Ps. 78, 71. 72). Zo wordt de Here God bezongen in de psalmen (Ps. 23; 80). Zo wordt de grote Koning van de toekomst voor het volk gesteld in de profetie (vgl. b.v. Ezech. 34; 37, 22. 24; Jer. 23, 2-5).

Al die beloften van het Oude Testament klinken mee in de zelfpresentatie van Christus: Ik ben de goede herder (Joh. 10, 11). En Petrus’ woorden (uit 1 Petr. 2, 25) zijn dáárvan de echo. Christus gaat voorop; Hij verzamelt, zorgt, verzorgt. Hij zoekt het verlorene, beschermt zijn volk tegen de roofzieke vijanden (de ‘leeuw’ van 1 Petr. 5, 8) en verkwikt het leven.

Het is deze Christus die bij zijn machtig herderswerk mensen heeft willen inschakelen. Niemand heeft dat dieper ervaren dan de apostel Petrus (Joh. 21, 15-17). Deze mensen mogen de zorgfuncties van Christus behartigen in de gemeente van Christus, met verantwoordingsplicht ten overstaan van de ‘Opperherder’ (1 Petr. 5, 4). Daarom kan het woord ‘herder’ ook aanduiding zijn van een ambtelijke functie in Christus’ kerk (vgl. Ef. 4, 11).

 

Maar er staat nog meer in 1 Petr. 2, 25.

Christus wordt niet alleen ‘herder’ genoemd, maar ook ‘hoeder’. Blijkens de zinsconstructie (één lidwoord) wordt door deze twee woorden één wijze van functioneren aangeduid. Christus is de ‘herder-hoeder’ van de zielen.

De kleur van het woord ‘hoeder’ laat zich gemakkelijk bepalen, wanneer wij letten op het oorspronkelijke woord dat de apostel gebruikt. Wij treffen hier het woord ‘epi-skopos’ aan, dat, letterlijk vertaald, betekent: ‘op-ziener’ — een bekend woord uit het kerkelijk spraakgebruik (vgl. reeds in Hand. 20, 28; 1 Tim. 3, 1 en Fil. 1, 1). Nog steeds treffen wij datzelfde woord (in verbasterde vorm) aan in de algemeen bekende titel ‘bisschop’.

Wat doet een ‘op-ziener’?

Een opziener ziet toe op iemand of iets. Hij heeft opzicht en bekommert zich om de zaak of de persoon, die aan zijn opzicht is toevertrouwd.

Vandaar, dat dit woord aanduiding kan zijn voor iemand die met toewijding een persoon beschermt of een gang van zaken bewaakt. Bovendien komt daarin de gedachte mee dat een dergelijke opziener met het oog op zijn opdracht op bezoek gaat bij hen die dat nodig hebben en voor wie hij verantwoording draagt.

Een opziener is een om-ziener: hij ziet naar mensen om. Het woord ‘opziener’

|426|

wijst dus aan de wijze waarop een goede herder zijn werk doet: hij draagt verantwoordelijkheid voor de leden van de gemeente (de ‘kudde’) en maakt die verantwoordelijkheid waar door zijn ‘opzicht’. Omdat hij zich om de leden van de gemeente bekommert, bezoekt hij hen, wanneer zij hulp nodig hebben en geeft hij hun leiding, wanneer zij hun gang verliezen of hun koers gecorrigeerd moet worden.

Tegen deze achtergrond kunnen wij het heftige verwijt van God tegen de herders van Israël in Ezechiël 34 goed begrijpen. Een herder die geen ‘bezoeker’ is, is een valse herder. Een ‘bisschop’ zonder herdersstaf is geen gezicht.

Het spreken van de apostel Petrus over Christus als ‘herder-hoeder’ kan op deze wijze voor ons doorzichtig worden. Ook laat het zich verstaan dat juist dat woord ‘opziener’ de kerkgeschiedenis is ingegaan als de prominente titel voor de zorgzame voorganger van de gemeente.

Eigenlijk ligt deze zaak reeds diep in het Oude Testament besloten. Want wij horen voorganger Mozes aan het eind van zijn leven spreken tot God: ‘Laat dan Jahwe, de God die aan alle mensen het leven schenkt, over de gemeenschap iemand aanstellen, die hen uitleidt en thuisbrengt; anders wordt de gemeenschap van Jahwe een kudde zonder herder’ (Num. 27, 16. 17, vert. KBS; vgl. Matth. 9, 36 als achtergrond van Matth. 10, 1).

 

Tenslotte willen wij uit deze gegevens van de Heilige Schrift als conclusie noteren, dat de uitoefening van de herdersfunctie blijkbaar in de vorm van het bezoek zich voltrekt.

‘Pastoraat’ betekent concreet: ‘bezoeken’. Tijdens die bezoeken worden gesprekken gevoerd waarin de goede zorg wordt uitgeoefend naar de behoefte van het moment. Het is typisch voor het pastoraat, dat daarin de persoonlijk gerichte bemoediging, vertroosting en vermaning door de opziener tot het lid, resp. de leden van de gemeente wordt gesproken. Het Nieuwe Testament heeft voor deze veelkleurige gesprekken één karakteristiek woord: paraklèsis. Dit woord heeft een rijk-genuanceerde betekenis en heeft daarom een veelvoud van vertalingen nodig: aanmoediging, versterking, toerusting, terechtwijzing, correctie, weerlegging, bestraffing, vertroosting, etc. Juist op deze wijze geeft dit woord op prachtige wijze de flexibiliteit weer, die aan het pastorale gesprek eigen is1. Dat gesprek richt zich immers op de veelsoortigheid van levenssituaties van mensen. Hoewel het op zichzelf mogelijk en legitiem zou zijn om alle ambtelijke werk in de gemeente ‘pastoraat’ te noemen (wij denken met name aan de prediking, de catechese en het diakonaat), is het niettemin zinvol, dat de zingeving van het woord ‘pastoraat’ zich heeft toegespitst op de zorg die zich richt op de concrete


1. Op dit punt sluiten wij ons aan bij J. Firet, Het agogisch moment in het pastoraal optreden, Kampen 1968, 2e dr. 1974, blz. 91 v.v., 118 v.v.

|427|

situatie van het gezin, resp. het gemeentelid, waarmee de opziener in contact treedt. Dit pastoraat voltrekt zich stellig ook in de verkondiging, de catechese en het diakonaat. Maar in de ‘paraklese’ wordt deze zorg individueel toegespitst en daarom is deze ‘paraklese’ specifiek voor het pastoraat van de kerk.

 

2. Het historische formatieproces

De ambtelijke functionering van de pastor-opziener heeft haar karakteristiek profiel ontvangen in de loop van de geschiedenis. Zij heeft voor zichzelf vormen en structuren gezocht die pasten bij of zich lieten invoegen in de sociale en culturele context van de kerk.

Het is ons uiteraard niet mogelijk om in het bestek van dit hoofdstuk de geschiedenis van het episcopaat te behandelen. Wij beperken ons daarom tot de Reformatie van de 16e eeuw, omdat de ambtelijke diensten in de protestantse kerken in Nederland in deze eeuw hun vorm gevonden hebben.

Hoe stond het ervoor met het individuele pastoraat aan de vooravond van de Reformatie?

Wie deze vraag wil beantwoorden, ziet zich al spoedig verwezen naar het instituut van de biecht. In de roomse sacramentenkerk vertegenwoordigt de biecht het gereglementeerde persoonlijke contact van gemeentelid en ambtsdrager.

Geregelde communicatie tussen het gemeentelid en zijn bisschop was er niet. De bisschop was in de regel ver weg, woonde in een paleis en had het druk met zaken van beleid en beheer, ook in wereldlijke aangelegenheden. Voor velen was de dag van de zgn. confirmatie (het ‘vormsel’) het eerste en laatste contact met deze herder-opziener.

Onder diens gezag functioneerde in de plaatselijke parochie de presbyter, die als priester voorganger van de gemeente was in de mis en als pastoor de kudde verzorgde.

Ongetwijfeld zal van de pastoor als biechtvader pastorale zorgzaamheid en wijsheid naar de gemeenteleden zijn uitgegaan. Men sprak immers over zonde en genade in het leven van alledag. En de biecht bedoelde een reddingsboei te zijn voor zondaars-in-nood. Een soort herstel van gestremde doopgenade en voorbereiding op de communie in het kader van de misviering.

Het waren de veruitwendiging, formalisering en sacramentalisering, die dit biechtinstituut problematisch maakten en het verzet van Luther en de andere reformatoren wakker riepen. De biecht bleek volstrekt onderhorig te zijn aan de sacramentalisering van het heil (in de absolutie), aan de leer van verdienstelijkheid van de goede werken (in de satisfactie) en aan de bevestiging van de hiërarchische ambtsstructuur. In de biecht zou immers volgens de hiërarchische denkwijze de bediening van de aan Petrus (en zijn opvolgers) toevertrouwde sleutelmacht worden voltrokken.

Het conflict tussen de roomse kerk en Luther is in 1517 ontbrand op het punt van

|428|

de aflaat — een karakteristiek nevenprodukt van deze veruitwendigde biechthandeling. In zijn verzet tegen de praktijk en theorie van de aflaat begon voor Luther de veldtocht tegen de ‘sleutel’-pretenties van paus en bisschoppen.

 

Om een lang verhaal kort te houden, wijzen wij thans puntsgewijs op zes ontwikkelingen, die zich uit de periode na 1517 laten aflezen.

1. De reformatoren hebben vóór alle dingen het pleit gevoerd voor het eerherstel van de prediking als hèt middel van Gods genade. Bisschoppen en priesters die niet preken, zijn hun naam en status niet waard.

2. De prediking werd het primaire instrument ter bediening van de sleutels van het hemelrijk. De ‘ambtelijke macht’ werd niet aan Rome overgelaten of prijsgegeven, maar werd verplaatst vàn de wijdingsmacht van de priester náár de bediening van het Woord op de preekstoel. Want niet de stoel van de paus of de cathedra van de bisschop is de nalatenschap van de apostelen, maar de kerk is de apostolische kerk vanwege het woord van de apostelen, in de Schriften ons gegeven en ter verkondiging toevertrouwd.

3. Tegelijk met dit eerherstel van de prediking kwam ook de zorg voor de individuele leden in het licht van de verkondiging te staan. De zielszorg in de reformatorische kerken was een rechtstreeks gevolg van het herstel van de prediking. Wanneer b.v. in Zondag 31, antw. 84 Heid. Cat. over de sleutels van het hemelrijk wordt gezegd, dat daarin de vergeving van de zonden verkondigd en openlijk betuigd wordt aan de gelovigen, ‘allen en een ieder’ — dan ziet deze uitspraak op de samenkomst van de gemeente. Maar het verkondigen aan ‘een ieder’ krijgt zijn natuurlijk vervolg in het persoonlijk gerichte gesprek, dat is: het pastorale gesprek2.

4. Terwijl men in de lutherse traditie het instituut van de biecht in herstelde vorm opnieuw in gebruik nam, sloegen de door Calvijn geïnspireerde gereformeerde kerken een andere weg in. Het pastorale gesprek kwam te staan in het licht van de ‘leer’ en de ‘tucht van de kerk (‘doctrina’ en ‘disciplina’). Zondag 31 Heid. Cat. spreekt daarvan. Het herderschap werd een zaak van ‘opzicht’ en ‘tucht’: paraklese in vertroostende en vermanende zin en bij gebleken noodzaak ook paraklese in bestraffende zin.
Deze paraklese vond plaats in het kader van het herderlijk bezoek aan de huizen, waarbij de aanstaande viering van het avondmaal centraal voor de aandacht stond. Een duidelijke herinnering aan de communiebiecht!

5. De ambtelijke structurering van dit pastoraat hebben wij aan Martin Bucer uit Straatsburg te danken. Hij heeft het handboek voor de zielszorg aan de kerken van de Reformatie geschonken. Dat was in 1538, toen hij zijn Von der waren


2. Dit spreken herinnert aan het ‘offentlich’ en ‘sonderlich’ waarvan Luther spreekt in Von den Konziliis und Kirchen, 1539; vgl. H. Lieberg, Amt und Ordination bei Luther und Melanchthon, Göttingen 1962, S. 106, en mijn Media Vita. De betekenis van de gereformeerde ambtsleer voor de ‘humaniteit’ in de kerkelijke zielszorg, Groningen 1981, blz. 14-20.

|429|

Seelsorge und dem rechten Hirtendienst publiceerde — een volgens de motieven van Ezechiël 34 opgezet verhaal over de goede zorg voor de gemeente3.
Eindelijk stond de pastor weer midden in de gemeente. Deze pastor-opziener, ook wel presbyter (oudste) genoemd (vgl. Hand. 20, 17 en 28), is de eigenlijke opvolger van de pastoor. En ter wille van het werk kwam het tot een college van dergelijke ambtsdragers, onder wie ook de pastor-prediker (‘herder en leraar’, Ef. 4, 11) zijn plaats ontving.
Zo tekenden zich in de loop van de 16e eeuw de contouren af van de structuur die voor ons zo vanzelfsprekend is geworden: predikant, wijkouderlingen en kerkeraad!4.

6.Dat uiteindelijk in de gereformeerde kerken het huisbezoek de opvolger van de biecht is geworden, is een zeer belangrijke en belangwekkende ontwikkeling. Feitelijk komt daarin een complete perspectief-verandering mee.
Niet langer kwam het gemeentelid naar de ambtsdrager op het sacrale terrein van de kerk. Voortaan kwam de ambtsdrager naar de huizen waar het leven wordt geleefd in de gezinnen en waar het werk en de zorgen van alledag de aandacht vragen. Dat leven van alledag was blijkbaar niet het leven in de ‘voor-hof’, het ‘profanum’, maar het leven voor het aangezicht van God. Het pastorale gesprek stond in dienst van het vermaan, de bemoediging en de raadgeving, de kennis en wijsheid in de levenssituaties. Dat was dè ingang voor de ambtsdragers tot de toerusting van de gelovigen (Ef. 4, 12; 2 Tim. 3, 17) tot ‘alle goed werk’. Wie over ‘kerk en culturele vorming’ nadenkt, zal primair aan deze kerkelijke werkvorm aandacht moeten geven.

 

3. De actuele context van het pastoraat

In de 16e eeuw had de kerk in de vrij overzichtelijke samenleving van die tijd een onbetwiste monopoliepositie op het terrein van de toerusting van de gemeenteleden, de vorming van de zeden, de meningsvorming in zaken van geloof en levensovertuiging.

Deze woorden kunnen niet toegepast worden op zaken als tuchtoefening en diakonaat; op dergelijke punten wensten de stadsoverheden meestal geen kerkelijke zeggenschap, laat staan: kerkelijk alleen-recht. Ambtsdragers mochte niet uitgroeien tot opvolgers van de heerszuchtige bisschoppen!

Wanneer wij vandaag vragen naar de status en relevantie van de kerkelijke


3. Vgl. K. Exalto, Een pastorale gemeente, Apeldoorn 1986, en W. van ’t Spijker, De ambten bij Martin Bucer, Kampen 1970, blz. 159 v.v. en 391 v.v. Dezelfde auteur schreef onder dezelfde titel een korte samenvatting in P.J. Rossouw (red.), Gereformeerde Ampsbediening, Pretoria 1988, blz. 111-127.
4. Allerlei ontwikkelingen en problematieken die de leer van het ambt en het kerkrecht betreffen, kunnen wij in dit verband buiten bespreking laten. Vgl. hierover in het algemeen mijn Ministerium. Een introductie in de reformatorische leer van het ambt, Groningen 1982, blz. 80 v.v.

|430|

ambtsdienst in onze samenleving, valt er allerminst te spreken van enige monopoliepositie. Er is mede door de toegenomen sociale mondigheid, de scheiding van kerk en staat en de daarmee samenhangende politieke en religieuze tolerantie een geweldige differentiatie opgetreden in de maatschappelijke en culturele levensverbanden. het kerkelijke pastoraat ziet zich veel meer dan vroeger genoodzaakt na te denken over zijn identiteit en relevantie. En dan spreken wij nog niet eens over de grote en complexe zaak van de secularisatie!

De 20e eeuw is in onze samenleving ook de eeuw van de ‘helpende beroepen’ geworden. Dankzij de ontwikkeling van o.m. de psychologie en de sociologie kon een aantal mens- en gedragswetenschappen ontstaan, die elk hun bijdrage leveren aan de theorie en praktijk van het ‘helpen als ambacht’. Daarbij komt de indrukwekkende expansie van de medische kunde, die o.m. resulteerde in een wijdvertakte ontwikkeling van de psychiatrie. Op vrijwel elk gebied van het leven kan de moderne mens zich voorzien van voorlichting en advisering, van toerusting en hulp met het oog op de levensontplooiing en de oplossing van gecompliceerde persoonlijke of sociale levensproblematieken. Tussen al die voorlichtingsbureaus en ‘counseling’-instituten beweegt zich de pastor in de samenleving.

De vraag rijst of zijn pastorale werk (verkondiging en paraklese) nog enige relevantie bezit. Maakt de moderne samenleving hem niet tot een rariteit — een lantaarnopsteker in het computertijdperk? Kan hij nog met een goed geweten en zonder minderwaardigheidsgevoel zijn eenzame tocht door het drukke verkeer voortzetten? Of doet hij er wijs aan zich te haasten — want nú kan het nog! — in de richting van het team, het team van raadgevers, en te trachten dáár een plaatsje te bemachtigen naast de psycholoog, de psychotherapeut, de socioloog, de maatschappelijk werker, de agoog en de psychiater?

Zou het niet efficiënt zijn om het huisbezoek te staken en een kantoor-met-spreekuur te betrekken?

 

Wij weten ons op dit punt met essentiële vragen geconfronteerd, die rechtstreeks van betekenis zijn voor de identiteit, de relevantie en de toekomst van het kerkelijk pastoraat. In het verband van dit hoofdstuk zouden wij kortheidshalve willen attenderen op vier gezichtspunten.

1. Een kerkelijk ambtsdrager behoort dankbaar te zijn voor de mogelijkheden die zijn eigen tijd hem biedt. Er is geen enkele noodzaak om uit vrees voor relevantie- of identiteitsverlies met de rug naar nieuwe ontwikkelingen te gaan staan. De kerk kan noch mag uit de eigen tijd stappen. Er zijn in deze eeuw talrijke observaties mogelijk gebleken terzake van de creatuurlijkheid van de mens, zijn lichamelijk en psychisch welzijn en de bedreiging daarvan vanwege de algehele verzwakking van de menselijke natuur. Analoge opmerkingen zouden te maken zijn ten aanzien van het sociale functioneren van de mens in de diverse relaties waarin het leven wordt geleefd.

Een ambtsdrager in de kerk mag het als een goed geschenk accepteren, wanneer

|431|

door de ontwikkeling van allerlei medische, psychotherapeutische en sociale kunde hulp binnen het bereik van de mensen komt in problematieken, die vroeger onoplosbaar of ongeneeslijk leken. Niemand verloochent zijn ambt, wanneer hij een gemeentelid op dergelijke mogelijkheden wijst. Wie de incidentele hulp van de wegenwacht inroept, geeft daarmee niet het stuur uit handen en geeft al helemaal niet zijn eigendom prijs. Ambtsverloochening komt pas in beeld, wanneer een ambtsdrager een gemeentelid naar hulpverleners verwijst en vervolgens zich niet meer om hem of haar bekommert5. Dankbaar gebruik (doen) maken van voorhanden hulp kan van uitstekende ambtelijke zorg getuigen.

2. Hierbij voegt zich de overtuiging, dat conflicten en problemen in het leven van gemeenteleden niet per definitie altijd zich bevinden op het niveau van geloof, resp. ongeloof. Vaak speelt ook allerlei onmacht op creatuurlijk niveau mee: men kan b.v. een relatie eenvoudig niet áán. Daarom heeft een oproep tot bekering in een dergelijk geval evenmin effect als bij griep of beenbreuk. De hulp moet de vorm aannemen van deskundige raadgeving en begeleiding.

Het is onjuist om van mening te zijn dat gelovige kinderen van God als zodanig gevrijwaard zijn tegen lichamelijke of psychische ziekten.

Evenmin garandeert het dienen van de Here een optimaal functioneren in menselijke communicatie. Ambtsdragers mogen gemeenteleden die psychische of sociale moeilijkheden ondervinden niet terstond ongeloof, onbekeerlijkheid of gebrek aan liefde tot God en de wet van God ten laste leggen, b.v. bij huwelijksproblematiek, autoriteitsconflicten, depressieve gemoedstoestanden.

Het feit dat op deze en andere terreinen vele gemeenteleden geen moeilijkheden ondervinden, kan immers evenmin gelden als doorslaggevend bewijs, dat men God naar zijn geboden dient. Zo eenvoudig zit het leven meestal niet in elkaar. Zonde en genade zijn geen geïsoleerde zaken in het leven van mensen. Geloof is geen bovennatuurlijke deugd, los verkrijgbaar en in speciale verpakking te bewaren.

In het karakter en levenspatroon, het verstandelijke en emotionele functioneren van de mens vertonen zich kwetsbare plekken en potentiële resp. reëel-aanwezige misvormingen sinds de mens in zonde viel. Daarom zijn pastores niet gereed met het voorhouden en verkondigen van het goede Woord van God. Zij behoren zich óók in te denken hoe hun gesprekspartner op het creatuurlijke vlak in de knoop kan zitten. Eerst dàn kan hij overwegen wat in dat geval het goede woord is.

Passende hulp organiseren is bij uitstek een pastorale bezigheid. En dat is stellig ook betere bezigheid dan het bieden van een pastorale amateur-psychotherapie.

‘Zeg toch niet tegen iemand, die meent tegen de Geest gelasterd te hebben, dat Christus voor hem is gestorven. Hij heeft een klinkend tegenargument, waartegen geen theoloog stand houdt en het enige dat hij van u begrijpt is dat u hem niet begrijpt.


5. Vgl. Media Vita, blz. 61-63.

|432|

Het Woord, dat u brengen moet, maakt nimmer zieken gezond. Daar is het ook niet voor gegeven. Het heeft de speciale funktie doden levend te maken, al zijn ze nog zo ziek’6.

3. Intussen is ook waar, dat wij in de ‘helpende beroepen’ niet met zakelijke, neutrale technieken worden geconfronteerd. Altijd speelt op de achtergrond mee een bepaalde overtuiging inzake (b.v.) de menswaardigheid en de leefbaarheid van het bestaan7. Dergelijke overtuigingen beheersen op de essentiële momenten het criterium dat men hanteert bij het ‘normaliseren’ van relaties, bij het ‘bevrijden’ van mensen of bij de hulp die men biedt in een proces van ‘ontplooiing’ of ‘zelf-realisering’. ‘Ideologisering’ heeft op dergelijke momenten reële kansen om toe te slaan — juist bij hulpverleners die zich geen rekenschap geven van eigen uitgangspunten of zich aan de ideologie van de neutraliteit gewonnen geven. Zij ontnemen zichzelf het zicht op de vooronderstellingen en de grenzen van hun dienstverlening. Alle ‘helpen’ en ‘zich laten helpen’ vinden plaats op basis van een overtuiging inzake de ‘weg’ van de mens. Sociale wetenschappen en helpende beroepen zijn bepaald niet immuun voor de invloed van geseculariseerd denken. Wanneer — om een voorbeeld te noemen — ‘de humaniteit’ (wat dat ook wezen moge) als normalisatie-criterium wordt gehanteerd, is het denkbaar dat men de wet van God, de navolging van Christus en het werk van de Heilige Geest als onhanteerbare factoren terzijde schuift. Men acht dergelijke gegevens onbruikbaar, want zij vallen buiten de horizon van eigen denken en worden als ‘supra-naturele’ overwegingen genegeerd. In feite krimpt men op dat moment de leefwereld en het leefmilieu van de mens in door de empirische sociaal-culturele context als de enige context van de mens te beschouwen. De sociale of psychiatrische kunde stelt zich op datzelfde moment onder het gezag van een of andere empiristische, pragmatische filosofie. Wie vóór hij helpt, de hemel sluit, zal de kracht van Gods geboden en beloften en de energie van het gebed niet (er)kennen of welbewust miskennen. Ook zal hij de macht van de zonde ontkennen of onderschatten. Daarom wordt terecht gezegd dat veel sociale of psychiatrische hulp humanistisch is. En men heeft al evenzeer gelijk, wanneer men daartegenover wijst op het nut van de godsvrucht. Het dienen van God verlost van en


6. Naar een woord van psychiater P.L. Los, ‘Psychiatrie en zielszorg’, in: Gemeenteopbouw, Delft 1970, blz. 20 (toespraak voor a.s. predikanten).
7. De begrippen ‘menswaardigheid’ en ‘leefbaarheid van het bestaan’ hebben een belangrijke rol gespeeld in de vormgeving van het maatschappelijk werk en bijgedragen aan het proces van de deconfessionalisering van dat werk. Wij denken met name aan het Herderlijke schrijven vanwege de generale synode van de Nederlandse Hervormde Kerk (29 maart 1955) onder de titel Christen-zijn in de Nederlandse samenleving, ’s-Gravenhage 1955. Wij geven één karakteristiek citaat: ‘De christen heeft te bedenken, dat de dienst, die in het staatsleven van hem wordt gevraagd, wel eens het uitspreken van belijdenissen, het stellen van idealen en normen en het opstellen van programma’s en projecten met zich mee kan brengen, maar toch allereerst en allermeest zal bestaan in het zakelijk bezig zijn ten bate van de mensen en hun menswaardig bestaan, in het zoeken naar middelen en wegen om de leefbaarheid van het bestaan te verzekeren en te verhogen’ (blz. 16).

|433|

vrijwaart tegen menig probleem. De vervulling van de wet van de liefde ontsluit ongekende menselijke mogelijkheden in de complicaties van de samenleving. Het is de roeping van de christelijke wetenschap om hulp te bieden bij de gigantische opdracht van de kerk om haar pastoraat op relevante wijze te doen functioneren in het midden van de eigen tijd.

4. Er is een sterke tendens in moderne theologieën om het pastoraat van de kerk te maken tot de godsdienstige variant van de helpende beroepen. De inbreng van deze godsdienstigheid bestaat vaak uit niet meer dan het hanteren van bijbelteksten, resp. -verhalen als illustratie in een psychotherapeutische counseling-situatie. Jezus is het voorbeeld van de op aarde gedemonstreerde en gerealiseerde humaniteit en de boodschap van de bijbel wordt ontdaan van haar traditionele kernwoorden (geloof, genade, zonde, verzoening, gerechtigheid enz.) en overgezet in de taal van de humaniteit met behulp van moderne psychologische begrippen8.

Een pastoraat dat op deze wijze zijn ‘sociale relevantie’ wil bewijzen in een laatste poging tot zelfhandhaving, ontdoet zich juist van zijn eigenlijke en enige legitimatie: de onderworpenheid aan het Woord van God, het vertonen van het beeld van Christus, de trouw aan de ambtelijke opdracht en het kerkelijk karakter van zijn werk.

Het ‘eigene’ van dergelijk psychotherapeutisch pastoraat ligt uiteindelijk slechts in de kerkelijke context, waaruit het voortkomt en waarin het zich afspeelt. De kerk is een ‘service-center’ in de samenleving geworden en doet vandááruit haar ‘aanbod’ aan de wereld9. Maar het echte, door Christus bedoelde pastoraat kent geen cliënten of patiënten, maar uitsluitend gemeenteleden, die als tafelgenoten van Christus mogen mee-delen in de geschenken van de hemelse Heer voor zijn behoeftig volk op aarde.

De identiteit van dit kerkelijke pastoraat zal veilig zijn in het kader van een doorzichtige, vanuit het avondmaal opgebouwde leer van het ambt en een heldere overtuiging omtrent de heilzame kracht van de gehoorzaamheid onder het evangelie van Christus.

 

4. Pastoraat als bediening van de Geest

De apostel heeft in 2 Korinthiërs 3 en 5 zijn ambtelijke dienst gekarakteriseerd als ‘bediening van de Geest’. Deze bediening concretiseerde zich in de verkondiging als bediening van de gerechtigheid en de verzoening. Wanneer ons spreken (sub 2, 1-3) over het intieme verband van pastoraat en prediking waarheid bevat,


8. Vgl. Media Vita, blz. 24 v.v.
9. Vgl. G. Heitink, Pastoraat als hulpverlening, Kampen 1977, blz. 336 v.v. en het (niet bevredigende) commentaar daarop bij A.J. Smuts, ‘Ambt en pastorale gesprek’, in: Gereformeerde Ampsbediening, blz. 321.

|434|

zullen wij het pastoraat van de kerk dienen te verstaan als het door de Heilige Geest gehanteerde middel om in de concrete levenssituaties de gemeenteleden te doen delen in de kracht van Christus. Hij is de Verlosser van zijn volk en leidt het uit de beklemming in de ruimte. Wanneer wij het pastoraat leren verstaan als bediening van de Geest, beschermen wij onszelf tegen het afdwalen op de zijwegen van methodisme en humanistische vrijzinnigheid en bewaren wij de menselijkheid in het pastorale functioneren.

Want de Geest gaat uit van de Vader en de Zoon (vgl. Joh. 14, 26; 15, 26 en 16, 7). Deze oude belijdenis van de kerk beveiligt ons tegen spiritualisme, doperse idealen en methodistische ‘quick-service’-bediening. Want de Geest veracht de schepping niet, initieert niet een tweede schepping en zet ons niet met de rug naar in de schepping gegeven en door menselijk onderzoek ontdekte wetmatigheden, verbanden en medicijnen. Een terneergeslagen hart heeft het goede Woord van God nodig. Maar wanneer het hart geblokkeerd is door desintegratie in het psychisch functioneren, is het legitiem en geboden om de weg voor het Woord te banen met behulp van creatuurlijke middelen. Respect voor de Schepper doet ons onderscheiden tussen mentale, psychische en geestelijke blokkades10. Het Woord van God is niet het exclusieve, geheime wapen waarmee de kerk psychische blokkades zou kunnen neerwerpen. Wanneer wij de creatuurlijke middelen niet verachten, respecteren wij juist de werkwijze van de Geest, die zijn Woord en het gebed ons niet gegeven heeft als vervanging van het medicament of als supra-natureel medicament.

De Heilige Geest komt in het Woord van Christus naar ons toe (vgl. Joh. 16, 13, 14). Daarom laat het zich niet denken dat het verlossingswerk van Christus — vrede door het bloed van het kruis — in het kerkelijk pastoraat genegeerd zou kunnen worden. Nooit kan de Geest van God geïdentificeerd worden met enige schepselmatigheid, zelfs niet met de meest edele geest van de mens. De belijdenis van de Heilige Geest bewaart ons voor de liberalisering of humanisering van de kerkelijke zielszorg.

De Heilige Geest is de Geest van de wedergeboorte (vgl. Joh. 3, 5). Hij geeft mensen een nieuw begin en zet hen terug in de oorspronkelijke glans van het geschapen leven. De ‘oude’ mens maakt Hij nieuw. Juist zo wordt hij ‘de oude’: hij kan leven als hervoren en functioneren als tevoren met de schitterende mogelijkheden waarmee zijn Schepper hem heeft toegerust (vgl. Ef. 4, 22-24). Dus reactiveert de Heilige Geest de echte menselijkheid. Wanneer het kerkelijke pastoraat zich ten dienste stelt van het werk van deze Geest, zal het onmogelijk


10. Met ‘geestelijke blokkade’ is in dit verband bedoeld het verzet, waarvan de apostel spreekt in b.v. 1 Kor. 1, 18 v.v.; 2, 14; 2 Kor. 10, 5.

|435|

‘inhumaan’ of ‘docetisch’ kunnen zijn11. Dit pastoraat zal integendeel in de weg van het geloof in Gods beloften en de gehoorzaamheid aan Gods geboden de echte menselijkheid teruggeven aan de vaak zo gekneusde en verwrongen mens. Zelfs de ascese van de bekeringsweg zal in zijn felste vormen (vgl. Matth. 18, 8. 9) de barmhartige leiding van de goede herder aan het licht brengen (vgl. de verzen 12-14). Deze Herder legde zijn leven af om mensen tot het leven te doen ingaan. Wanneer de zielszorg van de kerk aan de gemeente zijn gestalte vertoont, mag zij voluit pastoraat heten.


11. Vgl. over het verwijt van docetisme Media Vita, blz. 71 v.v. (excurs II).