Rapport dHKO (2011) F1

|135|

Memorie van Toelichting
Werkorde 2 — hoofdstuk F

 

F. besluitvorming en rechtsmiddelen

[F1 besluitvorming
F1.1 De kerkelijke vergaderingen nemen hun besluiten na goede voorbereiding en met verwerking van vroegere besluitvorming.
F1.2 Wat eenmaal is afgehandeld, moet niet opnieuw aan de orde worden gesteld, tenzij men van oordeel is dat wijziging noodzakelijk is.
F1.3 Besluiten worden bij meerderheid van stemmen genomen.
F1.4 De kerkelijke vergaderingen leggen hun besluiten zorgvuldig vast en voorzien in goede communicatie, bewaring en toegankelijkheid ervan.]

F1 besluitvorming
F1.1 De kerkelijke vergaderingen nemen hun besluiten na goede voorbereiding en met verwerking van vroegere besluitvorming.
F1.3 Besluiten worden bij meerderheid van stemmen genomen.
F1.2 Een afgehandelde zaak behoort niet opnieuw aan de orde te worden gesteld, tenzij er sprake is van gewijzigde omstandigheden of inzichten.
F1.4 De kerkelijke vergaderingen voorzien in zorgvuldige vastlegging, communicatie en archivering van hun besluiten.

Toelichting F1

1. De formulering van F1.2 in Werkorde 1 (= nu F1.3 in Werkorde 2) roept in de commentaren de vraag op of het tenzij wel duidelijk c.q. scherp genoeg is geformuleerd. Wie is de ‘men’ en wanneer is wijziging nu wel of niet noodzakelijk? Ondermijnt de tenzij-bepaling niet de hoofdregel? In de MvT1 hebben we al aangegeven dat de formulering hiervan rechtstreeks is overgenomen uit art. 33 KO1978. De commentaren bepalen ons (a) bij de vraag naar de zin en strekking, en (b) bij de formulering.

2. (ad a) Strikt genomen is de bepaling een open deur: wat eenmaal is afgehandeld, moet je niet opnieuw aan de orde stellen. Je moet niet aan de gang blijven, maar ook een keer van stoppen weten. Anderzijds kan een wijziging bij verandering van omstandigheden of inzichten een keer aan de orde zijn. Zo is het leven en ook het kerkelijk leven. Per saldo een cirkelredenering, die ook gemist zou kunnen worden.
Toch pleiten wij voor handhaving van vermelding van het principe in de KO. Ook al zul je een dergelijke bepaling niet gauw elders tegenkomen, het is zowel voor iemand die iets opnieuw aan de orde wil stellen als de kerkelijke vergadering die daarmee wordt geconfronteerd nuttig om zich direct bij het begin van de zaak expliciet af te vragen: moet dit wel weer aan de orde komen? MvT1 noemt vier motieven voor deze voorvraag. Kernpunt zal moeten zijn: wie is hiermee gediend? Dienen wij de Heer van de kerk hiermee?
Tegelijk kennen wij in de kerk geen legisme in de zin van ‘wet is wet’, ‘regel is regel’. En ook geen conservatisme alsof slechts het oude goed is. Er is ontwikkeling, voortgang, vernieuwing van inzicht, kortom: dynamiek, die er toe kan brengen om zaken te heroverwegen.
Bij handhaving van de bepaling zal dus de tweeslag daarin herkenbaar moeten zijn.

|136|

3. (ad b) De vraag is of de formulering valt te verbeteren. Gezien de commentaren menen wij van wel. In de nieuwe formulering zijn twee aspecten aangepast. De ‘afgehandelde zaak’ is nu duidelijker het vertrekpunt voor de hele zin; het oordeel van ‘men’ is vervallen. En er is nu een inhoudelijk criterium aangelegd wanneer een afgehandelde zaak toch weer op het agendum kan komen, namelijk alleen als er sprake is van een wijziging van omstandigheden of inzichten. De bewijslast rust op degene die het wijzigingsverzoek doet. Het lijkt ons niet wenselijk en ook niet mogelijk een verdergaande omschrijving van de aard van de wijziging te geven. Deze kan zowel gelegen zijn in een gewijzigde visie op de zaak als in een gewijzigde kerkelijke context. Het is niet verstandig dit verder te stipuleren. Maar het moet aantoonbaar zijn.

4. De volgorde van F1.2 en F1.3 in Werkorde 2 is omgedraaid. Dit geeft een logischer opbouw.

5. De zorgvuldige vastlegging van besluiten in F1.4 heeft een algemene strekking. Het ziet dus ook op besluiten inzake toepassing van kerkelijke tucht. Afzonderlijke vermelding aldaar, zoals verzocht in één van de commentaren, is niet nodig.

6. In F1.4 Werkorde 1 wordt een regeling gemist over de openbaarheid en geheimhouding van kerkelijke stukken. Ons inziens moet de kerkelijke vergadering daarover beslissen. Openbaarheid c.q. toegankelijkheid dan wel vertrouwelijkheid is één van de aspecten van communicatie. Uiteraard gelden bij kerkelijke rechtspraak de eisen van F6.2.

7. In F1.4 Werkorde 1 wordt verder de archieftaak uit art. 50 KO1978 niet voldoende teruggezien in het begrip ‘bewaring’. De archivering is daarom alsnog expliciet in Werkorde 2 vermeld.

8.Een en ander leidt in F1.4 tot een bondige nieuwe formulering in de trits ‘zorgvuldige vastlegging, communicatie en archivering’.