Brouwer, A.M. (1937)

De Kerkorganisatie der eerste eeuw en wij
Baarn
Bosch & Keuning
1937

Libellen-Serie Nrs. 199/200/201

jaartal niet aangegeven

Brouwer, A.M. (1937) Wv

Woord vooraf.

 

In het blad „Kerkopbouw” schreef ik enkele artikelen over de „organisatie der Kerk naar den eisch van Gods Woord”, men zou ook kunnen zeggen: over den schriftuurlijken grondslag van de kerkorganisatie. Van verschillende zijden werd mij gevraagd, deze artikelen afzonderlijk uit te geven. Zij waren echter te fragmentarisch en te veel in den vorm van dagbladartikelen geschreven, om ze zoo nog eens te bundelen. Ik besloot ze daarom uit te werken en met een aantal onderwerpen tot een afgerond geheel aan te vullen en dit als een nieuw geschrift aan belangstellenden aan te bieden. Onder belangstellenden versta ik hen die niet van te voren reeds weten, dat men vroeger veel dieper over deze dingen nagedacht heeft en een van de traditie afwijkende opvatting daarom reeds te veroordeelen is. Wij leven in een tijd, waarin de grondslagen ook van ons kerkbegrip aan een hernieuwd onderzoek worden onderworpen. Het is van belang, dat wij allen ons daarop bezinnen. Daarom heb ik getracht, op voor allen bevattelijke wijze de hier aan de orde komende vragen te behandelen en het daardoor duidelijk te maken, dat men voor verschillende organisatie een beroep op de H. Schrift kan doen.

A.M.B.

Brouwer, A.M. (1937) Inh

Inhoud.

 

 

 

blz.

 

Woord vooraf

3

1.

Verscheidenheid van Kerkinrichting in het algemeen

5

2.

Verscheidenheid van Eeredienst en Ambt

9

3.

Verscheidenheid in uitlegging der Bijbelsche gegevens

16

4.

Jezus en de Kerk

25

5.

De Gemeente te Jeruzalem

29

6.

De zeven mannen van Hand. 6

35

7.

Breedere vergaderingen en Hand. 15

39

8.

De Heiden-Christelijke Gemeenten

44

9.

Huisgemeenten

52

10.

De Geestes-ambten

57

11.

Oudsten, Opzieners en Diakenen

63

12.

De Vrouw in het Ambt

69

13.

Slechts drie Ambten volgens den Schriftuurlijken grondslag der Kerkorganisatie?

75

14.

De Zendingstaak der Kerk en hare Organisatie

80

15.

Persoonlijke Gezagsoefening of Kerkeraden en breedere Vergaderingen?

84

16.

Leertucht

91

17.

De Brief van Clemens aan Korinthe

99

18.

De Eeredienst in zijn Ontwikkeling

103

19.

De Dienst des Woords

107

20.

De Avondmaalsviering

113

21.

Het Liefdemaal

120

22.

De Doop

122

23.

Geen Sacramentalisme

125

24.

Slotbeschouwing

131

 

Brouwer, A.M. (1937) 1

|5|

1. Verscheidenheid van Kerkinrichting in het algemeen.

 

De verschillende kerken zijn verschillend georganiseerd. De oudste afdeeling der Christenheid, de Oostersche Kerk, erkent het patriarchaat van Constantinopel, dat zelfstandig staat naast het patriarchaat van Rome 1). De jongere afdeeling der Christenheid, de Westersche Roomsch-Katholieke Kerk, erkent den bisschop van Rome als eenig hoofd der kerk: het z.g. pauselijk of papale stelsel. In Engeland heeft de kerk, die reeds in de middeleeuwen een zekere zelfstandigheid bezat, zich van den paus vrij gemaakt en heeft het


1) Voor recht begrip van sommige hier gebruikte woorden een korte toelichting. Aan het eind der derde en het begin der vierde eeuw van onze jaartelling heeft de kerk de indeeling van het Romeinsche wereldrijk overgenomen. De christenen in een bepaald stadsgebied vormden een eenheid, een gemeente, die men dioecese noemde onder leiding van één bisschop (een woord dat afgeleid is van het Grieksche episcopus of opziener; vandaar dat een kerkinrichting met bisschoppen een episcopale organisatie wordt genoemd). De verschillende gemeenten in een provincie van het rijk vormen en eenheid als kerkprovincie, die onder de opperleiding staat van den bisschop van de hoofdstad of metropolis (daarom metropoliet genoemd). Verscheidene provincies samen staan onder de opperleiding van een z.g. patriarch (in 451 zijn het Rome, Constantinopel, Alexandrië, Antiochië en Jeruzalem). Het geheel of de Rijkskerk stond onder een algemeen concilie van bisschoppen, een z.g. oecumenisch concilie. Langzamerhand wist de bisschop van Rome een toenemend gezag over de andere bisschoppen te krijgen. Omstreeks 450 noemde de bisschop van Rome zich de paus van alle christenen: paus is een verbastering van papas, Grieksch pappas, dat „vader” beteekent. In dat woord paus werd uitgedrukt het centrale gezag van Rome over de christenheid. Dit heet het papale stelsel. De Hervorming heeft met dit stelsel gebroken. Zij stelde de plaatselijke gemeente op den voorgrond. Waar men nu de organisatie laat uitgaan van den plaatselijken kerkeraad (die met een Grieksch woord presbyterium wordt genoemd, d.i. raad van oudsten), daar wordt gesproken van een presbyteriale kerkorde. Vormen vertegenwoordigers der gemeenten een gezaghebbende synode, waarvan de besluiten voor alle gemeenten bindend zijn, dan hebben wij een presbyteriaal-synodale kerkorde. Wil men de gemeenten zelfstandig (d.i. autonoom) houden, zonder een gezag boven hen, dan spreekt men van onafhankelijken of independenten.

|6|

bisschoppelijk stelsel behouden, maar in nauwe aansluiting aan de overheid: hier kunnen wij spreken van een bisschoppelijke of episcopale kerk, maar ook van een vorm van caesaropapisme, d.w.z. een vorm van overheersching van de kerk door de overheid. In Amerika heeft men vormen van zuiver episcopale inrichting, zonder eenig verband met de overheid. In Duitschland hebben de vroegere Luthersche landskerken behalve een min of meer bisschoppelijke inrichting, die daar niet bisschoppelijk heette maar van super-intendenten sprak, ook een nauw verband met de overheid gekend: vandaar thans de groote moeilijkheden voor de vorming van een nieuwe kerkinrichting. In ons land was in den tijd vóór de (Fransche) revolutie van 1795 de Hervormde Kerk ten deele presbyteriaal-synodaal ingericht, maar met een verregaande medezeggingschap der overheid. Dit laatste werd in meer gematigden vorm na 1816 bestendigd, zonder dat het presbyteriaal-synodale tot zijn recht kon komen. De overheidsbemoeiïng hield in 1852 bijna geheel, in 1871 volledig op, terwijl sedert 1867 het presbyteriale (doordat de verkiezing van den kerkeraad in de handen der gemeente gelegd werd) meer tot zijn recht kwam. Maar nog steeds is er allerlei, dat men een bestuurlijke inrichting kan noemen en door een zuiver presbyteriaal-synodale orde vervangen wil zien.

Er is dus een zeer groote verscheidenheid van kerkinrichting, wanneer wij ons oog over de geheele christenheid laten gaan. En alle vormen van samenleving in geestelijk verband hebben wij nog niet eens opgesomd. Er zijn b.v. ook Christenen, die alleen van gemeentelijk verband willen spreken en geen gemeenschappelijke organisatie, die eenig dwingend gezag zou bezitten, boven de afzonderlijke gemeenten, willen erkennen. Dit zijn de z.g. congregationalisten (die alleen een congregatie of gemeente erkennen) of independenten: onafhankelijk van eenig over de afzonderlijke groepen gesteld gezag. Hiertoe kan men in ons land b.v. rekenen de Doopsgezinden en de Vrije Evangelische Gemeenten.

In de Nederl. Hervormde Kerk loopen de meeningen over wat de organisatie eener kerk behoort te zijn, uiteen. Er zijn er die de tegenwoordige bestuurlijke inrichting willen handhaven. Er zijn er die een zuiver presbyteriaal-synodale kerkorde verlangen. Er zijn

|7|

er die eigenlijk independent zijn en de volkomen autonomie van de plaatselijke gemeente zoo al niet begeeren, dan toch in de praktijk toepassen door zich van de vastgestelde reglementen zoo weinig mogelijk aan te trekken. Er zijn er die meer naar een bisschoppelijke organisatie neigen.

Bij een presbyteriaal-synodale kerkorde blijft verschil van opvatting mogelijk in de toekenning van vrijheid aan de plaatselijke gemeente. De een zal den nadruk willen leggen op het presbyteriale; de ander zal het synodale als noodzakelijk gezag naar voren brengen. De een zal zeggen: de gemeente is volkomen vrij te beroepen wien zij wil, als aan den beroepene de kerkelijke bevoegdheid is verleend. De ander zal zeggen: als die kerkelijk bevoegde opvattingen verkondigt tegen de grondbeginselen der algemeene kerk in, dan mag en moet de breedere vergadering ingrijpen. In een millioenen-kerk is een dergelijk verschil van opvatting begrijpelijk. Het geeft ook in de kerk een geestelijke spanning, noodig voor waarachtig geestelijk leven.

Het is uiterst moeilijk in dezen tot een algemeen-geldende opinie te komen.

Voor velen is die moeilijkheid echter niet zoo groot. Zij zeggen: wij moeten Gods Woord gehoorzamen en een organisatie invoeren, die overeenkomt met den eisch die daardoor is gesteld. Zij zien dien eisch vervuld in een zuiver presbyteriaal-synodale organisatie. Ieder die iets anders voorstaat, wordt door hen beschouwd als niet gehoorzaam aan den eisch van Gods Woord.

Dit is een krachtig argument, om breede kringen van het kerkvolk tot zich te trekken. Het is toch wel duidelijk, dat wie zich tegen den eisch van Gods Woord verzet, op gevaarlijke wegen ronddoolt en eigenlijk geen plaats in de kerk zou mogen innemen.

Maar hoe staat het met dien „eisch van Gods Woord”? Het is al dadelijk opmerkelijk, dat gegeven het geheel der Christenheid slechts een klein gedeelte het presbyteriaal-synodale stelsel voorstaat en het overgroote deel geacht moet worden tegen Gods Woord in te gaan. De mogelijkheid daarvan mag niet uitgesloten worden geacht, maar deze toestand dringt toch wel tot eenig nadenken. In ons eigen land heeft dat stelsel voor de staande kerk ook nog nooit zuiver

|8|

gegolden. Ging zij dan altijd tegen den eisch van Gods Woord in, tot op den huidigen dag? Ook daarvan is de mogelijkheid niet uitgesloten, maar ook dit feit dwingt tot nadenken.

Wanneer wij ons afvragen: Wat is de eisch van Gods Woord? dan is voor de organisatie van de kerk het antwoord niet zoo makkelijk te vinden als velen meenen. Zij zijn al te spoedig geneigd een bepaalde opvatting aangaande dien eisch als de eenig mogelijke of althans als de eenig toelaatbare te beschouwen. Maar bij een nauwkeurige uitlegging van de Heilige Schrift zou het wel eens kunnen blijken, dat hier voor zeer verschillende opvatting ruimte is.

Brouwer, A.M. (1937) 2

|9|

2. Verscheidenheid in Eeredienst en Ambt.

 

Bij de uitlegging van de bijbelsche gegevens is voor verschillende opvatting ten aanzien van eeredienst en kerkinrichting ruimte.

Wat de eeredienst betreft, in de Gereformeerde Kerken is men oorspronkelijk uitgegaan van de opvatting, dat in de godsdienstoefening alles moet geweerd worden wat met de schoonheid, wat met aesthetische indrukken, samenhangt. De prediking heeft zich te richten tot het geweten, moet dringen tot schuldbesef en bekeering en mag niet een aesthetische gewaarwording daarvoor in de plaats stellen. Terwijl de Roomsch-Katholieke Kerk het beeld, het symbool, in het middelpunt stelt, stelde de Hervorming de prediking van het Woord in het middelpunt. In de toenmalige Roomsch-Katholieke Kerk waren in dit opzicht groote misbruiken ingeslopen, niet het minst ten aanzien van de muziek. Ofschoon Zwingli, zelf goed zanger, met voorliefde de muziek beoefende, wilde hij alles wat met schoonheidsontroering samenhing uit den eeredienst weren; niet alleen de beelden, maar ook het orgel. En ofschoon Calvijn van de stelling uitging, dat de kunst een gave Gods is, die door de algemeene gratie den mensch ten goede komt, en hij de vader van den Psalmbundel kan worden genoemd, ging hij met Zwingli mee in het weren van de beelden, het orgel en andere instrumentale muziek uit den eeredienst.

Het is als reactie tegen de verregaande verwereldlijking der toenmalige Roomsch-Katholieke Kerk volkomen te begrijpen; en dat de Hervormers opkwamen voor een prediking die zich tot het geweten richtte, was volkomen juist. Maar de vraag rijst, of een koud kerkgebouw met kale muren en blanke vensters, en een eeredienst, waar geen orgel en geen veelstemmig gezang geduld wordt, toch niet eenzijdig één functie van den menschelijken geest op het oog heeft en te veel andere zijden verwaarloost.

Voor de opvatting van een van alle schoonheid gespeend gebouw en van alle kunst gespeenden eeredienst heeft men zich wel beroepen

|10|

op het tweede gebod, dat men zich geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis mag maken (waarbij men uit het oog verloor, dat daarop volgt: gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen; een oostersche nevenstelling, waarvoor wij zouden zeggen: gij zult u geen beeld maken, om u daarvoor te buiten en het te dienen). Doch daartegenover beriepen zich b.v. de anglicaansche theologen, die wel mooie gebouwen en wel een kunstvollen eeredienst willen, op den tempel van Salomo en op zoovele psalmen, die zeggen dat men God moet loven met bazuingeschal, met harp en cither, met tamboerijn en reidans, met snarenspel en fluit en met klinkende cimbalen.

Het komt mij moeilijk voor, het eerste wel en het tweede niet een eisch van Gods Woord te noemen. Zoo gemakkelijk liggen deze dingen niet, zooals ook op ander terrein duidelijk blijkt.

 

Op gelijke wijze namelijk is er groote verscheidenheid op te merken ten aanzien van de ambten die men in de kerk toelaatbaar acht. Dit hangt ten nauwste samen met het kerkbegrip, zooals ook bij de vraag naar den eeredienst het geval is. De Roomsch-Katholieke Kerk brengt de elementen van aanbidding en van het sacramenteel te ontvangen heil naar voren. Daarom wil zij weidsche kathedralen, schoone muziek, onbegrepen liturgie, priesters die het sacrament bedienen. Dit alles werkt gewijde stemming en een gevoel van afhankelijkheid. De Protestantsche Kerken brengen het element van schuldbesef en van bekeering, van prediking en gewetensrust naar voren en het priesterschap van alle geloovigen. Dat geeft ten aanzien van de ambten een geheel andere opvatting.

 

De Engelsche Quakers, of zooals zij zich zelve noemen: het genootschap van Vrienden, willen geen enkel ambt. Zij beroepen zich op Matth. 23: 8-10, vooral op het woord: „één is uw meester en gij zijt allen broeders.” In dit verband zegt de Heer duidelijk, dat de christen zich geen rabbi („leermeester”) en geen „vader” (eerenaam voor een geliefden leermeester: papas, pope, paus) en geen „voorganger” moet laten noemen. Dus ook geen „domme” (d.i. heer) of reverend of iets van dien aard.

|11|

Deze opvatting hangt met hun kerkbegrip samen. Rob. Barclay, die de theoloog der Quakers mag genoemd worden, heeft een „Verantwoording van de ware Christelijke Godgeleerdheid” geschreven 1), waarin hij begint met te zeggen, dat de opperste gelukzaligheid van den mensch in Gods ware kennis is gelegen en men deze alleen ontvangt door de innerlijke en onmiddellijke openbaring die de H. Geest schenkt. Volgens de Schrift zelf is de Geest oorspronkelijker en voornamelijker de Regel dan het geschreven woord. De kerk is het geheel van hen die in Gods licht en leven wandelen. Haar leden of Gemeente kunnen onder de Heidenen, Turken en Joden en uit alle de aanhangers der Christenen wezen: te weten de vrome menschen, die oprecht van hart zijn en die, hoewel in sommige dingen verblind, in hun harten rechtvaardig voor Gods aangezicht verschijnen. Daarvoor is een inwendige roeping door Gods licht in hun hart noodzakelijk. En hierin ligt ook de bevoegdheid om te getuigen en anderen te leeren. Daarvoor is geen bepaalde instelling in het ambt noodig.

 

De Engelsche Episcopalen daarentegen, die zich verzetten tegen een pauselijke kerk, maar de „Katholieke” kerk willen herstellen, zooals die aan het einde van de tweede en in het begin van de derde eeuw onzer jaartelling was geworden, staan een bisschoppelijke kerkregeering voor. Zoodra de kerk ontstond, zoo zeggen zij, had zij behoefte aan een organisatie en die is haar gegeven eerst in de apostelen en toen in de opzieners of bisschoppen, die door de apostelen zijn ingesteld.

Echte bisschoppen, zoo leerde vroeger de Anglicaansche theologie, zijn alleen zij, die hun ordening terug kunnen leiden op een ordening door de apostelen. Een hedendaagsche bisschop moet dan geordend zijn door een bisschop die op de rechte wijze geordend is, omdat hij ’t ontving van een bisschop die op de rechte wijze geordend was en zoo terug tot op den tijd der apostelen: de z.g. successie der bisschoppen. Nu is deze z.g. successie door de


1) Ik gebruik de Nederl. vertaling, 2e druk, 1757, uitgeg. bij A. Waldorp te Amsterdam.

|12|

Lambeth-conferentie reeds van 1921 als niet noodzakelijk meer erkend, om werkelijk bisschop te mogen heeten. Wetenschappelijk onderzoek had uitgemaakt, dat deze z.g. successie niet bestaan heeft en een later uitdenksel is geweest.

Dat neemt niet weg, dat men toch de bisschoppelijke organisatie beschouwt als oorspronkelijk door Christus gewild. Daarvoor beroept men zich dan gaarne op Matth. 18: 18, waar tot de discipelen gezamenlijk gezegd wordt: „Voorwaar ik zeg u: al wat gij op de aarde bindt, zal in den hemel gebonden zijn; en al wat gij op de aarde ontbindt, zal in den hemel ontbonden zijn.” Hier is een zekere tucht aan de apostelen opgedragen en met die zekere tucht dus een zeker gezag en met dat gezag een zekere organisatie. Deze tucht en dat gezag zou dan door de apostelen zijn overgedragen aan de latere opzieners der gemeenten, die door handoplegging in hun ambt werden gesteld ten teeken van die overdracht.

 

De Roomsch-Katholieke Kerk daarentegen is van oordeel, dat aan den paus de hoogste macht over de geheele kerk is opgedragen. Op het concilie van Trente (1545-1563), dat voor de nieuwere tijd de verordeningen vaststelde, werd dit uitgesproken 1). Ook de vorsten werden vermaand de heilige verordeningen der pausen op te volgen 2). Op het Vaticaansche Concilie van 1870 werd vastgesteld, dat de paus, als hij ex cathedra spreekt, onfeilbaar is.

Voor dit pauselijk stelsel beroept de Roomsch-Katholieke Kerk zich op Matth. 16: 19, waar het binden en ontbinden op aarde aan Petrus is opgedragen. Petrus zou de eerste bisschop van Rome zijn geweest (oude bisschopslijsten uit de tweede eeuw noemen echter Linus of Clemens als eersten bisschop). Zijn opvolgers zouden dezelfde „sleutelmacht” bezitten als Petrus (vandaar dat op het wapen van den kerkelijken staat twee sleutels voorkomen). Zij zijn de stedehouders van Christus op aarde. En Christus heeft gezegd: mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde 3). Dus heeft op aarde zijn plaatsvervanger, de paus, alle macht, zoowel geestelijke als wereldlijke macht. Dit zou ook de beteekenis zijn van de twee zwaarden, waarvan in Luk. 22: 38 sprake is.


1) 14e zitting, 7e hfdst.
2) 25e zitting, 20e hfdst.
3) Matth. 28: 18.

|13|

Ten deele wordt hier een zonderlinge uitlegging van sommige bijbelteksten gegeven. Ten deele worden hier ook veronderstellingen uitgesproken en conclusies getrokken, waarvoor men Roomsch-Katholiek moet zijn, om ze als juist te kunnen aanvaarden: in den Bijbel zelf komen die niet voor.

Met dit pauselijke stelsel is dan een rangorde of hiërarchie verbonden, die van den paus over aartsbisschop, bisschop, deken, pastoor enz. tot de laagste rangen der geestelijkheid afdaalt; maar met een duidelijke scheiding van geestelijken (die de hoogere zedelijkheid van den ongehuwden staat moeten beoefenen) en van leeken, die in hun Christenstaat van de geestelijken afhankelijk zijn.

 

De Gereformeerden van onzen tijd, voorzoover zij een presbyteriaal-synodale kerkorde voorstaan, willen van geen paus en geen bisschop weten, maar evenmin van een volkomen gelijkstelling van alle gemeenteleden en een verwerping van het ambt, zooals de Quakers voorstaan. Zij willen wel ambten doch slechts drie: dienaren des woords, ouderlingen en diakenen. Dit is de opvatting, zooals wij die in ons land kennen. Deze organisatie heeft haar voordeelen en haar nadeelen. Daarover zullen wij het nu niet hebben. Ons houdt thans de vraag bezig: heeft men recht deze drie ambten te verdedigen als „eisch van Gods Woord”?

Al dadelijk zij hier opgemerkt, dat onze Gereformeerde vaderen nog een vierde ambt hebben gekend, nl. dat van „leeraren” of doctores. Ik betwijfel, of het juist is, dat men deze tegenwoordig geheel laat varen. Er zijn vele vraagstukken, vooral wat de geloofsformuleering betreft, die beter door de „doctores” dan door de gemeenteleden-ouderlingen beantwoord kunnen worden. Wanneer er sprake is van ongeoorloofde afwijking van de kerkelijke verkondiging, zou de vraag onderworpen moeten worden aan het oordeel van de „doctores”, die immers door de kerk in de gelegenheid zijn gesteld, zich op het terrein van de geloofsformuleering bijzonder te bekwamen door kennis te nemen van alles wat daar mee samenhangt: kennis der oude talen, der oudheidkunde, der bijbelsche godgeleerdheid, der kerk- en dogmen-geschiedenis, der wijsbegeerte,

|14|

enz. Zoo werd het in 1933 ook in Duitschland in een nieuw voorgestelde reorganisatie bepleit.

De kerk zou dan, na ingewonnen advies harer doctores, in hare vertegenwoordigende vergadering een beslissing kunnen nemen.

Doch dit slechts terloops.

Voor de drie, of eigenlijk vier, ambten, beroept men zich op Calvijn. Men vergeet in den regel, dat Calvijn twee soorten van diakenen heeft willen onderscheiden, diakenen die zich aan de armverzorging, en diakenen die zich aan verpleging van zieken en aan bezoek van gevangenen (waaronder vele om geloofsredenen) wijdden. Het convent van Wezel (1568) heeft dit nog in zijn voorloopige kerkorde overgenomen.

En vrijwel onbekend is het, dat Calvijn de benoeming van de kerkeraadsleden niet aan de leden der plaatselijke gemeente heeft willen opdragen. Hij zegt, dat er voor het ambt tweeërlei roeping moet zijn: een inwendige en een uitwendige. De eerste is een persoonlijke zaak met God. De uitwendige is een zaak van de kerkorde. En nu is het merkwaardig, dat in de kerkorde van Genève van het jaar 1541, waarin Calvijns beginselen werden toegepast, de predikant geroepen, geëxamineerd en bevestigd werd door de andere predikanten. Na de beroeping heeft de stedelijke overheid recht van approbatie (goedkeuren of verwerpen). Heeft de overheid de keuze goedgekeurd, dan wordt de beroepene aan de gemeente voorgesteld en openlijk bevestigd. De ouderlingen, die mannen moeten zijn van onberispelijken levenswandel, godsvrucht en verstand, worden in overleg met de predikanten gekozen door en uit den stedelijken Raad. Dus niet de gemeenteleden hebben het recht van benoeming, maar de burgerlijke overheid. En niet ieder gemeentelid van onberispelijken levenswandel en godsvrucht is benoembaar, maar alleen leden van den stedelijken Raad.

Hier is tweeërlei duidelijk. Calvijn heeft niet een democratische vertegenwoordiging gewild, maar een aristocratische: alleen de meest aanzienlijke gemeenteleden konden kerkeraadslid worden door de keuze van de andere meest aanzienlijke mannen. En het tweede is, dat hij een zoo nauwe samenwerking tusschen kerk en overheid heeft gewild, dat hij den kerkeraad (bestaande uit de

|15|

meest vooraanstaande gemeenteleden van onberispelijken levenswandel en godsvrucht) door de overheid gekozen wilde hebben uit haar midden, om zoo in den kerkeraad een lichaam te hebben, waarin kerk en staat ten nauwste verbonden waren 1).

In de artikelen van het Wezelsche Convent van 1568 wordt ook bepaald, dat een godvruchtige overheid tezamen met de ouderlingen de predikanten moeten beroepen en de ouderlingen moeten benoemen.

In dit opzicht zijn de latere kerkorden afgeweken, waarschijnlijk wel, omdat men vaak met een niet-„godvruchtige”, een niet-gereformeerde overheid te maken had. En het werd van streng-kerkelijke zijde een beginsel, dat men overigens niet heeft kunnen doorvoeren, de overheid geheel buiten de beroeping van predikanten en benoeming van kerkeraadsleden te houden.

Wanneer men nu heden ten dage in zoo belangrijke punten (als tweeërlei diakenen; vertegenwoordiging van diakenen ook in breedere vergadering; nauwe samenwerking met de overheid; het ambt van doctoren) van Calvijn afwijkt, is het de vraag, waarom men dan wel vast wil houden aan zijn opvatting van slechts drie ambten.

Meermalen wordt beweerd, dat dit toch een „eisch van Gods Woord” is. Als men hiermee bedoelt wat wij omtrent de oud-christelijke ambten in het Nieuwe Testament vermeld vinden, dan kan men dit alleen op grond van een onverdedigbare uitlegging der H. Schrift volhouden.


1) Zie S. Schoch, Calvijn’s Beschouwing over Kerk en Staat. Groningen 1902.

Brouwer, A.M. (1937) 3

|16|

3. Verscheidenheid in uitlegging der bijbelsche gegevens.

 

Wat wij in het Nieuwe Testament omtrent de oud-christelijke ambten vermeld vinden, is voor verschillende uitlegging vatbaar. Hierover moeten wij ons niet verwonderen. In den eersten tijd van het bestaan der Christelijke Kerk was er een krachtig geloofsleven, dat zich wel stelde onder het gezag van de apostelen, maar weinig behoefte had zich om vragen van organisatie te bekommeren. Waar het noodig geacht werd, ontstond een begin van organisatie, zooals ons in Hand. 6 geteekend wordt. In den eeredienst luisterde men naar de woorden van het Oude Testament en naar de woorden der apostelen en naar de woorden die van den Heer zelf overgeleverd waren.

Maar men zag daarbij met spanning uit naar de wederkomst des Heeren en men liet zich leiden door wat aan Geestesuitingen in de gemeente viel waar te nemen, zoodat de vraag naar een blijvende kerkinrichting niet opkwam. Alles groeide naar de eischen van het oogenblik, spontaan en in de eene gemeente op een andere wijze dan in de andere. Daardoor is een verklaring die alles uit één bepaalde gedachte wil afleiden, nooit bevredigend. Dit wordt ons duidelijk, wanneer wij, zij het heel beknopt, kennis nemen van de meeningen van enkele hedendaagsche onderzoekers. In de volgende hoofdstukken willen wij dan op sommige punten dieper ingaan en trachten ons een eigen meening te vormen.

 

De groote Engelsche theoloog en kerkelijk leider J.B. Lightfoot gaf in 1868 zijn bekende commentaar op den brief aan de Filippensen en daarin een uitvoerige beschouwing over het christelijk ambt in de eerste twee eeuwen 1). Zijn opvatting komt in het kort hierop neer.


1) Bl. 180-269.

|17|

Oorspronkelijk waren de apostelen de eenige geestelijke leiders en tegelijk bestuurders van de jonge kerk. Al spoedig werd, volgens Hand. 6, hun arbeid verlicht door zeven diakenen, een geheel nieuwe instelling, die in het toenmalig Jodendom ook geen voorbeeld bezat en van Jeruzalem naar de heidenkerken overging. Na de tweede vervolging in Jeruzalem ontstond het ambt der oudsten of presbyters, dat niet een nieuwe instelling was, maar aan de synagoge ontleend. Dit ambt, dat ook naar de heidenkerken overging, werd hier opzienerschap of episcopaat genoemd. Deze opzieners of episcopoi („bisschoppen”) waren geen plaatsvervangers van de apostelen, daar de apostelen voor de geheele christenheid en de opzieners alleen voor de plaatselijke gemeente een taak te vervullen hadden. Uit het ambt van oudsten of opzieners ontwikkelde zich geleidelijk het ambt van den éénen opziener of bisschop. Hierop had de positie, die Jakobus, de broeder des Heeren, te Jeruzalem innam, ontegenzeggelijk invloed. Deze bisschoppelijke regeering moet in de andere gemeenten tusschen 70 en 100 van onze jaartelling zijn ontstaan; niet als vrucht van een opzettelijk besluit door een verondersteld maar nergens vermeld convent, zooals Rothe vermoedde, maar geleidelijk door den drang der omstandigheden ontwikkeld en gerijpt. Tot dien drang moeten vooral ketterijen gerekend worden, die de gemeente noopten in haar vertegenwoordiger zich daartegen uit te spreken. Toen er eenmaal een eenhoofdig episcopaat bestond, heeft ook diens macht zich geleidelijk ontwikkeld. Eerst was het centrum van eenheid; aan het einde der tweede eeuw bedoelde het handhaving der apostolische traditie. Cyprianus in het midden der derde eeuw verklaarde ten slotte den bisschop tot plaatsvervanger van Christus. Zoo heeft het ambt van oudste en dan van opziener geleidelijk steeds meer inhoud en meer kracht gekregen. Hiervan is echter te onderscheiden het „sacerdotalisme”, d.i. het priesterschap in dien zin dat het door de sacramenten bemiddelend de genade van God overdraagt. Dit begrip is niet bijbelsch en is niet geleidelijk gegroeid, maar eerst aan het einde der tweede eeuw uit het heidendom overgenomen. Het onderscheid tusschen geestelijken en leeken, dat men toen ging maken, heeft dit sacerdotalisme sterk bevorderd en zoo ontstaat ten slotte

|18|

het priesterschap, zooals de Roomsch-Katholieke Kerk het kent.

In deze beschouwing van Lightfoot treffen ons vooral twee dingen: hij is van meening dat het bisschoppelijk ambt van den aanvang af in kiem in de kerk aanwezig is geweest; maar hij weert het Roomsch-Katholiek begrip van priesterschap af. Het is het standpunt van den Anglicaan, die een episcopale kerkinrichting voorstaat.

 

Van Roomsch-Katholieke zijde heeft Pierre Batiffol een uitnemende studie over de wordende kerk geschreven 1), waarin hij tracht aan te toonen, dat de oorspronkelijke christenheid geleidelijk zich tot Katholicisme en tot Roomsch-Katholicisme heeft ontwikkeld, omdat de beginselen van dit laatste geheel in de oorspronkelijke gemeente aanwezig waren.

Zijn betoog loopt in hoofdzaak langs de volgende lijnen. Christus heeft de apostelen aangesteld met een bepaald gezag over de christenheid en onder hen had Petrus een geheel overheerschende plaats. De oudste christenheid vormde naast Jodendom en Heidendom een geheel eigensoortige gemeenschap, die als „Kerk” een geestelijke en zichtbare eenheid vormde. In de afzonderlijke gemeenten ontstonden plaatselijke ambten, die door de apostelen waren ingesteld en met bovennatuurlijke krachten begiftigd. Het door hen verkondigde geloof is overal een van buiten komende gezagsinstantie, want het geloof is een gebod of een onderwijzing van God den Heer, op het getuigenis der apostelen aanvaard. Waar de opziener of bisschop is, daar is de plaatselijke gemeente (Batiffol zegt dit van de allereerste Christengemeenten), zooals daar waar de Katholieke Kerk is, Jezus Christus is. De apostolische successie en het gezagsstandpunt der bisschoppen wordt duidelijk geleerd in den eersten brief van Clemens (omstr. 95 na Chr. geschreven). Hij heeft dat niet uitgevonden, maar het bestond van den aanvang af in de door de apostelen ingestelde kerkelijke overheid. Ook het „sacerdotalisme”, dat door Lightfoot als van veel lateren datum wordt voorgesteld,


1) P. Batiffol, L’Eglise Naissante et le Catholicisme, 12e duizend, Parijs, 1927.

|19|

is volgens Batiffol van het begin af door Christus zelf gewild, en zou in de bediening van doop en avondmaal als werkzame genademiddelen reeds tot uiting komen. En reeds heel vroeg treedt Rome op den voorgrond.

In deze beschouwing is al wat later ontstond, terug verlegd in het oudste christendom. Wat volgens ons besef telkens ombuigingen zijn, zoodat het resultaat ten slotte ver afwijkt van den oorsprong, wordt hier voorgesteld als van den aanvang aanwezig en bedoeld. Het koninkrijk Gods is de kerk. Christus gaf daarvoor zijn opdrachten. De kerk is één, ook zichtbaar één. Wanneer dit ten slotte in den paus tot uiting komt, dan is dat langs een rechte ontwikkelingslijn.

 

Onder de Protestanten heeft, lijnrecht tegen het Roomsch-Katholieke stelsel in, de jurist Rud. Sohm een geheel eigen plaats ingenomen. In 1892 gaf hij het eerste deel van een uitvoerig werk over kerkrecht uit 1), waarin zijn eerste stelling luidt: het kerkrecht is in tegenspraak met het wezen der kerk.

Het wezen van de kerk is geestelijk, het wezen van het recht is wereldlijk. De kerk wil door de heerschappij van den goddelijken Geest geleid, geregeerd worden; het recht is altijd slechts in staat menschelijke heerschappij te doen ontstaan. De kerk is krachtens haar ideaal en haar wezen het volk en het rijk Gods, het lichaam van Christus op aarde. Het is ondenkbaar, dat het rijk Gods menschelijke (juridische) organisatie-vormen, dat het lichaam van Christus menschelijke (juridische) heerschappij bezitten zou. Dit staat in lijnrechte tegenstelling tot het Katholicisme, welks wezen daarin rust, dat het de rechtsorde als noodzakelijk voor de kerk aanvaardt. Maar het staat ook in tegenstelling tot die Protestantsche opvattingen, die een rechtsorde beschouwen als met het wezen der kerk overeenstemmend. De geschiedenis van het kerkrecht weerlegt deze opvatting, zegt Sohm.

Oorspronkelijk bestond er in de Christelijke gemeente geen leerambt.


1) Rudolph Sohm, Kirchenrecht. Bd. I Die geschichtlichen Grundlagen. Anastat. Neudruck 1923, München en Leipzig.

|20|

Wat er aan ambten bestond, diende alleen het beheer en de leiding der uiterlijke aangelegenheden, een zuiver wereldlijke werkzaamheid, zooals elke vereeniging die bezit. De prediking berustte geheel op genadegave. En wat aan organisatie bestond, is oorspronkelijk alleen plaatselijke gemeente-inrichting geweest.

Onder ekklesia (het Fransche église, kerk, gemeente) wordt steeds het geheele Godsvolk, de gezamenlijke Christenheid, het lichaam van Christus bedoeld, ook daar waar het schijnbaar anders is. En hier is een juridische, menschelijke regeermacht onmogelijk, omdat alleen Christus hier moet regeeren. De leeraar moet het Woord bedienen en daardoor regeeren en tucht oefenen, maar dit is geen juridische macht. Zoo nog altijd Sohm.

Er is, zegt hij, wel in de eerste eeuwen een en ander aanwezig, dat tot een grondslag van de latere kerkorde kan dienen (bediening van het H. Avondmaal, kerkegoed, opzieners en diakenen en oudsten die daarin hun werkzaamheid vinden), maar een rechtsorde in juridischen zin was dit nog niet. Die treedt ons past in den eersten brief van Clemens (omstreeks 95 na Chr.) tegemoet. En hiermede begint het eigenlijke kerkrecht, dat een geheel nieuwe periode inluidt 1). Dat hier iets geheel nieuws is begonnen, ontkent het Katholicisme, welks wezen daarin bestaat, dat het geen onderscheid maakt tusschen kerk in religieuzen zin en kerk in rechtelijken zin.

Een Roomsch-Katholiek geleerde, Hans Barion 2) heeft Sohms stelsel een goed sluitend en onaantastbaar stelsel genoemd, als men met hem zijn kerkbegrip deelt, waarbij het niet in de eerste plaats op de dogmen aankomt maar op den wil om God te dienen; waarbij het voornaamste is het innerlijk „zaligmakend” geloof en niet de geloofsleer. In laatste instantie zou ook hier het van te voren reeds bestaande kerkbegrip het historisch onderzoek beheerschen.

Ten deele is dit juist. Maar ook bij een Protestantsch en niet-Roomsch-Katholiek kerkbegrip kan men toch tegen Sohms opvatting ernstig bezwaar hebben. Dit blijkt daaruit, dat o.a. Ad. v. Harnack Sohm heeft bestreden.


1) Over den brief van Clemens, zie hfdst. 17.
2) H. Barion, Rudolph Sohm, Tübingen 1931.

|21|

Harnack 1) bestrijdt de opvatting dat godsdienst en recht tegenstellingen zijn. Zelfs genadegave sluit recht niet uit, omdat zij in bepaalde omstandigheden macht heeft om te onderwerpen en te oordeelen. Ook kerk en recht sluiten elkaar niet uit, want de kerk is een verzameling van geroepenen en verkorenen, waarmee iets gemeenschappelijks is gegeven. Dit gemeenschappelijke is iets menschelijks, eischt gezag en bestrijding der zonde: hier ligt de kiem van de organisatie en het daarop gebouwde kerkrecht. De brief van Clemens beteekent wel een nieuw stadium in de ontwikkeling, maar in wezen brengt hij niets nieuws.

Harnack ontkent ook, dat de kerk een opzettelijke en onmiddellijke stichting van Christus zelf zou zijn. Hier komen allereerst de plaatsen bij Mattheüs in geding, waar Jezus spreekt van binden en ontbinden. Volgens Harnack zijn die niet van Jezus zelf afkomstig, maar als gemeente-theologie te beschouwen. Daarmee vervalt al dadelijk het verband tusschen Jezus en de oudste kerkformatie. Maar afgezien hiervan blijkt duidelijk uit het verder verloop der geschiedenis, dat telkens de nieuwe verhoudingen en moeilijkheden oorzaak waren tot vorming en uitbouw van de organisatie.

Oorspronkelijk bestond de gemeente uit Joden-Christenen. Door hen werd het begrip Gods volk te zijn en de gewoonten der synagoge in het Christendom overgebracht. Dit is een der wortelen van de christelijke organisatie. Maar deze ontstond ook uit de overtuiging, de Messiaansche gemeente van den eindtijd te zijn: als zoodanig moest zij zich rein en heilig houden, wat ten slotte alleen door straf en ban mogelijk was. Ten slotte zocht de nieuwe gemeenschap ook uit zichzelf naar vaste vormen en inrichtingen. Naast de apostelen, profeten en leeraars werden te Jeruzalem zeven mannen gekozen, waarvan het in ’t geheel niet duidelijk is wat zij bedoelden te zijn. Misschien waren het Hellenistische mededingers der apostelen; zeker geen diakenen. Na de tweede vervolging te Jeruzalem komt er een geheele verandering in de organisatie, doordat nu Jakobus en de oudsten in de plaats der twaalven treden.


1) Ad. Harnack, Entstehung und Entwickelung der Kirchenverfassung und des Kirchenrechts in den zwei ersten Jahrhunderten. Leipzig 1910.

|22|

Bij de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 is ook voor de Joden-Christelijke gemeente het einde aangebroken.

In de heiden-christelijke gemeenten treden de charismatische ambten — d.i. alleen op genadegave rustende ambten — naar voren voor de geestelijke leiding. Ook vrouwen vervulden een rol. Daarnaast treden in de „oudsten” gekozen gemeente-ambtenaren op voor administratie en uitvoering van genomen besluiten. Zij worden met een in de heidensche verhoudingen algemeen gebruikelijk woord voor sommigen arbeid ook „opzieners” of episcopoi („bisschoppen”) genoemd.

In den apostolischen tijd zijn deze oudsten, opzieners (en ook diakenen) van ondergeschikte beteekenis. Maar naarmate de eerste bewogenheid door den Geest plaats maakte voor minder geestdriftige verhoudingen en de charismatische ambten daardoor ook verminderen, traden de opzieners en diakenen meer naar voren. Ten slotte vormden deze gekozen ambtsdragers de geheele organisatie.

Door verschillende omstandigheden, zooals de geregelde leiding bij de avondmaalsviering, de vertegenwoordiging der gemeente naar buiten en inzonderheid de bestrijding der ketterijen, kwam één van de opzieners of episcopoi steeds meer naar voren, zoodat ten slotte het éénhoofdig episcopaat (de anderen besturende eenige bisschop) ontstond.

 

Dit overzicht willen wij besluiten met in het kort de meening van een der bekwaamste Engelsche theologen uit onzen tijd weer te geven, die het voor een deel met Harnack eens is, maar meer den nadruk legt op de verscheidenheid: B.H. Streeter 1).

Streeter zegt, dat van de apostelen alleen Petrus, Paulus, Jacobus en ten deele Johannes ons eenigszins bekend zijn. Zij zijn (behalve Paulus) misschien te Jeruzalem gebleven, maar niet als een college dat de organisatie en de leer der kerk beheerschte. Zij riepen op tot bekeering voor den aanstaanden oordeelsdag, waarbij organisatie voorloopig onbelangrijk werd geacht. Wanneer deze ontstond,


1) B.H. Streeter, The Primitive Church. London 1930.

|23|

was het onopzettelijk, om bepaalde omstandigheden die daartoe drongen. En daardoor was de organisatie in de verschillende gemeenten in den aanvang heel verschillend. Eerst omstreeks het jaar 200 van onze jaartelling was er een gelijke kerkelijke organisatie geboren, die de vroegere verscheidenheid verving.

Enkele voorbeelden van deze verscheidenheid vinden wij te Jeruzalem, Antiochië, Efeze, Rome.

In Jeruzalem is er naast de Joodsche een Joodsch-christelijke gemeenschap of synagoge ontstaan, waarin naar het Joodsche voorbeeld oudsten de leiding hadden en Jakobus als broeder des Heeren, die de vroomheid van Jezus’ ouderlijk huis vertegenwoordigde, een geheel eigensoortig gezag uitoefende, zoodat wij hier al kunnen spreken van een éénhoofdige leiding. Dit geval stond geheel op zich zelf.

In Antiochië was een heiden-christelijke gemeente ontstaan buiten de apostelen om, die te Jeruzalem bleven. Daarom werd niet de Jeruzalemsche gemeente tot model gekozen, maar hier zouden profeten en leeraars de leiding hebben gehad (Hand. 13: 1).

In Efeze waren verscheidene oudsten, die ook opzieners werden genoemd (Hand. 20: 28). Uit 2 en 3 Joh., brieven van „den oudste” Johannes, meent Streeter te mogen afleiden, dat deze „oudste” een leidende positie te Efeze had en daar dus omstreeks 100 reeds een eenhoofdig episcopaat bestond.

In Rome was er een meervoud van oudsten, die de leiding hadden. Tot hen behoorden „opzieners” en mogelijk ook diakenen. Clemens zegt, dat zij oorspronkelijk door de apostelen waren aangesteld, maar als men hier van apostolische successie zou willen spreken, dan bestond die niet ten opzichte van een enkelen bisschop, maar van het college: een presbyteriale successie. De profeet is aan de geregelde bediening door de oudsten ondergeschikt, wat heel anders was dan in Syrië. Omstreeks 100 zal er te Rome reeds een van de oudsten meer naar voren zijn getreden, die eerst later „de” bisschop werd genoemd. In het midden der tweede eeuw is hier dan ook het eenhoofdig episcopaat gevestigd.

 

Wat wij hier in een kort overzicht van vijf verschillende schrijvers

|24|

hebben samengevat, is ontleend aan uitvoerige boeken, die zij ieder van hun standpunt uit over dit onderwerp hebben geschreven. Daaruit blijkt, dat de vraag naar de oudste kerk in onzen tijd groote belangstelling heeft en tot diepgaande studies aanleiding heeft gegeven. Voor ons eigen land zouden wij nog kunnen wijzen op het proefschrift, dat dr. D. Jacobs in 1927 wijdde aan „de verhouding tusschen de plaatselijke en de algemeene kerk in de eerste drie eeuwen”.

Eén ding moet ons wel duidelijk zijn geworden: de Nieuw-Testamentische gegevens omtrent de oudste organisatie zijn zoo schaarsch, dat men zeer verschillende theorieën met een beroep op die gegevens kan voordragen. Hieruit volgt, dat men slechts met groot voorbehoud over den schriftuurlijken grondslag van eenige organisatie mag spreken en dat het niet geoorloofd is, één bepaalde theorie voor te stellen als alleen overeenkomstig Gods Woord.

Dit zal ons nog duidelijker worden, wanneer wij nu enkele onderdeelen nader gaan beschouwen en ons van de hier bestaande moeilijkheden bij de uitlegging en toepassing rekenschap geven.

Brouwer, A.M. (1937) 4

|25|

4. Jezus en de Kerk.

 

Wij hebben gezien, dat Harnack ontkent, dat Jezus aan eenige organisatie der kerk heeft gedacht. „Volgens alle regelen der historische kritiek” zou men gedwongen zijn, de plaatsen die in het evangelie van Mattheüs op de gemeente of kerk betrekking hebben, als niet van Jezus afkomstig te beschouwen. Dat zijn Matth. 16: 18v., 18: 15-18.

De tegenwoordige historische kritiek laat zich niet meer zoo beslist uit. De woorden in Mattheüs 16 en 18 klinken geheel semietisch en moeten in elk geval in Palestina zijn ontstaan. Zij gaan, zooals Strack-Billerbeck uitvoerig aantoont, terug op Joodsche verhoudingen. Er zijn kritische Duitsche onderzoekers die hun echtheid tegenwoordig dan ook weer aannemen. En ook wij willen daarvan uitgaan.

Wat lezen wij nu in Matth. 16: 18v.? Nadat Jezus Petrus heeft zalig gesproken, omdat hij in den Zoon des Menschen den beloofden Messias heeft erkend, zegt hij:

En ik zeg u: gij zijt Petrus, (de rotsman,) en op deze rots zal ik mijne gemeente bouwen, en de machten van het doodenrijk zullen haar niet overweldigen. U zal ik geven de sleutelen van het koninkrijk der hemelen; al wat gij op de aarde bindt, zal in de hemelen gebonden zijn; al wat gij op de aarde ontbindt, zal in de hemelen ontbonden zijn.

Laten wij met het laatste beginnen. In het Joodsch-Christelijke evangelie van Mattheüs vinden wij telkens aanduidingen, dat de Godsnaam vermeden wordt. Zoo wordt in plaats van koninkrijk Gods bijna overal gesproken van koninkrijk der hemelen. Zoo beteekent ook in dit verband „in de hemelen” hetzelfde als God. Wat dus op aarde gebonden of ontbonden wordt door Petrus zal als zoodanig worden erkend door God. Hiermede wordt een groot gezag aan Petrus toegekend.

|26|

Maar in Matth. 18: 18 wordt dezelfde macht aan de discipelen gezamenlijk geschonken. Dit moet wel tot voorzichtigheid manen, om aan Petrus niet zulk een overheerschende plaats toe te kennen, als de Roomsch-Katholieke uitlegging dat doet.

Wat „binden” en „ontbinden” betreft, dit zijn woorden, die in de Joodsche synagoge gebruikelijk waren voor beslissingen van een schriftgeleerde: hij „bindt” iets, als hij iets verbiedt; hij „ontbindt” iets, als hij iets toelaat, natuurlijk niet uit eigen machtsvolkomenheid maar op grond van de rechtstraditie. Hieruit zou men kunnen afleiden, dat Petrus en de discipelen de bevoegdheid krijgen, om te beslissen wat de geloovigen mogen doen en niet-doen. Maar in Mattheüs 18: 18 is toch meer gedacht aan toelaten of uitsluiten uit de gemeente. Misschien is het daarom het beste „binden” en „ontbinden” in algemeenen zin te nemen voor „beslissen” ten goede of ten kwade.

De sleutelmacht beteekent hetzelfde: wie de sleutels heeft, heeft de macht om toe te laten of buiten te sluiten. Wanneer hij opent, sluit niemand; wanneer hij sluit, opent niemand. Zoo heeft Sebna in Jesaja 22: 22 den sleutel van het huis Davids op den schouder: de geheele koninklijke huishouding is aan hem ondergeschikt. Dit openen en sluiten wordt Openb. 3: 7v. van Christus gezegd. Zoo wordt aan Petrus leer- en tuchtmacht over de gemeente, hier gelijk aan het koninkrijk Gods, opgedragen. In Matth. 18: 18 wordt het aan de discipelen gezamenlijk opgedragen 1).

Wij kunnen uit deze plaats afleiden, dat Petrus, als degene die steeds voor de discipelen antwoordt, een bevoorrechte plaats onder hen inneemt. Dit komt bij de stichting der kerk in Hand. 2 ook duidelijk uit. Hier is in vervulling gegaan, dat op deze rots Christus zijne gemeente (ekklesia, dus ook „kerk” te vertalen) zou bouwen 2).

Dat deze bevoorrechte plaats van Petrus en de bevoegdheid der discipelen over zou gaan op personen na hen, vinden wij niet vermeld. Zelfs in de tweede eeuw is nog geen spoor te vinden van het


1) Vergel. G. Dalman, Die Worte Jesu I. Leipzig 1930. S. 174ff.
2) De Stat. Vert. hebben zorgvuldig het woord „kerk” vermeden, zeker wel om Roomsche superstitiën te vermijden. Kerk gebruiken ze alleen voor afgodstempel, Hand. 19: 35 en 37.

|27|

primaat van Petrus, dat aan zijn opvolgers zou zijn overgedragen 1). Dat hij de eerste bisschop van Rome zou zijn geweest, was toen ook nog onbekend. Irenaeus noemt als zoodanig Linus, Tertullianus omstreeks 200 Clemens. Men kan alleen als historisch zeker aannemen, dat Petrus inderdaad te Rome vertoefd heeft en daar den martelaarsdood gestorven is 2).

Wat kunnen wij verder uit Mattheüs 16: 16 v.v. voor de organisatie der kerk afleiden?

Allereerst, dat Jezus zelf de „gemeente” of ekklesia als een eenheid gedacht heeft tegenover het rijk der duisternis, en dat aan de apostelen de bevoegdheid wordt gegeven toe te laten of buiten te sluiten. Dit wijst in de richting van een organisatie.

In Mattheüs 18: 16 v.v. is sprake van een plaatselijke „gemeente” of ekklesia, waar ook een bepaalde tuchtoefening (en wel levenstucht, volgens het verband, geen leertucht) op organisatie wijst.

Meer mogen wij uit deze plaatsen niet afleiden. Ze zonder meer voor onze kerkelijke tuchtoefening te gebruiken, is ongeoorloofd. Wij nemen niet aan, dat de georganiseerde kerk, zooals wij die kennen, welke ook, ident zou zijn met het koninkrijk Gods. Wij nemen ook niet aan, dat de uitspraak van een synode, van een concilie of van een paus inderdaad ook door God als bindend wordt erkend. De zeer bijzondere plaats die de apostelen ten opzichte van de kerk hebben ingenomen, mogen wij niet overdragen op personen of vergaderingen na hen.

Jezus heeft wel aan een organisatie gedacht, maar hoe deze zou moeten zijn, heeft hij geheel aan de ontwikkeling in de toekomst overgelaten. Eenerzijds omdat voor hem het komende Godsgericht in het middelpunt zijner prediking stond. Anderzijds omdat zijn paedagogische wijsheid geen bindende bepalingen voor de uiterlijke vormen wilde geven.

Roomsch-Katholieke uitlegging meent, dat Jezus in de veertig dagen na zijn opstanding wel degelijk nader onderricht over de kerk heeft gegeven. Immers in Hand. 1: 3 wordt gezegd, dat Jezus zich


1) Dit wordt ook erkend door den Roomsch-Katholieken hoogleeraar Dr. Karl Pieper, Jesus und die Kirche, Paderborn 1932, S. 72.
2) H. Lietzmann, Petrus und Paulus in Rom. Berlin u. Leipzig 1927, S. 238.

|28|

toen telkens aan de discipelen vertoonde en tot hen sprak „over hetgeen met het koninkrijk Gods verband houdt”. Wij zouden er niet aan denken, hierbij de organisatie der kerk ter sprake te brengen. Maar stellen wij met de Roomsch-Katholieke kerk het koninkrijk Gods gelijk aan de kerk, dan komen wij heel wat dichter bij die uitlegging. Dan zou Jezus, vóórdat hij voorgoed heenging, telkens met zijn discipelen over de kerk gesproken hebben; over het blijvend aardsch instituut, zoo wordt dit dan nader toegelicht. Was dit juist, dan zou ook de organisatie wel besproken zijn en dan krijgt men hier vrije speelruimte voor alle mogelijk onderricht, waarvan wij wel niets weten maar dat daarom te meer aan de vrije fantasie de gelegenheid tot uitbeelding van een geheel Roomsch gedachte instelling biedt.

Daar wij meenen, dat het koninkrijk of koningschap van God niet gelijk te stellen is met een aardsch, een menschelijk instituut, en dat wij bij dat koningschap te denken hebben aan de dynamische werking en openbaring van God en niet aan een statisch door uiterlijke grenzen goed te omschrijven begrip als de kerk toch is, moet voor ons Hand. 1: 3 buiten beschouwing blijven en moeten wij ons bovendien verzetten tegen de poging, om in die voor ons onbekende gesprekken allerlei te fantaseeren dat voor de een of andere stelling steun moet bieden.

Brouwer, A.M. (1937) 5

|29|

5. De gemeente te Jeruzalem.

 

In het boek der Handelingen wordt ons een uitvoerige beschrijving gegeven over het ontstaan en de eerste lotgevallen der oudste Christengemeente, de gemeente te Jeruzalem, die als moedergemeente kan gelden.

Zij wordt op den Pinksterdag, onder teekenen van groote bewogenheid, na een rede van Petrus gesticht en neemt dadelijk een groote vlucht.

Of de getallen, die aan het einde van het tweede hoofdstuk genoemd worden, volledig vertrouwen verdienen, is de vraag. Men trachte eens te berekenen, hoeveel tijd er noodig zou zijn om naar 2: 41 drie duizend menschen te doopen. En als er ongeveer vijf duizend mannen tot de gemeente behoorden, 4: 4, dan zou dit wijzen op een zielental van twintig à vijfentwintig duizend christenen 1). Jeruzalem werd volgens sommigen door 55000, volgens anderen door 95000 menschen bewoond. Al zouden wij het hoogste cijfer laten gelden, dan zou de gemeente binnen korten tijd reeds het vierde gedeelte (of anders zelfs de helft) van de geheele bevolking hebben omvat. Dit zou men moeilijk kunnen rijmen met het brutale optreden der machthebbers, of met de poging van Paulus, om de gemeente uit te roeien. Het is een bekend feit, dat men in historische geschriften, die, zooals hier bij Hand. het geval is, een veertig, vijftig jaren na de gebeurtenissen geschreven zijn, aan cijfers niet te groote waarde moet hechten.

Wij worden hierin gesterkt door wat Lukas omtrent de gebruiksgemeenschap der eerste Christenen vertelt: „zelfs niet een zeide, dat iets van hetgeen hij bezat, zijn eigendom was; maar alles hadden zij gemeen” (4: 32). Hij corrigeert dit zelf door de mededeeling in 5: 4, waar Petrus aan Ananias voorhoudt, dat het stuk grond,


1) D. Jacobs, De Verhouding tusschen de Plaatsel. en de Algemeene Kerk, enz. bl. 41. Bij de groote gezinnen van dien tijd is de berekening zeker niet te hoog, eerder te laag.

|30|

onverkocht, toch zijn eigendom had kunnen blijven en de opbrengst na den verkoop tot zijn beschikking stond. Ook het groote huis, dat Maria in 12: 12 bezit, wijst er op, dat er alleen van verbruikscommunisme gesproken kan worden.

Uit het noemen dier getallen af te leiden, dat er zeker ook een zekere administratie en registratie heeft bestaan, gaat daarom buiten de historische waarschijnlijkheid.

Dit neemt niet weg, dat er overigens verschillende redenen zijn aan te voeren, waarom het boek der Handelingen in het eerste gedeelte over het algemeen betrouwbare gegevens bevat en in het tweede gedeelte een geschiedboek van den eersten rang genoemd mag worden.

 

De gemeente te Jeruzalem kenmerkte zich door drieërlei: zij waren vol geestdrift, één van hart en één van zin 1); zij zagen uit naar de tijden der verademing, waarin God Jezus die tot Christus bestemd was, zou zenden 2); zij waren gehoorzaam aan de tot hen gebrachte prediking 3).

Men kan op elk van die kenmerken bijzonderen nadruk leggen. Men kan zeggen: de eerste gemeente was een groep van geestdriftige belijders, die vol enthousiasme over Jezus als den Messias spraken en meermalen door ’t spreken in geestestalen van hun groote bewogenheid blijk gaven. Dan legt men den nadruk op de menschelijke affecten, die hierbij in geding kwamen.

Men kan zeggen: de eerste gemeente was een groep van Messias-belijders, die in zulk een spanning hun blik op de naderende wederkomst van den opgestanen Heer gericht hielden, dat zij voor het tijdelijke en aardsche geen aandacht meer hadden. Dan ziet men in de eerste gemeente hoofdzakelijk een soort psychischen kramp, die de gemeenteleden aan bewustzijnsverenging deed lijden.

Men kan ook zeggen: de eerste gemeente bestond uit mannen en vrouwen, die door de prediking getroffen waren en haar aanvaardden; die in geloofsgehoorzaamheid zich stelden in den dienst des Heeren en daarvoor spot en vervolging gewillig droegen. In die


1) Hand. 4: 32.
2) 3: 20 v.
3) 2: 36 v.v., 4: 19 v., 5: 32, 6: 7 enz.

|31|

geloofsgehoorzaamheid ligt hun blijdschap en hun verwachting van de komst des Heeren.

Als wij met deze drieërlei mogelijkheid voor oogen de eerste hoofdstukken van Hand. lezen, dan zal het ons duidelijk worden, dat het derde de bedoeling van Lukas is.

 

De geloofsgehoorzaamheid bestond daarin, dat zij in Jezus den Messias erkenden en zich daarom lieten doopen, om opgenomen te worden in de gemeenschap waarover hij Heer is (dit is het gedoopt worden „in den naam van Jezus”). Hierdoor vormden zij een eigen, afzonderlijken kring. Maar overigens bleven zij trouw in hun tempelbezoek en hielden zij ook de besnijdenis en de sabbatsviering als vanzelfsprekend aan.

Zoo vormde deze Joodsch-Christelijke gemeente in het Jodendom van die dagen een eigen geheel. Er waren verschillende „synagogen”, ook in den zin van „groepen” te Jeruzalem, zooals 6: 8 duidelijk laat uitkomen. De Christenen vormden in den eersten tijd ook zulk een eigen groep binnen het Jodendom; men zou kunnen zeggen ook een eigen „synagoge”. Maar zij waren daarbij overtuigd, dat hun de beloften der vaderen toekwamen. En naarmate de andere Joden, vooral de leiders en voorgangers, hen bestreden en vervolgden, naar die mate werden zij zich bewust, dat zij het eigenlijke Godsvolk waren, het ware Israël. Dit drukten zij uit, door te zeggen, dat zij de „ekklesia” waren, in dit verband in den vollen zin van „het geroepen volk”, zooals het in de Grieksche vertaling van het O.T. werd uitgedrukt. Deze gedachte laat geen meervoud toe.

Zij vormen het Godsvolk te Jeruzalem. Maar als er ook gemeenten in het omliggende gebied en in geheel Palestina, ook in Samaria, ontstaan, dan is ook daar alleen het enkelvoud mogelijk: zij zijn de ekklesia, het Godsvolk, in Judea, Galilea, Samaria; zoo in 9: 31 naar de oudste handschriften (de jongere hebben wel het meervoud, wat uit het gebruik in de heiden-christelijke gemeenten te verklaren is; zie beneden in het daarover handelende hoofdstuk).

 

Deze oudste gemeente, die kennelijk een eigen nauw omsloten

|32|

gemeenschap vormde 1), stond onder leiding van de apostelen. Zij vertegenwoordigden de gemeente naar buiten. Zij werden aansprakelijk gesteld voor haar bestaan en haar optreden. Zij oefenden over de gemeente gezag en pasten, zooals in het geval van Annanias en Saffira, strenge levenstucht toe.

Zij zullen daarbij steun hebben gehad van mannen en vrouwen, die naar de mate hunner krachten de gemeente mede trachtten te bouwen. Zoo wordt in hoofdstuk 6 door de apostelen gevraagd, dat men om zal zien naar zeven mannen, die „goed bekend staan en vol van Geest en wijsheid zijn”. Dit laatste moet dan toch uit hun optreden gebleken zijn. Dat hierbij ook aan een zekere wijkverdeeling gedacht zou moeten worden, is moeilijk vol te houden. Men komt tot zulke redeneeringen door een al te fantasie-rijke, onjuiste geschiedschrijving. Tot deze onderstelling komt men door te denken aan de groote getallen waarover wij reeds spraken. Al laat men deze volledig gelden, dan maakt het einde van hoofdstuk 4 2) en het begin van hoofdstuk 6 3) toch den indruk, dat oorspronkelijk de geheele leiding, zoowel in geestelijk als in stoffelijk opzicht, bij de apostelen berustte.

Maar de kring wordt te groot, om naar behooren alles af te doen. Vandaar dat er zeven mannen worden aangeteld voor „den tafeldienst”. Wij zullen hierin wel zeven oudsten of presbyters moeten zien (zie het volgende hoofdstuk, waar wij deze meening uitvoerig toelichten). Er is geen aanleiding om speciaal aan diakenen te denken; nog minder om hier een Hellenistische oppositie-groep onder de leiding van zeven Hellenistische mannen te vermoeden.

De vervolging na den dood van Stefanus heeft een verbreiding van het evangelie en het ontstaan van nieuwe gemeenten ten gevolge 4). De apostelen blijven daarbij te Jeruzalem. Daarna gaat Herodes Agrippa I tot een vervolging der gemeente over, waarbij Jakobus, de broeder van Johannes, wordt gedood en Petrus gevangen genomen 5). Dit zal voor Johannes aanleiding zijn geweest,


1) Vergel. Hand. 5: 12 v. Wij zijn het met den R.K. prof. K. Pieper (Paulus u. die Kirche, Paderborn 1932) eens, dat niet Paulus de schepper der kerk is, maar dat de kerk reeds vóór hem als afgesloten kring bestond.
2) 4: 4 v.v.
3) 6: 2.
4) 8: 1, 4, 11: 19, 20 v.
5) 12: 1-3.

|33|

Jeruzalem te verlaten: hij wordt hier later niet meer vermeld.

Dat tengevolge van deze tweede vervolging in de Jeruzalemsche gemeente een ingrijpende wijziging in de organisatie zou hebben plaats gevonden, waarbij de oudsten meer naar voren traden en Jakobus, Jezus’ broeder, een nieuwe positie kwam in te nemen, laat zich met de gegevens moeilijk rijmen. Reeds 11: 30 worden de oudsten als vertegenwoordigers der gemeente genoemd, wat bij onze opvatting van Hand. 6 ook te begrijpen is. En uit Gal. 1: 19 volgt, dat reeds drie jaren na Paulus’ bekeering Jakobus, de broeder des Heeren, een vooraanstaand man te Jeruzalem was. Flavius Josephus, de Joodsche geschiedschrijver, die iets later schreef dan Lukas, deelt mede, dat deze Jakobus bij de Joden in hoog aanzien stond en de „rechtvaardige” werd genoemd, d.w.z. de wetsgetrouwe, die nauwgezet de wet waarnam, wat met Gal. 2: 12 in overeenstemming is. Vergelijk ook Hand. 21: 20-26.

Ook hieruit blijkt, dat de Jeruzalemsche gemeente de voorschriften van de wet in acht placht te nemen. Maar het sloot niet in, dat zij dit ook van de heiden-christenen verlangde. Aan het slot van Hand. 11 wordt ons bericht, hoe de Jeruzalemsche gemeente zich wel verwonderde over het ontstaan van een heiden-christelijke gemeente te Antiochië, maar toen zij van de werking des Geestes daar vernomen had, in dit feit berustte 1). Met des te meer vertrouwen zullen daarom Paulus en Barnabas naar Jeruzalem zijn gereisd, om van de moeder-gemeente erkenning te vragen van hun zendingswerkzaamheid, waarbij van de Christen geworden heidenen niet verlangd werd, de Mozaïsche wetsvoorschriften na te komen. En in dat vertrouwen werden zij niet beschaamd: de moeder-gemeente vaardigde een schrijven uit aan de heiden-christenen te Antiochië, Syrië en Cilicië, waarin zij hen volledig erkende en hun geen meerderen last wilde opleggen dan alleen het nakomen van enkele gewoonten, die voor de Joden-Christenen bijzondere gevoelswaarde bezaten. Dat wij hier in het geheel niet te denken hebben aan eenige classicale vergadering of synode, trachten bij beneden in het zevende hoofdstuk duidelijk te maken. Hier spreekt onmiskenbaar


1) 11: 22 v.v., 29 v.

|34|

het gezag van de moedergemeente.

Later vernemen wij niet veel meer van haar. Wij weten alleen, dat Paulus een geldinzameling voor haar gehouden heeft en dat hij de ontvangen gelden persoonlijk heeft willen afdragen. Bij die gelegenheid wilde de gemeente Paulus beschermen tegen den laster, at hij de Joden zou willen overhalen, om de wet niet meer te onderhouden. Daarom liet zij hem deelnemen aan de gelofte die vier mannen hadden afgelegd. Maar dit kon niet voorkomen, dat er een uitbarsting van haat plaats vond, die aan den apostel bijna het leven kostte en hem in den kerker bracht.

Kort voor de verwoesting van Jeruzalem trok de christengemeente uit de heilige stad en vestigde zich te Pella in het Overjordaansche. Dit wijst er ook wel op, dat, althans in dien tijd, de gemeente niet uit een twintig à vijfentwintig duizend zielen zal hebben bestaan. Waarom zij Jeruzalem verliet, is niet te zegen. Misschien wel, omdat zij geen wapenen wenschte te hanteeren. Misschien ook eenvoudig, omdat er een profetie bestond, dat zij moest vluchten (vergel. Matth. 24: 16).

Van dien tijd af heeft de oorspronkelijk Jeruzalemsche Joden-christelijke gemeente geen invloed meer op de ontwikkeling der christelijke kerk gehad.

Brouwer, A.M. (1937) 6

|35|

6. De zeven mannen van Handelingen 6.

 

Wij lezen in Hand. 6: 1-4: „In die dagen nu, toen het getal der discipelen voortdurend toenam, ontstond er gemor van de buitenlandsche Joden tegen de Hebreeuwsche Joden, omdat bij de dagelijksche verzorging hunne weduwen verwaarloosd werden. De twaalven riepen daarom de gemeente der discipelen bij elkander en zeiden: het is niet betamelijk — and. vert. het is [Gode] niet gevallig. Misschien is het beste nog: Het bevredigt ons niet ...... Zoo komt dit woord in de Hellenistische papyri herhaaldelijk voor —, dat wij de onderwijzing in Gods woord nalaten, om tafeldienst te verrichten. Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit uw midden, die goed bekend staan en vol van Geest en wijsheid zijn, opdat wij hen voor deze taak kunnen aanstellen. Wij daarentegen zullen ons aan gebed en bediening des Woords blijven wijden”. Dan worden door de gemeente zeven mannen gekozen. Vers 6 gaat dan door: „Hen stelden zij aan de apostelen voor; en dezen legden, na gebed, hun de handen op”.

Het is de gewoonte, wij kunnen wel zeggen: kerkelijke traditie, om in die zeven mannen de eerste „diakenen” te zien. Deze kerkelijke traditie gaat op Irenaeus, aan het einde der tweede eeuw, terug. Men stelde toen het getal diakenen blijvend op zeven. Omdat dit voor groote gemeenten te weinig was, voorzag men in de behoefte aan hulp door „sub-diakenen” aan te stellen. Hier is het verband met de „zeven mannen” der Joodsche gemeente geheel los gelaten. Dit behoeft ons niet te verwonderen. De voortdurende vervolgingen waaraan de christenen bloot stonden, hadden meestal op aanstoken der Joden plaats. Dat de oudste gemeente aan de synagoge bepaalde organisatie-vormen zou hebben ontleend, was vrijwel ondenkbaar geworden. En zoo sprak men hier makkelijk van „diakenen”, die in de toenmalige christengemeenten allerwege bestonden. Maar deze naam komt in het geheele stuk niet voor, komt zelfs nergens in de Hand. voor. Er is echter in vs. 1 sprake

|36|

van de dagelijksche verzorging der weduwen en voor „verzorging” staat het woord diakonia; en in vs. 2 is sprake van „tafeldienst verrichten” ook met het Grieksche woord diakonein. Hierin schijnt voldoende argument aanwezig, om de zeven „diakenen” te noemen.

Maar dit argument is zwak, als wij opmerken, dat de Apostelen, in vs. 4, zich aan de bediening des Woords willen blijven wijden, en hier voor „bediening” ook het woord diakonia gebruiken. Het heeft dus in dit gedeelte een algemeene en niet een tot een bepaald ambt beperkte beteekenis.

Er zijn daarentegen sterke argumenten, om hier niet aan diakenen in den zin van armverzorgers te denken. Allereerst is niet duidelijk wat het verrichten van tafeldienst is. Sommigen hebben hier aan wisseltafels, aan geldbanken gedacht. Dan zou het beteekenen, dat deze zeven mannen de geldelijke administratie hadden te voeren. Anderen zien in die tafels een toespeling op de gemeenschappelijke avondmaalsviering, die elders aangeduid wordt met „breken van het brood”, wat een gebruikelijke aanwijzing was van „maaltijd houden”. Weer anderen, en misschien is dit nog het beste, zien er alleen in een „verzorgen van de maaltijden”, waarbij aan de liefdemalen te denken is. Dit zou inderdaad het werk van „diakenen” geweest kunnen zijn, al weten wij dit niet.

Maar wat zien wij nu gebeuren? Er worden zeven mannen door de gemeente aangewezen en aan deze zeven wordt door de Apostelen de handen opgelegd, waarmede hun een wijding tot geestelijk werk wordt verleend.

Wij zien hen dan ook dadelijk het geestelijk werk van prediken en getuigen verrichten. Stefanus treedt daarbij op den voorgrond. En dan niet minder Filippus, hoofdstuk 8.

Nu was het bij de Joden gebruikelijk, dat daar zeven mannen voor de leiding der gemeente werden aangesteld. Zij worden, zooals Strack-Billerbeck uitvoerig toelicht, eenvoudig „de zeven van een stad” of „de zeven besten van een stad” genoemd. Daarnaast werden voor hun ambt de Joodsche leeraars geordend door handoplegging en zij werden dan ook wel „oudsten” genoemd.

In wat Lukas in Hand. 6 bericht is tweeërlei van de Joodsche gemeenteleiding overgenomen: de benoeming van zeven mannen en

|37|

de ordening van de oudsten. Het is nu zeer waarschijnlijk, dat Lukas hier, zonder den naam te vermelden, eenvoudig aan de aanstelling en ordening van zeven „oudsten” heeft gedacht, zoodat dus de Christelijke gemeente twee Joodsche gebruiken vereenigd heeft. Dan wordt het vervolg van het verhaal dat hij geeft, op verschillende punten duidelijker.

 

Allereerst wat wij lezen in Hand. 11: 27-30: „En in die dagen kwamen uit Jeruzalem profeten naar Antiochië. En een van hen, Agabus genaamd, trad op en gaf door den Geest te kennen, dat er over de geheele wereld een groote hongersnood zou wezen; welke onder Claudius gekomen is. En de discipelen bepaalden een bedrag, naardat het een ieder hunner geleden kwam, om dit ter ondersteuning te zenden aan de broeders die in Judea woonden. En dit hebben zij ook gedaan, door het aan de oudsten te zenden door bemiddeling van Barnabas en Saulus”.

Hier wordt door Lukas het eerst het woord „oudsten” gebruikt, maar op een wijze, alsof het bestaan daarvan den lezers bekend was. Dit zou alleen het geval zijn, als hij in Hand. 6 met die zeven mannen de „oudsten” heeft bedoeld. Dan is het volkomen duidelijk.

Dan is er nog iets anders duidelijk, namelijk dat de ondersteuning waarvan hier sprake is, aan de „oudsten” wordt gezonden. Waren in Hand. 6 voor de armverzorging „diakenen” bedoeld, dan zou men in Hand. 11 het te Antiochië verzamelde bedrag ook aan de diakenen hebben gestuurd. Dat in de plaats hiervan over oudsten wordt gesproken, maakt het zeer waarschijnlijk dat in Hand. 6 over de aanstelling van „oudsten” gesproken werd. In de Joodsche gemeenten werden voor de armverzorging meestal drie mannen aangewezen, waarvan een tot „de zeven” behoorde. Dat was dus een sub-commissie van de gemeenteleiding. Het zou best met de gegevens overeenstemmen, als de Christelijke gemeente dat ook had gedaan, en als de „oudsten” de gemeenteleiding vormden en dus de verantwoordelijke personen waren.

Is in Hand. 6 sprake van de verkiezing en aanstelling van oudsten, dan is ook duidelijk, wat Lukas ons van de door Paulus en Barnabas gestichte gemeenten vertelt in Hand. 14: 23. In de

|38|

voorgaande verzen verhaalt hij, dat de beide apostelen, na te Derbe verscheidene discipelen gemaakt te hebben, van daar de terugreis ondernamen naar Lystra en Iconium en Antiochië. Dan vs. 23: „En nadat zij in iedere gemeente oudsten voor hen hadden gekozen en onder vasten voor hen hadden gebeden, droegen zij hen op aan den Heer, op wien zij hun vertrouwen hadden gesteld.” Ook dit bericht wordt gegeven op een wijze, alsof het vanzelf spreekt, dat er oudsten werden aangesteld. En dit spreekt ook vanzelf, als wij in Hand. 6 de aanstelling van oudsten mogen lezen.

 

Dan is ten slotte nog iets duidelijk. Als er een heftige strijd is ontstaan over de vraag, of de tot het geloof gekomen heidenen ook de wet van Mozes moeten onderhouden en Paulus en Barnabas voor de bespreking van die vraag naar Jeruzalem gaan, dan lezen wij Hand. 15: 4: „Te Jeruzalem aangekomen, werden zij door de gemeente en de apostelen en oudsten ontvangen.” Als hier de gemeente vermeld wordt naast de apostelen en de oudsten, waarom is er in het geheel geen sprake van de diakenen, wanneer deze op zoo plechtige wijze gekozen en geordend waren als Hand. 6 het bericht? Het wordt echter volkomen duidelijk, wanneer hier niet van diakenen, maar van oudsten sprake was.

 

Wij meenen daarom te mogen vaststellen: in Hand. 6 wordt de aanstelling van oudsten bedoeld en niet van diakenen. Deze oudsten hadden de algemeene leiding van de Christengemeente, waartoe ook de armverzorging behoorde. Misschien waren hiervoor, evenals in de Joodsche gemeente, onder leiding van een van de oudsten, afzonderlijke gemeenteleden werkzaam, maar als zij er waren, werden zij toch niet met den naam diakenen genoemd. Dezen naam vinden wij het eerst in den brief aan de Filippenzen naast „opzieners” vermeld.

Brouwer, A.M. (1937) 7

|39|

7. Breedere vergaderingen en Hand. 15.

 

Op de Nationale Synode die in het jaar 1578 te Dordrecht werd gehouden, werd bepaald, dat er „vierderlei kerkelijke verzamelingen” zouden gehouden worden: „ten eerste de kerkenraad in elke gemeente; ten tweede de klassikale vergadering; ten derde de partikuliere of provinciale synode; ten vierde de generale of nationale synode. In deze vergaderingen zal niet gehandeld worden dan over kerkelijke zaken, en dat naar de wijze der kerkregeering. En zoo veel het zaken aangaat, die deels kerkelijk deels politiek zijn, zal het verschil, dat daarover ontstaat, bij de overheid en kerkenraad samen geëindigd worden”.

De onderscheiding van vier kerkelijke vergaderingen gaat terug op de eerste Synode van onze kerk, die in 1571 te Emden, en dan nog verder terug naar de Synoden, die in 1563 te Teure en 1566 te Antwerpen zijn gehouden. En die gaan terug op de Fransche Kerkorde, die onder den invloed van Calvijn is ontstaan.

De Synode te Emden schreef naar de Nederduitsche gemeenten, die zich in Engeland hadden gevormd, ook daar voortaan classicale vergaderingen te willen houden. In een samenkomst, die men een provinciale synode zou kunnen noemen en die 10 Maart 1572 te Londen bijeenkwam, was de meerderheid voor het houden van classicale vergaderingen, maar men moest daarvoor de toestemming hebben van de Koninklijke Commissarissen voor kerkelijke zaken. Dezen oordeelden deze vergaderingen strijdig met de wetten des lands. En daarmee was beslist, dat zij in Engeland niet konden gehouden worden.

Dat elk „provinciaal kerksticht” in de Nederlanden in klassen werd verdeeld, geschiedde in overeenstemming met de oude Roomsch-Katholieke indeeling. Ieder bisschoppelijk sticht was namelijk verdeeld in onderscheidene dekenschappen; het district van ieder dekenschap in onderscheidene parochiën. Gewoonlijk kwamen de priesters der bijzondere parochiën in een dekenschap eenmaal

|40|

in de maand samen, om over de gemeentelijke belangen te spreken. Dit werd in de Gereformeerde kerkorde overgenomen, al was de indeeling geheel nieuw en veranderende naardat het aantal gemeenten toenam.

De oorsprong der classicale vergaderingen is dus zuiver historisch te verklaren. Er waren praktische argumenten die er voor pleitten, een bestaande goede gewoonte te bestendigen, maar dan ingepast in de nieuwe orde, die niet uitging van heerschende geestelijkheid, maar van den kerkeraad of het presbyterium der plaatselijke gemeenten.

In Engeland werden zulke classicale vergaderingen door de overheid niet toelaatbaar geacht en dus niet gehouden. De Waalsche gemeenten in de vereenigde Nederlanden hebben ook geen classicale vergaderingen gekend, omdat zij te zeer verspreid waren. Wel hielden zij, aanvankelijk tweemaal ‘’s jaars, synoden, waarin zij echter geen verandering in de kerkorde mochten vaststellen buiten de gemeenschappelijke algemeene Synode der Nederduitsche en Waalsche gemeenten om.

 

Zooals het in den regel gaat: om een gewenschte opvatting of gewoonte algemeen ingang te doen vinden, zoekt men daarvoor een bijbelschen grondslag en spreekt dan van „eisch van Gods Woord”. Voor de „breedere” vergaderingen meende men dien gevonden te hebben in Hand. 15, waar het apostelconvent te Jeruzalem wordt beschreven.

Paulus en Barnabas hebben, volgens Hand. 13 en 14, een vruchtbare zendingsreis volbracht, waarvan zij aan de gemeente te Antiochië dankbaar verslag uitbrengen. Doch Joden-Christenen uit het Joodsche land komen in het Syrische Antiochië en stellen de onderhouding van besnijdenis en andere Mozaïsche voorschriften voor als noodzakelijk om behouden te worden. Paulus en Barnabas gaan daar krachtig tegen in. En nu wordt besloten, dat Paulus en Barnabas en nog eenigen uit Antiochië wegens deze strijdvraag naar de apostelen en oudsten te Jeruzalem zullen gaan. Hier aangekomen, worden zij, 15: 4, door de gemeente en de apostelen en oudsten ontvangen. Joden-Christenen van hen die vroeger

|41|

Farizeeën waren, eischen echter onderhouding van de wet van Mozes. „De apostelen en de oudsten kwamen nu bijeen, om zich over deze zaak te beraden” (vs. 6). Het resultaat is, dat de apostelen en de oudsten en de geheele gemeente besluiten eenige mannen met Paulus en Barnabas naar Antiochië te zenden en hun een brief mee te geven voor de gemeenten in Syrië en Cilicië (vs. 22 en 23).

Op al de vragen, die dit hoofdstuk doet opkomen, kunnen wij hier niet ingaan. Het is ons alleen te doen om de vraag, of wij hier inderdaad het prototype van een classicale vergadering of wil men van een synode mogen zien. Het komt mij voor, dat als wij geen classicale vergaderingen of synoden kenden, het bij niemand zou opgekomen zijn in Hand. 15 iets van dien aard te vinden.

Blijkbaar vraagt de gemeente te Antiochië in één bepaald geval advies, of nog sterker: een beslissing, van de apostelen en oudsten te Jeruzalem in een zeer belangrijk geschil.

 

Wie zijn de apostelen en wie de oudsten?

Oudsten worden voor Jeruzalem het eerst genoemd in Hand. 11: 30. Sommigen zien in hen alleen de ouderen van de gemeente, zooals in Hand. 5: 6 van de jongeren gesproken wordt. Maar in 14: 23 is sprake van het verkiezen van oudsten. Hier zijn het de leiders van een gemeente. En daar ook de Joodsche gemeente „oudsten” als gemeente-leiders kende, is het aannemelijk, dat op voorgang daarvan in Jeruzalem ook een zeker college van oudsten de leiding van de Joodsch-Christelijke gemeente in handen had. Dan kunnen de „jongeren” van 5: 6 misschien een ondergeschikte gemeentebetrekking hebben bekleed, zoo iets als de dienaar van de synagoge. Maar heel waarschijnlijk is dit niet. De oudsten zullen tot taak hebben gehad voor de uiterlijke belangen van de gemeente zorg te dragen en de leden bij elkaar en in het goede spoor te houden.

Daarnaast staan de apostelen als mannen die met Jezus, den Heer, persoonlijk hebben omgegaan en op grond daarvan een geestelijk gezag oefenen. In Hand. 15 zijn het (behalve Paulus en Barnabas die een verhaal van hun reis doen), Petrus en Jakobus (volgens Gal. 1: 19 en 1 Kor. 9: 5 ook een apostel) die door hun

|42|

gezaghebbend woord de aanwezigen tot een besluit brengen. De apostelen staan hier duidelijk naast (zoo niet boven) de oudsten.

Alleen van Antiochië, de hoofdstad van Syrië, zijn er te Jeruzalem eenige afgevaardigden aanwezig (zie vs. 2). Van andere gemeenten is geen sprake. Toch wordt de brief van vs. 22 v. gericht niet alleen aan de gemeente van Antiochië, maar ook aan die van Syrië en Cilicië (een samengestelde naam voor één Romeinsche provincie).

Daaruit valt af te leiden, dat het apostolisch gezag als het hoogste gezag gold. Dit komt ook overeen met wat wij in Paulus’ brieven lezen, die zich beijvert duidelijk te maken dat hij niet minder apostel is dan de anderen en daarom ook zijn evangelie met apostolisch gezag mag doen gelden.

Dit apostolisch gezag is volgens Hand. 15 in Jeruzalem te vinden. Daarom wendt de gemeente van Antiochië zich tot Jeruzalem om een beslissing. En dan wordt die beslissing bekend gemaakt en geldig verklaard voor de geheele Romeinsche provincie, waarvan Antiochië [naar de havenplaats Seleucië; daar een schip zoeken dat (zetfout, sic!)] de andere gemeenten aanwezig.

 

Dit alles lijkt toch niets op een classicale vergadering of op een synode. Men brenge den afstand eens in rekening. In rechte lijn is Antiochië 400 km. verwijderd van Jeruzalem. Men moest eerst van Antiochië naar de havenplaats Seleucië; daar een schip zoeken dat naar Caesarea voer, en dan nog twee dagreizen afleggen, om Jeruzalem te bereiken. Men stelle zich voor, dat men met de antieke verkeersmiddelen van Utrecht naar Bazel ging voor een classicale vergadering of synode! Afgezien hiervan, was het apostelconvent inderdaad een prototype van een classicale vergadering of een synode geweest, dan hadden uit al de gemeenten van Syrië en Cilicië en niet alleen uit Antiochië, een gelijk aantal afgevaardigden naar Jeruzalem gezonden moeten zijn, en dan had Jeruzalem een gelijk getal vertegenwoordigers op de vergadering moeten hebben en dan hadden allen op voet van volkomen gelijkheid met elkander moeten overleggen. En dan moest men geregeld zulke vergaderingen gehouden hebben.

|43|

In werkelijkheid is het zoo geweest: de speciale twistvraag, die door Judaïsten te Antiochië is opgeworpen, wordt voor dit bepaalde geval door de gemeente van Antiochië voorgelegd aan de moedergemeente te Jeruzalem; of beter: voorgelegd aan de apostelen en oudsten te Jeruzalem, de moedergemeente. Op gezag van de apostelen wordt nu een schrijven namens apostelen en oudsten van de Joodsch-Christelijke moedergemeente Jeruzalem gezonden aan de heiden-Christelijke gemeenten te Antiochië en in de geheele Romeinsche provincie Syrië en Cilicië, waarin zij als broeders worden erkend, maar waarin hun toch eenige „lasten worden opgelegd” (vs. 28). Andere vergaderingen van dien aard zijn uit de eerste tijden onbekend.

 

Het is daarom ongeoorloofd zich op Hand. 15 te beroepen, om het instituut van classicale vergadering of synode daarmee als „eisch van Gods Woord” te doen voorkomen. Het is geheel een kwestie van practische organisatie, of men al dan niet classicale vergaderingen en synoden zal houden en welke bevoegdheden men daaraan zal toekennen. Meent men dat de oud-christelijke verhoudingen van Hand. 15 ook voor onze hedendaagsche organisatie normgevend behooren te zijn, dan moet men aannemen een geestelijk gezag naast dat der oudsten en een gezag van de moedergemeente of metropolis over de andere gemeenten, al zijn deze niet ter vergadering vertegenwoordigd.

Brouwer, A.M. (1937) 8

|44|

8. De Heiden-Christelijke Gemeenten.

 

Aan het slot van het Mattheüs-evangelie lezen wij, dat Jezus na zijn opstanding aan de discipelen de opdracht geeft:

Gaat dan heen en maakt tot mijne leerlingen al de volkeren: doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden alles wat ik u geboden heb.

Daarvóór spreekt Hij van „alle macht”, daarna van „al de dagen”. De volle nadruk wordt gelegd op het vier maal herhaalde „alle”. Hiermee besluit Mattheüs zijn geschrift, dat de vreugdeboodschap bevat: Jezus is de Messias! Hij is koning! Hij is Heer! Hij heeft alle macht over al de volkeren al de dagen tot aan de voleinding der wereld. Dat te verkondigen is de taak der apostelen.

De tekst van wat Jezus volgens Mattheüs heeft gezegd, staat niet volledig vast. In onze vertaling hebben wij den tekst gevolgd, waarbij doopen en leeren gecoördineerd zijn. In sommige heel goede handschriften wordt het doopen nauwer met het „tot leerling maken” verbonden („maakt ze tot mijn leerlingen door den doop en leert hen onderhouden”) en ligt de nadruk niet op den doop maar op het leeren onderhouden.

Blijkbaar is de doop een dadelijk bij de oudste Christenen ingevoerd gebruik geweest, wat ook het bericht van den eersten Pinksterdoop, Hand. 2: 41, ons meldt. Maar even duidelijk blijkt, dat Jezus zelf niet heeft gedoopt. Dit wordt Joh. 4: 2 met zooveel woorden gezegd. De evangelist Johannes zegt echter, dat de doop reeds door Jezus’ discipelen werd toegediend, toen Jezus nog leefde, Joh. 3: 22, 4: 1. Hand. 19: 4 verklaart dit doopen als een opnemen in de gemeenschap die Jezus als Heer erkende, in onderscheiding van den doop van Johannes, die een doop van belijdenis der zonden en van gezindheidsverandering was, om den komenden Messias te kunnen afwachten.

|45|

De christelijke doop had dus een ander doel dan de doop van Johannes. Of de Joodsche proselietendoop op het ontstaan er van mede ingewerkt heeft, is moeilijk uit te maken. In elk geval ligt in den doop opgesloten een afperking van de (Joodsche of heidensche) omgeving en een op zich zelf stellen van de christelijke gemeenschap als eigen wèl te onderscheiden kring.

Wij hebben gezien, dat dit volstrekt niet in zich sloot een nalaten van wat de Mozaïsche wet voorschreef. De Jeruzalemsche gemeente heeft zich aan den tempeldienst, aan besnijdenis, sabbatsviering en spijsgeboden 1) niet onttrokken. De opdracht van Matth. 28: 19 om alle volkeren tot Christus’ leerlingen te maken en de opdracht van Hand. 1: 8, om Christus’ getuigen te zijn tot aan de einden der aarde, sloot niet als vanzelfsprekend in, dat daarom de Mozaïsche wet niet meer behoefde opgevolgd te worden. Integendeel: die wet was door God zelf gegeven; volgens de Joodsche theologie was zij zelfs het eerst van alles geschapen en was Israël geschapen om de wet te volbrengen. De erkenning dat Jezus de beloofde Messias is, was een vervulling van Oud-Testamentische profetie. Bij een dergelijke waardeering van de wet kan men toch niet zonder meer meenen, dat het Oude Testament geen blijvende waarde zou bezitten. Om de beteekenis van het O.T. te verstaan, was een bepaalde leiding noodig en een theologisch geschoold denken dat uit die leiding de noodzakelijke gevolgtrekkingen maakte. Dit theologisch doordenken is de beteekenis van den apostel Paulus geweest. En de bedoelde leiding was het ongewild ontstaan van heiden-christelijke gemeenten.

 

Ten gevolge van de vervolging in Jeruzalem over het omliggende land verstrooid 2), gingen de jonge christenen overal het Evangelie verkondigen, maar aan Joden alleen. Er waren evenwel eenige Hellenistische christenen, uit Cyprus en Noord-Afrika afkomstig, die te Antiochië ook tot niet-Joden over den Messias als den Heer spraken. „En des Heeren hand was met hen en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot den Heer”.

Dit bericht wekte te Jeruzalem opzien. De Jeruzalemsche


1) Vergel. Gal. 2: 12.
2) Hand. 8: 1, 4; 11: 19.

|46|

moedergemeente wilde hiervan meer weten en vaardige Barnabas af, om in Antiochië poolshoogte te nemen. Barnabas kon zich slechts verheugen over de werking des Geestes die hij waarnam, en hij bleef. Bij het toenemende aantal geloovigen was het noodig, naar hulp om te zien. Hij vond die in Saulus van Tarsus. En samen werkten zij een jaar lang om de gemeente te Antiochië op te bouwen en uit te breiden.

Hiermee was de eerste heiden-christelijke gemeente ontstaan. Zij werd waarschijnlijk wel door buitenstaanders, met den naam „christenen” aangeduid, een soort spotnaam als „Christusmenschen” of „Messianen” 1). Lukas gebruikt dien naam zelf verder niet. Hij heeft er allerlei andere uitdrukkingen voor: discipelen of leerlingen (in algemeenen zin, wel te onderscheiden van de twaalven), broeders, vrienden, geheiligden, rechtvaardigen, geloovigen, zij die behouden worden, Nazareners, zij die van den weg (des geloofs) zijn 2). Paulus gebruikt in zijn brieven heel dikwijls de uitdrukking „geheiligden”, wat wel oorspronkelijk aan het O.T. ontleend kan zijn, maar in zijn Hellenistische omgeving ook de gangbare uitdrukking was voor personen, die door inwijdingshandelingen aan een bepaalde godheid verbonden waren. Bij Paulus is de grondgedachte: van de wereld afgezonderd en aan God toegewijd, maar vaak met de algemeene beteekenis van „christenen”. Eerst Ignatius (ook uit Antiochië afkomstig) gebruikt den naam christenen als een gebruikelijke aanduiding. Dit was in het begin van de tweede eeuw.

Als geheel worden zij „ekklesia” genoemd, d.i. gemeente of kerk. Oorspronkelijk had dit woord in het Hellenisme de beteekenis van de bijeengeroepen volksvergadering van een bepaalde stad. Als zoodanig liet het natuurlijk ook een meervoud toe. Dit is wel de reden, waarom, in afwijking van het Palestijnsch gebruik van het woord (= het Godsvolk, dat geen meervoud toelaat 3) ), de heiden-christelijke kringen van belijders wel ekklesiae of gemeenten (in het meervoud) werden genoemd 4). Door de oorspronkelijke Oud-Testamentische gedachte van het Godsvolk speelt hier de Hellenistische


1) Hand. 11: 26.
2) Hand. 9: 2; 19: 9, 23; 22: 4 enz.
3) Zie boven, bl. 31.
4) Van heiden-christelijke gemeenten is ook bij Lukas ekklesiae in het meervoud gebruikelijk, Hand. 15: 41, 16: 5.

|47|

gedachte van volksvergadering heen.

Ook de christenen die in een bepaald huis samenkomen, worden aangeduid als de „gemeente” ten huize van dezen of dien: de z.g. huisgemeenten. Het werd eerst aan het einde van de tweede eeuw gebruikelijk, dat men in bepaald daarvoor ingerichte gebouwen, in kerkgebouwen, samenkwam. Wel zal men in gemeenten waar verschillende kleinere kringen (huisgemeenten) bestonden, de gewoonte hebben gehad van tijd tot tijd in een zaal gemeenschappelijk samen te komen. Over den eerdienst handelen wij echter later.

Van Antiochië uit werden nieuwe heiden-christelijke gemeenten gesticht.

 

Hand. 13: 1 v.v. vertelt ons van vijf profeten en leeraars, die in gemeenschappelijken bidstond bijeen van den Heiligen Geest de aanwijzing kregen — wel door middel van een der aanwezige profeten —, dat Barnabas en Saulus voor den arbeid onder de heidenen moeten worden afgezonden. In vanzelfsprekende gehoorzaamheid gingen zij uit. En Paulus wordt nu de groote apostel, die in een tiental jaren, hoogstens, overal in Kl. Azië en Griekenland heiden-christelijke gemeenten doet ontstaan.

Hier staan wij bij den aanvang van de opzettelijke zendingswerkzaamheid, die niet uitgaat van de geheele Antiocheensche gemeente maar van den kleinen kring van profeten en leeraars; niet met kerkelijke afvaardiging, maar alleen met handoplegging, na vasten en gebed, door de drie anderen. Dat deze profeten en leeraars de eigenlijke ambtsdragers hier ter plaatse waren, wordt door Streeter vermoed, maar niet aannemelijk gemaakt. Wij moeten erkennen, dat wij van de organisatie der Antiocheensche gemeente niets afweten. Maar dat hier in het geheel geen oudsten zouden geweest zijn, is nauwelijks te denken. Want als er christelijke gemeenten in Antiochië in Pisidië, Iconium, Lystra en Derbe zijn ontstaan, stellen Saulus en Barnabas op hun terugreis overal „oudsten” aan 1). Dit wordt als iets vanzelfsprekends door Lukas vermeld. Wij hebben reeds opgemerkt, dat dit een argument


1) Hand. 14: 23.

|48|

is, om ook in de zeven mannen van Hand. 6 oudsten te zien. Maar het is tegelijk een argument, om te vermoeden, dat ook de Antiocheensche gemeente, van waar zij waren uitgegaan, „oudsten” zal hebben bezeten.

Er is in de ons bekende gegevens geen aanleiding om te vermoeden, dat er zulk een groot verschil tusschen Antiochië en Jeruzalem heeft bestaan, dat er van een geheel nieuwe organisatie gesproken moet worden. Wij hebben het veeleer zoo te zien, dat in plaats van de „twaalven” die te Jeruzalem de geestelijke leiding hadden behouden (nadat voor de materieele zaken zeven oudsten waren benoemd), te Antiochië profeten en leeraars de geestelijke leiding hadden, en wel naast of misschien beter gezegd, boven de oudsten.

Waar geen „apostelen” geestelijke leiding gaven, zien wij andere geestelijke ambten, charismatische ambten, optreden, zooals profeten, leeraars, mannen met geneeskracht en met buitengewone gaven, lieden die in geestestaal spreken en anderen die dat vertolken. Daarnaast zijn oudsten werkzaam, die door de gemeente worden gekozen en in den aanvang een meer bescheiden taak te vervullen hebben, maar later meer naar voren komen.

De heiden-christelijke gemeente onderscheidden zich niet van Jeruzalem door een geheel andersoortige organisatie (al was zij door afwezigheid van de „twaalven” in zeker opzicht anders), maar door het geheel vrij staan van de Mozaïsche wet en dus door een geheel andere levenshouding.

 

Voor deze andere levenshouding heeft de werkzaamheid van Paulus den doorslag gegeven.

Toen het hem duidelijk was geworden, dat hij niet door het nauwgezet waarnemen der voorvaderlijke inzettingen maar louter door de onverdiende liefde van God in Jezus den Messias had leeren kennen, met al de consequenties die dit meebracht, b.v. wat betreft den kruisdood en de opstanding, werd voor hem de groote vraag, welke beteekenis de wet dan bezat, de wet die toch wel door God zelf was gegeven en dus niet als iets verkeerds kon worden veroordeeld. En toen het bovendien bleek, dat in de gemeente te Antiochië geesteswerkingen mogelijk waren ook onder hen die

|49|

nooit de wet hadden vervuld, toen werd de vraag niet alleen persoonlijk voor hem van belang, maar werd het een levensvraag voor de geheele kerk en de geheele zendingswerkzaamheid der kerk. Hij kwam tot het inzicht, dat de wet historisch een tijdelijk bewarende beteekenis had gehad, opdat de vervulling der belofte, in Christus gegeven, het geloof zou vinden waardoor ook Abraham door God was aangenomen 1); en dat de wet psychologisch de beteekenis had gehad, om den mensch zijn zonde bewust te maken, opdat hij door de genade van God behouden zou worden 2). Maar in Christus was het oude voorbij gegaan en de nieuwe schepping tot stand gebracht 3). Daarmee was de tijd der wetswerken voorbij en aan niemand mochten zij als eisch worden gesteld, wanneer hij buiten Israël tot het geloof was gekomen.

Dit wetsvrije evangelie heeft Paulus met alle kracht verdedigd tegen allen die de wet als noodzakelijk ter zaligheid voorstelden.

En toen ook de moedergemeente te Jeruzalem dit had erkend en alleen een ontzien van de Joodsche gevoeligheden had aanbevolen ten aanzien van offervleesch (dat oorspronkelijk den afgoden geofferd was) en van bloed en niet voldoende uitgebloed vleesch (daar bloed als zetel van het leven steeds voor het gebruik vermeden was) en van huwelijksverhoudingen, die naar joodsche opvatting bloedschennis („incest”) en dus ontuchtig waren, was elke belemmering uit den weg geruimd tot het vormen van heiden-christelijke gemeenten, die vrij waren van de Mozaïsche wet.

Toch gold ook van hen, dat zij behoorden tot het lichaam van Christus, het ware Israël; dat daarom de Oud-Testamentische profetie ook hen betrof (waardoor het heilige boek van Israël overging naar de christenheid); dat zij, gedoopt om tot die gemeenschap te behooren waarover Christus Heer is, nu ook het gezag van Zijn woorden voor zich lieten gelden; dat zij daarom, door de gemeenschappelijke avondmaalsviering met Hem en met elkander verbonden, Zijn dood gedachten, totdat Hij zelf in heerlijkheid zich zou openbaren 4).


1) Gal. 3.
2) Rom. 7 en 8.
3) 2 Kor. 5: 17.
4) Zie over het Avondmaal hfdst. 20.

|50|

Hiermede was de (heiden-)christelijke kerk geboren, die eerst geheel gelijkberechtigd naast de Joodsch-Christelijke gemeente met haar tot een eenheid verbonden was in Christus, doch weldra geheel in de plaats trad van den Joodsch-Christelijken vorm der oudste christenheid.

Deze (heiden-)christelijke kerk bestond uit verschillende kerken of gemeenten, die zelve ten deele opgebouwd waren uit een verscheidenheid van huisgemeenten.

De afzonderlijke gemeenten vonden een geestelijke leiding in de charismatische gaven en een materieele leiding in de instelling van oudsten. Zooals wij nog nader zullen zien, waren de charismatische gaven niet overal gelijk en was daarvan ook een verschillende positie van de oudsten het gevolg. Maar allen samen waren zij verbonden door één Geest, één doop, één geloof in Jezus Christus den Heer, één avondmaal, één zelfde apostolische traditie of leer, waarvan waarschijnlijk al spoedig een korte samenvatting bestond 1). Er waren, volgens 1 Kor. 7: 17 en 11: 16, regelingen en gewoonten die voor alle gemeenten golden. Waarschijnlijk kwam men ook reeds van ouds op den eersten dag der week, den dag der opstanding, gezamenlijk voor de godsdienstoefening bijeen 2).

Het gevoel van saamhoorigheid werd tot uiting gebracht in onderling hulpbetoon, zooals de collecte die Paulus voor de gemeenten in Judea hield; in talrijke groetenissen in de brieven; in het samen kiezen van een afgevaardigde 3); in omzendbrieven 4). Hierin zullen de oudsten een werkzaamheid hebben ontwikkeld.

Wanneer b.v. Paulus schrijft aan de gemeenten in Galatië, zullen de oudsten de verantwoordelijke personen zijn geweest, die voor de doorzending van den brief te zorgen hadden. Zoo ook met het laten lezen van de brieven aan Kolosse en Laodicea.

Ook is waarschijnlijk dat, zooals Jeruzalem oorspronkelijk als de moedergemeente voor de zich uitbreidende christenheid gold, zoo ook in de Romeinsche provinciën de hoofdgemeente een zeker gezag


1) Zie 1 Tim. 1: 17, 6: 15 v., waar wij wel zulk een kerkelijke belijdenis voor ons hebben.
2) Vergel. 1 Kor. 16: 2, Hand. 20: 7. Zie beneden bl. 105.
3) 2 Kor. 8: 19.
4) Kol. 4: 16.

|51|

over de omgeving oefende: Antiochië over Syrië, Efeze over Asië, Alexandrië over Egypte, Korinthe over Achaje, Rome over Italië. Dit komt het best overeen met en was een bijna noodzakelijk uitvloeisel van Paulus’ werkmethode, die de hoofdplaatsen opzocht en het evangelie van daaruit zich over het omliggende land liet verspreiden. Daaruit is ook te verklaren, dat hij bij voorkeur spreekt van de verschillende Romeinsche provinciën, waar hij gewerkt heeft.

Meer kunnen wij van den eersten tijd niet zeggen. Al wat er verder over uitgewerkte organisatie of volledig gemis aan organisatie gezegd wordt, is niets dan gissing.

Brouwer, A.M. (1937) 9

|52|

9. Huisgemeenten.

 

Reeds van de christenheid te Jeruzalem wordt gezegd, dat zij niet alleen in den tempel maar ook in particuliere huizen samenkwam. „Zij hielden niet op”, zoo wordt van de apostelen verhaald 1), „elken dag in den tempel en aan huis te leeren en de blijde boodschap te verkondigen, dat Jezus de Christus is”. En wanneer later Petrus uit de gevangenis bevrijd is, „ging hij naar het huis van Maria, de moeder van Johannes, die den bijnaam Markus droeg, waar velen vergaderd waren in gebed” 2). Hier wordt ook van een huiselijke samenkomst melding gemaakt. Maar nergens wordt van een „gemeente”, een ekklesia, ten huize van den een of ander te Jeruzalem gesproken. Die uitdrukking beteekende hier, zooals wij zagen, het Godsvolk, het ware Israël, en men gebruikte die niet voor huiselijke samenkomsten.

In de heiden-christelijke gemeenten was het anders. De hier gevormde christelijke broederschappen hadden uiteraard dadelijk geen groote gebouwen tot hun beschikking, maar kwamen op een enkele uitzondering na, als te Efeze in Hand. 19: 9, bij den een of ander die daarvoor een geschikte woning bezat, aan huis bijeen. Die samenkomsten werden hier wèl „gemeente” of „ekklesia” genoemd. Herhaaldelijk wordt van zulk een „huisgemeente” melding gemaakt. Zoo te Efeze ten huize van Aquila en Prisca 3), te Kolosse bij Filemon 4), te Laodicea bij Nymphas 5), te Rome (of Efeze, dat hangt er van af tot welke gemeente Rom. 16 gericht is) bij Prisca en Aquila 6) (hier wordt de vrouw het eerst genoemd).

Behalve de plaatsen waar de huisgemeenten opzettelijk genoemd worden, zijn er gemeentelijke verhoudingen, die het best uit het bestaan van huisgemeenten zijn te verklaren. Zoo te Korinthe, waar de groepen die zich naar Paulus, Apollos, Cephas, Christus noemen, wel samen zullen hangen met het bestaan van huisgemeenten 7).


1) Hand. 5: 42.
2) Hand. 12: 12.
3) 1 Kor. 16: 19.
4) Filém. 2.
5) Kol. 4: 15.
6) Rom. 16: 4 v.
7) 1 Kor. 1: 12.

|53|

Dan krijgt het slot van den eersten brief aan de Korinthiërs ook den passenden achtergrond, als Paulus in afwijking van zijn gewoonte in andere brieven met nadruk verklaart: „Mijn liefde zij met u allen, in gemeenschap met Christus Jezus” 1). Zoo ook in de gemeente te Antiochië. De Joden-Christenen zullen hun eigne huisgemeente gehad hebben, waar Petrus geregeld vertoefde. Men had dan gemeenschappelijke avondmaalsvieringen en liefdemaaltijden met de heiden-christenen. Doch toen er sommigen uit den kring van Jakobus gekomen waren, trok Petrus zich van die gemeenschappelijke maaltijden terug 2). Dit laat zich het eenvoudigst verklaren uit het bestaan van huisgemeenten: onderling zullen de Joden-Christenen toch ook wel met Petrus hun samenkomsten hebben voortgezet. Zoo ook de Thessalonika. Er is een eigenaardig verschil tusschen den eersten en den tweeden brief aan de Thessalonicensen. De laatste is veel minder hartelijk dan de eerste. Meer dan in andere brieven wordt daarin ook een Oud-Testamentische toon aangetroffen, o.a. wordt het argument gebruikt, dat Gods toorn de verdrukkers zal vergelden met verdrukking. Dit verschil in toon tusschen deze brieven is wel het beste daaruit te verklaren, dat de tweede brief gericht is tot de Joden-christelijke huisgemeente, die haar eigen samenkomsten had ten huize van een harer leden, maar ook wel met al de anderen samen kwam voor de gemeenschappelijke maaltijden 3).

 

Het bestaan van dergelijke huisgemeenten lag voor de hand. De gemeente begon met een klein aantal. Waar zou men anders bijeenkomen dan bij een van de leden aan huis? Het gebruik, om geregeld den dood des Heeren bij brood en wijn te gedenken, bracht de geloovigen vanzelf in een particulier huis bijeen, waar brood en wijn altijd aanwezig waren.

Dat de Joden-christelijke gemeenteleden hun eigen huisgemeente hadden, was ook vanzelfsprekend. De Joden hadden in de handelssteden waar zij zich gevestigd hadden hun eigen wijk. Een stadswijk was in de oudheid een godsdienstige gemeenschap, die haar


1) 1 Kor. 16: 24.
2) Gal. 2: 12.
3) Zie hierover uitvoeriger mijn „Paulus de Apostel I” uitgeg. bij G.J.A. Ruys, uitgeversmij., Zutphen 1933.

|54|

gemeenschappelijke offers bracht en hare gemeenschappelijke godsdienstplichten te vervullen had. Nu hadden de Joden wel sedert Julius Caesar daarvan vrijstelling gekregen, maar het was niet aangenaam te midden van de heidensche wijkbewoners te wonen en telkens het verwijt te hooren, dat men wel de burgerrechten genoot maar zich aan de godsdienstige burgerplichten onttrok. Dit gaf zelfs meermalen aanleiding tot antisemietische betoogingen. Maar de hoofdreden dat de Joden een eigen wijk vormden, lag in hun reinheidsvoorschriften. Zij moesten kósher-voedsel kunnen gebruiken en van onnoodigen omgang met heidenen zich kunnen onthouden. Dit was het beste na te komen, als zij een eigen wijk bewoonden.

Nu kwam de vreugdeboodschap, dat in Jezus de beloofde Messias was verschenen voor Jood en heiden beide. De muur die deze volken en rassen scheidde, werd daardoor afgebroken en alle christenen, hetzij oorspronkelijk Jood of oorspronkelijk heiden, gevoelden zich één door denzelfden doop, door denzelfden Geest, door denzelfden Heer, door hetzelfde geloof, en kwamen in gemeenschappelijken maaltijd samen, het meest duidelijk beeld der eenheid.

Doch de Jood was van jongsaf opgegroeid met bepaalde strenge reinheidsbegrippen. Aan afgoden geofferd vleesch zou hij niet aanraken. Bloedig vleesch evenmin. Hiervan had hij een walg. En zoo waren er allerlei gewoonten, waarmee hij van jongs vertrouwd was en die door de heidenen niet werden waargenomen. Men moet al heel weinig menschenkennis bezitten als men zou meenen dat deze gevoelsargumenten bij de Christen geworden Joden niet zoo sterk geweest zullen zijn, om zich een zekere zelfstandigheid voor te behouden, wat zoo gemakkelijk ging, daar zij een eigen wijk bewoonden: de huisgemeenten zullen ook geografisch bepaald zijn geweest.

 

Het recht, om samen te komen, hadden de Joden-christenen als onderdeel van de Joden. Dezen hadden van Julius Caesar het later door Augustus bekrachtigd recht ontvangen, om een eigen godsdienstig genootschap te vormen. Er waren in Caesars tijd talrijke genootschappen van allerlei aard. De oudsten alleen liet Caesar

|55|

bestaan, de jongeren ontbond hij, om het vormen van staatsgevaarlijke vereenigingen tegen te gaan. Maar de Joden, die hun trouw en aanhankelijkheid voldoende hadden bewezen, mochten synagogen hebben; alleen onder voorwaarde, dat zij te Rome niet allen in één synagoge samen kwamen (misschien ook uit dezelfde politieke overwegingen). Van deze voorrechten genoten in den aanvang ook de christenen, daar zij voor een secte der Joden golden. Onder Nero kwam hierin reeds eenige verandering en onder Domitianus, aan het einde der eerste eeuw, was de scheiding volkomen.

Het schijnt, dat de christenen toen bescherming zochten bij de wet die het bestaan toestond van weldadigheidsvereenigingen, die zich ten doel stelden armen een eervolle begrafenis te geven. Deze vereenigingen mochten ook op vaste tijden samenkomen. Maar Batiffol ontkent, dat de christenen van die bepaling partij hebben getrokken: dat zou hun ook niet gelukt zijn, meent hij.

Nog in het midden der tweede eeuw kwamen zij in particuliere huizen samen. In de martelaarsacten van Justinus (omstreeks 165 gedood) komt het bericht voor, dat de praefect hem ondervraagt, waar de christenen samenkwamen. Justinus antwoordde dat een ieder daar samenkwam, waar hij wilde of kon (een ontwijkend antwoord, dat echter zinspeelt op verschillende plaatsen van samenkomst). „Meent gij dan”, zoo vraagt de praefect, „dat allen gewoon zijn op dezelfde plaats samen te komen?” Neen, in het geheel niet. Welaan, zei de praefect, zeg dan op welke plaats gij samen komt en uwe leerlingen vergadert. Justinus antwoordde: „Ik ben tot nu toe geweest bij het huis van zekeren Martinus, bij het zoogenaamde Timiotijnsche badhuis”.

De oudste berichten over speciale kerkgebouwen dateeren van Clemens Alexandrinus en Hippolytus, omstr. 202, en iets later van Tertullianus. Zij zijn dus eerst aan het einde der tweede eeuw gebouwd.

Waarschijnlijk staan in Rome sommige kerken op de plaats waar vóórdien de huisgemeenten plachten samen te komen.

 

In hoeverre deze huisgemeenten een organisatie hadden, is niet te zeggen. Het is waarschijnlijk, dat „medearbeiders” van Paulus,

|56|

zooals Prisca en Aquila in Rom. 16: 4 en Filemon in Filem. 1 worden genoemd, zelf in dien kring voorgingen en daaraan leiding gaven. Daar Paulus de gezamenlijke christenheid van een stad aanduidt als gemeente of ekklesia, in het enkelvoud, zullen de huisgemeenten op bepaalde tijden gemeenschappelijke samenkomsten hebben gehouden, om daarmee uiting te geven aan het besef dat zij in Christus een eenheid vormden. Ook dit vereischte een zekere regeling.

Nu wordt er in Rom. 16: 17 (ook tot de huisgemeenten te Rome of Efeze) gezegd: „Doch ik raad u, broeders, diegenen in het oog te houden, die, in afwijking van het onderwijs dat gij hebt ontvangen, oorzaak zijn van de oneenigheden en van de verleidingen tot afval, ja, gaat hun uit den weg”. Sommigen leiden hieruit een organisatie af, die leertucht oefenen kon. Maar noodzakelijk is die gevolgtrekking volstrekt niet. In een niet zoo grooten kring, als een huisgemeente was, kan de huisheer of voorganger met een enkele opmerking, ongewenschte elementen makkelijk keeren. Het is juist de eigenaardigheid van Paulus, dat hij de geheele gemeente voor deze afwijkingen verantwoordelijk stelt en niet een beroep doet op eenige organisatie, om tegen afwijkingen een formeele tuchtmaatregel te nemen.

Hoe dit laatste zij, de Nieuw-Testamentische gegevens maken het waarschijnlijk, dat de huisgemeenten een bepaalde leiding hadden en met de verscheidenheid (o.a. van Joden- en heiden-christenen) verband hielden, maar op bepaalde tijden ook voor gemeenschappelijke godsdienstoefening (waarschijnlijk avondmaalsviering) samen kwamen 1).


1) In haar oorspronkelijk reorganisatie-voorstel sprak de vereeniging „Kerkopbouw” van huisgemeenten in den zin van richtingsgroepen. Tegen dit gebruik kwam fel verzet. Over de verdediging was het beter „geen woord te verliezen”. Intusschen heeft „Kerkopbouw” het woord (niet de zaak) laten varen voor een andere regeling. Daardoor is de kwestie buiten den partijstrijd gekomen. Wij kunnen nu in alle kalmte vaststellen, dat het door „Kerkopbouw” gemaakte (overigens niet door mij voorgestelde) gebruik van het woord heel wat beter met de oude gegevens overeenkomt dan de dikwijls gehoorde leuze, dat de classicale vergadering „de mond der Kerk” zou zijn. Deze leuze gaat buiten alle „schriftuurlijkheid” om.

Brouwer, A.M. (1937) 10

|57|

10. De Geestes-ambten.

 

De „apostelen” of „twaalven” hadden in Jeruzalem de geestelijke leiding gehad en Jakobus, de rechtvaardige, had daarin gedeeld. In de vele heiden-christelijke gemeenten had men somtijds een apostel voor de geestelijke leiding, b.v. Paulus te Efeze. Maar in den regel waren deze niet aanwezig.

De eerste brief aan de Korinthiërs gunt ons een blik op de wijze, waarop in een dergelijke heidensche gemeente de geestelijke leiding plaats vond. Het zijn inzonderheid de hoofdstukken 12 en 14 die daarover handelen. Wij kunnen niet vers voor vers nagaan, maar geven alleen de hoofdlijnen aan.

Als achtergrond van deze hoofdstukken moeten wij aannemen, dat te Korinthe vooral de gave der glossolalie of het spreken in onverstaanbare klanken (geestes-talen of tonge-talen) veel voorkwam en hoog gewaardeerd werd. Er waren er die zich daarop bijzonder lieten voorstaan en het deden voorkomen, alsof zij de eigenlijke geestelijke menschen waren. Dit gaf tot ongewenschte toestanden aanleiding, waartegen Paulus ernstig waarschuwde.

Er is geen reden zich er op te verheffen, wanneer men een bijzondere gave ontvangen heeft, zegt hij. Ieder, die belijdt dat Jezus Christus Heer is, kan dit alleen doen door de werking van den Heiligen Geest. Daardoor alleen kan men van de afgoderij bekeerd worden. Elk gemeentelid dat die belijdenis aanvaardt en uitspreekt, is dus een geestelijk mensch.

Nu geeft de Heilige Geest aan sommigen bijzondere gaven en krachten, genadegaven (met een Grieksch woord charismata); maar dat is geen reden om er zich op te verheffen. Zij strekken tot onderlingen opbouw. Ieder heeft met zijn gave het geheel te dienen en men kan niet alles tegelijk zijn; en evenmin kunnen allen dragers van die bijzondere gaven zijn. De gemeente is te vergelijken met een lichaam, waarvan elk lid zijn bijzondere functie heeft te vervullen en de leden niet mogen meenen door hun bijzondere werkzaamheid

|58|

iets meer (of iets minder) te zijn dan een ander.

Wat zegt Paulus nu van die bijzondere werkzaamheden, genadegaven of charismata? Wij lezen in vers 8-11:

Want den een wordt door den Geest de gave geschonken, om wijsheid mede te deelen; aan een ander, om kennis mede te deelen, overeenkomstig de leiding van dienzelfden Geest; voorts aan den een geloof door dienzelfden Geest; aan een ander gaven der genezing door dien éénen Geest; aan een ander wonderwerkingen; aan een ander profetie; aan een ander gaven ter onderscheiding der geestes-uitingen; ten slotte: aan de neen verschillende soorten van geestestalen; aan een ander vertolking dier talen. Doch al deze dingen werkt een en dezelfde Geest, terwijl hij ze toedeelt aan ieder afzonderlijk, naardat Hij wil.

Eerst hierover enkele opmerkingen.

Met „wijsheid”, waarvan in het begin sprake is, zal bedoeld zijn inzicht in Gods raad en middelen tot behoud; wat meer is dan „kennis” van beginselen van het evangelie. Met „geloof” zal niet het zaligmakend geloof van overgave zijn bedoeld (het eigendom van elk Christen), maar wonderwerkend geloof, als waarvan in 13: 2 sprake is. Dan gaven die zich in „genezing” openbaren en gaven van uitdrijving van demonen, kastijdingen als het blind worden van Elymas in Hand. 13: 11 enz. „Profetie” is prediking van het woord met kracht, zooals 1 Kor. 14: 3, 24, 30 omschrijft. En dan de gave, om te onderscheiden, of het door den profeet gesprokene inderdaad Godsopenbaring is of niet. En eindelijk de „glossolalie”, het spreken in onverstaanbare klanken en de daarvoor noodzakelijke vertolking.

Wat Paulus uitvoeriger in deze verzen heeft gezegd, vat hij nog eens korter samen in vers 28: „En God heeft sommigen in de gemeente aangesteld ten eerste tot apostelen, ten tweede tot profeten, ten derde tot leeraren” (de eerste drie charismata, die wij kunnen samenvatten als leerambt; hierbij zijn met apostelen wel niet alleen de „twaalven” bedoeld, daar het algemeen is gezegd en op de

|59|

gemeente te Korinthe betrekking heeft; de profeten zijn degenen die het Woord Gods met kracht verkondigen naar het hun geschonken inzicht; terwijl de leeraars degenen zijn die het Oude Testament en de woorden des Heeren weten uit te leggen en toe te passen); „voorts wonderkrachten, en dan gaven der genezing, hulpbetooningen; regeeringen, menigerlei geestes-talen”. Als wij deze opsomming vergelijken met vs. 8-10, dan worden hier nieuw genoemd „hulpbetooningen en regeeringen”, terwijl weggelaten zijn „geloof”, „onderscheiding der geesten” en „vertolking der geestestalen”.

Terwijl in het eerste gedeelte negen charismata worden genoemd, vinden wij er hier acht, en daarvan twee verschillend. Paulus heeft niet een wiskundige zuivere opgave willen doen, maar hij noemt de voornaamste. Er is blijkbaar een groote verscheidenheid van gaven. In vers 29 v. noemt hij er maar zeven: „Het zijn toch niet allen apostelen? niet allen profeten? niet allen leeraars? niet allen wonderkrachten? Niet allen hebben toch gaven der genezing? niet allen spreken toch in geestes-talen? Niet allen toch kunnen vertolken?” Bij deze zeven wordt het „vertolken” wel genoemd, maar weggelaten zijn van de eerste reeks: „geloof” en „onderscheiding der geesten”; van de tweede reeks „hulpbetooningen” en „regeeringen”.

In alle drie de reeksen vinden wij: apostelen, profeten, leeraars (als wij die namelijk gelijk stellen met hen die wijsheid, profetie en kennis brengen), genezingen, wonderkrachten en glossolalie. Deze laatste telkens achteraan, blijkbaar omdat Paulus die op den achtergrond wil dringen en, volgens 1 Kor. 14, liever wil vervangen zien door profetie.

 

Dat deze charismata niet tot de gemeente van Korinthe beperkt, maar als een algemeen verschijnsel uit den eersten tijd te beschouwen zijn, volgt uit twee andere plaatsen in Paulus’ briefen: Rom. 12: 6-8 en Efeze 4: 11.

In Rom. 12 lezen wij in een soortgelijk verband als in 1 Kor. 12 (het ééne lichaam en de vele leden) „Wij bezitten dan, naar de genade die ons geschonken is, verschillende gaven:

|60|

is het profetie,
[laten wij dan profeteeren] naar gelang van ons geloof;
is het bediening,
[laten wij ons toeleggen] op het werk der bediening;
wie onderwijs geeft,
[die legge zich toe] op onderwijzen;
wie vermaant,
op vermanen;
wie uitdeelt,
[doe het] in eenvoud;
wie leiding geeft,
[doe het] met ijver;
wie barmhartigheid betoont,
met blijmoedigheid”.

 

Hier kunnen wij zeven charismata onderscheiden. Daarvan zijn twee geheel gelijk aan die in 1 Kor. 12, nl. de profetie en het onderwijzen of leeren. Misschien zou men „bedienen” gelijk kunnen stellen met „hulpbetooningen” en „leiding geven” met „regeeringen”. Dan blijven er nog als nieuw genoemde over: vermanen, uitdeelen en barmhartigheid betoonen. Hoe ons dit precies voor te stellen, weten wij niet. Wij zouden geneigd zijn, bedienen, uitdeelen en barmhartigheid betoonen als synoniemen te nemen; maar daar wij de gemeentelijke verhoudingen en werkzaamheden niet kennen, weten wij niet, of hier toch niet inderdaad op drieërlei werkzaamheid gedoeld wordt.

Opmerkelijk is, dat hier geen apostelen genoemd worden. Ook is van glossolalie en vertolking daarvan geen sprake. Het is niet onmogelijk, dat dit laatste vooral in Korinthe sterk werd beoefend, maar elders geen eigenlijk zelfstandige plaats in het gemeenteleven innam.

Zij wordt namelijk ook niet genoemd in de kortste lijst, die wij in Paulus’ brieven vinden: Efeze 4: 11. Hier lezen wij van Christus: „En Hij is het, die sommigen gegeven heeft als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leeraars, om de geheiligden toe te rusten tot het werk der bediening,

|61|

tot den opbouw van het lichaam van Christus”.

Hier worden twee nieuwe werkzaamheden genoemd: die van evangelist en die van herder. Nu is het de vraag, of misschien „herder en leeraar” als eenheid moet worden genomen. Hiertegen pleit, dat op de andere plaatsen de „leeraars” op zich zelf worden genoemd; en dan zouden de „herders” misschien gelijk te stellen zijn met hen „die leiding geven” in Rom. 12 en de „regeeringen” in 1 Kor. 12.

Van deze vijf (of vier) ambten gezamenlijk wordt gezegd, dat Christus die gaven heeft gegeven, om de geheiligden (d.i. Christenen) toe te rusten tot het werk der „bediening”. Voor „bediening” wordt hier het woord diakonia gebruikt, dat dus ook hier een algemeene beteekenis heeft en niet op het bijzonder ambt van diaken betrekking heeft.

 

Uit een vergelijking van deze plaatsen kunnen wij de gevolgtrekking maken, dat er een verscheidenheid van gaven bestond, waarvan profeten en leeraars zeker een belangrijk deel hebben vervuld, daar zij op alle plaatsen genoemd worden.

Het zijn vrije geestesgaven geweest: niet door een benoeming of aanstelling door de gemeente hebben zij de bevoegdheid tot hun werk ontvangen, maar alleen doordat de Geest hen daartoe bekwaamde en drong. Zij beperkten hun werkzaamheid ook niet tot één bepaalde gemeente: immers de Geesteswerking stelde hen in staat overal hun woord te doen hooren of hun macht tot genezen, demonen bannen enz. toe te passen.

Tot in de tweede eeuw hebben deze vrije geestesambten, die overal zich konden doen gelden, bestaan. Duidelijk blijkt dit uit een geschrift van het begin der tweede eeuw, de oudste ons bekende kerkorde, de z.g. Didachè of Leer der Twaalf Apostelen. Hier lezen wij in het elfde hoofdstuk:

„Komt nu iemand en leert u dat alles, dat tot nu toe is medegedeeld, neemt hem dan op. Maar leert de leeraar een andere leer, die tot terzijdestelling leidt, luistert dan niet naar hem. Maar (strekt zijn onderwijs) tot vermeerdering der gerechtigheid en der kennis des Heeren, neemt hem dan op als den Heer zelf.”

|62|

„Wat echter de apostelen en profeten betreft, handelt naar het voorschrift van het evangelie aldus: Iedere apostel die tot u komt, moet opgenomen worden als de Heer zelf. Hij zal echter slechts één dag blijven; wanneer het noodig is, ook nog den anderen; blijft hij echter drie, dan is hij een valsche profeet. Trekt de apostel verder, dan moet hij niets ontvangen dan brood (dat strekt) totdat hij nachtverblijf vindt. Vraagt hij om geld, dan is hij een valsche profeet.”

„En iederen profeet, die door den Geest spreekt, moet gij niet op de proef stellen en becritiseeren. Want alle zonde zal vergeven worden, maar deze zonde zal niet vergeven worden. Intusschen is niet ieder, die door den Geest spreekt, een profeet, maar slechts wanneer hij op dezelfde wijze als de Heer leeft. Aan de leefwijze zal de valsche profeet en de ware profeet herkend worden. En geen profeet die door den Geest een gedekte tafel bestelt, eet daarvan, tenzij hij een valsche profeet is. Verder is iedere profeet, die de waarheid le ert, maar niet doet wat hij leert, een valsche profeet” enz.

Wij krijgen hier een leerzamen blik op het gemeenteleven van het eind der eerste en het begin der tweede eeuw. Er zijn blijkbaar reizende leeraren, apostelen en profeten. Maar er zijn ook die zich alleen zoo voordoen, om op den zak der christenen te teren. Dit laatste moet voorkomen worden, door aan de reizende predikers niet meer te verstrekken dan het strikt noodige. Vragen zij meer, dan is het een bewijs dat zij geen betrouwbare lieden zijn. Wij kunnen op de bijzonderheden niet verder ingaan. Deze aanhaling moet alleen bewijzen, dat wij bij een apostel, profeet en leeraar te denken hebben aan een charismatisch ambt dat uit vrije Geesteswerking ontstaat en niet aan één bepaalde gemeente gebonden is.

Brouwer, A.M. (1937) 11

|63|

11. Oudsten, Opzieners en Diakenen.

 

Van hen die vrije Geestes-ambten, charismatische ambten vervullen, zijn te onderscheiden die voorgangers, die uit benoeming en aanstelling door een bepaalde gemeente hun bevoegdheid ontvangen.

Uitvoerig wordt ons dat in Hand. 6 duidelijk gemaakt. De geestelijke en in den aanvang ook de materieele leiding berustte bij de apostelen. Zij waren door den Heiligen Geest daartoe bekwaamd en geroepen. Hun bevoegdheid beperkte zich niet tot Jeruzalem, maar strekte zich over de geheele christenheid uit.

Toen er moeilijkheden ontstonden over de dagelijksche verzorging der weduwen van Hellenistische Joden, lieten zij door de gemeente zeven mannen benoemen, die zij na gebed en handoplegging aanstelden. Wij hebben gezien, dat hieronder wel „oudsten” te verstaan zijn. Hun bevoegdheid strekt zich alleen over de gemeente te Jeruzalem uit. Toen er een twistvraag over de beteekenis der Mozaïsche wet was ontstaan en het oordeel der moedergemeente werd gevraagd, spraken zij samen met de apostelen namens de Jeruzalemsche gemeente dat oordeel uit. Maar zij zouden niet, zooals de apostelen, in een andere gemeente kunnen gaan werken.

Ook in Hand. 14: 23 wordt van het kiezen van oudsten gesproken, wat hier door Saulus en Barnabas geschiedt, maar voor elke bepaalde gemeente telkens andere.

Wanneer in de Pastorale brieven (1 en 2 Tim. en Titus) van opzieners en diakenen wordt gesproken, dan worden daar verschillende eigenschappen genoemd, die zij wel of niet ogen bezitten, om voor een benoeming in aanmerking te komen. Van de diakenen wordt 1 Tim. 3: 10 gezegd: „En ook naar dezen moet eerst een onderzoek worden ingesteld; pas daarna als zij onbesproken blijken, mogen zij hun bediening uitoefenen”. De diakenen staan dus onder de controle der gemeente. En uit het begin van dien zin: „ook naar

|64|

dezen”, is af te leiden, dat dit tevens voor de opzieners bedoeld is.

Wij hebben hier met een geheel ander ambt te doen dan bij de charismatische.

Uit de Pastorale brieven is af te leiden, dat die gemeente-ambten al geruimen tijd bestonden, toen die brieven werden geschreven. Want het gaat hier niet over de instelling van die ambten, maar over een behoorlijke vervulling daarvan. Het is een poging, om het geestelijk leven van de gemeente op peil te houden of te brengen, o.a. door de juiste mannen op de leidende plaatsen te brengen. Hieruit kunnen wij overigens niets afleiden omtrent den tijd waarop deze ambten zijn ingesteld. Want er bestaat een sterke waarschijnlijkheid, dat de Pastorale brieven in den vorm waarin wij ze nu voor ons hebben, eerst uit het begin der tweede eeuw dateeren door uitbreiding van oorspronkelijke brieven van Paulus.

 

Ook is niet doorzichtig in welke verhouding oudsten, opzieners en diakenen tot elkander hebben gestaan.

Wanneer in de Roomsch-Katholieke Canisius-vertaling van het Nieuwe Testament „opziener” door bisschop en „oudste” door priester wordt vertaald, dan is dat misleidend. Inderdaad is het Grieksche woord voor „opziener” episkopos en is uit dit woord door verbastering bisschop ontstaan. Maar „bisschop” is tegenwoordig de naam voor zulk een bepaalde functie, dat het ongeoorloofd is episkopos met „bisschop” weer te geven. Zoo is ook het Grieksche woord voor „oudste” presbyteros en daaruit is inderdaad door verbastering het woord priester ontstaan. Maar in den loop der eeuwen heeft dit woord zulk een bepaalden inhoud verkregen, dat het ongeoorloofd is, presbyteros door „priester” te vertalen.

Uit de woorden is niets met zekerheid af te leiden.

Presbyteros beteekent „oudere” of „oudste”, in vroeger Nederlandsch „ouderling”; maar ook dit laatste woord heeft zulk een bepaalden inhoud gekregen, dat wij het niet meer als vertaling van presbyteros kunnen gebruiken.

Wij zagen reeds, dat met groote waarschijnlijkheid in Hand. 6 van het benoemen van „oudsten” wordt gesproken. Stephanus en Philippus treden als predikers, als evangelisten (21: 8) op.

|65|

Oudsten worden voor Jeruzalem verder genoemd in Hand. 11: 27; 15: 2, 4 en 6; 16: 4. Zij vertegenwoordigen hier de gemeente zoowel bij het ontvangen van gaven als bij het geven van een beslissing inzake de evangelieprediking. Meer is er niet van te zeggen.

Zij worden verder genoemd in Hand. 20: 17 als vertegenwoordigers van de gemeente te Efeze. En dan wordt in vers 28 gezegd, dat zij aangesteld zijn tot „opzieners” (episkopoi) van de gemeente. Hieruit is af te leiden, dat „oudsten” opzieners kunnen zijn.

Dit komt overeen met wat wij in de Pastorale brieven vinden. In 1 Tim. 3: 1-12 vinden wij de eigenschappen genoemd, waaraan opzieners en diakenen moeten beantwoorden. Later wordt over de tucht in de gemeente gehandeld en dan wordt niet van opzieners en diakenen, maar van oudsten gesproken (5: 17-22). Dit is het beste daaruit te verklaren, dat oudsten het samenvattende woord is, en dat daaronder zoowel opzieners als diakenen verstaan kunnen worden. — Dat past ook geheel op Titus 1: 5-7. Titus moet van stad tot stad „oudsten” aanstellen, die aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen, want „een opziener” moet onbesproken van gedrag zijn. Ook hier wordt een opziener tot de oudsten gerekend.

Wij zouden dus kunnen zeggen: alle opzieners zijn oudsten; niet alle oudsten zijn opzieners. Oudsten kunnen namelijk ook diakenen zijn.

Is dus „oudsten” het samenvattende woord voor opzieners en diakenen, duidelijk is het, dat deze laatsten van elkander onderscheiden worden.

 

Het eerst vinden wij van „opzieners en diakenen” melding gemaakt in Filip. 1: 1, waar Paulus en Timotheüs begroeten „al de geheiligden in Christus Jezus, die te Filippi zijn, te zamen met de opzieners en diakenen”. Deze brief is waarschijnlijk uit Efeze geschreven omstreeks het jaar 54. Daarin dankt Paulus voor hem gezonden gaven. Dit is aanleiding, dat men doorgaans het afzonderlijk noemen van de opzieners en diakenen in verband brengt met het inzamelen der gaven, waarvoor Paulus hen in het bijzonder danken wil. Was dit juist, dan zou hierin aanwijzing zijn, dat de zorg voor de materieele belangen het terrein van hun werkzaamheid

|66|

was. Het is echter vreemd, dat Paulus dan niet zegt: „vooral of inzonderheid de opzieners en diakenen”. Lohmeyer (in zijn commentaar op dezen brief) vermoedt, dat de vervolging van de gemeente te Filippi vooral de voorgangers heeft getroffen en dezen in de gevangenis gebracht, en dat daarom Paulus hen met nadruk vermeldt en zegt „te zamen met de opzieners en diakenen”. Is deze gissing juist, dan valt er van hun werkzaamheid niets te zeggen.

Wij kunnen alleen opmerken, dat de naam „opziener” en de naam „diaken” („diaken” komt in het boek der Hand. niet voor) het eerst gebruikt wordt in een heiden-christelijke gemeente. Te Jeruzalem was alleen sprake van oudsten. Wanneer Lukas het woord „opzieners” (in Hand. 20: 28) gebruikt, dan is dat ook voor een heiden-christelijke gemeente, n.l. die te Efeze.

Het woord „opziener”, episkopos, was een zeer gebruikelijk woord in de Hellenistische wereld voor iemand die toezicht hield. In Athene werden de mannen die naar onderworpen steden werden gestuurd om de zaken te leiden, episkopoi genoemd. Op een inscriptie van het eiland Rhodos komt de episkopos (enkelvoud) onder tempel-beambten voor, zonder nadere aanduiding van zijn werkzaamheid. Het algemeene gebruik van het woord kan ons geen licht geven op hun werk in de christelijke gemeente. Meer helpt ons een christelijk geschrift uit omstreeks 140, de z.g. Herder van Hermas, die zegt: „De episkopoi hebben door hun dienst altijd zonder ophouden toezicht gehad op de nooddruftigen en weduwen”.

Ook in Grieksche vereenigingen werden zij die voor de geldmiddelen zorg droegen, de financiëele ambtenaren, episkopoi genoemd. Dan is het onderscheid tusschen opzieners en diakenen oorspronkelijk niet zoo groot.

Ook de eigenschappen die in de Pastorale brieven voor opzieners en diakenen worden vereischt, verschillen niet zoo veel. Er is echter één woord, dat wel van de opzieners, maar niet van de diakenen gebruikt wordt, n.l. in 1 Tim. 3: 3 waar een opziener met het leeren in verband wordt gebracht. De vertaling is niet zeker: òf bekwaam om te onderwijzen (dan zou hij geregeld moeten onderwijzen) òf als hij onderwijst, daarvoor bekwaam (dan wordt bedoeld, dat hij alleen in bepaalde gevallen, als er geen eigenlijke „leeraar” is, moet

|67|

kunnen invallen om onderwijs te geven); dit laatste is het meest waarschijnlijke. Hier is de opziener in verband gebracht met het leerambt. Zoo ook Titus 1: 9. Dit werk zal zich later hebben ontwikkeld, naarmate de charismatische, de vrije gave van het leeren verminderde. Dit komt in 1 Tim. 2: 12 nog als charisma voor.

Het woord „diaken” beteekent „dienaar” zonder meer. Heeft nu de diaken oorspronkelijk ook armverzorging te behartigen gehad en in het algemeen voor de geldmiddelen der gemeente moeten zorgen, dan is misschien de opziener zich van den diaken gaan onderscheiden door zijn leeren en ten gevolge daarvan door een meer vertegenwoordigend optreden naar buiten. Daardoor werd ten slotte het diakenschap meer ondergeschikt en trad het opzienerschap meer op den voorgrond.

Ook voor de geregelde orde der godsdienstoefening zullen de „oudsten” de zorg hebben gedragen. Bij de avondmaalsviering zal een van hen de leiding hebben gehad. Hij was dan voor dien dienst de „opziener”. Wie daarvoor bijzondere gave had, zal herhaaldelijk dit werk hebben moeten doen. Zoo ontstond een neiging naar één geregeld optredenden „opziener”.

De toenemende ketterijen maakten noodig, dat daarop met gezag kon worden geantwoord. In het eerste geslacht bezaten de twaalven dat gezag. In plaatsen waar geen „apostelen” waren, was het charismatische ambt de natuurlijke verdediger van het christelijk geloof. Maar naarmate dit ambt minder algemeen en minder krachtig zich openbaarde, kwam de taak der verdediging van het christelijk geloof voor rekening van degenen, die de gemeente onderwezen, d.w.z. van de opzieners en zoo op den duur van hem die daarvoor het best bekwaam was, den opziener.

Dit vinden wij duidelijk uitgesproken in Titus 1: 9, waar wij van den episkopos lezen: „die zich gelegen laat liggen aan een geloovige prediking naar de ware leer, zoodat hij bekwaam is ook in de gezonde leer vermaningen te geven en de tegenstanders te overtuigen”.

Verschillende omstandigheden veroorzaakten op deze wijze het ontstaan van het eenhoofdig episkopaat en brachten het diakonaat op het tweede plan. Maar het ging niet overal op dezelfde wijze.

|68|

In gemeenten waar een krachtig geestesleven bestond en waar de charismatische ambten zich lieten gelden, zullen de oudsten op den achtergrond zijn gebleven. In gemeenten, waar men weinig charismatische gaven bezat, zullen de oudsten meer invloed hebben gekregen. In gemeenten waar een apostel langen tijd woonde, zal de ontwikkeling weer anders zijn verloopen. Zonder twijfel is er in de eerste eeuw een groote verscheidenheid geweest, die eerst langzamerhand voor een gelijkvormige organisatie plaats heeft gemaakt.

Brouwer, A.M. (1937) 12

|69|

12. De Vrouw in het Ambt.

 

Zooals wij zagen, moeten wij tweeërlei ambt onderscheiden: het charismatische en het door benoeming verkregen ambt. Het eerste is in alle gemeenten geldig, het tweede alleen in de gemeente waar men benoemd is.

Nu is het merkwaardig dat in beide soorten van ambt ook vrouwen werkzaam waren.

 

Tot de charismatische ambten behoorde het profetische als een der voornaamste. Hieraan hadden ook vrouwen deel. In Korinthe gaf dit aanleiding tot een vrijmoedig optreden, dat wel eens buiten de grenzen ging van wat velen welvoeglijk achtten. Daarom schrijft Paulus, 1 Kor. 11: 4 v.: „Iedere man die bidt of profeteert met gedekten hoofde, maakt zijn hoofd te schande. Iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, maakt haar hoofd te schande; want zij staat geheel gelijk met een vrouw wier hoofd geschoren is” (wat een teeken van rouw of van echtbreuk was). Profeteeren is in het openbaar Gods wil verkondigen. Sommigen die dit van de vrouw niet kunnen hebben, meenen dat Paulus hier alleen op huiselijke godsdienstoefeningen doelt. Wanneer men daaronder verstaat een huisgemeente, dan zal dat in vele gevallen wel juist zijn, want men kwam in den regel als huisgemeente samen: een openbare godsdienstoefening in een kerk wordt eerst aan het einde van de tweede eeuw vermeld. Maar wanneer men zeggen wil dat hier sprake zou zijn van een huisgezin, dan is het mal. Zou een vrouw daarvoor zich moeten sluieren, als zij bad of profeteerde? Dit is een verlegenheidsexegese, die tot dwaasheid leidt.

Ook Lukas, die als Hellenist en misschien ook als leerling van Paulus er op uit is melding te maken van alle gevallen, waar een vrouw een plaats van beteekenis in het gemeenteleven inneemt — in dien tijd bestond er een vrouwenkwestie geheel in denzelfden trant als wij die heden kennen. Lukas bericht, dat Filippus, de

|70|

evangelist, vier ongehuwde dochters had, die alle vier de gave der profetie, d.i. der openbare verkondiging van Gods wil, bezaten 1).

 

De vrouw had ook deel aan het door benoeming te verkrijgen ambt.

Paulus schrijft 2): „Ik beveel u Fébé, onze zuster, aan, die dienares was der gemeente te Kenchrea: wilt haar als christin opnemen ..... Want ook zelf is zij een beschermvrouwe voor velen geweest, met name voor mij”. Een vrouw van invloed dus, die „dienares der gemeente” was. Voor dienares staat het woord diakonos, precies hetzelfde als wat voor de „diakenen” gebruikt wordt. Misschien was het goed, hier ook maar „diaken” te vertalen. De vrouwelijke vorm diakones heeft bij ons reeds een eigen inhoud gekregen, en kan daarom voor de vertaling niet in aanmerking komen. Een vrouw in dienst der gemeente, officiëel.

Maar dit is de eenige plaats niet.

In 1 Tim. 3 is eerst sprake van het opzienerschap, vers 1-7; dan van diakenen, vers 8-10. Vervolgens lezen wij vers 11: „Desgelijks moeten de vrouwen (of: hun vrouwen) waardig zijn, geen kwaadspreeksters, beheerscht, in alles betrouwbaar”. In het Grieksch staat niet de en niet hun, maar eenvoudig „vrouwen”. De constructie van den zin is (vergeleken met vers 8) van dien aard, dat zeer goed de meening te verdedigen is, dat hier van een nieuwe categorie gemeente-ambten gesproken wordt die door vrouwen werden vervuld. Anderen meenen, dat hier alleen de vrouwen der diakenen bedoeld zijn, omdat vers 12 weer aansluit aan vs. 10 en over diakenen doorgaat. Calvijn meent, dat hier de vrouwen van opzieners en diakenen beide bedoeld zijn. Als men ze niet als afzonderlijk ambt neemt, dan is voor dit laatste het meeste te zeggen. De logische volgorde behoeft geen bezwaar te zijn, want die is hier toch zoek, waarschijnlijk omdat het een opsomming is van verschillende regelen die in de gemeente in acht genomen moesten worden. Is men het met Calvijn eens, dan kunnen wij hier niet van een vrouwelijk ambt spreken.


1) Hand. 21: 9.
2) Rom. 16: 1.

|71|

Maar dit is toch zeker het geval in 1 Tim. 5: 9 v.v. In dit deel wordt gesproken over verschillende groepen van gemeenteleden. Het begint in vers 3 met de vermaning: „Behandel met eerbied de weduwen, die geheel vereenzaamd zijn”. Doch deze weduwen kunnen in de gemeente een werkzaamheid vervullen. Daarvoor moeten zij aan bepaalde voorwaarden voldoen. Hierover handelt vs. 9 en 10: „Een weduwe worde ingeschreven, wanneer zij niet jonger is dan zestig jaren, slechts éénmaal gehuwd is geweest, en om haar goede werken bekend staat: voor zoover zij kinderen heeft grootgebracht, gastvriendschap bewezen, aan geheiligden de voeten gewasschen [misschien als bewijs van de nederigste dienst; anderen meenen: het met wellevendheid en gastvrijheid ontvangen van vreemdelingen; maar vreemdelingen worden hier niet uitdrukkelijk genoemd], de bedrukten heeft bijgestaan, kortom op allerlei goede daden zich heeft toegelegd”. Deze weduwen worden naast opzieners en diakenen op de lijst van kerkelijke ambten ingeschreven. Wat voor arbeid zij hebben te verrichten, wordt hier evenmin als van opzieners en diakenen gezegd: die arbeid is bij de lezers bekend. Sommige uitleggers denken aan ziekenzorg en wijkbezoek; maar anderen achten dit voor een meer dan zestigjarige veel te zwaar en denken aan opzicht over het vrouwelijk deel der gemeente, vooral over weduwen en weezen. Over een bepaalde gemeentewerkzaamheid van weduwen spreekt nog Tertullianus, omstreeks 200. En in de apocriefe Handelingen van Paulus, van omstreeks 170, wordt van een zekere Thekla gesproken die met Paulus het evangelie verkondigd en gedoopt heeft.

 

Al zijn deze apocriefe Handelingen als vervalsching door de kerk veroordeeld, dat een vrouw met Paulus het evangelie verkondigd en gedoopt zou hebben, is geheel in overeenstemming met wat wij in Paulus’ brieven lezen, afgezien van die plaatsen waar bepaalde kerkelijke werkzaamheden door een vrouw verricht worden.

Zoo wordt Prisca (vóór haar man Aquila vermeld) in Rom. 16: 2 Paulus’ mede-arbeidster in Christus Jezus genoemd. In vs. 12 is sprake van Tryféna en Tryfósa en van Persis, Paulus’ geliefde

|72|

vriendin die zich eens veel moeite voor de zaak des Heeren heeft gegeven. Wij doen deze vrouwen geen recht, door haar naam alleen met een naaikrans in verband te brengen.

In Filp. 4: 3 wordt van Euódia en Syntyche gezegd: „zij hebben met mij den strijd voor het evangelie gevoerd [in het Grieksch staat met mij medegeworsteld], te zamen met Clemens en mijn overige medearbeiders, wier namen staan in het boek des levens”. Nu heeft het woord „evangelie” bij Paulus heel vaak de beteekenis van evangelieverkondiging, zendingswerkzaamheid. De vertaling zou kunnen luiden: „zij hebben met mij in de evangelieverkondiging medegeworsteld”. Dit is iets meer dan vriendelijke en gastvrije opname in haar huis. Wij worden hier sterk aan Thekla herinnerd.

 

Hier staan enkele andere plaatsen tegenover: In 1 Kor. 14: 34 v. wordt gezegd, dat het een vrouw tot schande strekt, in de gemeente te spreken. Nu wordt in 1 Kor. 11: 5 het bidden en profeteeren aan de vrouw niet verboden. Hier ligt, in één en denzelfden brief, òf een tegenspraak, òf wij moeten bij 1 Kor. 14 in verband met het voorafgaande denken aan glossolalie die aan de vrouw verboden is, evenals het navragen omtrent de beteekenis daarvan. Dit laatste komt mij het meest waarschijnlijk voor. Sommigen meenen, dat 1 Kor. 14: 37 aansluit aan vs. 33 en dat deze geheele uitweiding over het zwijgen der vrouwen later is toegevoegd en niet van Paulus afkomstig is. Al wordt hier een aannemelijk argument aangevoerd, een dergelijke amputatie heeft toch, juist in een zoo moeilijke kwestie, haar bezwaren.

Iets anders staat het met 1 Tim. 2: 12 v.v.: „Onderricht te geven sta ik aan de vrouw niet toe” enz. Er zijn ernstige argumenten die het waarschijnlijk maken, dat wij hier niet met een uitspraak van Paulus te doen hebben, maar met een gemeentebepaling uit het begin der tweede eeuw. Dat neemt niet weg, dat dit woord in de kanonieke geschriften van het Nieuwe Testament voorkomt. Maar waarom moet men de andere plaatsen, waar zij wel als profetes erkend en geëerbiedigd wordt en waar zij mede in den arbeid der evangelieverkondiging worstelt, geheel buiten beschouwing laten?

|73|

In de Anglicaansche kerk werd in Februari 1936 door een daarvoor ingestelde commissie op grond van de bestudeering der gegevens aan de vrouw ook het ambt van „deacon” (diaken, maar in den zin van een lager geestelijk ambt, heel anders dan bij ons) toegekend 1). „Volgens onze meening — zoo luidt het rapport — moet erkend worden, dat een „deaconess” heilige wijdingen bezit, en dat haar door den H. Geest de wijdingsgenade is verleend onder gebed en handoplegging. Deze wijdingsgraad moet niet als gelijkwaardig met die van het mannelijk „deaconate” beschouwd worden, maar veel meer als de ééne bestaande heilige wijding voor vrouwen. Dit moet in elk geval de erkenning van de „deaconess” als lid van den geestelijken stand met zich brengen, tezamen met al de gevolgen die ten aanzien van voorrang en lidmaatschap bij kerkelijke corporaties daaruit voortvloeien. Wij zijn van meening, dat een formulier voor de wijding van een „deaconess” aan het ordinale moet worden toegevoegd”. Zij mag ook „reverend” worden genoemd. En de volgende liturgische functies worden voorgesteld: 1. het leiden van de godsdienstoefeningen in den morgen- en den avonddienst en van de litanie met uitzondering van die gedeelten die den priester voorbehouden zijn; 2. het geven van onderwijs en het preeken, uitgezonderd bij avondmaalsdiensten; 3. de leiding bij den kerkgang van kraamvrouwen; 4. het doopen van kinderen bij afwezigheid van een priester; 5. in bijzondere gevallen, zooals b.v. in meisjesscholen, het „uitreiken van den beker”.

Omtrent de vrouw en het priesterambt zegt het rapport: „Wij wenschen het ambt van de „deaconess” volledig ontwikkeld te zien, maar wij kunnen de toelating van de vrouw tot het priesterambt niet aanbevelen ...... Terwijl in het Nieuwe Testament wel een bewijs voor het bestaan van „deaconesses” en profetessen te vinden is, zoo vindt men daarin niets over de uitoefening van een priesterlijke functie door een vrouw. De onafgebroken traditie der Christelijke kerk was die van het mannelijk priesterschap en wij gelooven dat met deze traditie het algemeen gevoelen der kerk nog heden in overeenstemming is”.


1) Zie Algem. Handelsblad 7 Februari 1936, Ochtendblad bl. 9.

|74|

Tot zoover het rapport.

Wij kennen in onze kerk geen priesterlijke functie en behoeven de vrouw dus niet daarbuiten te sluiten. Maar is het niet merkwaardig wat deze Anglicaansche commissie toch aan de vrouw meent te kunnen toekennen op grond van de gegevens der Heilige Schrift? Het is niet duidelijk, waarom ook in onze kerk de vrouw niet benoembaar zou kunnen zijn voor het veel minder omvattende werk van het diaconaat; waarom zij niet veel meer in den arbeid der groote steden te werk kan worden gesteld in het kader der kerk. Er mogen practische bezwaren bestaan tegen het predikantschap op een dorp, omdat naar Protestantsche opvatting in de pastorie een predikantsgezin moet wonen, voor den arbeid in de stad bestaan die bezwaren niet. En hier zou, met een geldig beroep op wat het Nieuwe Testament ons van de oudste kerk te zien geeft, van den kerkelijken arbeid der vrouw in zeer ruimen zin gebruik te maken zijn.

Brouwer, A.M. (1937) 13

|75|

13. Slechts drie Ambten volgens den Schriftuurlijken Grondslag der Kerkorganisatie?

 

Wij hebben getracht, ons rekenschap te geven van wat het Nieuwe Testament ons van de organisatie der oudste kerk laat zien. Wij komen nu tot de vraag, of men inderdaad mag spreken van den eisch van Gods Woord, om slechts drie ambten, en wel van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, te erkennen, en of alleen daarbij van een schriftuurlijken grondslag der kerkorganisatie sprake mag zijn. Bij de beantwoording van deze vraag moeten wij volstaan met slechts beknopte opmerkingen. In het voorgaande ligt het antwoord niet onduidelijk opgesloten. Maar wij willen deze vraag toch ook opzettelijk nog onder de oogen zien.

Allereerst komt hier in aanmerking wat Paulus in Efeze 4: 11 van Christus zegt: „En hij is het die sommigen gegeven heeft als apostelen, anderen als profeten, anderen als evangelisten, anderen als herders en leeraars, om de geheiligden toe te rusten tot het werk der bediening, tot den opbouw van het lichaam van Christus.”

Het woord „apostelen” wordt nog tot in de tweede eeuw gebruikt voor evangeliepredikers, die den grond leggen van nieuwe gemeenten. In dien algemeenen zin komt het ook elders bij Paulus voor. Daarnaast wordt het gebruikt, om in het bijzonder de twaalven aan te duiden (en iemand als Jakobus, den broeder des Heeren), die Jezus persoonlijk gekend hebben. Het is moeilijk uit te maken, of Paulus hier „apostelen” gebruikt in den engeren zin van de twaalven of in den ruimeren zin. Het laatste is bij de algemeenheid van de uitspraak wel het meest waarschijnlijk te achten. Doch dan is er geen reden te zeggen, dat dit apostolaat alleen beteekenis had voor het eerste geslacht van christenen. Het komt nog in de tweede eeuw voor. Het zou overal voor moeten komen, waar nog de grondslag voor nieuwe gemeenten moet worden gelegd (op de zendingsvelden b.v.).

Met „profeten” kunnen onmogelijk Oud-Testamentische profeten

|76|

bedoeld zijn. Dan zouden ze ook niet nà de apostelen genoemd worden (zie b.v. ook Ef. 2: 20). Hier in Ef. 4: 11 zijn zij in de gemeente werkzaam, evenals in 1 Kor. 14: 5, 29; 1 Thess. 5: 20; Hand. 13: 1 enz. Het zijn mannen en vrouwen (zie Hand. 21: 9; 1 Kor. 11: 5), die door den H. Geest gedreven het vrije woord verkondigen; wij zouden het in onze dagen kunnen vergelijken met „leekepredikers.”

Onder „evangelisten” worden waarschijnlijk verstaan de predikers die zonder hetzelfde gezag als de apostelen ook rondtrokken, om het evangelie bekend te maken, zooals Filippus (Hand. 21: 8) en Timotheüs (b.v. 2 Tim. 4: 5).

En dan komen er nog bij „herders en leeraars.” Het is niet duidelijk, of hiermee één ambt wordt bedoeld, dan wel twee: herders, die toezicht op de gemeente oefenden, en leeraars, die het Oude Testament voor de Christelijke gemeente toepasselijk uitlegden en de woorden des Heeren verklaarden.

De in Ef. 4: 11 genoemde vier of vijf ambten zijn blijkbaar door den H. Geest gewerkte, vrij (z.g. charismatische) ambten: gegrond op bijzondere genadegaven 1).

 

Wanneer door de Hervormers de „apostelen” terzijde gesteld worden als alleen voor den eersten tijd bestemd, dan ligt daaraan de onjuiste voorstelling ten grondslag, dat reeds aan alle volken in den oud-christelijken tijd het evangelie verkondigd zou zijn. Dat is zelfs nu nog niet het geval.

Wanneer de „profeten” ter zijde gesteld worden, dan kan men een verontschuldiging daarvoor vinden in het „profetisme” der Wederdoopers, dat dweperij en dwaalleer was geworden. Maar een verkeerd gebruik behoeft het goed gebruik niet uit te sluiten. Op het convent van Wezel in 1568 heeft men nog, op voorgang van de Londensche gemeente, met „profeten” in de gemeente rekening willen houden (in de Dordtsche kerkorde wordt hiervan nog een spoor gevonden in Art. VIII).

En wat voor reden is er, van geen „evangelisten” meer te willen


1) Zie boven, hfdst. 9.

|77|

weten? Zijn die niet nog steeds noodig voor de zendingswerkzaamheid der kerk?

Om te komen tot het drietal: bedienaren des Woords, oudsten en diakenen moeten in elk geval uit Ef. 4: 11 de eerste drie ambten worden weggewerkt. En dan houdt men nog herders en leeraars over, die als één worden beschouwd, doch die men dan houdt niet voor een charismatisch ambt, maar voor een door de gemeente bij keuze te bezetten ambt (wat in Ef. 4: 11 niet de bedoeling is).

 

In de Pastorale brieven (1 en 2 Tim. en Titus) vinden wij aanwijzingen voor door de gemeente gekozen functionarissen, waarvan dan een aantal eigenschappen worden genoemd die zij moeten bezitten, om gekozen te kunnen worden. Het zijn opzieners, oudsten, diakenen en gemeenteweduwen (een vrouwelijk ambt dat nog tot de derde eeuw bestaan heeft, maar weggewerkt moet worden).

De verhouding van opzieners en oudsten is onbekend. Vermoedelijk is „oudsten” aanduiding voor opzieners en diakenen samen, zooals wij boven in hfdst. 10 trachtten duidelijk te maken. Wij moeten dan, om tot het drietal te komen, de oudsten weglaten. Dan houden wij voor de door de gemeente te bezetten ambten de opzieners en diakenen over. En dan moeten wij van de charismatische ambten dat van „herder en leeraar” (als één genomen) daaraan toevoegen. Dan hebben wij inderdaad het drietal.

Zou nu iemand werkelijk meenen, dat dit door Gods Woord geëischt wordt? Waar blijven de negen, waar de zeven ambten van 1 Kor. 12 en Rom. 12? Zoo ergens, dan is het hier duidelijk, dat men eerst een zekere organisatie uitdenkt en dan teksten zoekt en pasklaar maakt, die deze organisatie aannemelijk moeten maken.

Het is volkomen begrijpelijk, dat men in den tijd der Hervorming de niet-Nieuw-Testamentische hiërarchie der Roomsch-Katholieke Kerk heeft willen vervangen door een organisatie die opkwam uit het algemeen priesterschap der geloovigen. Het is ook begrijpelijk dat de geestdrijverij der Wederdoopers, waarmee Calvijn in Straatsburg van nabij kennis maakte (zijn vrouw behoorde oorspronkelijk tot dien kring), zeer voorzichtig maakte met de gedachte van Geestes-werkzaamheid, Geestes-ambten, profetie of hoe men het

|78|

noemen wilde. Volkomen begrijpelijk dus dat de organisatie geboren werd, waaraan de naam van Calvijn verbonden is. Zij heeft hare groote voordeelen, maar — b.v. ten opzichte van de Zending, van de werkzaamheid der vrouw in de gemeente en van onderlinge verantwoordelijkheid (die men zeer goed gevoelde, maar zeer gebrekkig tot uiting kon brengen) — hare groote nadeelen.

Sedert de Hervorming heeft men vierhonderd jaren de Heilige Schrift bestudeerd. Nieuwe vondsten van verloren geraakte geschriften uit de oudheid hebben ook nieuw licht op de antieke verhoudingen geworpen. Is het wonder, wanneer wij tot de gevolgtrekking komen, dat de eens schriftuurlijk geachte organisatie dien naam niet meer verdient dan menige daarvan afwijkende kerkinrichting?

Wij meenen op grond van wat wij hebben aangevoerd, de gevolgtrekking te mogen maken:

Dat het „eisch van Gods Woord” zou zijn, dat er drie ambten zullen bestaan, n.l. van dienaren des Woords (ook „herders en leeraars” genoemd), oudsten en diakenen, is onverdedigbaar te noemen. Het wijkt bovendien af, van wat de Calvinistische Gereformeerde inrichting oorspronkelijk heeft gewild, zooals wij boven reeds hebben opgemerkt: het vierde ambt der doctoren laat men weg; het tweevoudig ambt der diakenen maakt men enkelvoudig; de vertegenwoordiging der diakenen ook in de breedere vergaderingen laat men vervallen; de nauwe samenwerking met de overheid (zooals in Geneve uitkwam bij de beroeping van predikanten en benoeming van ouderlingen en diakenen) geeft men prijs. Wat is er tegen dan ook ronduit te erkennen, dat de Nieuw-Testamentische gegevens niet toelaten alleen een drietal ambten te beschouwen als in overeenstemming te zijn met de Heilige Schrift?

Ook wat de ambten betreft, moeten wij erkennen, dat de aanwijzigingen in den Bijbel voor verschillende uitlegging vatbaar zijn en de mogelijkheid van verschillende uitwerking open laten. Blijkbaar is organisatie niet een onveranderlijk deel der heilswaarheid, maar is zij aan de behoeften van de praktijk overgelaten.

Wil men het drietal handhaven, niet meer en niet minder, dan mag men dat alleen doen op zuiver praktische en historische gronden.

|79|

Maar tegen die opvatting zijn ernstige bezwaren in te brengen. Ik wees reeds op de positie die de vrouw in de kerkelijke werkzaamheid behoort in te nemen. In het volgende hoofdstuk willen wij aannemelijk maken, dat het zendingskarakter van de kerk bij het drietal ook niet tot zijn recht komt, al heeft men wel een (zonderlinge) figuur uitgedacht, om de zending in het drietal in te passen.

Brouwer, A.M. (1937) 14

|80|

14. De Zendingstaak der Kerk en haar Organisatie.

 

Wanneer wij over de zendingstaak der kerk spreken, plegen wij die vooral af te leiden uit Matth. 28: 18-20: „En Jezus trad op hen toe en sprak: Mij is gegeven alle macht, in hemel en op aarde. Gaat dan heen en maakt tot mijne leerlingen al de volkeren: doopt hen in den naam des Vaders en des Zoons en des heiligen Geestes, en leert hen onderhouden alles wat ik u geboden heb. En zie, ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”.

Het is merkwaardig, dat deze opdracht door de Hervormers beschouwd wordt als alleen tot de Apostelen gericht. Calvijn polemiseert tegen den paus en zijn cohorte, die spreken van een successie, alsof zij gemeenschap onderhouden met Petrus en de zijnen, terwijl zij zich om de leer niets meer bekommeren dan de priesters van Bacchus en Venus. Alleen hij kan een opvolger der apostelen heeten, zegt hij, die zijn arbeid in de prediking van het evangelie aan Christus wijdt. Uit dit woord van den grooten Hervormer zou men kunnen afleiden, dat hij nu over de zendingstaak der ware kerk zou gaan handelen. Maar dat doet hij niet. De opdracht acht hij blijkbaar alleen aan de apostelen gegeven, die dan ook overal het Woord hebben gebracht. Slechts de belofte, dat Christus met hen zal zijn al de dagen tot de voleinding der wereld, acht hij niet voor de Apostelen alleen bestemd.

Ook Justus Heurnius, de bekende zendingsman, die in 1618 een opwekking schreef om zich meer aan de Zending onder de heidenen te wijden, haalt Matth. 28: 18 v.v. in zijn geschrift niet aan. Eerst bij Voetius, die den toestand in Indië beter had leeren kennen en wist, dat nog niet alle volken door de Apostelen het evangelie was gebracht, vinden wij van Matth. 28: 18 v.v. als een voor de kerk van alle tijden bestemde opdracht melding gemaakt.

 

Deze geschiedenis van de uitlegging van Matth. 28: 18-20 is

|81|

leerzaam. Duidelijk spreekt daaruit, dat de Hervormers de zendingstaak der kerk niet centraal hebben gezien. Zij gingen van de onjuiste onderstelling uit, dat reeds door de Apostelen aan al de volkeren het evangelie was bekend gemaakt. Men moet daarbij in het oog houden, dat van Amerika nog heel weinig bekend was — (Beza, die tegen Saravia polemiseerde, meende nog dat in den apostolischen tijd daarheen de reuke des evangeliums wel was doorgedrongen) — en dat Midden- en Zuid-Afrika, evenals Oost-Azië vrijwel geheel buiten den gezichtskring van Midden Europa lag, om maar van Australië en de tallooze eilanden in de buurt te zwijgen. De „wereld” was in de eerste helft der zestiende eeuw practisch nog wat eens tijdens het oude Romeinsche wereldrijk bekend was.

Hier had de kerk een taak te vervullen. Maar deze taak was geen zendingstaak: die was door de oude kerk reeds vervuld. Nù ging het om de prediking van het zuivere Woord Gods en om de juiste bediening der Sacramenten. Waar het Woord Gods zuiver gepredikt en de sacramenten van Doop en Avondmaal op de juiste wijze worden bediend, daar is de ware kerk Gods. Door deze opvatting werd de Roomsch-Katholieke Kerk als het rijk van den anti-Christ gebrandmerkt; maar evenzeer de gemeenten der Wederdoopers als niet tot de kerk behoorende buiten de gemeenschap met Christus gesteld; hun martelaren werden niet beschouwd als martelaren van het christelijk geloof en mochten als zoodanig niet worden beschreven en geprezen.

Daar kwam nog de verwachting van het spoedig wereldeinde bij. Luther, maar ook Melanchthon e.a., achtten het Godsgericht aanstaande. Inzonderheid het jaar 1558 werd als het jaar van het wereldeinde tegemoet gezien.

Als men dit nu voegt bij den beperkten gezichtskring van dien tijd, toen de wereld nog gold als een plat vlak waarvan het grootste gedeelte nog buiten de belangstelling en zelfs buiten den gezichtskring van midden-Europa lag, dan is het heel goed te verklaren, dat men tot genoemd statisch kerkbegrip is gekomen.

Intussen is de kennis van wat onze aarde bevat, totaal gewijzigd. Reeds in de zeventiende eeuw zagen onze vaderen het als

|82|

plicht der kerk, om de heidenen en de „Mahometisten” het evangelie te brengen. De vaart op de Oost had den gezichtskring verruimd en de kerk voor een nieuwe taak gesteld. Doch er was nog maar een gebrekkige kennis van den eigenlijken toestand dier oostersche volken.

Wat Oost-Indië betrof, men meende hier te lande dat Maleisch de algemeen gesproken taal was en dat de kennis daarvan voldoende geacht kon worden, om onder de Indonesische bevolking te werken. Van kennis van de volksziel, wat in onze tijd volkerenpsychologie of ethnologie genoemd wordt, was geen sprake. Men meende, dat wat hier in het Westen begrepen werd ook door het Oosten begrepen kon worden.

Daar men uitging van de stelling, dat de ware kerk zich kenmerkt door zuivere prediking van het Woord en de juiste bediening van Doop en Avondmaal en de kerk (behalve het doctoren-ambt) alleen de ambten van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen behoort te hebben, lag het voor de hand, dat de Zending opgedragen werd aan de dienaren des Woords, die door de O.I. Compagnie werden uitgezonden, om onder de Europeanen in Indië werkzaam te zijn. Zendingswerk wordt hier dus alleen een meer uitgebreide bediening van het Woord door den predikant.

Gegeven de gebrekkige kennis van de Indische toestanden en het eenmaal bestaande statisch kerkbegrip is dit volkomen te begrijpen.

 

Zelfs in onzen tijd bestaat nog bij velen dit wanbegrip. Ik heb het meegemaakt, dat een zendeling-leeraar afgevaardigd werd met het voorlezen van het formulier om te bevestigen de Dienaren des Woords.

Nu moet men daarmee eens vergelijken de verhouding van den zendeling-leeraar tot de zendende kerk en zijn arbeidsveld en het werk dat hij te doen heeft.

De Dienaar des Woords wordt door een gemeente geroepen om in haar midden te arbeiden. De zendeling-leeraar wordt uitgezonden, om elders zijn werk te verrichten.

De Dienaar des Woords komt tot de roepende gemeente en

|83|

maakt haar bewust van wat zij in het evangelie aan heilswaarheid heeft ontvangen. De zendeling-leeraar komt tot een volk, dat hem niet geroepen heeft en zijn boodschap niet verstaat.

De Dienaar des Woords houdt bijeen wat bestaat en bouwt voort op den gelegden grondslag. De zendeling-leeraar heeft den grondslag te leggen en een ander bouwt daarop voort; zijn werkzaamheid is van voorbijgaanden aard en moet het inheemsche geestelijk werk voorbereiden.

De Dienaar des Woords is een met de gemeente waar hij werkzaam is. De zendeling-leeraar moet eerst trachten zich kennis te verwerven van taal en volk en land waar hij arbeidt.

De Dienaar des Woords wordt gedragen door de bestaande belangstelling. De zendeling-leeraar moet eerst belangstelling wekken door medische hulp en bijstand op allerlei terrein.

De Dienaar des Woords moet het evangelie verkondigen en de menschen aan huis bezoeken en de kinderen catechiseeren. De zendeling-leeraar moet helpers opleiden, ten deele door ze in huis te nemen en te onderrichten; moet scholen oprichten enz.

De Dienaar des Woords heeft zijn arbeid in één enkele parochie. De zendeling-leeraar reist van dorp tot dorp, inspecteert de scholen, moedigt onderwijzers en helpers aan, is de motor die de inheemsche krachten tot den arbeid aanzet.

Als men met de gedachte hieraan het formulier om te bevestigen de Dienaren des Woords doorleest, dan moet men zeggen: hiervan is bijna niets toepasselijk en van wat het eigenlijke zendingswerk is, wordt hier niets gevonden.

Maar dan mag men  toch zeggen, dat het ambt van den zendeling-leeraar een geheel ander ambt is dan dat van den bedienaar van het evangelie in de vaderlandsche kerk. Een ambt, zooals in de oudste gemeente ook wel bestond, wanneer Paulus zegt, dat Christus in de gemeente sommigen gegeven heeft tot Apostelen en sommigen tot evangelisten. Er is voor onzen tijd geen reden, om alleen herders en leeraars te beschouwen als een blijvend ambt, terwijl al het andere slechts voor den apostolischen tijd bedoeld zou zijn.

De kerk behoort het ambt, dat noodig is voor den zendingsarbeid, weer te herstellen en in haar organisatie een plaats te geven.

Brouwer, A.M. (1937) 15

|84|

15. Persoonlijke gezagsoefening of Kerkeraden en breedere Vergaderingen?

 

De oude kerkorden die sedert 1571 in ons vaderland door de synoden zijn opgesteld en telkens door de overheid terzijde werden gelegd, totdat op de Dordtsche Synode een compromis werd gesloten, dat trouwens ook maar in weinige provinciën, en dan nog ten gunste van de overheid gewijzigd, is aanvaard, — die oude kerkorden beginnen met den eisch, dat geen predikant noch vergadering over een ander eenige heerschappij zal mogen voeren. Hiermee wordt stelling genomen tegenover de Roomsch-Katholieke Kerk, die als valsche kerk gold en waarvan de paus de Anti-Christ werd genoemd. En hiermee wordt tegenover elke hiërarchie uitgesproken, dat in de kerk het algemeene priesterschap der geloovigen moet erkend worden. Dit beginsel is volkomen te eerbiedigen en als bijbelsch te handhaven.

Iets anders is, of bij de erkenning van het algemeene priesterschap der geloovigen geen ruimte is voor een kerkeraad die besluiten neemt welke voor alle leden geldig zijn; voor een classicale vergadering of een provinciale of algemeene synode, die besluiten neemt welke alle tot haar ressort behoorende gemeenten bindt; of voor een „bisschop” of superintendent, die toezicht houdt en de navolging der kerkelijke bepalingen en de administratieve eenheid bevordert. De independenten ontkennen het recht van breedere vergaderingen en al wat daarmee verband houdt. De Quakers ontkennen het recht niet alleen van breedere vergaderingen, maar ook van den kerkeraad. Hier is het priesterschap der geloovigen tot zijn uiterste consequentie doorgevoerd. Ieder staat of valt voor zich zelf zijn eigen Heer. Heeft de Heer ook niet gezegd, dat zijn discipelen allen broeders zouden zijn en niemand voorganger of vader (eerenaam voor den voorganger) moesten noemen, omdat alleen Christus zelf de eenige Meester zou zijn?

Onze vaderen hebben gekozen voor de presbyteriaal-synodale

|85|

kerkorde, in de meening dat die alleen schriftuurlijk moest heeten. Maar wij zagen reeds, dat een beroep op Hand. 15 om daarmee het goed  recht van breedere vergaderingen te verdedigen en als schriftuurlijk voor te stellen, niet opgaat.

Wanneer in den loop der negentiende eeuw in de Nederlandsch Hervormde Kerk een organisatie is opgekomen die men „bestuurlijk” zou kunnen noemen, ook nadat in 1867 het recht van het beroepen van den predikant en het benoemen van kerkeraadsleden in de handen van de gemeente was gelegd (die dit recht, ook na de Dordtsche Synode, in bijna geen enkele provincie ooit had bezeten), dan kan men dit niet een gewenschten toestand achten, maar die organisatie is even schriftuurlijk of onschriftuurlijk als die waarbij classicale vergaderingen de mond der kerk genoemd worden en synoden een voor allen bindend besluit mogen nemen.

Wat wij van de kerkorganisatie der eerste eeuw weten, bewijst dat die geheel anders was en langs andere lijnen zich ontwikkeld heeft, dan langs die van „breedere” vergaderingen of van kerkbesturen.

 

Allereerst is te wijzen op het persoonlijk gezag van de apostelen, die naar het bericht in Matth. 16 en 18 dit volgens de opdracht van Jezus zelf uitoefenden en naar Hand. 2 door de uitstorting van den Heiligen Geest daartoe bekwaam werden gemaakt. Men zou dit een uitzonderingsgeval kunnen noemen, dat vereischt was voor de stichting der kerk. Maar heeft het daarom ons heelemaal niets te zeggen?

Doch het is niet bij dat persoonlijk gezag van de apostelen gebleven. Uit Gal. 2: 12 v. blijkt, dat te Jeruzalem Jakobus, de broeder des Heeren, ook een persoonlijk gezag heeft geoefend. In Hand. 12: 18 is van Jakobus en de oudsten sprake. Hij vertegenwoordigde de vroomheid, zooals die in het ouderlijk huis van Jezus bestaan had: een nauwgezette wetsvervulling, waarom hij bij de Joden als „de rechtvaardige” bekend stond. Maar niet daarom oefende hij gezag. Wij zullen hier moeten denken aan het op den voorgrond treden van Jezus’ verwanten (de gedachte van het kalifaat). Immers na zijn gewelddadigen dood in het jaar 62 wordt Simeon, Jezus’

|86|

neef, tot leider gekozen.

Het charismatisch element is daardoor op den achtergrond geraakt, waarschijnlijk omdat de apostelen Jeruzalem verlaten hadden of gestorven waren. Wij hebben hier een meer Joodsche kerkinrichting: Jakobus is met den hoogepriester, de oudsten zijn met den Grooten Raad (het Sanhedrin) te vergelijken. Jakobus had een geheel op zichzelf staande positie: nog in Eusebius’ tijd werd zijn troon getoond; en de heiden-christelijke (en niet alleen de Joodsch-Christelijke) overlevering noemde hem den eersten bisschop van Jeruzalem. In het evangelie der Hebreeën (uit de tweede eeuw) wordt hij inplaats van Petrus de eerste genoemd die den opgestanen Heer heeft gezien. Dit laatste is alleen een bewijs, dat hij in den kring der Joden-Christenen het hoogste gezag bezat. En dat hij bisschop zou zijn geweest, is zeker een terugdateeren van latere verhoudingen. Maar de meest bevoegde onderzoekers der oudste kerkgeschiedenis zijn van meening, dat Jakobus wel een eenhoofdig (monarchaal) gezag heeft bezeten.

 

Daarnaast heeft Jeruzalem als moedergemeente een gezag over de oudste kerk geoefend, zooals uit Hand. 15 blijkt. Paulus is er ook met grooten ijver op uit, om de inzameling voor de Jeruzalemsche gemeente te doen slagen. Ook na zijn tweede zendingsreis schijnt hij volgens Hand. 18: 22 Jeruzalem eerst bezocht te hebben, voor hij naar Antiochië ging: een erkenning van haar gezag.

Maar de heiden-christelijke gemeenten zijn, zooals wij reeds zagen, geheel hun eigen weg gevolgd. En wanneer later Antiochië, Alexandrië, Rome patriarchaten worden, dan is dat deels toe te schrijven aan Paulus’ zendingsmethode, die zich tot de hoofdsteden wendde, om van daar uit het evangelie over de omliggende landstreken zich te laten verbreiden; deels aan de positie die de hoofdplaatsen in het wereldlijk bestuur plachten in te nemen.

Voorloopig is in die steden nog niet van een eenhoofdige kerkregeering te spreken. De geestelijke opbouw der gemeente had plaats door charismatische ambten, waarvan 1 Kor. 12 er negen, Rom. 12 zeven, Efeze 4 vijf (of vier) noemt. De materieele verzorging, zoowel wat den eeredienst als wat de armen en de weduwen

|87|

betreft, en misschien ook de vertegenwoordiging der gemeente, was in handen van „oudsten”, die ook „opzieners” en „diakenen” werden genoemd. En in de huisgemeenten zullen degenen die eigenaar van het huis waren, meermalen ook de leiding hebben gehad.

Toch is er in het Nieuwe Testament nog wel een en ander dat op de ontwikkeling van een meer monarchaal ambt wijst.

 

In den tweeden en derden brief van Johannes wordt de schrijver van die brieven „de oudste” genoemd. Dit wijst op een bijzonderen rang van den schrijver, die moeilijk verklaard kan worden als iets hoogers dan de apostelnaam. Niet de apostel Johannes zal de schrijver de Johanneïsche geschriften zijn, maar een Jeruzalemmer Johannes, (de naam kwam in dien tijd heel veel voor), die om zijn naam met den apostel verward is geworden, te eerder omdat hij ook ooggetuige van Jezus’ werkzaamheid te Jeruzalem was geweest.

Deze Johannes, de oudste, heeft blijkens zijn tweeden en derden brief een positie van gezag geoefend. Zegt men, dat dit te verklaren is, omdat deze Johannes inderdaad de apostel is geweest en als zoodanig een uitzonderingspositie innam, dan moeten wij wijzen op 3 Joh. 9 v., waar hij schrijft: „Ik heb een en ander aan de gemeente geschreven. Maar Diótrefes die onder hen de leiding wenscht te hebben, weigert ons te erkennen. Ik zal daarom, wanneer ik kom, zijn werken die hij doet, in gedachtenis brengen. Want hij slaat boosaardige woorden tegen ons uit; en hiermede niet tevreden, weigert hij niet alleen zelf de broeders te ontvangen, maar ook belet hij het hun die dat willen, en bant ze uit de gemeente”.

Deze Diotrefes, die lieden uit de gemeente kan bannen, heeft een zeker gezag in de gemeente. Men kan zegen: ja, maar dat wordt nu juist door Johannes afgekeurd. Doch wij moeten goed lezen. Niet dat hij gezag oefent, wordt afgekeurd, maar dat hij dat op een verkeerde wijze doet en zich tegen Johannes „den oudste” verzet.

Behalve van Johannes „den oudste” wordt hier ook van Diotrefes een gezagsoefening vermeld. Wij laten nu in het midden, wanneer dit geschreven werd en of dit wijst op bijzondere verhoudingen te Efeze en omgeving. Voor ons betoog doet dit laatste er niet

|88|

toe. Wij bevinden ons hier, en daarop komt het aan, in gemeenten waar persoonlijk gezag geoefend en erkend wordt.

Behalve de Johanneïsche zijn in dit verband ook de Pastorale brieven (1 en 2 Tim. en Titus) van belang.

Aan Timotheüs wordt opgedragen te Efeze te blijven, „ten einde sommige lieden te verbieden, om een andere leer te verkondigen en hun aandacht te wijden aan het eindeloos gefabel over geslachtsrekeningen” 1). Er worden dan allerlei voorschriften gegeven, opdat Timotheüs, zoolang Paulus er niet is, de orde in de gemeente kan handhaven, want hij weet nu, „hoe men zich heeft te gedragen in het huis Gods” 2). Hier is persoonlijk gezag van Timotheüs over de gemeente, ofschoon hij geen apostel is: in Tim. 4: 5 wordt het woord „evangelist” voor zijn werkzaamheid gebruikt.

Aan Titus wordt bevoegdheid gegeven, om als reizend prediker op Kreta van stad tot stad oudsten aan te stellen 3). Hij moet de Kretensers streng terecht wijzen 4). Na een eerste en een tweede waarschuwing moet hij een scheurmaker afwijzen 5). Ook hier een duidelijk persoonlijk gezag van Titus over de gemeenten van Kreta.

Waar en wanneer deze brieven geschreven zijn en of zij niet den toestand weerspiegelen, zooals hij in het begin van de tweede eeuw in Klein-Azië was geworden, laten wij buiten bespreking. Het is er alleen om te doen, er op te wijzen dat hier zeer duidelijk van persoonlijke gezagsoefening sprake is.

 

Daarentegen lezen wij maar op één plaats van een vergadering die werd gehouden, om in een belangrijk leergeschil een beslissing te nemen: de vergadering te Jeruzalem, in Hand. 15. Doch hier kwam niet een vertegenwoordiging van verschillende gemeenten bijeen. Aan de Jeruzalemsche moedergemeente wordt de vraag voorgelegd, hoe de evangelieverkondiging aan heidenen plaats moet vinden en of de Mozaïsche wet aan hen verplicht moet worden voorgesteld. De apostelen met de oudsten der gemeente komen samen. Jakobus spreekt daar het beslissende woord. Wij hebben hier te doen met de officiëele erkenning van de heiden-christelijke


1) 1 Tim. 1: 3 v.
2) 3: 15.
3) Titus 1: 5.
4) 1: 13.
5) 3: 10.

|89|

gemeenten, die de Mozaïsche wet niet houden, door de Joodsch-Christelijke moedergemeente die die wet wèl houdt.

Nergens lezen wij van een vertegenwoordiging der gemeente, zooals wij die in den kerkeraad bezitten en die in gevallen van dwaalleer of zedelijke misstappen een zeker gezag over de gemeenteleden pleegt te oefenen.

In de Galatische gemeenten zijn Judaïstische dwaalleeraars binnengedrongen en hebben de jonge Christenen trachten te bewegen, om de Joodsche wet te onderhouden als noodig voor de zaligheid. Zij hebben daarbij het apostolisch gezag van Paulus aangetast en beweerd, dat hij geen recht had de Mozaïsche wet als niet meer geldig ter zijde te stellen. Wanneer Paulus nu met kracht tegen die dwaalleer opkomt — het gold hier toch ook een der fundamenteele stukken —, dan richt hij zich tot de geheele gemeente, en niet tot de oudsten (ofschoon die er volgens Hand. 14: 23 wel bestonden). Allen samen moeten de verantwoordelijkheid van het evangelie verstaan en geen kerkeraads- of breedere vergaderingen worden in de zaak gemoeid.

Ditzelfde kunnen wij opmerken in de brieven aan de Thessalonicensen, inzonderheid 2 Thess. 3, waar tegen de verkeerde toepassing van de verwachting, dat de Messias spoedig ten gerichte zal komen, ernstig wordt gewaarschuwd. Geen vertegenwoordigende vergadering wordt daarin gemoeid. Toch zijn er in de Thessalonicenische gemeente, volgens 1 Thess. 5: 12, wel voorgangers en zielzorgers, die de gemeente in eere behoorde te houden.

In de gemeente te Korinthe zijn partijschappen ontstaan, komt een ernstig geval van bloedschande voor, zijn er misstanden bij de avondmaalsviering en door de glossolalie ook bij de gewone godsdienstoefeningen. Maar nergens doet Paulus een beroep op „oudsten” of op vertegenwoordigende vergaderingen. De gemeente in haar geheel wordt voor de verantwoordelijkheid geplaatst.

Wij zien dus twee dingen.

Eenerzijds vinden wij van gezaghebbende personen gewag gemaakt, zooals de apostelen, Jakobus, den broeder des Heeren, Johannes, den oudste, Diótrefes, Timotheüs, Titus. Anderzijds vinden wij nergens gesproken van een kerkeraad of raad der oudsten, die

|90|

bij dwaalleer of zedelijke misslagen met gezag over de gemeenteleden konden optreden. Om derhalve een presbyteriaal-synodale kerkorde voor te stellen als de eenig schriftuurlijke, dat is moeilijk vol te houden. Er is minstens evenveel te zeggen voor een organisatie, waarbij bepaalde personen een gezaghebbende positie innemen, hetzij men die „opziener”, „bisschop”, „superintendent” of wat ook noemt. Daarbij behoeft aan het algemeen priesterschap der geloovigen niet in het minst te kort te worden gedaan. Het gaat alleen om een organisatie, die het best een bedding weet te vormen, waarin het geestelijk leven der geloovigen zich doelmatig kan voortbewegen.

Is dit bedoeld als een pleidooi voor een bisschoppelijke kerkinrichting? Allerminst. Ik ben van meening, dat de historie van onze kerk en onze volksaard geen bisschop kunnen verdragen.

Maar wat hiermee wel bedoeld wordt, is dat men moest ophouden met het praten over een schriftuurlijke organisatie, alsof de Schrift niet verschillende mogelijkheden open laat (waarbij het priesterschap der geloovigen onverlet blijft). Alleen zuiver practische en historische argumenten mogen voor een organisatie of een reorganisatie der kerk worden aangevoerd.

Brouwer, A.M. (1937) 16

|91|

16. Leertucht.

 

Onder leertucht kan men verschillende dingen verstaan: een tucht door den Heiligen Geest, die zich door geestelijke middelen van uiteenzetten, weerleggen en overtuigen, afwijkingen en dwalingen tracht te overwinnen, en een tucht die door een uitspraak van een bevoegd persoon of college den dwalende van alle rechten en verplichtingen die hij binnen de kerk bezit, vervallen verklaart en desnoods met de hulp van den wereldlijken rechter daartoe dwingt.

Er is dus tweeërlei leertucht: een tucht die alleen geestelijke middelen gebruikt en een tucht die den dwang van de rechtsorde gebruikt.

Wanneer men bezwaar heeft tegen leertucht en die in de kerk niet wil toegepast zien, kan dit ook tweeërlei beteekenen.

Men kan tegen alle bestrijding en weerlegging van afwijkende meeningen zijn en dus ook de geestelijke middelen (b.v. evangeliseeren in een andere gemeente) afkeuren. Hoe vreemd dit moge klinken, de meening hoort men toch verdedigen, dat in een volkskerk elke prediking geoorloofd moet zijn, omdat elke religieuze strooming recht heeft op vrije uiting. Achter deze meening staat de opvatting, dat de volkskerk is een religieus genootschap, dat aan elken vorm van religie gelegenheid tot uiting moet geven. Was deze opvatting juist, dan moest het mogelijk zijn, dat in ons land ook een Roomsch-Katholieke prediking binnen het kader der volkskerk gebracht wordt; ja, niet alleen een Roomsch-Katholieke prediking, maar ook een Mohammedaansche, daar, Indië meegerekend, het Mohammedanisme in den Nederlandschen staat verreweg de numerieke meerderheid bezit, en ook een religieuze uiting is.

Bij deze opvatting zijn volkskerk en staat ident geworden, m.a.w. het begrip kerk heeft men prijs gegeven, om alleen het begrip volk over te houden, dat als geordend geheel „staat” wordt genoemd.

Dit is een misvatting. Kerk en volk (of staat) zijn niet begrippen

|92|

met denzelfden inhoud, dien men bij „kerk” alleen van den religieuzen kant beziet. „Kerk” is een christelijk begrip.

Tot de christelijke kerk behoort niet de Mohammedaan en niet de Jood, al kunnen zij volledig tot het Nederlandsche volk behooren. Het begrip „Christelijke kerk” heeft bepaalde grenzen, die nauwer zijn dan bij het begrip „volk”. Een volkskerk kan niet allen omvatten, die in het volk religieuze aspiraties tot uiting willen brengen.

Zij kan zelfs niet allen omvatten, die op het erf van het Christendom zich religieus uiten, omdat binnen het wijde kader van „Christendom” tegenstrijdige leeringen bestaan, die elkander niet binnen één kerkverband verdragen: de Roomsch-Katholieke opvatting, die een hiërarchische kerkinrichting wil met den éénen paus aan het hoofd en door zeven sacramenten, door priesterhand bediend, aan de leeken het heil wil doen toekomen, kan niet in één verband samenleven met de Gereformeerde opvatting, die alle hiërarchie verwerpt en het heil niet noodzakelijk verbindt aan de bediening van twee teekenen: Doop en Avondmaal. Nu heeft de historie uit de verschillende hertogdommen, graafschappen, baronieën, heerlijkheden, bisdommen, het ééne Nederlandsche volk der vereenigde Provinciën doen ontstaan op grond van de Gereformeerde religie: het Nederlandsch volksbestaan is ten nauwste met de Gereformeerde opvatting van het Christendom verbonden. Daarom is in ons land de volkskerk de Gereformeerde of Hervormde Kerk, die op de Dordtsche Synode van 1618-19 hare belijdenis geformuleerd heeft in de 37 Artikelen van De Bray, den Catechismus van Heidelberg en de vijf leerregels tegen de Remonstranten. Daarmee is haar karakter historisch bepaald. Om dat te handhaven is geestelijke leertucht noodzakelijk.

Bij volle aanvaarding van de noodzaak der geestelijke leertucht kan men toch ernstig bezwaar hebben tegen de andere soort van leertucht, die uiterlijken dwang gebruikt, allereerst al, omdat men leerafwijking niet door dwangmaatregelen van uiterlijk geweld wil bestrijden.

 

Maar hoe te handelen ten opzichte van een prediking, die op

|93|

grond van onjuiste wijsgeerige praemissen het historisch bestaan van Jezus ontkent of problematisch stelt, den immanenten wereldgeest den „Christus” noemt, den verstandelijken mensch den eisch stelt dat hij moet „wedergeboren” worden tot ware redelijkheid enz. en op deze wijze aan de christelijke verkondiging allerlei uitdrukkingen ontleend om een daaraan diametraal tegenovergestelde prediking te brengen; en dat van de kansel en dus namens de kerk!

Hier liggen in onzen tijd de grootste moeilijkheden. Wordt met zulk een prediking van wereldgeest en van de alleen ware theologie het historisch karakter van de Hervormde Kerk niet aangetast? Daarop hebben wij ons te bezinnen. Ofschoon voor mij het antwoord niet twijfelachtig is, kunnen wij niet volstaan met een juridisch beroep op de drie formulieren van eenigheid en een hanteeren van hare artikelen als wetsartikelen. En wel om de volgende reden.

De aanvaarding van deze „drie formulieren van eenigheid” heeft drie honderd jaren geleden plaats gehad. De vraag is, of in die drie honderd jaren ook een dieper indringen in de bedoeling der Christelijke verkondiging plaats heeft gevonden, dan of alles moet blijven zooals het door onze vaderen wereld geformuleerd. Zij hebben zich willen binden aan de Heilige Schrift en hebben hare uitspraken als normatief aangenomen boven eenige menschelijke leering. Is nu na driehonderdjarige bestudeering van den Bijbel het inzicht in diens verkondigen niet gewijzigd en staat de wijsbegeerte, die mede de formuleering van een dogma bepaalt, nog op hetzelfde standpunt? Zij die meenen, dat de wijsbegeerte de grenzen van het menschelijk kenvermogen beter heeft doen zien dan dat drie honderd jaren geleden het geval was, en dat de opvatting van wat de Bijbel is en leert, anders te formuleeren is dan in 1618-19, zijn van oordeel, dat het hedendaagsch geslacht, uitgaande van de historische belijdenis van 1618-19, ook daarvan een andere formuleering behoort te geven. Zij die meenen, dat wij na 1618-19 niets aan geestelijk inzicht gewonnen hebben maar veeleer door allerlei verkeerde leeringen op een dwaalweg zijn geraakt, willen de oude formuleering ongerept handhaven. Gevolg is, dat er binnen de Gereformeerde volkskerk een hevige strijd is ontstaan. Welke groep heeft gelijk?

Weer komen wij voor de vraag van leertucht te staan. Het

|94|

eenvoudigste zou zijn, zulk een leertucht toe te passen, die den dwang van de rechtsorde gebruikt. Dit zou daardoor mogelijk gemaakt worden, dat men een meerderheid van stemmen kweekt en door die meerderheid een beslissing laat nemen: wij houden ons aan 1618-19 òf wij houden ons niet aan 1618-19.

Wanneer er nu zijn die zulk een handelwijze niet willen, dan zijn zij tegenstanders van leertucht, maar van leertucht in den bepaalden vorm, die men procesmatige leertucht zou kunnen noemen, terwijl zij daarentegen voorstanders kunnen zijn van de geestelijke leertucht, die niet alles toelaatbaar acht in de volkskerk, maar meent met kracht te moeten protesteeren tegen opvattingen die het tegengestelde brengen van wat de Christelijke verkondiging in bijbel en kerk alle eeuwen door heeft gewild.

 

Deze tweede soort van tegenstanders van leertucht, waartoe ook ik behoor, zijn voorstanders van een kerk met een scherp geformuleerde, zij het uiterst sobere, belijdenis; zijn voorstanders van geestelijken strijd binnen het kader der kerk; willen door prediking, evangelisatie, gebed en studie de verkondiging der kerk, zooals die in den bijbel gegrond is, beter doen verstaan en tegen alle bestrijding handhaven. Maar zij willen deze handhaving niet door het uiterlijke middel van procesmatige leertucht.

Laat ik het zoo duidelijk mogelijk formuleeren: zulk een tegenstander van leertucht kan zóó „orthodox” zijn, dat hij het in dogmatisch opzicht met de laatste letter van de drie formulieren volkomen eens is, maar hij acht het middel van procesmatige leertucht tot handhaving van die belijdenis ondeugdelijk, omdat zij ongeestelijk is en ondoeltreffend.

Ondoeltreffend. Want wel heeft de Dordtsche Synode de Remonstranten in 1618 buiten de kerk gezet, doch honderd jaren later was deze kerk meer Remonstrantsch dan de uitgezette Remonstranten ooit geweest waren: men had het beginsel niet overwonnen door de uitbanning doch daaraan gelegenheid gegeven zich als „reinkultuur” te ontwikkelen.

Daartegenover staat, dat het oud-modernisme, dat in de zeventiger

|95|

jaren der vorige eeuw ons land had overstroomd, zonder eenige uitbanning overwonnen en tot enkele uithoeken teruggedrongen is.

Daar komt nog iets anders bij.

Door piëtisme en rationalisme is reeds van ongeveer 1700 af een toenemend individualisme in de kerk opgetreden. Men maakte zich vrij van het uitwendig gezag van de traditie en stelde alles op de persoonlijke bekeering of het persoonlijk inzicht in wat redelijke waarheid werd geacht. Daardoor werd de beteekenis van het gemeenschappelijk kerkelijke teruggedrongen en in de negentiende eeuw door velen niet eens erkend. Gevolg is geweest een steeds meer overheerschen van persoonlijke inzichten, die in het midden der vorige eeuw onder invloed der Hegeliaansche wijsbegeerte vaak lijnrecht tegen de kerkelijke verkondiging ingingen. Waar meer dan twee honderd jaren een zekere willekeur heeft geheerscht, kan men nu niet plotseling met leertucht beginnen zonder schromelijk onbillijk te worden en misschien waardevolle inzichten buiten de kerk te bannen. Kan men bovendien in dezen gegeven toestand de rechters zelf wel competent achten? Zal hier niet veel onheilig vuur de hoofden verhitten en meer kwaad dan goed doen?

Het is niet te ontkennen dat hier groote moeilijkheden bestaan. In ons land kan men, zooals ik reeds opmerkte, beleven, dat een zuiver immanente godsopvatting, met ontkenning van de persoonlijke onsterfelijkheid van den mensch, van den kansel (dus namens de kerk!) verkondigd wordt, terwijl precies dezelfde overtuiging in Duitschland iemand als Arthur Drews er toe bracht, vierkant tegenover het Christendom partij te kiezen, dit als onhoudbaar voor te stellen en een nieuwe religie: „die deutsche Religion” als alleen wetenschappelijk verdedigbaar aan te prijzen. Het komt mij voor, dat dit laatste heel wat zuiverder gevoeld is. Ieder is in ons land vrij de overtuiging aan te handen, welke hij de juiste acht. Maar men moet gevoelen, dat deze vrijheid in de Christelijke kerk niet bestaat. Zij heeft een supranatureelen grondslag. Deze eerlijke erkenning heeft Allard Pierson in 1864 er toe gebracht, zijn ambt als predikant neer te leggen. In onzen tijd behoorde het protest binnen de kerk tegen „die deutsche Religion” zóó sterk te zijn, dat

|96|

hare aanhangers zich niet in deze protesteerende kerk thuis gevoelden en eigener beweging haar verlieten.

Wij zullen binnen de muren van de oude volkskerk den bitteren strijd tegen het wegnemen van den grondslag der kerkelijke verkondiging tot het einde moeten voeren zonder het middel van uitbannen ter hand te nemen, maar door de bijbelsch-kerkelijke verkondiging in prediking en geschrift, als het alleen juist te handhaven tegen alles wat zich daartegen verzet 1).

 

Onze opvatting is gebouwd op het Nieuwe Testament. Wat het onderwijs van Jezus zelf betreft, wij hebben er reeds op gewezen, dat de opdracht aan Petrus en aan de discipelen gegeven, in Matth. 16: 18 v. en 18: 18, niet over te brengen is op het empirisch kerkinstituut. Niemand buiten de Roomsch-Katholieke Kerk zal meer voor zijn rekening nemen, dat de kerk gelijk zou zijn aan het koninkrijk Gods; en dat een ban door paus of synode inderdaad als zoodanig bij God zou gelden. Maar dan moeten wij deze opdracht beschouwen als alleen voor de apostelen bestemd, voor de stichting der kerk. En waar in 18: 18 van de gemeente sprake is, gaat het niet over de leer maar over levenstucht.

In de brieven van Paulus is ook geen sprake van leertucht. Dit is des te opmerkelijker, daar de Apostel, tot rabbijn opgeleid, de groote en de kleien ban van de synagoge van nabij kende. Sommigen halen als bewijs van leertucht Gal. 5: 12 aan: „Mochten zij die u opzetten, worden afgesneden,” omdat zij hier aan ontzetting van de gemeentelijke rechten meenen te moeten denken. Op zichzelf zou dit van dwaalleeraars, die van elders komen, reeds moeilijk gaan. Maar de uitdrukking beteekent heel wat anders. Waarschijnlijk gedachtig aan de priesters van den Phrygischen afgodendienst, die zich


1) In het reorganisatie-voorstel van „Kerkopbouw” is de mogelijkheid van procesmatige leertucht opengesteld. Alleen omdat de nadruk werd gelegd op „broederlijk vermaan” (door kerkvisitator en moderator), en er een aantal zekeringen waren aangebracht tegen een lichtvaardig toepassen van vergaderingsleertucht, meenden wij ons daartegen niet te moeten verzetten, opdat de gewenschte vernieuwing van de kerkelijke organisatie tot stand zou kunnen komen. Die zekeringen moeten zoo mogelijk versterkt en niet verzwakt worden.

|97|

lieten ontmannen, uit Paulus over de opruiers de bittere klacht, dat hun hetzelfde mocht gebeuren.

Wij hebben in het vorige hoofdstuk reeds verschillende voorbeelden aangehaald van ernstige dwalingen in de door Paulus gestichte gemeenten, waartegen hij niet met procesmatige leertucht door oudsten of anderen te velde trekt, maar waarvoor hij de geheele gemeente verantwoordelijk stelt. Hij wil de gemeente door den Heiligen Geest tot het juiste inzicht laten komen en niet door middelen, waarbij ten slotte de sterke arm van de rechtsorde te hulp geroepen kan worden.

Dat verhindert niet, integendeel dat sluit in, dat hij met felheid de dwaalleer bestrijdt, omdat juist door zulk een bestrijding de gemeente tot het juiste inzicht moet worden gebracht. Zoo zegt hij in Gal. 1: 8: „Doch zelfs al zouden wij of een engel uit den hemel een evangelie prediking in afwijking van hetgeen wij u hebben gebracht — hij zij vervloekt!” Die laatste verwensching bevat het woord „anathema”, dat later door de kerk is gebruikt voor de uitbanning uit de kerk. Doch dat is bij Paulus niet de bedoeling. Het is aan het Hebreeuwsch ontleend, waar het de volle beteekenis heeft van verstoken te zijn van het heil dat God den geloovige schenkt. Het is nog allerminst een kerkelijke formule geworden.

In de Pastorale brieven (1 en 2 Tim. en Titus), die hoogstwaarschijnlijk in den tegenwoordigen vorm uit de tweede eeuw dateeren, is sprake van Hymenéus en Alexander, die den satan zijn overgegeven 1). Deze uitdrukking komt ook in 1 Kor. 5: 5 voor van den ontuchtzondaar, die gestraft wordt: levenstucht, niet leertucht. Dit laatste is ook bij Hymenéus en Alexander het geval: zij hebben eerst hun geweten bezoedeld, hebben toen aan het geloof schipbreuk geleden en zijn eindelijk tot lastering vervallen, een psychologisch proces als nog herhaaldelijk kan worden waargenomen. Daarvoor worden zij getuchtigd. Met grooten nadruk wordt tegen ascetische dwaalleeraars gewaarschuwd 2), maar hier is van leertucht in den officieelen zin geen sprake. Wanneer er van tucht


1) 1 Tim. 1: 19 v.
2) 4: 1-5; 6: 3-5.

|98|

over de oudsten gesproken wordt 1), dan geldt dat hun leven, niet hun leer 2).

Bij Titus 3: 10 moeten wij nog even stil staan. Oppervlakkig zou men hier leertucht kunnen lezen, omdat hier sprake is van een haereticus, wat later de aanduiding van „ketter” was, en in de Staten-vertaling dan ook deze plaats wordt weergegeven als: „Verwerp eenen Ketterschen mensch na de eerste vermaning”. De juistere vertaling is echter: „Na een eerste en een tweede waarschuwing moet gij een scheurmaker afwijzen”, d.w.z. u van hem terugtrekken, u niet meer met hem inlaten. Dit is ook geen voorbeeld van procesmatige leertucht, wat ons niet behoeft te verwonderen, als wij kennis nemen van den algemeenen toestand in de tweede eeuw.

Bauer 3) betoogt, dat in de tweede eeuw ketterij en orthodoxie in den zin der latere kerk nog samen in de christelijke gemeente aanwezig waren en ketterij meermalen de overhand had. Zoo zou in Edesa eerst ongeveer 300 door den bisschop Kune de orthodoxie tot heerschappij zijn gekomen. In Egypte was aan het einde der tweede eeuw de scheiding nog niet voltrokken. In Antiochië was in den aanvang van de tweede eeuw nog veel ketterij in de gemeente. Polykarpus van Smyrna beklaagt zich er over, dat de meerderheid van de gemeente te Smyrna het echte geloof afwijst. In Rome alleen ontwikkelt zich een opvatting, die aanleiding was, zooals wij in het volgende hoofdstuk zullen zien, zich met een schrijven tot de Korinthische gemeente te wenden.

Eerst als een monarchisch episkopaat (een eenhoofdige gemeenteleiding door een opziener of episkopos) zich ontwikkeld heeft, is er van ketterbestrijding door uitbanning sprake. Dan zijn wij reeds in den tijd der kerkelijke organisatie die bedenkelijk ver afwijkt van de eerste verhoudingen zooals wij die uit het Nieuwe Testament kennen. Als men zich daarop wil beroepen voor de leertucht, waarom beroept men zich daarop dan niet voor een bisschoppelijke organisatie?


1) 5: 19 v.v.
2) Vergelijk ook 2 Tim. 2: 24 v.; 4: 2, 14 v.; Titus 1: 10 v.
3) W. Bauer, Rechtgläubigkeit und Ketzerei im ältesten Christentum. Tübingen 1934. S. 38 f., 62 f., 70 f., 100 ff., 134 ff.

Brouwer, A.M. (1937) 17

|99|

17. De Brief van Clemens aan Korinthe.

 

Herhaaldelijk hebben wij reeds den brief van Clemens aan Korinthe genoemd als belangrijk voor de organisatie der oude kerk. Sohm is van oordeel, dat met dien brief de eigenlijke organisatie aanvangt en met haar het kerkrecht, dat volgens hem in strijd zou zijn met het wezen der kerk. En daar wij spreken over de kerkorganisatie der eerste eeuw en de brief van Clemens in het jaar 95 of 96 is te plaatsen, is het ook om die reden van belang, dat wij van dezen brief, zij het heel kort, kennis nemen. Hij is in de oudheid ook in menige kerk even goed als de Nieuw-Testamentische geschriften voorgelezen, zoodat hij ook in enkele belangrijke bijbelhandschriften bij het N.T. is opgenomen; in een Syrisch handschrift zelfs vóór de brieven van Paulus en eveneens in lectiones („lessen” voor het voorlezen in de kerk) ingedeeld.

 

De brief is een gemeentelijk schrijven van Rome aan de gemeente te Korinthe. Dit is op zichzelf reeds belangrijk. Hier wendt zich de gemeente van Rome tot een andere, om haar oordeel uit te spreken over wat in die andere gemeente gebeurd is. Daaruit spreekt het bewustzijn, dat de gemeente van de hoofdstad des rijks tot anderen wat te zeggen heeft. Dat bewustzijn zal niet voornamelijk geworteld zijn in het feit dat Rome wereldhoofdstad was, maar meer daarin dat zij de martelaarsgraven van Petrus en Paulus in haar midden had en de best georganiseerde anti-kettersche, misschien wel de eenige betrouwbare anti-kettersche meerderheid bezat, terwijl in Klein-Azië, Syrië en Egypte de gemeenten groot gevaar liepen door syncretisme (een menging van christendom en oosterschen godsdienst) van het rechte spoor af te wijken. Wij zijn hier dus bij den aanvang der ontwikkeling, die op den duur Rome over de andere gemeenten zou doen heerschen 1)


1) Van het primaat van Petrus is nog geen sprake. Zie boven bl. 26-27.

|100|

Dat dit gemeentelijk schrijven een brief van Clemens wordt genoemd, is niet aan den inhoud zelf ontleend, want daarin wordt geen schrijver genoemd. Maar schrijvers uit de tweede eeuw noemen hem als zoodanig; volgens den een zou hij de bisschop of opziener, volgens den ander (die zelf te Rome woonde) zou hij een der opzieners zijn geweest, maar blijkbaar de meest op den voorgrond tredende en leiding gevende. Uit den brief zelf is, zooals wij zullen zien, duidelijk af te leiden, dat er nog niet een eenhoofdig episcopaat bestond. Maar het opstellen van zulk een brief door een der opzieners wijst op een zeker overwicht dat deze zal bezeten hebben en zal ook het ontstaan van een eenhoofdige leiding mede hebben bevorderd.

 

Aanleiding tot het schrijven bestond in oneenigheden, die in de gemeente te Korinthe ontstaan waren en er toe hadden geleid, dat een partij waartoe jongere gemeenteleden behoorden, eenige vroeger door de gemeente gekozen en reeds langen tijd werkzame oudsten (opzieners en diakenen) had doen afzetten. De geheele gemeente had door een besluit der meerderheid in die afzetting toegestemd of althans zich niet daartegen verzet. Hierin zag men te Rome een zwakheid van de christenheid te Korinthe, waartegen men de Korinthiërs wilde waarschuwen. Was het alleen, omdat men te Rome zooveel belangstelling had voor de Korinthische gemeente en door het piëteitlooze optreden van de jongeren geschokt was? Zou men daarvoor alleen een zoo langen brief van 65 hoofdstukken schrijven? Bauer vermoedt, dat achter het optreden van de jongere gemeenteleden iets meer stak dan gebrek aan piëteit, en dat te denken is aan een opkomende syncretistische richting, die de orthodoxie, zooals zij te Rome heerschte, in gevaar dreigde te brengen. Uit de brieven van Paulus is te leeren, dat reeds in zijn tijd partijen en libertinistische (misschien wel gnostische) opvattingen in Korinthe te vinden waren. Zij zullen ook later niet verdwenen zijn. Daartegenover stelt de brief een eenvoudige, nuchtere opvatting van het Christendom als een zedelijkheid op grond van de werkelijkheid Gods, een gehoorzaamheid aan Zijn wil, daar Hij de gemeente geroepen heeft om Christus toe te behooren. Hierin ligt een duidelijke anti-gnostische

|101|

strekking, ook door zich nauw aan te sluiten aan het Oude Testament, en den Schepper-God en Diens wereldorde met de verlossing door Christus nauw te verbinden.

 

Voor de organisatie der kerk is van belang wat gezegd wordt in hfdst. 44. De apostelen hadden reeds door den Heer, zoo wordt hier gezegd, leeren inzien, dat er om het opzienersambt strijd zou ontstaan. Daarom stelden zij, in het bezit dier kennis, opzieners en diakenen aan met de bepaling, dat als sommigen daarvan stierven, andere beproefde mannen hun ambt zouden overnemen.

Hier is dus sprake van meerdere opzieners en diakenen, en niet van één die de leiding had. En tevens is er sprake van opvolging, maar dan toch niet in den zin van bisschoppelijke successie van den enkeling; veelmeer van het blijvend voortbestaan van het ambt van oudste.

In verband hiermee is dan van belang hfdst. 37, waar de kerk vergeleken wordt met een leger, waarvan de soldaten gehoorzaam de bevelen opvolgen van de boven hen gestelden. Zoo moeten de gemeenteleden ook aan hun oudsten gehoorzaam zijn. Hier wordt, in vergelijking met Paulus’ brieven, een nieuw geluid gehoord. De organisatie gaat hier de vrije Geesteswerking vervangen en over de gemeente heerschen. Dit is het tijdstip waarop, volgens Sohm, het kerkrecht begint. Doch de tijd tusschen 60 en 95 is vrijwel onbekend; toen zal zich de organisatie langzamerhand ontwikkeld hebben, ook op grond van het feit, dat van den aanvang af de kerk toch ook een zichtbare grootheid was en dus, hoe zwak dan ook, een zekere organisatie zal gehad hebben. Maar wel leidt de brief van Clemens een nieuw stadium in de ontwikkeling in en sluit hij de eerste eeuw als ’t ware af.

 

Voor den eeredienst is belangrijk het indrukwekkende gebed waarmede de vermaning om aan dit schrijven gehoor te geven eindigt. Wij lezen in hfdst. 59: „Wanneer echter sommigen gehoorzaamheid weigeren aan wat door ons van Godswege gezegd is [hier spreekt ook een sterk roepingsbewustzijn], dan mogen zij weten, dat zij een misstap begaan en zich in een niet gering gevaar

|102|

verstrikken. Wij echter zullen aan zulk een zonde geen schuld hebben en in voortdurend bidden en smeeken vragen, dat de Bouwheer van het al het getelde aantal zijner uitverkorenen op de geheele wereld onverlet moge bewaren door zijn geliefden knecht Jezus Christus, door wien Hij ons geroepen heeft uit de duisternis tot het licht, uit de onwetendheid tot de kennis van de heerlijkheid Zijns naams, en om te hopen op Uw naam die het beginsel van al het geschapene bevat. Gij hebt de oogen van ons hart geopend, opdat wij U kennen, die alleen de Hoogste zijt in de hoogste hemelen, de Heilige, die in het heilige rust, die den hoogmoed der hoovaardigen deemoedigt, de aanslagen der volkeren te niet maakt ......” In dezen toon gaat het tot het einde: „U die alleen machtig zijt, dit en nog meer goed aan ons te doen, loven wij door den hoogepriester en leidsman onzer zielen Jezus Christus, door wien U de heerlijkheid zij en de majesteit, nu en van geslacht tot geslacht en van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen”.

Brouwer, A.M. (1937) 18

|103|

18. De Eeredienst en zijn Ontwikkeling.

 

Wanneer wij ons rekenschap willen geven van de kerkorganisatie der eerste eeuw, dan moeten wij ook over den eeredienst handelen, want oorspronkelijk bestond de organisatie in niet veel anders dan in de regeling van den eeredienst. Ook hier moeten wij met enkele opmerkingen volstaan, omdat wij alleen bedoelen een vergelijking te maken met wat wij in onze kerk als eeredienst kennen.

Allereerst moeten wij er ons wel van doordringen, dat het eerste geslacht der Christenheid leefde in een groote bewogenheid tengevolge van de werking van den Heiligen Geest. Dit gaf ook aan den eeredienst een bijzonderen stempel. Men was bij elkander in een gevoel van blijdschap over het ontvangen heil en van onderlinge gemeenschap niet alleen aan het geestelijk goed maar ook aan het aardsch bezit, zoodat één deel van den eeredienst als liefdemaaltijd bekend staat. Men wist zich begenadigd, geroepen en gedreven door den Heiligen Geest die ten nauwste verband hield met den historischen persoon van Jezus Christus. Door dien Heiligen Geest geleid, gevoelde men zich vrij van de oude uiterlijke banden en alleen gebonden aan Jezus Christus. Dit leidde tot een groote verscheidenheid in den eeredienst en tot een daadwerkelijke deelname daaraan door ieder gemeentelid die zich daartoe gedrongen gevoelde. Men koesterde ook een levendige verwachting van de spoedige wederkomst des Heeren, wat ten gevolge had, dat men zich over een vasten vorm van eeredienst niet druk maakte.

Het tweede dat wij wel in het oog moeten vatten, is het reeds aangewezen onderscheid tusschen de Joodsch-Christelijke en de heiden-christelijke gemeenten. Juist aan den eeredienst moet het een geheel ander karakter geven, of men zich houdt aan de Joodsche wet dan wel haar als afgedaan beschouwt.

Van dit laatste oogpunt uit kunnen wij een korte schets geven van de ontwikkeling van den eeredienst.

|104|

In Jeruzalem, in Palestina, in het algemeen, waar de gemeente uit Joden-christenen bestond, was in den aanvang het verschil met de Joden niet zoo groot. Hand. 2: 42 v. teekent ons de gemeente als geregeld in den tempel samenkomend, deels om daar door de apostelen nader onderwezen te worden, deels om aan den offerdienst en het gebed deel te nemen. Of de Joden-christenen ook nog in de synagogen plachten te komen, vinden wij niet met zooveel woorden vermeld. Maar gegeven het feit, dat Jakobus, de broeder des Heeren, „de rechtvaardige” werd genoemd, gegeven ook de welwillende houding die het volk tegenover de Christenen aannam, en wat in Hand. 6: 8 van het redetwisten met Stefanus vermeld wordt, is het niet onmogelijk. De oorspronkelijk Christelijke eeredienst was dus eenerzijds half-Joodsch, doordat men deelnam aan de voorlezing van het Oude Testament en de gebeden. Daarnaast had men in huizen van gemeenteleden geregelde samenkomsten voor „het breken van het brood”, een Joodsche uitdrukking voor „maaltijd houden”, waarmee wel bedoeld is de avondmaaltijd ter herinnering aan den Heiland, en ter versterking van de gemeenschap met Hem en met elkander, en ter verlevendiging van de hoop op zijn wederkomst. Deze samenkomsten waren het specifiek christelijke van de nieuwe broederschap en stonden op den voorgrond.

Toen de heiden-christelijke gemeenten ontstonden, die zich van de Joodsche wet vrij gevoelden, werd vanzelf de nauwe band met het Jodendom, zooals dat te Jeruzalem en in Palestina had bestaan, in den eeredienst verbroken. Men kwam samen òf in een gehoorzaal, als ons van Efeze wordt vermeld (Hand. 9: 9) òf, wat wel regel zal zijn geweest, in de particuliere woningen van gemeenteleden, zoodat er „huisgemeenten” ontstonden. Wat eenmaal van de Joodsche gemeenschap was overgenomen, in Schriftlezing, prediking en gebed, werd nu in denzelfden dienst met het specifiek-christelijke van de avondmaalsviering verbonden, zoodat de godsdienstoefening in hetzelfde gebouw nu een tweeledig karakter verkreeg: bediening des Woords en bediening van het H. Avondmaal.

 

Wat het uur van samenkomst betreft, oorspronkelijk kwam men,

|105|

naar Hand. 2: 46, dagelijks samen; voor des Heeren maaltijd wel aan den avond. Op een paar plaatsen in het Nieuwe Testament wordt van den eersten dag der week gesproken, die als dag der opstanding wel in bijzondere eere kwam te staan: in 1 Kor. 16: 2, waar Paulus den raad geeft op den eersten dag der week iets voor de inzameling ten behoeve van de Jeruzalemsche gemeente ter zijde te leggen, en in Hand. 20: 7, waar Paulus te Troas op den eersten dag der week een samenkomst heeft „om brood te breken”. In Openb. 1: 10 wordt gezegd: „Ik geraakte in vervoering des geestes op den dag des Heeren”. Sommigen meenen, dat met dezen dag de dag van de wederkomst des Heeren is bedoeld. Maar in de brieven van Ignatius, die een vijftien jaren later geschreven zijn, in het begin der tweede eeuw, is de dag des Heeren reeds een vaste uitdrukking voor den dag die op den sabbat volgt 1).

Dat men een bepaalde dag in het bijzonder voor den eeredienst bestemde, kan zijn een contrast-werking van den Joodschen sabbat: de christenheid wilde dien sabbat niet. Het kan ook zijn alleen de begeerte om den Heer in het bijzonder op dien opstandingsdag te gedenken. Misschien heeft ook wel meegewerkt het feit dat de Romeinse keizervereering een geregelden „Augustusdag” voor den keizer had bestemd.

Reeds in het begin van de tweede eeuw blijkt het gewoonte te zijn op den dag des Heeren samen te komen, om „brood te breken”, zooals de Didache en de brief van Plinius vermelden. Later wordt herhaaldelijk aangedrongen, om zoo mogelijk elken dag eeredienst te houden en bij de bronnen der Schrift zich te verzamelen. Hierbij is te bedenken, dat alleen zeer welgestelde lieden een eigen exemplaar van den Bijbel konden bezitten, en dan vaak alleen maar het handschrift van een bepaald gedeelte. Die opwekking, om elken dag samen te komen, wijst er op, dat in de tweede eeuw die gewoonte begon te verslappen. Maar in de eerste eeuw bestond zij nog wel en geeft ook licht op Paulus’ vermaning in Rom. 14: 5 over het feit, dat de een den eenen dag hooger acht dan den anderen,


1) Al. B. Macdonald, Christian Worship in the primitive Church. Edinburgh 1934.

|106|

maar de ander alle dagen gelijk, d.w.z. elken dag gelijkelijk voor godsdienstige samenkomsten bestemd, acht.

 

Oorspronkelijk was het „breken van het brood” een maaltijd houden. Allengs hield dit op en werd het een ritueele handeling. Wanneer deze verandering plaats vond, is moeilijk aan te geven. Het tijdperk tusschen de jaren 65 en 100 is zoo goed als onbekend. Eerst omstreeks het jaar 150 vinden wij bij Justinus Martyr een beschrijving van een Zondagsdienst, waarin hij zegt: „Op den Zondag komen allen die in steden of op het land wonen, op één plaats samen; en de gedenkschriften der apostelen en de boeken der profeten worden gelezen, zoolang de tijd het toelaat. Wanneer de voorlezer geëindigd heeft, neemt de leider het woord om te vermanen en tot navolging van deze uitnemende dingen op te wekken. Dan staan allen op en worden gebeden opgezonden. Ten slotte, als het gebed geëindigd is, wordt brood en wijn en water gebracht; de leider zendt gebeden en dankzeggingen op, zoo goed hij kan, en het volk betuigt zijn instemming door „Amen” te zeggen. Dan heeft de uitreiking van de gezegende bestanddeelen aan ieder plaats; en aan hen die niet aanwezig zijn, wordt het gezonden door den dienst der diakenen”. Op een andere plaats maakt Justinus nog melding van den „kus des vredes”, die tijdens den dienst gegeven wordt.

In dezen tijd werd de dienst vroeg in den morgen gehouden. Er heeft zich dan een groote wijziging voltrokken, doordat de eerste bewogenheid door den Heiligen Geest voorbij is. Daardoor nemen de gemeenteleden niet meer zoo actief aan de godsdienstoefening deel, maar in hun plaats treden de ambtelijke voorgangers. De eeredienst, in het bijzonder de gebeden, krijgt een vasten, geijkten vorm; en dit niet alleen in één bepaalde gemeente, maar in de groepen van kerken in een geheel gebied.

Langzamerhand wordt dan de eeredienst overal gelijk en meer en meer uitgebreid. Hierover handelen wij niet. Het is ons om den eersten tijd te doen. Hoe de eeredienst in bijzonderheden verliep, willen wij nu nog in het kort nagaan.

Brouwer, A.M. (1937) 19

|107|

19. De Dienst des Woords.

 

Het ligt voor de hand, dat de eerste Christenen, uit de Joden gewonnen, zich Jood bleven voelen, waarschijnlijk in den eersten tijd de synagoge nog bleven bezoeken en hieruit bepaalde vormen van eeredienst aanhielden.

Hoe was de dienst der synagoge in de eerste eeuw van onze jaartelling ingericht? Op deze vraag is niet met volstrekte zekerheid te antwoorden, daar de rabbijnsche geschriften die hierover handelen, uit lateren tijd dateeren. Met vrij groote waarschijnlijkheid kan het volgende worden gezegd 1).

Na de ballingschap waren de leiders van het Joodsche volk er op uit, kennis van de wet te bevorderen niet alleen voor de gemeenschap maar voor ieders persoonlijk leven. Daardoor ontstond een soort parochiaal of gemeentelijk verband met het doel, de Heilige Schriften van het Oude Testament te lezen en uit te leggen, niet alleen op den sabbat en op feestdagen, maar ook op Maandag en Donderdag, de marktdagen. De gebouwen waarin dit plaats vond, met een Grieksch woord synagoge (vergadering en dan ook vergaderplaats) genoemd, vond men in elke plaats waar een aantal Joden woonden. Te Jeruzalem vond men er verscheidene. Van het begin af was voorlezing van de Schrift en prediking (die onafhankelijk van het voorgelezen Schriftwoord kon zijn) een wezenlijk bestanddeel van den synagoge-dienst, terwijl ook gebeden daartoe van ouds hebben behoord.

De gemeente-zaken stonden onder leiding van „oudsten”, die een soort presbyteriaal verband vormden, met tucht en armenzorg. Zij brachten ook de traditie, de vaderlijke overleveringen, over: later werd bepaald dat een leeraar door handoplegging van drie oudsten moest geordend worden. Deze handoplegging is zeker een


1) P.P. Levertoff, Synagogue Worship in the first Century, in W.K. Lowther Clarke, Liturgy and Worship. London 1932.

|108|

oud gebruik. Vergelijk Hand. 6: 6, waar, zooals wij zagen, de Christelijke gemeente ook oudsten aanstelde. Uit de oudsten werd waarschijnlijk de „overste der synagoge” gekozen, een eereambt, met de taak den synagogedienst te regelen en daarop toezicht te houden, b.v. aan te geven wie de voorlezing zou doen. In synagogedienst stond dan nog een chazan, een dienaar, die de aanwijzing van den „overste” had uit te voeren en de materieele zorg voor het gebouw voor zijn rekening had.

Behalve de Schriftlezing en de prediking had men ook vaste gebeden, waarvan het meest bekend is het „Sjema” (d.i. „hoor”) naar het eerste woord van Deut. 6: 4 „Hoor, Israël, de Heer uw God is een eenig Heer.” Later was het voorschrift, dit tweemaal per dag te zeggen. ’s Morgens moesten daaraan twee lofzeggingen vooraf gaan en één lofzegging daarop volgen; ’s avonds waren twee lofzeggingen daarvoor en daarna verplicht. Het tweede bekende gebed is het z.g. „Achttien-gebed” (de Sjemonej-Esreh), dat in de eerste eeuw in zeer verkorten vorm bestond.

Over zingen tijdens den dienst wordt niet gesproken, maar het is wel zeer waarschijnlijk, dat bepaalde Psalmen, de hoogepriesterlijke zegen en sommige stukken van de liturgie op een zingende wijze werden uitgesproken.

De dienst had in de eerste eeuw ongeveer op deze wijze plaats. De overste der synagoge vroeg iemand het voorgeschreven wetsgedeelte te lezen. De dienaar reikte de rol aan. De voorlezer begon met de lofzegging: „Zegen den Heer, den Gezegende”. De gemeente antwoordde: „Gezegend zijt gij, o Heer, die ons de Thora (= de Wet) van waarheid geeft en eeuwig leven in ons midden planttet. Gezegend zijt gij, o Heer, de gever van de Thora”. Dan volgde het „Sjema”, dat anti-phonisch werd opgezegd; daarop het Achttien-gebed gedeeltelijk. Na deze gebeden kwam de Schriftlezing, waarop de voorlezer liet volgen: „Gezegend zijt gij, o Heer onze God, die ons verkoren hebt uit alle volkeren en ons uw Thora gegeven. Gezegend zijt gij o Heer, de gever van de Thora”. Dan werd de voorlezer van het gedeelte uit de profeten aangewezen en hem de rol gereikt. Vóór hij begon, sprak hij een uitvoeriger benedictie, waarvan de aanvangswoorden luidden: „Gezegend

|109|

zijt gij, o Heer onze God, die goede profeten hebt verkoren en behagen hebt gevonden in hun woorden enz.” Vervolgens had de prediking plaats, werden de gebeden uitgesproken waarop de gemeente met „amen” antwoordde, werden er ook wel Psalmen gezongen.

Het was een eenvoudige, maar toch reeds in vasten vorm gebrachte dienst. Volkomen begrijpelijk dat die in de samenkomsten der Joden-christenen en later in die der heiden-christenen navolging vond. Wij kunnen dit deel van den eeredienst noemen: den dienst des Woords.

 

Hoe de dienst des Woord in de christelijke samenkomsten geregeld was, wordt ons niet opzettelijk bericht. Hij was zoo eenvoudig en plooibaar en zoo vanzelfsprekend, dat er geen melding van wordt gemaakt. Het boven aangehaald bericht van Justinus doet zien, dat er groote overeenkomst heeft bestaan met den synagoge-dienst.

Men las ook het Oude Testament. Maar daarnaast „gedenkschriften der apostelen”. Van zulk een voorlezing van apostolische geschriften wordt het eerst in Kol. 4: 16 bericht, als Paulus schrijft: „Wanneer bij u deze brief is voorgelezen, neemt dan maatregelen, adt hij ook in de gemeente te Laodicéa worde voorgelezen, en dat ook gij den brief uit Laodicéa u laat voorlezen”. Deze brieven zullen nog niet als Heilige Schrift hebben gegolden. Toen later de evangeliën geschreven waren, zullen die wel spoedig heilige Schrift, dat is kanoniek, zijn geworden, omdat zij het woord en werk des Heeren bevatten.

Het Oude Testament werd eenvoudig van de synagoge overgenomen: dit vond immers in Jezus Christus zijn vervulling. De christenen konden het in hoofdzaak alleen door de voorlezing in de godsdienstoefening leeren kennen, omdat het bezit van handschriften kostbaar was. De uitlegging van deze Oud-Testamentische geschriften blijkt, volgens het gebruik daarvan in het Nieuwe Testament gemaakt, een geheel andere te zijn geweest dan naar ons inzicht de juiste is. Men paste er allegorische methoden op toe, maar ook haalde men de teksten buiten alle verband aan en liet ze allerlei zegen, wat daarin niet te lezen staat. Hierin volgde men het algemeen

|110|

heerschend gebruik en bewaarde op die wijze naar toenmalige behoeften het Oude Testament voor de kerk, die er thans een ander, niet minder belangrijk gebruik van maakt.

Na de voorlezing volgde de preek, waarschijnlijk meer een hartelijk woord van vermaan en opwekking dan wat wij onder een preek verstaan.

De nadruk werd gelegd op gebed en „brood breken”. Het gebed volgde op de toespraak, zooals Justinus mededeelt. De toespraak diende tot voorbereiding van het gebed, dat zeker wel in uitdrukkingswijze zich aan de Schriften aansloot, maar vrij was, uit het hart gesproken. Het was tot God gericht, zooals Jezus zelf het had geleerd, en niet tot Christus. Daarentegen werden op Christus wel lofzangen aangeheven (zie b.v. Efeze 5: 19).

Uit de gebeden, zooals zij voorkomen in den brief van Clemens (omstreeks 95; zie boven) en in de Didachè (begin tweede eeuw), kan worden afgeleid, dat zij lof- en dankzegging, zondebelijdenis, vraag om vergeving en voorbede bevatten.

In den synagoge-dienst eindigde elk gebed met een doxologie, een lofprijzing, een verheerlijking van God. Daaruit is te verklaren, dat toen het „Onze Vader” een liturgisch gemeentelijk gebed werd, men daaraan toevoegde: „want van u is het koningschap en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid”, woorden die in het oorspronkelijk gebed van Jezus niet voorkomen.

In overeenstemming met het Joodsche gebruik werd in den aanvang het „Amen” door de gemeente uitgesproken, als vorm van instemming met het gezegde. Het was een gemeente-gebed, niet het gebed van een priester inplaats van de gemeente.

Dat er in de christelijke godsdienstoefening ook werd gezongen, volgt uit plaatsen als Kol. 3: 16 en Ef. 5: 19, waar van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen wordt gesproken en van het zingen en jubelen voor den Heer. Van Paulus en Silas wordt in Hand. 16: 25 verteld, dat zij in de gevangenis te Filippi biddend den lof van God zongen. En Plinius schrijft in zijn brief aan Trajanus (omstr. het jaar 112), dat de christenen gewoon waren lofzangen aan Christus als aan een godheid te wijden, en dat zij in beurtzang zongen. Dit laatste was van ouds ook een Joodsche gewoonte, en

|111|

evenzeer in het Grieksche drama gebruikelijk. In het boek der Openbaring vinden wij verschillende lofzangen in den trant van de koren van het Grieksche drama, b.v. Openb. 5: 8-14, 7: 9-12, 11: 17 v. enz.

Waarschijnlijk vinden wij in de brieven enkele gedeelten van christelijke lofzangen aangehaald, b.v. Ef. 5: 14:

Ontwaak, gij die slaapt,
en sta op uit de dooden!
en Christus zal over u lichten.

en 1 Tim. 3: 16:

Hij die is geopenbaard in het vleesch,
aan het bereik der zondemacht onttrokken in den geest,
verschenen aan engelen,
gepredikt onder heidenen,
geloovig aangenomen in de wereld,
opgenomen in heerlijkheid.

Ook Filip. 2: 6-11 zal zulk een hymne zijn, waarin Loyhmeyer zes strofen telkens van drie regels meent te kunnen aanwijzen.

En ten slotte nog een merkwaardige uiting van Paulus, waaruit de groote vrijheid in den oud-christelijken eeredienst sterk naar voren komt, 1 Kor. 14: 26: „Zoo dikwijls gij samenkomt, heeft ieder iets gereed: een lofzang, leering, openbaring, geestes-taal, uitlegging; dat alles diene tot stichting”. Hier zien wij de gemeenteleden actief deel nemen aan de godsdienstoefening, door ieder iets tot stichting bij te dragen. Het eerste dag genoemd wordt is een lofzang.

Wij hebben ons deze vrije uitingen te denken na het gebed, dat op de voorlezing volgt. De geheele gemeente zien wij hier werkzaam. Een heel ander beeld dan onze kerkgang vertoont. Men kan zich afvragen, of dit in Korinthe misschien sterker is geweest dan in andere gemeenten. Uit 1 Thess. 5: 19 v. („Bluscht den Geest niet uit. Veracht de gave der profetie niet”.) schijnt te volgen, dat het charismatisch-ecstatische te Thessalonica heel wat minder hoog werd geschat dan te Korinthe. Maar de vermaning van Paulus wijst

|112|

toch wel op een groote mate van vrijheid in de godsdienstoefening, die de apostel normaal acht.

Ten slotte moeten wij voor deze samenkomsten nog wijzen op den „gewijden kus” (zooals Paulus) of den „kus des vredes” (zooals Justinus Martyr) of den „kus der liefde” (zooals Petrus dien noemt) 1). In hoever die verschilde van de gewone wijze van begroeting, weten wij niet. Het was een uitdrukking voor het gevoel van saamhoorigheid en verbondenheid. Hij was gebruikelijk bij den aanvang van den dienst of na het gebed. Nog Tertullianus, omstr. 200, verklaarde dat geen gebed volledig was zonder den kus die daarop volgde.


1) 1 Thess. 5: 26; Rom. 16: 16; 1 Kor. 16: 20; 2 Kor. 13: 12; 1 Petr. 5: 14.

Brouwer, A.M. (1937) 20

|113|

20. De Avondmaalsviering.

 

Was het vrij gemakkelijk, ons uit de schaarsche en verspreide gegevens toch een voorstelling te maken van wat oorspronkelijk de dienst des Woords is geweest, bij de Avondmaalsviering komen wij op meer onzeker terrein.

Het oudste bericht vinden wij in den eersten brief van Paulus aan de Korinthiërs, omstr. 54 van onze jaartelling. Hier lezen wij in 11: 23-26: „Want ik heb van den Heer vernomen, wat ik u ook heb overgeleverd, dat Jezus, de Heer, in den nacht, waarin hij overgeleverd werd, brood nam, en als hij de dankzegging daarover had uitgesproken, brak hij het en zeide: Dit is mijn lichaam, dat voor u wordt gegeven; doet dit tot mijne gedachtenis.

Insgelijks ook den beker na den maaltijd, en hij zeide:

Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed; doet dit, zoo dikwijls gij dien drinkt, tot mijne gedachtenis. Dat wil dus zeggen, dat gij, zoo dikwijls gij dit brood eet en den beker drinkt, den dood des Heeren verkondigt, totdat hij komt”.

Hieraan moet nog toegevoegd worden wat Paulus in 1 Kor. 10: 14 v.v. zegt, als hij de vraag behandelt omtrent het deelnemen aan offermaaltijden. Hij keurt dit af met de woorden: „Daarom, mijn geliefden, ontvliedt den afgodendienst. Als tot verstandigen spreek ik: beoordeelt gij zelf wat ik zeg.
De drinkbeker der zegening waarover wij den zegen uitspreken,
is hij niet gemeenschap aan het bloed van Christus?
Het brood dat wij breken,
is het niet gemeenschap aan het lichaam van Christus?
Wij, velen in aantal, zijn één brood.
Wij, velen in aantal, zijn één lichaam;
want wij allen hebben deel aan het ééne brood.
Ziet op het aardsche Israël: hebben niet zij die de offerande eten, deel aan het altaar? Wat bedoel ik daarmede? dat een afgodenoffer iets is, of dat een afgod iets is? Neen, maar ik bedoel, dat

|114|

hetgeen zij offeren, zij dat aan de booze geesten offeren en niet aan God. En ik wil niet, dat gij deelgenooten der booze geesten wordt.
Gij kunt niet drinken den drinkbeker des Heeren
en  tevens den drinkbeker der booze geesten.
Gij kunt niet deel hebben aan de tafel des Heeren
en tevens aan de tafel der booze geesten.
Of willen wij den Heer tot naijver prikkelen?
Wij zijn toch niet sterker dan hij?”

Paulus heeft er niets tegen, vleesch te eten, dat in de vleeschhal verkocht wordt, of dat een heiden bij een maaltijd aan den genoodigde voorzet. Het is niet het vleesch als zoodanig dat de gemeenschap met de booze geesten tot stand brengt, ook al is het offervleesch. Maar zegt iemand: wat u voorgezet wordt, is offervleesch, eet het dan niet terwille van dien ander, opdat die niet in zijn geloof geschokt wordt (10: 25-33).

Wat de apostel dus afkeurt is het gemeenschappelijk deelnemen aan een offermaal. Het maaltijd houden met een bepaald doel brengt de gemeenschap onderling en met de afgoden (of met den Heer) tot stand; niet het eten op zich zelf, alsof in het vleesch (of in het brood en in den wijn) een reëele kracht aanwezig zou zijn.

Tot zoover Paulus.

De berichten van de evangelisten zijn alle later. Markus schreef tusschen 65 en 70. Mattheüs en Lukas tusschen 70 en 80. Dat wil zeggen een 35 tot 50 jaren na den laatsten maaltijd dien Jezus met de discipelen hield. In de berichtgeving zijn verschillende moeilijkheden. Als wij in een nieuwe vertaling, die op de oudste handschriften gegrond is, de instellingswoorden nalezen, dan blijkt het, dat zij bij alle drie evangelisten verschillend zijn. Mattheüs heeft b.v. bij den beker: „Drinkt allen daaruit; want dit is mijn verbondsbloed, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden”. Dit laatste „tot vergeving van zonden” hebben Markus en Lukas niet. Bij Lukas is sprake van twee bekers. Ook voegt Lukas er aan toe, zooals Paulus het heeft: „doet dat tot mijne gedachtenis”; maar dit hebben Markus en Mattheüs niet. En bij Lukas hebben de handschriften verschillende afwijkende lezingen; ook zulke waarbij van gedachtenisviering geen sprake is. Hieraan moeten wij nog

|115|

toevoegen de berichten uit het begin der Hand., waar b.v. 2: 46 sprake is van het dagelijks aan huis „brood breken”, een bekende Joodsche uitdrukking voor „maaltijd houden”.

 

De Evangelisten brengen het Avondmaal in verband met het Paaschmaal. Paulus zegt alleen, dat het ingesteld werd in den nacht, dat Jezus verraden werd. Was dit de Paaschnacht? Lietzmann 1), een der meest bekende beoefenaars van de Nieuw-Testamentische wetenschap en de oude kerkgeschiedenis, ontkent het. Het Avondmaal was oorspronkelijk geen Paaschmaal, zegt hij, want hiervoor waren kenmerkend: 1. dat een lam gegeten werd; dit ontbreekt bij het Avondmaal; 2. dat de uitlegging van den uittocht uit Egypte en de woestijnreis werd voorgedragen; dit ontbreekt bij het Avondmaal; 3. dat men geen brood eet maar ongezuurde „mazzôt”; bij het Avondmaal eet men brood; 4. dat er vier bekers zijn voorgeschreven; bij het Avondmaal is er maar één beker. De karakteristieke kenmerken van een Paaschmaal ontbreken dus geheel. De oudste Joodsch-christelijke gemeente heeft ook het Paaschfeest aangehouden en daarnaast kwam men dagelijks samen voor de „breking des broods”.

Dit was, zegt Lietzmann, oorspronkelijk een gewone maaltijd, waarbij men de gemeenschap met Christus versterkte en met blijdschap naar zijn komst uitzag. Oorspronkelijk was hierbij van geen wijn sprake. Het ging om de „breking des broods”; en daarbij de gewone beker water, bij uitzondering wijn. Het was de tafelgemeenschap met den Heer, zooals de discipelen die vroeger tijdens zijn leven zoo dikwijls genoten hadden.

Zoo zou het in de oudste gemeenten zijn geweest. Daarnaast bestond een ander gebruik, dat wij uit de brieven van Paulus leeren kennen, waarbij het Avondmaal niet de voortzetting was van de dagelijksche tafelgemeenschap met den Heer, maar vastgeknoopt werd aan den laatste van deze maaltijden en daardoor een blijvende gedachtenisviering werd van Christus’ dood.

In deze verklaring van Lietzmann is veel aantrekkelijks. Alleen


1) H. Lietzmann, Messe und Herrenmahl. Bonn 1926.

|116|

komt het mij voor, dat er geen genoegzame reden is, het bericht van de evangelisten, die van een Paaschmaaltijd spreken, in twijfel te trekken. Want Paulus zegt ook, in 1 Kor. 5: 7: „Immers ook ons paaschlam is geslacht: Christus”. Het is ook niet noodig de gegevens door zulk een ingrijpende wijziging te veranderen. Wij kunnen het volkomen laten gelden, dat het bij het Paaschmaal was, dat Jezus het „brood” brak en den beker reikte. Hij bedoelde daarmee niet een instelling van een blijvende gedachtenisviering, maar het was een ook in het Oude Testament herhaaldelijk voorkomende profetisch symbolische handeling, en wel om aan zijn discipelen duidelijk te maken de beteekenis van zijn dood. Hoe moeilijk moet het voor hen zijn geweest, te begrijpen dat hun Meester, dat de Messias moest sterven. Jezus maakt het hun duidelijk door er op te wijzen, dat, evenals het brood gebroken moet worden om er allen deel aan te hebben, zoo zijn leven gegeven moet worden, opdat allen daaraan deel zouden krijgen: „het is u nut dat ik heenga”.

Afgescheiden hiervan hebben de eerste christenen hun gemeenschappelijken maaltijd met Christus gehouden: de „breking des broods”, zooals zij in sommige latere liturgieën, als in de Didachè (begin tweede eeuw), een vasten vorm heeft gekregen.

Paulus is het dan geweest, die wat Jezus zelf als een eenvoudige symbolische handeling voor onderricht van zijn discipelen had bedoeld, heeft gemaakt tot een blijvende gedachtenisviering en dan verbonden met het gemeenschappelijk maal.

Hieruit is te verklaren, dat er alleen sprake is van brood en beker en dat er niets is, dat meer aan den Paaschmaaltijd herinnerde: voor heiden-christenen zou het ook moeilijk vallen, altijd ongezuurd brood bij de hand te hebben. Zoo opgevat is de avondmaalsviering uit twee elementen ontstaan: de gemeenschappelijke maaltijd, zooals de eerste Jeruzalemsche gemeente dien placht te vieren en de symbolisch-profetische handeling van Jezus bij het laatste Paaschmaal. Dit laatste heeft Paulus dan tot een blijvende herinneringsdaad gemaakt, maar daar zij verbonden was aan het gemeenschappelijk maal, was hierin voor de oudste gemeente niets aanstootelijks en kon Paulus verklaren, dat zijn evangelie-verkondiging zich geheel aansloot aan wat altoos verkondigd was. Het

|117|

nieuwe element dat hij er in bracht, heeft echter langzamerhand het oudere (den gemeenschappelijken maaltijd) verdrongen.

Dat Paulus de profetisch-symbolische daad van Jezus tot een blijvende gedachtenisviering heeft gemaakt, heeft hij, naar Lietzmann meent op grond van een openbaring gedaan, daar hij in 1 Kor. 11: 23 zegt: „Want ik heb van den Heer vernomen wat ik u ook overgeleverd heb”. Onder Hellenistische invloeden zou het meer als offermaal zijn opgevat en „sacramenteel” werken, d.w.z. zonder dat een bewuste geloofsbetrekking tusschen den gebruiker en den verhoogden Heer bestond.

Ofschoon Paulus, volgens Lietzmann, niet sacramentalistisch dacht, zou hij toch blijkens een enkele uitdrukking (in 1 Kor. 10: 16 en 17) bij het avondmaal hiervan niet vrij zijn geweest.

Dat Paulus met zichzelf in strijd zou gekomen zijn, lijkt mij niet aannemelijk. Dat de Helleniseering tijdens zijn leven reeds was begonnen, kan uit zijn brieven worden aangetoond. Maar Paulus zelf heeft zich daartegen met kracht verzet. Het heeft evenwel niet gebaat: in de latere avondmaalsopvatting dringt zij zegevierend door.

Wat uit de constructie van Lietzmann zeker als houdbaar kan worden erkend, is het feit, dat de avondmaalsviering in de Hellenistische gemeenten met de gewone godsdienstoefening verbonden werd, zoodat het daardoor den weg van het godsdienstig-ritueele van den geregelden eeredienst betrad en ten gevolge daarvan spoedig een eigen vorm verkreeg, onderscheiden van den oorspronkelijken meer spontanen, eenvoudigen vorm. De Jeruzalemsche vorm heeft zich een eigen liturgie gevormd, die van daar alleen in Egypte en Aethiopië en misschien in Carthago zich een tijdlang gehandhaafd heeft. De Paulinische vorm wordt in Syrië, Klein-Azië, Griekenland, Rome uitgewerkt, maar komt na Paulus’ tijd onder Hellenistische, sacramentalistische invloeden.

 

Het is niet mogelijk in ons bestek uitvoeriger bij deze vragen stil te staan. Zij zouden een nauwgezette bespreking verdienen 1). Wij


1) In Oct. 1936 verscheen het proefschrift van Dr. L.D.T. Poot over „Het oudchristelijk Avondmaal en zijn historische perspectieven”, waarin hij uitvoerig de ➝

|118|

merken nu alleen maar op, dat het ver van duidelijk is, hoe wij ons de oorspronkelijke avondmaalsviering te denken hebben. Wij kunnen enkele opmerkingen daaromtrent maken, die voor onze hedendaagsche gebruiken van beteekenis zijn.

Oorspronkelijk zal het een gewonde maaltijd zijn geweest (misschien zonder wijn?). Maar vast staat, dat hij dagelijks werd gehouden, en dat daarbij een vreugdevolle stemming heerschte. Men kan zelfs het „met blijdschap” van Hand. 2: 46 vertalen „met juichen”. De gedachte aan Jezus’ dood, opstanding en wederkomst moet daaraan ten grondslag hebben gelegen.

In Korinthe blijkt de avondmaalsviering in de gemeenschappelijke godsdienstoefening opgenomen te zijn. Doch blijkbaar is daarmee een maaltijd verbonden, waarvoor ieder der gemeenteleden wat medebrengt. Want wij lezen in 1 Kor. 11: 20 v.: „Wanneer gij dan samenkomt, dan is dat niet den maaltijd des Heeren gebruiken. Want ieder neemt bij het gebruiken van den maaltijd vooraf zijn eigne deel; en de een heeft honger en de ander is dronken”. Dat dit laatste niet te voren in eigen huis maar aan den gemeentedisch plaats vindt, volgt uit vs. 22: „Hebt gij dan geen huizen, om te eten of te drinken? Of veracht gij de gemeente Gods en wilt gij hen die niets bezitten, beschaamd maken?”

Het is een weinig verheffend tafereel dat de apostel hier schildert. Daarop heeft vs. 27 betrekking: „Daarom: al wie op onwaardige wijze het brood eet of den beker des Heeren drinkt, zal schuldig staan aan het lichaam en het bloed des Heeren”. Dit ziet op de onwaardige wijze van avondmaal vieren, niet op de onwaardigheid van de deelnemers, die immers allen gezondigd hebben en daarom ook met allen om niet gerechtvaardigd worden en niet om eenige „waardigheid” die zij zouden bezitten.

Wij hebben het ons vermoedelijk zoo voor te stellen: de plechtigheid werd geopend met het zegenen en het breken van het brood; daarna had de gemeenschappelijke maaltijd, het zoogenaamde „liefdemaal”, plaats; het einde werd gevormd door het zegenen en


➝ meening van Lietzmann bestrijdt en in het oudchristelijk avondmaal ziet „de herhaling van Jezus’ laatsten maaltijd, ter verkondiging van zijn dood en parousie”.

|119|

het drinken van den gemeenschappelijken beker; in 1 Kor. 11: 25 zegt Paulus n.l. „insgelijks ook den drinkbeker na den maaltijd”. Dit gelijkt sterk op een Joodsch feestmaal in den engeren kring van de „verbondsleden” (de z.g. chaboerah). Op deze wijze kan het daarom heel goed door Paulus in de gemeente zijn ingevoerd: het sloot zich dan ook aan bij de oudste Jeruzalemsche gewoonte, maar vertoonde tevens een eigen karakter.

Daaraan zal zijn voorafgegaan de dienst des Woords. De vredekus kan na de gebeden ook den aanvang van de avondmaalsplechtigheid hebben gevormd.

Wat Justinus Martyr ons van den Zondagsdienst verhaalt, zooals wij het boven hebben weergegeven, gaat dan terug op de gewoonte, zooals Paulus die reeds in de heiden-christelijke gemeenten had ingevoerd, maar dan met weglating van het liefdemaal.

Brouwer, A.M. (1937) 21

|120|

21. Het Liefdemaal.

 

Wij zagen, hoe volgens 1 Kor. 11: 20 v.v. met de godsdienstoefening een maaltijd verbonden was, die in lateren tijd „liefdemaal” genoemd wordt. Uit de wijze waarop Paulus over het brood breken en over den beker na den maaltijd spreekt, leidden wij af, dat de volgorde van den dienst zoo gedacht moet worden: na den dienst des Woords en der gebeden de vredekus; dan het zegenen en het breken van het brood; daarna de gemeenschappelijke maaltijd; aan het einde het zegenen en het drinken van den gemeenschappelijken beker.

De vrije werkzaamheid der gemeenteleden moet in het eerste deel van den dienst te zoeken zijn, en wel na het gebed dat op de voorlezing volgt. De vrije uitingen zullen ook met een gebed besloten zijn, waarop de vredekus volgde, tevens inleiding van de avondmaalsviering. Bij dit alles zal de „preek” een korte opwekking zijn geweest en niet een uitvoerige homilie, zooals wij onder „preek” verstaan.

De gemeenschappelijke maaltijd die tot het tweede deel van den dienst behoort, zal dus oorspronkelijk geheel in de avondmaalsviering (tusschen brood en beker) besloten zijn geweest. Hij was het oorspronkelijke „brood breken” der oudste gemeente. Maar het schijnt dat Paulus naar aanleiding van de misstanden die te Korinthe bij de avondmaalsviering heerschten, over dien gemeenschappelijken maaltijd kritisch gestemd is geworden en dien wil beperken. Hij vraagt althans in vs. 22: „Hebt gij dan geen huizen, om te eten of te drinken?” Hier zou het begin kunnen zijn van een terugdringen van het liefdemaal en het op den voorgrond brengen van de breking des broods en het drinken van den wijn. Zoo kwam het ritueele meer naar voren.

Misschien is in het vervolg de beker van het einde van de samenkomst verplaatst onmiddellijk na de breking van het brood. Het ritueele wordt dan reeds eenigszins gescheiden van den

|121|

gemeenschappelijken maaltijd. Een gevolg daarvan zou zijn, dat de twee gebeden (na het brood en na den wijn) tot één gebed vereenigd werden. Dit ééne gebed werd de dankzegging, de eucharistia, genoemd. Zoo ontstond de naam „eucharistie” voor de avondmaalsviering.

Het gevolg moet geweest zijn, dat toen op deze wijze de eucharistie nauw met den Woorddienst verbonden was, het liefdemaal als een min of meer vreemd aanhangsel van den eeredienst werd gevoeld en geheel afzonderlijk kwam te staan. Wanneer dit plaats vond, is niet te zegen. Omstreeks 150 spreekt Justinus Martyr, zooals wij zagen, over een Zondagsdienst, waarbij eucharistie en Woorddienst verbonden zijn en van een gemeenschappelijke maaltijd niet gesproken wordt.

Het liefdemaal is echter nog niet verdwenen. Terwijl de eucharistie in den morgen plaats vond, werd het liefdemaal nu aan den avond gehouden. Nog omstreeks het jaar 200 bestaan daarvoor bepalingen. Het is dan een maaltijd bij ene particulier aan huis, die daarvoor de kosten draagt, al is de bisschop of de oudste leider.

Gedurende de eerste eeuw schijnt het liefdemaal echter nog niet afzonderlijk bestaan te hebben. Het was een bestanddeel van de avondmaalsviering. Hiervoor pleit ook de omstandigheid, dat het in de eerste eeuw ook nog niet een eigen naam bezat, nog niet „liefdemaal” genoemd werd. Het was een onderdeel van den broederlijken maaltijd waartoe de avondmaalsviering behoorde. Er is slechts één plaats in het Nieuw Testament, waar van het liefdemaal gesproken wordt en wel in het vrij jonge geschrift van Judas, waar vs. 15 gezegd wordt: „Dezen zijn de schandvlekken bij uwe liefdemaaltijden, waar zij onbeschroomd samen zich te goed doen, zich zelf weiden”. Ook hier wordt van deze maaltijden geen gunstig beeld gegeven, evenmin als in 1 Kor. 11. In den brief van Judas schijnt het liefdemaal reeds afzonderlijk te staan. Daar dit oorspronkelijk niet het geval was, wijst ook dit er op, dat wat nu een ritueele avondmaalsviering is, oorspronkelijk een broederlijke maaltijd bedoelde te zijn, waar men den gemeenschap met den Heer onderhield en den onderlingen band door een opgewekten maaltijd uitdrukte en versterkte.

Brouwer, A.M. (1937) 22

|122|

22. De Doop.

 

Ten slotte willen we nog enkele opmerkingen maken over den doop, zooals die in de eerste eeuw werd bediend 1).

Het is eigenaardig dat wij van den oorsprong van den christelijken doop eigenlijk niets positiefs afweten. Het staat vast, dat Jezus zelf niet heeft gedoopt. Johannes vertelt, dat zijn discipelen wel, hij zelf niet gedoopt heeft 2). Mattheüs stelt de instelling van den doop door den Heer na de opstanding 3). Ook Markus schijnt dit te doen. Doch het hier voorkomend bericht staat in het slot dat, niet van Markus zelf afkomstig, een samenvatting is van wat de andere evangelisten vermelden 4). Is nu wat Mattheüs ons mededeelt een historisch betrouwbaar bericht of hebben wij hier voor ons de erkenning van het feit, dat de christelijke doop eerst door de eerste christenen is toegepast en niet door Jezus zelf, maar dat die eerste christenen dat deden, omdat zij overtuigd waren, hiermee den wil van Christus te volgen? Is het dit laatste, dan rijst de vraag: hoe kwamen zij tot die overtuiging? Is het dan toch misschien Christus zelf die het hun heeft opgedragen?

In elk geval wordt van het begin af de christelijke gemeente met den doop verbonden: op het Pinksterfeest na Petrus’ rede wordt melding gemaakt van den doop als teeken dat men tot de nieuwe gemeenschap toetreedt. En Paulus heeft ook na zijn bekeering als vanzelfsprekend den doop aanvaard. In zijn brieven spreekt hij herhaaldelijk over den doop als grondslag der gemeente 5).

Misschien is de doop ontstaan onder den invloed en het voorbeeld van Johannes den Dooper. Daarop wijst Joh. 4: 1 v. Jezus heeft dien doop voor zichzelf aanvaard, om zich solidair te verklaren met zijn volk en uit te spreken, dat ook hij behoorde tot den kring die het koninkrijk Gods nabij achtte en, dan in het bijzonder


1) Vergel. boven bl. 44-45.
2) Joh. 4: 1 v.
3) Matth. 28: 19.
4) Mark. 16: 16.
5) B.v. Rom. 6: 3; 1 Kor. 12: 13; Gal. 3: 267; Ef. 4: 5 enz.

|123|

wat hem zelf betrof, brengen wilde. Ter onderscheiding van den Johanneskring werden de Christenen gedoopt om te behooren tot den kring waarin Jezus als de Messias werd beleden.

 

In hoever de doop tot den eigenlijken eeredienst van de eerste eeuw te rekenen is, valt moeilijk te zeggen. Hij werd individueel toegepast. Was de gemeente daarbij tegenwoordig?

Oorspronkelijk waren het alleen volwassenen, die gedoopt werden. Dit ligt voor de hand, omdat het betrof het toetreden tot, het vormen van de gemeente. Des te meer moet dan treffen, dat er ook wel gezinnen werden gedoopt. Zoo het gezin van Cornelius; het gezin van den gevangenbewaarder te Filippi; het gezin van Stefanus te Korinthe 1). In dit licht heeft ook de uitspraak van Paulus beteekenis, dat de kinderen geheiligd zijn door den geloovigen vader of moeder 2). Geheiligd wil zeggen van de wereld afgezonderd en dan God toegewijd. Hiervan is de doop het teeken. De gedachte dat ook kinderen in het gemeenteverband worden opgenomen, ligt geheel in de Israëlietische gedachte opgesloten van het gezinsverband dat tot Gods verbond behoort. Zoowel de algemeene beginselen als de terloopsche mededeelingen maken daarom den kinderdoop naast dien der volwassenen mogelijk, zoo niet waarschijnlijk, al wordt er niet opzettelijk eenige melding van gemaakt. Doch voor de hand ligt, dat de doop van volwassenen regel was.

 

De Doop bedoelde allereerst een belijdenis dat men in Jezus Christus geloofde en zijn leven aan hem wilde wijden. Wij hebben hierbij niet aan eenige magie te denken, die met den „naam” verbonden zou zijn. Dat dit niet het geval was, bewijst duidelijk de uitdrukking die Paulus in 1 Kor. 10: 2 van de Israëlieten gebruikt, die zich in de wolk en in de zee hebben laten doopen „om met Mozes één te worden”; letterlijk staat er: „tot Mozes”, zooals hij ook spreekt van het doopen „tot Christus”. De Israëlieten kwamen niet in een magisch verband met Mozes maar kwamen onder zijn


1) Hand. 11: 14; 16: 33; 1 Kor. 1: 16.
2) 1 Kor. 7: 14.

|124|

leiding. Zoo erkende de doopeling, dat Jezus Christus Heer is en onderwierp zich aan Zijn leiding.

Daardoor was de Doop het teeken, dat men in de Christelijke gemeenschap werd opgenomen.

In den aanvang gingen hiermee gepaard bijzondere werkingen van den Heiligen Geest, zoodat men in hevige gemoedsbewegingen geraakte en dan ook wel in geestestaal sprak, dat is in extase door anderen niet te begrijpen klanken uitte. Waarschijnlijk werd dit wel beschouwd als een spreken in de taal der engelen, waarvan 1 Kor. 13: 1 gewaagt (men zie het verband met het voorgaande). Sommigen meenen ook in den uitroep Abba! (d.i. vader) een uiting te zien die door den Geest bij den doop werd gewerkt 1).

Zoo werd de Doop een teeken van de innerlijke eenheid met Christus. Paulus zegt b.v. van de gemeente, die geroepen is en dezer roeping waardig moet leven:

„één lichaam en één geest,
zooals gij ook geroepen zijt
in ééne hoop, aan uwe roeping verbonden,
één Heer, één geloof, één doop,
één God en Vader van allen,
de God die over allen en door allen en in allen is”.

Of er bij den doop oorspronkelijk een bepaalde formule werd gebruikt en zoo ja, welke die was, staat niet vast. In Hand. is meermalen sprake van een doopen „op (gezag van) den naam van Jezus Christus” of „in den naam van Jezus Christus” 2).

In den regel had de doop plaats door onderdompeling in stroomend water; of in ander water, dat ook wel verwarmd mocht worden; of door water op het hoofd te gieten. Zoo de voorschriften van de Didachè (begin tweede eeuw).


1) Gal. 4: 6. Omdat gij nu kinderen zijt, heeft God in uwe harten den Geest Zijns Zoons uitgezonden, die roept: Abba, Vader!
2) Hand. 2: 38, 10: 48.

Brouwer, A.M. (1937) 23

|125|

23. Geen Sacramentalisme.

 

Onder sacramentalisme verstaan wij, dat bepaalde religieuze handelingen die iemand ondergaat of verricht, een zekere krachtwerking op hem oefenen afgezien van het feit dat hij het zelf wil of zelf in eenige geloofsbetrekking (d.i. wilsbetrekking) staat tot de godheid waarmee die religieuze handeling verband houdt. Het is een zeker „natuurlijk” gebeuren, dat het best te vergelijken is met de werking van een electrischen draad. Wie daarmee in aanraking komt, bewust of onbewust, willens of onwillens, ondergaat de werking van den electrischen stroom. Een eenvoudig voorbeeld hiervan is de opvatting, dat de toediening van den doop aan een pas geboren kind ten gevolge zou hebben, dat de erfzonde van het kind wordt afgewasschen of weggenomen.

In de godsdiensten der natuurvolken is een groot deel van het religieus besef met het geloof aan zulk een krachtwerking verbonden. In de antieke Voor-Aziatische godsdiensten, die grootendeels natuur-religies waren, is het geloof aan zulke krachtwerking verbonden aan inwijdingshandelingen, mysterie-handelingen, welke dengene die ze ondergaat, in een reëele verbinding brengt met de godheid, zoodat hij aan diens onsterfelijkheid deel krijgt.

Het oudste Christendom is in een wereld opgetreden die doortrokken was van geloof aan zulke krachtwerking en daarom ook rijk was aan magie, d.i. aan de vermeende macht over krachten die onheilbrengende krachten kunnen afweren. De godsdienstige taal der oudheid is van zulke gedachten vervuld. Zij houdt verband met de mysterie-godsdiensten en met magie. Wie van die taal gebruik maakt, om zijn godsdienstige opvattingen mede te deelen, moet uitdrukkingen gebruiken die in de mysterie-godsdiensten en in de magische gebruiken van dien tijd een bepaalden inhoud hebben. Dat is heden ten dage met zendingswerkzaamheid nog altijd het geval. Het is onvermijdelijk, daar de taal de uitdrukkingswijze is van het volksbewustzijn. Eerst als een deel van de heidensche bevolking

|126|

gechristianiseerd is, wordt ook de taal gechristianiseerd.

Daarom spreekt het vanzelf, dat ook Paulus vele uitdrukkingen gebruikt heeft, die in de Grieksch sprekende wereld van zijn tijd met krachtwerking, met sacramentalisme, gevuld zijn. Van het bewustzijn dier heidensche wereld uit kon zijn prediking daarom licht misvatting tengevolge hebben, wat alleen door voortdurend onderricht overwonnen kon worden. Een der vragen, die de laatste dertig jaar telkens behandeld zijn, betreft het sacramentalisme: is Paulus misschien zelf onder beslag van het magisch, dynamistisch, sacramentalistisch denken van zijn tijd geweest en heeft hij doop en avondmaal ook als zoodanig gepredikt?

Over deze fundamenteele kwestie willen wij ook enkele opmerkingen maken.

 

Het staat wel vast, dat Jezus niet sacramentalistisch dacht. Hij heeft het heil op geen enkele wijze aan den doop verbonden geacht. Hij heeft zelf nooit gedoopt. Zelfs in Mark. 16: 16, waar een uitspraak is te vinden (in het niet van Markus zelf afkomstige slot) over het zich laten doopen en het behouden worden, is het geloof de voorwaarde van het behoud en de doop een uiterlijk teeken van het geloof, waardoor men in de gemeente wordt opgenomen; terwijl wie niet gelooft (van niet gedoopt zijn is hier geen sprake) zal veroordeeld worden. En ook in Matth. 28: 19, waar sprake is van het tot leerling maken van alle volken, is van geen doop noodig tot de zaligheid sprake, maar alleen van het uiterlijk teeken van het tot de gemeente behooren.

In de avondmaalswoorden is ook niets dat dwingt aan een magische werking te gelooven. Jezus nam het brood en zeide: Neemt: dit is mijn lichaam. En bij den beker zeide hij: Dit is mijn verbondsbloed dat voor velen vergoten wordt. Hij zelf stond er in levenden lijve bij. Wie van de aanwezigen kan een oogenblik er ook maar aan denken, dat dit anders dan beeldspraak was? Het ligt geheel in de lijn van de profetische verkondiging, om door een uiterlijk teeken een geestelijke waarheid aanschouwelijk te maken voor het gehoor. Wat kon duidelijker de geestelijke eenheid met Christus tot uitdrukking brengen dan het samen eten (en drinken)

|127|

van hetzelfde brood (en denzelfden wijn)? Het is bovendien zeer de vraag, of Jezus zelf dat als een blijvende instelling heeft bedoeld.

De geheele verkondiging van Jezus is gericht op het geweten, op den wil, op het verantwoordelijkheidsgevoel, op het geloof, op de gemeenschap met den Vader in geest en in waarheid. Daarin is voor sacramentalisme geen plaats.

Niet anders is het bij Paulus. Hij gebruikt een aantal uitdrukkingen, die spreken van de innigste gemeenschap met Christus en waaraan men, als er niets anders bekend was dan die uitdrukkingen, een sacramentalistischen inhoud zou kunnen geven. Maar hij ontkomt voor zich zelf telkens aan dit gevaar, door den nadruk te leggen op de geloofsverhouding tot Jezus Christus, die éénmaal stierf en opstond en eenmaal zal wederkomen, waarnaar de geloovige met spanning heeft uit te zien. Het komt hierbij aan op de verantwoordelijkheid van den geloovige en niet op een door een uiterlijke handeling vanzelf werkende krachtverbinding met Christus. Zoo in het bekende gedeelte over den doop in Rom. 6: 1-11. Hierin is geen sacramentalistisch gelegde, uit zich zelf werkende band met Christus, maar alles is gebouwd op de verantwoordelijkheid van den mensch die niet in de zonde mag blijven leven.

Bovendien loopen naast die aan „mystiek” ontleende uitdrukkingen een reeks beelden die aan de geheel uiterlijke juridische verhoudingen ontleend zijn. Neemt men deze alleen, los van het andere, dan zou men tot de conclusie moeten komen, dat Paulus een geheel uiterlijke verhouding van den mensch tot God heeft gepredikt, als van den rechter tot den aangeklaagde. Zij vormen echter een tegenwicht tegen het door hem niet bedoelde mystische eenheidsstreven. Beide reeksen samen geven het gevoelen van Paulus weer en brengen tot uitdrukking de diep persoonlijke verhouding van den Vader tot zijn kind door de liefde die in Jezus Christus openbaar is geworden.

Dat Paulus, als tolk van Christus en als goed Israëliet, niet gedacht heeft aan een onpersoonlijke werking van de „sacramenten”, zooals men later doop en avondmaal genoemd heeft, komt op verschillende wijzen duidelijk aan het licht.

Had hij den doop als onmisbaren inwijdingsritus en het avondmaal

|128|

als een vanzelf werkende gemeenschap met Christus beschouwd, dan zou hij in zijn prediking daarop den vollen nadruk hebben gelegd. Dat doet hij echter nergens.

Hij verheugt er zich over, dat hij in Korinthe maar weinigen heeft gedoopt. „Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het evangelie te verkondigen” 1). Zou hij zoo iets zeggen, als hij den doop als onmisbaar sacrament beschouwde?

Hij spreekt slechts weinig over den doop en over het avondmaal, alleen maar in den eersten brief aan de Korinthiërs, omdat er misbruiken bij de viering daarvan zijn ingeslopen. Had hij er een heilswaarde aan gehecht, eenigszins noodzakelijk voor het behoud van den mensch, zou hij er dan niet herhaaldelijk op gewezen hebben Nu zegt hij evenwel: „Het Koninkrijk Gods bestaat niet uit spijs en drank maar uit gerechtigheid en vrede en blijdschap door den heiligen Geest” 2).

Als de Thessalonicensen bezorgd zijn over het lot van hen die ontslapen en nu misschien geen deel zullen hebben aan het heil bij de wederkomst des Heeren, dan troost Paulus hen niet, met te zeggen, dat ook de afgestorvenen immers gedoopt zijn en het heilig avondmaal hebben genoten, maar hij wijst er op, dat wij in het geloof de zekerheid hebben, van Christus toe te behooren 3).

Hij waarschuwt met nadruk tegen een uiterlijk vertrouwen op de besnijdenis, als teeken dat men behoort tot Gods volk; want op het uiterlijke teeken komt het niet aan. „Want niet hij is Jood, die het uiterlijk is, en niet dat is de besnijdenis, die uiterlijk aan het vleesch geschiedt. Maar Jood is hij, die het in het verborgen is; en de besnijdenis betreft het hart, naar den geest, niet naar de letter”. En zou Paulus nu bij zulk een opvatting toch aan doop en avondmaal een sacramentalistische waarde hebben gehecht?

Dat heeft hij niet gedaan, spreekt hij met zooveel woorden uit in 1 Kor. 10. De achtergrond van dit hoofdstuk is de sacramentalistische misvatting bij de Korinthiërs. Wij hebben hier een voorbeeld, hoe een jonge gemeente, waarvan de bewustzijnsinhoud met gedachten aan krachtwerking gevuld is, ook de als symbolische


1) 1 Kor. 1: 13-17.
2) Rom. 14: 17.
3) 1 Thess. 4: 14.

|129|

teekenen bedoelde gebruiken van Doop en Avondmaal, op dezelfde dynamische, onpersoonlijke wijze opvat en gebruikt. En nu komt Paulus daartegen met nadruk op. Hij gebruikt het beeld van Israël, dat ook „tot Mozes” gedoopt en ook hemelsche spijze en hemelschen drank deelachtig werd, maar wegens zijn zonde toch in de woestijn is omgekomen. Dit werd tot onze leering geschreven, zegt hij, opdat wij ons niet aan dezelfde zonde schuldig zouden maken en ons heil afhankelijk stellen van de uiterlijke bediening van Doop en Avondmaal, terwijl het alles afhangt van onze verantwoordelijke, diep-persoonlijke gehoorzaamheidsverhouding tot God.

Daarom kan hij ook in 1 Kor. 13 deze verhouding samenvatting als geloof, hoop en liefde, waarvan de meeste de liefde is. En daarom kan hij ook het heil uitdrukken met het aan het Oude Testament ontleende beeld van de rechtvaardiging door het geloof en door het geloof alleen.

Wanneer hij dan in 1 Kor. 10: 16 en 17 spreekt van gemeenschap aan het lichaam van Christus en het allen deel hebben aan één brood, is het onmogelijk met Lietzmann op deze ééne plaats toch te denken aan een dynamistische, sacramentalistische opvatting van het avondmaal. Dit zou, ook volgens Lietzmann, in strijd zijn met zijn geheele prediking elders. Wij moeten hier denken aan een redeneering van het bewustzijn zijner lezers uit, om hen voor het gevaar van afgodendienst te bewaren, juist met een beroep op hun verantwoordelijkheidsgevoel en volstrekt niet met een dynamistisch berusten in de gemeenschap met Christus. Het samen eten gaf een verbondenheid met elkander, ook met Christus, maar met dezen laatste alleen als het geloof die verbinding tot stand bracht. Dit is de doorloopende voorstelling bij Paulus en het is niet te denken, dat hij haar hier niet als de vanzelfsprekende onderstelling van zijn redeneering zou hebben beschouwd, maar hier de gemeenschap alleen door het eten zonder meer tot stand zou laten komen.

Wij meenen daarom geen reden te hebben, hier aan Paulus eenige inconsequentie te moeten toeschrijven. In elk geval is het duidelijk, dat hij het Christelijk geloof nooit op eenige sacramentalistische opvatting heeft willen bouwen; integendeel herhaaldelijk tegen deze misvatting met nadruk heeft gewaarschuwd.

|130|

Willen wij Jezus Christus volgen en gehoor geven aan wat zijn grootste apostel heeft gepredikt, dan zullen wij met de grootste zorg alle sacramentalisme in den eeredienst en in onze persoonlijke verhouding met God moeten vermijden en elke poging die daartoe leidt, bestrijden.

Brouwer, A.M. (1937) 24

|131|

24. Slotbeschouwing.

 

Wat de organisatie in engeren zin betreft, hebben wij gezien, dat in den eersten tijd der kerk verschillende vormen en ontwikkelingsmogelijkheden hebben bestaan. Duidelijk wordt geleerd een algemeen priesterschap der geloovigen. Maar dit is te handhaven bij verschillenden kerkvorm. Welken wij voor ons volk en voor onzen tijd verkiezen, is een practische, historisch te begronden vraag, maar kan niet regelrecht uit de bijbelsche gegevens worden afgeleid.

In zekeren zin staat het ook zoo met den eeredienst. Het is een illusie te meenen, dat de eeredienst zooals wij dien kennen, beantwoorden zou aan den oorspronkelijken vorm.

Laat ik op enkele dingen mogen wijzen. In de eerste plaats de medewerking der gemeenteleden, die zelf iets tot stichting medebrachten: een lofzang, leering, openbaring enz. Dan het spreken in geestestaal, de glossolalie. Dan de gewijde kus of de kus des vredes, die een integreerend bestanddeel van de godsdienstoefening vormde. Dan het liefdemaa, dat een onderdeel der avondmaalsviering was. Dan het antiphonisch zingen: de voorganger wordt door de gemeente beantwoord. Dan het door de gemeente uitspreken van het „amen” op een gebed.

Wat de tijd van samenkomen betreft: het dagelijks bijeen komen, eerst wel voor de breking des broods elken avond, later voor de eucharistie des morgens, terwijl het liefdemaal dan aan den avond plaats vindt.

Wat de te zingen liederen betreft, al zullen er ook Oud-Testamentische psalmen gezongen zijn, het staat wel vast, dat er ook lofzangen werden aangeheven, b.v. op Christus en Zijn werk, en dat dit wel plaats vond, doordat een enkeling een lied aanhief.

De doop had in den regel plaats door onderdompeling, anders door begieten met water.

Hoe heel anders is onze eeredienst, daarmee vergeleken! De ontwikkeling hiervan kunnen wij heel goed verstaan. In de vijftiende en

|132|

zestiende eeuw was de kerk verwereldlijkt. De priester stond tusschen God en gemeente in en ging voor in een zeer samengestelde, in een voor de gemeenteleden onverstaanbare taal uitgesproken, liturgie. Waar aanbidding alles is, kan men voor onbegrijpelijkheid een pleit voeren. Niet het minst de muziek was wereldsch geworden en de kerkliederen waren vaak op zeer onstichtelijke melodieën gezet.

De reactie hiertegen was volkomen begrijpelijk. Men verlangde weer het door den bijbel geleerde priesterschap der geloovigen. Men wilde een prediking die zich richtte tot het geweten en aandrong op bekeering en een leven van gehoorzaamheid aan God. Men zag met eigen oogen wat er werd van een kerk waarin de godsdienst op zijn best een gevoelszaak was geworden, met een aesthetische eeredienst. Daarom wilden de Gereformeerde Hervormers muziek en schoonen zang uit den eeredienst bannen. Het moest alles zoo sober mogelijk zijn, opdat het Woord Gods zijn loop mocht hebben en niet door menschelijke kunst en praal op den achtergrond gedrongen worden.

Nog eens, dit alles is volkomen te verstaan. Maar men moet niet zeggen, dat de toen ingevoerde vorm van eeredienst beantwoordde aan wat de Schrift ons daarvan te zien geeft. Het is alleen het groote beginsel van het priesterschap der geloovigen dat met het volste recht als grondbeginsel der bijbelsche verkondiging weer naar voren gebracht werd. Maar de vorm waarin dat tot uiting werd gebracht, was niet aan den bijbel ontleend, al kwam die veel dichter bij den bijbel dan wat de Roomsch-Katholieke Kerk te zien gaf. Al de punten die ik zoo even aanstipte, kregen in een „gereformeerden” eeredienst geen plaats, al kwamen ze in de eerste Christengemeenten wel voor. Men kan daarvoor deugdelijke argumenten aanvoeren. Als ieder gemeentelid in een gemeentesamenkomst wat ter stichting mede zou brengen, zou allicht de dienst onstichtelijk worden. Dat kan een enkelen keer goed gaan, maar spoedig zou dat mis loopen. Het spreken in geestestaal zal men ook niet willen bevorderen: dit is voor de gemeente niet opbouwend; Paulus heeft dit al gezegd. Niemand zal den vredekus weer willen invoeren of in de kerk een maaltijd willen aanrichten. Voor al die wijzigingen

|133|

zijn deugdelijke redenen aan te voeren, maar intusschen hebben die dingen toch tot den oorspronkelijken eeredienst behoord.

Wanneer er nu in onze dagen een zoogenaamd liturgisch streven is opgekomen, om in den eeredienst meer de aanbidding tot haar recht te laten komen, dan kan men dat niet afweren met een beroep op de H. Schrift. In den eersten tijd heeft de blijde aanbidding een voorname plaats ingenomen. Toch kunnen negentien honderd jaren kerkgeschiedenis tot voorzichtigheid manen. Wanneer men de godsdienstoefening aesthetisch gaat maken, is er een gevaar dat het persoonlijk-verantwoordelijke van de prediking die zich tot het geweten richt, op den achtergrond gedrongen en tenslotte overwoekerd wordt. En als wij op grond van de bijbelsche verkondiging te kiezen hebben tusschen een overheerschen van den aesthetischen of een overheerschen van den ethischen vorm, dan kan voor een Protestant de keuze niet moeilijk zijn.

De werkzaamheid van Christus zelf en die van Paulus was op het geweten gericht en niet op het schoonheidsgevoel of op het wekken van een „stemming”. Doch een nauwkeuriger bestudeering van het menschelijk ziele-leven kan doen inzien, dat een passende vorm, ook wat schoonheid en wijding betreft, mede kan werken om het ethisch doel te bereiken. Verder mag het streven naar schoonheid in vorm niet gaan. Om die grens in acht te nemen, is groote voorzichtigheid geboden. Het is de vraag, of een sobere vorm voor ons volk en voor onzen aard niet het verkieslijkst is, mits er in dien vorm een strenge stijl gevonden wordt. Wij zijn in dezen nog niet verder dan tot een experiment. Wij moeten nu nog een groote mate van vrijheid en van verscheidenheid toelaten. Dat is de eenige weg, om tot een gefundeerde meening te komen over wat het meest verkieslijk is. Doch dat experimenteeren zal niet altijd kunnen duren. Straks zal de kerk, als zij gereorganiseerd is en een betere vertegenwoordiging krijgt, in den eeredienst een vasten regel moeten stellen. Terecht is opgemerkt, dat anarchie in de vormen een teeken van ontbinding is. Zij zal dan het algemeen priesterschap der geloovigen als beginsel moeten nemen en aan het element van aanbidding een ruime plaats moeten geven; doch de nadruk moet blijven liggen op de verkondiging van het Woord.

|134|

Maar men moet niet meenen, dat deze alleen plaats vindt in een min of meer geslaagde predikatie. In de preek kunnen veel individualistische misvattingen of van de geopenbaarde waarheid afwijkende grondgedachten zijn. Dan kan een goede liturgie, waarin de kerkelijke verkondiging in blijvenden vorm is vastgelegd, een heilzaam correctief vormen. Maar ook afgezien van deze correctie, kan een goede liturgie waarborg zijn dat de hoofdmomenten van de kerkelijke verkondiging in elke godsdienstoefening tot hun recht komen. Zij moet dan eenvoudig en kort zijn. De bestaande formulieren voor Doop, Avondmaal, Huwelijk zijn ook in dezen zin te herzien.

Gevolg van het invoeren eener meer uitgebreide, zij het dan toch korte, liturgie zal ook de preek wat doen inkorten. In onzen tijd van snel verkeer is ook de gedachtenbeweging sneller geworden. Een kerkdienst die daarmee geen rekening houdt en de godsdienstoefening even lang als vroeger doet aanhouden (— reeds in de zestiende eeuw werd de raad gegeven, niet langer dan een uur te preeken! —), doet afbreuk aan de kerk.

Voor één ding zal de liturgische beweging bijzonder te waken hebben: voor een principiëel afweren van alle sacramentalisme. Reeds nu is het mogelijk, dat een Protestant bij een Protestantsch uitgever een boekje uitgeeft, waarin de transsubstantiatie-leer verdedigd en aldus het goddelijke tot een ding gemaakt wordt. Tegen zulk een verlaging van het allerheiligst wezen Gods zal elk bijbelsch geloovige zich tot het uiterste moeten verweren. En wanneer de liturgische beweging aan zulk een voor het geloofsleven noodlottige dwaling ook maar den geringsten steun verleent, dan is daarmee haar streven voor den Protestant geoordeeld. Hier scheiden zich de wegen van ieder die uit het Gereformeerde beginsel leeft en van hem die het beginsel der aanbidding zou willen uitwerken tot een sacramenteele Godsvereering. In dit opzicht laat de Bijbel geen onzeker geluid hooren.

Maar dat men op grond van den Bijbel voor een veel bewegelijker eeredienst kan pleiten, waarbij ook de gemeenteleden meer zijn betrokken dan dat zij alleen een preek aanhooren en becritiseeren, is wel zeker. Doch ook voor vernieuwing van den eeredienst zal vernieuwing van het geestelijk leven noodig zijn.