Jansen, Joh. (1947) II.5

|47|

V. Het gezag van Kerkeraad, Classes en Synoden.

1. Welk gezag komt aan de Kerkeraden, Classes en Synoden toe?

De sleutelmacht, welke Christus in Matth. 16: 18, 19 aan Petrus en in Joh. 20: 23 aan de Apostelen, maar in Matth. 18: 17-18 ook aan de gemeente toekende.

Over de bedienaren van de sleutelmacht hebben wij een principieel verschil met de Roomschen eener- en de Independenten anderzijds.

De Roomschen vatten het woord gemeente in Matth. 18: 17, 18 op als de ecclesia representativa, nl. dat de clerus (de ambtsdragers) de gemeente vertegenwoordigen en over en zonder de leeken regeeren, wat dan uitloopt op de pauselijke hiërarchie.

De Independenten staan daar lijnrecht tegenover en leeren, dat de sleutelmacht aan de gemeenteleden als vergadering der geloovigen toekomt en willen van regeerouderlingen niet weten.

De Gereformeerden vatten het woord gemeente in Matth. 18: 18 op als de georganiseerde gemeente, die aanvankelijk nog alleen uit geloovigen bestond, maar weldra onder leiding der ambtsdragers zou gesteld worden. In de georganiseerde gemeente hebben ambtsdragers en leden beiden hun eigen roeping en plicht. De ambtsdragers ontvangen de leidende en de leden de medewerkende en controleerende macht.

Elke plaatselijke kerk heeft de volledige sleutelmacht voor haar terrein en taak ontvangen. Gewoonlijk wordt zij in drieën onderscheiden: de leermacht (bediening van Woord en Sacramenten, Catechetisch onderwijs, enz.); de regeermacht (verkiezing van ambtsdragers, opzicht over de gemeente, enz.); en de tuchtmacht (vermaning, waarschuwing, censuur, excommunicatie) over de leden en ambtsdragers enz.

De vraag is of deze drievoudige sleutelmacht ook aan de meerdere vergaderingen (Classes en Synoden) toekomt. Ook hierover hebben wij verschil met de Roomschen eener- en met de Independenten anderzijds.

De Roomschen zeggen: ja, zij komt in absoluten zin aan de Synoden toe, de gemeenten hebben niets te zeggen; dit

|48|

is het stelsel van de hiërarchie van den clerus over de leeken en van de Synoden over de Kerken.

De Independenten zeggen: neen, zij komt in absoluten zin aan de plaatselijke kerken (congregaties) toe, de beslissende macht is bij de gemeenten; dit is het stelsel van de autonomie der plaatselijke kerken.

De Gereformeerden staan daartusschenin; zij handhaven beide, èn de zelfstandigheid der plaatselijke kerken, èn de eenheid der plaatselijke kerken van het kerkverband; en erkennen beide, n.l. het gezag van de kerkeraden over de gemeenten, en het gezag van de meerdere vergaderingen over de mindere.

Dit blijkt uit art. 36 K.O. duidelijk. Het gezag van den kerkeraad over de gemeente is in beginsel de sleutelmacht en draagt een ambtelijk karakter. „’t Zelfde zeggen”, d.i. hetzelfde ambtelijk gezag heeft de Classis over den Kerkeraad, de Particuliere Synode over de Classis en de Generale Synode over de Particuliere.

Van de autonomie der plaatselijke kerken (autos = zelf en nomos = wet) nl. dat elke plaatselijke kerk los van de andere, hare eigen wet stelt, wilden de Gereformeerde Kerken niet weten. Krachtens de eenheid van alle plaatselijke kerken in Christus zijn alle kerken, die hetzelfde geloof belijden, verplicht de eenheid van het kerkverband te onderhouden.

De sleutelmacht (leer-, regeer- en tuchtmacht) komt dus ook aan de Classes en Synoden toe, maar met deze drievoudige beperking:

1º dat deze alleen mogen handelen over die zaken der mindere vergaderingen, welke daar niet afgehandeld kunnen worden, nl. in geval van onmacht, bijv. wanneer de ambtsdragers door ziekte onmachtig zijn hun ambtelijk werk te verrichten; van wanbestuur, bijv. wanneer de kerkeraad de tucht verwaarloost, of omgekeerd, zich aan hiërarchie schuldig maakt en de classis moet ingrijpen, of van hooger beroep (appèl), bijv. wanneer leden der gemeente het met een besluit van den kerkeraad niet eens zijn en zich beroepen op de Classis enz.

2º dat de meerdere vergaderingen (Classes en Synoden) voorts alleen mogen handelen over die gemeenschappelijke kerkelijke zaken, die als zoodanig op de meerdere vergadering zelf thuis behooren, omdat zij niet één kerk, maar alle kerken aangaan en dus ook door die kerken met elkander behandeld moeten worden, zooals de handhaving van de

|49|

Geloofsbelijdenis, de Liturgie, de Kerkenordening, de Psalmen en Gezangen, enz.

3º dat al haar besluiten inzake leer-, regeer- en tuchtzaken, in beide bovengenoemde gevallen volgens Art. 31 K.O. „voor vast en bondig gehouden worden” (d.i. een bindend karakter dragen) „tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Kerkenordening”. Volgens de aloude Gereformeerde opvatting, die terecht ook door de Synode Sneek 1939, art. 854 gehandhaafd is, beteekent dit, „dat de bezwaarde moet bewijzen, dat het bedoelde besluit met de Schrift of de Kerkenordening in strijd is, de bewijslast rust geheel op hem”. Aanvaardt een Synode het bewijs van een bezwaarde, dan vernietigt zij het besluit, en is er niemand, ook de bezwaarde niet, aan gebonden. Maar handhaaft zij haar besluit dan blijft het van kracht. „Want het kerkelijk leven zou verstoord worden wanneer ieder lid of elke kerk het recht had om, wanneer er bezwaren rijzen, de beslissingen der Synode eenvoudig naast zich neer te leggen”.

2. Op welken grond rust het gezag der Classes en Synoden?

a. Op grond van het Goddelijk voorschrift in de Schrift, bijzonder in Hand. 15. Daarin ligt de volledige Sleutelmacht: 1e de leermacht of leerbeslissing, dat de Heidenchristenen niet verplicht werden om de besnijdenis en de ceremonieele wet te onderhouden, Hand. 15: 2, 4, 27; 2e de regeermacht krachtens de bepalingen der Synode, waardoor de ergernissen werden weggenomen, Hand. 15: 28-29; en 3e de tuchtmacht door het oordeel over de wetsdrijvers, dat zij de geloovigen te Antiochië „ontroerd en hun zielen wankelende gemaakt hebben”, vs 24; en de sententie (uitspraak), dat zij Paulus en Barnabas, die hun zielen voor den naam van Christus overgegeven hebben, belasterden, vss. 25-26.

Calvijn zegt: „Wij moeten weten, dat hier van Godswege wordt voorgeschreven de vorm en de orde, die gehouden moet worden in het samenroepen der Synoden, wanneer er eenig verschil is ontstaan, dat op andere wijze niet bijgelegd kan worden” (Commentaar op Hand. 15: 6). Evenzoo Voetrius, Turretinus, Van Mastricht en schier alle Geref. theologen uit de 16e en 17e eeuw.

b. Op grond van de wederzijdsche toestemming der kerken van het kerkverband.

|50|

Christus schonk de sleutelmacht aan de plaatselijke kerken. Deze wijzen de personen als dragers van deze ambtsmacht aan. En waar niet de volledige kerkeraden kunnen samenkomen, kiezen zij de ambtsdragers, die als lasthebbers der kerken deze kerkelijke macht samen brengen op de Synode.

Volgt uit die delegatie en representatie, dat de macht der kerkeraden een andersoortige macht is dan van de Synode, bijv. dat de macht der kerkeraden een Goddelijke en die der Synode een menschelijke of kerkelijke macht is?

Neen: Beider macht is in wezen gelijk en verschil alleen in de wijze van toepassing en uitoefening. Christus schonk haar rechtstreeks aan de kerkeraden als een oorspronkelijke macht (potestas originalis). Als een van de kerkeraden afgeleide macht (potestas derivata) en aan de afgevaardigden opgedragen macht (potestas delegata) komt zij op de Synode als een aldaar samengebrachte macht (potestas accumulativa), zooals Voetius zegt.

3. Het karakter van het gezag.

Wij staan hier tusschen de Roomsche overschatting en de Independentische onderschatting in. Tegenover de Roomschen, die aan haar Synoden een onfeilbaar karakter toekennen, stelden de Gereformeerden haar feilbaar karakter. En tegenover de Independenten, die aan haar besluiten slechts een adviseerend gezag toekennen, handhaven wij haar bindend karakter.

Onfeilbaar zijn de besluiten der Synoden niet. Dat was alleen de Synode te Jeruzalem, Hand. 15. Zij was de eenige met onfeilbaar gezag, omdat zij mede onder leiding der Apostelen gehouden werd. Alle na-apostolische Synoden dragen een feilbaar karakter. Dit tegen Rome.

Maar bindend zijn haar besluiten wel, tenzij deze bewezen worden te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Kerkenordening, zie Art. 31 K.O. Dit tegen de Independenten.

Dit bindend karakter blijkt duidelijk uit Hand. 15: 28. De Synode te Jeruzalem legde onder leiding des H. Geestes een last op aan de kerken; en uit Hand. 16: 4, waar haar besluiten ordonnantiën (Grieksch dogmata, bindende bepalingen) genoemd worden.

4. De uitvoering van de besluiten.

Zijn de Classes en Synoden bevoegd de besluiten inzake

|51|

de leer, de regeering en de tucht ten slotte ook toe te passen en uit te voeren?

De Independenten zeggen: neen! De besluiten van Classes en Synoden dragen slechts een adviseerend, geen bindend karakter. De al of niet toepassing en uitvoering der besluiten staat aan de beslissing van de Kerkeraden.

In hun Savoy Declaration, art. XXVI verklaren zij: „Maar deze Synoden aldus verzameld, hebben geen kerkelijke macht in eigenlijken zin en zijn niet toegerust met eenige jurisdictie of rechtspraak om eenige censuur te oefenen, hetzij over eenige kerken of personen, of om hare beslissingen op te leggen aan de kerken of haar ambtsdragers”.

Maar de Gereformeerde Confessie van Westminster verklaarde: „Het komt aan de Synoden toe om klachten, die bij haar ingebracht worden in gevallen van wanbestuur (mala administratio) in ontvangst te nemen en daarover met autoriteit te beslissen”, zie Hand. 15: 28; 16: 4.

De Gereformeerden zeggen: ja! De Classes en Synoden zijn niet alleen bevoegd inzake de leer, de regeering en de tucht bindende besluiten te nemen, maar zijn ook bevoegd de genomen besluiten, nadat aan de daarvoor geldende bepalingen voldaan is, toe te passen en uit te voeren of te doen uitvoeren.

———