Rutgers, F.L. (1894)

Het Kerkrecht in zoover het de Kerk met het Recht in verband brengt
Rede, gehouden bij de overdracht van het Rectoraat der Vrije Universiteit, den 20 October 1894
Amsterdam
J.A. Wormser
1894

Rutgers, F.L. (1894) [Inleiding]

Hoogeerzame Heeren Directeuren onzer Vereeniging,
Hoogachtbare Heeren Curatoren onzer Universiteit,
Hooggeleerde Heeren Professoren in de onderscheidene faculteiten,
Zeergeleerde Heeren Doctoren in onderscheidene wetenschappen,
Weleerwaarde Heeren Bedienaren des Woords,
Weledele Heeren Studenten,
en voorts gij allen, wat wat naam of rang ook, die herwaarts opkwaamt om deze plechtigheid met uwe tegenwoordigheid te vereeren,
zeer geachte en zeer gewenschte Toehoorders!

 

Onder de historische datums, die van algemeene bekendheid zijn, hoort ook zeker de 10e December van het jaar 1520. En dat met volle recht. De dag, waarop Luther op de markt te Wittenberg zijn papieren brandstapel aanstak, was juist daardoor de beslissende dag van zijn breken met Rome, de dag waarop de Hervorming als het ware positie nam als hervorming der Kerk, de dag die wel niet den naam heeft van Gedenkdag der Kerkhervorming, maar die inderdaad toch het meest aan dien naam zou beantwoorden. Immers, wat heeft Luther toen gedaan? Nog iets anders en iets meer, dan de zaak waaraan vaak uitsluitend gedacht wordt. Het is zeker waar, dat hij toen de pauselijke bul, die zijn banvonnis inhield, in het openbaar verbrand heeft. Maar dat was toch niet het eenige, en ook niet de hoofdzaak. Het had zelfs wel

|6|

kunnen wegblijven, zonder dat de beteekenis van de handeling zelve daardoor zou verminderd zijn. Waar het bij dien brandstapel eigenlijk om te doen was, dat was niet de banbul, die slechts aan het andere werd toegevoegd, maar het bundeltje boeken, dat er eerst op was neergelegd. Luther zelf heeft gezorgd, dat er te dien aanzien wel geene misvatting zijn kan 1). Toen hij reeds een half jaar vroeger bij herhaling dreigde, dat, wanneer Rome voortging met de openlijke executie van zijn hervormingsgeschriften, door hem zou geantwoord worden met een soortgelijken brandstapel; en toen hij daarna op den reeds genoemden 10den December de uitvoering van zijn voornemen aan de Wittenbergsche Academie door aanplakking liet bekend maken; en toen hij den volgenden dag de verrichte daad bij zijn onderwijs toelichtte; en toen hij in den loop die maand het geschrift uitgaf, dat haar openlijk voor een ieder verantwoordde; toen werd bij dat alles natuurlijk ook telkens gezegd, wat er zou verbrand worden of verbrand was. Maar dat wordt dan niet gezegd van de pauselijke banbul, die in alle die stukken zelfs niet eens genoemd wordt. Wat ten vure gedoemd was, wat hij met de meeste beslistheid en zoo openlijk mogelijk wilde tegenstaan, wat hij wilde wegdoen tot vernietigens toe, dat was de verzameling van Canones en Decreta, waar het destijds geldende kerkrecht in was samengevat, „die Bücher des Papsts und seiner Jünger,” „der päpstliche Stuhl” en „das ganze päpstliche Recht.” Hij bedoelde een protest, niet slechts tegen het vonnis dat over hemzelven was uitgesproken, maar veeleer tegen het beginsel waaruit dat vonnis voortkwam, tegen het geheele stelsel waarvan het slechts de


1) Vgl. voor het in den tekst hierna volgende b.v. Dr. J. Köstlin, Martin Luther (Ed. 1875); Bd. I, S. 338 u. 405 fg. De aldaar niet vermelde titel van het geschrift, waarin Luther zijne daad van 10 Dec. 1520 verantwoordde, was: „Warumb des Bapstst und seyner Junger bucher von Doct. Martino Luther verbrāt seynn, Lasz auch anczeygen wer do will, warumb sie D. Luthers bucher vorprennet haben. Wittenbergk DMXX”; en in de gelijktijdige Latijnsche uitgave: „Quare Pontificis Romani et discipulorum eius Libri a D. Martino Luthero combusti sint. Commonstret vicissim quisquis volt: cur D. Lutheri libros exusserint.”

|7|

toepassing was. Als met vlammend schrift wilde hij betuigen, en ook aan de gansche Christenheid voorhouden: het Corpus Iuris Canonici moet de wereld uit! weg daarmeê, voor altijd!

Dat was de gedachte, die toen werd belichaamd. Maar juist daarin lag dan ook de reden, waarom Luthers daad niet door alle zijne geestverwanten werd toegejuicht. Afkeuring en verzet liet zich merken, in woorden en daden, reeds terstond en ook verder bij toeneming; en die oppositie kwam met name uit den kring der rechtsgeleerden, zelfs het meest aan de Wittenbergsche Academie zelve. Luther mocht het Ius Canonicum in den ban doen, en verlangen dat het overal gaan zou, gelijk een jaar of wat later bij de stichting van de Protestantsche Academie te Marburg bepaald werd 1): „porro Ius illud contra fas vocatum Canonicum omnino legi prohibemus”; het werd door de rechtsgeleerden toch beoefend, en dan waarlijk niet alleen maar als historisch studievak; en evenzeer werd het door hen in practijk gebracht (natuurlijk met wijziging of terzijdestelling van het specifiek Roomsche), in adviezen en beslissingen, waartoe zij in allerlei qualiteit door de overheid geroepen werden. Zulk eene houding was dan natuurlijk voor een man als Luther niet om uit te staan. Met de volle kracht van zijn overweldigend woord, en met de niets ontziende onstuimigheid die hem eigen was, trok hij telkens tegen de Juristen te velde, in gesprekken, in geschriften en ook zelfs in predikatiën op hen aanvallende. Maar al was dit in het algemeen niet zonder uitwerking, het heeft bij henzelven toch zijn doel niet bereikt. Het standpunt, dat zij eenmaal hadden ingenomen, werd, althans in hoofdzaak, door hen gehandhaafd 2).

Tot op zekere hoogte is dit zeer begrijpelijk. Niet, dat ik


1) Vgl. Dr. A.L. Richter, Die evangelischen Kirchenordnungen des sechszehnten Jahrhunderts (Ed. 1871); Bd. I, S. 68.
2) De strijd tusschen Luther en de Juristen, die natuurlijk in Luthers biographieën mede beschreven wordt, is vaak het onderwerp geweest van afzonderlijke studiën, ook nog in de laatste jaren. De voornaamste van die studiën uit den laatsten tijd worden opgegeven o.a. door Dr. W. Kahl, Lehrsystem des Kirchenrechts und der Kirchenpolitik (Ed. 1894); 1e Hälfte, S. 164.

|8|

zou geneigd zijn, tegenover Luther aan zijne collega’s gelijk te geven. Ook bij die Doctoren van het Kanonieke Recht had toch het geloofsbeginsel boven alles moeten gaan, beide hoofd en hart geheel beheerschende, en op ieder gebied, ook op dat van hunne wetenschap, tot den wortel toe doorwerkende. Maar dat was in hun geval inderdaad eene taak, waarvoor wel een tweede Luther vereischt werd. En voorts moet ook worden in het oog gehouden, dat de Duitsche Reformatie door haar eigenaardig karakter, o.a. omdat niet de theologie maar de soteriologie daarin op den voorgrond stond, minder dan de Calvinistische ertoe leidde om haar ook op ander dan op geestelijk gebied te doen doorwerken; en dat Luther zelf, die met volle recht haar leider was, bij al zijne uitnemendheid toch maar weinig oog had voor eene principiëele regeling van de rechtsorde. Zelfs op kerkelijk gebied is hij er niet diep in doorgedrongen; hetgeen wel het best hieruit blijkt, dat men er nog altijd overe strijdt, wat hij op het stuk van kerkelijke organisatie eigenlijk gewild heeft, en dat, bij de zeer uiteenloopende opvattingen te dien aanzien, zoowel voor het eene als ook voor het andere gevoelen reeksen van bewijsplaatsen kunnen worden aangevoerd. Hij had duidelijk uitgesproken, dat het Kanonieke Recht moest verdwijnen. Maar wat dan? Op die vraag had men eigenlijk nog geen antwoord. En nu kon Luther zelf daar wel over heenstappen; maar dit was ondoenlijk voor zijne rechtsgeleerde geestverwanten, bij wie juist de aard hunner studie als vanzelf medebracht (iets dat op zichzelf ook zeker geen gebrek is, mar veeleer eene deugd), dat men zeer gesteld is op orde, en aan vastgestelde vormen veel hecht, en niet gaarne het bestaande laat varen voor eene toekomst, die nog veelszins onbekend is.

Maar al kan dus hunne houding wel verklaard worden, zij blijft toch te betreuren; vooral om de gevolgen, die daaruit zijn voortgevloeid. Immers is de uitslag geweest, dat de rechtsgeleerden het ten slotte gewonnen hebben; wel niet spoedig, maar dan toch na Luthers dood. En dan zeker wel het meest, doordat in hun stelsel ook paste, dat de vorst des lands aan het hoofd der kerk werd gesteld, hetzij dan als „summus

|9|

episcopus,” of als „praecipuum ecclesiae membrum”, of wel eenvoudig als de hoogste aardsche macht; hetgeen uit den aard der zaak dan gereeden steun vond bij die overheid zelve. Dit nu had aanvankelijk wel den schijn van de zaak der Hervorming te bevorderen; maar het heeft toch inderdaad hare uitbreiding zeer belemmerd, en (wat nog veel meer zegt) het heeft op den duur aan de Protestantsche kerken onberekenbaar veel kwaad gedaan. Het zijn juist die kerken, die erdoor geleden hebben, met eene schade, die op allerlei wijze ook nu nog voortduurt.

Om die groote gevolgen heeft de geschiedenis, die ik in herinnering bracht, des te meer belang en beteekenis. Intusschen, M.H., niet om daarvan te spreken, heb ik thans op dien strijd uwe aandacht gevestigd. Wat mij daartoe aanleiding gaf, is veeleer de omstandigheid, dat in onzen tijd die strijd wordt vernieuwd. Wel in anderen vorm, en vooral met eene voorstelling van het oude geschilpunt, die van de gewone voorstelling geheel afwijkt. Maar dan toch met de uitgesproken bedoeling, om in alle opzichten Luthers standpunt te handhaven, en den strijd, dien hij daarvoor gevoerd heeft, thans voort te zetten. Te zijnen aanzien is dan de opvatting, dat hij niet bedoelde het Roomsche kerkrecht als zoodanig te bestrijden, maar dat hij in en met dat stelsel ook het kerkrecht in het algemeen wilde in den ban doen; dat hij niet slechts verwierp wat als kerkelijke rechtsorde in het toen reeds afgesloten Corpus Iuris Canonici was vastgesteld, maar ook tevens alle regeling van dien aard; al wat in de oude kerk aan het Kanonieke Recht was voorafgegaan, en al wat in de Roomsche kerk nog daarnevens zou ingevoerd worden, en al wat Protestantsche kerken daarvoor zouden kunnen in de plaats stellen; in één woord, dat het eigenlijk zijne leuze was, niet: weg met het Ius Canonicum! maar, veel meer omvattend en veel dieper doordringend: het kerkrecht als zoodanig moet verdwijnen, weg met alle kerkrecht in het algemeen! Dat wordt dan geprezen als bij uitnemendheid Christelijk. Met volkomen aansluiting aan een dergelijk streven wordt dan alle kerkrecht als onchristelijk en verderfelijk voorgesteld. En dat alles wordt gedaan onder

|10|

zulke omstandigheden, dat het zeker niet aangaat, dien aanval met een minachtend schouderophalen voorbij te gaan.

Of nu Luther zelf inderdaad zoo geoordeeld heeft, zal ik thans laten rusten. Ik geloof het niet. Maar ik zou die ontkenning niet kunnen staven, zonder mijne gansche rede daaraan te moeten toewijden; en dan zou ik uitsluitend gehandeld hebben over eene vraag, die ook wel belangrijk is, maar waarop het antwoord toch betrekkelijk minder afdoet. Als het kerkrecht veroordeeld wordt, dan is bij dat vonnis de hoofdzaak, niet wie het geveld heeft, maar of de gronden, waar het op rust, den toets kunnen doorstaan. Indien dit het geval is, dan moet eigenlijk volgen, dat het gansche kerkrecht moet wegvallen, en dat alle onderwijs in dat vak geenen anderen inhoud heeft, dan de aanwijzing van het kwaad dat erdoor is aangericht; en ook verder volgt er uit dit ééne dan nog veel meer, beide voor de wetenschap en ook voor de kerk, op allerlei wijze en in allerlei opzicht. Inderdaad geldt het hier dus eene quaestie, die in ruimen kring van belang is, en die tevens eene levensquaestie is voor een vak, waarvan mij het onderwijs opgedragen is. Door het eene ligt zij dan ook zeker wel op mijn weg; en door het andere ligt zij tevens binnen de grenzen van hetgeen ik thans mag ter sprake brengen.

Zij betreft het kerkrecht in het algemeen. Dat wordt gebrandmerkt als een vijand, die van buiten in de kerk is ingedrongen; allerlei kwaad wordt ervan gezegd, juist omdat het „kerkrecht” is; het wordt voorgesteld als de samenvoeging van twee begrippen, die nu eenmaal onvereenigbaar zijn; de naam zelf wordt beschouwd als eene contradictio in terminis. Laat mij daartegenover zijn bestaansrecht mogen handhaven, en dus tot u spreken over het kerkrecht, in zoover het de kerk met het recht in verband brengt.

Met een enkel woord heb ik reeds gezegd, wat mij tot de keuze van dit onderwerp aanleiding gaf. Maar die aanleiding mag nu allereerst wel wat nader worden toegelicht. En dat kan natuurlijk slechts geschieden door een korte kenschetsing van den hier bedoelden aanval.

Rutgers, F.L. (1894) [Probleemstelling]

|11|

Als in tegenstelling met den tijd der Hervorming komt die aanval thans uit den kring van de rechtsgeleerden zelven. Door een 24tal Duitsche professoren in de Rechten, die zich onder leiding van Dr. Karl Binding vereenigd hebben, wordt sedert eenige jaren gearbeid aan de uitgave van een volledig „Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft.” In dat wetenschappelijk consortium is de behandeling van het kerkrecht opgedragen aan Dr. Rudolph Sohm, hoogleeraar in de Rechten te Leipzig. En deze heeft aan die opdracht reeds aanvankelijk voldaan, door in 1892 het eerste Deel van de Afdeeling „Kirchenrecht” in het licht te zenden 1). Dit Deel, dat bij al zijn omvang toch nog enkel maar handelt over „Die geschichtlichen Grundlagen,” is natuurlijk slechts de aanvang van het gansche werk. Maar het is terzelfder tijd door zijn inhoud ook een boek op zichzelf; en dan zeker een boek, waarvan zeer begrijpelijk is, dat het veel belangstelling heeft gevonden. Het is van een schrijver, die op rechtsgebied een goeden naam heeft; en het komt uit een kring van geleerden, die wel uit den aard der zaak voor elkanders arbeid niet aansprakelijk zijn, maar die toch reeds door hunne samenwerking elkander aanbevelen. Het behandelt zijn onderwerp, de geschiedenis van het kerkrecht, met eene zeldzame grondigheid en volledigheid; en het doet dat in een vorm, die niet minder zeldzaam is door de groote klaarheid en schoonheid van stijl. En behalve dat alles kan er ook van gezegd worden, dat het door zijne strekking zeer opmerkelijk is. Van den aanvang af tot het einde wil het alle kerkrecht bestrijden; het wil de geschiedenis zelve zulk een vonnis der veroordeeling laten uitspreken; het wil Luther daarbij laten optreden als getuige, om zich dan geheel bij hem aan te sluiten; het wil doen wat hij heeft gedaan, door den schuldige ook te executeeren, zij het ook dat de brandstapel thans vervangen wordt door eene openlijke brandmerking en tentoonstelling.

Het geheele boek is dus inderdaad een geduchte aanval op


1) De titel is: Dr. R. Sohm, Kirchenrecht, Bd. I, Die geschichtlichen Grundlagen (1892; XXIII en 700 blzz.)

|12|

het kerkrecht. Laat mij aanstonds daarbijvoegen, dat hier waarlijk niet te denken is aan afkeerigheid van de kerk of aan ongeloovigheid. Juist integendeel, het is liefde voor de kerk, waaruit die bestrijding voortkomt; en in overeenstemming daarmede doet de schrijver zich kennen als een overtuigd belijder van Christus. Dat persoonlijk geloof laat hij niet slechts merken, maar het stelt het ook met nadruk op den voorgrond. En hij doet dat bij herhaling met zóóveel beslistheid, als in wetenschappelijke werken van dien aard maar zelden te vinden is. In dat opzicht is b.v. kenmerkend, wat hij reeds terstond in de Voorrede zegt, waar hij bij de opsomming van de zwarigheden, die er voor een rechtsgeleerde aan de studie van het kerkrecht verbonden zijn, over één punt zich aldus uitspreekt 1): „[Es] stellt sich bald ein ferneres Hindernis dem vordringenden Juristen in den Weg. Eine neue Welt umgiebt ihn, die Welt des Christlichen Glaubenslebens, mit Macht das ganze Sein der Christenheit beherrschend, in welcher er mit Juristenaugen nichts zu sehen und mit Juristenhänden nichts zu ergreifen imstande ist. Ziehe deine Schuhe aus, denn der Boden, auf dem du stehst, ist heiliges Land! Das Christentum ist in die Welt hereingekommen, überirdisch, überweltlich. Du wirst es nimmermehr verstehen, wenn du nicht selber aus dem Wunderbecher getrunken hast, dessen Inhalt den Durst der Seele stillt. Trinke, und du wirst nimmermehr dürsten. Trinke, und du wirst eine neue Welt entdecken, die du nie zuvor gesehen, die Welt des Geistlichen, überwölbend, überstrahlend die Welt des Irdischen.” En (om nog eene proeve te geven) in de paragraaf, die handelt over den oorsprong van „das landesherrliche Kirchenregiment,” en dus ook aanwijst hoe men dat begeerde om met uiterlijke macht de kerk te steunen, geeft de Schrijver aan zijn oordeel over dat motief o.a. deze uitdrukking 2): „Derselbe Gedanke, dieselbe Furcht, derselbe Kleinglaube, welcher einst aus dem Urchristentum den Katholicismus erzeugte, ist nunmehr in der Kirche der Reformation gross geworden. Der Hunger nach


1) Sohm, a.w., blz. X.
2) Sohm, a.w., blz. 616.

|13|

den Fleischtöpfen Aegyptens ist erwacht auf dem Zug durch die Wüste des alltäglichen Lebens. Das Recht soll helfen und der äussere Zwang, wenn das Wort versagt! Der Sturm bewegt das Meer. Christus schläft. Das Schiff der Kirche muss durch menschliche, weltliche Mittel über Wasser gehalten werden. Hilfe! wir ertrinken! Wo ist der Glaube an das Evangelium? Wo das Bekenntnis, dass die Kirche Christi allein regiert werden kann und soll durch das Wort Gottes?”

Op zulk eene wijze laat de Schrijver zijne geloofsovertuiging telkens uitkomen. Ja zelfs doet hij te dien aanzien nog veel meer dan uit dergelijke uitlatingen zou zijn af te leiden. Het boek, dat hij schreef, is in vollen zin een boek van studie, bestemd voor Juristen en voor andere beoefenaars van de wetenschap, en daarom naar vorm en inhoud streng wetenschappelijk. Maar dan niet in dien zin, dat hij geleerde beschouwingen geeft, waarin hij zoo nu en dan een geloofsgetuigenis inlascht. Zijn geloofsbeginsel is volstrekt niet (om het zoo eens uit te drukken) iets aparts naast zijne wetenschap. Juist integendeel, dat beginsel is bij heel zijn arbeid in werking; het is hem een punt van uitgang, dat reeds van tevoren vaststond en dat hij ook nooit uit het oog verliest; het is inderdaad het beginsel, waardoor zijne studie zelve wordt geleid en beheerscht. Of en in hoeverre het dogmatisch zuiver is, laat ik voor het oogenblik rusten. Maar in ieder geval is opmerkelijk, dat het nooit wordt ter zijde gesteld.

Zoo b.v. wordt gedurig vooropgesteld 1), dat de kerk het lichaam van Christus is, zoodat hij alleen haar Hoofd en Heere is, altijd in haar wonend en werkend, overal waar men in zijn naam vergadert; dat die kerk aan Gods Woord zich geheel heeft te onderwerpen, niet gebonden aan de inzettingen van menschen, maar alleen aan de ordinantiën Gods; en dat in die kerk alle werkzaamheid niet een heerschen is, maar een dienen, waartoe ieder gehouden is, naar de mate waarin God hem bekwaam maakt en roept. Zoo wordt met betrekking


1) Vgl. voor de in den tekst volgende drie volzinnen o.a. Sohm, a.w., blzz. X, 22 en 25; — 23, 29, 31 en 105; — 26, 31 en 51 vgg.

|14|

tot die kerk telkens aangewezen 1), dat zij de vergadering der geloovigen is, waarvan dus ook slechts in tweeërlei zin kan gesproken worden, algemeen of wel plaatselijk; dat haar plaatselijk optreden altijd als volledig te erkennen is, zijnde niet een kerk, maar de kerk; en dat ongerijmd is, in Christus’ kerk aan de macht der overheid plaats te geven, of haar te beschouwen als een genootschap, dat met menschelijke vereenigingen gelijksoortig is. En zoo zou er nog veel meer hier te noemen zijn, dat nu wel niet nieuw is voor Gereformeerden, maar dat toch een vreemden klank heeft voor anderen, en dat zeker in het geheel niet zou verwacht worden bij een Duitschen rechtsgeleerde van den tegenwoordigen tijd.

Daarom pleit het voor zijn boek dan ook des te meer, dat het toch zoo gunstig ontvangen is; wel door velen bestreden, maar toch ook door deze gewaardeerd als een werk van groote betekenis 2). Slechts één feit, ten bewijze daarvan. Onlangs, in


1) Vgl. voor de in den tekst volgende drie volzinnen o.a. Sohm, a.w., blzz. 21; — 19 vgg.; — 619, 672.
2) Van de recensies van Sohms boek wordt een negental der uitvoerigste en belangrijkste opgegeven in het „Theologischer Jahresbericht,” 12e Dl. (de jaargang 1893, bevattende de litteratuur van het jaar 1892), blzz. 251 en 471 (vgl. ook blzz. 486 en 495). In dit „Jahresbericht” zelf, dat waarlijk niet in den geest van Sohms godsdienstige richting wordt geredigeerd, en dat op schrijvers van zulke besliste overtuiging vaak met eene zekere minachting neêrziet, wordt aan Sohms boek toch de eer bewezen van twee betrekkelijk uitvoerige aankondigingen (in de Afdeeling „Kerkgeschiedenis” door Dr. G. Loescher, hoogl. in de Godgeleerdheid te Weenen, blzz. 250 vg., en in de Afdeeling „Kerkrecht” door Dr. Th. Woltersdorf, pred. te Greifswald, blzz. 471 vg.). En de hooge waardeering, die het ook daar gevonden heeft, blijkt b.v. uit de verklaring, dat het is een „durch glänzende Darstellung, umfassende Gelehrsamkeit, persönlichste Anteilnahme an dem Gegenstand, warme Begeisterung, schonende Polemik ausgezeichnetes Werk” (blz. 250); dat de Afdeeling „Kerkrecht”, als het ware „zum Entgelt für die vielen ephemeren Erscheinungen”, die toch alle moeten behandeld worden, thans kon beginnen „mit einem Werke, dem durch seine hervorragende Bedeutung eine lange Dauer gesichert ist” (blz. 471); en dat er in het algemeen van te zeggen is: „Ausgerüstet mit umfassender Quellenkunde, eindringendem, fein combinirendem Scharfsinn, religiöser Congenialität und formvollendeter, trotz einer gewissen rhetorischen Breite immer edlen und fesselnden Sprache hat Sohm die Geschichte der Kirchenverfassung ➝

|15|

den zomer van dit jaar, verscheen weder een Leerboek voor het kerkrecht, ook nog maar een eerste gedeelte, van de hand van Dr. Wilhelm Kahl, hoogleeraar in de Rechten te Bonn; iemand, die op dit gebied reeds zijn naam gevestigd heeft, o.a. door zijn arbeid aan het groote werk van Richter en Dove, in Duitschland het handboek bij uitnemendheid, waarvan hij de laatste uitgave heeft bewerkt 1). Deze nu had, naar zijn eigen bericht 2), met zijn nieuwe Leerboek nog wat willen wachten, om het eerst te voltooien en het dan in zijn geheel te kunnen uitgeven. Maar inmiddels kwam het Handboek van Sohm. Bij den indruk, dien dit maakte, werd door velen gewenscht, dat ook hij zijn oordeel daarover zou uitspreken. En toen achtte hij in dit geval het meest geraden, om zich niet te bepalen tot gewone recensie, maar om van zijn eigen boek het begin nog eens om te werken, en dan dit reeds nu te doen uitkomen. Daardoor wilde hij Sohm des te beter bestrijden. Maar juist daardoor gaf hij aan dezen terzelfder tijd een zeer eervol getuigenis. — En behalve dat is ook zijne tegenspraak zelve waarlijk niet zonder lofspraak 3). Van het werk, dat hij critiseert, erkent hij uitdrukkelijk: „Vieles, ja das Meiste der geschichtlichen Resultate mag bestehen bleiben. Sohm hat über ungezählte Einzelnheiten neuer Licht verbreitet”. Na het overzicht van den inhoud schrijft hij de waardeerende woorden: „Versäume Keiner, aus der Quelle selbst zu schöpfen. Sie bietet eine Erquickung seltener Art. Sie zieht auch den, welchen sie zum Widerspruch reizt, unwiderstehlich an. Es spricht aus ihr ein in jedem Blutstropfen begeistert überzeugter lutherischer Christ, ein Herrscher im Bereiche


➝ als (solch) ein Kunstwerk vor unsere Augen hingestellt; ein durchweg von Einer Idee erfülltes, in allen Theilen harmonisch zusammenstimmendes Gemälde, und zwar ein völlig neues” (blz. 472).
1) Dr. A. L. Richter, Lehrbuch des katholischen und evangelischen Kirchenrechts; in 8er Auflage (1886) bearbeitet von Dr. R. Dove und Dr. W. Kahl (XVI en 1410 blzz.). In deze uitgave is de grootste helft, van blz. 651 af, door Dr. Kahl alleen bewerkt.
2) Vgl. Kahl, Lehrsystem, S. III.
3) De in den tekst hierna volgende aanhalingen zijn te vinden bij Kahl, Lehrsystem, S. 71 fg.

|16|

kirchengeschichtlichen Wissens, ein Meister der Rechtswissenschaft, ein Klassiker der deutschen Sprache.” En in overeenstemming daarmede is ook zijne uitspraak: „Wer immer, Jurist oder Theologe, in der Gegenwart Kirchenrecht ernsthaft studiren will, musz mit Sohms Buch, als der hervorragenden kirchenrechtlichen Erscheinung der Neuzeit, sich bekannt gemacht und Stellung dazu genommen haben.”

Toch sluit zulke lof nog volstrekt niet in zich, dat de hoofdgedachte wordt toegestemd. En die hoofdgedachte is, gelijk ik reeds opmerkte, dat het kerkrecht onchristelijk en verderfelijk is. Het geheele boek van Sohm is eene geschiedenis van het kerkrecht, ter aanwijzing, hoe de kerk oorspronkelijk ingericht was, hoe de rechtsorde er is ingekomen, en hoe die in den loop der eeuwen zich ontwikkeld heeft tot allerlei stelsels. Maar nu is de afkeuring en de aanklacht niet alleen gericht tegen één of meer van die stelsels, of tegen eenig ander stelsel dat zou kunnen opkomen. Bij die gansche beschrijving is de stelling, die als eene altijd vastgehoudene draad door alles heenloopt: dat het kerkrecht op zichzelf te veroordeelen is; dat op de eigenaardige verhoudingen, die er in de kerk bestaan, het rechtsbegrip niet kan worden toegepast; dat het wezen des rechts in volkomen strijd is met het wezen der kerk.

Om het kerkrecht daartegenover te handhaven, moeten we natuurlijk een onderzoek instellen naar de gronden, waarop die bewering gebouwd is. Die gronden zijn hoofdzakelijk de volgende 1):

Het recht als zoodanig is van nature formeel; maar in Christus’ kerk is de zaak, waarvan alles eeniglijk afhangt, dat er inderdaad en in waarheid overeenstemming is met Gods Woord en wil. Het recht als zoodanig brengt den eisch met zich dat een ieder daarvoor buigen zal, en dus ook het streven om onwilligen hiertoe te dwingen; maar in Christus’ kerk is alleen beteekenis toe te kennen aan eene vrije gehoorzaamheid die uit liefde voortkomt, en kan dus aan dwang zelfs niet worden gedacht. En het recht als zoodanig behoort tot de


1) Vgl. o.a. Sohm, a.w., blzz. 1 vg.

|17|

wereld, tot hetgeen bestemd en berekend is voor het aardsche, natuurlijke leven; maar de kerk van Christus is geestelijk, en in overeenstemming daarmede is hare gansche inrichting juist het tegendeel van een rechtsinstituut.

Met het oog op die drie punten moet dus onderzocht worden, of de daar gemaakte tegenstellingen inderdaad aanwezig zijn. En het antwoord op die vraag kan dan telkens dienen, om het kerkrecht des te beter te doen kennen. Juist doordat het de kerk met het recht in verband brengt, wordt het wezen der kerk en het wezen des rechts daarin als het ware vereenigd; beide blijven bewaard, maar dan zóó, dat het eene tevens invloed heeft op het andere; en in alle drie de genoemde opzichten moet het kerkrecht dus iets eigenaardigs hebben. Het is ook formeel, maar dan zóó, dat de innerlijke waarheid altijd gelden kan; het is ook verbindend, maar dan zóó, dat het altijd wordt gehandhaafd zonder dwang; en het is ook institutair, maar dan zóó, dat het altijd dienst doet voor een geestelijk organisme.

Rutgers, F.L. (1894) I

I.

Het recht als zoodanig is van nature formeel 1). Er zijn vaste vormen, waaraan het gebonden is en waardoor het bepaald wordt. Vaststelling, uitvoering, toepassing, handhaving, het moet alles gaan, om te kunnen gelden, naar de regelen die er voor dat alles zijn aangenomen; en indien die regelen zijn in acht genomen, dan is dat ook genoeg. Wanneer sprake is van verhoudingen, die er tusschen menschen zijn kunnen, hetzij dan verplichtingen of bevoegdheden, en wanneer gevraagd wordt, of die rechtens bestaan, dan is tot beantwoording van die vraag slechts te onderzoeken, of het een geval betreft waarvoor ordinantiën zijn, en of deze dan behoorlijk zijn opgevolgd: daardoor wordt de zaak dan beslist. Dat kan dan wel wezenlijk onrecht zijn: „summum ius, summa iniuria.” Maar eene rechtsorde is nu eenmaal niet anders mogelijk. Dat alleen kan haar geven, wat zij noodig heeft om te kunnen


1) Vgl. b.v. Sohm, a.w., blz. 23.

|18|

gelden: onpartijdigheid, objectief karakter, vast bestand en onwraakbaar gezag.

En dus (zoo wordt nu gezegd) in de kerk is zij onbestaanbaar. Daar toch kunnen vormen niets afdoen. Wat op haar gebied inderdaad zal gelden, moet juist innerlijk waar zijn; het moet dan in orde zijn, niet formeel, maar reëel. Immers is de kerk het lichaam van Christus, door Hem gevormd, door Hem bezield, door Hem geleid, door Hem beheerscht. Hare gansche inrichting is bepaald door de ordinantiën Gods; Gods Woord is haar eenige regel en richtsnoer, en dus ook de maatstaf die bij alle toetsing en beoordeeling te gebruiken is; wat er in haar midden georden, geleerd en gedaan wordt, het heeft alles slechts in zóóver beteekenis, als het met dat Woord overeenstemt. Maar hoe kan zij dan rechtsorde toelaten? Moet dan (om het met een enkel voorbeeld op te helderen) iemand te erkennen zijn als een Dienaar des Woords, enkel omdat hij indertijd, misschien lang geleden, met inachtneming van de voorgeschreven vormen door menschen in dienst is gesteld, zonder dat daarbij in aanmerking komt, of hij wel van God geroepen is, en of inderdaad het Woord door hem wordt bediend? Dat zou met het wezen der kerk toch in strijd zijn. En dus (zoo is dan de slotsom) kerk en recht kunnen niet tezamen gaan. Bij het laatste geldt alleenlijk de vorm, ook ten koste van het wezen; maar de kerk heeft het wezen zóó noodig, dat zij niet kan rekenen met den vorm.

Bij die gansche redeneering wordt blijkbaar aangenomen, dat er strijd is tusschen vorm en wezen. Nu, dat is ook zeker vaak het geval. Maar waar ligt dat dan aan? Ligt het in den aard der zaak, d.w.z. daaraan, dat er strijd is tusschen die begrippen zelve? Zeker niet. Immers zijn wel op geen enkel gebied de bestaande vormen zonder oorzaak en doel, enkel het product van menschelijke willekeur; en het doel, dat men bij de vaststelling heeft, ligt ook waarlijk niet in die vormen zelve. Dat doel ligt juist eeniglijk en alleen in het wezen, waarop zij betrekking hebben. Om het wezen behoorlijk tot zijn recht te doen komen, zijn de vormen nu eenmaal onmisbaar. En nu kan het zeker wel gebeuren, dat zij aan dat doel

|19|

niet beantwoorden, en dat hare inachtneming juist veroorzaakt, dat men aan het wezen te kort doet. Maar dat ligt dan aan de onvolkomenheid van die vormen, niet aan haar bestaan op zichzelf. En voorts, juist dat kwaad zou ontzaggelijk toenemen, nog oneindig veel meer zou het wezen verdwijnen, als men eens besloot, alle vormen weg te doen. Daardoor zou het wezen nooit gebaat worden, maar het zou er juist door verloren gaan. Ook zelfs zeer gebrekkige vormen zouden dan nog altijd verre te verkiezen zijn.

Maar zoo is het dan ook met de vormen, waar het recht aan gebonden is. Als die in bepaalde gevallen met het wezen in strijd zijn, dan is dat een feitelijk conflict der practijk, niet eene principiëele tegenstelling der begrippen zelve. Deze staan niet tegenover elkander, maar zij hangen juist ten nauwste met elkander samen; en reeds daarom kan het bezwaar, waar we thans over handelen, inderdaad niet gehandhaafd worden. De omstandigheid, dat het recht van nature formeel is, brengt nog geenszins mede, dat het door de kerk moet verworpen worden.

Met dat al (zou men kunnen zeggen), ook al is er tusschen die begrippen geene tegenstelling, er kan toch wel strijd zijn in de practijk. Daar het altijd menschen zijn, die de vormen moeten vinden en vaststellen, is zelfs onvermijdelijk, dat die vormen in allerlei opzicht gebrekkig zijn. En waar dat het geval is, moeten, naar den eisch des rechts, dan die vormen toch gelden. Dit nu kan en mag, waar slechts sprake is van de dingen dezer wereld. Maar kan ook de kerk dat aanvaarden? Als de rechtsorde zulke gevolgen heeft, mag zij dan op kerkelijk gebied worden toegelaten? Kan daar ooit geduld worden, ook al was het maar voor één enkel geval, dat de vorm aan het wezen te kort doet, of m.a.w., dat in eenig opzicht Gods Woord zou worden ter zijde gesteld?

Neen zeker! dat mag niet. En toch behoeft het recht daarom niet te worden afgewezen. Juist integendeel, het werkt mede, om die heerschappij van Gods Woord te handhaven. Immers, van het kerkrecht is juist de grondslag, dat Gods Woord boven alles gaat; het is zijn beginsel, dat alle ordening met

|20|

dat Woord overeenstemme; en het is zijn eisch, dat er nooit berust worde in verloochening van dat Woord. Daarom gaat de kerk bij alle regeling zóó te werk, dat zij de conscientiën altijd vrijlaat; dat zij het getal der vormen zoo klein mogelijk maakt; dat zij alle bepalingen eeniglijk met de goede orde in verband brengt; dat zij Gods ordinantiën daarbij altijd onvoorwaardelijk op den voorgrond stelt; en (om nu ook de hoofdzaak nog te noemen) dat zij ook uitdrukkelijk vrijheid geeft, en zelfs voorschrijft, om zich aan Gods Woord te houden, als het zijn moet zelfs tegenover alle kerkelijke ordening en beslissing. Door dat laatste is (om het zoo eens uit te drukken) de volstrekte heerschappij van Gods Woord ook formeel in de rechtsorde opgenomen. En op kerkelijk rechtsgebied kan er dus ook eigenlijk geen strijd zijn tusschen formeel en reëel.

Dat wil nu niet zeggen, dat men in de kerk zich volstrekt niet zou te storen hebben aan wat verder is vastgesteld, en dat individueele willekeur daar den vrijen teugel heeft. Ook wie meent, dat er van Gods Woord wordt afgeweken, moet daartegen ordelijk opkomen, d.w.z. naar de daarvoor vastgestelde vormen. Ook hier zijn die voor het wezen onmisbaar; en ook dit is een eisch van Gods Woord. Maar ten slotte gaat dat Woord dan toch boven alles; als het zijn moet, gelijk eenmaal in de 16e eeuw. Hare reformatie was geen revolutie, maar juist een herstel van de goede rechtsorde; niet in strijd met het kerkrecht, maar juist daardoor geëischt.

Alleenlijk, haar standpunt moet dan ook worden ingenomen. Anders zou de bedenking, die ik nu ter sprake bracht, inderdaad niet voldoende kunnen beantwoord worden. Het gemaakte bezwaar geldt wel degelijk tegen allerlei opvatting van het kerkrecht, met name tegen het Roomsche en het collegiale stelsel. Daar kan, ja daar moet vorm en wezen met elkander in strijd komen; en de rechtsorde is dan oorzaak, dat het wezen wordt ter zijde gesteld en verdwijnt. Maar dat is dan niet de schuld van „het kerkrecht”. Daarvan is juist de eigenaardigheid, dat het vorm en wezen vereenigt; dat het wezen den vorm geheel beheerscht; dat het wezen zelf in den vorm is opgenomen.

Rutgers, F.L. (1894) II

|21|

II.

Het is de Gereformeerde opvatting van het kerkrecht, die ik bij het nu behandelde punt heb ten grondslag gelegd, ten betooge dat bij zulk eene opvatting het gemaakte bezwaar niet kan gelden. Inderdaad is het daartegen dan ook niet gericht. Daarmede is zelfs in het geheel niet gerekend. Ja wat meer is, die opvatting kan door den bestrijder zelven eigenlijk niet eens gewraakt worden. Immers, hij is waarlijk niet van meening, dat de kerk juist gekenmerkt wordt door individualisme en wilekeur; hij wil haar integendeel nauw verbinden aan de vaste ordinantiën Gods; en hij is ook blijkbaar van oordeel, dat, wanneer die werkelijk in het kerkelijk samenleven zullen gelden, althans eenige vormen en regelen vanzelf onmisbaar zijn. Hij beschrijft dan ook zeer uitvoerig, hoe de kerk aanvankelijk was geordend, in den oudsten tijd van haar optreden, toen zij naar zijn oordeel nog in het geheel niet door het recht was bedorven. Ook toen was er dus wel degelijk eene kerkenordening; zeker nog niet scherp geformuleerd en op schrift gebracht, nog niet in bijzonderheden uitgewerkt en op allerlei toestanden toegepast, en wel allerminst op eenige wijze met juridische overwegingen in verband gebracht; maar dan toch in ieder geval eene formeele ordening; althans zóóveel als er toen vereischt werd, om den dienst des Woords en der Sacramenten en der barmhartigheid te doen plaats hebben. Alleenlijk, wie nu daaruit zou willen afleiden, dat er dus een begin was van kerkrecht, die zou aanstonds ten antwoord krijgen: o neen, dat niet; het was kerkelijke orde, maar volstrekt geene rechtsorde. Immers wordt gezegd (en hiermede komen we tot ons tweede punt), dat het aan de rechtsorde eigen is, zich van buiten met overmacht op te leggen, en dus ook onwilligen tot gehoorzaamheid te dwingen, terwijl in de kerk slechts beteekenis toekomt aan eene vrije gehoorzaamheid die uit liefde voortkomt, zonder dat aan dwang zelfs kan worden gedacht.

Dat hetgeen hier van de kerk gezegd wordt, inderdaad zoo is, kan gereedelijk worden toegestemd. Maar dan om er

|22|

aanstonds bij te voegen, dat dit nog volstrekt niet zeggen wil, dat de kerk hare orde niet handhaaft. En voorts kan ten aanzien van het recht ook niet worden toegegeven, dat het uit zijn aard een voortdurend streven heeft om te heerschen door dwang.

Of dan, wat dit laatste betreft, Dr. Sohm recht en dwang vereenzelvigt? In beginsel zeker niet. Zelfs wordt in den aanvang van zijn boek bij herhaling erkend 1), dat „das Recht nicht begrifflich den Zwang fordert”, en dat „das Wesen der rechtlichen Befugnis nicht ist, dass sie zwangsweise durchgesetzt werde.” Er wordt te dien aanzien slechts beweerd, dat het recht „der zwangsweisen Verwirklichung zustrebt.” Maar (gelijk reeds door anderen 2) opgemerkt, en ook in bijzonderheden aangewezen is) bij de verdere behandeling der geschiedenis worden toch „Rechtsgewalt und Zwangsgewalt identificiert, oder ist wenigstens das Zwangsmoment dergestalt in den Vordergrund des Rechtsbegriffs gestellt, dasz sich je länger je mehr in dem Leser die Identificierung beider Begriffe vollzieht.” Trouwens, wanneer gezegd wordt, dat het recht als zoodanig er altijd op uit is, om met dwang zich te laten gelden, „der zwangsweisen Verwirklichung zustrebt”, dan is daarmede eigenlijk ook reeds uitgesproken, dat die dwang aan zijn wezen niet vreemd is, dat die daaruit voortvloeit en daartoe behoort.

Inderdaad is dus hier de quaestie, of in het begrip des rechts ook vanzelf dat van dwang reeds ligt opgesloten. En dan kan gereedelijk worden toegestemd, dat dit vaak zoo is, op menig gebied en in menig opzicht. Voor zooveel de handhaving van de rechtsorde aan de overheid opgedragen is, mag en moet zij zeer zeker tot gehoorzaamheid dwingen. Maar zou daaruit nu volgen, dat dit een karaktertrek is van het recht in het algemeen? Zou die dwang ook bestaan, zou hij noodig, zou hij zelfs wel denkbaar zijn, indien eens de zonde niet in de wereld ware ingekomen? Immers zou er, met betrekking tot de rechtsorde die door God gewild is, dan wel nergens twijfel zijn of


1) Sohm, a.w., blzz. 2, 23.
2) Vgl. b.v. Kahl, Lehrsystem, S. 78.

|23|

verzet; ieder zou dan altijd genoegzaam weten wat hij tegenover anderen te doen en te laten had, en hij zou overeenkomstig die kennis dan ook altijd handelen. Er zou dan zelfs geene macht zijn om te dwingen; want, naar art. 36 van onze Confessie, is de overheid, aan wie nu die macht is gegeven, „uit oorzaak der verdorvenheid van het menschelijk geslacht door God verordend.” Maar daardoor zou het recht toch niet hebben opgehouden recht te zijn, en al zouden alle vormen dan ook anders zijn, dat zou aan het wezen des rechts toch niet raken. Niemand zal wel aandurven, te beweren, dat het recht als zoodanig des te beter uitkomt, naarmate de menschen er zich meer tegeninzetten, en dat rustige burgers, die er gaarne aan gehoorzamen, er juist daardoor eigenlijk aan tekortdoen. Inderdaad moet het tegendeel gelden: dan eerst zou het recht volkomen en wezenlijk heerschen, zich in al zijn rijkdom ontplooien, en in al zijne majesteit schitteren, wanneer ieders oog er geheel voor geopend was, en in ieders hart de begeerte was om er zich geheel aan te onderwerpen. Dat het thans zoo dikwijls gepaard gaat met dwang, heeft alleen tot oorzaak, dat er bij de menschen zooveel onwilligheid is om het te erkennen en eraan te gehoorzamen. Dat verband ligt dus buiten het recht; tot zijn wezen zelf kan de dwang niet behooren.

Toch ligt in de samenvoeging van die twee ook een element van waarheid. Alle recht heeft zeer zeker tot kenmerk, dat het zijn geheelen inhoud, in de vastgestelde vormen, zooveel mogelijk wil doen gelden; dat het op het gansche terrein, waarvoor het gesteld is, zich aan allen zonder onderscheid oplegt; dat het als eene heerschende macht wil erkend zijn, en zich als zoodanig wil handhaven. Alleenlijk, dit behoeft juist niet altijd met dwang te geschieden. En althans op kerkelijk gebied gaat het anders.

Hier kan dwang niet bestaan, en ook zelfs geen streven naar dwang. En waarom niet? Zeker ook wel, omdat aan de kerk als zoodanig geenerlei dwangmiddel ter beschikking staat, en omdat gedwongen vromigheid niet de minste beteekenis heeft, terwijl juist de factoren waar het op aankomt, hart en

|24|

conscientie, voor dwang zelfs niet vatbaar zijn. Maar behalve dat komt hier nog in aanmerking, dat het met het wezen der kerk zou in strijd zijn, recht en dwang te verbinden. De omstandigheid, waaruit dat verband elders voortvloeit, en ook eeniglijk voortvloeien kan, is hier eigenlijk uitgesloten. Hier moet gelden, althans in beginsel, wat ook gelden zou voor de menschen in het algemeen, indien onder hen eens geen zonde was, die hen telkens met het recht in conflict brengt.

Immers is de kerk, in haar zichtbaar optreden, ook wel eene gemeenschap van menschen, evenals de staat en de maatschappij, maar toch tevens eene gemeenschap van geheel andere samenstelling. Zij wordt niet gevormd door een aantal menschen, die een bloot uitwendig kenmerk gemeen hebben. Wat zij voor haar lidmaatschap eischt, is eene qualiteit die zoo innerlijk mogelijk is. Zij treedt op als de saamvergadering der geloovigen. Maar bij zulk een kring kan dan (om het zoo eens uit te drukken) op verzet niet gerekend worden. Daarvoor moet integendeel worden aangenomen (wat op ander gebied wel niet mogelijk is), dat bij alle ordinantie, die zich op Gods Woord kan gronden, allen gaarne bereid zijn, om haar te erkennen en op te volgen.

Waar reeds vrije gehoorzaamheid is, die uit liefde voortkomt, daar is uit den aard der zaak geene plaats meer voor dwang. En wanneer nu mocht gezegd worden: ja, maar ook niet voor het recht als zoodanig; dan is daarop te antwoorden, dat men hierdoor eene tegenstelling maakt, die toch eigenlijk niet bestaat. Vrijheid en liefde, mits natuurlijk opgevat in den Christelijken zin van die woorden, niet in den zin van bandeloosheid en willekeur, zijn toch waarlijk niet in strijd met de rechtsorde, zoodat deze er als het ware door zou wegvallen. Wie eene geldschuld erkent en gewillig betaalt, of wie reeds door liefde gedrongen wordt om een ander in zijn recht niet te storen, kan toch zeker niet gezegd worden, door die bereidwilligheid het recht te verloochenen of ter zijde te stellen. Juist integendeel, eerst moet het recht als zoodanig vaststaan, en eerst dan komt de vrijheid en de liefde, waarvoor dan de grens is bepaald, en het voorwerp is aangewezen, en

|25|

de oefenschool is geopend. Dit nu is het ideaal voor de kerk. Zij bestaat uit leden, van wie ondersteld wordt, dat zij daaraan werkelijk willen beantwoorden. En waar dat zoo is, daar is dan het recht ook eene heerschende macht. Maar het triomfeert dan, zonder te dwingen. Het wordt dan gehandhaafd, doordat ieder er gewillig voor buigt.

Ja (zal men nu misschien zeggen), zoo moet het wel zijn, maar zoo is het nu eenmaal niet. Metterdaad zijn ook de geloovigen lang niet altijd aan Gods Woord onderworpen; en, wat nog veel erger is, waar de kerk zichtbaar optreedt, telt zij altijd ook belijders die toch geen geloovigen zijn. In de kerk zijn dus ook wel allerlei neigingen, die tot ongerechtigheid leiden; evenzeer als b.v. in den staat; en is dan toch ook hier niet onvermijdelijk, dat het recht door dwang wordt gehandhaafd? Neen (zou ik daarop antwoorden), zeker niet; juist om het karakter der kerk, dat nooit mag verloochend worden. Waar verzet is tegen hare rechtsorde, kan zij daarin aanleiding hebben, om die ordening zelve nog eens aan Gods Woord te toetsen. Maar ook als de tegenstand ongemotiveerd is, en voorts in het algemeen, als er leden zijn bij wie leer of leven met het Woord in strijd is, dan beproeft de kerk toch volstrekt niet om tot iets te dwingen, maar zij onderwijst en vermaant en waarschuwt. Daardoor, en ook door haar woord van bestraffing, wil zij enkel overtuigen en terechtbrengen; hetgeen juist zou verhinderd worden, als zij ook maar eenigszins tot gehoorzaamheid dwong. En ook waar dat alles niet baat, blijft zij toch in dezelfde gedragslijn. Want de kerkelijke tucht, ook zelfs de geheele afsnijding, is geen rechterlijke straf en geen dwangmiddel. Het is eigenlijk de verklaring, dat de wederspannige, omdat en zoolang hij zijne afwijking volhoudt, daardoor toont in de kerk niet tehuis te behooren. De verbreking der gemeenschap geschiedt wezenlijk door den overtreder zelven; alleenlijk, hij wil dat niet zien en erkennen; en het is dan de kerk, die het uitspreekt en tot werkelijkheid maakt; waarbij zij dan voorts de vergelding of straf geheel overlaat aan haar Koning. Op die wijze wordt er ook voldaan aan het recht, dat moet heerschen. Waar het is geschonden, wordt het in de kerk ook

|26|

ten volle gehandhaafd. Maar dan op kerkelijke wijze; dat is, niet door dwang; maar door alle gemeenschap met die schending van zich af te wijzen, en door voorts zichzelve daarvan zuiver te houden.

Ook bij dit punt is ten slotte nog op te merken, evenals reeds bij het eerste punt, dat het de Gereformeerde opvatting van het kerkrecht is, die in het gezegde werd ten grondslag gelegd. Tegenover stelsels, die het in beginsel geheel anders opvatten, is het hier genoemde bezwaar zeer zeker van kracht; en ook desgelijks tegen allerlei practijk, die zelfs in Gereformeerde kerken wel eens gevolgd is. Feitelijk is de dwang vaak het middel geweest, waartoe ook de kerk ten slotte de toevlucht nam, hetzij dan rechtstreeks, door verband met de overheid of door hare eigene inrichting aan de wereld gelijkvormig te maken, of wel zijdelings, door aan de kerk en haar lidmaatschap allerlei uitwendige voordeelen te verzekeren. En terwijl dat bij Gereformeerde kerken in strijd is met haar eigen beginsel, geldt van andere kerken, dat zij, stelselmatig en door hare inrichting zelve, òf het recht òf de vrijheid òf beide wel moeten krenken. Maar dat is dan niet de schuld van „het kerkrecht.” Daarvan is juist de eigenaardigheid, dat het ook in dit opzicht kerk en recht vereenigt; dat het, gelijk alle recht, ook verbindend is, maar dan zóó, dat het altijd wordt gehandhaafd zonder dwang.

Rutgers, F.L. (1894) III

III.

Aan de twee vermelde bezwaren wordt nu nog een derde toegevoegd; en hierop wordt verre de meeste nadruk gelegd. Inderdaad is het ook het voornaamste; in die mate zelfs, dat de beide andere tot op zekere hoogte kunnen gezegd worden, daaraan ondergeschikt te zijn. Bij die beide toch is het telkens slechts één punt dat ter sprake komt, om dan in dat ééne opzicht kerk en recht als onvereenigbaar voor te stellen. Maar de derde bedenking gaat verder, en raakt beider wezen in het algemeen. Zij zijn tegenstrijdig (zoo is in het kort de bewering), want de kerk van Christus heeft een geestelijk karakter, en

|27|

het recht is, naar zijnen aard, van en voor deze wereld.

Het is op zichzelf niet iets nieuws, dat er in die woorden wordt uitgesproken. De tegenstelling, die daarin gemaakt wordt was eigenlijk de grondgedachte van die vele stelsels en beschouwingen uit de 16e eeuw, die men onder den naam van Anabaptisme pleegt samen te vatten. En zoowel in vroeger als in later tijd is het meermalen voorgekomen, dat, geheel op grond van diezelfde tegenstelling, alle kerkelijk ambt, en ook alle kerkelijke organisatie, als onchristelijk werd verworpen. Ook nu nog zijn er kringen, waarin zoo gedacht wordt. En vooral is niet zeldzaam, dat diezelfde beschouwing in een zwakkeren vorm zich laat gelden, zoodat kerkelijke rechtsorde wel niet in beginsel veroordeeld wordt, maar dan toch het geestelijk karakter der kerk zóó eenzijdig wordt opgevat, dat men op die rechtsorde minachtend neêrziet, haar beschouwende als eene zaak, die misschien noodig is, maar die toch eigenlijk veel te laag staat, dan dat een geloovige er zich mede zou inlaten.

Intusschen, ook al ligt de aanval op het kerkrecht, dien ik thans op het oog heb, geheel op de lijn van dat ongezonde mysticisme, hij is toch volstrekt niet eene bloote reproductie van reeds meermalen uitgesproken beschouwingen, en nog veel minder een product van gemoedelijke oppervlakkigheid. Zijn auteur beroept zich integendeel met veel nadruk op Luther 1), aan hem en aan de Luthersche kerkelijke formulieren zich geheel aansluitende, inzonderheid hierin, dat het leerambt beschouwd wordt als de eenige dienst die er in de kerk bestaan kan; en voorts geeft hij een geleerd en scherpzinnig vertoog, ook wel dogmatisch, maar toch bijna geheel van historischen inhoud, uit de bronnen zelve geput en met veel talent systematisch uitgewerkt. De slotsommen mogen dan ten deele niet nieuw zijn, er is toch in ieder geval veel nieuws in de wijze waarop zij gevonden en gestaafd worden. En behalve dat is ook zeker opmerkelijk, dat de lijn van gedachten tot het uiterste wordt voortgesponnen. Het beginsel, dat ten grondslag


1) Vgl. b.v. Sohm, a.w., blzz. 464 vgg.

|28|

ligt, wordt volkomen toegepast, met eene ijzeren consequentie, die voor niets terugdeinst.

Laat mij van die gansche beschouwing althans eenig denkbeeld geven, door eene korte schets van de grondlijnen.

Punt van uitgang is, dat aan de benaming „kerk” slechts deze beteekenis kan gegeven worden, dat zij is de saamvergadering der geloovigen, de gezamenlijke Christenheid, het lichaam van Christus. Als zoodanig is zij in zeker opzicht onzichtbaar, maar ook in een ander opzicht weêr zichtbaar; en dan zichtbaar, eeniglijk en alleen waar geloovigen samenkomen, door het feit van dat samenzijn zelf. Daarom dragen zulke samenkomsten ook den naam van „kerk.” Dat wil echter geenszins zeggen, dat zij op zichzelve eene soort van eenheid zouden uitmaken. In een dergelijken zin zijn plaatselijke kerken zelfs onbestaanbaar en ondenkbaar. In dat opzicht zijn zij (om het zoo eens uit te drukken) eigenlijk hetzelfde wat men op ander gebied een meeting of congres noemt. Maar daarvan verschillen zij weêr hierin, dat hetgeen in samenkomsten van geloovigen zichtbaar wordt, om het even waar, en al zijn er ook slechts twee of drie bijeen, altijd en immer de ééne algemeene kerk is. Wanneer plaatselijk van „de kerk” wordt gesproken, dan is dus hetgeen met dat woord bedoeld wordt, volstrekt niet eene bepaalde empirische grootheid of een sociaal begrip, maar alleenlijk eene dogmatische appreciatie; en deze kan natuurlijk slechts gelden voor zoolang het samenzijn duurt. Vóór en na zijn er weêr niet anders dan de enkele geloovigen, en is de kerk als zoodanig onzichtbaar.

Toch, of liever juist daarom, is die kerk ook georganiseerd, maar dan enkel met eene goddelijke organisatie; charismatisch, niet institutair. Van Christus, haar verheerlijkt Hoofd, krijgt zij gaven, gaven des woords en der leere en gaven der daad en der practijk, gaven, waarvan wel geen enkel lid geheel verstoken is, maar die voorts zeer onderscheidenlijk worden toebedeeld; en het is door de uitdeeling van die gaven, dat Christus zelf, en dan Hij alleen, zijne kerk regeert. Hare leden hebben te gebruiken, wat zij daarvan ontvingen, niet volgens opdracht eener plaatselijke samenkomst, of uitsluitend voor

|29|

een vastbepaalden kring, maar eeniglijk volgens opdracht des Heeren, waarom het dan ook niets dan „diensten” zijn, en ook altijd voor het lichaam van Christus, voor de gansche kerk in het algemeen; en wat de samenkomst der geloovigen te dien aanzien te doen heeft, is niets anders dan die gaven te erkennen. Die erkenning is noodig, om te kunnen vaststellen dat zij aanwezig zijn, maar kan voorts uit den aard der zaak niet verder gelden, dan de samenkomst zelve waarin zij verleend wordt. Iedere andere samenkomst is even goed eene openbaring van de ééne algemeene kerk, en kan als zoodanig die erkenning herhalen of wel weigeren.

Vaste ambten of diensten kunnen in de kerk dan ook niet bestaan. Wel zijn er leden, wier charisma algemeen en voortdurend erkend wordt. Maar ook bij dezulken kan er niet gesproken worden van eene menschelijke roeping; en nog minder kan er gedacht worden aan verplichtingen, die hun door de kerk zouden opgelegd worden, of aan bevoegdheden, die hun in de kerk zouden toekomen.

En desgelijks kan er in het algemeen ook geen sprake zijn van kerkelijke regelingen. Er zijn goddelijke ordinantiën, welke Christus zelf door de uitdeeling zijner gaven laat werken; maar juist daardoor wordt alle menschelijke regeling ten eenenmale uitgesloten. Alles gaat (om het zoo eens uit te drukken) vanzelf, ongeveer zooals dat ook het geval is bij de leden van het menschelijk lichaam.

Slotsom is dan, dat het kerkelijk leven voor geen rechtsorde vatbaar is. Het is uit zijn aard zóó verschillend van alle ander menschelijk samenleven, dat het daarmede niets gemeen heeft, en ook niets gemeen hebben kan. Dus ook niet het bezit eener rechtsorde. Deze behoort tot de wereld, tot hetgeen bestemd en berekend is voor het aardsche, natuurlijke leven; en als zoodanig is zij in overeenstemming met het wezen van den staat. Maar 1) „das Wesen des Rechts ist dem idealen Wesen der Kirche entgegengesetzt; . . . Rechtsordnung steht mit dem innersten Wesen der Kirche im Widerspruch”.


1) Sohm, a.w., blz. 2.

|30|

Dat is in het kort de gedachtengang, die bij dezen Schrijver gevonden wordt; die in zijn geheele boek als het ware is ingeweven, en die meer opzettelijk ontwikkeld wordt in het eerste hoofdstuk, dat eene beschrijving geeft van het oorspronkelijk Christendom. Van die gansche beschouwing nu moet zeer zeker erkend worden, dat er veel goeds, veel schoons en veel waars in te vinden is. Zij is inderdaad op zulk eene wijze in bijzonderheden uitgewerkt en historisch toegelicht, dat zij wel door geen beoefenaar van de wetenschap zonder velerlei vrucht zal gelezen worden. Maar toch, de hoofdzaak kan niet worden toegestemd. In de grondgedachten zelve, en dus ook in de slotsom, worden èn de kerk èn het recht in hun eigenlijk wezen miskend.

Een zoodanig oordeel over die geheele voorstelling vindt reeds eenigen steun in haar eigen slot; in de vraag, waarmede heel die ideale beschrijving als het ware tot de werkelijkheid terugkeert. Met het oog op den toestand van de oudste kerk, die geschilderd wordt als een toestand waarin nog geene plaats is voor kerkelijke bevoegdheden of verplichtingen, wordt ten slotte toch deze bedenking geopperd: Alles gaat nu van zelf; maar indien er eens een conflict komt, hoe dan? Zonder twijfel, het zijn altijd de Goddelijke ordinantiën, waardoor alles geregeld wordt, en het is altijd Christus zelf, die ze door de uitdeeling zijner gaven laat werken; maar als over de aanwezigheid van die gaven nu eens onderscheidenlijk gedacht wordt, of als voorkomt, dat er leden zijn, die ze niet behoorlijk eerbiedigen? Als de toestand nu eens zóó wordt, dat de geloovigen het onder elkander niet meer eens zijn? Die tijd (zoo wordt dan geantwoord) zal komen; en dan komt ook kerkelijke rechtsorde als iets onvermijdelijks. En er wordt zelfs aangewezen, hoe reeds in de oude kerk, onder leiding der Apostelen zelven, de „Vorstufen” van die rechtsorde in de kerk gekomen zijn.

Maar als dat zoo is, hoe kan dan gezegd worden, dat toch alle rechtsorde, die men in de kerk zou toelaten, tegen de van God gestelde orde lijnrecht ingaat? Met noodwendigheid moet er rechtsorde komen; maar dat gaat dan toch niet (om het

|31|

zoo eens uit te drukken) buiten God om? Dat is toch geen noodzaak, waarop (met eerbied gezegd) bij de Goddelijke ordinantie der kerk eigenlijk niet zou gerekend zijn? Christus heeft zijne kerk toch bestemd, om onder menschen te bestaan en zich uit te breiden; en hoe kan dan de eenige wijze, waarop zulks mogelijk ware, met het voor de kerk bepaalde wezen in strijd zijn?

Inderdaad heeft Hij dan ook, juist integendeel, door hetgeen Hijzelf voor de kerk heeft ingesteld en verordend, haar reeds aanstonds zóó geïnstitueerd, dat zij aan haar doel kon beantwoorden. En ook bij de schriften der Apostelen moet de exegese al heel wat inleggen of terzijdestellen, om te kunnen leiden tot de slotsom, dat er in den aanvang nog geen spoor was van een kerkelijk instituut; dat er toen nog geen sprake was van plaatselijke kerken, met een aan te wijzen kring van leden, en met vaste ambten en bedieningen, en met eene verbindende regeling voor de goede orde. In een kort bestek kan dit uit den aard der zaak niet nader worden toegelicht; want het zijn vele Schriftuurplaatsen, die hierbij in aanmerking komen; deze zouden voorts te behandelen zijn, niet slechts ieder afzonderlijk, maar ook in verband met elkander; en omdat de Christelijke Dogmatiek één geheel is, zou het resultaat dan ten slotte nog zijn in verband te brengen met den verderen inhoud van die Dogmatiek. Dat is hier wel ondoenlijk; maar gelukkig is het ook niet noodig; ja, wat meer is, het zou in dit geval toch niets kunnen baten. Ook al zou men exegetisch en historisch telkens gelijk krijgen, daarmede zou men voor de quaestie zelve toch nog niet veel verder zijn. Want haar diepste grond ligt niet in de resultaten van wetenschappelijk onderzoek; maar daarachter en daaronder ligt de werking van Godsdienstige overtuigingen.

Immers, ook al wordt hier telkens een beroep gedaan op Luther, en al is in menig opzicht de beschouwing zonder twijfel Luthersch, en niet Doopersch, haar beginsel is toch eigenlijk anders, en veeleer in overeenstemming met de laatstgenoemde en met alle daaraan verwante mystieke richtingen. Volgens die beschouwing is de kerk als eene nieuwe schepping

|32|

in de wereld ingebracht; de geloovigen, waaruit zij bestaat, worden als verloste eenlingen aan haar toegevoegd, uit het lichaam der menschheid als het ware uitgenomen en dan ingezet in het lichaam der kerk; al den tijd, dat die kerk nog op aarde is, drijft zij (naar het veelgebruikte beeld) als een oliedrop op de wateren; tusschen haar en de menschheid is en blijft er absolute tegenstelling. Dientengevolge is er dan ook absolute tegenstelling tusschen al wat aan beide eigen is: tusschen al wat thuis hoort of geldt, eenerzijds op de heilige erve der kerk, en anderzijds op het wereldsche gebied van het aardsche en natuurlijke leven. En omdat nu tot dit laatste ook het recht behoort, staat reeds daarom vast, dat het uit zijn aard met het wezen der kerk moet in strijd zijn.

Wanneer zulke denkbeelden worden uitgesproken met eene blijkbaar vrome gezindheid, dan hebben zij op zichzelf iets aantrekkelijks. Maar toch, wat is eigenlijk hunne strekking? Waarop komt die gansche beschouwing ten slotte neer? Inderdaad op niets minder, dan op eene misvorming of terzijdestelling van de grondslagen zelven der Christelijke belijdenis. Zij laat het eerste geloofsartikel niet tot zijn recht komen: de belijdenis van „God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde”; daar zij eigenlijk niet wil weten van een natuurlijk leven, dat ook uit God is, en van een terrein, waarop Hij werkt door de algemeene genade; en daar zij voorts het scheppingswerk eigenlijk voorstelt als door de zonde mislukt, zoodat geen herschepping meer baten kan, maar eene nieuwe schepping moet volgen. Zij miskent niet minder den persoon en het werk van Christus; daar zij wel moet stellen, dat hij eigenlijk niet ten volle de menschelijke natuur heeft aangenomen en het Hoofd is eener nieuwe menschheid; en daar zij Hem ook enkel aanneemt als den Koning der kerk, maar niet als dengene aan wien bovendien alle macht in hemel en op aarde gegeven is, zoodat juist in Hem beide levensterreinen, hoezeer van elkander onderscheiden, toch ook weêr vereenigd zijn. En zij rekent ook niet met het volle werk des Heiligen Geestes; daar zij dit beperkt tot den arbeid om zondaren terecht te brengen en zalig te maken.

|33|

Eigenlijk is er wel geen stuk der belijdenis, waarop de gewraakte beschouwing niet in een of ander opzicht van invloed is. Dit moet nu zeer zeker niet aldus worden opgevat, alsof met het beginsel ook alle die gevolgen altijd met bewustheid aanvaard werden. Dat is zelfs betrekkelijk zeldzaam. Het kan zijn, dat er dwaling des verstands is bij oprecht geloof des harten, en dan werkt dit laatste als een sterke teugel. En voorts wordt ook op dogmatisch gebied lang niet altijd ingezien, hoe de onderscheidene waarheden alle met elkander samenhangen. Maar het is toch juist met het oog op dien samenhang, dat beginselen te beoordeelen zijn. En zoo moet dan in dit geval ook geconstateerd worden, dat er eene onjuiste voorstelling is van de kerk. Zij wordt opgevat als een organisme, buiten en tegenover het bestaande organisme der menschheid; terwijl zij juist integendeel dat organisme zelf is, dat, wel verre van vernietigd te worden, door Gods macht zóó hersteld en herschapen is, dat het in zijn eigenlijke wezen nu alleen bestaat uit de leden die naar Gods beschikking zijn wedergeboren. Zij wordt voorgesteld, uitsluitend als een geestelijk organisme, niet slechts in zoover zij onzichtbaar is, maar ook in zoover zij zichtbaar is; zonder dat erkend wordt, dat hier op aarde de vorm van een menschelijk samenleven haar moet eigen zijn. En (om nog iets te noemen uit het vele, dat hier zou te zeggen zijn) zij wordt zichtbaar genoemd, enkel daar, waar geloovigen samenkomen; zoodat uit het oog wordt verloren, dat er ook iets van te zien is, waar slechts één geloovige als zoodanig openbaar wordt, en dat voorts de samenkomst der geloovigen haar eerst dan juist als kerk kan doen kennen, als er tevens een vorm is van kerk, door eene vaste plaatselijke organisatie.

Door dat alles wordt de kerk in haar wezen miskend. Maar terzelfder tijd, en dan met diezelfde afwijking in het nauwste verband, wordt er aan het wezen des rechts evenzeer te kort gedaan. Uit den aard der zaak zal ik bij dit punt al wat zuiver juridisch is laten rusten; voor een leek zou het zeker niet geraden zijn, dat gebied te betreden. Maar wanneer het wezen des rechts ter sprake komt, dan is juist de diepste

|34|

grond een geloofsbeginsel, hetzij dan bewust of onbewust; en in zooverre mag en moet ook op theologisch gebied daarover gehandeld worden. Wanneer van het recht gezegd wordt, dat het met het wezen der kerk in strijd is, dan wordt dat geadstruëerd door de stelling, dat het recht uit zijn aard van en voor deze wereld is, menschelijk, feilbaar en tijdelijk. En wat ligt nu in die stelling eigenlijk opgesloten? Wat is de beschouwing, waar zij uit voortkomt, of de grond, waar zij op berust? Die kan hierin liggen, dat men zich het recht voorstelt als geheel uit den mensch, eeniglijk ontstaan uit behoefte aan ordelijke samenleving en uit besef van de daarvoor noodige regelen, en ook verder van dat bewustzijn geheel afhankelijk, zoodat het enkel de werking is van dat menschelijk levensproces, waaruit en waardoor alle recht opkomt, zich ontwikkelt, vaste vormen aanneemt en steeds meer gezuiverd wordt; maar wat is dat anders dan de toepassing van het pantheïsme? Of wel, die stelling rust hierop, dat men alle recht van den staat laat uitgaan, zoodat als zoodanig enkel geldt wat in wetten van de overheid vastgesteld is; maar wat is dat anders, dan de toepassing van het positivisme? Of ook, men komt er toe, doordat in het algemeen het natuurlijk en het geestelijk leven van elkander worden afgescheiden, als twee kringen, die geheel buiten elkander liggen, en waarvan de tegenstelling absoluut is en principiëel; maar wat is dat anders, dan de toepassing van een spiritualistisch of mystiek dualisme? Bij dat alles ligt de grondslag en het punt van uitgang op Godsdienstig gebied, hetzij dan thetisch of wel antithetisch. Maar evenzoo is er ook eene beschouwing, die rechtstreeks voortvloeit uit de Christelijke belijdenis, en die dus eene toepassing is der Gereformeerde beginselen. Volgens deze is het recht als zoodanig uit God, die het zelf gesteld heeft, en dan zóó, als bij Gods gedachten wel niet anders kan: niet slechts in het algemeen, maar ook in alle zijne deelen en toepassingen. Daarvan kunnen menschen niets afdoen, en daaraan kunnen menschen niets toevoegen. Hunne taak is, ook op dit gebied Gods gedachten zooveel mogelijk na te denken; uit zijn onderwijs in de Heilige Schrift, uit zijn werk op natuurlijk gebied, en uit

|35|

zijne leidingen in de gansche geschiedenis, de door Hem gestelde ordinantiën na te sporen. En dat is dan door de zonde wel veelszins belemmerd; zonder welke Gods bestel tot in alle bijzonderheden zou gezien worden, en door welke het nu telkens wordt voorbijgezien of miskend. Maar door zulke werking der zonde kan toch Gods ordinantie niet mede getroffen worden. Wat uit Hem is, heeft juist daardoor een karakter, dat van menschelijk gebrek onafhankelijk is.

Op dit standpunt nu heeft het recht inderdaad eene Goddelijke majesteit. In zichzelf is het nooit iets onheiligs, heeft het nooit iets gebrekkigs, is het nooit onvolkomen. Wel kan het vaak zich zoo voordoen. Maar het is dan eigenlijk niet het recht zelf, dat aldus moet gekenmerkt worden: het is enkel zijne opvatting of wel zijne toepassing of wel zijne handhaving door de menschen. Het blijft zelf wat het is; en juist daarom kan zijn wezen, als van Goddelijken oorsprong, met het wezen der kerk niet in tegenspraak zijn.

Toch is in de afwijking, die dat stelt, nog een zeker element van waarheid. Indien enkel gezegd was, dat het kerkrecht uit het wezen der kerk nog niet voortvloeit, dan zou dat inderdaad kunnen worden toegestemd. Er zal eenmaal een tijd zijn, dat de geloovigen samenleven, zonder dat er iets formeel is te regelen. Waar de kerk triomfeert, daar wordt in den hemelschen toestand aan geen instituut met rechtsorde meer gedacht. En ook hier op aarde is die toestand een gevolg, niet van de natuur der kerk zelve, maar van de gesteldheid der menschen, in wier midden zij optreedt en uit wie zij vergaderd wordt. Daardoor is maar al te natuurlijk, dat er hypocrieten zijn, die zich bij de kerk voegen, en dat ook de geloovigen nog behept zijn met veelvuldig gebrek. Dat (zou men moeten zeggen) dat is eigenlijk met het wezen der kerk in besliste tegenspraak. Maar dan dient juist de rechtsorde, om die tegenspraak zooveel mogelijk te doen ophouden. En al hoort die dan ook niet tot haar wezen, met haar wel-wezen is het anders. Daarmede hangt zij thans nog zóó samen, dat zij er vanzelf toe behoort.

|36|

Slotsom is dan, dat het kerkrecht als zoodanig met het wezen der kerk niet in strijd is. Maar ook tevens kan de slotsom zijn, dat de aanklacht, die ik thans heb willen ontzenuwen, voor een groot gedeelte blijft staan. Immers, die aanklacht wordt inzonderheid zóó gestaafd, dat de onderscheidene stelsels van kerkrecht, die zich achtereenvolgens ontwikkeld hebben, historisch beschreven en dan aan critiek onderworpen worden. Die critiek nu behoudt zeker in de meeste gevallen hare volle waarde. Wel is zij met betrekking tot de Gereformeerde opvatting zeer onvolledig en ook zeer onjuist, hetgeen bovenal hierin uitkomt, dat die opvatting geheel vereenzelvigd wordt met het lijnrecht daartegenover staande collegialisme 1). Maar


1) Zoo b.v. ter plaatse waar Sohm, na van de Luthersche kerk te hebben aangetoond: „Im Lauf des 19. Jahrhunderts hat die kollegialistische Auffassung über die territorialistische gesiegt” (blz. 693); „an Stelle der Kirche Christi ist ein kirchlicher Verein getreten” (blz. 695), laat volgen: „So ist auch die lutherische Kirche auf dem Punkt angelangt, von welchem die reformierte Kirche von vorneherein ausgegangen ist: Kirchenregiment ist Disciplin, nicht [?] Seelsorge. Auch in der ganzen Auffassung des Wesens der sichtbaren Kirche ist die lutherische Kirche infolge der Aufklärung auf den Boden der reformierten Anschauungen übergetreten. Die reformierten Grundgedanken waren von vorneherein den Anschauungen der Aufklärung verwandt [?]. Die sichtbare Kirche des reformierten Bekenntnisses ist [?], wie wir gesehen haben (§ 39), die rechtlich organisierte Gemeinde, welche zugleich die Trägerin rechtlich gearteter Kirchengewalt, der Gemeindegewalt, ist. Die sichtbare Kirche im reformierten Sinn ist eine sich selber [?] regierende Korporation. Gerade so die sichtbare Kirche im Sinn des heutigen, von der Aufklärung ererbten lutherischen Kirchenrechts. Mit dem Kollegialismus ist das reformierte [?] Gemeindeprincip in die lutherische Kirche eingezogen” (blz. 697).
Over het geheel is de „reformierte Kirchenverfassung”, in vergelijking met alle andere stelsels, zeer onvolledig door Sohm beschreven. De Gereformeerde beschouwing van de eerste helft der 16e eeuw wordt in ééne paragraaf (blzz. 634-657) afgehandeld; en er wordt geene rekening gehouden met de verdere ontwikkeling van het Gereformeerde kerkrecht, en met den strijd dien de Gereformeerde kerken, vooral in Nederland, juist ten aanzien van de „Kirchenverfassung”, met de Arminianen en Independenten gevoerd hebben. In de volgende paragrafen, die de „spätere Entwickelung” en „die Gegenwart” behandelen, wordt wel van de Luthersche kerk veel gezegd, maar van de Gereformeerde ➝

|37|

juist daarom is het dan ook eigenlijk slechts dit stelsel, dat door het gevelde oordeel getroffen wordt. En dan buitendien nog alle andere stelsels, die van de Gereformeerde opvatting evenzeer afwijken. Met betrekking tot die alle blijft gelden, dat zij voor de kerk van Christus in het geheel niet passen. En dan kan slechts nuttig zijn, dat die overtuiging door een rechtsgeleerde zelven in zijn eigen kring wordt gewekt of versterkt.

Maar het kan ook nut doen voor Gereformeerden, die het kerkrecht beter mogen kennen; en met die bedoeling heb ik er u thans mede bezig gehouden. Moge dan de vrucht zijn, dat het kerkrecht zelf des te beter begrepen wordt; dat zijn grondslag en beginsel des te beter worden vastgehouden; dat te meer wordt uitgezuiverd wat daarmede in tegenspraak is; en dat des te meer gewaakt wordt tegen het gevaar der klippen, waarop anderen zijn gestrand.

Dan zal ook wel blijken, dat de kerk voor het kerkrecht zelf waarlijk niet behoeft te vreezen. Het is dan geen storende macht, die de kerk misvormt en bederft. Het is dan integendeel juist een middel, waardoor zulke schade wordt afgeweerd. Wel is het op zichzelf niet in staat om de kerk te doen leven; want dat leven kan alleenlijk gewekt worden door den


➝ wordt niet eens meer gesproken, noch ook van Gereformeerde werken over kerkrecht, zelfs niet van de „Politica Ecclesiastica” van G. Voetius. Wie dit laatste kent, zal wel niet kunnen stellen, gelijk Sohm doet, dat bij de Gereformeerden (evenals bij hemzelven) de begrippen „zichtbare kerk” en „geïnstitueerde kerk” geheel vereenzelvigd worden; dat door hen de geïnstitueerde kerk geheel beschouwd wordt als eene gewone vereeniging met rechtspersoonlijkheid; en dat volgens hen de kerkelijke macht, door Christus aan de gemeente gegeven, door deze wederom wordt overgedragen op een haar vertegenwoordigend college van opzieners (vgl. b.v. blzz. 654-656). In dit misverstand ligt blijkbaar de oorzaak, waardoor de Schrijver de Gereformeerde opvatting van het kerkrecht eenvoudig als collegialistisch kenschetst, hoewel zij er juist geheel tegenover staat.
Vgl. over dit punt b.v. Prof. Dr. A. Kuyper, Tractaat van de reformatie der kerken (Ed. 1883), vooral Hoofdst. I en II; en een opstel van Prof. Mr. A. F. de Savornin Lohman, in het Rechtsgeleerd Magazijn van 1893, over „Rechtsbevoegdheid der kerken.”

|38|

Heiligen Geest. Waar die niet werkt, daar is kwijning en inzinking, ook al zou het kerkrecht nog zoo zuiver zijn. Maar het kan toch voor de werking van dat leven ook niet goed gemist worden. Het geeft daaraan orde en samenhang. Het geeft daaraan zulke leiding, dat de kerk aan haar Goddelijk levensdoel kan beantwoorden. Het formeert en het bindt en het regelt, opdat en zoodat alle leden met elkander samenwerken, in gehoorzaamheid aan Gods Woord en tot eer van zijn naam.

———

Rutgers, F.L. (1894) [Fata]

Van het woord, dat ik in dit uur heb te spreken, staat het laatste gedeelte, wat zijn inhoud aangaat, niet ter keuze van mijzelven. Ik moet uit de geschiedenis van het afgeloopen Academiejaar althans het belangrijkste in herinnering brengen.

Ditmaal is een overzicht van dien aard zeker niet zeer opwekkend. Ook al zien we niet voorbij, hoeveel goeds in dit jaar ons ten deel viel, we gevoelen toch ook, hoeveel leed het ons gaf. Bijna alle kringen, die tot onze School behooren, zijn er beurtelings door getroffen.

Van de H.H. Directeuren, die hier voor een jaar aanwezig waren, wordt er thans één gemist. Het heeft God behaagd, op den 22en April dezes jaars onzen Directeur Gijsbert Hendrik Thomassen à Thuessink van der Hoop door den dood van ons weg te nemen. Toen ik voor de eerste maal eene Rectorale rede hield, nu 12 jaren geleden, had ik ook het verlies van een Van der Hoop te vermelden. Hij, die toen ons ontnomen werd, blijft in onzen kring onvergetelijk; en het was ons vaak, alsof we te meer aan hem werden herinnerd, toen zijn jongere broeder in zoo velerlei opzicht zijn beeld als het ware vernieuwde. Thans is die overeenkomst als het ware voltooid, ook ten aanzien van het ééne punt, waarin we het geheel anders gewenscht hadden. Nog geheel in de kracht des levens, hoofd van een jeugdig gezin waarvan hij de steun en de vreugd was en dat ook hemzelven gelukkig maakte, opgewekt en met ijver werkzaam voor de groote belangen die op onderscheiden

|39|

gebied aan hem waren toevertrouwd, en bij allen arbeid waartoe hij geroepen was een beslist belijder van Christus, is hij inderdaad wel weggerukt uit een aardschen werkkring, waarin nog zeer veel van hem te verwachten was, en waarin hij naar onze gedachten nog niet kon gemist worden. Wat wel bovenal in hem aantrok en trof, dat was niet alleenlijk, dat hij de getuigenis van Christus zich niet schaamde, maar dat hij, als het noodig was, daarvoor uitkwam met de grootste eenvoudigheid. Als hij zag wat Gods Woord van hem eischte, dan vroeg hij niet naar menschen, en niet naar omstandigheden, maar dan was de zaak voor hem uitgemaakt; zij werd dan beschouwd, gelijk in een leger met de orders van het legerhoofd plaats heeft; dat hij aanstonds moest gehoorzamen, sprak vanzelf; en hij deed het dan voorwaar niet met eenigen tegenzin, maar met groote bereidwilligheid en ten volle. Wat hij als eene zaak des Heeren erkend had, daaraan gaf hij wat die zaak kon ten goede komen: zijn naam en zijn invloed, zijn raad en zijn steun, zijn tijd en zijne krachten. Hij gaf niet slechts van het zijne, maar hij gaf wel waarlijk zichzelven, zonder voorbehoud. Ook de Vrije Universiteit heeft dat mogen ondervinden; inzonderheid toen hij voor haar werkzaam was, om in de provincie Zuid-Holland hare belangen te behartigen; en daarna, sedert Juni 1888, toen hem in den kring der Directeuren eene plaats werd aangewezen. Voor zoveel de vrienden onzer School het in hunne macht hadden, zou hij in die waardigheid haar nog lang hebben kunnen dienen. Nog het vorige jaar, toen hij aan de beurt van aftreding was, werd hij onder algemeene toejuiching herkozen; wederom voor den tijd van vijf jaren. Maar naar Gods bestel was die keuze slechts voor enkele maanden, en zou daarna zijne taak hier op aarde voor goed zijn afgedaan. Gods wegen zijn niet onze wegen, en Gods gedachten zijn niet onze gedachten. Laat ook hier geloofd worden, dat zij altijd hooger zijn, oneindig veel hooger. Laat aan dezen doode gedacht worden met rechtmatige droefheid over zijn verlies, maar dan zonder hem als het ware te misgunnen, dat hij nu mag rusten van zijnen arbeid. Laat zijn voorbeeld ons opwekken,

|40|

om de zaak des Heeren inderdaad tot de onze te maken, en dan even als hijzelf in de aangewezen taak te werken zoolang het dag is, eer de nacht komt waarin niemand werken kan. En laat bij het dankbaar aandenken aan zijn arbeid ook gedacht worden aan de zijnen; met de bede, dat de God aller vertroosting zijne zwaarbeproefde weduwe steeds nabij zij, en dat zijnen beiden zonen gegeven worde, aan hun naam te beantwoorden, zoodat door hunne kloeke beslistheid voor de zaak des Heeren de gedachtenis van het broederpaar, dat door ons gekend is, bij het volgende geslacht wordt vernieuwd.

Tot vervulling van de plaats, die nu in het college van Directeuren was opengevallen, heeft de daarvoor aangewezen opvolger, de heer Constant Maurits Ernst van Löben Sels, zich gereedelijk laten vinden. Met oprechten dank voor die bereidwilligheid mag ik U, hooggeachte Directeur, die hier voor het eerst als zoodanig tegenwoordig zijt, thans van harte welkom heeten. Gij zijt in ons midden geen vreemdeling. Reeds een aantal jaren hebt Gij metterdaad getoond, op velerlei wijze, dat de Vrije Universiteit U ter harte gaat; en zoo mogen we van uw optreden dan ook goede verwachtingen koesteren. God geve U, wat Gij noodig hebt om aan die verwachtingen te beantwoorden. Uw bestuur zij in vollen zin een dienen van Hem, en juist daardoor voor de School, die Gij te besturen hebt, inderdaad tot zegen.

Voltallig is dan nu weêr het college van Directeuren; maar dat geldt nog niet van dat der Curatoren, waaraan in het afgeloopen jaar ook een lid, en dat juist de leider, ontviel. Reeds het vorige jaar moest de hooggeachte President-Curator hier gemist worden, door de pijnlijke kwaal, die zijne krachten sloopte, aan het ziekbed gebonden; en den 17 December d.a.v. is Mr. Levinus Wilhelmus Christiaan Keuchenius door God uit dat lijden verlost; voor hemzelven ongetwijfeld tot eene onuitsprekelijke blijdschap, maar voor allen, die hem kenden en liefhadden, tot een diepbedroevend verlies. Neen! we mochten niet wenschen, dat zijn onbeschrijfelijk, bijna bovenmenschelijk lijden verlengd was, ook al was

|41|

dat lijden nog vruchtbaar tot verheerlijking van Gods naam. Om der wille van hemzelven, en ook om der wille van de zijnen, gaf de tijding van zijn overlijden zelfs ten deele een gevoel van verlichting. Maar terzelfder tijd werd toen ook gevoeld, wat er met zijn heengaan verloren werd. En dat voelen we nog. Met uitnemende bekwaamheden toegerust; zwak van lichaam, maar toch altijd voorbeeldeloos werkzaam, zelf nog boven de grens van den 70jarigen leeftijd; in zijn veelbewogen leven tot den meest gewichtigen arbeid geroepen; en in heel zijn optreden allereerst een getuige van Christus, met een trouwen moed, die zich als het zijn moest over alles kon heenzetten, en terzelfder tijd met een diepen, onmiskenbaren ootmoed; mocht hij langen tijd tot een rijken zegen zijn voor de vele belangen, die hem waren opgedragen; in de Christelijke kringen van ons gansche vaderland altijd hoog gewaardeerd. Hoog gewaardeerd ook zeer zeker in den kring, die ons nu vereenigt. We gedenken, hoe hij van den aanvang af voortdurend als Curator voor haar werkzaam was; en hoe bij het vele, dat hij voor haar deed, zoo te zien en te voelen was, dat hij met zijn gansche hart in haar leefde. Onze Universiteit zal hem blijven missen; en ook blijven gedenken. Zij dankt God voor hetgeen haar in zijn arbeid al die jaren geschonken is. Zij bidt God, dat de vrucht van dien arbeid nog bij voortduring door haar moge ondervonden worden. En zij dankt ook voor het voorbeeld, dat haar deze Curator gegeven heeft, met de bede, dat het niet slechts na, maar ook door zijn heengaan, opwekkend, bezielend en bemoedigend op haar moge werken.

In den kring der Hoogleeraren heeft een soortgelijke slag ook gedreigd, maar hij is, Gode zij dank, toch nog afgewend; en al wordt Dr. Kuyper dan ook thans hier gemist, er is alleszins uitzicht, dat hij weldra weêr geheel hersteld tot zijn arbeid zal terugkeeren. Wat het zou beteekenen, indien dit eens anders geweest ware, laat zich eenigszins opmaken uit hetgeen we nu reeds door zijn tijdelijk afwezen missen. Wat ik te dien aanzien op het hart heb, kan ik hier niet alles

|42|

uitspreken. Naar hetgeen hijzelf in eene Rectorale rede eens tot mij gezegd heeft 1): „wat in mijn hart voor U leeft, is te teeder om het U hier te zeggen”; zal ik thans het hart ook niet laten spreken. Maar wel kan en mag ik hier uitspreken, dat hij in zijn veelomvattenden arbeid inderdaad niet te vervangen is. Leider is hij, ook voor onze School en op het gebied der wetenschap, niet door zin of keuze, maar door gaven en talenten, welke God hem gaf; ook door deze gave, dat hij al het ontvangene inderdaad Gode ten dienste stelt. Moge de schade van zijn tijdelijk afzijn ook niet anders dan tijdelijk zijn. En moge daarna zijn arbeid, bij hemzelven door beproeving des te meer geheiligd, ook in ruimen kring des te hooger geschat worden, en eene des te rijkere vrucht hebben, ook ten bate van onzen kring.

Omtrent onze Studenten kan hier worden medegedeeld, dat er bij den aanvang van het Academiejaar 90 gerecenseerd werden. In den loop des jaars konden daarvan 9 hunne Academische studiën voor voleindigd houden 2), terwijl nog 3 anderen ons verlieten. En daartegenover stonden 5 nieuwe inschrijvingen: 3 voor de Rechten, één voor de Godgeleerdheid, en één voor de Letteren. Zoodat het geheele aantal thans vermoedelijk 83 bedraagt; waarvan 14 in de Rechten studeeren, 58 in de Godgeleerdheid, en 11 in de Letteren.

Oppervlakkig beschouwd is het aantal van de nieuw-ingeschrevenen zeer gering. Toch is het zeker niet minder, dan wat juist in dit jaar te verwachten was. Langen tijd toch waren met betrekking tot het admissie-examen de vereischten zóó gesteld, dat zij, in verband met de door ons gehandhaafde Academische propaedeuse, overeenkwamen met de eischen, die op een goed ingericht gymnasium na goede vijfjarige studie


1) Dr. A. Kuyper, De hedendaagsche Schriftcritiek (Ed. 1881), blz. 50.
2) Onder de hier bedoelde 9 studenten waren er drie, die, na openbare verdediging van een Academisch proefschrift met stellingen, den Doctorstitel mochten verwerven: den 15 Juni 1894 L. van Andel, in de Rechten; den 20 Juni d.a.v. J.C. Breen, in de Letteren; en den 22 Juni d.a.v. J. Schokking, in de Rechten.

|43|

gesteld worden. Het was echter gebleken, dat thans alleszins wenschelijk was, aan die eischen iets toe te voegen. En zoo zijn zij in het vorige jaar dan verhoogd, en gebracht tot het peil van het gymnasiale eindexamen. In dit jaar nu moest daarvan het gevolg zijn, dat wie anders reeds nu zou zijn toegelaten, nog een jaar werd teruggehouden. En bij die verhindering kwam thans ook nog de omstandigheid, dat er dit jaar nog geen toevloed kon komen van de Christelijke gymnasia hier en te Zetten. In het volgend jaar zal dat alles ongetwijfeld gansch anders zijn. Hier geldt het eene schade, die zeer zeker maar tijdelijk is.

Moge desgelijks van de Vrije Universiteit, al wat haar anders nog zou kunnen schaden, genadiglijk worden afgewend. Daartoe zij bij allen, die aan haar verbonden zijn, Directeuren, Curatoren, Hoogleeraren en Studenten, hunne hulpe inderdaad in den naam des Heeren. Hij doe verzoening over alle afwijking, die ook voor het afgeloopen jaar te belijden is. Hij gorde ons aan met de kracht die uit Hem is. En Hij leide ons tezamen in de paden, die Hem welbehagelijk zijn, tot verheerlijking van zijn naam.

———

 

In de Act van het afgeloopen jaar staat ten slotte nog opgeteekend, dat voor het nu ingetreden Academiejaar door H.H. Directeuren, op voordracht van den Senaat, tot Rector benoemd is Mr. Dammes Paulus Dirk Fabius.

Aan U, hooggeachte ambtgenoot, geef ik dus die waardigheid over. En ik doe het met den wensch, dat zij ook aan U nimmer stof geve om te klagen, evenmin als dat bij mijzelven het geval is geweest. Laat mij daaraan toevoegen, dat aan U bespaard worde, wat aan mij bij herhaling wel zwaar is gevallen: de vertegenwoordiging van de Universiteit bij het graf van mannen die aan haar verbonden waren. Moogt Ge bij uw aftreden eerder te vermelden hebben, dat de kring weêr is uitgebreid; dat er geen Curator meer ontbreekt; dat het aantal

|44|

Hoogleeraren kon vermeerderd worden; en dat ook de schare der Studenten weêr aanmerkelijk toenam. En omdat Gij met mij erkent, dat er bij dat alles nog iets anders noodig is, en dat juist dit andere de hoofdzaak is, daarom nog ten slotte de wensch: moge onder uwe leiding onze School hare leuze altijd hoog houden, aan den tempel der wetenschap blijven voortbouwen op den grondslag der Gereformeerde beginselen, en juist daardoor dan wezenlik groeien en bloeien, tot een zegen voor velen en tot eer van Gods naam.

Ik heb gezegd.