Schokking, H. (1902)

De leertucht in de Gereformeerde Kerk van Nederland tusschen 1570 en 1620
Amsterdam
J. Clausen
1902

Academisch Proefschrift ter verkrijging van den graad van Doctor in de Godgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam

Schokking, H. (1902) [Wv]

|vii|

Van de gewoonte om in een academisch proefschrift eene betuiging van erkentelijkheid voorop te plaatsen wensch ik niet af te wijken. Zij laat althans iets uitkomen van het eigenaardige, aan het verschijnen van zulk een geschrift verbonden, dat intusschen grootendeels zaak blijft van des schrijvers eigen kring.

Ik zoek dus hier niet de plaats voor eene lofverheffing van den Naam des Heeren, noch voor het woord, dat in mijn hart is jegens degenen, voor wie het voleindigen van dit werk van nauwlijks minder beteekenis is dan voor mijzelf. Evenmin worden hier de namen genoemd van zoovelen, vooral van de scribae der Classicale Besturen van Amsterdam, Harderwijk en Sneek, wier hulp ik tijdens de samenstelling van dit proefschrift heb ondervonden en niet wensch te vergeten. Desgelijks laat ik rusten, welke meeningen na dit onderzoek bij mij vasteren vorm verkregen hebben met het oog op den tegenwoordigen toestand der Nederlandsche Hervormde Kerk, welke ik dien en in verband met de gereformeerde beginselen, welke mij door U, Dr. Hoedemaker, niet alleen voor het kerkelijke leven lief geworden zijn. Maar ik wil niet nalaten bij deze gelegenheid uit te spreken, dat ik U, Hooggeleerde Heeren Professoren van de theologische en litterarische faculteit der Universiteit van Amsterdam, wier onderricht ik ontving, alsmede U, Hooggeleerde Heeren Hoogleeraren namens de Ned. Herv. Kerk aan de Universiteit te Utrecht, dank weet en dank zeg voor de zorg, door U aan mijne vorming besteed.

De voortdurend mij betoonde welwillendheid van U, Hooggeleerde de Bussy, te mogen erkennen, is mij aangenaam; en het »althans iets« van zooeven had niet in de laatste plaats betrekking op de herinnering, welke gij, Hooggeleerde Cramer, door Uwe zeer gewaardeerde bemoeiïngen als promotor, door uwe voorlichting en hulp, die ook van persoonlijke belangstelling getuigden, in mijne gedachten hebt ingeweven.

Schokking, H. (1902) Inh

|ix|

Inhoud.

 

 

Pag.

INLEIDING

 

1

Hoofdstuk I.

DE KERKELIJKE VERGADERINGEN.

 

 

§ 1.

Algemeene Opmerkingen.

6

 

§ 2.

De Kerkeraad.

14

 

§ 3.

De Classis.

27

 

§ 4.

De Particuliere of Provinciale Synode.

55

 

§ 5.

De Nationale (Generale) Synode.

73

 

§ 6.

Deputaten van de Kerkelijke Vergaderingen.

90

Hoofdstuk II.

DE KERKELIJKE PRAKTIJK.

 

 

§ 7.

Overzicht van het terrein.

109

 

§ 8.

Het onderzoek bij de toelating tot den dienst des Woords.

113

 

§ 9.

De eischen van het examen.

121

 

§ 10.

De Attestatie.

147

 

§ 11.

De gemeenschappelijke godgeleerde arbeid op de vergaderingen.

154

 

§ 12.

De Profetie.

174

 

§ 13.

Het (afgeleid) gezag der kerkelijke symbolen.

182

 

§ 14.

De onderteekening der Formulieren.

199

 

§ 15.

Revisie.

215

 

§ 16.

Gravamina.

223

 

§ 17.

De Vrijheid van Profetie.

241

 

§ 18.

De Tolerantie.

252

 

§ 19.

Tucht in engeren zin.

266

 

§ 20.

Werkzaamheid buiten de kerkelijke grenzen.

313

 

Schokking, H. (1902) Lit. afk

|xi|

 

OPGAVE VAN DE BOEKEN, WAARNAAR MET MIN OF MEER VERKORTEN TITEL IN DE VOLGENDE BLADZIJDEN WORDT VERWEZEN.

 

Volledige Titel.

Afkortingen.

Acta Synodi Nationalis. Dordrecht, 1620.

Acta Dordr.

Acta van de Nederlandsche Synoden der Zestiende Eeuw, verzameld en uitgegeven door F.L. Rutgers. In: Werken der Marnix-Vereeniging, serie II, deel III, Utrecht 1889.

Rutgers Acta.

Acta der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden, 1572-1620, verzameld en uitgegeven door J. Reitsma en S.D. van Veen, VIII deelen, Groningen 1892, vlgg.

R. & v. V. Acta I, II, enz.

Archief voor Kerkelijke Geschiedenis, inzonderheid van Nederland, verzameld door N.C. Kist en H.C. Royaards, 1829-1840.

(Kist en Royaards) Archief.

Bonnard (A.), Thomas Eraste. Lausanne, 1894. (Diss.).

 

Borsius (Dr. J.), Overzicht van het trapsgewijze toegenomen en bekrachtigde gezag der geloofsbelijdenis en van den catechismus als formulieren van eenigheid in de Ned. Herv. Kerk. Van den aanvang der Hervorming tot op de Synode van Dordrecht in 1618 en 1619. In: Archief voor Kerk. Gesch. deel IX, 1838.

Borsius Toegenomen gezag.

Brandt (G.), Historie der Reformatie, in 4 deelen, Amsterdam, 1674.

Brandt I, II enz.

Dozy (Dr. M.), In de: Handelingen en Mededeelingen der Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden. Leiden, 1897.

Dozy Mededeelingen der Mij. v(an) (Ned.) L(et)t. 1897/98; of: Mij. v. Lt.

Von Hoffmann (Dr. Jur. Hermann Edler), Das Kirchenverfassungsrecht der Niederländischen Reformierten, bis zum Beginne der Dordrechter National-Synode van 1618/19. Leipzig, 1902.

V(on) Hoffmann (Das) K(irchen)verfassungsrecht.

|xii|

Kleyn (Dr. H.G.), Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente. Proeve van historisch onderzoek naar de verhouding van beiden ten opzichte van de inwendige en van de stoffelijke belangen. Dordrecht, 1888.

Kleyn Alg. Kerk en Pl. Gem. of: Alg. K.

„ De Nederlandsche Hervormde Kerk van den tegenwoordigen tijd. Uit het Hoogduitsch vertaald door Dr. P.J. Kromsigt. Sneek, 1898.

Kleijn, Hervormde kerk.

Kuyper (Dr. A.), De Leidsche Professoren en de Executeurs der Dordtsche nalatenschap. Amsterdam, 1879.

(A.) Kuyper De L. Professoren of: Kuyper Executeurs.

„ Revisie der Revisielegende. Amsterdam, 1877.

Kuyper Rev(isie)legende of: Rev. (v.)d. Rev.leg.

Kuyper (Dr. H.H.), De Opleiding tot den Dienst des Woords bij de Gereformeerden. ’s Gravenhage, 1891.

H.H. Kuyper Opl(eiding).

„ De Post-Acta of nahandelingen van de Nationale Synode van Dordrecht. Amsterdam/Pretoria (1899?).

H.H. K(uyper) Post-Acta, of: P.-A.

van Langeraad (Dr. L.A.), Een college van Duytsche clercken enz., en andere artikelen in: de Stemmen voor Waarheid en Vrede. Utrecht.

v. Langeraad St. v. W. en V. 1901 ook: Stemmen voor Waarheid en Vrede.

Lechler (Dr. G.V.), Geschichte der Presbyterial- und Synodal Verfassung seit der Reformation. Leiden 1854.

Lechler Gesch.

Lohman (Jhr. Mr. A.F. de Savornin) en Rutgers (Dr. F.L.), De rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken. 2e uitg. Amsterdam 1887.

Rutgers (en Lohman) (De) Rechtsgevoegdheid

van Meer (B.), De Synode te Emden 1571. (Diss.) ’s Gravenhage 1892.

(B.) van Meer Syn(ode) te Emden.

Moorrees (F.D.J.), Dirck Volckertszoon Coornhert notaris te Haarlem de Libertijn, bestrijder der Gereformeerde predikanten ten tijde van Prins Willem I. Schoonhoven 1887.

Moorrees Coornhert.

Nederlandsch Archief voor kerkelijke geschiedenis door N.C. Kist en H.J. Royaards. Leiden 1841 vlgg. jaren.

(Kist en Royaards) Nederl. Archief met jaartal.

Reitsma (Dr. J.), Geschiedenis van de Hervorming en de Hervormde kerk der Nederlanden. Groningen 1893.

Reitsma Geschiedenis.

 

R. & v. V. zie Acta

Rieker (Dr. jur. und lic. Theol. Karl), Grundsätze reformierter Kirchenverfassung. Leipzig 1899.

Rieker Grundsätze.

|xiii|

Rogge (H.C.), Caspar Janszoon Coolhaes. De voorlooper van Arminius en der Remonstranten. Amsterdam 1865.

Rogge (C.) Coolh(aes) ook: C.C.

 

Rutgers Acta zie Acta.

Rutgers (Dr. F.L.), Het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken, gelijk dat gekend wordt uit de handelingen van den Amsterdamschen kerkeraad in den aanvang der 17e eeuw. Amsterdam 1882.

Het kerkverband.

Synopsis Purioris Theologiae. Ed. sexta cur. Dr. H. Bavinck, Lugduni Batavorum MDCLXXX.

Synopsis.

Triglandius (Jac.), Kerckelijcke Geschiedenissen. Leyden 1650.

Trigland Kerk. Gesch. of: K.G.

„ Antwoorde op dry vragen, dienende tot advys in de huydendaegsche kerckelycke swarigheden.

Trigland Antwoorde op dry vragen.

[Anoniem] Christelycke Ende Nootwendighe verclaringhe waerinne .... verclaert wordt wat in seecker formulier van eenicheyt, uytgegeven onder den tytel van Resolutie van de Doorluchtige etc. met Godes H. Woort ende met de Leere der Ghereformeerde Kercken over een compt ofte daervan verschilt. Amsterdam MDCXV.

Trigland Chr. en nootw. verclaringhe.

„ „ Den Recht-ghematichden Christen. Amsterdam 1615.

 

Voetius (Gisbertus), Politica(e) Ecclesiastica(e) Partes Tres. Amstelodami MDCLXVI-LXXVI. In 4 deelen.

Voetius Pol. Eccl. of: P.E. De bijvoegingen Ba Ra ed. Rutgers en Ba Ra ed. Hoedemaker wijzen aan, dat de plaats ook de vinden is in de uitgave der Bibliotheca Reformata. Dl. II en Dl III.

Vos Azn. (Dr. G.J.), Geschiedenis der Vaderlandsche Kerk van 630-1842 2e druk. Dordrecht 1888.

Vos Geschiedenis.

„ Het verlangen van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde kerk naar de onschendbaarheid van alle kerkverwoesters. Dordrecht 1885.

Het verlangen.

Werken der Marnix-Vereeniging. Utrecht. In 3 Serien.

W. d. M. V.

Wagenaar (Dr. L.H., De Hervormer van Gelderland. Levensbeschrijving van Johannes Fontanus. Kampen 1898.

Wagenaar (Dr. L.) Joh(annes) Fontanus.

Uytenbogaert (J.), Kerkelijke Historie. Rotterdam 1647.

Wtenbogaert K.H.

„ Oorsprong en voortgang der kerkelijke verschillen in de Nederlanden. Amsterdam 1623.

Wtenbogaert Oorspr. ende Voortg.

|xiv|

De andere afkortingen zijn duidelijk òf uit zichzelf òf door eene uitvoeriger titel-opgave kort te voren.

K.O. = Kerkorde. D.K.O. = Kerkorde van 1618/19.
MS. A. = De acta der classis Neder-Veluwe, eerste boek, aanwezig in het archief der classis Harderwijk der Ned. Herv. Kerk.
MS. B. = De acta der classis Amsterdam, eerste boek, aanwezig in het archief der classis Amsterdam der Ned. Herv. Kerk.
MS C. = De acta der classis Sneek, eerste boek, aanwezig in het archief der classis Sneek der Ned. Herv. Kerk.
MS D. = De protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad (met bijvoeging van het deelnummer), aanwezig in het archief van den kerkeraad der Ned. Herv. Kerk te Amsterdam.
MS. E. = De acta van den kerkeraad te Harderwijk, aanwezig in het archief van den kerkeraad der Ned. Herv. Kerk te Harderwijk.

Schokking, H. (1902) Inl

|1|

 

Inleiding.

 

Het doel van dit werk is een overzicht te geven van de wijze, waarop en de beginselen, waarnaar in de gereformeerde kerk van Nederland leertucht is geoefend; en wel in haar eerste tijdperk, hetwelk, ongeveer vijftig jaren omvattende, door de Dordtsche synode van  1618/’19 wordt afgesloten.

Onder de gereformeerde kerk in Nederland versta ik die kerkelijke gemeenschap, welke zich op de synode te Emden in 1571 heeft georganiseerd en sedert overal, waar in ons land de vrijheid van Spanje was bevochten, als de publieke kerk werd erkend.

De jaren, waarover mijn onderzoek loopt, zijn voor de ontwikkeling dezer kerk van groote beteekenis geweest. Bij den aanvang ervan nog bestaande uit gemeenten »onder ’t kruis«, klein in aantal en dikwijls ook in omvang, zelfs genoodzaakt om hare eerste synode buiten de grenzen van het vaderland te houden, is zij aan het einde dier halve eeuw in staat de gereformeerde kerken uit den vreemde op eigen bodem te ontvangen; in eene synode, die nog altijd de éénige vergadering is gebleven, die soms en niet geheel ten onrechte als »gereformeerd concilie« is betiteld. Zelfs van de Westminster synode geldt dit niet.

Diezelfde synode sluit ook een tijdperk af in de ontwikkeling der kerkelijke leer. De »leerregels«, daar onder medewerking van de uitheemsche godgeleerden opgesteld, bevatten de verwerping van het gevoelen der Remonstranten, die in den boezem der nederlandsche gereformeerde kerk hunne plaats duurzaam hadden willen behouden en wettigen, maar van 1619 af een afzonderlijke kerkgemeenschap vormen.

|2|

Een belangrijk deel van de geschiedenis der hervormde kerk in ons tijdvak, vooral gedurende de laatste helft ervan, wordt gevormd door den strijd tusschen die twee stroomingen, welke vóór 1619 binnen de grenzen der ééne kerk voortdurend tegen elkander inwerkten. De eene, bekend geworden als de contra-remonstrantsche richting, is de heerschende gebleven. Aan het eind van dit tijdperk staan de Remonstranten buiten het verband der gereformeerde kerk en is hun gevoelen als strijdig met de Heilige Schrift verworpen. De bezwaren dezer partij tegen de leer der eenmaal aangenomen confessie gelden als weerlegd: aldus reikten de leerregels van 1619 de hand aan het symbolisch geschrift uit 1571. De Dordtsche canones heetten dan ook eene nadere verklaring van sommige punten der belijdenis. Na 1619 is geen officieele kerkelijke uitspraak van dien aard meer gedaan. De vijftig tusschenliggende jaren hebben dus den vorm geleverd, waarin de gereformeerde leer zich gedurende eenige eeuwen in Nederland heeft vertoond.

In de volgende bladzijden wordt de naam »gereformeerd« soms gebezigd, ter aanduiding van ééne bepaalde richting; die in de toenmalige gereformeerde kerk, welke na 1611 de contra-remonstrantsche heet.

Heb ik hiertoe het recht, terwijl toch een tijd lang ook andere gevoelens in den boezem dier kerk hebben bestaan nevens deze? Ik geloof, uit historisch oogpunt ja. Laatstgenoemde beginselen hebben immers op den duur zich niet in de gereformeerde kerk kunnen handhaven, hebben hare wettigheid verloren. Toch maak ik er geen geheim van, dat ook mijne persoonlijke overtuiging in de keuze van dat spraakgebruik medewerkt; ik kan alleen in de contra-remonstrantsche beginselen de echt gereformeerde zien.

De ontwikkeling van, en deze strijd over den inhoud der kerkelijke leer heeft medegebracht, dat ook allerlei kerkrechter­lijke vragen in het geding zijn gekomen, b.v. over aard en omvang van de macht der kerk, over de verhouding tusschen de Heilige Schrift en de belijdenis der kerk, over het gezag dezer laatste. Ook ten opzichte van deze vraagpunten stonden de gevoelens der twee partijen tegenover elkander. Reeds bij de kerkelijke geschillen op kleinere schaal, voordat de remonstrantsche bewegingen begonnen, had verschil van opvatting omtrent kerkleer, belijdenis, gezag der symbolische schriften, enz. zich doen

|3|

gelden. Evenwel, het bleef toen nog sluimeren en de diepste grond ervan werd nog niet blootgelegd. Maar van deze en dergelijke overtuigingen hing het juist af, op welke wijze leertucht zou worden geoefend. Ik geloof, dat de heftigheid, waarmede de dogmatische strijd is gestreden, voor geen gering deel haar oorzaak hierin vindt, dat eerst langzamerhand het verschil in kerkrechterlijke gevoelens aan het licht is getreden. In elk geval is — ik acht het van belang hierop terstond opmerkzaam te maken — de verwarring niet weinig vergroot, doordat de partijen van geheel verschillende veronderstellingen uitgingen.

Wanneer bijv. Coornhert over de kerk sprak, bedoelde hij metterdaad iets anders dan de predikanten, tegen wie hij optrad. Toch gebruikten zij — en zij konden ook moeilijk anders, — hetzelfde woord. Dat dit de discussie niet vruchtbaarder maakte, spreekt van zelf; maar zij hebben, geloof ik, zich van hun verschil hierin niet voldoende rekenschap gegeven. Iets dergelijks is het geval geweest in den remonstrantschen strijd, die zeker niet minder door geschillen van kerkrechtelijken aard dan door den twist over leerstellingen zoo verbitterd is geworden. Wanneer Trigland van »de belijdenis« sprak, stond hem daarbij iets voor den geest, dat van geheel anderen aard was, andere eigenschappen bezat, op andere veronderstellingen berustte, dan Wtenbogaert zich voorstelde, wanneer hij dit woord bezigde. Toch was dat verschil bij deze beiden, gelijk in ’t algemeen in hunne dagen, niet langer een zaak, die zich slechts door haar gevolgen deed gevoelen. Integendeel, zij begonnen het duidelijk in te zien. Hebben misschien — ik kan deze vraag niet onderdrukken — de partijen toen elkanders stellingen nu en dan niet willen begrijpen? Hoe dit ook geweest zij: het is duidelijk, dat bij zulk een stand van zaken de oefening van leertucht telkens ook de beginselen van deze kerkelijke instelling en de veronderstellingen, waarvan zij uitgaat, in ’t geding bracht.

Bij het onderzoek naar de wijze, waarop de leertucht in de kerk in den tijd, waarover mijn onderzoek loopt, is toegepast, kwamen dan ook gedurig de beginselen, die aan die toepassing ten grondslag lagen, voor den dag.

Daaruit bleek mij, hoe niet alleen omtrent doel, grondslag, punt van uitgang en wijze van oefening dier leertucht verschil van gevoelen heeft bestaan, maar hoe ook omtrent het begrip «leertucht» zelf eene voorstelling was opgekomen, die verwarrend

|4|

moest werken en die ook nog tegenwoordig bij velen wordt aangetroffen.

Dit woord kreeg namelijk den klank, alsof daarmede alleen maatregelen worden aangeduid, dienende om personen, wier gevoelen van de officieel aangenomen leer afweek, te bestraffen.

Deze opvatting moet ongemerkt ontstaan zijn. Dit is niet onverklaarbaar, al is de opvatting zelve onjuist. Immers de verschillende kerkorden spreken onder ’t hoofd »de disciplina (censure, vermaninghe)« bijna alleen of althans het breedst over de »kerkelijke straf.« Deze term komt zelfs als vertaling van disciplina voor. De oefening van leertucht werd immers ook het duidelijkst daar gezien, waar het op bestraffen aankwam. Niettemin was dit van die tucht slechts een onderdeel.

Juister is dan ook de opvatting van de Synopsis Purioris Theologiae. Dit werk, dat eenigszins als het officiëele handboek der gereformeerde dogmatiek kan worden beschouwd, 1) spreekt in het hoofdstuk de Disciplina 2) over de twee sleutelen, n.l. de prediking des woords en de uitsluiting uit de gemeenschap der kerk, en noemt de excommunicatio de clavis disciplinae strictius sic dictae. Dit: «tucht in engeren zin» veronderstelt natuurlijk, dat er ook een tucht in ruimeren zin bestaat. En inderdaad, tot de discipline, de leertucht behooren niet alleen de bestraffende, maar ook zulke maatregelen, die dienden om bestraffing onnoodig te maken. 3)


1) Hoewel in 1625 gedrukt, geeft de Synopsis toch de communis opinio der gereformeerde theologen uit ons tijdperk weer. Cf. H. Bavinck’s Praefatio vóór den herdruk van 1881.
2) Disp. XXXVII. Th. IV, p. 577.
3) Bonnard, Thomas Eraste, p. 170: Pour (les adversaires d’Eraste) [Beza, Ursinus, Zanchius e.a.] la discipline est de nature essentiellement spirituelle: éviter la profanation des choses saintes, empêcher les indignes d’attirer sur leur tête la colère divine, en mésusant des sacraments, ramener dans le bonne voie ceux qui s’égarent, tels sont ses principaux buts.
En in de noot:
Cette caractéristique ressort de l’ensemble des écrits de Bèze, d’Ursinus et de Zanchi. Eenige bewijsplaatsen worden daarbij opgegeven.
Eene uitspraak van a Lasco over de tucht wordt vermeld in Vos’ Het verlangen van de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk naar de onschendbaarheid van alle Kerkverwoesters, 1885 (bl. 40): .. zij [de tucht] is eene zekere, aan de H. Schrift ontleende instelling …, volgens welke, met trapsgewijze opklimming, alle broederen in de Gemeente van Christus elkander, overeenkomstig het woord van God, christelijk hebben te vermanen, opdat zoowel het geheele lichaam en alle zijne leden, elk in zijnen bijzonderen werkkring, voor zoover zulks mogelijk is worden bijeengehouden, als ook opdat, indien er wellicht sommigen in de Gemeente gevonden worden, die dergelijke ➝

|5|

Ook de tucht der bestraffing was geen louter strafrechtelijke handeling; zij had een broederlijk karakter en een «genezende« bedoeling, ook waar werd volgehouden, dat aan het kerkelijk gezag rechtsvormen en een rechterlijke grondslag niet konden ontbreken.

Onder leertucht versta ik dan ook alle en iedere zorg, welke door eene kerk wordt aangewend om de zuiverheid van hare leer te handhaven. In de volgende bladzijden wordt door mij alleen een gedeelte van deze zorg behandeld, n.l. de bepalingen en instellingen, die opzettelijk ter bewaring van de zuivere leer, welke de kerk als het haar toebetrouwde pand beschouwde, waren vastgesteld. Alles, wat niet rechtstreeks en niet uitsluitend handhaving der leer ten doel had, laat ik rusten, hoe gewichtig b.v., om slechts één ding te noemen, de inhoud der predikaties in dit opzicht ook geweest zij. Daarentegen meen ik te moeten spreken evenzeer over de preventieve zorg, die uitdrukkelijk beoogde afwijkende gevoelens te voorkomen en de aangenomen leer te handhaven, als over de repressieve.

Aan het hoofdstuk, dat hierover handelt, laat ik voorafgaan eene beschrijving over de organisatie, welke de gereformeerde kerk ten onzent bezat, voor zoover dit met de oefening van de leertucht verband houdt.

Zij leefde in den presbyterialen kerkvorm met zijne eigenaardige opeenvolging van telkens breedere kerkelijke vergaderingen. Deze moeten dus worden geteekend: immers bij haar berustte de macht tot oefening der leertucht.

Bovendien bestond er nog een ander verband tusschen die tucht en het gezag dier kerkelijke vergaderingen dan alleen dit, dat deze laatste nu eenmaal ook met de oefening dier tucht waren belast: niet minder achtten de mannen der gereformeerde richting, dat juist in genoemde presbyteriale organisatie de verschillende waarborgen vereenigd waren, vereischt voor de rechte handhaving der leertucht naar gereformeerden trant.


➝ vermaningen hardnekkig versmaden, dezulken ten laatste, door uitsluiting uit haar midden, aan den Satan worden overgegeven (1 Cor. 5: 5), of misschien ook nog door zulk eene beschaming het vleesch, wat zijne begeerlijkheden betreft, in hen te niet gedaan, de geest daarentegen eindelijk tot bekeering geroepen en alzoo nog behouden worden mocht.”

Schokking, H. (1902) I.1

|6|

 

Hoofdstuk I.
De Kerkelijke Vergaderingen.

 

§ 1.
Algemeene Opmerkingen.

 

Reeds bij haar eerste georganiseerd optreden vertoonde de gereformeerde kerk van Nederland zich in den presbyterialen vorm, welke een karakteristieke trek van het gereformeerde kerkrecht mag genoemd worden.

Lechler heeft wel in zijne Geschichte der Presbyterial- und Synodalverfassung aangewezen, dat ook buiten den kring der Gereformeerden kenmerkend presbyteriale instellingen worden aangetroffen 1), en de kerk van Engeland, ofschoon gereformeerd van belijdenis, heeft het episcopale stelsel wel aangehouden, 2) maar de gewone voorstelling, volgens welke bij de roomsch-katholieke kerk de episcopaalsche, bij de luthersche de collegialistische en bij de gereformeerde kerk de presbyteriale organisatie behoort, is in dezen algemeenen vorm moeilijk voor tegenspraak vatbaar.

Die presbyteriale kerkvorm brengt mede het houden van samenkomsten der personae ecclesiasticae, welke de vertegenwoordigers zijn van telkens breederen kring van kerken.


1) N.C. Kist wees er echter reeds op (zie zijne recensie, Godgel. Bijdragen 1855 bl. 196 vlgg.) dat Lechler door zijne voorliefde voor het presbyteriale stelsel het gaarne vindt, waar slechts eenige gelijke vormen zich vertoonen.
2) Het is echter niet zonder beteekenis en wijst op innerlijken samenhang tusschen leer en kerkvorm, dat juist in de kerk van Engeland altijd eene richting naar de roomsch-katholieke leeringen overhelde.

|7|

Volgens de Synopsis 1) »est autem conventus Ecclesiasticus Consessus a Christo institutus, totius Ecclesiae, pro ratione amplitudinis ejus, in praecipuis Ecclesiae membris repraesentatae et in Christi nomine uno in loco congregatae, ad ibidem agendum de rebus Ecclesiae, nempe Fidei sanitate, Vitae sanctitate, Sacramentorum integritate, Ordinis bonitate, etc. ejusque praxi seu usu et observantia, ad rectam ejus gubernationem et aedificationem Deique gloriam.«

Uit deze definitie bespreek ik enkele deelen afzonderlijk: Eene kerkelijke vergadering is een consessus totius Ecclesiae pro ratione amplitudinis.

Verder: zij is eene vergadering van representeerende personen.

Ook: zij komt bijeen »ad gubernationem et aedificationem Ecclesiae« door overeenkomstig hare bevoegdheid daarover te handelen.

Deze definitie krijgt scherper omtrekken, wanneer gelet wordt op de voorafgaande theses. De eerste vermeldt, dat de kerkelijke bevoegdheid en macht in zake bediening des Woords, bediening der sacramenten en oefening der tucht niet door heel de kerk worden uitgeoefend — hoewel die bij haar, als een geheel genomen, berust — maar door bepaalde personen, van wege God door middel van de kerk daartoe aangewezen, de Ministri Ecclesiae.

In de tweede wordt gesteld, dat de kerk zich vertoont in een samenkomst en wel in den conventus popularis (zooals des Zondags, wanneer zij bijeenkomt in haar volle getal van leden) of ook in een conventus ecclesiasticus, de kerkelijke vergadering, in zekeren zin populari conventui oppositus, welke ten doel heeft de regeering der kerk en het openbaar oordeel (publicum iudicium) in de kerk.

Uit deze gegevens kan de aangehaalde bepaling aldus worden aangevuld: de praecipua Ecclesiae membra doen, althans in de eerste plaats, denken aan de Ministri 2).


1) Disp. XLIX, Th. III. edid. Bavinck p. 591. Ik bepaal mij hier tot aanhalingen uit de Synopsis, omdat de stof voor nauwkeuriger behandeling der onderdeelen uit de kerkelijke praktijk zal gevonden worden. Theoretische beschouwingen zijn echter in vele boeken dier dagen te vinden. Behalve Voetius’ veelomvattende Pol. Eccl. zij hier genoemd: Hyperius, Van de jaerlijcksche Synoden, vertaling van Joannes Lydius Mf.; Trigland’s verschillende werken.
2) Dit woord niet genomen als V.D.M., daar den ouderlingen speciaal de regeering der kerk toekomt,  vooral in de afzonderlijke gemeenten.

|8|

De representatie is niet volstrekt: ten eerste omdat deze »kerkelijke« vergadering de andere, die men de »gemeentelijke« kan noemen, niet doet verdwijnen; aan den anderen kant omdat alleen door het optreden der representeerende vergadering de regeermacht en het publieke oordeel in de kerk tot hun recht komen. De kerk als één geheel heeft deze macht, de leden der kerk wijzen de personen aan, die haar moeten gebruiken; maar nadrukkelijk herinnert Th. II nog eens, dat het toch Christus is, die eigenlijk de macht bezit en uitoefent over en in Zijn kerk door middel van Zijne dienaren.

De aldus beschreven »kerkelijke« vergadering is er eene òf van eene enkele kerk òf van een grooter aantal kerken 1).

Van ééne kerk is het een »consessus legitimus ac fere perpetuus et status«, bestaande uit den Episcopus (of de ge­zamenlijke episcopi) met de Presbyteri, id est Seniores, seu Deputati populi (ut integrantes Ecclesiae partes). Deze consessus, d.i. de kerkeraad, heeft de zorg voor wat die bepaalde kerk aangaat.

De vergadering van een grooter aantal kerken (Thesis V) bestaat uit de samenkomst van ecclesiastieke personen, afgevaardigden der lagere vergadering; zij komt bijeen op eene bepaalde plaats en een bestemden tijd en heeft te zorgen voor wat allen aangaat alsmede voor wat op de lagere vergadering niet kon worden afgehandeld. Men noemt dit een synode.

Tusschen deze beide polen, kerkeraad en synode, beweegt zich de kerkelijke organisatie. De bestaanswijze der zichtbare kerk brengt mede, dat tusschen deze eene wisselwerking plaats vindt.

De kerk, bestaande heel de wereld door, openbaart zich in verschillende plaatsen. Overal, waar zij zich vertoont, is zij als deel van het lichaam van Christus te eeren. Maar deze deelen laten zich niet denken als los van de andere. Zij beantwoorden dan ook eerst ten volle aan hunne roeping door hunne gemeenschap met de andere kenbaar te maken.

Deze opvatting voor de bestaanswijze der kerk op aarde kan verduidelijkt worden door het beeld van eene hoeveelheid olie, in een vat verzameld, waarover een papier wordt gelegd. De olie dringt daardoorheen in den vorm van vlekken. Elke


1) Thesis IV, p. 592.

|9|

daarvan is reeds op zichzelf volledig een olievlek, maar alle verraden overal, waar zij verschijnen, dat daaronder de aan het gezicht onttrokken substantie aanwezig is; ook hebben zij de neiging om zich te vereenigen, waardoor de volledige vorm van de onderliggende olie-oppervlakte zich vertoont.

Ook de eerste kerkorden spreken deze beide zijden der gereformeerde beschouwing duidelijk uit.

Reeds Emden, 1571, geeft de grondbepaling, dat geen kerk over eene andere mag heerschen. Immers elke kerk bezit in beginsel alle macht, welke Christus in Zijn kerk gesteld heeft. Maar de Dordtsche K.O. van 1578 laat op de stereotiepe woorden : »Gheen Kercke en sal over andere Kercken, gheen Dienaer over andere Dienaers … eenighe heerschappie voeren«, volgen: »Hoewel wt plicht der liefde de eene Kercke de andere, de eén Dienaer den anderen etc. niet alleen moghen, maer oock behooren te vermanen«. 1)

Tot het volbrengen van dezen plicht der liefde, alsmede tot de uitvoering der regeering enz., dienen nu (Theses VII, XL, LXIX) juist de breedere vergaderingen. Van hare werkzaamheid zal het afhangen, of de normale verhouding in de kerk wordt bestendigd, zoodat noch overheersching van eene gemeente door eene andere, noch verscheuring van de eenheid des lichaams wordt toegelaten.

De hoofdvoorwaarde om dit te bereiken is gegeven in den aard dezer vergaderingen. Immers de breedere vergadering kan niet samenkomen dan door deputatie der particuliere kerken. Maar omgekeerd veronderstellen deze de aanwezigheid van het geheel 2) en zij hebben juist in dit haar samenkomen zich als eene eenheid te openbaren.

Deze regeling bracht meer dan één voordeel mede. Doordat eene kleine gemeente evengoed als eene grootere hare vertegenwoordigers in de breedere vergadering had en deze telkens te zamen komen kon, werd geen enkele stem gesmoord.

De aanwezigheid en samenstemming van zoo vele dienaren


1) Cf. Rutgers Acta bl. 261. Ook in Wesel voelde men niet anders. Cf. art. 21 (Rutgers Acta bl. 35)  … ipsum ecclesiae corpus  …
2) Acronius spreekt van »deelen der kerk.« Cf. Kleyn, Algemeene Kerk enz. bl. 17. Voetius vreesde, dat de zelfstandigheid der particuliere kerken zou te niet gedaan worden en wilde ook den Independenten zooveel mogelijk tegemoet komen. Vandaar bij hem eene voorstelling, alsof de breedere vergadering vooral noodig is wegens de misstanden. Cf. Poll. Eccl. P. III L. I, Tr. III. Cap. V. (Vol. IV p. 171. Ba Ra Ed. Rutg. p. 289).

|10|

gaf eene zeer gewenschte ontwikkeling aan de ambten. Het gezag deed zich meer intensief gevoelen, wanneer b.v. niet één, immers aan allerlei zwakheden blootstaand predikant het vertegenwoordigde, maar de breedere vergadering, waarin de ambtsmacht uit alle kerken, die daar vertegenwoordigd zijn, zich uitte.

Ook bleef het dienend karakter der ambten eerder in eene vergadering bewaard dan wanneer de dragers altoos slechts in de eigen gemeente optraden. In het laatste geval bestond het gevaar, dat de prediker of de ouderling zijne meening, ook al is die niet naar Gods Woord, wil volhouden. Toe te geven, nadat men lang zijn wil doorzette, schijnt zwakheid en zoo zou persoonlijke overheersching worden, wat uitoefening van gezag in dienst van een ander moest blijven. Op de kerkelijke vergadering, waarin door de veelheid der dienaren aan de eene zijde het gezag van het ambt zich veel sterker deed gevoelen, was aan de andere zijde ieder der leden slechts één uit velen. Ja, de stemmen moesten soms niet alleen geteld, maar ook gewogen worden 1). Deze gedachte komt voort uit de overweging, dat ouderdom en ervaring moeten worden geëerbiedigd, opdat de vergadering niet door een groot aantal onervaren heethoofden van het beproefde spoor worde afgeleid. Maar tevens is het een niet ongeschikt middel, om dengene, die in zijne eigen plaats met beslissende autoriteit zou optreden, ootmoedigheid te leeren en hem erop te wijzen, dat alleen wanneer hij overeenkomstig den wil des Heeren spreekt, zijn woord gezag heeft; anders kon in de vergadering der ambtsdragers zijne stem wel eens voor niets gerekend worden.

In onmiddellijk verband hiermede stond nog een voordeel, aan deze ordening verbonden. De breedere vergaderingen waarborgden de vrijheid van een Christenmensch. Juist waar de kerkeraad zulk eene uitgebreide bevoegdheid heeft als in de gereformeerde kerk, was het noodig, dat een tegenwicht gevonden werd om overheersching van gemeente en gemeenteleden door den kerkeraad te voorkomen. 2)

Geen kerkelijke vergadering, zelfs niet de breedste, had een absoluut gezag. Het wordt als eene aanmatiging der pauselijke hiërarchie aangewezen, dat zij door hare tegenwoordigheid


1) Synopsis Disp. XLIX, Th. XLIX, blz. 602. R. & v. V.,  VI 26.
2) Kleyn, Alg. Kerk enz., blz. 28.

|11|

de concilies onfeilbaar verklaart. 1) De vrijheid van geweten moet geëerbiedigd en daarom aan de kerkelijke vergadering geen volstrekt bindend gezag toegekend worden; slechts een »publiek« en een »leidend« oordeel. 2) Daarnevens komt aan iedere kerk en ieder geloovige een particulier, »volgend« oordeel toe. En dit volgend oordeel behoeft niet particulier te blijven, wanneer het zich niet vereenigen kan met de uitspraak der kerkelijke vergaderingen. Langs wettigen weg kan ieder lid als deel der gemeente zijne meening bekend maken en, vindt hij zich bezwaard door het oordeel der mindere vergadering, dan geeft de aanwezigheid eener breedere gelegenheid tot beroep op het oordeel van een grooter aantal.

Deze organisatie bood ook het voordeel van groote losheid van beweging. Zij rustte op de aanwezigheid van gelijke macht bij elke plaatselijke gemeente, die alle leden zijn van één lichaam en in haar samenkomen meer gezag hebben, omdat aldus meer van het wezen der kerk zich vertoont, de ideëele werkelijkheid meer reëel te voorschijn komt. Derhalve is er geen vaste bepaling noodig, hoeveel kerken moeten samenkomen om gezag te hebben. 3) Al naar de gelegenheid van plaats en tijd is, komt de kerk in grooter of kleiner vergadering bijeen. Zoo vindt men tusschen kerkeraad en algemeene synode in ook andere vergaderingen; gewoonlijk twee: classis en provinciale synode. Doch daarnevens komen ook vergaderingen van enkele kerken uit een classis, gecombineerde vergaderingen van twee classen, gedeelde provinciale synoden en nog anders samengestelde vergaderingen voor.

Over deze vergaderingen, haar aard en samenstelling, bevoegdheid en werkzaamheden zal nu verder afzonderlijk gesproken worden in deze volgorde: kerkeraad, classis, particuliere synode, nationale synode, andere vergaderingen.

Uit den aard der zaak beginnen wij met den kerkeraad. Deze bekleedt in de reeks een eigenaardige plaats. Wel staat hij onder de andere volgens den staanden regel: hetzelfde zeggen heeft de classis over den kerkeraad, hetwelk de particuliere synode heeft over de classis en de generale over de


1) Synopsis Th. LXXIII, bl. 607.
2) Synopsis Th. LXVII, bl. 606.
3) Bij de roomsch-katholieke kerk daarentegen kunnen b.v. al de pastoors van een dioecese toch niet optreden met het gezag van den bisschop.

|12|

particuliere 1) — maar toch is de kerkeraad de grondvergadering. 2) Aan te vangen met de generale synode zou ongetwijfeld aanleiding geven tot eene scheeve voorstelling. Al vertoont zich de kerkelijke macht het volledigst in die synode, 3) toch is dezelfde macht ongeschonden bij elke kerk aanwezig. Kort en duidelijk is de verhouding uitgedrukt in deze woorden: «Hic consessus (n.l. de kerkeraad) origine primus, at dignitate et auctoritate postremus est.» 4) Ook naar de historische ontwikkeling hebben wij met den kerkeraad aan te vangen. Wel begin ik in 1571, het jaar van de nationale synode te Emden, en zou de volgorde kunnen zijn: nationale synode, classis, particuliere synode, maar ook de afvaardiging naar Emden veronderstelt het bestaan van kerkeraden. En de jaren vóór Emden mogen veelszins nog duister voor ons zijn, toch staat het vast, dat bij de consistories de pit van de reformatorische beweging, zoodra er eenige ordening komt, is te vinden.

De presbyteriale ordening der kerk werd erkend als overeen te komen met de gegevens der H.S. 5). De aard van een in zelfstandige steden of kleine heerlijkheden levend geslacht; de invloed der Zwitsersche en het voorbeeld der Fransche en Pfalzische kerk — deze en andere factoren werkten samen, om aan de kerkregeering door middel van »vergaderingen« gereedelijk ingang te verschaffen.


1) Vgl. K.O. van 1581, art. 27 en van 1586, art. 33.
2) Niet zonder beteekenis is het ook, dat de Emdensche artikelen den kerkeraad een »consessus« noemen en de andere vergaderingen »conventus«. Art. 6, 7. (Rutgers Acta, blz. 58).
3Synopsis Disp. XLIX, Th. IX blz. 593. Atque in Synodo … est auctoritatis et potestatis Ecclesiasticae eminentia et apex.
4Synopsis Th. IV. p. 592.
5) De Weselsche kerkorde, welke, in raadgevenden toon gesteld, een ontwerp is, spreekt nadrukkelijk uit (art. I, 9) dat het voorbeeld der apostolische tijden moest gevolgd worden en dat daarom de navolgende regelen noodig schenen. Lechler heeft, volgens Kist’s woorden (Godg. Bijdr. 1855, bl. 200), in zijn Geschichte »zijn geliefkoosd denkbeeld aanbevolen, dat het Presbyteriaal stelsel, in plaats van aan den oorspronkelijken geest der gereformeerde kerk verwant en uitsluitend daaruit voortgevloeid te zijn, integendeel een zelfstandig, uit de H.S. ontwikkeld gemeengoed van alle Hervormers geweest zal zijn.«
Heeft Kist eenig bezwaar tegen de voorstelling, alsof de presbyteriale organisatie gemeengoed van alle Hervormers is geweest: dat zij zich uit de H.S. heeft ontwikkeld, schijnt hij toe te stemmen in zijne opmerking op blz. 201: »De Schrijver doet terecht in het oog vallen, dat, schoon ook Calvijn’s arbeid als eene vrucht van ervaring en van het leven moet worden aangemerkt, hij echter tevoren reeds door grondige Bijbelstudie en opmerkzaam gadeslaan van hetgeen hij hier en daar had zien plaats grijpen een vaste theorie zich ontworpen had.«

|13|

De belangrijke samenkomst van kerkelijke personen te Wesel in 1568 stelde regelen voor geheel in dezen trant. De kerkeraad (consistorium seu Senatus Ecclesiasticus) geldt als grondslag van het gebouw; maar «sciant interea Pastores et Prophetae, lenem ac modestam censuram in classium conventu ultro et libenter super hisce rebus sibi esse admittendam (II, art. 25.) En ook wordt reeds gesproken over wat later de particuliere synoden geworden zijn. (VIII, art. 19.)

Emdens K.O. noemt reeds de gewone volgorde: consessus seu consistorium ministrorum, seniorum et diaconorum; daarnevens drieërlei  conventus:
1. classis;
2. jaarlijksche vergadering
a. van alle kerken, in Duitschland verstrooid,
b. van alle in Engeland,
c. van alle kruiskerken;
3. tweejaarlijksche vergadering van alle kerken tegelijk.

Als de tijd van verstrooiing en kruis voorbij is, doet in ons land de genoemde reeks: kerkeraad, classis, particuliere (provinciale) synode, nationale (algemeene) synode, voor goed haar intrede.

Schokking, H. (1902) I.2

|14|

 

 

§ 2.
De Kerkeraad.

 

De zorg, die de kerk heeft te dragen in zake belijdenis en leer, komt voor rekening van heel de kerk en derhalve ook van de vergadering der geloovigen in elke plaats. Deze verkrijgt hare gestalte als gemeente of kerk, en daarmede de middelen om zich te uiten, in haren kerkeraad.

Geen »kerk« zonder kerkeraad — geen kerkeraad zonder kerk.

In den tijd, waarmee dit onderzoek begint, zijn »die van de zuivere religie« reeds op vele plaatsen vereenigd in eene geordende samenleving. Dan was een »forme van kerck« opgericht. Met deze technische termen wordt bedoeld, dat in eene samenkomst van belijders »der gesuiverde Christelicke religie« een kerkeraad (Senatus ecclesiasticus of Consistorium) was ingesteld.

De kracht van de uitdrukking »forma« is uit het woord goeddeels af te leiden. In plaats van eene vergadering van geloovigen zonder orde en zonder geregeld verband met andere gemeenten, werd door de instelling van een kerkeraad een vorm verkregen, d.w.z. openbaarde de gemeente zich als een zelfstandig deel van het lichaam van Christus in zijn zichtbare verschijning. De door innerlijken band bijeengekomen en bijeengehouden menigte vertoonde zich geordend, de onmisbare diensten werden nu vervuld, de kerk kreeg mond en oog en hand om zich te doen hooren, toe te zien, te handelen.

Karakteristiek is ook de term »facies ecclesiae«. Immers het gelaat doet de trekken zien, maar bevat ook de organen, waarmee het lichaam bewust leeft, waarnemend en zich uitend.

De aanwezigheid van een dienaar des Woords met een

|15|

»gehoor« maakt nog geen forma. De gemeente wordt mondig door het bezit van een raad.

Dit is de algemeen heerschende gedachte, al zijn er feiten aan te wijzen, die hiermede niet terstond te rijmen zijn.

Maar dat zijn uitzonderingen.

Bijvoorbeeld: In de Acta van de classis Neder-Veluwe wordt vrij regelmatig aangeteekend, welke predikanten aanwezig waren. Afzonderlijk staan de namen der ministri, die »geene gemeente« hebben. Dat zijn zij, die nog geen forma van kerk hebben opgericht, nog geen kerkeraad hebben.

Maar uit de vergadering van 16/17 April 1605 1) vinden wij de aanwezigheid van een ouderling uit Eep vermeld, terwijl dit dorpje zijn minister nog gesteld ziet bij de tweede groep.

Dus heeft hij nog geen kerkeraad. En toch is er een dienaar des Woords en een ouderling? Dit schijnt onvereenigbaar. Het komt mij voor, dat hier de predikant bij provisie de hulp van één der leden ingeroepen heeft, om als ouderling dienst te doen, ook al was er nog geen volledige kerkeraad gekozen. 2)

Evenmin wordt de regel verbroken door een ander niet op zichzelf staand voorbeeld.

In de vergadering van 15 April 1600 3) verklaart Johannes Voskuijll, »dat hi door het gebruck des Nachtmals ein gemeinte heeft angefangen op the richten, 4) doch noch gein ouderling ende diaconen erwelt, welcke hi verhopet dat erst dages solches gedan solde werden.«

Dit wordt goedgekeurd, ofschoon meer dan eens bepaald was, dat zij, die het avondmaal wenschten te gebruiken, maar nog geen kerkeraad hadden, naar eene naburige plaats moesten gaan.

Werkte deze bepaling soms belemmerend voor de kerkformatie? Men zou het hieruit afleiden, dat de handelwijze van Voskuyll niet slechts goedgekeurd, maar ten voorbeeld gesteld wordt.

In 1602 toch wordt bepaald 5): »om mittertijt de Gemeente des


1) MS. A., (bl. 105).
2) Dit was toegestaan. Cf. Dordt  1578, K.O. I, 11 (Rutgers, Acta bl. 238). Desgelijks Middelburg 1581, Syn. Besluiten 10 (Rutgers, Acta bl. 405).
3) MS. A., sub 31 (bl. 71).
4) Ik cursiveer.
5) Classicale Vergadering te Nijkerk, 14 April, MS. A., bl. 88.

|16|

Heeren op den platten landen te vergaderen sint de broederen vermaent worden 1) het Nachtmael des Heeren in toe voeren (;) daer de dorpen also gelegen sijn, dat sy by malcanderen koemen konnen sal int eene dorp voer ende dat ander nae per vices« het Nachtmaal uitgereikt worden.

Dit schijnt niet consequent, doch toont in elk geval, dat men niet doctrinair te werk ging, ofschoon de ordenende nationale synoden reeds alle gehouden waren.

De gewone regel wordt echter niet vergeten blijkens eene aanhaling uit 1604. De scriba Tilmannus Mylius teekende toen als naar gewoonte op: »zijn sonder credentie verschenen als noch geene gemeinte hebbende« en dan volgen acht namen. Op die acht plaatsen zal toch wel eens avondmaal gehouden zijn op de bovengenoemde wijze, maar een »gemeente« bestond er nog niet, zoolang er geen kerkeraad was 2).

Deze eigenaardige toestanden vertoonen het onderscheid tusschen eene bisschoppelijke hiërarchie, die een vorm oplegt, en het opgroeiend gereformeerd leven, dat zelf zijne vormen modelleert.

Het ging niet om de toepassing eener kerklijke theorie, maar om de hervorming der kerk. Zoo iets kon niet terstond zuiver conform één beginsel tot stand komen. Juist omdat de kerk naar haar wezen hervormd werd, kon de organisatie niet opgelegd worden op de wijze waarop heden ten dage eene nieuwe kieswet het land in nieuwe districten verdeelt en voor alle éénzelfde wijze van handelen voorschrijft.

Het was te doen om herstel der zuivere religie, en kern daarvan is de belijdenis der schriftuurlijke leer. De aanwezigheid van andere motieven bij de hervormingsgezinden noch de omstandigheid, dat velen onder hen voornamelijk door deze geleid werden, nemen weg, dat dit het kenmerkende punt der Reformatie was. De tegenstanders voelden dat; hunne vervolging was gericht tegen de aanhangers der »nye leere.«

Dus vroegen de verkondiging en belijdenis dier leer de voornaamste zorg; de wijze van kerkelijke samenleving had in zooverre eerst in de tweede plaats belang.


1) Ik cursiveer.
2) Een eigenaardig inzicht in den toestand der gereformeerde kerk op de Veluwe geeft het enkele feit, dat nog in 1619 in de classis Neder-Veluwe nevens 9 plaatsen, waar een »gemeente« was nog 4 plaatsen zonder forma waren.

|17|

Was de organisatie dus niet het alles beheerschende vraagstuk dier dagen en deed zij zich nog voor in verschillende vormen, toch is zij allerminst een onbelangrijk punt. Vandaar de voortdurende zorg van al de synoden, ja reeds vóór de eerste, om  eene geregelde kerkorde te verkrijgen.

Er klinkt nog iets van bewogenheid des gemoeds door in de woorden, waarmee de Emdensche synode de opdracht tot kerkinstitutie in haar notulen neerschreef 1): »De Dienaren ende Ouderlinghen der Classen die onder ’t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren Classe, ofte daer omtrent gheleghen, naerstelijck ondersoecken ende vernemen nae den ghenen die tot de reyne Religie gheneghen zijn, om de selve tot haren schuldighen plicht te vermanen: Derhalven sullen sy pooghen, Kercken, oite ten minsten beginselen der Kercken te vergaederen«; de classes moeten de naastliggende plaatsen onder elkaar verdeelen »op dat niet versuymt en werde (ne quid negligatur)«. De verstrooide gemeenten moeten deze zorg nemen voor plaatsen, verre van een classis gelegen. Ja, de afzonderlijke verbannen geloovigen moeten de dienaars der classen onder ’t kruis behulpzaam zijn door de namen op te geven dergenen, die de Religie genegen zijn in de vroegere plaats hunner inwoning,  »unde ejecti vel digressi sunt«.

Hoe had die kerk kracht kunnen ontwikkelen en hare roeping vervullen zonder orde in de gemeenten en onderlinge samenwerking? Consistories en correspondentiën tusschen deze worden dan ook tot in de oudste bescheiden onzer gereformeerde kerk vermeld 2). Maar verder moeten vragen naar de beteekenis, die de consistories zoowel voor ’t politiek als vooral voor ’t godsdienstig leven gehad hebben, naar de eerste instelling ervan, naar het oorspronkelijk karakter enz., hier buiten bespreking blijven.

* * *

Allereerst doet zich de vraag voor naar de samenstelling van den kerkeraad; zij laat zich in tweeën splitsen:


1) Art. 42. Rutgers Acta, bl. 79.
2) Cf. verschillende banden der Marnix-vereeniging. Serie II, Dl. I, 1e stuk (Engeland). Serie II, Dl. II, bl. 23. Serie III, Dl. I, 1e stuk. Serie III, Dl. II (Emden). Serie III, Dl. V, 1e stuk (Keulen). Cf. ook Emden, K.O. 43, Rutgers Acta, bl. 80.

|18|

1° Welk karakter had het lidmaatschap in deze vergadering?
2° Hoe werden de personen aangewezen? 1)

 

De kerkeraad is de vergadering van ambtsdragers in eene gemeente. De ambten zelve zijn door Goddelijk bevel ingesteld en hebben daarin hun grondslag.

Vele vragen over den aard en het aantal der ambten kunnen hier voorbijgegaan worden. Omnium consensu waren erkend: het ambt van dienaar des Woords, dat van ouderling en dat van diaken.

Het doctoren-ambt wordt in de Wezelsche artikelen genoemd en komt ook in de K.O. van Middelburg (art. 2) weder voor. Emden en de synoden van 1574 en 1578 te Dordrecht vermelden dit ambt niet. In de K.O. van 1581 worden de doctoren echter niet bij de leden van den kerkeraad genoemd (art. 28). Hunne ambtelijke waardigheid schijnt niet sterk gevoeld te zijn en hunne verhouding tot de plaatselijke en de gezamenlijke kerk is nooit scherp omlijnd. 2)

De vergaderden te Wezel spreken nog van een vijfde ambt, dat der profeten. De nuttigheid van een collegium prophetarum in elke gemeente wordt erkend, maar ook dit wordt onderscheiden van den kerkeraad. In de latere synoden komen deze prophetae niet meer voor.

Zoo blijven dus voor den gewonen regel de ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken.

De vraag kan echter gesteld worden, of niet alleen de ouderlingen den kerkeraad vormen. Althans in Wezel’s artikelen 3) komt deze uitdrukking voor: »…. Senatu(s) Ecclesiasticu(s), Seniorum inquam conventu(s) adhibitis Ministris, Doctoribus ac Prophetis.«

Dus: de kern van den kerkeraad vormden de ouderlingen. Dit was ook overeenkomstig de gedachte, dat de ouderlingen regeeren en den raad der kerk de regeering toekomt, terwijl de Ministri


1) Ten overvloede zij nog eens herinnerd, dat hier geen volledige beschrijving der kerkrechtelijke toestanden gegeven wordt (gesteld, dat zulks mogelijk was), maar dat ik slechts vermeld hetgeen, als behoorende tot de hoofdtrekken, niet gemist kan worden en verder alleen wat in verband staat met de praktijk inzake belijdenis en leer.
2) Er waren ook netelige vragen aan verbonden. En niet alleen toen: vroeger en later eeuw levert hiervan voorbeelden. Vgl. Bavinck, Het Doctorenambt.
3) VIII, 4. Rutgers Acta, bl. 31.

|19|

bij de Doctores ac Prophetae gevoegd worden. Toch is de Minister niet buiten de regeering der kerk gesloten. In Cap. IV art. 1 staat dan ook: »Sequitur (nl. na de Ministri en Doctores) ordo Seniorum sive presbyterorum qui a Paulo κυβερνησεων nomine censentur; eoque Senatum ecclesiasticum sive Consistorium una cum Ministris constituunt.» Dus: «ouderlingen tegelijck met de Dienaeren maeken een kerckeraet.» Deze gedachte heeft de overhand behouden.

Maar hoe staat het dan met het diaken-ambt, dat niet in de eerste plaats met den geestelijken wasdom noch met de kerkelijke regeering, maar met de lichamelijke nooden te maken heeft?

Wezel noemt hen niet als lid van den kerkeraad; in Emden’s K.O. daarentegen werden volgens art. 6 de diakenen gerekend bij den kerkeraad te behooren. In Dordrecht 1574 loopen de beide opvattingen door elkaar. Wanneer de bepaling gelezen wordt: Als er weinig ouderlingen zijn, mogen de diakenen naar de begeerte van het consistorie erbij gevoegd worden, 1) zou men geneigd zijn te oordeelen: het consistorie is er dus reeds zonder de aanwezigheid der diakenen. Maar even te voren is de afzondering der diaconale vergadering van de samenkomst der ouderlingen met den dienaar des Woords voorgesteld als een nadere uitvoering van het 6de Emdener artikel, volgens ’twelk juist leeraars + ouderlingen + diakenen het consistorie vormen.

Dezelfde onzekerheid komt uit in de eigenaardige regeling van 1581. 2) Volgens de artikelen der kerkorde behooren de diakenen niet bij den kerkeraad, naar de regelen voor kerkelijk gebruik wèl. Volgens de synodale besluiten mag de kerkeraad, zoo dikwijls hij dit noodig keurt, de hulp der diakenen inroepen; alleen als een diaken tevens ouderling is, mag hij altoos bij den kerkeraad wezen. 3) Doch in de «particuliere vragen» 4) wordt verondersteld, dat de diakenen zelfs bij het examineeren van een predikant tegenwoordig zijn.


1) Art. 4 K.O.; Rutgers Acta, bl. 139.
2) Dit is niet te verwonderen, want de K.O. van 1581 was eene verkorting van die van 1578. Verkort, teneinde haar bij de overheid in te dienen. Vgl. Rutgers’ Aanteekeningen in zijn Acta, bl. 347.
3) Rutgers Acta, bl. 405.
4) Rutgers Acta, bl. 453. Onder ’t hoofd »particuliere vragen« werden gewoonlijk in de Acta der synoden vermeld de antwoorden en beslissing der vergadering omtrent alle ingebrachte vragen. De andere rubrieken waren meestal: Presentielijst — Kerkorde — eventueel groote tuchtzaken — (indeeling der ressorten).

|20|

Verder onderzoek dezer kwestie is hier overbodig. Het staat genoegzaam vast, dat de werkzaamheid van den kerkeraad in ’t bijzonder diende om de gemeente te regeeren; wie daarin medewerkten, is een tweede punt, maar de hoofdzaak is, dat de kerkeraad bestond uit bedienaars van de ambten, welke Christus aan de gemeente heeft gegeven.

In zooverre is het ook van minder beteekenis, door wie de personen werden aangewezen om het ambt te bedienen. 1) Dat de gemeente het recht hiertoe heeft, werd niet betwijfeld — ook waar de kerkeraad zichzelf aanvulde, geschiedde dit nomine ecclesiae en de approbatie der gemeenteleden werd gevraagd of verondersteld; maar ook bij eene directe benoeming door de leden der gemeente ontleenen de ambtsdragers hun gezag niet aan de gemeente.

Wel was het ambt alleen in de gemeente te vinden, maar deze was niet de bron der ambtelijke macht. Dit worde niet uit het oog verloren, ook niet bv. wanneer de ouderlingen genoemd worden: deputati populi. 2) Deze uitdrukking zou verwarring kunnen brengen, omdat ook de leden der breedere vergaderingen deputati heeten. En toch lag het onderscheid tusschen den kerkeraad en de andere kerkelijke vergaderingen juist hierin, dat deze laatste haar macht ontleenden aan de kerkeraden, en hare leden derhalve niets dan deputati waren, terwijl de macht van de kerkeraadsleden niet op dezelfde wijze rustte op een gemeentelijk mandaat. In de breedere vergaderingen brengen de kerken hare autoriteit te zamen, in den kerkeraad is de samenvoeging van de macht der gemeenteleden niet 3).

De kerkeraad heet wel meer dan eens de »vertegenwoordiging« der gemeente; bv. in de kerkorde van 1586, »Van de


1) Overigens een veel besproken en niet geheel onbekende kwestie. Vgl. zoowel de zaak van Jean Morelli (Dordt 1574, bl. 136) als nog de geschillen in de Friesche Kerkbode, jaargang 1900, door Dr. H.H. Kuyper besproken.
2) Cf. Synopsis, Th. XXVIII, p. 597.
3) Lechler zegt (S. 48), dat het ouderlingen-ambt niet gebaseerd is op ’t algemeen priesterschap der geloovigen. Hierin heeft hij ook m.i. het hart der kwestie getroffen: de basis ligt in de goddelijke instelling. Maar m.i. verliest hij bij zijne uiteenzetting aldaar een weinig uit ’t oog, dat het ambt wel niet uit de vergadering der geloovigen voortkomt, doch alleen in de gemeente bestaat. Zonder gemeente geen ambt. Eene andere opvatting voert tot de roomsche (vanaf Cyprianus) »ecclesia in episcopo est.« Harnack, Dogmengesch2. (S. 73). Vgl. hier ’t »gilt« van Oecolampad, vermeld bij Lechler, S. 48 en 52.

|21|

diensten«, art. 9: »Op d’andere zijde sal den Kercken-Raet, als Representerende die Ghemeynte, oock ghehouden zijn haer Dienaers … te versorghen« 1). Doch dit is geene representatie van de macht 2), maar van de aanwezigheid der gemeente. In haar geheel had deze ook wel macht, maar die kon niet aan één of meer personen worden overgedragen. Wel traden hare »vertegenwoordigers« bij de uitoefening daarvan als hare organen op 3).

———

De bevoegdheid van den kerkeraad is:
a. de som der bevoegdheden van predikanten en ouderlingen;
b. wat hun te zamen als consistorie, d.i. de vertegenwoordiging der gemeente, toekomt.
Zijne werkzaamheid komt hieruit voort.

De predikant heeft de bediening des Woords. Dat is meer dan, althans onderscheiden van de enkele verklaring des Woords. Deze komt hem, evenzeer als den doctor, toe, maar hij heeft het verklaarde woord ook toe te passen. »Toepassen« worde hier in den ruimsten zin genomen 4).

Bij den dienst des Woords behoort de dienst der gebeden, volgens Hand. VI vrs. 4.

Wanneer meerdere predikanten in ééne plaats werkzaam zijn, komt hun toe, »acht te nemen op elkanders predicatiën, leeringen en boeken« 5).

Uitvoeriger zal over het ambt der predikanten bij de behandeling der classicale vergaderingen gesproken worden.


1) Rutgers Acta, bl. 490.
2) Vos, Gesch. der Vad. Kerk, 2 bl. 140, § 95: »De Kerkeraad was de vertegenwoordiging en mitsdien de regeering van de plaatselijke gemeente.« Hierin heeft de schrijver misschien de idee der 2de helft van de 17de eeuw uitgedrukt (Voetius), maar niet zuiver de gedachte, die tevoren heerschte.
3) Synopsis Disp. XLVLIL Th. XXL XXIII. XXIV. p. 581. Disp. XLIX, Th. I, p. 591; vgl. met VII op p. 577 en Th. I, Disp. XLII, p. 458.
4) Synopsis Disp. XLII, Th. XXVII, p. 464: Quos (scil. Doctores) idcirco Apostolus a pastoribus discernit, quod illi in doctrina et redargutione ad fidem vacillantium confirmandam; hi in correctione et admonitione ad vitam peccantium emendandam, operas suas praecipue occuparent. Unde illis κατ᾽ ἐξοχην docendi, his exhortandi munus attribuitur, Rom. 12, 7.8.
Ook: Wesel. II, 13. Ministrorum enim … munus potissimum versari in verbo Dei annunciando, ac rite secando, et ad doctrinam, exhortationem, consolationem, increpationemque, prout res fert, tum publicè tum privatim accommodando, atque in administrandis Sacramentis ac disciplina observanda, est extra controversiam. Rutgers Acta, bl. 16.
5) Antwoord van den dienaar des Woords. 1582. Cf. Rogge,  Caspar Coolhaes, I, 254.

|22|

Daarentegen worde wel iets nader gehandeld over de bevoegdheid en ’t werk der ouderlingen in zake de leer.

De ouderlingen droegen voor een groot deel de verantwoordelijkheid voor wat er in de gemeente omging en geleerd werd 1). In zooverre kwam hun toezicht toe op de leer van den dienaar des Woords.

Allereerst was dit noodig, wanneer een predikant moest beroepen worden. Dan moest het presbyterium, casu quo de geheele kerkeraad, zich kunnen vergewissen omtrent de gezindheid en geschiktheid van den prediker, om het Woord onvervalscht te bedienen, en, wanneer zij gevaar duchtten, dit kunnen voorkomen.

Bij de examinatie en keuze der predikanten namen dus de ouderlingen hunne plaats in. Doordat echter meer factoren hierbij hun invloed deden gevoelen, vond de examinatie bij de classis plaats. De classicale beslissing en verder de attestaties waren de waarborgen, waarmee de kerkeraad verantwoord was bij de komst van een prediker in de gemeente. Toch neemt dit niet weg, dat de grondgedachte bleef bestaan: De kerkeraad, c.q. de ouderlingen, houden toezicht over den prediker. Daarom werden de attestatiën door den kerkeraad niet slechts geverifieerd maar ook beoordeeld.

De beroeping van een dienaar geschiedde eveneens door den kerkeraad, uit naam van de gemeente. Tenminste dit is de gewone regel, Emden 2) sprak dit uit in artikel 13: »De dienaren des Woorts sullen van den Consistorie met het oordeel ende goet duncken der Classischer versamelinge, ofte twee ofte drie Ministers uyt de genabuerde Kercken vercooren worden.« Dan worden zij aan de gemeente voorgesteld. »Nochtans of eenighe Kercken, daer de Verkiesinghe bij ’t Ghemeene volck staet achteden, dat hare ghewoonheyt niet te veranderen en ware, die sullen ghedraghen worden….« En de Dordtsche K.O. van 1618/19, art. 4, zegt: »de Verkiesinge, de welcke … geschieden sal door den Kercken-Raed ende Diaconen.«

Verder heeft de kerkeraad de bevoegdheid een dienaar te schorsen, wanneer hij zich in zijn huis niet geloovig betoont.


1) Cf. Emden K.O. 16, 17, 18, 33. [Kleyn, Alg. Kerk, bl. 22]. Synopsis Disp. XLII, Th. LXI, p. 471.
2) Rutgers Acta, bl. 61.

|23|

(Emden Bijz. Vragen 22). Dit kan alleen berusten op de bevoegdheid van het consistorie, om over de leeraren toezicht te houden. Deze bevoegdheid is echter beperkt: zie art. 33 en 34 der kerkorde van 1571. Alleen de classis oordeelt finaal over een dienaar. Dit was noodig, opdat niet allerlei misbruiken zouden voorkomen. En in zooverre het oordeel over de leer niet eene zaak is, die slechts éene gemeente aangaat, komt het mij voor dat in  deze beperking de eenheid der kerk zich doet gelden.

In de algemeene bewoordingen van de Wezelsche artikelen (IV, 7, 9) en van Middelburg, art. 16 1), dat »der Ouderlinghen ampt is,.. opsicht te hebben dat de Dienaren … haer ampt ghetrouwehck bedienen«, ligt toch weer de grondgedachte 2).

In het formulier van bevestiging van ouderlingen wordt dan ook met zoovele woorden gezegd, dat de ouderlingen op de leer hebben toe te zien 3).

In 1582 wist zelfs de magistraat van Leiden, dat censuur te oefenen over een predicatie aan den kerkeraad toekomt 4). Zoo ook werd in 1611 in Amsterdam besloten, dat de ouderlingen zouden toezien, dat geen predikant van buiten op den stoel kwam 5).

Tot de bevoegdheid der ouderlingen behoort verder: over de leer der lidmaten toezicht te houden. Zij moeten voortdurend huisbezoek doen, waarin de geestelijke verzorging der afzonderlijke lidmaten behartigd wordt; maar daartoe behoort ook: zich op de hoogte te stellen van de doorwerking van ketterijen en dwalingen. Hierin werd allicht het voorbeeld van Genève gevolgd, waar bepaaldelijk de zielzorg hun was opgedragen, in onderscheiding van het gebruik der Hugenooten, bij wie de ouderlingen alleen de regeermacht bezaten. 6)

De Wezelsche artikelen hadden reeds terstond het geregelde, zelfs wekelijksche huisbezoek nauwkeurig omschreven in het hoofdstuk »de Senioribus«.7)  Zachtmoedige bespreking in de


1) Rutgers Acta, bl. 382.
2) Vgl. ook 1586 art. 21, bl. 452.
3) In de gemeente Amsterdam bestaat nog altoos de gewoonte, dat een z.g. zittend ouderling aanwezig moet zijn bij den dienst des Woords. De uitdrukking is nog: »Hij zit op de leer«.
4) In casu Hackius, Cf. Dozy, (Mij v. Lt. 1897/98, 27/28.)
5) Cf. Rutgers, Kerkverband 31.
6) Vgl. ook W. d. M. V. II, 1, 328. (Over de Londensche Gemeente).
7) Zie 2, 3, 7, 8. Rutgers Acta, bl. 22-24.

|24|

woningen over de inrichting van het dagelijksch leven; het houden van morgen- en avondgebed, de onderwijzing der kinderen wordt eerst genoemd. Grootere gemeenten moeten in wijken verdeeld worden en wekelijks houden de ouderlingen eene gemeenschappelijke beraadslaging naar aanleiding van hunne ondervinding in de vorige dagen.

Op ziekenbezoek wordt niet minder ernstig aangedrongen.

Ja, die werkzaamheden zijn juist eerder een arbeid, welken zij zelfstandig mogen verrichten, dan de regeering der kerk, want deze werd alleen in verbinding met den geheelen kerkeraad uitgeoefend. En ofschoon daarin dan »proprie quidem doctrinae 1) censura ad Ministros et Doctores, morum vero ad Seniores videtur pertinere«, evenwel »debent procul dubio utrobique mutuas praestare operas« (art. 5).

De opneming van lidmaten in de gemeente is volgens Dordt 1578 niet mogelijk zonder dat hij, die ontvangen wilde worden »van den kerckeraedt ofte immers eenen Dienaer ende Ouderlinck vande hooftsomme der Christelicker leere ondervraegt sy …«, behalve wanneer hij met attestatie van elders kwam.

Hiermee corrigeert Dordt 1578 wat in 1574 bepaald was, dat deze ondervraging door een dienaar met twee ouderlingen of ook door twee dienaars alleen 2) kan geschieden. Neen, oordeelt deze vergadering, waarin de invloed van Dathenus, Heydanus, Cornelius, wel evenredig zal geweest zijn aan hunne eereplaats als leden van het moderamen: dit ambt is verantwoordelijk voor den welstand der gemeente en de dragers daarvan moeten dus weten, wie zij onder hun opzicht nemen.

Pro memorie wordt hier vermeld, dat de ouderlingen ook een deel van hun werk hebben in de classicale vergadering.

Heel scherp zijn de grenzen dus niet te trekken voor het gebied, dat uitsluitend den ouderlingen toekomt.

Wesel (VIII, 4) 3) spreekt uit: »Religionis ac morum censuram quod ad singula ecclesiae membra attinet debere ad Senatum ecclesiasticum, Seniorum inquam conventum adhibitis Ministris, Doctoribus ac Prophetis, si qui fuerint, spectare, est extra controversiam«.


1) Wezel VIII, art. 4 »religio« genoemd. Rutgers Acta, bl. 31.
2) Dordt 1574, art. 70. Rutgers Acta, bl. 147.
3) Rutgers Acta, bl. 51.

|25|

Maar niet extra controversiam was gebleven, dat de leeraren over de zeden en de ouderlingen evenzoo over de leer-aangelegenheden mede oordeelden. De toon der Wezelsche artikelen is meer aanradend dan voorschrijvend en biedt derhalve nauwkeuriger kennis aan van het verloop der gedachten dan de latere kerkorden met hare voorschriften. Het resultaat (zie art. 5) was echter, dat bij de erkenning van een onderscheid in de bevoegdheid der verschillende ambten, toch eene afbakening van het gebied niet mocht beproefd worden. Dit schijnt mij trouwens eene onmogelijkheid toe. Wel liggen er links en rechts punten, die zich puur als leer-afwijkingen of ook als louter zedelijke vergrijpen voordoen. Maar als Lieven van Vijven in Amsterdam 1) zijn overspel erkent als eene zonde, wegens het burgerlijk verbod daartegen, doch aan de kerk het recht ontzegt hem deswege te censureeren, omdat hij de leer der H.S. zegt te volgen, is de bestraffing der zonde in moribus niet af te scheiden van de veroordeeling der doctrina.

Het bedoelde artikel 5 luidt dan ook aldus: »Ad quos enim cuiusque rei cognitio pertinet eosdem à iudicio et censura excludi praeter omne ius et fas esse omnes vident. Quare propriè quidem doctrinae censura ad Ministros et Doctores, morum vero ad Seniores videtur pertinere. Sed debent procul dubio utrobique mutuas praestare operas«. 2)

In Emden wordt in ’t algemeen aan het consistorie in zijn geheel de macht tot vermanen en afhouden van het H. Nachtmaal toegekend. 3)

Ook de medeleden in ’t consistorie zijn hieraan onderworpen, behalve dat de dienaren geschorst, maar niet afgezet kunnen worden door den kerkeraad. 4) Dit laatste valt onder ’t oordeel der classis.

Excommunicatie, van wien ook, vindt niet plaats zonder advies of zelfs goedvinden van de classis, 5) want zulks gaat


1Protocol van den Amsterdamschen Kerkeraad, MS.D, dl. II, jaar 1595; dl. III, jaar 1597.
2) Rutgers Acta, bl. 31, 32.
3) K.O. art. 30, 31. Rutgers Acta, bl. 70 vlgg. Zie ook vr.  15, Rutgers, bl. 98.
4) Zie b.v. Emden art. 33 (Rutgers, bl. 73); Dordt 1578, IV, 9 (Rutgers, bl. 261); Middelburg 1581 art. 64 (Rutgers, bl. 399); den Haag 1586 art. 72 (Rutgers. bl. 504).
5) Zie b.v. Middelburg 1581 art. 62 (Rutgers 398); den Haag 1586 art. 69 (Rutgers bl. 503) en herhaaldelijk in de Protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad. Ook in Prov. Acta zijn voorbeelden te over te vinden, b.v. R. & v. V. V, 28/29.

|26|

niet alleen den plaatselijken gemeenten, maar de kerk in haar geheel aan. Ook tegenover willekeur in de praktijk waren zulke bepalingen gewenst.

Afzonderlijk moet nog vermeld worden de opdracht, dat de gemeenten hebben zorg te dragen voor de aanwezigheid van »Professeurs ende Schoolmeesters«, volgens art. 12 der kerkorde van 1581. 1) Daarbij behoort een bijzonder toezicht van den kerkeraad over de schoolmeesters, zoowel bij de toelating tot als bij de uitoefening van deze gewichtige betrekking. De eigenaardige positie van den scholarch dier dagen maakte hierbij afzonderlijke regelingen noodig.

De beteekenis van den kerkeraad, deze eerste kerkelijke vergadering, in zake de leer is dus niet gering. Uit de groote overeenstemming der kerkorden op dit punt volgt echter nog niet, dat de regeling op verschillende plaatsen in al die jaren voortdurend zóó bestaan heeft, maar wel dat de theoretische juistheid der eenmaal aangenomen ordening erkend werd. Inderdaad, men heeft juist gezien, de beteekenis der kerkeraden voor den welstand der gereformeerde kerk kon moeilijk overschat worden. Hun bestaan en bestaanswijze was het kenmerk harer organisatie, hun arbeid en de vrucht daarvan beslaat geene geringe plaats in de geschiedenis van hare ontwikkeling en haren bloei.


1) Rutgers, Acta bl. 380.

Schokking, H. (1902) I.3

|27|

 

 

§ 3.
De Classis.

 

Telkens moest bij de bespreking van de bevoegdheid en het werk des kerkeraads melding gemaakt worden van de classis. De kerk is volgens de Gereformeerden in ons tijdvak in eene plaats volledig en zelfstandig, maar zij is er niet dan als lid van de algemeene kerk 1) en noodwendig brengt dus het openbaar worden van kerken in verschillende plaatsen de verschijning van een kerkverband met zich mede. De praktijk drong ook hiertoe. Het was gebleken, dat er gevaar ligt in de toekenning van groote bevoegdheid aan één persoon of een klein comité; maar zwaarder nog woog het, dat er zaken zijn, waarover ééne gemeente alleen niet oordeelen mag. Punten, de leer der kerk betreffende, staan hierbij voorop.

Daarom was het brandpunt der kerkelijke ordering in dezen deele niet de kerkeraad, maar de breedere vergadering, allereerst de classis, welke de regelmatige eerste openbaring van de eenheid der kerk bood.

In deze formuleering: de classis de eerste openbaring van de eenheid der kerk — ligt de verklaring voor de twee vormen, waarin zich de classikale vergadering vertoond heeft.

De eene is die van eene vergadering gedeputeerden, de


1) Vgl. de uitdrukking van Acronius (1610): »de deelen van de sienlycke Kercke zijn particuliere sienlycke Ghemeynten« in Kleyn, Alg. Kerk, bladz. 17 noot.
Dat echter de plaatselijke kerk op haar plaats volledig en eigenlijk een kerk is, hare macht in haar bestaan heeft, deze niet ontleent aan het lichaam, was de algemeen geldige overtuiging bij de  Gereformeerden.
Als een »concessum« geeft Voetius dan ook op: »Ecclesiam parochialem esse ecclesiam veram essentialiter et integraliter, absque illa [in kracht gelijk aan ulla] corresponden­tie« Pol. Eccl. Vol. IV. p. 127.

|28|

vertegenwoordigers der kerk in eene bepaalde streek; de andere is die van eene vergadering der dienaren des Woords aldaar.

Langzamerhand is de eerste vorm alleen overgebleven; natuurlijk, waar de gereformeerden van ecclesia repraesentativa en ecclesia docens niets wilden weten.

De tweede vorm werkte echter in menig gebruik lang na. En ook dit is niet vreemd. De beteekenis van het ambt voor de eenheid der kerk en de plaats, die aan de leer toekomt, kwam daarbij in sprekende lijnen uit.

Deze aldus vooropgestelde opmerking kan ten leiddraad strekken bij de vorming van eene voorstelling uit gegevens, die niet altijd met elkaar in overeenstemming schijnen te zijn.

De naam classis is reeds in de Weselsche artikelen gebruikt 1) en later behouden gebleven. Zijn kracht ontleent hij echter niet aan zijne taalkundige beteekenis, maar aan het spraakgebruik. Ook andere namen zijn gebezigd; de algemeene uitdrukking «conventus ecclesiarum» werd door den scriba 2) der Acta van de Neder-Veluwsche classis in 1597 gekozen.

In Zeeland, dat door den bijzonderen invloed van den Eersten Edele op de kerkelijke organisatie over ’t geheel eene eigene plaats innam, bleef de naam «coetus» bestaan, welk woord in Noord-Holland gebezigd werd voor eene van de classicale onderscheiden vergadering van predikanten. 3)

In Wezel werd gesproken van Classis seu Paroeciae. Hierin komt de eigenlijke aard van deze breedere vergadering het duidelijkst te voorschijn. Genabuurde kerken, — dat was de grondidee. In verschillende gevallen behooren die elkanders hulp in te roepen, in andere moeten zij gemeenschappelijk handelen.

Het aantal gemeenten, die samen eene classis vormen, is zeer verschillend. Eene uitzondering is de bepaling, dat Amsterdam op zichzelf eene classis zou uitmaken; 4) zij komt niet overeen met de verdeeling, in Dordt 1578 opgemaakt, en is blijkbaar niet ten uitvoer gelegd. Maar hoeveel er wel samen moeten zijn om een classis te hebben, hangt geheel van de omstandigheden af. Ja, als de eenmaal gevormde classis in haar  geheel niet bijeen is, wordt in sommige opzichten gelijke


1) R. & v. V., 7; II, 3 etc.
2) Dit was Gualtherus de Bruyn, MS. A, bl. 50.
3) R. & v: V., I, 6.
4) R. & v. V., I, 56; 25 Sept. 1578.

|29|

waarde toegekend aan de samenwerking van twee, drie naburige kerken. Ook toen er reeds jaren lang een, later te bespreken, deputaatschap van de classis bestond, om nomine classis te handelen zoolang de vergadering niet bijeen was, wordt toch nog meer dan eens het oude gebruik van «eenige genabuurde kerken» te hulp te roepen gevolgd. De kerkorde van 1568 spreekt nog van «het oordeel der Classen, ofte van twee ofte drie Naest-gheseten Dienaren.« 1) In 1615 had Voorthuizen be­roepen zonder de classis erin te kennen. Het beroep wordt ongeldig verklaard; zij moeten de kerkorde volgen: om «met toedoen ende advys der classis ofte ten minsten twee ofte drye daernaest genabuerte Praedicanten» 2) te handelen. Ook verder wordt nevens de gedeputeerden der classis, waarbij nog deputati synodi komen, toch de hulp van twee naburige predikanten voorgeschreven. 3) Het verband was dus elastisch.

Ook was het betrekkelijk onverschillig, hoe de classis bijeengekomen is, of doordat de gemeenten zich aaneengesloten hebben tot een classis, of doordat zij saamgevoegd zijn in classicaal verband door de regeling eener provinciale synode (zooals bijv. in Gelderland is geschied). Een classis is niet anders dan een groep kerken, welke in elkanders nabijheid liggen en samenkomen om de belangen der kerk in die omgeving te behartigen. De omvang kan wisselen en het komt


1) Art. 4; Rutgers, Acta, bl. 488.
2) MS. A, bl. 189.
3) Op die missive, so der Ede ende E.H. Gedeputeerden Velousgen Quartiers, als ooc des versoecks der kercken van Vorthuisen, beyde betreffende seeker beroep ten dienst der kercken Christi tot Vorthuisen, ’t welcke beroep bij die van Vorthuizen op Henricum de Bruin sohne des overledenen Praedicants Woltheri de Bruin, saliger gedachten, soude gedaen syn, advisiert ende verclaert die Classis, naedien se sig op ’t voors. beroep ende d’omstanden van dien bij den aenwesenden ouderlinck der Kercken van Vorthuisen geinformeert ende sulx aen die acten Synodi Nationalis vande beroepinge der Praedicanten sprekende, beproeft hadde, dat het gemelde Beroep onformelyck sij; ende also nochtans de Kercke van Vorthuisen van een getrouwe Herder behoort ende moet vorsien zijn, ordiniert die Classis, dat volgends kerckenordeninge de Kerckeraet van Vorthuisen met toedoen ende advys der classis ofte ten minsten twee ofte drye daernaest genabuerte Praedicanten tot denominatie, electie ende beroepinge eens getrouwen Herders voor de voors. kercke sal moghen ende behooren te treden; ende eenen beroepen hebbende, denselfden den Classi ofte des Classis gedeputierdeu sullen praesentieren, ten eynde, op dat de Gedeputierde synodi, de gedeputierde Classis ende eenige naestbijgesetene Praedicanten (die bij den gedeputierdeu Classis daertoe sullen versocht ende beschreven werden) sich door wettelyck examen op syn leere ende leven sullen informieren moghen, ende hem in beyden duchtich bevindende, voort met hem handelen, als volgents kerckenordeninge tot voltreckinge van sulck een beroep sal bevonden worden te behooren.«  MS. A, bl. 188, 189.

|30|

voor, dat een gemeente overgaat van de eene classis naar de andere. In 1582 is Bleiswijk in plaats van Vlaardingen bij Rotterdam gekomen, terwijl Vlaardingen zich onder Delft’s classis schaarde 1).

Als men maar niet buiten classicaal verband bleef. In 1578 wordt op de 3de particuliere vraag: »Wat men met sulcken Dienaer doen sal die sich onder gheen ordeninghe begheven en wil?« geantwoord: »Datmen sulck een den particulieren Synodo aengheven sal op dat van den selvighen daerin voorsien worde. Daerbeneffens sal de Classis ettelicke verordenen, die de Overheyt der ghereformeerder religie van de nutticheyt ende billickheyt deser ordinantie onderrichten sul’en, ten eynde dat sy door de authoritheyt der selvighe hierin magh gheholpen werden«. 2)

Op zichzelf te blijven staan was dan ook ongeoorloofd, ja werd eenvoudig onmogelijk geacht en daarom niet verondersteld.

Immers de synode van Emden volbrengt wat op Wezel’s convent reeds raadzaam geacht was, door de verschillende gemeenten saam te voegen tot classes. Ook kerken, die niet aanwezig waren op de vergadering en zelfs die, waarvan men het bestaan niet met zekerheid wist, waren hieronder begrepen. Anders zou art. 10 geen zin hebben »… Een ander Classem sullen maecken die van Wesel, van Embrick, van Gogh, van Rees, van Gennep, ende anderen die daer meer int Landt van Cleef souden mogen zijn3)

De splitsing van ééne classis in tweeën, wanneer binnen den kring te veel gemeenten gekomen zijn om eene vergadering te houden, die gelegenheid geeft om met elke plaats rekening te houden, ligt in dezelfde lijn van gedachte. Daarom droeg de eerste verdeeling der provincie Gelderland ten jare 1580, een voorloopig karakter: Aengaende de classes ist besloeten, dat gelijck die provincie Gelderlandt in vier theilen bestaet, alsoo oock in vier classen die kirchen gedeilt werden, alsoo dat die graeffschafft Zutphen einen classem constituere, darnach


1) Cf. R. & v. V., II, 206, 224.
2) Rutgers Acta, bl. 263.
3) Vgl. ook de 17de part. kwestie uit de Geldersche Synode van 1582 (R. & v. V., IV, bl. 25) »Diewiell die kercke tot Graeff noch ghenen besunderen classem aenstellen kan und niet raedtsaem off erbaerlick is, dat sij alsoo voor sich selvest, sonder mit anderen genaberten kercken te communicieren, blieve sitten, ist voor gout aengesien, dat zij onder den classe tot Nijmmegen sullen geacceptiert und gereeckent werden, enz.

|31|

Arnhem mit der Veluwe den tweeden, Nijmegen mit haeren gantsen vierdell, Venloe mit den Overquartier. Ende sall diese affdeilungh soolangh duijren, totdat alle dorper gereformiert mit die kirchen aenwassen. 1)

In 1592 is dan ook reeds Arnhem in tweeën gesplitst, welke regeling op de provinciale synode van dat jaar gecorrigeerd en bevestigd is, blijkens het volgende: »Aengesien die verdeilinghe bij der classen van Veluwen, naemelick des Overen ende Nederen, etlicker omstanden halven ongelegen gevonden is, hebben bij die classes eenhellichlick in naevolgende deelinge gewillicht, als te weeten, etc.« 2)

Een voorstel, in het jaar 1606 gedaan, om de classis Neder-Veluwe te splitsen, vond echter geen instemming. Wij lezen daaromtrent: »Ist gefraget ob niet raedsam were dat overmit den classis stercker word ende de broderen widt van malcanderen gesetten niet zonder grote onkosten vergaderen, also oock dat den classis langsam vergadert niet goed en ware dat den classis gedelt worde ende dat mit advys des Synodi, is geantwort dat het niet voor raedsam angesehen werdt, ende oeck de kosten the vermidden dat de gedeputeerden des classis macht sollen hebben einig particulir conventum the beropen als de noed solches sal vorderen.« 3)

Uit deze gegevens blijkt, dat de uitgebreidheid der classen van verschillende omstandigheden afhing. Voor den aard der vergadering maakte het geen verschil of zij uit een grooter of kleiner getal kerken bestonden: indien het maar genabuurde kerken waren, zoodat de gereformeerde kerk in die streek zich vertoonde op de vergadering.

Deze grondgedachte brengt mede, dat nevens de groote vrijheid in het bepalen van den omtrek enz., nochtans geen enkele kerk afwezig of afgezonderd bleef. De voorstelling van Rutgers en Lohman 4), alsof de toetreding tot de classis geheel vrijwillig was, gaat niet op. Zoowel de door deze schrijvers aangehaalde woorden als de Emdensche verdeeling spreken wel niet van de onmisbaarheid van ’t classicaal verband, maar het al of niet toetreden werd toch niet aan ieders keuze overgelaten.


1) R. & v. V., IV, bl. 12.
2) R. & v. V., IV, bl. 34.
3) MS. A, bl. 71, 72.
4) Rechtsbevoegdheid, bl. 57.

|32|

Aldus was de classicale de eerste der meerdere vergaderingen. Met dien naam wordt niet bedoeld, dat zij meer gezag hebben, maar hij beduidt: uit meer kerken samengesteld. 1) De naam, die later is opgekomen, »breedere vergadering« is dan ook doorzichtiger en drukt tegelijkertijd uit, dat in haar de algemeene kerk in breeder 2) ontplooiing zichtbaar werd dan in de plaatselijke gemeente.

De classicale vergadering is dan ook in zooverre te beschouwen als de vorm, waarin zich vertoonde wat wij zouden kunnen noemen de classicale kerk. Daar de kerk binnen den kring der classis-grenzen bestaat in afzonderlijke kerken, heeft deze vergadering het karakter van eene samenkomst, die slechts bestaat doordat en voor zoolang als de gedeputeerden dier kerken zich bijeen bevinden. Maar »de classis« bestaat ook, wanneer de vergadering niet bijeen is.

De kerkorden spreken van vierderlei »t’ samenkomsten«: de kercken Raed, de classicale vergaderingen enz., bv. Dordtsche K.O. 1618/19, art 29. In art. 36 heet het echter: »’t Selfde seggen heeft de Classis over den Kercken-Raed«. Daar worden dus classicale vergadering en classis als woorden van dezelfde kracht nevens elkander gebruikt. Maar toch ging het begrip classis in dat van de classicale vergadering niet op. Voor zoover er sprake is van de uitvoering der kerkelijke macht hebben wij in dien tijd alleen met de classicale vergadering, of classis in dezen zin, te doen. Maar daaraan lag ten grondslag de aanwezigheid van het lichaam der zichtbare kerk, welke naar de woorden van de Synopsis 3) kan beschouwd worden »vel ut coetus aliquis particularis unius pagi, urbis, aut provinciae — vel ut coetus aliquis oecumenicus….«, waaruit blijkt, dat de gezamenlijke gemeenten in eene omgeving geacht werden de ecclesia dier provincie te vormen.


1) O.a. October 1585 Classis Amsterdam (MS. B, fol. 19): Een voorslag uit Leiden wordt niet stichtelijk bevonden, n.l. dat een particuliere kerk »zoude prejudiceren een vergaderinge soo veelder kercken, ende dat door retractatie van een minder vergaderinghe hetgene wat in een meerder is besloten soude te niet gedaan worden.«
2) Hieruit is te begrijpen, hoe de Acta der grootere synoden kunnen zeggen, dat er vierderlei kerkelijke samenkomsten zijn: Kerkeraad, Classis, Provinciale (resp. Particuliere) Synode en Algemeene Synode, en hoe zij dientengevolge aan den kerkeraad, hoewel hij in vergelijking met de drie andere een eigen karakter bezit, toch slechts eene plaats in de reeks van deze vier aanwijzen, aan hem geen afzonderlijk hoofdstuk toekennen.
3) Disp. XL, Th. XXXIII, bl. 440. Praeses bij deze disputatie was Walaeus.

|33|

Deze zelfde gedachte komt uit in verschillende spreekwijzen. In de acta der Geldersche synode, te Zutfen in 1583 gehouden, 1) wordt gezegd, dat een kerk, wanneer zij raad noodig heeft, allereerst de hulp moet inroepen van »haere benachtbarte kercken ofte plaetsen, daeronder sy gehoeren«. In den volgenden zin wordt daarvan als van de »Classes« gesproken. 2) Hier is dus classis niet: de vergadering der samengekomen vertegenwoordigers der plaatsen, maar die plaatsen zelve, zooals zij voortdurend te samen gedacht worden. 3)

———

De classicale vergadering, vertegenwoordigende de kerk in den kring van de classis, was samengesteld uit de vertegenwoordigers der particuliere kerken in dien kring.

Deze samenstelling berust op de gedachte, dat de kerken de leden der classis zijn: de leden der vergadering komen daar dus als hare lasthebbers; maar tegelijkertijd openbaart zich in de vergadering het lichaam der kerk en zijn dus degenen, die in eene particuliere kerk de facies ecclesiae vertoonen, de aangewezen personen om als vertegenwoordigers op te treden. M.a.w. de classicale vergadering is de samenkomst der van afvaardigingsbrieven voorziene ambtsdragers.

Dit blijkt uit de navolgende gegevens.

De overlegging van de afvaardigingsbrieven behoort onder de normale werkzaamheden der classicale vergadering; daaruit werd de aanwezige als wettig lid erkend. Wel is waar was volgens Emden II, 1 (vergeleken met III, 1) voor de classis geene credentie noodig, maar op de lijn, dat de classicale vergadering bestaat uit de vertegenwoordigers der gemeenten, welke zelve de leden der classis zijn, kon een credentie niet gemist worden, hetzij die geschreven aanwezig of althans verondersteld is; vaak wordt zij dan ook vermeld.

Deze credenties moeten door den kerkeraad worden opgesteld.


1) R. & v. V., IV, 28.
2) Deze is m.i. de bedoeling dezer niet geheel heldere woorden.
3) Vgl. ook Emden, art. 42. »De Dienaren ende Ouderlinghen der Classen, die onder ’t Cruys zijn, sullen in allen Steden ende Dorpen onder haren Classe, ofte daer omtrent gheleghen…« Deze uitdrukking spreekt nog sterker door hetgeen Dr. Rutgers Acta, bl. 79, er in een noot bijvoegde: »In nr. 3 staat hier Kercken, waarboven daarna Classen geschreven is, als ter verbetering; bij C. staat Klassen; en evenzoo bij J.: Quatrier.

|34|

Wel zijn meermalen personen als lid ter classicale vergadering verschenen met credentie van politieke personen, maar dit is eene afwijking. Niet alsof gedeputeerden van overheidswege geweerd werden, maar de politieke credentie, waarvan hier sprake is, bedoelde de daarmee geaccrediteerden als kerkelijke lasthebbers te doen verschijnen. 1)

Nog in 1604 kwam dit in Gelderland voor. 2) In de classis Neder-Veluwe werden D. Joannis Urbanus en ouderling Timan Albertus als gedeputeerden uit Hattem nog met politieke credentie toegelaten, maar niet voordat de belofte was afgelegd, dat zulks in toekomende tijden niet weder zou geschieden.

Behalve van credenties wordt bij de classicale vergadering ook over meebrengen van instructiën gesproken. Hierin kwam nog sterker uit, dat de leden der vergadering als lasthebbers bijeen waren.

Het begrip «instructie» is eenigzins rekbaar. Ik zou willen onderscheiden tusschen instructiën van raadgevenden en van bindenden aard. Van beide vond ik een voorbeeld uit de classis Neder Veluwe. Volgens hetgeen September 1594 vermeld wordt schijnt het, dat de afgevaardigden naar eigen oordeel en op eigen verantwoordelijkheid jegens den kerkeraad, de «beschwaricheit (siner kercken) dar üht vorstellen.» 3) Maar in 1607 werd bepaald, dat de gravamina moesten worden overgelegd en zelfs door ’t presbyterium onderteekend hadden te zijn om voorgesteld te mogen worden. 4) Zóó reikt de hand van den kerkeraad rechtstreeks in de classicale vergadering.

Maar lang niet altijd worden de instructies vermeld. Dit hangt samen met de reeds genoemde en aanstonds te beschrijven andere opvatting van de classicale vergadering.

Eene zelfde ongelijkmatigheid vertoont zich, wanneer wij letten op een ander punt: de aanwezigheid van ouderlingen. Op zich zelf is er volgens de lijn van strakke vertegenwoordiging, niets tegen, dat bijv. alleen één predikant, ja waarom niet welk


1) R. & v. V., II, bl. 150. Reeds was op de provinciale Hollandsche synode van 1574 te Dordrecht zulk verschijnen voor ongeoorloofd verklaard ten opzichte van de prov. syn.
2) MS. A, 24 April 1604, bl. 99.
3) MS. A, bl.  19.
4) MS. A, bl. 124.

|35|

gemeentelid ook, nomine ecclesiae optreedt. Maar daaraan dacht men in 1600 niet. Dan zou ook op den duur de classis niet het beeld van eene vergadering veler kerken vertoond hebben, kenschetsende  trekken der facies zouden daardoor verdwijnen.

In een rapport van 17 kerken uit de classis Walcheren uit 1602 1) wordt de gelijkwaardigheid van predikanten en ouderlingen in zake de regeering der kerk op den voorgrond gesteld. En al is in de praktijk de invloed der ouderlingen veel geringer dan die der predikanten, hun aanwezigheid werd toch geëischt. Ten minste, hun wegblijven van de vergaderingen is herhaaldelijk berispt, wat wel op een verschil tusschen theorie en praktijk wijst, maar de gegeven stelling toch bevestigt. Zoo leest men in de acta der classis Neder-Veluwe, 2) September 1595, dat de excusatie voor de afwezigheid der ouderlingen uit Hattem wordt aangenomen, »mijtz conditie nochtans datmen daer gheen gewoonte van maeke.«

Strenger is de toon in  1597 »….. voor dit mael thogelaten, meer sal voort an niet meer ghescheden«. 3) En nog krasser is, dat in 1607 boete gesteld werd op dit wegblijven. 4)

Dus: de ouderlingen behooren op de classicale vergadering met hun ambtsmacht te verschijnen. Deze indruk worde niet verzwakt door de officieële goedkeuring van hunne afwezigheid in sommige gevallen. Zoo b.v. 9 April 1584 in de classis Amsterdam 5): »Ten lesten is besloten, (nadien die (?) sommighe onder den ouderlingen hem beswaert vinden alle classicale ver­gaderingen te verschinen) dat se toecomende vergaderinge ende omtrent midtsoomer ende daernae int eynde der byeencoomsten sullen verschinen, ende soot die noot meermaelen soude eyschen, henselven oock in alle billickheit sullen laeten vinden.« 6) Deze gecodificeerde uitzonderingsbepaling is later dan ook weer teruggenomen. Den 5den Augustus 1596 heeft de classis nl. »goet gevonden, om verscheidene oorsaecken dat… alle kercken daer toe houden dat haer ouderlingen nae den besluit der


1) Vergadering te Tholen. Cf. R. & v. V., V, bl. 65 vlgg.
2) MS. A, bl. 29.
3) MS. A, bl. 43.
4) MS. A, bl. 122.
5) MS. B. Deze woorden zijn wel met eene andere hand erbij geschreven, maar toch wel uit denzelfden tijd.
6) Rutgers, De Rechtsbevoegdheid 2, bl. 28 noot, geeft meer voorbeelden uit verschillende Class. handboekjes, waarbij hij echter niet de jaartallen der besluiten vermeldt.

|36|

Synoden neerstelicken op alle classicale vergaderingen verschinen, ten eynde alsulcken swaricheiden in eenige kercken opgeresen ende aldaer niet connen affgehandelt worden, ghetrouwelick ende in tijts aengegeven worden om daerinne te remedi­eren op alsulcke wyse ghelyck alsdan by den Classe goet gevonden sal worden.«

Er is echter ook eene geheel andere beschouwing geweest omtrent het ontbreken der ouderlingen op de classicale vergaderingen, en wel deze, dat zij er niet behoorden. Ook dit kan men — evenals het hierboven genoemde ontbreken van credenties — verklaren uit den anderen vorm, die de classicale vergadering heeft gehad.

Grondslag was altoos: Op de classis wordt behandeld hetgeen den gezamenlijken kerken in dien kring, als openbaring van de eene algemeene kerk, aangaat. 1)

Legde men den nadruk op »kerken«, — eene rechtstreeksche vertegenwoordiging van de kerkeraden is onmisbaar; ging men echter meer uit van de eenheid dier kerken, dan kon de classicale vergadering die volstrekte vertegenwoordiging eenigermate missen. De kwestie was slechts, of de vergadering de kerk in die streek voorstellen kon. En dit scheen bij eene samenkomst, alleen uit de dienaren des Woords bestaande, wel te kunnen. Hunne plaats als voorgangers der gemeente bood voldoenden grond voor de voorstelling, dat in zulk een officiëele samenkomst niet een vriendschappelijk samenzijn van eenige predikanten, maar het optreden van de geheele kerk uit een landstreek moest gezien worden. Eigenaardig kwam eene andere omstandigheid hierbij. De leer kon niet gedacht worden als het afzonderlijk bezit eener plaatselijke gemeente. Indien iets, dan deed de eenigheid in leer en belijdenis de organische eenheid der kerk aan den dag treden. Dat dus de dienaars des Woords, hoezeer ook hun ambt aan de particuliere, plaatselijke kerk verbonden gedacht werd, toch de eerste vergadering, waarin zich de eenheid der kerk vertoont, vormden, lag voor de hand. De classis is dan ook hier en daar niet anders dan in eene vergadering van predikanten bijeen geweest. De niet-aanwezigheid der ouderlingen was alsdan geen abnormaliteit, iets, dat »geen gewoonte mocht worden«, maar integendeel regel.


1) Vgl. § 1 en begin dezer §.

|37|

Alleen omdat er ook zaken verhandeld werden, die meer rechtstreeks tot het ambt der ouderlingen behoorden, kwamen zij er dan bij. Dit blijkt uit een besluit der Friesche synode van 1584 1) te Harlingen, n.l. dat »men om die twe weecken sal houden classicale vergaderinghen, den eenen om van kercklycke saecken tho handelen met byweesen ende stemmen der olderlinghen, den anderen om tho holden collationem doctrinae.« Hierop volgt: tenzij dat er gewichtige kerkelijke zaken te verhandelen zijn; dan moet de collatio doctrinae wachten. Maar vóór dat men tot de kerkelijke zaken overging, werden de ouderlingen niet opgeroepen: — tenminste daarvan werd niets bepaald.

De uitdrukking «den eenen met byweesen ende stemmen der olderlingen.» wekt den indruk, dat eene vergadering zonder ouderlingen een normale, in elk geval eene volledige classisvergadering vormde.

Deze regeling wordt eigenaardig toegelicht door een twist over dit punt in de classis Sneek. 2) Men had hier trouw vergadering gehouden zonder ouderlingen, zelfs twee jaar na het besluit der Harlinger synode. In 1586 wordt dit laatste, hoewel niet onveranderd, door deputati synodi ten uitvoer gelegd. De considerans gewaagt meer van practische dan van principieële overwegingen: «Ende tot geduerighe onderhoudinghe des vredes deses classis is beslooten, dat in alle 3) classicale verga­deringen sullen mogen tegenwoordich syn ende stemmen hebben die Olderlingen deser gemeynte ende oock mede sulcke voorgaende Olderlingen die door haer gawen ende autoriteit 4) nodich sullen mogen bevonden werden, gelijck oock die voorgaende acta Sijnodalia eendeels gestatueert hebben.» Wel «eens­deels» Want de synode van 1584 liet de ouderlingen niet op alle vergaderingen toe, maar eischte hunne medewerking bij «kerkelijke» zaken, terwijl volgens de Sneeksche regeling de ouderlingen altijd mochten, maar nooit behoefden aanwezig te zijn. Dit verwekte een heftig protest. Wel is de storm spoedig bezworen, maar zonder beteekenis is de gebeurtenis toch niet,


1) R. & v. V.,  VI, bl. 10.
2) 31 Mei 1586, MS. C, bl. 38.
3) De cursiveering is van mij. Tevens lette men hier op de vrijheid, waarmee Dep. Syn. de bepalingen van de synode wijzigen of niet  nakomen.
4) Dat zal wel wezen: autoriteit in politicis. In die dagen waren magistraatspersonen vaak ouderling.

|38|

juist als bewijs voor de genoemde andere gedachte, die in de classis zich belichaamde.

Na de acta van 12 Juli 1586 staat in ’t classicale boek van Sneek deze verklaring: Wij onderscreven dienaren protesteren de nullitate van dye attentaten etlicheren dienaren dat die olderlingen in de classe verschijnende meede stemmen sullen welcke strijdet tegen den 11 artc. dordracenae Synodi soo oock tegen den 15 artc. medeborgensis Synodi soo oock tegen die gebruick anderer Classium, maer begeren geerne acquiescere Synodalibus ende het gebruick der anderen classen soo zij persisteren, soe begeren wij dienaren niet te compareren in classi ende appel­leren ad proximum Synodum.» 1)

Hun beroep op Dordt en Middelburg kan ik niet begrijpen, althans de K.O. artikelen en de part. vraag 41 in 1581 spreken beslist van de aanwezigheid der ouderlingen in de classicale vergadering. Daarentegen is «die gebruick» ongetwijfeld terecht aangehaald, waarvoor vaststaat, dat tot dusver de ouderlingen in Friesland nog niet ter classicale vergadering plachten te komen.

De zes onderteekenaars waren Petrus Ambrosius, Andreas Oesterbeeckius, Johannes Vos, Suffridus Paulus, Paulus Anthonius en Thomas Stalmanus.

Vijf anderen lieten evenwel na de volgende vergadering hun tegenprotest boeken: Anthoenys Claeszen, Martinus Lauermannus, Joannes Rouckesz. (?), Lambertus Coninck en Joannes Henrici: «Die onderscreven broederen protesteren van die Onderteykinge als boven dat die Olderlinck sullen verschinen in Classe ende holden in werden dat den 14 Junii bij den gedeputeerden besloten is, ende versoeken dat die Deputati mit het spoedigst alhir tho Snee mogen verschinen om den twijst tho discideren.»

Deputaten komen dan ook en beslechten den twist. Vijf van de zes protesteerenden verklaren, dat zij nu beter onder­richt zijn door de gedeputeerden aangaande het ambt der ouder­lingen, zoowel uit Gods woord als uit de artikelen van de nationale synode in ’s-Gravenhage. Alleen Johannes Vos, van Ylst, weigert de bevoegdheid der ouderlingen te erkennen 2) en wordt daarom geschorst; daarna erkent hij zijne dwaling en hiermede is dit incident voorbij.


1) MS. C, bl. 39.
2) MS. C, bl. 41.

|39|

Langzamerhand is dus de bevoegdheid van het ouderlingambt om in de classicale vergadering te verschijnen erkend. Het principe, vooral waar het door zulke bekwame mannen als genoemde deputaten, o.a. Sixtus Rippertus en Joannes Bogermannus, werd voorgestaan, overwon de oppositie, die zeker gevoeld heeft, dat zij hare meening voor den eisch der presbyteriale kerkorganisatie moest opgeven.

Deze Friesche regeling der classicale vergadering van 1584 verdient nu echter des te meer aandacht, omdat zij als eene welbewuste uitwerking van beginselen mag beschouwd worden.

En waar de oppositie in Sneek gezwicht is, »van den deputaten classium soe wth Gods Woerdt soe oeck wth den Articulen des Nationalen Synodi tot sGravenhaeghe beter onderricht synde van den Ampte der Ouderlinghen«, 1) — mag de regeling van 1586, die geen voorschrift bevat, maar de komst der ouderlingen facultatief stelt, als bewijs gelden, dat ook eene eenigszins andere beschouwing dan die zooeven beschreven is heeft bestaan. Eene beschouwing, welke kan verklaard worden uit de voorstelling van een gemeenten-verband, dat niet uit federatie voortkomt, maar het samen éénzijn wil uitdrukken en nevens de plaatselijke zelfstandigheid moet worden erkend. De te voren gebezigde uitdrukking: In de classis brachten de kerken hare macht te zamen, mag dan ook niet gelden in dien zin, dat de autoriteit van de classis de optelsom was van de machten der gemeenten. Het was een meer intensief worden van de ambtelijke macht.

Daarom is ’t niet te verwonderen, dat ook elders dezelfde verwikkeling zich heeft voorgedaan. Niet alleen in het hooge Noorden, ook in Zeeland is het punt in kwestie behandeld. Eene diepgaande discussie is ons nog bewaard gebleven in de Acta der Zeeuwsche Synode van 1602. Twee breede rapporten zijn erover uitgebracht, welke in de uitgave van Reitsma en van Veen ruim 20 bladzijden beslaan. 2) Het eerste is van 17 kerken in de classis Walcheren, het andere van twee; dit laatste is overgelegd door Faukelius, toen predikant te Middelburg.

Uit beide rapporten blijkt de gewoonte deze geweest te zijn, dat alle predikanten in de classicale vergadering verschenen en beslissende stemmen uitbrachten.


1) MS. C, bl. 41.
2) R. & v. V., V, bl. 64—86.

|40|

De 17 keuren dit gebruik af en eischen, dat uit elke kerk, hoe klein of groot ook, alleen één predikant en één ouderling met credentie zullen verschijnen om te stemmen. Daarvoor worden dringende redenen bijeengebracht, zoowel uit kerkrechtelijke grondstellingen als uit de voorbeelden van buitenlandsche gereformeerde kerken en uit de ervaring, uit andere gebruiken in vroeger tijden verkregen. De kern der redeneering ligt wel in dezen zin: »soodat de leden der classicaler vergaderinge syn de kerckenraden ende niet eijgentlijck de kerckelijke persoonen, dewelke in de classe anders niet syn dan geleden eens lidts.« 1)

Het tweede rapport brengt niet minder uitvoerige redenen bij voor het oude gebruik, dat n.l. niet alleen alle dienaren mochten verschijnen, — daarover was geen verschil van meening evenmin als b.v. over hun recht om een slechts raadgevende stem uit te brengen 2) — maar ook dat ieder eene beslissende stem heeft.

Grondslag is hierin de stelling: 3) »alle de dienaers des woorts, leden des classis synde, in wat kercke sij ooc dienen enz.« Of met andere woorden: 4) »Alle lidtmaten des classis moeten comen tot de classe. Alle dienaers des woorts sijn lidtmaten des classis. Daerom moeten alle dienaers des woorts tot de classe comen, opdat men het corpus der classe niet en berooft van een goet deel sijnder leden.« 5)

Men ziet: hier is de kwestie scherp geformuleerd. Jammer genoeg zwijgen de acta, als gewoonlijk, geheel over het debat naar aanleiding dezer rapporten in de synode gevoerd. Wij moeten nu afgaan op de bewoordingen, waarin het besluit aangaande dit gewichtig geschilpunt is vervat. Dat het gewicht is gevoeld, blijkt uit de indringende woorden der betoogen. Trouwens, het was geene studeerkamer-aangelegenheid, maar vrij ernstige twisten waren reeds in de Zeeuwsche kerken erover gerezen.


1) t.a.p. bl. 67.
2) In sommige Fransche K.O. werd ook dit hun ontzegd. Alleen de gedeputeerden hadden delib. en decis. stem.
3) t.a.p. bl. 78.
4) t.a.p. bl. 79.
5) Gelijk gezegd is, het is hier niet de gewenschte gelegenheid om in alle onderdeelen en vragen in te dringen. In de rapporten wordt menig punt tot in drie, vier tegenwerpingen nagegaan.
Niet zonder beteekenis is de motiveering voor het vasthouden aan den eisch, dat de dienaars credentie zullen meebrengen, in het tweede rapport, ’twelk alle dienaars wil doen komen. T.a.p. bl. 84.

|41|

De provinciale synode besloot, dat »alle dienaers in de classicale vergaderinghe sullen vermoghen stemmelick te verschynen om te verhandelen het stuck van de leere ende alle zaecken, de gemeene regeringhe der kercke angaende, behoudens dat alle partyculiere quaestien, voorvallende onderlynghe tusschen kercken of particuliere personen, alleene by eenen dienaer ende ouder lynck wt yder kercke sullen worden gedecideert, sonder dat daerom de andre dienaers sullen behoeven wt te staen ofte Verliesen deliberatijf advis, alleenelick dienende tot directie ende niet ten definitive.« 1) Als dit besluit vergeleken wordt met den zeer beslisten toon van het eerste rapport, is het niet te veel gezegd, dat de synode in dit bemiddelend artikel toch metterdaad de gedachte van het tweede rapport heeft overgenomen en het eerste verworpen.

Dat hierin aan de classis een ander karakter werd toegekend dan dat, ’twelk boven het normale werd genoemd, behoeft geen nader betoog.

Het tweede rapport liet zich zelfs aldus uit: 2) … tusschen een classis en een synodus is »een groot onderscheyt … want die gecommitteerde tot den sijnodum hebben hare gelimitteerde antwoorden van hare classes respective op die te [voren] aengeschreven gravamina, d’welcke in classibus niet en geschiet noch niet en can bequamelijck gedaen worden.«

Lang werkt deze gedachte nog na. 3) In 1610 wilden sommigen den weg van het eerste rapport inslaan, maar het bleef in Zeeland bij het Tholensche besluit. 4)

Het wekt even een glimlach, wanneer wij terstond na die scherp tegenover elkaar staande rapporten uit Zeeland een blik slaan in de Dordtsche kerkorde van 1618, waar artikel 42 luidt: »Daer in een plaetse meer Predicanten zijn als een,


1) R. & v. V., V, bl. 52.
2) R. & v. V., V, bl. 85. Antwoord op obj. 3a.
3) In Zuid-Holland vertoonden zich enkele sporen van dezelfde gedachte bij een besluit, in 1602 te Schiedam inzake het stemmen op de classicale vergadering genomen. Vgl. R. & v. V., III, bl 190: »Waerby doch dese vergaderinghe wyder verclaert … dat het goet is, dat alle dienaers soveel doenlick is in de classen verschynen om in swaere sakken de kercke met goeden advis ende raed te helpen bouwen, alsoock dat den classe vrijstaet by gemeene bewilliginge ende so daer niemant tegen spreeckt. meerder getal van dienaers ende ouderlingen wt een kercke keurstemmen toe te laten, so dickwils hen sulcxs oorbaer duncken  sal, altoos de  ooghe hebbende op de vreede ende  meeste  stichtinge der gemeente.«
4) Vgl. R. & v. V., V, bl. 101 Cap. 4, I, III.

|42|

sullen die altesamen in de Classe mogen verschijnen ende keur­stemmen hebben, ten ware in saecken, die hare Personen ofte Kercken in ’t bysonder aen-gaen,« zonder meer volgt op art. 41 waarin gezegd is: »De Classicale Vergaderingen sullen, bestaen uyt genabuerde Kerken, dewelcke elck eenen Dienaer ende eenen Ouderling … daerhenen met behoorlijcke Credentie afveerdigen sullen.« 1) Zoo slijten in de praktijk de verschillen af. Art. 42 vertoont wel in zijne bewoordingen, dat hier eene uitzondering wordt gecodificeerd, maar laat zich toch gereedelijk achter het vorige voegen, hoewel het in zijn oorsprong en in zijn consequentie tegenover het beginsel staat, dat in art. 41 wordt uitgesproken. Dit beginsel heeft — en naar ik meen volgens de grondgedachte der gereformeerde kerkopvatting terecht — den voorrang verkregen. De kerkelijke vergaderingen waren deputaten-vergaderingen en daarom was ook de predikant, zelfs wanneer er alleen predikanten samenkomen, daar meer uit kracht van hetgeen uit zijn ambt als dienaar des Woords voortvloeit, n.l. dat hij de voorganger der gemeente is en mede de regeer-macht bezit, dan uit kracht van zijn leeraarsambt. Om »kerkelijke« zaken te behandelen werden de regeerende ambtsdragers beslist vereischt, zooals wij zagen.

De scheiding van doctrina en »kerkelijke« zaken is echter moeilijk vol te houden. Onwillekeurig kregen bovendien de ouderlingen door velerlei oorzaak in de classis een tweede plaats. De predikanten behielden de plaats, die de »oude« opvatting hun nog toeschoof, ook toen die opvatting zelf onhoudbaar bleek. Voeg daarbij nu, dat de behandeling der leeraangelegenheden voorop staat in de artikelen der kerkorden aangaande de classis, maar dat langzamerhand hare werkzaamheid geheel opging in de regeling en besturing van de kerkelijke huishouding naar hare uitwendige zijde: dan zou men kunnen spreken van eene eigenaardige verschuiving, waarbij de classis eerst was: samenkomst der predikanten, speciaal in verband


1) Zie zoo noodig verder voor deze aangelegenheid:
Dordt 1578 art. 26, 27 (Rutgers Acta, bl. 242): De classis = kerkeraden: alle dienaren en ouderlingen mogen komen.
Middelburg 1581 (Rutgers Acta, bl. 406) Part. Vragen 15: alleen Deputaten stemmen; (t.a.p. bl. 386) K.O. art. 30: de classis bestaat uit kerken.
Anders: Post-Acta, 159ste Zitting art. V »Ecclesia una si plures habeat Pastores, illis omnibus erit … suffragia decisiva dicere.«

|43|

met hun ambt als leeraars; maar moest worden en geworden is: vergadering van kerken in de personen hunner regeerende ambtsdragers (predikanten en ouderlingen); dat de predikanten nochtans grooter invloed behielden dan de ouderlingen, en dit, terwijl toch de arbeid der classicale vergaderingen al meer opging in bestuursregelingen, hoewel deze volgens de bepalingen der kerkorde slechts eene tweede plaats innamen.

Dit doet ons vragen: Welke zijn de werkzaamheden van de classicale vergadering? 1)

 

Reeds te Emden werd onder de particuliere vragen aanwijzing gegeven van wat in de classicale vergadering gedaan behoort te worden. In hare acta kan men het volgende vinden 2):

1. In de Classische Verzamelingen zal een van de Ministers een predicatie doen, van dewelke die andere Meede-Dienaars, by een verzamelt, zullen oordeelen, en zoo daar iets is te verbeeteren, dat zullen zy te kennen geeven, het zelve zullen ook alle andere, elk in zyne ordening, doen, in de naastvolgende Classische Verzamelingen.
2. Daar na zal de Praesident met de gemeene keurstem­men der Dienaren verkoren worden; na dat dezelve het gebed zal gedaan hebben, zal hy elk in ’t byzonder vragen, of zy Consistoriale samenkomsten in haare Kerken houden ? of die Kerkelyke straffe in haaren zwang gaat? of zy eenigen stryd hebben met eenige Ketters? of zy eenigen twyffel hebben in eenig hoofdstuk der Leere? of men zorge draagt voor de Armen en over de Schoolen? of zy tot regeering der Kerken der andere Dienaren raad en hulpe behoeven en diergelyke dingen meer.
3. Zoo daar iet in eenige Kerke des Classis geschiede, dat daar niet in de consistorie konde ter neder gelegt worden, dat zal in de Classische samenkomsten verhandelt en geoordeelt worden, van den welke men zig tot den Provincialen Synodum zal mogen beroepen.
4. Voorts in de Classische Verzamelingen zullen verhandelt worden die dingen, die den Kerken van de Classis betreffen.
5. Dit gedaan zynde, zal de Praesident een ofte meer quaestiën van de hooftstukken, daar in dat tusschen ons en de


1) Vgl. Kleyn, Alg. Kerk, bl. 65 vlgg.
2) Rutgers Acta, bl. 105 en vlgg.

|44|

Papisten verschil is voordraagen, om alzoo ondertusschen malkanderen te scherpen en tot studeeren op te wekken.«

Hierbij komt de afvaardiging van leden naar de provinciale synode en de behandeling van hetgeen daar ter tafel zal moeten gebracht worden.

Kenmerkend is het weldoordacht rapport der twee kerken op Walcheren (1602) Cap. 2. 1 1) »… al tgene, dat in de classe voorvalt te verhandelen, meerderendeel gemeene saken…, die alle kercken ende welstant derselver ende dienvolgens alle dienaren int gemeene aengaen.
De gemeene saken, die in de classis verhandelt werden, sijn dese: de oeffeninge der propositiën ende censure van dien, beroepinge ende examinatie der leere ende des levens der nieuwer dienaren des woorts, opsicht, verplaetsinge, opschort ende afsettinge der dienaren des woorts ende schoolmeesters ten platte landen, ketterije ende valsche leere off te beletten off voor te comen, huwelijckse saken …, het oordeel over de sondaren, die om hertneckicheijt de excommunicatie werdich sijn.« 2)

In de K.O. van Dordrecht van 1618 zijn wel minder punten vermeld, maar de practijk had de classicale agenda eer uitge­breid dan ingekort. Ten bewijze daarvan kan men in art. XLI het volgende lezen: »Voort sal de Praeses onder anderen eenen yegelijcken af-vragen, of sy in hare Kercken, hare Kercken-Raedsvergaderinge houden: Of de Kerckelyke Discipline geoeffent word: Of de Armen ende Scholen besorgt worden: Ten laetsten, of er yed is, daer inne sy het oordeel ende hulpe der Classe tot rechte in-stellinge harer Kercke behoeven. De Dienaer dien ’t in de voorgaende Classe op-geleyd was, sal een korte Predicatie uyt Gods Woord doen, van welcke die andere oordelen, ende so daer yet in ontbreekt, aen-wijsen sullen. Ten laetsten, sullen in de leste Vergaderinge voor den particulieren Synode verkoren werden, die op den selven Synodum


1) R. & v. V., V, bl. 79.
2) Vgl. ook de regeling der werkzaamheden voor de classes in Drenthe, in 1602 opgesteld, welk landschap wel is waar allerminst gelden kan als een voorbeeld van gereformeerde usance, maar daarentegen kunnen de voorschriften in deze provincie eenigszins beschouwd worden als zuivere uitwerking der gereformeerde theorie, omdat de reformatie hier meer op eens ingevoerd is van hooger hand en mannen als Alting en Acronius als adviseurs optraden. (R. & v. V., VIII, bl. 49).

|45|

gaen sullen.« En in art. XLIII: »In ’t eynde van de Classicale ende andere meerder t’samen-komsten, sal men Censuere houden over de geene die yet straf-waerdigs in de Vergaderinge gedaen, ofte de vermaningen der minder t’samen-komsten versmadet hebben« 1) Art. XLIIII noemt nog de aanwijzing van visitatores classium.

Twee dingen vallen thans terstond in het oog: Ten eerste, dat de behartiging van wat met leer en belijdenis samenhangt allereerst wordt genoemd; vervolgens, dat de oudere kerk­orden in het geheel, maar vooral over dit punt, veel breedvoeriger spreken. Aardig is de instelling van de classicale preek, vooral zooals zij in den eersten tijd geteekend wordt. Het komt mij voor, dat zulk regelmatig terugkeerend preeken en kritiek leveren nog altijd hoogst geschikt zou zijn om eenparigheid van gedachten te verkrijgen, ongeoefenden te onderrichten, tragen te prikkelen tot inspanning en tegelijkertijd te voorkomen, dat cle geesten eenzijdig voortgingen zonder wrijving te gevoelen en zoo allicht tot groote dwalingen vervielen. Dit toont ook, hoe, nevens den eisch van onderteekening der belijdenis en de bestraffing bij afwijking daarvan, het onderrichtende element in de kerkelijke praktijk der leertucht niet ontbrak. De beteekenis van de classis is hierdoor belangrijk voor dit deel der kerkelijke samenleving. Wat de plaatselijke kerk niet geven kan door haar beperkten kring en de grootere vergaderingen evenmin door het tegenovergestelde bezwaar, kon juist hier geschieden.

In onmiddellijk verband hiermede staat de gewoonte om degenen, die de kerk als ministri willen dienen, door de classis te examineeren en de attestatiën dergenen, die als predikanten van elders overkwamen, te onderzoeken. Het ambt wordt wel alleen in eene bepaalde gemeente uitgeoefend, 2) nochtans heeft de kerk in haar geheel belang bij de leer, welke gepredikt wordt.


1) De »Censuur« in de cl. vergadering is in dit artikel al zeer beperkt voorgesteld. Het woord had een veertig jaar te voren veel breeder inhoud. Cf. Kleyn, Alg. Kerk enz. bl. 89. In bl. 44—115 van dit werk worden ook nog vele andere belangrijke gegevens gevonden voor de geschiedenis der kerkelijke praktijk. Evenzoo in de geschriften van Rutgers en Lohman, waarop Kleyn met dit boek geantwoord heeft. Ik heb echter slechts nu en dan iets overgenomen, daar deze gedrukte boeken gemakkelijk te verkrijgen zijn en overvloed van bewijsplaatsen de historische voorstelling niet altoos helderder maakt.
2) Dordtsche Synode 1578: »Ende het en betaemt niemant van deen plaetse tot dander te reysen om te predicken dewyle het ampt der Apostelen ende Euangelisten voor langhen tyt in der ghemeynten Godes opghehouden is.« (Rutgers Acta, bl. 237). Korter ➝

|46|

De classis trad op als de eerste openbaring van het geheele lichaam en daarom had zij de examinatie, ja ook de confirmatie te verrichten. Een beroep kon dan ook niet zonder kennis of zelfs toestemming van de classis plaats vinden. Wie, onbekend met andere gegevens en de algemeene beginselen, alleen een classis-boek raadpleegde, zou den indruk kunnen verkrijgen: de dienaar des Woords is dienaar der (kerk in ’t algemeen, vertegenwoordigd door de) classis en vervolgens daarbinnen in een bepaalde plaats.

Immers, in de classicale vergadering, te Amsterdam 7 September 1587 gehouden, komen twee afgevaardigden van de classis Haarlem, medebrengende eene schriftelijke beroeping »beide der Classis van Harlem ende de gemeente van Beverwijk« op Petrus Johanms van Sloterdijk.

Volgens de provinciale synode van Zeeland (Goes 1579) staat »sendinge van de classis« gelijk met eene »wettelycke beroepinge.« 1)

Niet willekeurig, maar toch uit eigen gezag kon de classis een dienaar verplaatsen binnen zijn kring, uit de eene plaats naar de andere. Een merkwaardig voorbeeld, hoe dit in zijn werk ging, volge hier 2):

»Sijn inghestaen Jacob Cornelissen, bailliu van Sint Annelandt, ende Louijs Adriaenssen, hebbende credentie van meest alle de wethouders, tzamen vergaedert den tweendetwintichsten Febrewarij zesthienhondert twintich, onderteeckendt P.J. Thoren, ende hebben versocht, dat noch eenmael de verplaetsinghe haeres predicants Samuelis Schepenii mochte worden bevoordert, die nu veele jaeren van de classe was belooft ende bij haere kercke verwacht. Hebben oock eenighe schriftelijcke requesten overghegeven, welcke, den miserabelen staet der kercke tot Sint Annelandt te kennen ghevende, versochten, dat haeren predicant mochte worden verplaetst ende eenen bequamer dienaer in plaetse van dien ghesteldt.
Dese schriften overghelesen zijnde, is D. Samuel Schepens


➝ en scherper uitgedrukt ia Dordt 1618, art. 7: »Niemand en sal tot den Dienst des Woords beroepen worden, sonder hem in een seecker plaetse te stellen, ten waer dat hy gesonden worde om hier oft daer te Prediken in de Gemeente onder ’t Kruyce, ofte andersints om Kercken te vergaderen.«
1) R. & v. V., V, bl. 3.
2) R. & v. V., V, bl. 176 v.v. Vgl. VI bl. 93.

|47|

ingheroepen ende hem aenghedient de dachte ende het versouck zijnder kercke, waerop zijne gheloofte ghevolcht was. Hierop gaff hij voor antwoorde, bedrouft te zijn, dat zulcken clachte teghen hem in desen synodo was ghedaen, aenghesien dat in de classe dese zaecke niet en was teenemael affghehandelt, welcker oordeel hij hem ghewillich hadde onderworpen ende alsnoch onderwierp, tevreden zijnde (naer het goetvinden des classis) verplaest te worden, al waer het in een gansche gheringhe plaetse, welcke zijne antwoorde hij oock schriftelijcken heeft overghelevert.
Is daerop goetgevonden de classe van Tholen ernstlijcken te vermaenen, binnen den tijt van zes maenden de verplaetsinghe te bevoorderen ende te sien, off zij de verwisselinghe tusschen den predicant van Ruijmerswalle ende van Sint Annelandt zouden connen te weghe bringhen. Die van Sint Annelandt is dese resolutie aengheseijdt ende zijn vermaendt gheworden, sich ghevouchelijck aan te stellen ende van alle te grooten curieusheijt te wachten, opdat de verplaetsinghe te bequamer zoude meughen te weghe ghebracht werden, D. Samueli is oock kennelijck ghemaeckt, wat in zijn zaecke is goetghevonden, ende vermaendt sich daernae te zullen schicken, twelck hij oock be­looft heeft te doen.«

Nu en dan kwam het voor, dat de predikant tot lid der classis werd aangenomen nog vóór zijn intrede. Soms werd het oordeel der betrokken gemeente niet eens gevraagd; 1) ja, het is gebeurd, dat een predikant naar een classis beroepen werd zonder dat de gemeente, waarvoor hij kwam, was bepaald. 2)

De prediker kon den dienst des Woords in eene nieuwe gemeente niet aanvaarden dan nadat hij van zijn dienst in de vorige classis ontslagen was In vele kerkorden zou men hiervan voorbeelden kunnen vinden; het is voldoende uit die van 1574 het volgende aan te halen 3); »Op de 16 propositie van Delf is besloten dat gheen Dienaer wt de Classe daer hij in is


1) De Amsterdamsche ouderlingen hebben Theod. Faliginius in Ouderkerk gehoord. Zij oordeelen, dat hij daar niet zal stichten, want zijn »hooge taal« (d.i. Duitsch accent) kunnen zij niet verstaan. (7 Juli 1586, MS. B, fol. 23).
2) De V.D.M. van Amsterdam hebben Thomas Sprixchusius van Graeve »beschre­ven totten dienst der kercke, hetsij voor Auderkercke ende Amsterveen; ofte voor Sloten ende Sloterdijk, naerdat men bevinden zal den meesten noodt te verheyschen.« (4 Augustus 1586, MS. B, fol. 24).
3) Rutgers Acta, bl. 137.

|48|

vertrecken en mach in eene andere Kercke, sonder eerst van sijner Classe oorlof vercreghen te hebben, op dat hij niet alleen van sijner Kercke, maer ook vander Classe schriftelick bescheijt brenghe. Doch dat de Classen wederomme de Dienaren met behoorlick onderhoudt ende andersins versorghen.«

De dienaren waren dus onder bijzonder opzicht van de classis, gelijk zij daarmee ook in afzonderlijk verband stonden. Wie predikant was geworden in eene gemeente, werd toch nog daarna als lid van de classis opgenomen.

In 1581 (Middelburg) zendt de classis Haarlem nog de vraag in, of een predikant, die door de gemeente ontslagen is met consent van de classis, daarmede reeds van de classis los is. 1) Het antwoord is natuurlijk toestemmend, maar dat het gevraagd werd, teekent.

De redenen, waarom de gemeente haren predikant wenschte te behouden, werden door de classis beoordeeld. In 1604 b.v 2) schrijft de classis Neder-Veluwe naar de kerk van Steenwijk, dat haar beroep op Joannes Vosculius door dezen niet kan worden opgevolgd. Hij wilde liever uit Epe weg; er waren ook zwarigheden in de gemeente. Maar de classis oordeelt: Gij moet blijven, en schrijft zelf de beslissing naar Steenwijk. Evenzoo zeggen kort maar teekenachtig de acta van de extra­ordinaire samenkomst in 1609 te Harderwijk, dat bij het beroep op a Mehen, de redenen van Delft (waar hij beroepen was) en die van Harderwijk zijn »gepondereerd «, de laatste de wichtigste bevonden, — derhalve: a Mehen moest blijven.

De classis had ook bevoegdheid om den dienaar des Woords te ontslaan, volgens art. 33 der K.O. van 1571; doch dikwijls is dit door de provinciale synode geschied, soms, naar ’t schijnt, direct, 3) soms door de appellatie van den geschorste op zulk eene provinciale synode.

Was ergens nog geen facies ecclesiae, de classis plaatste er een dienaar, die dan, geheel als zijne collega’s in geïnstitueerde kerken, erkend werd als lid van de classis.

Dit was wel niet alles de normale toestand, maar het leert toch, dat eerst langzamerhand de vorm, die met de grondgedachte overeenkomt, de gebruikelijke is geworden. Vooral in den


1) Rutgers Acta, bl. 436.
2) MS. A, 24 April 1604, sub 15, bl. 103.
3) Cf. de Acta van 1574.

|49|

beginne kon men niet doctrinair optreden; trouwens, het zou moeilijk zijn uit te maken, welke de doctrine was. Onregelmatigheden te over. Dat een dienaar reeds eenigen tijd in eene plaats predikt, ja lid van de classicale vergadering is, vóór dat men hem heeft geëxamineerd, is moeilijk in overeenstemming te brengen met de beteekenis der examinatie. Toch is het in de classis Neder-Veluwe meer dan eenmaal voorgekomen, b.v. bij Jakobus Schonhovius te Heerde. 1) Wanneer echter een prediker zich niet aan het examen voor de classis wil onderwerpen, wordt hij tot een scheurmaker verklaard. Attestatiën worden soms eerst zeer lang na de aanvaarding van den dienst des Woords aan de classis vertoond, 2) maar het komt ook voor, dat de attestatie niet voldoende wordt gekeurd en eene examinatie wordt verlangd. 3)

Zóó wringt zich het leven een weg en was de classis niet bloot een handhaver van verordeningen: zelfstandig, hoewel niet willekeurig, trad zij naar gelang van omstandigheden op om de gemeenschappelijke belangen te behartigen.

Een groote factor in dit alles is, dat in den eersten tijd nog veel verwarring zoowel van toestanden als van begrippen aanwezig was. De meeste kwesties op de classicale vergadering zijn ook steeds uit kleinere gemeenten gekomen. Langzamerhand trekt zich de classis terug, wanneer de plaatselijke kerken zich met meer vastheid en kennis van zaken beginnen te bewegen. 4)


1) MS. A, bl. 67. Eerst 15 April 1600 »ist conclutert dat der Deiner in Herde Schonhovius privatim clausis jannuis saal proponiren den 16 April mani hora 6 ende sal darnaer vor de Broderen ock geëxaminert werden.” In 1598 25 April staat zijn naam reeds onder de praesentes ter classicale vergadering. In Friesland was zelfs een reeds 20 jaar predikant zonder examen. R. & v. V. Acta VI 95.
2) MS. A, bl. 106.
3) Bv. bij een candidaat uit Leiden, 1607. Vgl. MS. A, bl. 127.
4) Eene aanteekening in hare Acta van 13 Juni 1588, geeft voor de classis Amsterdam een overgang van ideeën aan: »Item die broederen die attestatie des dienaers Peter Ederks (Everts?) gesien en overlesen hebbende, zijn ten vollen gecontenteert, alleen dit wtgenoemen, dat hij voorss. Pieter hebbende in plaetse van een attestatie syner gemeente een bescheyt des Classis van Alcmaer, dat sulcx niet getrocken worden tot exempel.« Hij werd aangenomen, maar eene dergelijke opmerking was tot dusverre in de acta nog niet opgeteekend, al mag veilig verondersteld worden, dat het wel meer voorkwam, dat een classicaal bescheid de plaats van eene attestatie der gemeente innam. (MS. B.) In 1596, dus 8 jaar later was de toestand reeds heel anders. Toen kwam uit Haarlem de vraag op de class. verg. van Amsterdam ter sprake (10 Juni, of de veldwinnende gewoonte dat bij een beroep slechts het consent der classis werd gevraagd, goed te keuren was. Het antwoord der Amsterdammers luidde ontkennend; de classis moest van het begin af medewerken.
In hoeverre in deze ontwikkeling de invloed van één of van bepaalde personen zich openbaarde, durf ik niet te zeggen. Zeker is het b.v., dat na Plancius’ komst te Amsterdam ➝

|50|

Toen a Mehen, reeds vroeger vermeld, een tiental jaren nadat hij te Delft was beroepen door Amsterdam werd begeerd, zijn over deze aangelegenheid bijna 10 bladzijden folio volgeschreven. Want de classis had toegestemd in zijn vertrek, doch Harderwijk wilde daarmede geen genoegen nemen. De classis had tot nu toe alleen toegelaten, dat hij ging, maar hem nog niet gedemitteerd; hieraan klemde nu Harderwijks kerkeraad zich vast, waarmee dus erkend wordt, dat de classis het recht van demissie uitoefenen kon.

Maar in de ampele besprekingen daarover komt toch veel meer dan in vroeger jaren de bevoegdheid der plaatselijke gemeente op den voorgrond. Als echter de kerkeraad van Harderwijk op nieuw 1) weigert a Mehen los te laten, schrijft de kerkeraad van Amsterdam een dringenden brief 2) aan de classis, opdat zij hun dien dienaar toch zou afstaan, nu zij in vriendschap »dienselven van Harderwyck niet konden losmaecken.«

Maar genoeg is hiermede reeds gezegd over deze kwesties, die, hoe gewichtig ook voor de kennis van de kerkelijke samenleving dier dagen, nochtans slechts bijkomstig belang hebben om de beteekenis der kerkelijke geledingen voor de zorg in leer­zaken te leeren kennen.

Er zijn bovendien nog andere werkzaamheden vermeld, waarin deze beteekenis uitkomt. De classicale vergadering heeft gezag over de particuliere plaatselijke kerken niet alleen in den persoon van den leeraar, maar ook over de gemeente in haar geheel. Natuurlijk een beperkt en bedienend gezag en met het doel om elke kerk tot vollen wasdom, en behoorlijke zelfstandigheid te brengen.

De praeses had op elke gewone classicale vergadering een onderzoek in te leiden naar den toestand der verschillende gemeenten. Aldus het reeds genoemde art. 41 der Dortsche K.O.:


➝ in 1585 het protocol van den kerkeraad sporen van een nieuwe orde vertoont. Het is op zichzelf van ondergeschikt of zelfs geen belang, dat van toen af de scriba voor een geheel jaar werd gekozen en niet bij elke vergadering, en of deze verandering hem moet toegeschreven worden, is mij niet bekend, maar ’t zou toch kenschetsend voor den aard van dien predikant zijn; voor ieder is het nog te zien, dat hij voor ’t eerst in het protocol het jaar van vergaderen boven aan de bladzijde vermeldt, aan den rand de maand. Zóó komt er orde. Eerst in 1584 vindt men de namen van praeses en scriba genoemd, maar werden de acta nog niet onderteekend.
1) Het is althans te vermoeden, dat de beroepingskwestie in December 1619 begonnen, is blijven rusten tot aan het voorjaar van 1620.
2) Deze brief is nog in originali aanwezig in ’t archief van de classis Harderwijk.

|51|

»Voort sal de Praeses onder anderen eenen yegelijcken af-vragen, of sy in hare Kercken, hare Kercken-Raedsvergaderinge houden: Of de Kerckelijke Discipline geoeffent word: Of de Armen ende Scholen besorgt worden: Ten laetsten, of’er yed is, daer inne sy het oordeel ende hulpe der Classe tot rechte in-stellinge harer Kercke behoeven.« Deze bepaling is reeds oud: men vindt dezelfde gedachte in art. 2 cap. II der acta van de Emdensche synode (zie hiervoor blz. 43).

Waarschijnlijk is er echter lang niet overal de hand aan gehouden; de bepaling bleek ook ongeschikt om het doel te bereiken. Vooral, toen het al meer en meer gebruik werd des winters niet te vergaderen en over ’t geheel volledige classicale bijeenkomsten minder geregeld gehouden werden. 1)

Zoo ontstond de gewoonte, dat aan eene kerk werd opgedragen in naam van de classis te handelen, zoolang de vergadering niet bijeen was. Hierin lag wel is waar gevaar voor overheersching, vooral wanneer telkens dezelfde hiervoor werd aangewezen; maar in de eerste jaren en tientallen van jaren na 1571 waren in menige streek zoo weinig bekwame mannen, dat onwillekeurig de positie van eene welgeordende en bloeiende, met meer en krachtige leeraars gezegende gemeente, zooals b.v. Harderwijk in tegenstelling met de plattelandsdorpen op de Veluwe was, bijna die van een cathedraal-kerk 2) werd. Nijkerk en Elburg kwamen daarnaast weinig, Hattem, de vierde stad in dit kwartier, ongeveer niet in aanmerking. 3)

Iets dergelijks valt ook in de classis Amsterdam op te merken. Toch is dit nooit eene principieel aanvaarde verhouding geweest. De classicale vergadering kwam voortdurend bijeen


1) De classis Sneek hield b.v. eerst wekelijks en vóór 1585 nog om de veertien dagen vergadering; voorschriften hierover gaf eerst de synode van Harlingen in 1584, die eene vergadering om de veertien dagen verlangde; die van 1591 sprak van om de twee maanden (R. & v. V., VI, bl. 10, 64); in Holland meest om de maand volgens de K.O. van 1574 (Rutgers Acta, bl. 141). Langzamerhand is ’t algemeen gewoonte geworden, hoog­stens drie maanden tusschen de vergadering te laten verloopen. Tusschen October of November en ongeveer April/Mei werd dan nog wegens de bezwaren van het jaargetijde niet vergaderd. In de classis Neder-Veluwe is men gekomen tot éénmaal ’s jaars.
2) Deze uitdrukking is ontleend aan Kleyn, Alg. Kerk, bl. 74. De kerkorde van Genève heeft ook zoo iets als en cathedraal-kerk gehad. (Kleyn, De Herv. Kerk bl. 35).
3) In deze laatste stad was trouwens de reformatie bijna alleen door politieke overmacht ingevoerd en van de dorpen hebben nog in 1610(?) een achttal geen facies ➝

|52|

en het axioma: geen kerk heerschappij over eene andere, stond muurvast.

Wèl wijst deze instelling er op, dat het classicaal verband nooit sluimerend, maar effectief werd geacht, wijl de saamhoorigheid der gemeenten niet willekeurig, maar organisch was. Immers nevens dit deputaatschap van algemeenen aard werden andere deputaten benoemd voor afzonderlijke zaken. Die aan­gewezen kerk vertegenwoordigde eenvoudig dus de aanwezigheid der classis. Dit blijkt niet alleen uit hetgeen door zulk eene kerk verricht werd, maar ook b.v. uit de opdracht aan Harderwijk in 1596 (vergadering van 2 Juni art. 24) 1): »Die kerck von Harderwick hefft last von Classe, die Classis sacken und schwaricheiden op sich te nemmen und tu verrichten tot op den tucommenden Classem, wofern averst schwäre sacken furfielen mogen sie nae die naste kercken, welcke sie willen consuliren.« Soms werden er, meer overeenkomstig met de gedachte van  »ge­zamenlijke kerken«, drie kercken benoemd. Zoo vermelden de acta der classis Sneek, November 1584, »drie deputatos Classis.« Waartoe, — dat wordt niet genoemd. Zij zijn echter noch deputati ad synodum, noch voor ééne zaak (want nevens hen is er eene deputatie ad examen). Dus zijn het algemeene de­putaten. 2)

In den tijd, dat de classicale vergadering zoo zelden bijeen­kwam, kreeg dat algemeen deputaatschap groote beteekenis. Dit zal wel de reden zijn, waarom in 1600 in de classis Neder-Veluwe gevraagd werd 3): »oft niet goet ware, dat den gede­puteerden des classis sekere instructiones worden gegeven aengaende haer bedieninge.« Dit is waarschijnlijk niet gebeurd, maar de vraag toont, hoe gevoeld werd, dat de classicale gedachte op den achtergrond kon geraken. Vandaar wel een voorstel in  1600, om de classis te splitsen, opdat het vergaderen


➝ ecclesiae. De bevolking is daar lang roomsch gebleven en de landadel was meermalen openlijk de hervorming vijandig. Nog in 1600 klaagt Oene’s predikant, dat »het gehort tamlich (is), maer de Jonckers doen groet äff brück« (MS. A, bl. 70). Bij zulke omstandigheden moet de krachtige aanvaarding van ’t beginsel der gelijkheid aller kerken eer bewonderd, dan de tijdelijke voogdijschap veroordeeld worden.
1) MS. A, bl. 37.
2) Deze naam »algemeene deputaten« zal in de volgende blzz. gebruikt worden in onderscheiding van deputati ad causam, voor eene bepaalde zaak.
3) MS. A, bl. 72, sub 34.

|53|

minder tijd en geld zou kosten en dus geregelder kon geschieden. 1) In de plaats daarvan werd evenwel goedgevonden, dat de algemeene deputaten macht kregen om een particulier convent bijeen te roepen, als de nood dit vereischte en de gebruikelijke vergadertijd nog niet gekomen was.

Natuurlijk moesten deze deputaten verantwoording doen op de eerstvolgende vergadering. En dit zal ook wel geschied zijn. Hoewel het niet geregeld is opgeteekend, was dat verantwoording doen geen formaliteit. In 1607 2) heeft bijv. de classicale vergadering van Ned.-Veluwe een door hen geëxamineerde opnieuw onderzocht. Later 3) werd daar een besluit dier deputati aangaande Vischbachius niet aanvaard.

Met begrijpelijke verontwaardiging kon dus ook in 1618 geprotesteerd worden tegen de »calumnieuse« bewering in de Epistola Bommelensis, 4) alsof de deputaten eigenmachtig en zonder verantwoording te doen, hadden gehandeld.

Afzonderlijke plaats nevens die algemeene deputaten hebben de visitatoren in de classis gekregen, 5) die evenzeer gelden kunnen als belichaming van deze gedachte: de classis, bestaande uit de gemeenten, staat in wisselwerking met de plaatsen, die onder haar behooren. De macht van de classis komt voort uit de verhouding van de deelen tot het geheel. De uitoefening geschiedt van Christus’ wege door de ambtsdragers. In de samenkomsten van een grooter getal kerken d.i. een breeder deel des lichaams wordt de werking van de ambtelijke macht van breeder autoriteit. Doel dezer werkzaamheid is den welstand van de leden zoowel als van het geheel te bevorderen, »tot opbouwing van het lichaam, opdat ieder deel zijn werking in zijn mate uitoefene tot verkrijging van den vollen wasdom des lichaams.« Vandaar dat de classis door haar gezag den kerkeraad steunde, opdat deze zich krachtig ontwikkelen kon.


1) MS. A, bl. 72, sub 32.
2) MS. A, 29 Oct. 1607 bl. 127.
3) MS. A, 3 Juni 1612 bl. 168.
4) »De« Epistola, een schrijven, dat toen veel beweging veroorzaakte. Vgl. ook MS. A, bl. 222.
5) Men onderscheide deze visitatoren in de classe, welke op de classicale vergadering gekozen werden van de visitatoren over de classen, in de provinciale synode aangewezen. Ook deze laatsten heeten wel Visitatores classium. Zie echter verder de § over de Deputaten aan het slot van dit hoofdstuk.

|54|

Maar omgekeerd was de classicale vergadering de plaats, waar overschrijding van machtsfeer door den kerkeraad als een schadelijk uitgroeien werd tegengehouden en casu quo de door den kerkeraad verongelijkte geloovige zich beklagen kon. Zoo trad de classis, evenals de nog breedere vergaderingen, op om hooger beroep te geven. Hierover wordt echter beter elders gehandeld; deze opmerking sta dus slechts pro memorie.

Schokking, H. (1902) I.4

|55|

 

 

§ 4.
De Particuliere of Provinciale Synode.

 

De kerkorde van 1578 noemt het eerst de vier kerkelijke vergaderingen in de gebruikelijke reeks en bewoordingen: Ten Isten den Kerckenraet in een yeghelicker ghemeynte, ten IIden de Classicale vergaderinghe, ten IIIden de particuliere Synoden, ten IIIIden de generale ofte nationale Synoden. 1) In de acta van Emden wordt het woord particuliere synode gemist. Wel handelt een hoofdstuk over de provinciale synoden, 2) terwijl te voren 3) was uitgesproken, dat er behalve consistorie- en classis-vergadering zouden wezen jaerlijcxsche versamelinghen aller verstroyde Kercken in Duytslandt ende Oost-Vrieslandt besonder, aller Engelscher Kercken besonder, ende aller Kercken onder ’t Cruys besonder, en voorts alle twee jaar een algemeene verga­dering aller Nederlandsche kerken. Reeds terstond, bij de eerste regeling vinden wij dus tusschen de classis en de algemeene vergadering nog een trap in.

Behalve in Holland komen die »particuliere« ressorten ongeveer overeen met het gebied der provinciën. Vandaar wel, dat meest gesproken schijnt te zijn van »provinciale synode«, als deze tusschenvergadering bedoeld werd. Het is reeds uit de acta van Emden gebleken, meer voorbeelden geven de acta, door Reitsma en van Veen uitgegeven. 4) En ook in Holland kon deze naam zonder vrees voor misverstand gebruikt worden, daar er alleen in 1574 en 1582 eigenlijk gezegd Hollandsche


1) Cf. Rutgers Acta, bl. 240.
2) Ib. bl. 109. onder de particuliere statuten.
3) Ib. bl. 58.
4) Vgl. deel I, bl. IX, waar meer over de benaming te vinden is.

|56|

provinciale synoden geweest zijn. 1) De twee particuliere synoden, daar gebruikelijk, kwamen toch ook overeen met een politieke verdeeling. Een voorschrift, dat Holland drie particuliere synoden zou hebben (1578) schijnt niet ten uitvoer gelegd te zijn. In Drenthe wordt een tijdlang gesproken van een »classis generalis« alvorens het verwaardigd werd tot de eer van ook zijn provinciaal synodum te hebben. 2)

Ik maak in ’t vervolg gemakshalve tusschen particuliere en provinciale synode geen onderscheid. Wel is de benaming bij quaesties als deze geen onverschillige zaak. Het is evenmin toevallig, dat de kerkorden steeds van particuliere synoden blijven spreken, als dat de oorzaak onduidelijk is, waarom de naam provinciale synoden de overhand heeft behouden. 3)

De »Synopsis« noemt den syn. particularis met den naam provincialis. (Cf. blz. 592) De praktijk des levens, ook der kerkelijke samenleving, drong den provincialen stempel aan deze vergadering op en — veel weerstand werd niet geboden; ja het is zelfs de vraag of een principieel bezwaar door alle toonaangevende personen werd gevoeld tegen het samenvallen der kerkelijke en politieke grenzen. De considerans voor de verdeeling der Geldersche kerken in vier classen luidt eenvoudig: 4) dat gelijck die provincie Gelderlandt in vier theilen bestaet, alsoo oock in vier classen die kirchen gedeilt werden.« Toch lag de aard van deze vergadering tusschen classis en generale synode niet zoozeer in de omstandigheid, dat zij alle kerken der provincie omvatte, als wel hierin, dat zij het geheel der kerken van een vier-, vijf- of grooter aantal classen vertoonde.

De uitdrukking der kerkorde van 1583 wijst hierin den weg: »alle jaers … sullen vier ofte vijf of oock meer ghenabuerde Classes tsamencomen, tot welcke Particuliere Synode vut ijder Classe twee Dienaers ende twee Ouderlinghen afgheveerdicht sullen werden. 5) De particuliere synode was dus samengesteld uit


1) Middelburg 1581 (Rutgers Acta, bl. 452) staat als uitzondering toe, dat, waar meer synoden-particulier zijn dan een, »dat de noot eyschende« een provinciale synode van deze particuliere tezamen mocht gehouden worden.
Zoo heeft ’t provincialisme zich doen gelden.
2) R. & v. V., VIII, bl. V.  VI.
3) Ook nu nog gebruikt Dr. Vos in zijn Gesch. d. V. K. den naam provinc. synode en Dr. Rutgers in zijn kerkr. geschriften dien van particuliere synode.
4) R. & v. V., IV, bl. 12. Synode te Harderwijk 1580.
5) Rutgers Acta, bl. 388.

|57|

afgevaardigden der classen, waarbij de classis optrad als verzameling der particuliere plaatselijke kerken. Aldus vertoonde de particuliere synode in nog sterker mate dan de classis de eenheid der kerk. Veel van wat bij de classis gevonden werd treft men dus ook aan bij de particuliere synode.

Er is echter reden om de laatstgenoemde eer als een voorbereiding tot de generale synode dan als een voortzetting van de classicale lijn te beschouwen. Om de kenmerkende lijnen te ontdekken, zou voor een oogenblik 1) het viertal kerkelijke vergaderingen gesplitst kunnen worden in een dubbel tweetal: aan de eene zijde komt dan kerkeraad en classis — aan de andere particuliere en generale synode. Wanneer in Emden de particuliere synode geregeld is, kan men voor de toch veel gewichtiger generale synode volstaan met één artikel: Eadem in Generalibus Synodis servabuntur … In de classicale vergaderingen zijn al de gemeenten nog rechtstreeks vertegenwoordigd; de predikanten zagen elkander telkens en telkens weer en de meest voorkomende kwesties konden afgehandeld worden. Daarentegen komen in de provinciale synode ten hoogste een viertal der twintig, dertig predikanten uit de classis, waardoor de particuliere synode veel meer hetzelfde voorkomen heeft als de nationale bijeenkomst. Hierbij komt, dat zij ook vaak voorloopig het werk dezer laatste moest verrichten. In de praktijk der kerkelijke samenleving was de trede van de classis naar de particuliere synode op haar normale hoogte gebleven, terwijl die tusschen den bodem der kerkeraden en de classis door het gebruik tamelijk afgesleten was.

Dit alles verandert echter den aard der particuliere synode niet. Haar leden zijn in volstrekten zin gedeputeerden der gezamenlijke kerken. Daarom begint ook hier de handeling der vergadering met het onderzoek der geloofsbrieven. 2) Deze zijn afgegeven óf door de classis in haar geheel óf namens het geheel door den daartoe aangewezen kerkeraad. 3) De bedoeling is dezelfde. Om te voorkomen dat eenige overheersching in de


1) Voor een oogenblik, want voor zoover in de gebruikelijke reeks eene splitsing, naar den aard der vergaderingen, geoorloofd is, kan alleen eene samenvoeging van classis, particuliere en generale synode, als openbaringsvormen van de eenheid des lichaams. tegenover den kerkeraad als vertegenwoordiger van de plaatselijke gemeente, worden toegelaten.
2) Eene enkele uitzondering verbreekt dezen regel niet.
3) Bv.: de credentie uit Veere naar Dordt 1574 noemt de naam der classis niet. Die van Vlissingen wel. Cf. Rutgers Acta, 190, 192.

|58|

classis mocht plaats krijgen is soms bepaald, dat zooveel mogelijk de gedeputeerden uit verschillende plaatsen der classis moesten gekozen worden. 1) Overigens is de gewone gedachte, dat niet de plaatselijke kerk rechtstreeks, maar de classis als zoodanig op de synode vertegenwoordigd wordt. De classicale vergadering wijst de gedeputeerden aan. 2)

Dat de classis als een geheel werd beschouwd bij dit afvaardigen blijkt ook hieruit, dat uit iedere classis een gelijk aantal afgevaardigden kwam (het getal is vier), hoewel het aantal der kerken in de onderscheiden classen niet gelijk was.

De vorming der particuliere synode is dus eenvoudig genoeg. Moeielijkheid heeft dan ook alleen opgeleverd de verschijning van een dubbel stel classicale vertegenwoordigers, nl. wanneer er in eene classis scheuring was en elk deel zich als de rechtmatige repraesentant der kerken in die omgeving opwierp. De Geldersche synode van 1618 heeft zulk een knoop moeten losmaken, die door bijkomstige omstandigheden al zeer wonderlijk verward was geraakt. Voornamelijk twee kwesties waren door elkander gekronkeld. Ten eerste was de classis Tiel—Bommel sinds 1603 gesplitst in twee zelfstandige deelen: Tiel en Bommel. De synode was daarvan echter niet onderricht. Boven dien kwamen uit Tiel acht personen in plaats van vier: zoodat nu 12 in plaats van 4 deputaten toegang begeerden. Hiermee is de vergadering spoedig gereed: slechts vier van de Tielschen worden toegelaten. 3) En zoo was er nu eenvoudig een classis meer.

Daarna kwam de tweede moeielijkheid bloot. Bommel weigert de Tielsche afgevaardigden als broeders te erkennen en wil geen zitting nemen noch aan Tiel zittingsrecht toegekend zien. De vergadering hakt dezen knoop door en beslist, dat men eerst zich constitueeren zal en daarna de zaak behandelen. Baudartius wordt tot praeses gekozen.

Uit de niet zeer duidelijke acta schijnt opgemaakt te mogen worden, dat de Tielschen onverwachts op de vroegere classicale vergadering waren verschenen en daar besluiten hadden doorgezet vooral tegenover Bommel en Nijmegen. Bommel was remonstrantsch,


1) R. & v. V. IV, 48, anno 1595. Vgl. ook bl. 213, sub VII, anno 1618.
2) In de classis Amsterdam werd vaak de deputaat-ouderling niet bij name genoemd, maar aan een gemeente verzocht een harer ouderlingen naar eigen keuze te zenden. Een kwestie van gemak.
3) R. & v. V., IV, 208, 209.

|59|

Tiel contra-remonstrantsch. En omdat eenmaal de Tielsche classis de gemeenschap met de Bommelsche had opgezegd, had deze nu haar gedeputeerden gelast geene vergadering te houden, waarin Tiel ook zitting nam, tenzij deze eerst verklaarde hen wel als broeders in Christo te erkennen; ’twelk zij ook van al de anderen begeerden als mede, dat hun geen censure over de praedestinatie-vragen werd opgelegd.

Het verder, zeer langwijlige, maar niet onbelangrijke, beloop dezer zaak kan thans blijven rusten, omdat slechts één punt de aandacht vraagt, n.l. dat de synode begonnen is met de beide deputaties uit de twee classes te homologeeren ondanks haar wederzijdsche protesten en dat eerst daarna censuur over de Bommelschen is gekomen.

In Overijssel is in dien zelfden tijd een soortgelijke kwestie geweest. 1) Maar hier was in een classis scheuring gekomen en had zich een tegen-classis geformeerd.

Een deel van de classis Kampen »verclaert sich met de Hollandsche Remonstranten eens te sijn in de vijf poincten.« Zij zonden vier gedeputeerden, d.w.z. negeerden de andere leden van de classis. Want elke classis mocht maar vier leden afvaardigen.

De anderen zonden evenzoo vier deputaten, met de verklaring, dat zij met de vorigen geen gemeenschap konden houden.

Zonder twijfel wordt nu de eenvoudigste wijze van handelen gevolgd en wordt de vergadering geconstitueerd uit hen over wier credentie geen bezwaren zijn.

Beide partijen erkennen ook de autoriteit dezer vergadering.

Als protest tegen de scheuring ongetwijfeld erkent de synode nu slechts twee van elke groep deputati. 2) Spoedig daarna komen de twee Remonstranten sub reatu. Zij mochten, waar een aanklacht tegen hen was ingediend, niet richten in eigen zaak. De vraag kan gedaan worden: moesten nu niet twee anderen in hun plaats komen? Maar de moeielijkheid was daarbij groot. Want bij de scheuring van de classis Kampen kon, voor dat het oordeel gevallen was, niet een der twee deelen als classis erkend worden en van beide éen deputaat te vragen ging


1) Te Vollenhove behandeld. R. & v. V., V, 298 vlgg.
2) Zoo is in Holland in 1618 door de Staten bepaald, dat de classen waarin scheuring was zoude vertegenwoordigd worden door twee leden uit elk deel. Cf. Voorrede Acta Dordr., bl. 21b.

|60|

evenmin, want dat ware geweest eene erkenning van het recht van scheuring.

Dat de remonstrantsche tijden meer kwesties van dezen aard hebben opgeleverd, spreekt van zelf. Niet alleen de dogmatische maar ook de kerkrechtelijke opvattingen waren in geschil, — zooals er tusschen die beide dan ook nauwer verband bestaat dan wel eens erkend is. Maar zij moeten hier buiten bespreking blijven, nu genoegzaam gebleken is, van hoe groote beteekenis de zuivere afvaardiging uit de classis voor het bestaan der particuliere synode was.

Het kan ons echter nauwelijks verwonderen, dat ook hier, evenals indertijd bij de classis, melding moet gemaakt worden van eene andere opvatting aangaande den aard dezer kerkelijke vergadering. Of althans, aangaande de noodzakelijkheid van volstrekt gedeputeerde personen voor het vormen eener wettige particuliere synode.

In het oordeel der 13 Walchersche kerken van 1602 1) stond: »de kerckenraden en hebben geen ander aensien in classen dan de classen in haren particuliere sijnoden; dewijle de kerkenraden voor leden haerer classen, gelijck de classen voor leden des particulieren synodi gehouden moeten worden …« En »… Maer nu de particuliere sijnodus heeft te seggen over de classen als over haer leden, soo moeten dan enz.« Hiertegenover hebben Faukelius en Rademaker hun breede argumentaties gesteld wat betreft de gelijkstelling van de classicale vergadering met de particuliere synode (zooals te voren is vermeld), en in zooverre erkennen zij dus ook zonder bezwaar te maken, dat de classis als zoodanig lid is der provinciale synode. Ja, nadrukkelijk spreken zij uit, dat het juist een karakteristiek onderscheid is tusschen classis en synode, dat de personen in deze laatstgenoemde vergadering komen met »hare gelimitteerde antwoorden« 2); maar toch komt even verder om den hoek gluren de voorstelling, dat alle predikanten wel in de synode mochten verschijnen, wanneer dit niet »wegens verscheyden Redenen sonder schade haerder kercken« onmogelijk was.

In Friesland werd dan ook toegelaten, dat alle predikanten, maar alleen met adviseerende stem, ter synode waren; 3) ten


1) Cf. R. & v. V., V, bl. 67.
2) Ib. bl. 85.
3) R. & v. V., VI, bl. 26, 36. anno 1587.

|61|

minste de bepaling was dat de praeses die stemmen moest pondereeren, niet numereeren, opdat de meeste stemmen de beste niet overvleugelen zouden: — een schoone opvatting van »stemmen« voor de kerkelijke beslissingen, al kan de vraag moeielijk teruggedrongen worden, welke Salomonische wijsheid bij de praesides dier dagen verondersteld werd.

Dat in Utrecht eens een particuliere synode enkel van predikanten is gehouden, is evenzeer een uitzondering te noemen, door overheidsbemoeiing veroorzaakt, als het feit, dat nu en dan een minister loco senioris verschenen is. De aard der vergadering als een samenkomst van vertegenwoordigers der kerken (classen) wordt daarmede niet veranderd.

De heerschende gedachte aangaande den aard dezer vergadering spreekt zich uit in het meebrengen niet alleen van een credentie, maar van een zeer nauwkeurige instructie. De hoofdzaken der agenda werden te voren aan de classes bekend gemaakt en deze zonden na rijpe deliberatie hare afgevaardigden met meer of minder vaststaand mandaat. Het opschrift boven de instructie, in 1574 door de Voornsche classis medegegeven, kan als model gelden: Instructie van sommige Poincten, die onse Classe van het landt van Voorn, Putten ende over Flackee den gedeputeerden tot het Synodum Provinciael medegeven soewel Generael als Particulier. Omme daervan met den anderen broederen wt onse Naem te handelen als oft die gansche Classe over het generael, oft een yeghelicke Kercke bysonder by syne private saecken tegenwoordich waren. 1)

De bevoegdheid, hierin den afgezondenen toegekend, was groot, en het besluit eener particuliere synode, eenmaal genomen, had geen geringe kracht. Een instructie was dus wel noodig om hiërarchie te weren. De synode had niet de oordeelvellingen der classes slechts op te tellen en te registreeren, — neen, de kwesties werden op de breedere vergadering de novo behandeld. Doch bij die behandeling hadden de leden zich te houden aan het oordeel hunner classis, voor zoover dit althans in stellige beslissing was bekend geworden. Emden had dan ook reeds bepaald, dat de synode drie maanden te voren moest worden uitgeschreven, opdat de classes behoorlijk kennis konden verkrijgen van wat verhandeld moest worden.


1) Rutgers Acta, bl. 195.

|62|

Toch schijnt niet terstond de gedachte aan een nauwkeurig omschreven en mede te geven mandaat te hebben gegolden. Tenminste eene bepaling van 1586 uit Friesland wijst op een an­dere gewoonte: »Vorder isser 1) ghestelt, oft men meer dienaeren ende olderlinghen ad sinodum sullen verordeneren, overmits datter veell jonghe dienaeren zyn, die van kercklicke saecke weynich eerfaringhe hebben ende veell olderlinghe in desen sinodo weynich ghecompareert zyn, 2) so isser in sinodo geresolveert, dat een ijghelick deputatus suae classis sall aengheven om met ghemeender stemme te sluyten, wat nut ende profyt sall wesen, ende die meeste stemme classis sall gevolghet worden.« In een besluit van de Z.-Hollandsche synode te Delft 1587 3) staat: »maer soveel de instructien aengaet, sullen de dassen elck int syne van haren 4) gravaminibus delibereren ende het advijs tot een instructie medegheven haren gedeputeerden om alsoo te bequamer van de voorvallende saken in den synode te mogen handelen.«

Hiertoe zouden de classis vermaand worden; het was dus nog geen algemeen gebruik. En de instructie was geen imperatief besluit, maar een advies. De gedeputeerden mochten naar eigen inzicht, door de discussie ten vergadering voorgelicht, oordeelen. Werd het advies dan geen wassen neus? Volstrekt niet. De ernst der gedeputeerden stond daarvoor borg. Maar een classis kon niet van te voren alles weten en, als hare adviezen golden als uitspraken, was er waarlijk geen synode noodig. Dan was ook de bevoegdheid eener breedere vergadering gelijk nihil en besliste de classis over wat de geheele provincie aanging: wat een ongerijmdheid zou zijn geweest.

Het hing natuurlijk grootendeels af van het gewicht der zaak of de gedeputeerden zonder ruggespraak casu quo tegen het advies mochten ingaan: 5) Die van nu voortaen tot den synodum sullen gecommitteert worden, sullen daer kommen met voor­bedachte resolutiën in saecken, die de leere ofte gemeene kerckenregeringhe angaen, van dewelcke, sooverre eenighe stucken voorvielen, waerover eenighe kercken tusschen elkanderen oneens


1) R. & v. V., VI, bl. 16/17.
2) In ’t geheel waren er 12 afgevaardigden uit 5 dassen, waaronder slechts 3 seniores.
3) R. & v. V., II, bl. 291.
4) Haere = haer eigen? In de classis Amsterdam waren meestal de gravamina der andere classen in N.-Holland aanwezig en werden ook die besproken.
5) R. & v. V., V, bl. 53.

|63|

waren [n.l. op de prov. synode?] sullen de redenen haerer twijfelinghe te vooren den respectiven classen aendienen ….« om met resolutien te komen. Het kwam bij de regeling van dit punt er op aan, twee klippen te ontzeilen: ten eerste mocht de bevoegdheid der breedere vergadering niet gepraejudiciëerd worden door een mindere, vgl. een aanteekening van Haarlem 1582 1): »de gecommitteerde van den Hage syn vermanet, dat het een quade consequentie brengt, dat sy alsoe eene gelimi­teerde commissie brengen tot prejudicie der vergaderinge ende oyck der gecommitteerde selfs ..«; maar ten tweede moest ook de bevoegdheid der Classen niet aangerand worden, vandaar Hoorn 1584: 2) De voersz. commissien ofte credentien duergesien ende aengemerct synde, is geresolveert, dat in geenen par­ticulieren synoden … en mach gehandelt ende gesloten werden, dat eenichsins de classen, onder haer sorterende, zoude moegeii prejudiciëren en beswaeren, ende dat om sulcx te bet voer te coemen de credentien der gecommitteerden naemaels totten synodum te comen nyet (soo) gelimitteert sullen bestaen [dit ziet op credentien waarin de classis verklaarde, alles na te zullen komen wat besloten werd, waardoor het recht van beroep uit handen werd gegeven 3)] salva nochtans dat alle particularia van zulcx nyet zynde in synodis geresolveert zullen moegen werden sonder contradictie by den classe daerop te moegen vallen [dus: in kleinere zaken moest de classis de zaak liever overlaten].

Het was dus geen zaak zonder gewicht, wie de personen waren welke werden afgevaardigd. Door sommigen werd voorgestaan, dat eenvoudig op de rij af uit de classicale vergadering alle predikanten naar de synode gingen. In Friesland althans mocht niet tweemaal achtereen dezelfde persoon gecommitteerd worden, volgens een besluit van 1598, 4) een bepaling strekkende tot wering van hiërarchische insluipsels, met het nevendoel, dat alle dienaars zouden »leeren«. Daartegenover staat, dat de praktijk vraagt om bekwame personen, zooals in Zeeland uitdrukkelijk werd gezegd ten jare 1602 5). In Holland werd den


1) R. & v. V., I, bl. 110; vgl. bl. 92 e.a.
2) R. & v. V., I, bl. 126.
3) R. & v. V., I, bl. 91.
4) R. & v. V., VI, bl. 96.
5) R. & v. V., V, bl. 53.

|64|

classes vrij gelaten te zenden wien zij wilden (1590); alleen wordt het gewenscht geacht, dat enkelen uit de vorige vergadering telkens aanwezig waren om zoo noodig een historische toelichting te geven over de tevoren genomen besluiten. 1) Dit zelfde doel wordt ook bereikt, wanneer »de deputati Synodi« als rapporteerende commissie ter vergadering verschijnen, gelijk in Arnhem 1618. 2) De bekende Arnoldus Cornelius dringt in een zijner brieven er sterk op aan, dat toch altoos eene verkiezing van afgevaardigden ter synode zou plaats vinden en niet de toerbeurt regeere. 3) Dit bewijst zoowel dat het laatste hier en daar in zwang was, als dat het dezen invloedrijken predikant ongewenscht toescheen.

Al deze kleine verschillen doen vermoeden, dat hiermede een niet onbelangrijk punt werd beslist. Inderdaad ging het om den vorm, waarin de rechte verhouding tusschen de kerkelijke vergaderingen moest uitkomen. Bij de vorming der classicale vergadering gaf dit punt minder moeite, omdat elke kerkeraad daar vertegenwoordigd was, zijn stem rechtstreeks deed hooren, hooger beroep terstond effectief kon worden enz. Anders stond dit met de particuliere synode.

Wanneer echter de synode eenmaal wettig bijeen was, dan gold de bepaling: hetzelfde zeggen heeft een particuliere over een classe, als deze heeft over een kerkeraad, 4) voor alle besluiten — salvo natuurlijk het recht van beklag.

Hoe ver strekte dit gezag zich uit?

De herinnering aan den eisch, dat de breedere vergaderingen de bevoegdheid der kleinere niet verminderen, maar hare werkzaamheid juist steunen moesten, en die aan het principiëel verzet tegen alle hierarchisch streven, het welk zich juist in de presbyteriaal-synodalen kerkvorm concentreert, is overbodig. Het kan dus geen bevreemding wekken, dat de classes niet zonder meer de synodale uitspraak hadden te aanvaarden, maar daarover zelve weer oordeelen. Mocht dit ook leiden tot veroordeeling? Laat ons eerst constateeren, dat in de praktijk de bevestiging en


1) R. & v. V., II, bl. 379.
2) R. & v. V., IV, bl. 210. Vgl. ook VI, bl. 9; II, bl. 330, 333.
3) W. d. M. V. S. III, dl. V, 3e stuk. Archief Delft, bl. 360. Want het een groot gebreck is in sommige Classen dats de van de Deputatie op den Synodum een jaerlixe rente maken, ende geen verkiesinge doen, maer gebeurte houden. 16 April 1605.
4) Deze formule komt in de kerkorden ten jare 1581.

|65|

aanvaarding van het besluit der breedere vergadering regel is geweest. In 1603 werd in de classis Neder-Veluwe 1) de vraag gesteld of men in zake de beroeping der dienaren het 4de artikel der K.O. van 1586 zou volgen. De acta vermelden alleen: »oordelt den classis datmen blieve bij den Nat. synodi«.

Dat was goed en verstandig; doch dat de vraag kon gedaan worden, en dat nog wel over een bepaling der generale synode, wijst op een zoo groote mate van zelfstandigheid bij de mindere vergadering, dat deze met een woord van protest niet haar laatste pijl verschoot.

Is deze handelwijze echter normaal te achten en kan zij als getuige gelden voor geheel de verhouding tusschen de verschillende vergaderingen?

Het zou niet moeielijk zijn uit de theorie en praktijk dier dagen vele uitspraken en voorbeelden te verzamelen, die meestal schijnbaar doch nu en dan inderdaad met elkander in tegenspraak zijn. Voetius heeft dit punt besproken 2) en beschouwt verschillende gevallen afzonderlijk. Hij neemt het op voor de classis tegenover de particuliere synode. Evenzoo komt in de acta der classis Amsterdam de aanteekening, dat de classis over de synodale besluiten oordeelt, zoo dikwijls zonder eenigen nadruk voor, dat aan iets antithetisch hierbij niet kan worden gedacht.

Doch omgekeerd is meermalen uitgesproken, dat »hetghene dat eenmaell in den sijnodo gedecreteert is, en sall geensins noch classis noch kerckenraedt zich vervorderen tho annulieren ofte verbreecken, tensij dat bewesen kan worden dat sulx met G. woort ende gemene kerckenordeningh strijdich sij. 3)

Dit laatste nu: het beroep op Gods Woord nevens het beroep op de kerkorde mag in de voorstelling dezer punten niet verwaarloosd worden. Het bood materiëele zekerheid nevens de formeele. Vandaar dat ik sprak van een dikwerf slechts schijnbare tegenspraak.

Doch evenzeer staat het vast, dat deze bepaling van Arnhems’ synode de onwraakbare getuige is van een ander gebruik,


1) MS. A, bl. 97. Vergadering te Barneveld.
2) Rutgers Rechtsbev., II, bl. 35.
3) Prov. Syn. te Arnhem, 1598. R. & v. V., IV, bl. 71. Zie ook V, bl. 21, 1591 Zeeland. En: R. & v. V., I, 275, 1599 N.-Holl.: Of een classis sal mogen breken, tguent in synodo besloten es,…. is geresolveert, sooveel ia genere dat angaet, ’tselve ongeoorloft te syne.

|66|

waartegen zij juist gericht was. Dit kan wel van bijna alle nadere regelingen gezegd worden. Dat deze argumentatie hier opgaat, kan blijken uit de woorden van de Middelburgsche synode van 1581 1), waar zelfs een vrij krasse maatregel tegen den overmoed der classen werd voorgesteld: Also aenghegheven is dat eenighe mindere vergaderinghen somtijdts contrarie besluyten dan in meerdere verordent is, waer vut onoordeninghe ende onghelijcheijt der kerckenbedieninghe etc. spruytet: is ghevraecht oft goet ware dat de Acten van mindere vergaderinghen op de meerdere ghebracht wierden te examineeren? …. Antw. Neen: maer om hierin te versien, wanneer yemandt sulcks verneemt sal neersticheyt doen dat het ghebetert worde door particuliere vermaninghen ofte soo het niet helpt door de authoriteyt van meerdere vergaderinghen.

Normaal was dus de afwijking van het besluit eener breedere vergadering niet, ook al werd aan zulke besluiten geen absoluut karakter toegekend. Bovendien worde in gedachten gehouden, dat als staande regel gold: de breedere vergadering bemoeit zich niet met hetgeen de kleinere kan afdoen. Natuurlijk was hierbij de grens niet nauwkeurig aan te geven.

Maar daartegenover staat, dat het gewenscht was, dat zooveel mogelijk allerwege eenparigheid in de kerkelijke gebruiken gevonden werd 2). Langzamerhand is een en ander, dat eerst onder de adiaphora behoorde, geraakt onder de punten, waarin overeenstemming noodig gekeurd werd.

Dit alles neemt niet weg, dat aan de mindere vergadering het recht verbleef van het z.g.n. volgend oordeel, ook nadat de breedere vergadering zich had uitgesproken. Zoo wordt b.v. in 1619 in de classis Neder-Veluwe 3) voorlezing gedaan »op de voorstellen der Edle heeren gecommitteerde Rhaden« van »het oordeel des Synodi Nationalis over die bekende vijff hoofttstucken der leere end die hervatte ende verbeterde kercken ordre, over welke van D. Dammanno breede verclaringhe gedaen sijnde, heeftt classis alles geapprobiert ende


1) Rutgers Acta, bl. 441/42.
2) B. van Meer, De Synode te Emden, bl. 176 wijst er op, dat te Wesel reeds begeerd werd: in alle kerken één catechismus. Emden liet hierin meer vrijheid. Later werd echter het eerste doorgezet.
3) Vergadering te Elburg in Augustus, sub 7o., MS. A, bl. 230.

|67|

aengenohmen.« Nu — wie heeft te approbeeren en aan te nemen, kan ook afkeuren en verwerpen. 1)

Ook hier valt dus op te merken de eigenaardige wisselwerking tusschen de verschillende vergaderingen. Bij zulke verhoudingen was er waarlijk de meeste kans op een eenstemmig oordeel en gewillig gemeenschappelijk voortgaan. De breedere vergadering beval niet op bisschoppelijke wijze, de mindere was niet autoritair naar independentistischen trant. Immers, al oordeelde zij zelfstandig over een besluit van een hooger college, de zaak waar­over het ging, werd toch niet door haar alleen beslist. Want, evenals de breedere zich niet bemoeide met hetgeen de mindere vergadering kon beslissen, zoo waren er ook omgekeerd aangelegenheden, waarbij het niet aan een kerkeraad of een classis of ook een provinciale synode toekwam eene beslissing te nemen, nl. zaken, die »den kercken in ’t ghemeyn aengaen.« Daaronder behoorde allereerst de leer en belijdenis. Derhalve hadden bv. de particuliere synoden in Holland en in Gelderland de remonstrantsche artikelen wel onderzocht, den status controversiae nauwkeurig opgemaakt, maar niets beslist op het punt van eene nadere verklaring der aangenomen belijdenis, nu de generale synode aanstaande was. Wel traden zij beslissend op, waar het de vraag gold, hoe de predikanten in haar kring getuigenis zouden geven omtrent hun rechtzinnigheid. 2) Ditzelfde onderscheid geeft ook Arnoldus Cornelius aan in een brief aan Helmichius 3): »…. om onze Kercke te bewaren soo vele mogelick is, hebben wy [in onze classis] voor goet ingesien, dat elck in de syne daertoe arbeide….. dat degenen, die van nieus aengenomen worden in den Dienst, niet simpelick en onderteeckenen de Catechesin ende 37 Articulen«, maar ook dat zij zich voor geschorst zouden houden zoodra zij tegen eenig leerstuk begonnen te disputeeren. »Doch sommigen meynen … dat men wel soude doen, maeckende een naecte verclaringhe van eenighe punten, daerinne sulck bedroch mochte vallen [nl. dat de proponenten, door een eigen interpretatie te


1) Vgl. ook de gegevens (uit de classis Dordt, ten jare 1573) vermeld door v. Langeraad, Th. T. Maart 1901, bl. 144, 145.
2) Hier worde ook herinnerd aan twee punten: 1° dat bij ontstentenis eener breedere vergadering voorloopig door een mindere ook gehandeld worden kon; en 2°, wat bepaaldelijk de houding tegenover de »Remonstranten« voor 1619 betreft, aan den arbeid der vergadering van correspondentie sinds 1615.
3) W. d. M. V. S. III, dl.  V. 3, bl. 359.

|68|

geven, den schijn gaven alsof zij waarlijk met de belijdenis overeenstemden] na den rechten sin ende meininge des Catechismi ende der Confessie, die elck een tot den Dienst comende mede soude gehouden sijn te onderteeckenen. Maar dit en soude een Classis particularis niet durven over haer nemen: het soude moeten geschieden door ordinantie des Synode.«

Zoo spreekt ook de Geldersche synode in 1618 1) het uit, dat »den sijnodo competiert wetten te geven ende niet van eenen classe t’ ontfangen.« Wetten nl. over hetgeen in de synode behoort te geschieden. Het was een scherpe terechtwijzing tegenover de aanmatiging der Bommelsche afgevaardigden, en al mag de uitspraak allerminst in dien zin opgevat worden, dat de synode een onbeperkte macht had om wetten te geven, zij bedoelde toch wel de classis terug te dringen, niet alleen ten opzichte van de regeling der handelingen op de synode, maar buiten den geheelen kring van de synodale jurisdictie. En wat dit artikel negatief uitdrukt staat positief te lezen in de beantwoording onder No. 76 der particuliere vragen te Middelburg 1587 2): oft niet een Classe macht heeft te retracteren, tgene sij bevyndt in voorgaende Classe teghen den Sijnodum Nation besloten te sijne? Antw. Dat syt niet alleen machtich maer oock schuldich is te doen. Zoowel de terugwerkende kracht aan een synodaal besluit toegekend, als het verbindende van dit artikel met de woorden »schuldich is te doen« aan de classis opgelegd, zijn ondubbelzinnige, ja bovenmate krasse aanwijzingen van de posi­tieve verplichting tot gehoorzaamheid. 3)

Maar, — zooals gezegd is: sunt certi denique fines; — ook


1) R. & v. V., IV, bl. 219.
2) Rutgers Acta, bl. 450.
3) Een voorbeeld dat de classis een synodaal besluit afkeurt is in de vergadering te Harderwijk, MS. A, 24, 25 en 26 April 1610, Cl. Neder-Veluwe (bl. 147) te vinden.
»Hierop zijn mede ghevisiteert die Acta onses vorighen Synodi. Also dan articulo tertio onder anderen van den Synodo de Classes worden vermaent specialicken in te brengen by den Ed. Hove die nhamen dier die in concubinatu et adulterio leven, daermede te meer die selvighe ghevonden ende ghestraft moghen worden: De broederen des Classis vinden haer nochmaels hier in ghegravcert, met nhamen ten platten lande, ahvaer sy door sodanich angheven in apparentlick perijkel ende swaricheyt souden sonder twijfel komen. Ende (salvo iudicio ende authoritate Synodi) [dat mag er wel bijstaan] ordelen dat sulcks gheeffectueert veel meer behoort te worden van den politijken officieren der welcker ampt eygentlick is op sulcks te letten ende informatie te nemen.«
Een aanteekening die ook voor de kennis der toenmalige plattelandszeden, voor de verhouding tusschen kerk en overheid, voor de bezwaren bij de uitoefening van het herderlijk ambt, niet onbelangrijk is.

|69|

voor de synodale bevoegdheid is duidelijk genoeg een grens aangegeven en de classis heeft hare werkzaamheden, waarin zij regelend optreedt. En boven alle staat het Woord Gods, waarop elk een rechtstreeks zich beroepen mag — waaronder allen zich gaarne buigen.

De bespreking van den aard en van de bevoegdheid der particuliere synoden leerde ons reeds een belangrijk deel van de werkzaamheden dezer vergadering kennen. Niet licht kan de invloed dezer breedere vergaderingen overschat worden. Hebben de nationale synoden vele vragen beantwoord, vele regelen vastgesteld — op de particuliere synoden (die zooveel dichter bij de classes staan en geregeld jaarlijks samenkomen) komt het voornamelijk aan, wat betreft de toepassing der regelen en de uitvoering der antwoorden. De acht banden, waarin Reitsma en van Veen de acta der particuliere synoden hebben uitgegeven, zijn vrij omvangrijke boekdeelen en een enkele blik in de registers laat reeds vermoeden, welke gewichtige plaats aan de werkzaamheid dezer synoden moet worden toegekend. Niet weinig heeft het uitblijven der generale synoden den invloed der particuliere vermeerderd. Zij werden in de praktijk vrij wel het hoogste ressort, doordat hun samenkomsten binnen een afzienbaar tijdperk verwacht mochten worden. De Staten van Holland wisten wel wat zij deden, toen zij in 1608 niet alleen de nationale synode tegenhielden, maar ook de particuliere verboden. Het was een radicaal middel om de machine der kerkelijke ordening ongeregeld te doen loopen totdat zij vastliep: het vliegwiel was er af, het doode punt elk oogenblik te vreezen. Alleen in Friesland en Groningen is gedurende ons tijdvak onafgebroken van jaar tot jaar de synode bijeen geweest. Gelderland mist van af 1613, gelijk Holland sinds 1608, zijn breedste vergadering. Bovendien wordt nog een hiaat tusschen 1584 en 1592 in Gelderland’s acta gevonden. 1) Voor Zuid-Holland konden alleen de acta van 1575, ’79, ’81, ’83, ’86, ’87 en dan verder geregeld van jaar tot jaar worden afgedrukt. Er zijn echter wel meer


1) Reitsma en van Veen vermoeden (cf. Inleiding, dl. IV, bl. VII). dat er tusschen deze jaren nog wel synoden gehouden zijn, waarvan zij de acta niet vonden, omdat in 1592 gesproken wordt van een examen voorheen te Arnhem en te Harderwijk gehouden (bl. 32), wat dan wijzen zou op een tweetal synoden in die plaatsen. Wat »Harderwijk« betreft, kan wel met zekerheid gezegd worden, dat daarmee geen synode, maar de buitengewone classicale vergadering bedoeld is van het jaar 1592 den 4 Juli (oude stijl) — de eerste vergadering, waarvan in het classis-boek van Neder-Veluwe aanteekening is gehouden.

|70|

vergaderingen geweest. In Overijssel gaat de reeks van af 1612: 1612, 1615, 1618.

In Utrecht heeft een eigenaardige toestand bestaan. De overheid was hier zeer gekant tegen kerkelijke vergaderingen. In ’t eerst gaf sympathie voor Duifhuis den stoot, later meer het welbewuste en ook uitgesproken libertijnsche beginsel. Presbyteriale synoden worden slechts tot een getal van twee vermeld en dan is het nog twijfelachtig of zij dien naam verdienen. Zeeland’s kerk is eveneens onder strenge voogdij gehouden, hoewel de overheid hier niet anti-gereformeerd was.

Derhalve: in het Noorden zijn onder de goede zorgen van den stadhouder en ook van lagere magistraten de kerken geregeld vergaderd geweest. In Overijsel en evenzoo in Gelderland is ten slotte de strijd tusschen overheidsgezag en kerkelijke zelfstandigheid uitgebroken, ondanks jaren lange goede verstandhouding, ten tijde van Jan van Nassau 1). Zeeland en Utrecht komen op ééne lijn te staan (hoeveel verschil er ook was in de motieven bij de respectieve overheden) ten aanzien van het ontbreken van provinciale kerkvergaderingen. Holland vraagt het meest de aandacht, omdat hier de strijd, welken Mr. Naber heeft gekarakteriseerd in den titel: »Calvinist of Libertijnsch?« maar die toch nog meer factoren heeft, doorstreden en ten deele uitgevochten is. Eerst vinden wij dan ook vrij geregeld de particuliere, zelfs een tweetal provinciale synoden, maar sinds 1608 waren ze tien jaar lang verboden. Zoo is er dus geen geregelde en in alle provinciën gelijke ontwikkeling geweest van het provinciaal samenkomen der kerken. Ook valt te constateeren een groot verschil tusschen de verschillende pro­vinciën, wat betreft het gewicht en den invloed alsmede de geheele wijze van optreden harer breedste vergaderingen. Hoewel vooral in de eerste tien en twintig jaren de verschillende streken een eigen levensvorm vertoonden, die ook niet geheel verdwenen is (men denke b.v. aan de lotgevallen van de Dordtsche kerkorde), toch heeft Holland langzamerhand de leiding verkregen, en leverde het de modellen voor allerlei bepalingen, formulieren enz. 2).


1) Vgl. Wagenaar (Dr. L.), Johannes Fontanus.
2) In Gelderland is b.v. een verandering in den vorm der notulen te bemerken na 1578; de verkiezing van een moderamen wordt voortaan vermeld, evenzoo de uitkomst van ➝

|71|

Voor de wijze van vergaderen had Emden reeds enkele bepalingen opgesteld: Art. 3 … dan zal na het gebed en de presentie-lijst-regeling de praeses »de Bevelschriften [d.w.z. de Instructies] afvorderen, … dewelcke hy elk byzonder ordentelyk voorstellen zal en der gansche verzamelinge oordeel, daar op behoorende, en die keurstemmen verzamelen, met verklaringe welke het gevoelen zy van den meesten en van den besten deele; het zelve zal de Schryver schriftelyk vervatten, en vervat hebbende klaarlyk leezen, op dat het met gemeene bewilliging [nadat er eerst gestemd was] bestendigt worde.« Art. 4: De dingen, die de Leere aangaan, zullen eerst, daar na die dewelke den Kerkelyken Regimente behooren, geleezen en onderscheidentlyk in schrift gestelt worden, daar na die byzondere Handelingen. 1)

Bij deze volgorde en deze weinige woorden bleef het in de kerkorden. Een meer uitgewerkt schema, zooals het voor de classis is gegeven, vond ik niet. In ’t algemeen kan men zeggen: hoe breeder de vergadering, hoe smaller de paragraaf, waarin haar werk is beschreven. Er was geen beginnen of liever geen eindigen aan, en hare werkzaamheden waren meer incidenteel, geheel anders dan b.v. de taak van den kerkeraad was En in het instructiën-wezen lag de waarborg tegen machtsoverschrijding. Daarom beperkte de kerkorde zich tot het aangeven van enkele lijnen.

De kerkorde van 1618/19 spreekt afzonderlijk over de deputaten van de particuliere synode. Uit hun mandaat blijkt a fortiori wat der nationale synode toekomt: »Yeder Synodus sal oock eenige deputeren, om alles wat de Synodus geordonneert heeft, te verrichten, soowel by de Hooge Overheyd, als by de respective Classen, onder haer sorterende, mede om t’ samen oft in minder getal over alle examina der aen-komende Predicanten te staen; ende voorts in alle andere voor-vallende swarigheden den Classen de hand te bieden, op dat goede eenigheyt, ordre ende suyverheyt der Leere behouden ende gestabileert worden…« (art. 49) Voorvallende zaken — dat is breed genoeg: alles wat


➝ het onderzoek der credenties. — in een woord men heeft leeren vergaderen. In hoeverre post ac propter hierin opgaat, is wel moeielijk uit te maken.
In 1602 wordt voor een formulier »tot bequeme beleydinghe der byeenkomste.« een Zuid-Hollandsch concept tot voorbeeld genomen. (R. & v. V., IV, bl. 105).
1) Rutgers Acta, bl. 111.

|72|

de instructies der afgevaardigden ter tafel brachten, tenzij dan, dat er iets bij was, wat hier niet thuis behoorde, — het oordeel over deze punten — de uitvoering der besluiten van de generale synode, de tallooze kwesties met de overheid, dit en zooveel meer wordt op de provinciale agenda gevonden. Het meest kwamen voor: vragen en bepalingen omtrent het sluiten van huwelijken, verzorging van predikanten, requesten bij de overheid over den openbaren dienst Gods, oneenigheden tusschen en in classen, appèl-zaken; in den eersten tijd vele liturgische en kerkorde quaesties 1); later de schier eindelooze moeite om een nationale synode te verkrijgen; bepaaldelijk in Holland: de tuchtzaken met de bekende onrechtzinnige predikanten Coolhaes, Herberts en Wiggerts, en zoowel in deze provincie als elders vele kleinere geschillen van dien aard.

Daar zij tusschen classis en generale vergadering in stond, is nog al een en ander, wat dààr thuis behoorde, toch door omstandigheden bij de particuliere synode terecht gekomen; b.v. de examinatie van predikanten, welke echter ook vaak aan de classicale vergadering verbleef. Desgelijks de translatie van dienaren, wanneer de betrokken persoon zich door de classis misplaatst achtte en verder allerlei appèlzaken. Sommige punten zonden zij door naar de generale synode, vaak niet zonder advies of ook voorloopige beoordeeling. Men denke aan den remonstrantschen tijd.

Pro memorie — maar dan ook in den onverzwakten zin dezer formule — worde hier vermeld, dat geen »deputaten« of »visitatoren« zoo breede plaats in het kerkelijke leven ingenomen hebben als de door de provinciale synode gedelegeerden. Aan het einde van dit hoofdstuk wordt afzonderlijk over hen, in het volgende meer bijzonder over hun werk gesproken.


1) Vgl. de belangrijke provinciale synode van 1574 (Rutgers Acta, bl. 134, 155) over de catechismus-prediking, confessie-onderteekening, doopsformulier, wijze van avondmaal houden, formulier-gebeden, vesper-diensten, een of driemaal besprengen, psalmen en liederen voor kerkgebruik enz.

Schokking, H. (1902) I.5

|73|

 

 

§ 5.
De Nationale (Generale) Synode.

 

Als vierde en breedste vergadering wordt in de kerkordeningen genoemd de nationale of ook generale synode. Deze dubbele benaming geeft aanleiding om den aard dezer bijeenkomst te ontleden.

Generaal in den vollen zin des woords zou alleen zulk een synode kunnen heeten, waarin de geheele georganiseerde Christenheid zich vertoont. Zoodra deze onder meer dan ééne natie zich bevindt, valt generaal en nationaal te onderscheiden. In den zin van oecumenisch is er sinds de hervorming geen generale synode gehouden, hoewel vergaderingen, waar kerken van meer dan  ééne natie bijeen waren, niet ontbreken.

In den regel werd echter onder »generaal synodus« verstaan wat eveneens nationaal werd genoemd. Punten, die »den kerken in ’t gemeen« aangaan, behooren op de nationale synode thuis, lezen wij herhaaldelijk. Ten deele deed zich bij de opvatting: generaal = nationaal, de eisch der praktijk, ten deele die van het kerkverband gelden, terwijl de organische lenigheid der kerkelijke vergaderingen medewerkte om niet al te veel op een naam, maar meer op een wettige en nuttige werkzaamheid te letten. Is in die voorkeur voor »generaal« boven »nationaal« misschien een aanwijzing te zien, dat in die breedste samenkomst van de gereformeerde kerk in deze landen ook de correspondentie met alle gereformeerde kerken zich kon vormen? De vraag kan gedaan worden, maar mij schijnt ’t toe dat »generaal« gekozen werd eenvoudig als tegenstelling met »particulier«.

|74|

Wel is gezegd 1): »…. eene generale synode moet het ideaal der Gereformeerden zijn geweest, »omdat men aanvankelijk de kerkelijke eenigheid, in eenig land tot stand gekomen, geenszins beschouwde als het eindpunt der Reformatie, veel meer als een stadium in de Reformatie, die eerst dan volkomen zoude zijn, indien alle Kerken der wereld tot eene eenheid waren geworden.« Maar, toen men meer en meer het onbereikbare van dit ideaal begon in te zien, werd het van lieverlede gewoonte, om, wanneer men van een generale Synode sprak, de beteekenis van dat generaal te beperken, zoodat feitelijk ten slotte nationaal en generaal promiscue werden gebruikt. Reeds in de dagen van de Emder synode werd generaal in den meer beperkten zin genomen, zooals uit de Acta blijken kan…..« Deze voorstelling is in ’t algemeen juist. Als gronden voor deze opmerking verwijst Dr. van Meer naar art. 9 in het verband van den tekst, en naar de omstandigheid, dat de nationale synode van 1586 in de acta eener Noord-Holl. synode een generale wordt genoemd. In het slotartikel der acta 1581 worden de woorden generaal en nationaal als synoniemen gebruikt. Maar toch mag bij deze verklaring een enkele vraag niet teruggehouden worden, nl. deze: gesteld dat het woord »onbereikbaar« bij dit ideaal terecht is gebruikt, is dan in die overweging de oorsprong te zoeken van den overgang van generaal op nationaal? M.i. niet. De aanwezige toestanden werkten mede, maar »generaal« heeft op zich zelf niet den klank van »oecumenisch«, althans niet in ’t kerkrechtelijk spraakgebruik der 17de eeuw. De eigen opmerking, dat reeds te Emden aan dit woord een meer beperkte zin werd toegekend, leidt tot een juistere opvatting.

In 1581 is er, volgens de Corte Memorien, sprake geweest van äe bijeenroeping van een Synodus oecumenica, 2) maar de bewoordingen dezer annotatie zijn niet zeer uitvoerig. Er is bij mij twijfel over de beteekenis der adjectiva in dit artikel, omdat zoowel de naam generaal als nationaal hier ontbreekt.

Voetius schijnt het woord »generaal« te willen vermijden, ten minste op de vraag: An concionatores et seniores ipso jure muneris ac ministerii sui tanquam synodales comparere, et suffragia


1) B. van Meer: De Synode van Emden, bl. 178.
2) »Als de Synodus Oecumenica vergadert sal worden, soe sal vut elcke Synode particulier, een beschreuen worden, om legatos ad synodum oecumenicam te deputeren«, Rutgers, Acta bl. 363.

|75|

decisiva ferre debeant, antwoordt hij: Synodi sunt vel universales, vel particulares. Universales distinguimus. 1 In ideales seu conceptuales, totius orbis scil, quales in N.T. post tempora Apostolica nulla fuerunt: 2 In collectas ex magna parte orbis… (zooals de synoden der eerste tijden). 3 In collectas ex imperii parte solummodo occidentali, seu potius ex parte occidentis.
Particulares distinguimus, in minores (quas classes appellamus); in majores, quas Provinciales dicimus; in maximas, hoc est Nationales …. 1)

Aan hare nationale synoden heeft in gewone omstandigheden de kerk in de onderscheiden landen ook genoeg. Vooral, wanneer geregeld over en weder correspondentie wordt gehouden. Daardoor wordt ’t streng nationale karakter — en met opzet — gebroken. De groote nationale synode van 1618/1619 heeft eenigermate het karakter gehad van een universalis synodus. Eenigermate — want de aanwezigheid der exteri verandert het karakter der synode niet, die dan ook na het vertrek der buitenlandsche theologen eenvoudig voortwerkt, zonder zich opnieuw te constitueeren. Specifiek Nederlandsche beroerten waren de aanleiding tot het beleggen der vergadering en bepaalde kwesties uit de kerken van Frankrijk, Engeland, Pfaltz enz., zijn hier niet behandeld, wel terloops vermeld. Maar de leer ging den kerken in ’t gemeen aan en daarom werd op dit punt zoo noodig ook het oordeel der uitheemschen gevraagd, terwijl deze vertrokken na afloop der dogmatische handeling, hoewel daarna nog vele punten, die alleen den inheemschen leden aangingen, behandeld moesten worden. Toen werd er geen nieuw moderamen gekozen, want dezelfde synode kon zich als het ware uitzetten en inkrimpen, al naar den aard der kwesties het vereischte. Wij hebben hier te erkennen de gemakkelijkheid en losheid van beweging, welke een synode, die waarlijk de vertegenwoordiging der kerken was, zich kon en mocht veroorloven.

Er blijft altoos wat te vragen over, wanneer de gebruikelijke regels en definities van gereformeerd kerkrecht op deze synode zullen worden toegepast, gelijk er trouwens altoos in een tijd van krachtig leven en sterken strijd weinig normale verschijnselen zijn. Op voorgang van Dr. A. Kuijper 2) heeft Dr. H.H. Kuijper


1) Pol. Eccl. IV. 193. (Pars III, Lib. I, Tr. III Cap. 7b.
2) Revisie der rev. legende bl. 121…. nu van lieverlee heel de beschaafde wereld zich met onze kerkelijke worsteling was gaan bemoeien … nu veranderde … de beteekenis

|76|

voor de Dortsche synode den naam van »oecumenisch concilie«, hoewel nog tusschen »«, gebezigd. Terecht spreekt hij aldus: »Het eigenaardig verschijnsel, een unicum in de historie onzer Synodes, dat een »oecumenisch concilie« zich transformeerde in een »nationale Synode«, of wil men liever, dat een groot deel der Synodale leden zich verwijdert, terwijl de overige blijven om een na-Synode te houden, heeft steeds de aandacht getrokken.« 1) De Remonstranten hebben het willen verklaren uit een veronderstelde oneenigheid tusschen de exteri en de inheemschen. Maar dit was onjuist. Immers, de zaak zelf is dan ook eenvoudig genoeg.

»Toen de Generale Staten besloten ook uitheemsche theologen tot de synode van Dordt te roepen, geschiedde dit alleen, opdat met hun hulp een uitspraak zou gedaan worden over de geschilpunten met de Remonstranten over de bekende vijf artikelen, maar geenszins opdat door hen mede een beslissing zou genomen worden over de verschillende gravamina uit den boezem der kerken naar de generale synode gezonden«. Een secrete instructie voor de gedeputeerden der staten had dit voor de beraming eener kerkorde van te voren reeds bepaald. 2) »En zoo goed hebben de uitheemsche theologen dit zelf ingezien, dat, toen de Praeses, tijdens het wachten op de komst der Remonstranten, vast enkele dezer gravamina ter tafel bracht, door hen, hoewel in beleefden vorm, werd te kennen gegeven, dat zij over die punten wel adviseeren wilden, maar dat de Nederlandsche afgevaardigden alleen te beslissen hadden.«

Het is allicht niet overbodig op te merken, dat op zich zelf genomen de remonstrantsche punten evenzeer door een puur nationale synode mochten beoordeeld worden als indertijd de dwalingen van Herberts e.a. waren behandeld En ten slotte is de Dordtsche synode niet meer dan een zeer eigenaardige, naar een concilie zweemende, maar inderdaad toch nationale synode. Dr. A. Kuyper heeft zijn treffende voorstelling vooral gebruikt om de revisie der confessie en catechismus als een


➝ der vergadering, die zou samenkomen geheel; voor zoover men immers nu niet meer met een nationale, maar met een internationale Synode te doen had. De Synode van Dordt toch, en daar vooral lette men op. was door dezen ongezochten keer van zaken een Wereld-Synode geworden; een Generale bijeenkomst aller gereformeerde kerken; een Concilie op Gereformeerd terrein.
1) H.H. Kuyper, Post-Acta, bl. 94.
2) Ib., bl. 95, ook vermeld in Brandt III, 22.

|77|

unicum en een bijna noodzakelijke handeling te kunnen handhaven, tegenover de stelling dat de bedoeling te dier tijde was: telkens en telkens weer revideeren. Over dit punt zal ik later hebben te spreken.

Het is voor het oogenblik voldoende uit deze beschouwingen dit te onthouden: bij al den ijver voor en al de kennis van kerkrechtelijk zuivere belijning is de hoofdzaak voor de gereformeerden dit geweest, dat er een kerkelijke vergadering bijeenkwam. Was die basis gelegd, dan kon het gebouw verschillend uitvallen, maar het gezag dier vergaderingen werd dan erkend, natuurlijk onder beding van de over-hoogheid der Heilige Schrift. Exteri er bij, exteri weer vertrokken: de aard der vergadering veranderde daardoor niet. Zij was en bleef de breedste vergadering der Nederlandsche kerk. En daarop kwam het aan. Vandaar dat b.v. de Hollandsche kerken in Engeland zich gedroegen naar de besluiten der Emdensche synode, omdat zij toen de breedste vergadering was en wettelijk uit de kerken samengekomen, hoewel zij ernstige redenen hadden om hare bevoegdheid als nationale synode niet te erkennen. 1) Desgelijks in 1618: ofschoon toen, ter oorzake van de aanwezigheid der episcopalen, de deputaten der Hollandsche kerk in Engeland niet toegelaten zijn, werden de Dordtsche besluiten door haar niet betwist.

Hierin moge bij den eersten aanblik iets onregelmatigs liggen, terwijl dergelijke gegevens ook een belemmering zijn om, (niet uit de theorie, maar) uit de feiten zich een heldere en afgeronde voorstelling te vormen van wat nu eigenlijk precies een nationale synode was: die feiten zijn er nu eenmaal. En het is er niet te slechter om gegaan. Het bleek veeleer een der voordeelen der presbyteriale organisatie dat zij, mits aan dien eenen eisch: de vergadering zij »kerkelijk« voldaan werd, zooveel losheid van beweging toeliet.

Er waren ook nadeelen aan verbonden, ongetwijfeld. Vlug zijn de meeste zaken niet afgedaan. Maar: elke zaak kon worden behandeld op kerkelijke wijze. Mocht al menig punt zich voordoen, waarover de meeningen konden verschillen: welken naam aan die of die vergadering eigenlijk toekwam, of die en die kwestie misschien niet eerst bij een andere vergadering thuis hoorde — ten slotte was toch de macht in alle kerkelijke vergaderingen van gelijke waarde.


1) Cf. van Meer, Syn. v. Emden bl. 193. Ook bl. 216, 217.

|78|

Van de Dordtsche synode zou in dit opzicht kunnen gelden, wat van het lied van den Meistersinger gezegd werd: »kein Regel wollte da passen, und war doch kein Fehler drin.« H.H. Kuyper’s: »of wil men liever«, is eigenlijk een vrij wankele noodbrug, als men zuiver kerkrechtelijk zijn beide termen combineeren wil. Bovendien past geen van de twee bij alle gegevens. Wat zou men moeten denken van de »transformatie« eener provinciale synode in een classicale vergadering? — en zoo toch ongeveer is de verhouding tusschen concilie en nationale synode. Het al of niet meestemmen van de colleges der exteri ligt veeleer op dezelfde lijn als bv. het gewone verschijnsel, dat bij geschillen alleen de afgevaardigden der andere kerken stemden en de betrokken personen buiten stemming bleven. Het was eenvoudig de vraag, wien de zaak aanging. Iets dergelijks was het, wanneer bij ’t examen in de classes de ouderlingen niet oordeelden over de leer. M.a.w.: hetgeen in den aard der zaak, in de natuur der verhoudingen lag, deed zich gelden. Was de classis niet vergaderd, dan kon in sommige gevallen de samenwerking van eenige naburige kerken daarvoor in de plaats komen. Drong de nood, dan kon een onvolledige synode toch voor heel de natie optreden.

Des te meer dient bij dezen stand van zaken gelet te worden op de zuiverheid van den grondslag, nl. het kerkelijk karakter, m.a.w. dat de leden der synode gedeputeerden der kerk waren.

De afvaardiging naar een nationale synode geschiedde in gewone omstandigheden in de particuliere synoden 1). Deze werden ook wel als de membra synodi genoemd. Toch waren die part. synoden zelf op haar beurt slechts: de vergaderde kerken. Vandaar dat de credentie soms door het moderamen dezer vergaderingen, soms door de kerkeraden der gemeenten, waar de gedeputeerde lidmaat was, geschreven zijn. 2) De provinciale kerk kon als een eenheid worden beschouwd, maar de deelen behielden toch in het geheel hun zelfstandige plaats. Aan de eene zijde werd aangedrongen op de keuze


1) In 1574 is besloten, dat naar de eerstkomende generale synode uit de classen deputaten zouden gezonden worden, omdat er nog zoo weinig provinciale kerken georganiseerd waren. Rutgers Acta, bl. 171.
2) Vele credentiën en instructiën zijn te vinden in de bijlagen bij elke vergadering in de Acta, door Rutgers uitgegeven.

|79|

van bekwame personen, maar niet minder werd getracht de verschillende hoeken der provinciën te vertegenwoordigen.

De classis Harderwijk beklaagt zich in hare vergadering van 22 April 1607 in dezer voege: »Dewijl in den laestghehouden Synodo den Classi van Neder-Veluwen is voorbij gheslagen in het committeren eniger dienaers ad Nationalem Synodum: oock in plaets van een dienaer een Olderlinck verkoren is ende sulcks in een respective kerck des classis denselven uthdruckende met namen ende toenamen, welke vrijheijt de Classis acht dat sodanighe kercke voor sich behoort te houden, om selfs uth haren midden een persoon te nomineren alst haer opgheleijt is een Olderlinck tot enighe vergaderinghe te committeren sal an den Synodo versocht worden dat sulcks in toecomenden tijden sal voorghekomen worden.« Op deze klacht geven de acta der prov. synoden weinig antwoord. Indien zij op de synode van 1607 te Bommel is ingebracht, heeft Harderwijk al zeer weinig voldoening ervan gehad. Art. 30 1) vermeldt, dat de eenmaal benoemden, Fontanus, Leo, Baudart en Thysius zullen blijven gecommitteerd. Daarnevens werd »volgende de acte conventus praeparatorii« nog aangewezen D. Johannes Coitsius — ook al iemand buiten de classis Harderwijk, een predikant uit Nijmegen. Alleen het laatste gedeelte van de aanmerking vindt weerklank, als tenminste Harderwijk’s gravamen gehoord is. Immers »classi Arnhemiensi is vrijgestelt eenen ouderlinck te kiesen, die met den voorsz. ad synodum nationalem gaen sall.« De uitkomst heeft echter de classis Neder-Veluwe in eere hersteld. De ledenlijst der Dordtsche synode vermeldt behalve Thijsius, die deel uitmaakte van het professoren-college, geen der in 1607 benoemden, en onder de nieuwe leden is ook à Mehen, de bekende Harderwijksche predikant.

Welke personen afgevaardigd werden, moge dus niet eene vraag zonder beteekenis geweest zijn, van meer gewicht was het echter, dat de afvaardiging zelve zuiver kerkelijk tot stand kwam. Voetius behandelt afzonderlijk de vraag: 2) Quorum sit legatos eligere et mittere? Resp.: 1. Non est Magistratus… 2. Non est promiscuae multitudinis…. 3. Sed ordinariò est


1) Cf. R. & v. V., IV. 162.
2) Pol. Eccl. IV. 187. P. III, L. I, Tr. III, C. VI.

|80|

ecclesiarum per synedria sua, ad synodes districtuales; et districtualium ad provinciales; et harum ad Nationales et sic deinceps.

»Ordinario«, want in kerken, die een vast rooster hadden voor de afvaardiging, kon de verkiezing der deputati achterwege blijven. Ook het trapsgewijze verkiezen was niet absoluut noodzakelijk. In 1574 kon de synode nog niet uit de provinciale synoden bijeenkomen, en nog veel minder was dit in 1571 het geval. Want toen waren de classes nog niet eens aanwezig en kwamen de afgevaardigden rechtstreeks uit de plaatselijke gemeenten. Terstond voeg ik echter hierbij, dat op diezelfde synode van Emden reeds gerekend werd met »naties«: hetwelk mij een bewijs schijnt, dat reeds op die grondleggende vergadering niet de bonte hoop der plaatselijke kerken, maar de organische samenhang, zooals de kerk groeit in de wereld, in aanmerking werd genomen. Iets dergelijks ligt ten grondslag aan de wijze, waarop in 1618/19 gestemd is. »Het corpus der Synode was … verdeeld in 11 colleges; — de professoren vormden één college, voorts de afgevaardigden der Provinciale Synodes ook elk één, en eindelijk de afgevaardigden der Waalsche Synode.« 1) Aldus was het tijdens de nazittingen. Maar toch werd ten slotte het getal der personen in rekening gebracht. Als grondregel gold: wat bij meerderheid van stemmen besloten is zal voor bondig gehouden worden, tenzij bewezen wordt, dat het gevallen besluit in strijd is met Gods Woord. Het liefst vermeed men echter het hebben van meerderheid en minderheid. »Eenhelliglick is besloten« was een zeer begeerlijke aanhef voor een kerkelijke bepaling. Nauwkeurig uitgedrukt en fijn gevoeld is het dan ook, wanneer somtijds eerst afzonderlijk de stemming en dan afzonderlijk het besluit wordt vermeld. De minderheid besloot toch mede. Zelfs de schijn der gevreesde overheersching zocht men te vermijden. Om de zaak zelve zooveel mogelijk te voorkomen werden de gravamina, zooveel men kon, te voren aan alle kerken bekend gemaakt. De synode moest dienen om tot overeenstemming in het rechte gevoelen te geraken, niet om elkander te overstemmen.

Het spreekt van zelf, dat ook instructies aan de afgevaardigden der kerken werden medegegeven. Maar hoever mochten die gaan? Want de synode is toch ook een delibereerende


1) H.H. Kuyper, Post-Acta, bl. 104, en de bewijsplaatsen aldaar.

|81|

vergadering. In ’t algemeen luidde de instructie, dat alles naar Gods Woord en oprecht verhandeld moest worden, maar de speciale instructie leverde vaak moeielijkheden op. 1) In de classis Zierikzee hebben velen geweigerd het onderteekeningsformulier van 1619 te aanvaarden, omdat hunne gedeputeerden geen last hadden, noch van de classes noch van de provinciale synode, tot het opstellen daarvan. De conscientiën hunner broederen hadden zij dus met zulke bepalingen niet mogen bezwaren. 2) Inderdaad stond in de Zeeuwsche instructie 3): … indien onze afgevaardigden »eenige redenen ofte argumenten hoorden, daerdoor sij int bijsonder ofte een merckelijck deel der sijnode soude mogen commen in eenigh naerder bedincken, streckende tot veranderinge (n.l. der leer), dat se in sulcken gevalle niet en sullen tot stemmen voortgaen voor ende aleer sij reces aen »haere principaele hebben genomen ende haere nader intentie daerop verstaen«. Het mandaat was dus een mandat impératif, hoewel eenige vrijheid werd gelaten. Want de synode werd erkend als eene ook delibereerende vergadering, in zooverre de mogelijkheid van in haar nieuwe argumenten te hooren werd aangenomen; evenzeer als haar decisieve macht toekwam. De oppositie in de classis Zierikzee schijnt opgehouden te hebben, want, al waren hare redenen niet zonder grond, de kwestie was toch grootendeels van formeelen aard en hun beroep op een nationale synode is nooit effectief geworden. Bovendien is het de vraag, of zij daar in ’t gelijk hadden kunnen gesteld worden. De consequentie van haar redeneering schijnt mij te leiden tot ontkenning van de beslissende macht der synoden. En dat bracht het recht van instructie geven niet mede. De synode was immers de samenkomst van de kerk in het geheele land; onder de noodige waarborgen golden hare besluiten dus voor allen, gelijk ook alle kerken daar vertegenwoordigd geacht werden.

De aard der nationale synode kwam verder aan den dag in de aanwezigheid der professoren op de synode te Dordrecht en wel als stemhebbende personen. Op dit laatste komt het aan. Er waren altoos meer personen in eene synode aanwezig dan de afgevaardigden der particuliere synoden. Rapporteurs,


1) Cf. Voetius, Pol. Eccl. Vol. IV, p. 188. P. III. L. I, Th. III, C. VI.
2) Vgl. Brandt IV, bl. 805.
3) R. & v. V. V, bl. 156.

|82|

geciteerden, aanklachten en vragen indienende personen, verder commissarissen-politiek, om niet te spreken van bedienende personen. 1) Adviseerende leden ontbraken evenmin in de synode als in de mindere vergaderingen. Maar ’t spil, waarom de kwestie — want hier ligt een kwestie en wel eene, die tot den huidigen dag zich voortwentelt, — het spil, waarom zij draait is: hadden de professoren jure suo een besluitende stem?

De praktijk kan hier nauwelijks uitsluitsel geven. Want de eerste synode, waarop het geval zich kon voordoen, dat een professor jure suo verscheen, die van 1578, zag Feugueray verschijnen als deputaat der Waalsche gemeente. In 1586 vinden wij Saravia te ’s Gravenhage, maar alleen om advies te geven in een bepaalde zaak. Dat was meer gebeurd, b.v. in de Noord-Hollandsche particuliere synoden, hoewel een schriftelijk advies toen voldoende werd geacht. 2) Toch heeft b.v. Voetius het argument, dat hieruit te smeden was, n.l. de professoren hebben, naar de gewoonte onzer kerken, nooit zitting genomen, uitgezonderd in de synode van 1618, — niet opgemaakt. Het ontbreken der professoren in de nationale synoden vóór 1618 schijnt dus niet gerust te hebben op een communis opinio: dat zij daar niet mochten komen. Veeleer is dan ook het omgekeerde het geval. Reeds in 1607 werd bepaald, dat op de nationale synode ook de professoren zouden verschijnen met decisieve stem. Door sommigen is gezegd: de vergadering van 1618 is een buitengewone in alle opzichten: nec ab ea consequentiam duci debere ad ordinarias nationales, 3) maar, behalve dat over dit en andere punten, hiermede samenhangende, amplius inquirendum est, blijft het een feit, dat in de nazittingen, toen dan toch een puur nationaal synodus bijeen en de speciale leer-kwestie van de agenda verdwenen was, toch de professoren tegenwoordig bleven. Voetius neigt er toe om den professoren althans in de nationale synode decisieve stem toe te kennen. 4) Er was echter uit een onvoorwaardelijk toegeven van deze hunne bevoegdheid (gesteld dat zijn overtuiging dit medegebracht had) een gevolgtrekking te vreezen


1) Cf. Voetius, Pol. Eccl. IV, bl. 190.
2) De bemoeiing der Leidsche professoren in de zaak van Wiggerts komt voort uit een opdracht der Staten. Vgl. Trigland, K.G., bl. 244.
3) Vgl. Voetius, Pol. Eccl., IV, bl. 197.
4) Vgl. zijn »uti concedendum puto« bl. 197 en, hoe hij die bezwaren vrij wel weet te  weerleggen.

|83|

over de plaats der professoren in de provinciale synoden, — een heet hangijzer uit den tijd na 1620. 1)

Het komt mij voor, dat er slechts een uitweg was uit deze moeielijkheid: de erkenning van een kerkelijk ambt, dat niet gebonden is aan een plaatselijke kerk. Dit was voor Voetius echter een vrij wel onaannemelijke voorslag. Vandaar dat hij — zeldzaam verschijnsel bij dezen scherpzinnigen dialecticus — bij dit toch niet ongewichtig punt zich van de quaestie eenigszins afmaakt en liever erkent »determinare nequeo« dan zijn sterk doorgevoerd beginsel der plaatselijke zelfstandigheid aan te vullen door de erkenning van de eenheid der kerk, waarin eerst de volle ontwikkeling van het lichaam van Christus zich naar buiten vertoont. 2) Dan toch is het duidelijk, dat in de vergadering, welke het geheel der kerken voorstelt, en heeft te handelen over die punten, die allen gemeenschappelijk aangaan, ook als medeleden verschijnen de dragers van dat ambt, ’twelk die kerk als een geheel genomen ten goede komt.

Het is niet mogelijk de verschillende vragen, die hiermee samenhangen te bespreken, 3) noch gewenscht, de mogelijke gevolgtrekkingen, welke hieruit te maken zijn omtrent de opvatting van de basis der presbyteriale kerkordening, zooals die bij Voetius gevonden wordt, aan te wijzen, hoeveel daaruit voor een beoordeeling der geschillen in onzen tijd ook te leeren ware. Voor het doel dezer bladzijden: de toenmalige denkbeelden over het karakter eener nationale synode uit de historische gegevens op te maken, is het genoeg, op te merken, dat de eisch van rechtstreeksche vertegenwoordiging haar absoluut karakter verloren


1) Cf. A. Kuyper, De Leidsche Professoren.
2) Vandaar dat de 2e en 3e conclusie op bl. 196, het met decisieve stem verschijnen der professoren, grootendeels uit utiliteitsredenen wordt verdedigd; maar de voortdurend streng gevorderde »delegatio ecelesiastica« wordt hier in een keuze uit drie mogelijkheden weggeborgen: de professor kan komen per ordinariam et perpetuam constitutionem ecclesiasticam of per peculiarem synedrii, aut classis aut synodi minoris electionem [maar dit is de kwestie niet, want Voetius zegt elders, dat casu quo zelfs een »leek« zou kunnen gedelegeerd worden] vel per ipsius synodi jam convocatae evocationem aut invitationem aut assumtionem.«
3) Vgl. H. Bavinck in zijne oratie over »Het doctorenambt«, uitgegeven in 1897. Zie de bezwaren tegen sommige zijner voorstellingen in De Heraut, door Dr. A. Kuyper en van Dr. Ph.J. Hoedemaker, in »Troffel en zwaard« van dat jaar. In zijn »De Leidsche Professoren« gebruikt Dr. A. Kuyper de term »generaal ambt«. De professoren verschijnen »jure suo«, bl. 46, 47. Vgl. ook Calvijn, Comm. op Ef. IV: 11, Inst. IV. 3, 4. Pictet II, bl. 404, laat het in dubio (cf. Gravemeier III, bl. 277).

|84|

heeft, wanneer nevens de gedeputeerden ook andere personen zonder die delegatie zitting hebben gekregen. En dat niet maar als gedulden of om bijkomstige redenen gewenschten (zooals bijv. de commissarissen-politiek) zoodat zij dan ook niet in het eigenlijke kerkelijke werk mede mogen doen: noch ook als adviseurs aangaande de kerkelijke aangelegenheden, maar als volle leden. 1) Dit feit toont mede, hoe in de nationale synode samenkwamen al de kerken in ons land met al de macht en bevoegdheid, gaven en roeping, welke de kerk in een land hebben kon.

 

De beteekenis der nationale synode voor het kerkelijke leven was groot. Hare uitgebreide bevoegdheid liep over de gewichtigste deelen van het kerkelijk bestaan, haar besluiten golden voor de kerken door het geheele land, haar samenkomst was de aangewezen gelegenheid voor de bevestiging van den broederlijken band met de verwante kerk buiten de landsgrenzen.

Vandaar dat de kerkelijken er steeds zeer op gesteld waren eene nationale synode te mogen houden, gelijk de tegenstanders der gereformeerde leer en religie dit zooveel mogelijk zochten te verhinderen.

De overheid zocht den invloed ervan te gebruiken voor haar eigen bedoelingen en was, al naar de kans daartoe gunstig of ongunstig scheen, geneigd of weerbarstig ten opzichte van den kerkelijken wensch. De persoonlijke overtuiging der hoogste magistraten omtrent het rechtmatige van dien wensch bepaalde natuurlijk mede hun houding. Tot staving van een en ander behoeft slechts herinnerd te worden aan de ontzaglijke moeite door Marnix en Dathenus op aandrang van vele kerken in ballingschap aangewend, opdat de synode te Emden bijeen zou kunnen komen; aan de belangstelling van Prins Willem I in die zaak; aan de geheimhouding der voorbereidende plannen, welke de vijandschap der Roomschen en der Spaansche autoriteiten noodig maakte. Een samenkomst te hebben was een levenskwestie voor de gereformeerden; een stoutmoedigheid, zooals die betoond werd in het opgaan ten convent naar Wesel, bewijst, hoe die mannen de noodzakelijkheid ervan gevoelden, en juist toen bleek de onmisbaarheid eener wettige synode, want


1) In 1618, 19 stemde het professoren-college zelfs vóór de provinciale colleges.

|85|

telkens moest aangeteekend: al deze dingen zullen wij nader regelen op de eerstkomende synode. In later tijd toonen de onregelmatige gang der synodi-jaren, ’74, ’78, ’81, ’86 en de oorzaken daarvan, hoezeer de overheid en de staatkundige verhoudingen in de Nederlanden rekening hielden met de beteekenis eener nationale samenkomst. 1) De kern van den strijd na 1606 lag in de vraag: zal er en hoe zal er een nationale synode gehouden worden? De uitkomst der geschiedenis wijst aan, dat de beslissingen der nationale synoden wat de leerstellige aangelegenheden betreft, inderdaad den vrede in de kerk hebben hersteld 2) en de kerkelijke leer onvervalscht hebben bewaard.

Dit laatste is de hoofdzaak. Van uit dit punt: de zorg der kerk voor hare leer, laten wij onzen blik nu verder rondgaan over eenige gegevens omtrent de nationale synoden.

De vierde en breedste kerkelijke vergadering vertoonde, beeldde uit, de eenheid der kerk in ons land. In 1578 was bepaald, 3) dat de Hollandsch sprekende en de Fransch sprekende kerken wel elk haar eigen kerkeraden, dassen en particuliere synoden zouden hebben en ook mocht elke groep alle hare particuliere synoden samenroepen in ééne vergadering, (de naam »generale« bijeenkomst wordt daarbij echter vermeden), maar deze mocht niets veranderen, dat in een nationale synode was bepaald. Om daartoe over te gaan was een »nationale synode beider spraken« noodig, In 1581 worden echter die tusschen-synoden niet meer vermeld, 4) waarbij een sterker gevoeld eenheidsbesef wel als medewerkend motief mag worden aangenomen.

De bevoegdheid der nationale synoden was breed. Haar


1) Te Wesel werd begeerd: elk jaar een synode, (art. 19. Rutgers Acta, bl. 35). Te Emden om de twee jaar (bl. 59). Te Dordrecht 1578 (bl. 245) was de termijn van 3 jaren gesteld. In 1581 is gevraagd of een nog langer tusschenruimte niet gewenscht was, maar »om ghewichtige oorsaecken wille« scheen het bestaande besluit beter (bl. 442). Voetius weerlegt de uitspraak van Gregorius Nazianzenus »quod nullius concilii finem beatum faustumque viderit« en noemt een synode »semper necessarius ad bene esse Ecclesiae«. (Pol. Eccl. IV, bl. 183). Breedvoerig wordt over de veelheid van synoden gesproken door Trigland K.G., bl. 204 vlgg. In 1622 betoogt de classis Dordrecht, dat een nieuwe synode generaal noodig is, zal het groote werk der vorige niet nutteloos worden. Cf. Brandt, IV. bl, 795.
2) Dit geldt althans in het algemeen. Over onderdeelen is lang verschil gebleven. Cf. H.H. Kuyper, Post Acta, bl. 159. over de 2e doopvraag: bl. 163, over ’t trouwen van ongedoopten. Buiten ’t leerstellig gebied heeft het provicialisme op menig punt zich gehandhaafd; men denke slechts aan de lotgevallen der Dordtsche kerkorde.
3) Rutgers Acta, bl. 245.
4) Rutgers Acta, bl. 389, art. 35, 36.

|86|

doel omschreef Voetius aldus: Ut communia aut generalia negotia, et negotia respectiva, quae intercedunt inter ecclesiam et ecclesiam, expediantur: ne quid dicam de jure provocationis. Atqui talia negotia ut adaequate unam particularem ecclesiam non concernunt, sed multas simul, ita ab una tractari aut absolvi nec possunt nec debent: Nisi ecclesias cathedrales, et hierarchias Romano Papales introducere velimus« 1) Derhalve had de particuliere kerk, maar ook de particuliere synode zich te onderwerpen aan hetgeen door de nationale synode was vastgesteld, tenzij uit Gods Woord bewezen werd, dat het gevoelen onschriftmatig was. Hoe dit bewijs tegenover de synode te leveren was en tot de gewenschte uitwerking leiden zou, is een tweede vraag (en het antwoord was misschien niet zoo eenvoudig), maar de verwachting was veeleer, dat zulk een tegenspraak niet zou voorkomen. Toch was de erkenning van het recht van beroep, ook nadat de synode gesproken had, meer dan alleen eene concessie aan de theorie. Al ontbrak een adres, waaraan het appel beteekend kon worden, de erkenning van dit recht had toch haar waarde. De roomsch-katholieke uitspraak: Roma locuta est causa finita, kon voor eene gereformeerde synode niet overgenomen worden. Voetius 2) oordeelde, dat bij zeer gewichtige bezwaren een nieuwe synode van een grooter getal en andere afgevaardigden gewenscht is. In zeker opzicht dus een beroep van de synode op de gemeente. 3) Maar overigens bleef de standregel gelden, die ook te voren vermeld is, volgens de formuleering van 1581 art. 27 4): Het zelfde segghen heeft de Classis over den Kerckenraedt, twelcke de particuliere Sijnode heeft over de Classe ende de generale Sijnode over de Particuliere«. In dit jaar is dan ook op de vraag, of niet een classis macht heeft te retracteeren, hetgeen dat door haar vroeger tegen de nationale synode is besloten, geantwoord, dat dit niet


1) Voetius, Pol. Eccl., IV, bl. 183.
2) Pol. Eccl., IV, bl. 174. Ba. Ra. Ed. Rutgers, p. 291.
3) In de geschiedenis der kerk kan van een ander beroep op de gemeente, nl. zonder de bijeenkomst van afgevaardigden, maar door publieke opinie in de kerk zelve, gesproken worden. Deze luidt bevestigend voor het werk der Nederlandsche synoden. Evenmin als »Pelagiaan« een gewilde naam is, klinkt »Arminiaansch« als epitheton ornans voor een gevoelen.
4) Rutgers Acta, bl. 355.

|87|

alleen geoorloofd is, maar veeleer een verplichting. 1) Dus kreeg een synodaal besluit zelfs eenigermate terugwerkende kracht. De praktijk levert echter wel voorbeelden van het tegendeel op. Hiertoe werkten vooral de bemoeiingen der overheid mede, op wier breeden rug echter niet alles mag gelegd worden, wat in strijd is met de kerkrechtelijke theorie. Misbruik en misverstand der presbyteriale vrijheid kome evenzeer in rekening. De Remonstranten vonden meer dan eene bewering in de werken hunner tegenstanders, die zij tegen de autoriteit der Dordtsche synode meenden te kunnen uitspelen. En nu is het citeeren van stellingen uit bij de tegenpartij als autoriteiten erkende auteurs, ter verdediging van het eigen gevoelen, dikwijls een trouweloos bedrijf en rust doorgaans op een oneerlijk uit het verband rukken en scherpzinnig combineeren van gegevens, die niet bijeenhooren, maar het is toch niet onaardig de redenen te lezen, waarmede de Remonstranten hun conditiën aan de nationale synode wilden opleggen. 2) Zij bedoelden de autoriteit der synode te verkleinen en niet ten onrechte schijnt men dan ook heel hun »wijdloopig« stuk voornamelijk met een beroep op de autoriteit der Staten (waartegen zij op hun beurt weinig zeggen konden) beantwoord te hebben, maar indien het nog noodig geweest ware, hebben de leden der synode eene goede herinnering ontvangen om te bedenken, dat in een synode geen absolute rechters zaten. Hommius had de eer menig citaat uit zijn geschriften te hooren voorlezen, bv.: de besluiten 3) der Concilien en moeten den Kercken niet voorgehouden ofte opgedrongen worden als mandaten der overicheyt ende Persische Ordinantien: Maer de handelingen des gehouden Concilii moet aen alle Kercken gesonden worden, opdatse by die selvige na den regel van Godes woort ondersocht ende sose bevonden worden daer mede te accorderen, geapprobeert ende also ten laetsten vanden approberenden Kercken gewillichlic ende eenstemmichlic, niet tegen danc, ende gedwongen, aengenomen te worden….« Tusschen gewillig en gedwongen liggen nog al enkele graden, en dat is voor de praktijk een geluk: het is echter goed de theorie overeenkomstig het ideaal vast te


1) Rutgers Acta, bl. 450.
2) Acta Syn. Dordr., bl. 83—101.
3) Acta Syn. Dordr., bl. 97.

|88|

houden. 1) De autoriteit van eene generale synode was dus wel groot, maar zij droeg geen overheerschend karakter. [Vgl. verder wat hierover reeds gezegd is (bl. 61 vlg.) ten opzichte van de bevoegdheid der classen en der provinciale synoden. 2)]

In verband met den aard en de bevoegdheid der nationale synode zijn ook hare werkzaamheden in de eerste plaats die, welke voor het geheel der kerk beteekenis hebben.

Kort en duidelijk zijn zij omschreven in de Emdensche artikelen 3): Het zelve dat voorschreeven is, [voor de provinciale synoden] zal ook in den Algemeenen Synodo onderhouden worden, tot welken koomen zullen kerken-Dienaars en Ouderlingen niet van de Classen, maar van de Provinciën verordineert met Getuigenissen en Brieven en Beveelen aantreffende de Leere, het Kerkregiment en byzondere zaaken, die in de Provinciale t’samenkomsten niet hebben konnen uitgevoert ofte geëindigt worden, of die allen Kerken betreffen en aangaan.« Elk der hier gestelde termen is echter rijk van inhoud. In de provinciale synoden waren reeds al de classicale beekjes samengevloeid — en nu liepen de stroomen ineen. Vele appèlzaken hoorden eigenlijk hier thuis. Vooral zulke, die de kerkelijke leer raakten. In verband hiermede 5) was ook de Bijbelvertaling een niet onbelangrijk punt op de synodale agenda. De liturgische regelingen en geheel de wijze van kerkelijke samenleving hing bij de gereformeerden met de dogmatische opvattingen samen 6) en ook om die reden had de generale synode over liturgie enz. hare zorg uit te strekken, maar allereerst ging haar oog toch over mogelijke ketterijen en dwalingen, welke veel vluchtiger zijn en lichter ingang vinden dan gebruiken. Was reeds een provinciale synode zeer nuttig »gemerct sodanige bijeencomste


1) Trigland K.G., bl. 181, wijst er op hoe de zaken, wanneer zij in de generale synode komen, reeds te voren in de minder breede vergaderingen behandeld zijn. Ib., bl. 338, spreekt hij over het recht van kerken en personen, om uit Gods Woord te oordeelen over een synodaal besluit.
2) Vgl. verder Voetius, Pol. Eccl., IV, bl. 220, De Auctoritate Synodi, ook p. 224 seqq.
3) Rutgers Acta, bl. 117.
4) Bv. Coolhaes, 1581. De Kamper en Hoornsche kwestie in 1618/19. H.H. Kuyper, Post Acta, bl. 328.
5) Aardig is een brief van Canin, overgedrukt in Rutgers Acta, bl. 608.
6) Vgl. K. Rieker, Grundsätze reformierter Kirchenverfassung (Leipzig 1899.) S. 5: (Dem Calvinismus) war es vorbehalten, ein bestimmt ausgeprägtes, auf eigentümlichen dogmatischen Grundanschauungen ruhendes System kirchlicher Organisation zu schaffen.«

|89|

grootelicx dient tot conservatie van de zuiverheit der leere ende kerckelycke disciplin 1), hoeveel te meer dan een nationale. 2) In 1578 werd in een credentie-brief het doel der werkzaamheid op de breedste vergadering der kerk aangegeven in deze algemeene, maar veelzeggende bewoordingen, dat aldaar diende besproken te worden, 3) hoe Gods rijk verbreid, Zijn kerk opgebouwd, andere lidmaten onzes Heeren Jezus Christus, die nog onder de tirannie des Antichrist zitten, geholpen konden worden.


1) R. & v. V. V, bl. 36. Middelburg 1593.
2) Rutgers Acta, bl. 116 (1571), bl. 246 (1578).
3) Rutgers Acta, bl. 307.

Schokking, H. (1902) I.6

|90|

 

 

§ 6.
Deputaten van de Kerkelijke Vergaderingen.

 

Om meer dan een reden is het gewenscht eene afzon­derlijke paragraaf te wijden aan de deputaten van de kerkelijke vergaderingen, d.w.z. personen, welke door haar werden aangewezen om uit haar naam verschillende opdrachten te vervullen en om haar te vertegenwoordigen, wanneer de vergadering niet bijeen was. Wel moest reeds nu en dan hun werkzaamheid vermeld worden; maar aangezien elk der vier vergaderingen ongeveer op geheel dezelfde wijze hare deputaten had, meende ik beter te doen met het meeste wat hiervoor te zeggen viel, te verschuiven naar dit aanhangsel. Tevens biedt deze wijze van behandeling gelegenheid om een enkel punt, dat ik van belang acht, duidelijk in het licht te stellen, nl. dat de werkzaamheid van sommige deputaten wees op het voortdurend bestand der kerkelijke eenheid, hoewel de kerkelijke vergaderingen telkens bij haar uiteengaan ontbonden werden en dus daarna niet meer bestonden.

Het komt mij voor, dat dit punt door Voetius in zijn Pol. Eccl. op den achtergrond gehouden is; althans in zijn ijver tegenover de Independenten, die onze kerken beschuldigden van een nieuw ambt te hebben ingevoerd, dat smaakte naar bisschoppelijke hiërarchie, betoogt hij maar telkens weer: het deputaatschap is geen afzonderlijk ambt, het is een commissiewerk, voor een bepaald, aangewezen doel en na de vervulling van de opdracht is het verdwenen. Hierin is hij volkomen in zijn recht. Maar hierbij heeft hij sommige feiten als aanmatiging van gezag of ook, als door den nood gerechtvaardigde uitzonderingen beschreven, die misschien toch wel anders te

|91|

verklaren zijn. Of de aanvaarding van de zooeven genoemde gedachte het aantal dezer uitzonderingen niet zou kunnen verminderen, blijve hier als een vraag staan.

 

Wat waren de deputaten der vergaderingen ?

Het eerste, waarop bij de beantwoording dezer vraag gelet moet worden, is dit, dat een breedere kerkelijke vergadering, welke immers is een vergadering van lasthebbers, bij haar uiteengaan is verdwenen. De leden der synode waren niets meer dan hun ambtsbroeders, die niet waren afgezonden. Na afloop der vergadering traden zij in de gewone rij weer in; een volgenden keer werd allicht een ander afgevaardigd. Maar, al bestonden de kerkelijke vergaderingen slechts tijdelijk, de kerkelijke eenheid duurde onafgebroken voort. Vandaar, dat de vergaderingen regelmatig op vaste tijden terugkeerden. Het kerkverband was altijd door aanwezig en kon zich op elk oogenblik vertoonen in eene samenkomst van de afgevaardigden der kerken.

Het tweede, waarop bij de beschrijving van het deputaatschap namens eene vergadering de aandacht gevestigd moet worden, vloeit uit deze verhouding tusschen het corpus der kerk en de vergaderingen ervan voort. Hetgeen de leden hadden voor te stellen aan het corpus, werd uit den mond van afgezanten in de vergadering van het corpus gehoord; en het antwoord hiervan aan de membra diende meestal door boodschappers bekend te worden gemaakt. Soms werden de deputati ad conventum zelf deputati conventus en namen zij het antwoord mede terug naar hun lastgevers. Viel bv. echter een twist te beslechten, dan werd soms de autoriteit der vergadering beter kenbaar gemaakt door de afvaardiging van eenige personen, die buiten het geschil stonden. Verder waren er kwesties, die niet konden afgehandeld worden gedurende de vergadering. Ook kon, wanneer iemand aan zijn huis een besluit moest worden voorgehouden, toch moeilijk de geheele vergadering in processie daarheen tijgen. Ten slotte konden zich ook tusschentijds allerlei zaken voordoen, welke al de moeite en kosten van een groote vergadering nauwelijks waard waren en toch niet door een particuliere kerk mochten beslist worden. Vandaar, dat bijna in elke kerkelijke vergadering van eenig belang een grooter of kleiner aantal commissies moesten worden benoemd om nomine

|92|

conventus eene zaak te behandelen, terwijl langzamerhand ook eene commissie burgerrecht verkregen heeft, om de loopende en tusschen de samenkomsten in voorkomende zaken af te doen, voor zooveel zij konden. Reeds te voren wees ik op dit onderscheid tusschen deze twee groepen deputaten, die ik dan ook met de namen deputaten ad causam, ad hoc en algemeene deputaten 1) uiteen wensch te houden.

De provinciale synoden hadden meer commissies noodig dan de classis en bij deze nam het deputaatschap reeds meer plaats in dan bij de kerkeraden, die immers telkens bijeen konden komen.

Het algemeen deputaatschap kwam alleen bij de classen en de particuliere synoden voor. De generale synoden hebben ze nooit gehad. Men vreesde ongetwijfeld voor misvorming van dit deputaatschap; opdracht mag geen overdracht worden; een generale synode is niet altoos bij de hand om hare oorspronkelijke bevoegdheid te doen gelden. Al heeft men in 1619 nog niet kunnen vermoeden, wat Voetius een dertig jaren later klagelijk uitriep, dat n.l. misschien wel nooit meer een nationale synode zou gehouden worden — de kans dat »algemeene« deputaten niet spoedig gedechargeerd zouden worden, (had 1586—1618 het niet geleerd?) zal mede wel een der redenen geweest zijn, waarom ontkennend geantwoord werd op een gravamen, sinds 1591 in Zuid-Holland ingebracht 2): »…. ten naesten generalen Synode gedeputeerde desellve [te stellen] om beter correspondentie tusschen deze kercken ende Synoden in den provinciën gehouden te worden ende door dewelcke voortaen de generale saken der kercken gevordert worden.« Noord-Holland’s advies hierover was geweest: »het stellen van Gedeputeerden des Synodi Nationalis, sulx achten wij onnoodich, dewyle tot het besorgen van die dingen, die in deese Eerweerdige vergadering besloten sijn, off noch soude mogen besloten werden, eenige specialycken [deputati ad hoc, geen generale deputaten] sullen moeten


1) Deze betiteling is m.i. de eenvoudigste. De acta dier tijden spraken gewoonlijk kort weg van »de deputaten (synodi, classis)« als zij deze personen bedoelden. Maar dit is soms niet duidelijk. Daarom scheen de bijvoeging van een adjectief mij gewenscht. Dat er tusschen de verschillende commissies geen soortelijk verschil bestaat, mag als genoegzaam duidelijk, na al, wat hierboven geschreven is, met deze enkele herinnering terzijde gelaten worden.
2) R. & v. V., II, bl. 402.

|93|

geordonneert werden. End de rest door de particuliere Synoden sal utgevoert werden, ghelyck voor desen altyt is geschiet.« 1) Dit advies is gevolgd. De vergadering van 1618/19 heeft eenige commissies ad hoc nagelaten — verder zijn de provinciale synoden als »executeurs« opgetreden.

In verband met den aard van het deputaatschap moge het gelukkig genoemd worden, dat de Dordtsche synode geen »algemeene« deputaten benoemd heeft, waar zij de laatste nationale is gebleven tot nu toe; het valt echter niet te ontkennen, dat het Zuid-Hollandsche gravamen steunde op goede gronden. In de theorie klonk alles zeer eenvoudig, maar de practijk dwong bijna tot het instellen van kleine comités, die optraden, wanneer de synoden niet bijeen waren. »Est modus in rebus et semel synodales actiones sunt terminandae« 2) — Dit was ook van toe­passing op de kleinere vergaderingen. Vandaar dat, ondanks de oppositie en met inachtneming van allerlei voorzorgen, opdat geen verkapt episkopaat indrong, in bijna alle provincies 3) vrijwel permanente commissies van synode tot synode waren aangewezen. Eenige toelichtingen uit de geschiedenis zullen dit duidelijk maken.

In Friesland b.v. heeft zich de zaak der deputaatschappen aldus toegedragen: reeds in 1583 4) wordt vrij uitvoerig en derhalve wel als iets nieuws vermeld, dat eene commissie van vijf predikanten, reeds benoemd als deputaten ter remonstrantie van eenige zaken bij de overheid, zou worden aangevuld met vijf ouderlingen, een uit elke classis, om »macht [te] hebben om in alle andere saecken, die die kercke Godes in onse vaderslant int generael dit jaer souden voervallen, met malcanderen souden moeghen resolveeren ende besluyten nae hetgene dat haer der kercke godes sali nut duncken«. De bewoordingen der acta verraden niet, dat er eenig bezwaar tegen deze regeling is ingebracht. Onze aandacht valt allereerst op de zeer ruime opdracht. Zij spreekt van iets meer dan een ten uitvoer leggen van


1) H.H. Kuyper, P.-A., bl. 127.
2) Voetius, Pol. Eccl., IV, bl. 210.
3) In Zeeland en bij de Waalsche kerken ontbreken zij.
4) Reeds — want de eerste synode is gehouden in 1579. Van deze en de volgende konden R. & v. V. geen acta vinden. Alleen vermelden de Acta der Noord-Holl. synode (I, bl. 73) een verzoek door Dr. Swaelluw uit naam van de vergadering te Sneek. Van 1581 is alleen § 14 en van 1582 § 32 te vinden in VI, bl. 1.

|94|

reeds genomen besluiten en van een voorloopig handelen. Met de latere, ongetwijfeld meer correcte voorstelling 1) van Voetius komt dit niet overeen.

In de tweede plaats bewijst de samenstelling van deze commissie: 1 predikant en 1 ouderling uit elke classis, dat hierbij de idee van een synodus contracta voorzat. Duidelijk is hier een uiting van het voortdurend kerkverband waar te nemen. Terwijl eerst de personen door de synode aangewezen werden,


1) Of alle kerkelijke afvaardiging deputatie en commissie gevaarlijk is? Antw. Neen, mits in acht worde genomen: 1°. Dat er geen overdracht van macht plaats hebbe. 2°. Dat het geschiede voor bepaalde handelingen, niet voor alle zaken naar believen, of wel in ’t algemeen voor alles. 3°. Dat, indien het geschiedt voor een gansche groep van handelingen van dezelfde soort, bv. ’t examineeren van cand. t.d. H. Dienst, of voor de kerkvisitatie of voor de aankondiging en opheffing van censuur, zulks alleen geschiede voor een bepaalden tijd.
Dit citaat is geëxcerpeerd uit de vertaling van al de plaatsen uit Voetius, Pol. Eccl. welke over de Deputaten handelen, zooals Dr. Rutgers die gegeven heeft in De Heraut van 1894/95, n°. 884 en vlgg.
De samenvatting van een der hoofdplaatsen (I, bl. 111) moge hier volgen, om Voetius’ opvattingen in haar geheel weer te geven.
Tegenover de beschuldiging, dat wij een nieuw ambt hebben ingevoerd met onze deputaten, wordt aangevoerd:
1. Zeeland en de Waalsche kerken hebben hen niet.
2. Zij  vormen geen permanent college, met gewone kerkelijke macht.
3. Zij staan niet boven een classis, kerk of zelfs maar een persoon, tenzij door uitdrukkelijke lastgeving.
4. Hun speciale opdracht voor ééne zaak geeft hun geen schaduw van gezag in andere zaken.
5. De boeken-censuur is evenzoo een speciale opdracht.
6. Zij bevestigen geen Dienaren.
7. In de vergaderingen zitten zij niet als bestuur.
8. Ja, zij  verschijnen daar niet eens als leden krachtens hun deputaatschap.
9. Zij beslissen geen kerkelijke zaken.
Wat doen zij dan wel?
Niet anders dan nalezen de Acta der Synode en de opdrachten hun daar gegeven, uitvoeren. Van deze uitvoering zijn zij rekenschap verschuldigd aan de eerstvolgende vergadering. Deze opdrachten loopen meest over kleine en weinige zaken, alleen zijn zij steeds bij de examina tegenwoordig.
10. Kortom, op sommige plaatsen in Nederland worden geene, op sommige twee of drie, op sommige vier deputaten op de provinciale synoden benoemd, die voor een jaar of op zijn hoogst voor twee jaren de particuliere, hun door een uitdrukkelijk en bijzonder mandaat der synode aangewezen en omschreven zaken bezorgen en uitvoeren, behalve hunne tegenwoordigheid bij de examens der Dienaren.«
Ik merk alleen op: 1°. dat Voetius de Independenten gerust wil stellen. 2°. Daarom veel wat ons boven in den tekst bleek, of ignoreert, óf als excepties, óf als afgeleerde fouten moet beschouwen. 3°. De beteekenis van het deputaatschap als uiting van de voortdurende eenheid der kerk miskent. 4°. Daarom de aanwezigheid der deputaten bij de examens, waarbij het gaat om de bewaring van de eenheid der rechtzinnigheid in alle classen (juist het punt, waarop ik het licht wil laten vallen), wegstopt tusschen de ontkenningen.

|95|

schijnt uit den aanhef 1) in 1615 te volgen, dat elk stel der afgevaardigden uit de classis zijn eigen deputaten aanwees. Daartoe werden soms, maar lang niet altoos, leden der vergadering gekozen. In 1595 b.v. geen een. Een der ouderlingen wordt zelfs met N. aangeduid. De gedachte aan »uitvoering van besluiten« is daarbij dus niet aanwezig. Dan toch is wel een eerste vereischte, dat de persoon, die de opdracht krijgt, bij de deliberaties tegenwoordig is geweest. Wanneer dan ook zulk eene commissie, alleen ter uitvoering van een genomen besluit, werd opgedragen, werden deputati ad hoc uit de vergadering aangewezen.

Er is zelfs aanleiding om te denken aan een soort tusschenvergadering, tusschen classis en synode in, wanneer in de classicale vergadering van Sneek, 28 September 1585, Suffridus Paulus een hooger beroep indienen wil bij de synode en de classis oordeelt, dat dit bij de deputaten synodi moet worden ingebracht. Paulus heeft echter ook daartegen een woord van protest laten hooren. Op die wijze zou ongetwijfeld een afwijking van de presbyteriale grondgedachte begonnen zijn. Is het als een terugkeer tot de gedachte »een deputatus = een willekeurig gecommitteerde« te beschouwen, wanneer in 1587 de ouderlingen niet meer als zoodanig werden benoemd? 2) Of komen wij op de lijn der domino-archie? Twee jaar later kwamen de ouderlingen er weer bij. 3) En in 1590 werd de werkkring der deputati synodi beperkt en aldus omschreven 4): Wt een ieder classe ende kercke [zal men] seeckere mannen [benoemen] om alle swaricheden in classen ende kercken te slijten. 5) In 1599 is er weer een bericht, dat veel te denken geeft: »Het wert afge­slagen voor dese tijt, dat daer soude zijn een supremus senatus ecclesiasticus. 6) Zonder te veel aan één woord te willen


1) R. & v. V., VI, bl. 232.
2) R. & v. V., VI, bl. 25.
3) R. & v. V., VI, bl. 42.
4) R. & v. V., VI, bl. 55.
5) Heel duidelijk kan de zaak na 1590 uit de acta niet worden opgemaakt. In de acta van 1591, sub 16 (R. & v. V., VI, bl. 59), wordt gevraagd, hoe de deputati synodi gekozen zullen worden. Het antwoord spreekt correcter van deputati classium. Maar deze genitivus mag bijna vertaald worden door »over de classen«. Vgl. bl. 55. Of is de naam in de kantteekening op bl. 59 eenvoudig onjuist en hebben wij hier met gewone dep. der classen te doen?
6) R. & v. V., VI, bl. 102.

|96|

vastknoopen, mag toch gezegd worden, dat het »voor dese tijt« en de geheele toon wijzen of op verdeeldheid van gevoelens óf op een algemeene niet al te sterke antipathie tegen zulk een idee. Heeft de Laskiaansche superintendent zijne bekoring misschien in Friesland geoefend? Hoe dit zij, in 1603 waait de wind vlak uit den presbyterialen hoek: ieder, wie ooit maar durft voorstellen visitatoren, een supremus senatus, en hoog hof of dergelijke in te voeren, zal streng worden gecensureerd. 1) Des te eigenaardiger is het, dat blijkens eene aanteekening van 1605 de oude visitatores, door de classen zelf benoemd, waren blijven bestaan. 2) Zij vormden een college van 12 personen en, waarschijnlijk omdat zulk een groot getal ver van elkander wonende personen weinig kon uitrichten, werd nu voorgesteld, twee tweetallen dier deputaten, die dicht bij elkaar woonden, volgens toerbeurt langs de classen te benoemen met grooter bevoegdheid dan de 12 te voren. Dat smaakt, bij alle erkenning van het »bis cum dicunt idem etc«, toch wel eenigszins naar een supremus senatus. Van een scherpe censuur merkt men echter niets. En het verloop dezer kwestie doet denken aan Laban, die wel tien keer Jakobs loon veranderde. Maar wat zou men anders? Hierarchie, dat was onlijdelijk en gevaarlijk; maar de kerkelijke toestanden konden ook niet langer zoo geduld worden zonder andere gevaren. Een flink rapport tot verbetering der vele misstanden was aangenomen, 3) maar krachtige handen om het ten uitvoer te leggen waren nu wel een eerste vereischte. Vandaar die kleine commissie van vier man, die elkander gemakkelijker konden bereiken. En hadden zij »meerder autoriteit« noodig, dan mochten de 8 andere te hulp geroepen worden. Bovendien: men had toch inderdaad de lijn van 1603 niet verlaten. Ten minste, de synode van 1606 4) antwoordde op bezwaren tegen deze regeling, dat men vrij mocht onderzoeken, wat hierin streed met Gods heilig Woord of smaakte naar eenige majoriteit of hoogheid. Sinds 1614 worden de vier deputaten echter niet meer in de acta vermeld.

In Zuid-Holland vinden wij eenigermate dezelfden gang van


1) R. & v. V., VI, bl. 132.
2) R. & v. V., IV, bl. 152.
3) R. & v. V., IV, bl. 150.
4) R. & v. V., VI, bl. 162, 163.

|97|

zaken. Hier is zelfs een afzonderlijke naam »inspectores« opgekomen. »Algemeene« deputaten worden eerst in 1587 vermeld. In 1579 1) is voorgesteld in iedere classe en synode twee personen te hebben om de loopende zaken te behandelen en op te treden als visitatores (wier taak later een afzonderlijk deputaatschap is geworden, maar eerst onder het algemeen deputaatschap viel). Als antwoord op dit voorstel zal het wel mogen beschouwd worden, dat de z.g.n. synodale classis, dat is die, welke de eerstvolgende synode heeft uit te schrijven, ook »macht sal hebben, so eenige swaricheyt ofte oneenicheyt voorfiel [in den classen], hyeronder gehorende, dieselvige by haerselven ofte haere gedeputeerden te eyndigen, ist mogelick. Ende so nyet, dattet een saecke van consequentie is des te eer synodum te beroepen. Sal oyck dieselve classe macht hebben andere classen in denwelcken aen particulieren personen wat ontbreeckt, te vermanen«. 2) Onmiskenbaar is in dit artikel de neiging om niet te ver den voorgestelden weg op te gaan. In de volgende synoden is de classis Rotterdam, 3) later de stad Delft alleen, 4) welke de stad den Haag als hulp mocht gebruiken, en in 1586 weer de kerk en classis van Rotterdam als synodale deputaat aangewezen. 5)

In dezen zelfden tijd verscheen echter een drieledig voorstel om meer vastheid in de kerkelijke orde te brengen. Het toezicht door de synodale classis voldeed blijkbaar niet aan de verwachtingen. Maar het middel ter verbetering voorgesteld werd terecht »een odieuse nieuwigheid« genoemd. Toch was het namens de particuliere synode van Zuid-Holland ingediend als gravamen voor de nationale vergadering in den Haag, 6) waar


1) R. & v. V., II, bl. 181. Of het niet oorboorlick sal zijn, dat men in eener ijegelicker classe ende synode particulier een of twee personen sal deputeren, dewelcke alle voorval­lende saecken …. uijtrichten, classen ende synode …. vergaderen, ist nood, …. voor opsicht hebben sullen, dat een ijegelick zijn ainpt doe, oock soo swaricheyt viele tusschen eenige dienaren, ouderlingen ofte ijemanden in zijne kercke, ’tselve …. neder te leggen, ende hoelange deser tijt ende extraordinären dienst dueren  sal.
2) R. & v. V., II, bl. 176. Desgelijks in N.-Holland. R. & v. V., I, bl. 1S7. (1585). Vgl. ook I, bl. 34: reeds in 1575 had men hier  »visitatores« in iederen coetus.
3) R. & v. V., II, bl. 205.
4) R. & v. V., II, bl. 260.
5) R. & v. V., II, bl. 283. »Tensy datter een ander ordonnantie ghestelt worde, sal den naesten synode particulier wtgheschreven worden ende opsichte ende sorghe over den kercken ghenomen worden by der kercke ende classe van Rotterdam.
6) Rutgers Acta, bl. 542, ’t besluit der synode, bl. 512.

|98|

het echter geen gunstige beoordeeling erlangde. Begeerd werd: 1) de instelling van een commissie voor huwelijksche zaken »echtrichters«, gemengd kerkelijk en politiek; 2) de invoering van een senatus ecclesiasticus of »kerckenraet«, insgelijks ten deele uit kerkelijke, ten deele uit politieke personen bestaande, met zulk een bevoegdheid, dat hij een soort tusschen-synode schijnt; 1) 3) Een kerkvisitatie. Deze laatste is ingevoerd. De andere voorstellen zijn niet aangenomen. Daardoor is in Zuid-Holland het werk der visitatie afzonderlijk gebleven, ook toen hier »algemeene« deputaten werden benoemd. Gelijk in Friesland werkte de idee van een synodus contracta nog door, wanneer in 1587 slechts twee personen 2) met de groote bevoegdheid van deputati synodi bij uitnemendheid werden bekleed, doch nevens hen uit elke classis een persoon werd aangewezen om hun zoo noodig ter zijde te staan. 3) Een belangrijk onderdeel van hun taak was de remonstrantie van allerlei kwesties bij de overheid, 4) een werk, dat veel wijsheid, geduld, vaak ook tijd en aanzien vereischte, en dan nog dikwijls weinig uitwerkte.

Van hunne handelingen moesten de deputaten in de eerstvolgende vergadering rapport brengen. Deze bepaling is niet zonder gewicht. De vraag is echter, hoedanig dat rapport was: een mededeeling der facta of eene approbatie aanvrage. De bedoeling was wel: het laatste; de praktijk maakte er van: het eerste. De acta maken gewoonlijk geen melding van het ingekomen rapport; 5) maar wèl staan de acta der deputatenvergaderingen in de boeken der classen ingeschreven, als equivaleerden zij met die der plenaire classis. Daarentegen ontbreekt het ook niet aan een voorbeeld, dat de vergadering het werk harer deputati onderzocht en veranderde. 6)


1) Alle voorvallende zaken — decideren, den schuldige suspenderen, enz.
2) R. & v. V., II, bl. 309/310. De twee waren Arnoldus Cornelius en Henricus Corputius.
3) Geheel verdwenen is die gedachte, wanneer in Groningen 1606 de visitatie wordt verricht door personen buiten de classis woonachtig. R. & v. V., VII, bl. 120.
4) Een breede lijst zie R. & v. V., II. bl. 308.
5) Soms wel: bv. classis N.-Veluwe, 1604. MS. A, bl. 100. Die broederen des classis versthaen hebbende von den gedeputirden classis die beleidinghe der saeken, daerdurch Joannes Rhodius in die kerck tot Harderwijck …. gecomen zijnde, hebben het geene dwelck von den deputatis classis darin gehandelt was, geapprobirt, enz.
6) Vgl. R. & v. V., VI, bl. 287.

|99|

Zoo werd dus het kerkelijk gebied met al grooter zorg bewaakt en bewerkt. Behalve de censuur op de classicale vergaderingen en haar opzicht: »mits dat de classe elck in ’t haere letten op die gebreken«, 1) was er de autoriteit der particuliere synode en hare commissiën. Verschillende deputati ad hoc [want deze bleven bestaan nevens de andere 2)] behartigden bijzondere belangen, de deputati synodi hielden toezicht op het geheel. De synodale classe trad op, wanneer de classen onderling in twist waren geraakt. 3) En de inspectores zorgden voor de visitatie in den kring der classen. Over dit laatste nog een enkel woord. 4)

In 1579 was reeds voorgesteld, dat in iedere classe twee personen daarvoor zouden worden aangesteld. Acht jaar later kwam het echter eerst tot de invoering van visitateurs. Het schijnt, dat tot dien tijd de gebruikelijke rondvraag op de classicale vergadering nog voldoende geacht werd. (Men vergelijke echter hetgeen hieromtrent in het einde van de paragraaf over de classis gezegd is).

In 1581 werd te Middelburg de vraag van Zeeland, Oost-Vlaanderen en Engeland 5): of ’t niet goed was nevens de classicale censuur eene jaarlijksche visitatie in te stellen — beantwoord met een: ’t is onnoodig en zorgelijk. Van een inspectie en superintendentschap was dus nog minder sprake.

In 1586 6) bleef ’t superintendentschap evenzoo veroordeeld, maar omtrent de inspectie werd bepaald, dat, waar ’t noodig was, de classen daartoe mochten overgaan. Tevens werd een formu­lier daarvoor opgesteld in 4 artikelen (bl. 506/507). Dus: een zwenking. Eigenaardig wordt de gereserveerde toon van het artikel der acta gecommentarieerd door een brief van de synode, 7) waarin zeer beleefdelijk het vertrouwen in den ijver


1) R. & v. V., II, bl. 308.
2) R. & v. V., II, bl. 323 (1588); bl. 337, 348, 354, 356   (1589): bl. 383 (1590); bl. 408 (1591).
3) Bl. 356 uit  Dl. II van R. & v. V. is een aardige illustratie voor ’t gezegde. Verg. van 1589.
4) Een enkel, want hierover is een boekdeel te vullen. — Eenige   gegevens staan in de artt. van Rutgers, Heraut, n°. 890, 891, 892.
5) Rutgers Acta, bl. 418.
6) Rutgers Acta, bl. 496.
7) Rutgers Acta, bl. 621.

|100|

der classen wordt uitgesproken, maar toch »tot meerder vordering« van deze zaak wordt goedgekeurd, dat wel uit de classen, maar door de synode particulier, twee personen zullen worden aangewezen.

In 1587 werd in de particuliere synode te Delft dienovereenkomstig dan ook een voorstel gedaan, dat de classes in haren kring zouden zorgen voor deputaten, die waakten over de propositiën, de onderteekening der 37 artikelen, de kerkvisitatie 1) en de kerkgeschiedschrijving, maar eigenaardig genoeg werd besloten, dat de classis alleen dit laatste zou bezorgen. Voor de andere belangen wees de synode zelf twee personen voor iedere classis aan. Althans, volgens eene uitdrukking uit 1588 2) moesten zij inspectie houden, dat de classes zulks effectueerden.

Er valt dus tweeërlei visitatie te onderscheiden: eene op of namens de classicale vergadering in den kring der classen. Een andere namens de particuliere synode over en in de classen.

Deze laatste werd in Gelderland een tijdlang gehouden, maar juist omgekeerd als in Zuid-Holland (waar de classicale visitatie voor de synodale week) is in de provincie, die onder Fontanus als onder een superintendent had geleefd, 3) in 1596, het besluit van Middelburg 1581 in werking gesteld en de provinciale visitatie afgeschaft: »Dewiell die Synodus Nationalis voor onnoedich ende sorchlick achtet [het besluit van 1586 wordt dus eenvoudig genegeerd] inspectores oft 4) superinten­denten in den classibus te ordonneren ende te beholden, soo heeft die synodus sulcke ordnungh vermoege des 64 vraege toe Middelburgh geheelick casseert ende gesloeten, dat soedanige visitatien tot swackinge der classen niet meer en sullen geschie­den, opdat die gotliche gelijckheit der dienaeren des Woorts des toe beter onderholden werde. 5) Maar in het volgende jaar vinden wij ze toch al weder, zij het ook in een anderen vorm: 6) »Overmitz sich bevindet, dat sonder d’inspectie der classen voll


1) Cf. H.H. Kuyper, Post-Acta, bl. 125 vlgg.
2) R. & v. V., II, bl. 321.
3) Cf. de levendige beschrijving van zijn vele tochten in zijn biografie, door Dr. L. Wagenaar, die hem den Hervormer van Gelderland betitelt.
4) Dit  »of«  werd blijkbaar in Zuid-Holland niet aanvaard.
5) R. & v. V., IV, bl. 55.
6) R. & v. V., IV. bl. 61.

|101|

onordeningen incruijpen, sijn die respective kercken van Nijmmegen, Aernhem, Zutphen ende Harderwijck belast ijmanden uijt haeren midden daertoe te committeren, totdat den classis van elcke kercke gehouden sall worden, die dan vol­gens daerinne sullen hebben te versien.« 1) En in 1600 wordt kalmweg van inspectores classis gesproken, alsof ze nooit waren afgeschaft, ja, bleek het noodig te bepalen, dat zij in de gewichtige punten van examineeren, bevestigen, afzetten en attestaties-verleenen niet zonder voorweten van de geheele classis zouden handelen, tenzij »van wegen de viandt« de classis niet kon vergaderen. 2) Tegen den vijand kon de theorie niet op — maar toen de vijand van buiten weg was, bleven er nog genoeg van binnen, welke de waakzaamheid van afzonderlijke inspectores vereischten.

Het is mij niet te doen om de geschiedenis van het deputaatschap te schrijven, 3) maar alleen om aan te wijzen, welke geledingen de kerkelijke organisatie heeft bezeten om haar werk ten opzichte van de zorg voor leer en belijdenis te kunnen verrichten. Het bovenstaande biedt te veel verschil met Voetius’ bovenvermelde voorstelling, dan dat deze op dit punt als de historisch geworden en principieel zuivere gereformeerde kan worden erkend — hoezeer deze geleerde ook de magister juris ecclesiastici reformati moge geacht worden. Daar hij een jon­gere tijdgenoot van de leidende personen uit het tijdvak vóór 1620 was, heeft zijn voorstelling ook nog andere waarde dan een principiëele; maar zijne uitwerking van het beginsel der presbyteriale kerkinrichting is niet de eenige blijkens deze geschiedkundige gegevens. Bij volle erkentenis van het verschil van de omstandigheden vóór 1600 en die nà 1620 had toch een zoo gewichtig punt niet door de praktijk kunnen vermeesterd worden, wanneer een principieel: het kan niet — tegen »algemeene« deputaten had bestaan. Ongetwijfeld was er groot gevaar, dat een al te breed uitgegroeid deputaatschap een hiërarchisch element binnenbracht, 4) maar daartegen


1) De ommekeer is te snel, dan dat hier alleen aan een vermeerdering van »onorden» als oorzaak kan gedacht worden.
2) R. & v. V., IV, bl. 86.
3) Eenige gegevens daartoe in Rutgers’ Heraut-artikelen en talrijke in de Acta van R. & v. V.
4) Vgl. de typische beschrijving van hen, die het deputaatschap begeerden. Voetius, Pol. Eccl., IV, bl. 325 vlgg.

|102|

werd dan ook gewaakt door den eisch van rapport te doen, door het voorloopige karakter der deputaten-besluiten te handhaven, 1) en door een tijdelijk mandaat te verbinden aan telkens zooveel mogelijk andere personen. Doch dan was er verder ook geen bezwaar tegen hun optreden, mits men erkende, dat de kerkelijke vergaderingen niet alleen bestuurszaken hadden te verrichten, maar ook de eenheid der kerk vertoonden, die permanent was. Vandaar die deputaten om, wanneer de vergaderingen niet bijeen waren, het kerkverband te belichamen, onder zekere restricties. Deze gedachte komt bij Voetius niet voldoende tot haar recht en daarop steunde toch metterdaad de toestand voor 1619 — ook al moet erkend worden, dat grootendeels utiliteitsredenen den arbeid der deputaten noodig maakten. Daarentegen is Voetius volkomen in zijn recht, wanneer hij Grotius’ titel voor de deputaten synodi: tusschen-regenten (iets waarover de Independenten juist vielen) verwerpt. Evenwel ligt m.i. het bezwaar niet zoo zeer in het »tusschen«, wat Voetius ook weg wil hebben, als wel in het »regenten«. Want »regenten« in dien hatelijken zin waren de moderatores der vergaderingen niet eens, laat staan de deputaten; ja, de kerkelijke vergadering als zoodanig was niet »regeerend« in die beteekenis.

Het deputaatschap bewijst mede, hoe zeer de presbyteriale organisatie, rustende op den degelijken en breeden grondslag der kerkelijke eenheid en levende door zuiver kerkelijke vertegenwoordiging, groote lenigheid bezat en gelegenheid bood om zoowel hiërarchie als anarchie te vermijden.

***

Als tweede aanhangsel aan dit hoofdstuk en laatste voorbeeld zoowel van deze losheid van beweging, als van de gevoelde eenheid der kerk, moeten nu nog eenige buitengewone vergaderingen vermeld worden, welke niet voorkomen in de reeks kerkeraad, classis, particuliere, nationale synode.


1) Een sterk sprekend voorbeeld hiervoor is te vinden in de classis Neder-Veluwe, 1607. Het gebruiken van deputaten was in Gelderland reeds lang gewoonte en de uitnemende resultaten, bv. van Fontanus’ werk als inspector waren wel geschikt om de oppositie zacht te doen spreken. Maar toen de Leidsche theoloog Laurentius Borcholonius door de vier deputaten was toegelaten tot den dienst des Woords, vond toch de extraordinaire classis van 29 October 1607 het nog noodig »tot breeder versekeringe van die qualificatie sijnes persoons« hem nog op drie rubrieken nader te ondervragen.
En toen werd het besluit dezer extraordinaire vergadering nog weer ter finale goedkeuring aan de gewone classicale vergadering toegezonden. MS. A, bl. 127 en 129.

|103|

Een geheel eigenaardige plaats namen de vergaderingen van correspondentie in, samengekomen, toen de gewone provinciale synode in Holland en elders geschorst werd. Amsterdam was aangewezen als synodale kerk en heeft zich als zoodanig zeer verdienstelijk gemaakt. Maar het meest wel daardoor, dat zij de kerkelijke eenheid door de noodbalken der vergaderingen van correspondentie in 1616 en 1617 heeft gestut, toen de normale openbaring daarvan en alzoo de uitwerking van het gezag werd tegengehouden. 1)

 

Tusschen den kerkeraad en de classis in stond een particulier convent. Deze naam is niet een officiëele, want de vergadering droeg geen geordend karakter. Evenmin wordt er mede aangegeven, dat het eene vergadering tusschen kerkeraad en classis in was, — de kracht der woorden is eenvoudig, dat het een niet-regelmatige samenkomst op kleiner schaal was dan de gewone. Soms werd dan ook gesproken van een particuliere classis. Maar omdat deze naam ook aanduidt: »iedere classis op zich zelf« 2) in tegenstelling met de classes, vereenigd tot een (particuliere) provinciale synode, schijnt mij ’t ongewone »particulier convent« de meest geschikte naam om deze vergadering te onderscheiden van andere.

Reeds vroeger vermeldde ik, dat de plaatselijke kerken de hulp van eenige dienaren des Woords uit de nabuurschap mochten, soms moesten inroepen, wanneer de gewone classicale bijeenkomst niet vergaderd was, bv. bij het beroepen van een predikant en het examineeren van den beroepene.

Doch ook door de deputaten van de classis werd de hulp van eenige andere predikanten ingeroepen bij »zware zaken.« De handelingen van zulk eene vergadering waren niet van zoo provisioneel karakter als wanneer de deputaten alleen gehandeld hadden. In 1600 is in de classis Neder-Veluwe daaromtrent besloten, dat, overmits de classis zooveel sterker werd, en de veraf wonenden telkens groote onkosten hadden te maken en de


1) Zie verder Rutgers, Het Kerkverband. V. Langeraad, Archief, 1900, bl. 132.
2) Zoo althans in ’t class. boek van Sneek, MS. C, bl. 224, uit 1 Mei 1610.
»Is besloten, dat de twee gecommitteerde, bij de Deputaten Synodi geeligeert na Harderwijck sullen trecken met commissie om tgene daer besloten sal worden den classen te refereren, waerover de particuliere classen dan sullen hebben te oordeelen ende te besluijten, na dat sij tot stichtinge van de kercken sullen raetsaem achten.

|104|

classis »langsam« vergaderde, in plaats van door een voorgestelde deeling der classis, de onkosten vermeden konden worden door den deputaten macht te geven, een particulier convent te beroepen, als de nood zulks zou vorderen. Hierin ligt opgesloten, dat 1° de classis van plan was langzaam te blijven vergaderen, en 2° dat het particulier convent meer gezag had dan de deputaten en eenigszins in plaats van de classis kon treden 1)

In 1605 wordt een soortgelijke regeling nog eens vermeld; waarom, is niet duidelijk. Hadden soms de deputati te veel zaken afgedaan? Eenig vermoeden daarvan geven de bewoordingen der acta: »Dewil de classis hir des jahrs nur einmahl vergart, ende darumb den deputati belast werden te verrichten die saeken, die midler tit vorvallen, darvan die gedeputirden sollen protocoll holden umb rekenschap darvan te doen dem volgenden classi. Ende indien solke saeken vor­vallen die hem te schwer werden, als (?) mogen sie einigen beropen van den naesten dienaren umb particulir convent te holden, op dat solks ordentlich geschie.« 2)

Eenvoudig als »Classicus Conventus« staat aangeteekend de vergadering op 19 Mei 1606 gehouden, ofschoon bv. de eerstvolgende vergadering der classis haar ignoreert. Inderdaad is zij geen classicus conventus geweest, wanneer gelet wordt op het ontbreken van de ouderlingen, van meer dan een predikant, van elk spoor der credentiën, die er ook wel niet zullen geweest zijn. Toch stemt het opschrift »Acta classici conventus extraordinarie gehouden enz.«, met de beteekenis dier vergadering overeen. Want hare besluiten bv. zijn in de eerstvolgende particuliere synode erkend als door de classis Neder-Veluwe genomen. Zij was al zeer eigenaardig samen­gesteld, nl. bijeengeroepen door de deputaten, en bestond uit den geheelen (?) kerkeraad van Harderwijk en een negental predikanten uit den omtrek. En dat het geen onbeteekenende


1) Dr. Wagenaar vermeldt een particulier convent door Fontanus samengeroepen, om de beroeping van Johannes Zwitterus te Nijkerk »eenigszins naar kerkenorde in kalk en cement te zetten.« Fontanus was toen »inspector«. Een levendige beschrijving van zijn arbeid in Nijkerk ten jare 1594. (Wagenaar Johannes Fontanus, bl. 100).
2) MS. A, bl. 110. Was er dan geen machtiging van de classis meer noodig? Dit blijft voor mij nog een vraag. Verslag van de partic. classis wordt niet gevonden in de acta. Tenminste zelden. Een enkel maal wel, bv. Heerde 1604. 24 April. MS. A, bl. 101, sub 9: Is oock D. Jacobus Middenbachius te Medemblik von D. Gualthero de Bruin volgens het reces particularis classis in ministerio tot Garderen confirmirt worden.

|105|

vergadering was, blijkt reeds uit het eerste punt der agenda, de bespreking over de acta der Generale Staten, aangaande de bijeenroeping der generale synode, m.a.w. de beslissing over de revisie-clausule. 1)

Op dezelfde gedachte berust de bepaling in 1612 (classicale vergadering te Nijkerk 3 en 4 Juni) 2) gemaakt: Om dan in toekomenden tijden te schuwen alle swaerrigheijt int beroepen der dienaren: So ordinijrt het Classis, dat wanneer ergent van eener gemeente een dienaer des woordts wordt beroepen, ende die den deputaten Classis wordt voorgestelt, dat die eerst letten sullen op sijne wettlicke beroepinge, die goett zijnde, daerop beschrijven particularem classem, uijt der naegst gesetenen dienaren, ende daerop hem ende sijne testimonia examinieren…« De confirmatie geschiedde na approbatie door het E. Hof, ook door de deputaten classis.

 

Met een enkel woord moet hier herinnerd worden aan den zeer aantrekkelijken coetus, zooals die in de classis Amsterdam in gebruik is geweest. Het was een wekelijksche predikanten-vergadering, bepaald met het doel om over de leer te spreken. In het volgende hoofdstuk wordt er breeder over uitgeweid. Maar een tijd lang schijnt deze vergadering de plaats der classis te hebben ingenomen, en in zooverre is deze afwijking niet zonder gewicht om den toestand te leeren kennen. 3) Na wat te voren is opgemerkt, aangaande het tweeledig karakter der classicale vergadering, verwondert zij ons evenwel niet sterk meer. In 1581 is te Middelburg beslist, dat nevens den coetus de classis elke maand met de ouderlingen moest vergaderen.

 

Er valt ook melding te maken van kerkelijke samenkomsten tusschen de classis en de particuliere synode in.

Zoo bv. de vergadering van de twee classen Over- en Neder-Veluwe in 1612 te Barneveld (Praeses Fontanus, Scriba a Mehen). Vorstius had gepoogd voor zijne particuliere belijdenis den


1) De vergadering oordeelde, dat de woorden »van te resumieren den Catechismus ende die Ned. Confessie« geheel behoorden weg te vallen. En als dit niet kon, dat dan althans er bijgevoegd moest worden: »overmits het alsoo van eenen provintz versocht sij.«
2) MS. A, bl. 168.
3) R. v. V., I, bl. 13, art. 21 van de synode te Alkmaar 1573 spreekt over den coetus in zulke termen, als voor de classicale vergadering gebruikelijk is.

|106|

steun van eenige predikanten te verkrijgen. Daarmee vergreep hij zich aan de geheele kerk, welke de belijdenis doet hooren. Deze vergadering handelde eenigszins als een particuliere synode, zoowel in het opstellen en onderteekenen van een verklaring aangaande de quaestie-Vorstius c.a., als door het correspondeeren met de Staten van Gelderland, enz.

In Zeeland is in 1608 een synode gehouden, die terecht in Reitsma en van Veen’s afdruk der acta is opgenomen. Toch getuigen de bewoordingen in de acta zelf, dat het eigenlijk slechts een samenkomst van 3 classen was, Schouwen, Tholen en Walcheren, terwijl Goes en Zuid-Beveland ontbraken. Het is een conventus praeparatorius geworden. Zeeland’s toestanden in deze zijn over ’t geheel zeer bijzonder. De overheid heerschte daar over de kerk; wel met zeer goede bedoelingen, maar toch met zeer belemmerende uitwerking. Synoden zijn er slechts zelden gehouden. Maar dan behielp de kerk zich met een, nog niet eens zeer regelmatig samenkomenden, coetus. 1)

De nadere unie, die hier en daar tusschen eenige classes bestond, bv. in Friesland tusschen Franeker en Bolsward, in Gelderland tusschen Neder-Veluwe en Zutfen en de tijdelijke verwarde verhouding tusschen de classes Nijmegen en Tiel, die vroeger éen rapport hadden uitgemaakt, wijzen op wat in dit alles blijkt, dat niet alleen de officiëele ordening gold, maar ook de natuurlijke behoeften een woord mee spraken. Zoo moet hier ook vermeld worden een voorgestelde vergadering van gecommitteerden uit alle classen van Zuid- en Noord-Holland, waarover is gesproken in de particuliere synode te Delft (art. 3). 2) Deze beraamde samenkomst werd wenschelijk geacht, indien soms de nationale synode onverhoopt nog lang uitgesteld werd. Er was dus reeds toen een vermoeden, dat maar al te juist is gebleken. Vandaar dat deze naar een provinciale synode zweemende vergadering werd begeerd. In elk geval was het voorstel, niet alleen een broederlijke conferentie te houden, maar ook orde te stellen om de eenigheid en zuiverheid der leer onverbrekelijk in goeden vrede te onderhouden. Daartoe werd voor haar bevoegdheid verzocht om de professoren en alle


1) Cf. de Inleiding bl. VII en vlgg. van Dl. V der door genoemde Heeren uitgegeven reeks Acta.
2) R. & v. V., III, bl. 261.

|107|

mogelijke andere predikanten te ontbieden. Er is echter geen vergadering van dien aard gekomen.

Zij herinnert echter aan die andere vergadering, welke wel is gehouden in 1607 (26 Mei), ter voorbereiding van de nationale synode. Ik vermeld haar slechts terloops, omdat de kerkelijke afvaardiging — die conditio sine qua non voor een »kerkelijke« vergadering — bij haar geheel ontbrak. Dat was dan ook een ernstige grief der Contra-remonstranten. Maar wal zou men? De Staten der provinciën zonden eenvoudig hun bevelen en een conferentie, gehouden door eenige predikanten, verbond ten slotte de kerk tot niets.

 

Ten besluite worde nog evenzoo slechts herinnerd (hoewel een volledige opgave 1) hiermee bedoeld noch aangeboden wordt) aan de in Wesel genoemde vergaderingen van het collegium prophetarum. Ten eerste, zijn er maar weinig gehouden — althans wij weten er weinig van — maar ook hadden zij geen betrekking op de kerkelijke regeering. Zij leveren echter wel een gewenscht voorbeeld daarvoor, dat de presbyteriale organisatie ruimte bood voor ontwikkeling van de verschillende gaven, welke in de gemeente aanwezig waren.

Daarentegen reageerde deze kerkvorm tegen de politiek-kerkelijke colleges en zij heeft die ook buiten het lichaam onzer gereformeerde kerk gehouden. Men herinnere zich slechts het voorstel in de particuliere synode te Rotterdam Juni 1586: 2) dat eenen senatus ecclesiasticus vercoren werde … bestaende wt polyticque ende kerckelycke, doch doende professie van de Ghereformeerde religie, persoonen. Ende indien het syn Excellentie believen sal een ghequalificeerde persoon daerby te voeghen, dat sulcx gheschiede. Ende dat desen kerckenraet sal moghen handelen met alle voorval­lende saecken der kercke over den dienaren ende andersins om de saecken te verhooren, neder te legghen, te decideren ende bestraffen, ende indien sulxx niet en helpt, die schuldighe te suspenderen ende praeparatie te maecken de saecke te bren­ghen tot den naestvolghenden synode, alsoo dat dese persoonen


1) Vgl. de vrij uitvoerige beschrijving van de kerkelijke geografie uit ons tijdvak in von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht, S. 49 ff., vooral S. 56.
2) R. & v. V., II, bl. 282.

|108|

ghenomen worden ende vercoren syn by den synode dobbelghetal, daerwt de hooghe overheydt den halven deel neme …« Reeds terstond staat hierbij vermeld, dat sommigen achtten goed te zijn, dat alle autoriteit bij de classen was, of dat de synode daartoe een classe ordonneerde, maar dat deze nieuwigheid »odieux« was. De nationale synode van dat jaar maakte korte metten met dezen voorgestelden, niet-kerkelijken »kerkeraad«, door eenvoudig te verklaren, dat »voor deezen tyd genoeg is, zyn Excellentie te verzoeken, dat hy de geraamde Kerken-Ordening des Synodi wil authoriseeren en by gewoone middelen doen onderhouden.« 1) Verder nog een calmans erbij: »Zoo daar eenige abuisen voorvallen, zal naar gelegentheid des tyds remedie daartoe mogen gezogt worden«. Wij weten reeds hoe inderdaad deze synode door aan te dringen op kerkvisitatie hiertoe den weg wees, maar terecht weigerde aldus arm in arm met de overheid over het kerkelijk terrein een inspectiereis te aanvaarden. Gemengde huwelijken leveren gewoonlijk moeielijkheden op. Men wilde als suppliant bij de overheid komen, ook desnoods overheerscht worden, maar niet in een commissie zich laten dooddrukken, waarbij een »Hier sta ik«, of een beroep op Hand. 4: 19 zachtkens gesmoord werd.

 

Ik heb hiermede de beschrijving van de verschillende geledingen der kerkelijke organisatie ten einde gebracht. Thans is de behandeling van haar praktijk aan de orde.


1) Rutgers Acta, bl. 512.

Schokking, H. (1902) II.7

|109|

 

Hoofdstuk II.
De kerkelijke praktijk.

 

§ 7.
Overzicht van het terrein.

 

Bij de beschrijving van de praktijk der nederlandsche gereformeerde kerk tusschen 1570 en 1620 in zake hare zorg voor leer en belijdenis schenen twee dingen noodig. Ten eerste moest ik mij beperken tot officiëele handelingen, welke toch reeds stof te over aanboden, wanneer ten minste de omvang van dit geschrift niet al te groot zou worden. Doch in de tweede plaats moest, waar zoodanige beperking onvermijdelijk was, nadrukkelijk herinnerd worden aan de omstandigheid, dat die officiëele handelingen slechts een deel, wellicht niet eens het grootste deel, van die zorg uitmaakten. Dit dient bij de lezing der volgende paragrafen voortdurend in gedachten gehouden te worden. Aan allerlei niet beschreven en voor een deel ook historisch niet te beschrijven werkingen ontleende de tuchtoefening in menig opzicht haar kracht. Dit geldt trouwens voor alle praktijk, welke niet mechanisch uitgeoefend wordt, maar organisch gegroeid is.

Is de leer de ziel der kerk, zooals Calvijn heeft gezegd, dan zal er ook geen plekske zijn in het lichaam der kerk, noch eenige handeling, die van haar uitgaat, of eenig verband, soms zelfs een ongedacht nauw verband, met de leer zal te bemerken zijn. Ten minste, zoolang eene kerk leeft — en al duidelijker, naar mate zij zich meer van haar leven bewust is. In kritieke oogenblikken kunnen aangelegenheden, die in andere tijden van ondergeschikt belang zijn, zaken van gewicht worden en zoo is het

|110|

voorgekomen, dat geen lijk-predikatie werd geduld, die de zwavellucht van ’t vagevuur in een hoekske van de kerk zou vasthouden, terwijl juist alles was opengezet om door de frissche lucht der reformatie allen roomschen damp te verdrijven; dat ook orgelspel verboden werd, hetwelk immers de herinnering kon opwekken aan de zinnenbekorende superstitie van vroeger en het oor minder begeerig zou maken voor de eenvoudige prediking van het reine Evangelie. Vooral, wanneer de ziel haar leven bedreigd ziet, of meent te zien, zal zij alle wachtposten verscherpen. Carlyle herinnert aan de i in den strijd over ’t Homoioesïon; zulk een i is er in Servetus’ uitroep 1) op den brandstapel: Jezus, Gij Zoon des eeuwigen Gods, ontferm U mijner (in plaats van: Gij eeuwige Zoon Gods); de i is zonder toelichting — zooals Scholten heeft aangetoond 2) — in het 3e artikel der Remonstranten bijna niet te vinden en toch zien allen, Contra-remonstranten zoowel als Remonstranten, hoe dat zelfde artikel een geduchte steen is in den onoverkomelijken scheidsmuur tusschen hen beiden.

Zoo staat het ook bij dit onderwerp.

De praktijk in zake de leer? Wel, zij was misschien veel krachtiger werkzaam in de huiskamer, waar een vader aan zijn kinderen verbood dezen of dien predikant te gaan hooren, dan in de synode onder de praesidiale leiding van Bogerman. Er is hier geen weegschaal — wie weegt het onzienlijke? Er is geen maatstaf — wie meet hetgeen nooit stil is? De beoordeeling van den invloed dier ongeorganiseerde, maar hoogst organische uitingen kan slechts een vraag wezen, maar die vraag sta dan ook waarschuwend aan het begin van de beschrijving der »praktijk« des levens, nl. deze: of niet misschien het schijnbaar geringe, vooral het niet geregelde en niet geziene van veel meer beteekenis is geweest, dan wat kan worden waargenomen, gegrepen, gemeten en beschreven? Allerminst de Gereformeerde zelf zou deze vraag ontkennend hebben willen beantwoorden, waar voor hem de Ecclesia de communio fidelium was en voor de idee van een Ecclesia docens in zijn opvatting omtrent de kerk geen plaats was. Spreek zelfs van »de kerk als instituut« en  »de kerk als organisme«, en ge hebt een formule, ja, maar


1) Stähelin, Calvin, I, bl. 457.
2) Leer der Hervormde kerk, II, bl. 472.

|111|

een formule met een x er in, die niet te berekenen valt, nl. de kerk, die zich noch puur als »instituut« noch puur als »organisme« laat voorstellen. 1) Maar zonder x gaat zelfs de wiskunde niet voort — laat ons er dan geen bezwaar in zien, er mede op weg te gaan in de geschiedbeschrijving. Alleen worde onthouden, dat zij er is. En hiermede wenden wij onzen blik af van wat er leefde, praktijk maakte in en door gesprekken in huis en op straat, in de opvoeding der kinderen, in gewoonten, welke in onbruik geraakten of andere, die in zwang kwamen, in één woord van de ecclesia militans met hare manschap, wapenen, oefening en krijgshandel, om ons nu verder bezig te houden met de op de vlakte zich verheffende bolwerken en de wèl beschreven memoires of nagelaten plannen en besluiten der krijgsraden.

Derhalve, »de kerkelijke praktijk« zal hier beteekenen: al wat wij vinden aan openbare, min of meer geregelde instellingen, die welbewust gegeven zijn om het leven der kerk in zake de leer te beschermen en tot volle ontwikkeling te laten komen.

Dit is de eerste noodzakelijke beperking.

Doch nadere beperking is noodig. Een tweetal handelingen, uitgaande van de kerk als instituut, en beide voor de belijdenis en leer der gemeente van de grootste beteekenis, moet ik slechts aanwijzen en dan voorbijgaan, nl. de bediening des Woords en de catechisatie. Immers met deze woorden zijn een paar onderwerpen genoemd, zoo rijk en breed, dat zelfs een vluchtige behandeling de grenzen van een proefschrift overschrijden zou, 2) maar bovendien — en dit is een afdoende reden — zoowel bij de prediking als bij de catechisatie was de leer der kerk veeleer middel ter verzorging dan voorwerp van zorg.


1) Hebben Rieker en von Hoffmann hiermede wel genoeg rekening gebonden bij hunne beoordeeling van hunne vlijtig verzamelde gegevens? Een uitspraak van von Hoffmann in zijn Das Kirchenverfassungsrecht S. 86 (waar Grotius de eerste wetenschappelijke vertegenwoordiger der rechte Nederlandsch-gereformeerde opvatting van de kerk als een »Genossenschaft« heet, terwijl dan a Lasko »der Schöpfer des modernen Begriffes der Kirche als eine Korporation« genoemd wordt) wekt terstond een gedachte, welke bij de lezing van hun zeer belangrijke en scherpzinnige ontleding van de historische gegevens slechts versterkt wordt, en die zich op deze plaats niet eenvoudiger laat samenvatten dan in deze vraag: of wel met alle gegevens is rekening gehouden alsmede of zij wel alle uitgelegd zijn naar de algemeene overtuiging in den tijd van hun ontstaan.
2) Een schets van den inhoud der preeken, de preekmethode(n), en den invloed van bepaalde personen en scholen, zou daarbij niet mogen ontbreken — een bijna nog onontgonnen terrein, dat bovendien groote bezwaren bij het onderzoek opleveren moet.

|112|

En in zooverre ook bij deze kerkelijke handelingen voor de bewaring der zuivere belijdenis gewaakt diende te worden, zullen wij merken, hoe de kerk toezag, wie den kansel betraden of zich in het catechetengestoelte neerzetten, en voor eene juiste vervulling hunner roeping zich waarborgen zocht te verschaffen. Maar ook nu sta een duidelijk NB: al wat de kerk aan voorbehoedende of genezende middelen in dezen aanwendde, was niet de hoofdzaak in het leven der kerk; het diende slechts om prediking en catechisatie aan haren eisch te doen beantwoorden.

Zoo blijft dus ter beschrijving over: de reeks dier handelingen uitgaande van de georganiseerde kerk, waardoor zij zich trachtte te kwijten van hare roeping, om het »toebetrouwde pand« te bewaren en alzoo zich te betoonen »de pilaar en vastigheid der waarheid.«

Een leidende gedachte voor de indeeling van de te behandelen werkzaamheden scheen mij niet aanwezig te zijn; ten hoogste kan men zeggen, dat de eene daad, instelling, gewoonte, meer diende tot voorkoming van afwijkingen, eene andere meer tot genezing ervan.

Schokking, H. (1902) II.8

|113|

 

 

§ 8.
Het onderzoek bij de toelating tot den dienst des Woords.

 

Zou de hervormde kerk zich de pilaar der waarheid, betoonen, dan was vóór alles noodig, dat hare leeraars die onvervalscht verkondigden.

Derhalve werd het niemand toegestaan als predikant op te treden, aleer hij zoowel van zijn bekwaamheid als van zijn recht-gevoelen blijken had gegeven.

Dit was niet alleen eisch der praktijk, maar vloeide ook voort uit de gereformeerde erkenning van het ambt, niet het minst in onderscheiding van de doopsgezinde opvatting aangaande de openbare verkondiging der waarheid. In 1568 was het blijkbaar niet overbodig, nadrukkelijk uit te spreken: Ut ad verbi Dei ministerium ecclesiaeque qualemcumque ordinem sine legitima vocatione, electione, ratihabitione, justoque examine et ordine legitimo, nemo admittatur, est prorsus necessarium. Dit is zelfs artikel 1 van het hoofdstuk de ministris. 1)

Wie nam het examen af? 2) Meer dan eene kerkorde antwoordt: het onderzoek staat bij hen, bij wie de beroeping staat. 3) Dit is een aantrekkelijke formule; alleen, in de praktijk had men er niet veel aan zoolang er verschil bestond over de vraag, aan wie de beroeping eigenlijk toekwam. 4) Het


1) Rutgers Acta, bl. 13.
2) Cf. H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 354.
3) Emden: Examinabuntur a quibus eliguntur. Dordrecht 1578. art. 4. Rutgers Acta, bl. 63, 235, 377. Evenzoo die van 1581, welke een uittreksel kan heeten van de K.O. van 1578. Ook 1586, Rutgers Acta, bl. 487, 488.
4) Vgl. hierover H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 355. Kleyn, Alg. Kerk, bl. 51, 55 vlgg.

|114|

is niet overdreven van een Skulla en Charubdis in de zee der kerkelijke quaesties dier dagen te spreken. 1) De meest voorkomende wijze van doen schijnt mij deze geweest te zijn: naar aanleiding van een gehoorde predicatie of geruchten en getuigenissen van elders 2) werd in eene gemeente de begeerte uitgesproken om dien of dien tot haren predikant te hebben, omdat men »een goed behagen had aan zijn gaven« en zijn dienst »profijtelijk« scheen te kunnen zijn. Daarop werd deze dan door de ambtsdragers, in casu de dienaren des Woords en de ouderlingen, »onderzocht«. Gaandeweg is den ouderlingen daarbij alleen een adviseerende stem verbleven 3) Keurstem hadden de dienaars des Woords in de classis.

Reeds Dordt 1574 bepaalde, dat het examen openlijk in de classis diende te geschieden 4); desgelijks Dordt 1618. 5)


1) R. & v. V.. I, bl. 205. 206. Zoo is het antwoord te Dordt 1578, sub n°. 55. (Rutgers Acta, bl. 260), dat de ouderlingen alleen advies geven over de zuiverheid der leer, niet goed te rijmen met het geciteerde art. 4. Nog minder de bepaling van 1581, bl. 453 met bl. 377.
2) Classis Amsterdam, 5 Aug. 1585 MS. B: Bardesius, de ambtsheer van Sloterdijk en de schout komen zeggen, dat zij over de preek van Petrus Vezekius zeer tevreden zijn. De classis zal nu voortvaren tot volkomen examinatie. Idem, 10 Juni 1596, sub 3: Aan­gaande het beroep op Oltenhovius waren P. Janns en P. Eediss naar Ouderkerk geweest en hebben aldaar bevonden, dat »die liefhebbers der waerheijt beneffens die broederen, die daer sijn [NB. de terminologie] een goed behagen aan syn gaven gehad hebben.«
3) Rutgers Acta, bl. 260, Dordt 1578, bl. 453. Middelburg 1581. De kerkorde van 1581 is niet veel anders dan een uittreksel uit die van 1578, en aldus gereed gemaakt om aan de overheid gepresenteerd te worden. De bepalingen van 1578 zijn veel waard om de gereformeerde opvatting te leeren kennen. Zij zijn meer desiderata dan facta geweest. Verschillen de artikelen van 1586 en 1618/19 soms juist daardoor met de principieel meer zuivere van 1578, dat zij rekening hielden met hetgeen in de kerkelijke praktijk diep ingeworteld  was gebleken?
4) Aan de classis Emmen is een tijd lang het recht van examineeren ontnomen. R. & v. V., VIII. bl. 141. Vgl. echter VII, bl. 75. 76. Eigenaardig is de verdeeling van het werk tusschen de gen. classis en de 3 classen bij ’t examen van Wessel Hoffman. R. & v. V., VIII. bl. 144.
5) Hierin ligt een aanwijzing voor de gedachte, welke in hoofdstuk I is besproken, dat de dienaar des Woords, hoewel hij voor eene gemeente werd geroepen, in betrekking staat tot de kerk in haar geheel. Kerken, die slechts een dienaar hadden, konden natuurlijk de hulp van predikanten uit de buurt bij dit onderzoek niet ontberen, maar deze praktische reden was, naar ik vermoed, niet de beslissende. Eigenaardig is zeker het voorbeeld door Kleyn, Alg. Kerk en Pl. Gem., bl. 56 aangehaald, waaruit blijkt, dat iemand zelfs »peremp­toir« werd geëxamineerd, zonder dat hij reeds ergens beroepen was en zelfs als lidmaat der classis werd aangenomen, eer hij een plaats had (Winandus Joannis 1582). Hij vermeldt ook een klacht uit de classis Dordt 1578, over ’t aanstellen van een predikant zonder medewerking van de classis. Een dergelijke klacht wordt in 1596 (10 juni, MS. B) in de classis Amsterdam gehoord uit de gravamina van Haarlem. (Vgl. hiermee 4 Augustus 1586 en 13 Juni 1588).

|115|

Zoo is het ook vaak gebeurd. Doch volstrekt geen bijzonderheid was het, wanneer een tweetal predikanten tot de examinatie werden aangewezen, of wanneer, tusschen de classicale samenkomsten in, de deputaten classis dit werk behartigden 1). Doorwerking van den ouden standregel »examinabuntur a quibus eliguntur« in verzwakten vorm was het, wanneer een examen door eene vergadering van een kerkeraad met eenige genabuurde predikanten, en wel door hun mond, geschiedde. Eene uitzondering, wel kenmerkend, maar toch abnormaal was het, wanneer eene grootere stad eenvoudig voor kleinere gemeenten patroniseerend optrad, bv. Amsterdam voor Ouderkerk en Sloten in 1586, volgens de notulen van den 4 Augustus: De dienaars van Amsterdam »hebben Thomas Sprinchusius van Graeve beschreven totten dienst der kereke, hetsy voor Auderkercke en Amsterveen, ofte voor Sloten ende Sloterdijk; naerdat men bevinden zal den meesten noodt te verheyschen«. 2)

In de classis Dordrecht is tusschen 1579 en ’82 door den kerkeraad der stad van dien naam of door gedeputeerden daaruit, in bijzijn van een of twee andere predikanten, geëxami­neerd. 3) Eene aanteekening uit de classis Neder-Veluwe ten jare 1600 wekt het vermoeden, alsof alleen in de steden of ook in de kleinere plaatsen door de consistories werd geëxamineerd; — wel niet al te streng. In ’t algemeen treedt in het licht, dat de kerk haar eigen examina had, hetzij de particuliere gemeente dan wel de classis of ook de particuliere synode 4) het onderzoek instelde.

De erkenning der academische examens, welke langzamerhand plaats greep, was met dezen regel niet per se in tegenspraak. Afstand van rechten of overdracht van bevoegdheid was daarmede allerminst bedoeld, veeleer was het slechts een


1) R. & v. V.. IV, bl. 320. Synode te Nijmegen 1619 »sijn gecommitteert D. Joh. Smetius, examinator classis Neomagensis ordinarius, en D. Wilhelmus Nagge, om te confereeren etc.
2) Deze aanteekeningen zijn door Plancius geschreven. Hij is dus ook ter vergadering geweest. Van een protest wordt niets bemerkt. Hij is dus niet doctrinair geweest op het punt der »plaatselijke zelfstandigheid«, of liever, de doctrine was er blijkbaar in die geaccentueerde opvatting nog niet. Hij was er de man niet naar om de lijnen te verflauwen.
3) Cf. v. Langeraad, Stemmen voor Waarheid en Vrede, bl. 250. Hij wijst in de volgende bladzijden op de vaak ongeregelde toestanden, waarin van de nood een deugd moest gemaakt worden.
4) R. & v. V., II, bl. 388, 1591.

|116|

praktische vereenvoudiging, terwijl de beschouwing van de theologische faculteit, als verbonden aan den dienst der kerk, den gewenschten ruggesteun bood. Waren de professoren qua doctores ecclesiae niet kerkelijke ambtsdragers? Ja, was niet in de gereformeerde zeven provinciën de geheele academie te »reformeeren«? Betaamde het ook niet den anderen professoren de confessie te onderteekenen, gelijk de theologische daartoe verplicht waren? 1) Derhalve werd niet de academische bul op zichzelf door de kerk aanvaard, maar alleen die, welke uitgereikt was door »de Universiteyt van Leyden ofte eenighe andere Universiteyt onser Religie«. 2) De candidaten, die daar in ’t examen bestaan hadden, werden, zoo veel de leer aangaat, niet opnieuw onderzocht. Aldus regelde het de kerkorde van 1573. 3) Leiden’s academie, jong Hollands glorie en hoop, werd met name genoemd. 1587 en 1586 herhaalden deze bepaling. Maar, toen het vertrouwen eenigermate geschokt was, werd in de vergadering der dienaren van de classis Amsterdam den 7 Juli 1597 gevraagd: »Also in Synodo Middelburgensi beschloten is, datt die studenten binnen Leyden van den Professoren der Theologie geexamineert zijnde sollen tott den dienst des Woordtz sonder tegen­spreken angenommen worden ende also verscheidenschwaricheiden wit diese resolutie können risen wordt gevraecht off het niet stichtelick is, wanneer eenich student uit die schole van Leyden sal beropen werden in onsen Northollandischen Synodum off die Gedeputeerden diess Synodi niet en behoren over die examinatie van sodanigen studenten te staen.« Veel meer werd in Friesland door de Staten den classen aangeboden in 1611. In Sneek was men echter op zijn hoede blijkens de bewoordingen van het Sneeker classisboek. 4) »Op het missijf der E. Heeren Staten aen den classem aengaende het examinieren de(r) Dienaren ten overstaen van twee professoren ende die


1) Cf. R. & v. V., II, bl. 30 (1618) Zie ook den stichtingsbrief der Leidsehe Academie en die der Franeker Hoogeschool.
2) Rutgers Acta, bl. 235.
3) Rutgers Acta, bl. 235, art. 4. In ditzelfde artikel komt ook deze uitdrukking voor: De ondersoeckinghe sal voornemelick over die gheschieden die te vooren in den dienst niet gheweest, oft niet ghenoegsaem ondersocht en syn. Een vrij rekbare term. Toch niet ongeschikt om het recht der kerk vrij te houden. In ’t algemeen zijn de kerkorden der 16e en 17e eeuw weinig reglement-achtig.
4) Vergadering van 1 October 1611. MS. C, bl. 230.

|117|

scholarchen is besloten, datmen die saecke een weinich aensien sal, verwachtende wat bij andere classen daerinne gedaen mochte worden, mits dat wij middelertijt voordat in de saecke wat gedaen is, ons sullen wachten contrarije der E. Heeren ordinantie dies aengaende te handelen.« 1) Maar de Leidsche twisten van 1604 waren een duidelijk waarschuwend baken in zee. Wel was er in Friesland geen directe aanleiding tot wantrouwen, maar het scheen toch voorzichtig de uitoefening zijner rechten niet uit handen te geven. Terugnemen wat eenmaal losgelaten scheen is nooit aangenaam. En dit stond vast: de kerk heeft het onvervreemdbaar recht van examen over hare a.s. dienaren. Toen er maar eenig verschil met Saravia geweest was, schijnt mij de uitwerking daarvan reeds te bespeuren te zijn in een schrijven van de classis Edam, voorgelezen ter vergadering van de classis Amsterdam op 4 Mei 1598, van dezen inhoud, dat de examinatie der Leidsche proponenten weer aan de classen moest getrokken worden. 2) Zelfs eer de alumni zich aanmeldden tot den dienst des Woords, aldus oordeelde de commissie der Zuid-Hollandsche synode in 1618 en evenzoo de groote vergadering van dat jaar, heeft de kerk de bevoegdheid het onderzoek naar hun vorderingen en gevoelens bij te wonen: 3) »Dat de Alumni Ecclesiarium, die tot dienst van de Kercke opgetrocken worden, so in de collegiën als andersints, dickwils van de professoren der H. theologie ten overstaen van de Gedeputeerde des Synodi moghen worden geëxamineert. 4) Dus: de afgevaardigden der kerk kwamen qua tales in de academie. Deze gedachte werd in velerlei andere voorgestelde bepalingen uitgewerkt en nog scherper voelbaar gemaakt (zie de geschiedenis in Kuyper’s De Leidsche Professoren), maar het is genoeg bekend hoe de rechte verhouding, althans de gewenschte regeling tusschen academie en kerk niet is getroffen. De kerkelijken bleven daarom op hun stuk staan, hoewel zij in de praktijk vaak veel moesten toegeven. Door het dichte kreupelhout der verschillende


1) Ypey en Dermout wijzen op de zorg der Staten van Friesland voor de rechten der hoogleeraren. Zij gaan uit van de veronderstelling, dat de Staten een kerkelijken graad konden verleenen. Aant. 339 op Dl. I.
2) Een anderen voorslag deed de part. syn. te Enkhuijzen 1597, nl. dat gedep. des synodi bij ’t examen zouden tegenwoordig wezen. R. & v. V., I. bl. 235.
3) A. Kuyper, De Leidsche Professoren, bl. 51.
4) Cf. H.H. Kuyper. P.-A., bl. 170.

|118|

bepalingen behoeft voor mijn doel geen pad gebaand te worden. Maakte de kerkelijke richting een bocht om onder den politieken tak uit te schieten, dan wond deze zich weder schielijk daarom heen. Ook de langzamerhand opgekomen scheiding in een »praepatoir« examen, waardoor de bevoegdheid tot proponeeren werd verkregen en een »peremptoir«, hetwelk meestal na de beroeping werd afgenomen en voerde tot inleiding in het ambt, bracht geen oplossing, maar vermeerdering der moeilijkheden. 1)

Doch — zooals gezegd is — deze onderdeelen kunnen onbesproken blijven. Zonder dan ook dieper op de verhouding tusschen kerk en hoogeschool en speciaal de theologische faculteit in te gaan, 2) dient er toch in dit verband op gewezen te worden, dat niet slechts toezicht werd gehouden op degenen, die zich aanmeldden tot den dienst des Woords, doch ook zorg werd gedragen, dat er goed onderrichte jonge leeraars konden komen. Voornamelijk door twee middelen: ten eerste door bemoeiingen, die een gereformeerde opleiding waarborgden, ten anderen door den studenten de middelen te verschaffen om daarvan te genieten.

Wat het eerste betreft, kan herinnerd worden aan de requesten van kerkelijke zijde bij de overheid, belangende de oprichting van scholen en de benoeming der professoren. Men denke aan de geschiedenissen der oprichting van Franekers academie, — der twisten tusschen Arminius en Gomarus te Leiden,


1) Zie hierover H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 352. vlgg., met citaten uit Voetius en Ypey en Dermout. I. bl. 385 vlgg. en de aanteekeningen. In Friesland is het examen ongedeeld gebleven. In 1586 schijnt het eerst van zoodanige splitsing gewaagd te worden. De opgave van Ypey en Dermout ook in H.H. Kuyper opgenomen, dat in Zuid-Holland in 1608 voor het eerst eene bepaling hieromtrent is gemaakt, blijkt niet geheel juist. Reeds in 1602 (R. & v. V.. III. bl. 187) werd besloten, dat er een »praeexamen« en een »finalicken examineeren« met minstens 6 weken tusschenruimte zou zijn. Zie ook Kleyn, Alg. Kerk, bl. 73, noot 3, waar een voorbeeld van dubbele examineering. Kist & Rooyaards, Archief 1844, dl. IV, bl. 32, 34, waar een voorschrift uit 1602 en 1603 uit de classis Nijmegen wordt vermeld.
2) Dit zou een studie op zichzelf worden en is door Dr. H.H. Kuyper als tweede deel zijner behandeling van »de opleiding tot den dienst des Woords« beloofd.
Hierbij zou ter sprake moeten komen, hoe deze verhouding beheerscht werd door de beschouwingen omtrent het wezen en de roeping der kerk, de vrijheid der wetenschap en der kerk, het gezag en de duidelijkheid der H. Schrift.
Deze niet aan de oppervlakte liggende punten zijn in de praktijk toen ter tijd zoo beslist, dat eigenlijk de overheid zeide: Tot zoover laat ik u, kerk, toe. Uit te maken, hoever dit behoorde te gaan en wat deze toelating door de overheid verraadde hangt af van de beschouwing omtrent kerk en burgerlijke overheid.
Cf. H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 210, 219. Wielenga, De verhouding.

|119|

en die tusschen de hoogleeraren in Friesland, 1) — hoe Arminius, door Episcopius’ doorzetten tóch professor geworden, nochtans niet tot den katheder werd toegelaten, eer hij beloofd had geen nieuwe leer te zullen invoeren, 2) — hoe Vorstius is weggedrongen, — hoe zonder ophouden de eisch werd gesteld, dat de professoren, althans die in de theologie, de formulieren van eenigheid zouden onderteekenen, — aan de vele pogingen, niet het minst sinds 1618, om in het curatorium zittingsrecht te verkrijgen voor een kerkelijk persoon. In dit alles is iets anders dan enkel bemoei- of heerschzucht te zien, nl. belangstelling en zorg voor een in kerkelijken zin zuiver gehouden opleiding, opdat aan de te stellen eischen mocht worden voldaan. 3) Ook werd niet alles van de universiteit verwacht. Non-academici, ja geheel ongestudeerde personen konden tot den dienst des Woords toegelaten worden. 4) Bovendien waren er een tijdlang »colleges« en »propositiën«. Een »college« 5) kan misschien vergeleken worden bij een seminarie op kleine schaal, terwijl het gebruik der »propositiën« de rudimenta daarvan kan heeten. Hierbij ontving wie roeping gevoelde tot het predikambt, verlof om zijn preekgaven te laten hooren in den besloten kring eener classicale vergadering of van een kerkeraad. Aanmerkingen en aanwijzingen van den weg om zich verder te bekwamen werden zijn deel, indien er hoop was, dat hij een geschikt dienaar worden zou; alzoo studeerde zoo iemand voort, totdat hij bekwaam geoordeeld werd. 6)

En wat het tweede betreft: — waar men eenerzijds waakte tegen ongeschikte leeraars, werd aan den anderen kant hulp


1) Cf. A. Kuyper Jr., Maccovius, bl. 70/72.
2) Trigland, K.G., bl. 287.
3) Vgl. H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 340.
v.d. Tuuk, Bogerman, bl. 71.
H.H. Kuyper, P.-A., bl. 170.
A. Kuyper, De L. Prof., bl. 50.
R. & v. V., V, bl. 18, 19.
Voetius, Pol. Eccl., III. 1, 3. 8.
4) R. & v. V., II. bl. 428. D.K.O. art. VIII.
5) v. Langeraad, St. v. W. en Vr. Maart 1901. bl. 235, 244. Een college van Duytsche clercken in Dordrecht. 1579-’82.
6) Rutgers Acta, bl. 19. Wesel, art. 26 C. II. Vgl. Emden art. 52. Middelburg art. 14. ’s Gravenhage art. 18. Deze propositiën zijn dus te onderscheiden van de propositiën dergenen, die gestudeerd hadden. H.H. Kuyper, Opl., bl. 352, of: Voetius, P.E., III, bl. 516.

|120|

verschaft aan degenen van wie een goede verwachting was. Men denke slechts aan het groot getal »bursales«. 1) Bij de overheid werd aangedrongen op het verleenen van geldmiddelen, maar menigmaal werd op de vergadering zelf de beurs geopend; ook particuliere hulp aan menig onbemiddeld student kan vermoed en vermeld worden.


1) Cf. H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 358. W. d. M. V., S. III, d. V., bl. 58.

Schokking, H. (1902) II.9

|121|

 

 

§ 9.
De eischen van het examen.

 

De kerkordeningen laten zich over de eischen, aan welke de aanstaande prediker moest voldoen, niet dan in zéér algemeene bewoordingen uit. De Weselsche schets voor een kerkorde geeft nog de meest nauwkeurige omschrijving. Terwijl Emden’s artikel 16 alleen vermeldt, dat ’t examen gaan zal over doctrina et vita, en 1578 vraagt een genoegzame beproeving, dat de examinandus rein in de leer en oprecht van leven is en zoowel versierd zij met gaven om te onderwijzen als te goeder naam bekend sta — wordt het sinds 1586 de standaard-formule, dat het examen is een onderzoeking beide van leer en leven. 1) Daarentegen was in 1568 noodig geoordeeld, dat de candidaat 1) een getuigenis moest hebben uit de plaats zijner inwoning aangaande zijn levenswandel, 2) eene verklaring had af te leggen, dat hij met de leer der kerk eenstemmig dacht, 3) zou ondervraagd worden over al de hoofdpunten der leer »primariis quibusque Doctrinae capitibus« en 4) minstens twee of driemaal een tekst moest behandelen ten overstaan van de ministri en van profeten of ouderlingen, om over zijn preekwijze te oordeelen. 2)


1) H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 350, 351, waar ook de bladzijden uit Rutgers’ Acta staan opgeteekend.
2) Dit was reeds de hoofdsom van ’t examen in de Ordonnances Ecclesiastiques van Calvijn: Cf. H.H. Kuyper, Opleiding, bl. 156, noot 3. Daarin werd het examen verdeeld in tweeën: over leer en leven.
De leer, d.w.z. 1°. of de a.s. predikant goede en heilige kennis der Schrift heeft. 2°. Of hij bekwaam is haar tot stichting der gemeente aan te wenden. 3°. Om ver­keerde opiniën te voorkomen wordt een verklaring gevraagd van instemming met de leer ➝

|122|

Zoowel wat de formeele zijde als wat de materiëele eischen van het examen betreft, zijn deze vier deelen de hoofdpunten in de examinatie gebleven.

Verschil van tijden en gelegenheden heeft echter groot onderscheid gebracht in hetgeen overeenkomstig deze algemeene bepalingen werd gevorderd. Wat punt 1) en vooral 2) betreft is dit gemakkelijker aan te toonen dan voor n° 3) en 4). En deze zijn het juist waarom het ons hier te doen is. Proces­sen-verbaal van examina zijn echter zelden te vinden, terwijl de geschiedenis van de onderteekenings-formule uit de thans gedrukte actestukken reeds vrij nauwkeurig is op te maken. Voor het eigenlijke examen, nl. de ondervraging over de leerstukken en de beoordeeling der preek, bieden de mij bekende stukken weinig, dat rechtstreeksche inlichtingen verschaft. En ook de classicale boeken, waarin dan toch het meeste te vinden moest zijn, omdat de classis examineerde, bevatten gewoonlijk alleen de aanteekening, wie er geëxamineerd zijn en hoe de uitslag is geweest. Zoo ten minste de boeken, welke door mij zijn geraadpleegd. Misschien berust er nog veel belangrijks in de archieven, dat nog niet algemeen bekend is geworden.

Waar de gegevens zoo weinige zijn, is een algemeene beschouwing bijna onmogelijk, Ypey en Dermout kregen uit hetgeen zij nagezien hadden, wat waarlijk niet weinig was, den indruk, dat de examina streng waren. 1) Maar op twee punten worde bij het opmaken van het oordeel gelet: 1° op


➝ door de kerk aanvaard. 4°. (ongeveer gelijk 2°.) Om te weten of hij bekwaam is om te onderwijzen, stelle men een ondervraging in en hoore hem de leer des Heeren in be­sloten kring voordragen.
Het leven, d.i.: of hij van goede zeden is en zich altoos onbesproken heeft gedragen.
1) Aant. op  Dl. I. bl. 173 vlgg. Zij geven een voorbeeld uit 1630, dat curieus genoeg is om hier overgenomen te worden:
In de classis Zevenwouden is Abraham Oberti Miederhuijs geëxamineerd op deze wijze:
21 October: Propositie gedaan.
8 November: Linguae Orientales.
24 » : De natura Theoliae et Verbo Dei.
: De Deo.
25 » : De Deo et decretis, de imagine Dei, providentia, peccato, redemtione et justificatione.
27 » : De perseverantia Sanctorum et de ministerio. Tekst gegeven voor een preek.
7 December: Propositie, en hij laat zien specimina de profectu Theologico.
Gelukkig kwam de man er door.

|123|

nauwkeurige overweging van plaats en tijd. Een strenge bepaling in Holland als die van 1606 bewijst niets voor den toestand in Gelderland. 2° Op het feit, dat elke strenge, vooral elke strenger wordende wetgeving meestal wijst op aanwezige of zelfs voort durende slapheid in de praktijk.

Terecht schrijft daarom H.H. Kuyper in verband met de vele bepalingen tegen de lichtvaardige toelating van vroegere »papen«, »monniken« en het indringen van »loopers«, 1) dat de kerk met dergelijke personen veel te worstelen had. En ook dit »veel« worde niet alleen verklaard uit het getal vroegere geestelijken, die als predikant wilden optreden, maar ook hieruit, dat zij hier en daar en overal zaten en zich dikwijls, ten spijt van alle plakkaten en vertoogen, in hun plaats of streek wisten te handhaven. De scherpe bepalingen vonden haren oorzaak niet het minst in de sterke vrees voor hun invloed, die des te gevaarlijker was, omdat zoo licht een adellijk heer of pretentieus magistraatje deze personen om politieke redenen beschermde.

 

Bij het oordeel over de prosposities legde de dogmatische inhoud het meeste gewicht in de schaal. Daarover beslisten alleen de predikanten, volgens de bepaling van 1578, doch bij de homiletische eischen hadden de ouderlingen niet slechts raadgevende maar ook definitieve stem. 2) Misschien lieten zij zich daarmede krachtig gelden, en ongetwijfeld was er aanleiding tot deze verdeeling van arbeid, maar deze regeling zal er wel toe medegewerkt hebben, dat al de nadruk gelegd werd op het: Wat heeft hij gepreekt, terwijl het Hoe geheel achteraan kwam. Toch zijn er voorbeelden, dat iemand werd afgewezen, omdat hij »slecht« d.i. al te onbeholpen, hoewel schriftmatig, had gepreekt. Vooral in de eerste tijden kwamen er verschillende overwegingen te zamen, die het oordeel over den leerstel­ligen inhoud eenigermate naar achteren drongen. Bv. in 1581 werd op de synode te Middelburg op een vraag uit Overijssel 3): Hoe te handelen met papistische personen, die zich willen laten reformeeren, maar die men niet zoo lang uit hun plaats durft weg te nemen, omdat er dan een volbloed roomse pastoor


1) Opleiding, bl. 346 vlgg.
2) Part. Vragen, 15. Rutgers Acta, bl. 266.
3) Rutgers Acta, bl. 436.

|124|

door de plaatselijke overheid zou gesteld worden, geantwoord: Datmen de Paepen die haere Superstitie verlaeten hebben, recht begheeren te leeren, ende die eerlick leven (hoewel sij noch in allen niet ghenouch verstaendich ende gheoeffent sijn, eenen tijt lanck liever dulden sal, dan de kercken in peryckel stellen«. Dat klinkt anders dan wat reeds 12 jaren vroeger voor Holland was beschreven: 1) Die Monicken ende Papen geweest syn ende sich tot den kerckendienst begheeren te begheven, sal men niet toelaten, dan van der Classe geëxamineert na deser preuve: … 1) datse de leere des Pausdoms versaecken; … 2) datse haer vocatie versaecken; … 3) datse wel gheoeffent ende doorsocht syn door ootmoedicheyt ende patientie; … 4) datse een gave van wel te leeren hebben; … 5) datse de rechte leere bekennen ende sich der Discipline onderwerpen. 2)

Het hoofddoel bij iedere kerkelijke bepaling moest wezen de stichting der kerk. Eenvormigheid zou toen groote ongelijkheid hebben gegeven. Wat op de eene plaats goed werkte, kon elders slechts belemmerend heeten. Bovendien wist immers iedere classis zelf het best, wat in haar kring kon en wat niet kon. In dezer voege luidde dan ook het antwoord der synode van 1581 op de vraag naar een zekere vaste vorm van examineeren, dat het niet gewenscht was alle kerken aan één formulier te binden. 3) Maar aangezien niet ontkend kon worden, dat sommigen hierin, nl. in ’t examineeren, te veel, anderen veel te weinig deden, m.a.w., dat het examen op de eene plaats was als een ijzeren welgegrendelde poort, op een andere daarentegen als een voor den minsten druk zich openende klapdeur, werd er op aangedrongen, dat de classen toch bekwame mannen zouden aanwijzen om de ondervraging te leiden en dat deze gaan moest over de »bysonderste hooftartyckelen der Christelicker religie ende in die stucken, die van verscheyden ketteren aldermeest bestreden worden«. In deze woorden is toch éénige vingerwijzing gegeven, hoewel niemand hieruit ook maar bij benadering kan opmaken, hoe ver de ondervraging ging.


1) Rutgers Acta, bl. 141.
2) Niet minder scherpe bepalingen had men in 1572 op de eerste synode van Noord-Holland te Edam reeds vastgesteld en gehandhaafd in 1573. Cf. R. & v. V., I. bl. 1/16.
3) Rutgers Acta, bl. 434.

|125|

Vermoedelijk is in de eerste tien en twintig jaren na 1570 de maatstaf niet al te vlak aangelegd.

Als de gangbare meening omtrent de onkundigheid der pastoors ten tijde der reformatie niet onjuist is, ook al houdt men voor ons land rekening met den invloed der Broeders des gemeenen levens, dan kunnen de eischen voor de a.s. predikanten niet te hoog geweest zijn, gelet op het niet onbelangrijke aantal roomsche geestelijken, die gereformeerd herder en leeraar geworden zijn. Ook schoolmeesters toonden veel ambitie voor den predikantenrok. Meer dan een rector is dienaar des Woords geworden. Daniel Snecanus meende zelfs qua rector, zonder examen en bevestiging in het ambt, te mogen preeken.

Dat ook ongestudeerden zijn toegelaten is bekend, evenzeer als dat sommigen hunner in de praktijk niet de minsten der broederen gebleken zijn.

Deze gegevens wettigen het reeds uitgesproken vermoeden, dat het examen, ondanks alle zware woorden der kerkordeningen, niet overal zoo moeielijk zal geweest zijn. Sommige feiten bevestigen dit vaak op ongedachte wijze en geven houvast aan onze algemeene voorstelling. Nog al kras schijnt het ten minste dat in September 1594 Regnerus Wincopius, 1) toen reeds genoemd als predikant van Barneveld, nog nooit ’t avondmaal had zien vieren en de classis hem daarom beval naar Nijkerk te gaan, om daar met de gemeente aan te zitten en de regeling dezer handeling te leeren kennen.

Een ander voorbeeld levert een combinatie van gegevens uit de classis Sneek, waaruit een gevolgtrekking van algemeene strekking niet te gewaagd is.

Den 29 September 1584 werd aldaar geproponeerd door Johannes Petri. De propositie werd goed geoordeeld, »van dye meste« staat er nog bij, maar dit is weder doorgestreept. Nu komt er eene onbeschreven ruimte op de bladzijde, een zeldzaam iets in dit boek, waar vaak de acta van de verschillende vergaderingen niet eens door een regel tusschenruimte gescheiden zijn. Wat mag de reden wezen van deze ongehoorde papierverkwisting? Durfde de scriba niet voort?

Vermoedelijk zijn er kwesties geweest. Althans, in de naastvermelde, vermoedelijk ook eerstvolgende vergadering van den


1) MS. A. Verg. van 3 Sept., sub 8, bl. 18. Vgl. ook 13 April, bl. 15.

|126|

6 October 1584 is besloten aangaande het examen van Johannes Petri »dat hij uht syne gedane propositie [die van den 29 September ll.?] geëxamineert [was] ende gesont in dye reyne lere geordelt und tot den dienst des godtlycken Woerts toege­laten van den gemene broederen uthgesondert Martinus Louwermannus dye verclaerde niet genoechsaem gedaen to syne in syne propositie«, want hij vermoedde, dat de preek door een ander gemaakt was. 1) Mij dunkt, dat een eenigermate grondige ondervraging wel aan den dag kon brengen, of Johannes Petri be­kwaam geacht mocht worden zulk een preek te maken. Of Ds. Louwermannus betoonde hier Friesche stijfhoofdigheid, òf de examinatie voelde den candidaat niet hard aan den tand.

Waren de examina moeielijk geweest, dan moesten er, dunkt mij, veel meer candidaten afgewezen zijn geworden dan naar luid der acta heeft plaats gehad. Of was het soms gewoonte alleen het welslagen aan te teekenen? Dit vermoeden heeft weinig voor zich; namen van afgewezenen komen voor en er is geen reden om te denken, dat andere lotgenooten niet werden vermeld.

In de classis Neder-Veluwe is ook de considerans bewaard, waarom Nuckius van Oosterwolde niet kon toegelaten worden. Deze »pastor …. van sijnen dienst ontset sijnde, [had] bij den Hove gepresenteert met den broderen des classis in communi­catie te treden int stuck van die religie.« 2) Het is dus geen ge­woon examen geweest, hoewel de extraordinaire vergadering, die hiervoor den 17 Augustus 1596 bijeen kwam, er dezen vorm aan wilde geven. Toch kan dit colloquium cloctum als voorbeeld dienen.

Nuckius zou een preek houden en over sommige artikelen daaruit zou verder met hem gesproken worden. In plaats van Lucas 15: 1 (En al de tollenaars en zondaars naderden tot Hem om Hem te hooren), dat hem was opgegeven, had hij tot tekst genomen Joh. 14: 1-7 (Uw hart worde niet ontroerd, enz.) Deze preek gaf aanleiding om hem te vragen over ’t geloof, over de »gerechtmakinge des menschen«, over het lijden en


1) MS. C. Curieuser zou het geval wezen, wanneer deze Joh. Petri dezelfde is geweest als de schoolmeester Joh. Petri van Oppenhuizen, die den 23 Juni 1584 wegens dronkenschap tot schuldbelijdenis in de kerk te Sneek veroordeeld was. Den 7 Juli wordt een Joh. Petri tot het examen toegelaten. Het is onmogelijk uit het acta-boek hierin te beslissen, want de naam J.P. is heel gewoon. Reeds 28 April 1584 wordt tweemaal van een Joh. Petri gesproken.
2) MS. A, bl. 39.

|127|

de verdienste van Jezus Christus, »ende dergelijcke.« De uitslag was ongunstig. »Die broderen ondersocht hebben sijn predicatie, ende gehort hebbende sijn antwordt op die vorgestelde vragen, hebben verclaert, dat wel waer is, dat hij der religie offt den worde godts niet tegen gesprecken en heefft, nochtans tot den dienst des Worts mit goeder conscientie niet en can toegelaeten worden, niet alleen van wegen die cleene gaven b(l)ijkende wt sijn predicatie, maar oock dat hij niet en heefft weten op een eenige vrage te antworden.« Daartegen is niet veel in te brengen. De vragen liepen toch waarlijk niet over bijzaken of al te diepe stukken. 1) De toon der aanteekening wijst echter m.i. op groote zachtmoedigheid in het beoordeelen. »Niet een eenige vrage« beantwoord — ja, dan kon men hem toch niet met goede conscientie bekwaam oordeelen. En dan nog een stumperig preekje erbij, over een eigen gekozen tekst! Nuckius mocht en kon over hardheid bij de examinatoren in Neder-Veluwe’s classis niet klagen. In andere ging het toen reeds strenger.

Ten minste in Amsterdam kwam in 1585 zekere Godefridus Nicolai uit Naarden met een recommandatie van niemand minder dan Helmichius. Zijn examen, den 3 Juni afgenomen, viel echter niet mee. Van onzuivere leering was wel geen ver­moeden, evenmin als dit bij Nuckius het geval was, maar zijn preek over Matth. 11: 28, »Komt tot Mij,« enz., bracht toch aan het licht, dat hij nog onbekwaam was. Hij schijnt wel iets geant­woord te hebben op de vragen, maar kreeg toch de vermaning mede om goed te studeeren in locis communibus en andere boeken. Inmiddels moest hij zich maar geneeren met kinders te leeren. Deze mocht dus herexamen doen; wanneer, wordt er niet bij gezegd.

Weer anders is met Caspar van Bijgaerden gehandeld. De classis Leiden had zijn preek gehoord, maar die »niet aengename noch genoechsam« bevonden. Uit verdere aanteekeningen blijkt, dat van Bijgaerden het gewaagd had terstond ex tempore te preeken, en daarbij heel wat gewaagde uitdrukkingen


1) Toch is N. nog pastor loci gebleven. Hij verzocht, dat men hem nog een korten tijd in den dienst wilde laten, opdat hij van de huislieden niet al te seer veracht zou worden [zulk een gezag hadden dus de examens der gereformeerden reeds bij ’t volk gekregen]. Het werd hem toegestaan, omdat men nu ook zoo spoedig niet iemand voor Oosterwolde had en de bevolking bij ontstentenis van een eigen dienaar, allicht den gewezen pastoor van Doornspijk, Johannes ten Wtslach, blijkbaar een minder gewenst persoon, zou inhalen.

|128|

en veel »affectatie« en »heftige exclamatien« gebezigd had. Wel een nuttig stortbad voor een opgeblazen jong man. Hij had zich echter bij de Heeren van ’t college van Staten beklaagd over het classicaal judicium en deze gaven hem gelegenheid op nieuw te preeken »opt hoff in de capelle.« De particuliere Zuid-Hollandsche synode zond eenige gedepu­teerden om die preek te hooren en na rapport werd goedgevonden, dat hij nog een preek in de kerk te ’s Gravenhage doen zou. Ook had van Bijgaerden een boekje onderhanden, waarvan hij reeds een stuk aan de synode vertoonen kon. Het eind was, dat hij vermaand werd zich voor alle affectatie en die exclamaties in zijn preeken te wachten en zijn »studium« in schrijven en lezen liever moest besteden in ’t lezen van goede auteurs en ’t uitschrijven van zijn preeken, en dan daarbij de gezonde leer niet alleen in haar substantie maar ook in manier van spreken en wijze van tekstafdeeling zou »beleijden.« Dit laatste mag wel voorzien van een N.B. Verder zou hij dan in Delft, waar hij goede preeken gehouden had, of elders nog eenige malen optreden en daarna tot den dienst gepromoveerd worden. Een vermaning om zich te »wachten in saken der religie« kreeg hij achterna, maar Caspar kon tevreden wezen: Leiden’s classis werd metterdaad in ’t ongelijk gesteld, al ontving zijn hoogmoed een gevoeligen stoot. Later bleek, dat Leiden goed had gezien. Ten minste na een jaar was wel ’t boekje af, maar Caspar 1) zelf nog niet bevorderd tot den dienst. De synode van 1592 beval hem daarom zijn boekje ongedrukt te laten en liever voort te studeeren, opdat hij predikant kon worden.

Er bestond, zooals uit deze weinige voorbeelden reeds blijkt, geen eenparigheid in de wijze van examineeren en derhalve ook geen vaste maatstaf. Hoewel uit den aard der zaak de meeste examina op dezelfde wijze geloopen zullen zijn, kon toch telkens een bijzondere weg bij het onderzoek worden ingeslagen.

In 1592 is in de classis Neder-Veluwe een eigenaardig examen geweest, het eerste in deze pas gevormde classis. Van proposities wordt daarbij geen melding gemaakt, wat niet te verwonderen is, waar elf candidaten tegelijk onderzocht werden


1) Cf. R. & v. V., II, bl. 388, 467.

|129|

Ook doordat de examinandi geen studenten maar reeds gevestigde pastores waren, geeft dit examen misschien geen zuiver voorbeeld, maar de aanteekeningen over de ondervraging zijn veel breeder dan gewoonlijk, en daarom is het van groot belang voor dit deel van mijn onderzoek. Het zijn dan ook de eerste in dit boek en de classicale vergadering heeft er allicht prijs op gesteld, dat het op deze eerste samenkomst verhandelde breed werd opgeteekend en voor het nageslacht bewaard, of wij hebben ze te danken aan den ijver van den pas benoemden scriba.

De welbekende Johannes Fontanus uit Arnhem was voor deze gelegenheid overgekomen, wat te begrijpen is van dezen zeldzaam ijverigen man, die niet ten onrechte de hervormer van Gelderland is genoemd. 1) Het was volgens den ouden stijl 4 Juli 1592. Dus nog vóór de officiëele afzonderlijke vorming van de classis Neder-Veluwe, welke in September van dit jaar plaats vond. 2) Toch staan de acta in het classicale boek van Neder-Veluwe, en terecht, want behalve Fontanus en twee ouderlingen uit Arnhem waren enkel Neder-Veluwsche personen tegenwoordig. Voor Boven-Veluwe is te Arnhem een dergelijke vergadering gehouden. 3)

Het opschrift luidt: Acta Classici conventus ende examinis gehouden binnen Harderwijk anno XCII den 4 Julii stylo veteri end volgens, alles wt Chracht eenes gepubliceerden placats van Stadthouder ende Hove des Voorstendombs Gelderen ende Graeffschafft Zutphen. Aanwezig waren vier politieke personen, twee uit Harderwijk (Frerick van Vanenveldt en Arndt Wolffsen) een uit Elburg (Ernestus van Renesse) en een uit Hattem (Melchior Greeffe?). Verder als Ecclesiastici: Johannes Fontanus met twee ouderlingen uit Arnhem, (Herman Conraedts genoemd Engelen en Ernst Joesten), Henricus Heningius, Joannes Caesarius en Wilhelmus Wirtzfeldius, de predikanten van van Harderwijk met Paulus van Arnheim, Werner van Hulsen en Jan Petersen als ouderlingen.


1) Door Dr. L.H. Wagenaar in zijn levensbeschrijving van Johannes Fontanus onder den titel »de Hervormer van Gelderland« (Kampen J.H. Kok 1898). Een levendige voorstelling van zijn vele werkzaamheden is op bl. 96 vlgg. te vinden.
2) R. & v. V., IV. bl. 34.
3) R. & v. V., IV. 32 art 7. Syn. te Hijbroek.

|130|

Uit Elburg: Winandus Johannis met den ouderling Alandt? Kixsen.
Uit Hattem: Ds. Johannes Sanderi met Henrich Cornelessen.

Voor deze aldus samengestelde classicale vergadering ver­schenen volgens het overheidsvoorschrift tien pastores 1) of anders betitelde geestelijken van de dorpen, die nog niet als gerefor­meerde dienaren des Woords erkend waren geworden, enkele schoolmeesters, 2) terwijl afwezig bleven Timannus Alberti de dienaer te Oldebroek, Ludolphus Poecke, (gewoonlijk wordt Pieck geschreven) uit Epe, die een brief ter verontschuldiging had gezonden, Joannes Noucke (de zoo even reeds genoemde Nuckius) vicaris uit Oosterwolde, Jan Jansen de schoolmeester uit Heerde en Gerardus Brandt, schoolmeester te Vaassen.

Met gebed werd begonnen. De oude en ziekelijke Heiningius, uit reverentie tot praeses verkoren, bedankte voor de eer en zoo kreeg de assessor de leiding der vergadering. Dit was Joannes Fontanus. Hij had dus ook te examineeren. Van dit examen staat het volgende opgeteekend:

[Heilige Schrijfft] Die pastoren hebben bekent, dat zij die heilige biblische schrijfft houden voor dat eenich waerachtich ende volcomen woort Godts, al begrijpende dat eenen christenen van noden is te weeten om te geloven ende christelijck te leven om salich te worden. Dat oock die auctoriteit der schriffturen offt des goddelijcken worts merder is als die auctoriteit der kercken.
[Wette] Is oock bekent dat die wette der ceremoniën door Christum sij hinwech genomen, also dat wij deselve niet meer en mogen houden. Ende belangende het Leviticum sacrificium,


1) Wilhelmus die Weese, te Putten.
Georgius de Cooten, te Ermelen.
Johannes Wiehelmi, te Neunspijt.
Johannes te Wtslach, te Doorspick.
Johannes Cleeffken? te Herde (substituut).
Peregrinus van Hierde, te Vaessen.
Bartholomaeus ter Cluisse, te Oyen. (geen pastoor, maar voor 2 jaar »door de huislieden«  beroepen).
Henrichs Wolteri, te Vorthuisen.
Everhardus Swaer, te Neikercken (die wel in de kerk kwam, maar niet in de vergadering).
Lambertus Elberti, vicaris te Neikercken.
2) Conradus Alutarius, te Neikercken.
Altetus Timanni, » »

|131|

dat hetselve geheele cessere, maer so veel aengaet het sacrificium des nieuwen testaments hebben haer bedencken genomen Peregrinus van Hierde, Joannes Cleeffken ende Bartholomeus ter Cleusse.
Wijder dat die wette gegeven is, om dat wij daerdoor tot kennisse der sonden souden comen, ende dat sij ons een paedagogus tot Christum sij, ende eenen regel van ons christelijck leven ende wandel.
[Onderscheit des wets ende Evangelii]. Op die vrage van het onderscheit des wets ende des Evangelii is bekent. Dat die wette van naturen bekent is ende het Evangelium tot ge­naden door Christum is worden geopenbaert. Ten anderen die wett vordert van ons onse eigene gerechticheit der goddelijcker wett conform, het Evangelium offerert ons die gerechticheit Christi door het geloove, namelijck die vergevinghe der sonden. Ten derden die wette verschrickt ons, stellende ons voor oogen de sonden, godes toorn ende onse verdomnisse, het Evangelium vertroostet ons door het geloove aen Jesum Christum.
[Adams vall]. Op die vrage wt wat oorsaecke godt Adam ende Evam heefft laeten vallen in die sonde, is geantwordt, dat godt heefft willen aenwijsen een onderscheit tusschen hem ende den creaturen, namelijck dat Hij alleen perfect sij, ende alle creaturen vallen connen. Ten anderen heefft hij willen openen eenen wech ende middel beijde sijne gerechticheit te bewijsen aen die welcke verdoemt worden, ende sijne barmherticheit aen die welcke door Christum salich worden.
[Vrijen wille]. Op die vrage van den vrijen wille des men­schen is beantwoordt ende bekent. Dat den mensche voor den valle sijnen vrijen willen hefft gehatt ten goeden en ten quaeden. Nae den vall heefft den mensch alleen tot den quaeden eenen vrijen wille ende niet tot den goeden. Ende nae die regeneratie werckt den heiligen geest in die geloovige, dat sij beginnen oock het goede te willen ende te doen, so verre sie door den geest gedreven worden. Ende in dat eeuwige leven sullen sie volcomentlick het goede connen willen ende volbrengen.
[Sonde]. Van die sonde is bekent, dat die erffsonde per propagationem sy in allen menschen, ende dat alle andere son­den werckelijke sonden sijndt. Ende dat die sonde in den heiligen geest is een tegevechten tegen die openbaere verlichtinge des heiligen geestes, ende dat selve wt haet ende nijdt om den

|132|

heiligen geest tegen te staen, ende dese sonde en valt niet in die wtvercorene godes.
[Van den middelaer]. Van den middelaer ende salichmaker is bekent, dat die selve moet wesen Godt non simpliciter, maer die tweede persoon namelijck die soon godes. Ende oock een waerer mensch doch soncler sonde ende datselve in eenicheit der persoon, also dat die twee naturen in Christo sindt een persoon. Ende dat hij daerom Godt moet wesen, om dat hij sijne chracht het werck van onse verlossinghe conste volbrengen. Ende dat hij mensch moeste wesen, om dat hij in der menschlicker naturen den doodt voor den mensch conste sterven.
[Van den Evangelio]. Van den Evangelio is bekent dat het sodanige leere sij, daerin opentlick vercondicht wordt allen gelovigen vergevinge der sonden ende dat ewiche leven om des verdienst Christi wille, welcks oock in den paradijso is geopenbaert ende der heilige geest werckt daerdoor in onse herten het geloove, daerdoor wij salich worden. Dat oock alle menschen door Christum niet salich en worden geschiet niet daerom dat het gebreck aen den lijden ende verdienst Christi sij, maer om dat het aen den mensche selve ist. 1)
[Symbolum]. Van den Symbolo Apostolorum is bekent dat daerin een corte somma is begrepen van all het gene, dat wij behoren te geloven.
[Van Godtj. Van Godt is bekent, dat hij is een geestelijck, onsienlick, onbegrijplick ende eeuwich wesen, oneindtlicker wijsheit, goetheit, gerechticheit. Ende dat Hem lijtmaeten eenes menschen toegeschreven worden, en geschiet niet om dat hij eenen mensche gelyck sij, maer om op sodanige wijse hem te vertoonen wat hij vermach, wille ende doe. Ende derwegen doen die quaelick die die h. Drijveldicheit affschilderen. Van onclerscheit der gocilijcker Essentie ende persoon is geseit dat die Essentia wordt verstaen van die nature ende wesen godes, ende dat de persoon begrijpt modum existendi. Het onderscheit der persoonen, dat die vader van hem selven sij, die Soon wt den vader genereret ende dat den heiligen geest van bijden wtgaet. Onderscheit van gignere ende procedere is, dat den soone sijn essentie hebbe van den vader, den heiligen geest van den vader ende den soone.


1) Deze laatste negen woorden zijn later onderstreept en aan den kant staat NB.

|133|

[Engelen]. Van den Engelen dat sij oock een geestelijck wesen sindt, maer geschapen van Godt, ende dat sij sijndt wt genaden der schepinge kinderen godes.
[Schepinge]. Van die schepinge, dat alles wt niet geschapen is, ende dat selve in ses dagen, omdat godt van sijn schepsel soude gepresen werden. Ende tweederlei vernunfftige creaturen sindt geschapen die Engelen ende menschen, ende die Engelen sindt wt niet gelijck onse seelen geschapen.
[Voorsieninge]. Onderscheit der schepinge ende voorsienicheit godes is, dat door die schepinghe alle dingen haer wesen hebben, ende door die vorsienicheit haer onderhoudinge. Die beschrijvinge der vorsienicheit is in den catechismo. Godt regert door goede ende quaede instrumenten, ende wanner hij handelt dor quaede middelen, die sondigen wel, doch godt wordt haerer sonde niet deelachtich overmitz hij een goet eindt heefft sijns wercks, ende een veel andert als die quaede instrumenten, de welcke het verderffenis soecken, als godt door datselve werck soeckt des menschen salicheit te vorderen. Exempel in het overgeven Christi.
[Jesus Christus]. Van Jesu Cristo is bekent, dat hij Jesus wordt genoemt; omdat hij ons geheele ende alleen salich maekt ende sulx wt cracht sijns lydens ende stervens, ende dat derwegen onrecht doen, die haere salicheit soecken eens deels by Christum ende eens deels by anderen. Christus wordt hij genoemt, dat is gesalffde, om dat hij met den heiligen geest gesalfft is tot onsen propheet, priester ende Coninck. Ende worden hier verstaen niet alleen die gaven des heiligen geestes, maer oock die verordeninge ende instellinge Christi tot sijn officie.
[Propheten]. Onderscheit Christi ende der anderer propheten. Christus is den auctoor der leer, welcke derselver oock haer cracht geefft, die anderen sindt dienaers alleen hebbende ontfangen van Christo dat sy leeren. Onderscheit der propheten des ouden ende des Nieuwen Testaments, Jene hebben geprophiteert van den toekomenden Christo. Dese van eenige besondere dingen. Jene hebben een deel gehat der polityckscher regeringe, dese niet.
[Apostelen ende Evangelisten]. Onderscheit der Apostelen ende Evangelisten. Die Apostelen sindt aen geen kercken ver­bonden gelijck die Evangelisten, daerbeneven hebben die Evan­gelisten geschreven hetgene dat die Apostelen wilden geschreven

|134|

hebben. Nu ter tijt worden die dienaers niet meer Evangelisten genoemt so verre men proprie dit woordt gebruickt, overmitz die Dienaeren geen Evangelium meer schrijven, also dat nu ophouden in der kercken den Dienst der Apostelen, Evangelisten, ende propheten, ende blijven pastores, Doctores, Seniores ende Diaconen.
[Priesterdom]. Van Christi sacerdotis is bekent, dat tusschen dat priesterdom Christi ende dat priesterdom des ouden Tes­taments onderscheit is, te weeten Jene priesters waeren figuren, Christus ist die substantie selffs. Jene saepius Christus semel se obtulit. Tot het priesterdom Christi behoort oock die voorbiddinghe, die hij voor ons in den hemel doet, daerdoor verstaen wordt perpetuus vigor, cracht ende werdicheit des verdienst Christi, mitzgaders sijnen wille, dat die vader ons om synes verdienst wille aenneme. Buiten dit sacrificium en is oock geen soenoffer.
[Eengeboren soon]. Christus wordt den eenighen soon godes genoemt, om dat hij van nature ende wij wt genaden godes kinderen worden sindt. Christus is oock na syn menscheit godes soon op een andere wijse als wij. Want bovendien dat die menschlijcke natuur in Christo met die goddelijcke vereenicht is, so ist hij oock geboren godes soon, ende wij sindt geboren kinderen des toorns.
Ontfangen van den H. geest, dat is door cracht des heiligen geestes ende niet wt sijnen wesen, maer wt den wesen der maget Marie.
[Helle]. Nedergedaelt ter Hellen. Dat wordt Helle heefft in die schrift drijerlei bediedinge, namelick een graeff der dooden, die plaetz der verdoembden, ende groote onwtspreckelicke smertzen. Voor het graeff wordt het hier niet verstaen, overmitz vorgaet, Is begraven. Het kan oock van die plaetz der verdoemnis niet verstaen worden, want nae die godheit is hij overall, nae die menscheit is hij in den grave gebleven ten derden dage, ende sijne seel is in het paradijs gewest; so blijfft dan dat het genomen wordt in die derde bediedinge, namelijck vor die smerten der seelen, die Christus vor ons geleden heefft.
|Hemelvaert]. Die hemelvart Christi wordt alsoo verstaen, dat hij nae sijn menscheit waerachtich is opgenomen, also dat hij op aerden niet en is nae derselver.
[Kercke]. Van die kercke godes is bekent, dat deselve is een vergaderinge der genigen welcke godt van aenbeginne door

|135|

sijn woordt ende geest in eenicheit der waerer religie, ende datselve om Christi wille, ende door denselven vergadert ende onderhouden heefft. Dese kercke wordt gedistinguert in die kercke des ouden, ende in die kercke des nieuwen Testaments, welcke die catholische genoemt wordt. Item in visibilem ende in Invisibilem, In militantem et triumphantem, generalem ende particularem. Die kercke is oock niet altijt in sodanigen staede, dat sie den menschen is bekent gewest, als tot der tijt Eliae, ende daer Christus op aerden wandelde. Dit is verclaert door gelyckenisse van den maene. Het hoofft van die kerck is alleen Christus. Die mercktekenen sindt die suivere leere, het rechte rechte gebruick der Sacramenten ende die disciplin der kercken.
[Justificatie]. Van die justificatie des menschen is bekent, dat die bestaet in die verdiensten Christi, welcke wij ons door het gelove toeigenen. Die justificatie ende regeneratie sindt onderscheiden. Die justificatie is ons toegerekent maer die regeneratie wordt in ons aengericht. Die justificatie ist perfect, maer die regeneratie is alleen begonnen.
[Wercken]. Van den goeden wercken is bekent, dat ons deselve niet rechtverdich en maken, want sy sindt onvolmaeckt, vruchten des geloves, so sindt wij oock schuldich deselve te doen om onse gehorsamheit tegen godt te bewijsen.
[Sacramenten]. Van den Sacramenten is bekent, dat het sindt sienlicke tekenen der onsienlicker genaden. Deser sindt in den Neuwen Testament twee, den Heiligen Doop ende dat Avontmaele des Heeren. Int oude Testament sijncler veel gewesen, in den neuwen weniger. Int oude hebben sie gewesen op den toekomenden Messiam, in den neuwen op dien die gecomen is.
[Doope] Van den doop is bekent, dat dat waeter niet en wordt verandert aengaende sijn wesen, ende datter den Exorcismus daerbij niet en behoort te wesen, den welcken van godt niet en is bevolen.
[Avontmaele]. Van het Avontmael des Heeren sindt veel worden gevallen. Sommige hebben bekent, dat dat wordeken hoc verstaen wordt van den brode, dat wij breken, ende dat die worden der insettinge niet eigentlick als sij luiden, maer figurlicker wijse moeten verstaen sijn. Sommige sindt gebleven bij der Transubstantiatie, andere hebben willen defenderen die consubstantiatie.
So veel vant examen met den pastoren.

|136|

Voor deze breede aanteekeningen mogen wij den scriba, Wirtzfeldius, die bovendien duidelijk schreef, wel dankbaar zijn. Behalve dat het stuk eenige gegevens biedt voor de kennis der gangbare opvatting eer de arminiaansche twisten opgekomen waren, — gegevens, die voor een dogmenhistorisch onderzoek niet geheel waardeloos zijn, gelijk zij blijkens eenige onder­streepingen allicht indertijd als bewijsplaats voor het orthodoxe gevoelen hebben moeten dienst doen, — toont het ons ook, wat iemand als Fontanus, die als een vertegenwoordigend man kan beschouwd worden, de hoofdzaken en onmisbare vereischten achtte voor de toelating tot den dienst des Woords. Wel moet hierbij in het oog gehouden worden, dat het geen gewoon proponents­examen was. De examinandi waren reeds gevestigde pastoors, meest opgebracht in de roomsche leer, in kennis allicht niet boven het waarlijk niet hooge peil van geleerdheid der toenmalige geestelijkheid staande. Daarbij komt dan nog de overweging, dat men toch niet zonder verschillende bezwaren alle dorpen op eens kon ontblooten van hun pastores. Verder doet de eigenaardige aanvang van elk artikel »van…. is bekend« onwillekeurig denken, dat niet zoozeer bedoeld werd, de mate der kennis te onderzoeken, als wel de gezindheid jegens en overeenstemming met de gereformeerde leer. Misschien heeft Fontanus zelf ’t meest gesproken en menig examinandus zich tot een plechtig »ja« of »neen« bepaald. Over de mis is echter lang gediscus­sieerd en de duur van het examen bewijst, dat er meer dan ja en neen is gehoord. Ook teekende Wirtzfeldius op, dat »die pastores niet genoechsaem en sindt gefondert gewest, ende derhalven voor gereformeerde kerkendienaren in dese classe noch niet aengenomen, maer vermaent, dat sie haer wilden wijder bekeeren, ende deswegen het iudicium op verneren tijt gesuspendeert; ende daermede alle valsche leeringe gewerdt worde, sindt haer die articulen vorgehouden,« die op de classis te Arnhem waren opgesteld voor de vroegere pastoors. 1) Men


1) Ook hiervan heeft Wirtzfeldius een volledige copie in het boek geschreven. Zij waren 13 in getal, 12 beloften en een verklaring, dat deze artikelen de Synode niet praejudicieerden.
De 12 punten zijn deze:
1. Erkenning van ’t volstrekte gezag der H. Schrift.
2. De Catechismus is schriftmatig; zal ook geleerd worden.
3. Na de preek zullen voorgelezen worden de 10 geboden, 12 artt., de inzetting van doop en avondmaal. ➝

|137|

ziet: de gebrekkige kennis besliste het pleit niet. Maar, wat zou men in die eerste tijden? De hoofdzaak was of de gereformeerde leer werd erkend en gepredikt.

Eigenaardig genoeg stond er bijna geen polemiek in tegen de roomsche leeringen, maar was de opzet thetisch. Toch is blijkens een protest van Wilhelmus de Weese uit Putten en Henrichs Welteri uit Voorthuizen, die bij maar twee zittingen tegenwoordig bleven en daarna in toorn vertrokken, in de examinatie ongetwijfeld ook gevraagd naar de persoonlijke overtuiging. Zij weigerden ten minste langer te blijven, zeggende, dat zij door Gods genade bij wat ze lange jaren geleerd hadden wenschten te volharden en, wat dit was, moest de classis maar navragen bij hunne toehoorders. »Sulx werd den Hove aengedient« De genoemde Arnhemsche artikelen zouden zij toch ook wel niet onderteekend hebben. De provinciale synode heeft ’t werk, door Fontanus op de classen begonnen, bevestigd. 1) Sommigen zijn ten leste afgezet, anderen vinden wij weldra als gewone dienaren des Woords in hun plaatsen werkzaam.

Dezelfde acta verhalen ons van meer zwakke broeders, die toch onder eenige voorwaarden toegelaten werden. In 1592, (14, 15 Nov. 2) werd Tilmannus Alberti geëxamineerd naar aanleiding van een preek over Joh XX : 21 : Vrede zij met u. Gelijk Mij de Vader zendt enz. Hij werd »al swack« bevonden en vermaand tot naarstig lezen »insonderheit des Catechismi.« Zijn confirmatie werd dus uitgesteld, maar in ’94 (3 Sept.) vinden wij hem nog als een, die vlijtig studeeren moest, hoewel hij bij provisie reeds preekte in Garderen. Eenigen tijd daarna 3) is hij echter toegelaten.


➝ 4. De doop zal bediend worden in de gemeente-samenkomst, volgens het formulier zonder exorcisme.
5. Het avondmaal zal niet uitgereikt worden zonder advies van de classis.
6 en 7. Over de huwelijkssluiting.
8. Doopboek houden.
9. Begrafenis en ziekenbezoek zal gaan volgens den catechismus.
10. De heiligen-dagen worden afgeschaft. Hemelv., Nieuwjaar, 2e Paasch-, Pinkster- en Kerstdag blijven.
11. De pastores zullen hun concubinen trouwen of verlaten.
12. Zij beloven trouw op de class. en synodale vergaderingen te komen.
Sommigen teekenden voorwaardelijk — de meesten onvoorwaardelijk.
1) R. & v. V., IV. bl. 36 vlgg.
2) MS. A, bl. 12.
3) MS. A, bl. 27.

|138|

Daarentegen werd een ander, Henricus Helmichius, in wiens preek over 1 Tim. III : 1 over het opzienersambt »ongeregeltheit ende boese applicatie der Schrifft gespuert« werd (1593) eenige jaren later afgezet. 1)

Hoewel in ’t algemeen de classis Neder-Veluwe ijverig examineerde, ging het hier toch »wat slap«, naar luid eener klacht in 1600. Blijkbaar was ’t examen in handen gekomen van enkele steden. Daarom werd besloten, dat de gedeputeerden der classis erbij moesten geroepen worden.

In Holland schijnt reeds eer de behoefte aan nadere regeling en scherper onderzoek in het examen gevoeld te zijn. De reeds vermelde raad 2) der synode van 1581, die geen algemeen formulair wilde vaststellen, schijnt niet geholpen te hebben. Ten­minste de classicale vergadering van Amsterdam op 19 Mei 1592 had nog weer te oordeelen over een vraag uit Alkmaar’s classis, dat toch een forme van examinatie voor proponenten zou worden opgesteld. Amsterdam meende, dat zulks alleen in een nationale synode kon geschieden. Omtrent ’t al of niet wenschelijke wordt niets vermeld. In Mei 1598 stond zij echter voor de vraag, of het niet goed zou wezen, dat de gedeputeerden der particuliere synode bij de examina tegenwoordig waren. De particuliere synode te Enkhuizen van 1597 had dit sterk aanbevolen. 3) Maar men zag hierin krenking van het recht der classen. In Amsterdam was vermoedelijk een sterke oppositie, al zullen er ook wel voorstanders geweest zijn. Ten minste, er staat iets geschreven van een stemming, een vrij ongewoon verschijnsel. »Tselfde in deliberatie gelegt zijnde, is gestempt dat de classis ongehouden is zulcx te doen, maer zal blijven bij haere voorighe vrijheit. Ende in gevallen hem eenige classis quaeme te vergrijpen, zal deshalve bij de synode gecensureert worden.« 4)

Hierin ligt toch opgesloten de erkenning, dat de voorslag der synode niet zonder aanleiding was gedaan. Deze is niet ver te zoeken: de quaesties Wiggerts en Sybrandts waren toen in vollen gang.

Amsterdams classis met hare bekwame dienaren mocht zoo spreken. Zij hadden waarlijk geen toezicht noodig. Maar de door


1) R. & v. V., IV. bl. 36, 38, 41.
2) Rutgers Acta, bl. 434.
3) R. & v. V., I. bl. 249.
4) MS. B.

|139|

hen bedoelde censuur kon licht te laat komen. En was een predikant eenmaal toegelaten, dan was ’t veel moeielijker de zaken weer recht te krijgen, dan wanneer hij bij ’t examen afgewezen werd. In Friesland b.v. waakten de classes al heel slecht bij de kerkelijke deur. Reeds in 1597 maande de gedeputeerde staten dezer provincie bij een schrijven van den 2 Juli de predikanten der classis Franeker aan, toch geen »onrijpe gesellen« predikant te maken. 1) Sterker nog spreekt een stuk uit de particuliere synode te Leeuwarden Maart 1605, dat niet minder heet dan een »concept… van reformatie ende herstellinge van de vervallene kerckenordeninghen …« 2)

Er waren vooral vier abuysen:
Ten 1en dat vele plaetsen niet voorsien werden met de bedieninge des godl. Woorts, daerdoor de menschen vervallen in godloosheyt ketterijen ende allerleye vervremdinghe van den waeren godsdienst;
ten 2den dat onbequame dienaers tot den dienst der kercken toegelaten worden;
ten 3den dat onbequame dienaers in den dienst der kercken doir seer schadelijcke slappicheyt worden geduldet en niet nae nootwendicheyt gestraft;
ten 4den dat seer ergerlijcke onordeningen, diffidentien ende partijdicheden tusschen dienaers ende classes genomen, gevoedet ende verspreydet worden.

Op het 2de abuis werd dit remedium beraamd:
Art. 1 van Dordt (1578) moet goed gehandhaafd: »reijn in de leere ende oprecht van leven«, waarom »ghene alsodanige instructie den examinandos sal werden gedaen, die tot bedeckinge haerder onbequamheyt mochte strecken.
Verder dat alle commiseratie met de tijtelijcke behoeflickheyt, sinistre affecten ende gonsten van bloetverwanschappen ende anders vermijdet ende verboden sullen sijn, doir dewelcke onbequame dienaers, mochten den kercken opgedrongen worden. Oick sullen in den examine van leere, doch principalijck van leven d’ouderlingen present sijn. Sal insgelijcken geen classis mogen examineren oft tot examen toelaten, die om goede redenen van anderen classen sijn afgeslaghen.«


1) Aanwezig in de portefeuille n˚. 12 classis Franeker sub 5. te vinden in ’t archief te Leeuwarden.
2) R. & v. V., VI. bl. 150.

|140|

Dus ook toen reeds een begin van het later in ons land zoo welig tierende en verwoestende nepotisme. Was in Friesland voor de neefjes en vriendjes het examen al zeer gemakkelijk, elders werd voor anderen de toegang tot den dienst des Woords moeielijk genoeg gemaakt. B.v. een gewezen Roomsche ondervond in 1607, dat in Gelderland op hen, die van buiten kwamen, scherp werd toegezien. 1) Niet minder dan driemaal is de bedoelde, Laurentius Borcholonius 2) onder het mes geweest. Eerst bij de deputaten, waar hij goed werd bevonden; toen nog een en andermaal bij de volle classis. Maar men bedenke, dat dit in 1607 was, terwijl zijn komst uit Leiden ook al niet strekte om ’t volle vertrouwen te wekken. Daarom werd een testimonium van Gomarus gevraagd en bovendien moest hij zich verklaren omtrent de confessie en den catechismus. Beide werden door hem als conform Gods Woord erkend. Verder nog moest hij Danaeus’ »de Ecclesia« vertalen en een eigen praefatie daarbij voegen, waarin hij ook ’t Pausdom afzwoer. Ten slotte werd hij ondervraagd over eenige punten en heeft geantwoord:

I. De S. Scripturae autoritate, plenitudine et perspicuitate.

Dat hij gevoelt, dat die Schriftuijr haer authoriteijt alleen van Godt ende niet van die kercke en heeft. Ende genoechsam zij tot onderwijsinge in glove ende leven: oock bij haerselven lichte genoech hebbe om sich selve te verklaren.

II. De Romana Ecclesia.

Dat Romana Ecclesia, qua Romana, nullo modo sit Ecclesia Dei, neminemque in ea, qua Romana, servari posse.

III. De Pontifice Romano et Papismo.

Dat Pontifex Romanus niet en zij caput Ecclesiae politicum, noch papismus politicum quid, eoque nec adiaphoron: Neque papam habere potestatem universalem in civilibus neque Ecclesiasticis.

IIII. De Praedestinatione.

Dat daer eene verkiesinge zij, ende die oorsaeck van


1) MS. A. Extraord. verg. v. 29 Oct.
2) Zelf onderteekende hij: Laurentius Pauli Borchlonius.

|141|

dien merum Dei beneplacitum, non autem fidem previsam nee bona opera: Gelijckwel Sustineerende Deum Praedestinantem versari circa objectum vestitum qualitate, daerby verstaende Die Sonde.

V. De Providentia.

Dat Godes Voorsichticheijt sich uytstreckt tot alle din­gen: eo tamen respectu, ut bonorum sit causa efficiens Deus, malorum vero permittens: adeo ut mala eulpae dei decreto non eveniant: neque Deum peccata peccatis punire.

VI. De libero arbitrio.

Dat in primo actu vocationis nostrae ad communionem Dei omnia quaecumque concurrunt ad conversionem hominis a Deo sint, atque proinde hominem, qui antea sua natura erat inhabilis ad capessendam supernaturalem gratiam, a Deo habilem effici.

VII. De Universali gratia.

Dat niet allen ende een ieglick mensch (die bontgenoten selve niet uytnemende) genoechsame gnaede voor den dach synes stervens wordt geofferiert.

VIII. De peccato originis.

Dat die erfsonde zij: ende zij reatus et poena teglijck totius generis humani.

IX. De justificatione.

Dat causa formalis zij gratuita imputatio justitie Christi: non autem illud τὸ credere.

X. De impletione legis.

Dat, alhowell Godt volkommen gehoorsamheijt van den mensche vereijscht, dat nochtans niemant in dit leven die gnaede van Godt gegeven wordt, om sulx te prestijren.

XI. De perseverantia sanctorum.

Dat niemant, eenmael den geest der aenneminge tot de kindtschap Godes waerlick hebbende ontvangen, denselve wederom geheel end eindtlich verliest.

XII. De statu animae extra corpus.

Dat hij aengaende animas patrum voor die toekumpst

|142|

Christi in den vleijsch, twijfele, te weten of die van mont(?) ten ewigen leven, dat is, in den hemel zijn ingegaen. Oock wat aengaet den staet der sielen der gelovigen nae de menschweerdinge Christi, dat dieselve neffen die sielen der h. outvaderen, nu, in den hemel zijn by haren hooffde Christo.

Men bemerkt uit deze punten, dat het voorspel der remonstrantsche geschillen reeds voorbij en het thema ook in Harderwijk bekend was. Aan de andere zijde is het kenschetsend voor het jaar 1607 en deze buiten-Hollandsche classis, dat Borchlonius in de volgende vergadering definitief werd aangenomen als dienaar te Doornspijk, hoewel hij eenige singuliere gevoelens had, wat echter niet suffisant was om hem uit het ambt uit te sluiten. Inmiddels was de strijd tusschen Gomarus en Arminius in Holland fel ontbrand en de partij der Remonstranten had zich gevormd. Nu werd de wacht bij de deur versterkt. Trigland 1) geeft toe, dat er wegens omstandigheden »nu in examinibus wat anders ende scherper geexamineert wordt, als wel eer placht te geschieden.« Amsterdam’s classis boek geeft reeds uit 1604 een duidelijk herkenbaar spoor van nauwer toezicht: …. »examinatie van Goossen Diericxzoon, welcke redelick bestaen heefft, alleen dat hij noch tott zijnder tijtt beter rekenschap zal geven van die autoriteyt van Godes woortt, van die Rechtvaerdichmakinge, van Vrijen Wille des menschen ende Lere van die ewige Praedestinatie.« Men verontrust zich nog niet te zeer, raakt niet in verontwaardiging — maar het is toch tusschen de regels door te lezen, dat de schipper de lucht niet vertrouwde en den schoot maar vast wat aangetrokken had. Vier jaar later was het anders geworden: 3) Helmichius deelde mede, dat de H.H. Staten den predikanten die op de conferentie tusschen Arminius en Gomarus aanwezig waren, hadden opgedragen den classen aan te zeggen, dat de examina der candidaten niet bezwaard mochten worden met diepzinnige vragen, die vroeger niet waren voorgesteld. De classis oordeelde fier en rond, dat


1) K.G., bl. 378, 379, bevat eenige vragen, waarop Trigland zelf had moeten antwoorden in 1607.
2) MS. B, Nov. 1604.
3) MS. B, 7 Juli 1608.

|143|

zij de vrijheid wilde behouden om tot stichting der kerken naar gelegenheid van tijden en personen alles te vragen wat zij noodig achtte. Wie de vragen der examina regelde, had betrekkelijk de toekomst der kerk in zijn hand. In den strijd voor 1618 is dan ook het proponents-examen en het al of niet erkennen van een geëxamineerde menigmaal het bolwerk ge­weest, waarom het in de verschillende classes ging, en waarvan het lot, dat den citadel der begeerde nationale synode wachtte, grootendeels afhing.

In 1610 ontstond te Leiden botsing tusschen magistraat en classis wegens de bepaling uit de resolutie tot onderlinge verdraagzaamheid, dat de candidaten niet geweerd mochten worden op grond van hun gevoelen omtrent de praedestinatie. »De classis te Leiden was niet de eenige, die dit gebod overtrad en voortging de kerk te zuiveren en vrij te houden van in haar oog kettersche elementen. Het examen van zekeren Cornelis Tetrode liep juist over de gewraakte punten. Eenige leden der classis beklaagden zich daarover bij Gecommiteerde Raden, die aanstonds eene deputatie naar Leiden afvaardigden. Op den man af werd ieder predikant gevraagd, of hij al dan niet de aanschrijving der Staten wilde gehoorzamen. Van de zestien antwoordden er zeven volmondig bevestigend, de anderen meest ontwijkend; alleen Johannes Lodesteyn van Soeterwoude en Festus Hommius van Leiden verklaarden, dat hunne conscientie dat niet toeliet«. 1)

Een jaar later (1611) werd in de classis Arnhem juist ’t tegenovergestelde bepaald van wat de Hollandsche resolutie voorschreef: nl. dat nieuw aankomende dienaren in hun examen naarstiglijk niet slechts op sommige, maar op alle artikelen der christelijke religie zouden ondervraagd worden en dat ze zich zouden verklaren omtrent de nieuwigheden, onlangs opgerezen« 2) en in 1612 kwam naar aanleiding van de onrust door Vorstius’ verschijning en daden, een extra-ordinaire vergadering van de Over- en Neder-Veluwsche classen bijeen te


1) Cf. M. Dozy, Kerk en Staat te Leiden, in het laatst der 16e en begin der 17e eeuw, bl. 40, van de  Mededeelingen der Mij. der Ned. Lett. te Leiden 1897/98.
Hij verwijst naar: Brandt II, bl. 132. Uytenbogaert K.H. bl. 531.
2) L. Wagenaar, Joh. Fontanus, bl. 128.

|144|

Barneveld, waarop natuurlijk ook over ’t examen gehandeld werd. Art. VII der acta 1) luidt: Dewijle men bevindt (in dese conjuncture van tyt met namen), dat met Sonderlinge doortraptheyt sommige bevonden worden, die sich tot den dienst der kercken erbieden en int examen met dubbelsinnige woorden de rechtsinnige soecken te vercloecken …« zoo zouden voortaan bij het examen de gedeputeerden der part. synode uitgenoodigd mogen worden. En dit zoowel bij ’t examen der predikanten, die te voren reeds gediend hebben, als wanneer een candidaat onderzocht werd. Twee jaar later is deze bepaling verzacht door onderscheid te maken tusschen predikanten, die uit verdachte plaatsen kwamen, en hen, over wie geen vermoeden van onrechtzinnigheid 2) rees.

Verzwaring der eischen kan het wel niet genoemd worden, maar scherper toezicht werd wel bedoeld, wanneer deze zelfde Neder-Veluwsche classis in 1613 3) voorschrijft, dat in examine candidatorum ad ministorium naar de orde en de materie des catechismi en der confessie zal worden gevraagd. 4)


1) MS. A, bl. 163. Ook te vinden R. & v. V., IV. bl. 196.
2) MS. A, 17/18 Mei 1614, bl. 182.
3) MS. B, bl. 178, 11.
4) In dit zelfde jaar werd op voorstel van Hillenius in Drenthe besloten, in ’t examen vooral op niet minder dan zeventien dogmatische punten speciaal te letten. Zie R. & v. V., VIII. bl. 169/171.
Kort samengevat loopen zij  hierover:
1. Of het geloof rechtvaardigt of de gerechtigheid van Christus, (door ’t geloof als instrument toegedeeld);
2. Rechtvaardiging door genadige acceptilatie of door volkomen gerechtigheid;
3. Over de noodzakelijkheid van Chr. zoendood;
4. » » volkomenheid » » »
5. Of ’t zaligmakend geloof zonder historische kennis mogelijk is (vr.  21a cat.);
6. Of er een zaligm. geloof is zonder vertrouwen (vr. 21b cat.);
7. Of een geloovige verzekerd kan zijn van ontvangen genade;
8. Of na den val de vrije wil tot het goede nog bestaat;
9. Of in de wedergeboorte ook van ’s menschen zijde wordt medegewerkt;
10. Of de genade onwederstandelijk is en niet alleen het zich kunnen  bekeeren, maar ­de bekeering metterdaad werkt;
11. Of er een afval der geloovigen is, alsof zij wederom kinderen des duivels worden;
12. Of de voldoening van Christus voor allen geldt en een algemeene verzoening tot stand bracht;
13. Of de uitverkiezing over geloovigen gaat;
14. Of de verkiezing uit, dan wel tot geloof is;
15. Of God naar zijn wezen alomtegenwoordig is;
16. Of de wedergeborene de wet Gods volkomen kan houden;
17. Over de beteekenis der erfzonde.
De nauwkeurige bewoordingen dezer vragen zijn echter wel de aandacht waard.

|145|

Deze bijna elk jaar veranderde en uitgebreide examenbepalingen, zoowel als de bewoordingen waarin zij vervat zijn, wijzen op een groote mate van onrust, welke niet onbegrijpelijk is. Het is niet de eerste noch de laatste keer geweest, dat geklaagd werd over de »dubbelzinnige« woorden der Remonstranten en hun pogingen om den strijd te ontloopen. Zoodra dit echter door de Contra-remonstranten bemerkt werd, groeide het wantrouwen slechts des te meer aan. Trigland wordt er, dertig, veertig jaar later, onder ’t schrijven nog warm over; men kan dus begrijpen, hoe beroerd de gemoederen waren tijdens de geschillen. Arminius’ voorzichtige en tartende, hooge houding tegenover de Leidsche kerkelijke wereld, de beleedigende handelwijze van den Advocaat, die nooit tijd had als de kerkelijke zaken voortgang zouden hebben, waardoor eene wettige behandeling der geschillen op de lange baan werd geschoven, maakten, dat de gereformeerden op het gebied waar zij de wettige gezaghebbenden waren, zich niet met een half bescheid lieten afschepen en tegenover de »ontslibbinge« 1) der jonge lieden, die hunnen leiders de manieren hadden afgezien, de fijnere mazen hunner dialectiek gingen stellen. En ook afgezien van deze aanleiding, was het een principiëele zaak bij het examen, ja het punt waar het om ging, dat de kerk zich vergewiste omtrent de leerstellige overtuiging harer aanstaande dienaren. Zij kon en wilde zich niet tevreden stellen met formules en woorden, — niet om den klank, maar om de bedoeling der termen, niet om woorden die gedachten verbergden, maar om de vrije en onomwonden belijdenis der waarheid was het haar te doen. 2) Vandaar dan ook, dat volgens de particuliere Zuid-Hollandsche synode te Leiden in Aug. 1619 de proponenten, door remonstranten geëxamineerd, eenvoudig opnieuw examen moesten doen. 3)


1) Vgl. den brief van den scherpzienden Cornelius van Delft, die reeds in 1605 aan Helmichius schrijvende, klaagt over deze bedriegelijke handelwijze der leerlingen van Arminius en Borrius. W. d. M. V. S. III, Dl. V. 3e stuk, bl. 359.
2) Von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht S. 116, noemt het examen in verband met de mate van kennis, die geeischt werd. Daartoe heeft hij in ’t algemeen het recht en in zijn kort overzicht kon hij alleen opnemen, wat het eerst in het oog valt. Maar onder de middelen waardoor de kerk zich ervan verzekerde, dat de »Gemeindebeambte« met haar stonden in »Uebereinstimmung des Glaubens« (welke hij terecht als »unbedingt nötig« beschrijft) had het examen ook met een enkel woord vermeld kunnen worden nevens den eisch van onderteekening der  formulieren.
3) R. &. v. V., III. bl. 401.

|146|

De voorbeelden zouden allicht zonder groote moeite vermeerderd kunnen worden, maar de gegevens in deze bladzijden bewijzen met voldoende duidelijkheid, dat de gereformeerde kerk in hare examina de macht bezat en wilde bewaren om den toegang tot den dienst des Woords aan daartoe ongeschikte personen af te sluiten. In hoeverre zij hiervan steeds het rechte gebruik gemaakt heeft en door zuivere motieven geleid is, blijve hier onbesproken, maar welke hare bedoeling was, sprak de classis Sneek uit in deze plechtige, schoone annotatie: 1)

Verscheijden sessien gehouden zynde bij de broederen des Classis over de ondersouckinge van D. Alberto Homeri, waerinne sorghvuldighlick ende als voor de ooghen des Heeren is vernomen nae zyne voorganck in de leere der Godtsaligheyt, zynde mede voor henen gegaen oprechte ondersouckinge zynes levens ende wandels, hebben de broederen voorsz. in de name des Oppersten Herders Jesu Christi, nae de macht ende authoriteyt hun van den Geest des Heeren medeghedeijlt onse opghemelden broeder tot de bedieninge des Heiligen Evangeliums met eendrachtige stemmen toeghelaten, ghelyk zij zulcks midts desen doen.«


1) MS. C, 26 Sept. 1615, bl. 247.

Schokking, H. (1902) II.10

|147|

 

 

§ 10.
De Attestatie.

 

In gewone omstandigheden kreeg de predikant, 1) die van standplaats veranderde, eene attestatie mede naar de kerk en classis, waar hij den dienst des Woords zou voortzetten.

Langzamerhand is hierbij eene reeks formule-achtige bewoordingen in gebruik gekomen. Maar het karakter der attestatie was toch, dat getuigenis werd gegeven omtrent de leer, welke de vertrekkende leeraar blijkbaar was toegedaan, alsmede, maar dit is thans niet aan de orde, omtrent zijn ijver, geschiktheid en uiterlijken levenswandel. Het punt waar het op aankomt is natuurlijk, welk getuigenis de attestatie bevatte. M.a.w. niet het hebben van een attestatie, of zelfs van een schoon gestelde attestatie was voldoende, maar naar den materiëelen inhoud werd beslist, of de overgekomen dienaar tot het vervullen van zijn ambt in den nieuwen kring kon toegelaten. Daarom werd afzonderlijk nagezien of de attestatie wettig en in orde, als ook overwogen of zij genoegzaam was. Niet dat er nooit schuilevinkje gespeeld zal zijn achter de formeele juistheid der attestaties, maar de voorbeelden ontbreken toch evenmin om te bewijzen, dat naar waarheid en zuivere verhoudingen werd gestreefd.

Komt Walther Bruyn in 1586 te Amsterdam 2) met eene attestatie uit Arnhem, waarin stond, dat hij aliquo examine was


1) Ik spreek alleen over de attestaties der predikanten, niet over die, waarmede zij die van elders kwamen, eenvoudig het lidmaatschap bij eene kerk begeerden. Wel is in deze een niet gering deel der kerkelijke zorg in zake de leer te erkennen, (Vgl. Von Hoffmann, Das K. Verfassungsrecht, S. 70 ff.) maar »tucht« gaat over de deelen van het geheel en de gewone lidmaten-attestatie strekte juist om in de plaatselijke kerk als deel opgenomen te worden. Bovendien zou de behandeling van dit punt eene studie op zich zelf vereischen.
2) MS. B, 7 Juli 1586.

|148|

onderzocht, dan oordeelt de vergadering, dat dit niet de vraag was, maar hoe dat examen was afgeloopen. Nog al duidelijk, zou men zeggen, doch de voorzichtigheid der classis was waarlijk niet overbodig. Het afgeven van een attestatie geschiedde niet altoos met de  noodige nauwgezetheid.

Ook was eenig getuigenis noodig, eer men tot het examen werd toegelaten. De eene keer was men hierin veel strenger dan de andere, al naar gelang, dat de personen goed bekend waren, of onbekend, of suspect. Van eenigen vasten regel bij het onderzoek der attesten kan niet gesproken worden. Was de attestatie niet genoegzaam, dan werd soms den persoon zelf opgedragen, een meer volledig getuigschrift te vragen — bij anderen schreef de vergadering om nadere inlichtingen. In eén woord, geen bureaucratisch formeel »visum« was het eind­doel, maar dat de kerk zich kon vergewissen omtrent den persoon.

In 1574 zocht de bekende Pieter Overhaag (Hyperphragmus) in Noord-Holland predikant te worden. De eerste Zuid-Hollandsche particuliere synode antwoordde, dat »men hem niet toelaten en sal, dewijle men hem voor suspect houdt, maar dat men hem eenen tijdtlangh vlijtich naspueren sal ende sijn gheloof en wandel insien. Ende middelerwijl sal men schrijven na Heidelberch ende Embden om seeckere ghetuijghenisse van hem te hebben.« 1) Twintig jaar later was hij zonder attestatie te Homade predikant geworden door bemiddeling van den Heer van Poelgeest. Maar de synode te Rotterdam 2) bemoeide zich er mede en vond zoovele getuigenissen tegen hem, dat hij niet eens examen mocht doen, wat hij trouwens eerst ook zelf geweigerd had. Het was de synode gebleken, dat »voorsz. Hyperphragmus eenen man sy, onsuyver in der leere, niet geheel vreemt van de leere Osiandri, vele secten, alsoo hy hem in voorsz. classe hadde laten hooren, doorsocht hebbende, eenen man, die hem tot Embden, Gendt, Rotterdam, Leyden ende elders noch in de leere der christelycke religie gesondt, noch in synen wandel niet soo stichtelycken, alst wel mochte, gedragen heeft, denwelcken oock tot Wttrecht, dienst soeckende ende int examen onsvyver bevonden, tot den ministerium aldaar niet toegelaten is, die oock die boecken des gheestdryvers M. Wieri velen aangepresen


1) R. & v. V., II, bl. 151.
2) 2 Aug. 1594. R. & v. V., III, bl. 35 vlgg.

|149|

ende gerecommandeert heeft, gelyck oock een boecxken eertyts, waarinne hy de gemeyne kercken grootelycx taxeert, by hem uytgegeven is ende hem met eenen Hans de Rycke van de Waterlanders en de Voetwasschers tegen den kercken partye gevoeght heeft, ende evenwel, sonder kerckelycke attestatie ende dat hy lidtmate der kercke sy te verthoonen, hem in den dienst des woordts Godts, tegen Godts woordt, ordre der kercke ende interdictie van mynheeren Staten etc. soect in te dringen, veelmin dat hy eenige wettige beroepinge soude hebben.«

Het gevolg was dan ook, dat de vergadering besloot »dat alsulck eenen in den ministerio niet getolereert noch tot examen om tot den ministerium te commen behoort toegelaten te worden

Was er geen vermoeden van kwade trouw, dan werd lang geduld gebruikt wanneer iemand niet terstond een attestatie vertoonen kon; iets, dat in die dagen van oorlog en vervolging niet altoos even gemakkelijk ging. Uitstel was evenwel geen afstel. Bv. Wessels Solingensis is op vijf achtereenvolgende vergaderingen er over aangesproken. 1) Soms was het evenwel onmogelijk ’t gewenschte stuk in handen te krijgen, zooals bij Wittaeus van Epe, die wel een attestatie had getoond en in het examen goedgekeurd was, maar toch nog een getuigenis van de universiteit te Heidelberg moest toonen. Door periculum belli was dit ondoenlijk, 2) en zoo werd hij dus van deze 2de attestatie maar ontslagen; doch zoo iets moest een uitzondering blijven en derhalve werd genotuleerd: »mits dit niet in consequentie worde getrokken.« Als dan ook Urbanus te Hattem ongeveer terzelfder tijd eveneens periculum belli aanvoerde, werd hij slechts voorwaardelijk van zijn verplichting ontslagen. Hij had nl. lang geleden te Heidelberg manslag begaan. Mocht ’t nu blijken, dat dit te Hattem bekend geraakt was en aanstoot gaf, dan zou hij alsnog getuigenis moeten opvragen om zijn goeden naam te verdedigen. Hier ziet men een voorbeeld van het kerkelijk »bona fide.« De gemeente immers had er recht op, dat hare voorgangers een goeden naam hadden ook tegenover hen, die buiten zijn.

Valsche attestaties werden natuurlijk niet aangenomen. De


1) MS. A, bl. 13, 15 enz.
2) MS. A, 25 Maart 1605. Wel is waar liep deze en de na te noemen attestatie niet over de leer, maar voor een karakterisatie der praktijk vormen zij geen onaardig paar tegenhangers.

|150|

attestatie uit Middelstum (?), waarop de kerkeraad van Elburg Johannes Kercer had toegelaten als pastor te Oene, kwam der classis eenigermate suspect voor en daarom werd aan Nycasius geschreven, om te vernemen of zij wettig en van waarde was. 1) Desgelijks had in 1584 Jodocus Petri een attestatie van Capito aan de classis Sneek getoond, maar Ds. Johannes Vos noemde haar valsch. Derhalve werd Petri niet erkend. Zijn er bewijzen van echtheid gekomen of hebben andere invloeden, van magistraat of heerlijke macht, bewerkt, dat hij in November van dat jaar toch als gewoon dienaar werd aangenomen? Het classis-boek vermeldt er niets van. Het laatste vermoeden, (hier puur een vermoeden) is in ’t algemeen geoorloofd, want niet zelden verlamde de overheidsbemoeiing de werking der kerkelijke zorg. Vandaar dat, ondanks examinatie- en attestatie-eisch, toch meer dan een in het ambt is gekomen, van wien de kerk weinig vreugde beleefde. 2)

Toen de verschillende afwijkingen, die tot dusver of gelocaliseerd of nauwelijks opgemerkt waren, begonnen door te werken, werd natuurlijk scherper toegezien. 3) In dien eigenaardigen, vaak algemeene aanduidingen bezigenden stijl, waarin menig scriba dier dagen uitmuntte, staat uit 1601 4) opgeteekend: Alzo men verstaet, dat zoodanige dienaren, die wt het Sticht of ander niet wel ghereformeerde quartieren comen, den synodo bekent ghemaeckt sullen worden, heeft de classis van Haerlem inghebracht, eenen Bernardum Spanneum, enz. Dit wijst op grootere waakzaamheid in die dagen. In ’t zelfde jaar had de Zuid-Hollandsche synode Gerardus Blokhovius te Waarder tot eene verklaring van zijn veranderd en nu met de gereformeerde kerken eenstemmig gevoelen gebracht, hoewel hij een goede attestatie had meegebracht van zijn dienst uit Utrecht, Nichtevecht, Maarsen en Montfoort. 5) En dit gaf aanleiding tot eene


1) MS A, bl. 63, 1599 Mei, art. 21.
2) Ook is het soms moeielijk een getuigschrift naar waarheid op te stellen. Een eigenaardig voorbeeld daarvan is, dat Arminius, toen hij naar Leiden ging, van den Amsterdamschen kerkeraad een gunstige attestatie verkreeg, ondanks al wat er voorgevallen was. Trigland, K.G., bl. 288 geeft de redenen daarvan op.
3) »Arminius’ getuigschriften werden met minachting behandeld, en men had opgemerkt, dat zijne leerlingen het masker afwierpen, zoodra zij in de kerk waren.« G.J. Vos, Gesch., bl. 114.
4) Noord-Holl. synode, R. & v. V, I, bl. 293.
5) R. & v. V., III, bl. 170.

|151|

aanschrijving dat men »onbequame oft ontstichtelijcke dienaren« toch geen goede attestatie zou meegeven. Stond een classis over een overgekomen dienaar in twijfel, dan moest men zich niet bij de attestatie neerleggen. Evenzoo besloot de vereenigde vergadering der 2 classen in 1612 te Barneveld, dat alle predi­canten (»uit suspecte plaetsen comende« is als beperking in 1614 erbij gevoegd) niet met het overleggen van eene attestatie konden volstaan, maar zich diens ondanks moesten onderwerpen aan een examen.

Terzelfder tijd (1614) ging men in Amsterdam nog verder. Niet alleen met predikanten, maar met alle »persoonen, die attestatiën brengen, onderteyckent van zoodanige Predicanten die zyn van onsuijver Leere«, moest men »spreken om te vernemen hoe sy in de verschillenten poincten staen.« Men oordeelde dit noodig, omdat die personen niet op zulke attestaties konden worden aangenomen, »doch (ze) evenwel niet voor het hooft (wilde) stooten.« 1)

Dit voorbeeld vond navolging. In 1618 werd voor geheel N.-Holland bepaald, dat men, als lidmaten kwamen met attestaties van remonstrantsche predikers, »zulcke attestatiën niet aenneme, maer de luyden, daermede comende, op een nieu ondersoecke.« 2) Niet alleen aan een onderzoek, maer ook aan eene vermaning moest zich onderwerpen, »een persoon tot Sneeck gecomen van Nimwegen en aldaer met de Remonstranten vereeniget.« Wij lezen n.l. in de acta der classis Sneek, d° 13 April 1619, omtrent genoemden persoon: »so ist besloten van de Broederen des Classis dat de kerckenraet van Sneek den voornoemden sullen ontbieden, en hem onderstaen op de 5 verschillende pointen tusschen ons en de Remonstranten en hem te vermanen so hij wil met de gemeynte hier communiceeren, hem bij de leere deser gemeynte als de ware leere te sullen houden en schultbekenninge van sijn haestige af keeringe der contra-Remonstranten tot de Remonstranten gedaen binnen Nimwegen voor desen kerckenraet doen en hem als nu tot den tafel mede toe te laten in de vreese des Heeren«. 3)

De bewoordingen, waarin de attestatie aan een predikant medegegeven bij zijn vertrek naar elders, vervat was, kunnen


1) Rutgers, Kerkverband, bl. 107.
2) R. & v. V., II, bl. 29.
3) MS. C, bl. 260.

|152|

wij leeren kennen uit eenige voorbeelden te vinden in Dr. H.G. Kleyn’s »Algemeene Kerk en Plaatselijke Gemeente«. 1) Predikanten en ouderlingen verklaren daarin b.v., dat hun »medediener in den Woorde des Heeren zekere jaren lang onder onze Classe het dorp …. met den Woorde ende Sacramenten des Heeren bedient heeft, in welcken tijt hij hem inder reyner leere ende inden leuen alsoe gedragen heeft, als eenen vromen ende trouwen dienaer toestaet, soe veel als ons bekent is, sulex dat wij hem geerne noch langer bij ons gehouden souden hebben.« Vervol­gens nog eene bewilliging in zijn vertrek en eene aanbeveling aan de gemeente, waarheen hij geroepen is.

Men ziet het: de bewoordingen waren sober, kort, maar, als zij consciëntieus waren opgesteld, niet onbeteekenend. De bedoeling was, dat zij bepaald de overtuiging uitdrukken zouden van hen, die de attestatie afgaven; dit blijkt duidelijk hieruit, dat er attestatiën zijn, waarin misslagen door den predikant begaan, niet verzwegen worden; maar omgekeerd werd ook wel vermeld, dat de betrokken persoon ten onrechte beschuldigd was geworden. Matthijs Pieters, die »hem in den leere des Goddelicken Woorts reyn ende suyver gedragen heeft ende noch dragende is,« kreeg toch in zijn attestatie mede: »aengaende sijn leuen ende conversatie is te weten, dat wel eenige aenclachten over hem gedaen sijn, ende dat alsoe tusschen hem en sijne gemeente swaricheyt is gevallen.« Hoewel hij weer met zijne gemeente verzoend is, wil men hem gaarne naar eene andere standplaats laten trekken, overtuigd dat »nade verdoruene aert der menschen die wils diffidentie blijft, daer doer sij onder malcanderen in sulcker liefden nyet en konnen verknoopet sijn, noch malcanderen sulck herte toedragen, als wel behooren soude.« Toch kunnen zij niet nalaten, de hoop uit te spreken »dat na de ernstelicke vermaning bij ons aen hem gedaen, ende na sijne beloefte hij hem alsoe dragen sal, dat alle goede sijner goet contentement hebben sullen, ende dat hij sijne getuygenisse met godsalicheyt sijnes levens bewijsen sal.« Eene merkwaardige attestatie werd door de classis van Dordrecht afgegeven ten behoeve van Laurentius Copicanus, Deze was beschuldigd van verkeerde bedoelingen ten opzichte van eene vrouw, »het welke hij nochtans gelochent heeft ende in harer


1) Bl. 80.

|153|

presentien gestraffet ende oick die saeke mit haer rechtlycken aengeboden te verantwoorden ende in onse Classike versamelinge gehouden tot Geertruidenberg voer Godt op zijn conscientie verclaret heeft onschuldich te sijn.« Toch was, om een »verdrach«, dat hij met die vrouw gemaakt had, »die suspicie ende lasteringe bij velen niet opgehouden;« men meende, dat het beter was, zoo hij zijn standplaats verliet en elders met meer vrucht zocht werkzaam te zijn. Daarom werd hem deze attestatie uitgereikt, niet ten behoeve van eene bepaalde gemeente, maar in ’t alge­meen voor die, welke zijn diensten mocht willen aannemen. De Dordtsche classis voegde er dan ook ten slotte bij: »Bidden derhalve alle kerckendienaers dat se den voorgenoemden (so sij sijner dienst van doen hadden) willen aannemen op sulke wijse als sij het sullen beuinden goet te wesen.«

Schokking, H. (1902) II.11

|154|

 

 

§ 11.
De gemeenschappelijke godgeleerde arbeid op de vergaderingen.

 

Handelden de vorige paragrafen over de vereischten om tot het ambt toegelaten te worden (de »proponentsformule« komt later ter sprake), in deze begint de beschrijving van de opzettelijke werkzaamheid in de vergaderingen om de beleden waarheid grondiger te leeren kennen en als een levende en bezielende kracht voor de gemeente te bewaren. 1) Bedoeld is de gemeenschappelijke studie der ambtsdragers; — niet de arbeid der predikanten in de gemeente, hoewel de meer wetenschappelijke werkzaamheid, welke thans besproken zal worden, aan dezen arbeid ten goede moest komen. De eerste vergadering, die voor deze studie in aanmerking kwam, was niet zoozeer de kerkeraad (immers verreweg de meeste kerkeraden bezaten slechts één predikant) maar de classis.

Vooral in de eerste jaren na ’71 kwam deze geregeld en met korte tusschenpoozen bijeen. Doordat de ouderlingen vaak ontbraken, was zij ongeveer een predikanten-vergadering. Zij had wel de besturing der classicale aangelegenheden in handen, maar diende ook zeer beslist om den dienaren gelegenheid te geven elkander te ontmoeten, van elkander te leeren, niet het minst de jongeren door voorlichting en kritiek verder te bekwamen en gemeenschappelijk dieper door te dringen in de kennis der beleden waarheid. Later werd bijna al de tijd in beslag genomen door bestuurszaken en de onderlinge bespreking verdween van de agenda, maar nog langen tijd  bleef


1) R. & v. V., IV, bl. 13. »Ter stichtinge der gemeente«.

|155|

de classicale preek bestaan. En niet als een opwekkende, geestelijke toespraak, om wijding te geven aan een kerkelijke vergadering, die vaak gekweld werd door eindelooze nesterijen (kwesties met onwillige kerkmeesters en ambachtsheeren of andere magistraten, gebrekkige pastoriën, te kleine salarissen, twisten enz.), maar eer als een soort oefening, en daarom voorwerp van broederlijke beoordeeling, ook al kromp deze langzamerhand in tot een praesidiaal bedankje.

Voor zoover men hier eene algemeene uitspraak kan doen, is ’t niet te gewaagd, het gemeenschappelijk onderzoek der leer in de eerste jaren een hoofdzaak voor de classicale bijeenkomst te noemen.

Men herinnere zich, wat Emden voorschreef omtrent de classicale vergadering. 1) Ook Dordt ’78 noemt onder de vragen, die ter classis gesteld moeten worden: of se niet en twijfelen in eenich stuck der christelicker leere. 2)

Het sprekendst voorbeeld geeft echter de Noord-Hollandsche coetus. 3) Nog voordat de gewone classicale vergadering was geregeld, had Noord-Holland een samenkomst der predikanten, welke een tijd lang de ordinaris classis vervangen heeft, maar wier hoofddoel was: onderlinge bespreking van leerstukken. Helaas is maar zeer weinig over die vergadering bekend. Of de aanteekeningen zijn schaarsch geweest, of zij zijn verloren gegaan. 4) Het voornaamste staat in de acta van de eerste Noord-Hollandsche synode te Alkmaar op 31 Maart 1573.

Art. 21 handelt »van die coetus ende haer deelinge ende wat men daerinne verhandelen zal.« 5) Er zijn 5 coetus gevormd: een in Waterland, een in Enkhuizen, een in Hoorn, een in Schagen en een in Alkmaar. Deze vijf kringen zouden elken Maandag vergaderen. Enkhuizen, Hoorn en Waterland vormden echter om de 14 dagen met hun drieën ééne vergadering te Hoorn en de twee in ’t Westen, Schagen en Alkmaar, insgelijks ééne, te Alkmaar.


1) Rutgers, Acta, bl. 106, vgl. ook hiervoor bl. 43 vlg.
2) Rutgers Acta, bl. 243.
3) Ongetwijfeld een navolging van den Emdenschen. Vgl. H.H. Kuyper, Opl., bl. 308.
4) Een onderzoek in ’t classicaal archief te Amsterdam, waar de dokumenten toch behoorden te zijn, en mededeelingen van Dr. G.J. Vos, e.a. geven mij eenig recht tot deze bewering.
5) R. & v. V.. I, bl. 13.

|156|

In de gewone wekelijksche vergaderingen zou men »van die gemeene hooftstucken der leere spreecken ende verhandelen.« In de gecombineerde vergaderingen eens in de twee weken zal men »het examen van Philippo Melanthone volgen, waeruyt die praeses dengenen die geexamineert sal worden, ordentlyck sal vraegen, mits dat hy nochtans naer gelegentheyt der materien ende der persoonen vryelyck daarbuyten zal moegen treden ende vraegen behoudelycke daerin alle onnutte, hooge ende ydele vraegen vliedende ende alleen den voergesetten regel des godlycken woorts ende gemeyne stichtinge volgende.«

Verder moest iedere »staet ende coetus«, dat is de hoofd­plaats van den kring en de andere predikanten, goede acht nemen op de dorpen om te zien of daar ook iemand was, die God vreesde en of er een predikant begeerd werd. Ook had de coetus te zorgen, dat in alle gemeenten consistories gehouden, en scholen, armen, en openbaren eeredienst geregeld onderhouden werden. Onderteekening van de confessie en van het artikelschrift te verkrijgen, was het laatste punt, aan den coetus opgedragen.

De eerste plaats werd dus ingeruimd voor het onderling verhandelen over de leer. Het woord »examineeren« wordt in het rechte licht gesteld door het andere (door mij) onderstreepte: tot gemeene stichting. Maar natuurlijk zou de praeses hier niet als een soort professor aangesteld en nog minder bepaald het boek van Melanchthon als leiddraad aangewezen zijn, wanneer niet de omstandigheid, dat in vele dorpen de pastoors van vroeger 1) de predikanten van toen geworden waren, zulk een soort college, en wel responsie-college houden hoogst gewenscht maakte. 2) Maar ook nadat deze tijd van eerste regeling lang voorbij was, bleef het gemeenschappelijk handelen over de leer bestaan, waaruit wel blijkt, dat dit een goede zaak werd geacht,


1) Vergelijk wat uit de eerste N.-Hollandsche synode te  Edam over de »reformatie der papen« staat, in R. & v. V., I, bl. 1.
2) Invloed op deze regeling door het voorbeeld van Zürich e.a. Zwitsersche plaatsen mag hier wel erkend worden: daar werd de profetie tot een seminarie. Ongetwijfeld is in de N.-Hollandsche bepaling een vorm van de in Zwitserland bestaande profetie te zien. maar niet zoozeer naar ’t model van Zürich, als wel van den congregationis coetus te Geneve (cf. Calvijn’s Ordonn. Eccl. van 1541 en 1561 aangehaald H.H. Kuyper Opl. bl. 125, 295 vlgg.) Vooral het voorbeeld van a Lasco’s ordening in Londen komt hierbij in aanmerking, gelijk dan ook zijn naam in de desbetreffende bepalingen der Noord-Hollandsche synoden genoemd werd. Vgl. verder de nauwkeurige onderzoekingen van Von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht S. 4 f.

|157|

al zal de wijze, waarop het geschiedde, wel veranderd zijn en ook ’t examen van Melanchthon wel eens uitgediend hebben.

Het is met deze instelling gegaan als met zooveel uit dien aantrekkelijken eersten tijd, met zijn nog kleine kringen van belijders, het eerste vuur, de spanning des gevaars. Langzamerhand werden de kringen echter te groot dan dat daarin dezelfde vertrouwelijkheid van vroeger mogelijk was, veel kreeg een meer officieel karakter.

Dat moest, dat kon niet anders, maar is toch jammer. Het wekt dan ook geen verwondering, dat de synode te Middelburg den coetus in Noord-Holland liet bestaan, 1) hoewel hij de aanleiding was, dat men daar nog niet had ingesteld de gewone classicale vergadering: de vergadering van predikanten en ouderlingen als afgevaardigden der gemeenten. En dat, terwijl drie jaar te voren, in Dordt 1578, geheel geregeld was, hoe overal classen zouden gehouden (art. 11-18 van cap. II der K.O.) 2)

In Noord-Holland heeft men gemeend zich daaraan niet te moeten houden, want in September 1578 kwam de synode te Amsterdam tot het besluit: Aengaende (het 11e artikel van Dordrecht 1578) sprekende van de classicale vergaerderinge, die de dienaren ende ouderlingen allen maenden souden houden, is besloten, dat alsoo hier alomme in desen quartier alle weken ofte veertien daegen van den dienaeren elcker classis bijeencompste ende vergaerderinge gehouden wort [dat is de thans besproken coetus] in diewelcken zy van die leere met malcanderen handelen ende disputeren, dat zy daeromme aan ’t zelve artyckel nyet gebonden en zijn.« 3) Nu, de nationale synode van 1581 verstond het anders en stelde den eisch, dat de gewone classicale vergaderingen moesten gehouden worden, nevens den coetus, en wel om over kerkelijke zaken te handelen, niet over de leer.

Hoe lang deze twee naast elkander bestaan hebben, weet ik niet. Vermoedelijk niet lang. De coetus schijnt omgezet te zijn in de gewone classicale vergadering 4) met verlies van de broederlijke leer-besprekingen, maar de ouderlingen bleven ook


1) Rutgers Acta, bl. 441.
2) Rutgers Acta, bl. 242.
3) R. & v. V. I, bl. 57.
4) Aldus moet gesproken worden na 1570 in onze kerk. Oorspronkelijk had de coetus in de buitenlandsche gereformeerde kerken vrij wel geheel de beteekenis van de classis bij ons. Cf. Von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht.

|158|

weg, zoodat er nu eene vergadering was, die noch het oude coetus-, noch het zuivere classis-karakter bezat. Ten minste uit 1584 stamt de synodale aansporing, dat toch de ouderlingen zouden medekomen in de classis, waar de deputaten voor de synode moesten benoemd worden. In ’95 was zulk een herinnering voor vele dassen nog eens noodig — wel een bewijs, hoe zeldzaam de verschijning van een ouderling in de classis was of geworden was. 1) En wat de werkzaamheden op die classicale vergadering van bijna alleen predikanten betreft, de acta der classis Amsterdam, die met 1582 beginnen, bevatten geen spoor van »leer«-werkzaamheden zooals de coetus die had. De inhoud bestaat uit wat wij zouden noemen bestuurszaken. Op zich zelf is dit wel geen afdoend bewijs, dat er niet gemeenschappelijk gestudeerd is, — immers acta zijn geen notulen in onzen zin — maar vooraan in het tweede boek ligt een huishoudelijk reglement, van Juli 1610. Dit vermeldt wel de concio classicalis (waaromtrent de acta zelf ook geen aanteekeningen bevatten — een waarschuwing tegen een argumentatio e silentio) maar verder alleen wat met de regeering der kerk samenhangt.

De concio classicalis was in Dordt 1578 voorgeschreven. 2) Zij moest en kon ten deele geven, wat de »coetus« bedoelde, nl. gelegenheid tot onderlinge oefening en gemeenschappelijk onderzoek. Emden wilde, dat die preek als in een gemeente­samenkomst publiek gehouden en daarna inter parietes door de ambtsbroeders beoordeeld zou worden. 3) De particuliere Noord-Hollandsche synode van 1595 vond echter goed, dat zij enkel door de ter classis aanwezigen gehoord werd. Zoo verloor zij reeds hare breede plaats. In ’t genoemd huishoudelijk reglement der classis Amsterdam bleef het een openbare preek, maar kwam het verband met de classicale vergadering veel minder tot zijn recht: het was een soort liefdebeurt geworden om het den Amsterdamschen predikanten wat gemakkelijker te maken. 4) Op die wijze was er letterlijk niets van de


1) R. & v. V., I, bl. 187, 209.
2) Rutgers Acta, bl. 243.
3) Cf. B. van Meer, De Synode van Emden, bl. 246.
4) »Soo dickwils de Classe ordinaerlich vergadert ofte buyten ordre beschreven wordt, sal een van de dienaers buyten de stadt Amsterdam woonachtig des volgenden dysendaechs [NB. de class. vergadering liep gewoonlijk op Maandag af] de dienaers binnen de stadt met eene predikatie verlichten ende vereeren [?].

|159|

oorspronkelijke bedoeling overgebleven: van critiek geen sprake en zelfs ’t »ieder op zijn beurt« is hier verdwenen.

Art. XV van Dordt ’78 had nog de oude gedachte bewaard: ieder der dienaars zou »bij ghebuerte een korte predicke doen van welcke de anderen oordeelen en van hetghene dat verbeteringhe behoeft hem vermanen sullen.« ’s Gravenhage 1586 zond een brief aan alle classen, om toch vooral het houden van de preek niet na te laten, welke zoo geschikt was »om malcanderen in de handelinge der Schriftuere te oeffenen ende die leere in hare suiuerheit dies te beter te onderhouden.« 1)

Blijkbaar werd deze goede gewoonte niet alom meer gevolgd, maar evenzeer blijkt uit deze aanschrijving, dat de voorstelling: »de classis dient mede tot onderlinge oefening,« 2) toen nog vrij levendig was. Daar was de oefenschool der jeugdige predikanten onder ’t oog en de toelichting der ouderen — daar bewaarde de toerbeurt den oudere voor het rusten op eenmaal verkregen lauweren.

Indien eene bepaling van 1574 3) is nageleefd, werd behalve de preek ook nog een tweetal catechismusvragen besproken. Dit oordeelde de synode van Dordt beter dan de uitgave eener officiëele handleiding voor catechismuspreeken. Zelf zoeken en probeeren, niet nadoen, zal wel de praktische overweging geweest zijn, die, behalve allicht een van theoretischen aard, tot deze afwijzing van de Walchersche vraag om homiliën over den catechismus te doen vervaardigen, leidde.

Voeg nu hierbij, dat volgens de particuliere synode te Leiden in 1592 4) in de classis zich moesten laten hooren degenen, die zich, zonder academische opleiding, door preeken maken voorbereidden tot den dienst des Woords, 5) dan konden er niet minder dan vier dogmatisch-homiletische schotels ter classicale tafel verschijnen. Gemeenlijk was er echter andere


1) Rutgers Acta, bl. 620.
2) Voetius wist dit ook nog en voelde wel, dat de kleinere vergaderingen, als krachtige medewerkers ter vorming van de kerkelijke roode bloedlichaampjes onmisbaar waren. Hij verklaarde zich er dan ook tegen, dat hare werkzaamheid zou verminderd worden en zij »tamquam otiosi« worden zouden. Pol. Eccl. P. III. I., 1. Th. 3, Cap. VIII, Vol. IV, bl. 210, Ba Ra Ed. Rutgers bl. 319.
3) Rutgers Acta, bl. 160.
4) R. & v. V. bl. 428.
5) In Dordt was een heel college van Duytsche Kercken gedurende een viertal jaren, cf. Langeraad, St. v. W. en Vr. 1901.

|160|

spijze te verorberen. Behalve bij examina en speciale gravamina of geschillen over de leer, leverde de dogmatiek slechts een klein voorgerecht of eenige toespijs. De andere aangelegenheden eischten bijna al den beschikbaren tijd. Toch vermeldt de Dordtsche kerkorde van 1618/19 (art. 41) nog de korte predikatie »van welcke die andere oordeelen ende so daer yet in ontbreeckt, aenwijsen sullen.«

In Friesland werd als een der remediën tegen de abuizen, in het reeds geciteerde concept ter reformatie, genoemd: de uitvoering der bepalingen van 1578, ’81 en ’86 over ’t houden eener »korte propositie.« De synode durfde het niet aan, dit den classen op te leggen. 1) Dus: niet alleen dat de preek ontbrak op de classes, maar er schijnt besliste tegenzin tegen geweest te zijn. De zwakke broeders hadden zeker hun ambtgenooten liever niet als gehoor. Dat dit vermoeden niet te oneerbiedig is, wijzen de woorden der volijverige Nehemia’s uit. Niet alleen moest ieder op zijn beurt preeken, maar ook stelden zij voor, dat »indien sommighe van Sonderlinge onbequaemheyt suspect sijn, dat den classe belast sy oick met inbrueck der gebeurten sodanigen propositien te imponeren na speciale goetdunckingh.« En zij gaan voort: »Ende alsoo de verhandelinge van een voorgestelde stuck der leere dienstich is tot ondersoeckinghe ende oefeninghe der dienaeren, sal goet sijn, dat somtijts de propositien werden achtergelaten ende van praeside per vices een yeghelijck dienaer een thema werde gegheven cortelijck uyt Gods Woort te bevestighen ende op der broederen tegenworpinghen alles in oprechticheyt ende vrede te antwoorden.« Typisch genoeg staat er afzonderlijk bij, dat praeses en scriba hiervan zelf niet vrijgesteld mocht worden, maar even als de anderen een beurt moesten waarnemen. Maar, zooals gezegd is, het schijnt dat van al deze goede voorstellen zeer weinig profijt is getrokken. De officiëele acta van Sneek vertoonen na 1605 wel eenige verbetering in de classicale ver­gadering wat betreft de wijze waarop de zaken behandeld werden, maar wat er besproken werd is niets anders dan hetgeen ook te voren ter tafel kwam.

Drenthe’s classicale verordening 2) vermeldt, dat de


1) R. & v. V., VI, 152 vlgg.
2) R. & v. V., VIII, bl. 46, 1602.

|161|

predikanten zich onder elkander met disputeeren en prediken zooveel mogelijk zouden oefenen.

In Zeeland wordt gesproken van een korte predicatie uit Godes woord of uit den catechismus. 1)

De provinciale synode van Groningen in 1618 2) keurde ook ’t houden van classicale preeken zeer nuttig. Blijkens de klacht uit Loppersum was die gewoonte in deze provincie niet in zwang.

Uit Gelderland kan ’t volgende medegedeeld: In Mei 1580 is een synode gehouden te Harderwijk, de tweede in dat jaar, waarop vastgesteld is: Op deze classicale versamlungh sall een dienaer des woorts, daer die broeders tzaemencoemen, een corte predich opentlick doen van einen artijckell, nu controvers zijnde, von welcken die broders sullen ordelen, und wat mangelt hem broederlick aenseggen tot stichtinge der gemeinte, darnach den verklarten artijckell disputirens weise tot oeffenungh sonder ostentatie examineren, censuram morum onder sich holden, jeder diener die gravamina seiner kirchen schrifftlich vorbrengen, und wat op den naestvolgenden classe voor een artijckell getractiert, soll allmael verclaert werden, als im ersten classe der artijckell de tribus Elohim seu tribus in divinitate personis.« 3)

Van de bestuurswerkzaamheden wordt met geen woord gesproken. Natuurlijk mag hieruit niet afgeleid, dat de synode die aan de classe wilde ontnemen; eer omgekeerd moet de gevolgtrekking zijn, dat de bemoeiingen met de leer tot dusver ontbraken en nu door synodaal besluit werd aangedrongen op het ter hand nemen ervan.

Van de preeken staat een en ander in de acta der classis Neder-Veluwe aangeteekend. Het eerste hieromtrent is art. 18 van de classis gehouden te Harderwijk 13 April 1594. 4) »Vindt der classis wijder voor goet dat soe menichmal der classis vergaderen sal, iemant wt denselven bevolen sal worden op den naestvolgenden classem een predich te doen. Ende is vor dese reise opgeleit Johanni Luntio ende is hem tot tekst gegeven Joan, 3: Sic deus dilexit mundum.«


1) R. & v. V., V, bl. 25.
2) R. & v. V., VII, bl. 331.
3) R. & v. V., IV, bl. 13.
4) MS. A, bl. 15.

|162|

De broeders kozen niet den gemakkelijksten tekst uit. Of de preek gehouden is? De acta van de volgende vergadering zwijgen er over. Ook wordt niet gemeld, dat een nieuwe preek is opgedragen voor de volgende vergadering. Ik vermoed, dat er niets van gekomen is (hoe vreemd het ons lijkt, dat een punt uit de notulen, die gelezen werden, zonder meer wordt nagelaten), omdat in Juni 1596 art. 26 opnieuw werd besloten: 1) »dat alletijt [’t bleef dus wel eens achterwege] einer van den brudren des Classis zal een pruffpredich thun: [Proefpredikatie, dus niet om elkander te stichten, maar om elkander te oefenen]. Im nastfolgende classe sali predicken Reinerus Winckopius ex Joannes 3: 16. Sic Deus dilexit mundum enz. Alweer Joh. 3: 16. Hoe ’t met deze preek afliep, zal aanstonds blijken. 2)

Het Repertorium van Heyster over de bepalingen, die in


1) MS. A, bl. 37.
2) Aangaande de »preek« als oefening is nog op te merken, dat zij ook voorkomt buiten den kring van de vergadering. In 1599 is in de particuliere synode van Gelderland besloten, sine respectu classium sub arbitrali poena [R. & v. V., IV, bl. 75], dat de dienaars te platten lande nu en dan in de steden moeiten verschijnen om een preek te houden over een tekst, die niet in de dominicalia (de gebruikelijke Zondags-perikopen) stond en dan verder onderricht te worden aangaande het behandelde onderwerp, »alles ter eeren Godts en opwekking ad maiorem diligentiam in studiis.« Het jaartal (1599) verklaart hier veel. ’t Is anders wel curieus: a die onderhoorigheid van de dorpspredikanten a.h.w. onder de metro­polis (maar velen waren vroegere pastoors); b dit optreden van de »stad« in plaats van de kerkelijke vergadering; c het aanhouden blijkbaar van de dominicalia.
Maar de gereformeerde lezer stelle zich gerust. ’t Heeft niet lang geduurd. In 1601 vinden wij uit de classis Neder-Veluwe (vergadering te Hattem, MS. A, bl. 81) deze opmerking: »Diweill daer is gepraetendiert datt praeemenentie soude folgen wt den predigen, so van den dienaeren te platten lande in den steden [publiek??] geschieden, hebben die broeders solche willen laten gelangen ahn den Sijnodum.« En in 1602 ging men alvast over tot schorsing van dit gebruik: (MS. A, bl. 87 sub 8) »Also voermaels besloten (was), dat de dienaren ten platten landen in de steden sohlen koemen prediken, om sich beter in studiis toe exerceren, [ik cursiveer] wordt over deze reijse opgestelt«, niet omdat men tegen het exerceren was, maar om de hiërarchische regeling daarvan, hoezeer het ook bij de verre­gaande onkunde van vele vroegere pastoors te verstaan is, dat de stads-predikanten zich lieten gelden. Dit zal dan ook wel de reden zijn, dat de synode van 1601 het besluit van 1599 niet had teruggenomen, hoewel het toch beslist in strijd moet geacht worden met de gereformeerde gelijkwaardigheid aller dragers van eenzelfde ambt. Art. 20 van de synode te Zutfen in 1601 [R. & v. V., IV. bl. 98] is ongetwijfeld het antwoord op de klacht uit Neder-Veluwe over de praeëmentie. Dit luidt:
»Van hetgeene dat de dienaren op den platten lande bijwijlen in de steden sullen prediken, erkent nochmaels de synodus, gelijck als in den Hardenwijckschen geschiedt is, nut en nodich te wesen, doch dat de classes daerin discretie sullen gebruijeken. Dus: sine repectu classium, is reeds opgegeven en de classis N.-V. vond het discreet de geheele bepaling »op te stellen.«
Ik geloof ook niet, dat het vaak gebeurd is. Beter was de beurtelingsche preek in de class. vergadering.

|163|

de classis Nijmegen golden, 3) toont, dat daar de vergadering slechts eenmaal ’s jaars gehouden werd (wat trouwens bijna de gewone regel in alle streken geworden was) en ter wille van de kosten liefst niet langer dan van Maandagmiddag tot Dinsdag voor den noen mocht duren. Dat er dan geen tijd restte om na de onvermijdelijke bemoeiingen, die de regeering der kerk vorderde, ook nog aan een wetenschappelijke discussie te beginnen, behoeft geen betoog. Als uit 1602 en uit 1611 tot twee keer de noodzakelijkheid der examineering en censuur over de gehouden preek vermeld wordt, klinkt dit dan ook, gelijk de stem der synodale bepaling van 1580, als een klacht over achteruitzetting en verdrukking.

 

De classicale preek diende eigenlijk tot onderlinge oefening, maar was tevens een geschikt middel om de zuiverheid der leer te bewaren. Kritiek en bespreking konden veranderen in examinatie en bestrijding van het voorgedragen gevoelen. Dit was geen ontaarding, maar wel de overgang van tucht in ruimeren naar tucht in engeren zin. Of hiervoor ook een bepaalde regeling was getroffen, is mij niet bekend. Veel, wat wij gaarne beschreven voor ons wilden zien, was den tijdgenooten een vanzelf sprekende zaak, waarvoor dus geen bepaling werd gemaakt. En de praktijk liet zich toch niet altoos aan regels binden. In elk geval gevoelt men, dat een nader en opzettelijk onderzoek omtrent de over­tuiging van een der dienaren naar aanleiding van een gehouden en besproken preek, niet meer een gewone broederlijke conferentie was, maar evenmin gelijk stond met de behandeling eener pertinente aanklacht.

Doch hieruit blijkt tevens, hoe gewenscht deze gemeenschappelijke bespreking ter voorkoming van in eenzaam denken volledig uitgegroeide dwalingen kon geacht worden, terwijl in deze niet wettelijk geregelde examinatie de gewenschte vrijheid van beweging zich vertoonde, waardoor de organische tucht­oefening zich onderscheidt van een mechanische toepassing van reglementsartikelen. Het doel was niet, af te snijden, maar zoo mogelijk te genezen. Eerst als dit niet gelukte, kwam er aanleiding voor een gewone aanklacht. Dat die tusschentrede van de preekbespreking verdween, schijnt mij een zeer betreurenswaardige loop van zaken.


3) Afgedrukt in Nederlandsch Archief van kerkelijke geschiedenis DL IV, 1844.

|164|

Om te voorkomen, dat een van te voren gereedgemaakte preek meeningen verborgen zou houden, mocht de praeses in Friesland de gewone beurtopvolging verlaten, en in Middelburg’s nationale synode, (1581 quaestie 64) werd bepaald, dat de tekst eerst een dag te voren zou worden opgegeven. Een niet ongeschikt, hoewel tegen »gauwe geesten« niet afdoend, middel. Voor sommigen zal het echter moeilijk genoeg geweest zijn in dien korten tijd een ordelijke preek gereed te hebben. Deze bepaling kan den ietwat onaangenamen indruk maken, alsof men iemand op een fout wilde betrappen. Die indruk zou echter onjuist zijn. De schijn van inquisitoriaal optreden vermindert sterk, als men bedenkt, dat deze maatregel strekken moest om een afgekeurd, maar door velen wegens de groote misstanden begeerd, superintendentschap overbodig te maken. Bij dusdanige voorschriften hangt veel, zoo niet alles af van den kring waarin, het doel waarmee, de veronderstelling waarop en de manier hoe de zaak geschiedt. De oude pastoors bv. die zich hadden laten reformeeren, hadden — de goeden niet te na gesproken, — waarlijk wel een weinig toezicht en aansporing noodig. Reeds werd vermeld, hoe Nuckius in Oosterwolde zijn eene talent wel zeer krachtig ontwikkelen mocht, en het, dank zij de rustelooze aansporing der classis, ook niet zonder goed gevolg deed.

Met een ander prediker uit dezelfde classis Neder-Veluwe, Rijnerus Winckop, liep ’t minder goed af. In April 1597 preekte hij over Joh. 3: 16 1) en het was »seer slecht.« Zijne veront­schuldiging wegens zwakte en eene overdrukke gemeente bewerkte de, door hem wel niet bedoelde, uitkomst, dat een andere predikant nevens hem werd aangesteld en hem slechts nu en dan zou toegelaten worden te preeken.

In 1604 deed Jacobus Schonhovius, pastor loci, op de classicale vergadering te Heerde de preek, 2) »wat darin te censuriren werdigh gevonden is worden, is hem von den broe­deren gutlicken aengewesen.« Wijders werd hij vermaand vlijtig in Gods Woord te lezen en te bidden om meer gaven des Heiligen Geestes. Recht aardig staat erbij: »dwelck hij te thun belofft heeft.«

Op het nut, dat deze gewoonte van preken onder


1) MS. A, bl. 48.
2) MS. A, bl. 101.

|165|

beoordeeling kon afwerpen voor de jongere predikanten, behoeft met niet meer dan een enkel woord gewezen te worden. 1) In Zuid-Holland, waar zij niet bestaan schijnt te hebben, werd in 1602 aanbevolen, dat de jeugdige ambtsbroeders de oudere eenmaal per week zouden gaan hooren. 2)

Een enkel woord over de preek in de provinciale synode moge hier volgen.

De »provinciale preek« is niet in alle provinciën en niet regelmatig gehouden. Maar ook waar zij gehouden werd, droeg zij een ander karakter dan de classicale, behalve in Drenthe. Het schijnt óf om de stichting en een meer plechtig begin en besluit der vergadering te doen geweest te zijn, alsmede om de beteekenis van het Woord Gods bij de samenkomsten te doen uitkomen, of om de overtuiging van een bepaalden persoon te onderzoeken. Onderlinge oefening was buitengesloten — trouwens, daarvoor was deze vergadering minder geschikt.

In Zuid-Holland’s acta van 1593 3) staat: »Tot een besluyt der gantsche actie heeft Franciscus Lansbergius een corte vermaninge gedaen uyt 1 Corinth. 1: 10 ende is daerover bedanckt.«

In 1601 is in Gouda 4) »na orden deses synodi« door »D. Andreas Demetrius voor de vergaderinghe een vermaninghe gedaen wt Galat. 1 verset 10, ende is daerover bedanct geweest.«

Men ziet het: vóór en na, 5) soms alleen vóór of na, de particuliere synode werd gepreekt, maar zonder een woord van kritiek; de prediker werd bedankt, zonder meer.

Dit was »na orden«, al is de preek niet altoos aangeteekend. Immers om slechts een voorbeeld te noemen, uit 1605 lezen wij: 6) »Die propositie is gedaan van Petro de Bricquigni wt den CXXXIII psal., die daerover van syne goede ver­maninge bedanckt is geweest by den praesidem.« Zooals men ziet: »Die propositie«, de gewone, de gebruikelijke.


1) Ook een brief uit de Hollandsche gemeente te Keulen wijst daarop. W. d. M. V., III, V, bl. 41/42.
2) R. & v. V., III. bl. 192.
3) R. & v. V., III, 13. Synode te Brielle.
4) R. & v. V., III, bl. 158.
5) Nov. 1591, particuliere synode den Haag, R. & v. V., II. bl. 421, art. 73, ook R. & v. V., III, bl. 288.
6) R. & v. V. III., II, bl. 229.

|166|

Het schijnt ook een openbare 1) preek geweest te zijn, zooals tegenwoordig openbare bidstonden vóór het jaarfeest van een of andere vereeniging gehouden worden.

Deze Hollandsche gewoonte om aldus de gemeente mede te laten leven, wanneer in eene plaats de provinciale kerkvergadering bijeen was, had zooveel goeds, dat het mij niet verwondert, haar ook elders overgenomen te zien. Zoo is in Gelderland met naam en toenaam »de wijze van Holland aanbevolen« en in de synode van 1607 vastgesteld. 2) Maar de classis Neder-Veluwe zag bezwaar in deze regeling. »Het vind haer de classis beschwaerd over het ghene dat in die naesten gehouden Sijnodo articulo 34 gedecretirt van vortaen te observiren de wijse der Sijnoden von Holland te proponiren in den aenfang ende einde des Sijnodi« …. in ’t bijzonder omdat »ordinarie in proximo loco tot Harderwijck twemael opentlick genoechsaem sal gepredickt worden in den tijt des Sijnodi: Ende anders sins int gemein de Sijnodale actie door veelheit der propositien te seer verlangt worden« enz. 3)

In dit bezwaar werd zeker door anderen gedeeld. Ten minste op de synode van dat jaar, 1608, werd besloten, 4) dat een van de leden der synode voor den pastor loci in de gewone weekbeurt zou optreden, meer niet.

De bewoordingen, waarin dit alles gesteld is, toonen genoegzaam aan, dat de idee van onderlinge bespreking der leer bij deze predikatie geheel afwezig was. Wanneer de synode een preek begeerde te hooren om hare zorg voor de leer te behartigen, liet zij er eene door een commissie hooren en beoordeelen, waarover aanstonds meer. Zulk een preek werd dan afzonderlijk te dien einde aan iemand opgelegd.

In Drenthe vond ik echter in de preek ter particuliere synode meer den vorm van de gewone classicale preek terug. Omdat in Holland en Gelderland de werkzaamheden toch al vele waren en de classicale vergaderingen hoe langer hoe meer berekend werden voor hare taak, kon de particuliere synode dit onderdeel


1) Cf. de aanteekening uit Groningen: Predicatie op Mittweecke nomine synodi, R. & v. V., VII, bl. 339.
2) Cf. R. & v. V., IV. bl. 163.
3) MS. A, bl. 134, vergadering van 1608, sub 14.
4) R. & v. V., IV. bl. 165.

|167|

overlaten aan de mindere vergadering. Maar in dit schrale gewest is over ’t geheel de toestand op kerkelijk gebied erg achterlijk geweest. Unica vindt ge in Drenthe: een inspectie van de boekenkasten der predikanten door de visitatores classium; een classis, waaraan ’t recht van examineeren ontnomen wordt; en zoo ook een bepaling als deze 1): »…. op alle sijnodale vergadering [zullen) drie predicatiën .... gedaen worden van de nijeusten incomende predicanten.« nl. uit elke classis een. Drenthe had toen drie classen. De veronderstelling schijnt geweest te zijn, dat wel elk jaar in iedere classis een nieuwe prediker zou wezen. Deze preeken waren geen preeken tot stichting, nauwelijks ter onderlinge oefening, maar droegen bijna geheel het karakter van een na-examen. Immers de ouderen deden er niet aan mee. Overbodig was deze maatregel echter niet. Een enkele blik in de acta van dit landschap laat bespeuren, hoeveel hier nog in ’t allereerste begin van reformatie was, toen Holland al midden in de remonstrantsche woelingen leefde. Een van het eerste drietal, dat gepreekt heeft, was een zekere Hermanus Joannis uit Zweel. 2) De preek geeft »hopeninge, dat hi den gemeente zal konnen stichtelick zin.« Maar er schijnt moeite met hem in zijne classis (Emmen) gekomen te zijn. Eens had hij de zaligheid aan de werken toegeschreven, en zich in examine daaruit niet weten te redden, (de uitdrukking is nog al curieus), zich niet uit de schrift kunnen verantwoorden. Daarom moest hij dien eigen namiddag een preek houden uit Mattheus 23. 3)

Drenthe’s synode heeft deze predikatiën trouw volgehouden. Wel is het aantal van drie op twee geslonken en moesten natuurlijk de ouderen mededoen, toen niet elke classis ieder jaar een nieuweling had. Maar het karakter van een oefening


1) R. & v. V., VIII, bl. 137, synode te Assen, 2 September 1611.
2) R. & v. V., VIII, bl. 145.
3) R. & v. V., VIII, bl. 150. Deze preek werd bevonden »impertinent« en »buyten Gotts wortt«. Zijn antwoorden op eenige vragen waren ook zoo slecht, dat hij voor goed van den kerke-dienst is ontzet. Als hij hard studeerde en dan weer eens examen deed, zou hij misschien op een andere plaats nog weer toegelaten kunnen worden, maar niet weder in Zweel. In 1613 heeft hij ’t dan ook nog eens geprobeerd, [R. & v. V., VIII, bl. 162/163] doch de man was niets gevorderd, zijn antwoorden bleven »niet allene slecht, maer ock ten deele tegens den grundt van Godes h. woordt stridende«. Men had echter blijkbaar medelijden met zijne positie en zoo werd hem toegelaten schoolmeester te worden — iets wat in 1619 ook niet gebeurd zou zijn: er is een groote afstand tusschen Assen 1613 en Dordt 1619.

|168|

te zijn is hier behouden gebleven, 1) ten minste vóór 1619, want soms staat in de acta een kritiek aangeteekend. In 1619 voelde de scriba het blijkbaar niet meer; wij lezen althans: Bartholdus Pauli, pastor tot Blidensteen, heefft den sijnodum besloten met een praedicatie gedaen ex epistola ad Rom. cap. 8, vers. 1, 2, 3 et 4.« 2) Na dit jaar schijnt de beoordeeling ook in deze particuliere synode achterwegen gebleven te zijn, gelijk in de andere provincies reeds het geval was.

 

Na dezen blik in de provinciale vergaderzaal dient de aan­dacht weder gericht te worden op de classicale vergadering. 3) Emden’s synode noemde onder de classis-werkzaamheden allereerst de zoo even behandelde preek; verder moest een rondvraag gehouden worden, of iemand ook eenige twijfeling had aangaande een caput doctrinae. Indien eerlijkheid en liefde hierin samentroffen, mocht zulk een vragen een rechte oefenschool geacht worden om elkander te onderrichten en de vragen en


1) Voorbeelden: R. & v. V., VIII,
bl. 161: Bernardus Wangerpoel — tekst: 1 Kor. 4: 1 de ministerio — »welches censura is gediffereret up die naeste sessie«. En toen (bl. 162)  »door gemene stemmen geapproberet is ernstlich vermanet, dat hie flijtich in Godes h. wordt studeren solde um gode stichtinge by sijne gemeinte te doen«.
bl. 165: Joannes Eccius — de preek wordt idtlichermaten niet perfect bevonden, is derhalve tot flitich studeren widers vermanet«.
bl. 178: Meinhardus Bernhardi — 1 Joh. 1: 5, 6, 7 — Berispt over onderscheiden punten. Hij heeft zijn eigen preek niet begrepen, heeft »ooc weinich fundamentss.« Vermaning: Vlijtig studeeren.
bl. 181: Johannes Anthonides — Tit. 2: 11 — Stichtelijk bevonden.
bl. 193: Wesselus Kannegeiter — 1 Petr. 5: von de demoet — Goed bevallen, »derhalven (!) tot wijdere neersticheitt int studeren vermanet«.
bl. 195: Melchior Balthasari (maar deze was nog geen predikant) — Joh. 17: 3 — »Allgeheele unstichtichlick«.
Henrici Huysinck — Matth. 5: 16 Laat uw licht alzoo schijnen, enz. — Goed voor een  »anvanck eines jongen predigers«. Vlijtig studeeren en »achtervolging« van zijn eigen tekst hem aangeraden.
2) R. & v. V., VIII, bl. 247.
3) Ik begin mij hoe langer hoe meer af te vragen, in hoeverre de acta wel geschikt zijn om een beeld van het verloop der zaken te geven. De aanteekeningen zijn vaak zóó sober. Sommige scriba’s hebben zeker de telkens terugkeerende werkzaamheden niet eens meer vermeld. — Misschien wel ’t summum van summier noteeren is deze aanteekening in ’t Sneeker Boek MS. C, bl. 53:
Acta Classis Snecanae geholden den 6 Junii Anno [15]87 Joe Bosem pside Paulo Antonii scriba (Heft Petrus Ambrosius [weer doorgehaald]) Aever veirtyn daegen salmen wederom Classem holden.
Is dit nu eene vergadering geweest, die niet doorging? Of is er niets bijzonders behandeld?

|169|

twijfelingen, die er mochten zijn, onder de oogen te zien. Zóo kon werkelijk de leeraars-stand bevestigd worden in gemeenschappelijke overtuiging. Nevens eene onderlinge bespreking wordt sub. 4 vermeld, dat de praeses moest handelen over een punt, waarop de gereformeerde kerk andere bestreed. Deze discussie had ook bepaald ten doel, zich te bekwamen, den studie-geest wakker te houden en aldus slagvaardig te zijn tegenover dwaalgeesten. »Erudiant« etc. 1)

Op dit artikel heeft men zich in Groningen nog beroepen ten jare 1616. Blijkbaar werd het toen niet uitgevoerd; en in hoeverre er later gevolg aan gegeven is, kon ik niet nagaan. Maar men ziet: wat voor den coetus in Noord-Holland bepaald was, is in overeenstemming met de gedachte van Emden’s synode, en Dordt’s bepaling van ’74 2), dat men twee vragen van den Heidelbergschen catechismus behandelen zou, heeft nog een zwakken naklank ervan; immers dit was om »malcanderen te oeffenen ende te scherpen.«

In Friesland zouden volgens besluit van 1584 3) de classes eens per maand zonder ouderlingen vergaderen, om collationem doctrinae te houden. Doch in Sneek’s boek wordt er niet vóór 1587 4) over gerept. Toen werden twee predikanten aangewezen, Lauermannus en Blyensteyn, om eene disputatie te hooren te geven over de eerste vraag van den catechismus. Met belangstelling zag ik de acta der volgende vergadering in — om vermeld te vinden, dat de disputatie één keer was uitgesteld. En van dit uitstel schijnt afstel gekomen te zijn. Ten minste het heele jaar door tot den winter toe is er vergaderd, maar van disputatie geen spoor. In 1583 was de classis reeds acht keer bijeen geweest, toen in de 9e samenkomst besloten, den volgenden keer te disputeeren de sacra scriptura. 5) Maar ook dien volgenden keer bracht men het niet verder dan tot een besluit om het over drie weken te doen. En dan hangt de scriba voor het nageslacht een dik gordijn over deze zaak, en voor zooveel ik mij herinner wordt er in Sneek’s boek over collatio en disputatio


1) Rutgers Acta, bl. 107.
2) R. & v. V., II, bl. 145, 146.
3) R. & v. V., VI, bl. 10.
4) MS. C, bl. 54.
5) Vergadering van 2 Juli 1588. MS. C, bl. 62.

|170|

doctrinae in de latere jaren niet weer gerept. Wanneer dan de synode te Leeuwarden in 1605 op de ernstig bedoelde poging tot »reformatie«, waarin o.a. werd voorgesteld 1), in de classen beurtelings door ieder op de rij af, een preek en een disputatie te houden, (»Ende sal de praeses van beyden niet vry sijn«) besluit, dat zelfs het al of niet houden eener propositie in de keuze der dassen zal worden gelaten, bewijst dit m.i. wel, dat de genoemde instellingen niet in gebruik waren en evenmin werden begeerd.

Een rapport uit Zeeland in 1602 2) is in zulke woorden gesteld, dat er geen twijfel aan is, of de preek met censuur daarover was alles wat daar aan gemeenschappelijk onderzoek der leer werd gedaan. Werd dat met ernst verricht, dan mocht een afzonderlijke disputatie overbodig heeten, hoewel deze ongetwijfeld meer kans bood op een grondige behandeling van het punt in kwestie.

Gelderland’s synode van 1580 besloot, dat de preek over controverse punten zou gaan en de vergadering »darnach den verklarten artyckell disputierens weise tot oeffeningh sonder ostentatie« behandelen moest. In de remonstrantsche dagen zal er van een rustig onderzoek over andere dan de 5 artikelen wel niet veel gekomen zijn. Men mag aannemen, dat er toen in de vergaderingen veel gedisputeerd is, maar niet bij wijze van oefening.

In Groningen is het exercitium disputationis verboden geworden. De classis Middelstum verzocht in 1613, dat het weer zou worden toegelaten, maar de synode vond het gevaarlijk in die remonstrantsche dagen. 3) Men moest zich bepalen tot het houden van een preek over een locum catechismi of een locum sacrae scripturae, en daarover »vriendelijk en broederlijk confereeren en onderzoeken«; dus niet disputeeren. In 1616 kwam opnieuw zulk een verzoek op de synodale tafel, 4) maar zelfs een beroep op Emden’s artikelen kon niet baten. Opmerkens­waard is het, dat daarbij werd gesproken van een disputeren over »theses probatae antea«. Loppersum’s classis kwam er


1) R. & v. V., VI, bl. 152/153.
2) R. & v. V., V. bl. 79.
3) R. & v. V., VII, bl. 216.
4) R. & v. V., VII, bl. 285.

|171|

nog eens op terug in 1618 6) maar toen is het aan de nationale synode ter beslissing overgelaten en deze heeft eenvoudig de slappe bepalingen van Dordt ’78 en Middelburg ’81 gehandhaafd.

Het komt mij voor, dat hier eveneens een te betreuren loop van zaken is geschetst en het verlies moet geconstateerd worden van een allergewichtigst middel om de belijdenis levend te houden. De geschillen na 1600 werkten daartoe mede. De dogmatische kracht is wel niet uitgeput geworden in de bestrijding der remonstrantsche kwesties, maar deze worsteling is toch zóó spoedig gekomen en de gedachte, dat daarmede nu alles gewonnen was, vatte zoo sterk post, dat de bron, waaruit voortdurend nieuwe bezieling kon voortkomen, veronachtzaamd werd. In het menschelijk lichaam bevinden zich behalve de bloedvaten, welke door den bloedstroom gebruikt worden, eene menigte ongebruikte, die bij storing der gewone aan den bloedsomloop een weg bieden en dan ook langzamerhand tot volle ontwikkeling komen. Blijven zij buiten gebruik, dan zijn zij nauwlijks te ontdekken. Zoo hebben de storingen van het lichaam der kerk de bloedvaten der polemiek sterk ontwikkeld, boven mate zelfs. Reeds vóór den strijd, die op 1618 uitliep, werd de bloedstroom van het dogmatisch leven minder door de normale aderen van gemeenschappelijk onderzoek gevoerd dan wenschelijk mag geacht worden. Een tamme classicale preek en wat onderling gesprek was weldra alles wat op dit gebied geleverd werd, Zoo moest de theologie wel verdorren, waar ja de professoren aan de akademie en de afzonderlijke predikanten ijverig genoeg waren, maar de kerk in hare vergaderingen niet meer worstelde om Gods waarheid recht te verstaan en op alle punten er in door te dringen. Zoo moest de zorg voor de leer langzamerhand wel ontaarden in een zonder meer vasthouden aan wat eenmaal was uitgesproken. De kerk kwam langzamerhand tot dien toestand, dat zij wel een »belijdenis« had, maar niet meer beleed in den vollen zin des woords. Zoo is de kracht gaan ontbreken om tegenover Cartesianisme en latere dwalingen op te treden; de wapenen had men laten verroesten en de krachten wel dialectisch, maar niet geestelijk geoefend. Het onderzoek der waarheid, vroeger de taak van de geheele kerkelijke vergaderingen, is overgegaan in de


6) R. & v. V., VII, bl. 331.

|172|

handen van eenige weinige personen. Ik geloof het begin hiervan reeds te kunnen aanwijzen in het onderscheid tusschen Emden’s en Wesel’s artikelen. Wesel had de profetie geregeld, welke de dogmatische verbindingsweg tusschen ambtsdragers en ambteloozen kan genoemd worden. De volgende kerkorden sneden dien band af, weldra zouden ook de predikanten het dogmatisch werk overlaten aan de professoren en enkele geleerden, en toen kwam de tijd, dat de kerk officieel een belijdenis had, maar de ambtsdragers zich daaraan niet stoorden en de gemeente, die het leven, waaruit die belijdenis voortkwam, nog in zich gevoelde, ten deele in conventikels, stichtelijke gezelschappen, straks ten deele in scheurkerken haar geloof trachtte te belijden.

Zonder uitvoerig te worden is het moeielijk hierover iets in het algemeen te zeggen. Maar het kan niet ontkend worden, dat het beeld van de vluchtelingen-kerken in Emden, Londen, Frankfort, Keulen, Wesel, zelfs bij de weinige gegevens, die wij hebben, heel andere trekken vertoont dan na 1570 gevonden worden bij de gemeente in ons vaderland. En in menig opzicht veel sympathieker. Uit den aard der zaak werkte in dien eersten tijd de nood der tijden, de eerste bezieling door de vervolgingen gewekt, de kleinheid der gemeenten, de frischheid van een worstelend leven, alles in een woord, samen om een krachtig, diep-stroomend kerkelijk leven te doen ontstaan. Chacun avait payé de sa personne. Maar al worden al deze gunstige omstandigheden in aanmerking genomen, 1) en al moet volmondig worden toegegeven, dat ook bij de ecclesiae crucis allerminst alles volmaakt was, het feit blijft toch bestaan, dat 1° een enkele blik in de bescheiden van die gemeenten in ballingschap ons toont, hoe de onderlinge opbouwing der gemeente, de volmaking der heiligen, de begeerte dat »het woord Gods rijkelijk in allen mocht wonen,« het leidend motief was. De predikers waren geen »predikers hoog in de lucht,« en dan liefst ieder in zijn eigen preekstoel, maar na de preek kwamen zij nevens de andere broeders zitten, werd hun preek of een ander stuk uit Gods Woord onderzocht door geheel de gemeente


1) Voetius, Pol Eccl., P I, L II. T III. C II. Vol. I, p. 886. Ba Ra ed. Hoedemaker bl. 323, wijst er reeds op, dat in de Ecclesia lucis de toestand zoo heel anders is dan bij de fideles crucis et ob verbum Domini exules.

|173|

of door den kerkeraad, 1) terwijl zij ook telkens en telkens bijeenkwamen tot onderling gesprek. Verder dat 2° in de gereformeerde kerk van Nederland na 1570 niet slechts die verslapping intreedt, die wel komen moest, waar zoo vele andere werkzaamheden te verrichten waren, zoo vele onkundigen bearbeid moesten worden, dikwijls op ver van elkander gelegen plaatsen, enz., maar dat óók die instellingen zijn verdwenen, die juist toen zoo nuttig hadden kunnen werken om de kerk bij hare uitbreiding tegelijkertijd innerlijk te versterken en het bloed, arm geworden doordat het een zooveel grooter lichaam moest voeden, weer rijker en krachtiger te maken.


1) Vgl. H.H. Kuyper, Opleiding bl. 123/133, 300 vlgg. en de plaatsen uit de W. d. M. V. daar vermeld.

Schokking, H. (1902) II.12

|174|

 

 

§ 12.
De Profetie.

 

Reeds werd in de vorige paragraaf terloops van deze instelling gewaagd en het spoedig ophouden ervan betreurenswaardig genoemd. Want niet alleen, dat daarmee een karakteristieke lijn uit de gereformeerde facie verdween, maar er ging ook eene kracht mede te loor, die der kerk zeer ten goede had kunnen komen.

In vele vluchtelingen-kerken was zij in zwang en nadat zij reeds geheel in onbruik geraakt was, werd zij door een man als Voetius zeer gunstig beoordeeld. De kerkordeningen van 1571 af tot die in 1586 toe hebben dit lid echter laten verschrompelen, zoodat die van 1618 niet dan een vervormde, kleine en alleen bij historisch onderzoek herkenbare herinnering eraan heeft bewaard in art. VIII.

Dit is te meer jammer, waar ondanks deze officiëele verhongeringskuur het kindeke in de gemeente toch nog in het leven was gebleven. 1)

De synodale stukken bieden weinig gegevens, maar de Weselsche artikelen handelen er uitvoerig over. 2) Onder profeten werden door de mannen van Wesel verstaan: qui in coetu ecclesiae propositum scripturae locum ordine exponunt, prout est a Paulo institutum: eosque a ministris distinguimus. De gewone predikanten hadden meer te doen, art. 13.

Eens per week of om de veertien dagen moesten de profeten bijeenkomen, na de preek bv., en een Bijbelboek


1) Voetius’ »repetitiones concionam« wijzen op een voortbestaan nog in lateren tijd Pol. Eccl. P I, L II, T III, C II, Vol. I, bl. 886, Ba Ra Ed. Hoedemaker, bl. 323.
2) Rutgers Acta, bl. 16. Cap. II artt. 16—24.

|175|

achtereenvolgens behandelen. Eén had de beurt en sprak; was hij gereed, dan mochten de anderen het aanvullen, art  17.

Als profeten konden optreden de predikanten, de doctoren en diegenen van de ouderlingen, diakenen of ook ambtelooze leden (»adeo ex ipsa plebe«) die »domino prophetiae« ontvangen hadden en dit ten nutte der kerk wilden  aanwenden.

Deze vorm van profetie was echter niet de eenige. Dr. H.H. Kuyper verzamelde vele gegevens hierover in zijn: De opleiding tot den Dienst des Woords. 1) In verband met dit onderwerp bespreekt hij de Zurichsche en de Geneefsche profetie, welke evenals de Engelsch-Hollandsche (van a Lasco) geheel of gedeeltelijk ten doel had de vorming van leeraars. Wesel’s artikelen wijzen ook wel in die richting (cap. I, art. 1, 4) waar zij proposities en profetie naast elkander noemen 2), maar in onze Hollandsche profetie was dit slechts een bijkomstige zaak. De Schotsche vorm was weer anders. 3)

Tusschen den Weselschen hoofdvorm, het houden van bijbel­bespreking, en die van a Lasco, beoordeeling en verdere bespreking van de preek, is een duidelijk verschil. Wesel keurde dit beoordeelend bespreken bepaald af, omdat hieruit ontrus-tende twisten voor de gemeente konden voortkomen. Maar de bewoordingen toonen, dat de Londensche manier niet onbekend was, zij het ook »nuper exortum« (art. 18). De vorm van a Lasco maakte nog meer dan de Weselsche duidelijk, dat de leer eene zaak der geheele gemeente was, die haar ook zelf­standig te onderzoeken had en om krachtig samengevoegd te zijn in eene gemeenschappelijke overtuiging zich had te voeden met het Woord. Doch ook de Weselsche vorm bedoelde dit te bereiken en zou uitnemend hebben kunnen werken. Voor ons is dit de hoofdzaak, dat de mannen van 1568 in iedere gemeente, behalve de prediking des Woords, ook wenschten een wel-geregeld onderzoek des Woords door een breederen kring in de gemeente. Dit was de erkenning niet alleen van »de vier ambten«, maar ook van andere gaven, als diensten in en voor de kerk. Aan de regeering der gemeente hadden de profeten


1) Bl. 118, 125, 301, 335 vlg. Vgl ook Von Hoffmann, Das Kirchenverfassungsrecht, S. 114 f..
2) Vgl. ook den brief van Keulen’s kerk voor de gedeputeerden naar Emden 1571 W. d. M. V. III, V, I, bl. 11.
3) H.H. Kuyper, Opl. 131.

|176|

geen deel, maar wel kwamen zij bij den kerkeraad, wanneer er een controvers over leer of ceremonie was. Bij hen en de doctoren berustte de spirituum ac doctrinarum probatio.

Wesel’s advies hierover is echter niet gevolgd. Als haar artikelen ontbraken en Voetius niet in éen plaats melding er van maakte, zouden de overige kerkorden en zelfs al de provinciale-synode-acta den geschiedvorscher voor dit probleem plaatsen: Waarom is de profetie, die in alle gereformeerde kerken dier dagen gevonden werd, alleen in Nederland niet te vinden?

Hierin is iets, dat mij nog niet helder is. Er zijn aanduidingen, dat de profetie niet ontbroken heeft; maar de breedere kerkelijke vergaderingen spreken er niet van. Hier den invloed te zien van Calvijn’s scherpe opvatting van het ambt, is allicht niet zonder grond. Had Wesel de profetie zuiver als ambt kunnen regelen en nauwkeurig haar plaats in het gemeenteleven aanwijzen, het beloop ware allicht anders geweest. 1) Maar nu zij een soort doctoren waren, doch zonder wetenschappelijke vorming, terwijl 1° de ontwikkeling van dit ambt zich scheidde van dat der profetie en het 2° zelf nog zoo onvast was, en vooral toen er, na den terugkeer der ballingen in het vaderland, in de overgroote meerderheid van plaatsen geen geschikte dienaren gevonden werden, ja geen ouderlingen of diakenen, soms nauwlijks een noemenswaard aantal belijdende personen, ontbraken natuurlijk ook de mannen om de profetie te onderhouden. Aldus zal deze instelling eerst op den achtergrond, straks in onbruik, aanstonds geheel uit den kring der gedachten geraakt zijn. Voeg daarbij, dat de twisten die weldra in de kerk oprezen, de predikanten allicht huiverig hebben gemaakt om »nieuwigheden«


1) Niet, alsof dit op zich zelf voor de uitoefening der profetie noodig ware geweest. Dr. A. Kuyper (Tractaat van de Reformatie der Kerken bl. 69) ziet de profetie geheel als onderdeel van het »ambt der geloovigen«. Deze term moge aan bedenking onderhevig zijn, en zijn voorstelling, alsof de profetie in »de oude gereformeerde kerken«, allerwege een samenkomst van »gewone geloovigen« was, niet opgaan — op zich zelf schijnt mij zijne gedachte juist, dat het vrije leven des geestes (Revisielegende, bl. 66) in heel het lichaam der gemeente moest opgewekt worden en dat daartoe de profetie een zeer gewenscht middel was.
Iets anders is het echter of de Gereformeerden der 16e en van de eerste helft der 17e eeuw zoo gedacht hebben. Rieker’s opmerking omtrent »der moderne Begriff von Vertretung« (cf. zijn Grundsätze, S. 140, n° 1) dat dit »jener älteren Zeit fremd ist,« geeft een behartigenswaardige waarschuwing ook voor andere onderdeden der kerkelijke samenleving.

|177|

voor te staan — en het antwoord op de vraag: »waar is de profetie gebleven?« is misschien gegeven.

Hoe dit zij, het feit blijft bestaan, dat de wenschen van Wesel niet zijn vervuld. M.i. blijft dit te betreuren; te meer, daar ook de propositie en onderlinge oefening der predikanten in classi of coetu allengs vrij onbeteekenend werd.

Onwillekeurig rijst de vraag: is er dan geen enkele stem opgegaan om voor het behoud der profetie te pleiten?
Tot dusver vond ik er slechts ééne.
In de classis Neder-Veluwe is dit punt in 1606 ter tafel geweest.

In de extraordinaire vergadering van 19 Mei 1606 werden gravamina opgesteld voor de provinciale synode, ter voorbereiding van de, echter eerst in 1618 gehouden, nationale synode. Sub 7 is daar vermeld 1):… Nae dien het exercitium prophetiae, twelck so te Geneven, als te Embden ende daer omtrent, met groote stichtinge onderhouden werdt, onder onss meest vervallen iss, waerin die begaeffde broeders so predicanten als olderlingen bij malcanderen commen, om sich door vraegen, antwoorden ende disputieren in den woorde godes te oeffenen. Of niet raetsam en zij, den Christlicken Nationali Synodo dit te bedencken te geven, om dat lofflicke oude gebruijck te resumieren, ten einde die broeders hen desto beter mogen oeffenen tegens die wedersprekers, als oock om daerdoor in ervaringe te mogen commen wie die bequaemste zijn, om te mogen van dorpen in steden promovijren.

In de provinciale synode van 1607 2) kwam dit gravamen ter sprake en werd het doorgezonden naar de nationale, maar in 1618/19 is het blijven liggen bij de groote massa onafgedane vraagpunten. 3)

Wij bemerken uit dit gravamen, dat de raad, te Wesel gegeven, toch niet geheel in den wind geslagen is. De profetie heet »onder ons meest vervallen«; zij was er dus wel geweest. Maar niet in den Weselschen vorm. Ten eerste zijn volgens de classis Neder-Veluwe de profeten niet de met het donum prophetiae begaafde »gemeene geloovigen«, maar van die gave voorziene


1) MS. A, bl. 118.
2) R. & v. V., IV, bl. 144.
3) Op de lijst der ingezonden gravamina is het n°. 4. H.H. Kuyper, P.-A., bl. 421.

|178|

predikanten en ouderlingen, ’t »Leeken«-element is reeds geheel verdwenen. Ten tweede bestond hier de profetie niet als een instelling in elke gemeente, klein of groot, maar veeleer als een soort coetus evenals in Noord-Holland of te Genève; de predikanten van verschillende dorpen waren bijeen en konden daar ook gekeurd worden. Ten derde werd het stellen van vragen om daarover te disputeeren begeerd, iets dat te Wesel afgekeurd was uit vrees voor de twisten, die daaruit konden oprijzen. En ten vierde was het doel niet zoozeer de opbouwing der gemeente, als wel slagvaardig te worden tegenover tegenprekers. Van het te Wesel beoogde nevendoel: de opleiding van proponenten, was ook geen sprake.

Een kleine uitweiding over dit m.i. gewichtige punt vinde hier eene plaats.

Een zoodanige profetie als Neder-Veluwe wenschte was altoos nog beter dan in ’t geheel geene. Wel ontbrak hier het aantrekkelijke meewerken van alle leden. De neiging van het gereformeerde volk tot »oefenen« had daardoor ten nutte van het gemeente-leven geleid kunnen worden. Het beroep op het recht der gemeente, overeenkomstig met wat in de oudste christelijke kerken gevonden wordt, schijnt mij allerminst zonder grond. Een profetie in »populairen vorm« (H.H. Kuyper) ware een veiligheidsklep geweest voor den drang, die later tot conventikels en scheurkerken leidde. De Doopsgezinden hadden nooit zulk een invloed kunnen krijgen, indien niet veel van wat zij zeiden weerklank had gevonden in het hart des volks. 1) Daarom sprongen bv. in 1629 zulke echt-kerkelijke mannen als Cloppenburg, Walaeus en Voetius voor de conventikels in de bres. 2) Even beslist als zij tegen geestdrijverij zich stelden, weerden zij ook alle hiërarchie af. Maar evenmin valt het te ontkennen, dat juist de reactie tegenover wat bij de Doopsgezinden en later bij de Rijnsburgers of Collegianten 3) werd gezien, de leiders der Gereformeerden bevreesd maakte. Voetius, die het overigens voor de profetie warm opneemt, schrijft elders: 4) »… contendimus cum omnibus Ecclesiis reformatis, quibusvis qui aliquo modo prae


1) Vgl. Hylkema, Reformateurs, 1900 en  1902.
2) Vos, Geschiedenis, bl. 241.
3) Brandt IV, bl. 116 e.a.
4) P.E. I, 884, 885, P I, L II, T III, C II, 4e quaestie, Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 321.

|179|

aliis exercitati sunt, aut sibi videntur, (!) non convenire nec concedendum esse ut publice sive de cathedra, sive in loco suo sedentes aut stantes, Scripturas interpretentur; et verbum instructionis, hortationis, consolationis ad populum proloquantur: absque legitimâ vocatione.« Daardoor toch zou heel de door God ingestelde dienst des Woords uitgeroeid worden, het volk geleid tot socinianisme, anabaptisme en de razernij van Corach, Dathan etc. Een beroep op Num. 16: 3 en Joh. 6: 45 gaat niet op, zegt hij. »Jam actum esset de toto ministerio.« Even­min laat hij een beroep op Rom. 12: 19, Act. 13, I Kor. 14 toe voor zoodanige vrijheid. Hoogstens gold deze voor de propheten: »hoc est ad quosdam in Ecclesia prae aliis omnibus exercitatos, ecclesiastico judicio probatos, delectos et certo praefixo ordine hoc agentes.« Voetius vermeldt nog, tot nadere beperking, dat nonnulli, onder wie Danaeus, van oordeel zijn, dat de profeten-titel alleen aan Doctores en Lectores Theologici toekomt, terwijl anderen meenen, dat dit charisma opgehouden had. Sed nos cum aliis et cum Notis Bibliorum Belgic. ad 1 Corinth. 14: 33 malumus extendere etiam ad illos, qui ordinario studio aliquam Scripturarum et Theologiae cognitionem sibi compararant. Eccle­siae Scoticae anno 1560, in Libro Disciplinae Proceribus illius Regni oblato tit. de Prophetiâ et interpretatione Scripturae, admodum commendant hoc exercitium, et ad illud in urbibus invitant ex agro vicino Pastores et Lectores; nee minus sollicitè cavent ne absque judicio, probatione et delectu Ecclesiae huic Prophetantium se ingerant; nec libertatem publici in Ecclesia illa Pastoris usurpent (etiamsi publici essent verbi Ministri); sed textui suo inhaereant, nee digressiones ingrediantur, aut locos communes exponant, etc. In Ecclesia Genevensi ad verbi Ministros, et Professores ac Lectores scholasticos restringebant: In Londino-Belgicä, ad ministros, seniores, aliosque quosdam ex Ecclesia, judicio Synedrii, selectos.

Voetius wilde er dus voor waken, dat de profetie zou leiden tot minachting voor de gewone bediening des Woords of hiervoor in de plaats zou treden. Vandaar dat de kring, waarin de profetie geoefend werd, in nauwer of enger verband met den kerkeraad moest staan. Kon dit niet verkregen worden, dan werd door de gereformeerde leidslieden de profetie liever ter zijde gesteld.

|180|

In 1586 kwam in Noord-Holland 1) de vraag »hoe men doen zal in die tsamencompste der jonge liedens als vryers ende vrysters om haer te oeffenen int particulier in Godes woert met lesen, vuytleggen, vraegen voer te stellen ende singen. Wort geantwoert, alzoo groote desordre in vele plaetsen daervuyt gevolget, dat het stichtelycker waere dieselfde gans te onderlaten, doch in die plaetse, daer die tot noch toe sonder opspraecke met stichtinge onderhouden is, zullen die dienaeren derzelfder gemeynten voersien, dat die jongelieden geene vergaerderingen aenstellen sonder bywesen eeniger ouderlingen.« Een jaar later werd besloten, dat zulke groote samenkomsten toch maar verhinderd moesten worden. 2) Ik vermeld dit hier, hoewel ’t mij onbekend is of deze gemengde jongelingen- en jongedochters-vereenigingen van 1586 zich beriepen op het recht van profetie. De aanwezigheid van ’t donum prophetiae zou echter betwijfeld mogen worden, hoewel het geen onaardige trek uit de Noord-Hollandsche gemeenten is, dat onder het jonge geslacht zulke stichtelijke bijeenkomsten gehouden werden, al bestonden de gevaren wel niet alleen in de verbeelding. De houding der eerste synode was dan ook volstrekt niet afkeurend, zooals men ziet. Goed geleid en stichtelijk gehouden, kon er eenig nut van verwacht worden. De gebruikelijke profetie behoorde echter alleen onder volwassenen of zelfs ambtelijk te geschieden.

Op de vraag of zulke profetiën niet slechts geoorloofd, maar ook nuttig zijn, antwoordt Voetius dan ook: Ja … Quia Ver­bum Dei πλουσίως inter nos habitare debet …. 3 quia exercitia illa faciunt, ad spiritualis cognitionis excitationem, et incrementum; ad orthodoxiae in Ecclesiis conservationem, ad ejusdem contra adversarios apologiam …; ad errantium … convictionem, enz. 3)

Deze lof is zeker niet te groot. De Forma ac Ratio van a Lasco wist het nog uitvoeriger te zeggen 4) en verwierp ook de vragen van »leeken« niet.

Voorzeker, »nusquam aliunde plus imminere posse periculi constet in omnibus Ecclesiis quam ex doctrinae dissidiis«; omgekeerd


1) Edam 2 Juni, R. & v. V., I, bl. 139.
2) R. & v. V., I, bl. 143.
3) Pol. Eccl. I, bl. 880. Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 313.
4) Pol. Eccl. Vol. I, p. 875, Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 314.

|181|

was »unanimis doctrinae consensus in illis (ex Verbo Dei)« allernuttigst. Maar hoe kon deze beter tot stand komen dan doordat de auditores, in wier gemoed de prediking nog dubitationes mocht achtergelaten hebben, in een nadere bespreking van de preeken, deze hoorden toelichten, uit Gods Woord beoordeelen en aldus de waarheid van alle zijden bevestigd zagen?

»Quantus autem sit hujus talis Prophetiae fructus, id res ipsa clarius multo testatuc, quam ut ullis verbis explicari posset, zeide a Lasco 1).

Hujus talis Prophetiae — nl. meer het beoordeelen van de uitgesproken preek. Deze vorm is wel te Wesel verworpen, als niet overeenkomstig Paulus’ inzetting en uit vrees voor de twisten, die daaruit konden voorkomen, maar de Forma ac Ratio beriep zich, en m.i. niet ten onrechte, op Paulus’ eigen woorden: »Caeteri dijudicent,« 1 Cor. 14: 29.

 

Caeteri dijudicent. Deze woorden kunnen als formule gelden voor de uitoefening van de broederlijke tucht bij de thans beschreven werkzaamheden der kerkelijke vergaderingen om gezamenlijk de leer nader te onderzoeken.

Naar welken regel moest er echter geoordeeld worden?

Dit worde besproken in een volgende paragraaf.


1) Voetius, Pol. Eccl. Vol. I. p. 876 Ba Ra Ed. Hoedemaker bl. 315.

Schokking, H. (1902) II.13

|182|

 

 

§ 13.
Het (afgeleid) gezag der kerkelijke symbolen.

 

De confessio belgica spreekt aangaande de Heilige Schrift in art V: »alle deze boeken alleen [n.l. de opgenoemde kanonieke boeken] ontvangen wij voor heilig en kanoniek om ons geloof daarnaar te reguleeren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen,« en in art. VII: »Men mag ook geener menschen schriften, hoe heilig zij geweest zijn, gelijk stellen met de God­delijke Schrifturen.« Duidelijk werd dus de Heilige Schrift erkend als de eenige regel in geloofszaken. Hierover bestond geen geschil bij de hervormden. De strijd dier dagen over een norma voor de leer kwam in de praktijk neder op de vraag, of eenig, en zoo ja, welk gezag aan de kerkelijke symbolen, onder de Heilige Schrift, moest worden toegeschreven.

Dat deze eenig gezag hadden, werd in de gereformeerde kerk ter nauwernood door iemand ontkend. Maar hoever ging dat gezag? En van welken aard was het?

Ter beschrijving van dat gezag, dat naar der gereformeerden opvatting aan kerkelijke symbolen toekwam, dient allereerst in het oog gehouden te worden, dat zij uitbeeldden de eenstemmigheid in het stuk der leer.

Reeds te Emden werd de confessie in dier voege onder­teekend. »Ad testandum in doctrina inter Ecclesias Belgicas consensum, visum est fratribus confessioni Ecclesiarum Belgicarum subscribere.« 1) Hieruit blijkt: er was reeds een algemeen als de confessie der Nederlandsche kerken bekend symbool, en de


1) Rutgers Acta, bl. 56.

|183|

eenheid dier kerken, in de belijdenis openbaar, bestond. 1) Verder was er eveneens reeds eenparigheid in de leer. De onderteekening maakte deze eenparigheid niet, zij toonde slechts aan dat zij bestond. De confessie werd aldus een herkenningsteeken voor vriend en vijand, zij zeide zooveel als: »aldus gelooven wij en hierin zijn wij het eens.«

Deze materiëele eenheid was de basis voor de formeele. Dit dient vooropgesteld te worden. Dit feit bracht de geheele kerkrechtelijke verhouding buiten de puur legalistische verwikkelingen.

Deze organische opvatting leidde er toe, dat niet alleen redactioneele wijziging, maar ook nadere verklaring van sommige punten der confessie noodig kon zijn en geoorloofd was; de strijd over een woord ging niet om een woord. Ook was het niet de vraag of aan de termen zulk een uitlegging kon gegeven worden, dat een afwijkend gevoelen zich met een beroep op het geschrevene als »gleichberechtigt« met het gereformeerde gevoelen in de kerk kon handhaven. 2) Ook een historische factor moest in rekening gebracht worden: de belijdenis had niet een willekeurig gesteld en omschreven, een in zijn aard eenvoudig contractueel gezag, maar gold voor het symbool der eenheid in en met de historisch geworden, door God gereformeerde kerk. 3) Vandaar dan ook de veronderstelling der Emdensche vergadering, dat de niet-aanwezige broeders eveneens zouden onderteekenen. Wanneer in art. 4 gesproken wordt van admonere, hebben wij zeker aan iets anders dan een verzoek of aanraden te denken. De term »vermanen« is eenvoudig de zachtste op de lijn der plicht-herinnerende verba, terwijl een krassere uitdrukking niet noodig scheen. Immers de onderteekening was niet anders dan de uitdrukkelijke erkenning van de reeds bestaande en onderstelde eenheid, 4) n.l. de eenheid des beleden geloofs. De confessie


1) Ook Wesel was reeds begonnen met de veronderstelling, dat er een unanimis ecclesiae in doctrina consensus was. Rutgers Acta, bl. 9. v. Langeraad de Bray, bl. 144.
2) Vgl. ’t antwoord op de partic. synode te Delft in 1618. R. & v. V, III, bl. 305. (art. 24) en 320.
3) Trigland gebruikt nog al eens het argument, dat de Remonstranten de belijdenis, waarvoor een vorig geslacht geleden en gestreden had, niet zonder hoogst gewichte redenen in staat van beschuldiging mochten stellen.
4) Insgelijks is in de N.Holl. synode ten jare 1573 aangaande de belijdenis des geloofs drieërlei als in een adem achtereen vermeld: »Ten achsten is daer van den praeses tpunt van die leere voorgestelt, waerom die broederen haer eendrachtelyck hebben laeten behaegen, dat sy om der eendrachticheyt willen naer inhout des anderen artickels int ➝

|184|

werd als formulier voor de kerkelijke eenheid erkend, omdat zij de uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof was. Deze twee zijden mogen in de formulieren niet van elkander gescheiden worden. Emden maakte geen formulier noch een verband, maar vond een symbool en hief dit omhoog als teeken der verbondenen. Ook waar de confessie daarmede en daarna een juridisch te handhaven gezag bezat, bleef zij belijdenis, die zich niet liet gebruiken als een puur juridische acte. Zij kon niet afgescheiden van het geloofsleven der belijdende kerk beschouwd worden, noch gebruikt worden los van de veronderstelling, dat zij de waarheid Gods uitspreekt. In elk ander geval kon slechts een uitwendig toegevoegd gezag aan haar een dan metterdaad tyrannieke overmacht verleenen. 1)


➝ artyckelscrift die belydinge des geloofs van den Nederlantsche gemeynte (ik cursiveer) tsaemen aennemen ende onderscryven.« .. Daartoe moesten haar eerst goed overlezen wie haar niet kenden.. »Insgelyckx sal men oyck ditselfde voerleggen om te onderscryven alle dengenen, die haer naemaels oyck tot den dienst der gemeynten zullen begeven.« R. & v. V., I, bl. 7.
1) Von Hoffmann komt in zijn Das Kirchenverfassungsrecht S 70 ff. na scherpzinnige overwegingen tot het resultaat, dat het lidmaatschap in eene bepaalde gemeente eerst tot stand kwam door onderwerping aan de discipline, terwijl hij de overeenstemming in geloofsbelijdenis slechts de onmisbare voorwaarde noemt. Zoodoende vormde dit laatste geen rechtsverband. Tegen deze voorstelling als »de« gereformeerde in ’t algemeen, alsmede tegen de groepeering zijner gegevens op dit punt heb ik bezwaar, hetwelk met een enkel woord worde toegelicht.
Von Hoffmann zegt: dat de belijdenis des geloofs »vielmehr nur bezeugt eine Be­ziehung gemeinsamer religiöser Anschauungen zu all den Gemeinden in denen das gleiche Bekenntniss herrscht«. Ongetwijfeld doet de aflegging van geloofsbelijdenis dit ook, maar niet »nur«. Ik vraag: Hoe heerschte die confessie in die andere gemeenten? Niet zonder meer als een religieus geschrift, maar als formulier. Von Hoffmann rekent niet met het dubbele gebruik der confessie en de dubbele beteekenis van het afleggen van zijn geloofsbelijdenis: de eene als religieuse uiting en de andere in kerkelijken, kerkrechtelijken zin. (Verg. 1578 part. vr. 35, Rutgers Acta bl. 271/272). Nur seine Beziehung gemeinsamer religiöser Anschau­ungen« werd uitgedrukt bv. in de onderteekening van een andere dan de eigen confessie, zooals te Emden met de Fransche is gedaan. Maar de kerkrechtelijke eenheid der Nederlandsche gereformeerde kerken kwam uit in de onderteekening der eigen confessie. En deze kerken hebben juridisch voor een eenheid gegolden zonder dat zij een gemeenschappelijke kerkorde hadden. Dit feit maant tot voorzichtigheid, wanneer nu voor het lidmaatschap van een afzonderlijke persoon in eene bepaalde kerk als rechtsgrond aangenomen wordt alleen de onderwerping aan de kerkelijke orde en tucht, terwijl de aflegging van de belijdenis des geloofs slechts de voorwaarde wordt genoemd. Ik zou de verhouding juist omgekeerd stellen: de geloofsbelijdenis, die ook het formulier van eenigheid in de plaatselijke kerk is, als de zijne te erkennen ten overstaan van een bepaalden kerkeraad en in eene bepaalde gemeente, is de eigenlijke daad van intrede in een plaatselijke kerk. De onderwerping aan de discipline is iets dat daarbij van zelf spreekt. De gegevens, door von Hoffmann uit kerkorden verzameld, wijzen m.i. ook hierop. Nooit is er alleen van »onderwerping aan de discipline« gesproken; daarentegen wordt wel herhaaldelijk alleen de belijdenis des geloofs genoemd. Zóó weinig werd de onderwerping aan de discipline als de ➝

|185|

Hiermede is niet gezegd, noch bedoeld, dat het formulier­gezag elken juridischen vorm miste, zoodat slechts van een zedelijke werking sprake zou geweest zijn. Het formulier had een wettelijk karakter, zooals uit de wijze, waarop zijn gezag werd gehandhaafd, bleek. In de volgende bladzijden zal dit beschreven worden, maar het punt, waarop thans de nadruk gelegd werd, mag allerminst verwaarloosd worden

Het was niet toevallig, dat de confessie gebruikt werd als formulier van kerkelijke eenheid, alsof een andere verklaring even goed had kunnen dienen; integendeel: het was hierin een, of niet een. Maar dan ook: wie zich hierin met de kerken eenstemmig verklaarde, had recht op gehoor bij de kerk. De aanvaarding der formulieren van eenigheid is dus niet te vergelijken bij het maken van een accoord en het gezag der formulieren werd niet gehandhaafd op dezelfde wijze als b.v. een notariëele acte, waarvan de rechter kan uitmaken, welke kracht zij heeft.

Kenschetsend voor het oordeel dier dagen over den aard van het gezag der formulieren is het, dat langzamerhand ook een tweede geschrift, de Heidelbergsche catechismus, de plaats van een formulier heeft verkregen. In de synode van Dordt 1618/19 zijn bezwaren tegen hem behandeld, is zijn leer verdedigd en bevestigd, alles gelijk het met de confessie ging, terwijl toch geen nationale synode dit leerboek als formulier had erkend. Wel was dit reeds in mindere vergaderingen geschied; zelfs zonder provinciale officiëele erkenning hadden eenige classes den catechismus nevens de confessie als formulier van eenigheid in gebruik genomen. Op een gravamen hierover werd in Delft 1618 eenvoudig ten antwoord gegeven: »dat niet alleenlick de Confessie maar oock de Catechismus voor formulieren van eenicheyt in onse Nederlantsche kercken syn te houden, alsoo dese beyde van de kercken syn aengenomen« 1). Ik herinner mij echter niet


➝ eigenlijke daad beschouwd, dat in Middelburgs acta in de particuliere vragen gesproken wordt van deze onderwerping (welk artikel von Hoffmann vermeldt), maar in de kerkorde (art. 43) in ’t geheel niet (hetgeen Von Hoffmann schijnt ontgaan te zijn). Het stond m.i. met de geloofsbelijdenis en de daarop volgende onderwerping aan de discipline evenals met de eenvoudige handteekening der predikanten onder de confessie en de later opgestelde acten van onderteekening, welke nog eens afzonderlijk verklaarden, wat de onderteekening inhield. (Zie volgende §.)
1) R. & v. V. III, bl. 305.

|186|

dat op eenige nationale synode vóór 1618 aan den catechismus die titel is toegekend. En toch sprak de Delftsche synode niet alleen het algemeen gevoelen uit, maar inderdaad was de catechismus door de kerken als leerboek rebus ipsis et factis erkend, ook in synoden, en dus »aengenomen« als een geschrift, waarin de gemeenschappelijke geloofsovertuiging conform den woorde Gods stond uitgedrukt en daarmede had het alle vereischten om als formulier van eenigheid te mogen gelden.

Reeds te Wesel was de Heidelbergsche catechismus met name genoemd, hoewel nevens andere. Bovendien waren nog meer leerboeken in zwang, waarvan sommige slechts langzamerhand voor het Heidelbergsche plaats hebben gemaakt. 1) Emden 2) liet het gebruik van een anderen catechismus vrij, maar de Pfaltzische had toen blijkbaar reeds burgerrecht. Niemand twijfelde, of de leer, daarin vervat, was schriftuurlijk. 3) Eerst toen door Duifhuis, Coolhaes, Coornhert e.a. bezwaren werden geuit of zelfs catechismus en confessie tegenover elkander werden uitgespeeld, ontstond de noodzakelijkheid om het gezag van het leerboek te omschrijven.

In 1586 4) liet de Haagsche synode het in de keuze der schoolmeesters, of zij de confessie dan wel den catechismus wilden onderteekenen. Er werd geen verschil gevoeld. 5) Wie de eene aanvaardde, werd geacht ook met den anderen in te stemmen. Hetzelfde vinden wij in 1591 in Zeeland voor der predikanten onderteekening. De stap van: een van beide onderteekenen, want zij zijn toch gelijk, naar: beide onderteekenen — is maar klein. Langzamerhand is hij dan ook in alle provinciën gedaan. 6)


1) Een enkel, later gekomen, is blijven bestaan: ’t Kort begrip. Curieus genoeg is in 1613 op de synode van Drenthe besloten, den kleinen catechismus van Marnix in te voeren nevens den Heidelbergschen. R. & v. V., VIII, bl. 172.
2) Rutgers Acta, bl. 58.
3) Trouwens in zijn vaderland had de Heidelberger reeds menigen strijd doorstaan. Cf. Schotel, Gesch. van den H.G. bl. 85 vlgg. Thelemann, Anhang in zijne Handreichung zum Heidelberger Catechismus S.S. 11 flgg.
4) Rutgers Acta, bl. 199.
5) Toen Joh. Fontanus in 1610 de kerk in het land van Gulik in haar verband zette, werd in de synode een drietal resolutiën aangenomen, waarin de catechismus geheel en al dezelfde plaats innam als de confessie in andere kerken. Cf. Wagenaar Joh. Fontanus, bl. 127.
6) Borsius »Toegenomen gezag« bl. 298 geeft deze jaren op: Groningen 1595, Z.-Holl. 1599, Drenthe 1602, N.Holl. 1608, (1 Dec. 1607 had Plancius in de classis Amsterdam ➝

|187|

En in het onderteekeningsformulier van 1618/19 werden nevens de confessie en den catechismus de canones gesteld als uitdrukking der gereformeerde belijdenis.

Dit verschijnsel doet een onderscheid tusschen een gereformeerd formulier van eenigheid en een maatschappelijk of staatsrechtelijk statuut uitkomen. In den staat zou een tweetal grondwetten, voor een vereeniging een dubbel stel statuten iets vreemds zijn. Maar de confessie of welk formulier ook in de gereformeerde kerk was niet te vergelijken bij de grondwet in een rijk, tenzij dan naar uiterlijke overeenkomst. Dat de Remonstranten enkel in het feit, dat zij een tweede geschrift hadden te onderteekenen na hunne hand reeds vroeger onder de confessie geplaatst te hebben, eene beperking van hunne vrijheid en een soort schending van het accoord zagen, bewijst alleen, dat zij een andere beschouwing omtrent kerkverband en symbolische geschriften hadden dan de Gereformeerden.

Op de lijn van dézen was er zelfs geen bezwaar om de confessies van uitheemsche kerken te onderteekenen. Immers, de grondbeteekenis der onderteekening was de erkenning van de eendrachtigheid der geloovigen te betuigen 2). En nu juist die eenparigheid van overtuiging voelden de gereformeerden elkander af, ook als zij de eigen confessie als formulier der kerkelijke eenheid aanvaardden.

In het nauwste verband met wat wij tot dusver duidelijkheidshalve als een afzonderlijken factor vermeld hebben, nl. dat het formulier van eenigheid en zijn gezag berustten op de bestaande eenigheid in de leer, staat hetgeen nu besproken moet worden en als de conditio sine qua non voor een gereformeerd


➝ gevraagd of ’t niet goed was dat alle predikanten ook den cathechismus zouden onderteekenen, gelijk elders reeds geschiedde) Zeeland 1610, Gelderland 1612, Friesland 1616.
H.H. Kuyper, P.-A. bl. 132, geeft deze jaren: N. en Z.-Holland vóór 1593, Groningen 1595, Drenthe 1602, Zeeland 1610, Friesland 1611, Gelderland 1612.
2) Vandaar de uitgaven van meer dan een Harmonia Confessionum, reeds in 1582 te Geneve.
De pogingen om éene belijdenis voor alle gereformeerden te verkrijgen, zijn nooit geslaagd. Cf. H.H. Kuyper, P.-A., bl. 332, waar ook de litteratuur staat opgegeven.
Voetius P.E. III, 1, 1, 4, 10e quaestie, Vol. IV, p. 31, beroept zich op Phil. III. om te bewijzen, dat de eene kerk verder is gekomen dan de andere in de formuleering der ware belijdenis. En die zal daarom hare eigen geschriften willen behouden, terwijl een andere dat zoo nog niet inziet. Maar daarmede is de eenheid niet geschonden of weg.

|188|

symbool gold, nl. dat het niet anders wil zijn dan de repetitio Sacrae Scripturae. 1) M.a.w. de basis der gemeenschappelijke geloofsovertuiging uitgesproken in deze geschriften, rustte zelve weer op een dieper liggend feit, waaraan zij hun gezag ont­leenden en waarmee zij stonden of ineenstortten: deze onze symbolen geven een zuivere weerspiegeling der geopenbaarde waarheid Gods. 2) Zonder dit konden zij geen geloofsbelijdenis, leerboek of leerregel zijn, en dus nog veel minder gezag als teeken der eenheid bezitten. 3)

Kort en duidelijk zegt de classis Walcheren sinds 1574: 4) »Wij … Dienaeren des Woorts Godes … gelooven en bekennen mits dezen, dat die voorschreven belijdinghe des geloofs der Christelijcke Ghemeenten der Nederlanden, gheleeghen onder Co. Mat van Spaenyen, begrepen in 37 artikelen … den Woorde Gods in allen stukken ghelijkformigh is. Ende beloven derhalve onse leer en kerkendienst daernaer te richten …«

In deze opvatting is het gezag van de symbolen tot het hoogste punt opgevoerd. Was echter de overtuiging omtrent deze menschelijke geschriften niet deze geweest, dan had men zeer zeker daaraan geen symbolisch gezag toegekend. 5)

Op deze beide stellingen, de eerste: Onze belijdenis is de bekentenis der waarheid Gods en voor zoover blijken mocht, dat hare bewoordingen hierin falen, houden zij op deel der


1) Emden liet het in de vrijheid der kerken, die een anderen catechismus dan den Heidelbeigschen hadden, dien te houden, als het slechts was Catechismi formula, verbo Dei consentanea. Rutgers Acta, bl. 57.
2) Vgl. den brief der synode van 1586 aan alle classen, dat het onderschrijven een teeken is van eendrachtigheid met alle welgevoelende kerken in de leer der waarheid, Rutgers Acta, bl.  621.
3) De Remonstranten hebben het een oogenblik ook gezegd van het gereformeerd gevoelen, maar lieten zich later anders uit [R. & v. V., III. bl. 440], doch de Contra-remonstranten hebben steeds volgehouden dat zij op der Arminianen gevoelen niet zouden durven sterven. [Voorrede in de Acta Dordr.].
4) Borsius, Toegenomen gezag, bl. 293. De cursiveeringen zijn van mij.
5) Borsius’ titel »Toegenomen gezag« is dan ook onjuist. Wel is het gezag telkens nader omschreven. Maar reeds Emden kende in de aanvaarding van een symbool aan de confessie het hoogst mogelijke gezag toe.
Eigenlijk geeft Borsius dit ook toe op bl. 290. Wel meent hij uit de jaren voor 1571 een toeneming te kunnen bewijzen, maar voor de latere periode wil hij aanwijzen… «hoe die tegenstand [bv. van Coolhaes] juist aanleiding gegeven heeft tot deze en gene meer strenge, synodale verordening, waarbij het gezag van de geloofsbelijdenis en van den catechismus telkens nader bekrachtigd werd.

|189|

belijdenis te wezen; en de andere: deze onze belijdenis is aldus kenmerk, waarborg en getuigenis onzer eenigheid in geloof en kerkelijke samenleving, rustte heel de beschouwing over gezag van formulieren in de gereformeerde kerk. De rechte onderscheiding zoowel als ’t onoplosbaar verband tusschen deze beide te erkennen, geeft den sleutel ter verklaring van de houding der Contra-remonstranten in den verwarden strijd over ’t formuliergezag. 1)

 

Behalve formulieren van eenigheid waren de symbolen ook formulieren van zuiverheid.

Op de particuliere synode van 1587 te Rotterdam werd uitgesproken, dat de confessie onderteekend worden zou, niet alleen om daarmede eenigheid in de leer te betuigen, (ook nog de kerkorde van 1578 zeide niets meer), »maer oyck om de gesuntheyt derselve te betuygen.« 2) Daarbij werd opgemerkt, dat een dienaar, die rein in de leer is, geen bezwaar hiertegen hebben kon; en wie zwarigheden in dogmaticis met zich omdroeg, kon dan juist met de broeders in gesprek geraken en uit zijn onverstand geholpen worden. 3) Dezelfde bepaling werd in 1605


1) In het geven van een belijdenis stelde de kerk zich niet boven het woord Gods, maar legde zij, in het bewustzijn harer roeping en in ’t gevoel harer mondigheid, getuigenis der waarheid af. Juist in dat met eigen woorden uitspreken van de waarheid toonden de gereformeerden hoe volle ernst het hun was met het geloof in de zuivere openbaring Gods. De tegenwerping, ook toen tegen het hebben van een confessie gehoord: Waarom houdt ge u niet aan de Schrift? trof geen doel — want zij wilden juist niet anders dan zich aan de Schrift houden. De loop der geschiedenis heeft genoegzaam getoond, dat er tusschen verba en sensus verborum scheiding is gemaakt. Daarom konden de verba niet helpen, waar ­de woorden gebruikt werden om niets te zeggen. »De verbis Scripturae non disputamus, sed de sensu, zeide de synode te Arnhem 1618 [R. & v. V., IV, bl. 270.]
Wie den Bijbel als Gods Woord erkende, maar bepaald weigerde de vragen voor het avondmaal te beantwoorden, werd niet toegelaten volgens ’t antwoord op een particuliere vraag in Dordrecht  1578  [n°. 35, Rutgers Acta bl. 272.]
En Voetius [Pol. Eccl. P III, L I, T I, C IV, quaestio 1, Vol 4 p. 18,] liet zich uit: Summa summarum est: non petitur à te quae sint verba scripturae; sed quae sit mens tua de his, aliisque verbis scripturae et quid tu credendum aut faciendum ex illis educas, asseras, concludas.
2) R. & v. V., II, bl. 197.
3) Rogge’s opgave [C. Coolh. I bl. 196] dat in 1581 te Middelburg de confessie voor ’t eerst als norma fidei ter tafel kwam, blijkt dus niet geheel juist. Naar luid van de woorden uit de acta van Rotterdam was ’t reeds te voren geschied. En bovendien: van ’t eerste oogenblik af was de bedoeling geen andere geweest. In ’81 werd deze echter ook afzonderlijk genoemd.

|190|

nog eens herhaald, 1) terwijl zij buitendien na dien tijd meermalen voorkomt. Veere’s scriba van 1610 vatte de beide deelen der onderteekenings-actie samen in deze woorden: »om te beter eenicheyt in de suyvere leere… te onderhouden,« 2) terwijl de vergaderden te Barneveld in de dubbele classis van 1602 be­loofden: … »in de enicheijt des gelooffs met alle uijtheemsche ende inheemsche kercken staende te willen blyven .. de welcke .. met ons by [de suijverheijt] des gelooffs (daervan de somma in de Nederlantsche Confessie ende Heydelberchschen Catechismo vervatet is) stantvastelick [te] willen blyven.« 3)

Twee bezwaren zijn echter tegen deze opvatting ingebracht. Ten eerste dat hiermede een nieuw element in de beteekenis der onderteekening werd ingebracht, hetwelk vroeger daarin ontbrak, de leeraars bezwaarde en ook ongeoorloofd scheen, omdat (en dit is het tweede bezwaar) daarmede aan menschelijke formulieren zulk een gezag werd toegekend als alleen aan de Heilige Schrift toekomt.

Wtenbogaert heeft het eerste aldus geuit 4): »…. Wiert oock vremdt gevonden, dat de Synodus (nl. de particuliere van 1605 te Rotterdam) van Formulieren der eenigheyt, soo mense tot nu toe hadde gehouden, ginck maecken Formulieren van suyverheydt, ende gesontheyt der Leere, eene Eere die de Gerefor­meerde Kerck tot die tijdt toe de H. Schrifture alleen toege­schreven hadde.« Maar Trigland antwoordde daarop 5): 1. »de Synodus en veranderde de nature van die formulieren niet; dat en kanse niet doen; maer verklaerde alleen hoedanich de nature ende ‘tghebruijck van die formulieren zy; 6) 2. Als de Synodus seyt, dat de onderschrijvinghe vande voornoemde formulieren dient, niet alleen om de eenicheyt der Leere, maer oock om de gesontheydt der selve, te betuyghen, en schrijftse de selve formulieren geen meerder eere toe als de selve toekomt. Want« — en nu komt er een echt Triglandiaansche argumenteering


1) R. & v. V., III. bl. 235.
2) R. & v. V., V. bl. 100.
3) R. & v. V., IV. bl. 195.
4) Kerckelijcke Historie, bl. 326.
5) K.G. bl. 302, vgl. ook bl. 426.
6) Dat reeds van den beginne aan de gereformeerden hun symbolen als formulieren van zuiverheid lieten gelden bewijst een uitdrukking van Duifhuis, die ietwat smalend spreekt van het »meetkoordeken«, cf. Wiarda, Duifhuis bl. 42.

|191|

— »alsse formulieren zijn der eenicheyt in de Leere, soo is die eenicheyt, of inde waerachtige Leere, of inde valsche, of in eene twijffelachtige.« Mij dunkt, ge ziet hier een glimlach van voldaanheid op ’t gelaat van den ouden kampvechter: In de ware leer zijn de Remonstranten niet met ons een, van de valsche te hebben willen zij evenmin beschuldigd zijn: het zal dus een twijfelachtige eenheid wezen, die zij bedoelen. Men moge over het dialectisch zuivere dezer polemiek in twijfel staan — bij nader inzien heeft Trigland m.i. toch den spijker op den kop geslagen. Wtenbogaert schijnt een wonderlijke voorstelling van kerkelijke eenheid gekoesterd te hebben. Evenzoo staat het met het tweede bezwaar. Een opmerking uit zijn »Oorspronck ende Voortganck der Nederlantsche kerckelijcke Verschillen« op fol., 32, waar hij zelf Gomarus’ glosse van een eersten en tweeden regel vermeldt en daar tegenover stelt, dat de reformatie de H. Schrift als eenigen regel heeft aanvaard, wijst op een verwarde voorstelling van der Contra-remonstranten gevoelen, als wij geen onwil om het te begrijpenwillen veronderstellen. Alsof een hunner er aan dacht, de H. Schrift niet langer als den eenigen regel des geloofs te beschouwen! Het heeft iets van een demonstratie, wanneer de Remonstranten te Utrecht in hun gravamina voor de Dordtsche synode beginnen met naar den bekenden weg te vragen. 1) »Of elk geloovige van Gods wegen niet verbonden is de Heylige Schrifture alleen te volgen als een regel van het Gheloof ende leven, met verwerpinge van alle ’t geene geene daer tegen strijt?« — om spoedig te komen tot de vraag, of men iemand aan een catechismus mag verbinden op een wijze, die strijdig is met zijn eerste verbinding aan Gods Woord?

Behalve door de strekking, die zij hebben, loopen deze vragen buiten het punt in kwestie om. 2)

De Remonstranten drongen het alternatief aan: absoluut gezag of geen gezag. Hunne tegenstanders oordeelden: tertium datur. En terecht. Daar tusschen in ligt nl. het relatief of afgeleid gezag. En hieraan heeft men in de praktijk gewoonlijk het


1) Zie de listig gestelde en in kenteekenende volgorde geplaatste gravamina afgedrukt in H.H. Kuyper, P.A., bl. 457 vlgg.
2) Toen Paschier de Fijne in 1619 te Leiden weigerde «Menschelicke schriften… (te) onderteijckenen om deselve als godtlick te leeren« werd hem geantwoord, dat zulks ook niet van hem geeischt werd, maar ’t alleen de vraag was of hij ze voor schriftmatig hield. R. & v. V., III, bl. 360.

|192|

meest. De kooper moet wel bepaalde redenen hebben om den maatstok van den winkelier te wantrouwen eer hij naar den ijk onderzoek instelt en niemand denkt er aan, de maat van het Nederlandsch ijkkantoor te gaan controleeren met den meter, die in Parijs bewaard wordt. Toch worden alle duimstokken naar die Nederlandsche maat gekeurd en de bewering dat daarmee onze regeering een nieuwen meter heeft ingevoerd, zal wel nog door niemand geuit zijn.

Ongeveer op dezelfde wijze golden de formulieren als normae secundariae onder de H. Schrift, behalve dat de betrekking tusschen deze beide organisch was en bleef, terwijl ook hierop nadruk dient gelegd te worden, dat de Schrift niet weggeborgen werd als het formulier in werking werd gesteld, maar haar volle waarde en voortdurend gebruik behield als de eenige beslissende regel des geloofs.

Van deze verhouding tusschen Schrift en formulier hebben de Contra-remonstranten zich rekenschap gegeven. Zeer uitvoerig in de »Verklaring der redenen van de advysen enz.« uit 1607. 1) Trigland geeft het begin in deze woorden weer: »Wel is waer dat de eenighe regel-maten des Gheloofs is Godes beschreven Woordt, maer nochtans, dewijl ditselve beschreven Woort Godts van velen wort misbruyckt tot een decksel harer dwalinghen, soo zijn tot allen tijden, van de Recht-ghevoelende Leeraren der Kercken, nae rijpe deliberatien ende gemeene toe-stemmingen, eenige Confessien der gemeene kercken ghestelt. Dese, hoewelse niet en zijn van ghelijcke authoriteydt met den Woorde Gods, (als ’t welcke zijne authoriteyt van hem selven heeft, dewijl het Godts Woordt is, daer-en-teghen de belijdingen hare authoriteydt ende vasticheyt hebben, niet van haer selven, maer alleen van dat Woort Godts) soo hebben nochtans de selve belijdingen oock hare nutticheden, datse namelijck hebben gedient. Ten 1, Om de Ketteren, ende hare dwalingen, te ontdecken, die anders, onder den name van Godts Woort, gedreven worden: want elck een van hen roept het Woort Gods op zijn zijde te hebben. Ten 2, om de Kercken ende de Leeraers in eendrachticheydt onder malkanderen te houden, ende scheuringhe te vermijden. Syn alsoo de selve belijdinghen secundariae no[r]mae fidei (tweede


1) Volledig afgedrukt uit het Synodale Archief Dl. VI. Vol I, als Bijlage I bij »Revisie van de Revisie-legende« door Dr A. Kuyper, bl. 153 vlgg.

|193|

ofte onder regelen des Geloofs) niet voor soo veel alsmen op haer mach steunen in geloofs saecken, maar voor soo vele zy, eenmael bijde Kercken aengenomen zijnde, bij alle de Lidt-maten der selver, tot beter onderhoudinge der eenigheydt inde Kercken, ende om te beter haer af te scheyden vande Secten, voor ongetwijffelt behooren ghehouden ende gevolcht te worden, ter tijt toe contrarie uyt Godts Woordt bewesen wordt.« 1)

Zes tegenredenen, ontleend aan de »revisie-clausule« bij het decreet der Staten van 1606 en den eisch, dat de leden der synode om onpartijdig te kunnen oordeelen, eerst van den band aan de confessie ontslagen moesten worden, zijn in dit stuk breedvoerig beantwoord. Derhalve, betoogt Trigland, aan de volstrekte autoriteit der H. Schrift wordt niet alleen geen afbreuk, maar juist eere gedaan door het recht gebruik der formulieren.

Het was dus niet hetzelfde of een Remonstrant dan wel een Contra-remonstrant de leuze deed hooren: gezag in geloofszaken heeft alleen de Heilige Schrift. 2)

Ook op een ander punt blijkt het, dat de Gereformeerden zich rekenschap hadden gegeven van den aard der confessie, enz. en haar niet als een nieuwen Bijbel boven de maat verhieven. Evenals de Remonstranten erkenden hun tegenstanders een onderscheid tusschen de Schrift als de openbaring Gods en de formulieren als uitdrukking van de leer der kerk. Daarentegen vermochten zij niet deze tegenover elkander te stellen. Formeel iets te erkennen als kerkleer zonder dat er materiëele overeenstemming met het Woord Gods is, was iets ondenkbaars voor een gereformeerd brein.

Zoo is het te verklaren, dat in 1619 Ds. Lachterop van Kamperveen, toen hij de canones wilde onderteekenen voor zoover zij met Gods Woord overeenkwamen, ten antwoord kreeg, dat hij ze moest onderteekenen als Gods Woord. 3) Een onderteekening »qua-tenus» leek hun een ongerijmdheid. Voor zoover het beteekenen kon, dat Gods Woord de eenige beslissende regel des geloofs bleef, was zulk een toevoeging overbodig, want deze verklaring stond in de belijdenis; ja dit was de basis,


1) Trigland, K.G., bl. 359.
2) Ongetwijfeld lag een verschil in Schriftbeschouwing hieronder verborgen.
3) Brandt, IV bl. 11.

|194|

waarop een formulier rustte. Het kon dus wel niet anders beduiden dan het uitspreken van een vermoeden, dat in de confessie iets niet in overeenstemming met Gods Woord was — maar dan kon men daarvan ook geen »belijdenis« doen.

»Qua tenus« aanvaardde Trigland de Augsburgsche confessie. 1) De eigen belijdenis qua tenus te nemen, scheen ja en neen tegelijk.

Maar daarmee werd de kerkleer niet in de plaats van het Woord Gods gesteld, zooals hun van remonstrantsche zijde werd opgedrongen. 2) Dit bleek bv. toen in de 3de zitting 3) der Dordtsche synode de credentie der Overijsselsche afgevaar­digden aan de orde kwam, waarin geschreven stond, dat zij »niet alleenlick naer Godes woort, maer oock na de gelijcformicheyt des geloofs, in de Confessie ende Catechismo deser Kercken begrepen, souden oordeelen«, werd hiervan wèl nadere toelichting verzocht, maar, aangezien het antwoord geen twijfel liet of de Overijsselschen erkenden beslist, dat alleen de Schrift den regel gaf, waarnaar de waarheid eener leering moest beoordeeld worden, terwijl de formulieren, als schriftmatig, den toets voor de onderlinge eenheid in de zuivere leer waren, werd de credentie ongewijzigd aanvaard.

Dezelfde gedachtengang wordt bij Trigland aangetroffen. Hij beroept zich in zijn Christelycke ende Nootwendighe Verclaringhe op Rom. 12 om te verdedigen, dat altoos moet geoordeeld worden naar de analogie des geloofs. Maar dat belette hem niet op bl. 449 uit te roepen: Wat hebben wij formulieren noodig [nl. de nieuwe der Staten, zooals hij de resolutie van 1614 beschouwt]! »De kercken hebben voor den regel der waerheyt de Prophetische ende Apostolische schriften. Tot een formulier van eenicheyt hebben de Nederlandtsche Kercken hare belydenisse ende den Heydelbergschen Cate­chismus.« Hij wilde hiermede niet ontkennen, dat de symbolen als regel van zuiverheid suo modo mochten worden gebruikt, maar de resolutie der Staten bevatte twee grondfouten,


1) K.G. bl. 157. — De strijd over quia en quatenus in de 19e Eeuw kon alleen ontstaan, toen de belijdenis als een acte, een juridisch stuk werd beschouwd en bewijst, hoezeer men van het levend belijden was afgeraakt.
2) Vgl. het karakteristieke gesprek tusschen T. Sybrandts en Plancius. Rogge C. Coolhaes II, bl. 186, 187.
3) Acta Dordr., bl. 12.

|195|

waartegenover hij handhaafde: 1°. dat de Heilige Schrift de eenige regel in absoluten zin is, terwijl de Staten-resolutie een beslissing nam omtrent de 5 artikelen zonder dat het oordeel uit de H.S. was opgemaakt. En 2°. dat de Overheid hare meening niet als een band der eenheid aan de kerk kon, noch ook behoefde op te leggen omdat deze alreede haar welomschreven formulieren bezat. Dat Trigland overigens aan de symbolen wel het gezag van een norma secundaria toekende, behoeft nauwelijks bewijs. Men leze slechts wat wij reeds aanhaalden, hoe hij degenen die daartegen bezwaar maakten, verwijt, dat zij dan blijkbaar hun geloof grondden op een twijfelachtige leer en van hun eigen overtuiging niet zeker schenen te zijn. 1)

In dien zin protesteerde hij ook, met een warm beroep op al wat er door een vorig geslacht voor de confessie geleden was, tegen de minachtende uitdrukking, dat het »simpellyck« menschelijke geschriften zijn. 2)

Een derde voorbeeld, waarin de onderscheiden opvatting van Remonstrant en Contraremonstrant op het punt van ’t gezag der symbolen in verband met het gezag der H.S. uitkomt, levert de eed door de leden der Dordtsche synode afgelegd.

De Remonstranten hadden altoos op vrij schamperen toon geëischt, dat men alleen naar Gods Woord zou oordeelen en daarmede hun veroordeeling van den band der confessie gewonnen geacht. En nu liet de eedsformule van 1618 alle leden der synode onder andere ook dit verklaren, dat hij »in dese gantsche Synodale handelinge…, niet eenige menschelicke schriften, maer Godes woort alleen voor eenen sekeren ende ongetwijffelden regel des geloofs sal houden ende gebruycken.« 3) Dus juist wat de Remonstranten hadden begeerd? Hadden de contra-remonstrantsche leiders dan zoo geheel en al het roer omge­worpen nu de politieke wind uit den anderen hoek woei? Of, minder ergdenkend gevraagd: Was soms der Staten dwang oorzaak van deze eedsbewoordingen? Het eene zoo min als het andere. Bij staatsdwang had Bogerman het woordeke »houden« bv. kunnen laten vervallen en »gebruiken« alleen laten staan, maar ook de veronderstelling, dat de geheele


1) Trigland K.G. bl. 304. vgl. ook 349, 392, 394.
2) Trigland K.G. bl. 381, zie ook Kuyper, Rev. leg. bl. 89.
3) Sessie XXIII aan het einde, Acta bl. 80.

|196|

synode een eed zou afgelegd hebben tegen aller besliste opinie in, wel wat al te beleedigend is om als basis voor de ver­klaring hunner houding gebruikt te kunnen worden. Inderdaad behoefden de Gereformeerden geen enkel hunner woorden op te eten, want de vroegere oppositie tegen ’t remonstrantsche »de Schrift alleen« ging tegen het daarmede door hen verbonden: dus los van de formulieren. Reeds de meerderheid der commissie in 1607 1) had de tegenwerping: zonder ontslag van de verbintenis aan de formulieren, kan het oordeel niet behoorlijk opgemaakt worden, want de rechter moet neutraal wezen, — in dezer voege beantwoord: Deze argumentatie schijnt wel schoon, maar maak er een syllogisme van en de fout zal blijken: wie aan een leer gebonden is, kan niet onpartijdig oordeelen over verschillen. Onze predikanten zijn gebonden. Ergo kunnen zij niet onpartijdig oordeelen zonder ontslag van den band aan de confessie, enz. Den major nemen wij echter niet aan. Bv.: Ieder Christen is gebonden aan de Christelijke religie. Kunnen wij daarom niet oordeelen of de Joodsche, Heidensche of Turksche religie beter is dan de onze? En evenmin is de minor in orde. Onze predikanten zijn niet absoluut gebonden aan de confessie, maar onder een conditie, nl. tenzij bewezen worde dat zij in strijd is met Gods Woord.

In dit verband krijgt de bewering, dat nooit door de vaderen bedoeld was een canon fidei te geven, 2) gemakkelijk haar beantwoording. Zij werd nog al eens gehoord. Ook Saravia heeft zich in dien trant uitgelaten in zijn bekenden brief aan Wtenbogaert 3): niemand dergenen, die de belijdenis opstelden en eerst onderteekenden, meenden daarmede een fidei canonem edere, verum ex Canonicis Scriptis fidem suam probare. Dat zal wel waar wezen! Geen canon fidei in plaats van de canonica scripta. Maar de kwestie was of de kerkelijke belijdenis ook een secundair gezag hebben zou. En die vraag moest naar de


1) Cf. Trigland K.G. bl. 359.
2) Volgens een vermoeden van Herberts zou Dathenus zelf op ’t laatst van zijn leven verklaard hebben, den catechismus niet als vroeger te willen gebruiken.
Herberts zelf was een beslist tegenstander van het formulier-gebruik, hoewel hij tegen den inhoud van den catechismus weinig bezwaren had. Hij noemde ’t: een nieuwen monstrans invoeren. Cf. Rogge C. Coolhaes II, bl. 180, 181.
3) Cf. Borsius Toegen. gezag, Nederl. Archief Dl. IX, bl. 347. Uit Praest. Vir. Epist. Eccl. et Theol. Ep. 181, bl. 295. Zie ook v. Langeraad, de Bray, bl. 141.

|197|

overtuiging der Gereformeerden ook van het begin van ons tijdvak af, bevestigend beantwoord worden. Dat misschien de naam canon ontzegd werd aan de menschelijke geschriften verandert aan de zaak zelve niet. Saravia en anderen zullen zich uitgelaten hebben uit reactie en omdat in de Roomsche kerktaal nu eenmaal aan »canon« de klank verbonden was: op zich zelf van kracht. Verba valent usu, althans ten deele. Rome had hare canones, los van de Heilige Schrift, enkel en alleen door ker­kelijk gezag voor verbindend verklaard. »Weg met canones — de Schrift is de eenige canon« was het protest der hervorming. Maar hiermede was niets beslist omtrent de vraag, hoedanig gezag aan kerkelijke geschriften, op de Heilige Schrift gegrond en onder deze staande, toekwam. Werd van eenig deel der formulieren bewezen, dat het dien grondslag miste — dan kon dat niet alleen niet langer als norma normata, maar in ’t geheel niet als formulier blijven gelden.

Met begrijpelijke verwondering is dan ook in de particuliere synode te Delft in 1618 op een gravamen van dezen inhoud: »offt nyet de Confessie ende Catechismus behooren t’allen tyden in de kercke des Heeren examinabel gehouden te worden om alsoo Godts woort syne behoorlicke authoriteijt ende eere te geven, ende off sy nyet in dese tyt behooren datelick geexamineert ende gerevideerdt te worden, ende dat naer de resolutie der H. M. heeren Staten Generael daerover genomen, als oock des laetsten synodi, gehouden tot Gorchem. Ende off diegene, die de wtschryvinge des nationalen synodi met de clausule van revisie der Confessie hebben wedersproken, niet en behooren in synode gecensureert te worden,« 1) — geantwoord, dat dit »gravamen …. niet alleen onnodich [was] maer oock [strekte] tot beswaring der kercken, der dienaren des h. evangeli ende der gedeputeerden des sinodi, evenalsoff zy de Confessie ende den Catechismum wilden stellen in eenen graedt met Godes woort (twelcke verre van daer es.)« 2) Perti­nenter tegenspraak is wel niet mogelijk.

Scherpzinnig merkte Trigland op, dat de uitdrukkelijke aanvaarding der symbolen juist een bewijs was, dat men ze niet


1) R. & v. V., III, bl. 319.
2) R. & v. V., III. bl. 304.

|198|

gelijk stelde met de H. Schrift. Eer was van remonstrantsche zijde een voorstel gedaan, dat de autoriteit der Schrift vermin­derde, nl., toen Venator in 1608 aan een commissie uit de classis had voorgesteld, de H. Schrift te onderteekenen. Dat noemt Trigland 1) »spottelijck« van Venator gezegd, want wat moet het beteekenen, te onderteekenen hetgeen men houdt en houden moet voor den regel van al zijn leer en leven?

 

In dezen aangegeven zin hadden de formulieren toenmaals volgens de Gereformeerden gezag in hunne kerk. De erkenning daarvan geschiedde door onderteekening. Maar niet allen wilden hunne onderteekening als een zoodanige erkenning beschouwd zien. Vandaar dat bij de formulieren van eenigheid formulieren van onderteekening zijn opgesteld, om de beteekenis dezer handeling te omschrijven. Daarover wordt echter beter in een afzonderlijke paragraaf gehandeld, welke de boven gegeven voorstelling nader toelichten zal.


1) Trigland K.G. bl. 490b.

Schokking, H. (1902) II.14

|199|

 

 

§ 14.
De onderteekening der Formulieren.

 

Reeds in 1571, op de synode van Emden, werd de confessie onderteekend. Daarna is dit in allerlei kring ons geheele tijdvak door gebruik geworden.

De beteekenis ervan zou bij gevolgtrekking afgeleid kunnen worden uit het karakter, dat een formulier van eenigheid bij de gereformeerden bezat, zooals dit in de vorige paragraaf is aangewezen. De langdurige strijd over dit punt gevoerd heeft ons echter vele historische gegevens nagelaten, die der gereformeerden bedoeling en opvatting duidelijk in het licht stellen.

Op zichzelf was de onderteekening van eene belijdenis de verklaring: alzoo geloof (ook) ik. In zooverre velen dit gemeenschappelijk verklaarden, werd de confessie (respectievelijk catechismus, canones) formulier, symbool van eenheid. De onderteekening was dan gelijk de handslag der gemeenschap met anderen. Zóó echter werd het tegelijkertijd een zaak van kerkrechtelijk verband. Welke beteekenis in dit opzicht de onderteekening had, hing af van de plaats en het gezag, die de onderteekende stukken als zoodanig bezaten.

Wij zagen: het formulier van eenigheid was ook formulier van zuiverheid. Dit was het punt, waar het formeele en het materiëele in de kerkelijke samenleving elkander raakten. Een teer punt derhalve. Persoonlijke overtuiging en kerkelijke eenheid, geloof en ambtsbekleeding, innerlijke samenhoorigheid en uiterlijke samenleving ontmoetten elkander en vormden te zamen den ondergrond voor de daad der onderteekening.

Wanneer nu onze kerk de onderteekening ook vorderde van hare ambtsdragers en daarin een waarborg zocht voor de rechte vervulling van hun dienst, werd ’t een kwestie van

|200|

goede trouw. De onderteekening gold als een belofte en waarborg, op grond waarvan de kerk personen tot de bediening van een ambt toeliet. Maar hiermede is ook de aanleiding tot veel twist en verwarring gegeven.

 

»Reeds van de eerste Generale Synode af was in de K.O. de bepaling opgenomen, dat alle predikanten de Confessie, als formulier van Eenigheid, moesten onderteekenen«. 1)

In Emden (1571) hebben de predikanten vrijwillig onderteekend en bepaald, dat dit voortaan door alle predikanten moest geschieden. 2)

In 1586 is bepaald, dat professoren en schoolmeesters dit eveneens zouden doen; 3) regenten van collegiën en rectoren worden in 1619 genoemd. 4) Ouderlingen en diakenen waren in 1578 5) reeds genoodigd tot onderschrijving, in 1581 werd het geëischt; 6) Dordt 1618, wilde dit eerst ook (sessie 164) maar in sessie 175 werd dit in de vrijheid der classen gelaten. Krankbezoekers moesten de confessie onderteekenen. 7)

Bovendien is meer dan eens uitgesproken, in 1581 (art. 37), 1586 (art. 47) en 1619 (art. 53) dat alle professoren der acade­miën hetzelfde behoorden te doen. 8)

In dit bestek is het van weinig belang, hoe het met de onderteekening inderdaad is gesteld geweest. Genoeg bekend is ’t, dat metterdaad slechts de onderteekening der predikanten en krankbezoekers, alsmede der theologische professoren te Groningen is verkregen. Leiden’s academie heeft een eigen formulier gehad voor hare doctoren in de theologie. 9)


1) Aldus begint Dr. H.H. Kuyper in zijne studie over de Post-Acta op bl. 132 zijne annotatie op het 6e punt der 159e Sessie. Daarin geeft hij al de plaatsen op, waar de besluiten zoowel der generale als der particuliere synoden aangaande de onderteekening zijn te vinden.
Op bl. 193 wordt nauwkeurig besproken de oorsprong van de acte van onderteekening.
2) Cf. Rutgers Acta, bl. 57.
3) Cf. Rutgers Acta, bl. 498, 499.
4) Cf. H.H. Kuyper, P-A., bl. 202.
5) Cf. Rutgers Acta, bl. 247.
6) Cf. Rutgers Acta, bl. 390.
7) Cf. H.H. Kuyper, Post-Acta, bl. 231.
8) Cf. Kist, in Kist en Rooyaards Ned. Archief voor K.G. dl. IX, bl. 479.
9) Verder zie men hierover Kist, die ook mededeelt, wat hij wist aangaande de universiteit te Franeker, Harderwijk en Utrecht. Levendig teekent Dr. A. Kuyper in de »Executeurs«, bl. 56, hoe de synode van Zuid-Holland het moest afleggen tegenover de universiteit te  Leiden.

|201|

Doch niet, hoe weinig de gereformeerden van hunne begeerten vervuld zagen, maar hoe ver hunne wenschen reikten, is hier de kwestie. En dan blijkt het uit de genoemde bepalingen, dat zij, die eenigen dienst in verband met de openlijke taak der kerk vervulden, tot onderteekening verplicht werden geacht. 1)

Van eene onderteekening door lidmaten buiten het ambt of althans buiten den openlijken dienst der kerk staande, is mij niets bekend, behalve in gevallen, wanneer door zulk eene onderteekening een lidmaat zich had te zuiveren van eene aan­klacht. Op zich zelf kon bij geen enkel lidmaat, hij zij in of buiten het ambt, een bezwaar verondersteld worden tegen een afzonderlijke betuiging van instemming met de leer, welke hij in de aflegging van zijn geloofsbelijdenis als zijne overtuiging had uitgesproken. Al werd dus de eisch tot onderteekening alleen aan dienaren der kerk gesteld, de veronderstelling bij dit ambtelijk optreden was evenzeer de eenheid van geloof. 2) Vandaar


1) Kist (Ned. Archief, dl. IX, bl. 476) meende, dat in 1619 het gravamen, »aangaande het instellen van een bekwaam formulier van onderteekening der belijdenis en van den catechismus voortaan te doen door allen, die in kerkelijke bediening zijn«, door de synode beantwoord werd door, nevens het besluit van de 159e sessie aangaande een formulier voor de kerke­dienaren bij uitnemendheid, nl. de dienaren des Woords, in de 162e sessie ook een formulier voor alle kerkedienaars voor te schrijven, H.H. Kuyper Post-Acta, bl. 196 wijst aan, dat in de 162e sessie alleen eene commissie werd benoemd, om het besluit van de 159e uit te voeren. Op de vergadering te Dordt is de onderteekening der ouderlingen en diakenen juist niet doorgezet [H.H. Kuyper, Post-Acta, bl. 202].
2) Met nadruk herinner ik eraan, dat belijden en belijdenis naar gereformeerden trant niet gescheiden mogen worden. Wel verduidelijkend, maar in zijn termen toch niet zonder bedenking, is het, wanneer Dr. A. Kuyper [Revisielegende, bl. 79] zich aldus uitlaat: »Komt ge dus op het eeuwige, op wat der ziele zaligheid raakt, op wat u het Brood zal zijn des levens, dan is een Gereformeerde zoo goed als vergeten, dat zijn kerk een Confessie heeft, en drinkt hij maar aldoor met volle teugen uit de zuivere wateren des Woords. En eerst als ge op kerkrechtelijk terrein komt en schiften wilt, wat wel en wat niet bij uw kerk hoort, eerst dan leest hij u voor uit zijn Confessie.«
»De Formulieren van eenigheid zijn dus nooit voor de vrienden, maar alleen en uit­sluitend voor de heele, halve en kwart vijanden.
»Indien er niets dan vrienden waren, zou men God loven, zou men saam klagen en dan weer jubelen en met alle macht des Woords de groote werken Gods verkondigen, maar aan het opstellen van een Belijdenis zou niemand denken.
»Maar nu er vijanden buiten zijn die lasteren, en vijanden van binnen die de levens-wateren der kerk telkens onzuiver maken en vergiftigen, nu moet de kerk wel tot den vijand van buiten opstaan en zeggen: «Wat gij mij toedicht is niet mijn belijden; maar wilt ge weten wat ik belijd, zie het hier!« en voorts tot den vijand van binnen er bijvoegen: »Zie toe, dat ge mijn schapen niet van den springader des levenden Waters naar uw gebroken waterbakken toelokt, want dan zal ik de trouwe Herder zijn, die u als wolven in de lammerenvacht, aan mijn Confessie openbaar!«
»Vandaar dat zulk een Confessie alleen in den nood wordt geboren, en is haar kern nooit een theologisch opstel, maar een noodkreet der ziel en een kreet van verrukking over ➝

|202|

dan ook, dat juist de geloofsbelijdenis als formulier van zuiverheid gold. Op de persoonlijke overtuiging kwam het aan.

Zoo werd soms, eer tot de onderteekening werd overgegaan, nog afzonderlijk gevraagd, of men erkende, dat de confessie schriftmatig was. Was iemand niet terstond bij zichzelf overtuigd, dan kreeg hij gelegenheid, om langer de confessie te onderzoeken.

Zoo vermelden de acta der classis Neder-Veluwe, d.d. April 1597 1): »Pilgermo den Pastoer in Vasen is operlacht van den Classe den Catechismum flytich te ooverleesen und mit Godes Woordt te conferiren om ront bekentenisse te doen, off deselvige schriftmatich sy ofte niet«. Ludolphus Pyck moest zich den volgenden keer ook daarover verklaren en beloofde het te doen. Eenigen tijd later 2) beweerde hij, niet te kunnen onderteekenen en oordeelde den catechismus niet schriftmatig.

Vrijwillige instemming was het beginsel, waaruit de eerste onderteekenaars gehandeld hebben en het voorschrift, dat ook


➝ de grootheid van Gods ontfermingen is. Men gaat daar niet zoo eens voor zitten; men benoemt daar geen commissie voor; men pluist dat niet uit. Neen, zulk een confessie is voor den Gereformeerde poëzie, een lied der ziele, een kunststuk, product van Geestes-genie in de ziel van een daartoe door God bereid instrument.
»Er is niet zekere heer De Bres, die zeker opstel van artikelen samenlijmt en dit nu aan een Synode toewendt, om het te laten keuren. Neen, maar er is de levende God. die zich ontfermt over zijn wegzinkende kerk, en nu een De Bres doet geboren worden en hem tot een instrument bereidt en met zijn Geest in hem werkt, en er het geloofslied in artikelen-strophen uit doet komen, en het nu aan zijn kerk brengt en tot haar spreekt: »Ziehier het woord naar uw hart!«
»Heel anders is een Catechismus.
»Dat is een boek niet van Belijdenis, maar van Onderwijzing, niet tegen den lasteraar, maar voor den  weetgierige, geschreven.
»Een catechismus dient niet voor de vijanden, maar alleen voor de vrienden en de kinderen der vrienden, om ze de beginselen te leeren van den weg.
»Daar spreekt niet het heroïsme des geloofs tegenover den tegenstander, maar de teederheid der zoekende, der ondersteunende, der onderwijzende liefde in.
»En nu maken we ook van dien Catechismus geen geheim, en als de laster ons beticht, dat we onzen kinderen onware beginselen inprenten, kan dus ook die catechismus als verweermiddel dienst doen, doordien we hem den benijder dan voorleggen, hem vragend: »Wijs ons nu aan, wat daarin  onrecht is! « — maar opgesteld en bestemd is hij daarvoor niet.«
Hier wordt de belijdenis als een noodzakelijk kwaad voorgesteld. Dit is zij niet. Vooral de zinsnede: «De formulieren van eenigheid zijn dus nooit voor de vrienden enz.« verwrikt den grondslag der confessie. Ik ga dan ook niet mee met de gedachten van Ypey en Dermout, die scheiding maken tusschen »de verklaring, wat zij gelooven« en »wat zij zouden leeren.« (Vgl. Ypey en Dermout, I. bl. 450). Want wel is hier juist aangegeven, dat de onderteekening waarborg moet geven voor den a.s. dienst, maar men vervalt juist in de fout van het geïnstitueerde leven los te maken van het organische leven.
1) MS. A, bl. 45.
2) MS. A, bl. 52.

|203|

de aankomende predikanten moesten onderteekenen, rustte op dezelfde veronderstelling.

De Contra-remonstranten verklaarden dan ook niet te be­grijpen, waarom de Remonstranten zooveel bezwaar maakten tegen eene herhaling hunner onderteekening.

In de acta van de classis Neder-Veluwe van April 1610 1) wordt vermeld, dat van den Stadhouder enz. een brief ontvangen was met eene ernstige vermaning aan de classis om, Gods eer, de voortplanting Zijns Woords en den band der eenigheid voor oogen hebbende, toe te zien, dat in onderlinge liefde en reinheid der leer met alle oprechtheid de kerk worde gebouwd en alle nieuwigheid (»ghelijck leyder enighe in die nabour provinciën haer in desen tijden ontdeckt«) geweerd worde. Om dit »allensins te effectueren,« werd het beste geoordeeld, dat alle dienaren des Woords en ouderlingen, die alsnu bij dese tegenwoordighe vergaderinge present sijn, ofte in toecomenden sullen compareren, sullen onderschrijven den Catechismum Heydelbergensem ende 37 articulen der Nederlandsche Confessie« en wel »op den voorhergaenden concept ende formulier, te dien eynde alrede bij den Gedeputeerden Synodi beraempt, ende den Catechesi ende Confessij schriftelicken achter aen bijgevoecht.«

Allen deden dit, op een paar na, die de confessie nog eerst eens wilden nalezen. Het blijkt niet, of dit ouderlingen dan wel predikanten zijn geweest; vermoedelijk predikanten.

De vragen, die bij het lezen onwillekeurig zich voordoen: waarom besluiten van algemeene synoden zoo slecht waren uitgevoerd; 2) wat te denken valt van ambtsdragers, die de confessie niet kenden, e.a., mogen blijven rusten, maar de aandacht moet wel gevestigd worden op dit punt, dat de onderteekening van confessie en catechismus volstrekt niet mocht beschouwd worden als een deur, die men slechts eens behoefde te zijn doorgegaan om dan verder ongestoord op het kerkelijk erf te kunnen vrijbuiten. Een deel van degenen, die hier onderteekenden, zal wel reeds eerder althans de confessie onderteekend hebben, maar nu deden zij het nog eens, en als twee jaar later, naar aanleiding van Vorstius’ geschiedenis, nog eene


1) MS. B. Cf. ook Wagenaar. Joh. Fontanus, pag. 125.
2) In  Amsterdam was in 1601 ook noodig, afzonderlijk te vermelden, dat een propo­nent teekenen moest, maar er staat bij: zooals gewoonte is. (Cf. Rutgers, Kerkverband, bl. 31).

|204|

nadere verklaring noodig werd geoordeeld, zetten weder allen hun naam onder de acta dier extraordinaire vergadering van de twee classen in Barneveld: anderhalf blad vol namen. 1) En in 1617 heeft de classis Neder-Veluwe nogmaals gezamenlijk uitgesproken, dat zij bij de gereformeerde religie wilde blijven. Dit was tegen de calumnie van Nijmegens predikanten, als zouden er op de Veluwe ook wel dienaren des Woords zijn, die van gelijk gevoelen waren als de Remonstranten in Holland, maar dit niet dorsten te openbaren. 2)

Vergelijkt men met deze houding van de classis Harderwijk de aanteekeningen uit de acta van Nijmegen, dan blijkt terstond, dat bij de gereformeerde classis geen bezwaar was tegen een formulier, terwijl de remonstrantsch-gezinden in Nijmegen bepaald hadden: »Generael formulier te maecken vind Classis niet goedt, de Broeders die Catechismum en Confessionem Belgicam eens onderteeckent hebben, met nieuwe onderteekeninge te beswaeren. 1610 April. 3)

Dit was het antwoord van Nijmegen op natuurlijk eenzelfden brief als Neder-Veluwe van den stadhouder ontvangen had.

Hier ligt in nuce de geheele remonstrantsche strijd, voor zoover die over het kerkelijk samenleven loopt. Op zichzelf zou men zeggen: Nijmegen heeft gelijk: eenmaal geteekend blijft geteekend. Maar werd de herhaling opgevat als in Harderwijk, dan verviel elk bezwaar. Het woord: »de broeders niet te beswaeren met eene nieuwe onderteekening,« is waarlijk karakteristiek. 4) En vooral die argumentatie: eens onderteekend, dus daarna niet meer, is het rechte uitgangspunt voor de legalistische lijn, waarbij de kerk eene belijdenis heeft, maar niet belijdt.

Kenschetsend is het dan ook, dat Wtenbogaert zich beklaagde over den eisch tot vernieuwde onderteekening en dien inquisitoriaal noemde, 5) eene poging om van iemand te weten te


1) MS. A, bl. 165. 7 April 1612.
2) MS. A, bl. 210. Vgl. ook Borsius, Toegenomen Gezag, bl. 352.
3) Kist en Royaards, Ned. Arch. v. K.G., dl. IV, bl. 39.
4) Dit is meer als eene woordspeling bedoeld. Tenminste in 1600 behoeft ’t woord bezwaren geen ongunstigen zin te hebben. »Beswaeren« wordt ook gezegd in de classis Leiden, waar men toch wel onderteekend heeft. Dit was echter 1586. Vgl. Kleyn, Alg. Kerk. en Pl. Gem., bl. 99, i. i.
5) Oorspronck ende Voortganck, fol. 23.

|205|

komen, wat men nog niet als beschuldiging durfde te uiten. Maak er liever een proces van, zegt hij, dat is open kaart spelen.

Daarentegen werd in andere streken evenzeer als in Gelderland de onderteekening herhaald; bv. te Sneek (dd. 22 October 1616): »De broeders des Classis ontfangen ende oock overgelesen hebbende op dato vsz. die missive der E. Heeren Gedeputeerden, hier tegenwoordich ingehecht, 1) hebben dieselve beyde met onderteckeninge van catechismo ende confessie en christelicke eede voldaen, verclaerende bij die nieuwicheden in die missive gemeldet te verstaen die leeringen der Remonstranten daerdoor tegenwoordich die kercken in Nederlant onrustich ende beroert gemaeckt worden.«

Wat toch was de bedoeling der onderteekening?

Deze: dat de kerk een waarborg zou hebben, dat haar dienaar de rechte leer van harte was toegedaan. Daarom moest hij zijne overtuiging onomwonden uitspreken. Hoe kon zij anders de verkondiging der waarheid, de openlijke verdediging van de leer der kerk, de onderrichting van het zaad der geloovigen aan een mensch toevertrouwen? Zonder dien grondslag was er geene samenwerking mogelijk 2) Toen echter bleek, dat sommigen, die onderteekend hadden, aan hun handteekening niet die beteekenis toekenden, was het noodig duidelijk uit te spreken, welke de kracht dezer handeling was.

 

Na 1608 verschenen allerlei formules, acten van bewilliging, declaraties als even zoovele explicaties van wat implicite verricht werd bij de confessie-onderteekening.

Het oude gebruik was, dat eenvoudig onder een afdruk van de confessie de handteekening werd geplaatst. Meer dan eens staat vermeld, dat de scriba van classis of kerkeraad daartoe een exemplaar van het formulier van eenigheid aanschaffen moest.


1) De origineele brief der Gedeputeerden is nog in het boek MS. C aanwezig.
2) In zooverre hebben Wesel’s artikelen logischer opzet dan de Emdensche K.O. Deze plaatst de verklaring na het examen; gene luiden (Rutgers Acta bl. 14): »In doctrina quatuor observari erit utile, primum ut requiratur testimonium sive ecclesiae sive Scholae aut etiam Civitatis in qua antehac vixit. Deinde quaeratur ecquid per omnia consentiat cum ea doctrina quae in ecclesia publice retinetur secundum ea quae Confessione fidei primum Galliarum Regi per ecclesiarum illius regni ministros oblata, deinde etiam in vernaculam linguam conversa Hispaniarum regi, coeterisque inférioris Germaiiiae magistratibus inscripta exhibitaque fuit, denique etiam Catechesi continentur. Tertio interrogetur de primariis quibusque religionis Capitibus. Ac postremo etc.«

|206|

De bedoeling daarvan was duidelijk voor ieder die wist, wat de gereformeerde opvatting van het gezag der formulieren en de roeping der kerk was. 1) In den twist met Sybrants o.a. was het ook onbewimpeld uitgesproken, dat hij door eene onderteekening van de confessie en den catechismus zou toonen het eens te zijn met de gereformeerde kerk. 2)

In 1605 had Cornelius van Delft gewezen op de onvoldoendheid van het »simpelick onderteeckenen.« 3) Hij achtte daarbij noodig, dat de predikanten bij geschrifte verklaarden, dat zij zich zouden houden »datelick van den Dienst gedeporteerd« zoo zij tegen eenig punt der leer, in catechismus of confessie begrepen, kwamen te disputeeren of te leeren hetzij openbaar dan wel privatim.

Deze wensch nu is eenige jaren later vervuld.

Het eerst schijnt een formulier van onderteekening opgesteld te zijn in de classis Alkmaar, 21 September 1608. Dit is althans het oudste, dat Dr. H.H Kuyper heeft kunnen vinden. 4) Alras zijn ook in andere classen dergelijke formulieren noodig geacht. In de bl. 193—201 bespreekt hij die.

Alkmaars verklaring bevatte twee punten:
1°. Instemming met de belijdenis.
2°. Eene belofte, zich daaraan te zullen houden en dwalingen te verwerpen.

In 1610 heeft de classis Buren nevens het formulier eenige vragen gesteld, waarin als derde voorkomt: »de eisch dat men, bij twijfel omtrent de leer, dezen twijfel alleen zou mededeelen aan de classis en zich aan haar oordeel zou onderwerpen op poene van suspensie,« terwijl in hetzelfde jaar in Zeeland het


1) Onderteekening was niets ongewoons in de gereformeerde kerkelijke wereld. Vgl. Ordonn. Eccl. van Calvijn: »aussi pour eviter tout danger que celluy, quon veult (sc. beroepen) n’ait quelque opinion maulvaise il sera bon quil proteste de recevoir et tenir la doctrine approuvee en lesglise«. [H.H. Kuyper, Opleiding bl. 156, noot 3].
2) Cf. Trigland, K.G., bl. 276.
3) W. d. M. V. Serie III. V, 3e st. bl. 359.
4) Kleijn, Alg. K. en Pl. Gem., bl. 99 vermeldt een formulier uit de classis Dordt, ook van 1608, waarbij hij echter maand en dag niet opgeeft. Dit is veel scherper dan het Alkmaarsche en komt ten deele met het straks te vermelden Burensche van 1611, deels met het laatste van Dordt, 1619 overeen.
In de Post-Acta van H.H. Kuyper wordt de genesis van het Dordtsche formulier zeer nauwkeurig onderzocht en duidelijk voorgesteld. De vergelijking der verschillende redacties (gemakkelijk gemaakt door een afdruk der drie nevens elkander) brengt meer dan één punt in het licht, dat voor de kennis van den gang der ideeën zeer eigenaardig is.

|207|

spottenderwijs genoemde jus inquisitionis werd uitgedrukt in den eisch, dat de predikanten zich bereid moesten verklaren, te allen tijde hun gevoelen omtrent eenig stuk der leer in de classis nader te openen.

De nauwkeurige terminologie is niet terstond gevonden. Ook een provinciale synode, die van Gelderland, in 1612 te Harderwijk, 1) heeft zich ermede bemoeid. In Nijmegen en Tiel waren onderteekenings-formulieren opgesteld. Fontanus staat ervoor in, dat het Nijmeegsche »so bundick (is) als enige der andere classen.« Niet onaardig begint echter het volgend artikel van de notulen, art. 20, nadat de vergadering in art. 19 verklaard had tevreden te zijn met de bestaande classicale formulieren: »Edoch wort goetgevonden een formulier van onderteykeninge der Confessie ende des Catechismi te stellen, enz.« De Nijmeegsche en Tielsche formulieren bleven mij onbekend; ik vermoed echter, dat zij wel eenigszins van elkander verschilden.

In Drenthe is in 1613 een uitvoerig formulier aangenomen. 2)

In 1618 kwam een gravamen uit Zuid-Holland, dat de Remonstranten, die toch bezwaren tegen de confessie hadden geuit 3), ze wèl onderteekenden. 4) Ut perversa nonnullorum effugia in subscriptione praecaveantur 5) werd dan ook het bekende Dordtsche formulier opgesteld, hetwelk elementen bevatte zoowel uit het Alkmaarsche als vooral uit het Geldersche en het Zeeuwsche origineel.

De verschillende formulieren vermeldden te zamen deze zes onderdeelen, waarvan er in het eene slechts twee, in het andere meer gevonden werden:

1. Eene betuiging, dat men de leer, in de confessie (en catechismus, en canones) vervat, oprecht voor in alle deelen overeenkomstig met de Heilige Schrift hield.
2. In verband daarmee eene belofte, om die leer naarstig voor te staan.
3. Bij komenden twijfel zou men onderrichting zoeken bij de wettige kerkelijke vergaderingen en zijn particulier gevoelen niet terstond verbreiden.


1) R. & v. V., IV. bl. 203.
2) R. & v. V., VIII, bl. 167—169.
3) R. & v. V., III. bl. 303, 309, 319.
4) H.H. Kuyper, P.-A. bl. 424.
5) H.H. Kuyper, P.-A. bl. 186.

|208|

4. In geval men (»wat God verhoede«) deze leer niet meer in gemoede zou kunnen toestaan, zou men zich voor gedeporteerd houden van zijn dienst in de kerk.
5. Eene belofte van bereidwilligheid om aan de kerkelijke vergaderingen zijn gevoelen, des gevraagd nader te verklaren.
6. In alle geschillen bleef het recht van appèl op de breedere vergadering bestaan.

In Alkmaar had men alleen N°. 1 en 2. Dordt vroeg in 1608 N°. 1, 3 en 4. Het Zeeuwsche heeft N°. 1, 2, 3, 4, 5 en (6). Dordt 1619 heelt alle zes. Zeeland heeft No. 6 in een formulier de onderteekening der kerkorde geregeld, hetwelk ook den predikanten werd voorgelegd. In zooverre kan dus gezegd worden, dat Zeeland in 1610 reeds alle bepalingen opnam.

Toch is het Dordtsche aan het Zeeuwsche formulier niet gelijk: veeleer is het een verzachte vorm daarvan. Bij de meest ingrijpende bepaling, de 5de, heeft het formulier van 1619 eene beperking geplaatst. Het Zeeuwsche formulier luidde hier aldus: 1)

»…. Ende indien tot eenigen tyde de classis ofte synodus zoude mogen goetvinden, om de eenicheyt in de leere te onderhouden, van ons te eysschen onse naerdere verclaringhe ofte gevoelen over eenich artickel van de voorsz. Confessie ofte Catechismus, soo belooven wy oock mitsdesen, dat wij daertoe t’ allen tyden zullen bereyt ende willich syn sonder eenige weygeringhe, op pene als boven« (nl.: »als scheurmaeckers gecensureert te worden«).

En in 1619 luidde de aanhef van dit, vaak voor inquisitoriaal gescholden, artikel: 2)

»Ende indien t’ enighen tijde de kerckenraet, Classis ofte Sijnodus om ghewichtighe oorsaecken van nadenken« zoude mogen goedvinden, van ons eene nadere verklaring te vragen, enz.

De onderstreepte woorden waren eene toevoeging van beteekenis en namen veel van de scherpte weg, hoewel toch ook de Zeeuwsche bewoordingen niet meer dan eene krasse omschrijving waren van het recht, ’twelk in elk zedelijk lichaam, vooral in het geestelijk huis der kerk, moet kunnen gehandhaafd worden, nl. dat er waarachtigheid zij in de vormen, die den grondslag van het samenleven aanwijzen. Het was den


1) R. & v. V., V, bl. 106.
2) H.H. Kuyper, P.A. bl. 198.

|209|

gereformeerden niet te doen om de onderteekening der formulieren, maar om een waarborg, dat hare leeraren volkomen met de door haar aangenomen leer der waarheid vereenigd waren.

Deze eisch was begrijpelijk, want bestond hieromtrent twijfel, vooral twijfel die niet kon worden uitgesproken en dus bleef voortwoekeren: dan moesten de verhoudingen in het lichaam der kerk wel gespannen worden en zou het geheele leven der liefde gaan lijden door onderling wantrouwen. Maar toch deed Dordt 1619 goed, uitdrukkelijk erbij te voegen, dat er »gewichtige oorzaken van nadenken« moesten wezen. Want, wilde de Zeeuwsche bepaling de schade voorkomen, die ontstaan zou wanneer een leeraar met een beroep op zijn eenmaal gestelde onderteekening, mogelijke ketterijen wilde maskeeren, niet minder schadelijk moet het misbruik geacht worden, waartoe een geheel ongelimiteerde bevoegdheid den kerkeraad (aan welken in 1618 nevens classis en synode dit recht van ondervraging werd toegekend) kon leiden, wanneer hij, wie weet door welke motieven geleid, op elk willekeurig oogenblik onder den schijn van »nadenken« over zijn leeringen, den prediker sub reatu zou kunnen stellen.

Het Dordtsche formulier heeft niet overal instemming gevonden. In Zuid-Holland schijnen bezwaren ertegen te zijn ingebracht, 1) maar in Zeeland heeft de classis Schouwen bepaald geprotesteerd tegen deze akte van onderteekening (1622). Niet dat de leden der classis eenig bezwaar hadden tegen confessie, catechismus en canones. Die hadden ze reeds onderteekend. Maar deze akte scheen hun eene beperking van de vrijheid der profetie te bevatten, doordat, volgens No. 3, alle vermoedens en twijfelingen aan niemand bekend mochten gemaakt worden dan aan kerkeraad, classis of synode. Zij meenden, dat hiermede de onderlinge conferenties, die zoo nuttig waren, werden afgesneden en ook tegen de H. Schrift werd ingegaan.

Dit protest wijst ons op de mogelijkheid, dat het verklarend formulier de beteekenis der onderteekening niet juist uitdrukte. 2) Het waren goede contra-remonstranten, die de onderteekening der acte weigerden; nadrukkelijk verklaarden


1) Volgens Brandt, IV, bl. 806.
2) Hun kerkrechtelijk bezwaar, dat deze acte gesteld was zonder dat de deputaten daarvoor mandaat hadden van classes en part. synoden, alsmede hun zedelijk bezwaar, dat ➝

|210|

zij, niets tegen de leer te hebben, zooals hunne eerste onderteekening bewees.

Hun protest schijnt echter niet de bedoelde uitwerking gehad te hebben, ook al omdat zij zelven de beslissing overgelaten hadden aan de aanstaande nationale synode, die nooit gekomen is.

Maar dat de geheele oppositie is verdwenen, zal m.i. mede hieruit verklaard mogen worden, dat het bezwaar zelve ongegrond was. De bewoordingen van het formulier van 1619 gaven slechts eene krasse uitdrukking voor het onmisbaar tegenwicht tegenover de vrijheid eens christenmenschen, n.l. het broederlijk oordeel, speciaal de bevoegdheid der kerkelijke vergaderingen, zonder welk tegenwicht de libertas prophetandi tot volkomen individueele willekeur zou leiden. Vernietigd werd deze libertas niet.

Het was ongetwijfeld een uiterst moeielijk werk om zuiver door te zeilen tusschen de klippen van losbandigheid en vrijheidsbeperking, doch het is duidelijk genoeg, dat het formulier niet sprak over theologische dubia of over het stellen van voor en tegen in conferentiën, maar van (min of meergewichtige, dat zij zoo, maar dan toch) bepaalde bedenkingen of besliste tegenspraak tegen de voorzeide leer of eenig punt daarvan. 1)

De moed der Schouwenaars om tegen de algemeene opinie in te gaan, waar zij meenden dat door de eigen broederen roof werd gepleegd aan een gereformeerd beginsel, verdient vollen eerbied en in het algemeen moet erkend worden, dat bij de aanvaarding van vaste kerkelijke formulieren en instellingen niet te nauwkeurig kan worden gewaakt tegen onzuivere bestanddeelen, maar dit keer was het protest toch metterdaad ongegrond.

Ik vraag mij ook af, waarom Schouwen dan niet geprotesteerd


➝ »het maecken van dese Acta geheel heet van de rooster heeft geloopen«, kunnen hier buiten bespreking blijven.
1) In Arnhem, Juni/Juli 1618 (R. & v. V., IV, bl. 303) was gevraagd: »oft het eenighe particuliere predicanten vrijstaet in eene welgestelde Gereformeerde kercke onder goede christelicke overicheijt haer eijgen opinien ende prophecien, strijdich zijnde met de aengenome leere derselver kercken, alleer dieselve in een wettelicke sijnodale vergaederinge (…) geëxaminiert, geapprobeert ende aengenomen zijn» int openbaer ofte privé te leeren ofte voor te  stellen«. De synode antwoordde: neen.

|211|

heeft tegen het nog krassere Zeeuwsche formulier van 1610. 1) Het »simpellijk onderteekenen« der belijdenis (dat een bedriegelijk indringen in de kerk niet tegenhield en waarbij de belijdenis werd tot een deur, die opengaat voor ieder, die er tegen aanduwt, terwijl zij veeleer moest zijn als het zuivere bloed in het lichaam, hetwelk elk vreemd lichaam uit het organisme wil uitdrijven) was ook daarin reeds vervangen door ’t onderteekenen van een formulier onder de formulieren.

De Dortsche acte waarborgde bovendien nadrukkelijk het recht van appèl, hetwelk bij het recht van gravamina gevoegd, in eene welgestelde gereformeerde kerk 2) voldoende ruimte liet, om beschuldigingen van beperking der gewetensvrijheid, van versteening der leer, van het stellen der formulieren van eenigheid boven de H.S., eenvoudig af te wijzen.

Ook de verklaring, dat men »alle artikelen en leerstukken, de minste met de meeste« (Zeeland) voor goed keurde, of, zooals in 1619 werd gesteld, »dat alle de artikelen en stukken der leer … in alles met Gods Woord overeenkomen,« waaraan aanstoot is genomen, kon niet gemist worden, als de onderteekening waarlijk een band van eenigheid, op grond van eene welgevestigde overtuiging, voorstellen zou.

Natuurlijk werd alleen verklaard, welk uw tegenwoordig gevoelen was, alsmede wat het naar het oordeel der kerk uit Gods Woord steeds behoorde te zijn; maar wanneer ge mettertijd een afwijkend gevoelen mocht krijgen, kon hierover wettiglijk uit de H.S. geoordeeld worden. 3)


1) In Tholen (R. & v. V., V, bl. 145) was er wel een weinig tegen gesproken, maar niet bepaald geprotesteerd.
2) In abnormale omstandigheden kan het goede vaak niet gebruikt worden. Vgl. het geciteerde uit 1618. dat men bij verschil van zijn private meening met de leer der kerk, zijn eigen gevoelen niet openlijk of ook privé leeren zou, nl. »in een welgestelde Gereformeerde kercke onder goede christelicke overicheijt«. (R. & v. V., IV. bl. 303.)
Men voelt waar ’t om ging. In een kerk (bv. de pauselijke) waar geen rechtstreeksch beroep, op de Schrift was, miste de kerkleer haar eenigen rechtsgrond om den menschen opgelegd te worden. En ook wanneer de overheid [c.q. de Staten van Holland] gebood te verzwijgen wat de Schrift leert, en zulks der kerk had willen opleggen, moest men Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen. Alles stond en viel met de opperhoogheid Gods in Zijn Woord. Daarin vonden de gereformeerden rust en gewetensvrijheid. Mocht hun kerk zich daaraan niet houden, dan werd zij desnoods kruiskerk.
3) In de formulieren voor de krankbezoekers en schoolmeesters wordt over mogelijke bezwaren niet gesproken. Waarom niet? Vermoedelijk omdat zij eenvoudig rechtstreeks onder den kerkeraad stonden, bij wien zij, evenals de andere lidmaten zonder ambt, hun bezwaren konden inbrengen en die omgekeerd op hen toezicht hield. ➝

|212|

Tegenover de stem, die uit het protest van Zeeland klinkt, een stem, waardig met aandacht gehoord te worden, moet dan ook de aandacht niet heenglijden over het minder geruchtmakende feit, dat in verreweg de meeste klassen geen enkel bezwaar tegen deze actie is ingebracht, tenzij dan door remonstrantschgezinden, die tegen de leer zelve bezwaar hadden.

Wat de veronderstelling was bij de bediening van het ambt, nl. dat de dienaar wist, wat hij aan zijn kerk had, maar ook van de andere zijde dat de kerk vertrouwen mocht, dat in haar naam niet tegen haar belijdenis werd geleerd — dit is het, wat in de onderteekening werd uitgesproken. Daardoor kon deze dienst doen als een middel om de zuiverheid der leer te bewaren, 1) maar sloot zij ook buiten, wie niet met de gereformeerde kerk eenstemmig waren.

Dit laatste wordt onwillekeurig als de eenige beteekenis beschouwd. Onwillekeurig, want de gevallen, waarin een predikant weigerachtig was, zijn bekend geworden. De honderde keeren, dat vrijwillig onderteekend werd, verliest men uit het oog en toch vond juist in deze de instelling van onderteekenen haar normaal verloop. De actie, ontstaan door weigering, was een uit abnormale omstandigheden voorkomend en dan onvermijdelijk, gevolg, maar allerminst hoofddoel. In normale toestanden zou zij altoos uitgebleven zijn. 2) Wordt dit bedacht, dan is het hatelijk karakter, dat de onderteekening, vooral de toenemende belijning der verklaring, in veler oog had, verdwenen.

Ook het stellen van »strafbepalingen« werd onvermijdelijk, toen het niet-onderteekenen niet langer als verzuim kon worden beschouwd, maar scheen aan te duiden, dat de weigerachtige een


➝ Maar omdat zij in hunne werkzaamheden voortdurend de leer der kerk noodig hadden, moest hun onderteekening waarborg geven van hun recht gevoelen.
1) Borsius, Toegenomen gezag, bl. 320, wijst er op, dat door de werking van het Zeeuwsche formulier deze provincie bevrijd is gebleven van remonstrantsche gevoelens. Cf. ook Trigland, K.G., bl. 380, die den door Wtenbogaert gesmaden Zeeuwschen eed verdedigt.
2) Bij de Remonstranten zijn dan ook evenzeer onderteekeningsfonnulieren opgesteld. Dat was juist een der grieven van Tiel (Contra-rem.) tegen Bommel. In een der bovengenoemde acten komt o.a. het volgende voor: »Bij provisie verclaert Henrick Voegels voorss thoe te staan onderlinghe verdraegsaemheijt met den aencleven van dijen, beloovende sich t’onthouden van alle alsulcke communicatien met dengheenem die der Contra-remonstranten gevoelen toestaen, diewelcke souden mogen strecken tot onruste deses classis, ende sich in alles te conformieren met den classe, selffs tot defentie van de Remonstrantie, vuijth den name deses quartiers tot Arnhem overgegeven.« (R. v. V, IV, bl. 214).

|213|

andere leer was toegedaan; vooral toen deze gevallen niet meer een bloot negatief, maar een positief karakter kregen. In 1586 besloot de synode te ’s-Gravenhage, dat degenen, die weigerachtig bleven, om te onderteekenen, van hun ambt ontzet waren. Het besluit betrof alleen den predikanten » ..ende de Dienaers die sulcx sullen refuseren, sullen de facto van haren Dienst bij den Kercken-Raet, ofte de Classe opgheschorst werden, ter tijdt toe sy haer daer inne gheheelicken verclaert sullen hebben: ende indien sy obstinatelijcken in weygheringhe blijven, sullen sy van hare Dienst gheheelicken afghestelt werden.« 1)

Dat was de eerste strafbepaling. Borsius 2) noemt haar »eene strenge verordening.« Maar het was toch niets anders, gelijk hij zelf erkent, dan eene handhaving van vroegere besluiten.

Ook was het bevel: wie niet wil teekenen, wordt afgezet niet absoluut. Immers eene geldige verklaring voor de weigering werd mogelijk geacht. Wat in diezelfde synode met Coolhaes is verhandeld, geeft daarvan eenigszins eene illustratie. Zijn bezwaar tegen de onderteekening van de belijdenis lag in bedenkingen tegen art. 16, met name om wat daar van de reprobatie gezegd wordt. Hieromtrent werd eene nadere verklaring opgesteld en toen heeft Coolhaes de onderteekening gedaan. 3)

Deze term »nadere verklaring,« is de technische voor den normalen gang der leer-ontwikkeling. Ook de Dortsche canones waren niet bedoeld als laatste woord der Nederlandsche gereformeerde kerk. Maar wel werd geeischt, dat de aanvaarding van de formulieren in zuiver gereformeerden zin en te goeder trouw geschiedde.

Wat in Gelderland gevraagd werd in 1619, n.l. of predikanten, die vroeger tot remonstrantsche gevoelens geneigd waren en nu de canones onderteekend hadden, daarmede ook hun gemeenten genoeg hadden gedaan, 4) toont van eene andere zijde, hoe weinig de acte-onderteekening finale afsluiting van alle kwesties in zake de zuiverheid in de leer gaf. Ja nog sterker: op de synode te Utrecht, 1626, werd gevraagd naar


1) Rutgers Acta, bl. 498.
2) Toegenomen gezag, bl. 294.
3) Cf. de stukken in Rutgers Acta, bl. 561.
4) R. & v. V., IV, bl. 330: cf. Brandt. IV. bl. 7.

|214|

onderteekening van eene acte tot nadere verbintenis tegen alle accomodatie met de Remonstranten. 1) Op elke classicale vergadering kwam aan de orde of men bij deze acte persisteerde.

In 1622 is in Holland eene afzonderlijke »proponents-formule« ontworpen. 2) Uit de classis Nijmegen wordt er eene vermeld in de genoemde Synopsis uit het jaar 1658. 3)


1) Kuyper, Referaat over de Belijdenis in Rev. v. d. Rev. leg., bl. 66.
2) Brandt, IV, bl. 79S.
3) Kist en Royaards, Ned. Arch. v. Kerkgesch., dl. IV.

Schokking, H. (1902) II.15

|215|

 

 

§ 15.
Revisie.

 

De strijd over het gezag der symbolische geschriften is een tijd lang gevoerd onder de leuzen: vóór of tegen revisie van confessie en catechismus. Het zal aanstonds blijken, dat in deze formuleering de vraag allerminst zuiver gesteld was. De mannen van »geen revisie« zagen in deze term hun gevoelen geenszins volledig noch voor alle tijden juist uitgedrukt; en de bedoeling, die in een niet nader bepaald »vóór revisie« ligt, moge metterdaad bij degenen die deze leuze aanhieven aanwezig zijn geweest, geheel zonder beneficie van inventaris zouden zij dit erfstuk uit de dagen van 1606 wel niet voor altijd aanvaard hebben.

Toch waren de beide leuzen niet valsch. Twee principes, die zich als »voor« en »tegen« tegenover elkander laten stellen, kwamen in botsing toen in den loop der gebeurtenissen beslist moest worden over een onvoorwaardelijke revisie der formulieren.

Dogmatische waardeering, godsdienstige overtuiging, historisch gevoel, ook politieke berekening, maar toch vooral de eerstgenoemde geesteswerkingen, die de geheele beschouwing beheerschten, deden haar invloed, rechtstreeks waarneembaar of onopgemerkt, hierin gevoelen.

De acte van consent der Staten-Generaal tot het houden eener nationale synode had het wachtwoord aangegeven. In dit stuk van Maart 1606 werd als voorwaarde opgenoemd, dat de confessie en catechismus zouden gerevideerd worden. In de Noord-Hollandsche synode vertoonde zich eenige ongerustheid hierover, maar vooral de vergadering te Gorcum heeft onbewimpeld uitgesproken, dat men de zaak niet vertrouwde. De schijnbaar zoo onschuldige clausule kon wel eens een handig

|216|

geplaatste klem zijn. Utrecht’s en Holland’s Staten hadden de opname ervan doorgedreven en dit reeds maakte de zaak verdacht. 1) Het werd terstond gevoeld: de vraag was maar, wat onder »revisie« verstaan werd.

Zoowel in Noord-Holland’s particuliere synode als in die, welke te Gorcum bijeenkwam, werd de acte van consent geaccepteerd, nadat uit der deputaten rapport verstaan was, dat de Staten niet bedoelden eenige »novatie in ’t stuk der religie« aan te brengen.« De Zuid-Hollandschen belastten bovendien degenen, die naar den conventus praparatorius zouden gaan, tot de Staten het nadrukkelijk verzoek te richten, dat »derselver gelieven wille de woorden revisie der Confessie ende Catechismi (alhoewel de kercken verstaen, dat in den sijnodo generali de Confessie nae gewoenlicke wijse behoert hersien ende overwoegen te werden) te versoeten ende andere bequame ende minst quetselicke woorden in de acta ofte brieven van de beschrijvinge des generalen sijnodi te stellen …. 2)

Er was eene revisie in behoorlijken zin denkbaar en eene, die den aard en het gezag der symbolen aanrandde. Bij de besprekingen in den Haag in 1607 werd het onderscheid duidelijk geformuleerd. 3) Wtenbogaert beschuldigt 4) de Z.-Holl. afgevaardigden, dat zij alle revisie afsloegen en dus tegen het besluit van hun eigen Gorcumsche synode ingingen. Maar hij vergeet daarbij, dat hun oppositie, die ongetwijfeld toen reeds klonk als »geen revisie«, deze houding had aangenomen wegens en gericht was tegen een kleine bijvoeging in de betuiging der »Remonstranten«. Deze hadden om der wille van de zwakke broeders goedgekeurd, dat het woord revisie verviel, mits de zaak zelve doorging, en de confessie derhalve overwogen en herlezen zou worden, »also doch ’t zelve ghebruycelyck was te gheschieden ende in sonderheydt in dese tijt noodich was

Deze woorden werden door de contra-remonstranten


1) Immers ook in 1597 was de toestemming tot het houden eener nationale synode door Hollands Staten verbonden aan de resumptie der confessie. Revisie klonk al niet aannemelijker, eer onaangenamer, hoewel er niet veel verschil in gevoeld werd. Ten minste de classis Neder-Veluwe sprak in 1606 (extra-ordin. vergadering van 19 Mei) van »resumptie« ofschoon de acta van 15 Maart hebben »revisie.«
2) R. & v. V., III, bl. 243.
3) Cf. Voorrede Acta Dordr. (sub 1606, 23 Mei vlgg.)
4) In zijn Oorspronck ende Voortganck fol. 19, col. 2 en 5.

|217|

wantrouwend aangezien. M.i. niet zonder reden. Ten eerste reeds werd in plaats van »de gebruikelijke wijze« der Gorcumsche synode gewaagd van het gebruikelijke eener revisie, zonder zich uit te laten over de wijze waarop; wat juist het punt in geschil was. En ten tweede: die betuiging, dat ’t nu zoo noodig was! — kwam daar niet de angel te voorschijn? Revisie nòòdig? zeiden de anderen, dus gij vertrouwt onze en uwe belijdenis niet meer? Toen werd het: Geen revisie, dewijl zij, die om revisie vroegen, van te voren reeds oordeelden, dat de kerkelijke formulieren revisie zoo zeer noodig hadden en ze aldus zonder wettig onderzoek sub reatu stelden.

Dit noemde Trigland 1) een »ongerijmde forme van Revisie, ende … appendentien van dien, dewelcke den Orthodoxen geensins en konden behagen.« En in zijn Antwoorde op dry vraghen 2) wees hij als een onbillijkheid aan, dat door een enkele overheidsresolutie de beproefde leer, welke wettig aangenomen, nauwkeurig onderzocht, met het bloed der martelaren bezegeld, aan overheden en buitenlandsche kerken overgeleverd was, eensklaps gelijk gesteld werd met de meening van enkelen, die nieuwigheden wilden invoeren.

Sprak Wtenbogaert spottend van een canoniseeren dezer geschriften en vergeleek hij ze bij »de afgodische Calveren te Dan en Bethel« — de Contraremonstranten wierpen deze beschuldiging eenvoudig van zich, 3) maar weigerden even beslist, door de aanvaarding eener zoodanige revisie hunne formulieren als onbetrouwbare symbolen te brandmerken.

In den grond der zaak was het den Remonstranten te doen om het verbindend gezag der formulieren te verbreken. 4) De eisch van revisie was hun eer een formeele dan een materieele zaak. Niet alsof zij geen materieele bezwaren tegen de confessie en den catechismus hadden, — maar al te veel; doch de clausule van 1606 met den strijd daarover behoorde grootendeels op kerkrechtelijk, niet op dogmatisch gebied thuis.

Bogerman wist wel wat hij deed, toen hij, ten einde de uitheemsche theologen, die ’t woord »revisie« in zijn onschuldigen klank kenden, te doen gevoelen waar ’t om ging, de


1) Vgl. zijn K.G. bl. 489.
2) Bl. 33.
3) Vgl. o.a. de verklaring der synode te Delft in 1518. R. & v.  V., III, bl. 304.
4) Vgl. ook Reitsma, Geschiedenis, bl. 175.

|218|

Remonstranten sommeerde om nu toch hun verpletterende bewijzen tegen den inhoud der formulieren te laten hooren. Na lang talmen, gaven zij hunne consideraties over, en er was verontwaardiging bij de exteri, dat zulk een ophef was gemaakt over zoo futiele bezwaren: aanmerkingen op den tekst, de titels, de citaten. De zaak was echter, dat de Remonstranten in ’t formeele den slag verloren hadden, en nu geen gelegenheid zagen om in ’t materieele hun zin door te drijven, en derhalve hun dogmatische bezwaren maar achterhielden. 1) Ware het hun evenwel gelukt, de taktiek van 1606 met behulp der overheid vol te houden, dan zou de revisie allicht weinig goeds in de materie van confessie en catechismus hebben gevonden. Het formeele besliste.

Al klonk de verzekering in vroeger jaren schoon genoeg: een revisie kan ook tot bevestiging leiden, — dat zij er toe geleid zou hebben, niemand die ’t gelooven kan of kon. Maar dit doornig vraagstuk laat ik thans rusten. Het hoofdbezwaar was en bleef, dat de mogelijkheid van het tegendeel vooral te erkennen reeds beleedigend voor den aard der confessie moest heeten. Derhalve: »geen revisie.«

 

Wat was echter die »behoerlicke zin« waarvan ook de Delftsche synode van 1618 sprak?

Volgens het »Teghenverthoog« der Contra-remonstranten blz. 97, aldus: 2) »Als de Synodus was geseten, heeft men altijdt eerst aenghevanghen te handelen van de leere, men heeft de confessie opghelesen van artyckel tot artyckel, ende nae het lesen van elcke artyckel, heeft men omgevraecht, of in eenighe provincie in dien artyckel eenighe swaricheydt by yemandt soude mogen ghemaekt worden. Indien daer niemandt hem en openbaerde, soo heeft men dien artyckel gehouden als van alle kercken voor schriftmatigh erkent, ende is voortgheghaen


1) Zooals toen gevoeld en later gemerkt werd, waren de Remonstranten het met de Gereformeerden zelfs in meer punten dan de bekende vijf volstrekt niet eens. Voetius (P.E. III, 1, 1, 5, Vol. IV, p. 35) Sed istae (considerationes) tunc praetexebantur et predikant, suppressis aliis longe majoris momenti.
Vreemd is ook, dat soms de Remonstranten zich op de confessie beriepen en toch eischten, dat zij gerevideerd zou worden. Volgens Brandt II, bl. 56 heeft Arminius geleerd, dat de praedestinatie naar Calvijn niet in de confessie te vinden was. En juist om die opvatting der praedestinatie wilden later, de Arminianen, de confessie herzien hebben.
2) Cf. A. Kuyper, Rev. der Rev. leg. bl. 102.

|219|

tot de anderen op ghelycker wyse.« Kwam er wel bezwaar dan moesten de redenen opgegeven, »dese redenen (hebben de andere broeders) in de vreese des Heeren nae Godts Woordt rypelyck gheëxamineerdt, ende oordeel daerover uitgesproken. So men syne redenen soude bevinden in Godts woordt ghegrondet, men soude veranderen den artyckel, die te vooren qualyk stonde.« Indien zij daarentegen ongefundeerd werden geoordeeld, bleef het artikel als het was. »Tegen dese gewoonlicke wyse van revideeren en hebben wy ganschelyck niet, maer houden, dat dit behoort het allereerste ende voornaemste werk te wesen des Synodi Nationalis. Soo dattet een mercklycke calumnie is, als de Remonstranten zeggen, dat wy dese schriften nijet en willen gherevideert hebben ende noch grooter, alse daerby seggen, dat wy daerom sulcks niet en willen, omdat wy dese schriften souden stellen neffens Gods H. woort.«

De behoorlijke revisie heette dus niet alleen geoorloofd, maar het voornaamste werk der nationale synode. Deze uitdrukking is nog al kras. Zij heeft dan ook eenige toelichting noodig. Want in de meeste synoden schijnt dit voorname werk nagelaten te zijn. Ja, wat nog sterker is: de 13 gereformeerden in den conventus praeparatorius verklaarden in hun advies, dat de gebruikelijke revisie alleen betrekking had op drukfouten. 1)

Het verschil is echter minder groot dan het schijnt. Het Tegenvertoogh vindt steun in de woorden van Gorcum 1606 en kan gelden als de theorie van wat in een nationale synode behoorde te geschieden. Maar de woorden klinken als een bericht van iets, dat metterdaad geschied was, waarvoor toch eenige grond moet zijn. In 1565, in een synode te Antwerpen was in dier voege een bepaling gemaakt; 2) de


1) Cf. A. Kuyper, Rev. leg. bl. 104 en volledig: Bijlage I uit: Syn. arch. VI, 1, n°. 20.
2) Dr F.E. Daubanton (vgl. zijn Confessie en Dogmatiek bl. 40/41) gaat te ver wanneer hij ’t »Article Premier« van 1565 als een langen wimpel hoog laat wapperen over alle synoden van 1565-1618 toe.
De »herziening« in 1566 is immers eigenlijk de eerste aanneming voor de ger. kerk in de Nederlanden. «De ce pays« in 1565 slaat op de streek van Antwerpen volgens Dr. A Kuyper (Revisie legende bl. 101).
En ook de conclusie van Dr. Daubanton gaat m.i. iets te ver. Omdat de kerk, in hare ambten werkende, kan komen tot kritiek, is het nog niet de roeping van elk dogmaticus te beginnen met de veronderstelling, dat hij op de leer zijner kerk kritiek moet uitoefenen.
Terecht vermeldt hij echter in verband met de mogelijkheid der »gewoonlijke revisie«, dat daarmee bedoeld werd dat de »belijdenis niet geantiqueerd, onnut worde«.
Vgl. over de praktische toepassing zoowel als de algemeene principiën hiervan, o.a. ➝

|220|

Fransche kerken meldden in 1603 dat zij in elke synode plechtig hare belijdenis uitspraken. Iets in dien geest moet althans een veronderstelde handeling zijn geweest anders ware de refutatie van het Tegenvertoogh den Remonstranten, die waarlijk niet traag waren om een fout te ontdekken, al te gemakkelijk geweest. Bovendien: ook de stellers van ’t Advies in 1607 erkenden, dat in eenige synoden-nationaal »het herlesen ende oversien« geschied is. 1) Zij voegden erbij, dat ’t was om drukfouten weg te nemen. Daarover aanstonds een enkel woord. Voor dit oogenblik is het genoeg, op te merken, dat in de nationale synode wel een en ander gebeurd is, dat de acta niet vermelden. Want een drukfouten-revisie is in de acta evenmin opgeteekend 2) als een »gewoonlijke revisie« zooals ’t Tegenvertoogh die beschrijft en Gorinchem 1606 kende.

Dr. A. Kuyper 3) en op zijn voetspoor Dr. H.H. Kuyper 4) willen alleen een drukfouten-revisie distilleeren uit de gegevens tusschen 1570 en 1618. In zooverre zij daarmede beoogen een einde te maken aan den waan, alsof de remonstrantsche opvatting van het woord revisie toen ter tijd ook in het spraakgebruik van gereformeerde kringen zou zijn gehuldigd, staat hun betoog sterk. Maar zij willen te veel bewijzen met hunne voorstelling, alsof de bewuste revisie slechts correctie van drukfouten bedoelde. 5)


➝ het oordeel van Dr. J.H. Gunning Jr. (Zelfstandigheid der Gemeenten, bl. 50 vlgg.) en de voorstelling van Dr. G.J. Vos (Geschiedenis, bl. 112).
1) C. A. Kuyper, Rev. leg. bl. 104 en Bijlage 1.
2) Wel werd in 1574 ter prov. syn. (Rutgers Acta, bl. 141) voorgesteld met de drukfouten revisie te wachten tot op de generale synode. Ook in 1581 en 1586 is over een goede vertaling en druk gesproken, maar van een afzonderlijke drukfouten revisie in volle vergadering staat niets vermeld.
3) Rev. leg. bl. 105. 127.
4) P.-A. bl. 324 noot 3.
5) De meesterlijke verklaring, waardoor Dr. A. Kuypkr de »revisie« der Dordtsche synode verdedigt, bewijst dan ook iets te veel, hoewel zij hare waarde behoudt. Toen Dr. Kuyper in zijn polemiek tegen Dr. Van Toorenenbergen alle gereformeerde revisie gemaakt had tot correctie van drukfouten, kwam de revisie van 1619 in het gedrang. Die verklaart hij nu uit den buitengewonen aard dezer nationale synode als zijnde volgens hem het eerste gereformeerd concilie. De revisie was niet een voldoen aan den eisch der inheemschen, maar een bezegeling der Nederlandsche confessie door de gereformeerde kerken uit het buitenland, door »de gereformeerde wereldkerk«. Dit is een schoone opvatting en treffende verklaring. Maar toch is hier te veel gezegd. Als het zóó geweest is, dan is geen enkele verontschuldiging noodig. Daarentegen staat het vast, dat der Staten drang dit »heet hangijzer« (H.H. Kuyper, P.-A., bl.  325) deed aangrijpen. Dus is de Dortsche dan toch wel ontrouw ➝

|221|

Drukfouten zijn lastige dingen en taai van leven, als onkruid in een hof, maar een boekje van twee vel druks is toch wel schoon te wieden. Daarvoor behoefde niet synode op synode samen te komen. En de stellers van ’t Advies in 1607 durfden niet met zekerheid ontkennen, dat elke synode werkelijk de confessie herlezen had. Even te voren hadden zij trouwens erkend: 1) »Daer en tusschen houden wij, dat de Confessie ende Catechismus mach (tsy ten deele of in ’t geheele) overlesen ende oversien worden, indien wettige oorsake daertoe in den Synodo … voorvalt.« In de gecursiveerde woorden ligt de brug tusschen de schijnbaar uiteenloopende voorstellingen.

Alle Contraremonstranten waren het eens in deze drie punten, waarop het aankwam bij de vraag over »revisie«. Ten eerste dat de eenmaal op wettige wijze aangenomen en door een ieder lidmaat erkende symbolen, dit waren uit kracht van hunne schriftmatigheid. Ten tweede dat men ze niet als goddelijk mocht beschouwen, maar evenmin beginnen met ze als onbetrouwbaar te brandmerken. En ten derde, dat wettige bezwaren tegen den inhoud der formulieren aan Gods onfeilbaar Woord en daaraan alleen moesten getoetst worden. De Remonstranten wilden de belijdenis zelve altoos door ten toets stellen, alsof zij voortdurend verdacht moest gehouden worden.

Naar gereformeerden trant was het herlezen en overzien der confessie een daad van belijdenis en een betuiging van eenheid, waarbij dan de bezwaren en vragen over de leer, welke in de kerk gerezen mochten zijn, ter sprake konden komen. De Remonstranten begeerden, dat de leden der synode persoonlijk van hunne verbintenis aan de symbolen zouden ontslagen worden om onbevooroordeeld en onbelemmerd aan het revideeren te kunnen gaan. Of hun de confessie dus ook knelde! Wat den Contraremonstrant een gewenscht woord was, zijn innerlijk geloof in heldere formuleering weergevende, zat den Remonstrant als een band om de keel, 2) die hem zoo benauwde


➝ geworden? Evenmin. Maar er was een »schijn des kwaads«. Tegen het gewoonlijke herlezen waarvan de raadsheer Gregorius sprak was geen bezwaar, doch hij had ook van »toetsen« gesproken. Maar het herlezen had niet ten doel om bezwaren te zoeken en te maken, maar om te hooren of er ook bezwaar was.
1) Cf. Kuyper, Rev. leg. bl. 164.
2) Uitvoerig wordt in ’t advies der 14 van 1607 de bewering weerlegd, dat zulk een ontslagen worden noodig was om onbevoordeeld te kunnen richten. Afgedrukt in de Bijlage I van A. Kuyper Rev. leg. bl. 156. 157.

|222|

dat hij niet rustig zijn Bijbel lezen kon. Datgene nu wat zij met zulk een plotseling ontslag daarvan op de synode bereiken wilden, nl. het ernstig onderzoek der waarheid, behoorde in de geheele kerk altoos te geschieden. Vandaar dat Gorcum’s vergadering in 1606, toen de nationale synode in ’t zicht kwam, ook aan de classen opdroeg de confessie en catechismus naarstig te doorlezen. 1)

De Dordtsche synode heeft het werk der revisie dus niet haastig gedaan, want het was al sinds 12 jaren begonnen. In 1607 zijn in Delft inderdaad vele consideraties ingekomen 2) en werd in Kampen 3) naarstig gevraagd naar de bestaande gravamina. In 1609 werd daar ieder predikant vermaand, de formulieren nog te doorlezen en te approbeeren. 4)

In één woord: »De formulieren zijn examinabel, niet revisionabel.« Aldus Trigland 5): Hoewel wy de Nederlandtsche Belijdenisse des Gheloofs houden den Woorde Godts conform, nochtans, omdatse een menschelijck schrift is, en houden wy die niet voor den Reghel van ons Geloof, maer alleen de H. Prophetische ende Apostolische schriften, aende welcke wy de selve Confessie houden altijdt te zijn examinabel. Kan yemandt ons overtuyghen datse in eenich poinct afwijckt van Godes Woordt, wy zullen dat poinct laten varen: meer en mach men ons niet af-eyschen. Dat wy die, sonder reden uyt Godts Woordt gehoort te hebben, souden moeten laten varen om eenen Lijbertijnschen loskop, houden wy onbillijck te wesen.« 6) Van revisie was dus bij Trigland en gelijkgezinden geen sprake dan in zooverre de mogelijkheid van juist bevonden gravamina het beroep op de Heilige Schrift altijd open liet.


1) H.H. Kuyper, P.A. 317 wijst er op, dat de Gorcumsche synode met dit besluit een fijne zet deed om de bedoeling der Staten tegen te werken: geen »algemeene revisie« op de Synode zonder meer, maar wel een inzameling der gravamina in de mindere vergaderingen.
2) R. & v. V., III, bl. 262, zie vooral ook bl. 299, Delft 1618.
3) R. & v. V., V. bl. 276.
4) R. & v. V., V, bl. 277, zie ook 290. Curiositatis causa vermeld ik V, bl. 294, »niet
schelden«.
5) K.G. bl. 109.
6) De geref. waren zoo overtuigd, dat zij naar Gods Woord spraken, dat zij daarom ook niet noodig achtten, bepaalde teksten bij de artikelen der synoden te plaatsen. Zie het antwoord op de 1e part. vraag in ’78. Rutgers Acta, bl 263, »of men de artykelen des Synodi niet en behoort met ghetuyghenissen der Schrifturen te bevestighen,« enz.
Dit is ook reeds gevraagd in 1571 te Keulen voor de prov. synode te Aken, cf. W. d. M. V. V, III 5, (1e stuk) bl. 8.

Schokking, H. (1902) II.16

|223|

 

 

§ 16.
Gravamina.

 

Uit de voorafgaande paragrafen kan blijken, dat de gereformeerde kerk in ons land in den tijd, die ons bezig houdt, de vastheid en bestendigheid harer leer tot haar recht wilde laten komen, zonder evenwel de uitdrukking ervan als onveranderlijk of onfeilbaar te doen gelden; — het gezag der Heilige Schrift als de volkomen norma erkende, maar het misbruik, gekarakteriseerd in het »elke ketter heeft zijn letter«, wilde afsnijden; — de geopenbaarde waarheid als de eenige bron harer belijdenis, maar evenzeer de roeping der mondig geworden kerk erkende om in eigen taal haar geloof uit te spreken; — uit de overtuiging leefde, dat zij de waarheid bezat, maar ook de taak aanvaardde, haar tegenover alle vormen van den leugen te belijden en te beleven; — de leiding des Heiligen Geestes in de uitkomst van eenmaal doorstreden strijdvragen wilde opmerken, doch de onvolkomenheid van alles waar menschenwerk bijkomt, in rekening hield; — waarborg vroeg, dat hare leeraars medebouwden op denzelfden grondslag, maar daartoe een dieper indringen in de waarheid veronderstelde; — het recht der persoonlijke overtuiging en de vrijheid des gewetens als gebondenheid aan het Woord Gods erkende, maar die dan ook zoowel voor de gemeente als voor de leeraars wilde handhaven.

Om dit alles te bereiken werd verbintenis aan de eenmaal uitgesproken belijdenis gevorderd, maar, opdat hieruit geen doode onbewegelijkheid voortkomen zou, evenzeer het recht van gravamina in te dienen geregeld. De Gereformeerden verwierpen elke onbewezen aantijging, dat hun belijdenis foutief was, doch stelden haar niet voor als onfeilbaar.

|224|

Derhalve, als de leeraars en andere ambtsdragers aan de formulieren gebonden werden, vonden wij in de acte, welke den aard dezer verbintenis omschreef, twee punten nadrukkelijk vermeld: 1e. dat mogelijke dubia over de beleden leer niet moesten onderdrukt worden, doch den broederen voorgelegd om nader uit Gods Woord toegelicht en beoordeeld te worden; 2e. dat dit hun oordeel niet definitief was; voelde men zich bezwaard over hun beslissing, dan diende de meening der geheele (gereformeerde) kerk gevraagd te worden.

Hoewel reeds terstond moet werden opgemerkt, dat deze regeling theoretisch breeder plaats inneemt, dan praktisch het geval is geweest als men alleen rekent met wat officieel in de kerkelijke vergaderingen is verhandeld (denk b.v. hieraan dat de onderteekening der verbindings-acte allen in de volle vergadering werd voorgelegd, terwijl het hebben of het binnens­kamers bespreken van dubia niet onder controle stond, terwijl ook het beroep op een generale synode voor de meeste geschillen een pium votum moest blijven), — toch is het recht van gravamina een der karakteristieke lijnen in de teekening van de gereformeerde opvatting omtrent het leergebouw.

Karakteristiek, niet zoozeer dus van wege gestadige toepassing, maar om het beginsel dat zich daarin uitsprak en door de uitwerking ervan in kleinere zaken. Zoo mag dan de volle aandacht hiervoor gevraagd worden, al is het waar, dat er zeer weinig ordelijke gravamina over de leer zijn geweest, in den eersten tijd werd de eenheid des geloofs te krachtig gevoeld dan dat verschillen sterk en schadelijk konden uitgroeien en tevens was er voortdurend zoo veel in de huishouding der kerk te regelen, dat alle krachten daarop moesten worden aangewend. Zondert men de remonstrantsche kwestie, die trouwens allerminst zuiver gravaminaal is verloopen, af, dan leveren ook latere jaren weinig gravamina van gewicht op.

Bij het twintigtal vragen, waarop in Emden geantwoord is, was er slechts één, die in verband stond met de leer, nl. de doopsleer, en die bovendien nog eer een kerkrechtelijk karakter droeg. 1) In Dordrechts vergadering van ’t jaar 1578 lagen van de vijf en vijftig vragen eveneens alleen die over de regeling


1) Rutgers Acta, bl. 93. De vraag was uit Keulen.

|225|

van doop en avondmaal 1) en over de discipline ten aanzien van doop-leden 2) op dogmatisch-kerkrechtelijk terrein. Natuurlijk waren deze en andere praktijks-gravamina niet zonder beteekenis voor de leerstellige ontwikkeling, daar zij dwongen om zich over den aard der kerk, hare eenheid, het recht van scheiding, over de ambten, over de kracht der sakramenten en der tucht grondig rekenschap te geven, maar rechtstreeksche »leer-gravamina« waren het toch niet.

De 165 vragen aan Middelburg’s synode leverden, voor zoover zij beantwoord zijn, even weinig of nog minder op leerstellig gebied. De belangrijke verklaringen aangaande den woeker en het huwelijk behooren eer onder moraal dan onder dogmatiek thuis en de meeste andere handelden over de orde der kerkelijke samenleving.

Ook de Haagsche synode van 1586 3) trad alleen met haar verbod van de noodleugen op een gebied dat desnoods onder »leer« kan worden thuisgebracht.

Ten slotte Dordrecht 1618: behalve in de remonstrantsche kwestie, is daar slechts over de sabbathsviering een leerstellige beslissing genomen. Wel was door Noord-Holland een vraag ingediend 4) over zulke predikanten, die, behalve in de 5 punten, ook in de leer van God, van Christus, van geloof, van erfzonde, van rechtvaardigmaking, van het onderscheid tusschen O. en N.T., van de volmaaktheid der heiligen e.a. geheel van de gereformeerde leer waren afgeweken. Maar dit punt is niet behandeld en zooals de vraag gesteld was, liep zij niet over de genoemde dogmatische stukken zelve. Evenmin zijn behandeld de gravamina sub 4, 6 en 9 door Zuid-Holland ingediend. 5) Met de beslissing in zake de 5 artikelen was de tijd en, historisch bezien, ook de taak der Dordtsche synode volbracht. 6)

De hoofdreden, waarom in de nationale synoden, de plaats waar leerstellige beslissingen eigenlijk thuis hoorden, zoo weinig zuiver leer-gravamen-werk verricht is, ligt echter hierin, dat de leer-kwesties zooveel mogelijk in de mindere vergaderingen


1) Rutgers Acta, bl. 270.
2) Rutgers Acta, bl. 275.
3) Rutgers Acta, bl. 508.
4) H.H. Kuyper, Post-Acta, bl. 437, cf. 419.
5) Cf. H.H. Kuyper, P.-A., bl. 424.
6) Toch is er meer dogmatische onderzoeking en beslissing geleverd dan uit het ➝

|226|

moesten worden terecht gebracht. Slechts zelden had een bezwaar zoo groote drijfkracht van moeilijkheid in zich, dat het tot in de breedste vergadering doordrong. En als het daar aankwam, was het gewoonlijk niet meer in den vorm van een bezwaar, maar als een geschil of zelfs als een aanklacht. 1) Dit vond zijn oorzaak in de houding dergenen, die begonnen met een gravamen te hebben, maar in plaats van broederlijke onderrichting aan te nemen of zelfs maar te begeeren, met verwerping van het oordeel der mindere vergadering, hun mee­ningen al vast verspreidden of op andere wijze zich onwillig betoonden. Men denke aan Herberts, Arminius e.a. Zoo werd menige zaak, die haar oorsprong en voortdurend belang heeft als dogmatische afwijking, in de behandeling geheel en al een kwestie van vergrijp tegen de kerkorde. Het vermoeden laat zich zelfs niet terugdringen, dat van kerkelijke zijde niet ongaarne het zwaartepunt aldus verlegd werd. Het meest komt hierin echter op rekening van de bemoeiingen der overheid, die haar gezag wilde laten gelden tegenover de kerkorde, waardoor de dogmatische zijde der kwestie op den achtergrond geraakte, ja nu en dan de politieke sterk op den voorgrond trad. Met niet minder recht als de gewone opvatting nadruk legt op de dogmatische en kerkrechterlijke belangen waarom het in dien strijd ging, heeft Mr. Naber in zijn reeds geciteerd werk het characteristicum in de politieke verhoudingen gezocht. En juist op het terrein van de kerkorde ontmoetten de politieke en kerkelijke machten elkander. Zoo is dan een groot deel van den kerkelijken arbeid ter ontwikkeling van hare belijdenis niet verricht en de hoofdkwestie aangaande de leer in ons tijdvak niet ten einde gebracht langs den regelmatigen weg van gravamina-behandeling, maar door een strijd tusschen partijen en naar de kerkrechterlijke zijde in den vorm van een beslissing in een geschil of een uitspraak over aangeklaagden.

Dit moge te betreuren zijn, ook om deze reden, dat de beslissende proef op de som nu ontbreekt voor wat Trigland


➝ gezegde zou afgeleid worden. Men denke bv. aan de beoordeeling van zoovele boeken. Dr. Rutgers (Acta, bl. 590 drukt een minute af, waarin een wel omschreven judicium wordt uitgebracht over Bulckius De affmalinghe des nieuwen menschen hoewel de acta der vergadering niets daarvan melden.
1) Bovendien bleek het Dr. H.H. Kuyper (cf. zijn P.-A. bl. 415, noot 2), dat de lijsten der gravamina soms niet eens volledig waren.

|227|

en met hem alle Contra-remonstranten volhielden, nl. dat het volgen van den wettigen weg alle moeite zou voorkomen hebben: het mag ons toch niet verleiden om de behandeling van gravamina als een memorie-post aan te merken, want naar de gereformeerde beschouwing was zij juist een der knoopen waardoor het geheel der kerkelijke zorg in leerzaken in zijn verband gehouden.

Wat was dan die wettige weg der gravamina en welk doel kon daarlangs bereikt worden?

Dit leidt ons allereerst tot een nader aanwijzing van wat onder een gravamen verstaan werd.

Een gravamen was de mededeeling van een particulier gevoelen aan de kerkelijke gemeenschap om daarover het oordeel der broederen te mogen ontvangen.

Dat gevoelen kon nog niet wèl gevestigd wezen en dan klonk het gravamen eenvoudig als een vraag. Maar het kon ook tot eene overtuiging geworden zijn en dan werd het een gravamen in engeren zin, een wèl-omschreven bezwaar.

Gravamen was een gemeenschappelijke naam voor alle vraagpunten, zoowel over de leer als over de kerkorde en alle andere belangen, welke bij de kerkelijke vergaderingen werden ingebracht. Maar eigenlijk dienen wij toch te onderscheiden: quaestiones, (vragen), gravamina (bezwaren) en controversiae (geschillen). 1)

De bezwaren aangaande de kerkelijke leer konden zich voordoen bij afzonderlijke personen, maar ook in den boezem eener plaatselijke gemeente. Kon de bezwaar-voelende zich met hetgeen hij geleerd had, hoorde, zelf beleed, niet langer vereenigen, dan moest hij dit niet voor zich zelf houden maar den broeders bekend maken.

Uit den aard der zaak werd bij de regeling der gravamina het meest gerekend op bezwaren van predikanten. Immers in


1) Vgl. R. & v. V., V, bl. 184. Synode te Goes 1620: Is goetghevonden, dat men voortaen in het vuijtschrijven der beswaringhen der kereken onderscheijt zoude maecken tusschen gravamina ende versoucken: item dat men gheen gravamina en maecke, daervan men gheen hijpothesin en heeft. … Voorts werden alle kerekenraeden vermaendt, dat zij van alle casus niet terstondt gravamina en maecken, maer liever arbeijden die, zooveel doenelijck is, nae Godts Woort ende kerckenordeninghe aff te handelen ende, zoo zij erghens in beswaert blijven, de hulpe van haere classen te ghebruijcken.

|228|

normale omstandigheden zou een privaat persoon bij zijn leeraar en kerkeraad inlichtingen kunnen ontvangen.

Doch als deze zelf twijfel kreeg omtrent een punt der leer, of wanneer in den kerkeraad in zijn geheel een ander gevoelen zich openbaarde dan de aangenomen leer uitsprak, stond de breedere vergadering gereed om met hen te spreken.

Het doel van deze instelling kon slechts bereikt worden, wanneer de plicht om eventueele gravamina in te dienen evenzeer gevoeld en erkend werd als het recht om dit te doen.

Zonder de verplichting zou het van de willekeur der betrokken personen afgehangen hebben of zij hun particulier, afwijkend gevoelen den broederen wilden meedeelen, waarmede veel van het nut der gravamina zou uitblijven. Want was het particulier gevoelen juist, dan bleef de kerk verstoken van het beter inzicht, dat God dien broeder had geschonken; was het onjuist, dan liepen èn de persoon zelf èn degenen, die hij allicht er over spreken zou, gevaar van in allerlei dwaling te vervallen. Natuurlijk stond dan wel de weg van aanklacht en van bestraf­fing open, maar voorkomen achtte men beter dan genezen. Hierop zag de bepaling van de acte van onderteekening in 1619, dat men een mogelijk oprijzende bedenking aan kerkeraad, classe of synode zou openbaren. Zoo had in denzelfden geest de synode te Emden en later die te Dordrecht in ’78 den praeses van de classicale vergadering opgedragen aan ieder der leden afzonderlijk af te vragen »of se niet en twyfelen in eenich stuck der christelicker leere.« 1)

Hier ligt m.i. de band tusschen persoonlijke vrijheid en kerkelijk gezag. Ieder had het recht uit Gods Woord zijn meening op te maken, maar dan ook had de gemeente als een geheel recht erop, deze meening te kennen, haar voordeel er mede te doen of haar te verwerpen, al naar zij uit Gods Woord oordeelde te moeten handelen.

Van weerszijden was het dus noodig, dat de wettige weg werd bewandeld.
Van den kant dergenen die bezwaren had werd vereischt:
1. dat hij zijn gevoelen eerlijk openbaarde in zoo juist mogelijke woorden;
2. dat hij zich niet opwierp als eigenmachtig profeet, maar


1) Rutgers Acta, bl. 243.

|229|

aan het oordeel der broederen zich onderwierp, tenzij zijn ge­weten hem dit verbood, in welk geval een breedere vergadering nader moest oordeelen;
3. Dat dus het particulier gevoelen niet voordat het ge­meenschappelijk goedgekeurd was verbreid werd.
Maar omgekeerd werd van de kerk gevorderd:
1. dat zij de zaak nauwgezet onderzocht;
2. alleen naar Gods Woord oordeelde.

Een recht gravamen begon dus niet met de leer der gereformeerde kerk in twijfel te trekken, was geen poging om ’t individueel gevoelen te doen heerschen, maar diende om de hoogheid der Heilige Schrift en de leiding des Heiligen Geestes te erkennen, waar de kerk met hare belijdeniswoorden aan menschelijke zwakheid onderhevig is.

De Remonstranten begonnen echter met de confessie en de leer der kerk in haar geheel dubieus te stellen.

Ook wilden zij zich zelden ondubbelzinnig verklaren, 1) terwijl een gravamen juist diende om mogelijke dubbelzinnigheid weg te nemen, opdat de bazuin der belijdenis een zeker geluid gaf. Veel moeite werd daarentegen door de kerkelijken besteed om een z.g.n. »status controversiae« op te maken. Vooral in de provinciale synoden vóór de Dordtsche synode is hieraan groote vlijt ten koste gelegd 2) en Hommius liet in 1618 een Specimen Controversiarum drukken ter toelichting voor de vergadering die komen zou, niet minder dan 140 bladzijden groot. Daaren­tegen zijn de gravamina der Remonstranten, die zij op verzoek der Staten volledig hadden opgesteld en die bij Oldenbarneveld bewaard werden, spoorloos verdwenen. 3)

De weg der gravamina-behandeling bracht het bezwaar bij de bevoegde macht om te oordeelen. »De geesten der profeten zijn den profeten onderworpen.« Vandaar dat niet de overheid, maar de kerk in hare wettige vergadering van ambtsdragers het gravamen aan den eenigen beslissenden maatstaf, nl. de H. Schrift, had te onderzoeken.

Ook hiervan wilden de Remonstranten niets weten. Zoo


1) Cf. Triglands klacht, K.G. bl. 292/93.
2) Bv. Syn. te  Delft 1618. R. & v. V., III, bl. 317. De artikelen daar vermeld zijn een waar compendium voor gereformeerd kerkrecht in zake gravamina.
3) Cf. H.H. Kuyper, P.-A., bl. 314.

|230|

lang er geen synode was, beriepen zij zich er op, 1) terwijl inmiddels het overheidsgezag hun gevoelen moest beschermen. Arminius scheepte den kerkeraad te Leiden met een beroep op zijn professoraat af. Daarentegen wilden de zes Contra-­remonstranten in de conferentie van 1611 alleen als gedepu­teerden der classen beschouwd worden.

De contra-remonstrantie is bij die gelegenheid als kerkelijke verklaring ingediend, terwijl daarentegen de Arminianen hun remonstrantie met voorbijgaan van elke kerkelijke vergadering den Staten overhandigd hadden. Dit werd scheurmakerij genoemd: het eigen gevoelen opleggen in plaats van het aan ’t oordeel der kerk te onderwerpen. 2) De Remonstranten verweer­den zich daartegen, zeggende, dat men met partijschap en vooroordeel tegen hen ingenomen was. 3) Trigland antwoordde daarop o.a. »’t Is haest gheseyt, maer niet soo haest bewesen«. Ook moeilijk bewijsbaar, zou men kunnen aanvullen. Maar laat het zoo zijn, dan nog zou m.i. een veroordeeling aan de zaak der Remonstranten niet zooveel kwaad gedaan hebben als hun voortdurende pogingen om het kerkelijk oordeel te ontgaan. Magna est veritas et prae valebit. Nu werden Wtenbogaert c.s. beschuldigd, dat zij blijkbaar het onderzoek vreesden. Meenden de Remonstranten een slag te slaan door het verwijt: Gij wilt de overmacht der formulieren op ons loslaten — krachtiger kwam de terugslag aan: Gij maakt de overheid meester in Christus’ kerk. De eisch der Staten van Holland, in 1608, dat aan hen de gravamina zouden worden opgezonden, was dan ook iets geheel nieuws voor de gereformeerde kerk.

Zoo is dus de grootste kwestie in leerstelligen zin niet in den gewonen weg als gravamen, maar ten slotte in dien van een aanklacht behandeld. Het resultaat is geweest de veroor­deeling van het remonstrantsch gevoelen. Maar dit is niet het eenige. De canones bevatten ook een positieve verklaring op die punten. Dit had evenzeer het resultaat kunnen zijn bij een normaal verloop. Coolhaes’ geding heeft in een stadium vóór


1) Bv. in Delft’s Synode 1607. Wtenbogaert weigerde zijn bezwaren te laten hooren, omdat alleen een generale synode mocht oordeelen. Het antwoord was: Hier wordt nog niet geoordeeld maar slechts onderzocht. Trigland, K.G., bl. 409/410.
2) Rutgers Kerkverband, bl. 168.
3) Trigland K.G., bl. 367.

|231|

zijn veroordeeling ook geleid tot een nadere verklaring in de particuliere synode van Zuid-Holland.

Een kleine uitweiding moge hier plaats vinden.

Ondanks dit onregelmatige verloop der remonstrantsche kwestie heeft zij toch een nadere verklaring van sommige punten der belijdenis gebracht. Dat deze verscheen als een verwerping der remonstrantsche bezwaren en niet als een aanvaarding ervan, maakt formeel geen verschil.

Zulk eene »nadere verklaring« nu is de normale weg te achten waarlangs de gereformeerde kerk hare leer ontwikkelde.

Dat de canones een unicum gebleven zijn, vindt zijn oorzaak in de bekende omstandigheid, dat nooit meer een algemeene synode is gehouden. 1)

De vragen omtrent de innerlijke waarde der canones, vergeleken met die der confessie en van den catechismus, en omtrent hunne werking op onze gereformeerde kerk in haren verderen gang kunnen hier blijven rusten; maar nevens de opmerking, dat de canones niet die plaats hebben verkregen in het leven der gereformeerde kerk welke de confessie en vooral de catechismus verwierven, kan deze andere gesteld worden, dat de naam »remonstrantsch« lang veroordeelend klonk en conformiteit met de canones begeerlijk is gebleven.

Het is verder ook niet zonder beteekenis, de aandacht er op te vestigen, dat de eenige weloverwogen en na langen strijd verkregen nadere verklaring aangaande de kerkleer, eene bevestiging was van het eenmaal in de belijdenis uitgesproken gevoelen. De instemming der buitenlandsche godgeleerden is voldoende bewijs om de gedachte, als zou hierin alleen de overwinning van een overigens onmiskenbaar maar niet kortweg verwerpelijk inheemsen conservatisme te zien zijn, te wraken. Veeleer was te verwachten, dat ook bij een onbelemmerde ontwikkeling der gereformeerde kerk het resultaat van de worsteling met telkens nieuwe dwalingen telkens weer zou geworden zijn: de eenmaal beleden waarheid gehandhaafd.

Door den ordelijken weg van gravamina te volgen waren zoowel groote aanvallen als kleinere verrassingen onmogelijk.


1) De Walchersche artikelen uit later eeuw kunnen bewijzen, dat deze manier van handelen als de normale kerkelijke erkend bleef, zij het ook dat slechts classicaal kon worden opgetreden.

|232|

Kenschetsend hiervoor is, dat ook Bogerman, bij een poging om zijn particulier gevoelen binnen te smokkelen, even als de Remonstranten in hun volledigen aanval, den koninklijken weg verlaten heeft. Nadat de revisie van den inhoud der formulieren was afgeloopen en men bezig was aan de redactioneele revisie, stelde hij voor, de woorden van Art. XXII »ende zooveel zijne alderheyligste wercken, die hij voor ons gedaen heeft,« te veranderen in »de gehoorzaamheid Christi«, onder den schijn van een conformatie met den Latijnschen tekst aan te brengen. Maar er zat meer achter. Piscator ontkende de obedientia activa, waaromtrent de gevoelens der gereformeerden niet eenstemmig waren. In Frankrijk en Engeland was Piscator’s stelling reeds openlijk veroordeeld. In de Pfaltz en Hessen had hij daarentegen ook in dit punt groot gezag. De wijziging der Nederlandsche bewoordingen ware dus een verdediging van Piscator’s gevoelen geweest, dat echter door de meesten der Nederlandsche godgeleerden werd afgekeurd.

Bogerman’s voorstel werd dan ook met op twee na algemeene stemmen verworpen en de redactie bleef onveranderd. Maar tegelijkertijd kreeg de praeses menig verwijt te hooren, dat hij op die wijze een leerstellig geschil ter sprake gebracht had en, nog erger, had willen laten beslissen.

Want ongetwijfeld kon de uitdrukking »gehoorzaamheid Christi« ook uitgelegd worden, dat daarmee zoowel de obedientia activa als passiva werd bedoeld, maar het zou juist een verzwakking van het karakter der belijdenis wezen, wanneer een duidelijke uitdrukking door een meer vage werd vervangen. Dat ware teruggang, geen voortschrijden tot meer helderheid. Ouderling Latius schreef daarover: »de (voorgestelde) verandering zelf (is) kwaad …. als treckende in twijfel en vrijstellende ’t gene expresselycken gedefinieert is, en den wech openende tot disputen, die wy weten dat andere Kercken ten hooghsten ontrust hebben, en ons oock lichtelijck souden connen ontrusten. 1) Bogerman’s doen gispte hij met deze woorden: Het is een saecke van quade consequentie dat men een Confessie sal veranderen tot contem­platie van eenige particulieren, die veel eer haer het gemeyn oordeel behooren te onderwerpen, en haer particulier gevoelen


1) Cf. H.H. Kuyper, P.-A., bl. 342. De geheele zaak staat daar beschreven, vgl. bl. 339, vlgg.

|233|

bij sich te houden.« Bij zich houden, natuurlijk niet voor goed, maar het mocht niet op die wijze als ter sluiks ingevoerd worden, zonder dat de kerk er over geoordeeld had. Het stond een ieder vrij, zijn gevoelen te openbaren, 1) maar: om het te laten beoordeelen door de broederen. Zoo nu ook hier: De obedientia activa werd geleerd of niet geleerd door de Heilige Schrift — dat stond vast; het was geen punt, dat buiten den kring der geloofsbelijdenis ligt; derhalve was de redactie van Bogerman, gesteld zelfs, dat zij niet bedoelde Piscator’s gevoelen uit te drukken, maar alleen een term te bezigen, waardoor niets in deze beslist werd [wat echter zijn bedoeling niet was], onvereenigbaar met de gereformeerde opvatting van een belijdenis des geloofs.

De materieele bezwaren tegen zijn voorstel maakten de oppositie des te sterker, maar ook formeel ware de aanneming ervan een veroordeeling geweest van al het werk op de synode verricht. De canones, pas opgesteld en onderteekend, waren juist een nadere verklaring omtrent zekere punten die in geschil geweest zijn, en zou men dan nu een ander punt waaromtrent de Nederlandsche kerken zich reeds uitgesproken hadden, weer onbeslist laten?

Maar bestond er dan geen gevaar, dat op die wijze de kerk een al te uitgebreide reeks nadere verklaringen kreeg? Geenszins. Er blijve een terrein voor de vrijheid van profetie, maar overigens was het naar gereformeerde opvatting een voordeel en voorrecht al wat als waarheid geopenbaard is, wèlbewust en welomschreven te belijden. 2) Ook konden er zich omstandigheden voordoen, waardoor het noodig werd eenige tolerantie te gebruiken, maar dit veranderde aan het beginsel niets, al mag de beteekenis zoowel van deze tolerantie en vooral van de vrijheid der profetie als onmisbaar tegenwicht tegenover een mogelijk doctrinair drijven niet onderschat worden. Men heeft dat ook in dien tijd wel ingezien. Doch daarover wordt aanstonds in een tweetal paragrafen gesproken.

 

Een nadere toelichting van eenige punten in deze § kan een


1) Cf. Trigland, K.G., bl. 379.
2) Cf. A. Kuyper, Rev. leg., bl. 59 waar aanhalingen zijn te  vinden uit Gomarus, a Lasco, Voetius. Zie ook Trigland. K.G., bl. 602.

|234|

uittreksel betreffende de leer-gravamina uit de acta van een enkele classis geven.

Het gebied van de classicale acta is zeer breed en daarbij moeielijk te onderzoeken, want de bronnen zijn meest ongedrukt, terwijl wat ik er van zag in zake leer-gravamina weinig opleverde. 1) Als voorbeeld geef ik een overzicht van wat er in de classis Amsterdam gebeurd is, welke classis zeker wel een der meest belangrijke is geweest zoowel door de beteekenis voor Amsterdam als stad, als door de bekwaamheid en invloed van vele harer leden, terwijl zij bovendien in ’t centrum der twisten lag. Het eerste classicale boek begint in 1582. Dit overzicht zal gaan tot 1608, het jaar waarin de provinciale synoden verboden werden, waardoor de normale loop van zaken geheel belemmerd werd.

De eerste kwesties hier vermeld, welke met de leer verband hielden, lagen niet op het gebied der leerstukken, maar liepen over de toepassing der kerkelijke tucht op hen, die tot de als dwaling erkende wederdoopersche meeningen overhelden. Indirect hadden deze vragen natuurlijk wel beteekenis voor de ontwikkeling der leer.

Zoo is 1 April 1585 bij de rondvraag naar den toestand der gemeenten de klacht gehoord van Gherardus van Saendam over een ouderling die al meer en meer in de opiniën der Wederdoopers verward raakte en zich van de gemeente afscheidde. De classis meende, dat de kerkeraad van Zaandam naar behooren kerkelijk met hem moest handelen. In dezelfde vergadering werd een brief van Delft gelezen om te verzoeken gezamenlijk een synode van Noord- en Zuid-Holland te houden wegens het opnieuw optreden van Coolhaes en de verschijning van een boek van Herman Herberts tegen de zuivere leer.

De classis oordeelde, dat dit zaken waren »van importantie aengaende die alghemeene christelicke kercke.«

Den 3en Juni 1585 werd van Leiden’s kerkeraad een brief ontvangen met het verzoek om een boek van Coolhaes zonder vooroordeel te willen lezen. Lidius en Hallius werden aangewezen om dit te doen. De uitslag ervan staat echter niet opgeteekend.

Op 14 April 1586 werd op het verzoek van Leicester om


1) In ’t classisboek van Sneek is voor het eerst iets op het gebied van leergeschillen te vinden in 1599. En dit is nog onbeteekenend. Behalve de quaestie-Daniel Snecanus staat er ook verder tot 1619 toe ongeveer niets voor dit onderdeel.

|235|

zwarigheden naar Professor Saravia over te zenden, besloten, dat iedere gemeente de hare moest op schrift stellen en aan de volgende vergadering voordragen. Dan konden ze met advies der broeders naar Saravia gezonden worden. In de volgende vergadering staat hiervan niets aangeteekend. Dat overzenden naar een Professor is kenschetsend voor 1586. In 1606 zou zoo iets niet goedgekeurd zijn. Toch werd ook in 1586 reeds bepaald: »met advies der broederen.«

Den 4den Augustus 1586 komt eindelijk de eerste regelmatige zwarigheid. Helaas staat er niet bij welke. Of zij dus de leer betrof kan ik niet uitmaken. Wel is het antwoord van belang omdat de regelmatige weg hierin werd voorgeschreven. De aanteekening is van dezen inhoud:

Roel Gherritsen, ouderling van Naerden, schreef over een zwarigheid. Hij werd verwezen naar zijn kerkeraad. Deed den hem niet genoeg uit Gods Woord, dan mocht hij bij de classis ermede aankomen. 1)

Den 4den Mei 1586 werden eenige vragen uit de classis Enkhuizen en uit Alkmaar voorgelezen, welke deze op de par­ticuliere synode, tegen 10 Mei uitgeschreven, zouden indienen: over huwelijken, over een broeder, die vroom leeft, maar niet aan het avondmaal komt, over doopsbediening, als de doopheffer niet wil antwoorden. Het advies der broederen hierover werd opgesteld. Hieruit merken wij, dat de leden dezer provinciale synode van tevoren wisten (wat niet altijd het geval was) welke gravamina er uit andere plaatsen kwamen en van een lastgeving daaromtrent werden voorzien.

Volgens besluit van 17 April 1589 zou op de particuliere synode van den 29sten Mei a.s. gevraagd worden naar een formulier voor den doop der bejaarden.

6 Augustus 1590. Een brief uit Utrecht aan de gedeputeerden van de synode is door dezen aan de classis gezonden. In Utrecht schenen moeilijke punten aan de orde te zijn. De classis verklaarde, dat deze zaak inderdaad bij eene breedere vergadering thuis behoorde.

Den 4den Mei 1592 werden Wiggerts bezwaren vermeld:
»Aangesehen Cornelius Wigerus van Horn vindt hem


1) 4 Juli 1588: Mr. Gerrits tot ouderling in Naerden benoemd, heeft   bezwaar dit ambt te aanvaarden. Claes Janss moet hem aanspreken. Was dit het vervolg van deze zaak?

|236|

beschwairt in sommige worden in het gebet voor den Dope, dair dese worden staan: Dat ghi dit kindt genadelick wilt ansehen, geliek hi oock doet in sommige worden in der gewontlicke gebeden voor die predicatie so in die weeke als op Sondage: te weten dat wij geneigt synt tott allen quaden ende onnutt tott einigen gode. Ende datt wi van naturen kinderen des torens sint. Ende noch Reinicht onse herten, welcke worden hij meint, dat niet konnen gesproken worden van den herborenen ende Bontgenoten Godes mair dat ze plaetze hebben in den Onherborenen ende de genen die buten het verbondt zijnt.

Bovendien hem oock beschwairt vindt in die beschrivinge der erffsonden die hij anderss beschrivet als in den catechismo ende in den Gereformierden kercken dieser Nederlanden ge­lehert (lees: gelehret) wordt ende onderstaet zijn gevoelen door een sekere (?) overgesonden Schrifft met vele redenen van kleenen gewichte te bevestigen en het contrair gevoelen als nair sin seggen stridende tegen Godes Woordt te refutieren stellende zekere absurditeiten die hij meint dairuit te moten volgen. Met noch eene inhangende cedulle in diewelcke hij schinet verschil te hebben angaende het punkt over die discipline«.

Deze laatste zwarigheid was niet wettelijk uitgeschreven. De broeders lieten haar dus rusten, en de andere punten van het lange geschrift zouden op eene volgende vergadering be­sproken worden. »Inmiddelertijt (zal) het geschrifft bij den dienaren des Woordts ende sommigen harer ouderlingen offte oock allen nair gelegentheit der plaetsen offte Personen vlitich geëxaminirt worden.«

Een andere vraag deed zich nog voor: of het niet raad­zaam was te handelen over ’t boek Gelui Snecani over de praedestinatie. Het antwoord hierop luidde, dat men zou wachten of niet een professor uit Franeker deze zaak ter hand nam.

Den 19 Mei 1592 vinden wij als resultaat dit oordeel, dat Wiggerts door zijn eigenmachtige, openlijke verandering in de gemeene formen der gebeden, een kerkrechterlijk vergrijp had begaan, terwijl de broeders de redenen, die hij opgaf voor zijn principiëele bezwaren al »zeer slecht« en gemakkelijk te weer­leggen achtten »als in henselven stridiet.« Zij vermoedden echter, dat Wiggerts iets achter gehouden had en daarom zou zijn geschrift niet schriftelijk worden gerefuteerd, maar met hem persoonlijk, broederlijk en in liefde, mondeling eene conferentie

|237|

belegd worden. Hier zijn wij dus uit het stadium van een zuiver leer-gravamen, er was een kerkorde-kwestie bijgekomen en Wiggerts werd suspect gehouden. In 1593 (31 Mei) werd nog weer over hem gehandeld in verband met een vraag uit Hoorn, maar toen was de zaak reeds geheel een geschil geworden.

4 Sept. 1595 verscheen Lieven van Vijven (of Vyffen) in de classis om zich te beklagen over den Amsterdamschen kerkeraad, die hem wegens overspel het avondmaal had ont­zegd. Hij achtte het geen zonde tegen het gebod Gods, wel tegen ’s lands geboden, dat hij nevens zijn huisvrouw »converseerde met een vrie dochter«.

De kerkeraad meldde, dat getracht was hem uit Gods Woord het zondige van zijne daad aan te wijzen. Dit werd met instemming vernomen en de censuur van den kerkeraad goedgekeurd.

In de vergadering van 20 Mei 1596 werd aangeraden, de particuliere synode een maand of zes weken uit te stellen, opdat de gravamina met meer grond en wetenschap mochten beantwoord worden. De werkzaamheid der mindere vergaderingen moest niet pro forma geschieden. Tevens werden twee gravamina opgesteld: over den doop op het ziekbed en den doop buiten de woonplaats. Over een daarvan werd den 10en Juni 1596 tevens het advies der classis opgemaakt. In deze vergadering kwam ook Alkmaar’s gravamen ter sprake, hoe te handelen met degenen, die lidmaat wilden worden en alle stukken der leer geloofden, behalve den kinderdoopen daarin begeerden gedragen te worden. 1) Het oordeel der Amsterdamsche classis was, dat zulk een geval niet kon voorkomen, omdat het onmogelijk was, dat iemand »qualick gevoelende van den kinderdoop van alle andere stucken der leere wel soude gelooven ende gevoelen.«

In 1597 (2 Juni) had Alkmaar’s classis als gravamen een klacht ingezonden; zij meende dat een synodaal verbod om het huwelijk tusschen een gedoopte en niet gedoopte te sluiten, niet genoegzaam voorzien was van uit Gods Woord bijgebrachte redenen. Amsterdam oordeelde, dat die er wel waren, maar noemde ze hier niet, de gedeputeerde zullen die in de synode wel meedeelen. 2)


1) Cf. R. & v. V., I, bl. 213.
2) Cf. R. & v. V., I, bl. 233.

|238|

In de vergadering van 17 Mei 1599 zijn eenige gravamina opgesteld, waarover den 7en Juni resolutiën genomen zijn, welke echter niet rechtstreeks de leer raakten.

Den 6en Sept. 1599 is de handeling van den kerkeraad van Amsterdam met Timen Jacobsen, schoolmeester in het werkhuis, goedgekeurd. Deze had »seeckere ongoddelycke meeningen belangende den standt der sielen nae dit leven bij hem selven begrepen« en hoewel hij dikwijls was vermaand liet hij ze niet varen. Nu had de kerkeraad hem der gemeente, zonder benoeming zijns naams, voorgedragen.

Den 5 Juni 1600 kwam ter tafel een vraag, die Hoorn wilde opzenden: Waarom kinderen van ongedoopten wel werden ge­doopt, terwijl een ongedoopte met een gedoopte niet werd getrouwd?

Onder verwijzing naar art. 27 van de K.O. van 1578 werd uitgesproken, dat de kinderen in het verbond Gods moeten gerekend worden, niet alleen »ten aensien van haer naeste ouders, maer oock ten aensien van haer voorouders.«

Uit de vergadering van 4 Juni 1604 staat opgeteekend: »Daer is ommegevraecht off jemant hadde int lesen vant formu­lier van den H. Doop voor die oude volwassene gemaekt. Ende die Redenen waerom men den gedoopten met den ongedoopten niet en sal trouwen hadde wat gemerckt verbeterens werdich: die Broderen hebben goet gevonden die sake uittestellen tott een generael Synodum also het een algemeen stuck is. Vinden dannoch goet datt die Broderen sollen een yeghelick voor hem inbrengen tott den Classem in die tokommende vergaderinghe het jene hij verbeterenswerdich sal gemerckt hebben.« In de volgende vergadering vond ik echter niets daarover.

De acta na April 1605 tot 13 Maart 1606 ontbreken.

In de vergadering van 24 April 1606 kwam ter sprake het bekende consent voor een generale synode met de revisie-clausule. Terstond werden in verband daarmede verschillende besluiten genomen om het recht der kerk te handhaven.

In 1607, 14 Mei, is de vraag der Staten om de gravamina te ontvangen, gansch afgeslagen.

Een aanteekening van 11 Februari 1608 behoort wel niet onder gravamina thuis, maar vinde hier toch een plaats.

»Op de vraege of men sal in gespreek treden met D. Eduardo (Poppius, die beroepen was te Gouda) over eenige puncten

|239|

der leere den classi bekent gemaect door D. Plantium, die verclaert heeft dicwils met hem gesproken te hebbe ende ooc in gemeene classicale byeencompsten …« werd besloten, dat twee leden der classis met Eduardus zullen spreken. Dit gesprek schijnt nogal kalm te zijn afgeloopen, hoewel Plancius zich het recht voorbehield later nog eens met Poppius te spreken. »Is also dese zaeke voor desen tijt besloten.«

Den 5den Mei 1608 moest voor Poppius een demissie ver­kregen en een attestatie gesteld worden. Maar men had gehoord dat in Gouda besloten was: 1˚. geen catechismus te laten preeken; 2˚. dat het woord erfzonde op den preekstoel niet genoemd mocht worden; 3˚. dat over de praedestinatie niet geleerd mocht worden volgens de leer van Calvijn.

Over de kwesties zelf begon de classis niet. Maar Poppius kreeg zijn demissie niet aleer hij verklaard had, dat in een gesprek met de Goudsche predikanten deze hem beloofd hadden geen nieuwigheden verder te zullen invoeren. Ook zeide hij gaarne te zien, dat de catechismus gepreekt werd (wat hier echter de kwestie niet was) en dat hij over de praedestinatie niet zoo hard sprak als sommigen (doch wat sprak hij er dan wel van?) en dat hij, het woord erfzonde vermijdende, de zaak zelve toch wel zou leeren.

Te verwonderen is het niet, dat hij geene attestatie kon bekomen voordat er plenaire classis geweest zou zijn. Zijn demissie werd hem echter gegeven. Was men blij aldus van hem af te komen? De zaak was hiermede echter niet uit. Zij behoort echter in een andere paragraaf behandeld te worden.

 

Ziehier alles wat de acta van deze voorname classis aangaande de behandeling van leerpunten opleveren, behalve haar toezicht op de boeken en bepalingen omtrent twistgesprekken met »Wederdoopers ende Papisten.«

Een vraag, die niets dan een gravamen over de leer was, is in al die jaren niet opgeteekend geworden of kunnen worden. De acta van den Amsterdamschen kerkeraad leveren een dergelijk resultaat.

De bewering is dan ook niet ongegrond, dat van het recht van gravamina zeer weinig gebruik is gemaakt.

In zooverre dit nu als een bewijs kan gelden voor de algemeene en onverdeelde instemming der leden en leeraren

|240|

met de eenmaal aangenomen symbolen, is het een teeken van een gezonden toestand in de kerk te noemen.

Dat zij, die niet geheel eenstemmig dachten, zoo zelden den weg van gravamina volgden, zal zijn verklaring wel o.a. ook hierin vinden, dat zij vermoedden in den ordelijken weg hun gevoelen niet erkend te zullen zien. Particuliere gevoelens op slechts een punt waren zeldzaam. 1) De invloed van allerlei andere omstandigheden mag hierbij echter geen oogenblik buiten rekening gelaten worden.

Op twee dingen, die uit dit overzicht bleken, worde afzonderlijk de aandacht gevestigd: ten eerste, dat de leerstellige bezwaren besproken en overwogen werden, al liep men den weg niet geheel af; en ten tweede, dat de verschillende classes zoowel al haren leden als elkander de kwesties mededeelden, opdat in de particuliere synode de adviezen zooveel mogelijk van alle mindere vergaderingen bekend waren.


1) In Arminius is duidelijk te merken, hoe verre wortels een dwaling heeft. Hij had reeds vóór zijn professoraat een volledige verhandeling tegen Perkins gereed. Hij heeft zijne meening toch niet uit onoprechtheid verborgen. Maar hij gevoelde wel: zeg ik het, dan moeten wij de zaak dieper ophalen. Toch ware dit een remedie geweest. Zijn schrijven met Junius toont: a. zijn neiging tot ketterij; b. dat hij door den kerkelijken weg te bewandelen, allicht nog tot  staan was gekomen. (Trigland, K.G., bl. 289).

Schokking, H. (1902) II.17

|241|

 

 

§ 17.
De Vrijheid van Profetie.

 

Het recht van gravamina in te dienen, de libertas prophetandi en de tolerantie vormden samen het stel der veiligheidskleppen tegen mogelijke overspanning van het gezag der formulieren.

Elk dezer drie werkte echter op haar eigen wijze en had een eigen kring, waarvoor zij gesteld was.

Wij zagen, dat de gravamina-behandeling een dubbel doel had. Zij strekte óf om een beter inzicht, ’twelk de heilige Geest uit de Schrift aan één der lidmaten schonk ook der geheele gemeente ten goede te doen komen òf om misverstand weg te nemen.

De tolerantie (zie de volgende paragraaf) diende om de eenheid der kerk te bewaren door een te goeder trouw dwalende tijdelijk te verdragen in zijn verkeerd gevoelen, ook al ging het tegen de beleden leer in.

De vrijheid van profeteeren bakende een gebied af, waaromtrent de belijdenis zich niet uitsprak.

Het spreekt bijna vanzelf, dat deze onderscheiding alleen ten doel heeft den aard dezer drie rechten duidelijker aan te geven, maar dat in de praktijk de grenzen niet zoo scherp waren. Vooral het terrein der tolerantie en dat der vrijheid van profetie lagen door elkander heen. Toch bestond tusschen deze drie inderdaad onderscheid. En juist omdat niet het minst de »vrijheid van profetie« dikwijls dienst moest doen om alle tegenspraak tegen de confessie te rechtvaardigen, is het noodig onmiddellijk scherp in ’t oog te vatten, dat, waar gravamen en tolerantie hun plaats hadden binnen het gebied, waarop de confessie enz. haar gezag oefenden, daarentegen de vrijheid der

|242|

profetie alleen gold voor het gebied, dat buiten de belijdenis zich bevond.

In een drietal punten kan deze paragraaf behandeld worden: wat men onder vrijheid van profetie verstond; wat dus onder haar gebied viel; hoe zij gehandhaafd werd.

 

Wat zij was, valt uit de geschriften van het tijdperk 1570/1620, welke ik las, niet met eene enkele aanhaling weer te geven. Herhaaldelijk komt de uitdrukking voor en telkens wordt er over gesproken als over iets, dat algemeen bekend en voortdurend in gebruik is, zoodat een omschrijving ervan te geven, ongetwijfeld overbodig scheen. Maar Voetius, die in zijn Politica Ecclesiastica 1) misschien wel alle vragen van kerkrechtelijken aard formuleerde, laat ons ook hier niet in den steek. Al moet bij zijne voorstelling steeds bedacht worden èn dat hij thetisch zijn eigen stelsel geeft, èn dat zijn bloeitijd na 1620 begint, toch is hij zoowel door persoonlijke bekendheid en omgang met leiders uit ons tijdperk als door breede kennis van de literatuur der remonstrantsche dagen een zeer gewenscht man om ons in te leiden in de meeningen, die de gereformeerden van het tijdperk, aan het zijne voorafgaande, hadden. Hij zegt:

Describitur illa (scil. lib. pr.), quod sit, potestas seu licentia ecclesiasticè concessa diversum quid ab aliis dissentientibus, in theologiâ sentiendi, profitendi, docendi seu dogmatizandi. Dus: de vrijheid om, naar kerkelijken regel, een gevoelen te hebben en uit te spreken, dat van anderer gevoelen verschilt.

Ook aan enkele nadere opmerkingen van Voetius worde hier plaats gegund:

In betrekking tot de theologie zijn er vier trappen van vrijheid: 1. Die van voor zich zelf een meening te hebben. 2. Daarover met een ander te spreken zonder er echter bepaalde verspreiding aan te geven; deze beide behooren meer onder de »moderatie of tolerantie«. 3. Zijn gevoelen, ook al verschilt het van anderer opinie, openlijk in de scholen te leeren. 4. Dit ook in ’t publiek voor de gemeente voor te dragen; deze twee vormen de eigenlijke libertas prophetandi.

Deze vrijheid is verleend, nl. door de kerk, hetzij door een algemeen besluit, een particulier decreet, een bepaalde


1) P. E., P. III, L. 3. T. 4, Sect. II, C. I. Vol. IV, p. 679.

|243|

overeenkomst, een afzonderlijke dispensatie, hetzij door gegroeide gewoonte of ook door overweldiging.

Als causa impulsiva noemt Voetius, dat onze kennis op aarde slechts ten deele is, als ook dat wij de eenheid der kerk zooveel doenlijk is moeten bewaren.

Zij geldt in zake de uitlegging van teksten, vooral van zulke, welke nog niet vervulde profetiën bevatten, maar verder ook historische en dogmatische teksten. Fundamenteele teksten of zulke, waaromtrent de kerk zich beslist heeft uitgesproken, liggen buiten het gebied der libertas prophetandi. Wel vallen hieronder de chronologische, topografische, architectonische en genealogische kwesties. Ook de philologisch-theologische problemen hooren hierbij en allerlei vraagpunten, die niet met de grondstukken in rechtstreeksch verband staan. Eveneens de geheele opzet der argumenten voor de polemiek en de oplossing van opgeworpen moeielijkheden in de leer der kerk. Deze vrijheid komt toe aan de ecclesiastica communitas, maar speciaal aan de eigenlijk gezegde profeten, bij ons dus aan predikanten, doctoren en catecheten. Daarbij ook den candidaten, als filii prophetarum. Zij vindt dus hare toepassing in kerken, scholen, vergaderingen. Den taalgeleerden komt zij van ter zijde ook toe.

Hoever deze libertas zich uitstrekt, is afhankelijk van allerlei omstandigheden. Bv. moet den Engelschen theologen vrijheid gelaten, hun bisschoppelijk systeem te behouden en dat te verdedigen, omdat zij in een andere nationaliteit en omstandigheden verkeeren, hoewel dit binnen den kring der Nederlandsche kerken niet openlijk geleerd mag worden, die nu eenmaal in haar belijdenis hierover anders spreken. Evenzoo maakt het in een en hetzelfde kerkverband ten opzichte van de mate der libertas groot verschil, of er rustige dan wel verwarde tijden zijn.

Zoo verwarre men niet de libertas prophetandi met de dusgenaamde christelijke vrijheid, en onderscheide haar evenzeer van eenige politieke vrijheid. Zij loopt alleen omtrent de uitlegging der H.S. binnen den kring der kerk. Daarmede is dus afgesneden zoowel alle Turksche en Roomsche slavernij, de preciesheid van sommige Anabaptisten, de overdreven ijver der Neo-Lutheranen voor hun concordie-boek als de pogingen der syncretisten, ’t welk alles eenvoudig aan ieder het zwijgen oplegt. Maar omgekeerd mag de libertas prophetandi niet overslaan tot de Sociniaansch-Remonstrantsche losbandigheid noch tot de

|244|

Roomsche opvatting, dat elk punt bestreden mag worden als men ten slotte maar buigt voor den Paus; evenmin tot der Independenten stellingen.

Nog ruim 60 bladzijden gaat Voetius voort met het onderzoek van allerlei punten, die hiermede in verband staan. De bovenstaande korte samenvatting bevat echter de hoofdzaak, waarom het mij thans te doen is, nl. dat scherp in ’t oog worde gevat, dat de libertas prophetandi een terrein openhield, waaromtrent de kerk geen beslissende uitspraak had noch wenschte te doen, maar ook, dat dit terrein zijn grenzen had en nooit mocht dienen om het gezag der beleden waarheid te bestrijden. Viel daarin te veranderen, dan stond de weg der gravamina open; de libertas prophetandi gold op het gebied daarbuiten.

Daarmede is echter niet gezegd, dat er tusschen deze geen verband zou bestaan. Evenzoo lag de libertas conscientiae niet ver weg, ja deze hielp de libertas prophetandi dragen. Het »diversum quid sentire« uit de genoemde definitie van Voetius is toch m.i. meer een veronderstelling voor, dan een deel van het recht van vrij propheteeren. Ook zou men kunnen verdedigen, dat in de erkenning van de vrijheid van prophetie zich deed gevoelen een besef van de heerlijkheid der door Christus vrijgekochte kerk. Zij mocht ten deele beschouwd worden als de gebrekkige en aanvankelijke verschijning van een goed der ideale gemeente, waarin de veelvuldigheid der inzichten bij de harmonie aller belijders juist de volheid der waarheid zou laten uitkomen. Maar aangezien in de aardsche bedeeling de kerk niet tot haren idealen wasdom is uitgegroeid en het woord »libertas prophetandi« niet misbruikt mocht worden, diende het in den aangegeven zin beperkt te worden. Maar aldus bepaald en wèl doordacht, gold deze instelling dan ook niet als een onmisbaar kwaad, doch veeleer als een onvervreemdbaar recht en onmisbaar element voor een recht gereformeerd kerkelijk leven.

Een eigenaardig licht laat Trigland op de beteekenis der libertas prophetandi vallen, als hij opmerkt, dat wij er in hebben te zien »de sonderlinghe wysheydt Godts die dese verscheydentheyt, uyt onse onvolmaaktheyt spruytende, tot onsen grondigen onderwysinghe wonderlijck weet te ghebruycken. Want door de overeenbrenginge van dese verscheyden uytleggingen, wort de rechte meeninghe mettertijt bij ons te claerder ende te sekerder.«

|245|

Ook deze woorden bewijzen, dat elke voorstelling, alsof de libertas prophetandi diende om aan ja en neen tegelijkertijd plaats te gunnen, of om het individualisme te beschermen, moet worden ter zijde gesteld. Voor zoover meenings-verschillen zich voordeden, beschermde de libertas prophetandi alleen die, welke in hun verscheidenheid nochtans eenzelfde richting uitgingen. Zij diende dus om de organische eenheid der gemeente te versterken.

Daarom is te Arnhem door de Geldersche synode van 17 April 1618 op het 25ste gravamen »off het eenighe particuliere predicanten in de kercke vrijstaet, in een welgestelde Gereformeerde kercke onder goede christelicke overicheijt haar eijgen opiniën ende prophecien, strijdich zijnde met de aengenome leere der-selver kercken alleer dieselve in een wettelicke sijnodale ver-gaederinge (...) geëxamineerd, geapprobeert ende aengenomen zijn, int openbaer ofte privé te leeren ofte voor te stellen...« geantwoord: neen.

Met voorliefde wijst Trigland er in zijn »Christelycke ende Nootwendighe Verclaringhe« blz. 413 op: »De verscheydenheyt in spreecken, de maniere van de leere te verclaren en heeft noyt in onse kercken, materie van oneenicheyt ghegheven ...« (maar de Remonstranten verschilden in heel iets anders, getuige hun eigen calumnien over de gereformeerde leer, dat zij godslasterlijk was, enz.).

 

Welke waren de grenzen voor het gebied der libertas prophetandi? Als de vergelijking met een veiligheidsklep opgaat, zou zij hier voortgezet kunnen worden in de vraag naar het gewicht, waarmee zij belast moest worden, opdat de stoom niet te spoedig ontsnapte. Bij het toekennen van de vrijheid van profetie kwam het er op aan, de rechte maat te houden, opdat het gezag der belijdenis niet al zijn uitwerking erdoor verlamd zou zien.

Trigland, in zijn 2de stelling aangaande de moderatie stellende: 2) »Datmen om verscheyden manieren van eenige leer-pointen te verclaren, ofte om verscheyde uytleggingen der H. Schrift die met de analogie des gheloofs niet en strijden, gheen


1) R. & v. V., IV, bl. 303.
2) Cf. Rechtgem. Christen, bl. 10.

|246|

twist en moet maken, erkennende geerne de gaven, die God de Heere andere int bequamelijck te leeren, ende de H. Schrift te verclaren medeghedeelt heeft« — voegde er terstond in een aanteekening bij: »Dit gehoort tot de vrijheyt van Propheteren, dewelke niet en moet wijder getrocken werden als het behoort, om onder de selve oock valsche leeringen te willen laten door slippen, want in onse vrijheyt zyn ende blijven wy dienstknechten Gods: Daeromme wy als vrije, onse vrijheyt niet en moeten hebben tot een dexel der boosheyt (soo d’Apostel Petrus leert) maar ons houden als dienstknechten Gods.«

Hiermede nam hij zijn »erkennend geerne« uit de stelling niet terug, maar wilde hij de misvatting voorkomen, alsof de libertas prophetandi ooit wettelijken grond kon opleveren voor vernieling van de beleden waarheid.

En hiertoe was reden. Er is ook een uitlegging van libertas prophetandi geweest, waardoor zij de term voor volslagen individualisme in de leer werd. Door Voetius werd zij later in deze vraag beschreven 1):

An ministro ecclesiae, qui absque ulla stipulatione libertatis prophetandi in thesibus aut hypothesibus quibusdam non πρῶτως aut praecisè fundamentalibus, ... an, inquam illi ministro ab orthodoxiâ in aditu et exercitio ministeriï professa et tradita ad heterodoxiam seducto, libertas prophetandi plenissime concedenda sit et tali tolerantia ac moderatione [hier ziet men hoe libertas prophetandi en tolerantia in elkander overgaan] (si non approbatione) ipsius prophetia excipienda sit; ut prophetia ejus nullo prophetarum judicio examinari, nullo eorundem alloquio hortatione, convictione, correptione, sufflaminari aut sisti debeat.

Het antwoord was: Zoo wilden het de Remonstranten en zij vroegen daartoe de hulp der magistraat. Deze verkregen zij, met deze uitkomst, dat de libertas prophetandi voor de orthodoxen werd opgeheven, volgens de Utrechtsche K.O. van 1612, de resolutie tot vrede der kerken in Holland ten jare 1614 en in Overijssel in 1616.

Maar dit was allerminst de gereformeerde opvatting. Ook bij de vrijheid der prophetie bleef het regel, zij het ook niet op dezelfde wijze als bij stukken die tot de belijdenis behoorden, dat de geesten der propheten aan de propheten onderworpen


1) Voetius, Pol. Eccl., Lib. III, Tr. IV, S. II, C. III, Vol. IV, bl. 697.

|247|

waren. In geen geval gaf de vrijheid van profetie grond aan den eenling om zich verachtelijk uit te laten over de gemeenschappelijke leer van de anderen. En nog minder werd zij toegelaten als bewijs, dat men »in de kercke Gods moest dulden ende laten gheworden dengenen die hare valsche leere drijvende, de H. Waerheydt teghenspreken ende lasteren.« 1)

Derhalve werd bij de libertas prophetandi vaak gesproken van eene voorafgaande stipulatie, een overeenkomst, waarin vastgesteld was, op welke punten de betrokken leeraar zijn privaat gevoelen zich voorbehield. Uit Voetius haalde ik reeds het voorbeeld aan van de artikelen over de kerkregeering, welke in Nederland niet, maar in de correspondentie van de Nederlandsche kerk met Engeland’s theologen wel onder deze libertas werd geplaatst. 2)

Vandaar de twisten. Rosaeus sprak van een matige vrijheid, maar Arminius evenzeer. Deze beweerde ook, dat men zijn gevoelen over de praedestinatie hem vrijgelaten had, toen hij professor werd. 3)

Hierin had Arminius ongelijk. Hij zal wel bedoeld hebben, dat de kerkeraad van Amsterdam hem een goede attestatie verleend had, maar het is bekend, dat hiervoor een andere reden bestond. Bovendien had hij bij de aanvaarding van zijn professoraat een gansch andere stipulatie gegeven dan hij nu voorwendde. Waarbij nog kwam, dat in bepaalde omstandigheden een vroeger vrijgelaten punt later wèl-omschreven beleden kon worden. 4) En geen enkele vorm van lib. proph. was mogelijk, die dubieus ging stellen, wat de Schrift uitdrukkelijk leert.

De voornaamste deelen, waaromtrent gewoonlijk de libertas prophetandi werd uitgeoefend, zijn in het gegeven excerpt uit Voetius reeds aangeduid. Afzonderlijk zij de aandacht gevestigd op de navolgende.

Ten eerste de uitlegging van teksten uit de H. Schrift. Het onderzoek hierin bleef vrij. De bijvoeging, dat de uitlegging


1) Trigland, Antwoorde op dry vragen.
2) De onderteekening der confessie was in zekeren zin zulk een stipulatie. Punten, die daarbuiten vielen, waren vrij. De vraag is echter, welke die punten zijn. (Brandt, II, bl. 80).
3) Brandt, II, bl. 53.
4) Voetius spreekt zelfs van lib. pr. »provisionaliter ... seu ad certum aliquod tempus« concessa, Pol. Eccl. Vol IV, p. 682.

|248|

niet mocht strijden met de analogie des geloofs, was geen belemmering voor hen, die in de H.S. geen innerlijke tegenspraak mogelijk achtten. In »de verscheyden uitleggingen van sekere Schriftuerplaetsen« ... zegt Trigland, 1) stelle een ieder »zyn verstandt sedichlijck« voor, zonder het andere inzicht heftig te verwerpen, den »ernstlijcken Leser ofte toehoorder vrylatende om na de mate der gaven des Geestes, de welcke hy ontfangen heeft, die te verkiesen voor de beste die hy met den sin ende oogemerck des H. Geestes, oordeelen sal aldernaest overeen te komen.«

Ten tweede de voorstelling der leerstukken. Hierin hebben »de rechtgevoelende leeraeren doorgaens een yder zyn maniere van verclaringe, behoudens altijt het hooftstuck der leere onvervalst, vrygelaten ... Maar wat aenghaet de pointen der leere selfs syn wy gebonden aende waerheyt des Goddelijken Woorts.« 2)

Behalve deze meer innerlijke punten, behoorde verder hiertoe al wat betreft de geologie, de geografie, de chronologie etc.

Het spreekt van zelf, dat deze grenzen niet vast waren, maar met de ontwikkeling der kerk mede groeiden.

Wat door den een goed gezegd was, kwam later soms in een ander verband te staan, zoodat het niet meer zonder bedenking kon worden geacht.

Een middelmatig punt kon in het centrum van een strijd geraken. Dit was het geval met zoo menige uitdrukking, die de Remonstranten uit andere schrijvers aanhaalden. Ja, op de synode van Dordt werd nog gezegd van het eerste artikel der Remonstranten, 3) dat het wel goed was als eene beschrijving van den staat der gepraedestineerden, maar dat het verwerpelijk was, indien men bedoelde daarmede de geheele praedestinatie te verklaren. 4)


1) Rechtgem. Christen, bl. 5. vlg. Voetius Pol. Eccl., Vol. IV, p. 688.
2) Op bl. 58 geeft Trigland een voorbeeld over een bepaald punt, de praedestinatie. Zeker: Calvijn en Melanchthon hebben zich verschillend uitgelaten, maar Melanchthon heeft nooit gedaan als de Remonstranten: de leer van Calvijn gelasterd, een Stoïsche of Manicheesche dwaling ingevoerd enz. Hij heeft alleen den nadruk hierop gelegd, dat men uit de vrachten der verkiezing verzekerd zou zijn van de verkiezing. In een brief aan Calvijn had Melanchthon dan ook zelf geschreven: Ik weet wel, dat het mijne met het uwe accordeert: maer het mijne is grover ende slechter, ende tot het gebruyck gerichtet.«
3) Brief van Pareus Sessie 99, Acta Dordt. bl. 250.
4) Pareus, Vredeschrift, bl. 153 schijnt over alle theologische besluiten verschil van meening toe te laten. Hij onderscheidt: algemeene artikelen van geloof en theologische besluiten.

|249|

Bij de toepassing der libertas prophetandi was ook naar de andere zijde voortdurend veel wijsheid noodig.

Een veiligheidsklep moet genoeg belast wezen, opdat de stoom niet te vroeg ontsnappe, maar in ons land is van rijkswege ook een regeling ingevoerd om te zorgen, dat de machinist dit gewicht niet verzware, zoodat de klep in ’t geheel niet of eerst te laat ga werken.

De libertas prophetandi mocht geen phrase worden, evenmin als zij tot ^dekmantel „voor een onbeperkte leervrijheid mocht dienen. Dit werd gevoeld. Voetius formuleert vragen over een nadere bepaling der leerstukken, waarop hij zelf het antwoord begint met een »Prudenter hic agendum.« 1)

Ik herinner hierbij aan ’t protest uit de Zeeuwsche classis aangaande het slot der Dordtsche onderteekeningsformule. Predikanten uit Schouwen meenden, dat daardoor alle conferentiën over eenige dubia onder de profeten wierden verboden. Ook op de synode te Goes was dit bezwaar gemaakt, maar nadrukkelijk werd verklaard, dat zulks de bedoeling niet was. 2)

Toch was de vraag niet onbegrijpelijk. De acte van 1619 is m.i. al zoo strak mogelijk, al is ook dit evenmin onverklaarbaar. Pareus, die toch zachtzinnig genoeg was en in zijn »Vredeschrift« blijk gaf van een ruime opvatting, klaagde er over, dat onder praktijk van de libertas prophetandi zoo veel onrechtmatigs geschiedde. 3)

Desniettegenstaande werd zij gehandhaafd. Het is eenigszins onverwacht, wanneer wij Trigland zijne Christelycke ende Nootwendighe Verclaringhe tegen de resolutie van 1614 hooren beginnen met deze woorden: 4) »Melanchton, een man zijnde van groot oordeel, heeft eertijdts seer wel gheseyt: Dat het tyrannye is, dat men yemanden soude verbieden zijn gevoelen van de Religie in de Kercke te seggen: aangesien een yeder dat behoort vry te zijn, in dien slechts daer gheen particuliere


1) P.E. Vol. IV. p. 215, P. III. L. I, T. 3, C. 8, (Ba Ra ed. Rutgers bl. 322.) An expediat, ut Synodi in omnibus theologicis, etiam illis in quibus orthodoxi omnes non uno modo sentiunt, quae nonnulli problematica vocant, peremptorie determinent.
2) Brandt IV, bl. 803.
3) Vgl. ook Trigland, Nootwendighe Verclaringhe, bl. 435.
4) Ibid. bl. 16.

|250|

affecten onder vermenght en worden« — maar toch was hij daarin te goeder trouw en zich wel bewust, wat hij zeide.

Het onderscheid van tijden en plaatsen werd dan ook wel in rekening gebracht.

In de Epistola Bommelensis van 3 Februari 1618 1) klaagden de remonstrantschgezinden, dat wat vroeger vrijstond, toen niet meer vrij was. Dit moge op zichzelf waar geschenen hebben, inconsequentie der kerkelijken behoeft het nog niet te zijn; en in den grond der zaak vergisten de klagers zich.

Evenzoo werd onderscheid gemaakt tusschen kansel en katheder. 2) Doch ook in scholis was de vrijheid der profetie niet zonder eenige beperking.

Ja, bij de twisten over Arminius’ benoeming tot professor werd door een der deputati synodi opgemerkt, dat de vrijheid in middelmatige dingen voor de school nog meer beperkt moest wezen dan voor de kerk: Al is het, dat Arminius met ons niet in verschil staat in den grond der Religie, »’t is dan ten minsten in den aankleve van dien, ’t welk in de kerk wel verdraeghlijk is, maar niet in de schoole, daer men meer vrijheit heeft om te disputeeren en de minste nieuwigheit scheuring kan veroorsaeken. Uitenbogaert voerde hem daertegens te gemoet, dat men de vrijheit over middelmaetige verschillen niet geheel uit de kerke noch uit de schoole moest verstooten; dat er altijdt soowel in de schoole als kerke, verscheidenheit in ’t stuk der Religie was geweest en wesen soude, ook over swaere saeken, en dat behoudens d’eenigheit der kerke. Men wist dat Junius met Sohnius tot Heidelberg en met Gomarus tot Leyden niet in alles eens was geweest, en dat se nochtans vrede hielden met elkanderen.« 3)

Dit argument, ook elders door hem gebezigd, werd door Trigland beantwoord met de opmerking, dat daarom nog niet alle verschillen zonder onderscheid op de akademie mogen gedoceerd worden. En verder was er materieel onderscheid tusschen der Remonstranten en Sohnius’ voorstelling, al kon ook door hem


1) Vgl. MS. A, bl. 222.
2) Voetius, Vol. IV. p 681.
3) Brandt, II bl. 45.

|251|

»die materie wel wat bequamer ende beknopter gestelt zijn geworden.« 1)

Trigland 2) erkende, dat er middelmatige dingen waren, maar van eene vrijheid van profetie, zonder dat de grenzen aangegeven werden, wilde hij niet weten: »ons dunckt dat die wat al te breet gaet.« 3) En hierin sprak hij het algemeen gevoelen der Contra-remonstranten uit.


1) Trigland, K.G. bl. 291.
2) Cf. K.G. bl. 722b.
3) K.G. bl. 292.

Schokking, H. (1902) II.18

|252|

 

 

§ 18.
De Tolerantie.

 

Evenals de libertas prophetandi niet bedoelde aan de vastheid der beleden leer te tornen, maar juist het terrein aanwees, waarop geene beslissing genomen kon worden en dat daarmede buiten de formulieren lag, zoo werd ook de tolerantie niet beschouwd als de wig om den kerkdijken muur te doen splijten, maar veeleer als een middel om de eenheid te bevorderen, doordat de besliste belijders daarmede de zwakkeren te hulp kwamen. Dat volgt uit wat zoo aanstonds o.a. uit Trigland zal blijken.

Ziehier, hoe de contra-remonstranten in ’t algemeen over tolerantie dachten.

Tolerantie was hun niet die verdraagzaamheid in afgesleten zin, welke niet veel verschilt van onverschilligheid en voortkomt uit traagheid of zelfs beginselloosheid, maar wassen tijdelijk te gemoet komen aan de bezwaren van hen, wier inzicht op sommige punten nog gebrekkig was.

Met tolerantie bedoelden zij niet alleen een tegemoetkomende gezindheid en allerminst wat bv. in de 18e eeuw daaronder verstaan werd. Ook het in den grond der zaak agnostische »alles kunnen waardeeren« eener latere eeuw heeft met de gereformeerde tolerantie der 16e eeuw niets te maken. Zij was een maxime van het kerkelijke recht; het woord duidde eer een welomschreven recht in de kerkelijke samenleving dan een karaktertrek van personen aan, hoewel ook dit laatste mede er in begrepen was.

De tolerantie vond hare plaats niet als een middel tot handhaving der gewetensvrijheid, alsof dus zonder haar het geweten

|253|

bekneld kon geacht worden door de confessie 1) — deze toch had haar gezag alleen door afhankelijkheid van Gods Woord, waarin juist de gewetensvrijheid gevonden werd. Soms wees het woord »tolerantie« een ruimer gebied aan, zooals bv. ook Voetius 2) tot de tolerantie of moderatie, rekende de vrijheid om bij zichzelf eene afwijkende meening te hebben, maar hiermede raakte hij aan ’t gebied der gewetensvrijheid. En tolerantie in strengen zin was iets anders dan gewetensvrijheid. Tolerantie bedoelde eenvoudig rekening te houden met de mogelijkheid, dat, te goeder trouw en door gebrek aan inzicht, uit tijdelijke vooringenomenheid, bezwaren werden gevoeld tegen leerstellingen, die toch algemeen in de kerk erkend werden; deze gevallen werden wèl omschreven: ook hierbij geene »libertijnsche losheid.«

Eenvoudig maar doeltreffend is eene omschrijving der tolerantie van Trigland. Breedvoerig heeft deze gereformeerde predikant, die geen Politica ecclesiastica geschreven, maar in het midden van den strijd de grondlijnen deels getrokken, deels opengehouden heeft en het kerkelijk gebouw mede heeft opgetrokken, in het reeds vermelde Den Rechtgematichden Christen, ofte vande ware moderatie ende verdrachsaemheyt etc. 1615 over dit punt gehandeld. Hij schrijft:

Wat moderatie is:

Moderatie is geen oorspronckelijck nederduytsch woort, maer uyt het Latijn genomen, hercomende van een woort Modero oft Moderor, twelck soveel beduyt als regeren ofte in mate houden, dat is, soo een saecke bestueren, dat ze in haer rechte mate ende binnen den behoorlijcke palen blijve ...

Wat dulden is:

Men dult het quaedt dat men niet en kan verbeteren, om yets goets dat met het selve t’samengaet, opdat men het quade uytroeyende niet met eenen het goede en verderve, ende dit voor een wijl tijdts, tot dat men beter gelegentheyt vinde om het quaet te remedieren.

.... Daarom hier te besien staet of in soodanighe saken moderatie ende duldinge plaets mach hebben. Wy hebben gheseyt dat moderatie is maethouclinghe: Ende dat de rechte


1) Zoo sprak Poppius, Brandt III, bl. 688, 689. Cf. Trigland, Antwoord, bl. 25.
2) Cf. Pol Eccl. P. III, L. 3, Tr. 4, Sect. II, C. I, Vol. IV, p. 679.

|254|

mate in het Gheestelijcke is Godts Woordt. Daerom wy oock het selve in alles eenvoudelijcken moeten volghen . ..

Dese moderatie wordt aengemerckt in drieerley aensien: ten aensien onses selfs, die wy van anderen in gevoelen verschillen [en dit wordt dan uitgelegd, dat wij niet uit haat tegen de personen iets mogen doen, maar met ernst alleen voor Gods eer moeten opkomen]: ten aensien van de pointen daer in wij verschillen: Ende ten aensien van de persoonen van de welcke wy verschillen.

...... Belanghende het dulden: Hebben wy verstaen, dat men dult eenigh quaedt, datmen voort eerst niet en can weeren, op hope datment naderhant verbeteren sal, waeromme men dan oock alle gelegentheyt waerneemt om ’t selve so haest mogelijck is te verbeteren. So doch ’t selve quaet door het dulden so seer soude toenemen, dat het wyders incruypende, ooc het ander dat goet is, soude bestaan te verderven, soo moet men het met alle vlijt teghenstaen, opdat het niet verder in en breecke.

Een Medecijn-meester hebbende een Patiënt beswaert met twee accidenten, der welcke eene dootlyck is so het niet dadelijck werde gecureert, het ander niet: sal dit voor een wijle tijts voorby siende, op ’t gene zijn cuere gantschelijck te wercke stellen: Also nochtans dat hy dat gecureert zijnde, oock dit niet ongecureert sal laten: of so dit onder de hant so toenam dat het mede periculoos wiert, sal hij oock om ‘tselve in tijts, soo’t mogelijc is, te weeren, bequame remedie byder hant nemen. Also moet het in ’t geestelijck oock toegaen. Men moet acht nemen van waer het meeste perijckel comt ende sich met alle vlijt daer teghen stellen.

Hij vat zijn meening samen in vier stellingen: 1. Datmen de leere der waerheyt, niet uyt vleeschelijcke affecten ofte uyt haet van eenighe persoonen, maar uyt een oprechten Goddelijcken yver, met een sachtsinnig ghemoet moet verdedigen, ende trachten den verdoolden, so het eenichsins mogelijck is, te winnen. De 2de loopt over de vrijheid van profetie. 3. Dat men den swacken leerlinghen, die oft nieuwelincx hare grove dwalinghen verlaten hebben, ofte door haer slechticheyt ende onnoselheyt van valsche leeraers vervoert zijn, niet en sal verworpen oft voor het hooft stooten, maer in hare swackheyt van gelegentheyt dragen ende met vriendelijcheyt ondergaen,

|255|

op hoope dat mense Christo winnen, ende tot de kennisse vande verborgentheden onser salicheyt allenskens naerder sal moghen inleyden. 4. Maer in de vierde Propositie leydt de knoop, welcke is datmen alle den raet des Heeren, suiverlijc eenvoudelijc ende duidelijc leerende, alle valsche leeringen ende uytleggingen der H. Schrift, die met de Analogie des gheloofs strijden, ernstlijck met Gods woort moet wederleggen: Ende dengenen diese verdedigen, drijven ende anderen soecken in te scherpen, in Godts Gemeynte niet en behoort te lijden. Met 5 bladzijden teksten wordt deze knoop-thesis dan gestaafd.

Tot dusver Trigland.

Iets geheel anders werd door de Remonstranten bedoeld wanneer zij van tolerantie spraken.

Hun leiders beschouwden zich zelf niet als »swacken, krancken ofte teerlingen«, met wie eenig geduld moest gebruikt worden, noch hun eigen opiniën als minder juist, zij het dan ook voorloopig goed genoeg. Zij hadden duidelijk laten blijken: 1) Dat hun noyt in den zin ghekomen is van den Contraremonstranten te verzoecken gheduldet te worden, ja roemen wel vemetelijck dat hun zulx niet van noden en is. Ja, het concept van moderatie, door Trigland in zijn Antwoorde op dry vragen weersproken, wilde niet slechts voor der Arminianen gevoelen een open ruimte bewaren, maar verbood ook den Contraremonstranten, op den preekstoel hun gevoelen te uiten.

Dit concept werpt een eigenaardig licht op de remonstrantsche uitroepen over tolerantie en Trigland is dan ook niet traag geweest om de intolerantie in dit concept van tolerantie in ’t volle daglicht te stellen.

De bepaling moge verklaarbaar zijn als een terugslag om door overheidsgezag te verkrijgen wat de Gereformeerden door kerkelijke autoriteit zochten te bereiken, nl. onverkort recht voor het eigen gevoelen, dit neemt niet weg, dat dit toen begeerd werd ten koste van de vrijheid der tegenpartij.

De vraag is echter, of dit concept de principiëele overtuiging der Remonstranten in deze vertolkte. Ik geloof wel, dat het ten slotte Wtenbogaert, Poppius enz weinig droefheid zou gegeven hebben, wanneer zij hun tegenstanders uit de kerk hadden kunnen


1) Volgens de Conferentie, bl. 436, vermeld m Trigland Antwoorde, bl. 16.

|256|

stooten, maar op zich zelf is het denkbaar, dat sommigen inderdaad meenden met een verbod van »niet hooger« te mogen leeren dan zij zelf wenschten te gaan, allen tevreden te kunnen stellen. Dit was wel kortzichtig, getuigde wel van een volslagen miskenning der casuspositie (hooger en lager liggen op dezelfde lijn, doch Arminius’ en Gomarus’ beginselen stonden tegenover elkander), maar zoo iets schijnt hun toch, althans in 't eerst, voor den geest gestaan te hebben blijkens hun woorden achter de vijf artikelen van 1610, waar sprake is van »een dulding ten weder-zijden in vrede en liefde« 1) in geval zij »niet beter onderricht« zouden worden. Hoe zij zich dit verder voorgesteld hebben, is mij niet duidelijk geworden en de geschiedenis heeft gansch wat anders dan vrede en liefde voortgebracht, maar deze weinige aanwijzingen zijn genoeg om te toonen, dat de Remonstranten dachten over een naast elkander laten bestaan van verschillende opiniën omtrent gewichtige punten, als gelijkwaardige grootheden. »Van wederzijden«, deze toevoeging beheerscht den ganschen zin.

En dit was het juist wat Trigland c.s. niet aanvaardde.

De ware leer was niet twijfelachtig en had dus geen »dulden« noodig.

Als hij zijn preek over de rechte gematigdheid in de bekende brochure omzet, krijgt ’t titelblad als motto 1 Reg. 18: 21 »Doe tradt Elia tot allen Volcke, ende sprack: Hoe langhe hinckt ghy op beyde zijden? Is de Heere Godt, so wandeld hem na: Is het oock Baal, so wandelt hem na.« En onder het vignet kwam te staan: Jeremiae 23: 28. »Een propheet die droomen heeft, die predike droomen: Wie daar en tegen mijn woort heeft, die predike mijn woort recht. Hoe rijmen hen stroo ende tarwe te samen? Spreekt de Heere.«

Tolerantie veronderstelde iets abnormaals, dat op dit oogenblik niet verbeterd kon worden; wat in zichzelf goed is, werd niet getolereerd, maar gemainteneerd; wat niet beslist kon worden viel onder de libertas prophetandi. 2) Op de quaestie: An controversia in Ecclesiis orta de aliquot doctrinae capitibus tantum moderationis et mutuae tolerantiae sanctione, non vero decisione a synodo componenda sit? antwoordde Voetius: Prius


1) Wtenbogaert, K.H., bl. 528.
2) Vgl. Hoedemaker, Artikel XXXVI, bl. 92.

|257|

volebant Remonstrantes (en zoo ook de Staten van Holland in 1614 »Placcaat over den vrede der kerken,« Grotius in 1613 etc.) Sed perquam absurde. 1) Hij oordeelde echter aldus, voornamelijk in verband met het recht der synoden.

 

In verband met hetgeen ons bleek van de opvatting, die de Gereformeerden van tolerantie hadden, zal het geen bevreemding wekken, dat zij alleen geoefend werd ten aanzien van wèl omschreven gevoelens. De vraag luidde gewoonlijk in dezer voege: of N.N. in dit of dat gevoelen niet gedragen zou kunnen worden.

In 1582 werd op de particuliere synode van Noord-Holland de vraag gebracht, in hoeverre een dienaar te dragen zou zijn, die eenige zwarigheid maakte in het stuk der praedestinatie. Ten antwoord werd gegeven, dat hieromtrent geen uitspraak in ’t algemeen kon gegeven worden behalve een raad om met zulke menschen te spreken enz., maar dat de synode over het punt der tolerantie niet kon gaan handelen omdat zij niet wist, »hoeverre sulcker onverstandt strect ende sy gedragen souden begeeren te worden.« 2)

Een kenschetsend voorbeeld is te vinden in de geschiedenis van Coolhaes. In 1586 kwam hij voor de synode in ’s Gravenhage en beleed, dat z.i. de woorden van art. 16 over de praedestinatie zoodanige reprobatie leerden, als hij niet kon aanvaarden. Na vele conferenties is toen in dezer voege besloten 3): De Synode getreeden zynde in conferentie van de Leere van Casparo Coolhasio, en hem voorgehouden hebbende de Belydenisse des Geloofs van de Nederlandsche Kerken in XXXVII Artikelen vervat, waar op hy hem verklaarde dezelve Belydenisse in alle haare Poincten en Artikelen (uitgenomen alleen het stuk van de Reprobatie in het 16. Artikel) voor goed en Schriftmatig aan te nemen ....« En nopens het different op het 16e artikel zou Casparus »bekennen, dat alle de geene die salich worden niet door haer eijgen verdienst, weerdicheijt ofte heijlicheijt: maer alleen wt louter genaden Gods die den goeden wille werckt in den wtvercoren, salich ende behouden werden. Ende dat de


1) Pol. Eccl. Vol. IV, p. 215. Ba. Ra. ed. Rutgers, bl. 322.
2) R. & v. V. I, bl. 105.
3) Vgl. Borsius, Toeg. Gezag, Ned. Archief. DL. IX bl., 317. De tekst is uit Rutgers Acta, bl. 561.

|258|

geene die verloren gaen om haer eijgen schuit verloren gaen, ende dat God geen oorsaeck daer van en is: Twelck also bij hem bekent sijnde, sal hij als lidtmaet der kercken ontfangen, ende int geene hij vorder desen aengaende noch niet genoech en verstaet, gedragen werden: mits dat hij stilswijge ende niet en drijve ofte sustinere van de generale genade Gods over alle ende iegelicke menschen gelijck in sijnen boeck Conciliatie ... geschiet is.«

In dit besluit zijn de voornaamste elementen van een ordelijke tolerantie aanwezig.

Ten eerste is het geschil in wettige vergadering besproken en gewogen.

Vervolgens: Coolhaes aanvaardde wat naar der synode meening het punt was, waar het in art. 16 omging. Dat hij de consequentie niet doorzag, werd verontschuldigd. Ook werd zijn gevoelen niet goedgekeurd, integendeel: de consequentie van zijn gevoelen mocht hij niet verbreiden. Uit dezen stand van zaken kan afgeleid worden, waarom in 1618/19 de Remonstranten niet gedragen werden in hun gevoelen. Wat in 1586 nog sluimerde en een op zich zelf staand geval was, vertoonde zich in 1618 als opzettelijke partijschap. Kon in 1586 de hoop gekoesterd worden, dat de erkenning van de electie de misvatting aangaande de reprobatie zou overwinnen, in 1618 bleek de tegenstand tegen de reprobatie uitgegroeid tot ontkenning van de electie.

Ten slotte: Coolhaes werd als lidmaat erkend, maar verlof om als leeraar op te treden verkreeg hij niet. (Dit laatste is door Coolhaes ontkend.) Ook dit was juist een der deelen van goede tolerantie: niet alles wat in een ambteloos lidmaat gedragen kon worden, kon aan een leeraar worden vrijgelaten.

Wèl-omschreven punten; daartoe waren de Arminianen op de conferentie van 3 Remonstranten en 3 Contra-remonstranten (Delft 26 Februari 1613) niet te bewegen. 1) Zelfs toen 2) was er nog sprake van, dat de vijf artikelen misschien konden gedragen worden, indien slechts bleek, dat allerlei andere dwalingen,


1) Vgl. Trigland, Kerkgesch. bl. 642, 643. Willem Lodewijk had Wtenbogaert en Hommius uitgenoodigd, om nog een vergelijk te treffen. De laatste had nog hoop. wanneer de Remonstranten maar beslist verklaarden, alleen over de 5 artikelen bezwaar te hebben. Wtenbogaert erkende dit wel voor zichzelf, maar aangaande zijne medegenooten is m.i. zijn toon reeds weifelend.
2) Cf. Borsius, bl. 340, 341.

|259|

waaruit volgens de kerkelijken de vijf artikelen voortkwamen of waartoe zij leidden, en die in boeken van Arminius, Venator e.a. gevonden waren, geweerd bleven. Wilden de onderteekenaars der remonstrantie bekennen niets tegen de confessie en den catechismus te hebben?

Al weer: de hoop was, dat de beleden waarheid de dwaling-bevattende artikelen wel overwinnen zou, maar de voorslag werd geweigerd.

Natuurlijk, want het vermoeden o.a. door Borsius uitgesproken, dat de Remonstranten bij nadere verklaring van hun gevoelen geheel in strijd met de leer der confessie zouden gebleken zijn, is gegrond genoeg. En juist hiertoe mocht tolerantie niet leiden, dat hetgeen duidelijk door de kerk geleerd werd, door haar eigen dienaren werd tegengesproken. Wie het zoo begrepen had, verkeerde in misverstand.

In de vergadering der Zuid-Hollandsche synode in 1619 verschenen verschillende Remonstranten als gedaagden om de canones of anders de acte van stilstand te teekenen. Jan Janss 1) uit Leiderdorp beriep zich op zijn verklaring in 1586 over de gecontroverteerde punten gedaan, »dat hij voorals noch daerbij bleeff, dat hij dus daerin getolereert was.« De synode antwoordde hierop: »Ende alsoo men merckte, dat de geciteerde daerop zeer steunden, dat voor desen eenige tolerantie over de leere van de praedestinatie is gepractiseert gheweest, soo heeft men de geciteerde ghevraecht, ofte sij onder die ghetolereerde eenich mensche wisten, die daerop getolereerdt was, dat hij nochtans lochende de goede werken te vloeijen uijt de verkiesinge, off oock soodanigen getolereerde, die de vier andere poincten der Remonstranten goet ghekent ende op de predikstoel off in het particulier met stilswijgen der kercke ende oochluijckinge des selve gedreven hadde, waerop de geciteerde niet en hebben weten te excipieren.«

Men ziet het: niet of er tolerantie gepraktiseerd was in het stuk der praedestinatie was de vraag, maar over welke punten die tolerantie geloopen had.

Zoo sprak de classis Amsterdam in 1596 uit, dat ook bij een ambteloos lidmaat grove dwalingen niet gedragen konden


1) R. & v. V., III, bl. 338.

|260|

worden 1). Het was een antwoord op het gravamen, dat in Alkmaar was opgesteld: Hoe te doen met degenen, die lidmaat willen worden en alle stukken der leer gelooven behalve den kinderdoop en verzoeken alleen hierin geduld te worden, ja zich »leerlick« willen laten vinden.

Het antwoord luidde : Dit geval kan niet voorkomen, Het is onmogelijk dat iemand »qualick« gevoelende van den kinderdoop »van alle andere stucken der leere wèl soude geloven ende gevoelen«.

De particuliere synode te Hoorn besloot echter 2) ... (dit gravamen) bequamelicken sall connen in de generale sinode verhandelt werden als weesende een questie, die genouchsaem generall es. Daerentusschen heeft het sinodus by provisie goetgevonden, dat alsulcke personen eerst grondelick onderweesen werden, opdat se den kinderdoop approberende te stichtehcker daernae totten avontmale mogen toegelaten werden.« De mogelijkheid, dat ze toch den kinderdoop niet approbeerden, werd dus niet in rekening gebracht. Of ligt in het »te« van »te stichtelicker« opgesloten, dat zonder die approbatie toelating toch geoorloofd was, zij het dan ook minder stichtelijk? Dit laatste is niet zeer aannemelijk; eerder willen wij het er dus voor houden, dat er groot vertrouwen was op de uitwerking van het kerkelijk onderricht bij deze zich leerzaam aanstellende personen. Doch, welk motief hierbij ook gegolden moge hebben, het synodaal besluit geeft den indruk, dat daarin zoowel de theorie der classis goedgekeurd als haar praktijk ongeschikt geoordeeld werd. De synode sprak niet tegen, dat iemand, den kinderdoop verwerpende, geen lidmaat der gereformeerde kerk wezen kon, maar het werd toch in zachter bewoordingen gezegd en de kwestie, waar het om ging en waarin de classis juist den knoop had doorgehakt, werd eenvoudig nog ter zijde geschoven. De synode hield zich niet zoo spoedig overtuigd, dat iemand vasthouden zou aan zijne meening over den kinderdoop, als hij over ’t geheel leerzaam was. Hoe deze beslissing in de praktijk gewerkt heeft, kon ik niet nagaan.

Eene dergelijke kwestie heeft zich natuurlijk ook ten tijde van de remonstrantsche verwikkelingen voorgedaan.


1) MS. B, vergadering 10 Juni 1590.
2) R. & v. V. I., bl. 214.

|261|

Toen is gevraagd: als onder de »gemene lidmaten« gevonden worden, die vasthouden aan de 5 remonstrantsche artikelen, maar verklaren zich te willen stilhouden, mogen zij dan ten avondmaal toegelaten worden? 1) De synode te Gouda (1620) herinnerde in het antwoord uitdrukkelijk aan een in 1619 gemaakt onderscheid tusschen hardnekkigen en eenvoudigen, maar besliste daarna zonder eenig voorbehoud, dat degenen, die met overtuiging de vijf artikelen vasthielden, niet in de gemeenschap des avondmaals behoorden toegelaten te worden. 2) Trouwens, zij bevestigde daarmede slechts de reeds alom gevolgde praktijk.

Geen tolerantie in het wilde: derhalve, wat zooeven op schriftuurlijke gronden opzettelijk was veroordeeld, behoorde niet meer onder de leerstellingen, die geduld kon worden.

Zoo werd, toen eenmaal de remonstrantsche artikelen veroordeeld waren, den leeraars alleen de keus gelaten tusschen betuiging van instemming met de canones of weggaan.

Het zou te lang duren, den gang der besprekingen uit die executeerende synoden weer te geven. In Reitsma en van Veen’s Acta is het officieële rapport te vinden, waaruit wel eenig onderscheid blijkt in de toon, waarop de Remonstranten in de verschillende provinciën werden aangesproken.

In ’t algemeen gesproken schijnt ’t mij toe, dat in Z.-Holland de kortste metten werden gemaakt. Men hield zich eenvoudig aan het formeele: de besprekingen zijn geëindigd, de zaak is van alle kanten in wettige vergadering bezien en beslist, nu is het eenvoudig de vraag, of ge u met de synode-canones kunt vereenigen, ja dan neen.

Doch ook wanneer er nog eerst min of meer uitvoerige besprekingen werden gehouden, 3) bleef toch — en dit is het punt waarop de aandacht gevestigd worde — de eenmaal uitgesproken leerstelling buiten het gebied, waarover tolerantie werd toegelaten.

Zoo is in Friesland, waar niet zooveel Remonstranten waren en ten slotte slechts 4 predikanten bleken bezwaar te hebben tegen de onderteekening der canones, 4) met Hajo Lambertus


1) R. & v. V., III, bl. 387.
2) R. & v. V., III, bl. 443.
3) Zeer lankmoedig was men in Overijssel. R. & v. V.. V, bl. 327.
4) Cf. R. & v. V., VI, bl. 273. Hajo Lamberti en Petrus Hermannus, beiden van Dokkum, Joh. Sartorius van Buijtenpost, Thomas Thomae van Jelsum.

|262|

en Petrus Hermannus wel nog eerst gesproken en hun beklag over de handelwijze der deputaten synodi aangehoord, maar ten slotte toch het »ontzet uit den dienst der kerken« over hen uitgesproken. Zij wilden de canones onderteekenen, maar onder ééne voorwaarde, en die werd niet toegelaten. Beiden begeerden, dat zij niet gedrongen zouden worden om te leeren »dat Godt van eeuwigheit beslooten hadt yder mensch in ’t bysonder hooft voor hooft door een onvermijdelijken wegh of ter saeligheit of ter verdoemenisse te brengen enz,« en Petrus Hermannus zou begeerd hebben, dat »hem toegestaen wierde te geloven dat Adam vrijwilligh en niet noodtwendigh of onvermijdelijk hadt gesondicht.«

Wat eene reserve toen beteekende en wat zij met deze reserves bedoelden, kan ik laten rusten, al zal hierin wel de reden liggen voor de weigering der synode. Het feit blijft, dat geen voorbehoud werd toegelaten. 1) Het was dan ook alleen, omdat er onderscheid werd gemaakt tusschen hardnekkigen en leerzamen, dat in de verschillende gemeenten de remonstrantsche gevoelens nog werden geduld, maar overigens gold deze kwestie als voor goed beslist. Officieel is dit ook zoo gebleven; de Dordtsche canones zijn nooit weer in de kerkelijke vergaderingen besproken. Eigenaardig is het, afgezien van de geleidelijke afwijking in later eeuwen, dat in 1653 in Utrecht door den kerkeraad eene kortere verklaring dan de canones gaven, is


1) Het is de moeite waard, de aandacht te vestigen op het onderscheid der berichten over de zaak-Lambertus c.s. in Brandt, Historie der Reformatie (IV, bl. 25) en in de Acta der Friesche Synode (R. & v. V., VI. bl. 273, 279, 287.) De acta vermelden niet, waarom de bewuste personen bezwaar hadden evenmin als hun voorslag om met een conditie te onderteekenen. Brandt bericht alles, wat tot bezwaar der gereformeerde kerk kon strekken. Wel wordt ook de goedwilligheid der deputaten vermeld, maar zoo dat de vredelievendheid van Lambertus er door bestraald wordt: voor het formeele gedeelte schijnt Brandt geen oog te hebben. Het was toch waarlijk niet te vergen van de Friesche synode, dat zij de dubbelzinnige uitdrukkingen van Lambertus en Hermannus ging toelaten, nu de kerk zoo uitvoerig haar meening had uitgedrukt. Brandt neemt de bewering der beklaagden op, dat er geen wettig besluit van de generale en provinciale staten bestond. ’t welk hen verplichtte tot onderteekening, terwijl zij volgens de Acta zich juist hadden te reguleeren naar de sententie der deputaten, die door de gedeputeerde staten was goedgekeurd. Dat de acte van onderteekening door de algemeene staten was goedgekeurd, is bekend. De Acta vermelden (bl. 279) een aanklacht tegen de leer der dienaren van Dokkum, ingekomen in Sept. 1619. Dat de contra-remonstrantsche predikanten, die in hun plaats kwamen, met de bewoordingen der reserves instemden, moet den indruk geven, dat de synode die dus wel had kunnen aanvaarden. Maar men kan het argument ook omkeeren en vragen wat dat dringen tegen een open deur beteekende.

|263|

opgesteld, waarop remonstrantsch-gezinde lidmaten onder bepaalde voorwaarden aan het avondmaal werden toegelaten. 1)

 

In de tweede plaats moest men volgens de gereformeerde opvatting in aanmerking nemen, wie de personen waren en welke hunne motieven, wanneer er van »dulden« sprake was. Van leeraars werd minder »gedragen« dan van andere lidmaten en ook bij deze moest men onderscheid maken, of zij ambtsdragers waren dan wel »gemene lidmaten« en bij allen gaf het verschil, of er hardnekkigheid dan wel stilligheid viel te constateeren. Dat men in leeraars het minst duldde, vond hierin zijn oorzaak, dat bij hen de onkunde, welke bij anderen zooveel verklaarde, niet te verontschuldigen was.

In de particuliere synode te Leiden van 1619 is in antwoord op een gravamen dienaangaande een vrij uitvoerig voorschrift gegeven, dat wel mag gelden als de gangbare beschouwing op dit punt. Immers er was gevraagd: 2) »off het niet nodich en sij in alle kercken een eenparigen voet te volgen soo over de predicanten als gemene litmaten, die geduerende dese oneenicheden gevolcht ende voorgestaen hebben het gevoelen ende de proceduijren der Remonstranten.« 3) De synode oordeelde, »lettende op de vrede der kercken ende behoudinge der gesonde leere in deselvige, dat een groot onderscheijt moet gemaekt worden tusschen de hertneckige ende tusschen de geseggelicke.» Eerst werd voorgesteld, hoe met deze beide categoriën onder de leeraren diende gehandeld te worden.

»De hartneckelijcke leeraren sullen volgens het decreet des naesten synodi nationalis datelick van hare diensten gedeporteert ende de trappen der vermaningen aan haer waergenomen sijnde, geëxcommuniceert worden.« De gezeggelijke konden onder zekere voorwaarden mettertijd weer tot den dienst toegelaten worden, terwijl leeraren, die weinig of geen aanstoot hadden gegeven, na schuldbekentenis reeds na een jaar elders beroepen mochten worden.

»Aengaende de litmaten, deselvige sijn ofte in kerckelicke bedieningen geweest ofte niet. Aengaende de eerste soorte, die


1) Cf. Voetius Vol. IV. bl. 696, 737. (P.E. P III. L. III, T. IV, C. III.)
2) R. & v. V., III, bl. 386 vv.
3) De particuliere synode heeft hier feitelijk afgemaakt, wat de nat. synode niet kon gereed krijgen. Door de part. syn. van Delft in 1618 was een gravamen over de tolerantie(.. 22a, R. & v. V., III, bl. 321) doorgezonden naar de nat. synode (R. & v. V., III, bl. 306).

|264|

ouderlinghen ofte diaconen geweest sijn van de sijde der Remonstranten ende by hare opiniën persisteeren, oordeelt de synodus, dat de hartneckighe dadelick van haren diensten sullen afgeset worden, maar dat men geen excommunicatie aen deselvige gebruijcken sal, ....
Wat aengaet degene, die met de kercke soecken te versoenen, wert goetgevonden, dat soodanighe met schultbekentenisse voor den kerckenraet gedaen sullen volstaen mogen, ...
Belangende de gemene litmaten, die in geene kerkelicke diensten syn geweest, dewijl deselvige sijn ofte hertneckich ofte geseggelijck, wat de eerste aengaet, deselvige sullen van de kerckenrade, onder welcke sij resorteeren, neerstelick vermaent worden tot afstant van hare gevoelen, doch sal de voordere procedure tegen haer uijtgestelt worden tot de naeste sijnodum partijcularem om daerover alsdan te disponeren naer behooren.
Maer degene, die uijt eenvoudicheijt, misverstant ofte swackeyt de leere der Gereformeerde kercken aengaende het een ofte ander artyckel der 5 verschillende poincten noch volcomentlijck niet en connen ofte begrypen ofte toestaen, ofte ’t gevoelen der Remonstranten in deselvige stucken volcomentlijck verwerpen, doch haerselven leersaem betoonen ende beginnen haer te laeten onderrichten, blyvende bij tgene sij alreets goet hebben aengenomen ende wenschen noch vorder in de waerheyt toe te nemen, die sal men oock vorder naerstich onderwijsen ende ondertusschen tot de gemeijnschap der kercken toelaten midts dat se sullen beloven haerselven stil te houden ende te willen arbeijden, dat se in de kennisse der waerheijt meer ende meer mogen toenemen ende meteen verclaren de leere der Gereformeerde kercke te houden voor de rechte ende volcomene leere der salicheijt ende des voornemens te zijn door de genade Godts bij deselvige te blijven.«

Vervolgens werd in dit 78ste artikel nog gesproken over den weg, dien men volgen moest met de lidmaten, die ergernis hadden gegeven, met degenen, die belijdenis gedaan hadden bij een remonstrantsch leeraar en bijzonder over de gequalificeerde personen, die van hun leer terugkeerden.

In hoeverre deze regelen in de praktijk zijn toegepast, kon ik niet nagaan. Praktisch vind ik ze wel. Dat echter bij de toepassing veel afhing van de oordeelkundige handelwijze der predikanten en andere kerkeraadsleden, is duidelijk. Al heeft

|265|

bovengenoemd artikel vrij uitvoerig de kenmerken van een »leerlick« lidmaat opgenoemd, bij geestelijke diagnose heeft de praesumptie van den zielzorger steeds invloed op het oordeel; de theologische gestellen waren in die dagen zeer prikkelbaar; de vervolgingen, die de Remonstranten hier en daar hadden te lijden, werkten ook al niet kalmeerend; 1) allicht zijn dus vele lidmaten »hardnekkelijken« bevonden.

Niettemin: de regel was en bleef, dat er bij de vraag, of eenig gevoelen te dragen was, rekening gehouden moest worden met de personen bij wie het »onverstand« gevonden werd. Trigland schrijft in zijn Kerckelycke Geschiedenissen van 1650 in denzelfden trant als in zijn geschriften van voor 1618. In het eerstgenoemde bv. op bl. 259: »Om waarheid en vrede te bewaren is door de Gereformeerde kerken (in de zaak der Hoornsche predikanten) voorsichtelijck geoeffent... de Christelijcke moderatie ende verdraechsaemheydt, bestaende niet in eene Onderlinge duldinghe (als Wtenbogaert deurgaens drijft met het grootste onverstant), maer in de opneminge ende duldinghe der swacken, die hare swackheydt kennende, versoecken gheduldet te worden. Want soodanighe leert ons de Apostel te verdraghen Rom. 14 ende 15, ende geene andere. Neffens welcke opneminghe der swacken staet de christelijcke discipline, te oeffenen teghen de hoogmoedighe ende hartneckighe teghenspreeckers der Godd: Waerheydt: als die niet geduldet, niet opgenomen moghen ofte moeten worden, ghelijck sy oock selfs sulcx niet en begeren ...« Hij kon daarbij wijzen op de tolerantie, waarmee gehandeld is jegens Andries Volckerts uit Valkoog in 1590, en in 1596 jegens Clemens Martenss en Cornelis Meinaerts in Hoorn, terwijl daarentegen Wiggerts met de kerckelijke discipline is getroffen. 2)


1) Cf. Brandt Dl. IV.
2) Dit onderscheid van de behandeling van Wiggerts en van zijne collega’s werd door Wtenbogaert geheel anders gebruikt, nl. om te toonen, dat vóór de remonstrantsche tijden zoo scherp niet werd toegezien en de Contra-remonstranten de verbrekers der eenigheid waren. Wiggerts heet bij hem alleen veroordeeld omdat hij geen gemeenschap wilde houden met de geref. kerken, enz. Cf. Oorspronck ende Voortganck der ... Verschillen fol. 7 d. Acutius quam verius. Wtenbogaert stelt ’t voor alsof W.’s weigering om gemeenschap te houden een heel andere zaak was dan de leer-verschillen. Maar die weigering wierp juist het eigenaardige licht op den aard van zijn leerstellige overtuiging. Trigland’s voorstelling is m.i. dan ook de juiste, die van Wtenbogaert sofistisch.

Schokking, H. (1902) II.19

|266|

 

 

§ 19.
Tucht in engeren zin.

 

Met »tucht in engeren zin« wordt bedoeld de kerkelijke handeling, welke niet voortdurend en ter voorkoming, maar in een bepaald geval ingrijpend, ter herstelling, zoo noodig ter bestraffing, werd aangewend. Het zijn dus meest maatregelen van incidenteelen aard: vermaningen, aanklacht-beoordeeling, schorsing enz.

Gewoonlijk wordt de geheele omvang der kerkelijke »tucht« beperkt tot deze maatregelen; eene misvatting, welke de vorige paragrafen, handelende over zoovele andere, voorkómende middelen der kerkelijke zorg hebben willen wegnemen. Veeleer lag in deze maatregelen het zwaartepunt der kerkelijke tucht en de repressieve discipline was een onmisbaar vervolg, opdat niet te eeniger tijd al het vorige werk vruchteloos wierd.

Uit den aard der zaak valt echter de discipline in dezen engeren zin het meest in ’t oog. Abnormale gevallen maakten gerucht; degenen, die er door getroffen werden, gaven gemeenlijk luide hun ongenoegen te kennen; bovendien was hun naam, eer, stand en bestaan soms er mede gemoeid. Niet alsof de kerkelijke discipline dit bedoelde, integendeel; maar juist bij hen, die oordeelden dat deze tucht buiten de grenzen eener broederlijke gemeenschap lag, had zij soms onbedoeld doch onvermijdelijk deze uitwerking. De bewoordingen, waarin over de kerkelijke tucht gesproken werd, waren derhalve vaak bitter. Hierbij kwam of, wil men: hieruit kwam weer voort, dat de stemming dergenen, die de tucht moesten toepassen, er niet beter op werd, wanneer de betrokken persoon zich niet als een dwalende broeder wilde laten behandelen, maar alle


1) Vgl. Inleiding, bl. 4.

|267|

middelen in het werk stelde om zijn »zaak« te doen zegevieren, ook al kon hij zijn gevoelen niet erkend krijgen. Van weerszijden werd dan menig scherp woord gebezigd. 1) Aldus verscheen de kerkelijke tucht. al meer en meer in een hatelijk licht. Maar deze bijkomstige omstandigheden mogen onzen blik niet afleiden van de hoofdzaak, waarom het bij deze »tucht» ging.

Zij gold als een onmisbaar onderdeel van de geheele zorg en roeping der kerk in zake de belijdenis der waarheid.

Het recht Gods, nl. dat Zijn Woord en niet de dwaling gehuldigd werd, gaf den grondslag ervoor; de geestelijke welstand en de groei der gemeente benevens het behoud harer bekwaamheid om in de wereld een onverzwakt getuigenis te doen hooren, drongen mede tot uitoefening ervan; ten slotte was het naaste doel, den betrokken persoon, immers een broeder en lid van het lichaam, zoo mogelijk te genezen van zijne dwaling.

De tucht heette vaak »remedie«; de excommunicatie »uiterste remedie«. De geneesmeester en zijne terminologie leverden minstens evenveel beeldspraak bij de bespreking van de kerkelijke »tucht« als de omgeving van den rechter.

 

Om de werking van dwalingen tegen te gaan was allereerst noodig nauwkeurige kennis van wat er omging op het kerkelijk erf. En aangezien voorkomen beter is dan genezen, was geregeld toezicht gewenscht.

Dit was de taak der ambten (vgl. Hoofdstuk I) zoowel in iedere particuliere kerk als in die samenkomsten der ambtsdragers welke op het geheele lichaam letten.

De kerkelijke vergaderingen deden onderzoek naar den toestand der kerken en dienaren, meestal door middel van de rondvraag, en het werk der deputaten, meer in ’t bijzonder de visitatoren. Bij bepaald vermoeden van onrechtzinnige leer stonden andere middelen ten dienste. In den gewonen loop van zaken werd vooral de classis de aangewezen vergadering om de tucht in engeren zin uit te oefenen. — Maar ook de breedere


1) Hoe Coolhaes over de predikanten van zijn tijd zich uitliet, zie Rogge, C. Coolhaes I bl. 38. Coornhert’s scherpe pen was beroemd in die dagen. Als er wat tegen de kerkelijken te schrijven was, werd hij daartoe aangezocht. Omgekeerd wisten de kerkelijken ook ongelooflijk krachtige zinswendingen te vinden, als de gemeente gewaarschuwd of de overheid ingelicht werd omtrent de »dwaalgeesten«. Men zie de titels in den Catalogus van Rogge van de pamfletten tijdens de remonstrantsche troebelen.

|268|

vergaderingen zagen hier een deel van hare taak, terwijl de kerkeraad in de eerste plaats recht en roeping had om op dit punt waakzaam te zijn.

Uit den aard der zaak konden de kerkeraadsleden, die den prediker voortdurend hoorden en allerlei berichten omtrent zijne verdere uitingen konden verkrijgen, het best zich vergewissen aangaande de leer, welke door den dienaar des Woords werd verkondigd. De ouderlingen mochten op de catechisatiën verschijnen. En over de »gemeene« lidmaten kon natuurlijk alleen de kerkeraad toezicht houden.

In Noord-Holland’s synode te Alkmaar 1) Maart 1573 is goedgevonden, dat in alle consistoriën werd in gebruik genomen een eigenaardige censuur, zooals die ook voor de classikale vergadering werd voorgesteld. Het was de »form ende maniere van doen..., die in die Engelsche ordonnantie, door salige Ioannem a Lasco ende Martinum Mïcronium gemaect, begrepen is, waervan dit bynaest die bysondere somma is, dat die dienaeren 2) alle gelyck om die dry maenden te samen coemen ende dat die praeses daerin eerstelyck dat gebet met ende by allen doet. Twelck geeyndicht zynde, vermaent hy alle dienaeren ende oyck hemselven haerselven ganselyck van alle verdorven genegentheyden te ontcleeden ende alle vleeschelycken hoochmoet gans af te leggen. Daernae zoo beginnen zy van den praeses aen ende bidden hem, dat hy vuyt die versaemelinge buyten wil gaen. Daer wordt dan een yegelyck (dienaer) bysonder afgevraecht, oft hy oyck eenige beschuldinge tegens den praeses (diewelcke rechtveerdich ende nae Pauli leere in twee ofte dry getuygen haer mondt bestaet) in leere ofte levendt heeft. Dewelcke gehoort zynde, zoe worden zy hem met wysheyt ende godvreesentheyt sonder bitterheyt tot berispinge ende beteringe voorgestelt. Maar zoo daer geene beschuldinge voort wordden gebrocht, soo looft ende danckt men God daervan. Ende ditselfde wort alsdan voorts vervolgende met allen anderen tegenwoerdigen (dienaeren) gedaen.«

Van te voren werd aan de gemeente bekend gemaakt, dat deze disciplina zou worden gehouden: ieder gemeentelid mocht zijn bezwaren inbrengen. Terecht werd niet verzuimd


1) R. & v. V. I, bl. 14.
2) Bij de consistoriën natuurlijk de kerkeraadsleden.

|269|

eenige regelen te stellen, opdat dit gebruik niet worde een »schimpachtich schouwspel der spotteren.«

Gelijk vroeger bij de bespreking der profetie en bij de onderlinge werkzaamheid op de classis, treft ons ook in deze regeling de warmte en ernst dier eerste tijden. Hoe zuiver was hier het gevoel voor de rechte »discipline,« welke werkzaam was ook zonder kwaad vermoeden, en eindigde in een God loven en danken omdat er niets kwaads te bestraffen viel.

Of echter deze Londensche manier gebruikt is, weet ik niet; wel, dat de acta der classis Amsterdam niets vermelden van een afzonderlijke vergadering voor dit doel en van het buitenstaan der leden. Ook in de kerkeraads-protocollen van de gemeente te Amsterdam zag ik niets, wat hierop wijst. Daaruit af te leiden, dat deze Londensche vorm niet gebruikt is, zou voorbarig zijn. De handelingen van den kerkeraad jegens Arminius, toen deze in zijne weekbeurten den Romeinen-brief onrechtzinnig verklaarde, zooals die bv. door Trigland beschreven zijn, worden daar immers ook nauwelijks vermeld. 1) Vermoedelijk echter is eene andere wijze van een censuur gevolgd, maar de hoofdzaak is, dat er toezicht gehouden werd.

De Weselsche artikelen bepaalden niet, hoe de censuur moest gehouden worden, maar wel ».... ut autem hic ordo censurae commodius observetur, putamus fore utile ut in binos vel ut minimum in ternos menses classis cujusque conventus habeatur in quibus de huiusmodi rebus diligens fiat exploratio.« 2)

In Emden is gesteld: »2. Daarna.... zal (de president) elk in ’t bijzonder vragen, of zij Consistoriale samenkomsten in haare Kerken houden? of die Kerkelijke straffe in haaren zwang gaat? of zij eenigen strijd hebben met eenige Ketters? of zij eenigen twijffel hebben in eenig hoofdstuk der Leere?« enz. 3) In de classicale vergadering werd daarnevens telkens een der broeders in zijne predikatie gehoord.

De Dordtsche kerkorde van 1618/19 bepaalde in art. 41: dat de praeses »onder anderen eenen yegelijcken (sal) afvragen


1) Een volledig verhaal van wat er met Arminius in Amsterdam is voorgevallen, staat in Prot. IV, bl. 193-197. Op last van den kerkeraad is dit opgesteld door Hallius, Plancius, Ursinus en Lamerius, op verzoek van Smout, omdat er zoo weinig van te vinden is in de protocollen.
2) Rutgers Acta, bl. 34 vv.
3) Rutgers Acta, bl. 106.

|270|

of sy in hare Kercken, hare Kercken-Raedsvergaderinge houden: Of de Kerckelijcke Discipline geoefifent word.« Verder in art. 81: »De Dienaren des Woords, Ouderlingen ende Diaconen sullen onder hen de Christelijcke Censuere oeffenen, ende malkanderen van de Bedieninge hares Ampts vriendelijck vermanen.«

Evenzoo werd in de particuliere synode van 1583 1) »omgevraecht aengaende die eendrachticheyt der leere ende ordeninge der kercken ende is tegelijcke bevonden, dat geene gemeynten in desen eenige swaericheyt hebben ...« Zulk eene aanteekening is echter eene uitzondering.

Men verwarre deze censura niet met de »censura morum«, gewoonlijk aan het einde der vergadering gehouden. Immers in 1583 wordt deze vermeld nevens de zooeven genoemde. 2) Waarschijnlijk is zij dezelfde, waarvan de Dordtsche K.O. van 1618 in art. 43 spreekt, nl. eene censuur over het gedrag der leden in de vergadering. Bovendien zegt echter dit artikel, dat deze censuur moet nagaan of de vermaningen in minder samenkomsten versmaad waren; het vermoeden is niet ongewettigd, dat nu en dan in deze censura morum de discipline over den geheelen dienst der leeraren werd opgenomen.

Dit is bepaald het geval geweest in Drenthe, maar berichten uit deze provincie mogen slechts onder voorbehoud aanvaard worden als getuigenissen voor gereformeerde usance. In de acta der classis te Anlo, September 1600, staat: 3) »Censura morum is geholden over voornoemde predicanten ende is in hen niet straffelixs bevonden in leer ofte leven.« Aan het eind der vergadering nog eens: 4) «Lestelig iss censura morum aver die brodere dess classis ... geholden worden.«

In elk geval is het gezegde voldoende om te doen zien, dat door een opzettelijke rondvraag de kerkelijke vergaderingen zich vergewisten omtrent de leer, welke in de gemeenten gepredikt werd. Er behoefden geen geruchten te zijn van onzuivere leeringen om tot een onderzoek in deze over te gaan en aldus kon een dwaling reeds in haar aanvang gestuit worden.

 

Ditzelfde denkbeeld lag ten grondslag aan de regeling der


1) R. & v. V., I, bl. 117.
2) R. & v. V., I, bl. 123.
3) R. & v. V., VIII, bl. 10.
4) R. & v. V., VIII, bl. 15.

|271|

kerkvisitatie. In Hoofdstuk I is besproken, hoe de invoering hiervan niet zonder veel tegenstand plaats vond; welke overwegingen over en weer golden, is dáár gezegd. Het resultaat was, dat art. 44 der K.O. van 1618 voorschreef: »Sal oock de classis eenige harer dienaren, ten minste twe van de outste ervarenst ende geschikste authoriseren, om in alle Kercken van de steden soo wel als van het Platteland, alle jaer visitatie te doen, ende toe te sien, oft de Leeraers, Kercken-Raden ende Schoolmeesters haer Ampt trouwelijk waernemen, bij de suyver-heyt der Leere verblijven« enz. Op de vraag, hoe deze kerkvisitatie gehouden werd, wordt ten deele geantwoord door een aantal regels, welke in 1586 schijnen 1) opgesteld te zijn.

Zij zijn onder vier nummers gebracht.

1. De Visitatoren moesten een preek gaan hooren en daarbij letten niet alleen op de »materien derzelven« d.w.z. of zij zuiver van leer en zonder menschelijke verdichtselen was, maar ook op »de maniere van leeren zelve« nl. of de preek-methode »stichtelyck« was en »profytelyk voor den volke.« Ook hadden zij acht erop te geven, of de predikant naarstig was in ’t onderzoeken der H.S., m.a.w. of hij studeerde [bedoeld is wel, dat hiernaar navraag werd gedaan. Men kon ook denken, dat dit uit de preek werd opgemaakt.] Ten slotte of hij in zijn liturgisch optreden de kerkelijke orde volgde.

2. Zij moesten te weten zien te komen, of de predikant zich ijverig betoonde in zijn pastoralen arbeid en in de uitoefening der kerkelijke discipline. Of hij daartoe wel geregeld kerkeraad hield.

3. Verder werd onderzocht naar den wandel der leeraren en den algemeenen uiterlijken welstand der gemeente.

4. Wanneer er werkelijke fouten bevonden werden, moesten de visatatoren door vermaning dit zoeken terecht te brengen en zoo het niet gelukte aan de classis bericht doen. 2)

Veel uitvoeriger dan deze enkele aanwijzingen was een volledige instructie uit Groningen. Zij staat afgedrukt in de Acta van Reitsma en van Veen. 3) »Project van die maniere der kerckelicke visitation, volgende den 40 articul synodi nationalis


1) Rutgers Acta, bl. 506/507.
2) Het oudste visitatie-reglement uit ’t class. archief van Dordrecht wordt vermeld door van Langeraad Th. T. 1901, bl. 146.
3) VII, bl. 62-65.

|272|

Hagae ende der kerckenordeninge etc.« Dit is dus waarschijnlijk te beschouwen als een uitwerking van de zoo even vermelde regelen.

Het aantal artikelen is nu veertien geworden. De hoofdinhoud is deze :

1. Na voorafgaande mededeeling (nogal vriendelijk voor de predikanten, maar of de preek er beter op geworden zal zijn? — en gesteld van ja, of dan de visitatie den werkelijken toestand deed kennen?) gingen de visatoren een prediking hooren. Daaruit namen zij oorzaak »den pastoren yn tghene dat te vörbeteren is, te vermahnen, exhorteren und guden moet te geven, (Dit laatste is recht trouwhartig erbij gevoegd.)
2. Wanneer de visitatoren des Zondags den prediker niet konden hooren, werd voorgesteld de classicale vergadering te beginnen met een preek uit den Heidelbergschen catechismus, niet langer dan een half uur.
Hier blijkt in een sprekend voorbeeld, hoe de overgang tusschen tucht in breederen en in engeren zin soms nauwlijks merkbaar was. Immers de preek kwam ook voor in de classis zónder dat zij in het raam der kerkvisitatie was ingevoegd.
3. Na de preek-censuur werd de geheele kerkeraad ondervraagd (als er nog geen kerkeraad was, kwamen daarvoor eenige van de voornaamste toehoorders als getuigen in de plaats), hoe alle leden zich gedroegen. Het doel mocht daarbij niet wezen elkander te beschamen.
4. Ook de eigen gemeente der visitatoren moesten gevisiteerd worden, waarbij voor den pastor loci een ander optrad.
5. De pastor werd eerst afzonderlijk bij de visitatoren geroepen en hem gevraagd, welke schrijvers hij las. Ook werd met hem van de leer geconfereerd en van hem vernomen, of er ergerlijke dingen in zijn gemeente waren alsmede hoe de ouderlingen en de diakenen zich hielden.
6. Daarna werden de ouderlingen en diakenen afzonderlijk ondervraagd naar de bediening des leeraars.
7. Waar geen kerkeraad was, moesten de visitatoren zich richten tot de vroomste der toehoorders en diende vooral aangedrongen op de vorming van een gemeente. Daartoe had de predikant zich in een naburige plaats ten avondmaal te begeven en omgekeerd moest de pastor van daar met zijn gemeenteleden overkomen naar de eerste plaats om ’t avondmaal te houden en

|273|

eenigen uit het betrokken dorp aldus ook daartoe brengen. Uit deze konden dan ouderlingen en diakenen verkozen worden.
8. De kerkeraad werd gevraagd naar de vruchten van de prediking der zuivere leer en den toestand der gemeente. Ook naar ondergeschikte punten: het ledenboek, het presbyterium-houden, ’t notulenboek, werd onderzoek gedaan. Desgelijks naar »de forma en ceremoniën van prediken, doepe, aventmhael des Heren tho bedenen, disciplinam to exerceren, und den echtenstandt tho solenniseren«, over ’t gebruiken van den catechismus, een huishoudelijk reglement en ten slotte, of er strijd was met »Wederdoopers, Papisten e.a.« als mede hoe zich de toehoorders gedroegen.
9. Zij onderzochten ook, hoe het met de kerkvoogdij stond.
10. Met de scholen.
11. De visitatoren moesten alles aanteekenen; wat zij konden, verbeteren enz..
12. Hunne »actie« zou met gebed begonnen en met dankzegging voleindigd worden.
13. Onnoodige uitgaven van lang tafelen der kerkvoogden hadden zij tegen te gaan.
14. Naar de onordelijkheden der Wederdoopers zouden zij navraag doen, om voor de remonstrantiën bij de overheid gronden te hebben.

Reeds in 1608 1) moest opnieuw aangedrongen worden op goede regeling van de visitatie. Ook nu werd een instructie ontworpen, waarvan de inhoud echter voor ons doel niets nieuws leert.

Eenigermate nauwkeurig te onderzoeken wat de visitatie aan het licht heeft gebracht en hoe de uitwerking ervan is geweest, moet hier achterwege blijven. Noodzakelijk bleek zij echter wel. 2) Anders hadden reeds de kosten de invoering tegengehouden; immers meer dan eens (bv. in Groningen, waarvan zoo even werd gesproken) kwam de vraag ter synode, wie de lasten dragen moest. Doch, hetzij de provinciale kas of een kerkelijke omslag hierin voorzag, de visitatie is allerwege


1) R. & v. V., VII, bl. 144.
2) In 1586 werd zij voor alle classen toegelaten als ’t noodig was, art. 40, (Rutgers Acta bl. 496). Maar tevens werd een brief aan alle classen geschreven om die te vermanen, de visitatie toch in te voeren (t.a.p. bl. 621).

|274|

gekomen en gebleven. Er was blijkbaar alom genoeg voor haar te doen, al geven de acta den indruk, dat zij op leerstellig gebied niet veel heeft tot stand gebracht. En wie zal zeggen, hoeveel goeds ook hierin door de »conferentiën« verricht, en hoeveel kwaads door de pogingen om de opkomende kwesties door betere onderrichting terstond uit den weg te ruimen voorkomen is. 1)

 

Grooter werd de waakzaamheid, als er een bepaald vermoeden bestond dat iemand dwalingen koesterde, of wanneer er »nieuwigheden« in de lucht zaten, zooals na 1600.

Vóór alle dingen was het ook daarbij noodig, dat de kerkelijke vergaderingen nauwkeurig op de hoogte kwamen van de afwijking. Daartoe werd getracht eene onbewimpelde verklaring van den persoon in kwestie te verkrijgen, vooral wanneer schriftelijke getuigenissen, uit boeken, ontbraken. Een niet ongewoon middel was het opleggen van eene propositie, welke soms beter dan een onderzoek door vragen en antwoorden, waarbij ontwijkende antwoorden of kwalijk gestelde vragen de ware meening verborgen konden laten blijven, gelegenheid gaf om te hooren, welke gevoelens de betrokken persoon was toegedaan.

In de particuliere synode, te ’s Gravenhage in 1591 gehouden is aan meer dan éen persoon opgelegd een propositie te houden. O.a. aan Petrus Wassius, toen predikant te Homade.

Deze stond onder de beschuldiging van dronkenschap en vergrijp tegen de kerkelijke orde, maar ook dat hij ongegrond was in de leer.

Om een en ander oordeelde de synode het goed hem te vermanen en ook een preek te laten houden, waarover het volgende is opgeteekend: 2) ... »dat hij met meerder reverentie, ordre ende applicatie Gods woordt behoorde te verhandelen ende niet soo vermetelick te zijn bij hemselven om perfunctorie alleen wat te seggen.« Over de andere punten werd hij bestraft, maar omdat hij ernstig beterschap beloofde, werd zijne


1) Eene eigenaardige »generale visitatie« is ten jare 1602 in Drenthe gehouden op last van den stadhouder van Groningen; eene radicale ordening was daar blijkbaar zeer noodig. [R. & v. V., VIII, bl 38 vv.] Ook in 1608 had eene dergelijke visitatie plaats. [R.& v. V.. VIII. bl. 76 vv.]
2) R. & v. V., II, bl. 390.

|275|

schorsing voorloopig nog uitgesteld. Daar hij een brief had beschreven om nadrukkelijk te betuigen, dat »men op hem gheen achterdencken en wilde hebben, alsof hij niet gesont en was in der leere,« wat hij afleidde uit de hem opgelegde preek, »soo heeft de synodus verclaert, dat sij niet van onsuijverheyt maer van ongegrontheijt in der leere van hem verstaen hadde ende dat hem daeromme ten antwoorde sal geschreven werden, dat hij neerstelick behoore te studeeren ende nae te comen tghene hem opgeleijdt is.«

Dat de kerkelijke vergadering zich zocht te vergewissen omtrent de gevoelens der leeraren, behoefde niet als een beleediging beschouwd te worden. Het was een uitbreiding van wat bij ’t onderteekenen werd verondersteld. Zoo sprak ten minste de synode van 1605 in Zuid-Holland 1) evenals die van 1581 over dit ondervragen van een leeraar, die van onrechtzinnigheid verdacht werd, in verband met het artikel in de kerkorde omtrent de onderteekening. Zij herhaalde hetgeen in April 1581 was bepaald. Wat betreft art. 1 cap. 4 Dordtsche K.O. van 78 »sal datselve articule nyet alleen om de eenicheyt der leer, maer oyck om de gesuntheyt derselve te betuijgen int werck gestelt worden, daert noch nyet geschiet soude mogen syn. Ende soe tot eeniger tyt een de minste suspicie over eenen dienaer viele in eenich stuck van der leere, is des synode ernstelicke vermaninge, dat de classe met sulcken dienaer in heur vergaderinge van de stucken der leer sal handelen, opdat sy versekeringe hebbe van sulcken dienaer. Ende een dienaer, die in der leer reyn is, en sal geen swaricheyt hierinne maecken ende een, die swaricheyt mochte hebben, kan doir dit middel uut onverstandt geholpen worden.« 2)

Dezelfde gedachtengang werd ook in den Noord-Hollandschen kring gevolgd, blijkens een vraag in 1606 aan de classen gezonden, waarop in het volgende jaar deze resolutie werd vastgesteld:

Predicanten, die van onsuyverheyt der leere gesuspecteert worden.. — Op de vrage, off een predicant, die van onsuyverheyt in de leere gesuspecteert wort, niet en sal gehouden syn, van de classe gevraecht synde, hem te verclaren, welcke volgende


1) R. & v. V., III, bl. 234 vv.
2) R. & v. V., II, bl. 197.

|276|

het besluyt, in den 15en artyc. des voorgehouden synodi begrepen, tot de classen was gerefereert ende in dese E. vergaderynge antwoorde most ingebracht worden, antwoorden de dassen, dat soodanich dienaer in aller discretie ende goeder voorsichheyt sal ondervraecht ende hij gehouden syn in aller oprechticheyt te antwoorden ende hem te verclaren. 1)

De woorden, »in aller discretie ende goeder voorsichheyt« waren in de vraag niet gesteld en zijn dus zeker een toevoegsel naar aanleiding van opmerkingen uit de classen. Blijkbaar werd gevoeld, dat er misbruik kon gemaakt worden van zoodanige bepaling. Indien al de kerkelijke personen zelve daarvoor soms geen oog hadden gehad, stemmen van buiten af riepen luide genoeg eene afkeuring uit over die ondervraging.

De kerk liet zich daardoor niet van haar stuk brengen en hield vol, dat zij ’t recht had omtrent de leer harer eigen dienaars zich te vergewissen, al toonde zij zich niet doof voor de vermaningen door de toepassing ervan ietwat te beperken. Den tegenstanders mocht geen wapen in de handen worden gegeven, geen middel om hunne beschuldigingen ook maar met één voorbeeld te kunnen ondersteunen. Want dit onderzoeken werd niet minder dan eene vernieuwing der Spaansche inquisitie gescholden.

Zulk een woord sloeg in. Overdrijving schaadt, maar bij het groote publiek en bij de door ijverzucht verblinde magistraten kon zulk een gepeperde en hatelijke uitdrukking goeden dienst doen om het streven der kerkelijke vergaderingen verdacht te maken.

Het liet zich gebruiken tegenover alle gezag. Coornhert brandmerkte er den magistraat van Delft mee, toen deze het raadzaam oordeelde, dat hij zich aldaar niet metterwoon vestigde 2). De magistraat van Leiden vond het een fierklinkende leuze tegenover Danaeus, die eenige studenten verdedigd had, welke bij den kerkeraad hadden geklaagd over Coolhaas en van Brakel. De magistraat verzoekt den rector en curatoren der hoogeschool hierop te letten, maar Danaeus liet uitkomen, dat de kerk op haar terrein gezag had. 3) Het antwoord van het stadhuis was, dat


1) R. & v. V., I, bl. 403.
2) Vgl. Moorrees, Coornhert bl. 119. Zoo had ook Daniël Snecanus het bij de hand, in 1618, R. & v. V., VI, bl. 271.
3) Rogge Coolhaes I, bl. 207. In 1582 had Danaeus een boekje uitgegeven »Antwoort Lanberti Danaei op drie voorghestelde vragen, nopende het ampt der overheijt in de regeeringhe der kercken.

|277|

zij met evenveel kracht zich zou verzetten tegen een invoering der inquisitie van Geneve als vroeger tegen die van Spanje. 1)

Men voelt, waar het in deze om ging. Dat de ondervraging op eene gereformeerde kerkelijke vergadering wel ietwat verschilde van de pijnbank der Spaansche inquisitie, behoeft nauwelijks vermeld te worden, maar bovendien lag tusschen beider beschouwing van de gewetensvrijheid een principieel verschil. Doch die gewetensvrijheid kon niet gelden als grond om alle kerkelijk gezag ten slotte machteloos te maken, zelfs binnen het eigen terrein der kerk.

 

Waar de gereformeerde kerk dier dagen aldus haar bevoegdheid handhaafde om, met alle voorzichtigheid en niet willekeurig, maar toch onbelemmerd op haar dienaren en leden toezicht te houden en zich te vergewissen omtrent de leeringen welke in haar midden werden verkondigd en zich gerechtigd achtte reeds bij suspicie van onzuiverheid voorbehoedend op te treden, daar is het niet vreemd, dat bepaalde klachten omtrent een leeraar aan een volledig onderzoek werden onderworpen. Bleek de klacht niet zonder grond, dan had de kerkelijke vergadering daarover als overeen regelmatige aanklacht te oordeelen. Doch evenzoo kan het geen bevreemding wekken, dat de oppositie tegen het kerkelijke gezag in dit stadium zich nog krachtiger weerde.

De behandeling der aanklachten is meestal tot langdurige en breede geschillen geworden. De kerkgeschiedenis heeft, naar den uiterlijken gang van zaken inde jaren 1580-1600, een vrij breede plaats te gunnen aan de kwesties-Coolhaes, -Wiggerts en -Herberts. Daarna kwam Arminius. In de handboeken van Vos en van Reitsma staat de loop dezer geschillen beschreven. Rogge heeft in zijn Caspar Janszoon Coolhaes niet alleen de biografie van deze, maar ook het voornaamste omtrent Herberts en Wiggerts gegeven. Voor bijzonderheden en een algemeen


1) Wie kaatsen wil, moet den bal verwachten. Diezelfde magistraat van Leiden moest van den Lutherschen predikant Muykens het verwijt hooren. »dat hij niet uit het pausdom getreden was. om hier een nieuw pausdom en andere inquisitie te vinden.« Cf. Dozy. in de Hand. van de Maatschappij van Letterkunde 1896, bl. 24. Dozy zegt dan ook, dat het den magistraat alleen te doen was om zijn oppermacht tegenover de kerk te laten gelden — een macht (dit zij er tegenover den toon in Dozy’s artikel bijgevoegd) die niet onbeperkt was.

|278|

overzicht verwijs ik dus naar deze werken, terwijl ook der Remonstranten acta, facta et fata als bekend worden verondersteld. Het is mij slechts te doen om het inzicht in de gedachten, die in deze gebeurtenissen haar worsteling vertoonden, en de lijnen, welke de gereformeerde kerk in hare zorg voor de belijdenis meende te moeten volgen.

Wij bevinden ons nu niet meer op het gebied der kerkelijke voorzorgsmaatregelen, maar staan voor het ingrijpen der kerkelijke tucht door officiëele rechtspraak.

Ook de terminologie drukte dit uit, welke vaak overeenkwam met die der burgerlijke rechtspraak. Of dit geheel goed te keuren viel, is m.i. aan twijfel onderhevig. Maar dit nu daargelaten, het gebruik dier strafrechterlijke termen toonde, dat de gereformeerde opvatting van kerkelijke gemeenschap ook wettelijke en juridische verhoudingen, bevoegdheden en vormen kende. En dit in naam van den aard, de zelfstandigheid en de vrijheid der kerk. De tegenstand, aan den naam van Erastus verbonden, deed zich echter ook in ons land gevoelen. De Remonstranten weigerden de Dordtsche synode als rechter te erkennen, haar »partij« noemende: wat scheen mede te brengen, dat alleen een buiten-kerkelijk persoon zou kunnen oordeelen. De Gereformeerden lieten niet na op deze consequentie te wijzen en hielden staande, dat het feit, dat een gemeentelid de kerkelijke vergadering als rechter over zijn gevoelen erkende, niets aan de broederlijke verhouding veranderde, evenmin als op burgerlijk terrein een (eventueel onschuldig) beklaagde zijn burgerlijke rechten daarmede reeds verloren heeft.

Houdt men het onderscheid tusschen het stadium der voorzorgsmaatregelen en dat der ingrijpende tucht in het oog, dan kan nu verder het licht vallen op de omstandigheid, dat in de behandeling eener aanklacht zoo veel mogelijk de broederlijke verhouding moest aan den dag komen. Al was er principieel onderscheid tusschen eene kerkelijke vergadering in conferentie en eene, die recht sprak, ook dan ontbraken broederlijke conferenties niet. 1)

Reeds een enkele blik over een der kwesties geeft terstond den indruk, dat er verbazend lang en breedvoerig geconfereerd


1) Cf. Acta Dordr. Sessie 22, bl. 65: van der Tuuk Bogerman bl. 189, Trigland K.G. bl. 306, 224, 227 vlgg.

|279|

werd, eer de zaak tot eenige beslissing kwam. In zooverre als belemmeringen van buitenaf daartoe meewerkten, was dit niet normaal, maar het confereeren op zichzelf was een onmisbaar bestanddeel in de behandeling van kerkelijke geschillen. Het was noodig, zoowel om tot een helder inzicht te komen aangaande de gevoelens, alsook om zoo mogelijk dengene, die begon af te wijken, tot overeenstemming te brengen. Deze conferenties waren aan de eene zijde broederlijke samensprekingen; maar aan den anderen kant kwam er in uit, dat de kerk oordeelend naar een gevoelen onderzocht.

Opzettelijk spreek ik van twee zijden aan dit confereeren. Er zou aanleiding bestaan om twee soorten van conferenties te onderscheiden: broederlijke, particuliere en kerkrechtelijke, officiëele. Maar de officiëele bedoelden ook juist broederlijk te zijn. 1) Het naaste doel bleef, den dwalende te overtuigen. Zelfs wanneer eene kerkelijke bestraffing werd opgelegd wegens gegeven ergernis, zocht men toch tevoren in de vergadering de broederlijke gemeenschap te herstellen met »handtastinge.«

De Remonstranten wilden onderscheid maken tusschen als broeders te confereeren èn door een rechter geoordeeld te worden. Zóó gesteld, hielden de Gereformeerden vol: de kerkelijke vergadering is niet uwe »partij«, maar uw rechter. Doch zij aanvaardden dit dilemma niet. Ook waar het recht der kerk om te oordeelen erkend moest worden, bleef de conferentie als tusschen broeders bestaan ; de personen bleven gelijkwaardig, het ging over meeningen. Zoo is bv. bij Wiggerts meer dan eens de voortgang der zaak afgebroken door nog eens opnieuw eene deputatie (dus officiëele personen) te zenden, om te confereeren. 2)

Een sterksprekend voorbeeld is in 1619 te vinden in de scherpzinnig gestelde vraag van Johannes Martini Florkens van Midwout, toen hij geciteerd was op de Noord-Hollandsche


1) Trigland K.G. bl. 300. tegenover Arminius’ bezwaar, dat hij zich reum bekende, als hij ging confereeren.
2) Cf. Rogge, Caspar Coolhaes, dl. II. Een goed voorbeeld van het gewone verloop eener tuchtzaak is die der Hoornsche predikanten Wallesius, Arnoldi en Welsingius. De verschillende momenten komen daarin voor en alles op betrekkelijk kleine schaal. De acta der part. synode van 1618 geven vrij uitvoerige aanteekeningen. R. & v. V., II, vooral bl. 55-59.

|280|

synode te Edam en hem verzocht werd, de acte te teekenen. 1) Hij vroeg: »Moet ik dit doen als Remonstrant of als Contraremonstrant?« Werd hij als Contra-remonstrant beschouwd, dan was het z.i. vroeg genoeg, als hij tegelijk met de anderen onderteekende in de classe en geschiedde het als Remonstrant, dan was daarmede over hem een oordeel uitgesproken, eer hij gehoord was. Hier was iets van waar. Hij was niet eerst op de classis ondervraagd; de classis werd dan ook berispt, maar zijn alternatief toch afgewezen. Dit is karakteristiek; immers het gevoelen der Remonstranten was toen reeds veroordeeld en hij moest dus óf als een broeder-Contraremonstrant óf, wegens zijn remonstrantsche gezindheid, niet langer als broeder beschouwd worden. De synode antwoordde echter eenvoudig, dat hij »soude mogen teekenen zonder aansien van Remonstrant oft Contra-remonstrant, maer alleen om met zijne onderteyckenynge wech te nemen de suspitien, die hy ... gegeven hadde.«

Maar, gelijk gezegd is, de afwijkende broeders meenden gewoonlijk hunne zaak sterker te maken door zich »partij« te stellen. Typisch hiervoor is de handelwijze van Arminius in Leiden ten jare 1605. Op 26 Juli besloot de kerkeraad, omdat Arminius lidmaat der kerk te Leiden was, dat de professoren in de theologie, de regent van het staten-collegie en de predikanten »met malkanderen, in tegenwoordicheyt des kercken-raets, een broederlijke, ronde ende vruntlijcke conferentie« zouden houden. 2) Bleek dat geschil niet van gewicht, dan kon de gemeente gerustgesteld worden. Bleek echter het tegenovergestelde (»twelck men verhoopt niet te sullen wesen«) dan kon er orde op gesteld worden, opdat de gemeente geen schade leed of gescheurd werd. Arminius weigerde, omdat de magistraat en de curatoren dit eerst moesten goedkeuren en weinig nut uit deze conferentie was te voorzien. Ook scheen het hem, alsof de predikanten hier tegenover de professoren »partij« werden


1) R. & v. V., II, bl. 78—80.
2) Bij ’t opmaken van den staat des geschils in 1618 in Gelderland [R. & v. V.. IV] bleven de Contra-remonstranten altoos van »broeders« spreken. Eigenaardig is het ook, dat Maccovius, die toch ook niet veel goeds te wachten had van de personen in de synode, zich terstond aan de synode onderwierp. Hij voelde gereformeerd en hij had een gerust geweten, in zooverre zijn leer niet onrechtzinnig was. [Cf. A. Kuyper Jr. Maccovius, bl. 100] Wat onderwerpen aan het oordeel der synode« beteekende, cf. R. & v. V., III, bl. 295, 8 Oct. 1618.

|281|

gesteld. Wel was »hy bereyt in ’t particulier te confereren met een yeghelijcken, daertoe versocht zijnde.« 1) Arminius wist bij ondervinding, dat een kerkeraad, als het erop gezet was, zoo gemakkelijk niet was. In Amsterdam waren er verscheidene weken disputaties geweest, eer hij tot den gewonen dienst des Woords was toegelaten, 2) al kon hij, lettende op zijn attestatie naar Leiden, over den kerkeraad aldaar niet klagen. Doch Arminius bedoelde niet alleen het gezag van den plaatselijken kerkeraad, maar alle kerkelijke autoriteit te wraken. Wel is waar, zeide hij vaak »te behoorelijker plaatse« zijn bezwaren en meeningen te willen uitspreken, maar welke die plaats was, zeide hij niet. Dezelfde bewering heeft meermalen moeten dienst doen wanneer de remonstrantschgezinden weigerden in de dassen hunne bezwaren bekend te maken. »Dat moest in eene generale synode geschieden!« Maar inmiddels werden allerlei middelen bedacht om die tegen te houden. En toen de Staten van Holland, tegen alle recht en gebruik in, de kerkelijke gravamina zich wilden toegezonden hebben, waren de lijsten spoedig gereed, terwijl ze, toen de nationale synode bijeenkomen zou, in de bureaux van Oldenbarneveld nergens meer te vinden waren. 3)

Arminius weigerde ook eene conferentie met de gedeputeerden der synode. Den 30sten Juli vervoegden zij zich te zijnen huize. Er waren geruchten; zij konden ze wel niet gelooven, maar de zore was hun toevertrouwd en daarom scheen het beste »selfs broederlyck met hem te sprecken.« Arminius antwoordde eenvoudig, dat ook hij ervan gehoord had, maar geene aanleiding ertoe had gegeven. Doch als de deputati synodi aanhielden en man en paard noemden, werd het bescheid: »Dat hij met hen gedeputeerden als gedeputeerden in geene conferentie begeerde te treden.« Toch schijnt 4) hij zich over vele punten tegenover hen uitgelaten te hebben en in zooverre was de arbeid toch niet te vergeefs.

Maar de eigenlijke vraag, waarop het verder aankwam, was, of nevens het nut, dat geschillen konden worden weggenomen, blijken zou, dat de kerk gezag had om kennis te nemen en te


1) Trigland, K.G., bl. 298.
2) 4 Februari 1588. Protocol I, 370—371. MS. D. Cf. het volledig verhaal van wat in Amsterdam met Arminius is voorgevallen, staand in Prot. IV, fol. 193-197.
3) R. & v. V., III, bl. 299 vlgg. H.H. Kuyper, P.-A. bl. 318.
4) Cf. Trigland K.G. bl. 299, 300.

|282|

oordeelen. 1) Dat bepaalde voornamelijk het karakter dezer conferenties. 2)

 

In ’t algemeen kan gezegd worden, dat bij de kwesties over de leer te dier tijde drie lijnen telkens elkander kruisten, nl. de lijn van
het eigenlijke dogmatische verschil;
een vergrijp tegen en de handhaving der kerkelijke orde;
invloeden van buiten.
Dit maakte den toestand verward, het verloop langdurig, en gaf dikwijls aanleiding tot groote beroeringen.

Karakteristiek was in dit opzicht de zaak van Coolhaes. In 1581 was na vele besprekingen overeenstemming verkregen in zake de leer, maar dit aanvankelijke resultaat ging weer te loor toen de kerkrechtelijke geschillen aan de orde kwamen. Later bleek, dat ook de leerstellige eendracht niet op gezonden grondslag rustte, en het einde is geworden, dat Coolhaes buiten de kerkelijke gemeenschap werd gesloten. 3)

De groote beroeringen, door de leerstellige geschillen verwekt, kregen door de botsing van tegengestelde beginselen op staatkundig terrein, welke met die op kerkelijk terrein evenwijdig liepen, groei en kracht. Het ingrijpen niet het minst 4) van de Staten van Holland in de zuiver kerkelijke aangelegenheden was niet meer te scheiden, werd nauwelijks onderscheiden van de heterodoxe leeringen, want de aanhangers hiervan maakten maar al te gaarne van dien machtigen steun gebruik.

Hierdoor is menig leeraar, door de kerkelijke vergaderingen reeds ongeschikt verklaard om langer predikant te zijn, in de uitoefening van zijn ambt gehandhaafd; kreeg hij aldus gelegenheid, een kring rondom zich te verzamelen, waardoor behalve leer en kerkgezag ook de eenheid der gemeente in gevaar kwam.


1) Cf. ook bij T. Sybrandt. [R. & v. V.. I, bl. 203]
2) Dezer; een derde soort conferenties laat ik rusten, nl. zulke, waarin kerkelijke personen over de leer handelden onder voorzitting van de overheid, bv. die met Coornhert en die van 14 Mei 1008 en 1609 met Arminius. Daar nam Gomarus deze houding aan, dat hij aanvankelijk weigerde beschuldigingen tegen Arminius’ leer uit te spreken, omdat hij alleen eene kerkelijke vergadering bevoegd hield, om in vierschaar te zitten over leergeschillen.
3) Rogge C. C. I, bl. 196 en vlgg.
4) Niet het minst, maar ook dii minores lieten hierin zich gaarne gelden. Zoo zelfs
dat eenigszins in algemeene bewoordingen ofliciëeel geklaagd werd over politieke bemoeizucht. R. &v. V., II, bl. 194.

|283|

Des te ijveriger waren de kerkelijken in de weer, om hoe moeielijk de taak ook was, het recht der kerk niet uit handen te geven. Vandaar meermalen een vasthouden aan kleinigheden, uitvloeisel van beginselvastheid, maar voor den oppervlakkigen toeschouwer den schijn dragende van kleinzieligheid of heersch-zucht.

Gemeenlijk gelukte het ten slotte, de vrijheid en het gezag der kerk, zij het ook niet ongeschonden, te behouden.

 

De kerkelijke vergadering, tot oordeelen over de leden der kerk en hunne leeringen bevoegd, moest ieder gevoelen, ’twelk onder beschuldiging van onrechtzinnigheid voor haar gebracht was, toetsen aan de Heilige Schrift, die bij de vraag naar waarheid of leugen de eenige regel van beoordeeling was.

Wtenbogaert beklaagde zich erover, dat met den naam »Pelagianisme« der Remonstranten gevoelen werd afgemaakt, beriep zich op de eigen confessie der gereformeerde kerken: »ende ware derhalven billijck, dat uyt de gheseyde H. Schrift alleen geoordeelt wiert wat in desen waer of logen is«. Trigland antwoordde daarop, dat dit door de Gereformeerden erkend werd en betracht is. Hij verwees naar den eed, welke in de Dordtsche synode is afgelegd en naar den vorm, waarin de canones zijn opgesteld, punt na punt voorzien met bewijzen uit de H.S. 1)

De H. Schrift gaf het principale bewijs. Maar daarom zong men nog niet mee in het koor der bestrijders van een ondergeschikt, afgeleid gezag der formulieren, evenmin als elk beroep op de oudheid zonder meer verworpen werd. De confessie had in art. VII de »oudheid« als toetssteen der waarheid verworpen, vooral tegen de roomsche opvatting, maar enkele artikelen verder (over de Drieëenheid, art. IX) werd, nadat het principale bewijs uit de Schrift geleverd was, uitgesproken, dat de symbola der Apostelen, van Nicea en van Athanasius en hetgeen daarvan door de Ouden in gelijkvormigheid met dien besloten is, gaarne worden aangenomen.

Bij de behandeling der geschillen zochten dan ook de Remonstranten zoo wel als de Contra-remonstranten 2) gaarne


1) Zie Wtenbogaert, K.H. bl. 7, Trigland, K.G. bl. 7.
2) Wtenbogaert in zijn K.H. begint op bl. 7 een reeks citaten te verzamelen uit Melanchthon, Calvijn, de Centuriones, Beza, Scultetus; ook uit Vossius. Trigland ➝

|284|

getuigenissen voor hun gevoelen in de werken dergenen, die in de kerk met eere bekend waren.

Uit den aard der zaak begon gewoonlijk de aangeklaagde hiermede. De autoriteit van mannen als Bullinger, Melanchthon, Augustinus, e.a. was geen verwerpelijk schild. De organische opvatting der kerk was bij de Gereformeerden geliefd; zulke argumenten konden in elk geval niet met éen woord terzijde gesteld worden.

Toen de bejaarde, maar blijkbaar nog vurige Arnoldus Oosterharen in 1619 voor de executoire synode te Leiden verscheen en zich »heeft... willen behelpen met de schriften D. Henrici Bullingeri« is hem niet geantwoord, dat dit niet ter zake diende, maar »dat in synodo nationali uyt de eygen handt Bullingeri ghebleecken was, dat hij in desen het gevoelen Hieronimi Sanchii heeft geapprobeert, ende daeromme de Remonstranten haer te vergeefs met Bullingero soecken te behelpen.« De voorbeelden zouden te vermeerderen zijn.1)

Doch het getuigenis der Ouden had geen beslissende kracht. Kort maar duidelijk zegt Trigland in zijn K.G. (blz. 7): Het principale argument (tegen) de Remonstranten is hun ongelijkvormigheid met Gods woord. Het argument, dat zij met de Pelagianen overeenstemmen, is accessoir.

 

Accessoir, het kon dus geheel en al wegblijven. Het beroep op de H. Schrift was niet alleen het principale bewijs, maar ook het voldingende. Derhalve werd ook het rechtstreeksch beroep op de H.S. gehandhaafd. Gezaghebbende verklaringen waren niet noodig; de H. Schrift was perspicua. In iedere instantie stond, wat het geschil over de leer betrof, de bewijsvoering uit de Heilige Schrift vrij, zonder dat de uitlegging door eene kerkelijke vergadering gegeven, eenigszins praejudiciëerde.

In het geschrift, door Arminius overgegeven aan de Staten van Holland en na zijn dood gedrukt, gaf hij als een der redenen,


➝ tracht al de genoemde auteurs en nog meerdere als voorstanders van ’t c.-r. gevoelen te laten getuigen.
1) Vgl. over 't getuigenis van Anastasius een debat tusschen Wtenbogaert »Noodig antwoordt», dl. II, bl. 39-44 en Trigland, Klaer ende grondich teghen-vertoogh, bl. 27. Cf. ook Wtenbogaert, K.H. bl. 144 vlgg. Rogge, Wtenbogaert, I. bl. 18. Melanchthon werd door Joh. Arnoldi Rodingenus van Hoorn geciteerd. R. & v. V, II, bl. 57, 76.

|285|

waarom hij in 1607 aan de gedeputeerden der synode van Zuid-Holland zijn gevoelen niet ronduit had willen bekend maken, ook dit op : dat zijn beste argumenten toch niets zouden gebaat hebben, omdat zij aan het oordeel hunner lastgevers, d.i. de synode, gebonden waren. 1) Trigland vond natuurlijk in zulk een zin spoedig drie, vier naden, waar de wig zijner dialektiek in kon. Maar slechts op een zijner stellingen zij thans de opmerkzaamheid gevestigd: »Alsser al een Synodael oordeel ware ghestreecken gheweest over ’t gevoelen Arminii, (als neen) soo en waren doch de Gedeputeerde niet verder daer aen ghebonden dan voor soo veel het met Godes Woort over een komt.« M.a.w. een vorig besluit had geen kracht op ’t punt van waarheid of leugen, dan door en in zooverre er overeenkomst met Gods Woord bestond. Trigland was geen formulieren-knecht. 2)

 

Er werd blijkbaar ernst gemaakt met de kerkelijke beoordeeling der geschillen naar dezen zuiveren maatstaf.

Breed waren de theses en antitheses, op de provinciale synoden vóór de Dordtsche vergadering opgesteld. 3)

Waarvan men de kerkelijken ook in de behandeling der vroegere geschillen moge kunnen beschuldigen, van luchtig er over heen loopen niet.

Trouwens, de beschuldigden gaven gemeenlijk niet spoedig den strijd op. Behalve de gloed der overtuiging, die meestal aan weerszijden gevonden werd, werkte hiertoe mede, dat van de slagvaardigheid tegenover de kerkelijke vergadering dikwerf de bescherming van den magistraat afhing. Zochten de kerkelijken soms daarom een overtreding der kerkorde, die immers door de overheid zou gesteund worden, op den voorgrond te brengen? Reeds te voren werd dit vermoeden uitgesproken. Maar ook wanneer dit toegegeven zou moeten worden, toch werd de leerstellige zijde niet verwaarloosd. 4)


1) Cf. Wtenbogaert, K.H., bl. 446 vlgg. Trigland, K.G., bl. 318 e.o.
2) Een geheel andere kwestie was het echter, of zonder wettige reden de welbezonnen aanvaarde symbola als onbetrouwbaar beschouwd mochten worden. Dit laatste wilden de Remonstranten altoos (cf. § 15. De Revisie) maar volgde geenszins uit het bovengezegde contra-remonstrantsche beginsel.
3) R. & v. V., II, bl. 47-52, enz.
4) Vgl. de Hoornsche tuchtzaak. Behalve ’t leergeschil worden 5 nieuwe beschuldigingen ingebracht, R. & v V., II, bl. 58.

|286|

Als indirect, maar sterk sprekend bewijs hiervoor kan gelden, dat Dr. H.C. Rogge in zijn Caspar J. Coolhaes, ook handelende over Herberts, Sybrants en Wiggertsz, maar van deze drie slechts de karakteristieke hoofdlijnen, die hun plaats in het geschiedkundig tafereel bepalen, aangevende, zich beperkt heeft tot de mededeeling van den hoofdinhoud hunner werken, nevens berichten over de twistgesprekken in en buiten de kerkelijke vergadering gehouden. Uitvoerig, te uitvoerig om ze hier nog eens af te drukken, waren hunne confessies en het toont ons, hoe ook bij deze nog op zich zelf staande gevallen de geschilpunten reeds diep doorgedacht werden en het oordeel niet lichtvaardig werd opgemaakt.

Dit mocht ook niet. »Beroep op de H. Schrift« moest geen frase worden. Tegenwerpingen, uit de H. Schrift opgemaakt, dienden weerlegd. De Gereformeerden verwierpen elk ander gezag ter beslissing in geloofszaken dan dat van God in Zijn Woord, en maakten zich sterk op alle punten der leer afdoende bewijs uit haar te kunnen verkrijgen.

Dit ernst maken met het beroep op de Schrift kwam ook in allerlei andere trekken uit. De eerste vraag op kerkelijk terrein was: hebt ge ’t met de Schrift in ’t reine? Ik zeg niet, dat dit altoos het geval is geweest, maar wel, dat, formeel genomen, de overtuiging leefde: als de Schrift uitspraak gedaan heeft, is het uit. En dit in leerstellige aangelegenheden evenzeer als bij de kerkelijke orde en zede. De consideraties voor een casus matrimonialis werden allereerst in de Schrift gezocht. 1) Bij ’t afgeven eener attestatie werd »de reyne leere I Tim. 5: 19« vermeld. 2) Provinciale-synoden-besluiten waren soms voorzien van de toelichting, dat de leere des O. en N. Verbonds en het apostolische voorbeeld is gevolgd.

»Naar den regel van Matth. XVIII« moest de geheele actie in zake de bestraffende tucht »beleid« worden. De vermaning in ’t particulier mocht dus niet worden overgeslagen, 3) ja de


1) Cf. R. & v. V., VI, bl. 42. Is oeck besloten, dat men sal begrueten den professoren, specialiter tot deesen saecken beroepen, dat sy met Sibrando Vomelio sullen concipiëren eenighe reden wth Godes woerdt, waeromme het Heroni Frisio is geoerloeft hem tot den echtelycken staedt te begewen, ende dat men (die) den Heeren van den Hoewe sal ten handen stellen, ten eynde de heeren vorss. moegen sien, dat het voergaende besluijdt des synodi Gods woerdt gelyckformich is.
2) R. & v. V., V, bl. 95.
3) R. & v. V., V. bl. 29.

|287|

kerkorde van 1591 in Zeeland bepaalde daarom zelfs, dat »de kerckenraet en sal niet lichtelick de dachten tegens eenige personen, door onsekere geruchten tot haerder kennisse komende, aennemen, al waerent oock personen, die daer seyden, datser afwisten, maer men sal hen vragen, of sij omtrent haeren christelicken broeder het officie van particuliere vermaningen gedaen hebben ende dat in haere volle leden. Seggende daerop: neen; men sal se over sodanich onbehoorlick aengeven berispen...«

In den twist tusschen Van Haemstede en zijn kerkeraad in Antwerpen had deze vurige prediker zich beroepen op verschillende teksten en de kerkeraad schreef aan Emden’s opzieners een brief om te vragen, of hij die niet verkeerd uitlegde. 1) Bij de uitgaven van den catechismus liet men bijbelteksten drukken en ook de Dordsche canones even als vroegere declaraties, kregen de teksten der H. Schrift bij zich. 2) Als principale vraag werd aan Coolhaes omtrent de K.O. van 1578 gesteld: of hij deze artikelen in strijd met Gods Woord achtte. 3) Of er altoos juist geciteerd werd en recht geëxegetiseerd is, doet niet ter zake: er werd geëxegetiseerd, en in het vertrouwen dat de zin der Schrift gevonden worden kon, ter wille van de overtuiging, dat het niet om een woord maar om de waarheid des H. Geestes ging. Ook make men zich geen al te gering denkbeeld van de exegetische nauwkeurigheid. »Verkeerde allegaties der H. Schriftuere« werden snel gesignaleerd, »boese applicatie« kon er zelfs niet door, terwijl »misduydinge der texten« uitteraard het hoofdpunt in de polemiek werd.

Reeds de kleinere vergaderingen begonnen met deze toetsing aan de heilige Schrift, maar de eigenlijke beslissing van een geschil behoorde in de generale synode tehuis. 4). Zoo liep


1) W. d. M. V. S III, 2, 1, bk. 60.
2) Hieruit leide men niet af, dat de Schrift slechts als voorraadschuur van loca probantia werd beschouwd. Der Gereformeerden Schrift-beschouwing was van anderen, organischen aard. De confessie was geen repetitio textuum, maar scripturae, maar de schriftuurlijke gedachte werd in enkele der aanwijzingen (teksten) blootgelegd.
3) Rogge C. C. I, bl. 118.
4) Typisch daarvoor is deze zin uit de acta van Hoorn 1618 R. & v. V., II, bl. 55:
In zake Joh. Wallesius en Jon. Arnoldi is »gheoordeelt, dat men in die artyckelen, die met de vijf Remonstrantsche gheen ghemeynschap hebben, haer sal aenwysen dat ze teeghen Godts woort hebben gheleert, maer sooveel die artyckelen aengaet, die met de leere der Remonstranten accordeeren, sal men hem soecken te onderrechten en soo sy gheen onderwysinghe toe en laten, sal de decisie daervan tot den synodum nationalem werden gherefereert.

|288|

de leerkwestie langs de verschillende stations der vier vergaderingen. Wie met het oordeel eener mindere vergadering niet voldaan was, kon appèl inbrengen op een breedere en, gelijk gezien is, met een rechtstreeksch beroep op het Woord Gods zonder aanmerking van de gegeven uitspraak.

Soms werd het advies van de doctoren in de godgeleerdheid ingeroepen ... »Men sal naerstelick ondertasten, hoeverre hij in der leere van de predestinatie met de Ghereformeerde kercke ghevoelt ende hoeverre hij daerinne verdraghen heeft begheeren te worden. Ende hiertoe sal men D. Adr. Saraviam, alsmede professorem ende leraer der theologie, versoecken om ’t voorsz. te doen ter presentie van eenighe, van den sijnodo daertoe te deputeren. 1) Den volgenden dag kwam het rapport in.

Bij sommige gelegenheden werd de correspondentie met buitenlandsche gereformeerde kerken en de hulp van academiën in den vreemde gebruikt om met beter kennis van zaken en tot behoud der volle eenigheid in de zuivere leer de beslissing te nemen. Vooral de Dordtsche synode van 1618-1619 is hierdoor van groote beteekenis geworden. Zij is eenigszins het »concilie der Gereformeerde wereldkerk geweest,« waarop de remonstrantsche stellingen zoo grondig zijn onderzocht, dat na dien tijd weinig nieuwe gezichtspunten hierover zijn geopend. Hoe consciëntieus daar gewerkt is, toonen nog altoos de breede adviezen, 288 folio’s van de uitheemsche theologen, 380 van de Nederlandsche kerken. Thetisch en anti-thetisch, in exegetische verklaringen en weerleggingen zijn daarin alle beweringen en teksten, die in debat waren gekomen, uitgeplozen. 2)

Toen de remonstrantsche geciteerden niet meer in de vergadering mochten verschijnen, werd hun gevoelen uit hunne geschriften opgemaakt. 3) In de 61ste Sessie is uitvoerig besproken, hoe nu die beoordeeling geschieden zou. 4)

Ieder college moest des voormiddags zijn onderzoek ernstig aanvatten en des namiddags zou zoo mogelijk een openbare vergadering gehouden worden, waarin de voornaamste argumenten der Remonstranten, voornamelijk uit de Schrift genomen, en ook de antwoorden op de redenen van ’t »contrarie gevoelen«,


1) R. & v. V., II, bl. 255, in de zaak van Hortensius. Cf. ook R & v. V.. VI. 41.
2) Men denke ook aan den brief van D. Molinaeus uit Parijs Acta bl. 331-345.
3) Acta Dordr. Sessie 57 en 58. bl. 236.
4) Ibid. Bl. 237.

|289|

voornamelijk uit de H. Schrift genomen, voorgesteld en onderzocht werden. De doctoren en professoren hadden daarbij den voorrang. Insgelijks mochten allerlei vragen om nadere inlichtingen gesteld worden. Wanneer op die wijze over elk artikel het oordeel was opgemaakt, zou het schriftelijk, met de redenen erbij gevoegd, aan den praeses ter hand gesteld worden.

Met nadruk werd gewezen op de tegenwoordigheid van een groot aantal hoorders in de openbare vergaderingen. Juist daarom stelde Bogerman die middagvergaderingen voor. Het werk der synode kon het daglicht verdragen; ieder mocht oordeelen, welk gevoelen met de Schrift overeenkwam, dat der Remonstranten of dat der Contra-remonstranten.

Bij de besprekingen met Herberts enz. waren de aangeklaagden zelve tegenwoordig. Hun is wel de vraag gesteld, of zij met confessie of catechismus instemden, maar dit had geen betrekking op de juistheid hunner gevoelens, maar hield verband met hun kerkelijke positie.

Ook in het verdedigen der afwijkende meening stond het rechtstreeksch beroep op de H.S. vrij. De gecommitteerden der Staten-Generaal gaven den Remonstranten uitdrukkelijk de vrijheid om, mits op behoorlijke wijze, hetgeen zij verwierpen in de leer der kerk te bestrijden. 1)

 

De afloop der leertuchtkwesties is te verschillend geweest dan dat hiervan twee rubrieken in den trant van »vrijspraak« en »veroordeeling« zouden kunnen gemaakt worden.

Soms bleek de aanklacht ongegrond of althans veel te ver gedreven.

In 1598 kwam door eene nadere bespreking aan den dag, dat de beschuldiging tegen Andree Volckersz van Valcoog, alsof hij verschilde met de geref. kerk in de leer der praedestinatie, tweeërlei roeping en zekerheid der zaligheid, ongegrond was en er alleen aanleiding bestond om hem te raden, voorzichtig te zijn in zijn gedragingen. De classis van Alkmaar moest dan ook den klager vermanen, zich stil te houden. 2)

Hoe weinig bleef er over van de breede reeks der kettersche stellingen, die Lubbertus aan Maccovius te laste legde.


1) Acta Dordr. bl. 231.
2) R. & v. V., I. bl. 156.

|290|

In de particuliere synode te ’s-Gravenhage 1583 is de twist tusschen de toenmalige ’s-Gravenhaagsche predikanten bijgelegd. Ofschoon eerst de overtuiging bestond, dat Hieronymus Hortensius wel de meeste schuld zou hebben door zijn onzuivere leer, 1) werd echter op zijn nadrukkelijke betuiging, dat hij nooit van de belijdenis der gemeene kerken in Nederland was afgeweken, aan Prof, Saravia en anderen opgedragen, met hem te confereeren. Het rapport luidde gunstig genoeg. Hij was bevonden »suijver ende oprecht in de leere van den vrijen wille, rechtvaerdichmakinghe, heijlichmaeckinghe ende onderhoudinghe der wet; dat hij oock bevonden is wel te staen in de leere van de predestinatie der heijlighen, hoe dat deselve van alle eeuwicheijt is gheschiedt... doch dat hij de leere der eeuwigher reprobatie, ghelijck se van den kercken deses landts ghevoelt werdt, niet can verstaen nochte ghelooven of predicken, datt Godt ijemandt tot de eeuwighe verdoemenisse verordent hadde etc, begheerende dat men hem hierinne verdraghen soude, ’t welcke alsoo ghedaen is.« 2) — Het was 1583.

Toch vinden wij nog in 1608 een tamelijk sterk voorbeeld, hoe »ketterjagerij« geen eigen plant van den bodem der broederlijke tucht was. Poppius, alumnus van Amsterdam, was beroepen naar Gouda. Plancius bracht evenwel bezwaren tegen zijn leer in toen de attestatie werd opgevraagd. Eerst na eenige maanden kwam het zoover, dat Plancius zijne beschuldigingen zou waar maken, en de door hem gewraakte stellingen op schrift stelde. Poppius weigerde echter die als de zijne, als door hem gekoesterde gevoelens te onderteekenen en gaf over de genoemde punten zijn eigen verklaringen. Daar Plancius te bed lag, ging een commissie met dit manuscript naar zijn woning, maar Poppius had niet met een half oor naar de beschuldigingen van Plancius geluisterd, zoodat deze in de nu opgemaakte declaratie slechts bij een tweetal artikelen een bedenkelijke uitdrukking bespeurde. Poppius toonde zich bereid, die naar zijn opmerkingen te wijzigen: Plancius was schaakmat gezet. De classis beloofde nu een goede attestatie, maar gaf den Amsterdamschen alumnus tevens den raad mede om zich toch in alle voorzichtigheid te gedragen. Doch daarna kreeg Plancius een krasse vermaning om zich in ’t


1) R. & v. V., II. bl. 251.
2) Ibid. bl. 257.

|291|

vervolg voorzichtiger te gedragen en niet zulke ongefundeerde aanklachten in te brengen, waar de geheele classis niet minder dan hij zelf voor de leer wilde waken. Dit zal voor den ouden kampioen der waarheid een hard gelag geweest zijn, maar, zooals ’t onder broederen paste, hij nam de vermaning aan, hoewel onder aanteekening van appèl op de synode, wat de zaak zelve betrof. De geschiedenis heeft echter, eer de synode bijeen kwam, reeds uitgewezen, dat Plancius den jongen Poppius doorgrond had. Trouwens, een beroep uit Gouda moest in 1608 de rechtzinnigheid van den beroepene wel in verdenking brengen. Des te sprekender bewijst de houding van den Amsterdamschen kerkeraad in dezen, dat men niet wenschte het scherpe wapen der aanklacht lichtvaardig ontbloot te zien.

Dit schijnt dan ook, meer in ’t algemeen gesproken, niet gebeurd te zijn. Ten minste de meeste aanklachten, die mij bekend zijn, bleken niet ongegrond.

De afloop werd in dit geval ongeveer geheel bepaald door de houding der gedaagden.

Sommigen lieten zich beter onderrichten, anderen bleven op hun gevoelen staan. Dit maakte groot verschil. Want hiernaar werd niet slechts de staat van den betrokken persoon beoordeeld, maar ook ten deele de vraag beantwoord (die overigens op zich zelf overwogen moest worden), hoe de eventueel gegeven ergernis kon worden weggenomen.

Wat in vorige bladzijden vermeld is over het onderscheid tusschen dwaling en ketterij, tusschen dwalende broeders en obstinaete valsche leeraars, over het onderscheid van plaats en tijd, worde thans niet herhaald, wèl herinnerd. De kerkelijke terminologie nam langzamerhand nauwkeuriger bepalingen in gebruik: ongezond nevens ongegrond, hardnekkelijk of»leerlick«, »slecht« dan wel onzuiver, »nog niet« of ook »ter contrarien verstaen«, enz.

Doch dit alles moet ons niet uit het oog doen verliezen, dat een verkeerd gevoelen beslist en onbewimpeld veroordeeld moest worden. Wat met de personen, die het hadden voorgestaan, diende te geschieden was een tweede kwestie.

Elke ietwat breedere leertuchtkwestie kwam derhalve vroeg of laat in dit stadium, dat de betrokken persoon, soms door onderteekening, moest laten blijken met het, immers recht bevonden, gevoelen der kerk in overeenstemming te zijn.

|292|

Zonder dezen grondslag van eenparigheid in overtuiging waren zuivere verhoudingen onmogelijk. Daarom moest zulk eene onderteekening ook van harte geschieden. Aan Joannes Martini Florkens, predikant te Midwoud »den 31 Augusti cles namiddaechs ingeroepen ende zynde hem voorgelesen het synodale formulier van onderteeckenynge, in synodo nationali voor de predicanten gestelt, is gevraecht, of hy geresolveert was dezelve acte te onderteeckenen, ende oock of hy met goeder conscientie zonder hemzelven gewelt te doen zulcx wel zoude konnen doen ende beloven hem daernae int leeren te dragen.« 1)

Izaak Johannis wilde in 1619 onderschrijven »met hert ende hand.« Dit gaf aan de vergadering blijkbaar genoeg reden om allerlei andere punten te zijnen laste komende over het hoofd te zien, ofschoon de Geldersche synode toen in het algemeen had uitgesproken, dat het onderteekenen der canones zonder meer niet voldoende was tot volledige rehabilitatie. 2)

Onvastheid in het fundament wreekte zich toch vroeg of laat. Men denke aan Coolhaes. Op de synode te Middelburg in 1581 heeft hij de confessie aanvaard en is toch veroordeeld geworden. Hij had nl. eerst eenige theses onderteekend; toen later bij het onderzoek zijner boeken contrariëerende gevoelens daaruit voorgelezen werden, weigerde hij die terug te nemen. Hoe was dit te rijmen met zijne onderteekening? Rogge zegt, dat hij die gedaan had om de kerkelijken tevreden te stellen. Als dat het geval is geweest, ligt hierin de grondfout open. Het was niet om vrede zonder waarheid te doen. Coolhaes moge hierin ter goeder trouw gehandeld te hebben, hij heeft dan echter spoedig kunnen leeren wat hij van te voren had kunnen weten, dat geen subjectieve toegeeflijkheid, maar materiëele eenparigheid van overtuiging door de kerkelijken als basis voor de gemeentelijke samenleving werd begeerd. Hij kwam nu in een zeer pijnlijke positie, want ’t had den schijn alsof hij onderteekend had wat hij niet meende en dit te meer, omdat (iets waarop Rogge niet voldoende het licht laat vallen, zoodat eenigszins de indruk ontstaat alsof men Coolhaes in een strik had laten loopen, wat toch niet het geval is geweest) omdat bij de bewuste onderteekening der theses Coolhaes er bij had willen


1) R. & v. V., II, bl. 78.
2) R. & v. V., IV, bl. 320, 331; Brandt IV, bl. 7.

|293|

voegen, dat hij altoos zoo en niet anders geleerd en geschreven had en toen reeds hem tegengeworpen was, dat er in zijne boeken wel degelijk andere leeringen stonden. Daarna had hij zich laten vinden voor de aanvaarding van de volgende verklaring: Ik, Caspar Coolhaes, betuig, dat ik de leer, in deze theses begrepen, voor goed houd en de contrarie-leer verwerp, en dat ik de waarachtige leer met Gods hulp altijd leeren zal. Ook onderteekende hij de confessie, nadat een verklaring over enkele artikelen hem gegeven en de Fransche tekst hem getoond was. Dit alles was reeds achter den rug, toen in een verder stadium van het geding de contraire, door hem zelf verworpen leeringen hem uit zijne boeken voorgesteld werden en hij weigerde, ze terug te nemen. Met zulk een houding kon de synode geen genoegen nemen; het was wel hard voor Coolhaes zijn eigen gebouw te moeten afbreken, maar ja en neen, vooral in zake de leer, toe te laten zou een al te onveilig huis opleveren. En misschien zou een der synode-leden als hij deze woorden lezen kon, er bij voegen: den leugen terug te nemen, is geen harde, maar een verheuglijke zaak.

Om zuivere verhoudingen te krijgen en alle dubbelzinnigheid te vermijden werd nevens het positief beledene gewoonlijk de verwerping van het tegenovergestelde gevoelen vermeld. Dat scheen noodig, aangezien het om fundamenteele stukken ging, niet om de wijze van voorstellen of andere deelen, die onder de vrijheid van profetie vielen.

Bij de verzoening van Herberts is dit echter niet doorgezet. Eene particuliere »Bekentenis« van hem werd in 1594 op de particuliere synode te ’s-Gravenhage als overeenkomstig met de heilige Schrift goedgekeurd, doch toen bij elk artikel van deze belijdenis een artikel condemnatoir van het tegenovergestelde gevoegd zou worden, wisten de Staten dit te verhinderen. Want Herberts »zou zich nooit tot eene veroordeeling van het gevoelen van andersdenkenden laten vinden.« 1)

Wel hebben toen de kerkelijken den schijn gered, doordat in de acte der verzoening staat opgenomen, dat Herberts gehouden werd de gereformeerde leer onderschreven en wat daarmede streed verworpen te hebben — en als getuigenis hoezeer de kerk op haar recht bleef staan, ook waar zij uit


1) Rogge, Coolhaes II, bl. 166.

|294|

tolerantie of door overmacht gedwongen toegaf om grooter kwaad te voorkomen, heeft deze zinsnede hare waarde — maar de verdere geschiedenis van Herberts’ groep zal de lust in dergelijke kunstgrepen niet vermeerderd hebben. Tenminste Reitsma verklaart van hem en zijn zoon: »door hun invloed en woord bleef Gouda een stad, die in den kerkelijken strijd het langst de spits geboden heeft.«

Bij ondergeschikte punten was geen transactie noodig, maar stond de weg van dulden, welomschreven punten tijdelijk toelaten, open. Vgl. § 18, Tolerantie. De zooeven genoemde Hieronymus Hortensius uit den Haag, die in de leer der uitverkiezing enz., naar Saravia’s oordeel zuiver stond, kon zich met de leer der reprobatie niet vereenigen. Hij verzocht daarin geduld te worden en zelfs op dit punt is tolerantie gebruikt. Doch dezen weg wilden de meesten niet op. 1)

Van remonstrantsche zijde is integendeel meermalen verklaard, dat zij de kerkelijke belijdenis in deze, als een goddelooze leer, wilden bestrijden. Natuurlijk was toen van »dulden« geen sprake meer. Veeleer gaf dit mede aanleiding, dat de canones opgesteld werden, om een onklare voorstelling zooals b.v. bij een Hieronymus bestond, weg te nemen.

De crisis in het onderzoek der waarheid is door de remonstrantsche twisten gekomen; de gereformeerde kerk was zich daardoor duidelijker dan te voren bewust geworden van wat zij geloofde en naar de Schrift beleed.

Zoo waren ook vroeger reeds in kleineren kring nadere verklaringen opgesteld. 2)


1) Bovendien droeg ’t slechts een tijdelijk karakter. In 1580 werd juist om dit verzoek over Hieronymus eenig vermoeden van onzuivere leer uitgesproken. R. & v. V., II, bl. 272. En in 1591 heeft hij zonder reserve verklaard, het met de leer der ger. kerk eens te zijn. Hij stond toen trouwens op het punt van geschorst te worden om redenen van dronkenschap, enz. R. & v. V., II, bl. 396.
2) Grootendeels om geschillen tot een eind te brengen.
Bv. Hieronymus Hortensius, R. & v. V., II, bl. 257.
Coolhaes, Rogge, C. C. I bl. 194 vlgg.
Herberts, » » II, bl. 165.
Wiggerts, R. v. V, I, bl. 167/168.
In Drenthe 17 artikelen nevens confessie. R. & v. V., VIII, 169 vlgg.
De canones waren echter een positieve uitspraak van de zijde der kerk en zij alleen zijn algemeen formulier van eenigheid geworden. Formeel werd een eigen, particuliere confessie werd niet toegelaten, want de kerk had haar eenmaal aanvaarde belijdenis, waarbij zij volhardde, totdat zij uit Gods woord van dwaling overtuigd worden zou.

|295|

Op deze wijze zocht de kerkelijke tucht haar naaste doel te bereiken, de handhaving der beleden waarheid door en naar het getuigenis der Heilige Schrift.

 

Op dien basis kon de verwezenlijking van hetgeen verder in de tucht beoogd werd, verwacht en gezocht worden, nl. de bewaring of het herstel der eendracht in de gemeente en de terechtbrenging van hem, die het dwaalbegrip had gekoesterd.

Dit laatste was gemakkelijk genoeg, wanneer het onderzoek en de samensprekingen hem van zijn ongelijk hadden overtuigd.

Deze uitslag is meer dan eens verkregen. Bv. in 1595 met den ouden Gaspar van Bigaerden, die twist met de synode van Zuid-Holland had en bovendien eigenaardige gevoelens koesterde omtrent de wet Gods en de leer der predikanten over haar. Maar ook in 1619.

Rutgerus a Riemen, die in de classicale vergadering zijn onderteekening had uitgesteld, bracht in de synode te Nijmegen 1) (Augustus 1619) als bedenking in: in sommighe pointen sijn verstant te hooge beswaert te sijn. Edoch na gedane bericht op sijn gemoveerde questien, verklaert daerin met goet contentement te acquiesceren, neempt nochtans sijn beraet tot op morghen, op welcken dach hij voorsz. Canones n: synodi onderschreven heeft.«

Bij anderen ging het niet zoo vlot, o.a. in Overijssel met Martinus van Rouveen. 2) Hij was blijkbaar een heftig man, die in de remonstrantsche woelingen zich danig geweerd en kras uitgelaten had. Hij erkende, van de leer der Contraremonstranten aangaande de praedestinatie gezegd te hebben, »dattet is een verfoijelyke ende grouwelijke leere, ende verclaert, dat hij die alsnoch daervoor houde, totdat hij beter onderricht werde.« Ook op andere wijze had hij door »verdraaiing hunner woorden de goede leeraars belasterd«. Men begrijpt, dat de synode van oordeel was, dat deze prediker zich zelf genoegzaam voor afgescheiden had verklaard. Toch begon men te spreken. Deputati zeiden, te hopen, »dat hy hem int stuck van de leere soude onderwijsen laten«; het antwoord was: »hij conde daerin niet onderrichtet worden«. Doch zoo spoedig gaf men 't niet op.


1) R. & v. V., IV, bl. 321.
2) R. & v. V., V, bl. 324, 325.

|296|

»Den gantschen dach besigh met hem geweest zynde met vermanen, bidden ende smeken, zijn op de duisteren avondt onvruchtbaer gescheijden.« De nacht bracht raad. Den 11den Oct. heeft Martinus de voorwaarden der deputati synodi aangenomen.

Over het terugkeeren van sommige Remonstranten is bv. door Brandt en Rettsma vrij smadelijk gesproken. Het zal ook wel niet bij allen ware omkeer van overtuiging geweest zijn, maar de verklaringen, door die mannen onderteekend, geven toch, zou ik meenen, eenigen grond om te vermoeden, dat de verandering dier »renegaten« niet als huichelarij gebrandmerkt of alleen uit de vrees voor honger verklaard mag worden. Ik kan ’t mij zeer goed begrijpen, wanneer misschien meer dan éen door het beloop der zaak in de Dordtsche synode, door de argumentatie aldaar gegeven en door de houding der geciteerden ontnuchterd is geworden en tot bezinning kwam. Er was zóó lasterlijk van ’t gereformeerde gevoelen gesproken, er was zóó hoog opgegeven van de gruwelen der confessie en catechismus, dat allicht deze en gene onbezonnen in dit koor was gaan medezingen. De eenparigheid van het oordeel aller in- en uitheemsche theologen moet indruk gemaakt hebben, en dat de voormannen der Remonstranten tot verdediging hunner zaak de bekende futiliteiten aanwendden, kan den ijver van wie geen volslagen partijgangers waren allicht een weinig hebben bekoeld. Ook is er geen reden om de overredingskracht der executoire vergaderingen tegenover niet in hun ziel overtuigde Remonstranten als onbeteekenend voor te stellen.

 

Was het gelukt, den dwalenden broeder van zijn ongelijk te overtuigen, dan begon de actie der verzoening.

Eerst kwam de vermaning of »censure« in de vergadering, waarbij gewoonlijk een goede waarschuwing voor 't vervolg niet ontbrak. Was er ergernis gegeven, dan moest hierover ook schuld beleden worden, soms in het openbaar.

Maar de actie eindigde dan ook met verzoening, waarvan de »handtastinge« met den praeses de bezegeling was. »Ende alsoo«, lezen wij meermalen in notulen van dergelijke vergaderingen, »zijn de broeders in liefde ende vrede gescheiden.«

Over de openbare schuldbelijdenis een enkel woord meer.

Soms had de afwijkende broeder ook ergernis gegeven en hier en daar was de gemeente aldus in twee partijen verdeeld

|297|

geraakt. Den leeraar dan weer voort te laten gaan met preeken, alsof niets was gebeurd, scheen ongewenscht. 1) De gemeente diende in kennis gesteld te worden met wat er in de vergadering geschied was en te hooren, hoe haar leeraar thans niet meer in zijn vorig verkeerd gevoelen stond, maar zijn afwijking ineezien had en betreurde. Vandaar de schuldbekentenis, soms mondeling door den leeraar zelf uitgesproken, 2) gewoonlijk uit zijn naam afgelezen. 3) Daarna was hij leeraar als te voren en zijn dienst ging geregeld voort.

De twist in den Haag van 1583 is geëindigd met »eene Christelicke reconciliatie .... van beijden partijen met een ernstighe vermaninghe, dat se aen beiden zijden den vrede onderhouden ... willen,« nadat eerst, »alsoo beijde de dienaers der ghemeente van den Haghe ... van weghen harer manieren [tegen Hortensius waren ook vermoedens in zake de leer gerezen, maar dat was uit den weg geruimd] in de vergaderinghe vermaent ende ghecensureert souden werden, ... goetghevonden [was], om de ghemeente te contenteren, dat men achter de aflesinghe der voorsz. bekentenisse [welke wel over de leerstellige punten zal geloopen hebben] den volcke sal voordraghen, soo de dienaers deser ghemeente ijemandt met woorden ofte wereken verarghert mochten hebben, dat sij begheeren dat haer tselve vergheven werde, twelcke Ieronijmo ende I. Pietersz. voorghehouden zijnde, zij daerinne bewillicht hebben.« 4)

Deze gewoonte van openbare schuldbekentenis stelt een factor in het licht, welke niet aan de aandacht ontgaan mag.


1) Heel duidelijk stelde het advertissement van de classis den Briel aan den magistraat van Leiden in ’t licht dat een leeraar geen nut kon doen als hij het vertrouwen zijner kudde miste. R. & v. V., II, bl. 189.
2) R. & v. V., V., bl. 326. Martinus van Rouveen.
3) R. & v. V., II., bl. 178.
4) R. & v. V., V, bl. 261. Het schijnt, dat zulke openlijke schuldbekentenissen aan het prestige geen afbreuk deden. Wel een bewijs van gezonde beschouwingen omtrent mensch, ambt en kerk. Ook van andere zonden werd openlijk schuldbekentenis gedaan. Maar: hierover valt weinig in ’t algemeen te zeggen. Het argumentum e silentio uit geschreven stukken is hierbij al zeer onbetrouwbaar.
Uit wat R. &  v. V., II, bl. 200 staat, kan echter wel opgemaakt worden, dat Hieronymus niet terstond bereid was om de schuldbekentenis te doen.
»Is Jeronymo voorghehouden de forme der bekentenisse, die van den predickstoel afghelesen soude worden ende na langhe handelinghe met hem, heeft eyndelick met rijpe deliberatie deselve aenghenomen enz.

|298|

De personen, op wie de kerkelijke tucht in engeren zin moest toepast worden, worden vaak geplaatst en stelden zich zelf gaarne in den gulden schijn van martelaars voor hun overtuiging te zijn, voorvechters der vrijheid van spreken en denken, koninklijke geesten, die zich niet onder een juk wilden buigen. Doch daarbij wordt over ’t hoofd gezien, dat deze personen in het midden der gereformeerde kerk leefden, vrijwillig zich aan haar als ambtsdragers hadden verbonden en uit haar naam optraden. In die positie begonnen zij de belijdenis hunner eigen kerk aan te vallen.

De Remonstranten hebben dikwijls genoeg gezegd, dat zij met hun gevoelen als echt gereformeerde leeraars wilden aangemerkt worden. Wat in 1618 door een hunner werd uitgesproken, nl. dat zij als sekte begeerde erkend te worden, gelijk ook de Lutherschen en Doopsgezinden, was te voren steeds door hen geweigerd.

Vrijwillig hadden zij beloofd de leer der gereformeerde kerk te verkondigen. Hun eigenmachtig optreden met een andere leer was dus in zeker opzicht trouwbreuk. Waarom volgden zij niet den weg van gravamina in te zenden? Wanneer iemand een verkeerd gravamen had gezonden, behoefde hij geen schuldbelijdenis te doen. Maar tegen ’t gegeven woord in en zonder de broeders te raadplegen, op eigen autoriteit, in de gemeente te leeren wat zij verwierpen, was een zedelijk vergrijp.

De tegenwerping: dat zij in hunne conscientie gevoelden alzoo te moeten leeren, is reeds vroeger beantwoord. Van gewetensdwang was geen sprake 1) en kon geen sprake wezen, zoolang de kerkelijke vergaderingen de heilige Schrift als rechter over de gevoelens erkenden en eerbiedigden. Ook de dwaling uit overtuiging bleef voor de gereformeerden een inbreuk op Gods recht en waarheid.

Kon iemand het met zijn geweten niet overeen brengen, instemming te betuigen met de belijdenis en leer der gereformeerde kerk, dat bleef voor zijne rekening, maar dan kon deze het niet met haar geweten overeen brengen, zulk een als haren leeraar te erkennen.


1) Cf. de verklaring der gedeputeerden, die met Coolhaes moesten handelen: dat ze hem niet tot schuldbekentenis begeerden te persuadeeren over hetgeen hij zeide niet goed te kunnen verstaan of waarvan hij in zijn geweten niet genoeg »bericht« was. Trigland K.G. bl. 186.

|299|

Schorsing in den dienst werd dan niet voldoende geacht, maar ontzetting uit den dienst moest volgen. 1) In 1619 is dit met velen geschied. Van opschorten was toen nauwelijks sprake. 2) In den gewonen gang van zaken kwam het echter niet zoo spoedig tot afzetting en ook in dat tijdperk van afzettingen bij tientallen werd moeite aangewend om tot dien maatregel niet behoeven over te gaan. 3) Ook vergete men niet, dat door uitdrukkelijk bevel de mindere vergaderingen vóór den afloop der Dordtsche synode geen leeraar wegens instemming met de vijf artikelen hadden mogen lastig vallen. Zoo kromp de geheele actie, die anders van den kerkeraad af via classis en provinciale samenkomst ter synode nationaal liep, in tot een enkel kort oogenblik in de executoire provinciale synode, waar het formulier van onderteekening den als remonstrantsch bekend staanden predikanten werd voorgelegd, behalve dat zij eerst nog in de classis waren geroepen. 4)

Over de twee honderd verloren hun ambt, van wie ongeveer tachtig een banvonnis kregen, nl. een politiek. Bijna zeventig teekenden terstond de acte van stilstand. 5) Dit was insgelijks een politiek stuk, waarin de remonstrantsche leeraars, die de canones niet konden aanvaarden, beloofden niet te zullen prediken,


1) Zie de vrij uitvoerige beschrijving in de Zeeuwsche K.O. van 1591. R. & v. V., V. bl. 26, 27, 28.
2) Vgl. wat uit Gelderland is gemeld en de zeer lankmoedige besprekingen met Meylingius van Ruurlo, R. & v. V., V, bl. 327. Ook VI, bl. 277. Nog R. & v. V., IV, bl. 322. Ds. Engelbertus Aegidii met Ds. Thomas van Oosterbeek wilde zich wel houden aan den eersten canon art. 15 affirmatief. Verder difiiculteerde hij en ondanks vele hartelijke noodingen om toch te zeggen in welke punten hij bezwaar zag, bleef hij bij zijn 15e artikel affirmatief. Toen werd de suspensie over hem uitgesproken. Zie ook in ’t algemeen Brandt, IV, bl. 1-26.
3) Rodingenus uit Hoorn begeerde eerst een half jaar bedenktijd, maar erkende toch, dat de synode, zooals de zaken nu stonden, wel niet anders kon doen dan hem afzetten. R. & v. V., Il, bl. 75.
4) Een afzonderlijke beschrijving van de verschillende proceduren in 1619 zou òf oppervlakkig en niets beteekenend òf breedvoerig en dan een boekdeel op zich zelf worden. De Acta van R. & v. V. geven de ofiiciëele bronnen der eindhandeling. Reitsma (Geschiedenis bl. 230) vat het verloop aldus samen: Door de kerkelijken werd over het algemeen in alle gewesten deze regel gevolgd: de deputaten der provinciale synoden riepen de classes bijeen, waar aan alle aanwezigen het formulier van onvoorwaardelijke instemming met de Dordtsche canones werd voorgelegd. Zij, die weigerden ze te onderteekenen werden dan onmiddellijk geschorst ... Daarna werden de synoden samengeroepen, waar de deputaten verslag van hun bevinding deden en de geschorste Remonstranten die bleven volharden, hun eind vonnis kregen.
6) Reitsma, Geschiedenis bl. 231.

|300|

maar als particulier burger te willen leven. Deze bleven ook in de kerkelijke gemeenschap, hoewel de toegang tot het avondmaal niet terstond vrijgelaten werd.

Keerde iemand nu van zijn gevoelen terug, dan kon hem allicht de toegang tot den kansel weer geopend worden, maar eene schuldbekenning tegenover de kerk en tegenover God diende vooraf te gaan. Ook tegenover God.

Immers in de dwaling, vooral in de stoutelijk uitgesproken dwaling en ketterij, werd een vergrijp tegen de majesteit des des Heeren erkend.

De leer der praedestinatie bv. is dikwijls onvoorzichtiglijk belast met scherpe verwijten, die wel is waar bedoeld waren tegen wat men zich als der Contra-remonstranten gevoelen voorstelde, maar niettemin als godslasterlijk werden bestraft; bv. een uitroep als deze: »dat God wel wat zeide, dat Hij niet meent«; Isacus Johannis van Lienden werd daarover streng berispt, hij had zich »zwaerlijk besondigd hierin tegen God.« 1)

 

Ook zonder bepaalde lastering was het verkondigen der valsche leer zondig. In éen volzin werd in de kerkordeningen gehandeld over dwalingen in de leer en vergrijpen tegen de heiligheid van zeden. De onderscheiding van heimelijke en openbare zonden ging bij doctrina evengoed op als bij vita. Vgl. slechts de Emdensche artikelen. 2)


1) R. & v. V., IV, bl. 309.
2) Rutgers Acta, bl. 68 vlgg.
26. Siue autem quis in doctrinae puritate errauerit, siue in morum sanctitate peccauerit, si id occultum est, et a scandalo publico remotum, observabitur regula, quam diserte praescribit Christus Matth. 18.
27. Peccata igitur occulta, quorum peccatorem privatim, vel ab vno vel duobus, tribusve testibus adhibitis, admonitum poenituerit, non sunt ad Consistorium deferenda, occulta tamen, vel Reipublicae vel Ecclesiae grauem perniciem adferentia, vt sunt proditiones, vel animarum seductiones, ministro significabuntur, vt ex eius consilio, quid in ea re agendum sit, dispiciatur.
28. Siquis in occultis duas tresue admonitiones non audierit, aut publicum peccatum perpetrauerit, ad Consistorium deferetur.
29. Peccatorum natura sua publicorum, aut propter contemtum admonitionum Ecclesiae publicatorum, publica fiet reconciliatio, non ex vnius aut alterius, sed totius Consistorii arbitrio, eoque modo et forma, quae ad aedificationem cuiuslibet Ecclesiae commodissime iudicabitur.
30. Qui pertinaciter Consistorii admonitiones reiecerit, a Coenae communione suspendetur, quod si ita suspensus post iteratas admonitiones, nullum poenitentiae signum dederit, hic erit ad excommunicationem progressus.
31. Publice e suggestu peccatorem obstinatum admonebit minister, peccatum exponet, officia in eo reprehendendo, a Coena suspendendo, posteaque deligenter adhortando, ➝

|301|

Deze bepalingen zijn, soms verkort of in de bewoordingen oewiizigd, maar in de hoofdgedachten onveranderd, in de latere kerkorden overgenomen.

Zoo begon art. 68 uit de Zeeuwsche synode van 1591 1) »Nopende de openbaere sonden tegens de leere sal dese forma van discipline gevolght worden, enz.«

Deze erkenning, dat de welbewuste verwerping van de ware leer zonde was, en daarnevens de opvatting, dat de ambtelijke macht in de kerk, zij het ook onder Christus en Gods Woord en ten nutte der gemeente, een rechtskarakter bezat, gaven den grondslag voor de verdere tuchtmiddelen: de ontzegging van het avondmaal en de excommunicatie.

Deze twee behoorden bij elkander. In haar aard was de ontzegging van den toegang tot de tafel des Heeren, d.i. van het voornaamste recht der lidmaten, het begin van de uitsluiting buiten het lidmaatschap der kerk, wat de formeele zijde van de excomunicatie vormt. Zij werden dan ook bij elkander vermeld, afgescheiden van de vermaningen. 2)

Het eerstgenoemde tuchtmiddel veranderde echter den kerkelijken staat van den bestrafte niet, ja droeg veeleer een voorloopig karakter, geleek op een verscherpte vermaning. (Trouwens ook


➝ praestita declarabit; Ecclesiam vt pro hoc peccatore, inpoenitente sedulo oret, monebit antequam ad vltimum excommunicationis remedium descendere Ecclesia cogatur. Eiusmodi tres fient admonitiones. In prima non nominabitur peccator, vt aliquo modo ei parcatur. In secunda nomen edetur. In tertia Ecclesiae significabitur, nisi resipiscat, excommunicandum esse, vt si pertinax fuerit, tacitis Ecclesiae suffragiis, excommunicetur. Intervalla admonitionum in Consistorii arbitrio erunt. Si ne his quidem officiis ad resipiscentiam possit adduci, promulgabitur coram Ecclesia eiusmodi pertinacis peccatoris a corpore Ecclesiae Excommunicatio et Abscissio. Vsum et finem excommunicationis fusè exponet minister, admonebitque fideles, ne familiarem et non necessariam cum excommunicato consuetudinem habeant, sed eius consortium vitent, hoc praecipue consilio, vt pudore suffusus excommunicatus de resipiscentia serio cogitet.
32. Qui gravia, Ecclesiis probrosa et Magistratus auctoritate plectenda peccata perpetrauerint, etiamsi verbis poenitentiam testentur, a Coenae tamen communione suspendentur: quot autem vicibus, in arbitrio consistorii erit.
33. Si Ministri, Seniores et Diaconi peccatum publicum, Ecclesiae probrosum, vel auctoritate Magistratus plectendum perpetraverint; Seniores quidem et Diaconi statim auctoritate consistorii munere abdicabuntur; ministri autem suspendentur a functione; an vero abdicandi sint ministerio, Classici conventus erit iudicare, cuius sententiae si non acquieverint, ad Synodum Pnjvincialem prouocabunt.
34. An vero ministri, Seniores et Diaconi iam abdicati, postquam poenitentia Ecclesiae satisfeceriut, si denuo eligantur, admitti debeant: quod ad Seniores et Diaconos attinet, Consistorii, quod vero ad ministros spectat vel pertinet, classici conventus erit iudicare.
1) R. & v. V., V, bl. 28.
2) R. & v. V., II, bl 165.

|302|

deze rustte op denzelfden zooeven aangeduiden grondslag). De »suspensi« bleven volle lidmaten; »usu non jure sacrorum sunt exclusi« formuleerde Voetius. 1) De synode van Zuid-Holland in 1579 liet wel niet in ’t algemeen toe, maar erkende toch de mogelijkheid, dat alleen reeds de openlijke beschuldiging van valsche leer de toepassing van dit middel gewenscht maken kon. 2)

Het eigenlijk karakter van deze kerkelijke »verbeteringhe« kwam duidelijker uit in de excommunicatie.

In het formulier, daarbij in gebruik, heette het: .... zoo zijn wij dan nu genoodzaakt voort te varen tot zijne afsnijding, volgens het bevel en den last, ons gegeven in Gods heilig woord, ten einde hij hierdoor (is het mogelijk) tot schaamte over zijne zonde gebracht worde; dat men ook door dit verrottende en ongeneeslijke lid het geheele lichaam der gemeente niet in gevaar stelle, en de naam van God niet gelasterd worde.

Op drie punten had dus de excommunicatie betrekking: ten eerste de »genezing« van den zondaar; ten tweede de bewaring der kerk in heiligheid; ten derde de handhaving van Gods eer.

Voornamelijk dit laatste gaf den rechtsgrond. Vandaar dat bv. iemand, die zelf het lidmaatschap opzegde, eventueel toch nog door openlijke uitsluiting bestraft werd. 3)

In eene remonstrantie van 1575 werd gesproken van »Gods gramschap (te) weren.« 4) Het ging om de volbrenging van »eene verordening Christi.« 5) De kerkelijke vergaderingen waren slechts uitvoerders van den wil van den koning der kerk. 6) De zondaar moest met God verzoend. 7)

Die rechterlijke zijde werd door de Libertijnen in de excommunicatie, ook als zij haar nog aanhielden, 8) ontkend. Bij hen


1) Pol. Eccl. Vol. I, p. 32. Ba Ra Ed. Rutgers p. 30.
2) R. & v. V.. II, bl. 177.
3) R. & v. V., II, bl. 177. Dat dit tevens op een niet puur contractuëelen grondslag
voor het lidmaatschap wijst, sta hier even in verband met von Hoffmann’s voorstelling [Kirchenverfassungsrecht o.a. S. 83] opgemerkt.
4) R. & v. V., II, bl. 165.
5) R. & v. V., V, bl. 28.
6) Ziet hierop ook niet de uitdrukking in het formulier: ... dat voorzeide N. uitgesloten is en wordt mits deze ..? Vgl. verder Rieker Grundsätze S. 65, 112 ff. 115.
7) Rutgers Acta, bl. 259.
8) Zooals bv. ook Episcopius deed, cf. Disputationes XXXI.

|303|

steunde wat er van tucht overbleef, op utiliteitsredenen, in verband met den welstand der kerk.

Deze hielden de gereformeerden evenzeer in ’t oog, blijkens het tweede punt. 1)

»De kerckelijcke verbeteringen, terwijle die gheestelick sijn en bevrijden niemant van het oordeel ende straffe der owerheit, gelijck an de ander sijde de rechterlicke ofte politische oordeelen en conen niet beletten die kerckelicke, ten einde dat de erghernissen geweert ende der zielen salicheyt gefordert worde.« Aldus de synode te Rotterdam in 1575. 2) Het genoemde formulier des bans noemde het mijden van de gemeenschap met den uitgeslotene in een adem met de vrees voor de besmetting der wereld.

Voorop stond echter de betrekking, die deze tucht had op de verbetering en het behoud van hem, die deze straf had noodig gemaakt. 3)

Dikwijls werd de excommunicatie betiteld als de uiterste remedie. 4) Zoowel de woorden van wegzending als het gebed daarbij en mede de houding der kerk daarna waren op de terugbrenging gericht.

Derhalve werd zoo lang mogelijk gewacht eer men tot de uitsluiting overging.

Nooit is er toe besloten zonder langdurige vermaningen. Ook niet al was de zonde openbaar en erkend als der excommunicatie waardig te zijn. Hier is een principieel onderscheid van de praktijk. 5)

Men zou kunnen spreken van een voorloopig toenmalige doopsgezinde uitgesproken ban, eerdat de excommunicatie werd toegepast. Ten minste in Zeeland 6) werd bepaald: »Daerenboven


1) Vgl. ook Rieker Grundsätze S. 66.
2) R. & v. V., II, bl. 165.
3) In den brief, waarin de synode van 1586 de boekjes van Bulckius veroordeelt, wordt den drie classen, aan wie de verdere behandeling dezer zaak was opgedragen, aangezegd, dat zij »doen sullen tot beterschap des auteurs, ende tot stichtinge der kercken, als sij na kerckenoordeninge bevinden sullen alderbest eiule profijtelickste te sijn.« [Rutgers Acta, bl. 592.]
4) Calvijn onderscheidde de excommunicatie of ban van den vloek, welke nooit over afzonderlijke personen, maar slechts generatim mocht uitgesproken worden. Nu het rechtstreeksch getuigenis des H. Geestes ontbreekt, mocht de kerk niet zeggen «Anathema Maranatha«. Inst. IV, 12, 10. Vgl. ook de Synopsis, Disp. XLVIIII.
5) R. & v. V., II, bl. 202. Waar ook besloten werd de theorie der Anabaptisten op
dit punt te weerleggen.
6) R. & v. V., V, bl. 28.

|304|

boven sal de kerckenraet ontrent denselven vele ende lanckduerige vermaningen gebruycken, dewelcke so hij obstinatelick verwerpt, in desen gevalle sal de kerckenraet naer langen tijt in haren vergaderinge .. verclaren, dat se hem voor geen lidtmaet der gemeente Christi meer en houdt, totdat hij hem bekeert.« Deze verklaring werd den schuldigen aangezegd en casu quo aan wie naar de zaak vroegen. Eerst als dit niet hielp, werd de openbare actie in de gemeente aangevangen.

Deze begon met een mededeeling van de kwestie zonder den persoon te noemen; vervolgens werd zijn naam genoemd; daarna bericht, dat excommunicatie onvermijdelijk was; ten slotte de afsnijding toegepast. 1) Tusschen elk dezer trappen in was het de roeping der gemeente voor den afgedwaalde te bidden en hem te vermanen; vooral tusschen de 2de en de 3de vermaning kon de kerkeraad een onbepaalden tijd laten verloopen. 2)

Overhaast werd de zaak dus niet. Wie maar eenig berouw toonde, zag het naderend oordeel verbroken door een lichtstraal van verzoening. 3) Onbezonnen ijver van kerkeraden werd door den eisch, dat de classis uitdrukkelijke, de gemeente stilzwijgende toestemming moest verleenen, 4) getemperd.

In ’t algemeen diende bij »vervoerde lidtmaten« gehandeld naar gelegenheid der personen, 5) gelijk ook Trigland in zijn theoretische uiteenzetting onderscheid wil gemaakt hebben tusschen degenen, die een leerstuk nog niet kunnen vatten en de verstandelijk ontwikkelde tegensprekers. 6)

Vooral na 1619 zijn tot herstel der eenheid in de gemeenten, waar remonstrantsche predikers geweest waren, voorzichtige maatregelen genomen.

Dit was in overeenstemming met de vele moeite, die aangewend werd om de gemeente in »de gezonde leer« op te


1) Vgl. o.a. Dordtsche K.O. van 1618/19, art. 77.
2) Dr. Vos herinnert aan de handelwijze van den kerkeraad te Keulen, die, nadat alle wegen met zekere juffrouw Hasevelt waren afgeloopen, als een nieuw middel om nog niet tot afsnijding over te gaan. bedacht dat ieder die haar kende werd verzocht, haar tot bekeering te vermanen. Cf. Vos. Het verlangen. Uit W. d. M. V., III, 1, 3 bl. 48.
3) R. & v. V., II, bl. 144.
4) Zie ook Rieker, Grundsätze, S. 126.
5) R. & v. V., II, bl. 20, III, bl. 307, IV, bl. 331, V, bl. 351.
6) Antwoorde op dry vraghen, bl. 15/16. Cf. ook Voetius, P. E. III, 3, 2, 3. Vol. IV, p. 696, en de voorbeelden daar genoemd, synode Leiden 1619, den Briel 1623.

|305|

voeden. Dat bekwame dienaars de gemeente in de zuivere leer voorgingen, was een voortdurende zorg der kerk. De preek moest ietwat polemiseerend zijn, opdat de gemeente goed zou bemerken, waarin de sekten en valsche kerken van de waarheid afweken. Van te voren moest de prediker met de ouderlingen overleggen, welk gedeelte der H. Schrift op den kansel diende verklaard te worden om het meeste nut voor de toehoorders op te leveren. De ouderlingen moesten trouw rondgaan om de lidmaten tot geregeld kerkgaan op te wekken; de kerkeraad hield op de huiselijke bijeenkomsten een wakend oog opdat niet kettersche boeken tot leiddraad genomen of te moeielijke stukken onverstandig besproken zouden worden. 1)

Karakteristiek is de restrictie aan ’t einde van een antwoord der particuliere synode te Alkmaar 1579 2) op de vraag: Oft men een lidtmaet der kercken Christi, om haere grove sonden ergernis gevende, van den avontmael voer zekeren tyt gesuspendeert ende naederhant haere opgeleyde boete bewysende ende om wederom totten avontmael te coemen vermaent zynde, in ongehoorsaemheyt blyft, sal metten christelycken ban van de gemeynte Christi afsnyden, is geresolveert, dat men zulcx doen zal om zyne ongehoorsaemheyt totter kercken Christi, diewelcke is een teecken van zyn boete onwarachtich te zyn, mits nochtans dat men met goede christelycke discretie zulcx wysselycken zal handelen. 3)

Discretie dus. Als dit nu maar niet aanzien des persoons is geworden! Ik kan deze opmerking niet terughouden, maar haar niet staven. Wel kan een reeks voorbeelden er tegenover gesteld worden, dat in zake levenstucht de Amsterdamsche kerkeraad althans zonder aanzien des persoons te werk is gegaan. 4)

In elk geval moest er met de omstandigheden gerekend worden. Was het gevaar van het kwaad exempel niet groot, dan ga men niet licht tot excommunicatie over, zeide de synode in


1) MS. E, acta kerkeraad Harderwijk bl. 39b.
2) R. & v. V., I, bl. 66, cf. II, bl. 144.
3) Wel als algemeene bepaling bedoeld is het antwoord over de excommunicatie dergenen, die »tot de wederdooperij vervallen« zijn, in de provinciale synode van Dordt 1574 gegeven. R. & v. V.. Il, bl. 144.
4) Rutgers Kerkverband, bl. 61.

|306|

1581. 1) Juist dit gevaar is door de classis Sneek in den considerans van een der sententies aangevoerd: 2) »Het classis van Sneeck belastet duer deesen voor den tweede mael Tammgro Gherardi dienaer des Evangelii binnen drijlst wel expresselijck omme Jacobum Augustini geweesene dienaer aldaer ter eerster instantie onboetveerdich over t’wederaennemen ende versoenen met sijnen huisvrouue der gemeente opentlijck voor te stellen opdat dies noot sijnde andere ten exempel sonden ende onboetveerdich in Jacobo gestraft ende die Christelijcke disciplijn moghe eestercket worden.»

Ja, het is de vraag, of soms niet al te lang is gewacht. De inmenging van andere machten, die de kerkelijke actie verlamde, mag hierbij echter wel in rekening worden gebracht. Te Voorthuizen was een koster, die »menschen en vee zegende«; reeds in 1598 werd erover geklaagd, doch eerst in 1618 werd hierin gehandeld. 3)

Al deze zorg 4) kon echter niet beletten, dat meermalen ongereformeerde leeringen bij lidmaten der gemeente vasten voet verkregen. In de eerste tientallen jaren na 1570 had het Anabaptisme de sterkste bekoring voor van Rome afkeerige, maar niet gereformeerde personen. De goed bewaarde protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad leveren hiervan menig voorbeeld. Maar ook elders, bv. in de classis Sneek vond excommunicatie in enkele van de zeer weinige gevallen, waarin zij noodig werd geacht, plaats wegens »wederdooperij.« 5)


1) Rutgers Acta, bl. 449.
2) Cl. Sneek 51 Juli 1610. MS. C bl. 227. Cf. R. & v. V. V, bl. 287. (Deventer).
3) Classis Neder-Veluwe MS. A, bl. 220.
4) Curiositatis causa zij hier vermeld, dat in een reglement van 1662, sub titulo II bewaard in een pakket van ’t class. archief te Harderwijk, een bepaling van 1578 (qu. 26 Rutgers Acta, bl. 269) wordt herhaald: »dat men geen geestelicke comedien ende tragedien spelen sal .... om 1) .... 2) .... 3) dat het vooral openbaer is dat de facteurs derselven dickwils de fundamenten der Christelicker Religie niet ghenoech verstaen. . . . [en zoo ontstaat er] gevaar voor vervalschinghe der leere«.
5) Het eed-weigeren gaf den overheden licht een wapen in de hand tegenover alles wat niet Roomsch was.
Ook de excommunicatie bij de Doopsgezinden, die soms den huiselijken vrede verstoorde, gaf moeielijkheden.
Vooral de herdoop en de weigering van den kinderdoop, niet ’t minst bij gemengde huwelijken, stichtten verwarring.
Ygl. de geschiedenis van Pauwels v. Woerden en zijn huisvrouw 2 Sept. 1596 — 3 Juli 1597. MS. D.

|307|

Het meest bekend is echter de handeling met eenige predikanten, zooals de excommunicatie van Coolhaes en die van Herberts. Exempli gratia volge hier de sententie over Coolhaes: 1) Wij dienaers des goddelicken woorts ende ouderlingen der gemeente Christi, in den name aller kercken van Hollant, alhier vergadert zijnde, verclaren met grooter bedroeffenisse des herten, dat nadien Gaspar Coolhaes den dienst des goddelicken woorts betreden hebbende tot Leyden, twee syne boecken onordentlick wtgegeven hadde, waerinne bevonden syn dinghen opentlick tegen de reyne leere streckende, hem selven wedersprekende ende aangericht om de kerckelicke ordeninghe te swacken; ende hy daeraf in den synode generaal overtuycht en broederlick tot bekeeringhe, afstandt ende schultbekenninghe vermaent zijnde, gheen ghehoor hadde willen geven, maer ter contrarie claechde, ...... Waeromme men ordentlick teghens hem die kerckelicke straffe heeft moeten voornemen, opentlick ’t ghemeen ghebedt voor hem in de kercke ghedaen zijnde, met voorstellinghe eyntelick syns naems ende vermaninghe tot alle christelicke broeders, dat sy arbeyden souden hem van zyn quade voornemen af te brenghen. Maar is al te vergheefs gheweest, want zyn dieghene die hem arbeyden te vermanen, afgeslagen; daermede syn obstinate onboetveerdicheyt genoechsaam is gebleken, als ooc met den Sendtbrief dien hy teghens het oordeel der hoogher overheydt, heeft laten drucken, ende waerin wy bevinden dat hy niet alleen van syne dwalinghe niet afstaet, maar deselve noch voorder aan den dach gheeft, tot grooter bedroeffenisse ende scheuringhe der kercken. Waeromme wy hiermede niet langher connen toesien, maer ons schuldich bekennen de kercke van de onboetveerdicheydt Caspar’s te waerschouwen ende het quaet van ons te doen, ter eere Gods, ter opbouwinge syner kercken, dat sy niet verleydet werde, ende op hope oft Caspar door dit wterste remedie in zyn harte gheslaghen ende beschaamt synde, tot bekeeringhe ghewonnen mochte worden. Hebben wij dan, in den name ende vreese des Heeren alhier vergadert synde, na de macht die Christus in synder kercken gegheven heeft ende na de leere syns heyligen woorts, verclaert ende verclaren mits desen, hoewel met groote bedroeffenisse, dat Caspar niet can noch behoort (solange hy in syne dwalinghen volherdet) het


1) Rogge. C. Coolhaes, I, bl. 227.

|308|

ampt eens dienaers des woorts in de gemeynte te bedienen, maer veel meer voor eenen verscheurder bekent te worden, Ende dewyle hy tot geene boetveerdicheyt heeft connen gebracht worden, so betuyghen wy dat hy, in der ghemeynschap Christi gheen deel hebbende, wt der ghemeynte ghesloten wort, ende als een die daer buyten is, voortaen gehouden sal worden, tot aan der tydt toe dat hij hem van harten bekeere; d’welck wy hem wenschen ende waerom wy God willen bidden. Ende daeromme sal een yegelic, naar leere des evangelii Matth. XVIII. hem houden als eenen, die der gemeynte Christi geen gehoor heeft willen geven, ende also alle onnoodige gemeynschap met hem schouwen, opdat hy beschaemt worde tot zynen besten ende bekeeringhe ende ghy u voar zyne dwalinghe wachten moghet.«

Hierop volgde eene vermaning hoe ieder zich jegens eenen geëxcommuniceerde had te gedragen, en zich vooral wachten moest »de vermaninghe der kereke Christi te verachten; want God sulcke ongehoorsaemheyt swaerlic pleecht te straften.«

Bij ambtelooze lidmaten bleef dezelfde grondgedachte heerschen. Evenzeer als bij de leeraars was bij de »singula membra« het verbreiden, heimelijk of openlijk, van »aliena dogmata et haereses« strafbaar en leidde het na herhaalde vermaning tot een weren uit de gemeenschap der geloovigen. 1)

Uit den aard der zaak was het aantal der geëxcommuniceerden hier grooter, maar de weg, die met hen afgeloopen werd eer men tot dezen maatregel overging, was eer langer dan korter.

Vooral bij eenvoudigen, misleidden en onkundigen werd zoo lang mogelijk tolerantie geoefend.

De Zeeuwsche kerkorde schreef voor, dat de particuliere vermaning, die bij een klacht over een zedelijk vergrijp vooraf diende te gaan, bij de ontdekking, dat iemand in een heimelijke dwaling in de leer stak, niet behoefde te geschieden, doch dat liever de leeraar terstond ervan verwittigd moest worden; en dit, opdat de onderrichting in eens afdoende zou zijn. 2)

Ook na de afsnijding was niet alle verband weg. Immers men hoopte, dat dit middel een genezende remedie mocht blijken. »Als een broeder« moest de geëxcommuniceerde worden


1) Zoo reeds Wesel, VIII, bl. 7. Rutgers Acta, bl. 32.
2) R. & v. V, V, bl. 28.

|309|

vermaand. Of men zich een theoretisch zuivere voorstelling hieromtrent gevormd had, kan ik niet zeggen, wel dat de tijdgenooten er niet zeker van waren, of hij nog tot het verbond Gods gerekend moest worden. In 1581 werd dit in de Zuid-Hollandsche synode gevraagd en de kwestie belangrijk genoeg geoordeeld om aan de synode nationaal opgezonden te worden. 1)

In de praktijk is echter vastgehouden aan de gedachte dat het verbond niet verbroken was voor zooveel het van Gods zijde gesloten en onverbrekelijk was. De wederopgenomene werd, om maar een ding te noemen, niet opnieuw gedoopt. Ook van een nieuwe belijdenis afleggen vond ik geen afzonderlijke mededeeling. Wel (of alleen?) van »professie van bekeering«. Men vergelijke het formulier van wederopneming.

 

De uitwerking van de tuchtoefening in engeren zin na te gaan, ligt buiten mijn bestek. Ieder oordeel daarover zou dan niet alleen uit de gegevens uit dien tijd opgemaakt mogen worden, maar moeten berusten op een nauwkeurig onderzoek; van allerlei toestanden en op eene voorzichtige vergelijking zoowel van de Nederlandsche gereformeerde kerk met buitenlandsche in ons tijdvak als van haar algemeenen toestand toen met dien in een later tijdperk.

Alleen vermeld ik, dat een formulier tot wederopneming bestond en niet ongebruikt is gebleven. Coolhaes bv. is in 1586 wederom als lidmaat aangenomen. Ken zekere Willem Jelissz, wegens zijn zware excessen ... als een verstoorder, scheurmaker, lasteraar der kerke Christi en alzoo als een verrot obstinaat lidmaat binnen Alkmaar van de kerk aldaar afgesneden ten jare 1578, 3) is den 2 October 1581 weer opgenomen. 4)

 

Op een punt zij nog afzonderlijk de aandacht, gericht.

De kerkelijke tucht was geestelijk 5) en van de burgerlijke straf onderscheiden in aard, doel, uitvoerders en middelen.

Toch heelt zij soms, zij het ook onbedoeld, gevolgen van maatschappelijken aard gehad.


1) R. & v. V., V, bl. 202, 209.
2) Rutgers Acta, bl. 504.
3) R. & v. V., I, bl. 56.
4) R. & v. V., I, bl. 85.
5) D.K.O. art. 71; cf. 1578 Rutgers Acta, bl. 259, 1586 Rutgers Acta, bl. 502.

|310|

Kerkelijk en burgerlijk leven waren nu eenmaal niet In twee loketten te bergen. Doch toen bv. de classis van Hoorn iemand met een geldboete gestraft had, (niet als reglementair middel van orde, want als zoodanig kwamen boeten meer voor, maar bij wijze van kerkelijke censuur) resolveert de synode, te Alkmaar 1593 vergaderd: 1) »dat het classis vermaent zal werden niet meer imandt een geltstraffe op te leggen, mer haere censuere beleiden nae Gods woort.«

Dat predikanten, die niet meer in hun dienst geduld konden worden, daarmede ook hun inkomsten konden verliezen, was wel een pijnlijk gevolg, maar eenigermate onvermijdelijk. Het is voorgekomen, dat de kerkelijke vergaderingen aandrongen op het inhouden van alimentatie, want heel de kerkelijke censuur bleef ongeveer zonder eenig effect wanneer de plaatselijke magistraat met haar geldelijke ondersteuning den geschorste handhaafde.

Of in de dagen van 1619 alle remonstrantsche leeraars onpartijdig en christelijk behandeld zijn, worde hier in ’t midden gelaten; evenals de vraag, wat ons oordeel wel moet zijn over hunne handelingen. 2)

Niet ongewenscht schijnt ’t mij echter, er op te wijzen dat inderdaad meermalen veel consideratie is gebruikt jegens oude en met groote gezinnen bezwaarde leeraren. Immers den rechter wordt maar al te dikwijls verweten wat ten laste van de overtreding moet gebracht worden. Ook bij geschiedschrijving.

Onzuiver bv. is de voorstelling wanneer Reitsma wèl aangeeft, 3) dat Bulckius door de bedreiging met excommunicatie en onthouding van zijne jaarwedde bewogen werd om het hoofd in den schoot te leggen, maar bij het ontslag van Hyperphragmus alleen vermeldt, dat de kerk niet rustte voor zij dit ontslag bewerkt had, terwijl niet medegedeeld wordt dat de synode bij dat ontslag 36 Carolusguldens mede gaf 4) en het uitzicht opende, dat onder zekere voorwaarden ook verdere hulp hem verleend worden zou.


1) R. & v. V., I, bl. 170.
2) Cf. Brandt IV, boek 47.
3) Geschiedenis, bl. 153.
4) R. & v. V., III, bl. 54. De heer van Poelgeest, die hem op eigen verantwoording als predikant in Hoogmade had aangesteld, had hem niet alles betaald. De synode was hem niets verschuldigd. Hij had niet eens een attestatie als lidmaat eener gereformeerde kerk kunnen toonen en was toch als leeraar opgetreden, terwijl hij »in merckelycke onsuyverheyt der leere bevonden« was.

|311|

In dezelfde synode is goedgevonden »alsoo (Caspar van Bijgaerden, die om meer dan een reden onbekwaam geoordeeld was om langer predikant te zijn) in aermoede gecomen is ende geen genouchsaeme middelen en heeft om te leven ende over sulcx gebeden heeft soowel den heeren commissarissen als de jegenwoirdige vergaderinge hem tot dyen eynde by den heeren Staeten te recommanderen, dwelck de vergaderinge goetwillich aengenomen heeft, om hem in desen alle mogelycke hulpe ende vorderinghe bij haere Edelen aen te wenden. 1)

Voor Ludolphus Pick pastor van Epe, die den catechismus niet kon en wilde onderteekenen en daarom niet voor een leeraar der gereformeerde kerk aangenomen worden kon, werd in het verzoek aan de overheid om hem den dienst in Epp en Ohnn te verbieden, een berichtje ingevlochten, dat hij »nu out sinde, verzocht met eenighe alimentatie onderhouden te worden«. 2)

De afgezette remonstrantsche predikers, die zich stil wilden houden, werden door de Algemeene Staten onderhouden. 3)

Moeielijker dan de voorziening in de onbedoelde geldelijke gevolgen eener afzetting is de beantwoording der meer principiëele vraag naar de maatschappelijke positie der excommunicati. De leden der gemeente moesten »zich voor onnoodige gemeenzaamheid met dezulken wachten«. 4) Waar begon die? De grenzen waren moeielijk te trekken. Maatschappelijk verkeer, bv. als iemand koopman of winkelier was, kon niet afgebroken worden. Voor huisgenooten was het verbod vrij wel onuitvoerbaar, te meer, aangezien de doopsgezinde ban-theorie, die bv. echtmijding voorschreef, verworpen werd. De geciteerde woorden van ’71 zijn in de K.O. van 1578 5) nog herhaald, maar ontbreken sinds 1586.

De geëxcommuniceerde werd gerekend toch nog niet geheel los te zijn van eiken band met de kerk. Hij werd onderscheiden van den ongedoopte in een besluit van N. Holland’s synode te


1) R. & v. V., III, bl. 55.
2) Classis Neder-Veluwe 23 April 1598, MS. A, bl. 52.
3) Volgens Vos, Geschiedenis, bl. 127.
4) Rutgers Acta, bl. 70. Emden 1571 art. 31, Admonebitque (nl. de prediker) fideles ne familiarem et non necessariam cum  excommunicato consuetudinem habeant, sed ejus consortium viteat, hoc praecipue consilio, ut pudore suffusus excommunicatus de resipiscentia serio cogitet.
5) Rutgers Acta, bl. 260.

|312|

Amsterdam 1665. 1) Op de vraag van de classis Hoorn, of een ongedoopte niet evenzeer door de kerk getrouwd mocht worden als dit met de geëxcommuniceerden geschiedde, is geresolveerd: »dat men de ongedoopte niet sal trouwen, aengesien sy in eenen anderen graet staen als de gebannene, dewelcke men noch als een broeder behoort te vermanen.« Dordt 1578 had in ’t algemeen bepaald, dat men de afgesnedenen trouwen, maar hen daarbij sterk tot boetvaardigheid vermanen zou. 2)

Vaste regels zijn hier in echter niet gesteld, terwijl de praktijk menige vraag opgelost zal hebben, die theoretisch moeielijk genoeg bleef. De geëxcommuniceerden vonden vaak een welkom in den kring der sektariërs. Niet zelden waren zij ’t beiden, man en vrouw, die zich bij de Anabaptisten, David-Joristen enz. voegden. Ik vond ten minste weinig voorschriften hierover.

Dat echter de mijding van onnoodige gemeenschap niet altijd alleen tot het kerkelijke terrein beperkt werd, blijkt uit het antwoord op een vraag uit Rotterdam’s classis in 1601 (synode te Gouda): of het geduld kon worden, dat eenige lidtmaten ... met sekeren geëxcommuniceerden schipper ter zee reeden, welckers huijsvrouwe een lidtmaet is ende syne kinderen gedoopt in de Gereformeerde kercke.« Het antwoord was: Jae, alsoo nochtans dat hetselfde stichtelijcker is gelaten dan gedaen, eensdeels om de swacken niet te verergeren, andersdeels oock om den geëxcommuniceerden in sijnen afval door soodanighe familiariteijt der lidtmaten niet te stijven.« 3)


1) R. & v. V., I, bl. 206. Ietwat omzichtiger spreekt Voetius, Vol. I. bl. 52: Aequivoce, evenals de neutrales et crassi hypocritae, behoort de excommunicatus, die zich niet bij de sekten aansluit, nog bij degenen die samen de kerk vormen. Maar hij was toch ook bij Voetius onderscheiden van de hostes die nullo modo tot de kerk behoorden, al kwamen zij luisteren.
2) Rutgers Acta, bl. 272.
3) R. & v. V., IV, bl. 176.

Schokking, H. (1902) II.20

|313|

 

 

§ 20.
Werkzaamheid buiten de kerkelijke grenzen.

 

In twee opzichten had de kerkelijke leer betrekking met de wereld buiten het kerkelijk erf.

De Gereformeerden aanvaardden, dat de kerk de roeping heeft om als pilaar en vastigheid der waarheid zich allerwege te doen gelden, als een licht in de duisternis te schijnen En in de tweede plaats moest toegezien worden, dat door dit verkeer in de wereld de dwalingen, die aldaar heerschten, niet in de gemeente Gods indrongen.

De zorg voor leer en belijdenis had ook te rekenen met de eischen, die deze twee verhoudingen medebrachten. Daarom wordt deze slotparagraaf hieraan gewijd. Intusschen geraken wij hiermede zoo ver van het centrum, dat met een korte toelichting van slechts twee hoofdpunten mijn overzicht van de kerkelijke praktijk in zake de leertucht geëindigd kan worden. Een nauwkeurige behandeling zou trouwens te veel ruimte vereischen. Een enkel woord dus nog over:
A. De openbare disputatie.
B. De boekencensuur.

 

A. De openbare disputatie.

De openbare disputatie was geen vaste instelling der gereformeerde kerk te onzent, maar kwam alleen incidenteel voor om het goed recht der beleden leer te handhaven en om haar tegenover stoutmoedige, openbare tegenspraak te laten gelden.

Deze tegenspraak kwam soms van een enkel persoon, door zijn geschriften of daden. Meestal was het echter een »sekte« of »valsche kerk«, welke door haar optreden de gereformeerde kerk noopte tot openbare disputen.

|314|

Daaronder reken ik ook sommige, welke met gesloten deuren gehouden zijn, maar met het openbaar optreden onzer kerk in verband stonden.

Bekend zijn de disputaties met Coornhert, een in 1578 te Leiden, een in den Haag in 1583. 1) Met Arminius zijn in 1608 en 1609 ook een tweetal gesprekken gehouden, welke echter meer als door der Staten bemoeiing misvormde kerkelijke conferenties te beschouwen zijn. De meeste disputen zijn geleverd met de Doopsgezinden, maar nevens hen komen de namen van »Papisten«, »David Joristen«, »Martinisten« voor. 2)

Het aantal durf ik niet te schatten. Sommige uitdrukkingen wekken het vermoeden, alsof het hier en daar gewoonte was geworden. Toch behoorde, in ’t algemeen gesproken, dit middel om van de waarheid te getuigen niet onder de verschijnselen, die bij historisch onderzoek het meest in ’t oog vallen.

Reeds in den tijd, waarover wij spreken, was er verschil van meening omtrent het gewenschte ervan. Algemeen was men van oordeel, dat zij met de noodige voorzichtigheid moesten gehouden worden, opdat het doel niet gemist werd. Immers, drieërlei werd met dit openbaar optreden bedoeld: ten eerste de verdediging der ware leer en religie tegenover en een bestrijding van de dwaalleeringen; daarnevens het overtuigen van dwalenden, en vooral van zwakken onder de toehoorders; ten slotte: bij de overheid erkend te worden als de ware kerk.

Welk doel nu ook als het naaste begeerd werd, altijd was het zaak te zorgen, dat niet de tegenpartij òf uit de aanvaarding van een disputatie den schijn verwierf van mee te mogen tellen, òf in het debat de sterkste bleef. Met name diende hiervoor gewaakt te worden, wanneer het licht-verleide groote publiek tegenwoordig was of de gemeenlijk voor de niet-kerkelijken gunstig gestemde overheidspersonen aanwezig waren.

Den 19en Mei 1592 kwam in de classis Amsterdam het gravamen van Alkmaar ter tafel, 3) »Of ’t niet raetsaem sy den


1) Moorrees Coornhert, bl. 69. 105. (Op bl. 130 vermeldt hij, dat in 1589 een disputatie geweigerd werd. Een synode was daarvoor de plaats niet. Dat was de reden).
2) Vgl. verder Dordt 1574. Rutgers Acta bl. 172; R. & v. V., IV, bl. 53, 1595 Harderwijk (met Perfectisten); 1598 met Pelegrinus van Heerde, pastoor te Vaassen, [kerker. acta Harderwijk, MS. E, bl. 35b.] Fontanus was hierbij. Maar dit is meer een collatie geweest.
3) MS. B.

|315|

Papisten met consent der Edele Heeren Staten een openbaer dispute aen te dienen, te meer dewile men hoirt dat sommige die selffde seer stoutelick versoicken.« Het antwoord der Amsterdammers was: »Angesehen onse lehre wairachtich ende in Godts heilige Wordt gefundeert is, oock daernae opentlick bij solemnele placaten van de Ed. HH. Staten deser geun. Nederlanden angenommen ende gehouden wordt. Ende ter contrarien die Papistischen leere voor vielen hundert jaren met des heeren Wordt in vielen wettigen concilien als valsch ende onwairachtich ende ketterisch [geoordeeld is] gelick se oock in diesen landen van den Ed. HH. St. dairvoor gehouden wordt, datt men met neuen disputen die wairheit niet en sal wederomme in tvviffel trecken«, maar aan de HH. Staten alle misbruiken, enz. remonstreeren zal.

Men ziet het: Een disputatie was te veel eer voor de Roomschen. ln de vraag kwam het andere motief voor den dag: als de H.H. Staten zich lieten overbluffen door de grootspraak der Roomschen, — maar Amsterdam was op dat punt vrij gerust. Ten slotte zij even, maar dringend gewezen op den karakteristieken considerans: aangezien onze leer waarachtig en in Gods Woord gefundeerd is.

In de particuliere synode, een week later gehouden, 1) werd besloten, dat de generale synode hierover handelen moest, als »zynde een zake allen kercken int gemeyn antreffende«. Nu, in 1592 kon nog niet vermoed worden, dat de eerstvolgende nat. synode 16 jaar later zou gehouden worden, maar toch heeft het den schijn alsof de particuliere synode er af wilde wezen. Want dikwerf zijn disputaties in kleineren kring gehouden, zonder dat de generale synode er bij te pas kwam. Zoo vervalt het eenige argument (al erken ik, dat het op zich zelf niet onjuist was).

Ik vermoed, dat men het op de particuliere synode niet eens kon worden en dat Alkmaar vasthield aan het wenschelijke eener disputatie tegenover Amsterdam’s advies. Ten minste, Alkmaar werd eenigszins berispt in Mei 1593, omdat het zonder advertissement van anderen een dispuut met de Doopsgezinden had aangegaan. Die berisping kwam na de behandeling van een gravamen uit Alkmaar: Of het goed was den Wederdoopers een openbaar dispuut te presenteeren. Al weer was Amsterdam’s classis


1) R. & v. V., I, bl. 164.

|316|

’t niet eens met Alkmaar en adviseerde: onnoodig, want het is al zoo vaak geschied. Het schijnt, dat Alkmaar’s predikanten gaarne disputeerden, of dat ’t daar meer noodig was. 1) Toen de particuliere synode het dispuut met de Roomschen ter beoordeeling van de nationale gesteld had, waren zij zonder vragen maar vast met de Doopsgezinden begonnen. De classis Amsterdam heeft deze zaak ook op de part. synode gebracht, maar terwijl over ’t gevraagde gesprek wederom besloten werd 2): de nationale synode moet daarover beslissen, werd de kwestie over het reeds gehouden gesprek uitgesteld tot men aan de particuliere kwesties zou gekomen zijn. Maar de behandeling der geschillen van Wiggerts en Ampsingh nam zooveel tijd in beslag, dat de leden den vijfden dag zonder in zake het dispuut een beslissing genomen te hebben, naar huis gingen.

Zoo waren de meeningen over het nut der disputen ongelijk. Tijd en omstandigheden moesten den doorslag geven. Een paar jaar later, 10 Juni 1596, adviseerde de Amsterdamsche classis op een vraag uit Hoorn, of een dispuut niet gewenscht was, nu de Papisten al maar voortgaan dit aan te bieden, gunstig; de particuliere synode van dit jaar bleef echter bij het besluit van vroeger, ... »dat het by dezen tijt niet oorbaerlick en is een opentlick dispuyt tegen den Papisten te versoucken wuyt ver-scheyden oorsaecken den sinodum daertoe moverende.« »Daer-tusschen«, zoo ging de sinode voort, »soe van enighe dienaer afifgevordert werdt verdedinge der christelicker leere, dien salt niet alleene geoorlooft syn maer toestaen int particulier de suijvere leer der evangeliums voor te staen ende soo hij hem daertoe niet well bequaem offte gequalificeert en vonde, sal mogen behulp van anderen nemen«. 3)

Langzamerhand is het aantal der disputen verminderd. Ten minste, wij hoorden, hoe de classis Amsterdam zeide dat het al zoo dikwijls was geschied, maar blijkens ’t toen vermelde uit de provincie Noord-Holland is het daar van 1590 tot 1596 slechts eenmaal voorgekomen.


1) Dit zou men afleiden uit de klacht van Alkmaar over de conventioneelen der Papisten a.w. in 1594. R. & v. V., I, bl. 186.
2) R. & v. V., I, bl. 172. art. 12.
3) R. & v. V., I, bl. 216. Iets dergelijks is ook in Gelderland ten jare 1580 bepaald, R. & v. V, IV, bl. II. 12: Geen openbare disputatie dan naar de bepalingen van de Dordtsche synode van 1578, maar een collatie mag een predikant in tegenwoordigheid van goede getuigen, wel houden.

|317|

Men zal ook wel in aanmerking genomen hebben of er handige debaters aanwezig waren, want al waren de gereformeerde predikanten vast overtuigd de waarheid te hebben — in een debat kwam het er op aan, dit ook te toonen en ’t vol te houden tegenover dikwerf zeer geoefende tegenstanders

Daarom had de generale synode van 1571 reeds aangegeven als middelen om de toen nog »toenemenden Wederdooperen teghemoete (te) gaen» 1): 1e. dat de predikanten de gemeente de verschilpunten klaar uitleggen, 2e. een voorbeeld te zijn in liefde en godzaligen wandel, 3e. getrouw huisbezoek, 4e. duidelijke tractaatjes en boeken. »Maer soo vele aengaet de tsamensprekinghen ende disputatiën met hen, op die plaetsen daer de ervarentheyt leert datse niet onvruchtbaer zyn (dit is een der gegevens, voor de veronderstelling, dat ze in den eersten tijd vrij geregeld gehouden zijnj sullense aenghenomen worden alleen van den ghenen, die de Classis daertoe bequame oor-deelen sal.«

Een échec moest vermeden worden. Daarom oordeelde de synode van 1581 in hoofdzaak niet anders. 2) Alleen als de nood het eischte, mocht iedere particuliere synode of ook een classis met consent der overheid een dispuut beginnen. Maar dan moesten de andere provinciën eerst er van op de hoogte gesteld worden »om derselven advys te nemen van de forme der disputatie ende andersins wat daertoe behoort.» Ook mocht hulp gezocht bij andere classen of synoden, ja in ’t heele land. 3)

Bekwaam disputator te zijn, was niet het minst voor een professor een aanbeveling. Het werd afzonderlijk als een deel van hun taak genoemd: de leer openlijk te verdedigen. 4)

Helmichius’ bekwaamheid hierin werd geroemd, toen hij naar Leiden ging. 5)

Van Maccovius ging, eer hij in ons land kwam reeds een roep uit, dat hij de Jezuïeten meermalen overwonnen had. 6)

Coornhert werd in zijn eerste dispuut door Delftsche


1) Rutgers Acta, bl. 269.
2) Rutgers Acta, bl. 432.
3) De kerkeraad wordt niet genoemd. Toch heeft meer dan eens een kerkeraad zulk een dispuut gehouden. Cf. Amsterdam 8 juni 1589 en in Sneek.
4) R. & v. V., III, bl. 90.
5) R. & v. V., II, bl. 448.
6) A. Kuyper Jr. Maccovius, bl. 6.

|318|

predikanten te woord gestaan, het tweede nam Prof. Saravia op zich. 1) Niet minder dan zeven dagen had het reeds geduurd, toen Coornhert naar huis werd geroepen. Het vervolg begon met een uiteenzetting door Saravia, die vier dagen duurde. De zaak werd er echter niet beter door; ieder der partijen schreef zich zelf de overwinning toe.

Het eerstgenoemde doel zal wel niet dikwijls bereikt zijn, veeleer werd ieder des te meer in zijn eigen gevoelen versterkt. Toch mag de beteekenis dezer disputen niet al te gering geacht worden. Den toehoorders kan menig punt klaarder geworden zijn. In 1581 2) werd in de particuliere synode van Zuid-Holland de disputatie aangeprezen als een goed middel om de harten van eenvoudigen, die verward waren door de propaganda der secten, te helpen. In de bewoordingen van dit artikel kwam uit, dat de synode gevoelde, dat de gereformeerde kerk een roeping had ook tegenover degenen, die »buiten zijn«: »Ende diewyl by den Gereformeerden kercken neersticheyt behoort gedaen te worden om de reyne leer te verbreyden ende de tegensprekingen den liefhebbers der waerheyt bekent te maecken, is raedtsaem gevonden, dat in den generalen synode geproponeert sal worden wat middelen men by advys der heeren Staten best soude mogen voirnemen, waermede secten, ketteryen ende verkeeringe van Gods heylige woort, verwarringen van eenvoudige harten verhindert ende gemindert mochten worden opt allerchristelicste. Deser vergaderinge dunct goede middelen te syn, dat openbare disputatiën tegens alle ketteryen aengestelt worden by consent der overheyt, doch dat men nyemanden daerom aen goet, lyff oft leven eenige schade soude begeeren te doen, maer alleen dat den eenvoudigen daermede geholpen worde. Item dat een boeck gemaect werde, daerinne de reyne leere claerlic voirgestelt ende de tegensprekinge van allen ketteryen op het allercortste ende eenvoudichste wederleeght worde. Item dat men acht hebbe opte druckeryen. Item dat de dienaers des woorts, als de texten voirvallen, die tegenstrydende leer met discretie straffen. Ende voirnemelick sal tot een goet middel dienen, dat de dieners selve godsalichlick leven ende andere tot godsalicheyt vermanen.«


1) Moorrees Coornhert, bl. 69 en 105 geeft een gedeelte ervan weer.
2) R. & v. V., II, bl. 197.

|319|

Als met het disputeeren onderrichting van het publiek bedoeld werd, moest ’t m.i. dikwijls herhaald worden. Hier en daar schijnt dit gebeurd te zijn. En niet alleen in ’t groot officieel, doch ook in kleinen kring is men er toe overgegaan, De Amsterdamsche kerkeraad stond in 1589 1) aan een paar ambtelooze leden toe met de wederdoopers te debatteeren. Blijkbaar was het een voortgezet debat. Aan de orde was toen de praedestinatie. Voor geval van nood mochten zij D. Plancius medenemen. Ook met de Remonstranten is gedisputeerd 2) in deze classis. Bogerman’s optreden tegenover de Doopsgezinden in de stad Sneek is bekend genoeg. 3)

Ten slotte gold het door deze disputatiën in het oog der overheid zich te handhaven als de ware kerk. Heel duidelijk blijkt dit uit een voorstelling van de classis Amsterdam, 22 Maart 1599: 4) Belangende het verschil geresen tot Loenen tusschen de Dooperen ende onse gemeente is het advys des classis dat men de Jonck(?)Heer van Croonenburgh zal ant dienen dat hem zal believen den dooperen te laten vraegen of zij noch volherden ende begeeren te bewijsen, dat onse kercke de valsche kercke zoude zijn, ende indien sy antwoorden jae dat sy een dach raemen, dewelcke de kercke van Amsterdam sal overgeschreven worden om tegen den selven dach af te vaerdigen zoodaenigen die tselfde mach? aenhooren ende contrarie van dien bewijzen.

Om dezen reden zijn ook mannen als Gomarus c.s. er toe overgegaan om, hoewel reserveerende, dat de kerk alleen over Arminius kon oordeelen, toch met hem in de vergadering der Staten te disputeeren.

 

B. Boekencensuur.

In 1574 had de Dordtsche provinciale synode officieel uitgesproken, dat tot uitroeiing der valsche leering en dwalingen, die door het lezen van kettersche boeken meer en meer toenamen, drie middelen goed waren. 1. Het volk van den kansel vermanen tot onderzoek van den Bijbel en afmanen van de ongezonde, kettersche boeken, maar de namen daarvan slechts


1) MS. D, vergadering van 8 Juni.
2) MS. B, Classis Amsterdam 13 Juni 1617.
3) Cf. van der Tuuk Bogerman bl. 30 vlgg.
4) MS. B.

|320|

spaarzamelijk noemende. 2. De boekverkoopers, die de reine leer toegedaan zijn, vermanen, die verkeerde boeken niet te drukken ofte verkoopen. 3. Bij het het huisbezoek de lidmaten vragen of zij ook zulke boeken hebben en hen vermanen de mogelijk aanwezige weg te doen. 1)

Daarover hadden de Gereformeerden reeds menig schamper woord moeten hooren. »Inquisitie« en »gewetensdwang« deden ook nu dienst. Trigland verdedigde daarom dit besluit tegen de beschuldigingen, die vaak op schromelijke overdrijving berustten. 2)

In 1578 art. 55 en desgelijks in 1581 art. 38 3) bevatte de kerkorde het verbod om eenig boek, dat over religie handelt, te drukken of uit te geven zonder consent van de classis (’78), provinciale synode (’81) of van de theologische professoren onzer belijdenis.

Daartegen was de magistraat van Leiden niet weinig gekant. De dienaren des Woords gaven in 1582 echter een antwoord uit, waarin zij dezen maatregel verdedigden. 4) Het valt niet te ontkennen, dat de invloed van boeken onberekenbaar groot is. De gereformeerden, die zelf zoo veel voor de verbreiding der reine leer aan de drukpers te danken hadden toen het spreken bijkans onmogelijk was gemaakt, wisten zelf het best en hadden een niet onbegrijpelijk bezwaar tegen de verspreiding van kettersche boeken.

Op verschillende wijze werd getracht die invloed te breken. Allereerst natuurlijk door het gezag der kerkelijke vergadering gen over predikers, rectores, schoolmeesters (ook op schoolboeken was de aandacht nauwkeurig gevestigd 5) en door particuliere lidmaten, ja ook wie buiten de kerk stonden, te verzoeken, hierin mede te werken.

Voortdurend toezicht op hetgeen van de pers kwam, zoo mogelijk ook op wat naar de pers ging, was het meest voor de hand liggende middel, maar niet altoos gemakkelijk aan te wenden. Was de auteur een goedgezind man, dan was de zaak eenvoudig genoeg en kon zijn ter lezing aangeboden werk vóór het gedrukt werd beoordeeld worden. Kerkeraad, classis,


1) Rutgers Acta bl. 140.
2) K. G. bl. 168.
3) Rutgers Acta, bl. 247, 390.
4) Trigland, K. G. bl. 208.
5) Vgl. o.a. classis Amsterdam MS. B, 4 Mei 1592, 31 Mei 1593.

|321|

particuliere en generale synoden hielden zich met dit onderzoek bezig. De protocollen van den Amsterdamschen kerkeraad bevatten bewijzen 1) genoeg; in de classicale acta, die ik zag, ontbreekt de censura librorum niet. Soms werd een, soms een grooter getal personen benoemd om een werk te examineeren. 2) In de classis Neder-Veluwe werd aan ieder der leden opgedragen er op te letten, of Bellarminus ook iets uitgaf. 3) De provinciale synoden hebben mettertijd voor elke classis visitatores librorum benoemd en de Dordtsche K.O. art. 55 plaatste de professoren op den uitkijk. In de generale synoden 4) is evenals in de provinciale dikwijls en veel over boeken gehandeld. 5). Er werd onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van gevaarlijk geachte geschriften, zoowel allerwege bij de particuliere lidmaten ter gelegenheid van het huisbezoek, als speciaal in Drenthe bij de predikanten als er kerkvisitatie was. 6)

Niet alleen tegen »kettersche boeken« werd gewaakt, maar ook ongeschikte boeken konden geen imprimatur ontvangen. Op het beklag van Gaspar van Bygaerden omtrent de censuur in 1592 werd »vrientlick geantwoort, dat (de synode) niet en verstaet, dat zijn boeck als ketters veroordeelt zij, maer alleen dat het niet also gescreven zij, dat het met stichtinge zoude mogen gedruct worden.« 7) Zelfs een geschrift van den befaamden Donteclock moest inter parietes blijven. De redenen zijn daarbij vrij uitvoerig opgegeven: »Is te kennen gegeven, dat D. Donteclock een tractaet ghemaeckt hadde van de praedestinatie, ende want de synodus verstaet, dat hy beghint a lapsu hominis, twelck lichtelyck andere scribenten verdacht soude maecken, die ab aeterno Dei decreto beghinnen, ten anderen dewyle dese materie seer teerder is ende veel wederspreeckers heeft, die nu in stilte syn, ende de argumenten der wederspreeckers van D. Donteclock daerby niet en syn gherefuteert, alsoot oock by alle man niet en behoort te staen bysondere confessien op de


1) Eenige daarvan zijn afgedrukt in Rutgers Kerkverband bl. 30 vlgg.
2) Classis Sneek MS. C, 29 Mei 1618 bl. 225, 4 personen voor het boekje van Henrici te Oppenhuysen tegen de »wederdoperen«. Het werd afgekeurd en Henrici kreeg de vermaning, zooveel mogelijk de verspreide exemplaren »weder in te roepen«. 31 Juli bl. 226.
3) MS. A, bl. 140.
4) Cf. vooral de acta van 1578, maar ook die van 1581.
5) De registers van de deelen van R. & v. V. hebben dikwijls een halve bladzijde gevuld met titels van boeken, welke in de particuliere synoden besproken zijn.
6) R. & v. V., VIII, bl.
7) R. & v. V., III, bl. 15.

|322|

hooftpoincten des ghelooffs wt te gheven als een saecke synde, die de gantsche kercke raect, soo oordeelt de synodus« enz. 1)

Beoordeeling dezer considerantiën blijve achterwege, maar ik wijs op de nauwkeurige zorg, waarmede op dit punt gewaakt werd tegen alles wat maar verwarring brengen kon. De Amsterdamsche kerkeraad handelde in de remonstrantsche dagen evenzoo 2).

31 Juli 1610 heeft de classis Sneek Henricus Ludolphus belast, zooveel mogelijk zijn boek, dat nog al tegen de Doopsgezinden geschreven was, weder op te koopen. Het was ongeschikt en onwaardig gedrukt te worden, vooral om het eerste stuk van den droom. 3)

Waar de vrienden op die wijze onder contrôle stonden, kan het geen verwondering wekken, dat met de werken van Socinianen, David-Joristen, Schwenckfeldianen enz. al heel korte metten werden gemaakt.

Het is dan ook waarlijk de schuld der kerkelijken niet, dat er zulk een heirleger pamfletten, brochures en grootere strijdschriften verschenen zijn, al is het waar, dat niet minder van Contra-remonstrantsche als van Arminiaansche zijde gepolemiseerd werd. 4)

Doch gewoonlijk was er niet veel tegen de uitgave van ongewenscht geachte boeken te doen, waarvoor altoos wel een drukker te vinden was, want verboden vrucht is begeerlijk. 5) Alleen als de overheid hare steun verleende, kon iets meer bereikt worden, maar toch ook nog niet veel. Op overheidsplakkaten en de toepassing ervan werd dan ook meer dan eens aangedrongen. 6)

Soms is eenig resultaat verkregen. In 1583 is een boek van Coolhaes opgekocht en in 1582 heeft de stad Leiden hem de gemaakte onkosten vergoed, toen zijn geschrift over de kerkelijke discipline verboden was 7). Een dedicatie van Coornhert werd in 1590 geweigerd. Meestal echter schijnt de


1) R. & v. V., III, bl. 179, 1601.
2) Rutgers Kerkverband bl. 31. Vgl. ook R. & v. V., II, bl. 153 (Catech. en K.O. van Winghius).
3) MS. C, bl. 220.
4) De catalogus door Dr. H.C. Rogge opgemaakt is een werk van twee vrij zware banden.
5) Cf. vooral Rogge C.C., II, bl. 82, 91 vlgg.
6) Bv. classis Amsterdam, MS. B, 4 Mei 1592.
7) Rogge C.C., II, bl. 5.

|323|

overheid aan hare bepalingen niet streng de hand gehouden te hebben. Zelfs wanneer het politieke geschriften betrof, ging het menigmaal niet anders 1).

Een enkel maal is gevraagd een boek te verbranden, nl. de Remonstrantsche Taffereelen. Dit verzoek der gedeputeerden synodi in Overijssel 1618 is door de ridderschap en steden beantwoord met een besluit, »dat de Taffereelen souden ingetrocken worden« 2). Het verbranden van een exemplaar zou zeker niet meer uitgewerkt hebben dan dit besluit baatte.

 

Er waren echter ook andere wegen om de gevaren van boeken tegen te gaan. Allereerst het opstellen van rechtstreeksche refutaties en verder de uitgaven van goede boeken te bevorderen.

Refutaties zijn er tegen menig geschrift opgesteld 3).

In de classis Delft is zelfs gesproken over het aanleggen van een classicale boekerij, om de bronnen bij de hand te hebben en werd een verdeeling van werk ingevoerd om op verschillende boeken een afdoend antwoord te laten verschijnen 4).

De provinciale synode van 1620 in Zutphen, vond het echter niet goed al te veel eer aan de tegensprekers te bewijzen; evenals vroeger Dordt ’74 gezegd had: noem de titels spaarzamelijk, verwachtte ook zij meer van negeeren dan van refuteeren 5).

De uitgave van goede boeken werd dikwijls krachtig bevorderd.

De classis 6) zoowel als de kerkeraad 7) van Amsterdam hebben zich hierin verdienstelijk gemaakt. Voor den arbeid van Merula werden kopiën van aktestukken op aandringen van provinciale en andere synoden gemaakt 8). Vertalingen 9) van


1) Cf. Sepp Het Staatstoezicht, enz. bl. 15, 185.
2) R. & v. V., V, bl. 329.
3) R. & v. V., III, bl. 175. Marnix tegen de vrijgeesten.
» III, bl. 231. Donteclock tegen de waarzeggers.
» IV, bl. 50. Tegen ’t Fundamentboek van Arndt Berns, den perfectist.
» IV, bl. 189. Tegen den Jezuit Lessius.
» V, bl. 29. Pareus tegen de David-Joristen.
De opdracht aan Arminius tegen de Doopsgezinden is bekend. Classis Neder-Veluwe 1614 [MS. A, bl. 183] tegen de algemeene genade.
4) Cf. van Langeraad, Archief 1900 bl. 168, 175.
5) R. & v. V., IV, bl. 352.
6) Classis Amsterdam. MS. B, 1604 3 Mei.
7) Rutgers, Kerkverband, bl. 31.
8) R. & v. V., III, bl. 223. Ook aan van Meteren werden voor den herdruk van zijn boek rectificatiën aangeboden, bl. 266.
9) R. & v. V., III, bl. 174.

|324|

beroemde buitenlandsche werken te maken, korte homiliën over den catechismus, zelfs het plan om een corpus doctrinae saam te stellen, dit alles en meer werd door de kerkelijke vergaderingen goedgekeurd, en dikwijls opdracht en geldelijke steun hiervoor verleend aan daartoe bekwaam geachte personen.

Een vermelding van de besluiten in zake Bijbelvertalingen zou een kleine geschiedenis op zich zelf vormen.

 

Aldus werd beschermend en opbouwend te werk gegaan. Zwaard en troffel beide gehanteerd; met zorg acht gegeven, zoowel dat ’t kwade voedsel geweerd, het goede aan de gemeente verstrekt werd. De stichting der gemeente was het naaste doel, de verbreiding der waarheid Gods het groote werk.

———

Hoe ons oordeel over afzonderlijke daden en maatregelen ook moge luiden, de praktijk in haar geheel toonde, dat de gereformeerde kerk in Nederland in de jaren waarover dit onderzoek liep, ernst heeft gemaakt met hare roeping om het toebetrouwde pand te bewaren en in het midden der wereld zich te betoonen de pilaar en vastigheid der waarheid.