Jansen, Joh. (1947) I.5

V. Het ambt der Ouderlingen

1. De naam der Ouderlingen.

De naam Oudsten of Ouderlingen komt reeds voor in de Joodsche gemeenten: 1e. van leden van den Joodschen Raad (Sanhedrin), bijv. Matth. 26: 3, 47; Mark. 11: 27, enz.; en 2e. van opzieners over de Joodsche gemeente ter plaatse, Luk. 7: 3.

Van de Joodsche gemeente gaat de naam over in Christus’ kerk, ter aanduiding van de ambtsdragers, die met de regering en tucht zijn belast.

Van een bepaalde aanleiding tot het instellen van het Ouderlingenambt lezen wij niet. Wel bij de Diakenen, Hand. 6: 1 v.v. Sporen meent men te vinden in de tegenstelling tusschen jongeren (jongelingen) en ouderen (oudsten) in Hand. 5: 6, 10.

De eerste aanduiding van de ambtelijke Ouderlingen (presbuteroi) vinden wij waarschijnlijk in Hand. 11: 30. Paulus en Barnabas verkozen in elke gemeente die zij stichtten Ouderlingen, Hand. 14: 23; 20: 17; Jac. 5: 14; 1 Petr. 5: 1.

In de gemeenten uit de Heiden-Christenen werd de Joodsche naam Oudsten (presbuteroi, ouderlingen) spoedig door de namen opzieners, Hand. 20: 17, 28; Fil. 1: 1; 1 Tim. 3: 2; Tit. 1: 7; voorstanders, Rom. 12: 8; 1 Thess. 5: 12; regeeringen, 1 Cor. 12: 28; herders, Ef. 4: 11; 1 Petr. 5: 1-4; voorgangers, Hebr. 13: 7, 17, 24, afgewisseld ene vervangen.

|25|

De Opzieners van een plaatselijke gemeente vormden tezamen een Ouderlingschap (presbyterium), d.i. Kerkeraad, 1 Tim. 4: 14, zie Korte Verklaring der K.O., blz. 162.

2. De vereischten voor het Ouderlingenambt.

Deze worden door Paulus in 1 Tim. 3: 1-7 en Tit. 1: 5-9 duidelijk omschreven:

1. Persoonlijke vereischten als Christen, zoowel positieve: „onberispelijk, eener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren, die goeden liefhebbende, rechtvaardig, heilig, kuisch, die vasthouden aan het getrouwe Woord” enz.; als negatieve: „niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil gewinzoeker, geen vechter, niet geldgierig, geen nieuweling, niet genegen tot toornigheid”, 1 Tim. 3: 2, 3.

2. Vereischten als huisvader voor zijn gezin: „die zijn huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen”, 1 Tim. 3: 4, 5.

3. De vereischten als burger in de maatschappij: „En hij moet ook een goed getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in den strik des duivels”, 1 Tim. 3: 7.

3. De verkiezing der Ouderlingen.

Art. 22 bepaalt: „De Ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der Diakenen verkozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den kerkeraad vastgesteld is.” De breede Kerkeraad heeft de leidende en beslissende macht; de stemgerechtigde leden hebben de medewerkende macht.

Volgens Art. 22 zijn er dan drie mogelijkheden:

1º De meer democratische manier: dat de kerkeraad van te voren de gemeenteleden in staat stelt op geschikte personen de aandacht te vestigen, voorts uit die namen, al of niet aangevuld, een grostal aan de gemeente voor te stellen; en de stemgerechtigde leden daaruit te laten kiezen.

2º De meer aristocratisch-democratische manier: „of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen volgens het Formulier daarvan zijnde”. Hier ontvangt de gemeente geen gelegenheid op geschikte personen de aandacht te vestigen. De kerkeraad maakt de

|26|

dubbele getallen op, stelt deze aan de gemeente voor en laat haar de helft er uit kiezen.

3º De meer aristocratische manier: Hier is de kerkeraad „vrij voor de verkiezing zelve zooveel Ouderlingen, als er van noode zijn aan de gemeente voor te stellen, om van diezelve (ten ware dat er eenig beletsel voorviel) geapprobeerd en goed gekeurd zijnde met openbare gebeden en stipulatiën bevestigd te worden”. Hier zijn de stemgerechtigde leden van de medewerkende macht, nl. om op geschikte personen de aandacht te vestigen en uit een dubbel getal te kiezen, uitgesloten. De Kerkeraad kiest, de stemgerechtigde leden hebben alleen het recht van stilzwijgende goedkeuring of gemotiveerde afkeuring. Deze manier komt in onze Gereformeerde kerken zelden voor.

Stemgerechtigd zijn de belijdende leden van het mannelijk geslacht die niet onder censuur staan. Een gecensureerde is rechtens nog lid, maar heeft de uitoefening van zijn recht zoolang het H. Avondmaal hem ontzegd is, verloren.

Over het vrouwenkiesrecht was langen tijd verschil van meening. Eerst de synode van Arnhem 1930 kwam tot een beslissende uitspraak. Zij verklaarde, dat de vrouwelijke leden krachtens de algemeene regeermacht der leden wel aan de approbatie d.i. aan de goed- of afkeuring der gekozenen mochten deelnemen, maar dat zij op grond van de duidelijke uitspraken der Schrift in 1 Cor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 12, van het leeren en regeeren in de gemeente zijn uitgesloten en besloot daarom, „aan de vrouwelijke lidmaten der gemeente het kiesrecht in de kerk niet toe te kennen”.

4. Het ambt (taak) der Ouderlingen.

Het woord ambt beteekent ook hier taak, roeping, plicht van de Ouderlingen. Deze is drieërlei:

a. De regeering en tucht. Hun taak is te zorgen, dat „alles eerlijk en met orde geschiede”, 1 Cor. 14: 40. Herderlijk werk zooals het bezoeken van zieken, zwakken en weduwen mogen zij doen zonder speciale opdracht van den kerkeraad. Maar inzake de regeering en tucht zijn zij evenals de predikanten aan de opdracht van den kerkeraad gebonden. Afzonderlijke jeugdouderlingen kent de Schrift niet, maar wel kan aan een Ouderling de bijzondere zorg voor de jeugd worden opgedragen.

b. Het opzicht over de mede-ambtsdragers gaat 1º over de leer en het ambtelijk werk van de Dienaren des Woords,

|27|

volgens Hand. 20: 28. Het mag niet in vitzucht ontaarden en niet op ontactische wijze en ongeschikten tijd geschieden, bijv. vlak na de preek; liefst in het begin der week. Eerst wanneer het bezwaar onderling niet opgelost kan worden, mag het op den Kerkeraad gebracht worden, tenzij een ernstige zonde in leer of leven onmiddellijk ingrijpen eischt, 2º over hun medehelpers, d.i. hun medeambtgenooten en diakenen, eveneens over hun belijdenis, wandel en ambtelijk werk.

c. Het huisbezoek, d.i. de ambtelijke, maar dan private en vertrouwelijke, herderlijke zorg voor de leden in hun huizen. Christus zocht de geloovigen ook persoonlijk op, bijv. de Samaritaansche vrouw, Joh. 4; de boetvaardige zondares, Luk. 7; de weenende Maria, Joh. 20; en gaf aan de Apostelen de opdracht ook in de huizen het Evangelie te prediken Matth. 10: 12, Hand. 20: 20; en de enkele schapen te weiden, Joh. 21: 15-17.

Huisbezoek is de taak der Ouderlingen, ook van den Predikant, maar dan in zijn kwaliteit als Ouderling. Zijn leerambt (prediking, catechisatie) moet hoofdzaak blijven, maar contact tusschen herder en kudde is ook noodig. Het bezoeken en troosten der zieken behoort niet tot het leerambt der Dienaren, maar tot het herderlijk ambt der Ouderlingen. Zie Jak. 5: 14: „Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de Ouderlingen der gemeente”, enz. De predikanten doen het in kwaliteit van herders der kudde. Het Bevestigingsformulier der Ouderlingen zegt uitdrukkelijk, dat tot het ambt der Ouderlingen behoort „den Dienaren des Woords met goeden raad behulpzaam te zijn; ja ook met raad en troost alle gemeene (gewone) christenen te dienen.”

Mogen de Ouderlingen bezoldigd worden?

Ja, op grond van 1 Tim. 5: 17-18 is er niets tegen. Maar om twee redenen is het bij ons regel, dat zij de gemeente „om niet” dienen, 1º omdat zij periodiek aftreden en door anderen vervangen worden; 2º omdat zij gewoonlijk uit hun beroep of bedrijf het levensonderhoud voor hun gezin ontvangen.

Bronnen: Dr. H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, I, blz. 548 v.v. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O., blz 99 v.v. — P. Biesterveld, Het Huisbezoek. — Ds W.A. Wiersinga, Weid mijne schapen, bij D.A. Daamen te ’s Gravenhage.

———