Jansen, Joh. (1947) I.1

Hoofdstuk I.
De plaatselijke kerk.

I. De formatie der kerk.

1. Haar ontstaan.

Elke plaatselijke kerk is vrucht van de eeuwige verkiezing Gods. Te Antiochië in Pisidië „geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven”, Hand. 13: 48. Maar de stichting der plaatselijke kerken geschiedt door Christus, al bedient Hij zich daarbij van ambten en genademiddelen. Hij is de eerste oorzaak, Matth. 16: 18, 19. De geloovigen, die Hij tot een gemeente vergadert, zijn de tweede oorzaken, Hand. 2: 41, 42. Twintig of dertig geloovigen in stad of dorp, die los naast elkaar staan, vormen nog geen plaatselijke kerk als instituut. Daartoe komt het eerst als zij zich vereenigen, de ambten instellen en tot de bediening van Woord en Sacramenten samenkomen. Zie over de formatie van nieuwe gemeenten art. 38 K.O.;

|10|

en Korte Verklaring der K.O. van Ds Joh. Jansen, 2e druk, blz. 166 v.v.

2. Haar voortbestaan.

Hoe houdt Christus de plaatselijk gestichte kerken duurzaam in stand?

Vooreerst door de voortdurende toepassing van alle heilsweldaden aan de gemeente in haar geheel en ieder geloovige in het bijzonder, door alle tijden heen, n.l. roeping, wedergeboorte, geloof, bekeering, vergeving der zonden, rechtvaardigmaking, heiligmaking, volharding der heiligen, enz., door den H. Geest, volgens Zijn eigen belofte: „Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen, en U verkondigen”, Joh. 16: 14.

En voorts door de volgende instellingen:

1e. Door den Kinderdoop: De kinderen der geloovigen zijn niet alleen in het Verbond Gods, Gen. 17: 7; Hand. 2: 39; 1 Cor. 7: 14; maar ook in zijn gemeente begrepen, Ef. 6: 1-3; Col. 3: 20; Heid. Cat. Zond. 27, vr. 74.

2e. Door de Geloofsbelijdenis der gedoopte kinderen. De kinderen der geloovigen zijn krachtens hun geboorte uit geloovige ouders in het Verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen en worden door den Doop, als door het teeken des Verbonds in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden, Heid. Cat., vr. 74. Voetius noemde de gedoopte kinderen oneigenlijke, incomplete leden. De Synode van Sneek, 1940, verbeterde dit. De gedoopte kinderen zijn wel complete, maar nog onmondige leden, omdat zij nog geen geloofsbelijdenis deden en nog niet alle rechten ontvingen. Zie Dr G.M. den Hartogh, De Tucht over Doopleden, blzz. 17-24, 82-85.

3e. Door den Volwassendoop. Ongedoopten, die door de prediking des Evangelies voor Christus en Zijn Kerk gewonnen worden, moeten na hun geloofsbelijdenis volwassen gedoopt en in de Kerk ingelijfd worden. Zij zijn dan schuldig ook het Avondmaal des Heeren te gebruiken, art. 59 K.O. Zie Korte Verklaring K.O., blzz. 252-253.

4e. Door Attestatie (getuigschrift). In de Apostolische Kerken vinden wij er reeds melding van. De discipelen te Efeze gaven brieven van aanbeveling mede aan Apollos naar de gemeente te Achaje, opdat deze hem ontvangen zou, Hand. 18: 27. Paulus beval Febe aan de gemeente te Rome aan, Rom. 16: 1. Zie Artt. 61 en 82 K.O. en Korte Verklaring K.O., blzz. 260 v., 340 v.

|11|

5e. Door overkomst uit andere Kerken, die niet met onze Kerken in kerkverband leven.

De vraag is hier of leden van Roomsche en van Protestantsche (Hervormde, Luthersche, Doopsgezinde e.a.) kerken opnieuw openbare belijdenis moeten afleggen.

Vaste bepalingen hebben wij er niet voor. Bewijs van lidmaatschap of attestaties van kerken, die niet met de Gereformeerde kerken in kerkverband staan, gelden niet voor hun toelating. Bij overkomst van Roomsche en ook van vrijzinnige Hervormde Kerken moet in den regel na voorafgaand onderwijs openbare belijdenis plaats hebben. Leden van Hervormde, van Christelijk Gereformeerde en andere Gereformeerde gemeenten, of kerken, die reeds een Gereformeerde belijdenis hebben afgelegd, kunnen na onderzoek en op verklaring, dat zij instemmen met de Gereformeerde Belijdenisschriften volgens de verklaring der Gereformeerde kerken, aan opzicht en tucht zich onderwerpen en een Christelijk leven willen leiden, overgenomen worden.

Geeft de duurzame instandhouding der Kerk in ’t algemeen waarborg, dat er nooit een plaatselijke Kerk zal verdwijnen? Neen, de belofte, dat de poorten der hel de gemeente niet zullen overweldigen, Matth. 16: 18, geldt wel van de Kerk als geheel, maar niet van alle plaatselijke kerken. Eén van haar eigenschappen is de „ontbindbaarheid”. Er zijn een groep „verdwenen kerken”, bijv. de Klein-Aziatische kerken (Openb. 2 en 3). In ons land Helenaveen, Borne (later weer hersteld) e.a. Zie Korte Verklaring der K.O., 2e druk, blz. 167.

3. Haar Kerkvorm.

De Kerk is een „heilige vergadering der ware Christgeloovigen”, art. 27 Geloofsbelijdenis. Waar geloovigen zijn en samenkomen tot de bediening des Woords en der Sacramenten is het wezen der Kerk, maar daar kan de vorm der Kerk meer of minder volkomen zijn.

Voetius maakt terecht onderscheid tusschen wezen (essentia) en volkomenheid (perfectio). Waar de geloovigen samenkomen tot de bediening van Woord en Sacrament, daar is het wezen der Kerk. Maar zoolang die kerk nog zonder Kerkeraad of vacant is, is zij nog geen volkomen Kerk.

Volkomen is een Kerk, die plaatselijk alle geloovigen omvat, de wettige ambten bezit, duurzaam bestaat, en zich vrij en zonder hinder van de Overheid ontwikkelen kan. Zelfs een Kerk met een Kerkeraad kan nog onvolkomen zijn,

|12|

bijv. wanneer zij vacant is. De consulent heeft slechts consuleerende (raadgevende, adviseerende), geen beslissende stem.

Onvolkomen Kerken. Daartoe behooren de volgende:

De Zendingskerken. De zending geschiedt op last van Christus, Matth. 28: 19; gaat uit van de plaatselijke kerk te Antiochië, Hand. 13: 1 v.v., niet van het Convent te Jeruzalem, Hand. 15. Een Zendingskerk is eerst nog onvolkomen. Er zijn wel enkele geloovigen, maar nog geen ambten. Zij is nog afhankelijk van de „moederkerk”. Dit mag echter niet blijvend zijn zooals bij Rome. Rome is de moederkerk en alle andere kerken zijn haar dochters. De Gereformeerden zijn tegen het Roomsche matriarchaat. Alle kerken zijn gelijk, al is de eene uit de andere voortgekomen. Langzamerhand moeten de Zendingskerken zelfstandig worden, zooals een stekje van een plant wordt afgezet en uit eigen wortel begint te leven. Zie art. 85 (oud 84) K.O.

De gelegenheidskerken, bijv. in tijden van oorlog, in het leger en op de vloot; in badplaatsen, waar alleen in het badseizoen gepreekt wordt.

De Kruiskerken in de 16e eeuw, die door de vervolging van Dienaren beroofd en uiteengedreven werden.

De Doleerende Kerken tijdens de Remonstrantsche twisten, die klaagden (doleeren = klagen) bij de Overheid, dat deze haar niet als wettige kerken erkende en haar de gebouwen en goederen onthield.

Bronnen: De Zendingsleer van Gisb. Voetius door Dr H.A. van Andel. — Art. Kruisgemeenten in België, in Chr. Enc. III, blzz. 253-254. Doleerende Kerken, rede bij de overdracht van het Rectoraat, 21 Dec. 1886, door Prof. D.K. Wielenga. Dr A. Kuyper, Tractaat van de Reformatie der Kerken, 1903.

———