Jansen, Joh. (1947)

Handleiding Gereformeerd Kerkrecht
Kampen
J.H. Kok N.V.
1947

Jansen, Joh. (1947) Inl. 1

|3|

Inleiding

I. Stelsels van kerkregeering.

Het Kerkrecht handelt over de zichtbare kerk als instituut. In den loop der historie zijn er achtereenvolgens vijf stelsels van Kerkregeering uitgedacht:
het Roomsche of Papale stelsel;
het Luthersche of Territoriale stelsel;
het Independentische of Congregationalistische stelsel;
het Gereformeerde of Presbyteriale stelsel;
het Collegialistische of Genootschappelijke stelsel.

***

Deze stelsels verschillen kort samengevat in de volgende vier punten:

1. Het uitgangspunt van Kerkformatie.

Rome stelt dit in de ééne zichtbare wereldkerk, die alle gedoopten over de geheele wereld omvat. Zij is de eenige onfeilbare kerk, de eenige middelares tot zaligheid, die aan alle andere kerken het bestaansrecht betwist.

De Lutherschen in de landskerk, d.i. in het territorium (grondgebied, rechtsgebied) van den regeerenden vorst naar den stelregel: cuius regio, eius religio, wiens land diens godsdienst. Vandaar ook de naam: territoriale stelsel.

De Independenten in de congregaties of willekeurige groepen van geloovigen, die zich kerkelijk organiseeren; elke congregatie of groep van geloovigen vormt een eigen gemeente, independent, d.i. onafhankelijk van andere congregaties op dezelfde plaats of elders. Vandaar de naam: Congregationalistische stelsel.

De Gereformeerden in de plaatselijke kerk als openbaring van het lichaam van Christus krachtens de verkiezing als cor ecclesiae (het hart der kerk). De formatie der plaatselijke kerk komt niet door het ambt, zooals bij Rome, maar

|4|

door het optreden der geloovigen tot stand. De kerkleden zijn de samenstellende deelen der plaatselijke kerk. En de plaatselijke kerken, die confederatief in meerdere vergaderingen samenkomen, zijn de samenstellende deelen van Classes en Synoden.

Het Collegiale stelsel in het Collegium, d.i. genootschap of vereeniging volgens de leerstellingen van het natuurrecht en de Fransche revolutie. De formatie der kerk ligt in den vrijen wil der individuen. Verschillende individuen stichten een godsdienstig collegium. Al de kerkleden over ’t geheele land zijn de samenstellende deelen van het groote Genootschap, waarvan de plaatselijke gemeenten de afdeelingen zijn.

2. De zetel van het gezag.

Bij Rome in den Paus. Rome maakte het tijdelijk en onoverdraagbaar apostolaat tot een blijvend ambt in het episcopaat en voltooide het in de pauselijke hiërarchie.

Volgens het episcopaalsche stelsel bijv. in de Roomsche kerken van Duitschland en het Gallicaansche stelsel in Frankrijk berustte het onfeilbaar gezag bij de bisschoppen, in de algemeene concilies vergaderd. Maar sinds de Paus op 18 Juli 1870 onfeilbaar verklaard werd, rust het in het primaat van den Paus.

Bij de Lutherschen in den Landsvorst.

Volgens sommigen komt het kerkelijk gezag als een deel van zijn souverein gezag als landsvorst over staat en kerk hem jure suo toe. Volgens anderen, omdat de vroegere bisschoppelijke macht op de landsoverheid was overgegaan, zoodat hij als summus episcopus (opperste bisschop) de kerk in zijn land regeert. (Zie art. Summus-episcopus in Chr. Enc. V, blz. 332).

Bij de Independenten in de autonomie van de leden der gemeente, bij wie het beslissend en uitvoerend gezag beide berust, al wordt de uitvoering vaak aan bepaalde leden opgedragen.

Bij de Gereformeerden niet in de leden, maar in de presbyters of ouderlingen, d.i. bij den Kerkeraad over de gemeente, en bij de meerdere vergaderingen (Classes en Synoden) over de mindere vergaderingen (Kerkeraden en Classes). Vandaar de naam: Presbyteriale stelsel.

Bij het Collegialisme in den vrijen wil der meerderheid (de helft plus één) volgens de leer der volkssouvereiniteit als bron van het gezag ook in de kerk.

|5|

3. De organisatie der kerk.

Bij Rome twee standen, de clerus, die heerscht en de leeken, die gehoorzamen. In strijd met de Schrift, waar clerus (lot, erfdeel, eigendom) oorspronkelijk de heele gemeente, leden en ambtsdragers samen, als erfdeel of eigendom Gods aanduidt, Deut. 4: 20; 9: 29; 1 Petr. 2: 5.

Bij de Lutherschen drie standen: de regeerstand (overheid), die het gezag voert; de leerstand (predikanten), die voor het heil der zielen zorgt; en de leekenstand, die alleen heeft te gehoorzamen. De overheid regeerde door een consistorie, uit predikanten en niet-predikanten der hoofdstad bestaande, en door super-intendenten en generaal-superintendenten, die het opzicht over de gemeenten uitoefenen. Vandaar ook de naam: consistoriaal stelsel.

Bij de Independenten de leden en de leer-ouderlingen. Wijl het beslissend en uitvoerig gezag bij de gemeente berust, erkennen zij alleen leer-ouderlingen, die voor hun leven verkozen worden, geen regeer-ouderlingen.

Bij de Gereformeerden de leden (d.i. de gedoopte en de belijdende leden) en de ambtsdragers (de Dienaren, Ouderlingen en Diakenen), of ook wel het ambt der geloovigen en de bijzondere ambten.

Bij de Collegialisten de leden en het bestuur. De gemeente is een product van menschelijke wilsdaad voor de godsvereering. Van lidmaatschap door geboorte en doop krachtens het genadeverbond is geen sprake. Het lidmaatschap vangt aan met het doen van belijdenis (aanneming), krachtens vrije wilskeuze. Elke gemeente staat onder een bestuur (kerkeraad).

4. De verhouding van Kerk en Staat.

Bij Rome de suprematie van de Kerk over den Staat, de Paus over den Keizer. De kerk is wereldkerk. Zij moet alle andere terreinen van Staat, Maatschappij, Wetenschap, Opvoeding, Kunst enz. beheerschen.

Bij de Lutherschen omgekeerd de suprematie van den Staat over de Kerk. Zij splitsen de ééne wereldkerk in zooveel kerken als er vorstelijke territoriën zijn, met eigen souvereiniteit. De landsoverheid is heer over het land en over de kerk, ’t zij als summus-episcopus, ’t zij als deel van zijn souverein gezag.

Bij de Independenten volstrekte scheiding tusschen Kerk en Staat. De overheid heeft niets over de kerk te zeggen.

|6|

Bij de Gereformeerden zijn Staat en Kerk twee publiekrechtelijke terreinen, elk met eigen bestuur en rechten. Alleen voor gemengde terreinen, waar kerk en overheid elkander ontmoeten en beide belangen hebben, staan de Gereformeerden een goede correspondentie voor, bijv. inzake huwelijk en Sabbatsviering, enz.

Bij het Collegialisme is de Kerk een gewone vereeniging in den Staat. Zij boet bij dit stelsel haar publiek-rechtelijk karakter in en kan slechts als een gewone vereeniging privaatrechtelijk om erkenning vragen, zooals in 1852 bij de behandeling van de Wet op Kerkgenootschappen door Thorbecke werd bepleit.

Bronnen: Dr A. Kuyper Sr: Tractaat van de Reformatie der Kerken, blz. 44-52. — Kerkelijk Handboekje, door P. Biesterveld en Dr H.H. Kuyper. Inleiding blzz. I-XVIII. — Dr H. Bouwman: Geref. Kerkrecht, I, blz. 184 v.v. — Christelijke Encyclopaedie, I, blz. 481, V blz. 403, VI blz. 230-233.

———

Jansen, Joh. (1947) Inl. 2

II. De Kerkenordening.

1. Bron.

Van een complete Kerkenordening is in de Schrift geen sprake, evenmin als van een complete Geloofsbelijdenis en van een complete Liturgie.

Maar de beginselen (grondelementen) liggen in de goudmijn der Schrift verborgen.

Christus zelf gaf reeds een aantal bepalingen, die voor de inrichting en regeering der kerken van fundamenteele beteekenis zijn, bijv. voor de prediking van het Evangelie onder de Joden, Matth. 10: 5-7, en onder de Heidenen, Matth. 28: 19; de bediening der Sacramenten, Matth. 28: 19; vergel. 1 Cor. 11: 17-34; de broederlijke vermaning, Matth. 18: 15-17; de bediening der Sleutelmacht, Matth. 16: 19; 18: 18; Joh. 20: 23; het loon der Dienaren, Matth. 10: 10; Luk. 10: 7, enz.

Ook in de brieven van Paulus komen verschillende bepalingen voor, bijv. inzake uitoefening der tucht, Rom. 16: 17 v.v.; 1 Cor. 5: 3-5, 13; 2 Thess. 3: 6, 14; Tit. 3: 10; het optreden der vrouwen in de gemeente, 1 Cor. 11: 2-16; de liefdemaaltijden en het H. Avondmaal, 1 Cor. 11: 17-34; de profetie en glossolalie, 1 Cor. 14; de vereischten voor de ambtsdragers, 1 Tim. 3: 1-13; Tit. 1: 5-9; dat alle dingen in de gemeente „eerlijk”

|7|

(welgevoeglijk) „en met orde” (naar vasten regel) moeten geschieden, 1 Cor. 14: 40.

Reeds in de 2e eeuw ontstond de Didache of Leer der Apostelen, enz.: een Kerkelijk Handboekje over Doop, Vasten, Bidden, Avondmaal, enz.; en in de 3e eeuw de Constitutiones Apostolicae (Apostolische Kerkorde) over leer, orde en tucht. (Zie Chr. Encyclopaedie I, art. Didache; en Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, I, blz. 32).

De Schrift is geen wetboek voor het kerkrecht, waarin de bepalingen voor het kerkelijk leven in systeem zijn gebracht, maar zij is de bron, waaruit de beginselen voor het kerkelijk leven geput moeten worden. En Christus gaf aan de kerken de bevoegdheid om die beginselen naar de behoefte van tijd en omstandigheden in haar Kerkenordeningen te omschrijven.

Hoofdbron is dus de Schrift. Hulpbronnen zijn de Belijdenisschriften, Liturgische Formulieren, de Kerkenordeningen van de Gereformeerde en andere kerken, en de werken over Kerkrecht van Gysb. Voetius, Jac. Koelman, Dr F.L. Rutgers, Dr H. Bouwman, e.a.

2. Ontstaan.

Calvijn begon er al mee. Hij stelde een nieuwe Kerkenordening voor de inrichting, regeering en tucht van de plaatselijke kerk te Genève op (Ordonnances ecclésiastiques de l’Eglise de Genève). Van een synodaal verband met andere kerken kon nog geen sprake zijn, omdat de kerk te Genève schier geheel op zich zelf stond.

De kerken in Frankrijk volgden zijn voetspoor. Op haar eerste Synode, te Parijs 1559, stelden zij ook een nieuwe Kerkenordening op, onder den naam: Discipline Ecclésiastique.

Voorts de Nederlandsche Gereformeerde Kerken. Het Convent te Wezel, 1568, bereidde de Kerkenordening voor. De eerste Synode, te Embden, 1571, stelde ze aanvankelijk vast. En de volgende Synoden, te Dordrecht, 1574 en 1578; te Middelburg, 1581; te ’s Gravenhage, 1586; en te Dordrecht, 1618-’19, hebben ze herzien en bevestigd.

En verder in al de Calvinistische landen, bijv. in Schotland het First Book of Discipline door John Knox e.a. opgesteld, 1560; in Engeland The Form of Presbyterial Church, door de West-Minstersche Synode, 1643-1648; evenzoo de Gereformeerde Kerken in de Calvinistische landen.

|8|

3. Gezag.

De naam Kerkenordening zegt, dat zij een ordening voor het kerkelijk leven bevat. Men sprak ook wel van Kerkeordening, Kerkenorde, Kerkorde, maar de oude naam Kerkenordening, door de Synode van Middelburg, 1581, bepaald, is door onze kerken op haar Synoden steeds gehandhaafd. In Kerkenordening is kerken geen meervoud, maar een 2e naamval enkelvoud, evenals in het oude Kerckenraet en Kerckendienaer, d.i. raad en dienaar van een Kerk. Het enkelvoud kerk moet hier niet in collegialistischen zin als een Kerkgenootschap over heel het land worden opgevat. Kerk heeft hier — volgens den Latijnschen titel — bijvoegelijke beteekenis en wil zeggen: een kerkelijke ordening, d.i. een ordening niet voor het staatkundig, maatschappelijk of burgerlijk, maar voor het kerkelijk leven.

Een Kerkenordening bevat het jus constitutum, d.i. het door de kerken „vastgestelde recht” voor het kerkelijke leven. Kerkelijke gebruiken, die door langen duur een zekere vastheid kregen, noemen wij gewoonten. Kerkelijke besluiten geven de toepassing van een geldend beginsel op een bepaald geval. Maar een Kerkenordening bevat de hoofdbeginselen van het Kerkrecht uit Gods Woord afgeleid voor de kerken van het kerkverband.

Zij is niet gelijk aan het jus constituendum, d.i. het recht, zooals het op grond van Gods Woord en in overeenstemming met de Belijdenisschriften behoort te zijn. In een concreet geval, waarvoor in de Kerkenordening geen bepaling staat, moet naar de beginselen van het jus constituendum, d.i. naar het onbeschreven recht van Schrift en Belijdenis voorzien worden.

Haar gezag is van kerkelijken aard. Consciëntie-bindend zijn alleen de bepalingen, die letterlijk aan de Schrift ontleend zijn, Jak. 4: 12. De uit de Schrift en de Geloofsbelijdenis afgeleide bepalingen dragen een regelend karakter en verplichten de leden en ambtsdragers tot onderhouding op grond der Schrift, Matth. 16: 19; 18: 18; Joh. 20: 21, 23; Hand. 15: 27-29; 16: 4; Hebr. 13: 7, 17.

4. Karakter.

De Kerkenordening is geen particulier reglement, of kerkelijke wet, maar een reformatorische constitutie.

Zij is één van de drie fundamenteele geschriften van de groote reformatie der 16e eeuw, n.l. de Drie Formulieren

|9|

van Eenigheid voor de Geloofsbelijdenis, de Liturgische Formulieren voor den Eeredienst, en de Kerkenordening van Dordrecht 1618/19 voor de Kerkregeering en Tucht.

De Reformatoren hebben niet alleen de Roomsche Geloofsbelijdenis en de Roomsche Liturgie (Eeredienst), maar ook het Roomsche Kerkrecht gereformeerd. Zij namen het Roomsche Kerkrecht niet over om de scherpe hiërarchische punten er wat af te slijpen. En zij vulden het Independentische Kerkrecht niet aan, om het voor de Gereformeerde Kerken aannemelijk te maken. Maar zij hebben aanstonds bij de Reformatie, eerst tegenover het Roomsche, en daarna tegenover het Independentisch Kerkrecht een eigen Gereformeerd Kerkrecht uit de Schrift opgebouwd en in haar Kerkenordening vastgelegd.

Bronnen: Dr F.L. Rutgers: Acta van de Nederl. Synoden der 16e eeuw, enz. De geldigheid van de Oude Kerkenordeningen. — Dr H. Bouwman: Gereformeerd Kerkrecht, I, blzz. 53-323. — P. Biesterveld en Dr H.H. Kuyper: Kerkelijk Handboekje, blzz. I-XXX. — Joh. Jansen: De Kerkenordening, Dl. I van de Diensten, blzz. 1-57. — Korte Verklaring der Kerkenordening, 2e druk, blz. 1-2.

———

Jansen, Joh. (1947) I.1

Hoofdstuk I.
De plaatselijke kerk.

I. De formatie der kerk.

1. Haar ontstaan.

Elke plaatselijke kerk is vrucht van de eeuwige verkiezing Gods. Te Antiochië in Pisidië „geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven”, Hand. 13: 48. Maar de stichting der plaatselijke kerken geschiedt door Christus, al bedient Hij zich daarbij van ambten en genademiddelen. Hij is de eerste oorzaak, Matth. 16: 18, 19. De geloovigen, die Hij tot een gemeente vergadert, zijn de tweede oorzaken, Hand. 2: 41, 42. Twintig of dertig geloovigen in stad of dorp, die los naast elkaar staan, vormen nog geen plaatselijke kerk als instituut. Daartoe komt het eerst als zij zich vereenigen, de ambten instellen en tot de bediening van Woord en Sacramenten samenkomen. Zie over de formatie van nieuwe gemeenten art. 38 K.O.;

|10|

en Korte Verklaring der K.O. van Ds Joh. Jansen, 2e druk, blz. 166 v.v.

2. Haar voortbestaan.

Hoe houdt Christus de plaatselijk gestichte kerken duurzaam in stand?

Vooreerst door de voortdurende toepassing van alle heilsweldaden aan de gemeente in haar geheel en ieder geloovige in het bijzonder, door alle tijden heen, n.l. roeping, wedergeboorte, geloof, bekeering, vergeving der zonden, rechtvaardigmaking, heiligmaking, volharding der heiligen, enz., door den H. Geest, volgens Zijn eigen belofte: „Die zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het Mijne nemen, en U verkondigen”, Joh. 16: 14.

En voorts door de volgende instellingen:

1e. Door den Kinderdoop: De kinderen der geloovigen zijn niet alleen in het Verbond Gods, Gen. 17: 7; Hand. 2: 39; 1 Cor. 7: 14; maar ook in zijn gemeente begrepen, Ef. 6: 1-3; Col. 3: 20; Heid. Cat. Zond. 27, vr. 74.

2e. Door de Geloofsbelijdenis der gedoopte kinderen. De kinderen der geloovigen zijn krachtens hun geboorte uit geloovige ouders in het Verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen en worden door den Doop, als door het teeken des Verbonds in de Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden, Heid. Cat., vr. 74. Voetius noemde de gedoopte kinderen oneigenlijke, incomplete leden. De Synode van Sneek, 1940, verbeterde dit. De gedoopte kinderen zijn wel complete, maar nog onmondige leden, omdat zij nog geen geloofsbelijdenis deden en nog niet alle rechten ontvingen. Zie Dr G.M. den Hartogh, De Tucht over Doopleden, blzz. 17-24, 82-85.

3e. Door den Volwassendoop. Ongedoopten, die door de prediking des Evangelies voor Christus en Zijn Kerk gewonnen worden, moeten na hun geloofsbelijdenis volwassen gedoopt en in de Kerk ingelijfd worden. Zij zijn dan schuldig ook het Avondmaal des Heeren te gebruiken, art. 59 K.O. Zie Korte Verklaring K.O., blzz. 252-253.

4e. Door Attestatie (getuigschrift). In de Apostolische Kerken vinden wij er reeds melding van. De discipelen te Efeze gaven brieven van aanbeveling mede aan Apollos naar de gemeente te Achaje, opdat deze hem ontvangen zou, Hand. 18: 27. Paulus beval Febe aan de gemeente te Rome aan, Rom. 16: 1. Zie Artt. 61 en 82 K.O. en Korte Verklaring K.O., blzz. 260 v., 340 v.

|11|

5e. Door overkomst uit andere Kerken, die niet met onze Kerken in kerkverband leven.

De vraag is hier of leden van Roomsche en van Protestantsche (Hervormde, Luthersche, Doopsgezinde e.a.) kerken opnieuw openbare belijdenis moeten afleggen.

Vaste bepalingen hebben wij er niet voor. Bewijs van lidmaatschap of attestaties van kerken, die niet met de Gereformeerde kerken in kerkverband staan, gelden niet voor hun toelating. Bij overkomst van Roomsche en ook van vrijzinnige Hervormde Kerken moet in den regel na voorafgaand onderwijs openbare belijdenis plaats hebben. Leden van Hervormde, van Christelijk Gereformeerde en andere Gereformeerde gemeenten, of kerken, die reeds een Gereformeerde belijdenis hebben afgelegd, kunnen na onderzoek en op verklaring, dat zij instemmen met de Gereformeerde Belijdenisschriften volgens de verklaring der Gereformeerde kerken, aan opzicht en tucht zich onderwerpen en een Christelijk leven willen leiden, overgenomen worden.

Geeft de duurzame instandhouding der Kerk in ’t algemeen waarborg, dat er nooit een plaatselijke Kerk zal verdwijnen? Neen, de belofte, dat de poorten der hel de gemeente niet zullen overweldigen, Matth. 16: 18, geldt wel van de Kerk als geheel, maar niet van alle plaatselijke kerken. Eén van haar eigenschappen is de „ontbindbaarheid”. Er zijn een groep „verdwenen kerken”, bijv. de Klein-Aziatische kerken (Openb. 2 en 3). In ons land Helenaveen, Borne (later weer hersteld) e.a. Zie Korte Verklaring der K.O., 2e druk, blz. 167.

3. Haar Kerkvorm.

De Kerk is een „heilige vergadering der ware Christgeloovigen”, art. 27 Geloofsbelijdenis. Waar geloovigen zijn en samenkomen tot de bediening des Woords en der Sacramenten is het wezen der Kerk, maar daar kan de vorm der Kerk meer of minder volkomen zijn.

Voetius maakt terecht onderscheid tusschen wezen (essentia) en volkomenheid (perfectio). Waar de geloovigen samenkomen tot de bediening van Woord en Sacrament, daar is het wezen der Kerk. Maar zoolang die kerk nog zonder Kerkeraad of vacant is, is zij nog geen volkomen Kerk.

Volkomen is een Kerk, die plaatselijk alle geloovigen omvat, de wettige ambten bezit, duurzaam bestaat, en zich vrij en zonder hinder van de Overheid ontwikkelen kan. Zelfs een Kerk met een Kerkeraad kan nog onvolkomen zijn,

|12|

bijv. wanneer zij vacant is. De consulent heeft slechts consuleerende (raadgevende, adviseerende), geen beslissende stem.

Onvolkomen Kerken. Daartoe behooren de volgende:

De Zendingskerken. De zending geschiedt op last van Christus, Matth. 28: 19; gaat uit van de plaatselijke kerk te Antiochië, Hand. 13: 1 v.v., niet van het Convent te Jeruzalem, Hand. 15. Een Zendingskerk is eerst nog onvolkomen. Er zijn wel enkele geloovigen, maar nog geen ambten. Zij is nog afhankelijk van de „moederkerk”. Dit mag echter niet blijvend zijn zooals bij Rome. Rome is de moederkerk en alle andere kerken zijn haar dochters. De Gereformeerden zijn tegen het Roomsche matriarchaat. Alle kerken zijn gelijk, al is de eene uit de andere voortgekomen. Langzamerhand moeten de Zendingskerken zelfstandig worden, zooals een stekje van een plant wordt afgezet en uit eigen wortel begint te leven. Zie art. 85 (oud 84) K.O.

De gelegenheidskerken, bijv. in tijden van oorlog, in het leger en op de vloot; in badplaatsen, waar alleen in het badseizoen gepreekt wordt.

De Kruiskerken in de 16e eeuw, die door de vervolging van Dienaren beroofd en uiteengedreven werden.

De Doleerende Kerken tijdens de Remonstrantsche twisten, die klaagden (doleeren = klagen) bij de Overheid, dat deze haar niet als wettige kerken erkende en haar de gebouwen en goederen onthield.

Bronnen: De Zendingsleer van Gisb. Voetius door Dr H.A. van Andel. — Art. Kruisgemeenten in België, in Chr. Enc. III, blzz. 253-254. Doleerende Kerken, rede bij de overdracht van het Rectoraat, 21 Dec. 1886, door Prof. D.K. Wielenga. Dr A. Kuyper, Tractaat van de Reformatie der Kerken, 1903.

———

Jansen, Joh. (1947) I.2

II. Het lidmaatschap der kerk.

A. Wie zijn haar leden?

Alleen de geloovigen met hun zaad. De Schrift noemt hen met verschillende namen: „geliefden Gods en geroepene heiligen”, Rom. 1: 7; 1 Cor. 1: 2; „geheiligden in Christus Jezus”, 1 Cor. 1: 2; „heiligen”, 2 Cor. 1: 2; Ef. 1: 1; „broeders”, Gal. 1: 2; zie ook 1 Cor. 6: 11; 1 Petr. 2: 9. Dit zijn inwendige, geestelijke kwaliteiten.

De uitwendige roeping alleen, zooals het hooren van een

|13|

preek, maakt een hoorder geen lid der kerk. De zichtbare kerk is een vergadering van heiligen en geloovigen, Ef. 1: 1; Col. 1: 1, die door de inwendige roeping geheiligd (afgezonderd) zijn tot den dienst Gods.

Krachtens het Genadeverbond zijn ook de kinderen der geloovigen leden der Kerk. Dit blijkt duidelijk uit Hand. 2: 39; 1 Cor. 7: 14; Ef. 6: 1; Col. 3: 20 en uit den Heid. Cat., antw. 74: „Mitsdien zij alzoowel als de volwassenen in het Verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen zijn, zoo moeten zij ook door den Doop als door het teeken des Verbonds der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden”.

Zie ook Doopsformulier.

Het lidmaatschap der kerk berust dus op geestelijke kwaliteiten en hangt niet af van uitwendige kwaliteiten.

Onder Israël gold als eisch de nationaliteit. Ieder Israëliet was lid van de gemeente des Heeren. Bij uitzondering werden ook Heidenen geroepen. Voorbeelden zijn Naäman de Syriër (2 Kon. 5; Luk 4: 27); de prediking van Jona te Ninevé (Jona 1-4; Matth. 12: 40, 41; Luk. 11: 30, 32). Jezus erkende het nationale standpunt, gelijk blijkt uit het antwoord tot de Kananeesche vrouw, Matth. 15: 24: „Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israëls”, maar nam de Samaritaansche toch in ’t Verbond op, Matth. 15: 24 en vs 28. Met het Pinksterfeest is de nationale eisch voor goed vervallen. In Christus is geen onderscheid van Jood en van Griek, Rom. 10: 12; 1 Cor. 12: 13; Gal. 3: 28; Col. 3: 11. Er is geen afzonderlijk Christendom voor blanken en zwarten. Het stichten van afzonderlijke kerken van Europeanen en Inlanders in de Transvaal is principieel met Col. 3: 11 in strijd, maar schijnt wegens het rassenverschil noodzakelijk te zijn.

Ook is het lidmaatschap niet aan stand of beroep gebonden. Dat slaven met vrijen als leden der gemeente gleichberechtigt waren blijkt uit 1 Cor. 7: 20, 21; 12: 13; Col. 3: 11. Overheidspersonen, legerhoofden enz., zijn niet, zooals de Dooperschen beweerden, van het lidmaatschap uitgesloten, Hand. 13: 7; Hand. 10, vgl. Luk. 3: 14.

B. Hoe onderscheiden wij de leden nader?

1. De belijdende leden.

Hoe verkrijgen zij het volle lidmaatschap?

In de Zendingskerken door belijdenis des geloofs, bijv. de

|14|

Heidenen, Mohammedanen en Joden, die door de prediking gewonnen worden. Eerst belijdenis des geloofs, dan Doop en Avondmaal.

In de bestaande kerken, bij overkomst van ongedoopten door volwassendoop; en bij gedoopte kinderen door belijdenis des geloofs, waardoor het potentieel geloof tot actueel geloof komt. Bij den Doop is het kind nog passief, bij het Avondmaal zijn wij actief; men moet zich zelf beproeven, 1 Cor. 11: 28. Het mondige lidmaatschap moet op eigen vrije wilskeuze berusten. Het geloof des harten is volgens Christus en de Apostelen niet voldoende. Christus lokte zelf de belijdenis uit, Matth. 10: 32; 16: 15, 16; Luk 12: 8; Rom. 10: 9-10; 14: 11; FIlip. 2: 11; Hebr. 13: 15; 1 Tim. 6: 12.

2. De gedoopte kinderen.

Boven zeiden wij, dat zij krachtens de beloften van het Genadeverbond, Gen. 17: 7; Hand. 2: 39, ook leden der plaatselijke kerk, bijv. te Corinthe, 1 Cor. 7: 14; te Efeze, Ef. 6: 1; te Colosse, Col. 3: 20, zijn.

In den bloeitijd van het kerkelijk leven (16e en 17e eeuw) verstond men de belijdenis in de eerste Doopvraag, dat de kinderen „in Christus geheiligd zijn” als een inwendige heiliging en inlijving in het inwendig genadeverbond.

In de 18e eeuw, toen door het rationalisme de wereld in de kerk kwam en de kerk een massa-kerk, een „volkskerk” werd, lieten velen die belijdenis varen. (Zie Art. Volkskerk in Chr. Enc. V, blz. 526).

Sommigen leerden driestweg: de Doop beteekent en verzegelt geen inwendige en inklevende, maar slechts een uitwendige, betrekkelijke Verbondsheiligheid, zoo Ds Janssonius en de theoloog Joh. à Marck.

Anderen erkenden wel, dat inwendige Verbondsheiligheid bedoeld werd, maar in plaats dat zij door getrouwe tuchtoefening de vervallen kerk reformeerden, schikten zij zich naar de droeve levenspractijk en veranderden eigenmachtig en eigenwillig de eerste doopvraag. De een las: bekent gij dat zij wellicht in Christus geheiligd zijn; de ander: dat zij in Christus geheiligd kunnen zijn; een derde: behooren te zijn, enz. Zoo Jac. van Lodensteyn, Brakonier, Van der Putt, Kelderman, Vos e.a.

Zie Leerregels van Dordrecht I: 17 over de vroegstervende kinderen; en de verklaring der Dordtsche Leerregels door Ds M. Meyering en Ds J.G. Feenstra; en Ons Doopsformulier

|15|

door Dr B. Wielenga, over de eerste Doopvraag blz. 265 v.v.

De vraag is dus, of de gedoopte kinderen al of niet eigenlijke leden der kerk zijn.

Van de reformatie in de 16e eeuw af was de beschouwing in de Gereformeerde kerken, dat de gedoopte kinderen krachtens het Verbond der genade, Gen. 17: 7, Hand. 2: 39, wettige en complete (volledige) leden der geïnstitueerde kerk zijn, zooals blijkt uit Ef. 6: 1; Col. 3: 20, enz. Zie ook de Geloofsbelijdenis, art 34 en Heid. Cat., vr. 74. Evenals een kind een compleet (volledig) mensch is, zoo is ook een gedoopt kind wel een compleet (volledig) lid der kerk, wel volmaakt in de deelen, maar nog niet volmaakt in de trappen. Maar omdat het nog niet tot volle ontwikkeling gekomen is, is het ook in kerkelijk opzicht nog een onmondig lid en heeft het nog niet alle rechten van een volwassen lid. Dit standpunt is ook door de Synode van Sneek in 1939-’40, als het juiste aanvaard.

3. De gedoopte volwassenen (Doopleden).

De gedoopte volwassenen zijn leden, die geen belijdenis van hun geloof aflegden en dus niet tot het H. Avondmaal zijn toegelaten.

De grondslag voor het lidmaatschap der kerk van de kinderen der geloovigen ligt in het Verbond der genade, d.i. in de verklaring van God, dat Hij de God der geloovigen en van hun zaad is, Gen. 17: 7; Hand. 2: 39; en dat zij door de Schrift als leden der plaatselijke kerk worden genoemd, zie 1 Cor. 7: 14; Ef. 6: 1; Col. 3: 20.

Bij de reformatie der kerken in de 16e en 17e eeuw werden de volwassen doopleden aanvankelijk krachtens Gods verklaring in het Verbond der genade als wettige en complete, maar nog niet als mondige leden der kerk erkend.

De groote canonicus Voetius was het daarmee niet eens. Hij grondde het lidmaatschap der kerk niet op de Goddelijke Verklaring van het Verbond der genade, Gen. 17: 7; Hand. 2: 39 e.a., maar op de vrijwillige aanvaarding door de persoonlijke geloofsbelijdenis. De kerk als instituut was volgens hem „een vereeniging van geloovigen, die vrijwillig is aangegaan” (Latijn: Ecclesia instituta est societas fiderlium libere inita). In de beide laatste woorden libere inita: vrijwillig aangegaan, zat de fout. Hij liet in deze definitie de objectieve verklaring van God in het verbond der genade los, en stelde er de subjectieve vrijwillige

|16|

aanvaarding door de persoonlijke geloofsbelijdenis voor in de plaats. Dat was zijn fout. De kerk rust niet op een menschelijke, maar op een Goddelijke verklaring.

De Christelijk Gereformeerde kerk uit de Afscheiding van 1834-1892 en de Nederduitsch Gereformeerde kerken uit de Doleantie 1886-1892 namen het doopledenstelsel der 17e eeuw stilzwijgend over. Vandaar dat de Gereformeerde kerken na de vereeniging in 1892 ook drieërlei leden erkenden: belijdende leden, gedoopte kinderen en gedoopte volwassenen. Alleen ds H.P. Scholte, de leider van de zuidelijke groep der Afscheiding wilde van volwassen doopleden niet weten. Hij stond ook op het subjectieve standpunt van de persoonlijke wilskeuze, die zich in de belijdenis des geloofs uitspreekt en erkende slechts twee groepen kerkleden: de gedoopte kinderen en de belijdende geloovigen.

Jammer, dat Prof. Dr F.L. Rutgers in het bekende rapport inzake de tucht over de doopleden op de synode van Middelburg, 1896, in navolging van Voetius de volwassen doopleden ook als „incomplete” d.i. onvolledige leden kwalificeerde. Daardoor werd de oplossing van het doopledenvraagstuk een 40 jaren tegen gehouden. Eerst door de synode van Sneek 1939-’40 is over dit geschil na een uitvoerig Rapport van Prof. Dr G.M. den Hartogh c.s. een beslissing genomen. De synode hield inzake het lidmaatschap der kinderen vast aan het objectieve standpunt van het Genadeverbond en wees het subjectieve standpunt der „vrije wilskeuze” van Voetius af.

Zie: De Tucht over Doopleden in de Gereformeerde Kerken door Dr G.M. den Hartogh, uitg. J.B. van den Brink te Zutphen, blz. 114 v.v. — De Heraut 1940, no. 3252, 3255-3257.

———

Jansen, Joh. (1947) I.3

III. Het ambt der geloovigen.

In art. 28 der Geloofsbelijdenis is sprake van „het ambt aller geloovigen”.

Het woord ambt komt in de Schrift wel van de Opzieners (1 Tim. 3: 1), maar niet van de geloovigen voor. Maar de drie elementen van het ambt (de aanstelling door erkend gezag, de opgedragen last, en de verantwoordelijkheid voor de uitvoering) liggen duidelijk in de Schrift. Zie Heid. Cat. Zond. 3 vr. en antw. 6. Vandaar dat art. 28 onzer Belijdenis terecht van „het ambt aller geloovigen” spreekt.

|17|

Nu hebben wij in de kerk bovendien nog de bijzondere ambten van Predikanten, Ouderlingen en Diakenen. Uit de vergelijking van beide leeren wij het ambt der geloovigen het best verstaan. Wij wijzen op de volgende punten van verschil.

1. Oorsprong.

Het ambt der geloovigen is primair (het eerste, oorspronkelijke). Het reikt het verst terug, tot de schepping van den mensch naar Gods beeld, Gen. 1: 26, 27. Dat beeld Gods is geen van buiten opgelegd last. Mensch-zijn is beelddrager, ambtsdrager zijn. Het is profeet, priester en koning zijn, zie Heid. Cat., vr. en antw. 3.

Satan verstoort het. Hij verleidt den mensch, Gen. 3; maakt Gods beelddragers tot zijn dienstknechten (slaven), Rom. 6: 16-23. Hij doet dat profetisch door de ongeloovige wetenschap, de godloozen-actie, enz.; priesterlijk door de heidensche ascese, den dienst der afgoden, enz.; en koninklijk door het gezag Gods te verleggen in den mensch, in den Anti-Christ, 1 Thess. 2: 3, 4.

Christus herstelt het. Hij schept geen nieuwen mensch, maar herschept den gevallen mensch. Hij sluit zich aan bij het ambt van Adam, dat nabloeide in Melchizedek, den priester-koning. Hij is Hoogepriester naar de ordening van Melchizedek, Hebr. 5: 6, 10. Zoo treedt Hij op als de tweede Adam, als de eigenlijk Ambtsdrager, onze hoogste Profeet, eenige Hoogepriester en eeuwige Koning. En zoo herschept Hij ons door den H. Geest naar Zijn evenbeeld, opdat wij als profeten, priesters en koningen het ambt der geloovigen weer tot ontwikkeling brengen. Zie Heid. Cat. Zond. 12.

De bijzondere ambten (Dienaar d.W., Ouderlingen en Diakenen) zijn secundair, van den tweeden rang, diensten in de Nieuwtestamentische kerk, bepaaldelijk gegeven „tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus”, Ef. 4: 11-12.

2. Relatie.

Volgens de Schrift moeten het ambt der geloovigen en de bijzondere ambten in de juiste verhouding samenwerken.

Tot het ambt der geloovigen behooren alle geloovigen. Art. 28 Geloofsbelijdenis spreekt terecht van „het ambt aller geloovigen”. En van die allen worden sommigen tot de bijzondere ambten gekozen, Ef. 4: 11. De geloovigen

|18|

zijn het subject, niet het object der kerk, zij gaan temporeel aan de ambtsdragers vooraf. Niemand kan ambtsdrager worden of hij moet eerst lid der kerk zijn.

In den loop der kerkhistorie zijn twee lijnrecht tegenover elkaar staande stelsels ontstaan, die beide vermeden moeten worden.

De Roomschen hebben het ambt der geloovigen van alle gezag beroofd. Het gezag berust uitsluitend bij den Clerus, d.i. bij de Bisschoppen, sinds 1870 bij den Paus, die het generaal gezag heeft over alle kerken. De leeken hebben geen rechten, alleen plichten om te gehoorzamen. Dit is het stelsel van de Pauselijke hiërarchie.

De Independenten sloegen over in tegenovergestelde dwaling. Zij verhieven het ambt der geloovigen zóó hoog, dat alle gezag bij de leden der gemeente berustte, en in hun stelsel voor regeer-Ouderlingen (1 Tim. 5: 17) geen plaats overbleef. Zij kenden alleen leer-ouderlingen. Dit is het stelsel van de autonomie der leden over de ambtsdragers en van de plaatselijke kerken over de Classes en Synoden.

De Gereformeerden verwierpen zoowel de Pauselijke hiërarchie als de Independentische autonomie. Zij hielden vast aan de Schriftuurlijk coöperatie (samenwerking) van leden en ambtsdragers in de plaatselijke kerken; en van de plaatselijke kerken in kerkverband (Classes en Synoden). De plicht der kerken is zich aan het opzicht en de leiding der Opzieners te onderwerpen, 1 Thess. 5: 12, 13; 1 Tim. 3: 4, 5; 5: 17; Hebr. 13: 7, 17; en de plicht der ambtsdragers is de geloovigen in hun rechten als mondige leden te erkennen en tot hun plichten aan te sporen, 2 Cor. 1: 24; 1 Petr. 5: 2, 3; Fil. 3: 17.

3. Taak.

De taak der geloovigen volgt uit de schepping van den mensch naar Gods beeld, Gen. 1: 26, 27. Zij is een tweevoudige, Cultuur en Cultus. Beide woorden zijn afgeleid van het Lat. woord colere, d.i. bouwen, vereeren; terram colere = de aarde bouwen, de cultuur; Deum colere = God dienen, de Cultus.

De cultuur is religieus, niet wereldsch. In Gen. 1: 26, 28 worden twee dwalingen in den wortel afgesneden. Eenerzijds de Methodistische en Piëtistische richtingen, die alleen van cultus, niet van cultuur willen weten. Anderzijds het Humanisme en de Renaissance, die alleen van cultuur en niet van cultus willen weten. Het Calvinisme houdt

|19|

krachtens Gen. 1: 26, 28 aan beide vast. Vandaar een tweevoudige taak.

Ten eerste de cultuurtaak in de schepping.

De cultuur dateert van vóór den val. Zij volgt uit de schepping van den mensch naar Gods beeld. God gaf daarin aan den mensch de heerschappij over de geheele aarde, Gen. 1: 26, 28. Die begon in den hof van Eden. God zette Adam in den hof Eden om dien te bouwen en dien te bewaren, Gen. 2: 15.

Die „cultuurarbeid” blijft ook ná den val, Gen. 3: 17-19, zie Dr G.Ch. Aalders, Korte Verkl. Genesis I, blz. 138. Wel komt er een verzwarend element bij door den vloek over de zonde, n.l. de moeitevolle arbeid, de altijddurende strijd tegen de doornen en distelen. ’t Kost veel inspanning om de cultuurschatten aan de aarde te ontworstelen.

Zij breidt zich later uit in de organisatie van het Christelijk leven; zooals het Christelijk huisgezin, de Christelijke scholen, de Christelijke jeugd-, vak-, mannen- en vrouwenvereenigingen, de vereenigingen van Christelijke barmhartigheid, de Christelijke Maatschappelijke en Staatkundige Vereenigingen, enz.

Ten tweede de cultus, de taak in de kerk.

De geloovigen zijn het subject, niet het object of product der kerk. Zij formeeren de kerk. Zij gaan temporeel aan de ambtsdragers vooraf. Zij zijn profeten, Matth. 10: 32; Mark. 8: 38; 1 Joh. 2: 20, 27; priesters, Rom. 12: 1; Hebr. 13: 16; Openb. 1: 6; 5: 10; 20: 6; en koningen, Rom. 6: 12, 13; 1 Tim. 1: 18; 2 Tim. 2: 12; 4: 7; Openb. 1: 6; 2: 26; 3: 21; 5: 10; 20: 6.

Als profeten moeten zij uit het boek der natuur en der Schriftuur God kennen, Art. 2 Geloofsbelijdenis; de Schrift lezen en onderzoeken, persoonlijk en in het gezin, Deut. 6: 6, 7; Jes. 34: 16; Hand. 17: 11; de kerkdiensten trouw bijwonen, Hebr. 10: 25, enz.

Als Priesters moeten zij God en den naaste liefhebben, Matth. 22: 37-40; zich met lichaam en ziel Gode ten offer stellen, Rom. 12: 1; bidden om alle lichamelijke en geestelijke nooddruft, Matth. 7: 7; en voor anderen ten zegen zijn, Gen. 12: 2.

En als koningen moeten zij den goeden strijd des geloofs strijden, 1 Tim. 1: 18; 6: 12; tegen zonde, Hebr. 12: 4; en Satan, Ef. 6: 11-17. Alleen die volhardt tot het einde zal zalig worden, Matth. 24: 13; en met Jezus zitten op Zijn troon, Openb. 3: 21.

|20|

De taak van de bijzondere ambtsdragers (Dienaren, Ouderlingen en Diakenen) is een speciale, door Christus hun opgedragen. Vanwege de onvolkomenheid der geloovigen zijn de bijzondere ambten noodig.

De taak der Dienaren des Woords is de prediking en het onderwijs; der Ouderlingen de regeering en de tucht; en der Diakenen de verzorging der armen en de opwekking tot den arbeid der liefde. Christus heeft hen opzettelijk ingesteld, 1 Cor. 12: 28, en gegeven in de Nieuwtestamentische kerk, Ef. 4: 11, „tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus”, Ef. 4: 12.

4. Duur.

Het ambt der geloovigen reikt niet alleen het verst terug, maar ook het verst vooruit. Het gaat zelfs over de grenzen van den tijd in de eeuwigheid.

Het begin lag in de schepping van den mensch naar Gods beeld, Gen. 1: 26, 27. Door de zonde verbroken werd het door Gods genade hersteld, Col. 3: 10; Ef. 4: 24. Wij kennen het in de kerk, dus niet in den oorspronkelijken, maar in herstelden zin. En zoo zal het, volkomen hersteld, in de heerlijkheid eeuwig blijven. In den hemel zijn wij geen ambtelooze burgers, maar profeten, priesters en koningen. Daar zingen wij het nieuwe lied: „Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesteren en wij zullen als koningen heerschen op de aarde”, Openb. 5: 10.

De bijzondere ambten zijn tijdelijk, alleen voor de Nieuwtest. bedeeling. Na zijn hemelvaart stelde Christus ze in, Ef. 1 : 20-22; 4: 10, 11, en bij zijn wederkomst houden ze op. Paulus geeft het doel en den duur zeer duidelijk aan: „totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.”

In den hemel hebben wij geen Bijbel, geen prediking des Woords, geen Sacramenten en geen tucht meer noodig. Het geloof is in aanschouwing overgegaan. Daar zijn geen Predikanten, Ouderlingen en Diakenen meer noodig, maar alleen profeten, priesters en koningen, Openb. 1: 6; 5: 10.

Bronnen: Geloofsbelijdenis, art. 28, zie Verklaring van Ds Van Goor en Ds Feenstra. — Dr A. Kuyper: Tractaat van de Reformatie der kerken, § 26. — Dr F.L. Rutgers: De beteekenis der gemeenteleden bij Calvijn. — Dr L. Wagenaar: Het ambt aller geloovigen (brochure). — Dr H. Bavinck: Geref. Dogmatiek2,

|21|

IV blz. 411-412. — De Wachter, 1936 (Artt. van Ds J.G. Feenstra). — De Heraut 1938, no. 2163 v.v. (Artt. van Ds H. Veldkamp).

———

Jansen, Joh. (1947) I.4

IV. Het ambt van de Dienaren des Woords.

1. Het ontstaan van het ambt der Dienaren.

Uit het buitengewoon ambt der Apostelen zijn drie bijzondere ambten ontstaan. Eerst het Diakenambt, Hand. 6: 1-6; ten tweede het Opzienersambt, Hand. 11: 30; 14: 23; 20: 17. En ten derde het ambt van de Dienaren des Woords, dat uit het Opzienersambt is afgeleid, 1 Tim. 5: 17, 18.

De Apostelen werden rechtstreeks door Christus zelf geroepen, Matth. 10: 1 v.v. Zij gingen aan de kerken vooraf om haar grondslag te leggen, 1 Cor. 3: 10 v.v. De Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen komen uit de bestaande kerken op, worden middellijk door de kerken beroepen om ze in stand te houden en uit te breiden.

Het ambt der Dienaren is uit het Ouderlingenambt afgeleid. De nood drong er toe. De Apostelen stierven weg. Allerlei ketterijen doken op, die opleiding, voorbereiding en studie noodig maakten, om de tegensprekers te wederleggen, 2 Tim. 2: 2; 3: 16; Tit. 1: 9.

Het bezwaar van de Montanisten, Anabaptisten, Methodisten e.a. dat de Apostelen rechtstreeks door Christus geroepen zijn, dat de Heilige Geest hen bekwaam maakte, en dat de wetenschappelijke opleiding „fabrieksdominé’s” kweekt, weerleggen wij door de opmerking, dat Christus zelf zijn apostelen drie jaren onderwees; dat Paulus door den beroemden Gamaliël wetenschappelijk werd onderlegd, Hand. 5: 34; 22: 3; en dat God in de 16e eeuw de gedeformeerde kerken door wetenschappelijk geschoolde mannen als Luther, Melanchton, Calvijn, Zwingli e.a. tot reformatie heeft gebracht.

2. De roeping tot het ambt der Dienaren des Woords.

Art. 3 K.O. bepaalt: Het zal niemand geoorloofd zijn den dienst des Woord en der Sacramenten te betreden zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn.

De roeping wordt onderscheiden in een inwendige en een uitwendige roeping. De inwendige roeping bestaat a. in de verleening van de vereischte gaven tot het ambt; b. in

|22|

de zuivere, oprechte en standvastige begeerte om God te dienen in het ambt; c. in het banen der wegen en het verschaffen der middelen om tot de bediening van het ambt te komen.

De inwendige roeping moet door de uitwendige roeping bevestigd worden. Een beroep kiest men zelf, een ambt ontvangt men van hooger hand. „En niemand neemt zich zelven die eere aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aäron”, Hebr. 5: 4.

De beroeping der Candidaten.

Het candidaats-examen aan de Theol. Hoogeschool te Kampen en aan de Vrije Universiteit te Amsterdam geeft hun het recht tot het praeparatoir (voorbereidend) examen, waardoor zij op verzoek der kerken mogen proponeeren d.i. een preekvoorstel mogen houden, en beroepbaar verklaard worden.

De daarop volgende uitwendige roeping komt in vier stadia tot stand: 1. De verkiezing (electio), die door den breeden kerkeraad geschiedt. 2. De examinatie d.i. het peremptoir (beslissend) examen door de Classis ten overstaan van de Deputaten der Particuliere synode. 3. De approbatie of goedkeuring der gemeente, wanneer de naam tweemaal afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt. En 4. De confirmatie of bevestiging met oplegging der handen, ten teeken van algeheele toewijding aan den ambtelijken dienst. Zie Art. 4 K.O.

De beroeping der reeds in dienst zijnde predikanten door en de aanvaarding der roeping van een andere gemeente.

Deze komt in de volgende stadia tot stand: 1. Door den beroepsbrief van een andere gemeente met de oorspronkelijke verklaring van de aanneming der beroeping. 2. Een acte van ontslag van den kerkeraad der vorige gemeente volgens art. 10 K.O. 3. Goede kerkelijke attestatie van leer en leven volgens art. 5 K.O. 4. Een acte van ontslag van de vorige Classis volgens art. 10 K.O. 5. Een verklaring van den beroependen kerkeraad inzake de approbatie der gemeente volgens art. 5 K.O. 6. De bevestiging volgens het Formulier daarvan zijnde. Zie de Artt. 5 en 10 K.O.

3. Het ambtswerk der Dienaren des Woords.

De Artt. 4 en 5 K.O. handelen over de roeping en aanstelling der Candidaten en Dienaren van Christuswege door middel van Zijn kerk.

|23|

Art. 16 K.O. handelt nu nader over de taak en plicht, d.i. over het ambtswerk der Dienaren. Daartoe behooren speciaal:

a. De bediening des Woords. Volgens de Modernen is de preek een toespraak over een of ander godsdienstig onderwerp tot stichting van zijn gehoor. Een gekozen tekst is slechts een motto. De prediker verkondigt zijn eigen religieuze ideeën. Volgens de Gereformeerde opvatting is de preek geen religieuze toespaak, maar de ambtelijke verklaring en toepassing van Gods Woord.

b. De catechisatie. De catechese is het ambtelijk onderwijs van den Dienaar des Woords aan de onmondige leden der kerk om hen tot mondige leden op te kweeken.

De Synode van Dordrecht 1618/19, onderscheidde drieërlei catechisaties: 1e. de huis-catechisatie door de ouders, die met hun kinderen de Schrift moesten lezen, hen teksten moesten leeren, en den catechismus overhooren. Jammer dat er van die huiscatechisatie zoo weinig terecht komt; 2e. de schoolcatechisatie, door de schoolmeesters, die den catechismus moesten onderwijzen; 3e. de kerkcatechisatie door de predikanten, die den catechismus op de scholen moesten repeteeren en de ouderen, die zich ten Avondmaal wilden begeven, aan huis moesten onderrichten.

c. De bevestiging van huwelijken en ambtsdragers. Het huwelijk is een Goddelijke instelling, aanstonds bij de Schepping, Gen. 1: 27-28; 2: 21-23. Het komt tot stand in den familiekring, krijgt rechtsgeldigheid door de burgerlijke voltrekking van de Overheid en ontvangt door de kerkelijke bevestiging de sanctie voor het genadeverbond en de kerk. De bevestiging mag dan ook niet door een ouderling of candidaat geschieden, want zij is een ambtelijke bediening des Woords met toepassing op het huwelijk. Ouderlingen en candidaten missen het predikambt. Hetzelfde geldt van de bevestiging van ambtsdragers, die ook alleen door een Dienaar des Woords mag geschieden.

De bevestiging van candidaten geschiedt met oplegging der handen als een teeken van algeheele toewijding aan den ambtelijken dienst. Daarom is zij bij verwisseling van standplaats niet noodig.

4. Het onderhoud der Dienaren des Woords.

Dit rust op teksten als Matth. 10: 10: „want de arbeider is zijn voedsel waardig”; Luk. 10: 7: „want de arbeider is zijn loon waardig”; 1 Cor. 9: 14: „Alzoo heeft ook de

|24|

Heere geordineerd, dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven”.

Art. 11 K.O. spreekt niet van loon, maar van „behoorlijk onderhoud”. Er is verschil in karakter. Het loon van arbeiders en ambtenaren is betaling van gepresteerden arbeid. Het loon der Dienaren is verschuldigd levensonderhoud. Christus neemt Zijn Dienaren geheel en voor altijd in den dienst Zijner kerken, en draagt de zorg voor hun levensonderhoud aan de kerken op.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht I, p. 366 v.v. Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen. Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O. 2e druk over artt 4, 5, 16 K.O.

———

Jansen, Joh. (1947) I.5

V. Het ambt der Ouderlingen

1. De naam der Ouderlingen.

De naam Oudsten of Ouderlingen komt reeds voor in de Joodsche gemeenten: 1e. van leden van den Joodschen Raad (Sanhedrin), bijv. Matth. 26: 3, 47; Mark. 11: 27, enz.; en 2e. van opzieners over de Joodsche gemeente ter plaatse, Luk. 7: 3.

Van de Joodsche gemeente gaat de naam over in Christus’ kerk, ter aanduiding van de ambtsdragers, die met de regering en tucht zijn belast.

Van een bepaalde aanleiding tot het instellen van het Ouderlingenambt lezen wij niet. Wel bij de Diakenen, Hand. 6: 1 v.v. Sporen meent men te vinden in de tegenstelling tusschen jongeren (jongelingen) en ouderen (oudsten) in Hand. 5: 6, 10.

De eerste aanduiding van de ambtelijke Ouderlingen (presbuteroi) vinden wij waarschijnlijk in Hand. 11: 30. Paulus en Barnabas verkozen in elke gemeente die zij stichtten Ouderlingen, Hand. 14: 23; 20: 17; Jac. 5: 14; 1 Petr. 5: 1.

In de gemeenten uit de Heiden-Christenen werd de Joodsche naam Oudsten (presbuteroi, ouderlingen) spoedig door de namen opzieners, Hand. 20: 17, 28; Fil. 1: 1; 1 Tim. 3: 2; Tit. 1: 7; voorstanders, Rom. 12: 8; 1 Thess. 5: 12; regeeringen, 1 Cor. 12: 28; herders, Ef. 4: 11; 1 Petr. 5: 1-4; voorgangers, Hebr. 13: 7, 17, 24, afgewisseld ene vervangen.

|25|

De Opzieners van een plaatselijke gemeente vormden tezamen een Ouderlingschap (presbyterium), d.i. Kerkeraad, 1 Tim. 4: 14, zie Korte Verklaring der K.O., blz. 162.

2. De vereischten voor het Ouderlingenambt.

Deze worden door Paulus in 1 Tim. 3: 1-7 en Tit. 1: 5-9 duidelijk omschreven:

1. Persoonlijke vereischten als Christen, zoowel positieve: „onberispelijk, eener vrouwe man, wakker, matig, eerbaar, gaarne herbergende, bekwaam om te leeren, die goeden liefhebbende, rechtvaardig, heilig, kuisch, die vasthouden aan het getrouwe Woord” enz.; als negatieve: „niet genegen tot den wijn, geen smijter, geen vuil gewinzoeker, geen vechter, niet geldgierig, geen nieuweling, niet genegen tot toornigheid”, 1 Tim. 3: 2, 3.

2. Vereischten als huisvader voor zijn gezin: „die zijn huis wel regeert, zijn kinderen in onderdanigheid houdende, want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen”, 1 Tim. 3: 4, 5.

3. De vereischten als burger in de maatschappij: „En hij moet ook een goed getuigenis hebben van degenen, die buiten zijn, opdat hij niet valle in den strik des duivels”, 1 Tim. 3: 7.

3. De verkiezing der Ouderlingen.

Art. 22 bepaalt: „De Ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der Diakenen verkozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den kerkeraad vastgesteld is.” De breede Kerkeraad heeft de leidende en beslissende macht; de stemgerechtigde leden hebben de medewerkende macht.

Volgens Art. 22 zijn er dan drie mogelijkheden:

1º De meer democratische manier: dat de kerkeraad van te voren de gemeenteleden in staat stelt op geschikte personen de aandacht te vestigen, voorts uit die namen, al of niet aangevuld, een grostal aan de gemeente voor te stellen; en de stemgerechtigde leden daaruit te laten kiezen.

2º De meer aristocratisch-democratische manier: „of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen volgens het Formulier daarvan zijnde”. Hier ontvangt de gemeente geen gelegenheid op geschikte personen de aandacht te vestigen. De kerkeraad maakt de

|26|

dubbele getallen op, stelt deze aan de gemeente voor en laat haar de helft er uit kiezen.

3º De meer aristocratische manier: Hier is de kerkeraad „vrij voor de verkiezing zelve zooveel Ouderlingen, als er van noode zijn aan de gemeente voor te stellen, om van diezelve (ten ware dat er eenig beletsel voorviel) geapprobeerd en goed gekeurd zijnde met openbare gebeden en stipulatiën bevestigd te worden”. Hier zijn de stemgerechtigde leden van de medewerkende macht, nl. om op geschikte personen de aandacht te vestigen en uit een dubbel getal te kiezen, uitgesloten. De Kerkeraad kiest, de stemgerechtigde leden hebben alleen het recht van stilzwijgende goedkeuring of gemotiveerde afkeuring. Deze manier komt in onze Gereformeerde kerken zelden voor.

Stemgerechtigd zijn de belijdende leden van het mannelijk geslacht die niet onder censuur staan. Een gecensureerde is rechtens nog lid, maar heeft de uitoefening van zijn recht zoolang het H. Avondmaal hem ontzegd is, verloren.

Over het vrouwenkiesrecht was langen tijd verschil van meening. Eerst de synode van Arnhem 1930 kwam tot een beslissende uitspraak. Zij verklaarde, dat de vrouwelijke leden krachtens de algemeene regeermacht der leden wel aan de approbatie d.i. aan de goed- of afkeuring der gekozenen mochten deelnemen, maar dat zij op grond van de duidelijke uitspraken der Schrift in 1 Cor. 14: 34 en 1 Tim. 2: 12, van het leeren en regeeren in de gemeente zijn uitgesloten en besloot daarom, „aan de vrouwelijke lidmaten der gemeente het kiesrecht in de kerk niet toe te kennen”.

4. Het ambt (taak) der Ouderlingen.

Het woord ambt beteekent ook hier taak, roeping, plicht van de Ouderlingen. Deze is drieërlei:

a. De regeering en tucht. Hun taak is te zorgen, dat „alles eerlijk en met orde geschiede”, 1 Cor. 14: 40. Herderlijk werk zooals het bezoeken van zieken, zwakken en weduwen mogen zij doen zonder speciale opdracht van den kerkeraad. Maar inzake de regeering en tucht zijn zij evenals de predikanten aan de opdracht van den kerkeraad gebonden. Afzonderlijke jeugdouderlingen kent de Schrift niet, maar wel kan aan een Ouderling de bijzondere zorg voor de jeugd worden opgedragen.

b. Het opzicht over de mede-ambtsdragers gaat 1º over de leer en het ambtelijk werk van de Dienaren des Woords,

|27|

volgens Hand. 20: 28. Het mag niet in vitzucht ontaarden en niet op ontactische wijze en ongeschikten tijd geschieden, bijv. vlak na de preek; liefst in het begin der week. Eerst wanneer het bezwaar onderling niet opgelost kan worden, mag het op den Kerkeraad gebracht worden, tenzij een ernstige zonde in leer of leven onmiddellijk ingrijpen eischt, 2º over hun medehelpers, d.i. hun medeambtgenooten en diakenen, eveneens over hun belijdenis, wandel en ambtelijk werk.

c. Het huisbezoek, d.i. de ambtelijke, maar dan private en vertrouwelijke, herderlijke zorg voor de leden in hun huizen. Christus zocht de geloovigen ook persoonlijk op, bijv. de Samaritaansche vrouw, Joh. 4; de boetvaardige zondares, Luk. 7; de weenende Maria, Joh. 20; en gaf aan de Apostelen de opdracht ook in de huizen het Evangelie te prediken Matth. 10: 12, Hand. 20: 20; en de enkele schapen te weiden, Joh. 21: 15-17.

Huisbezoek is de taak der Ouderlingen, ook van den Predikant, maar dan in zijn kwaliteit als Ouderling. Zijn leerambt (prediking, catechisatie) moet hoofdzaak blijven, maar contact tusschen herder en kudde is ook noodig. Het bezoeken en troosten der zieken behoort niet tot het leerambt der Dienaren, maar tot het herderlijk ambt der Ouderlingen. Zie Jak. 5: 14: „Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de Ouderlingen der gemeente”, enz. De predikanten doen het in kwaliteit van herders der kudde. Het Bevestigingsformulier der Ouderlingen zegt uitdrukkelijk, dat tot het ambt der Ouderlingen behoort „den Dienaren des Woords met goeden raad behulpzaam te zijn; ja ook met raad en troost alle gemeene (gewone) christenen te dienen.”

Mogen de Ouderlingen bezoldigd worden?

Ja, op grond van 1 Tim. 5: 17-18 is er niets tegen. Maar om twee redenen is het bij ons regel, dat zij de gemeente „om niet” dienen, 1º omdat zij periodiek aftreden en door anderen vervangen worden; 2º omdat zij gewoonlijk uit hun beroep of bedrijf het levensonderhoud voor hun gezin ontvangen.

Bronnen: Dr. H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, I, blz. 548 v.v. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O., blz 99 v.v. — P. Biesterveld, Het Huisbezoek. — Ds W.A. Wiersinga, Weid mijne schapen, bij D.A. Daamen te ’s Gravenhage.

———

Jansen, Joh. (1947) I.6

|28|

VI. Het ambt der Diakenen.

1. De instelling van het Diakenambt.

Wij lezer er ’t eerst van in Hand. 6: 1-7. Aanleiding was de snelle uitbreiding der gemeenten, na den Pinksterdag 3000 zielen, Hand. 2: 41, kort daarna reeds omtrent 5000, Hand. 4: 4. Th. Zahn schat het getal volgens Hand. 4: 4; 5: 14, 16; 6: 1-7 zelfs op 20-25000 zielen. En voorts de klacht der Griekschen (Hellenisten d.i. Griesch sprekende Joden) tegen de Hebreën, (de Hebreeuwsch sprekende Joden) dat hun weduwen in de dagelijksche bediening verzuimd werden.

De Apostelen erkenden, dat de klacht gegrond was. Zij riepen de discipelen (de gemeente) samen, verkozen zeven Diakenen, en stelden hen met oplegging der handen in het ambt, Hand. 6: 1-7. Dit Apostolisch voorbeeld van Hand. 6 is een Goddelijk voorschrift voor de kerken tot het instellen van het diakenambt.

Zie inzake de vereischten van het diakenambt 1 Tim. 3: 8-10.

2. Het ambt (taak) der Diakenen.

Hun taak is de verzorging der armen volgens de opdracht van Christus in Matth. 26: 11: „Want de armen hebt gij altijd met u, maar Mij hebt gij niet altijd”, zie Mark. 14: 8, Joh. 12: 8.

Calvijn nam op grond van Rom. 12: 8: „die uitdeelt in eenvoudigheid” (de zorg voor de armen) en „die barmhartigheid doet in blijmoedigheid” (de zorg voor de zieken) twee soorten van Diakenen aan, nl. voor de armen en voor de zieken. Maar de kerken namen de diaconale ziekenzorg niet van hem over. Hun ambt is alleen de armenzorg.

De Diakenen moeten ook trachten armoede te voorkomen. Dit rust op Lev. 25: 35. Voetius zegt: Het is beter een val te voorkomen, dan den gevallene uit den val op te richten. Op grond van Gal. 6: 10: „laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs”, zie ook Matth. 5: 44-45; Rom. 12: 20 mogen de Diakenen, indien zij er toe in staat zijn ook niet-leden der kerk ondersteunen, maar op grond van Hand. 6: 1-6, allereerst de weduwen, armen, bedrukten en behoeftigen der gemeente, die gebrek hebben; voorts ook de kinder- en meerderjarige doopleden.

Volgens 1 Tim. 5: 4 is er een verplichte wedervergelding,

|29|

die aan de diaconale verzorging voorafgaat: „Maar zoo eenige weduwe kinderen heeft of kindskinderen, dat die leeren eerst aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen en den voorouderen wedervergelding te doen, want dat is goed en aangenaam voor God”.

Voorts moet zoo mogelijk ook de particuliere barmhartigheid aan de diaconale zorg voorafgaan, „opdat de gemeente niet bezwaard worde”, zie 1 Tim. 5: 16.

3. Het verzamelen der gaven.

Diakenen moeten „de aalmoezen en andere armengoederen naarstig verzamelen”, art. 25 K.O. Aalmoezen zijn de liefdegaven uit collecten en giften. Dat „andere armengoederen” ziet op legaten, schenkingen, huur van landerijen enz.

Verkeerde middelen zijn: het heffen van hoofdelijken omslag, het houden van schaalcollecte, het aanvaarden van staatssubsidie; de opbrengst van concerten, bazaars enz.

De inzameling geschiedde aanvankelijk op een tafel, Hand. 6: 2: „tafelen dienen”; later in een offerbus; sinds de 16e eeuw tot nu toe door collecten, die in Zeeland gewoonlijk aan het einde van den dienst, maar in de andere provinciën in den regel onder den dienst gehouden worden.

4. Het uitdeelen der gaven.

Volgens Hand. 6: 1 moeten de weduwen en andere behoeftigen verzorgd worden. Volgens art. 30 der Geloofsbelijdenis is de taak der Diakenen dat „de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naardat zij van noode hebben”. En art. 25 K.O. zegt, dat de behoeftigen van eigen gemeenten en de vreemden, d.i. de vluchtelingen op hun doortocht, moeten ondersteund worden.

Voorts ook de behoeftige doopleden voor zoover zij niet in eigen onderhoud kunnen voorzien.

De ondersteuning moet op discrete wijze worden meegedeeld: „uw linkerhand mag niet weten wat uw rechter doet” d.i. de een mag niet weten wat de ander geeft, Matth. 6: 3-4. Een vaste zitdag voor de uitdeeling is verkeerd. De gaven moeten door de Diakenen aan huis bezorgd worden.

De Diakenen moeten volgens art. 25 K.O. de benauwden bezoeken en vertroosten en wel toezien dat de aalmoezen niet misbruikt worden. Een diaconaal huisbezoek, dat een

|30|

ander karakter draagt dan het gewone huisbezoek, nl. om de behoeftigen te vertroosten en ook met hen te bidden.

Van al hun arbeid moeten de Diakenen rekening en verantwoording doen aan den Kerkeraad.

Bronnen: Dr H. Bouwman: Het ambt der Diakenen. — P. Biesterveld en Dr J. van Lonkhuyzen en ds R.W.J. Rudolph, Handboek voor het Diaconaat. — Mr A.J.L. van Beeck Calkoen e.a., Diaconaal Handboek. — Verder: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, I, blz. 565 v.v. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O., 2e dr., blz. 104 v.v. — Prof. Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, I, blzz. 203-219.

———

Jansen, Joh. (1947) I.7

VII. De verkiezing der Ouderlingen en Diakenen.

1. De diensttijd der Ouderlingen en Diakenen.

De Schrift geeft geen bindende voorschriften inzake den diensttijd der Ouderlingen en Diakenen. Zij geeft alleen voorbeelden inzake de verkiezing van de Diakenen in Hand. 6: 1-7; en van de Ouderlingen in Hand. 14: 23 en Tit. 1: 5. Maar over den diensttijd van beide lezen wij niets. Dit is een van die dingen, welke God aan de vrijheid der kerken heeft overgelaten.

Art. 27 K.O. bepaalt: „De Ouderlingen en Diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen en elk jaar zal een evenredig deel aftreden.”

De bepaling van de eerste synode te Embden, 1571, luidde, dat zij twee jaren zouden dienen en elk jaar het halve deel zou aftreden. Deze bepaling bleef formeel gelden tot de 19e eeuw. Maar spoedig bleek, dat twee jaren dienen te kort was. Vele kerken hadden den diensttijd reeds op drie of vier jaren gesteld. Twee jaren bleek al te kort om met de kerkelijke zaken op de hoogte te komen. Zoo werd „twee of meer jaren dienen” gewoonte. Eerst de synode van Utrecht, 1905, heeft deze gewoontewet tot een jus constitutum d.i. tot een kerkelijke wet verheven. Ingeval er zes Ouderlingen en Diakenen zijn, die elk drie jaren dienen, moeten er elk jaar twee aftreden. De kerken kunnen dat „naar de gelegenheid der plaatsen en der kerken” regelen.

|31|

2. De regel der periodieke aftreding.

„De aftredenden zullen door anderen vervangen worden”.

Dus geen levenslangen diensttijd en wel op de volgende gronden:

1º De Schrift geen geen bepaling inzake den diensttijd der Ouderlingen en Diakenen. Zij laat de kerken vrij. Het ambt is wel blijvend tot aan het einde dezer bedeeling, maar de personen, die het bedienen wisselen gedurig af, ’t zij door den dood, ’t zij door vertrek, ’t zij wegens onbekwaamheid, ’t zij wegens overgang tot een ander ambt enz.

2º Het ambt draagt geen character indelebilis d.i. geen onverdelgbaar karakter alsof het van den bedienaar niet te scheiden zou zijn, zooals Rome leert. Het is een opdracht, een mandaat, dat van den bedienaar kan afgenomen worden.

3º Tijdens de Hervorming in de 16e eeuw was levenslange diensttijd der Ouderlingen en Diakenen, die meestal tot de eenvoudige volksklasse behoorden, vrijwel onmogelijk.

4º Periodieke aftreding is ook wenschelijk om clericalisme en hiërarchie te voorkomen. Het ambt is wel permanent, blijvend, maar de bediening is wisselend, zelfs bij levenslange bediening maakt de dood er een einde aan.

Mag een zittend of aftredend Diaken tot Ouderling gekozen worden? Ja, omdat hij dan tot een ander ambt gekozen wordt en er wat voor te zeggen is, dat hij als diaken met den ambtelijken dienst wat op de hoogte gekomen is.

3. De uitzondering der herkiezing.

„Ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige Kerk eene herkiezing raadzaam maakte”.

Vóór de wijziging van art. 27 K.O. door de synode van Utrecht, 1905, was de continuatie, d.i. de verlenging van den tijd bij besluit van den kerkeraad, met mededeeling aan en stilzwijgende goedkeuring van de gemeente mogelijk.

Maar na 1905 is bij uitzondering alleen herkiezing mogelijk. De kerkeraad stelt alsdan de namen der aftredenden naast andere op het dubbel getal en laat de gemeente daaruit een keuze doen.

4. De approbatie of goedkeuring door de gemeente.

In de Schrift is er geen voorbeeld van. Zij is dus een kerkelijk gebruik. Alle leden der gemeente (mannelijke, vrouwelijke, doop- en belijdende leden) hebben krachtens

|31|

het ambt der geloovigen het recht eventueel gegronde bezwaren tegen de verkozenen in te brengen. De approbatie is dus een soort tuchtoefening. Zij houdt in een stilzwijgende goedkeuring of een gemotiveerde afkeuring.

Bezwaren tegen de wijze der verkiezing moeten op de vergadering waar de verkiezing plaats heeft worden ingebracht. Worden ze niet opgelost en beroept de bezwaarde zich op de Classis, dan moet haar uitspraak worden afgewacht, tenzij de bezwaren zoo gezocht en lichtvaardig zijn, dat geen kerkeraad de bevestiging er door mag laten ophouden.

Bezwaren tegen leer, leven en ambtsgaven moeten na afkondiging der gekozenen aan den kerkeraad worden meegedeeld. Worden zij niet opgelost, en gaat de bezwaarde in appèl, dan moet de bevestiging worden uitgesteld totdat de classis uitspraak gedaan heeft. Van ouds werd één appèl voldoende geacht, anders zou één lid de bevestiging zoolang kunnen ophouden, dat de diensttijd verstreken was.

5. De bevestiging in het ambt.

De bevestiging is de publieke inzetting en en aanvaarding van het ambt voor heel de gemeente. Zij geschiedt volgens het bekende Formulier, door de synode van ’s Gravenhage, 1586, daarvoor vastgesteld.

Bronnen: Prof. Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, I, blz. 220-252. — Dr H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, I, blzz. 601-612. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O., 2e dr., blzz. 117-122 en De Kerkenordening, Van de Diensten, blzz. 729-755.

———

Jansen, Joh. (1947) I.8

VIII. De Kerkeraad.

1. De instelling van den Kerkeraad.

Kerkeraad veronderstelt het bestaan der kerk. Het wezen der kerk bestaat uit geloovigen. De Schrift noemt ze „heiligen” en „geloovigen” Ef. 1: 1; Col. 1: 1 enz. Waar die geloovigen samenkomen tot de bediening des Woords en der Sacramenten, is het wezen der kerk. Losse gelovigen vormen geen plaatselijke kerk. Maar zoolang die kerk nog zonder kerkeraad of vacant is, is zij nog geen volkomen kerk. Er waren vroeger kerken, die wel een predikant

|33|

hadden, maar geen Ouderlingen, dus nog geen kerkeraad. De kerkeraad is dus noodig tot het wel-wezen of zooals Voetius zegt, tot de volkomenheid der kerk.

Art. 37 K.O. bepaalt dan ook: „In alle kerken zal een kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen”. Dit rust op de Schrift. Onder leiding van Paulus, Barnabas, Titus enz. werden in de pas gestichte gemeenten Ouderlingen aangesteld, Hand. 14: 21, 23; Tit. 1: 5; zooals te Lystre, Ikonium en Antiochië; 14: 21, 23; te Jeruzalem, Hand. 15: 2, 6, 22.

Voorts blijkt uit 1 Tim. 4: 14, dat de Ouderlingen in elke kerk een Ouderlingschap d.i. een presbyterium of kerkeraad vormden.

2. Wie vormen den Kerkeraad.

Art. 37 K.O. bepaalt verder, dat een kerkeraad uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen bestaat. Het woord „kerkeraad” omvat hier de Dienaren des Woords, als regeerouderlingen en de speciale Ouderlingen.

Volgens 1 Tim. 5: 17: „Dat de Ouderlingen, die wel regeeren dubbele eer waardig geacht worden, voornamelijk die arbeiden in het woord en de leer”, kwam er spoedig onderscheid tusschen ouderlingen, die alleen met de regeering en anderen, die bovendien ook met de leer belast werden.

Volgens art. 38 K.O. mogen in kerken, „waar het getal van Ouderlingen klein is, de Diakenen tot den kerkeraad genomen worden, hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald”.

Op grond van 1 Tim. 4: 14 bestaat het woord Ouderlingschap d.i. kerkeraad alleen uit Ouderlingen d.i. uit leer- en regeerouderlingen. De zitting der diakenen in den kerkeraad in kleine kerken rust dus op kerkelijk gebruik. Zij dienen dan mede als „hulpouderlingen”. In groote kerken bestaat de kerkeraad alleen uit predikanten ten ouderlingen, maar deze vergadert dan bijv. eenmaal per maand met de diakenen ter behandeling van algemeene zaken (de zoogenaamde „smalle en breede” kerkeraad.

3. Hoe dikwijls moet de Kerkeraad vergaderen.

Volgens art. 37 K.O.: „in de grootere gemeenten in den regel alle weken eens”. De Schrift zegt er niets van. Dit is een van die bepalingen, welke God in de vrijheid der kerken heeft gesteld. Vandaar dat afwijking van den regel

|34|

zoo noodig geoorloofd is. De samenroeping kan bij mondelinge afspraak of krachtens gewoonte geschieden. De besluiten zijn alleen geldig, wanneer alle leden behoorlijk kennis gekregen hebben van de vergadering. Regel is, dat de meerderheid aanwezig moet zijn om wettige besluiten te nemen. De kerkeraad regelt plaats en tijd van samenkomst.

De tijd van samenkomst van de gewone vergaderingen moet aan de gemeente van den kansel of in een kerkbode bekend gemaakt worden bijv. om attesten aan te vragen, inlichtingen te bekomen, klachten in te brengen enz.

De leden der gemeente hebben geen vrijen toegang tot de Kerkeraadsvergadering omdat er vaak persoonlijke kwesties, tuchtzaken en intieme aangelegenheden te behandelen zijn.

Het praesidium berust bij den Dienaar des Woords. Zijn er meerdere Dienaren dan bij beurte.

4. De taak van den smallen en breeden Kerkeraad.

Tot de zaken van den smallen kerkeraad behooren de regeling van den dienst des Woords, de catechisaties, tuchtzaken, huisbezoek, toelating tot Doop, Avondmaal, afvaardiging ter classis, ingekomen stukken voor het kerkelijk leven.

Tot de taak van den breeden kerkeraad behooren het opmaken der dubbele getallen voor de verkiezing van ambtsdragers, beoordeeling van bezwaren, de uitreiking en aanvaarding van attestaties van komende of vertrekende predikanten, de emeritaatsaanvrage naar art. 13 K.O., censura morum, kerkvisitatie, beheer der kerkelijke inkomsten, benoeming van de commissie van Administratie, algemeene regeling der armenzorg, regeling der collecten, vaste geldbelegging, stichting van gebouwen voor kerk en armen enz., ingekomen stukken van algemeen belang voor het kerkelijk leven enz.

5. De Diaconale vergadering.

Art. 40 K.O. bepaalt, dat de Diakenen in groote gemeenten afzonderlijk zullen samenkomen, „waar zulks noodig is alle weken om met aanroeping van den naam Gods van de zaken, hun ambt betreffende, te handelen”.

De Diakenen kiezen een praeses en scriba, stellen in groote gemeenten na goedkeuring van den kerkeraad een huishoudelijk reglement vast, waarin de tijd van samenkomst en de taak der Diakenen volgens art. 25 K.O. bijv.

|35|

de verzorging der armen, het tellen der gelden enz. nader omschreven wordt. Een model-reglement vindt men in Het Diaconaat van P. Biesterveld c.s. blzz. 252-259.

Bronnen: Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O., 2e druk, over de Artt. 29 en 37-40 K.O. — Dr H. Bouwman, Het ambt der Diakenen; Geref. Kerkrecht, I, 565-601. — P. Biesterveld c.s., Diaconaal Handboek.

———

Jansen, Joh. (1947) II.1

Hoofdstuk II.
Het kerkverband.

I. De organisatie van het kerkverband.

Op grond van de Schrift gaan wij bij de organisatie van het kerkverband uit van de plaatselijke kerken. De leden der plaatselijke kerken zijn de geloovigen. Paulus schrijft aan de heiligen die te Efeze zijn, en geloovigen in Christus Jezus, Ef. 1: 1; en aan de heiligen en geloovige broederen in Christus, die te Kolosse zijn, Col. 1: 1, enz.

De geloovigen mogen zich niet „op zich zelf houden”, maar zijn „schuldig zich bij de kerk te voegen en daarmede te vereenigen”, zie art. 28 der Geloofsbelijdenis. Zij zijn een lichaam met vele leden, zie 1 Cor. 12: 12-31. „Het oog kan niet zeggen tot de hand: ik heb u niet van noode; of wederom het hoofd tot de voeten: ik heb u niet van noode”, vs. 21.

De Apostelen hebben geen wereldkerk gesticht, zooals de Roomschen, geen landskerk zooals de Lutherschen, geen congregaties (willekeurige groepen), zooals de Independenten, geen genootschappen (vereenigingen) zooals de Collegialisten zeggen, maar zij hebben plaatselijke kerken te Rome, te Corinthe, in Galatië, te Efeze enz. gesticht.

Elke plaatselijke kerk is een zelfstandige en complete kerk met eigen leden en ambtsdragers, eigen samenkomsten voor de bediening van Woord en Sacramenten, Hand. 2: 42; 1 Cor. 11: 28, 33; Hebr. 10: 25.

Maar zoo min de geloovigen plaatselijk op zich zelf mogen blijven staan, zoo min mogen ook de plaatselijke kerken op zich zelf blijven staan. Het geestelijk lichaam van Christus is één, en daaruit volgt krachtens Goddelijk recht de verplichting der plaatselijke kerken, die op den bodem der

|36|

Schrift, derzelfde Geloofsbelijdenis en derzelfde Kerkenordening staan om zich in confoederatief kerkverband aaneen te sluiten tot openbaring van het ééne lichaam van Christus. Ten opzichte van elkander is het kerkverband een vrijwillige verbintenis. De eene kerk kan er de andere niet toe dwingen. Dit tegen de hiërarchie van Rome. Maar van Godswege is het niet vrijwillig, want zij zijn er krachtens haar eenheid in Christus toe verplicht. Dit tegen de autonomie der Independenten, die leeren, dat het aan de vrijheid der kerken is overgelaten.

1. De beginselen van het kerkverband.

Deze vinden wij reeds in het N.T.

Naast de gewone samenkomsten voor de bediening des Woords en der Sacramenten, Hebr. 10: 25, zijn er ook voorbeelden van tweeërlei kerkelijke vergaderingen.

1º Drie vergaderingen van de plaatselijke kerk te Jeruzalem. De eerste in Hand. 1: 15-26 onder leiding van Petrus, vs 15, ter verkiezing van een Apostel in plaats van Judas. De tweede in Hand. 6: 1-7 ter verkiezing van 7 Diakenen. De derde in Hand. 21: 17 v.v., een vergadering van de Ouderlingen te Jeruzalem, waarin Paulus van zijn derde zendingsreis verslag deed.

2º Van twee meerdere vergaderingen:

a. de zoogenaamde synode te Jeruzalem in Hand. 15, waar Paulus en Barnabas als afgevaardigden van de kerk te Antiochië en de Apostelen en Ouderlingen te Jeruzalem besloten, dat de heiden-christenen niet aan de besnijdenis en de ceremonieele wet van Mozes gebonden waren;

en b. in 2 Cor. 8: 18, 19, waar sprake is van een „broeder”, die door „de gemeenten verkoren” is om een collecte, die volgens Rom. 15: 26 door de kerken van Macedonië en Achaje gehouden werd voor de arme kerken in Judea, met Paulus en Titus over te brengen.

Uit deze gegevens blijkt, dat de beginselen van het kerkverband in de Schrift geopenbaard zijn. De plaatselijke kerken zijn er krachtens haar eenheid in Christus toe verplicht.

2. Het voorbeeld van het synodaal verband.

Vooral de zoogenaamde synode te Jeruzalem, Hand. 15, is voor het synodaal verband van belang. De kwestie ontstond in de gemeente te Antiochië. Deze bestond uit Joden-Christenen, die besneden, en Heiden-christenen, die niet

|37|

besneden waren. Nu kwamen daar Joden-Christenen, Oud-Farizeën, uit Judea, die de leer verkondigden: „Indien gij u niet laat besnijden naar de wet van Mozes, kunt gij niet zalig worden”. Zoolang God zelf het niet anders beval moesten ook de heiden-christenen besneden worden om zalig te worden. Paulus en Barnabas kwamen daartegen heftig in verzet. Heel hun zendingswerk werd er door veroordeeld. Vandaar het besluit om Paulus en Barnabas en eenige anderen (volgens Gal. 2: 1 ook Titus) als afgevaardigden naar de kerk van Jeruzalem te zenden om daar de kwestie met de Apostelen en Ouderlingen te behandelen. Zie voor de behandeling der kwestie door de synode te Jeruzalem de Korte Verklaring van Prof. Dr F.W. Grosheide over Hand. 15, dl. II.

Schier alle Gereformeerde theologen en exegeten uit de 16e en 17e eeuw betoogden, dat wij in Hand. 15 met een beginsel van een synode te doen hebben. Een paar voorbeelden ten bewijze.

Calvijn zegt in zijn Commentaar op Hand. 15: 6 letterlijk: „Wij moeten weten, dat hier van Godswege wordt voorgeschreven de vorm en de orde, die gehouden moet worden, in het samenroepen der synode, wanneer eenig geschil is ontstaan, dat op andere wijze niet bijgelegd kan worden”.

Voetius’ verklaring is ook zeer duidelijk: „Het jus divinum positivum, d.i. het positief Goddelijk recht der synoden, blijkt zeer duidelijk uit de practijk en het voorbeeld der Apostolische regeering in Hand. 15: 1-34, welk voorbeeld door den Heiligen Geest is goedgekeurd en daarmede ons ter navolging is voorgeschreven, waarmede dan ook alle christelijke theologen het wettig gebruik en het gezag der synoden plegen te bewijzen”.

3. De verdere ontwikkeling en uitbreiding van het kerkverband.

In de Schrift vinden wij geen bepaalde voorschriften inzake het aantal kerkelijke vergaderingen, hoe vaak zij moeten vergaderen, de afvaardiging naar de vergaderingen enz. God heeft de bepalingen daarvan aan de vrijheid der kerken zelf overgelaten.

Volgens Art. 29 K.O. hebben wij vier kerkelijke samenkomsten: de Kerkeraad, Classis, Particuliere synode en de Generale of Nationale synode. De Gereformeerde kerken in Zuid-Afrika hebben er slechts tee: de Kerkeraad en de Generale synode.

|38|

Inzake de afvaardiging hebben wij de trapsgewijze verkiezing: van de kerkeraden naar de classes, van de classes naar de Particuliere synoden en van de Particuliere synoden naar de Generale synoden. In Zuid-Afrika vaardigt elke kerkeraad één predikant met een Ouderling en in geval zij vacant is, alleen een Ouderling af naar de Synode. Dit is alleen mogelijk bij een kleine kerkengroep. Een groep van 700 à 800 kerken, zou reeds een Synode van 700 à 800 leden geven, veel te groot en te kostbaar om enkele weken te vergaderen. Vandaar, dat wij tusschen de Kerkeraden en de Generale Synode nog Classes en Particuliere Synoden instelden.

Vandaar ook het verschil inzake de afvaardiging naar de Classes en de Synoden. Het meest gewenschte zou zijn dat alle predikanten en ouderlingen van alle plaatselijke kerken naar de Classes en Synoden gingen. Maar dat is ten eenenmale onmogelijk. Vandaar dat het representatieve stelsel is ingevoerd en dit door de trapsgewijze verkiezing van de plaatselijke kerken naar de Classes, van de Classes naar de Particuliere Synoden en van de Particuliere Synoden naar de Generale Synoden nog is verscherpt.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, II, blzz. 1-17. — Dr F.L. Rutgers, Het Kerkverband. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O., 2e druk, blzz. 126-130, 224, en Oud of Nieuw Kerkrecht, uitgave R.W. Heutink, Wierden.

———

Jansen, Joh. (1947) II.2

II. De Classis

1. De instelling der Classis.

De instelling der Classis rust niet op een uitdrukkelijk gebod Gods of op een bepaalden tekst, maar op de voorbeelden in de Schrift, dat de ambtsdragers van verschillende kerken samenvergaderen om gemeenschappelijke zaken te regelen en moeilijkheden op te lossen. Zie te voren: De beginselen van het Kerkverband, blz. 36.

Het bezwaar der Independenten, dat uit het voorbeeld van zulke samenkomsten in het N.T geen voorschrift voor later mag worden afgeleid is niet geldig. Persoonlijke handelingen der Apostelen zijn voor ons niet normatief, maar instellingen, die zij krachtens hun apostolisch ambt verrichten, zooals de instelling der ambten, Hand. 14: 23;

|39|

Tit. 1: 5; en het samenkomen van meer kerken, Hand. 15; 2 Cor. 8: 18, 19, zijn voor ons wel normatief. Ze zijn exempla regulativa, voorbeelden om ons kerkelijk leven er naar te regelen. Niet om ze letterlijk over te nemen, maar de grondgedachten naar de omstandigheden toe te passen.

Het woord classis, van het Latijnsche woord calare d.i. roepen, beteekent een samengeroepen menigte, hier: een samenkomst van een groep kerken in de buurt om elkander te helpen en bij te staan. Het gemiddeld aantal kerken voor een classis kan men wel op tien stellen. Een „classis contracta” is een samengetrokken classis ter regeling van vooraf bepaalde spoedeischende zaken, bijv. de approbatie van beroepen. Zij bestaat uit enkele, meestal twee kerken. De andere kerken worden wel aangeschreven, maar zijn niet verplicht te komen.

2. Het karakter der Classis.

De Classis is volgens Art. 41 K.O. een vergadering van genabuurde Kerken door middel van een Dienaar en een Ouderling, of ingeval een kerk vacant is door twee Ouderlingen.

Kerkrechtelijk zou de meest juiste methode zijn, dat alle ambtsdragers (Dienaren en Ouderlingen) der naburige kerken in de Classis samenkwamen. Het zou d e meest evenredige vertegenwoordiging der kerken zijn, omdat de groote kerken met meer ambtsdragers organisch meer invloed zouden uitoefenen dan de kleine kerken. Maar dat is practisch onmogelijk.

Vandaar dat reeds bij de Classis het delegatie- en representatiestelsel is ingevoerd. Door de delegatie (afvaardiging) ontstaat de representatie (vertegenwoordiging) d.w.z. de bevoegdheid der afgevaardigden berust èn op het ambt, dat zij zelf bekleeden èn op het ambt der ambtsdragers, die hen afvaardigen. Mijn vroegere verklaring, dat de afgevaardigde ambtsdragers „niet krachtens hun ambt, doch krachtens hun last of mandaat hun kerken vertegenwoordigen”, (Korte Verklaring K.O., 2e dr., blz. 179) bleek mij na verdere studie onjuist. De afgevaardigden vertegenwoordigen hun kerken èn krachtens het ambt, dat zij zelf bekleeden èn krachtens de ambtelijke lastgeving dergenen, die hen afvaardigen. Zoo blijft het ambtelijk karakter der Classis van kracht.

Vandaar dat de niet-afgevaardigde Predikanten van groote kerken volgens Art. 42 K.O., wel op de Classis mogen

|40|

verschijnen, maar slechts adviserende stem hebben: 1º omdat er geen Goddelijk gebod is, dat alle ambtsdragers ter Classis en Synode moeten gaan; en 2º omdat God de wijze van samenkomst òf van alle ambtsdragers, òf van enkele ambtsdragers door afvaardiging aan de vrijheid der kerken heeft overgelaten, zoodat de niet-afgevaardigde ambtsdragers zich aan de wettige bepaling behooren te onderwerpen.

In het zeldzaam geval, dat bij gebrek aan een Ouderling, een diaken of een lid der gemeente door den Kerkeraad wordt afgevaardigd, berust diens ambtelijke bevoegdheid voor dit bijzonder geval op het ambt van zijn ambtelijke lastgevers.

3. Samenkomst en taak der Classis.

Regel is, dat zij vergadert op plaatsen, die het best te bereiken zijn; en wat den tijd betreft, „dat men het boven de drie maanden niet uitstelle”; dus vier maal per jaar.

Voorts, dat de Dienaren bij beurte presideeren. Bij wijze van uitzondering kan de Classis, die gewichtige en moeilijke kwesties te behandelen heeft, ook een anderen Dienaar kiezen.

De taak der Classis is, wat de Kerkeraden door de instructiën ter behandeling voorstellen bijv. tuchtkwesties, geschillen; voorts de appèl-zaken, zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn; verder de praeparatoire en peremptoire examina volgens Art. 4 K.O.; de approbatie (goedkeuring) van de stukken van inkomende predikanten volgens Art. 5 K.O.; en het ontslag van predikanten, die naar elders vertrekken, volgens Art. 10 K.O.; de regeling der vacaturediensten; en ten slotte de rondvraag naar Art. 41 K.O.: „of zij in hunne Kerken hunne Kerkeraadsvergadering houden; of de tucht geoefend wordt; en de armen en scholen bezorgd worden; en of er iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der Classis behoeven”.

Ten slotte moeten in de laatste vergadering voor de Particuliere Synode de afgevaardigden naar deze Synode gekozen worden.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht II, blzz. 124-156. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring van de K.O., 2e dr., blz. 177 v.v. en vooral: Oud of Nieuw Kerkrecht, uitgave R.W. Heutink, Wierden.

———

Jansen, Joh. (1947) II.3

|41|

III. De Particuliere Synode.

1. De naam.

De synode te Embden 1571 noemde ze Provinciale synode, maar de synode van Dordrecht, 1578, noemde ze Particuliere Synode, d.i. een groepeering van kerken en classes buiten verband van de Provinciale grenzen. De kerken in Friesland en Zuid-Holland zijn in twee Particuliere Synoden ingedeeld: Friesland Noordelijk Gedeelte en Friesland Zuidelijk Gedeelte; en Zuid-Holland Noordelijk Gedeelte en Zuid-Holland Zuidelijk Gedeelte; terwijl de kerken in Noord-Brabant en Limburg wegens het klein aantal kerken slechts één Particuliere Synode vormen.

Behalve de Particuliere Synoden zijn er ook afzonderlijke Zendingssynoden; de Zendingssynode van alle Gereformeerde kerken in Friesland; de Zendingssynode van de kerken in Groningen, Drenthe en Overijssel; de Zendingssynode van de kerken in Gelderland en Utrecht; en van de kerken in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.

De vraag is of de Zendingssynoden wel inzake de Zending bindende besluiten mogen nemen, maar niet in eventueele tuchtzaken, zooals de ervaren Zendingsman, wijlen Ds Breukelaar in het Zendingsblad betoogde. De Zendingssynoden zijn toch wettige vergaderingen van de afgevaardigde ambtsdragers der zendende kerken. Volgt daar niet uit, dat zij over alle zaken der zending, die wettig ter synode komen, dus ook over eventueele tuchtzaken bindende besluiten mogen nemen, met recht van appèl volgens art. 31 K.O. op de Generale Synode? O.i. ja! Dit is nog niet door de Generale Synode beslist.

2. Samenstelling en karakter.

Art. 47 K.O. bepaalt: „Alle jaren (ten ware dat de nood een korteren tijd vereischte) zullen eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde Provincie behoorende genabuurde Classes samenkomen”. Regel is dat zij eenmaal ’s jaars vergadert. Zoo noodig kan zij eerder samengeroepen worden.

Zij is geen vergadering van personen, die een bestuurscollege vormen, maar een samenkomst van eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde Provincie behoorende naburige Classes.

De afvaardiging van de ambtsdragers der Classes naar

|42|

de Particuliere Synode is hier nog weer verscherpt. Reeds de Classes zouden veel te groot worden wanneer alle predikanten en ouderlingen er zitting namen. Vandaar dat daar reeds het representatieve stelsel werd toegepast door de bepaling, dat elke kerkeraad door twee ambtsdragers vertegenwoordigd wordt. En dit representatieve stelsel is bij de afvaardiging naar de Particuliere Synode nog weer verscherpt door de trapsgewijze verkiezing, nl. zóó, dat uit en door elke Classis „twee Dienaars en twee Ouderlingen (welk getal door een (Particuliere) synode, die uit slechts drie of vier Classes bestaat, ook op drie kan gesteld worden), afgevaardigd zullen worden.”

Ook hier doet dit representatieve stelsel, nog verscherpt door de trapsgewijze verkiezing, het ambtelijk karakter der Particuliere Synode niet te niet, want de afgevaardigde ambtsdragers gaan krachtens hun eigen ambtsmacht en krachtens de ambtsmacht van de ambtsdragers, die hen afvaardigden, ter Particuliere Synode.

De afvaardiging geschiedt krachtens gewoontewet bij keurstemmen en niet naar toerbeurt, zooals bij de afvaardiging naar de Classes regel is. Naar de Synoden moeten de meest bekwame en ervaren Dienaren en Ouderlingen gezonden worden.

3. De Correspondentie (onderling verband) tusschen de Particuliere Synoden.

De synode van Dordrecht, 1618-’19 bepaalde, dat de Particuliere Synoden door het zenden van een paar Deputaten naar elkanders vergaderingen over belangrijke en gemeenschappelijke zaken met elkander het verband zouden kunnen onderhouden. Dit bleek van groot belang, toen na 1618/’19 het samenkomen der Generale Synode door de Overheid verboden, en twee eeuwen lang niet gehouden werd. Behalve Drenthe en Zeeland deden alle andere Provincies er aan mee. Door deze correspondentie kwamen de kerken onderling overeen, dat de studenten eerst na volbrachte studie en examen zouden worden toegelaten; dat de Bijbelvertaling weer zou doorgaan; dat het drukken van slechte boeken geweerd werd; dat er tegen dwaalleeraars als Frederik van Leenhoff werd opgetreden, en dat er in 1775 een nieuwe Psalmberijming werd ingevoerd enz.

Nu de Generale Synoden weer geregeld samenkomen is deze correspondentie niet meer noodig. Slechts in enkele gevallen bijv. van grensregeling tusschen twee provinciën,

|43|

enz. hebben sommige Particuliere Synoden nog gemeenschappelijk overleg te plegen.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, II, blz. 191 v.v. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring van de K.O., 2e dr., blzz. 198-205.

———

Jansen, Joh. (1947) II.4

IV. De Generale of Nationale Synode.

1. De tijd van samenkomst.

Art. 50 K.O. bepaalt: „De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden ten ware, dat er eenige dringende nood ware, om den tijd korter te nemen.”

Over de beteekenis van deze bepaling ontstond in den laatsten tijd een ernstig verschil. Aanleiding was dat de Synode van Sneek-Utrecht 1939-1942 haar zittingsduur in den oorlogstijd wegens dringende redenen tot in 1943, dus tot in het vierde jaar had verlengd. Daartegen kwam uit de kerken ernstig verzet. De tijdsduur mocht volgens Art. 50 wegens „eenige dringende nood” wel korter, maar in geen geval langer dan drie jaar zijn. Het woord ordinaarlijk d.i. naar den regel, naar de vastgestelde orde, sloot dit uit. De bepaling had kracht van wet en was bindend.

De Synode verklaarde daarentegen: het woord ordinaarlijk beteekent niet naar den regel, maar in den regel. Dit blijkt wel zeer duidelijk uit de bepaling van Art. 68 K.O. dat de Catechismus-prediking „ordinaarlijk”, dat is in den regel in den namiddagdienst zal plaats hebben, zoodat al die kerken, en dat zijn er niet weinige, die de Catechismusprediking in de voormiddagdiensten houden, tegen de K.O. zouden zondigen en onwettige diensten in stand houden. Voor zoover wij weten heeft niemand daartegen bij Classes en Synoden ooit bezwaar ingebracht.

Ook de uitzondering: „ten ware, dat er eenige dringende nood ware om den tijd korter te nemen”, dus ter verkorting van den termijn, sluit verlenging niet uit. De Schrift geeft inzake den tijdsduur der Synoden geen enkele bepaling. God heeft de regeling daarvan in de vrijheid der kerken gesteld. Evenals de Synode van Dordrecht, 1578, kon besluiten dat wegens een dringende nood de termijn verkort mag worden, zoo mag ook een zittende Synode wegens een dringende nood bij uitzondering den termijn verlengen. Zie

|44|

Acta van de Voortgezette Synode te Sneek 1939 v.v., Bijlage CVI.

2. De samenroeping en afvaardiging.

De vorige Synode wijst gewoonlijk de plaats aan, waar de volgende synode zal vergaderen en draagt aan de kerk aldaar (de zoogenaamde „synodale kerk”) op, den tijd en het gebouw van samenkomst vast te stellen.

In geval echter twee Particuliere Synoden binnen drie jaren een buitengewone Synode noodig oordeelen deelen zij dit aan de „synodale kerk” mede. Deze is dan geroepen, na eerst met hare Particuliere Synode den tijd en de plaats van samenkomst vastgesteld te hebben, aan het verzoek te voldoen en de buitengewone Synode samen te roepen.

Inzake de afvaardiging bepaalt Art. 50 K.O.: „Tot deze zullen twee Dienaren en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode afgezonden worden”.

Hieruit volgt, dat ongeveer 56 ambtsdragers (28 Dienaren des Woords en 28 Ouderlingen) onze ongeveer 800 Gereformeerde Kerken vertegenwoordigen en bindende besluiten kunnen nemen. De vraag is nu: rust dat op de Schrift. Daarop antwoord ik: ja! Uit het ambtelijk karakter der Synoden volgt niet, dat alle ambtsdragers naar de Synode moeten gaan. Dit blijkt uit Hand. 15 duidelijk. Van de kerk te Antiochië waren alleen de afgevaardigde ambtsdragers Paulus en Barnabas en eenige anderen, n.l. Titus e.a. Gal. 2: 1 aanwezig. Daarop rust het stelsel van afvaardiging bij een groote kerkengroep, waarvan niet alle ambtsdragers kunnen verschijnen. Van de kerk te Jeruzalem waren alle ambtsdragers, de Apostelen en de Ouderlingen aanwezig. Dit is ook geoorloofd, maar bij een groote kerkengroep onmogelijk. De wijze van samenkomst der Synoden heeft God aan de vrijheid der kerken overgelaten. Maar deze afvaardiging doet het ambtelijk gezag der synoden niet teniet. Want de afgevaardigden gaan krachtens hun eigen ambtsmacht en krachtens de ambtsmacht der ambtsdragers, die hen afvaardigen.

Kerkrechtelijk zou het meest juiste zijn, dat alle kerken rechtstreeks door al hare Predikanten en Ouderlingen in Synode samenkwamen. Maar dat is bij een aanzienlijke kerkengroep practisch onmogelijk. Wanneer onze bijna 800 kerken gemiddeld 5 ambtsdragers telden, zou dat reeds een Synode van 4000 leden geven. Onmogelijk, dat allen 2 à 4 werken aanwezig zouden kunnen zijn; en onmogelijk

|45|

dat zulk een Synode vruchtbaar zou kunnen werken. Vandaar, dat ook hier het representatieve stelsel van afvaardiging uit en door de Particuliere Synoden nog nader wordt beperkt door de trapsgewijze verkiezing van twee Dienaren en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode.

Regel is, dat de afvaardiging niet naar toerbeurt, maar bij vrije stemming geschiedt. De Synoden zijn geen leer- en oefenscholen, maar samenkomsten van regeering en tucht, waarvoor de beste krachten noodig zijn. Er werd wel eens geklaagd, dat telkens dezelfde Dienaren werden afgevaardigd. Men achtte het beter dat dezelfde Dienaar niet tweemaal achter elkander werd gekozen. Die vraag kwam reeds op de Synode te Middelburg 1586, maar deze antwoordde, dat de Classes en Synoden vrij zouden zijn om te zenden „die sy daer toe bequaem vinden sullen, naer hare beliefte”. Het gevaar van „dominocratie” (predikantenheerschappij) is niet zoo groot, dat de vrije verkiezing daarvoor moet worden prijsgegeven.

3. De wijze van werken.

De oude Synoden in de 16e eeuw hadden de vrije manier van werken zonder commissoriale voorbereiding van de afzonderlijke punten. De Synode van Dordrecht 1618/’19 week er van af, en volgde de manier bij de Staten-Generaal in gebruik. Zij deelde de leden provinciaalsgewijze in in elf inlandsche en zeven buitenlandsche colleges. Deze colleges behandelden elken avond de punten, die den volgenden dag aan de orde zouden komen. Over belangrijke vraagstukken kwamen wel achttien rapporten in. Daaruit trok het moderamen dan een eindconclusie.

De tegenwoordige Synoden hebben deze omslachtige en tijdroovende manier losgelaten. Regel is nu, dat de vraagstukken, die op het agendum voorkomen soort bij soort in verschillende groepen worden samengevoegd. Voor elke groep wordt een afzonderlijke commissie benoemd. In ’t geheel doorgaans vijf of zes commissies. De rapporten dezer commissies worden op de Synode voorgelezen en besproken, waarna de Synode er over beslist. Een groot bezwaar is hier, dat de arbeid voor de leden doorgaans veel te vermoeiend is. Daags op de Synode aan de behandeling deelnemen en ’s avonds soms tot laat in den nacht aan de rapporten werken. De laatste Synoden hebben dat bezwaar zooveel mogelijk ondervangen doordat zij aanvankelijk een paar dagen vergaderen om de punten van het agendum aan

|46|

de rapporteerende commissies op te dragen en daarna enkele weken uiteengaan om aan de commissies tijd te geven de rapporten op te stellen, deze aan de andere Synodeleden toe te zenden, om zoo het agendum in volle Synode zooveel mogelijk zonder onderbreken af te handelen.

4. Voorloopig plan inzake „de Oecumenische Synode”.

Een Oecumenische Synode van de Gereformeerde Kerken in alle landen is nog nooit gehouden. De Synode van Dordrecht 1618/’19 is wel een „inter-nationale” synode genoemd, maar dit was zij slechts ten deele nl. wat de Pro-Acta, niet wat de Post-Acta betreft, want toen waren de buitenlandsche afgevaardigden reeds vertrokken. Een Gereformeerd Oecumenisch Concilie was zij niet, omdat de Fransche en Schotsche overheden geen afgevaardigden gezonden hadden.

Eerst op de synode van Arnhem, 1930, kwam het plan aan de orde door een schrijven van „Die Gereformeerde Kerk van Suid-Afrika”, en voorts op de Synode van Sneek, 1939, door een schrijven van de Christian Reformed Church van Amerika. De Synode van Sneek benoemde nu een commissie om haar van advies te dienen.

Deze was van oordeel, dat een Gereformeerde Oecumenische Synode is „een Synode van de Gereformeerde Kerken uit de onderscheiden landen, die één zijn in de Gereformeerde belijdenis.” En dat die kerken zullen worden uitgenoodigd, met welke onze kerken alsook de „Christian Reformed Church” in Amerika en „die Gereformeerde Kerk van Suid-Afrika” elk op zich zelf correspondentie onderhouden.

Voorts, dat de Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland de Oecumenische Synode zou samenroepen; dat de wijze van afvaardiging aan elk der deelnemende kerken kan worden overgelaten en dat iedere deelnemende kerkengroep punten voor de agenda zal kunnen inzenden en de Synode zelf zal hebben te beoordeelen welke van deze punten zij wenscht in behandeling te nemen.

Jammer, dat het uitbreken van den oorlog de uitvoering van het plan onmogelijk maakte.

Zie Acta Synode 1939, art. 258, Bijlage LV.

Nu deze oorlog geëindigd is, begint de lang gekoesterde wensch in vervulling te gaan.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, II, blz. 196-214. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring van de K.O., 2e druk, blz. 211 v.v. en 133 v.v. en de brochure Oud of Nieuw Kerkrecht.

———

Jansen, Joh. (1947) II.5

|47|

V. Het gezag van Kerkeraad, Classes en Synoden.

1. Welk gezag komt aan de Kerkeraden, Classes en Synoden toe?

De sleutelmacht, welke Christus in Matth. 16: 18, 19 aan Petrus en in Joh. 20: 23 aan de Apostelen, maar in Matth. 18: 17-18 ook aan de gemeente toekende.

Over de bedienaren van de sleutelmacht hebben wij een principieel verschil met de Roomschen eener- en de Independenten anderzijds.

De Roomschen vatten het woord gemeente in Matth. 18: 17, 18 op als de ecclesia representativa, nl. dat de clerus (de ambtsdragers) de gemeente vertegenwoordigen en over en zonder de leeken regeeren, wat dan uitloopt op de pauselijke hiërarchie.

De Independenten staan daar lijnrecht tegenover en leeren, dat de sleutelmacht aan de gemeenteleden als vergadering der geloovigen toekomt en willen van regeerouderlingen niet weten.

De Gereformeerden vatten het woord gemeente in Matth. 18: 18 op als de georganiseerde gemeente, die aanvankelijk nog alleen uit geloovigen bestond, maar weldra onder leiding der ambtsdragers zou gesteld worden. In de georganiseerde gemeente hebben ambtsdragers en leden beiden hun eigen roeping en plicht. De ambtsdragers ontvangen de leidende en de leden de medewerkende en controleerende macht.

Elke plaatselijke kerk heeft de volledige sleutelmacht voor haar terrein en taak ontvangen. Gewoonlijk wordt zij in drieën onderscheiden: de leermacht (bediening van Woord en Sacramenten, Catechetisch onderwijs, enz.); de regeermacht (verkiezing van ambtsdragers, opzicht over de gemeente, enz.); en de tuchtmacht (vermaning, waarschuwing, censuur, excommunicatie) over de leden en ambtsdragers enz.

De vraag is of deze drievoudige sleutelmacht ook aan de meerdere vergaderingen (Classes en Synoden) toekomt. Ook hierover hebben wij verschil met de Roomschen eener- en met de Independenten anderzijds.

De Roomschen zeggen: ja, zij komt in absoluten zin aan de Synoden toe, de gemeenten hebben niets te zeggen; dit

|48|

is het stelsel van de hiërarchie van den clerus over de leeken en van de Synoden over de Kerken.

De Independenten zeggen: neen, zij komt in absoluten zin aan de plaatselijke kerken (congregaties) toe, de beslissende macht is bij de gemeenten; dit is het stelsel van de autonomie der plaatselijke kerken.

De Gereformeerden staan daartusschenin; zij handhaven beide, èn de zelfstandigheid der plaatselijke kerken, èn de eenheid der plaatselijke kerken van het kerkverband; en erkennen beide, n.l. het gezag van de kerkeraden over de gemeenten, en het gezag van de meerdere vergaderingen over de mindere.

Dit blijkt uit art. 36 K.O. duidelijk. Het gezag van den kerkeraad over de gemeente is in beginsel de sleutelmacht en draagt een ambtelijk karakter. „’t Zelfde zeggen”, d.i. hetzelfde ambtelijk gezag heeft de Classis over den Kerkeraad, de Particuliere Synode over de Classis en de Generale Synode over de Particuliere.

Van de autonomie der plaatselijke kerken (autos = zelf en nomos = wet) nl. dat elke plaatselijke kerk los van de andere, hare eigen wet stelt, wilden de Gereformeerde Kerken niet weten. Krachtens de eenheid van alle plaatselijke kerken in Christus zijn alle kerken, die hetzelfde geloof belijden, verplicht de eenheid van het kerkverband te onderhouden.

De sleutelmacht (leer-, regeer- en tuchtmacht) komt dus ook aan de Classes en Synoden toe, maar met deze drievoudige beperking:

1º dat deze alleen mogen handelen over die zaken der mindere vergaderingen, welke daar niet afgehandeld kunnen worden, nl. in geval van onmacht, bijv. wanneer de ambtsdragers door ziekte onmachtig zijn hun ambtelijk werk te verrichten; van wanbestuur, bijv. wanneer de kerkeraad de tucht verwaarloost, of omgekeerd, zich aan hiërarchie schuldig maakt en de classis moet ingrijpen, of van hooger beroep (appèl), bijv. wanneer leden der gemeente het met een besluit van den kerkeraad niet eens zijn en zich beroepen op de Classis enz.

2º dat de meerdere vergaderingen (Classes en Synoden) voorts alleen mogen handelen over die gemeenschappelijke kerkelijke zaken, die als zoodanig op de meerdere vergadering zelf thuis behooren, omdat zij niet één kerk, maar alle kerken aangaan en dus ook door die kerken met elkander behandeld moeten worden, zooals de handhaving van de

|49|

Geloofsbelijdenis, de Liturgie, de Kerkenordening, de Psalmen en Gezangen, enz.

3º dat al haar besluiten inzake leer-, regeer- en tuchtzaken, in beide bovengenoemde gevallen volgens Art. 31 K.O. „voor vast en bondig gehouden worden” (d.i. een bindend karakter dragen) „tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Kerkenordening”. Volgens de aloude Gereformeerde opvatting, die terecht ook door de Synode Sneek 1939, art. 854 gehandhaafd is, beteekent dit, „dat de bezwaarde moet bewijzen, dat het bedoelde besluit met de Schrift of de Kerkenordening in strijd is, de bewijslast rust geheel op hem”. Aanvaardt een Synode het bewijs van een bezwaarde, dan vernietigt zij het besluit, en is er niemand, ook de bezwaarde niet, aan gebonden. Maar handhaaft zij haar besluit dan blijft het van kracht. „Want het kerkelijk leven zou verstoord worden wanneer ieder lid of elke kerk het recht had om, wanneer er bezwaren rijzen, de beslissingen der Synode eenvoudig naast zich neer te leggen”.

2. Op welken grond rust het gezag der Classes en Synoden?

a. Op grond van het Goddelijk voorschrift in de Schrift, bijzonder in Hand. 15. Daarin ligt de volledige Sleutelmacht: 1e de leermacht of leerbeslissing, dat de Heidenchristenen niet verplicht werden om de besnijdenis en de ceremonieele wet te onderhouden, Hand. 15: 2, 4, 27; 2e de regeermacht krachtens de bepalingen der Synode, waardoor de ergernissen werden weggenomen, Hand. 15: 28-29; en 3e de tuchtmacht door het oordeel over de wetsdrijvers, dat zij de geloovigen te Antiochië „ontroerd en hun zielen wankelende gemaakt hebben”, vs 24; en de sententie (uitspraak), dat zij Paulus en Barnabas, die hun zielen voor den naam van Christus overgegeven hebben, belasterden, vss. 25-26.

Calvijn zegt: „Wij moeten weten, dat hier van Godswege wordt voorgeschreven de vorm en de orde, die gehouden moet worden in het samenroepen der Synoden, wanneer er eenig verschil is ontstaan, dat op andere wijze niet bijgelegd kan worden” (Commentaar op Hand. 15: 6). Evenzoo Voetrius, Turretinus, Van Mastricht en schier alle Geref. theologen uit de 16e en 17e eeuw.

b. Op grond van de wederzijdsche toestemming der kerken van het kerkverband.

|50|

Christus schonk de sleutelmacht aan de plaatselijke kerken. Deze wijzen de personen als dragers van deze ambtsmacht aan. En waar niet de volledige kerkeraden kunnen samenkomen, kiezen zij de ambtsdragers, die als lasthebbers der kerken deze kerkelijke macht samen brengen op de Synode.

Volgt uit die delegatie en representatie, dat de macht der kerkeraden een andersoortige macht is dan van de Synode, bijv. dat de macht der kerkeraden een Goddelijke en die der Synode een menschelijke of kerkelijke macht is?

Neen: Beider macht is in wezen gelijk en verschil alleen in de wijze van toepassing en uitoefening. Christus schonk haar rechtstreeks aan de kerkeraden als een oorspronkelijke macht (potestas originalis). Als een van de kerkeraden afgeleide macht (potestas derivata) en aan de afgevaardigden opgedragen macht (potestas delegata) komt zij op de Synode als een aldaar samengebrachte macht (potestas accumulativa), zooals Voetius zegt.

3. Het karakter van het gezag.

Wij staan hier tusschen de Roomsche overschatting en de Independentische onderschatting in. Tegenover de Roomschen, die aan haar Synoden een onfeilbaar karakter toekennen, stelden de Gereformeerden haar feilbaar karakter. En tegenover de Independenten, die aan haar besluiten slechts een adviseerend gezag toekennen, handhaven wij haar bindend karakter.

Onfeilbaar zijn de besluiten der Synoden niet. Dat was alleen de Synode te Jeruzalem, Hand. 15. Zij was de eenige met onfeilbaar gezag, omdat zij mede onder leiding der Apostelen gehouden werd. Alle na-apostolische Synoden dragen een feilbaar karakter. Dit tegen Rome.

Maar bindend zijn haar besluiten wel, tenzij deze bewezen worden te strijden tegen het Woord Gods of tegen de Kerkenordening, zie Art. 31 K.O. Dit tegen de Independenten.

Dit bindend karakter blijkt duidelijk uit Hand. 15: 28. De Synode te Jeruzalem legde onder leiding des H. Geestes een last op aan de kerken; en uit Hand. 16: 4, waar haar besluiten ordonnantiën (Grieksch dogmata, bindende bepalingen) genoemd worden.

4. De uitvoering van de besluiten.

Zijn de Classes en Synoden bevoegd de besluiten inzake

|51|

de leer, de regeering en de tucht ten slotte ook toe te passen en uit te voeren?

De Independenten zeggen: neen! De besluiten van Classes en Synoden dragen slechts een adviseerend, geen bindend karakter. De al of niet toepassing en uitvoering der besluiten staat aan de beslissing van de Kerkeraden.

In hun Savoy Declaration, art. XXVI verklaren zij: „Maar deze Synoden aldus verzameld, hebben geen kerkelijke macht in eigenlijken zin en zijn niet toegerust met eenige jurisdictie of rechtspraak om eenige censuur te oefenen, hetzij over eenige kerken of personen, of om hare beslissingen op te leggen aan de kerken of haar ambtsdragers”.

Maar de Gereformeerde Confessie van Westminster verklaarde: „Het komt aan de Synoden toe om klachten, die bij haar ingebracht worden in gevallen van wanbestuur (mala administratio) in ontvangst te nemen en daarover met autoriteit te beslissen”, zie Hand. 15: 28; 16: 4.

De Gereformeerden zeggen: ja! De Classes en Synoden zijn niet alleen bevoegd inzake de leer, de regeering en de tucht bindende besluiten te nemen, maar zijn ook bevoegd de genomen besluiten, nadat aan de daarvoor geldende bepalingen voldaan is, toe te passen en uit te voeren of te doen uitvoeren.

———

Jansen, Joh. (1947) III.1

Hoofdstuk III.
Belijdenis en Sacramenten.

I. De Belijdenis en de onderteekeningsformulieren.

1. De Belijdenis.

De Belijdenis (Confessie) staat niet met de Schrift op één lijn. De Schrift is de bon, waaruit de Kerk haar Belijdenis put en tevens de norm om haar te toetsen. De Belijdenis verdient alleen geloof omdat in in zoover zij met de Schrift overeenstemt. Zij blijft als feilbaar menschenwerk revisibel en examinabel aan Gods Woord.

Toch zijn de Belijdenisschriften noodig:

1º Om aan haar leden een authentiek overzicht te geven van het geloof der Kerk.

|52|

2º Om de eenheid der kerken van dezelfde belijdenis te bewaren en de propaganda der ketterijen tegen te gaan.
3º Om aan de wereld een publiek getuigenis van dat geloof der kerk te bieden.
4º Om de Belijdenis der kerk aan het nageslacht over te leveren tot bestrijding der valsche religie.

2. Onderteekeningsformulier voor de Dienaren des Woords.

Art. 53 K.O. handelt eerst over de onderteekening der Belijdenisschriften door de Dienaren des Woords.

Over de draagwijdte van deze onderteekening rees in den laatsten tijd een ernstig verschil. Men beweerde, dat de onderteekening „zich beperkte tot de leer in de drie formulieren van Eenigheid”. Daaruit zou volgen, dat de synodale uitspraken over leergeschillen na 1618/’19 tot nu toe er automatisch buiten vallen.

Deze opvatting is duidelijk met den tekst van het Formulier in strijd. Na de verklaring, dat de Drie formulieren (de Geloofsbelijdenis, de Catechismus en de Leerregels van Dordrecht) „in alles met Gods Woord overeenkomen”, volgt een nadere toelichting, wat de onderteekening inhoudt:

„Beloven derhalve, dat wij de voorzeide Leer naarstiglijk zullen leeren en getrouwelijk voorstaan, zonder iets tegen deze Leer, ’t zij openlijk of heimelijk, directelijk of indirectelijk te leeren of te schrijven. Gelijk ook, dat wij niet alleen alle dwalingen daartegen strijdende, en met name ook die in de voorzeide Synode zijn veroordeeld, verwerpen, maar ook zullen tegenstaan, wederleggen en helpen weren”.

Uit de door mij vet gedrukte woorden blijkt duidelijk dat de Synode een open oog had voor de doorwerking der dwaalleer. Zij verplicht ons zelfs bij voorbaat, dat wij niet alleen de met name genoemde maar ook alle dwalingen, die eventueel later zouden openbaar worden, niet alleen verwerpen, maar ook zullen tegenstaan en helpen weren.

En wie maakt uit wat dwaling is? Dit blijkt uit de verplichting, die wij tevoren door onderteekening op ons nemen: „En indien het zou mogen gebeuren, dat wij na dezen eenig bedenken of ander gevoelen tegen de voorzeide leer of eenig punt derzelve kregen, beloven wij, dat wij het noch openlijk noch heimelijk zullen voorstellen, drijven, prediken of schrijven; maar dat wij het vooraf den Kerkeraad, Classis of Synode zullen openbaren, om door deze geëxamineerd te worden, bereid zijnde ’t aller tijd ons aan

|53|

het oordeel derzelve gewillig te onderwerpen; op poene (straf) dat wij hiertegen doende metterdaad (ipso facto) van onze diensten gesuspendeerd zullen zijn”.

3. Onderteekeningsformulier voor de Professoren.

1. Voor de Hoogleeraren en Lectoren aan de Theologische Hoogeschool.

Het formulier voor de Predikanten is hier en daar gewijzigd om het voor de Professoren passend te maken. Het bestaat uit vier stukken:

a. de verklaring „dat wij van harte van gevoelen zijn en gelooven, dat alle artikelen en stukken der leer, die is begrepen in de Belijdenisschriften van de Gereformeerde kerken in Nederland, in alles overeenkomen met Gods Woord”.

b. de verbintenis, deze leer naarstig te zullen leeren en daartegen niets te zullen leeren of schrijven en alle dwalingen er tegen te zullen tegenstaan en helpen weren.

c. de belofte, „dat wij zoo er bij ons tegen deze leer of eenig punt derzelve bedenking komt, deze bedenking ter kennis zullen brengen van de Gereformeerde kerken in Nederland, in Generale Synode vergaderd, opdat deze daarover oordeelen, bereid zijnde ons gewillig aan haar oordeel te onderwerpen.

d. de toezegging, dat, indien de Synode om gewichtige redenen van verdenking, het noodig oordeelen zou, tot behoud van de eenigheid en de zuiverheid der Leer, van ons te eischen eene nadere verklaring van ons gevoelen over eenig stuk der Gereformeerde belijdenis, wij ten allen tijde daartoe bereid zijn. Een en ander op poene (straf), dat wij hiertegen doende, „van onze diensten zullen worden gesuspendeerd” (geschorst).

2. Voor de Hoogleeraren en Docenten in de Theologische Faculteit der V.U.

Bij de herziening van het verband tusschen de Gereformeerde Kerken en de Theol. Faculteit der V.U. in 1908 is in Art. 5 de bepaling opgenomen:

De Hoogleeraren en andere Docenten onderteekenen vóór dat zij in functie treden, een door de kerken vastgesteld Formulier, waardoor zij hun instemming betuigen met de Belijdenisschriften der Gereformeerde Kerken en zich uitdrukkelijk verbinden, in woord of geschrift niets

|54|

te zullen leeren, dat daarmee strijdig is. Dit Formulier wordt niet vastgesteld, noch gewijzigd, zonder voorgaand overleg met de Directeuren en Curatoren der Vrije Universiteit.

Op dezelfde Synode van Amsterdam, 1908, art. 130, is het volgende Onderteekeningsformulier vastgesteld, dat ook door de Vereeniging voor Hooger Onderwijs werd aanvaard.

De onderteekening der Hoogleeraren en Docenten houdt drieërlei in:

1º de verklaring „dat wij van harte van gevoelen zijn en gelooven, dat alle artikelen en stukken der leer, die is begrepen in de Belijdenisschriften van de Gereformeerde Kerken in Nederland, in alles overeenkomen met Gods Woord”.

2º de verbintenis, „dat wij deze leer naarstelijk zullen leeren en getrouwelijk voorstaan, zonder daartegen iets, hetzij openlijk of heimelijk, hetzij direct of indirect, te zullen leeren of schrijven, en dat wij alle dwalingen, met deze leer strijdende, zullen tegenstaan en helpen weren”.

3º de belofte, „dat wij, zoo er bij ons tegen deze leer of eenig punt derzelve bedenking komt, deze bedenking ter kennis zullen brengen van de Gereformeerde Kerken in Nederland, in Generale Synode vergaderd, opdat deze daarover oordelen”.

4. De onderteekening door Ouderlingen, Diakenen en Proponenten.

a. De onderteekening der Belijdenisschriften door de Ouderlingen en Diakenen is eerst door de Synode van Utrecht, 1905, verplichtend gesteld. De regeling dezer zaak liet zij echter aan de Classes over. De taak der Classes is dus er voor te zorgen, dat de onderteekening door de Ouderlingen en Diakenen in de kerken binnen haar ressort vóór de aanvaarding van hun ambt geschiedt. Bij de Kerkvisitatie moet er telkens naar worden gevraagd.

b. De onderteekening der Belijdenisschriften door de Proponenten was reeds in de 17e eeuw door verschillende Provinciën verplichtend gesteld, maar is eerst door de Synode van Utrecht, 1905, als verplichtend in Art. 54 K.O. voor alle Kerken opgenomen.

De wijze waarop is aan de Classes overgelaten. Meestal voegt men in het Onderteekeningsformulier het woord Proponenten in, zoodat het ook voor hen kan dienen.

Zie voor den tekst der Onderteekeningsformulieren:

|55|

Kerkenordening Ds Joh. Jansen en Ds D. Pol, uitgave Zomer en Keuning, Wageningen.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht II, blzz. 555-593. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring van de Kerkenordening, blzz. 224-230.

———

Jansen, Joh. (1947) III.2

II. De Kinderdoop.

1. Welke kinderen moeten gedoopt worden.

Art. 56 K.O. zegt: „aan de kinderen der Christenen”. Boven het Doopsformulier staat: „Formulier om den heiligen Doop aan de kinderen te bedienen”. De Heid. Cat. vraagt: „Zal men ook de jonge kinderen doopen?” Art. 34 der Geloofsbelijdenis zegt: „de kinderkens der geloovigen”. De bedoeling is kort samengevat, dat de Doop moet bediend worden aan de kinderen der geloovigen, de kinderen des Verbonds, Gen. 3: 15; 17: 7; Hand. 2: 39, die in het Verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, Heid. Cat. Antw. 74; Joël 2: 16; Ef. 6: 1; Col. 3: 20; 1 Joh. 2: 13; 2 Tim. 3: 15.

„De kinderen der Christenen” d.i. der geloovigen worden geen lidmaten door den Doop. Zij zijn het reeds naar den regel van Gods genadeverbond krachtens hun geboorte uit geloovige Ouders, want in de eerste Doopvraag bekennen d.i. belijden wij, dat zij in Christus geheiligd zijn en daarom „als lidmaten Zijner gemeente behooren gedoopt te wezen”.

Ook de kinderen van volwassen Doopleden hebben recht op den Doop. Door den gezegenden arbeid der kerken behoort het zoogenaamde „Doopledenstelsel” al meer tot de uitzonderingen. De kerkeraden moeten naarstig arbeiden, dat niet anders dan bij hooge uitzonderingen van Doopgetuigen behoeft gebruik gemaakt worden, opdat geen kind van Doopleden ongedoopt blijve.

Ook kinderen van gecensureerden behooren gedoopt te worden. De censuur ontneemt niet het bezit en het recht van het lidmaatschap maar alleen het gebruik en de uitoefening van het lidmaatschap. Hun kinderen moeten dus als kinderen des Verbonds beschouwd worden en hebben recht op den Doop. Is een der ouders nog lid in volle rechten, dan kan die de Doopvragen beantwoorden. Zijn beide

|56|

ouders gecensureerd, dan moet er minstens één getuige optreden, liefst een of meer familieleden, bijv. de grootouders. De gecensureerden moeten verklaren, dat zij het toezicht op de opvoeding aan de getuigen opdragen. Bij opheffing der censuur kunnen zij bij verklaring voor den Kerkenraad de stipulatiën inzake de opvoeding van de getuigen overnemen.

Ook een onecht kind van een ongetrouwde moeder, die doop- of belijdend lid is, al is de vader onbekend of een ongeloovige, behoort onder zekere voorwaarden gedoopt te worden. Is zij belijdend lid en komt zij tot berouw, dan kan zij zelf na schuldbelijdenis het kind laten doopen en zelf de Doopvragen beantwoorden. Is zij dooplid en heeft zij oprecht berouw, dan kan haar schuldbelijdenis aanvaard worden al is zij nog niet rijp voor de geloofsbelijdenis. Maar dan kan zij zelf de doopvragen niet beantwoorden. Het beste is dan, dat de grootouders of andere familieleden, mits zij belijdende leden zijn, als getuigen optreden.

2. Door wie de Doop bediend moet worden.

De eigenlijke Bedienaar van den Doop is Christus zelf, Matth. 3: 14; Joh. 3: 22, 26; 4: 1, 2. Maar Hij droeg de uitoefening der bediening aan Zijn discipelen, Joh. 4: 2, later aan Zijn Apostelen op, Matth. 28: 19; Mark. 16: 15, 16; Hand. 2: 38. Er is nergens een aanwijzing in het N. Testament, dat de bediening des Doops aan andere personen naast de Dienaren des Woords is opgedragen. In de pas gestichte Nieuwtestamentische kerken werd de Doop alleen bediend door hen, die het Woord bedienden, zie Hand. 2: 38; 8: 38; 9: 17, 18; 10: 47, 48; 1 Cor. 1: 14-17. De bediening van den Doop was aanstonds aan de bediening des Woords gebonden. De Doop volgde het Woord op den voet. Toen dan ook later de prediking des Woords aan het leerambt werd opgedragen, ging het recht om de Sacramenten te bedienen vanzelf op de leeraren over.

Vandaar dat de Doop door Ouderlingen en Diakenen, door Catechiseermeesters en Ziekentroosters, door Proponenten en gewezen Predikanten, die afgezet zijn, of tot een maatschappelijk beroep zijn overgegaan, niet erkend werd, omdat Christus bevolen heeft te doopen, dien Hij bevoelen heeft te prediken.

Hoogstens werd aan proponenten toegestaan het Doopsformulier te lezen, bijv. in geval de predikant wegens heeschheid moeilijk het geheele formulier kon lezen, maar

|57|

ook dan behoort het afvragen der beloften door den predikant te geschieden, omdat dit een ambtelijk karakter draagt.

Inzake de erkenning van den Doop door andere kerken bijv. de Roomschen, Lutherschen, Wederdoopers, Remonstranten bediend, stelden de Gereformeerde Kerken als regel, dat zij elken Doop erkennen, die aan deze drie kenmerken beantwoordt: 1º dat hij bediend is naar de instelling van Christus, met water en in den naam der Drieëenheid; 2º dat hij bediend is in een Christelijke gemeenschap, die aan de belijdenis der Drieëenheid vasthoudt en dus in beginsel een Christelijke kerk is; 3º dat hij bedien is door een ambtsdrager of persoon, die in die Christelijke gemeenschap tot doopen bevoegd is.

3. Wanneer de Doop bediend moet worden.

Art. 56 K.O. zegt: „Zoo haast men de bediening deszelven hebben kan”. Dat was in de eerste samenkomst der gemeente, ’t zij die in de week of op den rustdag gehouden werd. Guido de Brès, de opsteller onzer Geloofsbelijdenis, liet zijn eerstgeboren kind den dag na de geboorte reeds doopen.

Het is ook Schriftuurlijk. Niet alleen de volwassenen zelf, zooals de volwassen bekeerlingen, Matth. 3: 6; Mark. 1: 5; Hand. 2: 41; mannen en vrouwen, Hand. 8: 12; de kamerling, Hand. 8: 36; maar ook hun gezinnen werden terstond gedoopt, zooals Cornelius en zijn gezin, Hand. 10: 2, 47; 11: 13-14; Lydia en haar gezin, Hand. 16: 15; de stokbewaarder en al de zijnen, Hand. 16: 33; Crispus, de overste der synagoge en heel zijn huis, Hand. 18: 8; en het huisgezin van Stephanas, 1 Cor. 1: 16.

Het bezwaar, dat de zoogenaamde „vroegdoop” een Roomsch gebruik zou zijn is niet juist. Rome was voor den vroegdoop omdat de doop de wedergeboorte werkt en dus noodzakelijk is tot zaligheid. Onze Gereformeerde vaderen waren voor het doopen „zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan”: 1º omdat de kinderen der geloovigen reeds van de geboorte af in het verbond der genade begrepen zijn en dus recht op den doop hebben; 2º omdat de doop niet tot na den achtsten dag moet wachten zooals de besnijdenis, maar zoo spoedig mogelijk moet geschieden; 3º omdat het N.T. den indruk geeft, dat de kinderen der eerste bekeerlingen „zoo haast” het kon gedoopt werden.

Wegens „eenighe sware oorsaecke”, bijv. als de vader geen belijdend lid of afwezig of ziek is, is uitstel natuurlijk

|58|

noodig en wettig. Komt de moeder mee, dan mag zij evengoed als de vader op de doopvragen antwoorden.

4. Ten doop presenteeren.

Art. 57 K.O. bepaalt: De Dienaars zullen hun best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten doop presenteere”.

Wat beteekent ten doop presenteeren?

Dr H. Bavinck schreef in zijn „Ouders of getuigen” blz. 90: Presenteeren is hier den doop aanvragen, niet ten doop heffen (het kind bij den doop vasthouden). Dat kon de vader, maar ook de moeder of de predikant, desnoods de baker doen.

Dr F.L. Rutgers zegt in zijn Dictaat K.O. bij Art. 57: De presentatie geschiedt, wanneer het kind voor den doop wordt aangegeven. Het kind vasthouden is „het kind ten doop heffen”. Wie dat doet is onverschillig. Maar in zijn Kerkelijke Adviezen, II, blzz. 46, 59 verklaarde hij, dat de presentatie „aanvankelijk reeds geschiedt doordat de vader den doop aanvraagt, maar eerst tot stand komt, zoodra hij „als gerechtigde de stipulatie aangaat door het beantwoorden der doopvragen”.

Dr H.H. Kuyper corrigeert beiden in „De Heraut”, 1901, no. 1226. Hij zegt: ten doop presenteeren beteekent nooit en nergens den doop bij den kerkeraad aanvragen, maar altijd bij de doopsbediening zelve het kind ten doop aanbieden en de doopbelofte afleggen. Uit een reeks bewijzen: Dordt. 1578, art. 9; de Forma ac Ratio van à Lasco; de K.O. van den Paltz, 1563, Dordr., 1574, no. 62 neem ik er één uit ten bewijze nl. de Synode van Middelburg, 1581, vr. 22: „Of het niet raadzaam is, dat de ouders, die hun kinderen ten doop presenteeren willen, hetzelve of den Dienaar of iemand van de Ouderlingen te voren aanzeggen”. Het „aanzeggen” d.i. de aanvrage van den doop ging dus aan de presentatie vooraf. Het „ten doop heffen”, d.i. het vasthouden van het kind bij het doopen komt allereerst aan den vader en bij diens afwezigheid eventueel aan de moeder toe.

Voorts bepaalt Art. 57 K.O. nog, dat in gemeenten, waar naast den Vader nog getuigen bij den doop werden toegelaten, men moest zorgen, dat zij zuiver in de leer en vroom van wandel waren.

Bij Rome traden de peetouders (getuigen) als geestelijke ouders in plaats van de natuurlijke ouders op.

|59|

De Gereformeerde Kerken hebben aanstonds bij de reformatie in de 16e eeuw het recht van de ouders hersteld. Alleen lieten zij het optreden van getuigen niet in plaats van, maar naast de ouders aanvankelijk nog vrij, omdat vele ouders nog aan het Roomsche gebruik hechtten.

Maar de synode van Middelburg, 1933, heeft in het Formulier voor den Kinderdoop de vermaning aan de „Ouders die mede ten Doop komen” boven de doopvragen veranderd in: „Vermaning aan de Ouders of getuigen”, en in de derde doopvraag aan het slot de woorden: „om te doen en te helpen onderwijzen” veranderd in: „en te doen onderwijzen”. De reden daarvan was, dat alleen in het geval geen van beide ouders de doopvragen kon beantwoorden, de getuigen in hun plaats ook de verplichting op zich namen het gedoopte kind naar hun vermogen te onderwijzen en te doen onderwijzen bijv. op de catechisatie en op de christelijke school.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, II, blzz. 233-356. — Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, II, blz. 6-104. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring K.O., blzz. 234-251.

———

Jansen, Joh. (1947) III.3

III. De bejaardendoop.

1. De grens tusschen den kinder- en den bejaardendoop.

Deze werd aanstonds bij de reformatie in de 16e-17e eeuw op het 15e levensjaar gesteld. De kindsheid duurt van 1-7 jaar, de knapenleeftijd van 8-14 en de jongelings- en meisjesleeftijd van 15-21 jaar. Men was het algemeen eens, dat de kinderen van 1-7 jaar nog geheel als kinderen te beschouwen en te doopen waren; en dat met en na het 15e jaar geen kinderdoop meer mocht geschieden. De moeilijkheid lag in de tusschen-periode van 8-14 jaar en dan vooral bij kinderen van 12, 13 en 14 jaar.

De vraag rees of die nog zonder belijdenis konden gedoopt worden. Daarover is op de Synoden telkens gehandeld. Maar het algemeen gevoelen werd almeer, dat de leeftijd op zich zelf nooit een reden mag zijn om de kinderen des verbonds van den Doop uit te sluiten. Integendeel de Doop moest hun zelfs zoo spoedig mogelijk bediend worden. Was die reeds eenige jaren uitgesteld, dan was er des te meer reden, om nu niet langer te wachten.

|60|

Wel werd er dan bij oudere kinderen van ongeveer 12 tot en met 14 jaar vooraf een voorloopig onderzoek ingesteld of er ook bepaalde redenen waren, waarom zulk een kind bijv. wegens positief verzet tegen Gods Woord, of wegens onzedelijkheid niet meer als een kind des Verbonds erkend kon worden. Was dat niet het geval, dan onderzocht men wel of zij bijv. de 10 geboden, het Onze Vader en de 12 geloofsartikelen kenden, om hen dan na bevredigend onderzoek tot den doop toe te laten. Dit was dan nog geen volkomen geloofsbelijdenis, die ook toegang gaf tot het heilig Avondmaal, maar een voorloopig onderzoek dat aan den kinderdoop vooraf ging, om te weten of er reeds eenige kenmerken van godsvrucht aanwezig waren.

Maar wie den leeftijd van 15 jaar of daarboven bereikt had, moest belijdenis des geloofs afleggen en als volwassene gedoopt worden; en in geval iemand daartoe nog niet in staat, of bereid was, moest de volwassendoop worden uitgesteld totdat hij of zij nader onderricht ontvangen had en na geloofsbelijdenis als volwassene gedoopt en tot het Heilig Avondmaal toegelaten kon worden.

2. De volwassen gedoopten zijn schuldig het Avondmaal des Heeren te gebruiken.

De vraag is of de toelating tot den bejaardendoop de toelating tot het Avondmaal des Heeren insluit. Het woord bejaarden heeft hier niet den zin van bedaagden, die een hoogen leeftijd hebben bereikt, maar beteekende toen, dat zij tot hun jaren, d.i. tot de jaren des onderscheids gekomen waren.

Aanvankelijk waren de kerken in de 16e en in het begin der 17e eeuw op dit punt onbeslist. Telkens rees de vraag of jongelieden, die ongedoopt waren en bijv. op 15-, 16-, 17jarigen leeftijd den doop begeerden zonder eenig fundament in het geloof te hebben, en zonder nog ten Avondmaal te kunnen gaan, wel gedoopt mochten worden? Ook kwam het voor, dat ongedoopten den Doop begeerden om de kerkelijke huwelijksbevestiging te verkrijgen, omdat de kerken weigerden een huwelijk met een ongedoopte te bevestigen.

Vooral op de Provinciale Synoden van Noord- en Zuid-Holland was de kwestie telkens aan de orde. Zij weifelden aanvankelijk en hadden niet den moed om te weigeren. Zij lieten zulke ongedoopten, als zij niet al te onverschillig waren, tot den doop toe met de vermaning, dat zij zich

|61|

„met den tijt bequamelick en ordentelick tot den avontmale (souden) begheven”, maar zonder hen te laten beloven terstond ten Avondmaal te gaan.

Zoo kwam de vraag door de Provinciale Synoden van Noord- en Zuid-Holland en van Utrecht op de Synode van Dordrecht 1618/19. Bij de behandeling van dit vraagstuk bleek, dat de afgevaardigden van Noord-Holland reeds beslist waren, want zij adviseerden: „dat men geen bejaerde en behoort te doopen dan die beloven haer mette eerste gelegenheyt oock tot het gebruyck des H. Avontmaels te begeven”. De Synode nam dit advies over en maakte zoo aan alle toegeeflijkheid een einde. Zij legde haar beslissing vast in de woorden, die in Art. 59 der K.O. zijn afgedrukt en nam dit besluit als een nieuw artikel in de K.O. op.

3. Getuigen naast de ouders.

Rome had het getuigenstelsel in plaats van de ouders. De Gereformeerde Kerken herstelden de ouders in hun rechten, maar hielden aan de getuigen naast de ouders als een soort borgen voor de opvoeding der kinderen tot aan de 18e eeuw nog vast. Maar in de 18e en 19e eeuw is ook dat langzamerhand in onbruik geraakt. En terecht, want als de ouders zelf in volle rechten optreden bij den Doop zijn de getuigen naast de ouders overbodig. Alleen bij uitzondering, bijv. wanneer de ouders gestorven zijn, of nog geen belijdenis gedaan hebben, en dus kerkelijk nog onmondig zijn, zijn er nog getuigen noodig, maar dan moeten zij „de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn”, dus ongerepte belijdende leden zijn, die het best voor het kind kunnen zorgen, zelfs al zijn zij lid van een andere gereformeerde kerk.

Bronnen: Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, II, blzz. 305-310; 448-449. — Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, II, blz. 67-86. — Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring K.O., 2e druk, blz. 252-254.

———

Jansen, Joh. (1947) III.4

IV. Het Avondmaal.

1. De toelating tot het Avondmaal.

De instelling van het Avondmaal rust op de Schrift. Na de uitstorting des Heiligen Geestes, Hand. 2, kwam de

|62|

gemeente te Jeruzalem, vermoedelijk met de 3000 bekeerlingen, vs 41, samen, volhardende in de leer (het onderricht) der Apostelen, in de gemeenschap en in de breking des broods d.i. in de viering van het Avondmaal (en den liefdemaaltijd) en in de gebeden, vs 42. Volgens Hand. 20: 7 was er te Troas op den eersten dag der week een gemeentevergadering, waar Paulus het Evangelie verkondigde en het Heilig Avondmaal bediende, waaraan vermoedelijk ook de liefdemaaltijd verbonden was. Dit is een bewijs voor de Zondagsviering in de oude kerk, zie ook 1 Cor. 16: 2.

In 1 Cor. 11: 17-34 bestraft Paulus het misbruik bij de viering van het Avondmaal. In dezen tekst hebben wij ook de richtlijnen voor de toelating tot het Avondmaal.

Waarom mogen de gedoopte kinderen niet zonder meer tot het Avondmaal toegelaten worden? Zij zijn toch niet alleen in het Verbond Gods, Gen. 17: 7; Hand. 2: 39; 1 Cor. 7: 14, maar ook in de gemeente van Christus, Ef. 6: 1-4; Col. 3: 20, begrepen.

Omdat volgens 1 Cor. 11: 28 vóór de toelating tot het Avondmaal de zelfbeproeving noodig is: „Maar de mensch beproeve zich zelven” enz. Het vermogen des geloofs kan wel bij een kind aanwezig zijn, maar het moet eerst het actueele geloof in geloof en leven openbaren. Daarom waren de Gereformeerde Kerken tegen de kinder-communie (het kinder-Avondmaal).

Vóór de toelating tot het Avondmaal moet dan ook een onderzoek plaats hebben inzake de „Gereformeerde religie” en of er getuigenis eens „vromen wandels” kan gegeven worden.

Dit onderzoek is geen wetenschappelijk examen, maar een kerkelijk onderzoek inzake de kennis der Schrift en der Belijdenisschriften en hun geestelijk en zedelijk leven. In kleine gemeenten geschiedt het in den regel door den kerkeraad, in groote gemeenten door een commissie uit den kerkeraad.

De openbare belijdenis heeft plaats in een openbare samenkomst der gemeente. Drie eeuwen lang hadden onze kerken er geen kerkelijk vastgesteld formulier voor. De eene kerk gebruikte de vragen van Voetius. Andere kerken gebruikten de vragen door de Classis, of door den Kerkeraad vastgesteld. Telkens werd er op aangedrongen een eigen formulier vast te stellen. Vandaar, dat de Synode van Utrecht, 1923, een kort Formulier voor de openbare geloofsbelijdenis met een viertal vragen ontwierp, dat sinds

|63|

algemeen gebruikt wordt. Het is in verschillende van onze later verschenen Psalmboeken boven het Avondmaalsformulier opgenomen.

Leden van andere kerken, die met onze Gereformeerde Kerken in kerkverband staan en tot ons overkomen, worden op bewijs van lidmaatschap (attestaties) zonder nader onderzoek aanvaard en tot het Avondmaal toegelaten. Maar bewijs van lidmaatschap van kerken, die niet met onze kerken in kerkverband staan, gelden niet voor hun toelating. Elk geval moet dan op zichzelf behandeld worden. Zie mijn Korte Verklaring der K.O., 2e druk, blzz. 259-263.

2. De wijze der Avondmaalsviering.

Aanvankelijk was er in de 16e eeuw verschillend gebruik. In sommige kerken ging de predikant bij de gasten langs, die dan staande of zittende brood en beker uit zijn hand namen. In andere gingen de leden bij den predikant langs om brood en beker van hem aan te nemen. Langzamerhand is het zitten aan de tafel in onze kerken regel geworden. Dit komt ons voor het meest in overeenstemming te zijn met de wijze waarop het eerste Avondmaal door Jezus met Zijn apostelen is gevierd, Matth. 26: 20, 26-28. Het Avondmaal is een maaltijd. Wel is er in de Schrift geen gebod, dat het aanzitten de eenig juiste manier is, maar langzamerhand werd het zitten aan de tafel een vast gebruik. En het komt ons voor dat dit ook de meest gewijde vorm is.

Over de vraag, of men onder de bediening uit de Schrift zal lezen of Psalmen zingen, was in de 16e eeuw verschil. De Synode van Dordrecht, 1578, liet het vrij. En de kerken stemden er mee in. Dit blijkt uit het Avondmaalsformulier, waar wij lezen: „Terwijl men communiceert zal men stichtelijk zingen, of sommige kapittelen lezen der gedachtenis des lijdens van Christus dienende, als Jes. 53, Joh. 6, 13, 14, 15, 16, 17, 18, of dergelijke”. Zingen of Schriftlezen werd in de vrijheid gelaten. Opmerkelijk is nu, dat Schriftlezen regel is en zingen alleen bij het verwisselen der tafels plaats heeft. Een vrije toespraak komt zelden of nergens meer voor. Bij het sacrament moet niet het woord, maar het teeken spreken.

3. De tijd der Avondmaalsviering.

Reeds na de instelling werd het Avondmaal op den rustdag gevierd, Hand. 20: 7. Dit voorbeeld is echter geen gebod. God heeft de tijdsbepaling aan de kerken overgelaten.

|64|

Calvijn poogde het wekelijks, later maandelijks, op den rustdag te vieren, maar toen hij dit in Genève niet kon bereiken, werd het viermaal in het jaar.

Bij de reformatie der kerken kon aanvankelijk wegens de vervolging nog geen tijd bepaald worden. De synode van Dordrecht, 1574, gaf als regel elke twee maanden aan. En de synode van Utrecht, 1905, sloot zich daarbij aan met deze wijziging: Het Avondmaal des Heeren zal ten minste alle twee of drie maanden gehouden worden. In de meeste kerken is om de drie maanden gewoonte, maar enkele kerken, zooals Amsterdam en Nijverdal hebben zich aan het oude gebruik van „twee maanden” gehouden, of zijn er tot teruggekeerd. Dit moest dunkt ons algemeen navolging vinden. Wij kwamen er nader door bij de oorspronkelijke gewoonte.

4. De plaats der Avondmaalsviering.

Art. 64 K.O. luidt: „De bediening des Avondmaals zal alleen geschieden waar toezicht is van Ouderlingen, volgens kerkelijke orde, en in eene openlijke samenkomst der gemeente”.

De Synode van Leeuwarden, 1920, besloot, dat het Avondmaal ook in stichtingen, aan lijders van besmettelijke ziekten, die bezwaarlijk de gewone samenkomsten konden bezoeken, mocht bediend worden; dat ook de gereformeerde verplegers van de stichting en zelfs niet-gereformeerde verpleegden, op verzoek en op bewijs dat zij in hun kerk tot het Avondmaal zijn toegelaten, in de grondstukken met ons overeenstemmen en onberispelijk van wandel zijn, er aan mogen deelnemen; en dat de kerkeraad om besmetting te voorkomen na advies der doktoren de noodige maatregelen mocht nemen. Het betrof hier de Stichting „Sonnevanck” bij Harderwijk.

Een telkens herhaalde vraag gold ook de krankencommunie: of het Avondmaal aan zieken en zwakken in hun private woning mocht bediend worden. In de Gereformeerde Kerken en onder de groote theologen was er steeds verschil. De Gereformeerde Kerken in de Paltz, Hongarije, Schotland waren er voor. Die van Genève, Frankrijk en Nederland waren er tegen. De theologen Calvijn, Oecolampadius, Zanchius waren er voor, maar Bullinger, Beza, Danaeus e.a. er tegen.

De voorstanders voerden aan, dat het Roomsche misbruik het rechte gebruik niet mocht tegenhouden. Dat aan

|65|

den eisch van een gemeenschappelijken maaltijd, 1 Cor. 10: 16-17; en van een gemeenschappelijke godsdienstoefening, 1 Cor. 11: 20-21, voldaan kon worden door het aan meer dan één zieke te bedienen; en dat het bij wijze van uitzondering aan zieken, die het begeerden, bediend werd.

De tegenstanders merkten daartegen op, dat er in het N.T. geen sprake van is: het is een gemeenschappelijke maaltijd in een openbare samenkomst der gemeente, 1 Cor. 10: 16-21; niet de ontbering, maar de verachting van het sacrament maakt schuldig; dat er vele practische bezwaren tegen zijn, bijv. komt het alleen toe aan langdurige zieken, of aan plotselinge zieken, die sterven gaan; of ook aan ouden en zwakken, enz. en of het éénmaal of meermalen, of zoo vaak zij het begeeren bediend moet worden.

Op de Synode te Utrecht, 1923, kwam de vraag opnieuw aan de orde. Deze was er niet rijp voor en gaf ze ter bestudeering aan de kerken over. Er bleek al meer ernstig bezwaar tegen te bestaan. Eerst na tien jaar kwam de Synode te Middelburg, 1933, tot „de besliste uitspraak, dat het geenszins wenschelijk is tot het invoeren der krankencommunie als kerkelijk gebruik over te gaan.”

Bronnen: Ds Joh. Jansen, Korte Verklaring der K.O., 2e dr., blzz. 257-274. — Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, II, blz. 363-449. — Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen, II, blzz. 111-191.

———

Jansen, Joh. (1947) IV.1

Hoofdstuk IV
De kerkelijke Tucht.

I. De beginselen der Tucht.

1. De oorsprong der Tucht.

De beginselen der tucht liggen reeds in het O.T. Aanstonds na den zondeval treedt de tucht in werking. God zet vijandschap tusschen Satan en Eva, zijn zaad en haar zaad, Gen. 3: 15. Hij zal scheiding making tusschen Satan en Eva, zijn volgelingen en haar nakomelingen, d.i. tusschen het onheilig en heilig geslacht, de ongeloovigen en geloovigen, de wereld en de kerk.

Onder Israël is de Cherem of ban een theocratische straf,

|66|

die naar twee zijden werkte. Naar buiten moest Israël de zeven Kanaänietische volken, Deut. 7: 1-7; en naar binnen de afgodendienaars E. 22: 20; Deut. 17: 27; de Godslasteraars, Lev. 24: 11-16, en de doodslagers, Num 35: 16 dooden. Helaas heeft Israël die Goddelijke opdracht niet volbracht, zoodat het ten slotte in den kleinen ban der ballingschap, en na de Christus-verwerping in den grooten ban der verstrooiing geraakte.

In het N.T. hebben wij eerst de Sleutelmacht. Christus gaf die eerst aan Petrus, Matth. 16: 19; en daarna aan al de Apostelen, Matth. 18: 18; Joh. 20: 23. Zij was een extra-ordinaire macht om den toegang tot en de uitsluiting uit het koninkrijk der hemelen onfeilbaar te bepalen.

Daarna volgen de buitengewone tuchtoefeningen door de Apostelen; in Hand. 5: 1-6, waar Ananias en Saffira wegens hun liegen tegen den H. Geest met den dood werden gestraft; in Hand. 8: 20-23, waar Simon de toovenaar aan het verderf wordt overgegeven, omdat hij de Geestesgave door geld zocht te verkrijgen; in Hand. 13: 6-12, waar Elymas de toovenaar met blindheid wordt geslagen; en in 1 Cor. 5: 5 en 1 Tim. 1: 20, waar over de overgave aan Satan wordt gehandeld.

Tenslotte volgt een aantal teksten uit de Brieven, die over de tuchtoefening in de plaatselijke kerken handelen. De voornaamste zijn: Rom. 16: 17, 18; 1 Cor. 5: 2, 13; 1 Thess. 5: 14; 2 Thess. 3: 6, 14; 1 Tim. 5: 20; Tit. 3: 10; Openb. 2: 2, 14, 20.

2. Het karakter der Tucht.

Art. 71 K.O. zegt, dat „de Christelijke straf”, d.i. de kerkelijke tucht, „geestelijk is en niemand van het burgerlijk gericht of de straf der Overheid bevrijdt”. Zij is een geestelijke macht over de kerk, welke de Vader aan Christus heeft geschonken, Ps. 2: 6: „Ik toch heb Mijnen Koning gezalfd over Zion, den berg Mijner heiligheid”. Christus gaf ze op zijn beurt aan de pas gestichte kerken, zie Ef. 4: 11: „En Deze heeft gegeven sommigen tot apostelen”, enz. En in de kerken wordt zij bediend door opzieners en ambtsdragers, die van Christuswege door de kerken worden verkozen, Hand. 20: 28; Ef. 4: 11; 1 Cor. 12: 28; Hebr. 5: 4.

De burgerlijke of overheidsmacht komt van God als Schepper van hemel en aarde: „Door Mij regeeren de Koningen en vorsten stellen gerechtigheid, door Mij

|67|

heerschen de heerschers en de prinsen, al de rechters der aarde”, Spr. 8: 15, 16. De handhaving van het recht heeft God aan de Overheid opgedragen, Rom. 13: 1 v.v.

Vandaar, dat de kerkelijke tucht krachtens haar geestelijk karakter niemand harer leden van de burgerlijke straf ontslaat. Als een lid der kerk een diefstal of moord pleegde en na oprecht berouw met haar en zijn naaste verzoend werd, dan zou hem dat niet van de burgerlijke straf tot zelfs de doodstraf toe ontslaan.

3. De oorzaken der Tucht.

De oorzaken der tucht zijn tweeërlei: Zoo iemand tegen de zuiverheid der leer dwaalt of tegen de vromigheid des levens zondigt, art. 72 K.O.

Voorbeelden van tuchtwaardige leerdwaling zijn volgens de Schrift de valsche profetie, Matth. 7: 15; 24: 11; Hand. 20: 28; tweedracht en ergernissen tegen de leer, Rom. 16: 17-18; valsche prediking, Gal. 1: 8, 9; 5: 12; loochening van de opstanding der dooden, 1 Cor. 15: 12-18; ketterij, Tit. 3: 10; loochening van het Zoonschap van Christus en van de vleeschwording des Woords, 1 Joh. 2: 22; 4: 3; 2 Joh.: 7, 10.

Voorbeelden van tuchtwaardige levenszonde zijn: de huichelarij van Ananias en Saffira, Hand. 5: 1-11; de simonie van den toovenaar te Filippi, Hand. 8: 18-25; de bloedschender te Corinthe, 1 Cor. 5: 1-5; de veinzerij van Petrus, Gal. 2: 11-14; en verder: hoererij, ontucht, dronkenschap enz.; 1 Cor. 6: 10; Gal. 5: 19; Ef. 5: 5; 1 Tim. 1: 9-10; Hebr. 13: 4; Openb. 21: 8.

Elke dwaling in leer of leven is nog geen tuchtwaardige zonde in engeren zin. Dan zouden wij altijd onder de kerkelijke tucht staan, „want wij struikelen allen in vele”, Jak. 3: 2. Een tuchtwaardige zonde is 1e een bepaalde zonde; 2e die openbare ergernis geeft; 3e een hardnekkige volharding in die zonde.

4. De uitoefening der Tucht.

De heimelijke zonden moeten volgens Matth. 18: 15-17 ook heimelijk behandeld worden. Er is echter verschil over de vraag of de woorden tegen u, wel in den grondtekst behooren. Calvijn oordeelde, dat ze er in behooren. Dan beteekent „tegen u gezondigd heeft” een persoonlijke krenking. Prof. Grosheide e.a. meenen dat ze er niet in hooren. Dan geldt de tekst geheel in het algemeen van alle

|68|

verborgen zonden: „Maar indien uw broeder gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tusschen u en hem alleen”. Uit andere teksten blijkt ook duidelijk, dat heimelijke zonden heimelijk behandeld moeten worden. Petrus wekt ons op: „hebt vurige liefde tot elkander, want de liefde zal menigte van zonden bedekken”. Zie ook Spr. 10: 12, Jak. 5: 19-20.

Dit is een gebod Gods en in de practijk zeer noodig. De gemeenteleden laten dergelijke kwesties in het algemeen liever aan den kerkeraad over. Maar de Schrift eischt dat dergelijke geschillen krachtens het ambt der geloovigen worden verzoend. De geloovigen „zijn machtig elkander te vermanen”, Rom. 15: 14; zij moeten „dagelijks voor elkander waken”, Hebr. 3: 13.

In twee gevallen moet een tuchtwaardige zonde aan den kerkeraad aangegeven worden, 1º wanneer de verzoening volgens Matth. 18: 15-17 mislukt; en 2º wanneer iemand een openbare zonde bedreven heeft. In Matth. 18: 17 staat wel: „zeg het der gemeente”, maar Christus bedoelt hier kennelijk de georganiseerde gemeente, die later onder opzicht van den Kerkeraad zou gesteld worden.

Op verschillende manier kan de kerkeraad kennis krijgen van de zonde: door aangifte als de verzoening mislukt, door klaarblijkelijkheid, door bekentenis van den schuldige, door anonieme brieven en geruchten, enz.

Blijkt de schuld, dan volgt de ambtelijke vermaning door den kerkeraad, die na duidelijk gebleken schuld een bestraffend karakter draagt, zie Hand. 5: 1-11; Gal. 2: 11-14.

Het doel der tucht is immers: 1º om den zondaar met de kerk en met den naaste te verzoenen, 2 Thess. 3: 14; 1 Cor. 5: 5; 2º om de ergernis uit de gemeente weg te nemen, 1 Cor. 5: 6, 11; 3º om den naam des Heeren heilig te houden.

5. De verzoening.

Heimelijke zonden moeten volgens den eisch van Jezus heimelijk verzoend worden, Matth. 5: 23-24; 18: 15. Maar openbare zonden moeten na duidelijk bewijs van schuld en kenteekenen van oprecht berouw òf openbaar voor de gemeente òf alleen voor den kerkeraad verzoend worden met kennisgeving aan de gemeente. Een vast formulier hebben wij er niet voor. Elk geval moet afzonderlijk behandeld worden. Is een geschorste zonder attestatie aan te vragen naar een andere gemeente verhuisd, dan raadt

|69|

Voetius aan, dat de kerkeraad der vorige gemeente hem vermaant over te komen en alsnog schuldbelijdenis te doen om een schoone attestatie te ontvangen. Weigert hij dit en weigert hij ook een attestatie aan te vragen, waarop zijn censuur moet worden aangeteekend, dan onttrekt hij zich door eigen schuld aan de kerk.

Bronnen: Dr H. Bouwman, De Kerkelijke Tucht. — Ds Joh. Jansen: De Kerkelijke Tucht en De Korte Verklaring van de K.O., 2e druk, blzz. 293-311. — Dr H. Bouwman, Geref. Kerkrecht, II, blz. 594 v.v.

———

Jansen, Joh. (1947) IV.2

II. De Tucht over Doopleden.

1. Verschil van beschouwing in de 16e en 17e eeuw.

In de Kerkenordening van Genève is er niet over gehandeld. Maar wel in de Vluchtelingenkerken te Londen, 1550 v.v., onder leiding van à Lasco en Maarten Micron. Volgens à Lasco werden de volwassen doopleden als leden erkend zoolang zij niet wegens opzettelijke versmading van Christuswege werden afgesneden. Maaren Micron verklaarde zelfs, dat de Vluchtelingenkerk zich op den objectieven grondslag van het verbond der genade stelde.

Maar van al onze Gereformeerde synoden van 1571-1618/’19 heeft alleen de synode van Dordrecht, 1578, zich er over uitgesproken en wel in negatieven zin, dat de hardnekkige en afvallige doopleden zonder excommunicatie buiten de gemeenschap der kerk kwamen te staan. De excommunicatie mocht slechts toegepast worden op hen, die na „belijdenis en verbintenis” tot het Avondmaal waren toegelaten. Afvallige doopleden moesten alleen vermaand worden. Bleven zij „hartneckich”, dan plaatsten zij zich zelf buiten het Verbond Gods en buiten de kerk.

Jammer dat de groote canonicus Voetius ook een afwijkend gevoelen had. Hoe hoog wij hem ook waardeeren, wij mogen hem hierin niet volgen. Hij grondde het lidmaatschap der kerk niet op de objectieve verklaring van God in het Verbond der genade, maar op de subjectieve vrijwillige aanvaarding door de persoonlijke geloofsbelijdenis, vrijwillig aangegaan. De ouders, die belijdenis des geloofs aflegden en door hun belofte een verbintenis aangingen waren volgens Voetius de „eigenlijke bestanddeelen” der kerk, de

|70|

gedoopte kinderen der geloovigen waren slechts „oneigenlijke bestanddeelen” der kerk, omdat de belijdenis en verbintenis der ouders voor de kinderen geldt als hun „onuitgesproken en potentieele verbintenis en belijdenis”. Vandaar, dat de eigenlijke kerkelijke tucht d.i. de kleine en groote ban (de afhouding van het H. Avondmaal en de uitsluiting uit de kerk) op hen niet kan toegepast worden. Want op incomplete leden is alleen de incomplete tucht (vermaning en berisping) van toepassing.

2. Het verschil tusschen De Cock en Scholte.

De hoofdstroom der Afscheiding van 1834 v.v. onder leiding van De Cock, trok de zuivere lijn der 16e eeuw door. Dit blijkt uit het besluit van de vijf Noordelijke Provinciën: Friesland, Groningen, Drenthe, Overijssel en boven-Gelderland, die op 22 Sept. 1837 te Nieuwleusen als Provinciale Synode vergaderden.

Om twee redenen is dit besluit van groot belang: 1º omdat het zoo juist en scherp het gevoelen van de hoofdgroep der Afscheiding weergeeft; en 2º omdat het ook met instemming van Van Velzen, Brummelkamp en Van Raalte genomen werd. Aanvankelijk stond De Cock in het Noorden alleen. Hij was de eenige die in Groningen studeerde, Brummelkamp, Van Velzen en Van Raalte studeerden allen te Leiden, en stonden er sterk onder den invloed van Scholte, maar kwamen inzake het Doopledenstelsel hier achter De Cock.

Het besluit luidt aldus: „Alle gedoopten in de gemeenten dienen krachtens de beloften Gods als lidmaten beschouwd te worden en mitsdien behooren hun kinderen gedoopte te worden, al ware het, dat zij om de een of andere reden de beproevingsbelijdenis om tot het gebruik des H. Avondmaals toegelaten te worden, nog niet hadden afgelegd, vermits men hen als lidmaten der gemeente moest blijven beschouwen, totdat zij om wettige redenen van de gemeente waren afgesneden”.

Opmerkelijk, dat de hoofdstroom der Afscheiding zich toen reeds op het standpunt van het Verbond der genade stelde en op dien grond verklaarde: 1º dat alle gedoopte kinderen bij het opgroeien als lidmaten (doopleden) dienden erkend te worden. 2º dat mitsdien hun kinderen behoorden gedoopt te worden, ook al hadden de ouders nog geen geloofsbelijdenis gedaan; en 3º dat zij wegens een tuchtwaardige

|71|

zonde van leer of leven voorwerpen der eigenlijke tucht waren, zelfs tot de afsnijding toe.

H.P. Scholte, de leider van de Zuidelijke groep, was het er niet mee eens. Hij erkende slechts tweeërlei leden: belijdende leden en gedoopte kinderen. Bij hem besliste de persoonlijke wilskeuze, die in de belijdenis des geloofs uitkomt. Hij weigerde dan ook den Doop te bedienen aan kinderen van volwassen doopleden. Hij rekende alleen met de persoonlijke wilskeuze in de belijdenis des geloofs. De gedoopte volwassenen, die geen belijdenis deden, rekende hij niet mee. Of hij hen wel eens met den Ban afsneed las ik niet. Vermoedelijk liet hij hen aan hun lot over. Allengs verminderde zijn invloed zeer. In 1847 ging hij met een groep emigranten naar Amerika (Iowa). Ook daar werkte zijn geest nog lang na, maar zijn kerkelijke idealen zijn „in rook opgegaan” (Dr H. Beets).

3. De Gereformeerde Kerken na de vereeniging in 1892.

Opmerkelijk is nu, dat de Christelijk Gereformeerde Kerk uit de Afscheiding van 1834-1892, en de Nederduitsch Gereformeerde Kerken uit de Doleantie van 1886-1892, nog telkens op haar Synoden met het Doopledenstelsel zaten te worstelen en er geen raad mee wisten.

Zoo is het te verklaren dat de vereenigde kerken aanstonds op haar eerste synode te Dordrecht, 1893, aan de Profss. Dr H. Bavinck en Dr F.L. Rutgers opdroeg op de volgende Synode, te Middelburg, 1896, over dit vraagstuk advies uit te brengen. Dit advies, door Prof. Rutgers opgesteld, ging uit van het beginsel van Voetius, dat het lidmaatschap der kerk rust op de aanvaarding door de persoonlijke geloofsbelijdenis vrijwillig aangegaan en niet op de Goddelijke verklaring van het Verbond der genade.

De Synode te Middelburg 1896 ontving het rapport met schuchtere welwillendheid. Zij verklaarde wel „met de hoofdstrekking zich te vereenigen” en „het wel wenschelijk te achten dat de kerkeraden zooveel mogelijk in dien geest arbeiden”. Maar al spoedig bleek, dat het de kerken toch niet bevredigde. Men voelde als bij instinct, dat er wat haperde. Maar waar de fout zat en waar de schoen wrong, wist blijkbaar niemand. Zoo sterk, dat de Gereformeerde Kerken na 1896 nog 40 jaren met het Doopledenstelsel hebben geworsteld eer men tot overeenstemming kwam.

Eerst de Synode te Sneek, 1939-’40, heeft in het Rapport, waarvan Prof. Dr G.M. den Hartogh de opsteller

|72|

was, de fouten van Voetius-Rutgers duidelijk aangewezen:

1º dat het lidmaatschap van de kinderen der geloovigen zou rusten op de vrijwillige aanvaarding van, en niet op de Goddelijke verklaring in het Verbond der genade: Ik ben uw God en de God van uw zaad, Gen. 17: 7 e.a.

2º dat de volwassen doopleden als incomplete leden slechts onder de incomplete tucht van vermaning zouden vallen en als zij die vermaningen niet opvolgden, geacht moesten worden het lidmaatschap der kerk te verliezen; waarbij het wenschelijk geacht werd, dat de kerkeraad dit uiterlijk met hun dertigste levensjaar ook uitsprak.

3º dat als grond alleen werd genoemd, dat „zij op volwassen leeftijd door eigen schuld niet tot kerkelijke belijdenis en verbintenis” kwamen, zonder met onkunde en ernstige gemoeds- en consciëntie-bezwaren te rekenen.

Enkele jaren na 1896 bleek, dat Prof. Rutgers inzake de tucht over de doopleden zich allengs aan den invloed van Voetius ontworstelde, want in 1909 verklaarde hij in zijn Kerkel. Adv. II blz. 303, dat het besluit van den Kerkeraad om een lid, zij het ook een niet compleet lid (dus een dooplid) „niet meer als zoodanig te erkennen, toch inderdaad ook een excommunicatie of uitbanning is”. En in 1911 verklaarde hij in zijn Kerkel. Adviezen II, blz. 251-252 „dat de uitspraak des Kerkeraads, dat een dooplid moet geacht worden het lidmaatschap van de kerk verloren te hebben niet mag genomen worden dan na ernstige en langdurige vermaningen en ook behoorlijk moet gemotiveerd zijn doordat bleek, dat men te doen had niet met onkunde of met gemoedelijke consciëntiebezwaren, maar met onwil, of volslagen onverschilligheid, of vijandschap”.

4. De Richtlijnen door de Synode van Sneek 1939-’40 vastgesteld zijn in ’t kort de volgende:

1. De gedoopte kinderen worden, zoolang zij nog niet tot het Avondmaal zijn toegelaten en niet van de gemeente zijn afgesneden, als „doopleden” beschouwd en behandeld.
Bij de bearbeiding der doopleden maken de kerkeraden onderscheid tusschen kinderen en volwassenen.

2. De bearbeiding der kinderen door de Kerkeraden bestaat:
a. in het toezicht, dat de ouders hun kinderen krachtens hun doopsbelofte opvoeden in de vreeze des Heeren.
b. in het catechetisch onderwijs om de kinderen ambtelijk tot welbewuste aanvaarding van hun Doop te leiden.

|73|

c. in de vermaning van de kinderen, die door hun onchristelijke levensopenbaring aanstoot geven, om hen tot vervulling van hun plichten en tot een nieuwe gehoorzaamheid te brengen.

3. De bearbeiding van volwassen doopleden.
Hierbij moeten de kerkeraden onderscheid maken tusschen:
afkeerigen, die door hun goddeloos leven, verwerping der kerkleer, verzuim der Godsdienstoefeningen en catechisaties Gods Verbond overtreden, en
nalatigen, die wel kerkelijk meeleven en onergerlijk van wandel zijn, maar niet tot de belijdenis des geloofs en tot het H. Avondmaal komen.

a. De bearbeiding van de afkeerige volwassenen bestaat in rechtstreeks herhaalde malen mondeling, of, bij onttrekking daaraan, schriftelijk vermaan.
In geval van onboetvaardigheid in één publieke bekendmaking van den kansel, met mededeeling van den naam, na advies van de Classis, volgens het door de Synode vastgestelde formulier.
In geval van bekeering volgt de mededeeling aan de gemeente van de daarna afgelegde geloofsbelijdenis om tot openbare geloofsbelijdenis toegelaten te worden.
In geval van onboetvaardigheid en verharding en blijkbare ongeloovigheid volgt de openbare afsnijding volgens het daarvoor vastgestelde formulier.
Deze afsnijding kan bij ergerlijke goddeloosheid reeds op 21-jarigen leeftijd, maar in den regel niet voor den 25-jarigen leeftijd geschieden.
Bij schriftelijke of mondelinge onttrekking volge minstens eenmaal vermaning; en bij volharding mededeeling van hun afsnijding aan de gemeente.
Daarna zijn zij bijzondere voorwerpen van Evangelisatie die van de kerk uitgaat.
Wederopneming heeft alleen na oprechte schuldbelijdenis plaats door belijdenis des geloofs.

b. De bearbeiding van nalatigen, die wel kerkelijk meeleven, maar niet tot belijdenis komen.
Zij worden eenige malen ’s jaars onderrichtend en opwekkend vermaand.
In geval schuchterheid, gebrekkig inzicht of gemoedsbezwaren de oorzaak is, ga de kerkeraad niet tot de uiterste remedie der afsnijding over.
In geval beslist ongeloof de oorzaak is, zal de Kerkeraad,

|74|

eerst na advies der Classis, tot de openbare bekendmaking overgaan volgens het daarvoor vastgestelde formulier.

5. Formulieren van openbare bekendmakingen met betrekking tot doopleden der gemeente, die in ongehoorzaamheid leven.

Openbare bekendmaking ten aanzien van afkeerige volwassenen.

De Kerkeraad deelt met droefheid mede, dat N.N., door den Doop der Christelijke Kerk ingelijfd, ondanks voortdurend ernstig vermaan blijft voortgaan in de zonde van ....................................
Indien hij/zij onverhoopt niet binnen ................. met betoon van berouw betering des levens bewijst, zal de kerkeraad genoodzaakt zijn, dit dooplid om zijn moedwillige ongehoorzaamheid aan den God des verbonds van de gemeenschap der kerk uit te sluiten.
De gemeente wordt opgewekt de(n) afkeerige liefderijk te vermanen en den Heere te bidden voor zijn/haar bekeering.

Openbare bekendmaking ten aanzien van nalatigen, die ongehoorzaam blijven aan den eisch des verbonds om Christus’ naam te belijden en Zijn dood te verkondigen.

De kerkeraad deelt met droefheid mede, dat N.N., door den Doop der Christelijke kerk ingelijfd, ondanks voortdurend ernstig vermaan weigerachtig blijft om zijn Doop te aanvaarden en den dood des Heeren te verkondigen.
De gemeente wordt opgewekt hem/haar liefderijk te vermanen en den Heere te bidden, dat door Zijn genade en Geest deze ongehoorzaamheid overwonnen worde.

Het staat echter in de vrijheid der kerken „de openbare bekendmaking ten aanzien van nalatigen” al of niet in gebruik te nemen.

Openbare mededeeling van uitsluiting.

De kerkeraad is in de droeve noodzakelijkheid aan de gemeente mede te deelen, dat N.N. de gemeenschap met Christus en Zijn kerk, die hem/haar in den Heiligen Doop beteekend en verzegeld werd, ondanks vele ernstige vermaningen hardnekkig verloochent.
Dientengevolge moet de kerkeraad thans in den Naam

|75|

des Heeren er toe overgaan, om N.N. uit de gemeente Gods uit te sluiten en te verklaren, dat hij/zij geen deel heeft in het Rijk van Christus, zoolang hij/zij zich niet bekeert.
De gemeente wordt opgewekt niet op te houden den zondaar (de zondares) in den gebede te gedenken en hem/haar liefderijk te vermanen, dat hij/zij zijn/haar zonde belijde en hate. En zien wij toe dat niet te eeniger tijd in iemand van ons zij een boos, en ongeloovig hart om af te wijken van den levenden God.

Bronnen: De tucht over Doopleden in de Gereformeerde Kerken door Dr G.M. den Hartogh, bij J.B. van den Brink en Co N.V., Zutphen. — De Kerkenordening door Ds Joh. Jansen en Ds D. Pol, 6e druk, blzz. 122-131.

———

Jansen, Joh. (1947) IV.3

III. De Tucht over de Belijdende leden.

1. De afhouding van het Avondmaal of de Kleine Ban.

De afhouding van het Avondmaal of Kleine Ban heeft volgens art. 76 K.O. in twee gevallen plaats.

Het eerste geval heeft plaats, wanneer de verzoening van een heimelijke zonde volgens Matth. 18: 15-17, nadat de broederlijke vermaning eerst onder vier oogen, en daarna onder twee of drie getuigen mislukt is, aan den Kerkeraad is meegedeeld.

De Kerkeraad moet dan eerst een onderzoek instellen of de klacht gegrond is. Zoo ja, dan vermaant hij den aangeklaagden broeder zoo noodig herhaalde malen. Erkent hij zijn zonde dan moet hij zich met de andere partij verzoenen en is deze volgens Matth. 18: 17 gewonnen. „Die zijne overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat, zal barmhartigheid verkrijgen”, Spr. 28: 13.

Maar in geval hij „hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt zal hij van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden”, art. 76 K.O. Op die hardnekkigheid komt het hier aan. Een zondaar gaat niet om zijn zonde, maar om zijn onbekeerlijkheid en hardnekkigheid verloren.

Deze afhouding van het Avondmaal wordt ook wel de „kleine ban” en „stille censuur” genoemd, omdat zij zonder kennisgeving aan de gemeente door den Kerkeraad alleen geschiedt. Zij ontneemt niet het bezit, maar alleen het

|76|

gebruik van het lidmaatschap, zoodat hij van het Avondmaal wordt uitgesloten en ook niet aan de verkiezing van ambtsdragers mag deelnemen.

Na de afhouding van het Avondmaal moeten er „verscheidene vermaningen” plaats hebben. Hoeveel staat er niet bij. Dit is aan de Kerkeraden overgelaten. Het komt op de trouw der Kerkeraden aan. Zij hebben een dure roeping. In het geval dat de zondaar den Kerkeraad persoonlijk niet wenscht te ontvangen, moeten zij schriftelijk geschieden. De Kerkeraad moet zorgen, dat hij vrij uitgaat. „Broeders! indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald en iemand hem bekeert, die wete, dat degene, die een zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken”, Jak. 5: 19-20. Eerst na al die vermaningen mag de Kerkeraad de Classis er in betrekken om tot de uiterste remedie nl. de afsnijding te komen.

2. De drie vermaningen (z.g.n. trappen van censuur).

Na de afhouding van het Avondmaal of den kleinen ban volgens art. 76 K.O. moeten er eerst nog een drietal vermaningen plaats hebben. De kerk „houdt aan in het vermanen”, 1 Tim. 4: 13. ’t Is haar om het behoud van den zondaar te doen. Ten onrechte zijn deze drie vermaningen „de drie trappen van censuur” genoemd, alsof bij elken trap de straf verzwaard werd. Het woord trappen behoort bij de bekendmaking van de vermaningen. Dit blijkt uit het begin van het Formulier van den Ban: „Het is u bekend, dat wij nu op onderscheidene tijden bij zekere trappen u voorgehouden hebben welk een groote zonde en zware ergernis ons medelidmaat N. gedaan en gegeven heeft.”

„In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde”. Hier wordt dus alleen de ard der zonde, waaraan hij zich schuldig maakte, genoemd en wordt de gemeente vermaand voor hem (haar) te bidden.

„In de tweede zal met advies der Classis zijn naam uitgedrukt worden”. Hier moet na advies der Classis om met den tweeden trap door te gaan, den naam van den zondaar of de zondares, den aard der zonde en de onboetvaardigheid genoemd worden, en de gemeente vermaand worden om hem aan te spreken en voor hem te bidden.

„In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem (tenzij dat hij zich bekeere) van de gemeenschap der kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij

|77|

hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaningen zal aan het oordeel des Kerkeraads staan.”

De tijd tusschen deze derde afkondiging en de afsnijding moet zoolang zijn, dat de beklaagde zich ernstig kan bedenken om zich te bekeeren, of ook om in hooger beroep te gaan. Ook voor dezen trap is het advies der Classis, zoo niet noodzakelijk, dan toch gewenscht, want aan het slot van Art. 76 K.O. staat, dat „niemand afgesneden zal worden dan met voorgaand advies der Classis”. Het vragen van advies bij den tweeden trap maakt het bij den derden trap niet overbodig, omdat de omstandigheden intusschen gewijzigd kunnen zijn.

De tekst van deze drie vermaningen is door de Synode van Middelburg 1933 vastgesteld en in latere uitgaven boven het Formulier van den Ban opgenomen.

3. De Ban of afsnijding van de gemeente.

Deze rust op de Schrift. Reeds in het O.T. gebiedt de Heere, dat Israël geen valsche profeten, afgodendienaars, enz. in zijn midden mocht dulden. Herhaaldelijk gebiedt Hij: „Zoo zult gij het booze uit het midden van u wegdoen”, Deut. 13: 5; 17: 7; 19: 19; 22: 24. Blijkbaar nam Paulus deze ban-formule over toen hij de gemeente te Corinthe bestrafte omdat zij den bloedschender in haar midden duldde. Die bloedschender leefde met zijn stiefmoeder in ontucht, een zonde, die reeds in Lev. 18: 8 uitdrukkelijk verboden was. Daarover bestraft hij haar ernstig: „En zijt gij nog opgeblazen en hebt niet veel meer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?” 1 Cor. 5: 2. Vandaar dat hij in vs 13 uitdrukkelijk beveelt: „En doet gij dezen booze uit ulieden weg”. Op deze en dergelijke gegevens der Schrift rust het recht van den kerkelijken ban.

Het woord ban beteekent uitsluiting uit de gemeenschap der kerk. Afsnijden wil zeggen: een lid van de kerk afsnijden, zie 1 Cor. 5: 2: „uit het midden van u wegdoen”, vs 13: „den booze uit ulieden wegdoen”. Excommunicatie beteekent uit de gemeenschap der kerk sluiten. Zie het Formulier van den Ban en Heid. Cat. Zond. 31 vr. en antw. 85.

De ban is een ernstige tuchtoefening. Het Formulier van den Ban verklaart: „dat N. om de voorzeide oorzaken uitgesloten is en wordt uitgesloten mitsdezen buiten de

|78|

gemeente des Heeren en vreemd is aan de gemeenschap van Christus”, enz.

De Heid. Cat. omschrijft den ban in Zond. 31, antw. 85 als een „uit de Christelijke gemeente en van Godzelven uit het Rijk van Christus gesloten worden”.

4. De wederopneming van den afgesnedene.

De ban is geen onvoorwaardelijke uitsluiting uit de gemeente. Integendeel, hij is volgens het Formulier van den Ban „een uiterste remedie”, een laatste kerkelijke vermaning, om den zondaar alsnog tot „schaamte over zijn zonden” te bewegen. Dit rust op de Schrift: „Die zijne overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn; maar die ze bekent en laat zal barmhartigheid ontvangen”, Spr. 28: 13.

De eerste voorwaarde is, dat de verzoening met en de wederopname door de kerk van den afgesnedene moet uitgaan. De kerk begeert het ook van harte, maar zij moet ze hem niet opdringen. De tweede is, dat die begeerte moet blijken uit zijn boetvaardigheid. Geen nevenbedoeling bijv. om op den ouden dag de ondersteuning van de Diaconie niet te missen mag hem drijven. De wederopneming mag alleen geschieden na oprechte boetvaardigheid en belijdenis van schuld. Zij moet blijken uit woord en daad beide. Is de Kerkeraad daarvan niet overtuigd, dan kan hij een proeftijd stellen om den zondaar gelegenheid te geven zijn boetvaardigheid te toonen.

De wederopneming moet te voren aan de gemeente „worden aangezegd”, om twee redenen nl. om de stilzwijgende goedkeuring of, „zoo iemand iets weet voor te brengen ter contrarie”, de gemotiveerde afkeuring van de gemeente te krijgen.

Deze „aanzegging” aan de gemeente moet minstens twee Zondagen voor de bediening van het Avondmaal plaats hebben. Want de wederopneming geschiedt in den regel bij de Avondmaalsviering omdat deze de innigste uiting van de geestelijke gemeenschap is. Alleen in dringende gevallen kan zij op een gewonen rustdag plaats hebben.

Zij geschiedt in den regel in dezelfde gemeente waar de afsnijding plaats had met het Formulier van Wederopneming. Maar hoe, in geval van verhuizing. Ook dan houde men zoo mogelijk aan den regel vast. Vooral wanneer de zonde in de vorige gemeente nog niet vergeten en hier nog niet bekend is. De Kerkeraad vrage dan getuigenis

|79|

inzake zijn belijdenis en wandel. Alleen als de zonde na jaren in de vorige gemeente zoo goed als vergeten is, en de afgesnedene ter plaatse waar hij nu woont tot bekeering komt, dan pleit er alles voor dat de verzoening in overleg met den Kerkeraad, waar de afsnijding plaats had, hier geschiedt, in den regel ook met het Formulier der wederopneming, tenzij een lang vergeten zonde er weer door opgehaald zou worden en het beter zou zijn, dat met schuldbelijdenis voor den Kerkeraad en al of niet mededeeling daarvan aan de gemeente, volstaan worde. Zie Dr F.L. Rutgers, Kerkelijke Adviezen II, p. 313-316.

Bronnen: Dr H. Bouwman: De Kerkelijke Tucht, en Geref. Kerkrecht, II. — Ds Joh. Jansen: De Kerkelijke Tucht, en Korte Verklaring der K.O., 2e druk.

———

Jansen, Joh. (1947) IV.4

IV. De Tucht over de Ambtsdragers.

1. De noodzakelijkheid der tucht over de ambtsdragers.

De ambtsdragers zijn als leden der kerk ook aan de gewone tuchtmiddelen nl. aan de schorsing van het Avondmaal en aan de excommunicatie of den ban onderworpen. Maar deze tuchtmiddelen hebben ook gevolgen voor hun ambt. Een Dienaar des Woords, die wegens dronkenschap gecensureerd werd zou tijdens die censuur niet mogen preeken en de sacramenten niet mogen bedienen. Vandaar dat er voor de ambtsdragers nog een tweetal speciale tuchtmiddelen nl. de schorsing van en de ontzetting uit het ambt bijkwamen.

De vraag is nu of de tucht over hen als leden moet voorafgaan aan de tucht over hen als ambtsdragers. Zoo ja, dan zou dit tot groote onbillijkheid aanleiding kunnen geven in het geval een predikant onder censuur werd gesteld om van hem af te komen. Voetius oordeelde dan ook terecht, dat de tucht over hen als ambtsdragers behoort vooraf te gaan aan de tucht over hen als leden. Dan ish et mogelijk, dat een ambtsdrager, die van zijn ambt geschorst werd, maar berouw heeft en schuldbelijdenis doet, niet langer van het Avondmaal geschorst; en als hij uit zijn ambt is ontzet, en schuldbelijdenis doet, niet als lid behoeft afgesneden worden.

|80|

De tucht over de ambtsdragers mag niet lichtvaardig geschieden. De Schrift beschermt hen tegen allerlei laster van de kwade tong. Paulus beveelt Timotheüs: „Neemt tegen eenen Ouderling geen beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen”. Maar die bescherming der goeden sluit de bestraffing der kwaden niet uit, want hij laat er direct op volgen: „Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreeze mogen hebben”, 1 Tim. 15: 19, 20.

De tucht over de ambtsdragers is noodzakelijk, wanneer zij een openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk of bij de Overheid strafwaardig is, Art. 79 K.O.

Wanneer een ambtsdrager een grove zonde heimelijk bedrijft moet hij, als een lid der kerk het weet, daarover volgens Matth. 18: 15-17 heimelijk vermaand worden. Eerst na het mislukken van de broederlijke vermaning onder één of twee getuigen, moet het der gemeente of dengenen, die van de gemeente daartoe verordineerd zijn, d.i. den Kerkeraad, aangebracht worden, zie Heid. Cat. antw, 85. Dan wordt het een openbare grove zonde en heeft de Kerkeraad verder met hem te handelen.

Openbare grove zonden die der Kerk schandelijk zijn d.i. waarover zij zich schamen moet, zijn bijv. de buikzonden als brasserij en dronkenschap, en de vleeschelijke zonden van onkuischheid, ontucht, hoererij en overspel; en die bij de Overheid strafwaardig zijn zijn zonden, die volgens de wetten des lands strafbaar zijn, zooals doodslag, meineed, landverraad, diefstal, enz.

In Art. 80 K.O. wordt een lijst van grove zonden opgesomd: „Voorts onder grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afzetting van den dienst gestraft te worden zijn de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns dienstes of indringing in eens anderen dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij, dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin: kortelijk, alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gewoon lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.”

2. De wijze der tuchtoefening over de ambtsdragers.

Hierbij zijn vier onderscheiden gevallen.

De schorsing van Ouderlingen en Diakenen.

In een ernstig geval kan de eigen kerkeraad wel een

|81|

„voorloopige schorsing” uitspreken. Maar de „disciplinaire schorsing” moet door den dubbelen kerkeraad geschieden. In den regel heeft zij voor drie of zes maanden plaats. Gewoonlijk volgt er ook de afhouding van het Avondmaal op. Toch niet altijd. Als de geschorste oprecht berouw toont, wat ter beoordeeling staat aan den gecombineerden kerkeraad, kan hij spoedig weer aan het Avondmaal toegelaten worden.

De afzetting van Ouderlingen en Diakenen.

Deze kan in ernstige gevallen door den gecombineerden kerkeraad geschieden zonder dat er schorsing aan vooraf gaat. Er staat immers, dat zij „in hunnen dienst geschorst of (niet: en) daarvan afgezet worden”. Bij de schorsing wordt de bediening van, bij afzetting het recht op het ambt ontnomen. Heeft hij oprecht berouw dan mag hij niet afgesneden, maar moet hij weer tot het Avondmaal toegelaten worden.

De schorsing van Dienaren des Woords.

Wanneer een Dienaar des Woords bijv. ’s Zaterdags zich aan een openbare ergerlijke zonde van dronkenschap of anderszins schuldig maakt, moet de kerkeraad hem voorloopig schorsen, zoodat hij Zondags niet mag preeken. Daarna roept de Kerkeraad een naburigen kerkeraad te hulp om de „voorloopige schorsing” in een „disciplinaire schorsing” te doen overgaan. Deze ontneemt aan de dienaren en emeriti-dienaren niet het ambt zelf, maar alleen de uitoefening van het ambt. Dr termijn is doorgaans drie of zes maanden. Oordeelen beide kerkeraden onverhoopt, dat de afzetting noodig is, dan moet de Classis zorgen, dat volgens Art. 49 K.O. de Deputaten der Particuliere Synode aanwezig zijn. Het traktement loopt door zoolang de schorsing duurt.

De afzetting van Dienaren des Woords.

Deze staat volgens Art. 79 K.O. „aan het oordeel der Classis met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode”. De Classis beslist, de Deputaten geven advies. Bij ernstig geschil tusschen beide moet de Particuliere Synode beslissen. Het afzettingsvonnis moet in een groote gemeente in alle kerkgebouwen worden voorgelezen. De afzetting ontneemt het ambt met zijn inkomsten, zoodat het traktement en de pensioenen vervallen. Bij wijze van barmhartigheid kan men zoo noodig wel een zekere toelage geven, maar verplichting is het niet.

Hieruit blijkt duidelijk, dat de schorsing en afzetting van

|82|

predikanten niet als een inktend recht aan de plaatselijke kerken alleen toekomen zooals de Independenten leeren. Voorts is de bedoeling van Art, 79 K.O. ook niet, dat de afzetting van predikanten uitsluitend aan de Classes met Deputaten der Particuliere Synode toekomt. Dit blijkt duidelijk uit het feit, dat de Synode van Dordrecht, 1618/’19, die zelf Art. 79 in de Kerkenordening handhaafde, niettemin zelf 15 Remonstrantse predikanten na ernstige ver maning en besliste weigering om de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten te onderteekenen, heeft afgezet; en dat op haar last zelfs 200 Remonstrantsche predikanten, die ook weigerden de Dordtsche Leerregels te onderteekenen door de Particuliere Synoden, waaronder zij ressorteerden, zijn afgezet.

Ditzelfde tuchtrecht is ook door de Synoden der Christelijk Gereformeerde Kerk van 1834-1892, en door de Synoden der Gereformeerde Kerken na 1892 tot heden in verschillende gevallen toegepast, bijv. op Dr Geelkerken en de ambtsdragers die hem volgden. In „Oud of Nieuw Kerkrecht” heb ik een aantal gevallen meegedeeld.

Reeds in de 17e eeuw hebben de Gereformeerde Kerken het tuchtrecht der kerkeraden over ambtsdragers beperkt en aan de meerdere vergaderingen (gecombineerden kerkeraad en classis) opgedragen, waarom zou de schorsing en afzetting van Dienaren dan niet door een nog meerdere vergadering mogen geschieden?

De tuchtoefening over emeriti-dienaren, geestelijke verzorgers en legerpredikanten.

Deze geeft moeilijkheid wanneer zij als lidmaten behoren tot een andere kerk dan waaraan zij ambtelijk verbonden zijn.

De Synode van Amsterdam 1936, art. 213, 2º, bepaalde dienaangaande: dat „beide kerken onder wier toezicht ze dan komen te staan zich met elkander in verbinding hebben te stellen om gezamenlijk tot een eenparige beslissing te komen omtrent de toepassing der tucht. Bij verschil van meening dienaangaande zullen beide kerken zich te wenden hebben tot haar respectieve Classes, opdat deze gezamenlijk tot een eenparige beslissing komen”. Eventueele schorsing staat dan aan beide kerkeraden en eventueele afzetting aan de beide Classes ter beslissing. Bij verschil tusschen de beide Classes moet de zaak op de Particuliere Synode, onder welke de kerk, waaraan de betrokken Dienaar ambtelijk verbonden is, gebracht worden, opdat die beslisse.

|83|

3. De herstelling in het ambt.

Opmerkelijk, onze K.O. zwijgt er over. De eerste Synode, te Embden, 1571, art. 34 had er wel een bepaling voor en die werd door de Synode te Middelburg, 1581, part. vraag 41 met de noodige verduidelijking overgenomen: Offte die afgesette Dienaers, Ouderlinghen en Diaconen, als sy doer haere boetfeerdicheyt der Ghemeente genoech ghedaen hebben, wederom vercoren moghen worden? Antw. Sooveel die Ouderlinghen en Diaconen anghaet sal tselve staen int ordel des Kerkenraets: Maer soe veel de Dienaers belangt, sal van de Classique versamelinghen geordelt worden”. Zeer terecht: het oordeel of afgezette ambtsdragers weer verkozen mogen worden gaat vooraf aan het eventueel herstel in het ambt.

Jammer, dat deze bepaling door de volgende Synoden te ’s Gravenhage, 1586, en te Dordrecht, 1618/’19, niet is overgenomen, Vermoedelijk is het vergeten. De bedoeling was zeker niet om ze buiten werking te stellen. Want de kerken in de 17e en ook in de 19e eeuw hebben er telkens naar gehandeld.

De voorwaarden waren dan 1º dat de geschorste of afgezette ambtsdrager door zijn boetvaardigheid en berouw van den censuur ontheven en weer tot het Avondmaal toegelaten was; en 2º dat hij geacht werd de bijzondere vereischten voor het Opzienersambt volgens 1 Tim. 3 en Tit. 1 te bezitten en weer met eere in het ambt te kunnen dienen.

1º De opheffing der schorsing van Ouderlingen en Diakenen moet door den gecombineerden Kerkeraad geschieden, omdat de schorsing volgens Art. 79 K.O. ook door den gecombineerden Kerkeraad is uitgesproken.

2º De herstelling in het ambt van afgezette Ouderlingen en Diakenen kan alleen geschieden, wanneer zij volgens de Artt. 22 en 24 K.O. weer opnieuw gekozen worden en daarvoor is de hulp van den naburigen Kerkeraad niet noodig.

3º De opheffing der schorsing van Dienaren des Woord moet volgens Art. 79 K.O. door den gecombineerden Kerkeraad geschieden, omdat deze de schorsing heeft opgelegd en omdat de Dienaar ook weer in andere gemeenten mag optreden. Is hij intusschen verhuisd, zoodat hij als lidmaat tot een andere kerk behoort, dan staat het oordeel over de opheffing aan deze beide Kerkeraden en bij verschil van meening aan de respectieve Classes. Dit geldt ook van de opheffing der schorsing van emeriti-dienaren met dit

|84|

verschil, dat zij weer in den staat van emeriti-dienaren hersteld worden.

4º Herstel in het ambt van afgezette Dienaren kan alleen geschieden wanneer zij weer beroepbaar verklaard, door een andere gemeente beroepen, in het ambt bevestigd en aldaar de bediening des Woords en der Sacramenten aanvaarden. De beroepbaarverklaring door de Classis mag volgens besluit der Synode van Groningen 1927, art. 96, niet geschieden, „dan met kennis en goedkeuring der Particuliere Synode”.

Door de beroepbaarverklaring ontvangen zij alleen de bevoegdheid om een stichtelijk woord te spreken evenals een candidaat na zijn praeparatoir examen. Want door de afzetting hebben zij het ambt van de bediening des Woords verloren.

Eerst krachtens de beroeping door een andere kerk, de aanvaarding van die roeping en de bevestiging in het ambt verkrijgen zij de bevoegdheid om het Woord en de Sacramenten te bedienen weer terug.

Bronnen: Dr H. Bouwman, De Kerkelijke Tucht en Geref. Kerkrecht, dl. II blz. 668 v.v. — Ds Joh. Jansen, De Kerkelijke Tucht en Korte Verklaring der K.O., 2e druk. Zie ook de Artikelen over Schorsing, Tucht en Herstel in het ambt, in Christelijke Encyclopaedie.

———