Rapport dHKO (2012) G3

[WO-1: G3 rechtspersoonlijkheid
G3.1 Ingevolge de Nederlandse wetgeving komt rechtspersoonlijkheid toe aan:
a. de plaatselijke kerk;
b. de classis als regionaal verband van kerken;
c. de gezamenlijke Gereformeerde Kerken in Nederland.
G3.2 Bijzondere kerkelijke organisaties en kerkelijke instellingen, als bedoeld in art. E8.3, bezitten eveneens rechtspersoonlijkheid naar statelijk recht.]

[WO-2: G3 rechtspersoonlijkheid
G3.1 Ingevolge de Nederlandse wetgeving komt rechtspersoonlijkheid toe aan:
a. de plaatselijke kerk;
b. de classis als regionaal verband van kerken;
c. de gezamenlijke Gereformeerde Kerken in Nederland.
G3.2 Bijzondere kerkelijke organisaties en kerkelijke instellingen, als bedoeld in art. E8.3, bezitten eveneens rechtspersoonlijkheid naar statelijk recht.]

G3 rechtspersoonlijkheid
G3.1 Overeenkomstig de Nederlandse wetgeving komt rechtspersoonlijkheid toe aan:
a. de plaatselijke kerk;
b. de classis en de particuliere synode waarin de kerken regionaal en ressortaal zijn verenigd;
c. de gezamenlijke Gereformeerde Kerken in Nederland.
G3.2 Bijzondere kerkelijke organisaties en kerkelijke instellingen, als bedoeld in art. E8.3, bezitten eveneens rechtspersoonlijkheid naar statelijk recht.

|163|

Toelichting G3

1. G3 biedt een vertaalslag van art. 2: 2 BW naar de GKv en wijst aan op welke niveaus er rechtspersoonlijkheid wordt aanvaard. Rechtspersoonlijkheid is een begrip uit het statelijk recht, wat van belang is voor het externe optreden van de kerk(en), dus het optreden ‘in staat en maatschappij’. G3.1 is op twee punten nog iets zorgvuldiger geredigeerd.

2. In de hoofdzin is het “ingevolge de Nederlandse wetgeving” vervangen door “overeenkomstig de Nederlandse wetgeving”. Het is in strikte zin niet de wet die de rechtspersoonlijkheid binnen de GKv aan de verschillende levels toekent. Het zijn de kerken zelf die overeenkomstig de mogelijkheden van de wet opteren voor rechtspersoonlijkheid op de verschillende niveaus en die dat in G3.1 kenbaar maken c.q. vastleggen.

3. Verder wordt in G3.1 iets nauwkeuriger geformuleerd aan wie in de GKv rechtspersoonlijkheid wordt toegedeeld. Het betreft hier de gezamenlijke classiskerken verenigd in de classis; idem de gezamenlijke kerken verenigd in een PS; idem de gezamenlijke kerken verenigd in de GS.

4. Het bijzondere doet zich hierbij voor dat de meerdere vergaderingen naar gereformeerd kerkrecht tijdelijke c.q. voorbijgaande vergaderingen zijn. Zie E3.4. Dit impliceert echter niet dat de gezamenlijke kerken in het ressort van de classis resp. PS resp. GS tussentijds niet als zodanig naar statelijk recht in en buiten rechte kunnen optreden en/of aangesproken kunnen worden. Voor het statelijk recht zijn de gezamenlijke kerken in een classis, in een PS en in de GS juridische entiteiten met rechtspersoonlijkheid. Art. 2: 2 BW faciliteert dit door rechtspersoonlijkheid toe te kennen aan ‘lichamen waarin de kerken gezamenlijk verenigd zijn’.

5. In een reactie wordt gevraagd of de diaconie ook rechtspersoonlijkheid heeft. Vanouds, zo wordt toegevoegd, was de kerkenraad de enige instantie met rechtspersoonlijkheid. Wat betekent G3.1.a in dit opzicht?
Allereerst een correctie op de vraagstelling: rechtspersoonlijkheid komt niet toe aan de kerkenraad, maar aan de plaatselijke kerk. De Gereformeerde Kerk te X is de rechtspersoon; de kerkenraad is – in juridisch opzicht - een orgaan binnen de rechtspersoon.
De diaconie heeft vanouds in onze kerken geen rechtspersoonlijkheid. Zij is geen zelfstandige juridische eenheid, maar – net als de kerkenraad – een orgaan in de plaatselijke kerk. De Werkorde brengt hierin geen verandering. Ons is niet gebleken van behoefte aan een dergelijke rechtspersoonlijkheid. In geen van de reacties is hierom gevraagd.