Kerkorde Dordrecht (1574)

Acta of Handelingen der Provinciale Synode der Kerken van Holland en Zeeland, gehouden binnen Dordrecht, d.d. 16 juni in het jaar 1574

Bron: 

Kerkorde:
Kerkelijk Handboekje. Opnieuw uitgegeven op last van de Generale Synode der Gereformeerde Gemeenten in Nederland, door Ds. G.H. Kersten (Tweede druk), Utrecht: N.V. Drukkerij-Uitgeverij „De Banier”, 1961, 63-86
Tekst handschrift Den Brielle A 1.

Acta:
F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1889, 133-175.

Kerkorde Dordrecht (1574) Rutgers

|120|

 

De acta der Provinciale Synode te Dordrecht, 15-28 Juni 1574.

 

Van alle Nederlandsche Synoden der 16e eeuw. is het de Provinciale Synode van Holland en Zeeland, die in 1574 te Dordrecht gehouden is, over welke betrekkelijk de meeste aktestukken kunnen worden openbaar gemaakt. Zij is van die belangrijke Synoden de eenige, van welke de volledige acta nog over zijn; en dan niet in afschrift, maar in originali. En voorts zijn ook nog bewaard gebleven de oorspronkelijke geloofsbrieven, de instructiën van vier Classen of Kerken, en twee andere brieven. Dit alles is nog voorhanden in het Oud-Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk. De authentieke notulen, met de 20 eigenhandige onderteekeningen van degenen die met keurstemmen de Synode bijwoonden, voor zooveel zij bij het sluiten der zittingen tegenwoordig waren, zijn ingebonden in een der 17 deelen met officieele stukken van de Dordtsche Synode van 1618 en 1619 (altijd samen bewaard in de zoogenoemde kist der autographa), thans op den Catalogus Nr. I, 17, en van dat nummer litt. M. En al de andere bovenbedoelde authentieke brieven enz. zijn met vele andere stukken samengebonden in den foliant, waarvan hiervoren reeds meermalen sprake was (zie boven blzz. 2, 8 en 47), op den Catalogus aangegeven als Nr. I, 3; in datzelfde nr. 3 vermeld als het derde nommer, litt a-t, en nog eenmaal litt. a-c, en in dien foliant te vinden blzz. 135-172 1).


1) In den gedrukten Catalogus van het Oud-Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk worden, met betrekking tot de Dordtsche Synode van 1574, de ingekomen stukken (onder Nr. 1, 3, 3) vrij goed  ➝

|121|

Toch is bij de uitgave der Synodale acta van 1574 deze belangrijke verzameling nog door niemand gebruikt of geraadpleegd.


➝ opgegeven; en de verkeerde volgorde is niet aan den samensteller van den catalogus te wijten, maar aan dengene die die stukken reeds vóór minstens anderhalve eeuw ter inbinding bij een voegde. Maar alles behalve juist en nauwkeurig is de inhoudsopgave van den foliant, waarin de acta of notulen dier Synode zijn ingebonden. Dit deel (Nr. I, 17, M) is aldus gecatalogiseerd: „Authentike copieën van bekentenissen van Geisteranus en anderen en van de provinciale Synode van Dordrecht in 1574, van de Nationale Synoden in 1578 en 1581, benevens een originele brief van den Keurvorst van Brandenburg”. Inderdaad echter komt van deze opgave slechts de aanvang en het einde met den wezenlijken inhoud overeen, en is deze inhoud zelf veel belangrijker. Niet alleen vindt men in dit deel o.a. een afschrift van het belangrijke stuk (20 blzz. in Folio) dat de Zuid-Hollandsche Synode den 24 October 1618 aan de Staten van Holland zond, tot wederlegging van de bij deze ingeleverde Remonstrantie tegen de uitgeschreven Provinciale en Nationale Synoden; het origineel van de aanspraak en van het gebed waarmede Balthasar Lydius de Dordtsche Synode van 1618 geopend heeft; en de onderscheiden oordeelen of adviezen die in diezelfde Synode door de Nederlandsche godgeleerden en gedeputeerden provinciesgewijze en ook individueel over de exceptie der Remonstranten zijn uitgebracht; maar ook is hier nog bewaard, bij een authentiek afschrift van de Middelburgsche Kerkenordening van 1581, eene officieele, of althans half-officieele, door de vier leden van het moderamen eigenhandig geteekende, Latijnsche vertaling van diezelfde Kerkenordening. En voorts, ’t geen nog veel belangrijker is, zijn in ditzelfde deel mede ingebonden de acta der Dordtsche Synoden van 1574 en van 1578, geenszins in afschrift, hetzij dan al of niet authentiek, maar in originali, gelijk zij in die Synoden zelve zijn gesteld, en daarna eigenhandig geteekend zijn door die leden die nog bij de sluiting aanwezig waren.
Natuurlijk is dit laatste eene zaak, waaromtrent vergissing of dwaling niet mogelijk is. Wie onder een oud archiefstuk een groot aantal namen vindt, bijna alle van mannen die eene zeer karakteristieke handteekening hadden, ziet van zelf met een enkelen oogopslag, of het, al dan niet, eigenhandige onderteekeningen zijn, en dus ook, of hij met het oorspronkelijke stuk, dan wel met een afschrift, te doen heeft. Met betrekking tot de acta van 1574 zijn er zelfs nog meer aanwijzingen, die op zich zelve reeds voldoende zouden zijn; b.v. de omstandigheid, dat de schrijver herhaaldelijk zijn stijl verbeterd heeft, ➝

|122|

Er is van die acta nooit meer uitgegeven, dan de besluiten die de algemeene kerkenordening betreffen, met eenige besluiten


➝ door eenige woorden door te halen, en dan op denzelfden regel verder te schrijven, met een eenigszins anderen zinsbouw het reeds doorgehaalde juister of nauwkeuriger uitdrukkende; ’t geen wel niet kan voorkomen bij iemand die eenvoudig afschrijft, maar juist zeer natuurlijk is bij iemand die korte aanteekeningen breeder uitwerkt, en die dit zóó spoedig doen moet, dat nog vóór het uiteengaan der vergadering de gemaakte notulen kunnen worden voorgelezen, goedgekeurd en door alle leden geteekend. Maar aan dergelijke aanwijzingen is in dit geval eigenlijk niet de minste behoefte: de eigenhandige onderteekeningen zijn een veelvoudig waarmerk, dat terstond in het oog valt en onmiskenbaar is.
De onjuiste opgave in den Catalogus kan dan ook alleen hieraan zijn toe te schrijven, dat de samensteller verzuimd heeft, het bedoelde stuk even in te zien. Trouwens, dat is in den bedoelden catalogus een maar al te gewoon verschijnsel. Er is zonder twijfel veel tijd en moeite aan ten koste gelegd, en er zijn veel bruikbare opgaven in te vinden; maar wie ooit iets te doen had met de daarin beschreven archiefstukken, weet toch ook, dat de beschrijving vaak zeer onvolledig en onnauwkeurig is, en dat hij in geen geval enkel daarop kan afgaan.
De vermelding van dit een en ander zou zeer zeker overbodig zijn geweest, indien niet onlangs beweerd was. met betrekking tot hetzelfde stuk als waarvan hier sprake is, dat het geen oorspronkelijk stuk, maar slechts een afschrift zou zijn. Uit die, vroeger blijkbaar nooit gebruikte, acta was het een en ander openbaar gemaakt door Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman en Dr. F.L. Rutgers (de Rechtsbevoegdheid onzer Plaatselijke Kerken, 1e en 2e druk, 1886 en 1887), met bijvoeging, dat dit ontleend was aan de nog over zijnde authentieke acten der Dordtsche Synode van 1574. Maar ondanks en tegenover die verzekering is ten stelligste verklaard door Dr. H.G. Kleyn (Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente, Ed. 1888, blz. 84): „Hoe de schrijvers kunnen spreken van authentieke acten der Synode van 1574 is mij een raadsel, daar deze niet meer bestaan, maar wel eene copie daarvan te vinden is in de kist der autographa der Dordtsche Synode berustende in het Oud-Archief der Synode te ’s Gravenhage, geteekend M”. Door deze tegenspraak van een zoo bekwamen geschiedschrijver zouden vele lezers kunnen worden in de war gebracht, meenende dat het hier dus in ieder geval een betwistbaar feit geldt. Maar de zaak wordt opgehelderd, als men weet, dat de fout eigenlijk ➝

|123|

over particuliere vragen; en voorts zijn deze uitgegeven, niet naar de authentieke acta, maar naar een afschrift waarin de bedoelde besluiten waren bijeengevoegd; en dan niet naar een der nog voorhanden vrij goede afschriften, maar, althans gedeeltelijk, naar een verkorten en daardoor vaak onjuisten tekst.

 

Ten aanzien van deze Synode, evenals ten aanzien van de andere Nederlandsche Synoden der 16e eeuw, is men eerst in den aanvang der 17e eeuw tot de openbaarmaking van acten of besluiten gekomen. Het is toen een Roomsche schrijver geweest, die daarvoor het eerst de hand aan het werk heeft geslagen, nl. de reeds vroeger (hiervoren blz. 116) genoemde C. Schultingius Steinwichius, in zijn mede reeds aangehaald werk Hierarchica Anacrisis enz. Voor de Synode van 1574, evenals voor die van 1578 en 1581, had hij, ter openbaarmaking en beoordeeling der besluiten die van algemeene strekking waren, goede afschriften daarvan ter zijner beschikking, volgens zijn eigen getuigenis (a.w. 3e stuk, blz. 62b) hem verschaft door den geleerden Amersfoortschen priester Jacobus Hezius, en door den bekwamen maar telkens afvalligen predikant Jan Haren, die, in den tijd dat hij voor de tweede maal Gereformeerd was, als een kerkelijk leider van naam en invloed natuurlijk goed op de hoogte was van de kerkelijke zaken. En niet slechts had deze uitgever een goeden Hollandschen tekst, maar hij heeft ook, bij de vertaling in het Latijn, dien tekst


➝ te zoeken is in den Catalogus, en dat de geheele tegenspraak slechts gebouwd kan zijn op de daarin voorkomende verkeerde opgave, zonder dat er om gedacht werd, het stuk zelf eerst eens in te zien.
Mocht iemand dit al te vreemd vinden en dus over de zaak nog maar eenigszins twijfelen, dan kan inzage van het stuk zelf, in het Oud-Archief, allen twijfel aanstonds wegnemen. Of wel, daar een bezoek van het Oud-Archief niet voor ieder even gemakkelijk is, hij kan zich wenden tot den bij uitnemendheid deskundigen Amsterdamschen bibliothecaris, Dr. H.C. Rogge, die na inzage van het bedoelde stuk zich gaarne bereid heeft verklaard te getuigen, dat de twintig onderteekeningen inderdaad buiten allen twijfel eigenhandig gesteld zijn.

|124|

doorgaans zeer goed weêrgegeven; alleen hier en daar met eenige bekorting. Van de Synode van 1574 had hij echter blijkbaar niet meer, dan de besluiten die op de kerkenordening betrekking hebben, zonder de besluiten over particuliere vragen. Zy zijn opgenomen in zijn genoemd werk, in het 3e stuk, blzz. 13a tot 18a; en zij worden gedeeltelijk herhaald in de kritiek van die Synode, te vinden in hetzelfde 3e stuk, blzz. 166a tot 211b, alwaar die besluiten artikelsgewjjze behandeld worden blzz. 166a tot 186a.

In het Hollandsch, en dus in de oorspronkelijke taal, is de eerste uitgave die van 1612, in de Kercken-ordeninghen der Ghereformeerder Nederlandtscher Kercken (blzz. 13-30); welke uitgave echter, evenals de volgende drukken van ditzelfde boekje (de 5e druk werd in 1730 door G. Nauta bezorgd, en is daarna, in 1771, toegevoegd aan den 2en druk van het Compendium der Kerkelijke Wetten van Vriesland) en in overeenstemming met zijn titel, zich bepaald heeft tot de besluiten die op de kerkenordening betrekking hebben, zonder bijvoeging van besluiten over particuliere zaken. Intusschen is reeds spoedig na die eerste uitgave ook iets openbaar gemaakt van de laatstbedoelde besluiten, nl. door P. Bor Cz., die in zijne Historie der Nederlandtsche Oorlogen (1e dl., blzz. 544b-548a, in de uitgave van 1679; in de eerste uitgave, voor dit gedeelte uit het jaar 1621, is het Boek VII, fol. 50-53) de besluiten over de kerkenordening opnam, en daaraan de antwoorden op particuliere vragen, ten getale van 23, toevoegde Evenwel was het dien geschiedschrijver blijkbaar slechts te doen om den zakelijken inhoud; en daarom gaf hij alle die besluiten slechts in een eenigszins verkorten vorm. Als een trouw berichtgever heeft hij zelf zijne lezers duidelijk genoeg daarmede in kennis gesteld, door uitdrukkelijk te zeggen aan het hoofd dezer mededeelingen: „daer werden onder henluiden besloten 91 articulen beroerende de Kerk-ordeninge en anders, daer van het sommier hier volgt”. Maar desniettegenstaande hebben alle latere uitgevers, voor zooveel zij de besluiten over particuliere zaken mede opnamen, te dien aanzien het „sommier” van Bor eenvoudiglijk overgenomen, blijkbaar in de meening, dat hier

|125|

wel in ieder opzicht de beste redactie zou te vinden zijn. Zoo b.v. het Kerkelijk Handboekje in zijne achtereenvolgende drukken (1732 enz.); het Kerkelijk Placaatboek (3e dl., Ed. 1792, blzz. 426-445); en C. Hooijer, Oude Kerkordeningen (Ed. 1865, blzz. 97-112). In alle deze uitgaven staat wel de Kerkenordening naar de reeds in 1612 openbaar gemaakte volledige redactie; maar ten aanzien van de antwoorden op particuliere vragen geven allen zonder onderscheid slechts een afdruk van hetgeen door Bor was bericht.

Toch ontbrak het niet aan gelegenheid, om ook deze besluiten volledig te kennen; niet alleen uit de authentieke acta, maar ook uit afschriften der Kerkenordening die de bedoelde besluiten mede bevatten. Blijkbaar is bij de uitgave nooit een enkel van de nog voorhanden afschriften vergeleken; anders zou wel zijn opgemerkt, dat die allen vollediger zijn. Zoo b.v. de drie afschriften, die in het Oud-Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk te vinden zijn; het eene in het Boek van Cabeljau (Catalogus Nr. I, 2, 4, 6, blzz. 137-179), en de andere twee in den reeds meermalen genoemden foliant met oude Synodale stukken (Catalogus Nr. I, 3, 3, blzz. 43-90 en blzz. 91-133); welke drie afschriften, behoudens de spelling en enkele weinig belangrijke varianten en schrijffouten, geheel eensluidend zijn, en ook goed overeenkomen met de authentieke acta waarvan zij een uittreksel zijn.

Ten einde in een paar voorbeelden te doen zien, dat men inderdaad niet genoeg heeft aan de door alle uitgevers gevolgde verkorte redactie van Bor, volgen hier eenige antwoorden op particuliere vragen, volgens die redactie en volgens den wezenlijken tekst.

Vraag en antwoord nr. 1 staat in alle uitgaven aldus: „Of ’t niet goet en ware, datmen opten Catechismum Homilias schreef. Daer op geantwoord is: Datmen dat sal laten blyven.” Maar volgens de oorspronkelijke acta, en ook volgens alle afschriften, is de volledige redactie: „Op de vraghe van die van Walcheren, Of het niet goet en ware, datmen goede Homilias op den Catechismum maeckte, R. is gheantwoort datmen dit sal laten blijuen, maer dat het goet ware dat de Dienaers oordentlick by ghebuerte

|126|

in Classicis conuentibus een vraghe ofte twee wt den Catechismo cortelicken wtleijden, op datse alsoo malcanderen oeffenen ende scherpen mochten, ende den Catechismum oordentlicke grondelick ende stichtelick voor der Ghemejjnte leerden verclaren”.

Vraag en antwoord nr. 6 wordt in alle uitgaven aldus uitgedrukt: „Of een Dienaer des Woords laten mach te besoecken die aende Peste cranck leggen, om dat hy van ’t volck uyt deser oorsaecke geschout wert. Antwoorde: Datse ghehouden zyn, geroepen zynde te gaen, ende ongeroepen zynde, wetende datmen haer van doen heeft, oock te gaen.” Maar de oorspronkelijke acta, evenals ook alle afschriften, formuleeren dit aldus: „Op de derde vraghe van die vanden Briel, Of een Dienaer des Woordts die aende peste cranck legghen laten mach te besoecken om dieswille dat hij vanden volcke gheschuwet wordt, Is gheantwoort, Nademael Godt de crancken beuolen heeft te visiteeren ende gheen onderscheijt van crancheijt ghemaeckt en heeft, datse schuldich sijn tot sulcke menschen gheroepen sijnde te gaen, niet beroepen sijnde ende wetende datmen haerder van doen heeft, oock te gaen, doch dat de Dienaers hier inne niet stoutelick ende onuoorsichtelick en handelen, ende soo sij mercken datse meer breecken dan timmeren, dan sal de Consistorie hier van kennisse draghen ende oordeelen.”

Vraag en antwoord nr. 9 luidt volgens alle uitgaven: „Ofmen de kinderen der afgesneden mach doopen. Antwoorde: Jae.” Maar volgens de oorspronkelijke acta en alle afschriften: „Op de vraghe van die van Dordrecht, ofmen de kinder der afghesneden vander Ghemeijnte doopen mach, R. Ja, met conditie datmen de gheuaders vaster inde belofte van die kinder ghetrouwelick te onderwijsen, verbinde.”

En (om nog iets te noemen) vraag en antwoord nr. 12 is in alle uitgaven op deze wijze geredigeerd: „Of een lidtmaet der Ghemeenten, willende trouwen een persoon die Papist, Doops, oft Werelts ghesint is, vanden Dienaer ghetrout sal moghen werden oft niet. Antwoorde: Men sal sulcke te vooren vermanen. Doch soose evenwel willen trouwen, men salse trouwen, dewyl het trouwen polityck is.” Maar in de oorspronkelijke acta en in alle afschriften is de redactie: „Op de vraghe van

|127|

die vanden Briel, of een lidtmaet der Ghemeijnte, willende trouwen een persoon die Papist, Doops ofte werlts ghesint is, vanden Dienaer ghetrowt sal mueghen worden, of niet, R. Datmen hem te voren vermanen ende waarschouwen sal, ende soo hij niet teghenstaende de vermaninghe euen wel ghetrowt wil wesen, datmense trouwen sal de wijle het openbaer trouwen Politisch is. Watmen nu doen sal met dien die de vermaninghen weijgheren aen te nemen, ia noch teghen de Dienaers quaet spreecken, is gheantwoort, dat de Consistorie met dien sal handelen na d’ omstandicheijt der saecke, t’ sij met schuldtbekenninghe voor de Consist. of opentlick, Of voor een tijdt vanden Nachtmael af te houden, of met den trappen der Excommunicatie voort te varen, na hare discretie.”

Met betrekking tot de besluiten, die op de Kerkenordening betrekking hebben, valt nog op te merken, dat de inhoudsopgaven die in alle uitgaven bij een vijftiental artikelen gesteld zijn, soms op den kant en soms boven het artikel, in twee der genoemde afschriften in ’t geheel niet voorkomen, en in het derde wel gevonden worden, maar in kleiner aantal en dan soms bij andere artikelen. Blijkbaar hebben die opschriften of bijschriften geenerlei officieel karakter, en zijn zij dus bij de uitgave altijd weg te laten.

 

In de volgende bladzijden worden de acta der Provinciale Synode te Dordrecht van 1574 nu geheel afgedrukt volgens het boven vermelde autographon. Daardoor komen de reeds sedert lang bekende besluiten, die op de kerkenordening en op eenige particuliere zaken betrekking hebben, hier natuurlijk niet achter elkander te staan, en ook geenszins in dezelfde volgorde als in alle uitgaven, en ook in alle afschriften, daaraan is toegekend. Immers die besluiten zijn op verschillende tijden genomen, naargelang de zaak, die het gold, aan de orde kwam; en gedurig kwamen er zaken van anderen aard tusschenin. Toch heeft de bekende volgorde dier besluiten ook een officieel karakter; want, blijkens de bijvoeging bij den laatsten volzin der acta en ook blijkens de cijfers die in het oorspronkelijke stuk op den kant zijn geplaatst, heeft men nog gedurende de zittingen der Synode

|128|

die besluiten eerst uitgezocht, vervolgens naar hun inhoud gerangschikt en eindelijk van een cijfer voorzien. In de hier volgende uitgave zijn die cijfers natuurlijk mede opgenomen. En om nu het opzoeken van eenig artikel gemakkelijk te maken, is aan de acta eene tabel toegevoegd, waarin naar de cijfers der artikelen aangewezen wordt, op welke bladzijde ieder artikel te vinden is. Voor zooveel het zaken geldt, die ook door eenige der nog voorhanden instructiën waren aan de orde gesteld, wordt in diezelfde tabel mede aangegeven, op welke bladzijde het bedoelde punt der instructiën voorkomt.

Als bijlage wordt aan de acta hier toegevoegd een letterlijke afdruk van de bij deze Synode ingekomen stukken, voor zoover die zijn bewaard gebleven in den vroeger vermelden foliant van het Oud-Archief; natuurlijk met verbetering van de verkeerde volgorde, waarin zij aldaar door den binder zijn bijeengevoegd. Zij zijn van drieërlei aard (te vinden in den genoemden foliant op de bij ieder stuk aangegeven bladzijde):

A. Brieven in zake de afvaardiging van gedeputeerden; en wel:

1°. Uit de Classe van Delft: a. van de Classe, d.d. 10 Juni (blz. 161), een geloofsbrief voor de predikanten Petrus Carpentarius (Schiedam), Hubertus (verstrooide Kerk van Schipluiden), Aegidius (Rotterdam) en Arnholdus (Delft); b. van den Kerkeraad van Naaldwijk, d.d. 11 Juni (blz. 169), een geloofsbrief voor den ouderling Mathijs Jacopss en den predikant Franciscus Vrancken; c. van den Kerkeraad van ’s Gravenhage, d.d. 12 Juni (blz. 165), een geloofsbrief voor den ouderling Johan Ernst van Vassen; d. van den Kerkeraad van Delft, d.d. 13 Juni (blz. 163), een geloofsbrief voor den diaken Burchardt Jansz; e. van den Kerkeraad van Schiedam, d.d. 13 Juni (blz. 157), een geloofsbrief voor den door de Classe aangewezen predikant Petrus Carpentarius, en verontschuldiging over het niet zenden van een ouderling of diaken.

2°. Uit de Classe van Dordrecht: a. van den Kerkeraad van Gouda, d.d. 10 Juni (blz. 167), een geloofsbrief voor den predikant Jan Henricksen en den ouderling Wilhem Thomessenn; b. van den Kerkeraad van Leerdam, d.d. 15 Juni (blz. 153), eene verontschuldiging over het niet komen van den door de

|129|

Classe aangewezen predikant Joest de Jonge; c. van den Kerkeraad van Gorinchem, d.d. 16 Juni (blz. 141), eene verontschuldiging over het niet komen van den ter Synode geroepen predikant Henricus Rolandus; d. van den Magistraat van Gorinchem, d.d. 16 Juni (blz. 143), van dezelfde strekking; e. van den Kerkeraad van Gorinchem, d.d. 26 Juni (blz. 145), een geloofsbrief voor den ouderling Wit Jansen en den diaken Wynant Gerritsoon, om in zake den predikant Henricus Rolandus met de Synode te handelen.

3°. Uit de Classe van Voorne, Putten en Overflakkee 1): van de Classe, d.d. 13 Juni (blz. 171), een geloofsbrief voor den predikant Gerardus Gallinaceus en den ouderling Jan Commersz.

4°. Uit de Classe van Zierikzee: van de Classe, d.d. 8 Juni (blz. 149), een geloofsbrief voor den predikant Gerardus Culenburgus en den ouderling Cyprianus Morrhius.

5°. Uit de Classe van Walcheren: a. van den Kerkeraad van Veere, d.d. 9 Juni (blz. 155), een geloofsbrief voor den predikant Joannes Miggrodius; b. van den Kerkeraad van Middelburg d.d. 10 Juni (blz. 159), een geloofsbrief voor den predikant Gaspar van der Heyden; c. van den Kerkeraad van Middelburg, d.d. 13 Juni (blz. 151), een geloofsbrief voor den ouderling Jan de Hoorne; d. van den Magistraat en den Kerkeraad van Vlissingen, d.d. 15 Juni (blz. 135), een geloofsbrief voor den predikant Joannes Gerobulus.

6°. Uit Noord-Holland: van de broederen aldaar, d.d. 9 Juni (blz. 147), eene verontschuldiging over het niet komen van de gedeputeerde predikanten Andreas Theodorici, Richardus Nicolai en Anthonius Nicolaus.

B. Instructiën voor de ter Synode gedeputeerden; en wel:

1°. Uit de Classe van Voorne, Putten en Overflakkee: a. van de Classe (blzz. 181-188), in 38 artikelen; b. van de Kerk van den Briel (blzz. 190-194), in 15 artikelen.

2°. Uit de Classe van Zierikzee: van de Classe (blzz. 173 vg.), in 11 artikelen.


1) Deze Classe wordt in de acta de Classe van den Briel genoemd.

|130|

3°. Uit de Classe van Walcheren: van de Glasse (blzz. 175-179), in 16 artikelen.

C. Stukken over allerlei andere zaken; en wel:

1°. Een brief van Godfried van Wingen (Londen), d.d. 2 Juni (blz. 137), met aanbieding van een catechismus en kerkenordening.

2°. Een brief van den Kerkeraad van Gouda, d.d. 24 Juni (blz. 139), met verzoek van medewerking tot verkrijging van nog een predikantstractement, ten behoeve der beroeping van Hubertus Francisci.

Deze 23 stukken van het Oud-Archief zijn alle zonder onderscheid oorspronkelijke bescheiden, die op de Synode zelve gediend hebben; als zoodanig gewaarmerkt, voor ver het grootste gedeelte door de onderteekeningen die alle eigenhandig zijn, en voor het overige door een opgedrukt of ingedrukt of aangehecht zegel, terwijl enkele stukken zoowel van eene onderteekening als van een zegel voorzien zijn.

F.L.R.

Kerkorde Dordrecht (1574) KO

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 1

Artikel
I.

Wordt voor goed aangezien, dat in een iegelijke konsistorie en classe een copie van de belijdenis des geloofs der Nederlandse kerken, en artikelen bewaard wordt, zowel de artikelen der Embdische Synode, als die nu besloten zijn.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 2

Artikel
II.

De broeders hebben besloten, dat men enerlei katechismus in alle onze kerken houden zal. Welke katechismus zal wezen de Heidelbergse, totdat in de Synode Generaal anders besloten wordt. Doch het zal in der dienaren vrijheid staan, dat ze sommigen in het bijzonder het korte onderzoek laten leren.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 3

Artikel
III.

Tot uitroeiing der valse leringen en dwalingen, die door het lezen der ketterse boeken zeer toenemen, zal men die middelen gebruiken die hierna volgen. Ten eerste, zullen de dienaren van de predikstoel het volk vermanen tot naarstige lezing der Heilige Schriftuur, en van de ongezonde ketterse boeken afmanen, doch de namen der boeken spaarlijk noemen. Ten tweede zullen de boekverkopers (de reine leer toegedaan) van de dienaren vermaand worden, dat ze zulke boeken niet drukken noch verkopen. Ten derde, zullen de dienaren in het huisbezoek der lidmaten der gemeente naarstelijk toezien, of in hun huizen enige schadelijke boeken zijn, opdat ze hen vermanen mogen, zulke boeken weg te doen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 4

Artikel
IV.

Tot verklaring des 6en artikels van Embden, dat in een iegelijke kerk en tezamenkomst der dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen wezen zal, verstaan de broeders dat de dienaars en ouderlingen op zichzelf en de diakenen op zichzelf tezamen komen zullen om een iegelijk zijn zaken te verhandelen. Doch in plaatsen, waar weinig ouderlingen zijn, zullen de diakenen een deel der konsistorie mogen wezen, en die diakenen in de konsistorie geroepen zijnde, zullen gehouden wezen te komen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 5

Artikel
V.

De dienaars en ouderlingen zullen wel voor zich zien, dat zij in de konsistoriën, classen en synoden niet verhandelen, dan hetgeen dat kerkelijk is. En die dingen, die ten dele kerkelijk en die ten dele politiek zijn (gelijk als er veel in huwelijkszaken en anderszins voorvallen), zo daar enige zwarigheid in is, zo zullen zij het oordeel en de autoriteit der overheid aanzoeken.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 6

Artikel
VI.

In alle konsistoriën zal een zeker boek wezen, daarin naarstelijk en getrouwelijk opgetekend zal worden, wat tot regering der kerk dient. En telkens als enig punt geschreven is, zal het gelezen worden, of daar iets af of toe te doen ware en men zal ter naarster verzameling lezen, wat in de laatste besloten is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 7

Artikel
VII.

Idem zal men in alle gemeenten een boek hebben, daarin men de namen der kinderen die gedoopt worden, met de namen der ouderen en gevaders opschrijven zal. Idem, dergenen, die men trouwt en dergenen die men in de gemeente tot lidmaten opneemt. Een iegelijk dienaar zal ook de namen der lidmaten der gemeente, die sterven, optekenen en de overheden bidden, dat ze de grafmakers of die last daarvan hebben, bevelen willen boek te houden van alle degenen die sterven, opdat men altijd als het nood doet vereisen mag wie daar gestorven is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 8

Artikel
VIII.

De beroepen dienaren des Woords zullen ordelijk en bij beurten in de konsistoriën presideren.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 9

Artikel
IX.

In alle plaatsen zullen classen zijn, dat is, verzamelingen van sommige kerken bij malkander gelegen, volgens het 7e artikel der Embdense Synode, welke classen wij aldus gedeeld hebben: I. Walcheren. II. Het Land van Schouwen en Duiveland. III. het Land van Voorne, Putten en Overflakkee, (uitgenomen Roon, Portugaal en Saarloos), idem Goereede tot de tijd toe dat de kerken beter voorzien zullen wezen, dat die van Overflakkee een classe op zichzelf kunnen maken. IV. Delft, ’t Wout, Lier, Naaldwijk, Maasland en Sluis, Schipluiden, Overschie, Pijnacker, Berkel, Nooddorp, Bleiswijk, Zoetermeer, Ketel. V. ’s-Gravenhage, Rijswijk, Voorburg, Wassenaar, Monster, ’s-Gravenzande, Loosduinen, Eikenduinen, Scheveningen, Wateringen. VI. Rotterdam, Schiedam, Hillegersberg, Delfshaven, Vlaardingen, Capelle, Kralingen, Zevenhuizen, IJsselmonde, Poortugaal, Roon en Saarloos. VII. Bommel, Buren, Leerdam, Heukelom, Asperen, Gorkum met hun omliggende dorpen. VIII. Dordrecht, Geertruidenberg, het Eiland van Zwijndrecht, Papendrecht met zijn dorpen, Puttershoek met de zijne. De Klundert en Fynaard, met Ruygenhil zullen onder Dordrecht behoren, zolang als Flakkee geen classe bij zichzelf maakt, en dan zullen zij behoren onder Flakkee. IX. Gouda, Schoonhoven, Oudewater, Woerden met hare dorpen en met alle dorpen die daar liggen tussen de Leek en de IJssel met Nieuwpoort, Langerak en Ammers. X. Leiden met het ganse Rijnland. XI. Alkmaar. XII. Enkhuizen. XIII. Hoorn. XIV. Edam. En aangezien alsnog weinige plaatsen met dienaren voorzien zijn, zullen zich sommige classen twee en twee tezamen voegen. En als door Gods genade de kerken beter voorzien zullen wezen, zo zullen de classen zich wederom delen mogen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 10

Artikel
X.

Aangaande de tijd der classikale samenkomsten is besloten, dat ze alle maanden vergaderen zullen, uitgenomen Dordrecht en Gouda, die alle twee maanden tezamen komen zullen, totdat ze op zichzelve zullen gezet worden. Zullen toch de dienaren van alle classen gehouden zijn bijeen te komen, telkens dat ze om enige noodzaken geroepen worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 11

Artikel
XI.

Men zal de classikale verzamelingen op verscheidene plaatsen, de een na de andere houden, en het zal der classen toestaan, telkens dat ze scheiden, de plaatsen der toekomende verzamelingen te benamen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 12

Artikel
XII.

Om de konfusie of verwarring te vermijden, die uit de verkiezing des gemenen volks ontstaan mocht, is besloten, dat de dienaren des Woords van de konsistorie der plaats, daar zij dienen zullen, beroepen zullen worden, doch alzo dat hierin zonder advies der classikale verzameling of twee of drie der genabuurde kerken, niet geschiede, en zullen alzo de gemeenten voorgesteld worden, naar uitwijzen van het 13e artikel der Embdische Synode.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 13

Artikel
XIII.

De dienaren zullen openlijk in de classikale verzameling geëxamineerd worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 14

Artikel
XIV.

De dienaars, die nu in de dienst der kerken zijn, en nog niet geëxamineerd, noch wettelijk geroepen en gezonden zijn, zullen van de classis geëxamineerd worden, alsof zij nog nooit gediend hadden, en ingeval zij onbekwaam gevonden worden, in leer of leven, zo zal men ze van hun dienst opschorten of suspenderen, totdat zij bekwaam zijn. En zo zij bekwaam zijn of in hen enige hoop van bekwaamheid gespeurd wordt, zo zal men hen met voortgaande behoorlijke korrektie van haar voorgaande ongeschiktheid, en lichtvaardigheid op enige tekst der Schriftuur een predikatie laten doen, om hun gaven te horen; de konfessie en artikelen doen onderschrijven, in de gehoorzaamheid en tezamenkomst verbinden door een van de ministers laten presenteren, en een forme van konsistorie in de gemeente stellen, daar men ze gebruiken wil.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 15

Artikel
XV.

De dienaren des Woords zullen zich zelf in de dienst der kerken verbinden daar ze beroepen zijn. En die zeggen, dat ze aan andere kerken verbonden zijn, zullen daarvan zekere getuigenissen bij de classe laten blijken, welke oordelen zal of de zaak gewichtig genoeg is om in andere kerkendienst te treden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 16

Artikel
XVI.

Geen dienaar zal uit de kerk daar hij een dienaar in is, in een andere vertrekken, zonder eerst van zijn classe oorlof begeerd en verkregen te hebben, opdat hij niet alleen van zijn kerk, maar ook van zijn classe schriftelijk bescheid brenge. Doch zullen de classen wederom de dienaren met behoorlijk onderhoud en anderszins verzorgen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 17

Artikel
XVII.

Geen minister uit andere kerken komende, zal aangenomen worden, zonder getuigenis te brengen van de classe en konsistorie van daar hij komt; of daar geen classe is, of ordentelijke konsistorie van geloofwaardige ministers of andere personen, van welke attestatie de classe en kerk oordelen zal, of die genoegzaam is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 18

Artikel
XVIII.

Men zal naarstig te boek stellen het afscheid en getuigenis der dienaren die vertrekken. Maar aangaande de andere lidmaten, dier namen en hun tijd van het vertrek, en ook de oorzaken (naar dat men vindt dat er veel aan gelegen is), zal men optekenen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 19

Artikel
XIX.

Die buiten de ordening der kerk zichzelven in de kerkendienst indringen, zullen van de classe eens, twee of meermalen geroepen of vermaand worden, dat ze reden huns doens geven. En is het dat ze dit hardnekkig weigeren te doen, zo zullen zij verklaard worden scheurmakers en lopers te wezen, en hun namen zullen de andere classen te kennen gegeven worden. Doch indien zij zich beklagen, dat hun ongelijk geschiedt, zo zullen zij zich op de Provinciale Synode beroepen mogen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 20

Artikel
XX.

Die monniken of papen geweest zijn, en zich tot de kerkendienst begeren te begeven, zal men niet toelaten, dan van de classe geëxamineerd zijnde naar deze proeven. Ten eerste zullen zij de leer des pausdoms verzaken. Ten tweede hun beroeping. Ten derde zullen zij de rechte leer bekennen, en zich der discipline onderwerpen. Ten vierde zal in hen de gave van bekwamelijk te spreken en te leren wezen. Ten laatste zal men ze eerst wel in ootmoedigheid en patientie oefenen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 21

Artikel
XXI.

Aangaande degenen, die niet gestudeerd hebben, als handwerksgezellen en dergelijken, dewelke nochtans goed verstand hebbende, begerig zijn tot proponeren, en zich tot de dienst der kerken begeven, zal men alleen die toelaten, die deze gaven hebben. Ten eerste Godzaligheid, zedigheid en ootmoedigheid; daarna goed verstand en diskretie; ten laatste gaven van welsprekendheid.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 22

Van de scholen.

Artikel
XXII.

Dewijl dat tot de dienst der kerken en politie goede scholen grotelijks van node zijn, en ter kontrarie kwade scholen grotelijks schaden, zo zullen de ministers van alle classen, vooreerst zorg dragen, op welke plaatsen scholen en schoolmeesters behoeven te wezen. Ten andere, of de schoolmeesters der plaatsen, daarvan men handelt, voortijds een openbare beloning gegeven zij. Ten derde zullen zij van de overheid begeren, dat het hun geoorloofd zij een schoolmeester te stellen. En dat de overheid bevele, het stipendium te betalen, hetwelk weleer betaald placht te worden. Ten laatste zullen zij verzorgen, dat de schoolmeesters de belijdenis des geloofs onderschrijven en de discipline zich onderwerpen; ook mede de katechismus, en andere dingen (die der jeugd nut zijn) leren. En zo daar enige schoolmeesters waren, die dit niet doen wilden, zo zullen de kerken dienaars de overheid bidden, dat ze afgezet worden. En zo de dienaren van deze voornoemde dingen van hun overheid niet verkrijgen kunnen, zo zullen zij het bij de hoge overheid aanzoeken, en de zaak voortdrijven.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 23

Artikel
XXIII.

Aangaande het vasten en bidden, omtrent de verkiezing der dienaren, is besloten wanneer men handelt van een zekere dienaar des Woords te verkiezen, die eertijds de kerk Gods getrouwelijk gediend heeft, dat men niet zal behoeven enig vasten te houden. Maar is het, dat men vergaderen zal om te beraadslagen wie te verkiezen zij, zo zal men de lidmaten der gemeente tot huisvasten en bidden vermanen, hetwelk niet alzo zal behoeven onderhouden te worden, in de verkiezing der ouderlingen en diakenen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 24

Artikel
XXIV.

Overmits de oplegging der handen, in deze jonkheid der kerken tot superstitie getogen, en sommiger bespotting onderworpen zouden mogen wezen, hebben de broeders besloten dat men diezelve alsnog onderwege laten zal en de dienaren alleen presenteren als volgt.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 25

Artikel
XXV.

De dienaren die elders in de dienst geweest zijn en van nu voortaan nieuwelijk in een andere kerk aangenomen zullen worden, zal men Gode met den gebede en der gemeente met een kleine vermaning bevelen; nadat men hun de belofte van getrouwigheid afgenomen zal hebben. En aangaande degenen, die nu eerst in de dienst opgenomen worden, die zal men op gelijke wijze, doch met een langer en breder vermaning en stipulatie bevestigen in deze forme. Ten eerste, of zij niet gevoelen van God en de gemeente tot zulke dienst beroepen te wezen. Ten tweede, of zij de Heilige Bijbelse Schrift houden het Woord Gods en de enige volmaakte leer der Godzaligheid te wezen, welke sommierlijk in de Katechismus begrepen en in deze gemeente oprechtelijk gelerd wordt. Ten laatste, of ze hunnen dienst volgens deze leer, getrouwelijk willen bedienen, en dezelve met een godzalig leven versieren; en of ze ergens in strafbaar bevonden werden, hen willen laten vermanen en de christelijke straf onderwerpen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 26

Artikel
XXVI.

De kerken zullen alleszins ouderlingen en diakenen hebben, die ordelijk tot de kerkendienst verkoren zijn.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 27

Artikel
XXVII.

Aangaande het verkiezen der ouderlingen en diakenen, dat zal gehouden worden naar het veertiende artikel der Embdische Synode, namelijk, dat de konsistorie het recht der verkiezing hebben zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 28

Artikel
XXVIII.

De konsistorie zal in de verkiezing der ouderlingen en diakenen dubbel getal der gemeente voorstellen, opdat ze de helft daaruit kiezen mag.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 29

Artikel
XXIX.

In de plaatsen, waar de christelijke gemeente geen gemeenschap hebben mag met de gasthuizen, Heilige Geest- en andere armen goederen, maar alleen de aalmoezen vergaderen en uitgeven, die in de kerken of anderszins hun gegeven worden, daar zal men bij de ordentelijke verkiezing der diakenen, hierboven verhaald, blijven. Maar, daar de overheid haar in de gemeenschap der voormelde goederen toelaten wil, daar zal de konsistorie dubbel getal van diakenen kiezen, en daarna dezelven der gemeente voorstellen, En zoverre de gemeente dezelven allen met stilzwijgen voor goed houdt, zo zal men de voorzeide mannen der overheid voorstellen, om daaruit de helft te kiezen, en alzo zullen ze verkoren blijven. Maar daar men de eerste manier van verkiezing evenwel hebben kan, zal men dezelve als de bekwaamste kiezen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 30

Artikel
XXX.

Men zal ook de ouderlingen en diakenen met afvraging der getrouwigheid en gebeden tot God in hun dienst bevestigen, naar de forme als boven van de dienaren gezegd is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 31

Artikel
XXXI.

Der verkoren ouderlingen en diakenen halve deel zal alle jaren veranderd worden, naar uitwijzen des 15e artikels der Embdische Synode.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 32

Artikel
XXXII.

De ouderlingen en diakenen in hun dienst bevestigd zijnde, zullen de Belijdenis des Geloofs en de artikelen der discipline onderschrijven.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 33

Artikel
XXXIII.

De diakenen zullen alle weken bij elkander op zichzelven vergaderen, om van der armen zaken rijpelijk te spreken, en zullen hunne vergaderingen door een telkens daartoe onder hen benaamd, met de aanroeping des Naams Gods beginnen en besluiten.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 34

Artikel
XXXIV.

Aangaande de uitdeling der aalmoezen, wien en hoeveel, dat zal staan in de diskretie der diakenen, die tot dien einde hun vergaderingen houden, opdat ze niet doen zonder malkanders advies in ordinaire zaken, en in gewichtige zaken zal het wel staan, dat ze de raad der konsistorie gebruiken.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 35

Artikel
XXXV.

Het zal ook der diakenen ambt zijn het armengeld zelf uit te geven, en niet door anderen zenden, opdat ze weten hoe het besteed is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 36

Artikel
XXXVI.

Is besloten, dat in de plaatsen, daar de diakenen alleen de administratie der aalmoezen hebben, die zij ontvangen, voor de konsistorie hun rekening alle maanden doen zullen. Maar daar ze gemeenschap hebben met de Heilige Geest- en andere armengoederen, daar zullen zij hun rekening doen voor die de Magistraat daartoe, benevens sommigen der konsistorie verordineren zal. En dat zal men telkens der gemeente voordragen, opdat een iegelijk die wil, zich bij de rekening voegen mag.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 37

Dienst des Woords.

Artikel
XXXVII.

Overmits dat men met verscheidene woorden, de ingang tot de gebeden en predikatiën pleegt te maken, is goed gevonden, dat men enerlei woorden gebruike, nadat de Psalm gezongen is, namelijk deze: Onze hulpe zij in de Naam des Heeren, Die hemel en aarde geschapen heeft, amen. Men zal ook de predikatie op enerlei wijze besluiten met de zegen uit Numeri kapittel 6.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 38

Artikel
XXXVIII.

De dienaren zullen vermaand wezen, hun toehoorders met al te lange predikatiën niet te bezwaren, en dezelve over het uur zoveel mogelijk is, niet te vertrekken.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 39

Artikel
XXXIX.

Aangaande de zondagse Evangeliën, die men in het pausdom pleegt te gebruiken, is besloten, dat ze in de kerken niet zullen gepredikt worden, maar dat men nuttiglijk een gans boek der Heilige Schrift ordentelijk na malkander uitlegge, opdat de predikatiën door te veel teksten niet te lang vallen. Daarbenevens dat het volk van het misverstand afgetogen en tot het recht verstand der ganse Schrift bekwamelijk gebracht worde.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 40

Artikel
XL.

Aangaande de materie der predikatiën is goed gevonden, dat men allermeest uit het Nieuwe Testament den volke leren zal. Het zal ook wel in de vrijheid der dienaren staan uit het Oude Testament te prediken, doch met raad en advies der konsistorie.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 41

Artikel
XLI.

Aangaande het gewoonlijke gezang, tussen het gebed en de predikatie, O God, Die onze Vader zijt, etc, dat zal in de vrijheid der dienaren staan te houden of te laten.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 42

Artikel
XLII.

Alle dienaren zullen enerlei vorm van openlijke kerkgebeden gebruiken, doch dat ze wijselijk en kortelijk daarin voegen, dat de tegenwoordige nood eisen zal, als voor speciale personen der overheden, voor enige kranken, etc. en dit zullen zijn de gebeden in de Katechismus vervat. En overmits bet algemene gebed des zondags na de predikatie te lang is, hetwelk op vast- en bededagen bekwamelijk kan gebruikt worden, zo is er een andere forme korter begrepen tot deze woorden toe: en overmits het U behaagt etc.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 43

Artikel
XLIII.

Men zal in de kerken de Psalmen door Petrus Dathenus in dicht gesteld, mitsgaders de andere gezangen daarbij gesteld, alleen gebruiken, totdat in de generale Synode anders besloten zal wezen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 44

Artikel
XLIV.

Men zal des zondags na het tweede gebed der voormiddagse predikatie deze woorden aanhangen: Wilt ons ook sterken in het waarachtige christengeloof, etc, met het geloof daaraan. En voor de predikatie van de Katechismus, na het gebed, de Tien Geboden des Heeren naar de tekst Exod. 20, Deut. 5. Maar in de weekpredikatie zal men geen van beide lezen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 45

Artikel
XLV.

Men zal ’s zondagsmorgens en ’s namiddags in het vergaderen des volks, de gemeente vrij laten, benevens het Psalmzingen te lezen of alleen te zingen. Doch daar men leest, zal men alleenlijk de Kanonieke Boeken den volke voorlezen en zodanige als de konsistorie oordelen zal der gemeente stichtelijkst te wezen, doch dat men toezie van zingen of lezen op te houden tegen de ure, dat de predikatie begint.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 46

Artikel
XLVI.

De dienaar is vrijgelaten, vóór of na de predikatie de afgeroepen personen te trouwen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 47

Artikel
XLVII.

De classen zullen bij hare overheden verzoeken, dat ze het kopen, verkopen, arbeiden, drinken, wandelen, etc, dewijl men predikt (inzonderheid des zondags) verbieden willen, in welke zaken, zo daar enige overheden zich onwillig bewijzen, zo zal mijnheer de Prins mogen gebeden worden, dat hij de overheid tot die ambte vermane, om zich naar het exempel dergenen, die zulks alrede in het werk gesteld hebben, te schikken.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 48

Artikel
XLVIII.

De dienaars zullen de overheden bidden, dat ze die profane en wereldlijke uitroepingen van kopingen, verkopingen, verloren goed, etc. in de kerken afzetten willen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 49

Artikel
XLIX.

Hoewel het staan voor de deuren der kerken om de aalmoezen te verzamelen, het allervoeglijkste en bekwaamste is, zo is nochtans besloten, dat de wijze van om te gaan, alsnog in de vrijheid der kerken staan zal. Doch zo zullen de dienaren arbeiden, dat ze het omgaan zoveel mogelijk is, afbrengen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 50

Artikel
L.

Aangaande het spelen der orgelen in de gemeenten houdt men, dat het gans behoort afgezet te wezen, volgens de leer van Paulus 1 Kor. 14: 19. En alhoewel men het alsnog in sommige van deze kerken, alleen in het einde der predikatiën gebruikt, op het scheiden van het volk, zo dient het nochtans meest om te doen vergeten wat men voorheen gehoord heeft, en is te bezorgen, dat het hierna tot superstitie gebruikt zal worden, gelijk het nu tot lichtvaardigheid dient, hetwelk zo het afgeschaft ware, men zoude de aalmoezen bekwamelijker aan de deuren in het uitgaan des volks verzamelen, dan dat men zulks in het midden der predikatie, tot grote hindernis van de dienst Gods doen moet.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 51

Artikel
LI.

Aangaande de openlijke avondgebeden is besloten, dat men ze niet inbrenge waar ze niet zijn, en daar ze in het gebruik zijn, zo stichtelijk en voorzichtiglijk afdoe als het mogelijk is, inzonderheid om deze navolgende oorzaken. Ten eerste, opdat men de ordentelijke predikatiën des te vuriger en naarstiger bezoeke. Ten tweede, dat de huisgebeden des avonds, die een iegelijke huisvader met zijn huisgezin schuldig is te doen, te vlijtiger onderhouden worden. Ten derde, opdat de algemene gebeden op de vastendagen, die men somtijds om enige bijzondere nood gebruikt, te vuriger en solemnelijker mogen gehouden worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 52

Artikel
LII.

Van de lijkpredikatiën is besloten, dat men ze met grote voorzichtigheid, zoekende de opbouwing der kerken, daar ze ingevoerd zijn, afzette; daar ze niet ingevoerd zijn, niet invoere, om die perikelen der superstitiën, die daaruit komen, te vermijden. Om welker oorzaken wil wij ook achten, dat het luiden der klokken omtrent de begrafenis der doden alleszins afgeschaft behoort te worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 53

Artikel
LIII.

Aangaande de feestdagen, nevens de zondag, op de welke men zich van de arbeid pleegt bijzonder te onthouden, en in de tempel te vergaderen, is besloten, dat men met de zondag alleen tevreden zal zijn. Doch zal men de gewoonlijke materiën van de geboorte Christi, zondags vóór de Kerstdag in de kerk behandelen, en het volk van de afdoening dezes feestdags vermanen, en ook van dezelfde materie op de Kerstdag prediken, indien hij valt op een predikdag. Men zal ook op Paas- en Pinksterdag van de verrijzenis Christi en zending des Heiligen Geestes leren mogen, hetwelk in de vrijheid der dienaren staan zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 54

Artikel
LIV.

Op de vast- en bededagen zal men enerlei vorm houden op deze wijze. Eerstelijk zal men de gemeente tezamenroepen en enige tekst voornemen en verklaren. Idem vurige gebeden voor en na gebruiken. En om zulks beter te doen, het volk tot onthouding van spijs en drank, en andere toegelaten dingen vermanen. Men zal ook het volk vermanen in de tempel te blijven (zonder nochtans iemand te dringen) en in enige bekwame plaatsen des tempels wat voorlezen uit het Oude of Nieuwe Testament, tot gelegenheid des tijds dienende. Men zal ook met twee predikatiën tevreden zijn, tenware dat de vastendag op de zondag gelegd wordt, daar men doch drie maal gewoon is te prediken.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 55

Artikel
LV.

Het is der dienaren des Woords ambt de kranken te bezoeken, en het is gevaarlijk zekere personen daartoe te ordineren. Daarom zullen de dienaars op de ouderlingen en diakenen begeren mogen, dat ze hen hierin met hun arbeid helpen mogen, overmits dat het hun ambt meer dan andere christenen is de zieke, arme en troosteloze lidmaten te bezoeken en te sterken.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 56

Artikel
LVI.

Der dienaren ambt is ook, als het nood doet, bij de bedden der kranken de Naam des Heeren aan te roepen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 57

Sakrament des Doops.

Artikel
LVII.

Het verbond Gods zal in de kinderen (zo haast als men de Doop christelijk bekomen kan) met de Doop verzegeld worden, tenzij dat er enige zware oorzaak zij om de Doop een tijd lang uit te stellen, waarover de konsistorie oordelen zal. Maar de affektie der ouderen, die de Doop hunner kinderen begeren uit te stellen ter tijd toe, dat de moeders zelve haar kinderen presenteren, of op de gevaders lang wachten, is geen wettelijke oorzaak om de Doop uit te stellen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 58

Artikel
LVIII.

Men zal de Doop niet toedienen dan alleen in de openbare verzameling der kerken, bij de verkondiging des Goddelijken Woords.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 59

Artikel
LIX.

In de plaatsen, daar zelden de predikatiën geschieden, en nochtans kinderen ten Doop gebracht worden, zal een tijd geordineerd worden, dat men de kinderen in de kerk ten Doop brenge, en men zal een teken met de klok geven, het volk tezamen roepen, en een korte vermaning van de Doop doen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 60

Artikel
LX.

Aangaande de tijd des Doops, vóór of na de predikatie, hoewel de Doop op zichzelf behoort bediend te worden, zo is nochtans besloten, dat men hem tussen de predikatie en het algemeen gebed sluiten zal mogen, totdat anders in de Generale Synode besloten zal worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 61

Artikel
LXI.

De vaders zijn gehouden en hehoren vermaand te worden, bij de Doop hunner kinderen te zijn, opdat ze met de gevaderen de voorgestelde vragen beantwoorden, tenzij dat ze door gewichtige oorzaken verhinderd worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 62

Artikel
LXII.

Omdat wij geen gebod van de Heere hebben, gevaders of getuigen te nemen om de kinderen ten Doop te presenteren, zo mag men niemand hiervan enige bijzondere nood opleggen, nochtans dewijl het een oud gebruik is, en tot goeden einde ingevoerd, te weten om van het geloof der ouders en de Doop des kinds te getuigen, en op zich te nemen de last het kind te onderwijzen, ingeval dat zijn vader of moeder hem afstierven. Idem om de onderlinge gemeenschap en verbinding der vriendschap te onderhouden, onder de gelovigen, zo zullen degenen die dit gebruik niet begeren te volgen, maar hun kinderen zelf presenteren willen, met naarstigheid aangepord en vermaand worden, dat ze geen twist zoeken, dan dat ze zich naar de oude en gewoonlijke ordening (die goed en profijtelijk is), schikken.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 63

Artikel
LXIII.

Is besloten, dat men de forme van afeising voor de Doop houden zal, alzo deze staat achter de Katechismus, behalve dat de ministers de ouders tot onderwijzing hunner kinderen verbinden en de bijstaande getuigen vermanen zullen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 64

Artikel
LXIV.

Het zal vrijstaan, dat dezelfde dienaar, die de instelling en het gebruik des Doops verklaart, ook dope, of dat het verscheidene dienaren doen, doch zullen de dienaars de forme, dat een dienaar allebei doet, in hunne kerken, zo verre als zij zonder ergernis en ongelegenheid doen kunnen, invoeren.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 65

Artikel
LXV.

De broeders gevoelen dat het raadzaamste en beste ware, dat de kerken één besprenging in de Doop gebruikten; doch hebben besloten, dat de manier van driemaal te besprengen gedragen zal worden in de kerk, waarin ze is, ter tijd toe, dat men de andere manier beter invoeren kan.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 66

Artikel
LXVI.

En overmits het gevaarlijk is, dat alle dienaren elk een bijzondere vermaning voor de Doop doen zouden, zo is er besloten, dat de forme enerlei zal wezen, welke korter begrepen en de dienaren toegezonden is.


Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 67

Artikel
LXVII.

Aangaande de dankzegging, die na de Doop volgt, zal men doen vóór het algemeen gebed.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 68

Nachtmaal des Heeren.

Artikel
LXVIII.

Men zal geen Avondmaal des Heeren uitreiken, daar geen forme van gemeente is, dat is, daar niet enige ouderlingen en diakenen zijn, die zowel op de aanneming en regering dergenen, die toegelaten worden, acht hebben, als de dienaren des Woords, alzo boven besloten is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 69

Artikel
LXIX.

De kerken zullen daarnaar arbeiden, dat ze het Nachtmaal des Heeren alle twee maanden houden, zo verre als het mogelijk is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 70

Artikel
LXX.

Is besloten, dat die ontvanging en examinatie, die zich tot de gemeente begeven, geschieden zal voor een dienaar en twee ouderlingen, of voor twee dienaars alleen, en zij zullen ze bestemmen bij hen te komen naar hun gelegenheid, en de belijding des geloofs zal openlijk geschieden in zulke plaatsen, daar een iegelijk bij komen kan, hetzij in de konsistorie of in de tempel. En daar zullen de namen dergenen die ontvangen worden, stichtelijk verhaald worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 71

Artikel
LXXI.

Die een wettelijk getuigenis brengt, zal tot het Nachtmaal toegelaten worden, tenzij dat ze lang tevoren geschreven is; want alsdan moet men naar zulken vernemen, even alsof ze geen getuigenis hadden. Doch zo betaamt dat wij genegener zijn, die toe te laten dan af te sluiten, welker Godzaligheid bewezen wordt of door geschreven of door levendige getuigenissen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 72

Artikel
LXXII.

Is besloten, dat de Belijdenis des Geloofs van degenen, die tevoren geëxamineerd zijn, in deze jonkheid der kerken met een jawoord geschieden zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 73

Artikel
LXXIII.

Het is der dienaren en konsistoriën ambt, vlijtig acht te nemen, wie de lidmaten der gemeenten zijn, of voormaals geweest zijn. Idem of zij te elken Nachtmaal kommuniceren, zo niet, hen in het bijzonder aan te spreken, of door andere bekwaam laten aanspreken, of daar achterdocht is in leer of leven. Zo het niet helpt, voor de konsistorie ontbieden en vermanen; die verachters waarschuwen en dreigen met Gods gericht, en zo dit alles niet helpt, met de classis beraadslagen. Doch dat men niet lichtvaardiglijk tot de exkommunikatie kome.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 74

Artikel
LXXIV.

Is besloten van de voorbereiding tot het Nachtmaal des Heeren, dat men een simpele predikatie doen zal, naar de gewoonte, in de welke gehandeld zal worden van de beproeving des mensen, van de verzoening met God en de naaste, met vurige gebeden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 75

Artikel
LXXV.

Men zal ook vóór het houden des Nachtmaals, in deze beginselen der kerken, een iegelijke tekst (die tot het Nachtmaal dient, en de mysteriën daarin begrepen, verklaart) in de predikatie voor zich nemen uit te leggen, tenware dat de ordentelijke tekst daartoe bekwamelijk geleid kan worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 76

Artikel
LXXVI.

Wij achten, dat het staan in het houden des Nachtmaals des Heeren het voegelijkst is, maar overmits het exempel van zitten in deze kerken ingevoerd is, zo kan het alsnog zonder ergernis niet wel achtergelaten worden. Men zal nochtans middelerwijl den volke leren, dat het middelmatig is, en naar gelegener tijd, al staande voeglijker gehouden kan worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 77

Artikel
LXXVII.

Is besloten, dat men in de uitreiking van het brood des Nachtmaals gebruiken zal de woorden van Paulus, 1 Korinthe 10, met de aanhang. Neemt en eet, gedenkt en gelooft, dat het lichaam Jezu Christi gebroken is tot een volkomen verzoening aller onze zonden. En in de uitreiking des drinkbekers, naar de woorden van Paulus: De drinkbeker der dankzegging, etc. Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft, dat het dierbaar bloed Jezu vergoten is, tot vergeving aller onze zonden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 78

Artikel
LXXVIII.

Is goedgevonden, dat men in alle kerken eendrachtelijk enige plaatsen uit de Heilige Schrift lezen zal, terwijl men het Nachtmaal houdt, en pauseren, terwijl men de woorden van Paulus spreekt.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 79

Artikel
LXXIX.

Men zal ook een korte inleiding maken tot de dankzegging na het Nachtmaal des Heeren, waarin wij van de grote liefde van Christus te onswaards en de dankbaarheid, die wij Hem schuldig zijn, vermaand worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 80

Artikel
LXXX.

Is besloten, dat men na de middag als het Nachtmaal gehouden is, de predikatie van de katechismus, naar de gewoonte onderhouden zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 81

Artikel
LXXXI.

Men zal op de dag des Nachtmaals, zowel als op andere zondagen trouwen mogen, maar niet op de vast- en bededagen; en hoewel het beter ware, dat men op de zondag niet trouwde, opdat zich een iegelijk te beter in de dienst des Heeren oefenen mocht, zo zal men toch deze gewoonte (te dezer tijd) niet lichtvaardig veranderen. Middelertijd zullen de dienaren naar het beste staan, daar het zonder ontstichting kan ingevoerd worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 82

Artikel
LXXXII.

Op het 32e artikel van de Embdische Synode van de bestraffing der grove zonden, is van de broederen dit tot verklaring bijgevoegd: dat men met dergenen, die van grove zonden enig berouw tonen, niet terstond tot de laatste exkommunikatie voortvaren, maar hen voor een tijd lang van het Nachtmaal afhouden zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 83

Huwelijken.

Artikel
LXXXIII.

De dienaren zullen niemand uitroepen om te trouwen, dan die verklaren, dat ze zich ook van hen willen laten tezamen geven. En men zal hen vermanen, dat zij bij malkanderen niet wonen, noch slapen, voordat ze getrouwd zijn. Die hiertegen doen, zal men berispen; die niet gehoorzaam zijn, zal men de overheid aangeven. Men zal ook niet lichtvaardiglijk tot de hoge overheid gaan, voordat men bij de ordentelijke overheid zijn best gedaan heeft.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 84

Artikel
LXXXIV.

Niemand zal uitgeroepen worden om te trouwen, dan eerst getuigenis van konsent zijner ouders. En zo zij tevoren getrouwd zijn geweest, van de afsterving der eerste partij getoond te hebben. En zo het geschiede, dat iemand de dienaren noch de konsistorie hierin niet genoeg deed, zo zullen de partijen dit der overheid aangeven, en derzelver konsent de dienaren overbrengen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 85

Artikel
LXXXV.

De personen, die trouwen willen, zullen openlijk in de gemeente afgeroepen en getrouwd worden. En zo iemand door krankheid verhinderd zijnde, begeerde in huis te trouwen, daarvan zullen de ministers en konsistorie oordelen, en zo zij het toelaten (hetwelk niet zonder grote oorzaken en rijpe beraadslaging geschieden zal) zo zal het evenwel niet geschieden, dan de uitroeping in de kerk gedaan zijde, en in de tegenwoordigheid der vrienden en naburen, en de dienaar zal het der gemeente openlijk aanzeggen, dat ze getrouwd zijn.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 86

Artikel
LXXXVI.

Men zal de namen dergenen, die verkondigd worden, op drie verscheidene zondagen van de predikstoel afroepen, of anderszins driemaal in grote nood, daarvan de konsistorie oordelen zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 87

Artikel
LXXXVII.

Het huwelijk zal bevestigd worden, in enige van die plaatsen, waar de namen uitgeroepen zijn. Doch zo iemand in een andere plaatse trouwen wilde, die zal getuigenissen der uitroeping van de konsistorie medebrengen, en de dienaar der plaats, daar ze trouwen zullen, zal dit niet doen zonder het advies der konsistorie.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 88

Artikel
LXXXVIII.

Overmits de officialen van de antichrist in het pausdom, de autoriteit en het recht der overheid in het echtscheiden aan zich getrokken hebben, zo zal de overheid van de dienaars uit Gods Woord gebeden en vermaand worden, dat ze naar uitwijzen van het Woord Gods en andere wetten, die helpen die in zodanige zaken hare hulp behoeven en begeren.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 89

Artikel
LXXXIX.

De onschuldige partij, haar partij van overspel overwonnen hebbend, zal van de overheid een uitspraak van scheiding begeren, en zo de overheid dit niet begeert te doen, zo zal ze van dezelve overheid zoeken te verkrijgen, dat de konsistorie toegelaten worde, te doen, zulks als ze uit Gods Woord oordelen zal recht te wezen. Zo men dit niet kan verkrijgen, zo zal de konsistorie haar vermanen in een andere plaats te vertrekken, daar ze de hulp der overheid genieten kan.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 90

Artikel
XC.

Is besloten, dat de kerken dienaars, die op de Synode te gaan, gedeputeerd worden, getuigenis brengen zullen van de konsistorie en de classe en niet van de overheid.

Kerkorde Dordrecht (1574) Art. 91

Artikel
XCI.

Deze artikelen tot behoorlijke ordening der gemeenten van Holland en Zeeland dienende, zijn alzo door onderlinge bewilliging gesteld, dat ze zo het der gemeenten nuttigheid anders eist, zullen mogen en moeten veranderd, vermeerderd of verminderd worden. Nochtans zal dat niet enige gemeenten of classen bijzonderlijk toekomen te doen. Maar zullen allen arbeiden om die te onderhouden, totdat in Generale of Provinciale Synode anders verordineerd zal wezen.


Overgenomen uit de Acta van Emden

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 1

De partikuliere of bijzondere vraagstukken van Dordrecht 1574

Artikel
1

Op de vraag van die van Walcheren, of het niet goed ware, dat men goede Homilias op de Katechismus schreef, is geantwoord, dat men dit zal laten blijven, maar dat het goed ware, dat de dienaars ordentelijk hij gebeurte in classikale verzamelingen een vraag twee of drie uit de Katechismus kortelijk uitleiden, opdat ze alzo malkanderen oefenen mochten, en de Katechismus ordentelijk, grondig en stichtelijk voor de gemeente leerden verklaren.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 2

Artikel
2

Op de tweede vraag van die van Walcheren, van een nieuwe korrekte overzetting des Bijbels in de Nederduitse taal, is geantwoord, dat men toeven zal, totdat de overzetting van de Bijbel in de Franse en Latijnse spraak, die nu voorhanden is, in het licht gekomen zal wezen, opdat men ze daaruit in onze spraak te lichter en te beter overzetten mag.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 3

Artikel
3

Op de 3e vraag derzelven, hoe men de wederdopers weren of op de rechte weg brengen zal, is besloten, dat de dienaren hun overheden bidden en vermanen zullen, dat ze niemand ontvangen noch lijden dan die wettelijk zweren der overheid gehoorzaam te zijn. En die daar nu reeds wonen, vermanen tot het gehoor des Goddelijken Woords, idem hun kinderen ten Doop te brengen, of zo zij zulks weigeren te doen, dat ze hen in de tegenwoordigheid der predikanten ontbieden en hunne opinie bevelen te verklaren en te verantwoorden. Het zal ook daarbenevens goed wezen, dat de dienaars in hunne heimelijke vergaderingen zoeken te komen of te zenden, en te bewijzen, dat hun handel onrecht is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 4

Artikel
4

Op de vraag van die van Zierikzee of een minister notaris publikus van te voren geweest zijnde, nog in die dienst blijven mag, is geantwoord, dat hij testamenten en huwelijksvoorwaarden maken mag, inzonderheid waar men geen andere hebben zal, die zulks doen, idem in bekwame en stichtelijke plaatsen. Maar zullen zich wachten zich te bemoeien met andere notarishandelingen en te komen in dergelijke plaatsen als in herbergen, etc.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 5

Artikel
5

Uit oorzaak van deze vraag is geantwoord op een ander van die van Brielle, en is besloten, dat een kerkedienaars huisvrouw in geval van nood, geen openbare of winkelnering drijven mag.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 6

Artikel
6

Op de tweede vraag van die van Den Briel of een dienaar des Woords, die aan de pest krank liggen, laten mag te bezoeken om dieswille, dat hij van het volk uit deze oorzaak gewaarschuwd wordt, is geantwoord, nademaal God de dienaars opgelegd heeft de kranken te bezoeken en geen onderscheid van kranken gemaakt, dat ze schuldig zijn tot zulke mensen geroepen zijnde, te gaan, niet geroepen zijnde en wetende dat men hen van doen heeft, ook te gaan, doch dat de dienaars hierin niet onvoorzichtiglijk noch stoutelijk handelen, en zo zij merken, dat ze meer breken dan optimmeren, dat dan de konsistorie hiervan kennis dragen en oordelen zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 7

Artikel
7

Op de vraag van die van Delft is geantwoord, nademaal het besloten is, dat der ouderlingen en diakenen half deel alle jaren veranderd zal worden, opdat de ordening in haar gang komt en zich niemand te beklagen hebbe, om des langen dienstes wille, dat men in de konsistorie de zwarigheid der broederen, die met het eerste jaar af begeren te wezen, overwegen zal, welke de grootste zijn en dat zij zich allen aan de diskretie der konsistorie hierin onderwerpen zullen, welke zal oordelen, wie onder hen blijven zal of niet. Maar zo zij dit niet begeren te doen, zo zal men het lot daarover werpen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 8

Artikel
8

Op de vraag van die van Ter Gouw, wat men met de papen doen zal, die in het heimelijk dopen en trouwen, werd geantwoord, dat men zijn best doen zal om dit te weren, eerst bij de overheid der plaats, en zo deze tot de zaak niet doet, bij de hoge overheid.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 9

Artikel
9

Op de vraag van die van Dordrecht, of men de kinderen der afgesnedenen van de gemeente dopen mag is geantwoord: ja, wel verstaande, dat men de gevaders tot dit ambt bekwaam zijnde, vaster in de belofte van zulke kinderen te onderwijzen, verbinden zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 10

Artikel
10

Op de derde vraag van die van Den Briel of men een kind van een der vrouwen gedoopt, in de kerk dopen zal is geantwoord: ja, overmits vrouwendoop geen Doop is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 11

Artikel
11

Op de vierde vraag van die van Den Briel of een overspeler tot een huisvrouw nemen mag die, met dewelke hij overspel gedaan heeft, is geantwoord, dat men hierin niet handelen zal tegen de wereldlijke rechten, en wel acht neme, dat men alle ergernissen vermijde.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 12

Artikel
12

Op de 5e vraag van die van Den Briel, of een lidmaat der gemeente willende een persoon trouwen, die papist, doops- of wereldsgezind is, van de dienaar getrouwd zal mogen worden, of niet, is geantwoord, dat men zulken van tevoren vermanen en waarschuwen zal, en zo hij niettegenstaande de vermaning evenwel getrouwd wil wezen, dat men hem trouwen zal, dewijl het openbaar trouwen politiek is. Wat men nu doen zal met hen, die de vermaning weigeren aan te nemen, en nog tegen de dienaars kwaad spreken, is geantwoord, dat de konsistorie met dezulken naar de omstandigheid der zaak zal handelen, hetzij met schuldbelijdenis, voor de konsistorie of openlijk, of maar voor een tijd lang van het Nachtmaal af te houden, of met de trappen der exkommunikatie voort te varen na hun diskretie.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 13

Artikel
13

Op de zesde vraag derzelfden van een man, die van zijn huisvrouw nu lange tijd solemnelijk gescheiden is, om des verscheiden geloofs en onderling gekijfs wille, en bij een andere huisvrouw lang gezeten en kinderen gewonnen heeft, en de dood zijner vorige huisvrouw niet bewijzen kan, of men deze vrouwspersoon van het Nachtmaal zal afhouden, en zij beiden behoren gescheiden te worden, is geantwoord, dat men haar afhouden zal tot de tijd, dat hij bewezen zal hebben, dat zijn vorige huisvrouw dood is; en aangaande de scheiding zal men bezien hoe men doen zal, antwoord gevraagd hebbende van Genève en Heidelberg, tot welke kerken de broeders worden geraden voor deze zaak te schrijven. En zo men bevindt, dat zijn vrouw dood is, zo zal men hem straffen om zijner zonden wil, en haar tot het Nachtmaal toelaten.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 14

Artikel
14

Op een andere vraag van dezelfde broederen of een vrouw niet wederom zou mogen trouwen, wier man nu 7 of 8 jaren uit geweest heeft, en zij niet weet of hij levend of dood is, alzo zij nooit bescheid van hem gehoord heeft, is geantwoord, dat zij bij de overheid konsent en losspreking begeren zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 15

Artikel
15

Op een vraag der vorige broederen van een jonggezel, die met een dochter in beloften staande, 15 jaar huisgehouden heeft, daarna haar verlaten en een ander getrouwd heeft, en zij die verlaten is, begeert, dat men haar, ook een scheidbrief hebbende, met een ander trouwe, is geantwoord, dat zij haar zaak de overheid recht voorstellen en van dezelve bevel en konsent begeren.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 16

Artikel
16

Op derzelver 10e kwestie is geantwoord, dat men deze zaak bij de overheid vorderen zal, alzo zij begonnen is.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 17

Artikel
17

Op een vraag van die van Dordrecht, wat men doen zal met een man, die in het pausdom zijns broeders wijf genomen heeft, en omtrent 14 of 15 jaar met haar gewoond heeft en kinderen bij haar gewonnen heeft, is geantwoord, dat zulk een bijwoning, dewijl zij van God verboden is, van de mens niet is toe te laten. Maar aangezien de man nu leedwezen van zijn zonde heeft, en zulks als Gods Woord vermag, hetzij te scheiden of te blijven, te volgen gewillig is, is besloten, dat de classe van Dordrecht de ganse handel aan die van Genève en Heidelberg overschrijven zal en middelerwijl zal hij tot het Nachtmaal niet toegelaten worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 18

Artikel
18

Op de vraag der vorige broederen van een kreupele, diens huisvrouw van hem geweest is, omtrent 22 of 23 jaar, van welker dood men nog niet zeker is, en sinds bij een andere vrouw gezeten heeft en nog zit, of men hem met deze trouwen zal, is besloten, dat men hem eerst tot de overheid zenden zal om konsent aldaar te halen, en konsent hebbende, zal men hem voor de konsistorie trouwen, en eerst zijn zonde scherpelijk voorhouden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 19

Artikel
19

Op de vraag van die van Rotterdam, of de huwelijken, die met uitdrukkelijke woorden, Lev. 18, niet verboden zijn, maar uit tegenstelling en konsekwentie besloten kunnen worden verboden te wezen, voor verboden en ongeoorloofd gehouden zullen worden, is geantwoord: Ja, dewijl zij van gelijke aard en natuur zijn. En voorts op de vraag als de overheid zulk een huwelijk toelaat, wat de minister doen zal, is geantwoord, dat hij de personen niet trouwen zal zonder vrijspraak en schriftelijk bevel van de overheid. En men zal de personen en de overheid van te voren genoegzaam van deze zaken vermanen en waarschuwen.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 20

Artikel
20

Op de vraag van die van Walcheren, of een jonggezel, die tegen de dank zijner ouders, zijn trouw ener maagd gegeven heeft, en deze door zijn ouders verlaten hebbende, zich aan een ander, die eens papen dochter is, wettelijk verbonden en middelerwijl na deze belofte gedurende de tijd der uitroeping bij de eerste geslapen heeft en bovendien van de provisor de eerste toegewezen is, nu met een derde (dewijl de tweede, namelijk des papen dochter, in het recht vrij van hem gesproken zijnde, met een ander gehuwd is), trouwen mag? Is geantwoord: dewijl des papen dochter vrijgekend is van de rechter, hoewel papistisch, zo is heb huwelijk, dat zij namaals begaan heeft, wettelijk. Want hoewel men hier wel mocht vragen, of zij recht geoordeeld hebben of niet, zo wordt nochtans een uitgesproken vonnis eens rechters, daarvan geen appellatie valt, voor recht gehouden. En hoewel de rechters niet wettelijk zijn, zo worden zij nochtans voor wettelijk geleden, en hun vonnis moet staat grijpen. Aan de eerste, die hij tegen de wil zijner ouders beloofd, en die hij onteerd heeft, is hij niet verbonden, inzonderheid, dewijl zijn ouders daartegen spreken. En hiertegen strijdt de wet Gods, Ex. 22 en Deut. 22 niet, want aldaar wordt gesproken van manspersonen, die hun eigen voogd zijn en niet van zodanigen, die onder de macht van hun ouders staan. Hieruit volgt, dewijl de overheid dezen tot behoorlijke tijd niet gestraft hoeft en nog duldt, dat hij de derde, die hij met bewilliging zijner ouders beloofd heeft, verbonden is, en zo de overheid zulks beveelt, trouwen mag.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 21

Artikel
21

Op de vraag dergenen, die over vóór zeven jaren aan het Nachtmaal geweest zijn, en het pardoen gehaald hebben, hoe men ze toelaten zal tot het Nachtmaal, is geantwoord: Zo de ergernis openbaar is. zo zal ze openlijk gebeterd worden. Maar overmits in dit gemeen geval ongelijk gezondigd is, zo zal de konsistorie naar gelegenheid der daad oordelen of het genoeg zij, met de belijdenis voor de konsistorie en verklaring op de stoel of niet. Hetzelfde antwoord is op de vraag van de Franse minister te Middelburg, van een die ter mis gegaan heeft, na de aangenomen, bekende waarheid.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 22

Artikel
22

Op de vraag van de afsnijding dergenen, die tot de dopers vervallen zijn, is geantwoord, dat men tot de afsnijding derzelve naar de trappen, die in de Embdense Synode voorgesteld zijn, voortvaren zal.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 23

Artikel
23

Op de vraag van die van Delft, of men een lombardier ten Nachtmaal mag toelaten, is geantwoord: Neen; want hoewel van de overheid toegelaten is, lombardie te drijven, zo is ze nochtans meer om de hardigheid en boosheid des menselijken harten, dan naar Gods wil toegelaten. Daarbenevens zouden vele honderd mensen door de toelating eens zulken mensen geërgerd worden.

Kerkorde Dordrecht (1574) Pv 24

Artikel
24

Is besloten, dat onze broeders de dienaren der classe van de Paltz de Synode Generaal beroepen zullen, zo haast als zij bevinden zullen, dat het nut en nodig wezen zal, en bekwamelijk gedaan zal mogen worden, overmits hun deze last van de Embdense Synode opgelegd was, en hebben om der veranderingen wil, die in Holland en Zeeland geschied zijn, niet kunnen of mogen volbrengen. Is ook geordineerd, dat overmits weinig provinciën zijn, dat een iegelijke classe een dienaar des Woords met een ouderling tot de Synode Generaal zenden zal, en hebben de broeders in de naam hunner classen beloofd, zich hierin gewillig te laten vinden.

Acta Dordrecht (1574)

Acta Dordrecht (1574) Namen

|131|

 

De namen der gheenen die inden Sijnodo gheweest sijn, daer toe veroordent van haren classen om met haren stemmen te helpen besluijten1).

 

Wt de Classe van Delft.

1. Franciscus Francus Dienaer tot Naeldtwijck
bij den welcke een tijdt langh gheweest is
Matthijs Iacóbsz Ouderlingh van Naeldtwijck.
2. Egidius, Dienaer tot Roterodam.
3. Hubertiis Francisci eertijdts Dienaer tot Schipluij.
4. Arnholdus Cornelius Dienaer der kercke van Delft.
5. Burchart Iansz sijn medeghesel, Diaken.


1) Deze naamlijst, ook al staat zij niet in de notulen zelve, behoort toch ook tot de authentieke acta. Immers zij gaat er onmiddelijk aan vooraf, op de eerste bladzijde van het geheele stuk, en zij is blijkbaar van dezelfde hand. En voorts maakt haar inhoud het zeer waarschijnlijk, dat zij staande de vergadering door den scriba zal zijn opgemaakt; wel niet bij den aanvang, want zij vermeldt ook reeds de twee Dordtsche ouderlingen, die, blijkens de notulen van de eerste zitting, eerst na die zitting kunnen benoemd zijn; maar toch vóórdat twee der zeven gedeputeerden uit de Delftsche Classe waren aangekomen, want de namen van die twee komen achteraan, blijkbaar na het opmaken van de lijst daaraan nog toegevoegd, en zeker dientengevolge ook niet van een cijfer voorzien. Wat die cijfers betreft, is het zeker geene vergissing, dat de eerste twee namen slechts één cijfer hebben; want die twee telden inderdaad slechts voor één. Blijkens den geloofsbrief van Mr. Matthijs Iacobsz zou deze slechts korten tijd kunnen uitblijven, en was daarom Ds. Franciscus Vrancken benoemd om hem te vervangen; en deze predikant was reeds aanstonds met hem medegezonden, daar hij toch tijdelijk buiten dienst was, doordat zijne gemeente geheel in de macht was van het Spaansche leger, dat destijds een groot deel van Middel-Holland bezet hield. Voor het overige bevat deze lijst, volgens haar eigen opschrift, alleen de namen dergenen die met keurstemmen tegenwoordig waren. Dat er buitendien ook wel anderen de Synode konden bijwonen, en zelfs aan hare werkzaamheden deelnemen, blijkt b.v. uit hetgeen te dien aanzien bericht wordt in de notulen zelve, met betrekking tot den te Leiden beroepenen, maar door de belegering van die stad nog in Dordrecht opgehoudenen, predikant Caspar Coolhaes.

|132|

Van Dordrecht.

6. Iohannes Lippius
7. Bartholdus Guilielmus
8. Iacobus Michaël
9. Christianus Sinapius, Kerckendienaers van Dordrecht.
10. Ian Canin, Ouderlingh.
11. Claes Iansz Iagher ouderlingh.
12. Petrus Iohannes Dienaer der kercke tot Schoonhouen.
13. Iohannes Heinrichi Dienaer der kercke ter Gouw
met een Ouderlingh [volgens den geloofsbrief: Wilhem Thomessenn].

Wt de Classe vanden Briel.

15. Gerardus Gallinaceus Dienaer des Woordts inden Briel.
16. Ian Commersz, Ouderlingh der kercke inden Briel.

Wt de Classe van Scouwen.

17. Gerardus Culenborgicus Dienaer des Woordts te Zijrixee.
18. Cijprianus Morhius Ouderlingh der kercke van Zijrixee.

Wt de Classe van Walcheren.

19. Gasparus Heijdanus Dienaer der Woordts.
20. Ian de Hom Ouderlingh der kercke tot Middelburch.
21. Iohannes Gerobulus Dienaer der kercke tot Vlissinghen.
22. Iohannes Miggrodius Dienaer der kercke van ter Veer.
23. Iohannes Taffinus.

Noch wt de Classe van Delft, Ernestus van Vossen
Ouderlingh der kercke inden Haghe.
ende Petrus Carpenlarius Dienaer van Schiedam.

Wt Noorthollandt, niemandt.

Wt de Classe van Leijden, niemandt.

Acta Dordrecht (1574) 15-6

Acta des Sijnodi Prouincialis ghehouden den 15 Iunii a°. 1574.

Acta Dordrecht (1574) 15-6-a

Casparus Heidanus is met ghemeijnen stemmen tot Praeses vercoren, ende Arnholdus Cornelius Scriba1).


1) Deze alinea staat in het handschrift bovenaan op den kant; blijkbaar eerst vergeten, en daarna met dezelfde hand bijgevoegd.

Acta Dordrecht (1574) 15-6-b

Is besloten dat de Dienaers van Dordrecht met haere Consistorie twee Ouderlinghen verkiesen sullen om der Sijnodale versamelinghe bij te woonen.

Acta Dordrecht (1574) 15-6-c

Ouermidts d’ ontschuldt waeromme Henricus van Gorichom op den Sijnodum niet en coomt, vander Consistorie niet gheschreuen en is noch oock gheen fondement en heeft, Soo en is die vander versamelinghe niet aenghenomen.
Is derhaluen besloten datmen aen het Consistorium van Gorichom schrijuen sal, dat sij Hendricum met eenen Ouderlingh na de ordinantie des Classischen Conuentus tot Bommel ghehouden op den Sijnodum seijnden, Datmen oock de Ouericheijt die voor Hendrico gheschreuen hadde met een brief aduerteere dat sij het ons niet qualick af en neme dat wij Heindricum ontbieden. Dit te schrijuen is Ernesto te laste gheleijt.
Op de vraghe wie met den brieuen gaen sal ende wie de plaetse Heindrici (soo hij coomt) sal vertreden, Is besloten datmen eenen seeckeren bode tot Gorichom sal seijnden die haer wt den naem des Sijnodi belouen sal (so sij Hendricum laten gaen) een anderen in sijne plaetse, tot dat hij wedercoomt te setten.

Acta Dordrecht (1574) 15-6-d

Is besloten op den lasterischen ende spijtighen brief des Ministri tot Woerden dat M. Taffin den brief ter gheleghener tijdt ende bij occasie mijn Heer den Prince vertoonen sal, ende met hem handelen wat men beste in dese saecke sal doen.
Item dat Taffinus eene grondelicke antwoorde op den brief des Dienaers van Woerden schrijuen sal, tot verantwoordinghe des Sijnodi ende wederlegghinghe sijner spijticheijt, welcken brief Hugo van Oudewater afschrijuen ende hem in sijnen naem ouerseijnden sal.

Acta Dordrecht (1574) 15-6-e

Lippius sal een briefgen aen die van Bommel schrijuen, dat sij of eenen van haren Dienaren ende Ouderlinghen inden Sijnodum seijnden, ofte d’ oorsaecke schrijuen waeromme sij sulx niet en connen doen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6

16 Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-a

Artikel

Die artikelen des Sijnodi van Embden sijn voorghelesen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-b

Is ghesproocken gheweest dat het nut sijn soude dat oock de Ouderlinghen ende Diakenen de Nederlantsche Belijdinghe onder den artikelen des Synodi onderschreuen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-c

Taffinus heeft aen D. Bezam na laste des derden artikels gheschreuen dan en heeft gheen antwoordt ontfanghen. Derhaluen en sullen de broeders als noch de Belijdinghe der articulen van Vranckrijck niet onderschrijuen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-d

Wordt voor goet aenghesien dat in allen Consistorien ofte ten minsten in allen Classen eene copie vande Confessie ende Articulis Sijnodi bewaert worde.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-e

De versamelinghe heeft besloten datmen eenerleij Catechismum in allen Kercken der Prouincie houden sal.

Ten anderden dat dit sal wesen de Heidelbersche [sic] Catechismus.

Ten derden datmen desen Catechismum alleen opentlicken sal leeren, ende dat de Dienaers in het besonder t’ cort Ondersoeck den sommighen voorhouden mueghen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-f

Op de vraghe of de Kerckendienaeren in haren Kercken Ouderlinghen ende Diakenen hebben die wettelicke vercoren sijn, is gheantwoort, Ja.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-g

In allen plaetsen is een beghinssel van Classen, vanden welcken hier na ghehandelt sal worden.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-h

Die van Enghelandt hebben haer beste ghedaen, aengaende t’ ghene dat inden achten artikel des Embdtschen Sijnodi besloten is, dan sijn vanden Bisschoppen verhindert.

Is goet gheuonden datmen die van Enghelandt wederomme vermanen sal datse hun in den alghemeijnen Sijnodo vinden. Ende Gerobulus is veroordent dit oock mede onder anderen inden brief te setten die hij aenghenomen heeft aen hun te schrijuen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-i

De deijlinghe der Classen.

1. Walcheren. 2. Scouwen ende Duuelandt.
3. T’landt van Voorn, Putten behaluen Roon ende Portegael, Item Ouerflackee ende Goereede tot der tijdt toe dat de Kercken beter versien sullen wesen, ende dat die van Ouerflackee eene Classem op hunseluen connen maecken.
4. Delft, Woudt, Schipluij, Lier, Maeslandt, Naeldtwijck, Ouwerschie, Pinaicker, Berckel, Nootdorp, Bleijswijck, Soetermeer.
5. Haghe, Rijswijck, Voorburch, Wassenaer, Monster, Sgrauenzandt, Loosduijnen, Eickenduijnen, Scheueringhe, Wateringhe.
6. Roterdam, Schiedam, Hillegondtsberch, Delfshauen, Vlaerdinghen, Capelle, Cralinghen, Seuenhuijse, Iselmonde, Portegael, Roon.
7. Bommel, Buren, Leerdam, Hueckelom, Asperen, Gorichom, met haren ommeligghenden dorpen.
8. Dordrecht, Gheertruijdenberch, T’eijlandt van Swijndrecht met sijnen dorpen, Petershoeck met den sijnen. De Clundert ende de Finert sullen onder Dordrecht be-hooren, soo langh als die Flackee gheen Classe op haer-seluen en maeckt.
9. Ter Gow, Schoonhouen, Oudewater, WoerdeD, met haren dorpen, ende met allen den dorpen die daer legghen tusschen de Leek ende Isel, met Nieupoort, Langheraeck ende Amers.
10. Leijden met gantsch Rijnlandt.
11. Alckmaer. 12. Enchuijsen. 13. Hoorn. 14. Eedam.
De broeders hebben besloten, aenghesien weinich plaetsen noch met Dienaren voorsien sijn, dat hun sommighe Classen twee ende twee t’ samen voeghen sullen. Ende als door Godts ghenade de Kercken beter versien sullen wesen, dat alsdan de Classen sich wederomme sullen mueghen deijlen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-j

Is besloten datmen aen die van Enghelandt, Wesel, Embden, Antwerpen schrijuen sal datse den 45 artikel nacomen, belouende dat wij t’ selue oock neerstelick doen willen. Dit sal doen Iohannes Gerobulus.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-k

Om die confusie ende verwerringhe te vermijden die wt de verkiesinghe des ghemeijnen volx ontstaen mochte, hebben de broeders besloten dat de Dienaers des Woordts vander Consistorie der plaetse daer sij dienen sullen beroepen worden, doch alsoo dat het gheschiede met aduijs der Classische versamelinghe, ende datse alsoo der Ghemeijnte voorghestelt worden, na wtwijsen des 13 Embdtschen artikels.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-l

Aengaende t’ verkiesen der Ouderlinghen ende Diaconen, dat sal gheschieden na het wtwijsen des 14 Artikels der Embdtsche versamelinghe, dat namelick de Consistorie t’ recht der verkiesinghe hebben sal.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-m

De Consistorie sal dubbel ghetal der Ouderlinghen ende Diaconen der Ghemeijnte voorstellen de welcke de helft daer wt sal kiesen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-n

Der vercooren Dienaeren half deel sal alle iaers verandert worden na wtwijsen des 15 artijckels.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-o

De Dienaren des Woordts die vrij sijn sullen henseluen inden dienst der Kercke gheroepen sijnde verbinden. Die elders verbonden sijn sullen daer van bijden Classen ghewisse reden laten blijeken, welcke oordeelen sal of de oorsaecken ghewichtich ghenoech sijn om in anderer Kercken dienst te treeden.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-p

Op de 10 vraghe van dien vanden Briel is gheantwoordt dat Taffinus bij mijn Heer den Prince vande onderhoudinghe der Dienaren ghehandelt ende goede hope ghecreghen heeft.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-q

Teghen die Dienaren die lichtueerdelicken in andere Kercken sonder wil ende weten der Classe vertrecken salmen de kerckelicke Censure ghebruijcken.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-r

Op den 12 artikel is Taffino belastet dat hij met sijner Excell. ter gheleghener tijdt ende bij occasie handelen sal, dat hij den officieren allesins op den dorpen ghebieden wille, dat sij niemandt toe en laten te predicken, dan die een brief vanden Classe vertoonen sal.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-s

Is besloten dat de beroepene Dienaren des Woordts oordentlicken bij ghebeurten inden Consistorio presideeren sullen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-t

Op de 16 propositie van Delf is besloten dat gheen Dienaer wt de Classe daer hij in is vertrecken en mach in eene andere Kercke, sonder eerst van sijner Classe oorlof vercreghen te hebben, op dat hij niet alleen van sijner Kercke, maer oock vander Classe schriftelick bescheijt brenghe. Doch dat de Classen wederomme de Dienaren met behoorlick onderhoudt ende andersins ver sorghen.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-u

De Dienaers sullen opentlicken inder Classische versamelinghe gheexamineert worden.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-v

Ouermidts d’oplegghinghe der handen in deser ionckheijt der Kercke tot superstitie ghetoghen ende sommigher bespottinghe onderworpen soude mueghen wesen, hebben de broeders besloten datmen deselue alsnoch onderweghen laten sal, ende de Dienaers alleen Gode ende der Ghemeynte beueelen, als hier na volcht.

Acta Dordrecht (1574) 16-6-w

Is besloten datmen de Dienaers die elders inden Dienst gheweest sijn, ende van nu voort aen nieuwelick inder Kercke aenghenomen sullen worden, Gode met den ghebede ende der Ghemeijnte met eener cleijne vermaninghe na d’onderlinghe stipulatie beueelen sal, ghelijck alsmen oock dien sal doen die nu eerst in den Dienst opghenomen worden, inden welcken doch een breeder vermaninghe ende stipulatie voor gaen sal.

Acta Dordrecht (1574) 17-6

17 Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-a

Gheen Minister wt anderen Kercken comende sal aenghenomen worden sonder ghetuijghenisse te brenghen vander Classe ende Consistorie van daer hij coomt, of daer gheen Classe ofte oordentlicke Consistorie en is, van gheloofweerdighe Ministers ende anderen personen, van welcke attestatie de Classe ende Kercke oordeelen sal, of se ghenoegsaem is.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-b

Aengaende t’ vasten ende bidden omtrent de verkiesinghe der Dienaren is besloten dat wanneermen handelt van eenen seeckeren Dienaer des woordts te verkiesen die der Kercke Godts van te vooren ghetrouwelick ghedient heeft, datmen niet en sal behoeuen eenich vasten te houden. Maer wanneermen vergaderen sal om te besien wie te verkiesen sij, soo salmen de lidtmaten der Ghemeijnte tot huijsvasten ende bidden vermanen, het welcke niet soo naw en sal behoeuen onderhouden te worden inde verkiesinghe der Ouderlinghen ende Diaconen.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-c

Tot verclaringhe des 6 artikels des Embdtschen Sijnodi, soo sullen de Dienaers des Woordts, Ouderlinghen ende Diakenen de Consistorie maecken, Alsoo, dat de Dienaren ende Ouderlinghen alleen onder hen versamelen sullen, oock de Diaconen bijsonder, om hare eijghen saecken die d’ armen aengaen te verhandelen. Doch in plaetsen daer weinich Ouderlinghen sijn sullen de Diakenen toeghelaten mueghen worden na de begheerte der Consistorie. Ende de Diaconen sullen ghehouden worden te verschijnen, wanneerse inde Consistorie beroepen worden.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-d

In een ieghelick Consistorie sal een boeck wesen waer inne neerstelick ende ghetrouwelick opgheteijckent sal worden wat tot de regieringhe der Kercke dient, ’t welck alles gheschreuen sijnde t’ elcke mael sal gelesen worden, of daer iet af of toe te doen ware, Ende men sal inde naestuolghende versamelinghe lesen wat inde leste besloten is.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-e

Item men sal een boeck in allen Ghemeijnten hebben, daer in men teijckenen sal de namen der kinder die gheboren ende ghedoopt worden, met den namen der ouderen ende ghetuijghen. Item der gheenen die men trowt ende diemen tot lidtmaten der Ghemeijnte op neemt.

Oock sal een ieghelick Dienaer opteijckenen de namen der lidtmaten die afsteruen, ende die Oeuericheijt bidden datse den graefmaeckeren ofte den gheenen die last daer van hebben beueelen boeck te houden van allen den gheenen die afsteruen, op datmen altijdts als het noot doet vereijsschen can wie daer ghestoruen is.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-f

Die buijten de oordeninghe der Kercke sich inden Kerckendienst indringhen, sullen vander Classe eens twee of meermael gheroepen ende vermaent worden datse reden haers doens gheuen. Ende ist datse dit hartneckelick weijgheren te doen, soo sullen sij verclaert worden Schismatici ende loopers te wesen, ende haer naemen sullen den anderen Classibus te kennen ghegheuen worden. Doch indien sij sich beclaeghden dat hun onghelijck gheschiede, soo sullen sij sich op den Sijnodum Prouincialem beroepen mueghen. Hier en tusschen sal mijn Heer de Prince ghebeden worden dat hij den officieren der plaetsen ghebiede dat sij niemandt toe en laten te predicken dan die ghetuijghenisse hebben van haren Classe etc. alsoo bouen verhaelt is dat Taffinus dit doen sal.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-g

De broeders achten dat tot wtroeijinghe der valscher leeringhe ende dwalinghen die door het lesen der ketterischen boecken meer ende meer toenemen, dese nauolghende middelen gheuolcht behooren te worden. Ten eersten sullen de Dienaers vanden predickstoel t’ volck tot de lesinghe der Bibelsche Schriftuijre vermanen ende vanden onghesonden ketterischen boecken afmanen sal [sic], doch de namen der boecken spaerlick noemende. Ten tweeden sullen die boeckuercoopers der reijne leere toeghedaen vanden Dienaren vermaent worden, datse sulcke boecken niet en drucken noch vercoopen. Ten derden sullen de Dienaers inde huijsbesoeckinghen der lidtmaten der Ghemeijnte besien of in haren huijsen eenighe schadelicke boecken sijn, op datse haer vermaenen mueghen sulcke boecken wech te doen.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-h

Aengaende de propositie, Ofmen die gheene die niet ghestudeert en hebben, ende nochtans goet verstandt hebbende begheerich sijn hun tot eenighen Kerckendienst te begheuen, toelaten sal te proponeeren, Is besloten datmen die alleen toelaten sal inden welcken alle dese dinghen (niet) 1) beuonden en worden, Ten eersten, godtsalicheijt ende ootmoedicheijt, Ten tweeden, gaue van welspreeckenheijt, Ten derden, goet verstandt ende discretie.


1) Het woordje niet staat duidelijk in het handschrift, maar moet natuurlijk geschrapt worden.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-i

Men sal de Nederlandtsche belijdinghe des gheloofs om seeckere oorsaecken laten als sij is, ende soo daer eenighe woorden in te veranderen waren na het exemplair tot Geneuen ghedruckt, salmen wachten tot op den Sijnodum generalem.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-j

Die Monicken ende Papen geweest sijn, ende sich tot den Kerckendienst begheeren te begheuen, salmen niet toelaten dan vander Classe gheexamineert, na deser preuue, Ten eersten datse de leere des pausdoms versaecken, ten tweeden datse haer vocatie versaecken, ten derden datse wel gheoeffent ende doorsocht sijn door ootmoedicheijt ende patientie, ten vierden datse een gaue van wel te leeren hebben, ten vijfden datse de rechte leere bekennen ende sich der Discipline onderwerpen.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-k

Aengaende den tijdt der Classische versamelinghe, is besloten dat de Classen alle maenden versameien sullen, wtghenomen Dort ende ter Gouw die alle twee maenden tsamen sullen comen, tot datse op hetseluen gheset worden. Sullen doch de Dienaers van allen Classen ghehouden sijn bij een te comen telcken datse om eenighe nootsaecken beroepen worden.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-l

Men sal de Classische versamelinghen op verscheiden plaetsen d’ een na d’ ander houden, ende het sal der Classe toestaen eerse scheijt t’ elcken de plaetse der naestcomende versamelinghe te benamen.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-m

Aengaende d’ opentlicke auontghebeden hebben de broeders besloten, datmense niet invoeren en sal daerse niet en sijn, ende daerse in ghebruijck sijn, soo stichtelick ende voorsichtelick afschaffe als het mueghelick is, insonderheijt om dese nauolghende oorsaecken. Ten eersten, op datmen d’oordentlicke predicatien des te vierigher ende neerstelicker besoecke, Ten tweeden datmen [sic] de huijsghebeden des auonts (die een ieghelick huijsvader met sijn huijsghesin schuldich is te doen) te neerstigher onderhouden worden. Ten derden, op dat d’alghemeijne ghebeden op den vastdaghen, diemen somtijdts om eenighen bijsonderen noodt ghebruijckt, te vierigher ende solenneelicker mueghen ghebruijcket worden.

Acta Dordrecht (1574) 17-6-n

Van den lijckpredicken is besloten datmense met grooter voorsichticheijt, soeckende d’ opbouwinghe der Kercke, daerse ingheuoert sijn afsette, daerse niet ingheuoert en sijn niet in en voere, om de periculen der superstitie die daer wt comen te vermijden.

T’ luijen der clocken omtrent de begraeffenisse der dooden achten wij dat allesins afgheset behoort te worden.

Acta Dordrecht (1574) 18-6

XIIX Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-a

Aengaende de feestdaghen neffens den Sondach, Is besloten datmen met den Sondach alleen te vreden sijn sal. Doch salmen de ghewoonlicke materie vander gheboorte Christi Sondaechs voor den Christdach inder Kercke handelen, ende het volck vande afdoeninghe deses feestdachs vermanen, ende oock vander selue materie op den Christdach predicken, soo hij valt op een predick dach. Men sal oock op Paesch ende Pinxter dach vander Verrijsenisse Christi ende seijndinghe des H. Gheestes leeren mueghen, t’ welck inde vrijheijt der Dienaren staen sal.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-b

Op het voorstellen, Of het nut ware datmen beneffens den Psalmen Dauids ghedichtet door Dathenum enighe andere gheestelicke liedekens ende psalmen van anderen gheleerden mijden ghemaeckt inden Kercken ghebruijckte, Is vanden broederen besloten dat men met den Psalmen Datheni mitsgaders t’ gunt datter bij is te vreden sal wesen, tot dat inden Sijnodo generali anders besloten sal sijn.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-c

Is besloten dat na het ghebet voor de predicatie, dat ghesangh O Godt die onsen Vader bist etc. den Dienaren vrij sal staen te houden of te laten.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-d

Alle Dienaren sullen eenerleij forme van opentlicke1) Kerckghebeden ghebruijcken, doch datse cortelick ende wijsselick daer inne voeghen dat de teghenwoordighe noodt eijsschen sal, als voor speciale personen der Ouerheijden, voor eenighe crancken etc. Ende dit sullen sijn de ghebeden inden Catechismo veruatet. Ende ouermidts t’ alghemeijn ghebet t’ Sondaechs na de predicatie te langh is, twelck op vast ende bidtdaghen bequamelick ghebruijckt can worden, Soo is den Praesidi belastet dat hij een corte dancksegghinghe begrijpe, diemen bruijcken sal mueghen tot dese woorden toe Ende ouermits het v behaecht etc.


1) Dit woord is met dezelfde hand boven den regel bijgevoegd.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-e

Men sal de predicatie beghinnen van desen woorden na t’ ghesangh des Psalms, Onse hulpe sij inden naem des Heeren etc. Item de predicatie besluijten met den seghen Num. 6.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-f

De Sondaechsche Euangelien diemen int pausdom pleech te ghebruijcken, en sullen niet ghepredickt worden, Dan men sal een boeck der H. Schriftuijre oordentlick na malcanderen wtlegghen, Op dat de predicatien door te veel text niet te langh en vallen, t’ volck van den misverstande afghetoghen ende tot den rechten verstande der gheheeler schrift bequamelicker ghebrocht worde.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-g

Aengaende de materie der predicatien, is goet gheuonden datmen aller meest wt t’ Nieuwe testament t’ volck leeren sal. Het sal oock wel inde vrijheijt der Dienaren staen wt den Ouden testamente te predicken met raet ende auijse des Consistorii.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-h

De broeders van Xijrixee sijn vermaent datse eenen seeckeren ministrum, Michaëlem wt het landt van Voorn comende sonder ghetuijghenis brief der Classe daer hij van qaam, in den Dienst bij hun aenghenomen ende qualicken daer aen ghedaen hebben. Ende is hun belastet datse hem schrijuen dat hij een ghetuijghenisse brief van der Classe vanden Briel eijssche der welcke ghedeputeerde hier sijn, de welcke dan d’ oorsaecke in sijner teghenwoordicheijt bewijsen sullen, waeromme sij hem gheen ghetuijgenis-brief gheuen en willen. Alsoo sal dese oneenicheijt tusschen de Classe ende dien Ministrum van den Sijnodo ter neder gheleijt worden.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-i

Het is der Dienaren des Woordts ampt de crancken te besoecken, ende het is gheuaerlick seeckere personen daer toe te ordineeren. Daeromme sullen de Dienaers op d’ Ouderlinghen ende Diaconen begheeren, datse hun hier inne met haren arbeijt helpen willen, ouermidts dat haer ampt meer dan anderer Christenen is de siecke, arme ende troostloose lidtmaten te besoecken troosten ende te stercken.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-j

Der Dienaeren ampt is oock als het noodt doet bij t’bedde der crancken den naem des Heeren aen te roepen.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-k

De Dienaers sijn vermaent haer toehoorders met te langhen predicken niet te beswaren, ende haer predicatien bouen d’wre soo veel mueghelick is, niet te vertrecken.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-l

De Classen sullen van haren Ouerheijden begheeren, datse het coopen, vercoopen, drincken, arbeijden, wandelen etc. insonderheijt des Sondaechs te wijle men predickt verbieden willen. In welcke saecke soo daer eenighe Ouerheijden sich onwillich bewijsen, soo sal mijn Heer de Prince mueghen ghebeden worden dat hij de Ouericheijden tot dien ampte vermane, om sich na ’t exempel der ghenen die sulx alreede in t’ werck ghestelt hebben te schicken.

Acta Dordrecht (1574) 18-6-m

Den Dienaren is vrij ghestelt voor ofte na de predicatie de afgheroepene personen te trouwen.

Acta Dordrecht (1574) 19-6

XIX Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-a

Ouermidts het gheuaerlick is dat alle Dienaren elck eene bijsondere vermaninghe voor de bedieninghe des Doops doen souden, soo isset besloten dat de forme eenerleij sal wesen, welcke corter begrepen ende den Dienaren toeghestelt is.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-b

Aengaende den tijdt des Doopens voor of na de predick, Hoe wel de bedieninghe des Doops op haer selue behoorde te wesen, soo is nochtans besloten dat mense tusschen de predicatie ende t’ alghemeijne ghebet sluijten sal mueghen, tot dat anders inden Prouinciali of Generali Sijnodo besloten sal worden.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-c

Is besloten datmen de dancksegghinghe die na den Doop volcht, voor t’ alghemeijn Ghebet doen sal.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-d

De forme vande vraghen voor den Doop salmen houden alsoo se achter den Catechismum staen, behaluen dat de Kerckendienaers de ouders verbinden ende de bijstaende ghetuijghen vermanen sullen.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-e

Het sal vrij staen dat deselue Minister die d’ insettinghe ende t’ ghebruijck des Doops verclaert oock doope, of dat het verscheiden Dienaren doen. Doch sullen de Dienaers de forme dat een minister alle beijde doe, in haren Kercken, soo veel als sij sonder erghernisse ende onghelentheijt [lees: ongheleghentheijt] doen connen, in voeren.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-f

De broeders gheuoelen dat het raedtsaemste ende beste ware dat de Kercken eene besprenghinghe inden Doop ghebruyeten, Doch hebben besloten dat de maniere van driemael te besprenghen ghedraghen sal worden in Kercken daerse in is, ter tijdt toe datmen die andere maniere beter inuoeren can.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-g

Het verbondt Godts sal inden kinderen soo haest alsmen den Doop Christelicken becomen can, met den Doope verseghelt worden, ten sij saecke datter eenighe sware oorsaecke sij, om den Doop eenen tijdt langh wt te stellen, van welcke de Consistorie oordeelen sal. Maar die affectie der ouderen die den Doop harer kinderen begheeren wt te stellen ter tijdt toe dat de moeders selue haer kinderen presenteeren, ofte op die gheuaders langhe wachten, en achten de broeders gheen wettelicke oorsaecke te sijn om den Doop wt te stellen.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-h

Om dat wij gheen ghebot van den Heere en hebben gheuaders ofte ghetuijghen te nemen om de kinder ten Doope te presenteeren, soo en machmen niemandt hier van eenen bijsonderen noot oplegghen. Nochtans nademael het een oudt ghebruijck is, ende tot goeden eijnde ingheuoert, te weeten om vanden ghelooue der ouderen ende den Doope des kindts te betuijghen, ende op hen te nemen den last van het kindt t’ onderwijsen, in val dat hem sijn vader ofte moeder afstorue, Item om d’ onderlinghe ghemeijnschap ende verbindinghe der vrientschap tusschen den gheloouighen t’ onderhouden, Die dit ghebruijck niet en begheeren te volghen, maer hare kindere selue willen presenteeren, sullen met neersticheijt aengheporret ende vermanet worden, dat sij gheen twist en soecken, dan datse sich na de ghewoonlicke ende oude oordeninghe schicken die goet ende profitelijck is.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-i

Men sal den Doop niet aendienen dan alleen in den openbaren versamelinghen der Kercke bijde vercondinghe des goddelicken woordts.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-j

De Vaders sijn ghehouden ende behooren vermaent te worden bijden Doop harer kinderen te sijn, op dat sij met den gheuaderen de voorghestelde vraghen beantwoorden, ten sij datse door ghewichtighe oorsaecken verhindert worden.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-k

Is besloten dat d’ ontfanghinghe ende examinatie der gheenen die sich tot der Ghemeijnte begheuen, gheschieden sal voor een Minister ende twee Ouderlinghen, of twee Ministers alleen, welcke sij bestemmen sullen by hun te comen na hare gheleghenheijt, Ende de belijdinghe des gheloofs ende onderwerpinghe der Discipline sal opentlick gheschieden, in sulcken plaetsen daer een ieghelick bij comen can, t’ sij inde Consistorie of inden tempel, ende daer sullen de namen der gheenen die ontfanghen worden stichtelick verhaelt worden.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-l

Is besloten dat de belijdinghe des gheloofs vanden gheenen die te voren gheexamineert sijn in deser ionckheijt der Kercke met een ia woort gheschieden sal.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-m

Inde voorbereijdinghe tot den Nachtmael des Heeren salmen eene simpele predicatie doen, na der ghewoonte, inder welcke ghehandelt sal worden, vander beproeuinghe des menschen ende versoeninghe met Godt ende den naesten, met vierighen ghebeden.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-n

De Kercken sullen daer na arbeijden datse het Nachtmael des Heeren allen twee maenden houden, soo veel mueghelick is.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-o

Is besloten datmen in de wtreijckinghe des Broodts des Nachtmaels ghebruijken sal de woorden Pauli 1 Cor. 10, Het broot dat wij breecken, etc. met den aenhangh, Neemt, eet, ghedenckt ende ghelooft dat het lichaem Iesu Christi ghebroocken is tot een volcomen versoeninghe aller onser sonden. Ende in de wtreijckinghe des beeckers, De drinckbeecker der dancksegghinghe etc. Neemt, drinkt alle daer wt, ghedenckt ende gheloouet dat het dierbaer bloet Iesu Christi vergoten is tot versoeninghe al onser sonden.

Acta Dordrecht (1574) 19-6-p

De broeders achten dat het staen in het houden des Nachtmaels des Heeren het voechelickste is, maer ouermidts t’ exempel van sitten inden Kercken ingheuoert is, so houden wij datmen het alsnoch sonder arghernisse niet achter laten en can. Men sal nochtans middelerwijl den volcke leeren dat het middelmatich is ende na gheleghener tijdt al staende voechelicker can ghehouden worden.

Acta Dordrecht (1574) 21-6

XXI Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-a

Is goet gheuonden datmen in allen Kercken eendrachtelick eenighe plaetsen wt der H. Schrift lesen sal te wijle men het Nachtmael houdt, ende pauseeren, te wijle men de woorden Pauli leest 1 Cor. 10.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-b

Men sal oock eene corte inleijdinghe maecken tot der dancksegghinghe na het Nachtmael des Heeren, waer inne de Christenen vander groote liefde Christi tonswaert ende danckbaerheijt die wij schuldich sijn vermanet worden.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-c

Men sal oock voor het houden des Nachtmaels in desen beghinsselen der Kercken eenen eighentlicken text die tot den Nachtmale dienet ende de mijsterien daer inne begrepen verclaert inde predick voor hem neme wt te legghen, ten ware dat den oordentlicken text bequamelick daer toe gheleijt conde worden.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-d

Is besloten datmen s’ namiddaechs als het nachtmael ghehouden is de predicatie des Catechismi na der ghewoonte onderhouden sal.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-e

Men sal op den dach des Nachtmaels soo wel als op anderen daghen trouwen mueghen, maer niet op den vast ende bidtdaghen. Ende hoe wel het beter ware datmen op den Sondach niet en trowde, op dat een ieghelick hem te beter inden dienst des Heeren oeffenen mochte, soo en salmen doch dese ghewoonte in deser tijdt niet lichtueerdelick veranderen, Middelertijdt sullen de Dienaers na het beste staen, daer het sonder onstichtinghe can ingheuoert worden.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-f

Men sal gheen Auontmael des Heeren wtreijcken daer gheen forme van Ghemeijnte en is, dat is, daer niet eenighe Ouderlinghen ende Diaconen en sijn, die soo wel op de aenneminghe ende regeeringhe der ghenen die toeghelaten worden, acht hebben, als de Dienaren des Woordts, ghelijck bouen verhaelt is.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-g

Die een wettelicke ghetuijghenisse brenght sal tot den Nachtmale toeghelaten worden, ten sij dat het langhen tijdt te voren gheschreuen is, want alsdan moetmen na sulcken vernemen, euen als of sij gheen ghetuijghenisse en hadden. Doch soo betaemt het dat wij gheneichder sijn om die toe te laten dan af te sluijten, welcker godtsalicheijt gheprobeert wordt of door gheschreuen, of door leuendighe ghetuijghenisse.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-h

Artikel

De Dienaers ende Ouderlinghen sullen wel voor hen sien datse niet en handelen inden Consistorien, Classen ende Sijnoden, dan t’ ghene dat Kerckelick is. Maer die dinghen, die ten deel Kerckelick den deel politisch sijn, alsoo daer veel dinghen in huwelixen saecken vooruallen, soo daer eenighe swaricheijt in voor valt, soo sullen sij aen het oordeel ende autoriteijt der Ouerheijt aensoecken.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-i

De broeders hebben voor goet aenghesien datmen neerstelicke te boecke stellen sal den afscheijdt ende ghetuijghenisse der Dienaren die vertrecken, Maer aengaende d’ andere lidtmaten, dier namen ende tijdt des vertreckens mitsgaders d’ oorsaecken (na datmen vindt datter veel aen gheleghen is) sal men opteijckenen.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-j

In den plaetsen daer de Christelicke Ghemeijnte gheen ghemeijnschap hebben en mach met de gasthuijs, H. Gheijst ende andere arme goederen, maer alleijn d’ aelmoessen vergaderen ende wtgheuen, die inder Kercke ofte andersins hun ghegheuen worden, daer salmen bijde oordentlicke verkiesinghe der Diaconen hier bouen verhaelt blijuen. Maer daer de Magistraet haer inde ghemeijnschap der voorghemelde goederen toelaten wil, daer sal de Consistorie dobbel ghetal van Diaconen kiesen, ende daer na t’ selue der Ghemeijnte voorstellen. Ende soo verre de Ghemeijnte die selue alle voor goet houdt, soo salmen de voorschreuen mannen der Ouerheijt voorstellen, om daer wt de helft te verkiesen, ende alsoo sullense vercoren blijuen. Maer daermen die eerste maniere van verkiesinghe euen wel hebben can, salmen de selue als die bequaemste volghen.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-k

Is besloten datmen aen Hadrianum Ianss. Dienaer van Leijden, nu te Delft sijnde, schrijuen sal, op datmen sie of hij sich inden dienst der Goutsche Kercke voor eenen tijdt langh begheuen wil.
Is daer na wt den brief aen Iohannem Heindrici Dienaer van ter Gouw ghesonden ghebleken dat Hubertus van hun met namen begheert worde, Soo is dan den brief van Adriaen Ianss. op ghehouden, ende men heeft daer na van Huberto begonnen te spreecken, als volghen sal.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-l

Hoewel het staen voor den deuren der Kercke om de aelmoessen te versamelen het allervoechelixte ende bequaemste is, Soo is nochtans besloten dat de wijse van omme te gaen als noch inde vrijheijt der Kercke staen sal. Doch soo sullen de Dienaers arbeijden, dat sij het ommegaen soo veel mueghelick is sonder erghernisse afbrenghen.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-m

Is besloten dat inden plaetsen daer de Diaconen alleen die aelmoessen hebben diese versamelen, voor de Consistorie hare rekeninghe allen maenden doen sullen. Maer daerse ghemeijnschap hebben met de H. Gheest ende anderen arme goederen, daar sullen sij de reeckeninghe doen voor die de Ouericheijt daer toe beneuen soramighe der Consistorie verordineeren sal. Ende dit salmen telcken der Ghemeijnte voordraghen, opdat een ieghelick die wil sich bijde reeckeninghe vinden mach.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-n

De Diaconen sullen alle weecken op henseluen vergaderen om rijpelick van der armen saecken te spreecken.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-o

Aengaende d’ wtdeijlinghe der aelmoessen, wien ende hoe veel, dat sal staen aende discretie der Diaconen, die tot dien eijnde hare versamelinghen houden datse niet en doen sonder malcanders aduijs in oordinaerlicken saecken. Ende in ghewichtighen saecken sal het welstaen datse den raet der Consistorie ghebruijcken.

Acta Dordrecht (1574) 21-6-p

Het sal oock der Diaconen ampt sijn t’ ghelt der armen selue wt te gheuen, ende niet door een ander.

Acta Dordrecht (1574) 22-6

XXII Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 22-6-a

Ouermidts onse broeder Hubertus met namen van die vander Gouw begheert is om hare Kercke te bedienen, ende sij noch gheen seecker gheordineert stipendium hebben voor eenen tweeden Dienaer, Is besloten dat Gerobulus aen die van ter Gouw wt den naem deses Sijnodi schrijuen sal, dat de Sijnodus Hubertum voorschreuen tot eenen Kerckendienaer voor der Goudtsche Kercke vercoren hebbe ende hem nu derwaerts seijnde op datse hem eens hooren mueghen predicken, Doch dat hij hemseluen aen hun niet en mach verbinden voor dat sij hem met eenen stipendio verseeckert hebben sullen.

Acta Dordrecht (1574) 22-6-b

De broeders aenghehoort hebbende de propositie ende beschuldinghe die Gallinaceus ghedaen heeft teghen Michaelem Andriess, ende ouerwoghen hebbende de crancke ontschuldinghen desseluen Michaelis, hebben ghekent ende wtghesproocken dat hij schuit heeft, Is oock ghestraft dat hij sich inde Classische versamelinghe vanden Briel selden heeft laten vinden, ende doch gheen oorsaecke sijns wtblijuens laten weten. Hier in heeft Michael sijne schuldt ende sonde voor der versamelinghe des Sijnodi bekent, ende voort aen ghehoorsaemheijt belooft.
Heeft oock sijn schuldt bekent van dat hij in Dirxlandt comende sijnen Dienst daer aengheboden heeft sonder der Kercke attestatie sijns afscheijdts van der vorigher Ghemeijnte van Heenvliet, daer hij ghedient heeft, te vertoonen, noch hier van eenich ghewach te makken.
Op de vraghe wt het schrijuen Gallinacei, die gheschreuen hadde dat Michael sijne Ghemeijnte trowlooselijck verlaten heeft (t’ welck hij Michael missaeckt) Of Michael sijnen Dienst eener anderen Kercke belouende, sonder metweten sijner Ouerheijt ende Classe, met der waerheijt mach gheseijt worden sijne Ghemeijnte van Heenuliet, trowlooselick verlaten te hebben, hebben de broeders gheantwoort, Ia. Ouermidts Michael sich met deser beloftenisse (die sonder conditie, of het der Ouerheijt ende Consistorie belieuen soude, gheschiet is) aen eener anderen Ghemeijnte, soo veel in hem is verbonden heeft. Bijsonder soo valt dese clachte teghens hem, ouermidts hij van te vooren bekent heeft, de Classische versamelinghen onbehoorlicken versuijmt te hebben: Het welcke met der waerheijt gheheeten mach worden, Sijner ghemeijnte die behoorlicke trow niet houden, bijder welcke een Dienaer ghehouden is te blijuen tot sijn doot of tot eenen behoorlicken afscheijt toe.
Aengaende de beschuldinghen van die vanden Haghe teghen Michaelem voorss., ten eersten dat hij met toorn ende onwillicheijt sich onghehoorsaemlick teghen de Consistoriale broeders aldaer ghedraghen, ende somtijdts met toornighen ghemoet wt de Consistorie gheloopen soude hebben, Ten tweeden, dat hij niet te vreede en is gheweest met het huijs twelck hem vander Ghemeijnte toe gheleijt was, ende alsoo die Ghemeijnte voorss. op costen ghebracht heeft, Ten derden dat hij sich opentlick van der Consistorie op den predickstoel niet sonder erghernisse beclaecht heeft, Hebben de broeders besloten datmen den ghedeputeerden broeder vanden Haghe aensegghen sal dat de Sijnodus wel acht dat hij na wtwijsen der persuasie sijner conscientie dese punten der beschuldinghe voortghebrocht heeft, Doch nademael hij Michael die ontkent, ende daer gheen ghetuijghenisse aen beijden sijden en is, ende die stucken soo seer swaer niet en sijn, Datmen dese dinghen begrauen sal, ende hem int generael vermanen dat sulcke stucken als verhaelt sijn eenen Dienaer seer qualicken betamen, Oock dat hij Michael in sijn eijghen conscientie gae, of hij hier inne schuldich is, ende soo hij onschuldich is, hem voor sulx wachte.
Is besloten datmen Michaeli sal aensegghen dat hij om een oock der stucken wille die Gallinaceus hem voorwerpt ende hij niet en ontkent, weerdich is van sijnen Dienste ghedeposeert ende afgheset te worden, Doch nademael men niet soo seer op sijne verdienste acht neemt, als op de teerheijt der eersten beghinsselen der Kercke, daer noch alle dinghen niet te deghen in orden ghestelt en is, ende alle Dienaers vande ordeninghe der Kercke gheen grondich verstant ende kennisse en hebben, Is besloten, Dat Michael noch in sijnen Dienst blijuen ende heftelick vermaent worden dat hy sulcks niet meer en doe etc. Ende sal van hem gheeijscht worden dat hij bekenne weerdich te sijn afgheset te worden, ende om verghiffenisse sijner schuldt Godt ende de broeders bidde.
Dit heeft Michael gheweijghert te bekennen ende te doen, ende is onversoent van den broederen wechghegaen, hertelicken vermaent sijn [lees: sijnde] dat hij sich wel bedencken soude.

Acta Dordrecht (1574) 22-6-c

Arnoldus Frans Dienaer van Sommerdijck is ghestraft van dese nauolghenden sonden. Ten eersten dat hij wt Enghelandt comende met sijn wijf onghetrowt gheseten heeft. 2. Dat hij gheseijt heeft haer ghetrowt te hebben, ende alsoo hier in dit stuck teghen die waerheijt ghesproocken heeft. 3. Dat hij ghelt ghenomen heeft voor doopen ende anderen Kerckendiensten. Hier van heeft hij sijn schuldt voor den broederen bekent. Ende is besloten dat hij wederomme in sijne plaetse trecken sal, ende datmen neerstelick sal vernemen of hij sich niet in anderen dinghen meer misdraghen heeft twelck soo men niet en beuindt (soo wij hopen) soo salmen hem noch een tijdt langh inden dienst laten, ten waer datmen saghe dat hij sonder groote erghernisse niet dienen en conde, in welcken val men hem transfereeren sal in eene andere plaetse diemen d’ allerbequaemste sal dencken te weesen.

Acta Dordrecht (1574) 22-6-d

Michael Andreae sonder teijcken van boetueerdicheijt voor den middach ghescheiden sijnde, is nademiddach wederomme inde Versamelinghe ghecomen, ende heeft sijne schuldt bekent van sulcken sonden als bouen verhaelt sijn voor Godt ende den Sijnodo, Heeft oock bekent hieromme weerdich te sijn van den kerckendienst afgheset te worden. Heeft zich oock met Gerardo Gallinaceo ende Ernesto versoent.

Acta Dordrecht (1574) 22-6-e

Van den scholen is besloten dat Ten eersten de Ministri van allen Classen sorch draghen sullen op welcken plaetsen schoolen behoeuen te wesen.
2. Of de schoolmr. der plaetse daermen van handelt voortijdts een openbaer ende ordinaris stipendium ghegheuen is.
3. Sullen sij vande Magistraet begheeren, dat het hun gheoorloft sij, een schoolmr. te setten, ende dat de Magistraet t’ stipendium beuele te betalen twelck eertijdts betaelt plach te worden.
4. De Ministri sullen verschaffen dat de Schoolmrs. de belijdinghe des gheloofs onderschrijuen, ende sich der Discipline onderwerpen, oock mede den Catechismum ende andere dinghen die der ieucht nut sijn leeren.
5. Ende soo daer eenighe Schoolmrs. waren die dit niet doen en wilden sullen de Ministers hare Ouerheijt bidden, dat se gheweert ofte afghesettet worden.
6. Soo de Dienaers iet van desen verhaelden dinghen vander Ouerheijt niet vercrijghen en conden, Soo sullen sij het der hooghe Ouerheijt bij requeste verclaeren ende de saecke voortdrijuen.

Acta Dordrecht (1574) 23-6

XXIII Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-a

Is besloten datmen op den vastdaghen eenerleij forme houden sal, Eerstelick salmen de Ghemeijnte t’ samen roepen ende eenighen text voornemen ende verclaren, ende vierighe ghebeden voor ende naer ghebruijcken. Ende om sulx beter te doen salmen t’ volck tot abstinentie van spijs ende dranck ende anderen toeghelaten dinghen vermanen. Men sal t’ volck oock vermanen inden tempel te blijuen sonder nochtans iemandt hier toe te dwinghen. Men sal oock in eenighe bequame plaetse des tempels den volcke wat voorlesen wt den ouden ofte nieuwen testamente tot de gheleghenheijt des tijdts dienende. Ende men sal op den vast daghen met 2 predicatien te vreeden sijn, ten ware dat den Vastdach op den Sondach gheleijt ware, inden welcke men andersins driemael ghewoonlick is te predicken.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-b

Men sal de namen der ghenen die vercondicht worden om te trouwen op drie verscheiden Sondaghen vanden predickstoel vercondighen, of andersins driemael in grooten noot daer van de Consistorie oordeelen sal.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-c

De Ouderlinghen ende Diaconen in haren dienste gheconfirmeert sijnde, sullen de belijdinghe ende articulen der Discipline onderschrijuen.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-d

Het huwelick sal beuesticht worden in eenich vanden plaetsen daer de namen wtgheroepen sijn. Doch soo iemant in een ander plaetse trouwen wilde , die sal ghetuijghenisse der proclamatien vander Consistorie mede brenghen. Ende Minister der plaetse daerse trouwen sullen, sal dit niet doen, sonder t’ aduijs sijner Consistorie.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-e

De personen die trouwen willen sullen opentlick inder Ghemeijnte afgheroepen ende ghetrowt worden. Ende soo iemandt door cranckheijt verhindert sijnde begheerde in huijs te trouwen, daer van sullen de Dienaers ende de Consistorie oordeelen. Ende soo sij het toelaten (t’ welck niet sonder groote beraetslaghinghe ende swaren noot gheschieden sal) soo en salt euenwel niet gheschieden dan d’ wtroepinghen inder Kercke ghedaen sijnde, ende inde teghenwoordicheijt der vrienden ende nabuijren Ende de Dienaer salt der Ghemeijnte opentlick aensegghen datse ghetrowt sijn.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-f

De Dienaers en sullen niemandt wtroepen dan die verclaren datse sich oock van hun willen laten trouwen. Ende men sal hun vermanen datse bij malcanderen niet en woonen noch slapen voor datse ghetrowt sijn. Die hier teghen doen salmen berispen, die niet ghehoorsaem en sijn salmen den Magistraet aengheuen. Men sal oock niet lichtueerdelick tot de hooghe Ouerheijt gaen, voor datmen bijde oordentlicke Magistraet sijn best ghedaen heeft.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-g

Niemant en sal wtgheroepen worden om te trouwen, dan eerst ghetuijghenisse van t’ consent sijner ouderen, ende (soo sij te voren ghehijlickt sijn gheweest) vande afsteruinghe der eerste partie, vertoont te hebben. Ende soo het gheschiede dat iemandt den Ministers ende Consistorie hier inne niet ghenoech en dede, soo sullen de partien dit de Magistraet te kennen gheuen ende derseluer consent den Dienaren ouerbrenghen.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-h

Ouermidts d’Officiaelen des Antichrists int Pausdom, d’ autoriteijt ende recht der Ouerheijden inden echtscheijdinghen aen sich ghetrocken hebben, Soo sal de Magistraet vanden Ministers wt Godes woort ghebeden ende vermaent worden, datse na wtwijsen des woort Godts ende anderer wetten dien helpen welcke in soodane saecken hare hulpe behoeuen ende begheeren.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-i

D’ ontschuldighe partie hare partie van ouerspel ouerwonnen hebbende sal vander Magistraet begheeren een wtspraeck van scheijdinghe ende soo de Magistraet dit niet en begheert te doen, salse dan vanden Magistraet soecken te vercrijghen datse der Consistorie toelate te doen sulx als sij wt Godes woort oordeelen sal recht te wesen. Soo men dit oock niet en can vercrijghen, soo sal de Consistorie haer vermanen in een ander plaetse te trecken daerse de hulp der Ouerheijt ghenieten can.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-j

Aengaende die ouer 7 iaren te Nachtmael gheweest sijn, ende ’t pardoen ghehaelt hebben, hoemense toelaten sal tot den Nachtmale, Is gheantwoordt, Soo de erghemisse openbaer is, soo salse oopentlick ghebetert worden. Maer ouermidts in desen ghemeijnen val onghelijckelick ghesondicht is soo sal de Consistorie na gheleghentheijt der daet oordeelen of het ghenoech is met de belijdinghe voorder Consistorie ende verclaringhe op den stoel, of niet.

Desghelijcks is d’ antwoorde op de vraghe vanden Francoischen Minister te Middelburch van eenen die te Misse ghegaen heeft na de bekende waerheijt.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-k

Men heeft eenen Michaelem Egidii die onberoepen inde Classe van Dordrecht sich onderwonden heeft te leeren ende te doopen, ghestraft ende heftelick vermaent dat hij hem van nu voort aen, wachte eenighen Kerckendienst, t’ sij leere of Doop te bedienen, om sijns grooten onuerstands ende onwetenheijts wille, alsoo dat hij niet bequaem en is een slecht lidtmaet der Ghemeijnte te wesen. Dit heeft hij belooft te doen.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-l

Aengaende Hadrianum een predicant in Mijnsheeren landt is hij ghehoort ende van sommighen punten der Religie onderuraecht, waerop hij redelick wel gheantwoordt heeft. Daeromme hebben hem de broeders een text ghegheuen daer op hij morghe een corte vermaninghe sal doen, welcke sommighe broeders sullen hooren, ende der versamelinghe weder aenbrenghen.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-m

Op den 32 artickel van Embden vande straffinghe der grouen sonden is dit vanden broederen tot verclaringhe bijgheuoeght, datmen met den gheenen die van grouen sonden eenich berow toonen niet terstont tot de leste excommunicatie comen en sal, maer hun voor een tijdt langh vanden Nachtmale afhouden.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-n

Aengaende den Dienaer van Ooltgens Plaet welcke vanden Sijnodo begheert heeft van een wooninghe voorsien te wesen, Is besloten dat de Classe daer de voorseijde plaetse onder hoort bij Requeste aen mijn Heer den Prince aenhouden sal, ende soo verre als dit hun van die vander Plaete gheweighert wordt, om dat sij met hem niet te vreede en sijn, soo salmen toesien datter een ander Dienaer ghestelt worde, Soo het auer des volx schuit is, salmen door den Prince daer teghen procedeeren.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-o

Op de vraghe vande afsnijdinghe der ghenen die tot den Mennoniten veruallen sijn, is gheantwoordt datmen tot de afsnijdinghe derseluen sal voortuaren door die trappen die inden Embdtschen Sijnodo voorghestelt sijn.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-p

Op de vraghe van die van Xijrixee, watmen doen sal met eenen broeder die door de bijwooninghe van eener vrouwe in een huijs quade suspitie van hem gheuende ende hier van vermaent sijnde, nochtans in t’ selue huijs blijft: R. Nademael men hem meermaels broederlicken sal vermaent hebben, soo hij niet hooren en wil, salmen hem vanden Nachtmale afhouden, ende segghen soo hij sich niet en betert dat men hem excommuniceeren sal.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-q

Op de vraghe van die van ter Gouw, watmen met den Papen doen sal die int heijmelick doopen ende trouwen, R. Men sal sijn beste doen om dit te weeren, Eerst bij de Ouerheijt der plaetse, daer na soo sij het weighert, bij den Prince.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-r

Op de vraghe van die van Dordrecht, ofmen de kinder der afghesneden vander Ghemeijnte doopen mach, R. Ia, met conditie datmen de gheuaders vaster inde helofte van die kinder ghetrouwelick te onderwijsen, verbinde.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-s

Op de vraghe van die vanden Briel, Ofmen een kindt van eener vrouwe ghedoopt, inder Kercke doopen sal, R. Ia, Ouermidts dat vrouwen doop gheen Doop en is.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-t

Op de 2 vraghe van die wt den Briel, Of een Ouerspeeler tot een huijsvr. nemen mach die met der welcke hij ouerspel ghedaen heeft, R. Men sal hier in niet handelen teghen de ciuile rechten, ende wel acht nemen datmen alle erghernisse hier inne vermijde.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-u

Op de 3 vraghe derseluer, Of een Dienaer des Woordts die aende pest cranck legghen laten mach te besoecken om dieswille dat hij vanden volcke gheschuwet wordt, Is gheantwoort, Nademael Godt de crancken beuolen heeft te visiteeren ende gheen onderscheijt van cranckheijt ghemaeckt en heeft, datse schuldich sijn tot sulcke menschen gheroepen sijnde te gaen, niet beroepen sijnde ende wetende datmen haerder van doen heeft, oock te gaen, doch dat de Dienaers hier inne niet stoutelick ende onuoorsichtelick en handelen, ende soo sij mercken datse meer breecken dan timmeren, dan sal de Consistorie hier van kennisse draghen ende oordeelen.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-v

Op de voorstellinghe watmen met den Dienaren doen sal die nu inden Dienst sijnde noch niet gheexamineert noch wettelicke beroepen noch ghesonden en sijn, R. De Classe salse examineeren als ofse noch nooit ghedient en hadden. Ende in val datse onbequaem beuonden worden in leere ofte leuen, soo salmense van haren Dienste suspendeeren tot datse bequaem sijn. Ende soo sij bequaem sijn, of in hun eenighe hoope van bequaemheijt ghespuert wordt, soo salmen hun met voorgaende behoorlicke correctie van hare voorighe ongheschickheijt ende lichtueerdicheijt op eenighen text der Schriftuijre een predick laten doen, de confessie ende articulen doen onderschrijuen, inde ghehoorsaemheijt ende t’ samencoomste der Classe verbinden, door een vande Ministers der Classe laten presenteeren, ende een forme van Consistorie inder Ghemeijnte stellen daermense ghebruijcken wil.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-w

Op de vraghe van die van Walcheren, Of het niet goet en ware datmen goede Homilias op den Catechismum maeckte, R. is gheantwoort datmen dit sal laten blijuen, maer dat het goet ware dat de Dienaers oordentlicke bij ghebuerte in Classicis conuentibus een vraghe ofte twee wt den Catechismo cortelicken wtleijden, op datse alsoo malcanderen oenenen ende scherpen mochten, ende den Catechismum oordentlicke grondelick ende stichtelick voor der Ghemeijnte leerden verclaren.

Acta Dordrecht (1574) 23-6-x

Op een andere vraghe van die selue broeders, van eene nieuwe ouersettinghe der Bibele in onse nederduijtsche tale, Is gheantwoordt datmen [toeuen sal] 1) tot dat d’ ouersettinghe der Bibel inde Francoische ende Latijnsche sprake die nu voorhanden is int licht ghecomen sal wesen, op datmense daer wt in onse spraecke te lichter ende te beeter ouersetten mach.


1) Deze twee woorden, die in het handschrift bij vergissing ontbreken, zijn hier ingelascht overeenkomstig de van dit besluit nog voorhanden oude afschriften.

Acta Dordrecht (1574) 24-6

XXIV Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-a

Op de vraghe van die van Walcheren hoemen de wederdooperen weeren ofte op den rechten wech brenghen sal, Is besloten dat de Dienaren haren Ouerheijden bidden ende vermanen sullen datse niemandt ontfanghen noch lijden dan die wettelicke sweeren der Ouerheijt ghehoorsaem te sijn. Ende die daer nu schoon woonen vermanen tot den ghehoor des goddelicken Woordts, item hare kinderen ten doope te brenghen, ofte soo sij sulx weijgheren te doen datse hun inde teghenwoordicheijt der predicanten ontbieden ende hare opinien beuelen te verclaren ende te verandtwoorden. Het sal oock daerbeneuen goet wesen dat de Dienaers in hare heijmelicke versamelinghen soecken te comen, of te seijnden ende te bewijsen dat haren handel onrecht is.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-b

Op de vraghe van die van Zijrixee of een Minister notarius publicus vante vooren gheweest sijnde, noch in dien dienste blijuen mach, Is gheantwoordt dat hij testamenten ende huwelixe voorwaerden maecken mach insonderheijt daermen gheen andere hebben en can, item in bequame ende stichtelicke plaetsen, Maer sullen hun wachten te comen in ergherlicke plaetsen als in herberghen etc. ende hun oock niet bemoeijen met ander notaris handelinghen. Ende wt oorsaecke van deser vraghe is besloten dat een Ministers huijsvrouwe in gheual van noodt gheen openbare of winckelneeringhe drijuen en mach.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-c

Op de vraghe van die vanden Briel, of een lidtmaet der Ghemeijnte willende trouwen een persoon die Papist, Doops ofte werlts ghesint is, vanden Dienaer ghetrowt sal mueghen worden, of niet, R. Datmen hem te voren vermanen ende waerschouwen sal, ende soo hij niet teghenstaende de vermaninghe euen wel ghetrowt wil wesen, datmense trouwen sal de wijle het openbaer trouwen Politisch is. Watmen nu doen sal met dien die de vermaninghen weijgheren aen te nemen, ia noch teghen de Dienaers quaet spreecken, is gheantwoort, dat de Consistorie met dien sal handelen na d’ omstandicheijt der saecke, t’ sij met schuldtbekenninghe voor de Consist. of opentlick, Of voor een tijdt vanden Nachtraael af te houden, of met den trappen der Excommunicatie voort te varen, na hare discretie.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-d

Op de vraghe van die van Delft of de huwelicken die met wtghedruckten woorden niet verboden en worden Leuit. 18, dan wt teghenstellinghe ende consequentien besloten worden, voor verboden ende ongheoorloft ghehouden sullen worden, R. Ia, dewijle sij van ghelijcker aert ende natuijre sijn. Ende voort op de vraghe, als d’ Ouerheijt sulck een huwelick toelaet, wat de Minister doen sal1), is gheantwoordt dat hij de personen niet en trouwe sonder schriftelick beuel vanden Magistraet te hebben, ende de Magistraet ende die personen ghenoechsaem van te vooren van deser saecke ghewaerschowt ende vermaent te hebben.


1) In het handschrift staat in plaats van de laatste vijf woorden, blijkbaar door verschrijving: wat de Minister toelaet, wat de Minister doen sal.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-e

Het is der Dienaren ende Consistorien amt vlijtich acht te nemen wie de lidtmaten der Ghemeijnte sijn, of voormaels gheweest hebben. Item ofse telcken Nachtmale communiceeren, soo niet hun int bisonder aen te spreecken of door andere bequamen laten aenspreecken, of daer achterdencken is in leer of leuen, Soot niet helpt voor de Consistorie ontbieden ende vermanen, de verachters waerschouwen ende dreijghen met Godts gherichte, ende soo dit alles niet en helpt, met de Classe beraetslaghen. Doch datmen niet lichtueerdelicken tot der Excommunicatie en come.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-f

Hadrianus Dienaer van mijnsheeren Landt is ghehoort gheweest van onsen broeder Christiano, Casparo Coelhaes ende Ernesto op den text die hem voorghestelt was. Ende hij heeft wel onoordentlicken ende slecht, doch schriftmatelick ghepredickt. Is vermaent inden Synodo dat hij neerstich sij in t’ studeeren, waer toe wij elck een stuck ghelts ghegheuen hebben, om hem eenighe boecken te coopen. Men heeft hem oock vermaent een gheschickt ende matich leuen te leijden ende sijne Classe neerstich te besoecken ende ghehoorsaem te sijn. Ende die van Dordrecht sullen in zijn dorp trecken ende hem presenteeren, oock om onderhoudt voor hem te versoecken etc.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-g

Petro Os Dienaer tot Heuckelom 10 maenden ghedient hebbende teghen 200 gulden t’ siaers ende 70 gulden ontfanghen hebbende, resteert noch etc. Bidt om betalinghe ende begheert hier inne vanden Sijnodo gheholpen te worden. Is gheantwoordt dat hij een supplicatie aen sijne Excell. maecken sal ende M. Taffin bidden dat hij hem hier inne behulpelick wesen wille.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-h

Op de vraghe van die van Delft, Ofmen eenen Lombardier ten Nachtmale mach toelaten, R. Neen, want hoewel sulcke hanteeringhe vanden Magistraet toeghelaten is, Soo isse nochtans meer om der hertheijt ende boosheijt der menschen hertes wille dan na den wille Godes toeghelaten. Daerbeneuens souden veele hondert menschen door die toelatinghe eens sulcken mensches gheerghert worden.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-i

Op de Vr. van die van Zijrixee watmen doen sal met den Ministro, die in dronckenschap dickwils beuonden is na meer vermaninghen, Sijn de broeders ghewesen op den 33 artikel des Embdtschen Sijnodi.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-j

Op de propositie des Dienaers vanden Briel Ofmen Andream inden Dienst der Brielsche Kercke laten sal, R. Nademael hij sich na sijnen val ghebetert heeft, ende sijnen dienst (boete van sijner sonde ghedaen hebbende) stichtelick bedient, soo salmen hem in sijnen Dienst laten daer in men hem ghedult heeft tot op desen Sijnodum toe.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-k

Op de Vr. van die van Dordrecht, Watmen doen sal met een man die int Paeusdom sijns broeders wijf ghenomen heeft, ende omtrent 14 of 15 iaer met haer ghewoont ende kinderen bij haer ghewonnen heeft, R. Sulcke eene bijwooninghe dewijle sij van Gode verboden is, en can vanden menschen niet toeghelaten worden. Maer aenghesien de man nu leedtwesen van sijner sonde heeft, ende te volghen sulx als Godes woort vermach, t’ sij te scheiden ofte te blijuen ghewillich is, Is besloten dat de Classe van Dord. den gantschen handel aen die van Geneuen ende Heidelberch ouerschrijuen sal, Middelerwijl en salmen hem tot den Nachtmale niet toelaten.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-l

Op de Vr. derseluen, van een cruepel diens huijsvr. van hem gheweest is omtrent 20 iaeren, van welcker doot men noch niet recht seecker en is, ende sint bij een andere vrouwe gheseten heeft ende noch sit, Ofmen hem met deser trouwen sal, R. Men sal hem eerst tot den Magistraet seijnden om consent aldaer te halen, ende consent hebbende salmen hem inde Consistorie trouwen, ende eerst sijn sonde scherpelick voorhouden.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-m

Op de Vr. van die vanden Briel van een man die van sijn huijsvr. nu langhe tijdt solenneelicken ghescheijden is, om des verscheijden gheloofs ende onderlinghen ghekijfs wille, ende bij een andere huijsvr. langhe gheseten ende kinderen ghewonnen heeft, ende den doot sijner vorighen huijsvr. niet bewijsen en can, Ofmen dese vrow persoon vanden Nachtmale sal afhouden, ende ofse behooren ghescheiden te worden, Is gheantwoordt datmense afhouden sal, tot tijdt toe dat hij bewesen sal hebben dat sijn vorighe huijsvr. doot is, ende alsdan soo salmen besien hoemen doen sal inde echtscheidinghe na d’ antwoordt van Geneuen ende Heijdelberch, tot welcke Kercken den broederen gheraden is van deser saecke te schrijuen. Ende soomen beuindt dat zijn vrouwe doot is, soo salmen hem om sijner sonde wille straffen, ende haer tot den Nachtmale toelaten.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-n

Op eene andere vraghe derseluer broederen, Of een vrouwe niet wederomme en sonde mueghen trouwen wiens man nu 7 of 8 iaren wt gheweest is, ende sij niet en weet of hij leuendich of doot sij, Is gheantwoordt datse consent ende losspreeckinghe bijden Magistraet aansoecken sal.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-o

Op een vr. derselue broederen van een ionghghesel die met een dochter in belofte staende 15 iaer huijsghehouden heeft, daer na haer verlaten ende een ander ghetrowt heeft, ende sij die verlaten is begheert datmen haer oock een scheidtbrief hebbende met een ander trouwe, R. Sij sal hare saecke der Ouerheijt recht voor stellen ende van haer beuel ende consent begheeren.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-p

Op de 10 questie derseluen is gheantwoordt, datse met deser huwelixe saecke bijden Magistraet voortuaren, alsoo sij begonnen hebben te doen.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-q

Petrus Os ende Adamus Dienaer van Asperen sullen vande Classe van Dord. voorsien worden, tot datmen hun erghens beroepen sal. Middeler wijl sullen sij sich inder Classe neerstelick oeffenen met proponeeren ende predicken.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-r

Op de vraghe vanden schandelicken ende argherlicken handel Heinrichi onses broeders Dienaers van Gorichom, hebben de broeders met eener stemme wtghesproocken dat hij van sijnen Dienste afgheset sal worden. Maer datmen dit niet in t’ wercke en sal stellen, voordat een ander Dienaer in sijn plaetse ghestelt sij, op dat de Kercke versien mach.
Bartholdus ende Gerardus Gallinaceus sijn vercoren om tot Gorichom te gaen ende dit voorschreuen den Consistorio aen te dienen, met brieuen vanden Sijnodo aen het Consistorium. Ende sullen hun vertrowder wijse verclaren den gantschen handel Heinrichi, ende dat hem de Sijnodus afset van sijnen Dienste, ende sullen hun Hadrianum Ianss. voorstellen aen welcken men oock schrijuen sal. Maer soo sij sich beswaerden Hadrianum aen te nemen, of Hadrianus sich beswaerde om ghewichtighe oorsaecken te comen, soo salmen hun Regnerum seijnden, ende Hadrianus sal in sijn plaetse treden tot dat die van Gorichom met blijuenden Dienaren voorsien sijn. Ende soo sij nu of hier na eenighe andere begheerden, sullen sij die met den aduijse der Classe volghende t’ artikel vande Discipline aen nemen.
De ghedeputeerde broeders salmen met een brief van credentie aen de Consistorie seijnden, oock d’ acta hiervan mede gheuen.

Acta Dordrecht (1574) 24-6-s

Onsen broeder Christianus Sinapius sal tot Gheertruijden berch met brieuen van desen Sijnodo gaen, om de Kercke aldaer met den Dienste te versien, ter tijdt toe datter eenen blijuende Dienaer ghestelt worde.

Acta Dordrecht (1574) 25-6

XXV Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-a

Is besloten dat men aen Taffinum seijnde, om in den naem des Sijnodi op hem te begheeren, dat hij een briefken aen sijn broeder schrijue, om van sijner Excell. een ordonnantie te vercrijghen van alimentatie des Dienaers van ter Gow op den Rentmeester vanden Regulieren. Twelcke soo het niet in diligentie ghedaen wordt, soo en canmen der Kercke vanter Gouw niet helpen.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-b

Den Sijnodo is aenghegheuen dat Hermannus Moded ten eersten sich noeijt en heeft aender Ghemeijnte van Zijrixee willen verbinden. Ten anderden dat hij bij sijne Ouerheijt sonder weten ende willen des Consistorie hemseluen ghesocht heeft te Middelburch in te dringhen, voorwendende dat sijnen Dienst der Kercke van Xijrixee onvruchtbaer was. Ten derden dat hij sijnen dienst onuruchtbaer ghemaeckt heeft door sijne ergherlicke conversatie.
Aengaende den handel Hermanni Moded Dienaers der Kercke tot Xijrixee, hebben de broeders besloten, dat soo haest als Hermannus wederomme ghecomen sal wesen het Consistorium van Xijrixee de Classe t’ samenroepen sal, aende welcke sij begheeren sullen, wat de Classis achtet in deser saecke behooren ghehandelt te worden. Ende die met den aduijse ende oordeel der Classe niet te vreede en sal wesen, t’ sij Hermannus of het Consistorium, sal hem tot de drie Classen, van Dordrecht, Briel ende Walcheren vanden Sijnodo daer toe gheordonneert beroepen, van welcken elck twee mannen wtseijnden sullen. Is oock besloten dat Taffinus met een brief aen sijner Excell. mede daer henen trecken sal, op dat de saecke met authoriteijt afghehandelt werde1).


1) Deze twee alinea's, die over Moded handelen, staan in het handschrift in omgekeerde volgorde; maar op den kant staat er, van dezelfde hand, bij de eerste eene b en bij de tweede eene a. Blijkbaar had de Scriba het besluit der Synode reeds geheel of gedeeltelijk in de acta ingeschreven, voordat hij er aan dacht, ook de beschuldiging te vermelden. Deze moest natuurlijk voorafgaan. En die goede volgorde kon en moest boven in den tekst hersteld worden, daar de Scriba zelf ze nog duidelijk heeft aangewezen.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-c

Inden plaetsen daer selden predicatien gheschieden, ende nochtans kinderen te doopen sijn, sal eenen tijdt gheordonneert worden, datmen de kinder inde Kercke ten doop brenghe, Ende men sal een teijcken met der clocke gheuen, t’ volck te samen roepen, ende een corte predick voor den Doope doen.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-d

Is besloten dat de Kerckendienaers die op den Sijnodum te gaen ghedeputeert worden, ghetuijghenisse brenghen vanden Consistorie ende Classe ende niet vander Ouericheijt.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-e

Op de vraghe van die van Dordrecht, hoemen doen sal met den weduwen ende kinderen der afghestoruenen Ministers, Is gheantwoort dat eene ieghelicke Classis voor de haren bijde Excell. ofte Ouerheijt versoecken sullen datse met haren kinderkens onderhouden mueghen worden, soo langhe alsse in dien state sijn.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-f

Men sal oock d’ Ouderlinghen en Diaconen met afeijsschinghe der ghetrouwicheijt ende ghebede tot Godt in haren dienste beuestighen, na de forme ghelijck als bouen vanden Dienaren verhaelt is.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-g

Nademael het besloten is dat der Ouderlinghen ende Diaconen halfdeel alle iaren verandert sal worden, soo is de vraghe hoemen hier inne doen sal met den eersten, tot dat d’ oordeninghe in haren gangh coomt, op dat niemandt sich te beclaghen en hebbe. R. Men sal die swaricheijden der broederen die met t’ eerste iaer af begheeren te wesen, ouerweghen, welck de grootste sijn, ende sij sullen hun alle der discretie des Consistorie onderwerpen, welcke oordeelen sal wie onder hen allen blijuen sal of niet. Maer soose dit niet begheeren te doen, soo salmen t’ lot daer ouer werpen.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-h

Men sal t’ Sondaechs na het tweede ghebet der voormiddaechsche predicatie dese woorden aenhanghen, Wilt ons oock stereken inden waren ghelooue daer van wij etc. met den articulen des gheloofs. Ende voor den Catechismi predick, na het ghebet de 10 gheboden verhalen na den text, Ex. 20 ende Deuter. 5. Maer inden weeckpredicken en salmen gheen van beide lesen.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-i

Men sal Sondaechs smorgens ende snamiddachs int vergaderen des volx den Ghemeijnten vrij laten te lesen beneffens t’ Psalmsinghen, of alleen te singhen, Doch daermen leest, salmen alleen de Canonijcke boecken opentlicke den volcke voorlesen, ende soodane als de Consistorie oordeelen sal der Ghemeijnte stichtelickste te weesen. Doch datmen toe sie van lesen ende singhen op te houden teghen d’ wre.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-j

De Dienaers sullen d’ Ouerheijden bidden, datse de prophane ende werltlicke wtroepinghen, van coopinghen, vercoopinghen, verloren goet etc. inder Kercke, afsetten willen.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-k

De brieuen der broederen van Noorthollandt sijn ghecomen, waerinne sij sich ontschuldighen, waeromme sij niet ghecomen en sijn inden Sijnodum belouende voor goet te bekennen aen te nemen ende t’ onderhouden sulx alsser besloten wordt. Ende is besloten datmen hun wederom me sal schrijuen dat hare ontschuldinghe van ons aanghenomen is, Men sal hun oock d’ Acten seijnden ende bidden datse deseluighe in haren ghemeijnten in t’ wercke stellen, Oock onsen dienst ende hulpe aenbieden, om iemanden aen hun te schicken, die hun in d’ opschickinghe harer Kercken helpen mochten, soo onse hulp begheerden.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-l

Op de vraghe van eenen Petro Hijperphragmo die na den Kercken dienst staet, Is gheantwoort datmen hem niet toelaten en sal, dewijle men hem voor suspect houdt, Maer datmen hem eenen tijdt langh vlijtich naspueren sal, ende sijn gheloof ende wandel insien. Ende middelerwijl salmen schrijuen na Heidelberch ende Embden om seeckere ghetuijghenisse van hem te hebben.

Heidano is opgheleijt na Heidelberch hier van te schrijuen aen Dathenum ende Milium, ende Taffino aen Polijandrum tot Embden.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-m

Is besloten datmen Hubertum sijner consientie beuelen sal, of hij noch een dach of ses sich niet ghehouden en vindt te wachten op een stipendium vander Gouw of niet. Heeft gheantwoort dat hij sich wel gheuoelt meer inden Kercken van Hollandt ghehouden te wesen dan inden Kercken van Zeelandt. Dan dat hem de noodt sijns persoons ende huijsghesins soo langhe niet toelaet te vertoeuen, ende alsoo in t’ suspens te hanghen. Hier op sijn de broeders van Zeelandt door ghemeijne omstemminghe gheuraecht, ofse Huberto, in val dat de beroepinghe vander Gouw bij faute van belooninghe hem faelgieert de plaetse sijner beroepinghe te Domburch open houden willen. Hebben sij gheantwoort, datse dit niet doen en mueghen, ouermidts sij daer van gheen commissie en hebben van haren Classe, ende het comen mochte dat hun daer en tussche een dienaer ghepresenteert worde, den welcken sij niet en souden mueghen aennemen, ende alsoo schade lijden.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-n

Dewijle datmen twijfelt of de twee Dienaers die t’ Oudewater sijn niet bequaem en sijn de Kercke stichtelicke te bedienen, ende datmense nu in Sijnodum niet en can ontbieden noch examineeren soo sullen de Classen van Dordrecht ende ter Gouw deselue ter eerster gheleghenheijt wt den naem des Sijnodi ontbieden, ende hen vanden staet harer Kerke examineeren, om te sien of sij bequaem sijn of niet, ende in val sij niet bequaem en sijn, soo salmen een van beiden elders setten.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-o

Is besloten dat onsen broeder Casparus Coelhaes ter tijdt toe dat Leijden open gaen sal de Kercke van Roterdam sal helpen bedienen ende dat M. Taffin daer en tusschen sal aenhouden om een stipendium voorheen en derden Ministro. Item datmen Iohannem Steenbergium, die tot Gheervliet is voor een tijdt langh inden naem deses Sijnodi beroepen sal om de Kercke van ter Gouw met den ionghen man Iohanne Heindrici te bedienen.
Is oock besloten datmen Cornelium Christiani eertijdts Dienaer van Vlaerdinghen seijnden sal om de Kercke van Delfshauen te bedienen.
Is besloten dat de Classe van Dordrecht ende ter Gouw soo sij het raedtsaem vinden Theodorum Dienaer tot Leckerkerck inde plaetse van den eenen Dienaer tot Oudewater setten sullen, ende wederomme dien van Oudewater tot Leckerkerck.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-p

Onze broeders de Dienaers der Classe vander Paltz sullen den Sijnodum generalem beroepen, soo haest als sij beuinden sullen dat het nut ende noodich wesen sal, ende bequamelick gheschieden sal connen, Ouermidts hun desen last opgheleijt was vanden Embdischen Sijnodo, dan en hebbent om der veranderinghen wille die in Hollandt ende Zeelandt sint gheschiet sijn niet en connen volbrenghen. Is oock gheordonneert, ouermidts datter weinich Prouincien sijn dat eene ieghelicke Classis eenen Dienaer des Woordts met eenen Ouderlingh tot den Sijnodum generalem seijnden sal, Ende hebben de broeders inden naem harer Classen belooft sich hier inne ghewillich te laten vinden.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-q

Van het bedeboexken twelck onsen broeder Freutiers wt laten gaen ende den broederen des Sijnodi ghepresenteert heeft, Is voor onraedtsaem aenghesien, dewijle het niet ghebruijkelijck is, datmen het der Ghemeijnte opentlick inden naem des Sijnodi commendeeren soude.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-r

Desgelijcks vanden gheschreuen Catechismo ende Kerckenoordeninghe die Godefridus Winghius ghemaeckt ende den Sijnodo ouerghegheuen heeft, om in druck te laten wtgaen, soo het goet beuonden worde, Is vanden broederen bestemt datse het Godtsalich voornemen ende den goeden arbeijt des broeders louen dan dat sij op deser tijdt niet raedtsaem en beuinden die boexkens wt te laten gaen, aenghesien dat veele dinghen van desen argumento ghenoechsaem gheschreuen sijn, Ende de Kercken besloten hebben bijden ghewoonlicken Catechismo ende ordeninghe bijden Psalmen ghedruckt te blijuen, Ende daer beneuens hare Classische ende Sijnodale versamelinghen hebben, in welcken na gheleghenheijt der tijden ende plaetsen vander Kerckenoordeninghe deser landen eendrachtelick besloten wordt.

Acta Dordrecht (1574) 25-6-s

Is besloten dat de Dienaer van Sarloos Wijnant Pieterss. dewijle hij ontboden sijnde niet verschenen en is, niet teghenstaende dat hij inder stadt gheweest is, etc. voor rebel ende een looper ghehouden sal worden. Ende die van Roterodam onder wiens Classe hij behoort, sullen hem van sijnen dienste setten.

Acta Dordrecht (1574) 26-6

XXVI Iunii.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-a

De Dienaer van Gheertruijdenberghe is verschenen voor den Sijnodo, ende is hem aengheseijt datmen op sijn leer ende leuen niet te segghen en heeft, daeromme men hem wt dier plaetse nemen wil, Dan ouermidts hij niet eruaren en is in der regieringhe der Kercke, dat de broeders voor goet aensien dat hij van dier plaetse in eene andere versettet worde, ende sijne ghewoonlicke belooninghe hebbe ter tijdt toe dat hij voorsien sal wesen met eenen anderen dienste, daer inne de Classe van Dordrecht sorghe draghen zal.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-b

De broeders hebben voor goet inghesien dat ter gheleghener tijdt een wt het midden van hun tot Woerden trecke, om te besien ofmen met den Predicante aldaer, bij occasie, mochte te woorde comen, ende hem in sijner grouer leere bijden gouuerneur der stadt ende anderen beschamen ende ouerwinnen, ende alsoo met der tijdt een reformatie daer aenstellen. Hier toe is benaemt onsen broeder Arnoldus Dienaer der Kercke tot Delft, Dan hij heeft sijne onbequamicheijt gheallegeert, Ende en is noch niet eighentlicks van deser saecke gheresolueert ende besloten.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-c

Op desen dach hebben de broeders d’ Articulen in desen Sijnodo besloten wt den monde des Scribae oordentlicke beghinnen wt te schrijuen.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-d

Op de vraghe van die van Vlissinghen, of een ionghghesel die teghen den danck sijner ouderen sijn trouw eener maghet ghegheuen heeft ende dese door t’ beuel sijner ouderen verlaten hebbende, sich aen een ander die eens Papen dochter is wettelicke verbonden, ende na dese belofte (gheduijrende den tijdt der wtroepinghe) bij d’ eerste gheslapen heeft, ende bouen desen vanden Prouisoor der eerste toeghewesen is, nu met een derder (dewijle de tweede namelick des Papen dochter int recht vrij van hem ghesproocken sijnde met een ander ghehowt is) trouwen mach? Is gheantwoort, Dewijle des Papen dochter vrij ghekent is vanden rechteren, hoe wel Papistisch, soo is het huwelick datse namaels begaen heeft wettelick. Want hoewel men hier wel mocht vraghen, ofse recht gheoordeelt hebben of niet, Soo wordt nochtans een wtghesproocken vonnisse eens rechters daer van gheen appel en valt voor recht ghehouden. Ende hoewel de rechters niet wettelick sijn, soo worden sij nochtans als wettelick gheleden, ende haer vonnisse moet stat grijpen. Aende eerste dien hij teghen den wil sijner ouderen belooft heeft, ende die hij onteert heeft, en is hij niet verbonden, insonderheijt dewijle sijn ouderen noch daer teghen spreecken. Ende hier teghen en strijdt de wet Godts Ex. 22, 16 en Deut. 22, 29, niet, want aldaer wordt ghesproocken van manspersoonen die haer eighen voocht sijn, ende niet van soodanen die onder de macht harer ouderen staen. Hier wt volcht, Dewijle de Ouerheijt desen man tot behoorlicker tijdt niet ghestraft en heeft, ende noch duldet, Dat hij der derder, die hij met verwillinghe sijner Ouderen belooft verbonden sij, ende soo d’ Ouerheijt sulx beueelt, trouwen mach.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-e

Op de begheerte vande Consistorie van Gorichom datmen Heinricho sijne sonde vergheuen, ende in den dienst neuen den anderen Dienaer een tijdt langh lijde, Is gheantwoort door de ghemeijne omstemminghe der broederen, dat se gantschelick bedacht sijn Heinrichum inden Dienst niet te lijden, maer metten eersten afsetten. Doch aenghesien den teghenwoordighen staet der stadt Gorichom, ende dat de broeders tijdt behoeuen om sich te bereiden, Dat Heinrichus noch een dach 10 of 12 of 14 daer blijuen sal, ende sich veerdich maecken om te vertrecken, soo haest als den anderen Dienaer ghecomen sal wesen.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-f

Der Classe van Delft is opgheleijt van den Sijnodo de Kercke van Gorichom voor eenen tijdt langh met eenen Dienaer te versien t’ sij met Hadriano Ianss. of met Regnero, den welcke die van Gorichom met namen begheert hebben.

Acta Dordrecht (1574) 26-6-g

Int afschrijuen der Articulen hebben de broeders van het speelen der Orghelen inden Kercken besloten, dat het onbetamelick is, ende hebben hier van ghemaeckt een Artikel die de lste int ghetal is, Aengaende t’ speelen der orghelen etc. 1)


1) Deze alinea staat in het handschrift op den kant, met dezelfde hand als de notulen. Het hier bedoelde besluit, waaraan in de kerkenordening het cijfer l d.i. 50 gegeven werd, luidt in zijn geheel aldus (volgens de eerste uitgave der Kerkenordening in 1612, en ook volgens alle de handschriften, behoudens kleine wijzigingen en verschil in spelling): Aengaende het speelen der Orghelen in den Kercken houdtmen dat het gantsch behoort afgheset te worden, volghende de leere Pauli 1 Cor. 14, 19. Ende hoe wel men het alsnoch in sommigen deser Kercken alleen int eijnde der predicatiën ghebruijckt opt scheijden vanden volcke, soo dienet nochtans meest om te doen vergheten, watmen te voren ghehoort heeft, ende is te hesorghen dat het hiernae tot superstitie ghebruijckt sal worden, ghelijck het nu tot lichtuaerdicheijt dient; twelck soo het afgeschaft ware, men soude den aelmosen bequamelicker aen de deuren int uijtgaan des volx versameien dan datmen sulcx int midden der predicatie tot groote hindernisse des diensts Gods doen moet.

Acta Dordrecht (1574) 28-6

Den 27 Iunii na middach sijn de broeders voortghegaen met schrijuen, ende ook den 28sten, op welcke eenen ieghelicke wat hem opgheleijt is, verhaelt is gheworden etc. ende is alsoo de Sijnodus inden naem des Heeren

Gheeijndighet tot Dordrecht a° 1574 den XXVIII Iunii.

Casparus Heijdanus Praeses noie Synodi ssi.
Arnholdus Cornelius Scriba Synodi et Delftensis Eccliae Minister.
Gerardus Gallinaceus Ecclesiae Brilensis verbi minister.
Ioännes Gerobulus Minister Ecclesiae Vlissinganae sst.
Ioannes Miggrodius verbi diuini administer in ecclia Veriana.
Aegddius Iohannis frisius verbi minister in ecclesia Rotterdamensi sst.
Hubertus Franciscus Verbi Diuini minister missus a Ecclesia Delphensi.
Gerardus Culenborgus verbi Dei minister in Ecclesia Xirixcensi.
Petrus Iohannes Verbi minister in Schoonhouia.
Jacobus Michael Ecclae Chri minister q est Dordraci.
Christianus Sinapius Venlo eiusdem Ecclesiae minister.
Ioannes Lippius.
Bartholdus Wilhelmi Verbi Minister in Ecclia Dordracena.
Franciscus Franckenus Verbi minister in Eccla Naltuicensi.
Petrus Carpentarius In ecclesia Schiedammensi verbi Minister.
Cijprianus Morrhius Medicus Senior Ecclesiae Xirixcensis.
Ian De Hoorne Ouderlinck der Kercke tot Middelbourch in Walcheren.
Ian Ernst van Vassen ss.
Ian Canin Ouderlinck Dordrecht.
Claes Ianss Iagher ouderlinck Dordrecht.