Jansen, Joh. (1947) Inl. 1

|3|

Inleiding

I. Stelsels van kerkregeering.

Het Kerkrecht handelt over de zichtbare kerk als instituut. In den loop der historie zijn er achtereenvolgens vijf stelsels van Kerkregeering uitgedacht:
het Roomsche of Papale stelsel;
het Luthersche of Territoriale stelsel;
het Independentische of Congregationalistische stelsel;
het Gereformeerde of Presbyteriale stelsel;
het Collegialistische of Genootschappelijke stelsel.

***

Deze stelsels verschillen kort samengevat in de volgende vier punten:

1. Het uitgangspunt van Kerkformatie.

Rome stelt dit in de ééne zichtbare wereldkerk, die alle gedoopten over de geheele wereld omvat. Zij is de eenige onfeilbare kerk, de eenige middelares tot zaligheid, die aan alle andere kerken het bestaansrecht betwist.

De Lutherschen in de landskerk, d.i. in het territorium (grondgebied, rechtsgebied) van den regeerenden vorst naar den stelregel: cuius regio, eius religio, wiens land diens godsdienst. Vandaar ook de naam: territoriale stelsel.

De Independenten in de congregaties of willekeurige groepen van geloovigen, die zich kerkelijk organiseeren; elke congregatie of groep van geloovigen vormt een eigen gemeente, independent, d.i. onafhankelijk van andere congregaties op dezelfde plaats of elders. Vandaar de naam: Congregationalistische stelsel.

De Gereformeerden in de plaatselijke kerk als openbaring van het lichaam van Christus krachtens de verkiezing als cor ecclesiae (het hart der kerk). De formatie der plaatselijke kerk komt niet door het ambt, zooals bij Rome, maar

|4|

door het optreden der geloovigen tot stand. De kerkleden zijn de samenstellende deelen der plaatselijke kerk. En de plaatselijke kerken, die confederatief in meerdere vergaderingen samenkomen, zijn de samenstellende deelen van Classes en Synoden.

Het Collegiale stelsel in het Collegium, d.i. genootschap of vereeniging volgens de leerstellingen van het natuurrecht en de Fransche revolutie. De formatie der kerk ligt in den vrijen wil der individuen. Verschillende individuen stichten een godsdienstig collegium. Al de kerkleden over ’t geheele land zijn de samenstellende deelen van het groote Genootschap, waarvan de plaatselijke gemeenten de afdeelingen zijn.

2. De zetel van het gezag.

Bij Rome in den Paus. Rome maakte het tijdelijk en onoverdraagbaar apostolaat tot een blijvend ambt in het episcopaat en voltooide het in de pauselijke hiërarchie.

Volgens het episcopaalsche stelsel bijv. in de Roomsche kerken van Duitschland en het Gallicaansche stelsel in Frankrijk berustte het onfeilbaar gezag bij de bisschoppen, in de algemeene concilies vergaderd. Maar sinds de Paus op 18 Juli 1870 onfeilbaar verklaard werd, rust het in het primaat van den Paus.

Bij de Lutherschen in den Landsvorst.

Volgens sommigen komt het kerkelijk gezag als een deel van zijn souverein gezag als landsvorst over staat en kerk hem jure suo toe. Volgens anderen, omdat de vroegere bisschoppelijke macht op de landsoverheid was overgegaan, zoodat hij als summus episcopus (opperste bisschop) de kerk in zijn land regeert. (Zie art. Summus-episcopus in Chr. Enc. V, blz. 332).

Bij de Independenten in de autonomie van de leden der gemeente, bij wie het beslissend en uitvoerend gezag beide berust, al wordt de uitvoering vaak aan bepaalde leden opgedragen.

Bij de Gereformeerden niet in de leden, maar in de presbyters of ouderlingen, d.i. bij den Kerkeraad over de gemeente, en bij de meerdere vergaderingen (Classes en Synoden) over de mindere vergaderingen (Kerkeraden en Classes). Vandaar de naam: Presbyteriale stelsel.

Bij het Collegialisme in den vrijen wil der meerderheid (de helft plus één) volgens de leer der volkssouvereiniteit als bron van het gezag ook in de kerk.

|5|

3. De organisatie der kerk.

Bij Rome twee standen, de clerus, die heerscht en de leeken, die gehoorzamen. In strijd met de Schrift, waar clerus (lot, erfdeel, eigendom) oorspronkelijk de heele gemeente, leden en ambtsdragers samen, als erfdeel of eigendom Gods aanduidt, Deut. 4: 20; 9: 29; 1 Petr. 2: 5.

Bij de Lutherschen drie standen: de regeerstand (overheid), die het gezag voert; de leerstand (predikanten), die voor het heil der zielen zorgt; en de leekenstand, die alleen heeft te gehoorzamen. De overheid regeerde door een consistorie, uit predikanten en niet-predikanten der hoofdstad bestaande, en door super-intendenten en generaal-superintendenten, die het opzicht over de gemeenten uitoefenen. Vandaar ook de naam: consistoriaal stelsel.

Bij de Independenten de leden en de leer-ouderlingen. Wijl het beslissend en uitvoerig gezag bij de gemeente berust, erkennen zij alleen leer-ouderlingen, die voor hun leven verkozen worden, geen regeer-ouderlingen.

Bij de Gereformeerden de leden (d.i. de gedoopte en de belijdende leden) en de ambtsdragers (de Dienaren, Ouderlingen en Diakenen), of ook wel het ambt der geloovigen en de bijzondere ambten.

Bij de Collegialisten de leden en het bestuur. De gemeente is een product van menschelijke wilsdaad voor de godsvereering. Van lidmaatschap door geboorte en doop krachtens het genadeverbond is geen sprake. Het lidmaatschap vangt aan met het doen van belijdenis (aanneming), krachtens vrije wilskeuze. Elke gemeente staat onder een bestuur (kerkeraad).

4. De verhouding van Kerk en Staat.

Bij Rome de suprematie van de Kerk over den Staat, de Paus over den Keizer. De kerk is wereldkerk. Zij moet alle andere terreinen van Staat, Maatschappij, Wetenschap, Opvoeding, Kunst enz. beheerschen.

Bij de Lutherschen omgekeerd de suprematie van den Staat over de Kerk. Zij splitsen de ééne wereldkerk in zooveel kerken als er vorstelijke territoriën zijn, met eigen souvereiniteit. De landsoverheid is heer over het land en over de kerk, ’t zij als summus-episcopus, ’t zij als deel van zijn souverein gezag.

Bij de Independenten volstrekte scheiding tusschen Kerk en Staat. De overheid heeft niets over de kerk te zeggen.

|6|

Bij de Gereformeerden zijn Staat en Kerk twee publiekrechtelijke terreinen, elk met eigen bestuur en rechten. Alleen voor gemengde terreinen, waar kerk en overheid elkander ontmoeten en beide belangen hebben, staan de Gereformeerden een goede correspondentie voor, bijv. inzake huwelijk en Sabbatsviering, enz.

Bij het Collegialisme is de Kerk een gewone vereeniging in den Staat. Zij boet bij dit stelsel haar publiek-rechtelijk karakter in en kan slechts als een gewone vereeniging privaatrechtelijk om erkenning vragen, zooals in 1852 bij de behandeling van de Wet op Kerkgenootschappen door Thorbecke werd bepleit.

Bronnen: Dr A. Kuyper Sr: Tractaat van de Reformatie der Kerken, blz. 44-52. — Kerkelijk Handboekje, door P. Biesterveld en Dr H.H. Kuyper. Inleiding blzz. I-XVIII. — Dr H. Bouwman: Geref. Kerkrecht, I, blz. 184 v.v. — Christelijke Encyclopaedie, I, blz. 481, V blz. 403, VI blz. 230-233.

———