Kuyper, H.H. (1900)

De verkiezing voor het Ambt
Leiden
D. Donner
1900

Kuyper, H.H. (1900) Wv

L.S.

Daar de vraag, wat de beste wijze is, waarop de verkiezing tot het ambt in Christus’ gemeente moet geregeld worden, in vele Kerken de aandacht trekt en hier en daar tot moeilijkheden aanleiding geeft, meende schrijver dezes het vriendelijk verzoek om de artikelen, die hij over dit onderwerp in „De Friesche Kerkbode” schreef, in brochure-vorm voor het grootere publiek verkrijgbaar te stellen, niet te moeten afwijzen.

Dr. H.H. Kuyper

Amsterdam, 12 Juni 1900.

Kuyper, H.H. (1900) Tekst

|1|

 

 

Het einde van het jaar brengt voor de meeste Kerken in ons vaderland een tijdperk van zekere spanning mede. De jaarlijksche verkiezing van ouderlingen en diakenen komt dan aan de orde. En met die verkiezing eene zekere gisting en werking in het midden der gemeente, die vaak van verreikende gevolgen is geweest.

Die gisting draagt voor een deel een zeer persoonlijk en ongeestelijk karakter. Er zijn in de gemeente altijd broeders, die bij zich zelven meenen alle geschiktheid voor het ambt te hebben. De plaats in het „vierkant” heeft voor hen een bijzondere aantrekkingskracht. De „hooge hoed” en de „witte das” liggen reeds lang klaar. Gedienstige vrienden hebben hun in het oor gefluisterd, dat niemand beter voor ouderling of diaken kon fungeeren dan zij. En zij zelf rekenden er vast en zeker op bij de eerstvolgende verkiezing door den Kerkeraad op het tal te worden geplaatst.

Maar eilacy, deze hoop komt bedrogen uit. De Kerkeraad of de gemeente kiest een ander. En nu is Leiden in last. De persoonlijke gekrenktheid, of wil men liever het gevoel van gepasseerd te zijn, uit zich in het slecht bezoeken van de onderlinge samenkomsten, het verzuim van de bediening der sacramenten. Ja, de gevallen zijn niet zoo heel zelden, dat een totaal breken met de gemeente het gevolg van zulk eene niet-benoeming is geweest.

En indien het kwaad maar tot één persoon beperkt bleef, dan was de zaal nog zoo slim niet. Maar ook deze zondige geprikkeldheid vreet voort als de kanker.

|2|

Vrouw en kinderen nemen het voor den „verongelijkte” op, broeders en neven moeten mede een duit in het zakje leggen. En men heeft Kerken, waar elke Kerkeraadsverkiezing gepaard gaat met zulk een strubbel en moeite als nasleep in de gemeente, dat de broeders, die den vrede van Sion liefhebben, bijna zouden wenschen, dat er maar nooit eene kerkelijke verkiezing kwam.

Tegen dit kwaad nu kan helaas niet veel worden gedaan. In de bediening des Woords kan met ernst worden gewaarschuwd tegen deze zondige geprikkeldheid, die uit hoogmoed wordt geboren, maar uitroeien kan men het euvel niet. Typisch is in dat opzicht voor de Kerk van Christus het droeve verschijnsel, dat reeds onder Jezus’ eersten discipelenkring werd gezien: de onderlinge strijd en naijver, wie de eerste zou zijn.

Onze Heiland heeft tegen dat kwaad gewaarschuwd; Hij heeft een kindeke in hun midden als voorbeeld gesteld; Hij heeft zelf aan het Avondmaal de voeten Zijner discipelen gewasschen om hun een exempel te geven, dat wie aller dienaar wilde zijn ook de eerste was, maar .... de oude zonde kwam telkens weer boven. Er is geen punt, waarin Jezus’ discipelen hardleerscher waren dan in het: „de een den ander uitnemender achten dan zichzelven.”

Slechts in één opzicht sta de Kerkeraad bij zulke geprikkeldheden onwrikbaar op zijn stuk: hij late zich nooit uit vrees voor dergelijke gevoeligheden bewegen om ongeschikte personen aan de gemeente voor te stellen. De raad, dien men soms geven hoort: kies zulk een lastigen broeder in den Kerkeraad, dan is de moeite met hem en zijn familie uit, moge als politiek hulpmiddel schoon schijnen, maar is in lijnrechten strijd met Gods Woord. Voor een ambtsdrager is vóór alle dingen noodig: ootmoed. En waar zoodanige geprikkeldheid verraadt, dat die ootmoed juist ontbreekt, daar heeft de Kerkeraad wel degelijk eene aanwijzing, dat zulk een persoon voor het ambt niet geschikt is.

Een ander euvel, juist van tegenovergestelden aard, maar daarom niet minder lastig in de practijk, is de te ver gedreven

|3|

ootmoed van andere broeders, die, evenals Saul, zich versteken achter de vaten, wanneer het lot der verkiezing op hen valt.

Deze broeders achten zich zelf voor het ambt te eenenmale ongeschikt. Het ambt staat in hunne schatting zoo hoog, de eischen voor het ambt zijn zoo gewichtig, de arbeid, aan het ambt verbonden, eischt zooveel gaven, dat zij meenen voor het ambt nooit in aanmerking te kunnen komen.

Op zich zelf heeft deze ootmoed eene zeer lieflijke zijde. Wanneer wij te kiezen hadden tusschen een broeder, die zich zelf bijna aanbiedt om benoemd te worden en geprikkeld is, omdat de gemeente hem niet kiest, en tusschen een, die met Mozes bij het braambosch zich zelf niet geschikt acht voor de taak, waartoe God hem roept, dan is de keuze niet moeilijk.

Maar wat vergelijkenderwijze goed is, kan toch op zich zelf tot verkeerde gevolgen leiden. Deze „ootmoedigen” bepalen zich niet altijd tot eene verklaring in het midden der gemeente, dat zij liever gewild hadden, dat een ander geroepen was, en tot het inbrengen van bezwaren, gegrond op allerlei gebreken, die zij in zich zelf ontdekt hebben, maar zij gaan vaak een stap verder en „bedanken” voor hunne benoeming, waarmede zij, zij het dan al niet zoo kwaad bedoeld, geheel uit hun rol van „ootmoedigen” vallen en zeer eigenmachtig zich een gezag aanmatigen, dat hun niet toekomt. En het droefste is, dat de Kerkeraden, die geroepen zijn met hand en tand tegen deze eigenmachtige handelwijze op te komen, nog vaak dat zondige bedanken in de hand werken, door zelf staande de vergadering aan zulk een broeder te vragen, of hij de benoeming aanneemt of niet, alsof het antwoord op die vraag aan zijne keuze stond!

De grondfout schuilt hierin, dat men de beteekenis van eene kerkelijke verkiezing niet begrijpt. Men is gewoon aan verkiezingen in vereenigingen, verkiezingen voor politieke lichamen enz., waarbij men volkomen vrij man is om te bedanken of aan te nemen, naarmate men er zelf lust toe heeft. Niemand kan ons dwingen om voorzitter van een schoolbestuur of wethouder van een gemeenteraad te worden. Ieder heeft voor zijn eigen conscientie te beoordeelen, of hij voor zulk een post van

|4|

vertrouwen den tijd, de gaven, den lust heeft. En bij zulke verkiezingen en benoemingen iemand toch te willen pressen tot aanneming tegen zijn zin, doet dwang aan de persoonlijke vrijheid en is daarom zedelijk niet geoorloofd.

Maar bij eene kerkelijke verkiezing staat de zaak geheel anders. Daar is de roepstem van de gemeente de roepstem Gods. God de Heere roept thans niet meer onmiddellijk, zooals Hij deed bij een Mozes, een Jesaja, een Paulus op den weg naar Damascus, maar middellijk door de gemeente. Daarom staat er in ons bevestigingsformulier: of gij gevoelt in uw harte, dat gij wettelijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven, tot dezen heiligen dienst geroepen zijt? Dit wil niet zeggen, gelijk sommigen dwaaslijk hebben beweerd, dat de stem der gemeente daarom altijd de stem van God is. Als God de Heere zelf roept, onmiddellijk, dan kan Hij Zich niet vergissen. Dan is de geroepene altijd verplicht te gehoorzamen. Dan is zelfs het inbrengen van bezwaren tegen de roeping Gods, zooals de geschiedenis van Mozes leert, zonde, en vertoornt God Zich daarover. Maar waar de Heere roept door de Kerk hier op aarde en die Kerk bestaat uit kortzichtige, feilbare menschen, daar kan zulk eene roeping bij den gekozene stuiten op zoo ernstige bezwaren, dat hij in die roeping geen roeping Gods zien kan. Van eene onfeilbare leiding des Heiligen Geestes bij de verkiezing door de gemeente is dus geen sprake. Wie dat leert, slaat den bal geheel mis. En de ervaring toont maar al [te] vaak, dat de gemeente personen kiest, die voor het ambt ongeschikt en dus niet van Godswege geroepen zijn, waarom de Kerkeraad hen dan ook wel ontslaan moet.

Maar deze uitzondering werpt den regel niet omver. Deze mogelijkheid van vergissing, die overblijft, mag niet het fundament worden van eene geheel averechtsche beschouwing van de roeping zelve. Elke goede en juiste beschouwing der verkiezing heeft uit te gaan van de grondgedachte: God de Heere heeft zijn Zijne gemeente opgedragen personen te kiezen voor het ambt; waar ik door de gemeente geroepen wordt, is dit eene roeping Gods, die ik op te volgen heb.

Zoo sluit reeds de gehoorzaamheid aan het bevel Gods het

|5|

eigenmachtig bedanken of aannemen uit. Maar dit geschiedt ook, omdat men als Christen geen „vrij man” is, maar toebehoort aan het lichaam van Christus en in de gemeenschap der heiligen gebonden is door den plicht „al de gaven, ons geschonken, gewilliglijk ten nutte der andere leden aan te leggen.” Alles, roept de Apostel der gemeente van Corinthe toe, hetzij Paulus, hetzij Apollos, is uwe, uw eigendom, waarover gij te beschikken hebt. Een kind van God leeft niet voor zich zelf, maar voor zijne broeders. Alle gaven en talenten, die hij bezit, groot of klein, zijn het eigendom der gemeente, die ze gebruiken mag. En wie zich zelf aan het ambt weigert, die pleegt roof aan de gemeente, voor welke Christus, Hij de Eerste en de Meeste, Zichzelf en Zijn hartebloed aan het kruis gegeven heeft.

Van „bedanken” of „aannemen” bij eene kerkelijke roeping kan dus geen sprake zijn. Zulke eene roeping behoort te worden opgevolgd, terwijl men zijn eigen zin en wil onderwerpt aan den wil des Heeren.

Slechts ééne uitzondering is hier op mogelijk, eene uitzondering, waarop wij reeds wezen. De geroepene kan de overtuiging hebben dat de gemeente zich vergist heeft; dat er zoo ernstige en gegronde bezwaren bij hem bestaan, dat deze roeping geen roeping Gods kan wezen.

Maar ook dan mag zijn eigen oordeel niet beslissen. Juist omdat wij niet ons zelf, maar Christus en Zijne gemeente toebehooren, staat het oordeel over die bezwaren aan de gemeente in haar wettige ambtsdragers. Bij hen heeft men die bezwaren bloot te leggen; biddend, dat God de Heere Zijn licht geve aan den Raad der Kerk. En meent men dan na het oordeel van den Kerkeraad te hebben gehoord, daarin niet te mogen berusten, dan beroepe men zich op de meerdere vergadering, opdat die de zaak uitwijze.

Dat is de wettige weg die bewandeld moet worden. En alleen wie in dien weg wandelt, toont, dat hij het ernstig opneemt met de heilige roeping Gods.

 

Tot dusverre wezen wij alleen op de moeilijkheden, die zich

|6|

bij de kerkelijke verkiezing voordoen, voor zooverre deze een persoonlijk karakter dragen en voortkomen, hetzij uit den hoogmoed van gemeenteleden, die zich zelf in het ambt willen indringen, of uit den ootmoed van anderen, die zich zelf het ambt niet waardig achten.

Maar deze moeilijkheden, waarmede de Kerk van Christus altijd te kampen heeft gehad, zijn van geheel anderen aard dan de strijd, die in onze dagen bij de verkiezing gestreden wordt; een strijd, die niet gaat over de personen, die gekozen worden, maar over de vraag, welke rechten bij de verkiezing aan de gemeenteleden worden toegekend.

Deze strijd staat niet op zich zelf, maar hangt saam met hetgeen men gewoon is te noemen de meer „democratische richting” van het einde onzer eeuw. Op staatkundig én kerkelijk gebied waait de wind uit eenzelfden hoek. Men wil van alles wat naar een „aristocratische regeering” zweemt niets weten; men dweept met de „rechten” van het volk; en met een ijver en energie, die eerbied afdwingt, tracht men het lage volk wakker te schudden, om zich bewust te worden van de macht, die het werkelijk heeft.

Zoo op staatkunde en zoo ook op kerkelijk gebied. Deze geestesrichting deed zich reeds gevoelen bij de vereeniging der Chr. Geref. en Ned. Geref. Kerken in 1893. Een der hoofdgrieven onder de malcontenten van beide zijden was deze: dat de gemeenten over deze vereeniging niet waren gehoord. De vereeniging was van boven af opgelegd; de Synoden hadden er toe besloten; de Kerkeraden hadden er zich bij neergelegd. Maar dit was een schromelijk onrecht der gemeente aangedaan. Naar de bedoeling dezer klagende broederen had de eindbeslissing niet bij de Synode moeten liggen, maar door een soort referendum, eene volksstemming in elke gemeente moeten worden uitgemaakt.

En deze zelfde richting openbaart zich thans bij de kerkelijke verkiezing. De verkiezing tot het ambt is eene zaak der gemeente; aan haar en haar alleen komt het recht toe de ambtsdragers aan te wijzen; de Kerkeraad mag als „stembureau” bij de

|7|

verkiezing dienst doen, de stemmen tellen, den gekozene proclameeren en bevestigen, maar leiding geven aan en invloed uitoefenen op de stemming mag de Kerkeraad niet. De Kerkenordening van 1619, die het recht der verkiezing in handen stelt van den Kerkeraad en hoogstens van eene medewerking der gemeente weten wil, is op en top aristocratisch en moet ten spoedigste worden herzien. Maar zelfs op die herziening behoeft niet te worden gewacht; een Kerkeraad, die zijne roeping verstaat, zal reeds nu de gemeente bijeenroepen en verklaren: „Broeders, de Kerkenorde schenkt ons eene macht, die lijnrecht in strijd is met Gods Woord. Gij, gij alleen hebt het recht om ambtsdragers te verkiezen. Al onze geusurpeerde en aangematigde rechten laten we van dit oogenblik af vallen. Kiest vrij wie gij kiezen wilt; stelt zelf vast, hoe de verkiezing voortaan plaats zal vinden; wij zullen ons onderwerpen aan uw besluit.”

Voor wie acht geeft op de teekenen der tijden is de vraag, hoe men tegenover deze „democratische richting” moet optreden, niet zoo gemakkelijk te beantwoorden. In haar, evenals in Rebekka’s schoot, ligt een tweeling verscholen. Zoowel op politiek als op kerkelijk gebied. Ieder goed Calvinist is vóór uitbreiding van volksinvloed, voor erkenning van het volksrecht. Even hoog als wij eenerzijds het gezag stellen bij de gratie Gods, even sterk ijveren wij tegen elke overheersching en knechting van het volk. In dàt opzicht heeft de democratische richting onze volle, ongedeelde en hartelijke sympathie. Maar waar in deze zelfde democratische richting ook zich belichaamd heeft het streven der Fransche Revolutie; waar deze democratie het volk souverein wil verklaren en alle gezag, door God ingesteld, wil treden onder den voet, daar kan de Calvinist niet anders dan tegen die democratische richting te velde trekken, en is hij haar meest onverzoenlijke en principieele tegenstander.

Vòòr uitbreiding van volksinvloed, maar tegen volkssouvereiniteit, dat is de leuze, waarmede het Calvinisme beurtelings de democratische richting steunt en bestrijdt. En het eischt een zeer scherp onderscheidingsvermogen en hooge Staatsmanswijsheid om in elk practisch vraagstuk op politiek gebied te

|8|

beslissen, in hoeverre de juiste of valsche democratische richting daarbij aan het woord gekomen is.

Ongetwijfeld staat het vraagstuk op kerkelijk gebied niet geheel gelijk. Een gezag, zooals in den Staat, bestaat in de Kerk alleen bij Christus, haar Hoofd en Koning. De ambtsdragers hebben in de gemeente geene heerschende, maar eene dienende macht.

Op staatkundig gebied bestaat het volk uit „onderdanen”; op kerkelijk gebied is het volk „priesters en koningen”. Maar al gaat de vergelijking niet geheel door, toch kan het tweeërlei karakter der democratische richting op staatkundig gebied uitnemend dienst doen om ook op kerkelijk gebied ons te waarschuwen voor het gevaar, dat aan elk democratisch streven verbonden is.

In het streven naar uitbreiding van den invloed der gemeenteleden op den gang van het kerkelijk leven ligt op zichzelf een zeer uitnemende gedachte, die met het wezen van het Calvinisme volkomen overeenkomt. De Gereformeerde Kerken zijn steeds èn in theorie èn in practijk democratisch in den goeden zin des woords geweest. Terwijl de Kerk van Rome alle gezag laat rusten in de handen van den Paus als Christus’ stedehouder op aarde en de Luthersche Kerk in plaats van den Paus den Landsvorst stelt, die summus episcopus (d.i. opperste Bisschop) is in Christus’ Kerk, heeft Calvijn, en hebben na hem alle Gereformeerde schrijvers van naam beleden, dat alle kerkelijke macht ten principale rust bij de gemeente; dat de gemeente, die deze macht van Christus zelf ontving, haar uitoefent door de ambtsdragers; dat de ambtsdragers er dus zijn om en door de gemeente en niet de gemeente om en door de ambtsdragers.

En deze „democratische gedachte” is geen bloote theorie gebleven, maar heeft de practijk wel degelijk beheerscht. In geen andere Kerk dan de Gereformeerde treden naast het ambt van predikant ouderlingen op, die als leekenelement mede de Kerk regeeren. Juist in deze ouderlingen, die niet als de predikant van buiten af in de gemeente inkomen, maar met de gemeente zijn opgegroeid en haar leven mede hebben doorleeft; die geen mannen zijn van studie maar van de practijk; die niet levenslang

|9|

zijn aangesteld, maar telkens door de gemeente moeten worden gekozen, ligt het tegengif tegen de hiërarchie, het echt-democratische element der Calvinistische Kerkregeering. Daarom kan gezegd worden en daarom alleen, dat de Kerkeraad, waarin deze ouderlingen saam zitting hebben, „de geheele gemeente representeert.” Terwijl, volgens Rome, de Paus, de bisschop, de pastoor de ecclesia representativa is, d.w.z. dat hij in zijn persoon de Kerk vertegenwoordigt en daarin het grondbeginsel van alle hiërarchie schuilt, stelt de Gereformeerde Kerk de „vertegenwoordiging der Kerk”, d.w.z. de macht, die uit naam der Kerk handelt, regeert en besluit, in den Kerkeraad, die voor verreweg het grootste deel bestaat uit werkelijke en geen gefingeerde vertegenwoordigers der gemeente, nl. de ouderlingen. Historisch staat het dan ook vast en is voor geen tegenspraak vatbaar, dat het opkomen van het ouderlingenambt in de Gereformeerde Kerken uitsluitend te danken is aan de behoefte, om de regeering der Kerk, de oefening der tucht enz. te laten geschieden met medewerking der gemeente, waarom uit haar midden de meest invloedrijke en godzaligste mannen moesten gekozen worden om met den Dienaar des Woords de Kerk te regeeren.

Maar zelfs met dit opnemen van het „leekenelement”, wanneer de naam ons geoorloofd is, in de regeering der Kerk, is het democratisch karakter der Gereformeerde Kerkenorde nog niet uitgeput. Zal het beginsel, dat de Kerkeraad „de gemeente representeert”, geen fictie maar werkelijkheid zijn, dan mag de Kerkeraad geen enkel ingrijpend besluit nemen zonder dat de gemeente vooraf over dat besluit gehoord is en daaraan haar approbatie heeft verleend. Een college, dat de gemeente heet te vertegenwoordigen, maar feitelijk geheel buiten de gemeente om handelt, ja, tegen haar wil in besluiten neemt, zou ophouden eene representatie der gemeente te zijn. Vandaar, en nu zal de beteekenis van dit feit duidelijk worden, dat bij de verkiezing van ambtsdragers, het toelaten tot het Avondmaal van leden der Kerk, het oefenen van tucht enz. als onafwijsbare eisch van het Gereformeerde beginsel geldt, dat al deze handelingen, voor

|10|

zij hun beslag krijgen, aan de gemeente moeten worden meegedeeld. Deze mededeeling is niet eene kennisgeving van een door den Kerkeraad genomen besluit, opdat de gemeenteleden er zich blindelings aan zouden onderwerpen, maar heeft juist omgekeerd ten doel de gemeente over dat besluit te „hooren”, gelegenheid te bieden aan ieder, die wil, om bezwaren in te brengen bij den Kerkeraad, en eerst daarna tot vaststelling van het besluit over te gaan. Elk besluit van den Kerkeraad moet, zal het rechtskracht krijgen, eerst langs dezen weg door de gemeente worden geapprobeerd.

En eindelijk, om de democratische lijn in ons Gereformeerd Kerkrecht ten einde toe af te loopen, het recht der gemeente wordt wel het sterkst gehandhaafd in hetgeen dat kerkrecht leert omtrent het jus reformandi, het recht tot hervorming der Kerk, dat de gemeente toekomt. Wanneer het college, dat de gemeente moet vertegenwoordigen, feitelijk tegen het karakter der gemeente als Bruid van Christus in, zich zelven in de plaats van den wettigen Koning der Kerk gaat stellen, Zijn Woord op zij en daarvoor eigen wetten en reglementen in de plaats schuift, dan treedt het primordiale recht der gemeente weder op; dan zet zij zulke ambtsdragers af en benoemt anderen in hunne plaats, gelijk de gemeenten metterdaad in de 16de eeuw tegenover de gedeformeerde Kerk van Rome en in onze eeuw tegenover de gedeformeerde Hervormde Kerk hebben gedaan.

Over deze democratische beginselen bestaat onder hen, die waarlijk Gereformeerd zijn, geen verschil van meening. Wie daaraan tornt, houdt op Calvinist te zijn.

Het Gereformeerde Kerkrecht is van huis uit democratisch. De Kerkeraad is door het opnemen van ouderlingen uit de gemeente, een college, dat de gemeente representeert; de Kerkeraad is bij zijn besluiten gebonden aan de approbatie der gemeente en indien de Kerkeraad het oppergezag van Koning Jezus op zij werpt, heeft de gemeente het recht een anderen Kerkeraad in zijne plaats te stellen.

De vraag, of deze beginselen in de Kerkenorde, waaronder wij leven, tot hun uiterste consequentie zijn doorgevoerd, is

|11|

niet gemakkelijk te beantwoorden. Onze Kerken leven onder andere verhoudingen en in andere toestanden dan de Gereformeerde Kerken in de 16de en 17de eeuw. In menig opzicht is onze toestand zuiverder. Noch met de inmenging van de Overheid, noch met de ellende van eene volkskerk hebben wij te worstelen. Voor zoover onze Vaderen door den nood gedwongen op allerlei punten het zuivere beginsel niet konden laten doorwerken, en verplicht waren allerlei concessies te doen, zou het dwaasheid zijn, wanneer onze Kerken, die geheel vrij zijn, deze concessies handhaafden.

Het was dan ook niet in strijd met, maar juist in overeenstemming met het Gereformeerde beginsel, dat onze Kerken bij de wederaanvaarding der Gereformeerde Kerkenorde, daaruit alles verwijderd hebben wat op inmenging van de Overheid in kerkelijke zaken sloeg. De edelste vertegenwoordigers van het Gereformeerde beginsel, om slechts één te noemen, Gijsbertus Voetius, hebben steeds tegen die bepalingen der Kerkenorde geprotesteerd.

En deze bepalingen zijn niet de eenige, die naar onze overtuiging, juist krachtens het Gereformeerde beginsel, herziening behoeven. Elk krampachtig vastklemmen aan de letter der Kerkenorde, alsof daaraan geen tittel of jota mag gewijzigd worden, doodt en versteent het leven der Kerk.

De beschuldiging, alsof de nieuw herborene Gereformeerde Kerk haar eenige kracht zoekt in het wederkeeren tot den toestand van 1618 en 1619, is onwaar. Wel moest de Gereformeerde Kerk, om de historische continuïteit niet te verliezen, beginnen met weder te keeren tot het punt, waarop de Gereformeerde lijn werd afgebroken. Het fundament, onder het puin van eeuwen bedolven, moest eerst worden blootgelegd. Maar indien de Gereformeerde Kerk daarmede tevreden was en niet de hooge en heerlijke roeping erkende, om nu op dit fundament voort te bouwen naar den eisch en de behoeften van onzen tijd, dan zou ze haar eerenaam inboeten, alleen waarde hebben als eene historische antiquiteit en zonder invloed blijven op het leven en den geest van ons volk.

|12|

In zooverre nu de geest dezer eeuw democratisch is en op uitbreiding van volksinvloed aandringt, moet deze richting niet tegengestaan, maar met sympathie worden begroet. Onze Kerkenorde, ook al is zij principieel democratisch, heeft toch op menig punt te weinig dit beginsel in toepassing gebracht. Met name geldt dit van den invloed, dien de gemeente behoort uit te oefenen bij de verkiezing van ambtsdragers. Bij de beroeping van een Dienaar des Woords komt dit het sterkst uit. De Kerkenorde kent daarbij aan de gemeente alleen het recht toe van stilzwijgende approbatie en stelt het verkiezingswerk zelf geheel in handen van den Kerkeraad. En wel is de Kerkenorde bij de verkiezing van de ouderlingen en diakenen iets scheutiger en gewaagt zij van een „dubbelgetal” aan de gemeente voor te stellen, waaruit deze kiest, maar wat zij met de eene hand geeft, neemt zij met de andere hand terug. De Kerkeraad heeft ook bij deze verkiezing het recht geheel buiten de gemeente om eene keuze te doen. Het stellen van dubbeltallen is niet verplicht. Met de Kerkenorde in de hand heeft een Kerkeraad de volle bevoegdheid ook bij deze verkiezing geheel zelfstandig te werk te gaan. Als hij dit niet doet, is het eene goedheid van hem, maar geen plicht.

In de practijk heeft dan ook op dit punt het democratische beginsel in onze Kerken reeds lang een zeer beslisten triomf behaald. Er zijn maar weinig Kerken meer in ons land, waar de beroeping van een predikant, of de verkiezing van ouderlingen en diakenen geheel buiten de gemeente omgaat. De Kerkenorde dekt in dat opzicht niet meer den werkelijken toestand. Bijna overal is het stellen van een dubbelgetal al het minimum, dat men als offer op het altaar van den democratischen geest van onzen tijd heeft gebracht.

Voor zooverre nu vele broeders, die met den geest van onzen tijd hoogelijk ingenomen zijn, alles in het werk stellen om nog wat achterlijke Kerkeraden in dat opzicht tot een meer vooruitstrevende richting te prikkelen, verdienen zij onzen hartelijken steun. De artikelen indertijd over dit onderwerp in De Heraut verschenen, en waarin de „rechter der gemeente” zoo kras, als

|13|

deze redacteur alleen het kan, den volke werden kond gedaan, hebben in één opzicht eene uitmuntende uitwerking gehad, dat nl. in de Kerkeraden van bijna alle groote en ook van vele kleinere Kerken eene poging is aangewend om practisch bij de verkiezing van ambtsdragers de medewerking der gemeente meer tot haar recht te laten komen.

Maar in deze „democratische beweging”, dezen strijd „voor de rechten der gemeente”, gelijk men het noemt, heeft zich ter onzaliger ure een element gemengd, dat als twee droppelen waters gelijkt op de leer der volkssouvereiniteit in de politiek en op het punt staat een in zich zelf goede en gezonde beweging zoodanig te vergiftigen, dat alle man van Gereformeerd beginsel er tegen partij kiezen moet.

Nieuw is dit verschijnsel, voor wie de historie van het Calvinisme kent, niet. Telkens is het als woekerplant naast den edelen stam der Gereformeerde beginselen opgeschoten. Het heeft altijd getracht met den naam van echt-Gereformeerd zich te tooien. Het legde eenzijdig en ten koste van het ambt allen nadruk op de „rechten der gemeente.” Het heette democratisch, maar was in den grond eene welbewuste poging om in plaats van de regeering der ambtsdragers, door Christus ingesteld, te schuiven de regeering door de gemeente zelf in haar gemeentelijke samenkomst.

Het eerst kwam deze richting aan het woord, toen François Lambert in 1526 voor de Hessische Kerk eene Kerkenorde ontwierp, die echter nooit werd ingevoerd. Als stelsel werd deze gedachte ontwikkeld en verdedigd door Jean Morelli, die in 1561 in Frankrijk optrad, maar door alle Fransche Synoden eenparig is veroordeeld. Belichaamd werd het in 1581 door Robbert Brown in de „Congregations” der Independenten, maar toen leidde het dan ook tot eene volkomen breuk met de Gereformeerde Kerken, waarnaast deze Independenten als een afzonderlijke secte kwamen te staan.

Wat deze secte wilde is door Prof. A. Kuyper in zijn „Tractaat van de Reformatie der Kerken” klaar en duidelijk omschreven. „De Independenten oordeelden”, zoo zegt hij, pag. 50, „dat niet

|14|

slechts het kerkelijk gezag in generalen (algemeenen) zin, maar ook het besturend gezag bij de geloovigen berustte, zoodat de gemeente in alle ding mee had te oordeelen, en sterker nog had te beslissen, waar tegenover de Gereformeerden volhielden dat het besturend gezag over de Kerk niet bij de leden, maar wel terdege bij de presbyters (ouderlingen) berustte, eene onderscheiding veelal opgehelderd door het duidelijke voorbeeld, dat wel de levenskracht door heel ons lichaam verspreid is, maar dat ons lichaam toch niet zien kan dan door het oog en niet gestuurd kan worden dan door het hoofd.”

Het Independentisme is dus feitelijk eene verwerping van het regeerambt in Christus’ Kerk en het is dan ook opmerkelijk dat het in zijn meest consequenten vorm wél plaats overlaat voor het leerambt, maar het regeerambt (de ouderlingen) eenvoudig heeft op zij gezet. Het democratisch karakter dezer richting bestaat niet langer in een opkomen voor het organisch verband, dat er tusschen den Kerkeraad en de gemeente moet bestaan, maar in het laten heerschen (kratein) van het volk (de dêmos), terwijl de Kerkeraad eenvoudig dient als uitvoerende macht, om de besluiten der gemeente uit te voeren. In dat opzicht nu is het Gereformeerde kerkrecht niet democratisch, maar in den strengsten zin des woords aristrocratisch. Noch Calvijn, noch één Gereformeerd schrijver van naam heeft ooit gewild of geleerd, dat de geloovigen de Kerk te besturen hebben en de Kerkeraad dienst doet om deze besluiten uit te voeren. De besturende (niet de uitvoerende macht alleen) berust bij den Kerkeraad, was hunne grondstelling. Alleen in abnormale gevallen, wanneer de Kerkeraad ontrouw was geworden aan zijne roeping, kon de gemeente optreden om deze bestuurshandelingen te verrichten. Maar zoodra de normale verhouding weer hersteld was, had de gemeente het recht van bestuur aan den Kerkeraad over te laten en niet te doen „wat des Kerkeraads is.”

En dit beginsel komt alleen met de leer der Heilige Schrift overeen. De ambtsdragers mogen worden benoemd door de gemeente, de ambten zijn niet door de gemeente, maar door Christus

|15|

ingesteld. „Hij heeft gegeven sommigen tot apostelen en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leeraars” (Ef. 4: 11). Wie de ambten dus eenvoudig beschouwt als creaturen der gemeente, waarmede zij doen kan wat zij wil, gaat lijnrecht tegen de Heilige Schrift in. De gemeente heeft deze ambten van Christus ontvangen; zij kan er niet aan toevoegen en er niet van afdoen. Het ambt is niet eene instelling van den mensch, maar eene instelling Gods.

Onder deze ambten bevindt zich ook het regeerambt. De gemeente regeert niet zich zelf, maar wordt geregeerd door Koning Jezus, door Zijn heilig Woord, maar middellijk door de ouderlingen. Men legge tegenover Rome’s hiërarchie er nadruk op zooveel men wil, dat deze macht eene dienende en geen overheerschende macht is; dat deze macht geestelijk van aard en niet naar de wijze van de geweldhebbers dezer eeuw is, mits men maar nooit vergete, dat het ambt der ouderlingen is niet om de besluiten der gemeente uit te voeren, maar om de gemeente te regeeren. Uitdrukkelijk zegt de Schrift, dat de ouderlingen, die wèl regeeren, dubbele eer waardig zullen geacht worden (1 Tim. 5: 17) en worden de geloovigen vermaand „hunnen voorgangeren onderdanig te zijn” (Hebr. 13: 17). Ook de namen, die zij in de Heilige Schrift dragen, van opzieners, voorstanders enz. duiden aan, dat zij de roeping hebben de gemeente te leiden, maar niet om door de gemeente te worden geleid. Wanneer men in onze dagen van eene macht tot regeeren, die de Kerkeraad bezit, niets weten wil en met een beroep op de mondigheid der geloovigen onder het Nieuwe Testament „het onderdanig zijn aan de voorgangers” eene dwaasheid noemt, dan weerspreekt men de Heilige Schrift en loopt gevaar in de zonde van Korach, Dathan en Abiram te vervallen.

Hiermede is het beginsel, waarvan het Independentisme uitgaat, geoordeeld. Maar ook in de practische gevolgen is het niet moeilijk aan te toonen, hoe dit Independentistische streven lijnrecht ingaat tegen de leer van Gods Woord. Wij nemen daartoe slechts twee punten, die reeds oudtijds met de Independenten in geding zijn geweest en waarover thans opnieuw met deze

|16|

independentisch gezinde broederen het geding loopt, nl. de vraag naar de tucht en naar het appèl.

De Independenten hebben steeds met beroep op Matth. 18: 17 (zeg het der gemeente) geleerd, dat de oefening der tucht moest geschieden door de gemeente en door de ambtsdragers moest worden uitgevoerd. De gemeente kwam saam, vernam de aanklacht en oordeelde bij meerderheid van stemmen, of de beschuldigde te censureeren was. En naar dat oordeel uitviel, had dan de Kerkeraad te handelen. De sleutelmacht rustte bij de Kerk (d.w.z. de geloovigen) en niet bij de ambtsdragers, gelijk het ook wel werd uitgedrukt. En men dreef den spot met de Geref. Kerken, waar de finale beslissing in handen lag van den kleinen kring van den Kerkeraad, de „zoogenaamde vertegenwoordigers der Gemeente.”

Gelijk wij reeds vroeger hebben aangetoond, wil de Gereformeerde Kerk niets weten van eene tucht, die buiten het leven der gemeente zou omgaan. Ook bij de oefening der tucht moet het organisch verband tusschen gemeente en Kerkeraad worden gehandhaafd. Duidelijk komt dit uit, waar de Kerkenorde eischt, dat de Kerkeraad, voordat hij tot afsnijding overgaat, eerst de gemeente hiervan kennis zal geven, opdat de daad van afsnijding eene daad der gemeente moge zijn. Maar, al moet dit worden toegestemd, daarom mogen de rollen niet worden omgekeerd. De Kerkeraad oefent de tucht, de gemeente hecht er haar goedkeuring aan. Ook bij de oefening der tucht heeft de Kerkeraad de leidende en besturende macht. Hij vraagt niet aan de gemeente, wat deze wil, gelijk een lasthebber aan zijn souverein. Souverein is niet de gemeente, maar Christus. Wanneer de Kerkeraad van oordeel is, dat naar de ordinantie van Gods Woord de tucht moet worden toegepast, gaat hij tot de tucht over. De gemeente heeft het recht op grond van Gods Woord tegen die tuchtoefening bezwaar in te brengen, maar de tuchtoefening zelve te laten afhangen van een besluit met stemmenmeerderheid door de gemeente genomen, ware eene dwaasheid.

Het beroep op Matth. 18: 17 zegt dan ook niets. De Schrift

|17|

moet naar de Schrift verklaard worden. En als de Heere Jezus zegt, dat men de zonde van een hardnekkigen broeder moet aanbrengen bij de gemeente, opdat hij, wanneer hij ook naar de gemeente niet hoort, geëxcommuniceerd worde, dan is het juist de vraag, of hier met de gemeente de vergadering der geloovigen in haar geheel bedoeld wordt, òf degenen, die de gemeente vertegenwoordigen, dat zijn haar regeerders. Het antwoord op die vraag kan, voor wie de Schrift kent, niet moeilijk zijn. De sleutelmacht, d.i. de macht om te binden en te ontbinden, die zonden te vergeven en die te houden, is door Christus geschonken aan Zijne Apostelen, aan de ambtsdragers. Tot Petrus zegt Hij: Ik geef u de sleutelen des hemelrijks. Tot Zijne discipelen spreekt Hij: Zoo wat gij binden zult op aarde, zal gebonden zijn in den hemel. Van een uitoefenen der sleutelmacht door de gemeenteleden weet de Schrift niets.

En niet minder sterk komt ditzelfde independentische streven uit in hetgeen geleerd wordt omtrent het recht van appèl. Appèl is het beroep van het besluit eener vergadering, waartegen men bezwaar heeft, op eene meerdere vergadering, die deze uitspraak kan te niet doen. Volgens het Gereformeerde Kerkrecht is appèl alleen mogelijk van eene mindere op eene meerdere vergadering; van een Kerkeraad op eene Classis; van eene Classis op eene Provinciale Synode; van eene Provinciale Synode op eene Generale Synode. Maar in het stelsel der Independenten kan dit niet. Daar is de „vergadering der geloovigen” souverein en heeft geen macht meer boven zich. Van een Kerkeraadsbesluit kan men zich beroepen niet op de Classis, die geen macht heeft, maar alleen op de gemeente, en als deze gesproken heeft, is de zaak uit. Want de stem der gemeente is de stem van God. Classicale en Synodale vergaderingen, waarin „ambtsdragers” saamkomen, hebben geen gezag; zij kunnen alleen aan de „gemeenten” advies geven, voorlichting schenken, maar bindende besluiten nemen, mogen zij niet.

Ook dit nu gaat lijnrecht tegen Gods Woord in. De Schrift weet niets van een beroep van den Kerkeraad op de gemeente, als zou deze ter laatster instantie hebben te beslissen. Wanneer

|18|

in Paulus’ dagen een strijd ontstaat over de vraag, of de Christenen uit de heidenen moeten besneden worden, dan brengt de Apostel die vraag niet van den Kerkeraad naar eene gemeentelijke vergadering, om daar te worden beslist, maar naar Jeruzalem, waar „de Apostelen en de ouderlingen” vergaderen om eene beslissing te nemen (Hand. 15: 6). Het is de eerste Synode der Christelijke Kerk. En deze Synode bepaalt zich niet tot het geven van „adviezen”, maar neemt voor heel de Christelijke Kerk bindende besluiten, waaraan de gemeenten zich te onderwerpen hebben.

De sterke democratische strooming, die in het Noorden van ons land in independentische bedding dreigt te verloopen, noopte ons principiëel het verschil tusschen de Gereformeerde en Independentische opvatting in het licht te stellen, opdat niemand door de schoone leuze van „rechten der gemeente” misleid, als Gereformeerd zou aannemen dat niet anders is dan de oude dwaling der Independenten, gehuld in een nieuwmodisch kleed. De historie is een uitstekende leermeesteres. Zij toonde ons, hoe eene eenzijdige opvatting en onjuiste consequentie van de Gereformeerde beginselen op zeer gevaarlijke paden kan doen afdwalen. Wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht.

Thans keeren wij terug tot het eigenlijke onderwerp, dat wij behandelen, n.l. hoe bij de verkiezing der ambtsdragers de rechten der gemeente behooren verzekerd te worden, terwijl tegelijk alles gemeden wordt, wat naar het Independentisme riekt. De beantwoording van deze voor onzen tijd zoo gewichtige vraag kan niet geschieden, voordat eerst historisch is uitgemaakt èn wat het Calvinistisch beginsel ten opzichte van deze zaak is, èn hoe die beginselen in den bloeitijd van het Calvinisme zijn toegepast. Ook hierbij dient het historisch onderzoek voorop te gaan, wil men vasten grond onder de voeten hebben. Dit wil daarom nog niet zeggen, dat deze beginselen door onze vaderen consequent zijn doorgedacht, of overal in de practijk zuiver zijn toegepast. Volmaaktheid is op aarde nooit te vinden. De critiek behoudt ook hier haar recht. Maar deze critiek moet toch van het Gereformeerde beginsel van Kerkrecht uitgaan en heeft altijd zorg te dragen, dat het princiëele verschil

|19|

tusschen Gereformeerd en Independentisch niet worde uitgewischt.

Nu kan er voor ieder, die ook maar eenigermate op de hoogte is met wat Calvijn en de Gereformeerden van naam over dit onderwerp geschreven hebben, geen twijfel bestaan, of het Gereformeerde beginsel is, dat het verkiezingsrecht der ambtsdragers oorspronkelijk en primordiaal toekomt aan de gemeente.

Hierover behoeft geen woord te worden verspild. Indien dàt betwijfeld werd, zou citaat op citaat en bewijs op bewijs kunnen worden gestapeld, om deze stelling te bevestigen. Wie dat loochent, heeft een der grondvesten van het Gereformeerde Kerkrecht aangetast en is principëel op de Roomsche hiërarchische lijn overgegaan.

Dat beginsel belijden wij dan ook van harte; niet omdat het door Calvijn of wien ook beleden is, maar omdat het rechtstreeks ontleend is aan de Heilige Schrift. Voor wien de Schrift en niet de kerkelijke traditie de eenige regel des geloofs en des levens is, is deze stelling dan ook onaantastbaar. Wanneer men nagaat, hoe de Apostel Matthias door het lot gekozen is uit een dubbeltal, door de gemeente te Jeruzalem gesteld (Hand. 1: 23); hoe het eerste zevental diakenen aldaar door de gemeente op Apostolisch bevel is gekozen (Hand. 6: 3) en daarmede vergelijkt hetgeen ons meegedeeld wordt in Hand. 13 en II Cor. 8: 19, kan kan men hieraan niet twijfelen. En wat de Roomschen hiertegen aanvoeren, dat de Apostel Paulus toch aan Titus beveelt „van stad tot stad ouderlingen aan te stellen” (Titus 1: 5) en Timotheus waarschuwt niemand lichtelijk „de handen op te leggen”, om hem daarmede tot ouderling te maken (I Tim. 5: 22), bewijst hiertegen niets. Vooreerst niet, omdat de Schrift uit de Schrift moet verklaard worden en ten tweede, omdat hier sprake is het stellen in van het ambt en niet van de verkiezing tot het ambt.

De oude Christelijke Kerk heeft dan ook wel degelijk te dezen opzichte de Apostolische traditie gevolgd, zooals blijkt uit de oude kerkelijke Canones, de besluiten der Conciliën en de getuigenissen der kerkvaders. Om uit allen slechts één te noemen, de Kerkvader Cyprianus, die in de eerste helft der derde eeuw na Christus leefde, zegt uitdrukkelijk: „Wij verzekeren plechtig,

|20|

dat door Goddelijk gezag vastgesteld is, dat de priester in tegenwoordigheid van het volk, onder aller oogen gekozen worde, opdat hij als waardig en geschikt tot het ambt door aller getuigenis goedgekeurd worde.” Calvijn had dus, waar hij èn in zijn tractaat van de „Noodzakelijkheid der reformatie der Kerk” en in dat over de „Ware wijze, waarop de Kerk gereformeerd moet worden”, zich op de oude kerkelijke traditie tegenover Rome beriep, gewonnen spel, en wat de Roomsche polemisten hiertegen aanvoerden, was te zwak om den toets der historische critiek te kunnen doorstaan.

Toch is het niet genoeg dit beginsel uit de Schrift te hebben aangetoond; een beginsel staat nooit los op zich zelf, maar hangt met heel de opvatting van de Kerk saam. Daarom willen wij althans eene poging wagen om aan te toonen, waarom de Gereformeerden dit beginsel van het kiesrecht der gemeente op den voorgrond hebben geplaatst.

Ten opzichte van de verkiezing tot het ambt staan in de historie drie scherpbelijnde beginselen tegenover elkander: het Roomsche, het Luthersche en het Gereformeerde.

Volgens Rome ligt het recht tot verkiezing in handen van één persoon, den Bisschop, of wil men nog liever, in handen van den Oppersten Bisschop, den Paus, en van de lagere bisschoppen als zijn vertegenwoordigers. Formeel vloeit dus hieruit voort, dat volgens de Roomsche Kerk de wettigheid van het ambt geheel afhangt van de regelrechte successie of opeenvolging der ambten van de dagen der Apostelen af. Het ambt moet een Goddelijken oorsprong hebben, zal het gezag kunnen uitoefenen. Die Goddelijke oorsprong ligt in de rechtstreeksche aanstelling der Apostelen door Christus. Van hen gaat die macht door opvolging over op den Paus en door hem op elken ambtsdrager. Alleen het ambt kan het ambt voortbrengen. Van een recht der gemeente om tot het ambt te roepen, wil de Roomsche Kerk dus niets weten, gelijk zij uitdrukkelijk op het Concilie te Trente verklaard heeft: „Indien iemand beweert, dat de ambten, door de Bisschoppen verleend, zonder toestemming of roeping door het volk geen waarde hebben, die zij vervloekt.”

|21|

Materieel hangt dit beginsel samen met heel de Roomsche opvatting van de Kerk als heilsinstituut. De Kerk is niet de vergadering der geloovigen, het geestelijk lichaam van Jezus Christus, waarvan de geloovigen de leden zijn, maar eene Goddelijke inrichting op aarde, waardoor de genade aan de menschen geschonken wordt. De Kerk is de Middelaarster tusschen God en mensch. Vandaar dat de gemeente, of gelijk de Roomsche Kerk zegt, het volk, de leeken, in het kerkelijk leven geen macht of invloed hebben. Zij zijn onderdanen, die geregeerd worden. Alle kerkelijke macht berust bij de ambtsdragers, die de ware, eigenlijke Kerk zijn. Daarom kan van de gemeente nooit de roeping tot het ambt uitgaan. Het ambt is in geestelijken zin een erfelijke monarchie.

Terwijl hierbij tegelijk een polemisch belang kwam. De Reformatoren Luther, Zwingli en Calvijn waren opgetreden na in de Roomsche Kerk het ambt ontvangen te hebben, maar van de meeste predikanten na de Reformatie kon dit niet worden gezegd. Zij waren niet door een Bisschop geordend, maar door de gemeente verkozen. Door nu te beweren, dat deze verkiezing der gemeente van nul en geener waarde was, werd de wettigheid van het ambt dezer predikanten ontkend en zij zelf gestempeld tot „dieven en inbrekers”, omdat zij niet door de deur in de schaapskooi waren binnengekomen. Of gelijk de Synode te Trente het uitsprak: „De Synode oordeelt, dat allen, die alleen door de gemeente gekozen en in het ambt gesteld dit ambt aanvaarden, niet voor dienaren der Kerk, maar voor dieven en roovers te houden zijn.”

Een geheel ander standpunt nam de Luthersche Kerk in dit vraagstuk in, wat samenhangt met de eigenaardige verhoudingen in Duitschland. Daar was reeds van de middeleeuwen af gestreden tusschen Paus en Keizer over de vraag, wie het recht zou hebben om de geestelijken te benoemen. Toen nu door de Reformatie de Pauselijke macht wegviel, trok de Landsheer alle kerkelijk gezag aan zich. Hij werd Summus Episcopus, opperste Bisschop der Kerk. Van hem ging de roeping tot het ambt uit. Een stelsel, dat de Remonstranten in bond met de Libertijnsche

|22|

partij van Oldenbarneveldt ook in onze Gereformeerde Kerken hebben zoeken in te voeren; waartegen onze Vaderen ten bloede toe hebben gestreden, maar waarvan de nawerking toch in onze Kerkenorde te bespeuren valt, al is het in dezen verzachten vorm, dat de goedkeuring der Overheid bij de verkiezing moest worden gevraagd.

Eerst in de tegenstelling met deze beide beginselen: de verkiezing door den Paus en de verkiezing door de Overheid, kan het beginsel, door Calvijn beleden, recht worden verstaan: de verkiezing behoort aan de gemeente. Van practisch belang was dit beginsel, omdat daardoor alleen de wettigheid van het ambt der Gereformeerde predikanten kon gehandhaafd worden. Tegenover de aanklacht van Rome, dat die predikanten dieven en inbrekers waren, klonk het fiere antwoord: naar het exempel der Apostolische Kerk zijn onze ambtsdragers gekozen door de gemeente van Jezus Christus en in die verkiezing ligt hun wettig en heilig mandaat.

Maar principiëel ging de tegenstelling veel dieper. De Kerk is volgens de Gereformeerde belijdenis niet een heilsinstituut, waarin het ambt optreedt om de genade uit te deelen aan een onmondig volk, maar de vergadering der ware Christ-geloovigen, de gemeenschap der heiligen, het lichaam van Christus. De Kerk, d.w.z. niet het ambt maar de gemeente, bezit alle geestelijke macht en autoriteit. Bij haar rust daarom primordiaal het recht om tot het ambt te kiezen. Niet het ambt brengt door wettige opvolging het ambt voort, maar de gemeente, in wie Christus leeft en werkt, is de grond, waaruit het ambt voortkomt.

Dat beginsel, aan de worsteling met Rome’s hiërarchie te danken, is dan ook klaar en duidelijk èn in onze Belijdenis èn in onze Bevestigingsformulieren uitgesproken. In art. XXXI onze Belijdenis staat: „Wij gelooven, dat de Dienaar des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen tot hunne ambten behooren verkozen te worden door wettige verkiezing der Kerk.” En in denzelfden zin wordt in ons Bevestigingsformulier gevraagd: „Of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettiglijk van Gods gemeente, en mitsdien van God zelven tot dezen heiligen dienst geroepen zijt?”

|23|

Niet de Paus en niet de Overheid, maar de Kerk alleen kan de wettige roeping tot het ambt verleenen.

Uit dit Gereformeerd beginsel, dat vaststaat en voor geen tegenspraak vatbaar is, hebben sommigen nu afgeleid, dat alleen zulk eene verkiezing tot het ambt wettig is, waarbij de gemeente zelve geheel vrij en zonder eenige beperking, door meerderheid van stemmen, de ambtsdragers kiest. Het ambt heeft volgens hen bij de verkiezing geen actieve, maar een passieve rol. De gemeente, d.w.z. de gemeenteleden, hebben alleen het recht van verkiezing. Wie dit „recht der gemeente” beperkt door het ambt ook bij de verkiezing actief te laten optreden, voert de Kerk op hiërarchische paden terug. Of, gelijk het onlangs helder in een brochure, onder den titel „Eisch des Tijds” verschenen, is uitgedrukt: „de gemeente moet bij de verkiezing onafhankelijk van den Kerkeraad zijn.”

Is deze gevolgtrekking juist, eischt metterdaad de logica van het beginsel, dat men tot deze slotsom komt, dan staat men echter in de practijk voor een onoplosbaar raadsel. Calvijn zelf heeft te Genève en de Gereformeerde Kerken voorts in alle landen het hierboven gestelde beginsel in practische toepassing gebracht door in hunne Kerkenordeningen nader te regelen, hoe de verkiezing voor het ambt zou geschieden. Wie deze practische toepassing nagaat, bevindt, dat van een dergelijk onbeperkt stemrecht der gemeente, onafhankelijk van den Kerkeraad, nergens sprake is; dat overal aan den Kerkeraad bij de verkiezing eene groote, zelfs overwegende macht wordt geschonken; dat de verkiezing in eigenlijken zin zelfs meestal door den Kerkeraad geschiedt en op die verkiezing alleen de approbatie der gemeente gevraagd wordt. Voor dit feit staande, dat zoo sterk spreekt, kan men slechts één van tweeën doen: òf men moet aannemen dat alle Gereformeerde leiders dier dagen in de practijk lijnrecht tegen hun eigen beginsel zijn ingegaan, òf men moet tot de erkenning komen, dat de bovengenoemde consequentie van het beginsel eenzijdig is en daarom evenmin in de theorie als in de practijk het Gereformeerde standpunt uitdrukt.

Wel heeft men getracht aan dit dilemma te ontkomen, door te zeggen, dat de praktijk destijds niet zuiver kon zijn, omdat

|24|

door het vasthouden aan de Volkskerk de zuivere idee der Kerk als gemeente van geloovigen niet tot haar recht kon komen en daarom het recht der verkiezing aan de gemeente onthouden werd; maar deze middelweg, al verklaart men daardoor iets, kan niet afdoende zijn. En wel om drie redenen:

Vooreerst niet, omdat de gedienstigheden der praktijk wel kunnen dwingen tot eene minder zuivere toepassing der beginselen, maar nooit kunnen leiden tot toepassing van een beginsel, dat niet Gereformeerd, maar zuiver Roomsch is. Het doel heiligt de middelen nooit. Aan te nemen, dat onze Kerken in vroeger eeuw, om de volksmenigte te breidelen, een der grondbeginselen van het Gereformeerde Kerkrecht, waarover de felste strijd met Rome gestreden is, zouden hebben uitgeruild voor een hiërarchisch Roomsch beginsel, is onmogelijk. Er kan met het oog op de praktijk sprake zijn van een min of meer consequente toepassing van het beginsel, maar niet van het uitruilen van het eigen beginsel tegen een beginsel, dat lijnrecht daartegenover staat.

En ten tweede, deze uitweg bestaat niet, omdat deze praktijk niet alleen gevonden wordt in de Gereformeerde Kerken in Nederland, waar de Kerk volkskerk was; niet alleen te Genève, waar heel de stad „gereformeerd” werd, maar evengoed in de martelaarskerk der Hugenoten in Frankrijk, evengoed in de vluchtelingenkerk te Londen, m.a.w. ook in die Kerken, waar van geen volkskerk sprake was.

En ten derde — en dit feit doet alles af — indien onze Vaderen aan de praktijk het beginsel min of meer ten offer hadden gebracht, m.a.w. indien hun beginsel metterdaad was geweest, dat de gemeente geheel vrij haar ambtsdragers kiezen moest, onafhankelijk van den Kerkeraad, maar de nood der tijden hen gedwongen had de nog niet mondige gemeente eenigermate onder curateele van den Kerkeraad te stellen, dan hadden zij de bepleiting en verdediging van het ware Gereformeerde beginsel met dankbaarheid moeten begroeten, belijdende: Wij grijpen naar dat ideaal, maar gegrepen hebben wij het nog niet. Terwijl de historie juist omgekeerd toont, dat toen dit „Gereformeerd beginsel” door Jean de Morelli is uitgesproken

|25|

en verdedigd, de Gereformeerde Kerken en ook Calvijn zelf het hebben veroordeeld, zooals later zal worden aangetoond.

Zoo blijft er dus niets anders over, wil men de Gereformeerde Kerken niet van de grofste inconsequentie beschuldigen, dan terug te keeren tot het punt, waarvan men is uitgegaan en bij Calvijn en de Gereformeerde Theologen zelf onderzoek te doen, hoe volgens hen bij de verkiezing der ambtsdragers de verhouding tusschen de gemeente en den Kerkeraad moet zijn. Eerst wanneer dit punt principiëel is vastgesteld, kan de toepassing dier beginselen in de kerkelijke praktijk aan die beginselen zelf worden getoetst en de weg worden aangewezen, waarop de verdere ontwikkeling van het Gereformeerde Kerkrecht ligt.

Vatten wij, duidelijkheidshalve, het dusver gevondene kortelijk saam.

In den strijd met het Roomsche hiërarchisch beginsel hebben onze Gereformeerde Kerken kloek en moedig op grond der Heilige Schrift beleden, dat de verkiezing der ambtsdragers geschieden moest niet door de ambtsdragers zelf buiten de gemeente om, maar dat het verkiezingsrecht primordiaal en oorspronkelijk rustte bij de gemeente. Uit dit Gereformeerde beginsel wordt in onze dagen afgeleid, dat de ambtsdragers bij de verkiezing dus niets hebben te doen dan lijdelijke toeschouwers te zijn; dat de gemeente bij haar keuze geheel onafhankelijk moet zijn van den Kerkeraad en dat elke invloed van den Kerkeraad op de stemming hiërarchisch en Roomsch is. Wij zagen echter, hoe deze consequentie van het Gereformeerde beginsel lijnrecht in strijd is met de praktijk der Gereformeerde Kerken, die overal en in alle landen zonder eenige uitzondering van een eigenlijk vrij stemrecht der gemeente niets hebben willen weten en de drijvers daarvan zelfs kerkelijk hebben gecensureerd. Zoo kwamen wij van zelf tot de vraag: hoe dan volgens het Gereformeerde beginsel bij de verkiezing der verhouding tusschen den Kerkeraad en de gemeente moet zijn.

En laat ons dan bij de beantwoording van die vraag eerst scherp en duidelijk op den voorgrond stellen, dat de geheele tegenstelling, die men maakt: de Roomsche Kerk wil eene

|26|

verkiezing door het ambt, buiten de gemeente om, de Gereformeerde Kerk door de gemeenteleden buiten het ambt om, niet deugt, lijnrecht in strijd is met de bedoeling onzer Vaderen en door hen nooit zou zijn beaamd. Waar zij in Rome bestreden de losmaking van het ambt van de gemeente, daar zouden zij zelf toch al zeer inconsequent hebben gehandeld, inzien zij nu omgekeerd de gemeente hadden losgemaakt van het ambt. Het is juist deze jammerlijke eenzijdigheid, die zij in het Independentisme, hebben veroordeeld en afgekeurd. De Schrift leert het ons wel anders. De gemeente is niet, zooals de Apostel Paulus het zoo schoon zegt in I Cor. 12 eene verzameling van enkele, los naast elkaar staande individuën, maar een lichaam, een organisch geheel, waarin ieder deel zijne eigen roeping en taak van God den Heere ontvangen heeft. Eerst wanneer al deze deelen van het organisch geheel der gemeente, alle op hun eigen plaats en naar hunne eigen roeping, met elkander saamwerken in harmonisch verband, wordt de door God gestelde orde gehandhaafd. Wat onze Vaderen in Rome’s hiërarchie bestreden was niet, dat het ambt bij de verkiezing eene leidende macht had, maar dit en dit alleen, dat de ambtsdragers gekozen werden buiten de gemeente om, alsof deze bij de verkiezing niets te zeggen had. Maar — en nu zal het duidelijk zijn, dat tusschen het Gereformeerde beginsel en de Gereformeerde praktijk geen principieele tegenstelling, maar overeenstemming bestond — juist op grond van hunne opvatting der gemeente als organisch geheel, werd altijd èn in de theorie èn in de practijk vastgehouden aan het beginsel: bij de verkiezing behoort èn het recht van het ambt èn het recht der gemeente te worden gehandhaafd, zoodat beide elkaar niet uitsluiten, maar in het door God gewilde verband worden gesteld.

Zoo zegt Turretinus in zijn standaardwerk „Institutio Theologiae Elencticae” Cap. LXVIII § XXIII:

„Ofschoon wij het recht der gemeente handhaven bij de roeping der Dienaren, toch willen wij geenszins met de geestdrijvers dit recht aan de gemeente toekennen met uitsluiting van den Kerkeraad; maar wij willen, dat alle dingen

|27|

met orde en behoorlijk zullen geschieden, zoodat aan iedere orde in de Kerk haar wettig aandeel in de verkiezing wordt geschonken. Daarom moet er gewaakt worden, dat het volk geen misbruik maakt van zijn recht, of voor zich zelf alleen met buitensluiting van den Kerkeraad de macht om te kiezen opeischt, of aan den Kerkeraad op onbeschaamde wijze voorschrijft, hoe bij de verkiezing moet gehandeld worden, of op oproerige wijze en met verwarring in zoo heilige zaak optreedt.”

En even sterke nadruk wordt op dit organisch verband tusschen de ambtsdragers en de gemeente gelegd in de Synopsis, door onze Godgeleerden te Leiden gesteld:

„Evenals in de eerste gemeente Matthias tot het Apostolaat en de diakens tot hun ambt gekozen zijn onder leiding der Apostelen met toestemming van de geheele gemeente, zoo behoort een goede en wettige verkiezing aldus te geschieden, dat naar de orde eerst de Kerkeraad de ambtsdragers beproeft en uitkiest, en daarna de leden der gemeente hunne stem geven aan die keuze, die door den Kerkeraad is gedaan.”

Toch is ook hiermede nog niet genoeg gezegd. Dit beginsel, dat èn ambt èn gemeente bij de verkiezing behooren saam te werken in organisch verband, geldt natuurlijk alleen dan, wanneer de Kerk georganiseerd is, d.w.z. wanneer de Kerk ambtsdragers heeft. Waar die organisatie nog ontbreekt òf in wanorde is geraakt, daar spreekt het wel van zelf, dat niet de normale, maar eene abnormale verhouding intreedt en de gemeente zonder ambtsdragers moet doen, wat in geregelde verhoudingen niet zonder de leiding van het ambt geschieden kan of mag.

Vandaar de vaststaande regel, dien men bij al onze Gereformeerde schrijvers kan terugvinden, dat er bij de verkiezing scherp onderscheid moet worden gemaakt tusschen eene georganiseerde en eene niet-georganiseerde Kerk, tusschen eene Kerk, die geconstitueerd of gereformeerd wordt en eene Kerk, die in gewone verhoudingen verkeert. Waar geen ambtsdragers zijn, hetzij omdat de gemeente voor het eerst ambtsdragers kiest, of omdat de gekozen ambtsdragers tegen de gemeente zijn gaan

|28|

overstaan en daardoor van hun wettig ambt zijn vervallen, daar moet de gemeente buiten het ambt om de ambtsdragers kiezen. Daar komen de geloovigen saam, daar kiezen zij met geheel onbeperkt en vrij stemrecht de ambtsdragers en zijn deze daardoor wettig gekozen. Maar van het oogenblik af dat de Kerkeraad er weer is, dat de Kerk dus opnieuw organisch is opgetreden, kan de gemeente niet meer handelen, alsof die Kerkeraad er nu niet meer bestond. Bij de volgende verkiezingen treedt niet de geheele Kerkeraad in eens af en heeft de gemeente nu opnieuw een Kerkeraad te scheppen. De Kerkeraad blijft bestaan, ook al treedt een deel van de ambtsdragers af; die aftredende broeders behouden hun ambt en roeping nog totdat zij door anderen vervangen zijn; de Kerkeraad heeft dus bij deze volgende verkiezingen niet te doen, alsof hij nu plotseling van macht beroofd was, maar bij de verkiezing, zooals bij elke kerkelijke handeling, leidend en besturend op te treden.

En omdat men nu niet meene, dat dit verschil tusschen de georganiseerde en niet-georganiseerde Kerk, of wil men tusschen de eerste geheel vrije stemming der gemeente en de daarop volgende gebonden keuze door ons is uitgedacht, zullen wij aan onze lezers ook over dit punt enkele sterk sprekende getuigenissen voorleggen.

Voorop ga daarbij het getuigenis van Zepperus, een Duitsch Godgeleerde, die het eerst een Gereformeerde „Politica Ecclesiastica” geschreven heeft, waarop Voetius zich gaarne beroept. Hij zegt:

„Waar nog geen Kerkeraad is geformeerd, daar hebben de predikant, de arm- en kerkvoogden met de voornaamste leden der gemeente het recht de ouderlingen te kiezen. Maar waar de Kerkeraad eenmaal geformeerd is, daar zal het recht van nieuwe ouderlingen te kiezen staan bij den predikant en de ouderlingen.”

En evenzoo vinden wij het beginsel, bijna gelijkluidend, bij de Kruiskerken in de Zuidelijke Nederlanden op de Synode te Armentiers, 26 April 1563, geformuleerd:

„Waar de Kerk nog niet tot haar rechte orde is gekomen,

|29|

daar zullen de ouderlingen en diakenen gekozen worden door de gemeene stem des geheelen volks (par la voix commune de tout le peuple) met hunne predikanten, maar waar de tucht reeds is ingevoerd, daar zal de verkiezing geschieden door den Kerkeraad met de predikanten en diakenen, en de gekozenen zullen daarna worden voorgesteld aan het volk.”

Het is dus volkomen juist, dat Dr. A. Kuyper in 1869 schreef naar aanleiding van de werking van art. 23 in de Hervormde Kerk, dat volgens het Gereformeerde Kerkrecht, gelijk het uit de historie gekend wordt, eene vrije stemming der gansche gemeente alleen gedoogd werd bij de eerste stichting der Kerk, maar dat in de eenmaal geordende Kerk niet het democratische beginsel (van eene volksstemming), maar dat der geestelijke aristocratie gehuldigd werd. Het strengste historische onderzoek kan tot geen andere slotsom, dan hier is neergeschreven, leiden.

Nu kunnen wij de vraag, hoe bij eene stichting der gemeente de verkiezing geschieden moet, verder buiten bespreking laten. Over dat punt bestaat geen verschil van meening. En voor de praktijk heeft dit thans weinig of geen nut. Wij hebben niet met ongeorganiseerde, maar met georganiseerde Kerken te doen. De vraag is, hoe in eene georganiseerde Kerk de verhouding tusschen Kerkeraad en gemeente moet wezen bij de verkiezing der ambtsdragers.

Op die vraag nu vinden wij een zeer duidelijk en principieel antwoord bij Calvijn, wiens woord zeker bij alle Gereformeerden niet het minste gewicht in de schaal legt. In zijn „Institutie” behandelt hij de vraag der verkiezing uitvoerig en hij stelt het probleem aldus:

„De vraagh is nu of een Dienaer moet verkoren worden van de gantsche Kerk, of van de mede-Dienaren alleen, en van d’ouderlingen, die tot de bedienigh van kecklijke disciplijn ghestelt zijn, dan of hij mach ghestelt worden door de macht van eenen alleenlick.”

Calvijn stelt dus drie onderscheidene gevallen: òf dat één persoon, n.l. de bisschop de ambtsdragers kiest, òf dat de

|30|

Kerkeraad dit doet, òf dat het door de gansche gemeente geschiedt.

Het eerste keurt hij beslist af. Gods Woord verbiedt dit uitdrukkelijk. Het is een tyrannie, die niet te dulden is in Gods gemeente, dat één persoon geheel buiten de gemeente om de ambtsdragers aanstelt.

Maar bij de twee volgende gevallen doet hij geene besliste keuze. Hij zegt niet: de gemeente mag alleen de verkiezing doen, want de Kerkraad heeft hierin niets te zeggen. Integendeel, hij bewandelt hier den gulden middenweg:

„Soo sien wij dan”, zegt hij, „dat dese beroepingh eens Dienaers, volgens Godts Woort wettelick is, wanneer die ghene die bequaem bevonden zijn, door d’eenstemmigheyt en goedkeuringh des volcks verkozen worden. En dat d’andere Herders de verkiesingh leyden en bestieren moeten, opdat daarin of door lichtvaardigheydt, of door partijschap, of door oproerigheydt gheen misslach van de menichte begaen en worde.”

En evenzoo in zijne uitlegging op de „Handelingen der Apostelen”, hfdst. 6: 3:

„En dit is de gulden middenweg tusschen kerkelijke tyrannie en eene verwarring stichtende losbandigheid, dat niets geschiede dan met toestemming en goedkeuring der gemeente; maar dat de Herders de leiding geven, opdat hun gezag als een teugel diene, om het volk te bedwingen, opdat het niet uit den band springe.”

Het valt hier op, dat in beide citaten niet sprake is van een vrije stemming door de gemeente, eene verkiezing in onzen zin des woords, maar van eene toestemming of goedkeuring der gemeente. De uitdrukking dat de ambtsdragers door de eenstemmigheid des volks moet verkozen worden, spreekt in dat opzicht nog sterker. Bij eene volkomen vrije verkiezing, waarbij de Kerkeraad alleen dienst doet als moderamen der vergadering, kan alleen sprake zijn van gekozen te worden door de meerderheid der stemmen, maar nooit door eenstemmigheid der gemeente. Toestemming, goedkeuring, eenstemmigheid der gemeente, al

|31|

deze uitdrukkingen wijzen daarop, dat de leiding des Kerkeraads niet bloot bestaan moet in een praesideeren van de vergadering, in een opnemen der stemmen, in eene zekere zwevende geestelijke leiding, maar dat Calvijn blijkbaar wilde, dat de Kerkeraad aan de gemeente bepaalde personen zou voorstellen en nu van de gemeente de goedkeuring, de toestemming tot die keuze verlangen zou. Eerst dan kan er eene „eenstemmige” keuze worden verkregen. Calvijn wilde dus een middenweg bewandelen. Even bevreesd als hij was voor tyrannie van den Kerkeraad, waardoor aan de gemeente personen konden worden opgedrongen tegen haar wensch en begeerte, evenzeer ijverde hij tegen de losbandigheid van het volk, waardoor uit partijschap of om andere redenen de gemeente ambtsdragers zou kiezen, die voor het ambt alleszins onbekwaam bleken. Tusschen die beide klippen van het kerkelijk leven moest worden doorgezeild.

Dit is het standpunt niet alleen van Calvijn, maar van alle Gereformeerde Theologen uit den bloeitijd onzer Gereformeerde Kerken geweest. En opdat hierover geen de minste twijfel overblijve, willen wij naast het getuigenis van Calvijn nog dat stellen van een man als Voetius. Hij acht het uitnemend, dat de Kerkeraad voor het opmaken van een dubbeltal eerst de gemeente raadpleegt, omdat de Kerkeraad niet voor zich zelf maar voor de gemeente de keuze moet doen; maar ook dit raadplegen der gemeente, wie de mannen harer keuze zijn, moet altijd zoo geschieden, „dat zoowel de leidende macht (potestas directiva et antecessoria) bij de verkiezing zelve als het eindoordeel over den verkoren persoon (judicium peremptorium ad determinans) aan den Kerkeraad verblijft.” Willen onze lezers niet vermoeien met uit Beza, de Synopsis, de Moor, Turretinus, Spanheim e.a. bewijzen aan te halen, waaruit hetzelfde blijken kan. Het is overal hetzelfde beginsel: de Kerkeraad moet bij de verkiezing de leidende macht behouden, ook al behoort het recht der verkiezing aan de gemeente. Liever vragen wij ten slotte, voordat we nagaan, hoe in de praktijk deze beginselen belichaamd zijn, of het gestelde beginsel aan de Schrift ontleend is, ja dan neen. Ten einde beslist niet voor ons de macht van Calvijn’s

|32|

woord of van wien ook, maar het woord der Schrift alleen. Leert Gods Woord, dat de gemeente bij de verkiezing onafhankelijk van den Kerkeraad moet zijn, dan heeft de Independent gelijk en onze Gereformeerde Vaderen hebben het mis. Maar leert de Schrift dit niet, dan blijkt ook, dat het verzet tegen de Gereformeerde beginselen een verzet is tegen het Woord Gods zelf.

Nu is het zeker niet gemakkelijk op dit punt een klaar en duidelijk antwoord aan de Schrift te ontlokken. De Schrift geeft algemeene beginselen, maar niet een letterlijk voorschrift, hoe precies de verkiezing geschieden moet. Dit blijkt reeds hieruit, dat, waar er sprake is van de verkiezing der ambtsdragers, dit ten deele geldt een Apostel (Matthias), die door het lot wordt aangewezen, welke verkiezing buiten het gewone kader valt, en ten deele diakenen en ouderlingen, die voor het eerst optreden in gemeenten, waar nog geen Kerkeraad is. Van eene verkiezing in eene georganiseerde Kerk, waar een wettige Kerkeraad bestaat, is in heel het Nieuwe Testament geen sprake.

Toch geeft hetgeen de Schrift ons mededeelt voor het hangende vraagstuk wel degelijk eenig licht, mits men nooit vergete, dat alleen bij wijze van vergelijking dat licht gevonden kan worden. In de gemeente te Jeruzalem waren de Apostelen de ambtsdragers; zij vormden daar, als men zoo wil, een prae-formatie voor den lateren Kerkeraad. En nu blijkt, dat de Apostelen bij de verkiezing van een nieuwen Apostel en van de eerste diakenen wel de gemeente saamroepen, om eene keuze te doen, maar dat zij daarom niet aan de gemeente eene volkomen vrije keuze laten. Zij stellen in beide gevallen vast, welke mannen alleen verkiesbaar zijn. Bij de keuze voor een Apostel wordt als eisch gesteld, dat hij persoonlijk getuige van Christus’ omwandeling moet zijn geweest; en bij de verkiezing der diakenen wordt geëischt, dat het mannen moeten zijn, die goede getuigenis hebben, en vol zijn des Heiligen Geestes en der wijsheid, Hand. 6: 3. Had de gemeente te Jeruzalem personen gekozen, niet aan dien eisch beantwoordende, dan zouden de Apostelen hen niet in het ambt hebben gesteld. Het vox populi vox Dei gold voor hen niet. Maar nog sterker blijkt dit uit

|33|

Tit. 1: 5 en I Tim. 5: 22. Uit beide plaatsen moge men niet met Rome kunnen afleiden, dat Titus of Timotheus buiten de gemeente om de ouderlingen aanstelden, er blijkt toch dit eene duidelijk uit, dat de herders bij de verkiezing eene zeer belangrijke taak hebben te vervullen. Onder hunne leiding moet de verkiezing plaats vinden. En als de keuze is geschied, dan hebben de ambtsdragers wel toe te zien, dat ze niet lichtvaardig de „handen opleggen” aan den verkozene der gemeente, opdat zij niet deel krijgen aan anderer zonde.

De bekende plaats uit Hand. 14: 23, waar staat dat Paulus en Barnabas in de verschillende gemeenten ouderlingen verkozen „met opsteken der handen”, laten we buiten spel. Volgens Calvijn beteekent dit, dat de gemeente de ambtsdragers koos „door opsteken der handen” onder leiding van de Apostelen. Deze opvatting is in strijd met de letterlijke beteekenis van den grondtekst en wordt dan ook tegenwoordig prijsgegeven. Er staat letterlijk, dat de Apostelen zelf met opsteken der handen de ouderlingen verkozen hebben. Maar ook al was de opvatting van Calvijn juist, dan was het nog de vraag, of deze uitdrukking eenvoudig zeggen wil, dat de gemeente stemde, geheel vrij, wie zij hebben wilde, of dat de Apostelen enkele personen aan de gemeente voorstelden en de gemeente nu met het opsteken der handen te kennen gaf, of zij die personen goedkeurde. Met zekerheid is dit thans niet uit te maken. Maar wel heeft deze plaats in zooverre belang, gelijk Calvijn terecht opmerkt, omdat ook hier blijkt, dat de gemeente bij de verkiezing onder leiding staat van de ambtsdragers, in casu Paulus en Barnabas.

Het staat dus vast, dat volgens het Gereformeerd beginsel, de verkiezing het recht is der gemeente, maar dat die gemeente niet individualistisch mag worden opgevat als eene losse groep geloovigen, maar moet worden beschouwd als een organisch geheel, waarin ieder deel tot zijn recht moet komen. Of wil men het eenvoudiger uitgedrukt, dat bij de verkiezing der ambtsdragers eenerzijds het volle recht der gemeenteleden moet worden gehandhaafd, maar anderzijds ook even beslist moet worden gewaakt, dat in niets worde te kort gedaan een de leidende en

|34|

besturende macht, die de Kerkeraad heeft. Beide beginselen leert de Heilige Schrift en beide moeten dus tot hun recht komen in de wijze, waarop de verkiezing geregeld wordt.

Maar al staan hiermede nu de grondbeginselen vast, toch blijft nog het zeer moeilijke vraagstuk van de praktische uitvoering over. Er moet een middenweg gevonden, waarop èn de tyrannie van den Kerkeraad èn de losbandigheid der gemeente worden buitengesloten. En het spreekt wel van zelf, dat hierbij niet één, maar allerlei oplossing mogelijk is. Onze Gereformeerde Kerken hebben nooit een strakke eenvormigheid gewild. Mits de grondbeginselen maar zuiver werden gehouden, kon de praktijk verschillen naar „de gelegenheid der Kerken” het medebracht. Eene wet van Perzen en Meden, waaraan geen tittel of jota mag veranderd worden, kent onze Kerkenorde niet. Het variis modis bene fit (d.w.z. op verschillende manieren kan het goed geschieden) gold voor hen, mits de eenheid in de hoofdzaak maar bleef bewaard.

Nu zou het ongetwijfeld van veel belang wezen na te gaan, hoe Calvijn zelf te Genève de verkiezing van ambtsdragers heeft laten regelen, indien wij maar wisten, dat in die regeling zuiver Calvijn’s denkbeelden waren weergegeven. Maar dit was helaas, niet zoo. Calvijn had te Genève te rekenen met de Overheid, die aan de Kerk zeer nauwe banden aanlegde. Vandaar, dat in de Ordonnances Ecclesiastiques wordt bepaald, dat de kleine raad van de stad gezamenlijk met de predikanten de voordracht voor de ouderlingen zouden doen aan den grooten Raad van tweehonderd en dat zij door dezen zouden worden bevestigd, inzien zij waardig werden bevonden. Feitelijk was het dus de Overheid die in overleg met de predikanten de ouderlingen koos. Eerst in 1560, toen de Ordonnances werden herzien, werd bepaald, dat de namen der gekozenen aan de gemeente zouden worden voorgesteld en deze het recht zou hebben tegen de gekozenen bezwaar in te brengen. Het spreekt wel van zelf, dat deze regeling in Calvijn’s oogen allerminst een ideaal zal zijn geweest.

Toch — al begeeft Genève’s kerkinrichting ons — kunnen wij

|35|

vrij ongeveer weten, hoe Calvijn de samenwerking van Kerkeraad en gemeente bij de verkiezing praktisch wilde geregeld zien, omdat hij in zijn „Institutie” op eene plaats, die de aandacht der onderzoekers dusver ontsnapte, zich daarover zeer in den breede uitlaat. Wij geven dit citaat in zijn geheel, omdat daarin de verklaring ligt van hetgeen door de Gereformeerde Kerken in hunne Kerkenordeningen is bepaald en wij reeds hier de beide lijnen vinden, die later telkens in de praktijk terugkeeren. De bedoelde plaats vindt men in de „Institutie” IV, 4, 12. Calvijn bespreekt daar de besluiten der oude Conciliën over de verkiezing en zegt nu:

Ik bekenn wel dat het concily te Laodiceen met zeer goede reden heeft besloten, dat men de verkiezing den gemeenen volke niet en zal toelaten. Want het gebeurt naauwlijks immermeer dat zoo veel hoofden eenige zaak eendrachtiglijk afdoen en beslechten. En het spreekwoord is bijna altijd waarachtig te weten, dat het ongestadige gemeene volk in factien en tegen-een-strijdende genegenheden gescheurt en verdeelt wordt. Maar tegen dit perijkel was een zeer goed remedy gesteld. Want voor eerst wierdt de verkiezing gedaan door de geestelijken alleen, dewelken dengenen, die zij verkoren hadden voor de Magistraat of voor den Raad en d’Overste stelden. En als deze zich met malkanderen daarop beraden hadden, zoo hielden zij die verkiezing van weerden, indien hun dezelve docht wettelijk en behoorlijk te zijn, maar indien hen de verkiesingh onbehoorlijk scheen, zoo verkoren zij een anderen die hen beter aanstondt. Daarna wierdt de zaak gebracht voor de menigte des volks, dewelk, alhoewel zij aan sulke voorafgaande keuze niet en was gebonden, nochtans zooveel gewoel en geraas niet en konde maken. Of indien men, om tot de verkiezing te komen, eerst begon van de menigte des volks, zoo geschiedde dat alleenlijk opdat men mocht weten wien zij voornamelijk begeerden. En als het verzoek en de begeerte des gemeenen volks gehoord was, zoo wierdt daar eerst de verkiezing gedaan door de geestelijken. In dezer voegen konden de geestelijken niet instellen dengenen,

|36|

die zij wilden en nochthans werden zij ook niet genoodzaakt de dwaze begeerten des volks in te willigen en na te komen.

Men ziet, dat Calvijn tweeërlei weg als mogelijk en geoorloofd stelt. Of dat de Kerkeraad eerst saamkomt, de ambtsdragers kiest en nu aan de gemeente de beslissing overlaat, of zij deze ambtsdragers wil aanvaarden of verwerpen. De keuze der gemeente is dan gebonden, zij kan alleen toestemmen of afkeuren; de Kerkeraad kiest feitelijk. Of wel de gemeente kan eerst saamkomen, geheel vrij en onafhankelijk haar stemming houden, maar daarna is het de Kerkeraad, die de keuze doet uit degenen, die de gemeente begeert. Ook hier is het feitelijk de Kerkeraad, die kiest, maar nu bij zijne keuze afhankelijk is van den wensch en de begeerte der gemeente. Beide wegen zijn goed, naar Calvijn’s oordeel, omdat in beide gevallen het beoogde doel bereikt wordt: de Kerkeraad kan niemand aan de gemeente opdringen, die zij niet hebben wil, maar ook de gemeente omgekeerd kan den Kerkeraad niet dwingen onbekwame personen in het ambt te stellen.

Wil men, dan kan men deze beide wegen onderscheiden in de meer aristocratische en de meer democratische lijn. Als de Kerkeraad feitelijk kiest en de gemeente alleen het recht van toestemming of afkeuring heeft, dan heeft men de aristocratische lijn; de macht van den Kerkeraad domineert. Als de gemeente daarentegen kiest en de Kerkeraad aan deze keuze gebonden wordt, heeft men de meer democratische lijn, omdat daarbij het overwicht aan de zijde der gemeente valt.

In de Fransche Kerken is over het algemeen de meer aristocratische lijn gevolgd. Daar gold de regel, die wij ook in de Zuidelijke Nederlanden vonden toegepast, dat wel bij de eerste institueering der Kerk de verkiezing zou geschieden door de vrije stemming der geheele gemeente, maar dat bij alle volgende verkiezingen de Kerkeraad de ouderlingen en diakenen benoemen zou en deze alleen aan de gemeente zouden worden voorgesteld. In onze Nederlandsche Kerkenordeningen is aanvankelijk deze regel overgenomen en zoowel te Wezel als te Emden werd bepaald, dat de Kerkeraad „het recht van verkiezing” hebben

|37|

zal. Een beginsel, dat nog nawerkt in Art. IV van onze Kerkenorde, waar de verkiezing van een dienaar des Woords uitsluitend aan den Kerkeraad wordt opgedragen.

De meer democratische lijn daarentegen vinden wij in de vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van à Lasco. In de Forma ac Ratio wordt bepaald, dat de gemeente bij de verkiezing zal saamkomen met gebeden en vasten; dat de Kerkeraad haar ernstig op het hart zal binden eene heilige en Gode welbehagelijke keuze te doen en dat daarna de gemeenteleden geheel vrij zouden stemmen. Nadat deze stemming was afgeloopen, kwam de Kerkeraad saam, „bezag de uitgebrachte stemmen” en koos nu uit de candidaten de beste en in zijn oog meest geschikte personen.

Een tusschenweg, die misschien door Calvijn zelf is uitgedacht, vinden wij in de Fransche vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van Valerandus Pollanus. Zooals Pollanus zelf verzekert, heeft hij heel de inrichting der Kerk ontleend aan het voorbeeld der Straatsburgsche Kerk, waar Calvijn jaren lang predikant was geweest. In deze Kerk nu maakte de Kerkeraad eerst een dubbelgetal, stelde dit aan de gemeente voor en de gemeente zelf koos uit dit dubbelgetal de ambtsdragers. John Knox, de Hervormer van Schotland, heeft deze wijze van verkiezing in de Gereformeerde Kerken in Schotland ingevoerd en Voetius verzekert, dat in de oude Kruiskerken in Nederland deze zelfde methode ook in zwang was. Dit getuigenis van Voetius wordt bevestigd door het besluit van de Synode der Zuid-Nederlandsche Kerken in 1563 gehouden, die bepaalde: Wat de verkiezing der Ouderlingen en Diakenen aangaat, wanneer er één noodig is, zal de Kerkeraad er twee verkiezen, die aan de gemeente zullen worden voorgesteld, opdat deze na aanroeping van den Naam des Heeren, er één uit kieze. Na 1574 is deze bepaling weer opnieuw in de Kerkenordening der Nederlandsche Kerken opgenomen en zoo vindt men haar in Art. 22 der D.K.O. terug, gelijk ze dan ook thans in bijna al onze Kerken in gebruik is.

Men ziet dus dat er binnen den kring der Gereformeerde

|38|

beginselen zekere speelruimte gelaten is. Het is waar, gelijk Lechler in zijn beroemd werk over de „Presbyteralverfassung der Reformirte Kirchen” heeft aangetoond, dat in verreweg de meeste Gereformeerde Kerken het aristocratische standpunt is ingenomen; niet alleen in de volkskerken van Nederland en Schotland, maar ook in de Kerk der Hugenoten in Frankrijk. Maar gelijk Dr. A. Kuyper reeds in 1869 terecht opmerkte, vindt men daarnaast ook andere Gereformeerde Kerken, zooals met name de vluchtelingenkerk in Londen, waar een min of meer democratische weg werd bewandeld. Mits men maar niet vergete, dat deze democratische weg toch nooit zoover is doorgetrokken, dat de leidende macht van den Kerkeraad daardoor werd ontkend. Ook te Londen was het de Kerkeraad, die ten slotte besliste, welke personen geschikt waren voor het ambt en welke niet. Daar ligt de grenslijn tusschen het Gereformeerde en het Independentische beginsel, en onze vaderen hebben nooit gewild, dat die grenslijn overschreden zou worden.

Het voorbeeld van Jean Morelli moge dat eens en voor goed uitmaken.

Jean Morelli was een Gereformeerd geleerde, die in de tweede helft der 16de eeuw leefde in Parijs. Hij schreef een boek, dat ten titel droeg: „Traité de la discipline et Police Chrétienne” en daarin verdedigde hij de stelling: „dat de kerkelijke verkiezingen van rechtswege door de geheele verzameling der gemeente moesten geschieden”; uit de nadere toelichting van die stelling bleek, dat hij aan de gemeenteleden een onbeperkt, uitsluitend en beslissend recht van verkiezing wilde toekennen. De Kerkeraad mocht geen voordracht doen aan de gemeente of de keuze der gemeente beperken, want de gemeente had uitsluitend het recht om te kiezen. En als de keuze geschied was, mocht de Kerkeraad den gekozen persoon niet beoordeelen, want de keuze der gemeente was beslissend.

De Synode der Fransche Kerken te Orléans in 1562 saamgekomen, heeft terstond het groote gevaar doorzien, dat in deze stelling school en geen oogenblik geaarzeld dit boek te veroordeelen en den schrijver gestrengelijk te bestraffen, omdat hij

|39|

eene valsche leer bracht, die op wanorde en verbrokkeling der Kerken moest uitloopen. In alle kerken in Frankrijk moest dat vonnis publiek van den kansel worden afgelezen en de geloovigen tegen deze leer worden gewaarschuwd. En toen dit niet hielp en enkele gemeenten tegen het besluit der Synode begonnen dit algemeene stemrecht der gemeenteleden in te voeren, dreigde de Synode hen met de kerkelijke censuur, wanneer zij zich niet aan de Kerkenorde onderwierpen.

Morelli, die oorspronkelijk uit Genève afkomstig was, vluchtte na zijne veroordeeling in Frankrijk naar Genève en beriep zich op het oordeel van Calvijn, Farel en Viret. Maar Calvijn weigerde beslist het oordeel der Fransche Synode af te keuren. En toen Morelli niet toegeven wilde, werd hij door den Kerkeraad te Genève in den ban gedaan en moest hij zijne vaderstad ontvluchten.

Met korte woorden heeft Beza, Calvijn’s trouwste volgeling, het beginsel van Morelli gekenschetst, toen hij schreef: „Morelli wil, dat met niets anders rekening zal gehouden worden, dan met hetgeen door de gemeente met meerderheid van stemmen is uitgemaakt; wanneer dit niet geschiedt, klaagt hij over tyrannie en hiërarchie, die de gemeente verdrukt, maar hij schijnt zelf geen de minste vrees te koesteren voor eene volksregeering, wanneer hij en de zijnen daarin maar de baas kunnen spelen.”

En niet minder scherp heeft de Gereformeerde Kerk in lateren tijd deze zelfde democratische strooming veroordeeld toen de Independenten uit Engeland wederom dit „stemrecht der gemeente” wilden drijven, zooals Morelli het had uitgelegd. Zoo veroordeelt Maastricht onder al de verschillende ketterijen op het stuk der beroeping niet alleen de Roomschen, die het recht der verkiezing aan den Bisschop toekennen; niet alleen de Erastianen en Remonstranten, die leeren, dat de Overheid kiezen moet; maar ook met name de Independenten, die „het recht van beroeping toekennen, aan de gemeentelijke vergadering en haar afzonderlijke leden.” Daartegenover stelt hij, dat de Gereformeerden het Goddelijk recht van de roeping hebben toegekend

|40|

aan de Kerk, niet aan de Kerk in haar afzonderlijke leden, maar aan de Kerk als georganiseerd geheel, onder leiding van den Kerkeraad, die de gemeente representeert.

Deze ernstige les der historie worde niet vergeten.

Het Gereformeerde Kerkrecht staat eene gezonde democratische ontwikkeling niet in den weg. Noch Calvijn, noch Beza, noch eenig Gereformeerd godgeleerde heeft à Lasco veroordeeld, omdat hij te Londen de gemeente vrij liet stemmen, mits de Kerkeraad daarna het recht van verkiezing bleef houden. Maar zoodra in Morelli en in de Independenten een streven openbaar wierd om de gemeente bij de verkiezing onafhankelijk van den Kerkeraad te maken, hebben de Gereformeerden van vroeger tijd zonder eene uitzondering dat democratische streven als gevaarlijk gebrandmerkt en er zich ten ernstigste tegen verzet.

Nu wij uit de Standaardwerken onzer beste Gereformeerde Theologen hebben aangetoond, welke beginselen bij de verkiezing tot het ambt gelden en daarna gezien hebben, hoe deze beginselen practisch in de verschillende Gereformeerde Kerken in toepassing zijn gebracht, kan ten slotte de vraag aan de orde komen, hoe in verband met de tegenwoordige tijdsomstandigheden de verkiezing tot het ambt moet geregeld worden.

Voordat wij echter die vraag beantwoorden, wenschen wij eerst tweeërlei misverstand af te snijden, dat eene gezonde oplossing van dit vraagstuk belemmert en oorzaak is, dat er over en weer eene verkeerde stemming in de gemeente komt, waardoor de band der broederlijke liefde wordt verbroken.

Het eerste misverstand bestaat hierin, dat men de aristocratische Gereformeerde lijn van onze Kerkenorde principieel verkeerd acht, daarin niets anders ziet dan den zuurdeesem der oude Roomsche hiërarchie en daarom van de stelling uitgaat, dat de verkiezing rechtstreeks door den Kerkeraad of door de gemeente op voordracht van den Kerkeraad tot geen wettige keuze voor het ambt leiden kan.

Men versta ons hierbij wèl. Gesteld voor de keuze tusschen de meer aristocratische en meer democratische lijn, aarzelen wij voor ons zelf geen oogenblik aan de laatste de voorkeur te

|41|

geven. En dat niet alleen, omdat de tijdsomstandigheden ons daartoe dwingen, maar omdat naar onze overtuiging het Gereformeerde beginsel zelf tot eene meer democratische toepassing dringt. Wanneer uit den boezem der gemeente op den Kerkeraad zekere aandrang wordt uitgeoefend, om, voor zoover de Kerkenorde dit gedoogt, de gemeente bij de verkiezing meer invloed te gunnen, dan vindt dit streven bij ons veeleer hartelijke sympathie dan afkeuring.

Maar — en dit is het gevaarlijke van den toestand — doordat in dezen strijd de ongereformeerde Independentische idee der volkssouvereiniteit de overhand dreigt te krijgen, doordat principieel en bewust de stelling verdedigd wordt: de gemeente moet bij de verkiezing geheel onafhankelijk zijn van den Kerkeraad, wordt de strijd vervalscht, krijgt men tegenstellingen, die in dezen absoluten vorm genomen, onwaar zijn en moet daarom wel eens met ernst weer herinnerd worden aan de waarheid, dat het Roomsche hiërarchische standpunt en de aristocratische lijn onzer Kerkenorde niet hetzelfde zijn, maar principieel onderscheiden.

Het belang van deze stelling springt in het oog.

Acht men met ons de tegenstelling tusschen de meer aristocratische en de meer democratische regeling der verkiezing eene tegenstelling, die binnen den omtrek van den cirkel der Gereformeerde beginselen valt; oordeelt men, dat ook de meer aristocratische lijn principieel onderscheiden is en blijft van de Roomsche hiërarchische idee, dan zal men met alle middelen, die het kerkelijk leven ten dienste stelt, voor zijne eigen overtuiging ijveren, maar nooit de toevlucht nemen tot revolutionaire daden, die het organisch verband der gemeente dreigen te verbreken. Men zal, om het eens zeer eenvoudig uit te drukken, wanneer de Kerkeraad de verkiezing der ambtsdragers, zooals de Kerkenorde dit toelaat, zelf ter hand neemt en van de gemeente alleen na de verkiezing de goedkeuring vraagt, dit voor zich zelf betreuren, door bespreking met den Kerkeraad trachten eene betere regeling te krijgen, maar nooit op dien grond de wettigheid van het ambt aantasten en meenen, dat zulke eene „verkiezing” als in strijd met Gods Woord, daarom geen wettige verkiezing is.

|42|

Zulk eene wijze van verkiezing mag ons dan „onvolmaakt” toeschijnen; wij mogen oordeelen, dat eene andere wijze van verkiezing veel meer in overeenstemming is met de Gereformeerde beginselen, maar tusschen „onwettig” en „onvolmaakt” is een hemelsbreed onderscheid.

Stelt men zich daarentegen op het standpunt, dat de tegenwoordige regeling in onze Kerkenorde niet onvolmaakt, maar principieel verkeerd, ongereformeerd, hiërarchisch en Roomsch is, de rechten der gemeente te eenenmale krenkt en lijnrecht in strijd is met Gods Woord, dan kan men de wettigheid van zulk eene verkiezing niet langer toestemmen. Indien men dan zelf op deze wijze verkozen wordt tot het ambt, moet men wel „bedanken”, of nog liever openlijk voor de geheele gemeente verklaren, dat men deze roeping als eene valsche roeping beschouwt, en haar daarom principieel verwerpt. Immers op de vraag van het bevestigingsformulier, of men in zijn hart gevoelt wettig van de gemeente en mitsdien van God tot dit ambt geroepen te zijn, kan men niet langer met eene onbezwaarde conscientie ja, antwoorden. Ja, de consequenties strekken nog veel verder. Niet alleen kan men voor zich zelf zulk eene roeping niet aannemen, maar men is verplicht ieder, die op deze wijze verkozen wordt, ernstig te vermanen, dat hij zulk eene schijnberoeping zich niet mag laten welgevallen. En indien deze vermaning niet helpt en de gekozene toch zitting neemt in den Kerkeraad, dan kan men hem niet als wettig ambtsdrager erkennen, maar moet men hem beschouwen als een indringer. En nu zegge men niet, dat zulke extravagantiën en overdrijvingen toch niet in het hoofd van een verstandig mensch zullen opkomen. Beginselen drijven voort op den weg en wie eenmaal door zulk een beginsel gedreven wordt, kan niet tot rust komen voor het einde van den weg bereikt is. Een broeder met een helder verstand en die de consequenties van dit standpunt volkomen goed doorziet, zei ons eens ronduit: met deze wijze van verkiezing is heel de Kerkeraad onwettig. En toen wij er hem op wezen, dat dan ook alle handelingen, door den Dienaar des Woords verricht, als de bediening des Woords en der

|43|

Sacramenten onwettig waren, gaf hij ten antwoord, dat hij dan ook niet wist, of de Doops- en Avondmaalsbediening in onze Kerken nog langer als zoodanig waren te erkennen. Dit is volkomen consequent. Is de verkiezing onwettig, dan is het ambt onwettig. En is het ambt onwettig, dan zijn ook alle handelingen door het ambt verricht onwettig. Er zijn dan geen gedoopte kinderen, er is dan geen werkelijk Avondmaal gehouden, er is dan geene bediening van het Woord geweest.

Het spreekt wel van zelf, dat zulke consequenties nog zeldzaam getrokken worden. De aangeboren „traagheid van geest” maakt, dat slechts enkelen tot zulke uitersten komen. Maar het is goed dat zulke consequenties openlijk worden uitgesproken, omdat men daardoor ziet, waartoe de zoo eenvoudige stelling: de tegenwoordige wijze van verkiezing is hiërarchisch, den mensch brengen kan en brengen moet. En zoo eerst zal men gevoelen, waarom wij het noodig achten het thans hangende vraagstuk zoo ernstig en grondig te bespreken, omdat feitelijk met deze vraag naar de wettigheid der verkiezing heel de geïnstitueerde Kerk des Heeren staat of valt.

Zonder daarom voor ons zelf de wijze van verkiezing, die onze Kerkenorde voorschrijft, ideaal of volmaakt te achten, dienst toch met het oog op dezen principieelen tegenstand zoo klaar en duidelijk mogelijk te worden aangetoond, dat ook deze wijze van verkiezing wat het beginsel betreft lijnrecht tegenover de Roomsche opvatting staat, met het hiërarchisch standpunt niets gemeen heeft dan den vorm en daarom wel degelijk tot eene volkomen wettige verkiezing leiden kan en leidt, hoeveel gebrekkigs aan den vorm ook kleven moge.

Ook hier geldt: de schijn bedriegt. Omdat in de Roomsche Kerk het ambt den ambtsdrager kiest en in de Gereformeerde Kerk de Kerkeraad de keuze doet, meent men dat beide op hetzelfde standpunt staan en derhalve uit de onwettigheid der Roomsche verkiezing tot het ambt ook de onwettigheid der Gereformeerde verkiezing kan worden afgeleid.

Het is niet moeilijk, om de grondfout van deze redeneering aan te wijzen. Turretinus heeft deze bedenking onder

|44|

de oogen gezien en afdoende beantwoord. „De tegenstelling tusschen Rome en ons,” zoo zegt hij, „loopt niet over de vraag, of de opzieners en herders der gemeente het recht van verkiezing en beroeping hebben, want dat ontkennen wij niet. Maar het geschil loopt hierover: of zij dit recht hebben primair, origineel, zoodat dit recht in het ambt zelf zijn oorsprong heeft; of dat zij dit recht hebben secundair, zoodat het afgeleid wordt uit de gemeente; of zij dat recht uitoefenen in hun eigen naam en krachtens hun eigen gezag; of dat zij het doen uit naam der gemeente en krachtens het gezag dat de gemeente hun toegekend heeft?” Dat en dàt alleen is de principiëele tegenstelling tusschen het Roomsche en het Gereformeerde standpunt. De Roomsche Kerk kan desnoods de gemeente laten stemmen over een ambtsdrager, maar dan is dat eene goedgunstigheid van de ambtsdragers, dan ontleent de gemeente deze macht aan het ambt, dan blijft het toch principieel het ambt, dat alleen het recht van verkiezing heeft. En de Gereformeerde Kerk kan de keuze door den Kerkeraad laten doen, zoodat de gemeente daarbij schijnbaar geheel lijdelijk verkeert, maar dan is dit niet, omdat het ambt als eene regeermacht in zich zelf daartoe het recht bezit, maar omdat de Kerkeraad de gemeente „representeert”, daarom namens de gemeente handelend optreedt, en dus aan de gemeente dit recht ontleent.

Reeds deze principieele tegenstelling werpt heel de aanklacht, als ware onze Kerkenorde op dit punt Roomsch-hiërarchisch, onderstboven. Maar er is meer. Waar de Kerkeraad de ambtsdragers kiest namens de gemeente, omdat de Kerkeraad een college is, dat de gemeente representeert, daar volgt uit den aard der zaak, dat deze keuze eerst dan haar volle beslag krijgt, wanneer de gemeente daarop haar zegel heeft gedrukt. Op Roomsch standpunt kiest het ambt en is deze keuze op zich zelf volkomen wettig en voldoende; naar den consensus, de toestemming der gemeente wordt niet gevraagd. Maar op Gereformeerd standpunt staat de zaak precies omgekeerd. De Kerkeraad kan de ambtsdragers aanwijzen, maar het oordeel over deze keuze moet aan de gemeente verblijven. Zij bezit primordiaal

|45|

en oorspronkelijk het recht van roeping. Eerst dan wanneer zij de keuze van den Kerkeraad heeft goedgekeurd, is de roeping eene wettige roeping geworden. Daarom heeft de Gereformeerde Kerk altijd geëischt, dat de Kerkeraad de verkorenen aan de gemeente zou voorstellen en ieder het vrije recht zou hebben bezwaren tegen deze personen in te brengen. En eerst dan, wanneer er geen wettige bezwaren waren ingebracht, kon de Kerkeraad tot de bevestiging en in het ambtzetting der verkozenen overgaan. Deze toestemming, approbatie, goedkeuring door de gemeente is dus niet iets bijkomstigs, maar is hoofdzaak, is het fundament, waarop de wettigheid der verkiezing rust. Daarom kan de geroepene met goeder conscientie verklaren, dat hij waarlijk door de gemeente en mitsdien door God geroepen is. Indien de Kerkeraad koos, maar heel de gemeente deze keuze afkeurde en dit uitsprak, dan zou de verkiezing onwettig zijn en de geroepene moeten bedanken. Maar als de gemeente door stilzwijgen, of door andere middelen aan de keuze haar goedkeuring heeft geschonken, dan is de verkiezing niet langer eene verkiezing van den Kerkeraad alleen, maar eene verkiezing der geheele gemeente geworden.

De vraag is, of het wijs is, dat de Kerkeraad deze keuze doet zonder eerst de gemeente te hebben geraadpleegd; of de gemeente op deze wijze genoegzaam vrij is in haar recht van beoordeeling, raakt de practische toepassing, maar raakt niet het beginsel. Het beginsel, waarvan onze Kerkenorde uitgaat, en daarom is het ons hier uitsluitend te doen, is niet Roomsch maar Gereformeerd; is niet hiërarchisch maar erkent, zij het dan ook zijdeling, het recht der gemeente.

Het eerste misverstand, alsof de meer aristocratische1) wijze


1) „Hollands Kerkblad” merkt op, dat de benaming aristocratisch en democratisch in onze Gereformeerde Kerken niet moest gebruikt worden. Ongetwijfeld kan in de Kerk alleen sprake zijn van Christocratie, de regeering van Christus. Maar Lechler heeft deze termen nu eenmaal gebruikt en voor de aanduiding van het hangende vraagstuk zijn zij onmisbaar, wil men niet telkens in veel omhaal van woorden vervallen. Wij zullen echter dankbaar zijn, wanneer heel deze terminologie uit ons kerkelijk leven verdwijnt. Ze hoort in de Staatkunde thuis, niet in Christus’ Kerk.

|46|

van verkiezing, die onze Kerkenorde voorschrijft, principiëel verkeerd, wijl Roomsch hiërarchisch zijn zou, zoodat eene verkiezing, volgens de bepalingen der Kerkenorde, eigenlijk onwettig zou zijn, met al de consequenties daaruit afgeleid, is thans voldoende weerlegd. Het was de schijn, die bedroog. Ook al kiest de Kerkeraad de ambtsdragers, dan heeft dit met het Roomsche hiërarchische standpunt nog niets gemeen, omdat vooreerst de Kerkeraad dit alsdan niet doet als souvereine regeermacht, maar als representatie der gemeente, en ten tweede omdat de Kerkeraad, na deze keuze te hebben uitgebracht, toch altijd afhankelijk blijft van de toestemming der gemeente. In die twee punten ligt het fundamenteel verschil tusschen Dordt en tusschen Rome.

Het tweede misverstand, dat eveneens eene goede oplossing van het gerezen geding in den weg staat, is van geheel anderen aard. Het komt, als men zoo wil, uit den conservatieven hoek en is het bolwerk, waarachter het kerkelijk legitimisme zich verschuilt. Dit misverstand bestaat hierin, dat men den Kerkeraad in dien absoluten zin gebonden acht aan de Kerkenorde, dat de Kerkeraad van hetgeen de Kerkenorde voorschrijft ook geen vingerbreed mag afwijken. In de Kerkenorde, zoo zegt men, is noch bij de verkiezing van een Dienaar, noch bij die der overige ambtsdragers ook maar sprake van eene groslijst, door de gemeente op te maken; er staat uitdrukkelijk, dat de Kerkeraad het „dubbelgetal” stellen moet; de Kerkeraad, die onder deze Kerkenorde toch eene groslijst invoert, handelt tegen Art. 86 der K.O. en maakt daarmede deze verkiezing onwettig. Er zijn ons gemeenten bekend, waar leden der gemeente op dien grond protest tegen de verkiezing hebben ingediend en de gekozen Kerkeraadsleden zelf zich bezwaard in hunne conscientie gevoelden, of hunne roeping wel in orde was. Het loont dus de moeite, ook dit bezwaar onder de oogen te zien.

De fout van deze broeders schuilt hierin, dat zij van de Kerkenorde eene geheel verkeerde voorstelling hebben en haar beschouwen als eene „wet van Perzen en Meden”, waarvan zelfs geen jota of tittel mag worden afgeweken. Eene opvatting, die,

|47|

inzien ze juist was, groote schade zou toebrengen aan de vrije ontwikkeling van het kerkelijk leven en alle verbetering in goeden zin den pas zou afsnijden. Immers, al is het waar, dat deze broeders door art. 86 een achterdeur openhouden, om door herziening der Kerkenorde ook betere toestanden in het kerkelijk leven te krijgen, wie bekend is met de jongste kerkelijke historie, weet hoe weinig deze achterdeur in werkelijkheid helpt. Une porte doit être ouverte ou fermée, eene deur moet open of dicht zijn, zegt een Fransch spreekwoord, maar of deze deur open of dicht is, weet niemand. Op de Synode van Middelburg werd officiëel verklaard, dat de Kerken voor eene herziening der K.O. niet rijp waren en daarmede elke aandrang, om artikelen van de K.O. gewijzigd te krijgen, afgewezen. Op de jongste Synode is men formeel op dit besluit teruggekomen, maar materieel heeft men het gehandhaafd. Men erkende, dat de revisie der Kerkenorde, langs den weg van gravamina, altijd mogelijk moest zijn, maar toen er gravamina tegen bepaalde artikelen kwamen, verklaarde de Synode zich incompetent om te oordeelen.

Een verwijt hiervan maken we onze Generale Synoden niet. Èn onze Kerkenorde èn onze Formulieren van Eenigheid hebben, doordat ze drie eeuwen lang onveranderd gebleven zijn, een zoo vast karakter aangenomen, dat eene Synode geestelijk zeer hoog moet staan, om wijzigingen aan te brengen. Dit te doen oppervlakkig, zonder diep nadenken, met vliegende haast, schokt het vertrouwen der gemeente, leidt tot een Da Capo van wat in de vroegere Christ. Geref. Kerk is geschied en heeft tot gevolg eene reactie, die tot nog starrer conservatisme leidt. Het Gereformeerde leven heeft niet stilgestaan, eischt verandering van menig geantikeerden vorm, maar deze wijziging kan alleen worden aangebracht, wanneer aan deze drie eischen wordt voldaan: 1. dat de Generale Synode het volle vertrouwen van alle Kerken heeft; 2. dat de kundigste mannen na lange voorbereiding die taak op zich nemen; 3. dat deze wijziging duidelijk het kenmerk drage van gegrond te zijn op de soliede basis der Gereformeerde beginselen. Het behoeft wel geen betoog, dat, zoolang de brandende kwesties van de opleiding, de zending,

|48|

het emeritaatstraktement enz. aan de orde zijn, van een arbeid, die zooveel rust en overleg eischt, geen sprake wezen kan. Wie hieraan twijfelen mocht, ga de historie van het gravamen tegen art. 36 maar eens na!

Ons kerkelijk leven zou daarmede in een keurslijf gewrongen zijn, wanneer metterdaad de opvatting juist was, dat door art. 86 der K.O. aan elken Kerkeraad het recht ontzegd was, op bepaalde punten van de K.O. af te wijken, ook wanneer het belang der gemeente en de orde der Kerken dit eischte. Art. 86 der D.K.O. heeft die bedoeling dan ook in geenen deele, gelijk door onze vaderen telkens met nadruk is herinnerd. Dit artikel wil alleen zeggen, dat geen particuliere Kerkeraad het recht heeft, in de K.O. als zoodanig wijzigingen aan te brengen, omdat de K.O. accoord is van de gemeenschap der Kerken en niet ééne Kerk, maar alle Kerken saam deze Kerkenorde hebben vastgesteld. De Kerkeraad van Amsterdam bijv. zou niet op eigen gezag eene Kerkenorde mogen uitgeven, waarin één of meer artikelen door dien Kerkeraad gewijzigd waren. De Kerkenorde, die voor alle Kerken gezamenlijk geldt, kan niet door ééne Kerk worden veranderd. Indien zulk een Kerkeraad dit deed, zou zij buiten haar bevoegdheid gaan en gevaar loopen het kerkverband te verbreken. Maar het is iets geheel anders, wanneer een Kerkeraad, ziende, dat voor zijne gemeente de uitvoering van eenig artikel der K.O. verkeerd zou werken, of de orde niet bevorderen zou, de werking van dit artikel schorst, of bij de uitvoering van dit artikel van de daarin voorgeschreven wijze afwijkt, mits deze schorsing of afwijking maar geen willekeur zij, of tegen de Gereformeerde beginselen inga, maar ten doel hebbe, die beginselen beter tot zijn recht te doen komen.

Trouwens, er is geen Kerkeraad in ons goede vaderland, die er in de praktijk anders overdenkt. Het legitimisme is zoo lijnrecht met den aard van ons kerkelijk leven in strijd, dat eer te vreezen is, dat soms al te willekeurig met onze K.O. wordt omgesprongen en eer de vermaning noodig zou zijn, dat de afwijking geen regel moet worden. Onze Kerkenorde schrijft voor, dat er elke week Kerkeraad moet worden gehouden, dat

|49|

zesmaal jaarlijks het Avondmaal moet worden bediend, dat elk jaar het halve deel van den Kerkeraad moet worden veranderd, maar wie gevoelt niet, dat de Kerkeraad allerminst aan deze voorschriften als aan een wet gebonden is, en dat naar den toestand der plaatselijke gemeente hierin telkens verandering moet worden gebracht. In eene zeer kleine gemeente is eene officieele Kerkeraadsvergadering elke weet onnut en tijdroovend; de Kerkeraad kan na of voor de predikatie Zondags best de loopende zaken afdoen. Kan in eene groote gemeente het aantal Avondmaalsvieringen worden vermeerderd tot twaalf of meermalen per jaar, niemand zal dit veroordeelen. En evenmin zal het een Kerkeraad worden euvel geduid, die, omdat het getal ambtsdragers de dertig of veertig overschreed, elk jaar niet de helft, maar een vierde gedeelte laat aftreden. Hierop aanmerking te maken, omdat de K.O. het anders voorschrijft, zou veel hebben van wat het volk noemt muggezifterij.

Ja, men moet nog verder gaan en met Voetius erkennen, dat de Kerken goed zouden doen op sommige punten beslist van de Kerkenorde af te wijken, waar deze met de Gereformeerde beginselen in strijd is. De Kerkenorde is op enkele punten niet de uitdrukking van wat de Kerken zelve wilden, maar is eene concessie aan de Overheid, of aan allerlei misstanden in het kerkelijk leven, die niet met één slag konden worden weggenomen. Het patronaatrecht, de approbatie van de beroeping van een predikant door de Overheid, het zitting hebben van de Overheid in den Kerkeraad enz., dat alles stond wel in de Kerkenorde, maar onze beste Godgeleerden prezen het in een Kerkeraad, wanneer deze eenvoudig deed, alsof de K.O. in dat opzicht niet bestond. En Voetius aarzelt geen oogenblik om ditzelfde ook aan te raden ten opzichte van de zoogenaamde kerkeljke feestdagen, Kerstfeest, Paschen, Hemelvaartsdag en Pinksteren. Al wat de K.O. daarover bepaalt, was een toegeven aan de begeerte van het volk, dat deze feestdagen wilde vieren, maar geen uitdrukking van wat de Gereformeerde beginselen eischten. Indien een Kerkeraad, zoo zegt hij, nadat de gemeente daarvoor rijp was geworden, al deze feestdagen afschafte, dan zou de

|50|

Kerkeraad wel tegen de Kerkenorde hebben gehandeld in formeelen zin, maar juist daardoor getoond hebben het echte Gereformeerde beginsel van harte te zijn toegedaan.

Men onderscheide in de Kerkenorde dus wél. Er zijn in de Kerkenorde vele gewichtige bepalingen, aangaande ambten, de kerkelijke samenkomsten, de bediening des Woords en der Sacramenten en de kerkelijke tucht, die, omdat zij de grondbeginselen van ons Gereformeerd kerkrecht raken, nooit ter zijde kunnen of mogen geschoven worden, zonder dat daarmede het karakter van eene Gereformeerde Kerk te zijn vervalt. Maar er zijn ook tal van voorschriften, die niet het wezen der kerkelijke gemeenschap, maar de orde en al wat met ’t uitwendig leven der Kerk samenhangt, raken en van deze voorschriften af te wijken, kan niet alleen geoorloofd, maar zelfs plicht zijn.

Indien dan ook het gevoelen juist was, dat de gemeente van Gods wege het recht en den plicht had onafhankelijk van den Kerkeraad de ambtsdragers te kiezen, dan zou een Kerkeraad, die dit toestemde, maar in de praktijk de verkiezing aan zich hield, omdat de Kerkenorde geen vrije stemming der gemeente toelaat, toonen al zeer weinig te verstaan wat de Gereformeerde beschouwing van de Kerkenorde is.

Intusschen, zelfs van zulke eene afwijking van de Kerkenorde kan bij het invoeren van eene groslijst geen sprake wezen, omdat de Kerkenorde wel voorschrijft, dat het dubbelgetal door den Kerkeraad moet worden vastgesteld, maar met geen enkel woord bepaalt, hoe de Kerkeraad tot de keuze van zulk een dubbelgetal komen moet. Zulke minutieuze bepalingen behooren in eene Kerkenorde, die alleen de groote lijnen aangeeft, allerminst thuis. De Kerkenorde geeft alleen de hoofdgedachte aan, n.l. dat de Kerkeraad bij de verkiezing de leidende macht in handen moet hebben en daarom voor de gedane keuze de verantwoordelijkheid moet dragen. Maar al de overige vragen: wie stemmen mag en wie niet; of er schriftelijk of mondeling zal gestemd worden; of bij staking van stemmen met het lot zal beslist worden enz. laat de Kerkenorde aan de prudentie van den Kerkeraad over.

|51|

Niet alleen aan den geest, maar ook aan de letter der Kerkenorde is dus volkomen voldaan, wanneer de Kerkeraad maar zelf de verantwoordelijkheid op zich neemt voor het dubbelgetal, dat hij aan de gemeente voorstelt. Of de Kerkeraad dit dubbelgetal stellen wil, geheel buiten de gemeente om, of na eerst de gemeente te hebben gehoord, maakt de Kerkenorde niet uit. Daarin is iedere Kerkeraad volkomen vrij. En Voetius, wien men toch waarlijk niet verwijten kan, dat hij het Gereformeerde kerkrecht niet kende, raadt dan ook zeer beslist de Kerkeraad aan reeds bij het stellen van het dubbelgetal de gemeente te raadplegen, opdat zooveel mogelijk met het goedvinden der gemeente de verkiezing der ambtsdragers geschiede.

Slechts één vorm van groslijst wordt door de Kerkenorde niet alleen, maar ook door het Gereformeerde beginsel onherroepelijk buitengesloten, wanneer n.l. met zulk eene groslijst bedoeld wordt, dat de gemeente bij meerderheid der uitgebrachte stemmen bepaalt, welke personen op het dubbelgetal moeten staan en de Kerkeraad bij het maken van het dubbelgetal aan de meeste stemmen der gemeente gebonden is. Immers in dat geval is het niet de Kerkeraad, maar de gemeente, die de stemming leidt, en de Kerkeraad wordt stembureau en houdt op regeercollege te zijn.

 

Nu het dubbele misverstand, dat in den weg stond aan eene bevredigende oplossing van het vraagstuk, hoe de verkiezing tot het ambt moet plaats vinden, uit den weg is geruimd, kunnen wij thans dit vraagstuk zelf onder de oogen zien en eene bescheiden poging wagen, de lijnen aan te geven, volgens welke, onder de tegenwoordige tijdsomstandigheden en in verband met onze Gereformeerde beginselen, de verkiezing tot het ambt moet geregeld worden.

Ons doel zal daarbij niet wezen een vast schema te geven, dat voor alle Kerken pasklaar zou zijn, want wij gelooven, dat dit ons kerkelijk leven eer kwaad dan goed zou doen. Het feit valt toch niet te ontkennen, dat de toestanden op kerkelijk gebied zeer onderscheiden zijn; dat de eene gemeente geestelijk

|52|

veel hooger staat dan de andere; dat eene dorpsgemeente heele ander eischen stelt dan eene stadsgemeente; en dat elke Kerkeraad daarom zelfstandig te beoordeelen heeft, welke practische regeling voor zijne gemeente de beste is. Het Gereformeerde Kerkrecht geeft wel de beginselen en daarin de hoofdlijnen van het bestek, maar is altijd wars geweest van een gedétailleerde en preciese reglementeering, waardoor de zelfstandigheid van het kerkelijk leven aan banden wordt gelegd. Ook op dit gebied moet de Christelijke vrijheid worden gehandhaafd.

Niet om een vast schema, maar om de betere doorwerking der beginselen is het ons te doen; en wij wenschen daarbij niet uit het oog te verliezen, dat deze doorwerking der beginselen eerst langzaam en geleidelijk geschieden kan. Historisch gewordene toestanden, die eeuwen lang bestaan hebben en daardoor zeker burgerrecht hebben gekregen, kan men niet in één dag onderstboven werpen. Le mieux est l’ennemi du bien, wie het onderste uit de kan wil hebben, valt het lid op den neus. In het kerkelijk leven moet altijd gestreefd worden naar het ideaal; valsche tevredenheid met hetgeen men verkregen heeft, dooft den prikkel om te streven naar het volmaakte. Maar dit jagen naar het doel, dat de Schrift ons voor oogen stelt, mag niet ontaarden in een critiek op het historisch gewordene, waardoor men alles afkeurt wat nog niet met dat ideaal overeenstemt. Het kerkelijk leven gaat stap voor stap voorwaarts, maar niet met zevenmijls laarzen. De vraag moet dus zijn, niet of men plotseling het meest gewenschte verkrijgen kan, om indien dit niet gelukt, met zekeren weerzin van elken beteren maatregel zich af te wenden onder de leuze: alles of niets, maar of de ontwikkeling van het kerkelijk leven zich naar dit ideaal toe, of van dit ideaal af beweegt. In het eerste geval heeft alle man van goeden wille steun te bieden en van zijn hartelijke sympathie te doen blijken; in het tweede geval alleen is verzet en weerstand plicht. Vooral voor het Friesche karakter, dat de lijnen zoo gaarne in eens tot de uiterste consequenties doortrekt, is deze herinnering niet van gewicht ontbloot.

Vraagt men nu, wat de lijn is, waarop de betere ontwikkeling

|53|

der Gereformeerde beginselen moet gevonden worden, dan schijnt het ons voor geen tegenspraak vatbaar, dat de invloed der gemeente bij de verkiezing versterkt moet worden en in dat opzicht de toepassing onzer Kerkenorde eer in ruimer dan in enger zin moet genomen worden.

Reeds nu mag met dankbaarheid geconstateerd worden, dat de meeste Kerkeraden dit gevoeld hebben. Volgens onze Kerkenorde heeft bij de verkiezing van een predikant de gemeente alleen het recht van stilzwijgende toestemming. De leiding, die de Kerkeraad aan de verkiezing te geven heeft, domineert. Het kiesrecht der gemeente is gebonden aan de voordracht van één persoon. En waar over dien éénen persoon niet eens door de gemeente gestemd wordt, maar de gemeente alleen het recht heeft bezwaren tegen dezen persoon in te brengen, is daarmede naar ons oordeel aan het recht der gemeente te kort gedaan. Er zijn dan ook weinig Kerkeraden in ons land, die dit gebrek in onze K.O. niet hebben ingezien en niet reeds lang, hetzij door eene groslijst of door eene drietal te formeeren en daaruit de gemeente te laten kiezen, een beteren weg zijn ingeslagen.

En hetzelfde geldt evenzeer van de verkiezing der overige ambtsdragers. Onze Kerkenorde laat daarbij aan den Kerkeraad de keuze, of hij zelf de nominatie zal doen, dan wel of de Kerkeraad een dubbeltal aan de gemeente zal voorstellen. Verreweg de meeste Kerkenraden hebben het tweede middel gekozen en vele grootere gemeenten zijn nog verder gegaan en hebben door het invoeren van eene groslijst de gemeente ook op het formeeren van het dubbeltal een niet geringen invloed geschonken.

Men kan dus gerust zeggen, dat over het algemeen de Kerkeraden gevoeld hebben, dat onze Kerkenorde het recht der gemeente bij de verkiezing niet voldoende heeft gewaarborgd en dat het dus eisch was van het Gereformeerde beginsel, om aan dat recht betere waarborgen te schenken.

Inzonderheid komt deze misstand uit, wanneer men let op hetgeen onze Kerkenorde zegt, aangaande de stilzwijgende approbatie der gekozen ambtsdragers door de gemeente, wanneer de Kerkeraad de keuze geheel aan zich houdt.

|54|

Op zich zelf is het feit, dat de Kerkeraad de ambtsdragers kiest en voorstelt aan de gemeente, zeker geen inbreuk op het recht der gemeente. In vele particuliere vereenigingen handelt het bestuur evenzoo, doordat het bij eene eventueele vacature eene voordracht doet aan de vereeniging, zonder dat daarmede in het minst ontkend wordt, dat zulk een bestuur geen souvereine macht bezit, maar die macht bij de vereeniging blijft rusten. Ja nog sterker, zelfs onze Koningin, wanneer ze een ministerie noodig heeft, zoekt niet zelf de ministers uit, maar draagt deze taak aan den kabinetsformateur op, hoewel het toch wel van zelf spreekt, dat de Koningin de Souvereine is en de ministers haar dienaren zijn. Gesteld dus al, (des neen) dat de gemeente in dien zin souverein was en de ambtsdragers haar dienaren, dan nog zou men niet kunnen zeggen, dat er een principiëel bezwaar tegen bestond om de taak van het zoeken naar nieuwe ambtsdragers aan den Kerkeraad over te laten.

Op zich zelf bestaat dus tegen deze zoogenaamde aristocratische wijze van verkiezing, waarbij de Kerkeraad feitelijk de keuze doet en de gemeente approbeert, geen principiëel bezwaar, mits de gemeente dan ook onverkort in haar recht blijft, om de door den Kerkeraad gekozen personen aan te nemen of te verwerpen. En juist in dat opzicht is in onze Kerkenorde het Gereformeerd beginsel niet genoeg tot zijn recht gekomen.

Het recht der verkiezing moet primordiaal bij de gemeente blijven. Niet als eene gave van den Kerkeraad, maar als een recht, dat Christus aan Zijne gemeente schonk, en dat niemand haar ontnemen kan. De Kerkeraad moge daarbij de leidende macht hebben, zorg dragen, dat geen onwaardigen worden gekozen tot het ambt, de daad van verkiezing zelf moet door de gemeente geschieden.

Het voorbeeld, dat wij zoo even aanhaalden, geeft ook hierin licht. Het bestuur eener vereeniging moge aan de vereeniging eene voordracht voor de vacature doen, de vereeniging heeft door stemming over die voordracht te beslissen en eerst door die stemming wordt die keuze geldig. Een kabinetsformateur moge de ministers bijeenzoeken en aan de Koningin voordragen,

|55|

eerst dan, wanneer zij de benoeming bekrachtigd heeft, ontvangt de keuze rechtsgeldigheid. Zal deze daad van verkiezing geen schijn, maar waarheid zijn, dan moet zulk eene vereeniging het recht hebben de voordracht van het bestuur aan te nemen of te verwerpen, dan moet de Koningin vrij zijn tot den kabinetsformateur te zeggen: uwe voordracht mishaagt mij, zoek andere ministers.

Dezen eisch nu stelde Calvijn met nadruk bij de verkiezing der ambtsdragers. Hij keurde het niet af, dat de Kerkeraad zelf de ambtsdragers koos, mits, en op deze woorden lette men wèl, de gemeente het recht behield deze aldus voorgestelde personen aan te nemen of te verwerpen. Aan de gemeente ambtsdragers tegen haar zin met geweld op te dringen mocht nooit. De Kerkeraad mocht de keuze doen, maar de gemeente moest vrij blijven om deze keuze af of goed te keuren.

Juist deze vrije daad der gemeente nu komt in onze Kerkenorde niet tot haar recht. Wel stelt de Kerkenorde als eisch, dat de gekozene door den Kerkeraad niet in het ambt mag bevestigd worden zonder te zijn „voorgesteld aan de gemeente” en wordt door die voorstelling het recht aan de gemeente gegeven bezwaren bij den Kerkeraad tegen de gekozenen in te brengen, maar èn principiëel èn practisch gaat het niet op, deze „voorstelling aan de gemeente” gelijk te stellen met de aanneming of verwerping door de gemeente, gelijk Calvijn dat wilde.

In de eerste plaats principiëel niet. Dit „recht om bezwaren in te brengen” bij den Kerkeraad tegen de verkozenen op grond van onzuivere belijdenis of ergerlijken levenswandel is niet een recht van verkiezing, maar een soort tuchtoefening. Het is dan ook reeds meermalen gebeurd, dat een Kerkeraad, die zulk eene klacht ontving, den bezwaarden broeder vroeg, of hij reeds volgens Matth. 18 met den aangeklaagde gesproken had, wijl hij anders het recht niet had bij den Kerkeraad met zijne klacht te komen. Nu moge deze terechtwijzing in zooverre onjuist zijn als de Kerkeraad zelf door den candidaat voor te stellen, de bezwaarde broeders uitnoodigt hunne klachten bij hem in te dienen en dus onbillijk handelt met degenen, die aan dit verzoek

|56|

voldoen, deswege eene berisping toe te dienen, op zich zelf is het volkomen juist, dat het indienen van deze bezwaren ten doel heeft het ambt heilig te houden en ieder lidmaat deswege van God verplicht is te zorgen, dat geen onwaardigen tot ambtsdragers worden gekozen. Dit recht tot toezicht op de heiligheid van het ambt is echter principiëel geheel onderscheiden van het recht der gemeente, om de voorgestelde ambtsdragers te aanvaarden of te verwerpen. Het eerste recht heeft ieder in de gemeente, zelfs de kinderen, wanneer zij ergerlijke zonden van den gekozene wisten. Ja, indien een niet lid der gemeente metterdaad overtuigende bewijzen aan den Kerkeraad leverde, dat de gekozene een onheilig man was, dan zou de Kerkeraad zeker met de bevestiging niet doorgaan. Het tweede recht kan natuurlijk alleen worden toegekend aan degenen, die belijdenis des geloofs hebben afgelegd en mondige lidmaten der Kerk zijn geworden. Het is dus duidelijk genoeg, dat men deze beide zaken, die geheel onderscheiden zijn, niet dooreen warren mag.

Maar ook practisch gaat deze gelijkstelling niet op. De practijk heeft toch genoegzaam geleerd, dat uit het niet-inbrengen van bezwaren volstrekt niet volgt, dat de gemeente tegen de voorgestelde ambtsdragers geen bezwaren heeft. Vooreerst komt niemand gaarne met eene klacht bij den Kerkeraad, waardoor hij zelf de rol van „aanklager der broederen” op zich moet nemen met al de onaangename gevolgen daaraan verbonden. Ten tweede is het meestal zeer moeilijk voor zulk eene klacht de wettig gestaafde bewijzen bijeen te brengen, waarnaar de Kerkeraad wel vragen moet. En ten derde schuilt bij ons volk altijd de vrees, dat de Kerkeraad, die dit bezwaar te beoordeelen heeft, toch den verkozene de hand boven het hoofd zal houden. In de practijk zijn zulke aanklachten tegen de voorgestelde ambtsdragers dan ook uiterst zeldzaam.

Er is daarom, wanneer men het Gereformeerd beginsel tegelijk met deze aristocratische wijze van verkiezing wil handhaven, maar één uitweg, dien Calvijn reeds aanwees. Indien de Kerkeraad de keuze der ambtsdragers geheel aan zich wil

|57|

houden, gelijk de K.O. dit toestaat, dan dient de Kerkeraad na de keuze gedaan te hebben, de gemeente saam te roepen en door vrije stemming de gemeente te laten beslissen, of zij de voorgedragen personen hebben wil of niet. Deze stemming dient dan zoo te geschieden, dat ieder stemgerechtigd lidmaat, mondeling of schriftelijk, verklaart of hij de gekozen ambtsdragers goedkeurt of niet. Blijkt dan, dat de meerderheid der gemeente tegen de voorgestelde personen zich verklaart, dan moet de Kerkeraad opnieuw met eene voordracht komen en de gemeente wederom uitspraak doen.

Alleen op die wijze kan het Gereformeerd beginsel, dat aan de gemeente primordiaal het recht van verkiezing toekomt in overeenstemming worden gebracht met de aristocratische wijze van verkiezing door den Kerkeraad. De gemeente moet dan het recht hebben, niet alleen om individueel bezwaren in te brengen tegen de gekozen ambtsdragers op grond van onchristelijken wandel of belijdenis — een recht, dat ieder lid der gemeente altijd heeft — maar ook om collectief, als gemeente, haar oordeel te uiten, of zij de voorgestelde ambtsdragers goedkeurt of afwijst.

Natuurlijk kan de verkiezing ook op andere wijze geregeld worden en in het vervolg zullen wij daarop wijzen. Ons hoofddoel was thans alleen om scherp en belijnd te doen uitkomen, dat het Gereformeerde beginsel zeker niet buitensluit, dat de Kerkeraad de keuze van de ambtsdragers doet, gelijk de K.O. wil, maar dan ook aan zulke Kerkeraden onverbiddelijk tot eisch stelt, dat de gemeente over deze gekozenen gehoord worde, niet alleen zooals onze K.O. wil door het recht van bezwaar aan de gemeenteleden te gunnen, wat èn principiëel èn practisch onjuist bleek, maar door de gemeente bij vrije stemming te laten uitspreken, of de door den Kerkeraad aangewezen personen ook door haar tot het ambt geroepen worden.

Alleen zo voldoet men aan den eisch van het Gereformeerd beginsel en wordt de klacht, dat het verkiezingsrecht der gemeente in onze K.O. een fictie is, ontzenuwd. En alleen langs dien weg ontkomt men aan den schijn, alsof de Kerkeraad

|58|

een bestuurscollege zou zijn, dat door coöptatie de ledige plaatsen aanvulde en met den wensch der gemeente zelfs niet te rekenen had.

Het kan toch niet ontkend worden, dat op sommige plaatsen, toen het Gereformeerd beginsel van het oorspronkelijke kiesrecht der gemeente niet meer verstaan werd, de Kerkenorde op eene wijze is uitgelegd en toegepast, waarbij heel de verkiezing voor het ambt eene zaak werd, die buiten de gemeente omging, en waarbij het „eens ouderling altijd ouderling” al meer regel werd. De Kerkeraad was een „onder onsje”, waarin niemand toegelaten werd, dan die „een vriend van den Kerkeraad” was. Niets heeft het independentisch drijven van sommige democratisch gezinde broederen meer in de hand gewerkt, dan zulk een misbruik maken van eene macht, die wel in de Roomsche maar niet in de Gereformeerde Kerken thuis hoort. Waar wij met ernst dat Independentisme hebben bestreden in onze Kerken, daar zij het ons geoorloofd even beslist en stellig ons oordeel uit te spreken over de handelingen van die Kerkeraden, die met een beroep op de Kerkenorde geheel tegen den geest van het Gereformeerde kerkrecht in, de rechten der gemeente moedwillig hebben verkort. Wil men met onze Kerkenorde de verkiezing zelf „aan het oordeel des Kerkeraads” laten verblijven — en in sommige gemeenten kan dat noodzakelijk zijn — dan dient zulk een Kerkeraad met des te meer ernst te waken, dat daardoor nooit de schijn ontstaat, alsof de Kerkeraad aan de gemeente ambtsdragers tegen haar wil wilde opdringen en moet de gemeente — het is haar Goddelijk recht — vrij worden gelaten, de keuze van den Kerkeraad te bekrachtigen of te verwerpen.

Intusschen, ook dit zij zonder zweem van aarzeling uitgesproken, deze aristocratische lijn van onze Kerkenorde is in ons oog de ideale niet. De Apostelen in Jeruzalem hebben anders gehandeld. Zij hebben de gemeente zelf haar begeerte laten uitspreken, en toen het bleek, dat de door de gemeente begeerde mannen geschikt waren voor het ambt, hebben zij deze mannen in het ambt bevestigd. De meer democratische wijze van verkiezing, die Calvijn in de tweede plaats voorsloeg, en die

|59|

à Lasco te Londen invoerde, en die hierin bestond, dat de gemeente zelf de mannen harer keuze aanwees en de Kerkeraad daarna besliste, of deze mannen voldeden aan den eisch door de Schrift gesteld, schijnt ons de meer schriftuurlijke lijn, die het best èn de rechten der gemeente èn de leidende macht van den Kerkeraad in onderling harmonisch verband brengt. Indien men dan ook eene gemeente had, die ideaal zeer hoog stond, gelijke de eerste Christengemeente, zoodat men vooruit zeker kon weten: 1. dat de gemeente in haar geheel dit Goddelijk werk zou verrichten, en niet door thuisblijven of niet meestemmen aan een klein deel zou overlaten wat het werk der geheele gemeente moet zijn; 2. dat deze keuze eenparig zou vallen op enkele mannen, die door uitnemende ambtelijke gaven als van zelf daartoe door God waren aangewezen; 3. dat geen partijschappen of familierelatiën deze keuze zouden vervalschen, zoodat de Kerkeraad als regel deze keuze der gemeente kon billijken, dan zou er o.i. geen bezwaar tegen bestaan, om de eerste Apostolische practijk weer in te voeren en de keuze van alle ambtsdragers te laten geschieden, gelijk dit met de eerste diakenen te Jeruzalem gebeurd is.

De practijk leert echter helaas, dat aan dit drietal eischen niet kan worden voldaan, omdat de hooge geestelijke stemming, waarin de eerste gemeente te Jeruzalem verkeerde, thans ontbreekt. Op staatkundig gebied roept men om algemeen stemrecht en waar het verleend wordt, ziet men, dat na een of twee stemmingen de helft der kiezers thuis blijft. Zoo is het ook op kerkelijk gebied; ja, daar is het nog veel erger, omdat de prikkel, die in den strijd der politieke partijen schuilt, hier wegvalt. Vroeger, in de Hervormde Kerk, toen het ging om de vraag of de Kerkeraad Gereformeerd of modern zou zijn en kerkelijke kiesvereenigingen bloeiden, werd tot het laatste stemgerechtigde lidmaat opgetrommeld, om aan de kerkelijke verkiezing deel te nemen. Maar nu deze strijd uit is, nu het niet gaat om beginselen maar om personen, blijft, althans in de steden, het overgroote deel der leden van de vergadering weg. Men zegt wel eens, dat dit feit daaraan te danken is, dat de gemeenteleden, zelfs

|60|

bij het invoeren van een groslijst, toch niet zeker zijn, dat de meerderheid der stemmen beslist, omdat de Kerkeraad het eindoordeel aan zich behouden heeft, maar wie zoo spreekt, toont ons volk al zeer weinig te kennen. Ook waar de Kerkeraden o.i. ten onrecht aan de gemeente geheel de vrije hand bij de verkiezing hebben gelaten, wordt hetzelfde verschijnsel aanschouwd. Niet de gemeente, maar een zeer klein getal van gemeenteleden komt bij de verkiezing saam. In Amsterdam zelfs bij de verkiezing voor een Dienaar des Woords, nog geen tiende deel der stemgerechtigde leden.

Veel ernstiger is echter het tweede bezwaar, dat bij zulk eene verkiezing al zeer spoedig door de ervaring geleerd wordt, dat van eenige eenparigheid bij de keuze geen sprake is. Op zulk een groslijst is ieder eenigszins beteekenend lid der gemeente zeker enkele stemmen te krijgen; en degenen, die de meeste stemmen hebben, vereenigen op zich niet meer dan een vijfde of zesde gedeelte der uitgebrachte stemmen, dat is dus een twintigste of dertigste deel der stemgerechtigde leden. En dit zijn dan nog degenen, die bovenaan op de lijst staan. Wat daarop volgt, daalt al spoedig tot tien, vijf, twee en drie stemmen. Zal de Kerkeraad nu werkelijk kunnen verklaren, dat iemand, die door nog geen twintigste gedeelte der gemeente als de man harer keuze wordt aangewezen, door de gemeente gekozen is? Wellicht zal men tegenwerpen, dat de Kerkeraad dan den gewonen regel van elke verkiezing kan volgen en na eene tweede stemming de gemeente kan laten kiezen uit een dubbelgetal van hen, die de meeste stemmen verkregen hebben. Maar men vergeet, dat de gemeente aldus bij de eindstemming evenzeer gebonden is in haar keuze aan een dubbelgetal, als dit thans het geval is, en men alleen dit nadeel heeft, dat dit dubbelgetal niet met zorg door den Kerkeraad is saamgesteld met het oog op de belangen der gemeente, maar het product is van een vaak zeer kleine groep gemeenteleden, die toevallig bij de stemming op dezelfde personen het oog hadden gevestigd. Men moet al een vreemdeling zijn in ons kerkelijk Jeruzalem, om niet te weten, dat eene keuze uit zulk een dubbelgetal, toevallig, staande

|61|

eene vergadering, uit een zeer verdeelde stemming opgemaakt, gewoonlijk al zeer weinig de uitdrukking is van wat de meerderheid der aanwezigen eigenlijk wilde.

Maar het ernstigste blijft ons laatste bezwaar, dat bij zulk eene gansch onvoorbereide verkiezing door de gemeente, ten slotte niet het ware belang van Christus’ Kerk, maar allerlei onheilige partijzucht, allerlei familiezwak enz. den doorslag geeft. Wij ontkennen daarom niet, dat ook bij den Kerkeraad, wanneer deze het dubbelgetal vormt, zulke lagere motieven kunnen in het spel komen, maar het gevaar is hier toch veel minder groot. Als de Kerkeraad het dubbelgetal formeert, worden de voorgedragen candidaten besproken, moet ieder rekenschap geven van zijn voordracht, kan door diegenen, die voor Christus’ Kerk ijver hebben, invloed worden uitgeoefend en critiek worden uitgebracht. Maar bij eene gemeentelijke verkiezing is dit alles onmogelijk. Men stemt met gesloten briefjes; aanbeveling van candidaten is ongeoorloofd; het geheim der stemming sluit alle verantwoordelijkheid der stemmers buiten. Behoeft het nog uitvoerig betoog, wat hiervan het gevolg moet zijn? Men nem de groslijsten en vrage wat ze leeren. Hier, dat bij eene predikantsvacature de man, die het laatst gepreekt heeft, indien hij eenige gave van welsprekendheid had, stellig de meeste stemmen verkrijgt. De gemeente vraagt niet naar zijn ernst bij het huisbezoek, naar zijn stichtelijken wandel, naar zijn goed catechetisch onderwijs, naar zijne doelmatige leiding in den Kerkeraad. Zij weet van dit alles niets. Wat ze alleen weet, is of de „preek” er goed in viel. En menige gemeente, die met bijna onwederstaanbaren drang den Kerkeraad dwong den „man harer keuze” te beroepen en straks teleurgesteld werd, omdat de „gelegenheidspreek” heusch geen profetie bleek van wat volgde, heeft te laat ondervonden, wat de spreuk „vox populi vox Dei”, „de stem der gemeente is de stem Gods” aan onwaarheid behelsde. Dáár, om een ander voorbeeld ten nemen — is eene gemeente pas samengesmolten, en heeft het vroeger A of B element toevallig bij de verkiezing de meerderheid. Het spreekt wel van zelf, dat, als is officiëel A en B nu weggevallen, de natuur toch vaak de leer

|62|

de baas is, en indien de meerderheid beslissen moet, men een stel ambtsdragers krijgt, dat volstrekt niet de vertegenwoordiging der saamgesmolten gemeente, maar veeleer de vertegenwoordiging van een fractie in die gemeente is. Ginder — om hiermee de rij dier droeve praktijken te sluiten — heeft een familie veel invloed door geld, aanzien, onderhoorigen, en kan deze familie er wel vast op rekenen, dat haar leden allen op het dubbelgetal komen te staan, indien de stemming der gemeente beslissen zal.

Het ideaal breekt aldus op de werkelijkheid van het leven. Overal, waar men de groslijst heeft ingevoerd, heeft de practijk geleerd, dat deze en soortgelijke misstanden het onvermijdelijk gevolg zouden zijn, indien geen correctief ware gegeven in de macht van den Kerkeraad om uit deze groslijst eerst een dubbelgetal saam te stellen, eer de gemeente tot eene definitieve keuze komt, wie haar ambtsdragers zullen zijn.

Vooral bij eenigszins grootere gemeenten moet de Kerkeraad bij de keuze leidend optreden. De gemeente moet niet in het honderd kiezen uit mannen, van wier werkelijke gaven ze vaak weinig afweet; maar moet uit de handen van den Kerkeraad een lijst van mannen ontvangen, die tot dit heilig werk bekwaam zijn, om daaruit haar keuze te doen. Het is goed, dat de Kerkeraad reeds bij het stellen van deze lijst de gemeente raadpleegt en met den wensch der broederen rekening houdt. Wat Voetius aanraadt, dat de Kerkeraad voor het stellen van het dubbelgetal eerst de gemeente hoore, is steeds ook ons advies geweest. De invloed der gemeente worde uitgebreid zoover mogelijk. Bij het stellen der candidaten spreke niet eerst de Kerkeraad, maar de gemeente haar wensch uit. Allicht wordt daardoor eenzijdigheid voorkomen. Zelfs gelde als regel, dat de Kerkeraad uit deze groslijst der gemeente de broeders kiest, die de meeste stemmen hebben. Maar de Kerkeraad zij daaraan niet gebonden door een wettelijk voorschrift. Wanneer de Kerkeraad ziet uit deze groslijst, dat de keuze der leden, die meestemden, wel verre van eenparig te zijn, zich in allerlei kleinere fracties versplintert en degenen, die de „meeste stemmen”

|63|

hebben, het niet verder dan een tiende of twaalfde deel der uitgebrachte stemmen brengen, dan spreke de Kerkeraad uit, dat de gemeente dus geen eenparige keuze heeft en aan hem derhalve de taak is opgelegd, om die eenparigheid te bevorderen, door nu zelfstandig uit deze lijst eene keuze te doen. Wanneer blijkt, dat er wel een „eenparige wensch” is, maar de Kerkeraad gegronde redenen heeft om te oordeelen, dat deze gewenschte personen niet voldoen aan de eischen, die Gods Woord, of het belang der gemeente stelt, dan hebbe de Kerkeraad den moed dien wensch der gemeente niet te vervullen, omdat boven de begeerte der gemeente de eisch staat van Christus, die alleen Koning is in Zijne Kerk.

Na zoo eerst de gemeente te hebben geraadpleegd en met den wensch der gemeente rekening te hebben gehouden, stelle de Kerkeraad, die de leidende macht heeft, de candidatenlijst vast. Onze Kerkenorde schrijft daarbij voor, dat een „dubbelgetal” aan de gemeente moet worden aangeboden, d.w.z. eens zooveel namen als er vacaturen zijn. Maar dit voorschrift is natuurlijk niet binden in dien zin, alsof de Kerkeraad niet evengoed een drievoud of viervoud voor het dubbelgetal in de plaats stellen mag. Bij eene predikantsverkiezing geschiedt dit zelfs meestal en laat men de gemeente uit een drietal, zelfs uit een zestal, kiezen. En er is geen enkele reden denkbaar, waarom de Kerkeraad desnoodig niet het getal candidaten ook voor de ouderlingen en diakenen op dezelfde wijze zou kunnen uitbreiden.

Uit dit candidatengetal, waarvan de Kerkeraad dus verklaart: deze mannen bevelen wij u, gemeente, als waardige en geschikte ambtsdragers aan, kiest de gemeente dan haar ouderlingen en diakenen. De eindkeuze geschiedt aldus niet door den Kerkeraad, zooals à Lasco wilde, maar door de gemeente. Haar keuze beslist, wie ambtsdrager worden zal. Al wat de Kerkeraad bij de verkiezing gedaan heeft is: 1. de eenparigheid der keuze te bevorderen; 2. aan de gemeente waardige mannen aan te raden; 3. te voorkomen, dat door partijzucht of familiezwak of andere vleeschelijke beweegredenen onwaardige personen tot het ambt worden geroepen. Zoo heeft de Kerkeraad geen

|64|

dwingende macht, of tyrannieke overheersching over de gemeente uitgeoefend, maar de gemeente bij haar keuze leidende, haar in waarheid naar Christus’ bevel gediend.

De vraag zou alleen kunnen opkomen, of de gemeente aan deze candidatenlijst van den Kerkeraad in absoluten zin gebonden was. M.a.w. of de gemeente, indien de Kerkeraad haar een dubbelgetal aanbood, waarop geen mannen voorkwamen, die de gemeente begeerde, dan toch gedwongen zou zijn volgens deze lijst te stemmen.

Het antwoord op deze vraag kan niet moeilijk wezen voor wie het Gereformeerde beginsel heeft begrepen. Dat beginsel eischt, dat de Kerkeraad wel eene leidende maar geen dwingende macht bij de verkiezing zal uitoefenen en dat het kiesrecht ten slotte bij de gemeente zal berusten. Daaruit volgt van zelf, dat de Kerkeraad wel deze candidatenlijst kan voorstellen, maar de gemeente er nooit door gedwongen kan worden mannen te kiezen, die zij voor het ambt ongeschikt acht.

Zulke gevallen zullen, wanneer de Kerkeraad vóór het stellen van het dubbelgetal eerst de gemeente raadpleegt en met den wensch der gemeente rekening houdt, uiterst zeldzaam voorkomen. Maar indien ze onverhoopt zich mochten voordien, omdat het inzicht van den Kerkeraad en dat der gemeente verschilt, dan is de weg van zelf aangewezen.

De gemeente, saamkomende voor de verkiezing, verklaart dan mondeling of schriftelijk aan den Kerkeraad, dat zij ernstige bedenkingen heeft om uit deze candidatenlijst eene keuze te doen. Zij geeft deze redenen op. En de Kerkeraad, die de gemeente te dienen heeft bij dit werk, breidt òf de candidatenlijst uit, òf neemt het dubbeltal terug.

Het spreekt wel van zelf, dat dit middel alleen in de uiterste gevallen kan en mag toegepast worden. De eere der broeders, die de Kerkeraad voorstelde, moet ons lief zijn. Wie noodeloos zulk een stap der gemeente uitlokte en daardoor groote beroering in de gemeente teweeg bracht, zou zich wel schrikkelijk bezondigen tegen God.

Maar, indien de Kerkeraad naar het oordeel der gemeente

|65|

metterdaad de belangen der Kerk niet genoeg bij dit verkiezingswerk behartigd had, dan zou dit de eenige uitweg zijn, waardoor herstel van het recht der gemeente kon worden gevonden.

En hiermede besluiten wij.

Er zou nog veel te zeggen zijn over allerlei detailkwestiën, als de vraag: welke leden stemgerechtigd zijn, of het stemmen per briefje van afwezigen geoorloofd is, enz., maar al deze vragen raken niet het hoofdbeginsel, waarom het ons te doen was.

Wij zullen dankbaar zijn, wanneer de arbeid, aan dit geschrift besteed, deze vrucht mag hebben afgeworpen, dat eenerzijds de Kerkeraden zijn aangespoord, om meer dan tot dusverre het wettig recht der gemeente in het verkiezingswerk te eeren; en anderzijds de broeders, die wellicht onbewust van hun afwijkend standpunt, het Independentisme in onze Kerken als echt Gereformeerd wilden invoeren, overtuigd zijn geworden, dat volgens de Schrift en volgens de Gereformeerde beginselen, die daaraan ontleend zijn, de Kerkeraad ook bij het verkiezingswerk de leidende macht behoort in handen te houden.