Rapport dHKO (2012) E10

[WO-1: E10 kerken buiten Nederland
E10.1 De kerken onderhouden naar vermogen oecumenische betrekkingen met kerken van gereformeerde belijdenis in het buitenland. Zij respecteren daarbij de eigen historie en context van elke kerk.
E10.2 Met kerken waarmee bijzondere historische banden bestaan kan door de synode een nauwere zusterkerkrelatie worden aangegaan, die wederzijds volledige aanvaarding van elkaars leden en predikanten inhoudt.

|144|

E10.3 De kerken kunnen participeren in internationale kerkelijke verbanden, organisaties en instellingen. Zij kunnen partnerschappen met buitenlandse kerken aangaan voor personele en materiële uitwisseling en hulp, met inachtneming van regelingen die door de synode worden vastgesteld.]

[WO-2: E10 kerken buiten Nederland
E10.1 De kerken onderhouden naar vermogen oecumenische betrekkingen met kerken van gereformeerde belijdenis in het buitenland, gericht op wederzijdse ontmoeting, bemoediging en hulp. Zij respecteren daarbij de eigen historie en context van elke kerk.
E10.2 Met kerken waarmee bijzondere banden bestaan kan door de synode een zusterkerkrelatie worden aangegaan, die wederzijdse aanvaarding van elkaars leden en predikanten inhoudt.
E10.3 De kerken kunnen participeren in internationale kerkelijke verbanden, organisaties en instellingen.]

E10 kerken buiten Nederland
E10.1 De kerken onderhouden naar vermogen oecumenische betrekkingen met kerken van gereformeerde belijdenis in het buitenland, gericht op geestelijke ontmoeting, bemoediging en hulp. Zij respecteren daarbij de eigen historie en context van elke kerk.
E10.2 Met kerken waarmee bijzondere banden bestaan kan door de synode een zusterkerkrelatie worden aangegaan, die wederzijdse aanvaarding van elkaars leden en predikanten inhoudt.
E10.3 De kerken kunnen participeren in internationale kerkelijke verbanden, organisaties en instellingen.

Toelichting E10

1. Het woord ‘oecumenische’, dat met E1.3 is vervallen, handhaven wij in E10.1. Het begrip ‘oecumenisch’ heeft blijkens de reacties bij sommigen een negatieve connotatie vanuit het verleden. De een leest liever ‘universeel’, de ander ‘katholiek’. De drie woorden hebben in dit verband ongeveer dezelfde betekenis. Er kon in het verleden zonder bezwaar gesproken worden over ‘uw oecumenische taak’ (K. Schilder). En wij kennen de drie oecumenische belijdenisgeschriften, die wij als kerken aanvaarden. Zie art. 9 NGB, waar zij onder deze naam genoemd zijn. De term ‘universeel’ heeft het minste kerkelijke kleur in zich. De term ‘katholiek’ heeft een duidelijke associatie met de Rooms-Katholieke Kerk. Vandaar dat ‘oecumenisch’ het meest kerkelijk geëigend is.

2. Sommige reacties willen sterker spreken: het moet om “eenheid” gaan. We willen het niet betwisten, maar houden rekening met het gegeven dat een gezamenlijk kerkverband dat de Nederlandse landsgrenzen overstijgt, momenteel niet binnen de reële mogelijkheden ligt.
Anderen willen juist een ruimer blikveld: niet alleen relaties van kerken tot kerken, maar ook van kerkleden tot plaatselijke gemeentes in het buitenland. Wij menen dat de kerkorde in dit hoofdstuk kan volstaan met kerkelijke relaties.
We proberen wel meer inhoud te geven aan de contactoefening door in E10.1 expliciet te spreken van “geestelijke” ontmoeting, etc.

3. De term “bijzondere banden” in E10.2 wordt niet verder gedefinieerd, ondanks het verzoek van degenen die anders vrezen voor een zekere willekeur. De bedoeling is juist dat per geval bekeken kan worden of een speciale zusterkerkrelatie zinnig is.

|145|

De factoren die daarbij een rol kunnen spelen, zijn eventueel wel aan te duiden (zoals historie, geografische en culturele factoren, taalgrenzen), maar niet als criteria te definiëren.

4. De zusterkerkrelatie houdt meer in dan de beide genoemde aspecten: leden en predikanten. We noemen deze beide echter, omdat juist zij voor de plaatselijke kerken direct van belang zijn.

5. Spits wordt opgemerkt dat E10.3 ook ruimte maakt voor een eventueel lidmaatschap van de Wereldraad van Kerken. Inderdaad ontbreken ook hier vaste criteria. Dat hangt samen met het wijde veld waarover we spreken: er is een veelheid aan mogelijke organisaties, met een veelheid aan mogelijke doelstellingen en een veelheid aan mogelijke andere deelnemers. We verwachten van de kerken, in generale synode bijeen, dat ze zelf hun ogen en oren goed open houden.

6. Deputaten Zending & Hulpverlening (Z&H) hebben voorgesteld een bepaling op te nemen over ‘hulpverlening aan buitenlandse kerken’. De door hen voorgestelde ondersteuning is in essentie verwerkt in E10.1 en E10.2. Niet overgenomen is de formule van deputaten Z&H dat “elke gemeente verantwoordelijk is voor dit werk”. Ons inziens ligt deze verantwoordelijkheid primair bij de GS conform het bestaande art. 47 KO1978. Uiteraard kan voor de uitvoering beroep worden gedaan op plaatselijke kerken.