Hooyer, C. (1846)

Kerkelijke wetten voor de Hervormden in het Koningrijk der Nederlanden [deels]
Zaltbommel
Joh. Noman en Zoon
1846

Hooyer, C. (1846) Tit., Vr., Inh.

|iii|

Kerkelijke Wetten

 

voor de

 

Hervormden

 

in het

 

Koningrijk der Nederlanden.

 

 

 

 

verzameld en met aanteekeningen voorzien,

door

C. Hooijer,

predikant te Zalt-Bommel.

 

 

Een elc kenne sine reghten, maer een
elc kenne oec sine plighten.

 

 

 

Zalt-Bommel,

Joh. Noman en Zoon.

1846.

 

 

|iv||v|

 

Voorrede.

 

———

 

In Duitschland is, sinds eenige jaren, de Kerkregtelijke studie door Juristen zoowel als Theologanten met bijzondere vlijt beoefend. Ook ons Vaderland heeft in den laatsten tijd eenige geschriften, adressen en uitvoerige opstellen in onderscheidene tijdschriften geleverd, die de deugdelijkheid en verbindbaarheid der wetten van het Hervormd Kerkgenootschap ter toetse bragten, en op verbetering en herziening aandrongen, wier noodzakelijkheid bijna alle Kerkelijke Kollegiën beginnen te erkennen. Daar mag van gezegd worden, wat Dr. Lisco van de beweging in de Duitsch-Evangelische Kerk schrijft: „Dieser Zweig der Literatur wächst mit Nothwendigkeit aus dem praktischen Bedürfnisse der Zeit hervor, in der das kirchenbildende Element kräftig sich regt, und auch auf wissenschaftlichem Gebiete nach Klarheit in den Principiën ringt.” *) Deze helderheid van beginselen wordt


*) Aufforderung an junge Theologen sich mit dem Kirchenrechte zu beschäftigen, von Dr. F.G. Lisco, Kirchliche Vierteljahres-Schrift. Zweiter Jahrgang. Januar-März, 1845 nº. 1. —

|vi|

in sommige onzer Kerkelijke wetten gemist, of, waar zij doorschemert, van velen niet opgemerkt, en mag men wel naar meer helderheid van beginselen in onze Kerkelijke wetgeving verlangen. De klagt van genoemden Schrijver, dat de jonge Theologanten zijns Vaderlands geen onderwijs in het Kerkregt ontvangen, kan van al onze Akademiën niet gelden. In hoever het hedendaagsch Kerkregt aan de Leidsche en Groningsche Hooge scholen behartigd wordt, is mij onbekend, maar aan de Utrechtsche Akademie wordt er in onderwezen, ofschoon de Wet op het Hooger onderwijs er niet toe verpligt. Het behoeft geen bewijs, hoe noodig dit onderwijs voor alle Theologanten is, die bij het aanvaarden hunner bediening aanstonds als Voorzitters der Kerkenraden, of als Consulenten van vacante gemeenten, en dikwijls spoedig als leden van hoogere Kerkelijke Besturen plaats nemen en handelen moeten. Aan goede boeken ter beoefening van het Kerkrecht ontbreekt het ons niet geheel. Wij behoeven slechts „De Kerk en de Staat, in wederzijdsche betrekking volgens de Geschiedenis” te noemen, en dat dit kostelijk werk van den geleerden en scherpzinnigen W. Broes niet meer door de Hervormde Leeraars bestudeerd wordt, kan mede daaraan liggen, dat het zich niet uitsluitend bij ons Hervormd Kerkgenootschap bepaalt. Dit doet het zeer nuttig werk van Professor H.J. Roijaards, Hedendaagsch Kerkregt bij de Hervormden in Nederland. De Hooggeleerde Schrijver heeft met groote naauwkeurigheid de inrigtingen onzer Kerk beschreven, en den inhoud der bepalingen daaromtrent opgegeven. Maar, hoewel hij het doelmatige daarvan niet zelden aantoont, onthoudt hij zich van de aanwijzing des gebrekkigen, dat daarin tevens is op te merken. Bovendien bevatten die twee boekdeelen geene der Kerkelijke Wetten en Reglementen, maar vooronderstellen het bezit van het verdienstelijke, maar kostbare „Handboek voor Hervormde Predikanten en Kerkenraadsleden,

|vii|

door G. van der Tuuk.” Van dit Handboek, dat velerlei wetten en besluiten, ook van vóór de organisatie onzer Kerk in 1816, bevat, verklaart de Schrijver zelf, dat het voor het dagelijksch gebruik thans te uitvoerig geworden is. Daartoe kan zijn „Compendium of Kort begrip van het Handboek enz.,” beter dienen; maar dat mist de Provinciale Reglementen op de Kerkelijke administratie en de huishoudelijke Reglementen op de Kerkenraden, behalve dat het nog al wat onnoodigs heeft, als „van de Protestantsche Kerken in de Zuidelijke Provinciën,” en ook niet verder dan tot het jaar 1834 gaat. Het scheen daarom geen onnuttig werk, om al de Kerkelijke wetten, die nog van kracht zijn, in goede orde bijeen te brengen, en daar tevens iets nopens haren oorsprong en strekking bij te voegen. Ook moest de geldigheid of wettigheid van het een en ander naar de beginselen van het Protestantisme en van onze Grondwet beoordeeld worden. Dit kon echter niet dan zeer beknopt geschieden, zou alles in één bruikbaar en niet te lijvig boekdeel vereenigd zijn. Deze kortheid diende bovenal betracht bij hetgeen van de oude Kerkinrigting zou gezegd worden, want ieder weet wel, dat die zich met al de verscheidenheden van de bepalingen der Particuliere Synoden en van de ordonnantiën der menigvuldige Klassen en van de eigen usantiën in vele gemeenten wil inlaten, geen einde aan zijn schrijven vindt.

Ik hoop dat men mij om de gemaakte aanmerkingen voor geen vijand van onze tegenwoordige Kerkinrigting aanmerken zal. Neen, ik acht ze in menig opzigt, en vooral in vergelijking met die van vele andere Hervormde landen, zeer voortreffelijk, maar houd haar niet voor onverbeterlijk, en wensch hare volmaking, gelijk onze Synode dat ook doet, die in hare Vergadering van dit jaar besloten heeft, om met de herziening der Reglementen een aanvang te maken. Wordt mijn pogen miskend, als ik dan maar de beoefening van ons Kerkregt een

|viii|

weinig aangemoedigd, en enkele verbeteringen in de wetten onze Kerk mag hebben uitgelokt, zoo zal ik mij ruim beloond achten.

Ik kan niet eindigen, vóór ik den Hoogleeraar N.C. Kist heb dankgezegd, die mij met de meeste bereidwilligheid der vriendschap heeft willen inlichten nopens zulke gebruiken der Oude Kerk, als welke uit mijne boekverzameling niet konden worden opgemaakt. Verder dank ik al mijne Vrienden, die mij in het een of ander behulpzaam waren.

 

Zalt-Bommel den 1 Sept. 1846.

C. Hooijer.

|ix|

 

Inhoud.

 

———

 

Inleiding.

Overzigt over de voornaamste Oud-Nederlandsche Kerkordeningen. — 1.

Wederzijdsche betrekking van den Nederlandschen Staat en het Hervormd Kerkgenootschap volgens de Grondwet van het Koningrijk der Nederlanden. — 16.

 

Eerste Deel.

Bevattende de Reglementen.

 

Hoofdstuk I.
Hoofd-Reglement.

§ 1. Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden. — 21.
§ 2. Instructie voor de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde kerk. — 41.

 

Hoofdstuk II.
Algemeene Reglementen.

§ 3. Reglement op het Examen en de toelating tot het Leeraar-ambt in de Hervormde kerk. — 46.
§ 4. Reglement op de Vacaturen, alsmede op de beroeping en het ontslag van Predikanten. — 60.

|x|

§ 5. Reglement op het Hulppredikerschap in de Nederlandsche Hervormde kerk. — 81.
§ 6. Reglement op de Kerkvisitatie. — 87.
§ 7. Reglement op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde kerk. — 96.
§ 8. Algemeen Reglement op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden bij de Hervormde gemeente in het Koningrijk der Nederlanden. — 108.
§ 9. Algemeen Reglement op de Diakonie-administratie bij de Nederlandsche Hervormde kerk. — 115.
§ 10. Reglement op de uitoefening van Kerkelijk opzigt en tucht voor de Nederlandsche Hervormde kerk. — 122.
§ 11. Reglement op de Klassikale kosten. — 143.
§ 12. Reglement voor de Algemeene Weduwen-beurs. — 158.

 

Hoofdstuk III.
Provinciale Reglementen.

§ 13. Huishoudelijke Reglementen op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden bij de Hervormde gemeenten der onderscheidene Provinciën. — 165
§ 14. Reglement op de verkiezing en beroeping van de Predikanten bij de Hervormde gemeenten in Vriesland. — 182
§ 15. Reglement op het aannemen en de Kerkelijke goedkeuring eener beroeping tot Predikant bij de Hervormde gemeenten, onder het ressort van het Provinciaal Kerkbestuur van Groningen. — 193
§ 16. Reglementen op de administratie der Kerkelijke Fondsen en de Kosten van de Eeredienst bij de Hervormde gemeenten in de onderscheidene Provinciën. — 195.

 

Hoofdstuk IV.
Gemeentelijke Reglementen.

§ 17. Reglementen voor de Protestantsche gemeenten van Veenhuizen en van de Ommerschans. — 237

|xi|

 

Tweede Deel.

Bevattende de Wetten en Besluiten.
(voor zoo ver zij bij de Reglementen niet zijn opgenomen.)

 

Hoofdstuk I.
De Kerkelijke Besturen in het algemeen.

§ 18. Benoeming van leden der Kerkelijke Besturen en hunne Secundi. — 246.
§ 19. Instructie voor de Secretarissen en Scriba’s. — 250.
§ 20. Formulieren voor Handelingen van Kerkelijke Besturen. — 253.
§ 21. Zegel voor de Hoogere Kerkelijke Besturen. — 257.
§ 22. Correspondentie der Kerkelijke Besturen. — 258.
§ 23. Kennisneming der Kerkelijke Besturen van de woonplaats der Kandidaten. — 264.
§ 24. Kerkelijke approbatie van Godsdienstige Geschriften. — 265.
§ 25. Bewaring der Archieven en voorwerpen van Kunst. — 265.
§ 26. Berigten in de Boekzaal te plaatsen. — 268.
§ 27. Emolumenten der Kerkelijke Besturen. — 273.
§ 28. Betrekking der Kerkelijke Kollegiën tot de Gouverneurs hunner Provinciën. — 283.

 

Hoofdstuk II.
Elk Kerkbestuur in het bijzonder.

§ 29. Synode. — 288.
§ 30. Provinciale Kerkbesturen. — 293.
§ 31. Klassikale Besturen. — 296.
§ 32. Waalsche, Engelsche, Schotsche en Hoogduitsche kerken. — 300.
§ 33. Kerkbestuur van Limburg. — 302.
§ 34. Oost- en West-Indische kerken. — 313.
§ 35. Klassen en Ringen. — 332.
§ 36. Kerkenraden. — 338.

 

Hoofdstuk III.
Kerkelijke gemeenten en Personen.

§ 37. Kerkelijke gemeenten. — 345.
§ 38. Kerkelijke Personen. — 352.

|xii|

 

Hoofdstuk IV.
Kerkelijke Vierdagen en Plegtigheden.

§ 39. Christelijke Vierdagen. — 357.
§ 40. Gedachtenisviering der Hervorming. — 359.
§ 41. Dank- en Bededag. — 359.
§ 42. Verjaardag des Konings. — 360.
§ 43. Openbare Eeredienst. — 360.
§ 44. Huwelijks-inzegening. — 369.
§ 45. Doopsbediening. — 371.
§ 46. Avondmaalsbediening. — 372.

 

Hoofdstuk V.
Kerkelijke geldmiddelen en goederen.

§ 47. Noodlijdende Kerken en Personen. — 373.
§ 48. Traktementen en Pensioenen. - 379.
§ 49. Kinder-, School- en Akademie-gelden. — 387.
§ 50. Eigendommen. — 400.

Hooyer, C. (1846) Inl. [1]

|1|

Kerkelijke Wetten
voor de
Hervormden in Nederland.

 

———

 

Inleiding.

Overzigt der voornaamste Oud-Nederlandsche Kerkordeningen.

 

De zestiende eeuw is merkwaardig om hare woelingen en veranderingen in het Staatkundige. Vooral ook om hare groote Godsdienstige beweging, die met de Staatkundige vereenigd was, of haar voorging en veroorzaakte. Dit laatste had in Nederland plaats en de Hervorming dáár ontstaan, was er beter, dan ergens voorbereid. Geert Groete, Florens Radewijn, Alexander Hegius; de Deventersche school, met hare ontelbare discipelen en de Broederschap der gemeenen levens met de overal opgerigte scholen; de Groningsche Johan Wessels of Goesevoet en Rudolf Agricola; de laatste door Erasmus boven allen lof verheven, de eerste niet alleen geprezen, maar zijne werken ook door Luther uitgegeven, en dan Erasmus zelf, die eilegger, zoo als de monnikken zeiden, van het Lutherdom, en die zelf verklaart, dat hij bijkans alles geleerd heeft, wat Luther leerde — hoeveel licht hebben deze mannen over ons Vaderland doen opgaan! Het viel hooggeplaatste Geestelijken, als Philip van Bourgondië, Utrechts Bisschop, in de oogen. Het omscheen magtige Regenten, gelijk Hendrik, graaf van Nassau, was. Het verspreidde zich onder het moedige en welvarende burgervolk, thans in het breedste van zijn bloeijen. En de oogen van de minst geletterde menigte werden er voor geopend door de Waldensen met hunne heldere begrippen en eenvoudige Godsdienst overal verstrooid, en door de Rederijkers, wier „vryheit van monde sich niet ontzagh, daar ’t pas gaf, (en ’t gaf dikwijls pas) den paapen op hun zeer te tasten.” Dit ging den volke wel in en een groot deel was reeds hervormd, vóór het nog hervormd heette.

Toen kwamen Luthers schriften in de Saksisch-Nederduitsche taal, voor ongeleerden opgesteld, en in het naburig Oost-Vriesland openlijk verkocht, in aller handen. Zij ontgloeiden ons vrijheidlievend volk in bewondering van zijn stout ondernemen en in geestdrift voor zijne groote zaak. Karels gestreng Edict uit Worms (1521) kon dat niet meer onderdrukken. Het roerde de vonken en blies de asch van het vuur. Nu mogt de vervolging beginnen, bloedig en wreed, „het Lutherdom drong tegens ’t geweldt van vier en stael te meer in, en verspreidde sich in ’t korte zoo wydt en breedt, dat het selfs voor de grootste Koningen des aerdtbodems ontsaghlyk wierdt.” Dat moest Karels zoon en opvolger ondervinden. De Edelen des lands, hem weinig genegen en op Granvelle

|2|

verbeten: de stedelijke regeringen om het verkrachten van hare handvesten weerspannig en wars van het bloedvergieten; de algemeene stilstand en schorsing, zoo van de inquisitie, als het uitvoeren der plakkaten gevraagd (1566) en de onroomschen door dat verzoek hunner edelen, volgens het zeggen van Margaretha, nog stouter gemaakt: de verwachte matiging door moorderatie gevolgd — en het is olij in het vuur! Daarenboven de brief van Luther „an die Christen ym Nidderland” (1523) bekend geworden: meer dan honderd uitgaven van Nederlandsche Bijbelvertalingen (1522-1543) in het licht verschenen: „boexkens tot verweeringh van ’t onroomsch gevoelen dravende door ’t heele Lant, en smaadschriften sneeuwende tot der Lantvooghdesse zelf op het lyf:” Ook de „openbare preeke,” eerst zonder wapenen, maar toen men dreigde, met rappieren, bussen, hellebaarden en ander halsgeweer, wel op straffe van de galg verboden, maar die bedreiging bespot en de al grooter en menigvuldiger wordende vergaderingen, door de misnoegde Edelen weinig geweerd en somtijds gestijfd, overgeslagen uit West-Vlaanderen in Braband, Waalsland, Holland, Zeeland, Utrecht en andere gewesten. Dat alles bevorderde de hervorming! Nu kon geen onmenschelijke Alva met zijn’ vreeslijken handlanger de Vargas, geen algemeen vonnis van de Inquisitie door Philippus bekrachtigd, noch de Raad van Beroerten overal ingesteld, het vermeende kwaad meer keeren, want „’t getal der besoedelden is te groot.” Het volk, zonder hoop op de genade van Spanje, wierp zich in Prins Willems armen, ook tot de nieuwe belijdenis over gegaan, en de strijd voor de vrijheid van geweten is tegelijk een strijd voor de burgerlijke vrijheid. Deze dubbele strijd ontwikkelt dubbele krachten. Kloekheid van raad, staagwakende achterzorg en voorzienigheid, taaije lijdzaamheid en onuitputtelijk geduld; „zaamelpenningen, uit het diepst der borze gewilligh opgebraght ter liefde van ’t landt en de vryheit; brandt van yver tot Godsvrught en goede werken, verlaaten van huis en hof, om het voor best ghekooren verstandt: de dood en wat in aller pynen magt was, standvastelyk geleeden.” Wat al wonderen, die men wanen zou, dat menschelijke kracht te boven gaan en hoevele uitreddingen daarbij door den Allerhoogsten Bondgenoot uit hopeloos gevaar, hebben deze tachtigjarigen strijd onvergetelijk gemaakt! Een strijd met afwisselende, dikwerf zeer hagchelijke kans gestreden, somwijlen om uitputting of uit wijs beleid geschorst, maar telkens weder met nieuwen moed hervat, en al voorspoediger geworden en met al beter panden van vrijheid beschonken en eindelijk met het verdrag van eeuwigen vrede bekroond (1648).

De onroomschen in den lande waren van den beginne uit Waldensen, Erasmianen en Lutherschen zamengesteld. Het getal der laatsten was spoedig zoo groot, dat reeds in het jaar 1527 geheel Holland, voornamelijk Delft en Amsterdam van „Lutheranerye” beschuldigd werd. De Erasmianen konden zich over het geheel met de Lutherschen wel vereenigen, maar de laatsten scheidden zich scherp van de Waldensen af, sedert een deel van dezen tot onrustbarende dweeperij was overgeslagen (1531). Weldra schaarde zich ook eene menigte van helder denkenden aan de zijde van Zwingli, wiens eenvoudige voorstelling van het Heilig Avondmaal den aankleveren van Erasmus beter beviel. Evenwel hadden de Lutherschen lang de meerderheid. Maar toen de Avondmaalsleer van den Geneefschen Calvijn tusschen Luther en Zwingli intrad, vereenigde zij velen der beide partijen. En toen de Walen, naauw met de Fransche Calvijnsch gezinden verbroederd, de eerste kerkvergaderingen hielden (1563) en meer en meer invloed op de Brabanders en Vlamingers en hooger liggende gewesten verkregen; toen de „Bekentenisse of Belydenisse des geloofs” van Guido de Bres, volgende ten meesten deele de confessie der gereformeerde Fransche kerken, in het Nederlandsch en Hoogduitsch uitgegeven en verspreid werd (1563); toen de Catechismus van Zacharias Ursinus voor de Calvinisten van den Paltz vervaardigd (1563), door Petrus Datheen in het Nederduitsch vertaald, alom werd ingevoerd; toen in eene heimelijke Synode te Antwerpen, meest van Waalsche Leeraars gehouden (1566), de belijdenis van Guido de Bres werd aangenomen, om eenstemmigheid in de leerwijs der predikers en in de belijdenis der gemeenten te brengen; toen Willem van Oranje openlijk de Hervormde belijdenis in Holland aflegt (1573) (Ypeij en Dermout, Gesch. v.d. Herv. Christ. kerk in Ned. I aant. 280), en de Staten van Holland en Zeeland, benevens vele regenten der steden het voorbeeld van dien hoogen

|3|

Bewindhebber volgden — toen mogten vele gestrenge Lutheranen, even als de Waldensen of Doopsgezinden op zich zelve blijven, de meeste van de Erasmianen, Melanchthonianen en Zwinglianen traden tot de Calvijnsch gezinden toe, die zich, als hunne Zwitsersche broeders, bij voorkeur Gereformeerden of Hervormden noemden. In de „Unie en Verbont tusschen die staten ende steden van Holland en Zeeland” (15 Arp. 1576) heette het reeds „handthouden de oeffeninge van de Gereformeerde Evangelische Religie,” en op de groote vergadering van 1631 verklaarden al de Staten der bijzondere Provinciën, dat zij handhaafden den waren Christelijken gereformeerden Godsdienst. — Opmerkelijk is de bijvoeging van Christelijk en Evangelisch gereformeerd, maar zoo noemden zich de redelijkst denkenden het liefst, als „willende de religie alleen binden aan de leere Christi, dat is het Evangelie ende niet aan velerley gloosen en uitleggingen.” Het was ook niet te verwachten, dat allen die gereformeerd heetten, zuiver Calvijnsch zouden geweest zijn „aangesien d’aensienlykheit, die de schriften van Erasmus hadden in dese landen, als ook d’aengenaemheit van het Huisboek van Bullingerus, van de Schriften van Melanchthon en van der Leeken-Wegwayser van Veluanus.” Het niet Calvijnsch van vele overheden, als ook van niet weinige Hoogleeraars en Predikanten, bleek vooral in hun beweren en volhouden, dat den Staten het hoogste beleid en bestuur over kerkelijke zaken en personen toekwam. Ook ligt het voor de hand, dat, zijn de Symbolische boeken in den zin van Calvijn geschreven, de Liturgische daarentegen in den Zwingliaanschen geest zijn opgeteld. Deze kerk mogt dan Zwingliaansch-Calvijnsch of nog liever Christelijk en Evangelisch gereformeerd heeten, en is de talrijkste en aanzienlijkse, de alleen bevoorregte en heerschende kerk van den staat geworden *).

De Hervorming is van het beginsel uitgegaan, om de kerk tot hare oorspronkelijke reinheid terug te brengen. Dit bragt niet alleen veranderingen te weeg in hare leer, maar ook in den geheelen vorm van haar bestaan en bestuur. Deze vormen zijn verschillend geworden om den bijzonderen aard van den Hervormer en het hervormde volk, of ook merkelijk gewijzigd, naarmate de Hervorming van enkel kerkelijke personen of burgerlijke overheden of van beiden te zamen uitging. In de Nederlanden ontstond de Hervormde gemeente tegen over de Roomsch-gezinde Regering en zij moest de wetten van haar bestuur geheel en alleen in zich zelve vinden. Maar naauwlijks is in eene vergadering der Staten (Dordrecht 15 Julij 1572) Alva voor vijand verklaard, Prins Willem van Oranje tot Stadhouder des Konings erkend, en van de Godsdienst bepaald, „dat er vrijheit van Religie sou gehouden worden, soo wel der Gereformeerde als der Roomsche,” of daar werd ook bij gezegd: „Dat niemandt het Predikampt onder d’Evangelischen sou aanneemen, sonder sich eerst der Overigheit oft Oversten vertoont te hebben. En souden de selve van de gemeente, of eenige van dien, geroepen synde, by d’Overheit niet afgeslagen worden, ten waere door merkelijke redenen en oorsaeken.” Dit regt der Overheid, om eenen door de gemeente beroepen af te slaan, kenden onze Hervormden tot dus verre niet, en zij waren te minder gezind dat regt aan de Overheid toe te kennen, omdat die op vele plaatsen nog geheel of gedeeltelijk uit Roomschen bestond. Van toen af is de strijd over de regten van Kerk en Staat begonnen. Gelijk Zwingli, meer Leeraar dan kerkbestuurder, de geheele kerk en hare regering onder de oppermagt der burgerlijke Overheid plaatste, of gelijk ten minste Erasmus en Melanchthon aan Vorsten en Magistraten veelzijdigen invloed op de regering der Kerken toekenden, zoo of zoo omtrent verlangden het ook de mannen van onzen Staat; enkele en zelfs zeer aanzienlijke uitgezonderd, als Graaf Willem Lodewijk. Maar gelijk Calvijn de kerk als een vrij gemeenebest geschapen had, dat zich zelven door zijne Leeraars en Ouderlingen regeert en bij de Overheid alleen bescherming en behoorlijke zorg voor de uitwendige belangen zoekt, zoo zeiden onze kerkelijken dat het wezen moest, wederom met uitzondering van sommige zeer kundigen als Joannes Uitenbogaert. Deze strijd, lang volgehouden, zal uit de onderscheidene Kerkordeningen duidelijk blijken.

———


*) Wat de heerschende kerk was, heeft W. Broes kort en duidelijk verklaard, in Kerk en Staat. IV. D., I St., bl. 14.

|4|

Het jaar 1568 is onvergetelijk, wijl ons volk toen, door Philips en de Inquisitie veroordeeld, de tachtigjarige worsteling begon. De hoofden van Egmond en Hoorne en van zestien andere edelen waren gevallen; Alva was voortvarende in felligheid tegen de onroomschen, waar zij te betrappen waren; de heertogten van Lodewijk van Nassau en Willem van Oranje waren ongelukkig geëindigd, en duizende huisgezinnen naar Engeland overgestoken, waar het sedert 1558 onder Elisabeth weder veilig was. Maar ook velen zijn naar Wezel gevloden. Dààr was onder Willem, Hertog van Kleef, het Roomsche geloof sinds 1542 geweerd en de nieuwe gemeente bloeide voorspoedig door de zorg van den kundigen Zuid-Hollandschen Leeraar Iman Ortzen. Onder die vlugtelingen te Wezel bevonden zich een twintigtal Leeraars, die in den uitersten nood der kerke nog vol moed en vertrouwen, eene Kerkordening hebben opgesteld voor de Hervormde gemeenten in Nederland *).

Acta
ofte
Handelingen
der Versamelinge der Nederlandsche kerken, die onder ’t kruis sitten, en in en buyten Nederland allesins verstroyt zyn, gehouden tot Wesel, den 3 November en vervolgens in den jaere M.D.LXVIII.

Deze Kerkordening handelt:

Van Collegiën en Provinciale klassen.”

(Collegiën der disicplinen, waarin de drie hoofdtalen geleerd en voornamelijk ook naarstig geoefend wordt de zuivere belijdenis van de heilige waarheid. Klassen, in elke Provincie daar te stellen, opdat elke gemeente wete met wie zij in gewigtige zaken beraadslagen zal.)

Van de Dienaren en Doctoren.”

(Uit dubbeltallen, van Ouderlingen opgemaakt, door het volk te kiezen. Daarna te beproeven in de leer, als in alles overeenkomstig met die in de kerk onderhouden wordt en vervat is in de belijdenisse, gelijk ook in den catechismus en ook te beproeven in handel en wandel naar de getuigenissen dergenen, waaronder zij verkeerd hebben. Eindelijk in het gezigt der geheele gemeente met oplegging der handen te bevestigen. Dezen Leeraars zijn Profeten toegevoegd, die alleen de schriftuurplaatsen uitleggen, maar het ambt der Dienaren Gods strekt zich veel wijder uit.)

Van de Catechismus.”

(Bij het ambt van de Kerkdienst en Profetie, behoort het Catechiseren, en in de Nederlandsche Waalsche kerken zal men volgen den Catechismus van Genève en in de Duitsche kerken den Heidelbergschen.)

Van de Ouderlingen.”

(Zij moeten over hunne Parochiën of Wijken wacht houden en van huis tot huis, die onder hun opzigt staan, ten minste eenmaal elke week bezoeken. Hunne verkiezing geschiedt als die der Predikanten en, verkozen, zullen zij trouw beloven aan handen van den Leeraar, in tegenwoordigheid der overige Ouderlingen, voor de geheele gemeente.)

Van de Diakenen.”

(Hun ambt bestaat in de bediening der tafel; dat is, dat zij de armen in hunnen nood zullen te hulp komen en aalmoezen vergaderen en, hetgeen noodzakelijk is, uitreiken. In groote steden zullen er twee soorten zijn, die de behoeftigen helpen en die de kranken en gekwetsten verzorgen. Ook mogen hun bejaarde vrouwen van vermaarde proef en vroomheid worden toegevoegd. — Zij worden als de Ouderlingen gekozen.)


*) Deze Kerkordening uit het Latijn in de Nederlandsche taal overgezet, is te vinden in het bekende: Kerkelijk Handboekje, zijnde een kort uittreksel van de voornaamste actens der Nationale en Provinciale Synoden, betrekkelijk op de Zuiverheit der Leere, Rust der Kerke enz. vierde druk. bl. 1-43. Dit Handboekje is voor ons doel van kort overzigt, meestal voldoende. Ook daarom zullen wij het volgen, wijl het in veler handen is, en weinigen in het bezit zijn van de Kerkelijke Plakaatboeken en andere oude Historie-Schriften, die sommige kerkordeningen vollediger geven. Men vindt deze genoemd bij H.J. Royaards, Hedendaagsch Kerkregt enz. I. D. § 7.

|5|

Van de Sacramenten.”

(De Doop geschiedt naar het gewoon formulier in de Kerkelijke Ordonnantiën uitgedrukt, buiten noodzakelijkheid nergens anders dan onder de Predikatie in de kerk. Ten dienst voor Kerk en Republiek, zullen de namen der gedoopten in Doopboeken worden opgeteekend. Het Avondmaal moet veertien dagen te voren aangekondigd; acht dagen te voren de naam des Avondmaalsgangers bij den Predikant opgegeven en door de Ouderlingen naar zijn gedrag onderzoek gedaan, en de plegtigheid zelve met de woorden der Kerkelijke Liturgie, bij breking van gewoon brood, zittende of staande gevierd worden.)

Van het Houwelijk.”

(De namen dergenen, die willen huwen van den Predikstoel voor het volk op drie Zondagen af te roepen, nadat zij met hunne ouders of voogden voor den Predikant en twee Ouderlingen verschenen, ondervraagd zijn, en het trouwen zal geschieden op alle dagen, als men predikt, behalve op vast- en biddagen).

Van de Discipline of Kerkelijke Tugt.”

(Zij bestaat, ten deele in de censuur van Leere of Religie en leven der gemeente; ten deele in wettelijke bestraffing; ten deele in de excommunicatie of de christelijke ban. Van het vonnis des Kerkenraads kan men zich beroepen op de uitspraak der Klassen en van deze op de Synode, „hoewel zoodanige tegensparteling en weigering van schuldbekenning niet anders dan voor een teeken van wederspannigheid kan gehouden worden.” Nopens Dienaren en Ouderlingen, daarmede moet een weinigsken op eene andere manier gehandeld worden. Met booze daden besmet, moeten zij terstond met schande en oneer, ook zonder af te wachten het oordeel der klassis, worden afgezet. Alle twee of drie maanden, behooren de Klassikale vergaderingen, tot het onderzoek van zulke zaken van tucht gehouden te worden, en ketterij, dronkenschap, trachting naar tyrannij over de kerk of de collegen enz., zullen met afzetting; maar nieuwsgierigheid, slaperigheid, overdadigheid en andere mindere zonden met broederlijke vermaningen en bestraffingen worden achtervolgdt.)

Van deze Kerkordening merken wij op: dat zij slechts eene voorloopige is, „tot dat in eene Synodale Vergadering iets beters en volmaakters sal besloten wesen” (C. I. a. 3. 8. 9). Hare hoofdbedoeling is, „opdat een eenparige toestemminge in de kerke blijke en gevonden worde, niet alleen in de Leere, maar ook in de selve orde ende Politie.” (Voor-reden). De regering der kerk is de gemeenebestelijke en bijzonder wordt tegen alle heerschappij gewaarschuwd en gewaakt, zoo wel van Ouderlingen, dat zij geene heerschappij gebruiken over de Dienaars of over hunne collegen of over de gemeente (c. IV. a. 9). Van Dienaars, dat hunne heerschzucht over de gemeente en de collegen worde gestraft (c. VIII. a. 15). Van de kerken, dat de eene geene heerschappij voere over de andere (c. VIII. a. 20), en van de Klassikale vergaderingen, dat haar geen regt worde toegestaan over eenige kerk, „ten sy deselve dat van selfs sullen toestemmen” (c. V. art. 19). Ten slotte merken wij op, hoe bepaald hier geboden wordt, dat men in alle kerken van Nederland de Psalmen, van Dathenus overgezet, onderhouden zal, opdat niet door verscheidenheid der overzetting iets worde ingebragt of tusschen kome, dat minder bekwaam is en minder zoude dienen tot stichting (c. II. a. 31). Zoo hoog liep men toen met het werk van dezen man, dat de oorspronkelijke berijming van Uitenhove, in 1566 te Londen uitgekomen, werd uitgesloten, als ook de „Souterliedekens, ghemaeckt ter eeren Gods op alle die Psalmen van David,” door Willem van Zuylen van Nyevelt, reeds in 1539 te Antwerpen uitgegeven, en het volgende jaar en daarna dikwijls herdrukt, op zijde werden gezet. Deze laatste, mede-onderteekenaar van de Kerkordening, ondervond hier hetzelfde, als Philip van Marnix op de nationale Synode van Dordrecht 1578.

———

Na drie jaren waren de Spanjaarden nog even teugelloos aan het woeden. Alle welvaart was vernietigd, de tiende penning geëischt, het land uitgemoord, het volk wanhopig. En toch gaven eenige getrouwe Leeraars den moed niet verloren. In Duitschland en Oost-Vriesland verstrooid, kwamen zij in Emden

|6|

bijeen. Emden, van waar de Hervorming, onder den deugdzamen Graaf Edzard reeds in 1519 aangevangen, tot de Nederlandsche gewesten oversloeg en daarom onze Moederkerk geheeten: Emden, om de hulpvaardigheid, dáár altijd genoten, de herberg van Gods verdrukte en verdreven gemeente genoemd: Emden is de tweede plaats, waar eene Kerkordening voor de Hervormden van Nederland werd opgesteld *).

Acta
ofte
Handelingen
der versamelinge der Nederlandtsche kerken, die onder ’t kruis sitten en in Duytschlandt en Oostvrieslandt verstooit zyn, gehouden tot Embden den 5 October Anno 1571.

Deze beknopte Kerkordening is in denzelfden geest, als de vorige opgesteld. Echter vinden wij het een en ander weggelaten, gewijzigd en nieuw bijgevoegd.

In de vorige kerkordening was bij het beroepen der Dienaren de wensch geuit, „dat de Godvruchtige Overheden geliefden onderling de hand en hulpe te bieden aan de Ouderlingen in hun rijp oordeel en voorzigtige verkiezing.” Dit, en hetgeen daar verder staat van dat „Samengevoegde gezag,” wordt hier weggelaten.

Gewijzigd is de Benoeming der kerkelijke personen. Hunne verkiezing staat niet meer bij het volk, tenzij die gewoonte moeielijk te veranderen ware; de door de Kerkenraden (en als het Predikanten betreft ook met oordeel en goeddunken der klassikale verzameling of drie Ministers uit naburige kerken) gekozene worden der gemeente slechts voorgesteld en stilzwijgend door de gemeente aangenomen (a. 13. 14).

Tot het nieuw bijgevoegde behooren de zamenkomsten, als die niet alleen in kerkenraadsvergaderingen, wekelijks, en klassen, alle drie of zes maanden bestaan; maar ook in Synoden (provinciale) elk jaar, en in Nationale Synoden, om de twee jaren te houden (a. 8, 9). Ook bij de Discipline is gevoegd, dat de hardnekkige openlijk van den predikstoel zal vermaand worden. Eerst, zonder den naam te noemen. Daarna, met vermelding van den naam. Eindelijk met aanzegging van excommunicatie (a. 31).

Verder is ingesteld, het gemeenschap houden der kerken door onderlinge brieven (a. 43); het afgeven van attestatiën voor degenen, die uit de gemeente gaan (a. 45-47); het examineren en approberen der boeken, die over de religie handelen (a. 51); het onderschrijven der confessie van de Nederlandsche en Fransche kerken, om daarmede de verbinding met de Fransche gemeenten te betuigen (a. 2); en eindelijk is bepaald, dat de Heer S. Aldegonde zal gebeden worden, eene historie te schrijven der dingen, de oprigting der kerke, de vervolging derzelve, de afwerping en wederoprigting der beelden, de volstandigheid der martelaren, de gruwelijke oordeelen Gods tegen de vervolgers, de verandering der Politiën enz. betreffende (a. 48).

Van deze Kerkordening is in het algemeen op te merken, dat zij het onzekere en weifelende der Wezelsche niet bezit. Hoe de vorm en de regering der Nederlandsche kerk wezen zal, is hier reeds tot helderheid gekomen en duidelijk uitgedrukt.

———

Het licht der verlossing ging eindelijk in Holland en Zeeland op. Den Briel [en] vele andere steden werden den vijand ontnomen: Gelderland en Vriesland stonden ook voor de vrijheid op: De Bossu is op de Zuiderzee geslagen, en Alva door den minder krijgskundigen en minder wreedaardigen Requesens vervangen. Nu kwamen wederom eenige Leeraars te zamen; maar het is op Vaderlandschen bodem, en, gelijk zij zeiden, „bij voorweten en believen van den Prins van Oranje en de Staeten.”


*) Kerk. Handboekje. bl. 44-63.

|7|

Acta
ofte
Handelingen
des Provinciale Synodi der kerken van Holland en Zeeland, gehouden binnen Dordrecht, den 16 Junij begonnen en den 28 geëyndigt. Anno 1574.

Deze Dordtsche kerkvergadering, gehouden onder denzelfden Praeses als de Emdensche, maakt de Emdensche artikelen voor alle kerkenraden verbinden (a. 1 en 82), en deze kerkordening van Dordrecht kan de Emdensche genoemd worden, maar uitgebreid en in enkele punten veranderd. Die veranderingen betreffen meest kleinigheden, als: de oplegging der handen bij de bevestiging der Dienaren na te laten (a. 24) en het orgelspelen geheel af te schaffen (a. 50). — Daar de Overheid zich sinds de eerste vrije vergadering der Staten (1572) het regt toeëigende, om beroepingen goed te keuren of af te slaan, vinden wij in sommige artikelen duidelijke voorzorg tegen dat gezag der Overheden in kerkelijke zaken. Het regt van verkiezing wordt voor de kerk gehandhaafd, en waar armengoederen in gemeenschap met de Overheid worden beheerd, die Overheid zeer noode eenige invloed op de verkiezing van Diakenen afgestaan (a. 12. 17. 19). Terwijl het van de Dienaars voor de Synode heet, dat zij: „getuygenisse brengen sullen van de Kerkenraad en de Classe en niet van de Overheydt” (a. 90). Ook plaatste zich deze kerkvergadering aanstonds op de hoogte der heerschende kerk, hetwelk blijkt uit hare antwoorden op de vragen: hoe men den Wederdooperen weren (a. 3) en wat men met de Papen doen sal, die in ’t heymelijk doopen en trouwen.” (vr. 8). Eindelijk zij in deze Kerkorde opgemerkt, hoezeer men tegen feestdagen ingenomen was en besloten werd, dat men met den Zondag alleen te vreden wezen zal (a. 53). Evenwel zijn in later vergaderingen eenige feestdagen goedgekeurd (1581. a. 50 en 1586 a. 60), en is in de Synode van 1618 en 1619 zelfs bepaald, dat men Kersmis, Paasschen en Pinksteren met den navolgenden dag zal onderhouden (a. 67).

Uit deze Kerkordening bleek het den Staten, dat de consistoriën aangelegd waren, om in het kerkelijke orde te stellen buiten de Overheid, en zich tegen andere gezindten te kanten. Het scheelde luttel, of man had ze al te zamen door Staatsbesluit glad afgeschaft en het was wel te voorzien, gelijk het ook geschiedde, dat deze Kerordening door de Staten met onheusch bescheid zou worden afgewezen. Inzonderheid was de naam van Consistorie of Kerkenraad, bij Prins Willem verdacht. Hij kwam er voor uit, dat die raad der kerkelijken op gewetensdwang uitliep en de Prins nam den last der Staten op zich, om geene Consistoriën of Kerkenraden te gedogen, „dan bij goedtvinden, noeming en instelling van de Magistraeten der steden, ofte van de Staten des landts” (1574).

———

De toestand van het land verbeterde niet. Het scheen onmogelijk, om den strijd tegen het magtige Spanje vol te houden. Ook Oranje begon de moed te ontzinken en toch onder dat scherp zeilen in de stormen van den Staat, zijn op naam des Prinsen, als Stadhouder, en der Heeren Staten van Holland en Zeeland en hunne Bondverwanten eenige Kerkelijke wetten ontworpen (1576) *).

In deze Kerkelijke wetten gaat de geheele regering der kerk van de Overheid uit.

De Magistraat van iedere hoofdstad kiest op het aangeven, en met raad van zijne Predikanten, voor zijne stad en voor alle plaatsen van zijne jurisdictie, de Predikanten (a. 1).

De Predikanten door de Ouderlingen geëxamineerd en aan de gemeente voorgesteld, leggen den eed af in de handen van den Magistraat (a. 8).

De controversie van leering, welke de Predikanten onderling niet weten bij te leggen, zal de Overheid vereffenen (a. 13).

Over de misdragingen der Predikanten zullen de Ouderlingen hun gevoelen


*) Te vinden in Brandt Hist. d. Reformatie enz., tweede druk, B. XI, bl. 367-372.

|8|

zeggen, maar het opperste oordeel van straf blijft altijd van den Magistraat (a. 16).

De Magistraat bepaalt met raad der Predikanten, wanneer en hoe dikwijl predicatiën dienen gedaan (a. 21).

De Magistraat oordeelt over allerlei kwestiën van huwelijkszaken (a. 31).

De Magistraat stelt de Professoren der Theologie en Schoolmeesters aan (a. 36 en 37).

En de Magistraat van iedere plaats zal velen of weinigen uit zijn midden verkiezen, om in de kerkelijke vergaderingen tegenwoordig te zijn (a. 39).

Bij deze kerkelijke wetten zijn op naam der Staten zeer opmerkelijke redenen gevoegd: In het Oude Verbond zijn de wetten van Mozes en niet van Aäron gesteld. Zoodra de Overheden onder het Nieuwe Verbond geloofden, hebben zij ook de regering der kerk aanvaard. De Dienaars hebben te Dordrecht in dezen gepraeöccupeerd, waarin hunne naarstigheid te prijzen is; maar het komt de Overheid toe. Gelijk alle bezoldigde ambtenaren, moeten ook de Predikanten van de Overheid verkozen worden. Al is de Overheid der Hervormde belijdenis niet toegedaan, zij heeft toch bij eede de bescherming der religie aangenomen. Geene publieke posten worden zonder eed aanvaard, dus die der Predikanten evenmin. Pausgezinden en Wederdoopers zijn niet door straf te dwingen, maar minzaam uit te noodigen. Het ambt van Predikanten, dat den geheelen mensch vereischt, moet van de moeite aller huwelijks-kwestiën bevrijd blijven. De Ouderlingen, door den Magistraat gekozen, zijn te overvloediger van gezag en te achtbaarder als van den Magistraat verkoren.

———

Hoe schoon gemelde redenen ook klonken, bevielen de opgestelde wetten aan de Calvijnsch gezinde Predikanten niet. Den Prins en den Staten werd, na Requesens dood, ook zooveel te doen gegeven, dat de invoering dier wetten achterbleef. De kerkelijken, hierdoor bemoedigd, beriepen eene Nationale Synode te Dordrecht.

Acta
ofte
Handelingen.
des Nationalen Synodi der Nederlandschen, Duytschen en Walschen kerken, soo wel Inlandschen als Uytlandschen, gehouden te Dordrecht. Begonnen den 2 Juny en voleynt den 18 des selven maands, anno 1578.

Deze kerkordening handelt over dezelfde hoofdstukken als die van 1574. In dezelve is het vergaderen der particuliere en der Generale of Nationale Synode vast geregeld, welke laatst om de drie jaren zal plaats hebben (a. 45), en op welke vergaderingen alle gecommitteerden met brieven van Credentie en Instructie verschijnen (a. 20). Petrus Dathenus was Electus Synodi Praeses, en van hem is wel geene gematigdheid jegens de Politieken, noch inschikkelijkheid naar de welbekende wetten van Prins Willem (1576) te verwachten *) Alleen dit schijnt op het punt van benoeming toegegeven, dat de Dienaren des woords door den kerkeraad met goed oordeel der klasse gekozen en beproefd, der Gereformeerde Overheid zullen aangegeven en voorts der gemeente voorgesteld worden (a. 4); maar bij de benoeming van Ouderlingen en Diakenen wordt de Gereformeerde Overheid niet ingeroepen (a. 12). Het is ook niet de Staat, die de Dienaars en Emeriti onderhouden en verzorgen moet, maar de gemeente (a. 6 en 7). Het is veelminder de Overheid, die bepalen zal, wie, waar en in wat plaats iemand prediken moet; maar de Dienaren des woords en de Ouderlingen (a. 22). En in stede dat de Magistraat alle huwelijks-kwestiën beslecht, zal alleen bij groote zwarigheid de Overheid gebeden worden, twee of drie van de haren te ordineren, die met de Dienaren der klasse de zwarigheid ter neder leggen (art. 91).

In deze vergadering is de Nederduitsche en Waalsche kerk om de tweeërlei


*) Van den Prins zeide hij, dat die niet gaf „nocht om Godt, nocht om Godsdienst.” Hooft. Ned. Hist., XIII., 541.

|9|

spraak gescheiden, zoodat ieder hare kerkenraden, klassen en particuliere synoden hebben zal, maar beiden onder eene algemeene synode vereenigd blijven (a. 46). Eindelijk is ook bepaald, „dat Davids Psalmen, overgezet van Petrus Dathenus, in de Christelijke zamenkomsten zullen gezongen worden, gelijk men tot noch toe gedaan heeft, achterlatende de gesangen, die in de Heylige Schrift niet gevonden worden” (a. 76). — Deze Kerkordening is door de Staten niet bekrachtigd.

———

Het land bleef altijd in groot gevaar, want Parma is in krijgskunde aan Alva gelijk en in staatkundig beleid nog boven hem verheven. De Unie van Utrecht was voor de noordelijke gewesten wel tot stand gebragt (1578 en 1579), maar in het zuiden waren de Walen naar Spanjes zijde gevallen en Maastricht is belegerd en verwoest. Philips is afgezworen en van Anjou als Hertog Graaf en Heer onzer gewesten geroepen (1581). — En thans waren de drie jaren verstreken, na welke op de Nationale Synode besloten was, dat wederom zulke kerkelijke vergadering zou gehouden worden. De kerken van Antwerpen en Delft zonden de brieven daartoe af. Ook werden de Staten gevraagd, om van de hunnen tot het nemen der beste besluiten te willen afvaardigen, maar zij wezen dit beleefdelijk van de hand.

Acta
des
Nationalen Sinode.
gehouden tot Middelburg in Zeeland, begonnen den 29 May, Anno 1581 *).

Het is op deze vergadering, dat onze kerk eenige verandering naar de wijze van a Lasco kon ondergaan hebben, wijl er gevraagd werd, of het niet goed ware Inspectores of Super-intendentes te maken; maar het antwoord was: Het is onnoodig en zorgelijk (vr. 64). Dat Supper-intendentschap zou ook gestreden hebben, zoowel met de bepalingen der vroegere Synoden, als met a. 31 der geloofsbelijdenis: „soo hebben se eene selve macht ende authoriteyt enz.” Evenwel zijn in de Fransche Gereformeerde kerken nevens de Kerkleeraars, in rang gelijk, Surveillans, Superintendans toegelaten, en dat is onder het oog en den invloed van Calvijn en Beza geschied. Voor het overige is deze Kerkordening in denzelfden geest als de vorige, met welke zij bijna in alle hoofdzaken en bijzonderheden overeenstemt. Doch vele der tegenwoordig zijnde leden doen zich bijzonder gestreng voor in de particuliere vragen op deze Synode beantwoord. Vooral wanneer het de groote vraag dier dagen geldt: of het noodig is, dat personen tot het Ouderlingschap en Diakenschap gedenomineerd, der Overheid te presenteren, om daaruit de heft te kiezen of de gedenomineerde personen te bevestigen? Het antwoord is „gelijk de nominatie kerkelijk is, zoo is ook de verkiezing, en de Overheid (professie doende van de religie) is mede begrepen onder de kerk of gemeente, aan welke de benoemde Ouderlingen en Diakenen (volgens a. 40 der Kerkordening) voorgesteld worden. Evenwel, indien de Overheid hierop drong, en de kerk in perikel van twist of andere inconvenienten mogt komen, zal men in de vreeze des Heeren overleggen, hoe ver men de Overheid hierin te wille zijn zal en dat met advies der klasse en Particuliere Synode” (vr. 100).

Zoo scherp wilde men de lijn tusschen kerkelijke en overheidspersonen trekken, dat er ook gevraagd werd „of degenen, die in het Ambt der Overheid zijn, tot Ouderlingen en wederom Ouderlingen tot Overheden mogen genomen worden? Waarop echter geantwoord is: Het eene ambt verhindert het andere niet (vr. 69). Op deze kerkvergadering is een vast Formulier des Bans, ofte der afsnijdinge van de gemeynte ingesteld (part. vr. 40). Een vast Formulier van Weder-opneminge had men toen nog niet (a. 63). Dit ontmoeten wij op de Synode van ’s Gravenhage 1586 (a. 71).


*) Kerk. Handboekje, bl. 128-178.

|10|

Deze Kerkordening den Staten overgeleverd, is evenmin als de vorige Dordtsche (1578) goedgekeurd. Hoe de Overheid haar beoordeelde kan eeniger mate blijken uit het vertoog der Wethouders van Leyden aan de Staten van Holland nopens het verhandelde der Predikanten in de Nationale Synode van Middelburg. Ofschoon de Wethouders dier stad wel bijzonder tegen de kerkelijken zullen ingenomen geweest zijn, om de twist dáár met hevigheid gevoerd ter zake van het verkiezen van Ouderlingen en Diakenen *), „Zij erkenden geene Naitonale Synode, dan door de Generale Staten beschreven. Zij wilden ook geene driejarige Synode, wier decreten-tal ligt tot een ander Jus canonicum zou aangroeijen. En zij zouden nooit toestaan, dat kerkelijke mannen, tredende op burgerlijk gebied, meesterschap uitoefenden over overheden en onderdanen.” Waarop de Predikanten en Ouderlingen der kerken van Holland dit vooral geantwoord hebben, dat, gelijk het burgerlijk gebied bij de politieken, ook de kerkelijke regering geheel en onverdeeld bij de Herders en Opzieners blijven moest, en dat den politischen mannen, ja, dengenen, die genoeg professie deden, dat zij niet waren van de Gereformeerde religie, geen weg gebaand werd tot meesterschap over de kerk; hetwelk zij even zoo weinig als de Paapsche tyrannij zoude kunnen aannemen, willende liever wederom in het heimelijke verkruipen, om met vrije consciente te genieten, hetgeen zelfs den Wederdoopers in hunne valsche religie niet werd geweigerd.”

Men kan in dit antwoord opmerken, hoe onze kerkelijke Vaders reeds gevoelden, dat het voorregt van eene Staatskerk te zijn, ook zijne min aangename zijde had en tevens, dat zij veel reden hadden, om op hunne hoede te wezen tegen het meesterschap van eene overheid, die nog gedeeltelijk Roomsch gezind en niet van de Gereformeerde religie was.

———

Hoeveel het jaar 1583 tegen Parma en zijne terug geroepene bende en tegen den verraderlijken Anjou met de Fransche furie ook te doen gaf, was de spanning tusschen kerkelijken en politieken zoo groot, dat er in moest voorzien worden, of anders zouden, naar het schrijven van den Prins, de Gereformeerde religie en het land beiden verloren gaan. Van wege de Staten werden dan de handelingen der Middelburgsche en andere Synoden herzien en eene kerkelijke orde ontworpen ✝).

Was in de Staatskerkorde van 1576 gezegd, dat de Magistraat de Predikanten verkiest (a. 1 en 2), hier zal de benoeming geschieden door een viertal van politieken met een viertal van kerkelijken; de alzoo gekozen wordt daarna aan het collegie van Burgemeesteren en Schepenen voorgedragen, vervolgens geëxamineerd en eindelijk der gemeente voorgesteld (a. 1). Uit dit eerste artikel blijkt genoeg, hoe ver deze Kerkorde van de eerste streng Staatsgezinde afwijkt; maar vergeleken met de bepalingen der Middelburgsche Synode blijkt tevens, hoe ver zij nog verwijderd is van de geheel kerkelijke verkiezing, dáár vastgesteld, als moetende de Predikanten door den kerkenraad, mitsgaders het oordeel der klasse, gekozen, geëxamineerd en daarna ter approbatie aan de Gereformeerde Overheid als ook aan de gemeente aangegeven worden (a. 4). — Wel wordt in sommige opzigten aan het verlangen der Middelburgsche Synode voldaan. Had zij de gemeente aangespoord om te zorgen, dat er Studenten in de Theologie ex bonis publicis onderhouden werden (a. 14), zoo is in deze Staatskerkorde bepaald, dat een getal van zes en dertig jongelieden, ieder voor den tijd van zes jaren, aan de Universiteit van Leyden voortaan op kosten van het gemeene land voor de kerkdienst zal bekwaam gemaakt worden (a. 9). — Ook zijn sommige Middelburgsche artikelen, als bijvoorbeeld over den doop en de tucht (Middelburgsche a. 39 en 58-67 vergeleken met deze Staatsche a. 16 en 48-52) geheel of gedeeltelijk overgenomen; maar evenwel is nergens afgegaan van het


*) Brandt, Hist. d. Ref., XII, bl. 649 verv.
✝) Deze Staatskerkordening, bij niemand der oude geschiedschrijvers, dan bij Brandt en daar slechts voor een klein gedeelte te vinden, is door Prof. H.I. Royaards uit een handschrift medegedeeld en tevens historisch bewerkt in Nederlandsch Archief voor Kerk. Gesch., III, bl. 307-384.

|11|

Politieke standpunt. In alle, daartoe betrekkelijke artikelen, wordt het Opperbestuur op den Magistraat der plaats of op de hooge Overheid en de Staten van den Lande terug geleid; de Diakonie-rekening mede ten overstaan van den Magistraat te doen (a. 13); op de Schoolmeesters door den Magistraat toezigt te nemen (a. 14); trouwregisters door de Magistraat en Kerkdienaars te houden (a. 28); echtscheiding van den Magistraat te vragen (a. 34); bij de Kerkenraads vergadering leden van den Magistraat te voegen (a. 43); ook voor de Klassikale en Synodale zamenkomsten eenigen door den Magistraat der plaats of door de Hooge Overheid te committeren (a. 44 en 45), en eindelijk de uiterste remedie van afsnijding niet zonder kennis en consent der Overheid te geschieden (a. 48). Dit Politiek beginsel wordt ernstig gehandhaafd en deze Staatskerkorde staat als zoodanig nog scherp genoeg tegen die van Middelburg over. — Daar werd dan ook besloten met dezelve te Supersederen tot betere gelegenheid. En ook den kerkelijken, die in 1584 wederom hunne driejaarsche Nationale Synode houden moesten, ontzonk de moed, om den nood des lands en den moord des Prinsen.

———

Elizabeth van Engeland had Leycester met hulpbenden gezonden. Met de magt van Opper-Landvoogd bekleed, „tochtte hij naa den naam van Voesterheer der kerke, waarmeê hy waande de gemeenten aan syn snoer te kryghen en den Staaten oover ’t hooft te wassen.” Daarom beriep hij eene Nationale Synode en de Calvijnsch gezinde Leeraars haastten zich, om, door hem gesteund, eene Kerkordening te vervaardigen *).

Kerken-Ordeninge
der
Nederlandsche
Gereformeerde Kerken van beyder talen, gestelt in de Nationalen Synode: te samen beroepen en gehouden bij last van Syn Excellentie in ’s Gravenhage, den 20 Junij 1586.

Deze Kerkorde handelt in denzelfden geest als de Middelburgsche, ook in dezelfde orde en meestal in dezelfde woorden, over „de Diensten — Kerkelijke ‘’t samenkomsten — Leer, Sacramenten en andere ceremoniën — en censure en kerkelijke vermaningen. Evenwel openbaart zij grootere gestrengheid in menig bijvoegsel, als daar is, de bepaling: dat de Dienaars des woords, die de geloofsbelijdenis weigeren te onderteekenen, de facto zijn geschorst en bij volharde weigering geheel worden afgezet (a. 47).

Ook is zij, gelijk te wachten was, voor de eischen der Staatsgezinden niet toegevend. Bij de approbatie, welke voor de beroepen’ Predikanten van de Overheid wordt gevraagd, is gevoegd, dat dit slechts geschiedt „om te vernemen of zij huns levens of burgerlyken wandels-halven eenige wettelyke oorsaken heeft te wederspreken” (a. 4), en bij het verlenen van plaats in de kerkenraadsvergaderingen voor één of twee leden van den Magistraat der plaats om aan te hooren en mede te delibereren, is ook gevoegd, dat die plaats zal verleend worden, „indien het der Magistraat gelieft” (a. 34).

Uit alles blijkt, dat de kerkelijken, door al het vroeger gebeurde, geen haarbreed van hun standpunt zin afgeweken.

Deze Kerkordening met voorbijgaan der Staten aan Leycester ter goedkeuring aangeboden, is door hem bekrachtigd, zonder het oordeel der Staten, aan welke hij haar zond, af te wachten.

Den Ultra Calvijnschgezinden was deze Kerkorde te gematigd. Het hinderde hen, dat de Magistraat één of twee der zijnen, bij de kerkenraadsvergaderingen mogt zenden. Dit achtten zij, dat men den Overheden niet had behooren in te willigen, ten ware ook den Predikanten gelijke zitting in de Politieke zamenkomsten werd


*) Kerk. Handboekje, bl. 179-200, en Broes Kerk en Staat, IV d., II St., bl. 377-392.

|12|

verleend. En de Staatsgezinden konden het niet dulden, dat den Wethouderen der stedne, zoo weinig zeggen gelaten werd, in het verkiezen van Predikanten; en om de drie jaren eene Nationale Synode zou gehouden worden, zonder gewag te maken van eerst verlof bij de Overheid te verzoeken. Evenwel heben de Staten van Holland in dat zelfde jaar deze Kerkordening aangenomen; onder voorbehoud evenwel van hun regt en dat der Edelen en Magistraten der steden op het aannemen en afstellen van Kerkdienaars en Schoolmeesters; als ook, dat Kerkendienaars, Ouderlingen en Diaken zullen wezen subject, als alle andere Poorteren en inwoners van steden en dorpen; eindelijk, dat in deze ordonnantie niet zal worden veranderd, dan bij voorgaand wettelijk consent der Staten.

Deze is dan de eerste Kerkordening van kerkelijken uitgegaan, die de approbatie der Staten verwierf. Evenwel werd hare invoering door vele Magistraten tegengewerkt en toen Leycester het land verliet, verloor zij ook hare kracht.

———

De vaderlandsche gewesten begonnen zich ten laatste uit den nood op te heffen. Mannen als Oldenbarneveld bepleitten in de raadzaal de belangen des lands, met wijs beleid, terwijl de jeugdige Maurits den kranken Parma dapper versloeg. De Hervormde kerk was onder Leycester gestijfd in het laten gelden van hare regten en de mannen van den Staat achtten het noodig, om de regten der Overheid daar tegen te stellen. Acht gematigden uit de Staten-vergadering en de geregtshoven, met een gelijk getal van Predikanten, ontwierpen in Februarij en Maart 1591 eene Kerkordening *).

Van deze Kerkordening is te zeggen, dat zij in den volsten zin des woords eene artikelsgewijze resumtie der vroeger ontworpene van 1583 is, en de afwijkingen of veranderingen naauwlijks noemenswaardig zijn. — Dat zij ook niet de minste sporen draagt van terugzigt op de ingevoerde Leycestersche van 1586 en de ontwerpers of herzieners thans minder toegevend zijn geweest jegens die Leycestersche, dan in 1583 jegens de Middelburgsche ✝).

Deze Kerkordening, hoewel door de Hoven als Goddelijk en stichtelijk, en niet alleen dienstig, maar geheel noodig voor land en kerk geroemd, vond tegenstand bij de Wethouders der steden van Delft, Gouda, Rotterdam, Hoorn en Medemblik. Zij meenden, dat te veel regten van Heeren Staten en Stedelijke Magistraten in handen van kerkelijken gegeven waren. De kerkelijken oordeelden dat deze Kerkorde niet mogt worden ingevoerd, dan na de kerken er op gehoord en de goedkeuring der Provinciale Synode ontvangen te hebben. Hiervan liet zich echter weinig goeds beloven bij de toen heerschende spanning, want men sprak zelfs van die Predikanten, die over deze kerkelijke wetten gestaan en dezelve onderteekend hadden, te censureren, als hebbende het regt der kerk verkocht. Nopens deze Kerkorde is dan wederom besloten, de zaak „uit te stellen tot betere gelegenheyt.” Wel hebben de Staten hare invoering nogmaals in 1594, 1611 en 1615 beproefd, maar steeds te vergeeft. Des al niettemin hebben deze wetten in sommige gemeenten van Zuid-Holland ingang gevonden, want onder de Predikanten was een deel, ofschoon verreweg het kleinste, tegen de Leycestersche, en voor deze Staatsche gestemd.

———

De tachtigjarige oorlog werd door een twaalfjarig verdrag geschorst, maar nu ontvlamden de Remonstrantsche en Contra-remonstrantsche twisten. Ieder in het land koos partij, ook Prins Maurits tegenover Oldenbarneveld, en, de Staatkundige in de zaak getrokken, werd de strijd hevig en gevaarlijk, vooral in een tijd, toen alles met groote hevigheid behandeld werd en eenige verborgen kracht of drift scheen te heerschen, die ook de wijste mannen vervoerde (Getuigenis van Philips van Mornay, Heer van Plessis). Toen riep men om eene Nationale Synode en deze had eindelijk plaats. In deze merkwaardige vergadering, wenschten velen ook de Kerkorde van 1586 in hare volle kracht


*) Kerkelijke Wetten van Vriesland. bl. 388-403.
✝) Archief voor Kerkgesch. III. bl. 377-384.

|13|

hersteld te zien, maar de Staten geliefden haar met geene approbatie te bekrachtigen. Daarop is dan eene eigene kerkorde vervaardigd, maar slechts in weinige opzigten van de genoemde onderscheiden.

Kercken-Ordeninge
gesteldt in den Nationalen Synoden der Gereformeerde kercken, te samen geroepen en gehouden door ordre van de Hoogh Mogh. Heeren Staten Generael der Vereenighde Nederlanden binnen Dordrecht in de jaren 1618 en 1619 *).

Deze kerkvergadering is nopens de Leer veel gestrenger, dan de vroegere. Behalve het vroeger bepaalde omtrent de onderteekening der geloofsbelijdenis en de afzetting, in geval van weigering, heeft zij nog besloten: te concipiëren een accuraat formulier van onderteekeninge, waarna de Kerkendienaars de Belijdenisse, de Catechismus en de verklaring des Synodi nat: over de vijf remonstrantsche Artikulen, sullen onderteekenen, om haar regtsinnigheid klaarlijk te betuygen, en sommige verkeerde uytvlugten omtrent de onderteekeninge voor te komen (Sess. 159). Diergelijk formulier van onderteekening is ook voor alle Rectoren en Schoolmeesters opgesteld, waarbij zij verklaren, van harte te gevoelen en te gelooven, dat alle de artikelen en stukken der Leer in deze Belijdenis en Catechismus der Gereformeerde Nederlandsche kerken begrepen, mitsgaders de verklaring over eenige artikelen der voorzeide Leer, in de Nationale Synodus tot Dordrecht, anno 1619 gedaan, in alles met Gods woord overeenkomen: belovende de voorzeide leer der jeugd te zullen inscherpen „op poene, dat wij hier tegen doende, van onsen schooldienst sullen afgeset werden” (Sess. 164). — Ook zijn de Algemeene en Provinciale Staten afgesmeekt omtrent de Academiën daarop te letten — dat de regering dier Academiën bij Gereformeerde leden zij, van welken men wel verzekerd is, dat zij de Leer, van het begin der Reformatie bij ons aangenomen, zijn toegedaan — dat behalve de politieke mannen ook een Predikant of twee dit opsigt werd aanbevolgen, om naauwer op de Theol. Faculteit toe te zien — dat geen Theol Professor zonder toestemming der Synode beroepen werd, zelfs geen Regent of Onderregent van het Theol. Collegie — dat alle Professoren van iedere faculteit en kunst, hunne overeenstemming in de regtzinnige leer door onderteekening beuigden — dat geen Professor der philosophie of der talen eenige Godgeleerde stof zonder verlof der Theol. Faculteit behandelde — dat de Theol. Professoren ook niet problematice eenige scrupulen tegen de aangenomen Leer zullen mogen moveren — dat de Professoren der Theologie en de Regenten der Theol. collegiën aan de Synode rekenschap geven en aan haar oordeel dienen onderworpen te wezen — en dat de alumni der kerk dikwijls in het bijzijn der gedeputeerden van de Synoden worden geëxamineerd (sess. 163). Deze Synode heeft ook de kerkvisitatie door visitatoren, van elke klassis benoemd, ingesteld (a. 44). Tegen over de Burgerlijke magten is deze kerkorde integendeel gematigder dan de vorige. Nopens de Beroeping dergenen, die alreeds, zoowel als die nog niet in dienst zijn, wordt bepaald, dat zij geschieden zal „niet zonder goede correspondentie met de christelyke Overheyd der plaatse respectivelijk” (a. 4 en 5). — En wordt dat hoofdstuk „van de Diensten” besloten, met eene opwekking aan Predikanten, Ouderlingen en Diakenen, als: „schuldig de gantsche gemeente vlytelyk en opregtelyk in te scherpen de gehoorsaamheyd, liefde en eerbiedinge, die sij den Magistraat schuldig zijn: en sullen alle kerkelyke personen met haar goed exempel in dezen de gemeente voorgaan en door behoorlyk respect en correspondentie, de gunst der Overheden tot de kerken soeken te verwekken en te behouden: ten eynde een yder het syne in des Heeren vreese, aan wederzyden doende, alle achterdenken en wantrouwen mogen werden voorgekomen, en goede eendragt tot der kerken welstant onderhouden.”

Het is ook op deze kerkvergadering, dat het vraagstuk nopens het jus patronatus ten gunste der Patronen is beslist. Had het altijd hevige tegenkanting, als strijdig


*) Kerk. Plakaat-boek enz. van Wilters. I. bl. 132-169. en Kerk. Handboekje, bl. 207 verv.

|14|

met de regten der vrije kerk, bij de Calvijnschgezinden ontmoet, zoo werd het ook nu op den eersten dag der Postacta ter tafel gebragt, met het voorstel om het eenigszins of ten eenemale te weren. Doch op de verklaring der Commissarissen, dat de Staten dit weren nooit zouden gedogen, zijn negen wetten gemaakt, om het misbruik te verbeteren. Welke wetten het regt van Presentatie als wettige instelling der kerke erkennen, maar daarentegen ook der kerken het volle regt geven „om den gepresenteerden persoon te weygeren, soo syne gaven ofte manieren de kerke niet wel en gevallen” (sess. 156 en 157).

Deze Kerkordening wordt gezegd tusschen die van 1586 en 1591 in te staan, ofschoon toch altijd veel meer en digt naar de zijde van die van 1586 gedrongen *).

Zij vond nog geen geheel bij de Staten, die, wat het kerkbestuur betrof, volkomen Remonstrantsch gebleven waren. (Dit merkte Maria van Reigersbergh ook op in eenen brief aan haren man, geschreven van Amsterdam den 12 Aug. 1624, „dat zij liefderijk ontvangen werd van sommige Contra-remonstranten, die in de leer van haar verschilden, maar, wat het punt der regering aanging, volkomen van haar gevoelen waren.” Geschied en letterkundig mengelwerk. v. J. Scheltema II. st. bl. 106). In Gelderland werd zij aangenomen na verandering en interpretatie van drie artikelen en dan nog slechts „alles bij provisie ter tijd en tot dat anders over de selve Kerken-ordeninge, bij de samentlijke Unieerde Provintiën, of bij ons nader en speciaalder geordonneert zijn sal, ook mede ongekrenket deser Landschaps resolutie voor dezen op ’t stuk en beleydt der kerken genomen.” — In Utrecht, waar men zich liever aan de Kerkorde in den geest van Duifhuis (1590 en 1612) ontworpen, hield, nam men deze Dordtsche van 1619 wel aan, maar met het noodige voorbehoud in geval van verschil over eenig artikel. — In Holland konden de Staten niet goedvinden, „dat bij provisie eenige orde beraamd of geresolveerd werde te volgen; maar alle zaken te laten bij het gebruik, dat in elke klassie dienaangaande tot dien tijd toe gevolgd was, met onderhoud van al zulke regten van patroonschap of andere, als iemand wettiglijk waren competerende.” — In Zeeland was reeds eene Kerkordening op gezag der Staten ontworpen en ingevoerd en in onderscheidene coetus vermeerderd, zoodat men de Dordtsche van 1619 niet behoefde. — Ditzelfde was in Groningen en Drenthe het geval en de Staten van Vriesland verboden de kerkordening van 1619, „als hier te Lande niet practicabel en tegen ’s Lands privilegiën in veele pointen strijdende.”

Zoo is dan ook deze laatste Kerkorde der nationale Synode van de heerschende kerk niet algemeen aangenomen noch ingevoerd. Ook al hadden de Algemeene Staten haar aanstonds met de hoogste goedkeuring bekrachtigd, was het nog te verwachten geweest, dat hare invoering op menige gewestelijke en stedelijke Souvereiniteit schipbreuk zou hebben geleden. Toen er na deze geene nationale Synode meer vergaderde, was alle hoop op eenparigheid verloren, ofschoon de deputatiën uit onderscheidene provinciën, op particuliere Synoden, den band van eenheid, zooveel mogelijk, zochten te onderhouden. Deze oneenparigheid belette evenwel niet, dat nagenoeg dezelfde vorm van Kerkbestuur overal bestond en hoe langer zoo meer bevestigd is. De gewestelijke kerken waren kleine Republieken, die te zamen het groote kerkgemeenebest uitmaakten, zooals dit ook in het burgerlijke plaats had. En hoeveel strijd er steeds tusschen de Republieken van den Staat en van de Kerk bleef bestaan en het voordeel op sommige plaatsen en in sommige tijden meer naar deze of gene zijde overhelde, is toch geene geheel door de andere overwonnen en overheerscht, maar hebben beide partijen steeds hunne wederkeerige regten pogen te handhaven.

 

De omwenteling van 1795 heeft de heerschende kerk ruw aangegrepen. Zij verklaarde aanstonds „dat niet alleen geene bevoorregte of heerschende kerk kan of zal geduld worden, maar dat ook alle plakkaten en resolutiën der gewezene Staten Generaal, uit het oude stelsel der vereeniging van kerk en staat geboren, zullen worden gehouden voor vernietigd” (18 Aug. 1796). Dat beginsel bleef in de ontworpen’ staatsregelingen van 1797 en 1798 heerschen en het genot der kerkelijke goederen, tot wettig eigendom der natie verklaard, zou


*) W. Broes. Kerk en Staat. IV. d. I. st. bl. 67-69 en IV. d. II. st. bl. 376-400.

|15|

nog slechts voor een tijd van drie jaren mogen duren. Toen het eerste jaar deze eeuw geteld werd, was er in de weder veranderde Staatsregeling meer gematigdheid gekomen. Men begon op nieuw te neigen tot zekere hereeniging van kerk en staat en voor de bezoldiging van kerkelijke personen werden van wege den Staat maatregelen beraamd, ook de onkosten als van ouds voor reiskosten, vacatiën, defroijementen en remuneratiën van de leden der klassen en synoden gegoed. Verder, een of twee Commissarissen politiek voor de jaarlijksche Synodale vergadering benoemd *). Eindelijk eene algemeene Dank en Bedendag uitgeschreven (2 Maart 1803). Zoodat de kerk hare oude plaats weder scheen te zullen nabij komen digt naast den staat. — De Staatsregeling van 1805 beloofde alles nog op een vaster voet te zullen brengen, hoewel de voorregten boven andere kerken des lands afgeschaft moesten blijven. Maar wederom veranderde de regering, en daar Koning Lodewijk de Roomsche Godsdienst beleed, achtte men het te noodiger, om de hand aan de wederopbouwing te slaan en is een concept-Reglement op de organisatie van het Hervormd Kerkgenootschap in het Koningrijk Holland vervaardigd. Het is van eene consulterende commissie, uit kerkelijken en politieken bestaande, uitgegaan, en bij den Minister en de eerste afdeeling van den Staatsraad herzien, gewijzigd en den Koning aangeboden. Dit concept-Reglement, om de daarop volgende inlijving onzes Lands in het Fransche Keizerrijk, zonder gevolg gebleven, handelde: over de Hervormde genootschappen in het algemeen; over de kerkenraden; over de klassen; over de synoden en hare leden en deputaten; over kerkelijk opzigt en tucht; over de godsdienstige opvoeding der jeugd en opleiding der Leeraars in de Theologische scholen; over de beroepingen, dimissiën en de bezoldiging der Leeraars; over de manier van kerkelijke zaken te behandelen, en over het bestuur der goederen, inkomsten en gebouwen der gemeente. — De vorm van bestuur zou dezelfde blijven, maar de gewestelijke Synoden door ééne algemeene vervangen worden. De benoeming der Predikanten door den kerkenraad geschieden, onverminderd de regten van patronen en collatoren. De Engelsche gemeente in eene klasse ingelijfd worden, met behoud harer kerkenraden. De Waalsche kerken mede onder de algemeene synoden gebragt, en deze synoden vertegenwoordigende de gansche Nederlandsche kerk, haar gevoelen uitbrengende zonder lastbrieven, zou onder het toezigt der regering staan ✝).

Dit concept-Reglement, in zijn geheel weinig bekend, schijnt de overgang van het oude tot het nieuwe geweest te zijn. Ja, de arbeid daaraan besteed, door de inlijving in het Fransche Keizerrijk voor eene wijl afgebroken, mag gerekend worden, in het jaar 1815, hervat te zijn, en in het tegenwoordig geldend Algemeen Reglement, als hetwelk van gelijken geest is, voltooid te wezen §).

Onder de Keizerlijke Regering stond onze kerk geschoeid te worden op de leest der Protestantsche kerken in Frankrijk, doch niets kwam tot stand. Toen Willem I aan de Regering kwam, werd het belang der kerk aanstonds ter harte genomen en haar bestuur tot eene eenheid gebragt, zooals het nooit had gekend.


*) Ypeij en Dermout II., IV. aant. 203.
✝) Ypeij en Dermout II., bl. 392-406.
§) Broes, Kerk en Staat, IV D., I St., bl. 131.

Hooyer, C. (1846) Inl. [2]

|16|

Wederzijdsche betrekking
van den
Nederlandschen Staat en het Hervormd Kerkgenootschap,
volgens
de Grondwet van het Koningrijk der Nederlanden.

 

In de Grondwet van 1814 was bepaald, dat de Christelijke Hervormde Godsdienst die van den Souvereinen Vorst zou wezen (a. 134). Ook werd bij name aan de Christelijke Hervormde kerk de voortdurende voldoening uit ’s Lands kas verzekerd van alle zoodanige traktementen, pensioenen, weduwen- kinder- school- en akademie-gelden, als voormaals aan derzelver Leeraren, hetzij directelijk uit ’s Lands kas, of uit de daartoe bestemde inkomsten van Geestelijke en kerkelijke goederen of eenige plaatselijke inkomsten zijn betaald geworden (a. 136). Eindelijk is, onverminderd het regt en de gehoudenis van den Souvereinen Vorst, om zoodanig toezigt over alle Godsdienstige gezindheden uit te oefenen, als voor de belangen van den Staat dienstig zal bevonden worden, bovendien en in het bijzonder aan denzelven het regt toegekend van inzage en beschikking omtrent de inrigtingen van die gezindheden, welke, volgens een der voorgaande artikelen, eenige betaling of toelage uit ’s Lands kas genieten (a. 139).

De Grondwet van 1815 heeft het eerste, nopens de Hervormde belijdenis van den Vorst, weggelaten — onder de bestaande Godsdienstige gezindten in het Koningrijk de Hervormde Godsdienst niet bij name genoemd — en het regt van inzake en beschikking omtrent de inrigtingen der gesubsidiëerde gezindten tot de zorg bepaald, dat zij zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten van den Staat.

De wijziging der Grondwet ten gevolge der afscheiding van de zuidelijke gewesten, heeft op het Hoofdstuk van de Godsdienst geenen invloed gehad.

———

|17|

Zesde Hoofdstuk
der Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden.

van den Godsdienst.

A. 188. De volkomen vrijheid van Godsdienstige begrippen wordt aan elk gewaarborgd.
„ 189. Aan alle Godsdienstige gezindheden, in het Koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend.
„ 190. De belijders der onderscheiden Godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen.
„ 191. Geene openbare oefening van Godsdienst kan worden belemmerd, dan ingevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zoude kunnen storen.
„ 192. De traktementen, pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, thans door de onderscheidene godsdienstige gezindheden of derzelver leeraars genoten wordende, blijven aan dezelve gezindheden verzekerd.
Aan de leeraars, welke tot nog toe uit ’s Lands kas geen of een niet toereikend traktement genieten, kan een traktement toegekend, of het bestaande vermeerderd worden.
„ 193. De Koning zorgt, dat de toegestane penningen, die voor den openbaren Godsdienst uit ’s Lands kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn.
„ 194. De Koning zorgt, dat geene Godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening, die de Grondwet waarborgt.
Hij zorgt tevens, dat alle Godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de Wetten van den Staat.

———

Dit Hoofdstuk der Grondwet verzekert:

Vrije belijdenis voor elk (a. 188). Wel wordt slechts de volkomene vrijheid van Godsdienstige begrippen aan elk gewaarborgd, maar daar zeker geene begrippen, die niet geuit of beleden worden, zullen bedoeld zijn, moet men het verklaren: dat ieder zijne Godsdienstige begrippen vrij mag uiten of belijden (Chacun professe sa religion avec une égale liberté. a. 4 der Fr. Charte). Dit beginsel, in de Staatsregelingen na 1795 steeds gehuldigd, is reeds in de Unie van Utrecht, a. 13, aangenomen. „Dat een yeder particulier in syn Religie vry sal mogen blyven, ende dat men niemandt ter cause van de Religie sal moghen achterhalen ofte ondersoecken.” En ook bij het volle gezag der heerschende kerk (1732), hebben de Staten als een’ der onverbreekbaarste grondregelen van het Gemeenebest verklaard: „dat het aan een iegelyken vrystondt, in zaaken van Godsdienst, te gelooven, ’t gene hy oordeelde bekwaam te zyn, om de Zaligheid te verwerven — en dat zy elk vryheid lieten, om zulk een Godsdienst te belyden, als hy zou goedvinden, mids hy zig gedroege, als een getrouw onderdaan” (Wagenaar, Vad. Hist. XIX. bl. 82).

Gelijke bescherming voor alle Godsdienstige gezindten (a. 189, 190, 191). Werden onder de oude Republiek de overige Godsdienstige genootschappen naast de heerschende kerk geduld, na 1793 werden zij gelijkelijk met haar beschermd. „Elk Burger heeft vrijheid, om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart. De Maatschappij verleent, ten dezen opzigte, aan allen gelijke zekerheid en bescherming; mits de openbare orde, door de Wet gevestigd, door hunne uiterlijke eerdienst nimmer gestoord worde. Geene burgerlijke voordeelen of nadeelen zijn aan de belijdenis van eenig kerkelijk leerstelsel gehecht” (a. 19 en

|18|

20 der alg. beginselen v.d. Staatsregeling 1798). „Alle kerkgenootschappen, welke ter bevordering van deugd en goede zeden een Hoogst Wezen eerbiedigen en hulde doen, genieten eene gelijke bescherming der Wetten,” en: „Geene uitsluitende burgerlijke voorregten zijn aan eenige Godsdienstige geloofsbelijdenis verbonden” (a. 11 en 14 der alg. beginselen v.d. Staatsregeling 1801). „Er bestaat geene heerschende kerk. Het Gouvernement verleent gelijke bescherming aan alle Kerkgenootschappen, binnen dit Gemeenebest bestaande. Het handhaaft dezelve bij de ongestoorde uitoefening van hunne kerkelijke instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdienstige beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde” (a. 4 d. alg. beginselen v.d. Staatsregeling 1803). „De Koning en de Wet verleenen gelijke bescherming aan alle de Godsdiensten, welke in den Staat worden uitgeoefend” (Tweede Afd. a. 1 der constitutionele Wetten 1806). — Dezelfde beginselen heerschen in a. 189, 190 en 191 onzer tegenwoordige Grondwet. „Aan alle Godsdienstige gezindheden, in het koningrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend.” Dus geene heerschende, noch bevoorregte kerk meer. Gelijke bescherming voor alle gezindten. In het Koningrijk bestaande, niet te verstaan van de gezindten, die tijdens de invoering der Grondwet bestonden, maar die ook later zullen bestaan. Dit komt overeen met de vrije belijdenis aan elk gewaarborgd (a. 188) en met de bepaling (a. 191), dat geene openbare Godsdienstoefening mag belet worden, dan ingeval zij de openbare orde of veiligheid zou kunnen storen. Ten gevolge dier gelijke bescherming genieten de belijders der onderscheidene Godsdiensten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleeden van waardigheden, ambten en bedieningen (a. 190). En mag hunne openbare oefening van Godsdienst niet belemmerd worden, dan alleen in het geval, dat zij de openbare orde of veiligheid zou kunnen storen (a. 191).

’s Lands bezoldiging voor de Leeraars der onderscheidene Godsdiensten (a. 192). Na 1795 zijn alle Geestelijke Goederen en Fondsen, waaruit te voren de Tractementen of Pensioenen van Leeraren of Hoogleeraren der voormaals heerschende kerk betaald werden, nationaal verklaard en is tevens vastgesteld, dat elk Kerkgenootschap zorgen moet voor het onderhoud van zijn eeredienst, hare Bedienaren en gestichten (Staatsregeling v. 1798, alg. beginselen, a. 21 en additionele art. a. 4), welk onderhoud zoo geschieden zou, dat ieder Kerkgenootschap van zijne ingeschreven leden, tot onderhoud van zijne Dienaren en eigendommen, eene jaarlijksche gift kon vorderen, niet te boven gaande eene zekere bepaalde som, achtervolgens hetgeen aangaande dit een en ander bij de Wet nader zou worden vastgesteld (Alg. beginselen a. 12 v.d. Staatsregeling v. 1801); maar bij Decreet van Lodewijk Napoleon 2 Aug. 1808 is besloten (a. 3): „Alle betalingen, welke aan de Geestelijken der verschillende gezindheden worden gedaan, of bij vervolg zullen worden toegestaan, zullen door de Publieke Schatkist geschieden. — De kerkelijke Goederen en Fondsen, welke zijn onder de administratie van Plaatselijke Besturen, of onder andere publieke beheering, en welke mitsdien geen particulier eigendom zijn, en welke Goederen en Fondsen thans strekken om aan Geestelijke personen hun traktement, hetzij geheel of ten deele te betalen, zullen aan de Publieke Schatkist worden overgebragt, welke daarentegen met de bovengemelde betalingen zal zijn belast.” — Deze zelfde verpligting, om de Traktementen te betalen uit ’s Lands kas, die zich de Kerkelijke Goederen en Fondsen toegeëigend heeft, nam de Grondwet van 1814 over. Zij verzekerde die voldoening uit ’s Lands kas uitdrukkelijk aan de Christelijke Hervormde Kerk (a. 136), en werd dat, bij de opening der vergadering van Notabelen ter beoordeeling dezer Grondwet, een verkregen regt genoemd. Maar toen het onderscheid, tusschen de Hervormde kerk en andere kerken gemaakt, wegviel, behield toch de Grondwet van 1815 de verzekering van de voldoening der Traktementen, Pensioenen en andere inkomsten, van welken aard ook, toen door de onderscheiden Godsdienstige gezindten of hare Leeraars genoten. Terwijl de Leeraars, welke uit ’s Lands Kas geen of niet toereiken Traktement genoten, een Traktement toegelegd, of het bestaande zou kunnen vermeerderd worden (a. 192).

De Grondwet verzekert dus in dit Hoofdstuk van de Godsdienst: vrije belijdenis

|19|

voor elk — gelijke bescherming voor alle gezindten — en ’s Lands bezoldiging voor de Leeraars der onderscheidene Godsdiensten.

 

Daarbij is aan den Koning opgedragen:

De zorg voor het doelmatig gebruik der verleende ’s Landspenningen (a. 193). De Grondwet van 1814 gaf den Souvereinen Vorst het regt van inzage en beschikking omtrent de inrigtingen van die Gezindten, welke eenige betaling of toelage uit ’s Lands Kas genoten (a. 139). Dat regt, hetwelk de Roomsche Kerk zeker niet erkennen kon, werd in de Grondwet van 1815 niet meer genoemd; maar alleen bepaald (a. 193): „De Koning zorgt, dat de toegestane penningen, die voor den openbaren Godsdienst uit ’s Lands Kas worden betaald, tot geene andere einden besteed worden, dan waartoe dezelve bestemd zijn.” De Koning heeft dus volgens dit art. het regt, niet van beschikking omtrent de inrigtingen der gesubsidiëerde gezindten, noch van eenige andere inzage, dan van het gebruik der gelden, en dat ook niet van alle gelden der Gemeenten, maar van de uit ’s Lands Kas voor de openbare Godsdienst verstrekte penningen.

Het is waarschijnlijk naar aanleiding van dit artikel, dat de Regering gemeend heeft zich ten aanzien der Hervormde kerk te mogen of moeten opdragen, om nopens de administratie der kerk- pastorij- custorij en andere gemeentefondsen beschikkingen te maken (Alg. regl. voor het Bestuur der Herv. Kerk. a. 92), en Reglementen op de administratie der Kerkelijke fondsen en de kosten van de Eeredienst voor elke Provincie te vervaardigen, en in alle Provinciën Collegiën van Toezigt over de kerkelijke administratiën bij de Hervormden op te rigten.

 

Nog is aan den Koning opgedragen:

De zorg voor de ongestoorde Godsdienstoefening en voor de gehoorzaamheid van alle Gezindten aan de wetten van den Staat (a. 194). In de Staatsregeling van 1805 was reeds gezegd, dat het Gouvernement alle Kerkgenootschappen handhaven zal bij de ongestoorde uitoefening van hunne Kerkelijke Instellingen, geschikt ter verbreiding van Godsdienstige beginselen en goede zeden, mitsgaders tot handhaving der goede orde. Het neemt de noodige maatregelen, welke de bijzondere omstandigheden van deze kerkgenootschappen met betrekking tot de openbare rust en algemeene welvaart vereischen (Alg. beginselen a. 4). En de Constitutie voor het Koningrijk Holland van 1806 droeg ook aan den Koning op de bescherming van alle Eerediensten en de Hooge Politie — in Kerkelijke zaken (a. 6 en 34). — Dit heeft ook onze Grondwet (a. 194): „De Koning zorgt, dat geene Godsdienst gestoord worde in de vrijheid van uitoefening, die de Grondwet waarborgt. Hij zorgt tevens, dat alle Godsdienstige gezindheden zich houden binnen de palen van gehoorzaamheid aan de Wetten van den Staat.” — Dat is dan de vrijheid van Godsdienstoefening gewaarborgd en hare bescherming in de hoogste plaats den Koning opgelegd. Maar aan denzelfden tevens ten pligt gesteld, om toe te zien, dat geene Godsdienstige gezindte buiten de grenzen ga der gehoorzaamheid aan de Wetten van den Staat. En alleen als er gegronde vrees of duidelijk bewijs voor het laatste is, mag de Koning het eerste beperken of beletten (zie a. 191).

Het moet wel naar aanleiding van dit artikel geweest zijn, dat de Regering zich bevoegd achtte, om nieuw opkomende secten bij de Joden, Lutherschen en Hervormden niet alleen bescherming te weigeren, maar hare vestiging zeer te bemoeijelijken en somwijlen met kracht te beletten (W. Broes Kerk en Staat. IV. D. I. St. bl. 105 verv.). Ook schijnt, ten aanzien der Hervormde kerk, uit dit artikel het regt afgeleid van Koninlijke Sanctie der kerkelijke wetten en approbatie der beroepingen van de gemeenten en dispensatie van de bepalingen der Synodale Reglementen; als ook van het bijwonen der Synode door het Hoofd en den Adviseur van het Ministeriëel Departement of door één of meer Commissarissen Politiek, en van de benoeming der leden voor Kerkelijke Besturen, inzonderheid van hunne Presidenten en Secretarissen.

 

De Hervormde Kerk vertegenwoordigt zich door hare Besturen en inzonderheid door hare Algemeene Synode en Algemeene Synodale Commissie. De Staat doet zich bij het Hervormd Genootschap vertegenwoordigen door het Ministeriëel

|20|

Departement voor de zaken der Hervormde Eeredienst. Menigerlei zijn de werkzaamheden, ook mixti fori, welke deze Staats- en Kerk-collegiën verrigten en, mag het moeijelijk heeten, om de Grondwettige grenslijnen niet te overschrijden, verwondering baart het toch, dat zij zoo dikwijls en zoo ver overschreden zijn. Aan de artikelen van de Grondwet is dit niet te wijten, die den Staat een duidelijk begrensd Jus circa Sacra toekennen, maar het Jus in Sacra geheel en volkomen aan alle Godsdienstige Gezindten en dus ook evenzeer aan de Hervormde kerk laten. Helder staat dit uitgedrukt in een Ministeriëel Rescript van 1 Julij 1842: „Dat, wel is waar, de thans bestaande inrigting der Hervormde Kerk (waarvan de verdere in werking zijnde Kerkelijke Reglementen een gevolg zijn) in de maan Januarij van het jaar 1816, naar aanleiding van de toenmalige, geheel bijzondere omstandigheden, tot stand is gekomen, door overleg van de Hooge Regering van dien tijd met de Kerk; maar dat door deze buitengewone tusschenkomst van den Staat het Hervormd Kerkbestuur eenmaal gevestigd, en sedert eene reeks van jaren algemeen erkend zijnde, geene handeling van dien aard meer kan te pas komen; dat het noch met de bepalingen der Nederlandsche Grondwet, noch met de bedoelingen der Regering zou overeenkomen, dat dezelve zich eenig Jus in Sacra zoude aanmatigen, noch eenig Jus circa Sacra uitoefenen, buiten de bestaande reglementaire verordeningen en de algemeene bevoegdheid en verpligting der Regering, om te waken voor de goede orde en veiligheid van den Staat; en dat mitsdien alle veranderingen in de bestaande Kerkorde voortaan alleen van de Kerk kunnen uitgaan, en dus derzelver hoogste Vergadering uitsluitend bevoegd is, om, indien zulks noodig mogt bevonden worden, volgens de bestaande Reglementen, de vereischte maatregelen te nemen; of ook, wanneer het belang der Kerk verandering dier reglementen vordert, daartoe na rijp beraad en wettig kerkelijk overleg, te besluiten, buiten eenigen invloed der Hooge Regering, die, wanneer hare bekrachtiging daarop vervolgens gevorderd werd, alleen zou hebben toe te zien, dat daarbij niets toegelaten wierd, strijdig met de Grondwet, of met de rust en veiligheid van den Staat.”

Hooyer, C. (1846) § 1.

|21|

Eerste Deel

Bevattende de Reglementen.

 

Hoofdstuk I.
Hoofd-Reglement.

 

§ 1.
Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden.

Inleiding. Het Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden, door de Algemeene Synode de Grondwet der Nederlandsche Hervormde kerk genoemd (Aanschr. van 15 Julij 1824), behoort voor te gaan in de rei der Reglementen.

 

Gelijk in het Concept-Reglement op de organisatie van het Hervormd Kerkgenootschap, onder Koning Lodewijk, naar meer eenheid van Kerkbestuur was getracht, door het gezag en den invloed, welken de vergaderingen der Algemeene Synoden op de overige Besturen van het geheele Genootschap zouden uitoefenen, werd dit weder ter tafel gebragt, in het jaar 1814, onder de regering van den Souvereinen Vorst. De Raad van Staten keurde echter de bijeenroeping van zoodanige Algemeene Synode niet noodzakelijk, noch wenschelijk, achtende, dat de bemoeijing van den Vorst met de Kerkgenootschappen zich niet verder uitstrekken moest, dan tot beschikkingen van financiëlen aard, volgens a. 139 der Grondwet van 1814. Evenwel sloeg genoemde Raad het benoemen eener consulerende Commissie voor, welke uit verlichte Leeraars der Hervormde kerk van onderscheidene Provinciën bestaan en eene verbeterde organisatie van het Hervormd Kerkgenootschap zou helpen daarstellen. De Souvereine Vorst benoemde bij geheim Besluit v. 28 Mei 1815 zulke Commissie, met wier bijzondere leden vooraf in correspondentie getreden werd, tot dat de Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken een, onderhands ontworpen, Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden, den 17 Junij, aan elk der leden toezond. Het ontwerp, op ingekomen aanmerkingen verbeterd, werd nader door de Commissie bediscussiëerd en onderteekend in hare Haagsche vergaderingen, onder leiding en voorzitting van den Commissaris Generaal, provisioneel belast met de zaken der Hervormde kerk enz. gehouden 15 Oct. tot 4 Nov.). Zoo onderteekend, werd het met nog eenige veranderingen, door den Commissaris Generaal voorgedragen, den Koning aangeboden, en nogmaals, na onderhandelingen van een drietal leden uit den Staatsraad met den Commissaris Generaal, gewijzigd, door den Koning bij Besl. v. 7 Jan. 1816, no. 1 bekrachtigd. Bij welke Koninklijke Sanctie het bevel werd gevoegd, dat dit Reglement met den meesten spoed en in zijn geheel in het loopende jaar moest worden in werking gebragt; — dat de bestaande Kerkelijke Collegiën en Bestuurders hunne werkzaamheden regelmatig zullen eindigen; — dat de bijzondere Reglementen, wier vervaardiging bij dit Algemeen Reglement voorgeschreven is, door de leden der Consulterende Commissie, of zoodanig anders, als de Commissaris Generaal mogt dienstig oordeelen, zullen ontworpen en, na onderzoek, aan de eerste Synodale Vergadering aangeboden worden, ten einde daarop, onder Koninklijke goedkeuring, te besluiten; — en zullen den Koning ten spoedigste de Secretaris

|22|

en Secundus en de Quaestor der Synode, alsmede de leden der Kerkbesturen, mitsgaders ter zijner tijd de leden der eerste Synodale Vergadering ter benoeming worden voorgedragen.

Tegen dit Algemeen Reglement zijn aanstonds bezwaren gerezen in de Klassis van Amsterdam, en heeft zij eene memorie dier bezwaren door eene Commissie aan den Koning overhandigd. Ook later is in de eerste Vergadering der Algemeene Synode een adres van eenige Predikanten uit de Klassis van Leyden en Woerden met bezwaren tegen genoemd Reglement ingekomen en door de Synode beantwoord (S. Hand. 1816, bl. 17 en 41 verv.), welke laatste bezwaren grootendeels overeenstemmen met die der klassis van Amsterdam. Zij betreffen eerst de wijze, waarop het Algemeen reglement vervaardigd is. Volgens hetgeen vroeger ook op de Synode van 1586 en 1619 is geschied, had men mogen wenschen, dat de, sedert meer dan twee eeuwen gevestigde, Kerkelijke vergaderingen waren opgeroepen, om, indien veranderingen in de Kerkorde waren noodig gekeurd, dezelve onder approbatie des Konings daar te stellen. Dan waren de veranderingen uit den boezem der Kerkelijke vergaderingen voortgekomen en zouden beschouwd zijn eenen volledigen grond van wettigheid te hebben. Vervolgens heeft ook en vooral de onbepaaldheid van den invloed, welke aan het Ministeriëel Departement is toegekend, bekommering gebaard. Wel zegt het Reglement (a. 21), dat de Synode in onmiddellijk verband met het Ministeriëel Departement zal staan, maar is de aard van de betrekking en verpligting der Synode tot genoemd Departement niet naauwkeurig aangewezen. En dat mogt te meer verlangd worden, daar, volgens a. 18, het hoofd des Ministeriëelen Departements geen lid van de Hervormde Godsdienst behoeft te wezen. Bij zulken onbepaald gelaten invloed zou dat hoofd zich wel bevoegd kunnen achten, om, in plaats van uitwendige politie, een wetgevend gezag over het innerlijk bestuur der kerk uit te oefenen. Eindelijk is er nog een bezwaar aangevoerd tegen de groote magt, welke der Synode is toegestaan als het hoogste Kerkelijk Bestuur (a. 16) en wier leden stemmen zullen, zonder aan lastbrieven gebonden te zijn (a. 4). Eene Synodale magt, te gevaarlijker, daar zij, door weinigen uitgeoefend, in strijd komt met de selve macht ende authoriteyt, welke, naar a. 31 onzer Geloofsbelijdenis, allen Dienaars van Jesus Christus toekomt, en ligt in zeker soort van Pausselijke of Bisschoppelijke heerschappij uitloopen kan (4 Maart 1816).

Op deze bezwaren is van wege Zijne Majesteit door den Commissaris Generaal geantwoord: dat het Algemeen Reglement wel van den Koning is uitgegaan, maar dat Hoogstdezelve in dit geval niet dan met de grootste omzigtigheid en, na met ervaren’ Kerkelijke personen geraadpleegd te hebben, gebruik gemaakt heeft van een regt, door de Souvereinen dezer landen sedert de Reformatie onafgebroken uitgeoefend omtrent de regeling niet van de Hervormde Godsdienst, maar van het Bestuur en dus der uitwendige belangen van de Hervormde Kerk; — en dat, indien men talrijke Kerkvergaderingen had moeten raadplegen, er geene organisatie der Kerk ware mogelijk geweest, en alles in denzelfden staat van wanorde, waarin de Kerk vervallen was, zou hebben moeten blijven; — dat dus de gebiedende noodzakelijkheid en het groot belang der zaak het gemis in forma genoegzaam billijkten, indien ook de, in het adres beweerde, regten der Klassikale Vergaderingen gegrond waren, maar deze klassen, eene toevallige vrucht der omstandigheden van de zestiende eeuw, uit de Kerkenraden zijn voortgevloeid, en deze weder uit de gemeenten, zoodat dan het regt van beslissing bij de gemeenten zou hebben moeten gezocht worden. Buitendien betreft de geheele verandering slechts het uitwendig Kerkbestuur, en het maken van diergelijke veranderingen betwist de ware geest van het Protestantisme aan geenen Souverein; vooral niet wanneer die Souverein de Leeraars uit ’s Lands kas bezoldigt en zich in alles als hun Beschermheer gedraagt. Wat de vrees voor den invloed van het Ministeriëel Departement aanbelangt, wordt de Synode niet gezegd afhankelijk te zijn, maar alleen met gezegd Departememnt in verband te staan. Ook wordt de Synode niet gepresideerd of gedirigeerd, maar slechts bijgewoond door het Hoofd des Departements als ’s Konings Commissaris, die daar met den algemeenen last tegenwoordig is, om toe te zien, ne Respublica damnum capiat, maar geenszins, om over leerstellingen te oordeelen, of nog minder, veranderingen daarin te provoceren. Eindelijk, dat de magt van de Synode over het rijk in het algemeen

|23|

niet grooter is, dan die, welke aan de onderscheidene Provinciale Synoden over hunne Provinciën pleegde toegekend te worden, en de weinige talrijkheid der Synodale leden eene waarborg is tegen den geest van veranderen en verwarren; terwijl het stemmen zonder lastbrieven eindeloos durende deliberatiën voorkomt. Ook wordt de Synode thans niet opgeroepen, om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de kerk te besturen en is de handhaving van de leer der Hervormde kerk, volgens a. 9, aan de leden van alle overige kerkbesturen, zoowel als aan de Synode opgedragen (28 Maart 1816).

Het is vreemd, dat de Stellers der memorie van bezwaren uit de Klassis van Amsterdam zich nergens op de Grondwet beroepen, of zij moesten het bedekt hebben uitgedrukt in de woorden, dat het Reglement, uit den boezem van Kerkelijke Vergaderingen voortgekomen, zoude beschouwd zijn eenen volledigen grond van wettigheid te hebben. Minder vreemd is het, dat de Commissaris Generaal de Grondwet onvermeld laat, wijl zij geen grond voor zijne meeste beweringen aanbiedt, maar duidelijk tegen hem is. Was een Concept-Reglement onder Koning Lodewijk door eene consulerende Commissie vervaardigd, dat geschiedde naar a. 6 der Constitutie van 1806, welke den Koning en der Wet het regt gaf, om te bepalen „al het geen noodzakelijk geoordeeld wordt, betreffende de organisatie, de bescherming en de uitoefening van alle Eerdiensten.” Maar zulk gezag heeft de Grondwet van onzen Staat den Koning niet verleend. Zij zwijgt er zorgvuldig van, en erkent het regt van elk Kerkgenootschap om zijne eigene wetten te vervaardigen, als zij de zorg des Konings bepaalt bij het toezigt, ne res publica quid detrimenti capiat (Hoofdst. VI van de Godsdienst). De Commissaris Generaal noemt den Koning den Beschermheer der Kerk, en als dit op grond van a. 189 der Grondwet gezegd is, waar aan alle bestaande Godsdienstige Gezindten gelijke bescherming verzekerd wordt, is dit voorwaar geene bescherming, die eenig regt van Kerkorganisatie in zich sluit. Ook ment de Commissaris Generaal, dat de bezoldiging der Leeraars uit ’s Lands kas den Koning wel het regt tot het daarstellen van wijzigingen geeft, doch die bezoldiging der Leeraars is, vooral ten aanzien van het Hervormd Kerkgenootschap, een pligt van den Staat tot schadeloosstelling voor de genaaste kerkelijke goederen, en uit zijne vervulling kan geen regt van regeling der kerkelijke inrigtingen voortvloeijen, gelijk de Grondwet op het toestaan van penningen voor de Openbare Godsdienst uit ’s Lands kas dan ook geen grooter regt gegrond heeft, dan te zorgen, dat de verleende gelden gebruikt worden tot het oogmerk, waartoe zij gegeven zijn (a. 193). Ook gewaagt de Commissaris voornoemd van het, door de Souvereinen dezer landen sedert de Reformatie uitgeoefend, regt omtrent de regeling van het Bestuur en dus der uitwendige belangen van de Hervormde Kerk. Maar wat vroeger in geheel andere huishouding van Staat plaats greep, geeft geen regt voor het tegenwoordige, als de Grondwet het niet bevestigt. De grenzen van het uit- en inwendige der Godsdienstige belangen zijn ook zeer moeijelijk te trekken, en heeft het Bestuur, aan de Kerk gegeven, zoo grooten invloed op hare vrije ontwikkeling, dat onze Grondwet de bepaling daarvan nergens aan den Staat heeft opgedragen. Verder wil de Commissaris hebben opgemerkt, dat de consulerende Commissie uit Predikanten bestond van onderscheidene Synodale ressorten, en wel van bekend braafheid, kunde en talenten. Maar nog na de onderteekening des reglements door genoemde commissie uit Kerkelijke personen zaamgesteld, is datzelfde reglement door den Commissaris en de drie leden van den Staatsraad veranderd, terwijl buitendien die Kerkelijke personen, hoe braaf en kundig ook, als door de Kerk tot dat veelomvattend werk niet gekozen, geene gemagtigden der Kerk mogen heeten. Eindelijk zoekt de Commissaris zekere verschooning voor het gebrek in forma in de gebiedende noodzakelijkheid van het oogenblik. Maar het wordt niet bewezen, gelijk het ook met regt mag betwijfeld worden, dat, indien de Kerkelijke Grondwet door Kerkelijke vergaderingen had moeten vervaardigd worden, alles in denzelfden staat van wanorde zou gebleven zijn. Terwijl ook dan nog het Kerkgenootschap zelf die gebiedende noodzakelijkheid had moeten erkennen en de Regering had moeten verzoeken, om in den nood van het oogenblik te voorzien. Het is opmerkelijk, dat het den Staat met dit zijn Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk gelukt is, wat dezelve vroeger, bij grooter gezag over de Staatskerk, nooit heeft

|24|

kunnen bereiken, ofschoon dikwijls en ijverig beproefd. En deze verwondering wordt nog grooter, als men opmerkt, dat deze nieuwe Kerkorde, zonder eenige inzage, beoordeeling of goedkeuring der Kerkelijke Besturen, zelfs der Synode niet, maar alleen door den Koning sua auctoritate ingevoerd is.

In weerwil van het gezegde tegen de wijze van invoering des Algemeenen Reglements moet erkend worden, dat, al had onze Kerk zich zelve wel uit hare overgangs-periode en daarmede gepaard gaande verwarring geholpen, dit door die exceptionele maatregelen der Regering bespoedigd is. En dat ook dit Algemeen Reglement, onkerkelijk geboren, niettemin verbindend moet geacht worden, wijl het sinds dertig jaren door de geheele kerk niet stilzwijgend, maar uitdrukkelijk rebus ipsis et factis aangenomen en onderhouden *) en alzoo kerkelijk geworden is, wat het in zijnen oorsprong niet was. Zij, die het genoemde Reglement, met alles, wat er op gebouwd is, voor onverbindend verklaard, en alles geheel willen gesloopt hebben, om thans de gansche Kerk op nieuw en beter te organiseren, eischen een gevaarlijk, moeijelijk en onmogelijk iets; terwijl zij zich aan onregtvaardigheid zouden schuldig maken jegens de gansche Kerk, die sinds zoo vele jaren in de organisatie van 1816 berust. Maar het is eene andere en veel nuttiger vraag of de inhoud des Algemeenen Reglements met de beginselen van het Protestantisme en met de Grondwettige regten onzer Hervormde Kerk overeenkomt. Zoo niet, dan is het de pligt der Kerkelijke Besturen, om langs den weg, in het Reglement zelf aangewezen, veranderingen en verbeteringen daar te stellen. Heeft de Regering hare stelling ten opzigte van onze Kerk niet altijd begrepen, kan haar dit omtrent het veranderen en verbeteren der Reglementen niet meer verweten worden, nadat zij duidelijk heeft verklaard, „dat alle veranderingen in de bestaande Kerkorde voortaan alleen van de Kerk kunnen uitgaan, en dus derzelver Hoogste Vergadering uitsluitend bevoegd is, om, indien zulks noodig mogt bevonden worden, volgens de bestaande Reglementen de vereischte maatregelen te nemen; of ook, wanneer het belang der Kerk veranderingen dier Reglementen vordert, daartoe na rijp beraad en wettig kerkelijk overleg, te besluiten, buiten eenigen invloed der Hooge Regering, die wanneer hare bekrachtiging daarop vervolgens gevorderd werd, alleen zou hebben toe te zien, dat daarbij niets toegelaten wierd, strijdig met de Grondwet of met de rust en veiligheid van den Staat.” (Min. Disp. v. 1 Julij 1842).


*) Zie zitting van den Hoogen Raad, v. 20 Nov., 4 Dec. 1845 en 2 Jan. 1846.

———

Algemeen Reglement
voor het Bestuur der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden.

Eerste Afdeeling.
Algemeene Bepalingen.

Art. 1. Tot het Hervormd Kerkgenootschap behooren allen, die, op belijdenis des geloofs, tot ledematen zijn aangenomen, dezulken, die in de Hervormde kerken gedoopt zijn, en die gene, welke in andere landen, als tot het Hervormd Kerkgenootschap behoorende, erkend, zich hier te lande ter neder zetten, mits

|25|

door behoorlijke bewijzen of attestatiën van hunnen doop of lidmaatschap buiten ’s lands hebbende doen blijken.

Art. 2. Deze allen blijven tot het Hervormd kerkgenootschap behooren, zoo lang zij niet vrijwillig en duidelijk verklaard hebben, zich daarvan af te scheiden of om wettige redenen daarvan afgescheiden zijn.

Art. 3. Het bestuur der Hervormde kerk wordt synodaal, provinciaal, classikaal en gemeentelijk uitgeoefend.

Art. 4. De leden der Collegiën, waar aan dit onderscheiden bestuur, volgens de na te meldene bepalingen wordt opgedragen, stemmen altijd hoofdelijk, zonder eenigszins gebonden te zijn aan lastbrieven van de vergaderingen of kerken, voor welke zij kunnen geacht worden te verschijnen.

Art. 5. De mindere Kerkbesturen hebben het regt voorstellen in te zenden aan de hoogere, en om in voorkomende gevallen derzelver voorlichting te vragen; terwijl zij daarentegen verpligt zijn aan de aanschrijvingen te voldoen der hoogere collegiën, en in het bijzonder ten spoedigste de berigten en rapporten in te zenden, welke van hen gevorderd worden.

Art. 6. Een minder Kerkbestuur vermeenende, door de besluiten van een hooger bezwaard te zijn, heeft het regt zich deswegens


a. 1. Is de Doop alleen genoeg, om lidmaat van het Herv. Kerkgen. te zijn, of behoort er de belijdenis des geloofs noodzakelijk bij? Dit is hier niet duidelijk uitgedrukt. — Waarom ook eerst de geloofsbelijdenis en daarna de doop genoemd? Het laatste gaat toch in ons en in de meeste Hervormde Kerkgenootschappen vóór het eerste. — Tot het Hervormd Kerkgenootschap behooren allen, ook buitenlanders, „mits door behoorlijke bewijzen of attestatiën van hunnen doop of lidmaatschap buiten ’s Lands hebbende doen blijken.” En indien zij dit niet hebben doen blijken, behooren zij dan niet tot het Hervormd Kerkgenootschap? Ik meen ja; maar dat behooren moet zijn, worden gerekend er toe te behooren. — Tot het Hervormd Kerkgenootschap behooren: „diegenen, welke in andere landen, als tot het Hervormd Kerkgenootschap behoorende erkend, zich hier te lande nederzetten.” Wil dit zeggen, dat die in een ander rijk tot het Hervormd Kerkgenootschap behoort, bij zijne verhuizing naar ons land er nog toe behoort? Of zal het niet moeten zijn: Tot het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap worden gerekend te behooren?
a. 3. Zonderling gesteld. Beter was: De Besturen der Hervormde Kerk zijn de Algemeene Synode — de Algemeene Synodale Commissie — de Provinciale Kerkbesturen — de Classikale Besturen — de Kerkenraden.
a. 4. Vele onnoodige woorden; genoeg was: De leden der Kerkelijke Besturen stemmen hoofdelijk zonder aan lastbrieven gebonden te zijn.
a. 5. Mogen mindere Besturen bij de hoogere inlichting vragen, dan behoorde ook wel de verpligting der hoogere Besturen genoemd, om aan de minderen inlichting te geven. — De mindere Besturen zijn verpligt, om aan de aanschrijvingen der hoogere te voldoen. Dit is te onbepaald gezegd. Het Classikaal Bestuur, iemand voor zijn’ regtbank getrokken hebbende, is verpligt naar wet en geweten te handelen en niet naar de aanschrijving van het Provinciaal Kerkbestuur. Het Provinciaal Kerkbestuur mag ook niet voldoen aan Synodale aanschrijvingen, als zij strijden met de gesanctioneerde Reglementen, gelijk wel eens geschied is. Zie aant. onder a. 3 van het Regl. op het examen, enz.

|26|

bij nog hooger Bestuur te beklagen, onder gehoudenheid nogtans, van aan de ontvangene bevelen inmiddels te gehoorzamen, tenzij de zaak, bij de eindelijke uitspraak niet weder in zijn geheel zoude kunnen gebragt worden, in welk geval echter daarvan onmiddelijk aan het Ministeriëel Departement voor de zaken der Hervormde en andere Erediensten, behalve dien der Roomsch Katholijken, zal worden kennis gegeven.

Art. 7. Van alle zaken, bij uitspraak van een Kerkelijk Collegie beslist, valt appél aan het in rang volgend hooger Collegie, doch ter tweeder instantie beslist zijnde, wordt geen nieuw appél toegestaan.

Art. 8. In een hooger Kerkelijk collegie zal niets behandeld worden dan het gene in een minder Collegie niet is kunnen afgehandeld worden, de gemeene kerken onder hetzelve ressorterende nut is, en tot het hooger Collegie behoort.

Art. 9. De zorg voor de belangen, zoo van het Christendom in het algemeen, als van de Hervormde kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van Godsdienstige kennis, de bevordering van Christelijke zeden, de bewaring van orde en eendragt, en de aankweeking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen, die in onderscheidene betrekkingen met het Kerkelijk bestuur belast zijn.


a. 7. Het was billijk, dat, wanneer ten gevolge van het appél eens aanklagers, het Provinciaal Kerkbestuur tegen een’ aangeklaagden een ongunstiger vonnis dan het Classikaal Bestuur mogt vellen, dezen het regt werd gelaten om nog bij de Synode in beroep te komen. Zie aant. onder a. 8 v.h. Regl. op de uitoef. v. Kerkelijk opzigt en tucht, enz.
a. 8. Bijna woordelijk overgenomen uit de Middelburgsche Kerkorde v. 1581, a. 22. — Een oude lap op een nieuw kleed. Duidelijker was: Ieder Kerkelijk Kollegie houde zich binnen den kring harer werkzaamheden door de Reglementen voorgeschreven.
a. 9. De Commissaris Generaal zegt in het antwoord aan de Classis van Amsterdam: „Wat de leer zelve betreft, zijn de verpligtingen van deszelfs (het Synode) leden, en die van alle andere Kerkbesturen begrepen in het 9 Art. van het Alg. Regl., hetwelk met ronde woorden van hen vordert, „de handhaving van de leer der Hervormde Kerk.” Over den zin dezer ronde woorden is men het niet eens. Wat is de leer der Hervormde Kerk? Hetgeen algemeen geleerd wordt in de Hervormde Kerk? Maar hebben wij dan te denken aan het jaar 1816 of 1618? — Is de formulier-leer bedoeld? Maar dan al te artikelen en stukken, of de hoofdzaak dier leer en wel wat de Bres en Ursinus voor hoofdzaak hebben aangemerkt, of wij er gaarne voor aanzien? — Leer der Hervormde Kerk, is dit de algemeene Herv. kerk of in het bijzonder ons Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap, en beteekent de leer van ons Herv. Kerkgenootschap dan misschien zijne kenmerkende leer tegen over andere Protestantsche Genootschappen, als tegen over de Doopsgezinden, dat men Godzaliglijk bij den name Gods een’ eed mag zweeren? — Wat beteekent eigenlijk handhaven dier leer? Is dit het ijverig beoordeelen van al wat door Kerkelijke personen geleerd wordt en veroordeelen en straffen, als het met vastgestelde leerstukken strijdt? Wanneer de Regering dat in dit artikel had willen voorschrijven, zou zij hare bevoegdheid ver zijn te buiten gegaan. Maar de Commissaris Generaal zegt in het antwoord aan de Amsterdamsche Classis onmiddellijk vóór de ➝

|27|

Art. 10. Alle Kerkbesturen gedragen zich wijders overeenkomstig de voorschriften van dit reglement, en de algemeene of bijzondere verordeningen, welke vervolgens zullen worden vastgesteld; alle daarmede niet overeenkomstige wetten en inrigtingen worden, bij het successivelijk in werking brengen dier verordeningen, gehouden voor vervallen.

Art. 11. Alle stemming tot het formeren van nominatiën ter vervulling van posten van Kerkelijk Bestuur, of tot het verkiezen van leden in hetzelve, geschiedt steeds bij beslotene biljetten.

Art. 12. Geene Kerkelijke vergadering vermag te corresponderen met buitenlandsche kerken, zonder voorafgaande toestemming van Zijne Majesteit den Koning.

Art. 13. Alle de Hervormde kerken in het Koningrijk zoo wel Waalsche, Presbyteriaansche Engelsche en Schotsch, als Nederduitsche, behooren tot hetzelfde geheel en zijn onder hetzelfde gemeenschappelijk bestuur geplaatst.

Art. 14. Dezelve kerken zullen echter, naar hare bijzondere


➝ boven aangehaalde woorden: „De Synode wordt thans niet opgeroepen, om leerstellige geschillen te beslissen,” hetwelk zij dan toch wel naar de strenge opvatting van leer-handhaven zou moeten doen, en niet alleen zij, maar alle mindere Kerkbesturen tot zelfs de S.M. Candidati (a. 38 v. Regl. op het Examen). — Wij komen misschien het naast aan de bedoeling der betwiste zinsnede, als wij de woorden van den Commissaris overwegen, welke hij bij de opening der eerste Synodale Vergadering sprak. „Door de ondervinding voorgelicht, zult gij de zuiverheid van de leer door den eenigen goeden waarborg verzekeren, namelijk, door het vaststellen van inrigtingen, geschikt om den waren Christelijken geest in Leeraars te versterken door de vermeerdering van Godsdienstige kennis.”
Hoe de leden der Kerkelijke Besturen, als zoodanig, de liefde voor Koning en Vaderland zullen aankweeken, is even moeijelijk in te zien, als het niet te bevatten is, waarom in de verklaring en beloften der S.M. Candidati, juist deze zinsnede wordt gemist (a. 38 v.h. Regl. op het Examen). Voor de laatsten, bij het intreden van hunne loopbaan als Herders en Leeraars der gemeenten, mogt de belofte gepast gerekend worden van liefde voor Koning en Vaderland te zullen aankweeken.
a. 10. „De Kerkbesturen zullen zich gedragen overeenkomstig de voorschriften van dit Reglement en de algemeene of bijzondere verordeningen,” had moeten zijn kerkelijke verordeningen, of verordeningen van de Kerk uitgegaan, in tegenstelling van dit Reglement, dat van den Koning is uitgegaan.
a. 11. Bij het verkiezen der leden voor Kerkelijke Besturen moest bepaald zijn, dat het met volstrekte meerderheid van stemmen geschieden zal. Ook is aan het geval van staking der stemmen niet gedacht. De Synode van 1845 heeft het voorbeeld van loten gegeven, maar dat is onwettig, zoolang in dit art. staat, dat alle stemming tot het verkiezen van leden steeds bij geslotene biljetten geschiedt.
a. 12. Zou dit art. niet kunnen weggenomen worden, daar in het aangeboden Wetboek van Strafregt tegen het verbodene in dit art. geene straf bepaald is, en dus de voorafgaande goedkeuring van Z.M. niet meer noodig wordt? — Zie de Kon. Verkl. van dit art. in Besl. v. 29 Oct. 1821, no. 18, te vinden in ons II. D. § Correspondentie der Kerk. Best.

|28|

behoeften en omstandigheden, hare afzonderlijke huishoudelijke inrigtingen kunnen hebben, mogende nogtans deze inrigtingen niets behelzen, strijdig met die eenheid in beginselen en gelijkvormigheid in hoofdzaken, welke de onderscheidene kerken, als deelen van hetzelfde geheel, behooren te kenschetsen. Ten aanzien der kerken in de zuidelijke Provinciën, en in Nederlandsch Oost- en West-Indiën, zullen nadere bepalingen gemaakt worden.

Art. 15. Geene veranderingen kunnen in dit Reglement gemaakt worden, dan door de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde kerk, welke echter vóór en aleer te dier zake een besluit te nemen, daarop de consideratiën zal inwinnen der Provinciale Kerkbesturen; en zal zoodanig besluit, alvorens te worden uitgevoerd, aan Zijne Majesteit den Koning, ter bekrachtiging worden aangeboden.

Tweede Afdeeling.
Van het Synode.

Art. 16. Het hoogste Kerkelijk Bestuur is opgedragen aan het Synode.

Art. 17. Elk der na te meldene Provinciale Kerkbesturen benoemt jaarlijks in deszelfs vergadering van Mei, een lid uit deszelfs midden tot het bijwonen der Synodale Vergadering, benevens een secundus of plaatsvervanger, die echter niet optreedt, dan in geval het benoemd lid door onvoorziene verhindering belet wordt zich naar het Synode te begeven. De Secretarissen der Prov. Kerkbesturen


a. 15. Het oude art., waarvoor het bovenstaande in de plaats kwam, luidde: „Geene veranderingen kunnen in dit Reglement gemaakt worden, dan door Zijne Majesteit, op voorstel, of immers na voorafgaande overweging bij het Synode, hetwelk echter, vóór en aleer ten dezen besluit te nemen, daarop de consideratiën zal inwinnen van de Provinciale Kerkbesturen.” Het baart met regt verwondering, dat de Alg. Synode eerst in het jaar 1843 wijziging van dit art. heeft beproefd (S. Hand. 1843, bl. 127 en 128), gelijk het niet vreemd mag heeten, dat de Regering billijk genoeg was, om een regt af te staan, hetwelk zij zich zelve in 1816 gaf, maar haar niet toekwam (Kon. Besl. v. 25 Julij 1843, no. 55). — De Synode van 1842 heeft in hare Circulaire van 20 Julij, bij het inwinnen van de consideratiën der Prov. Kerkbesturen nopens de alteratie van a. 20 des Alg. Regl. en wat daarmede in onmiddellijk verband staat, een’ wenk gegeven van nog andere verbetering in de Reglementen te mogen voordragen. Daaraan voldoende, hadden de Prov. Kerkbesturen van N. Holland, Zeeland, Utrecht en N. Braband verandering van a. 15 des Alg. Regl. verlangd. De Synode besloot aanstonds die verandering onder goedkeuring des Konings daar te stellen, maar het winnen der consideratiën daarop van de overige Provinciale Kerkbesturen werd verzuimd! En toch stond er zoo duidelijk in het oude, en werd het ook letterlijk overgenomen in het nieuwe artikel, „vóór en aleer ten dezen besluit te nemen, daarop de consideratiën zal inwinnen van de Provinciale kerkbesturen.” — Moest bij de bepaling van dat inwinnen der consideratiën van de Prov. Kerkbesturen (en der Waalsche Commissie) ook niet gevoegd: en indien het meerendeel der genoemde Besturen de voorgestelde verandering goedkeurt? Zou er ook niet bij behooren, hoe te handelen, als het grootste deel dier besturen de voorgestelde verandering afkeurt?

|29|

zijn, even als de andere leden, verkiesbaar tot leden van het Synode. Op gelijke wijze wordt door de Commissie tot de zaken der Waalsche Kerken, een Predikant naar het Synode gecommitteerd.
Bovendien heeft in het Synode zitting, en is lid van hetzelve een Ouderling of Oud-Ouderling, volgens de orde der provinciën in art. 50 voorkomende, door de Provinciale Kerkbesturen bij beurtwisseling te benoemen. Eindelijk wordt door elk der Hervormde Godgeleerde faculteiten op de drie hooge scholen, te Leyden, Utrecht en Groningen een Hoogleeraar benoemd, om het Synode bij te wonen; deze Hoogleeraren, zullen een praeädviserende, doch geene concluderende stem hebben.
Alle de leden der eerste Synodale vergadering worden door den Koning benoemd.
Uit de Predikanten, leden van het Synode, wordt door den Koning een President en een Vice-president benoemd, welke slechts gedurende de zitting fungeren.


a. 17. Één lid uit deszelfs (zijn) midden.” Dus ook een Ouderling. De Provinciale Kerkbesturen schijnen dit echter nooit zoo begrepen te hebben. Ook op het voorstel van Ds. Ruitenschild, om meer Ouderlingen aan de Kerkbesturen toe te voegen, heeft geen hunner in bedenking gegeven, dat dit voorstel, voor zoo ver het de Synode aanging, onnoodig kon geacht worden, wijl elk Prov. Kerkbestuur, in plaats van een Predikant, een Ouderling tot de Synode afzenden kon, en de Synode dus wel grootendeels uit Ouderlingen zou kunnen bestaan. De Secretarissen der Prov. Kerkbesturen worden uitdrukkelijk aangewezen als voor de Synode verkiesbaar, maar dit bewijst niet, dat dan ook de Ouderlingen hadden moeten genoemd worden, want de Secretaris is om de wijze zijner aanstelling een bijzonder lid der Prov. Kerkbesturen. Ook wordt er zonder eenige uitzondering van den Provincialen Ouderling nopens den Secretaris gezegd, dat hij, even als de andere leden, voor de Synode verkiesbaar is. Van de Waalsche Commissie wordt bepaald, dat zij een’ Predikant naar de Synode committeert, en men mag oordeelen, dat, indien dit zelfde van de Prov. Kerkbesturen ware gemeend, ook uitdrukkelijk een Predikant en niet in het algemeen een lid zou genoemd zijn. Evenwel lezen wij verder, dat bovendien één Ouderling of Oud-Ouderling in de Synode zitting hebben zal. Dit kan aanleiding geven, om te denken, dat hij de eenige Ouderling, behalve de Quaestor, in die hooge Kerkvergadering is. Maar waarom dan toch niet geschreven, in plaats van „één lid uit zijn midden,” één Predikant als lid?Één Ouderling op de Synode! Eene treurige relique van het Oude, op alle Kerkelijke vergaderingen wel vertegenwoordigde en ijverig medewerkende Ouderlingschap! Dat staat in slechte verhouding met het aanzienlijk getal dier Ouderlingen in den Kerkenraad van elke gemeente, en is te grove achterstelling van die Mederegeerders, die met de Dienaren des Woords één collegie of gezelschap uitmaken, zijnde als de raad der Kerk, vertoonende de geheele gemeente (Formulier van bevestiging der Ouderlingen). — „Al de leden der eerste Synodale Vergadering worden door den Koning benoemd.” Het was dan niet genoeg, dat de grondslag der geheele Kerkgering in het Alg. Reglement door den Koning is gelegd. Ook al de leden van de eerste en allergewigtigste Kerkvergadering, worden zonder medeweten der Kerk door den Koning eigenmatig gekozen en benoemd. En wie waren die eerste leden? Hetzelfde elftal der consulerende Commissie, die het Alg. Reglement onderteekend hadden, met toevoeging slechts van die andere Predikanten, éénen Ouderling en Quaestor, benevens de drie praeädviserende Professoren.

|30|

Art. 18. Het Hoofd van het Ministeriëel Departement voor de zaken van den Hervormden en andere eerediensten, behalve dien der Roomsch Katholijken, zal, indien hij den Hervormden Godsdienst belijdt, en, geädsisteerd, zoo hij dit verkiest, door zijnen Secretaris, de Synodale vergaderingen bijwonen, behoudens nogtans de faculteit des Konings om, bij ontstentenis van dien, dezelve vergaderingen door één of meer Commissarissen politiek, van den Hervormden Godsdienst, daartoe door Hoogstdenzelven te benoemen, te doen bijwonen.

Art. 19. Het Synode heeft eenen vasten Secretaris en eenen Secundus voor denzelven, beide door den Koning benoemd uit de Predikanten van ’s Gravenhage.
Hij heeft rang en stem als lid. Bij vacature wordt de benoeming gedaan uit een drietal, door het Synode geformeerd. Het Synode heeft eenen vasten quaestor, uit de Ouderlingen of Oud-ouderlingen van Amsterdam, met gelijken rang en stem, en op dezelfde wijze, als de Secretaris, benoemd.

Art. 20. De gewone Synodale vergadering wordt eenmaal ’s jaars in ’s Gravenhage gehouden op den eersten Woensdag in de maand Julij. Deze tijdsbepaling kan niet worden veranderd of eene buitengewone vergadering van het Synode beschreven dan met goedvinden van Zijne Majesteit.

Art. 21. Het Synode is belast met de zorg voor de algemeene belangen der Hervormde Kerken, en in het bijzonder voor alles, wat den openbaren Godsdienst en de kerkelijke instellingen betreft. Hetzelve staat in een onmiddellijk verband met het bovengemeld Ministeriëel Departement.


a. 18. Het hoofd des Ministeriëelen Departements, zal, indien hij de Hervormde Godsdienst belijdt, de Synodale Vergadering bijwonen. Maar het is waar, dat de Minister alleen in de Kerkelijke Vergadering komt, om toe te zien ne respublica quid detrimenti capiat, kan hij er verschijnen, al is hij niet gereformeerd, gelijk hij bij de Luthersche Synode tegenwoordig is, al is hij niet Luthersch.
a. 19. Vaste leden met rang en stem, als de overige, behooren niet toegelaten te worden in eene vergadering van vertegenwoordiging, gelijk de Synode zich beroemd te zijn. Vooral niet, wanneer die vaste leden door geen deel der Kerk tot dat hoogste kollegie zijn afgevaardigd. Geen lid der tweede Kamer van volksvertegenwoordigers is voor zijn leven vast benoemd en geen vast genoemde Griffier dier vergadering heeft, als de leden, rang en stem. Dit geldt den vasten en stemhebbenden Secretaris der Synode en evenzeer den Quaestor Generaal.
a. 20. Ook de Algemeene Synodale Commissie is bevoegd, met voorkennis van Z.M. den Koning, in buitengewone gewigtige omstandigheden, eene buitengewone vergadering der Synode te beleggen (Instructie v.d. Alg. S. Commissie a. 19).
a. 21. Het pleit niet voor de duidelijkheid van dit art., dat de Synode van 1817, uit acht leden der vroegere consulerende commissie bestaande, met den Commissaris Generaal, die in haar gevoelen schijnt gedeeld te hebben, lijnregt overstond tegen de commissie uit den Raad van Staten, zooveel de opvatting van dit art. aangaat (S. Hand. 1823, bl. 64 verv.). In dit art. schijnt het algemeene slechts genoemd, wat later in bijzonderheden wordt behandeld, en meende de Synode, dat dit art. ➝

|31|

Art. 22. Het Synode beslist in laatste ressort de geschillen, welke in of tusschen de Provinciale Kerkbesturen mogten ontstaan, en doet uitspraak in cas van appél over zaken, welke ter eerster instantie bij die collegiën gediend hebben.

Art. 23. Het Synode ontwerpt algemeene kerkelijke reglementen en verordeningen, en draagt dezelve voor aan het meergemeld Ministeriëel Departement, ten einde daarop de goedkeuring des Konings te erlangen.

Art. 24. Het Synode maakt in het bijzonder bepalingen omtrent de wijze van admissie en de examina van hen, die tot leeren bestemd zijn, ten einde van derzelver kunde en geschiktheid volkomen te doen blijken. Bij deze verordeningen zal acht moeten geslagen worden op hetgene in de vijfde Afdeeling ten aanzien van de Waalsche, Presbyteriaansche Engelsche en Schotsche kerken bepaald wordt.

Art. 25. Het Synode zorgt voor doelmatige schikkingen, en maakt regelen ter bevordering, regeling en verbetering van het Godsdienstig onderwijs.

Art. 26. Het Synode ontwerpt een reglement op de Kerkvisitatiën.

Art. 27. Het zal een der eerste werkzaamheden van het Synode zijn, een ontwerp van reglement op de manier van Kerkelijke zaken te behandelen voor en bij de Kerkenraden, Classikale Moderatoren, Provinciale Kerkbesturen, en het Synode, en over het Kerkelijk opzigt en tucht, te vervaardigen; daarbij in acht nemende, om door nauwkeurige bepalingen en voorschriften alle aanleiding tot willekeur en onzekerheid, zoo veel mogelijk, te vermijden.

Art. 28. Er zullen bij het Synode zoodanige algemeene bepalingen ontworpen worden omtrent de inrigting der Predikantsberoepingen, als kunnen dienen ten grondslag der bijzondere reglementen, welke in de onderscheidene provinciale ressorten, naar derzelver omstandigheden, kunnen worden vastgesteld.

Art. 29. Insgelijks zullen verordeningen worden gemaakt, ten


➝ haar vrijheid gaf, om zonder Koninklijke Sanctie te verordenen, wat de algemeene belangen der Hervormde Kerk en de openbare Eerdienst en Kerkelijke instellingen betreft, dan zou dit zelfde art. immers ook de vrijheid insluiten, om eveneens met de later gemelde Reglementen te doen, die toch wel de algemeene belangen der Hervormde Kerk betreffen of bepalingen maken omtrent de Openbare Eerdienst en Kerkelijke instellingen. — Over het al dan niet vragen der Sanctie behoeft de Synode niet angstig te delibereren, nadat de Minister verklaard heeft, dat zij nooit zal geweigerd worden, dan alleen, als iets bepaald was strijdig met de Grondwet of met de rust en veiligheid van den Staat (Min. Disp. v. 1 Julij 1842).
a. 23. Dit art. is bij Kon. Besl. v. 4 Juniij 1818 geämpliëerd of geältereerd, maar zonder voorafgaande overweging bij de Synode, en dus op geene wettige wijs. Zie aant. op gemeld Kon. Besl. II. D. § de Synode.
a. 24. Admissie en examina moet zijn: examina en admissie.

|32|

einde de Plaatselijke Kerkenraden, op de voor de zaak van den Godsdienst en de belangen van de gemeenten meest voordeelige wijze in te rigten.

Art. 30. Voor de classikale uitgaven en onderhoud zal uit ’s Rijks kas eene somma van veertien duizend guldens jaarlijks worden toegestaan, om door het meergemeld Ministeriëel Departement onder de classen verdeeld te worden.
Er zullen doelmatige en algemeen werkende schikkingen gemaakt worden tot bepaling der uitgaven voor het classikaal bestuur; de meest eenvoudige en zekerst werkende middelen zullen worden bij de hand genomen, om in het te kort te voorzien, op eene voor de gemeenten en andere belanghebbenden min drukkende en zoo veel mogelijk gelijk werkende wijze.
Ten einde de spoedige vaststelling der in de voorgaande artikelen omschreven verordeningen te verzekeren, zullen van de reglementen op de examina, het godsdienstig onderwijs, de manier van behandeling der kerkelijke zaken, het kerklijk opzigt en tucht, de Predikantsberoepingen en de kosten daarop vallende, het Kerkelijk Bestuur in de gemeenten, en de classikale kosten voor de bijeenkomst der eerste synodale vergadering, ontwerpen vervaardigd, en aan de tot het Synode benoemde leden zoo tijdig mogelijk medegedeeld worden, ten einde daarop vóór het einde hunner zitting te kunnen besluiten.
Alle de bovengenoemde reglementen, zullen, nadat dezelve door het Synode zijn bepaald, aan ’s Konings goedkeuring onderworpen worden.
(Tot amplitatie dezer tweede Afdeeling dient de Instructie voor de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde kerk. Zij zal op dit reglement volgen).

Derde Afdeeling.
Van het Provinciaal Kerkbestuur.

Art. 31. De leden van het Provinciaal Kerkbestuur worden uit de onderscheidene classikale ressorten benoemd, en wel voor elke classis één Predikant, en voor eene der classen bij jaarlijksche beurtwisseling één Ouderling of Oud-Ouderling.

Art. 32. Gemelde leden door den Koning benoemd, de eerste reize onmiddellijk, en vervolgens uit een zestal geformeerd door de moderatoren van het classikaal-ressort, hetwelk de vacature betreft en tot een drietal verminderd door het Provinciaal Kerkbestuur.


a. 30. De herhaling der te maken Reglementen is hier onnoodig als die reeds in de voorgaande art. zijn genoemd. Het slot, nopens de vereischte goedkeuring des Konings is even onnoodig, want het is reeds in art. 30 gezegd.
a. 32. Dat de Koning de leden der Prov. Kerkbesturen, al is het ook uit een aangeboden drietal, benoemt, is eene daad van Bestuur, dat de Grondwet den Koning over ➝

|33|

Art. 33. Elk jaar treedt af een derde, of, zoo na mogelijk een derde der Predikanten, leden der Provinciale Kerkbesturen, volgens een daartoe te maken rooster.
De aftredende blijven steeds verkiesbaar. De eerste aftreding zal plaats hebben den 1 Januarij 1818.

Art. 34. Voor elk lid wordt op dezelfde wijze een Secundus of plaatsvervanger benoemd, die niet fungeert, dan bij afwezendheid van den Primus; bij het aftreden van een lid, moet ook een ander Secundus worden aangesteld.

Art. 35. Wanneer door overlijden of vertrek van een lid uit het ressort der classis, waarvoor hij zitting heeft, tusschen tijds eene vacature ontstaat, zal deszelfs Secundus dadelijk optreden en fungeren tot den tijd dat hij, wiens plaats vervuld wordt, zoude zijn afgetreden.
Bij overlijden, vertrek of optreding van eenen Secundus, wordt op de wijze bij art. 32 omschreven, een ander in deszelfs plaats benoemd.

Art. 36. Tot goedmaking der kosten van het Synode en de Provinciale Kerkbesturen, wordt van ’s Lands wege eene somme betaald, welke bij de jaarlijksche begrooting door Zijne Majesteit vastgesteld, en bij het voorgemeld Ministeriëel Departement, verdeeld en geregeld wordt.

Art. 37. Ieder Provinciaal Kerkbestuur heeft eenen President uit de Predikanten, leden van hetzelve, door den Koning benoemd.
Hij fungeert een jaar, en blijft steeds weder verkiesbaar. De President wordt ingeval van afwezendheid door den oudsten der leden vervangen.

Art. 38. Op gelijke wijze, de eerstemaal onmiddelijk, en vervolgens uit een drietal door het Provinciaal Kerkbestuur geformeerd, benoemt de Koning eenen Secretaris voor elk Provinciaal Kerkbestuur, buiten de gewone leden, bij voorkeur uit de Predikanten der stad of uit de nabuurschap derzelve, alwaar de vaste


➝ de Godsdienstige Gezindten niet verleent. Zullen de Prov. Kerkbesturen ook gezegd worden de kerken hunner Provinciën te vertegenwoordigen, dan doet die Koninklijke benoeming aan het beginsel van ware vertegenwoordiging te kort. En, indien de leden der Prov. Kerkbesturen niet vrij verkozen zijn, kan de Synode, die uit de leden der Prov. Kerkbesturen grootendeels bestaat, geene goede vertegenwoordiging der Kerk wezen. Zie inleiding op het eerste Hoofdstuk van Deel II.
a. 36. Behoort bij a. 30, of beter bij de algemeene bepalingen, of nog beter bij a. 7 van de Koninklijke Sanctie. Dit art. draagt duidelijke teekenen van zijne onkerkelijke afkomst.
a. 37. Het benoemen van den President des Prov. Kerkbestuurs door den Koning, is wederom eene daad van bestuur, tot welke de Grondwet geen regt geeft. — Is de oudste der leden, die het langst op aarde geleefd, of die het langst in het Bestuur gezeten heeft? De Synode vermoedt het laatste, en wel, die het langst zitting heeft gehad, gerekend van den tijd, waarop hij het laatst is benoemd geworden (S. Hand. 1840, bl. 116).

|34|

vergaderingen van het Provinciaal Kerkbestuur gehouden worden. Hij fungeert drie jaren, en blijft steeds weder verkiesbaar. De Secretaris heeft rang en stem als de leden, en wordt bij afwezendheid door het jongste lid vervangen.

Art. 39. De gewone vergaderingen worden gehouden driemaal ’s jaars, op de eerste Woensdagen der maanden Mei, Augustus en October. De President kan daarenboven buitengewone bijeenkomsten beschrijven.

Art. 40. De vergaderplaatsen der Provinciale Kerkbesturen zijn Arnhem voor Gelderland’s Gravenhage voor Zuid-HollandAmsterdam voor Noord-HollandMiddelburg voor ZeelandUtrecht voor de provincie UtrechtLeeuwarden voor VrieslandZwolle voor Overijssel, Groningen voor de provincie Groningen’s Hertogenbosch voor Noord-Braband, en Assen voor Drenthe.

Art. 41. De Provinciale Kerkbesturen zijn belast met de zorg voor de belangen van den Godsdienst, de bewaring der goede orde, en de handhaving der Kerkelijke wetten, in hun ressort; zij corresponderen deswegens zoo met de bevoegde magten, als met de classikale Moderatoren, en in zaken de ringen betreffende, met derzelver praetor.

Art. 42. Zij kunnen reglementen ontwerpen op het Kerkbestuur in hun ressort, gegrond op de algemeene verordeningen. Deze ontwerpen worden voor de eerste reize ingezonden aan het hier voren gemelde Ministeriëel Departement, ten einde aan den Koning der sanctie te worden aangeboden. Dezelve reglementen eenmaal gearresteerd zijnde, zullen niet kunnen worden veranderd, dan door een besluit van het Synode, genomen op voorstel van het Provinciaal Kerkbestuur, hetwelk zulks betreft, en zullen die veranderingen insgelijks aan de approbatie van Zijne Majesteit onderworpen zijn.

Art. 43. Zij beslissen alle verschillen, welke in classikale besturen en vergaderingen, of tusschen dezelve mogten ontstaan.

Art. 44. In cas van appél doen zij uitspraak in kerkelijke geschillen, welke ter eerster instantie bij de classikale Moderatoren zijn behandeld.

Art. 45. Zij verleenen de admissie tot den predikdienst overeenkomstig de bepalingen, welke deswegens in het vervolg zullen worden gemaakt.


a. 38. De aanmerking op de benoeming van den President, betreft nog meer de benoeming van den Secretaris, als die buiten de gewone leden des Prov. Kerkbestuurs en voor langer tijd gekozen wordt.
a. 42. Dat de Prov. Kerkbesturen reglementen ontwerpen en aan het Min. Departement opzenden zullen, ten einde de Kon. sanctie te erlangen, met voorbijgaan van de Synode, is te kort gedaan aan het regt der Synode, het hoogste Kerkbestuur (a. 16), en strookt weinig met den naauwen band, die de mindere Kerkbesturen met de hoogeren vereenigt (a. 5-8).

|35|

Art. 46. Zij zijn bevoegd de Predikanten, Candidaten en Kerkenraadsleden, om gegronde redenen, en na voorafgaand wettelijk onderzoek, volgens de bepalingen van het reglement op de manier van Kerkelijke zaken, te behandelen, en over het Kerkelijk opzigt en tucht, af te zetten. De afgezette personen behouden regt van appél aan het Synode.

Art. 47. Predikanten en Candidaten, wegens zedelijk wangedrag, eenmaal afgezet zijnde, kunnen nooit weder als zoodanig aangenomen worden.

Art. 48. In provinciën waar thans synodale weduwen-beurzen of andere fondsen, welke aan derzelver gezamenlijke Predikanten behooren, bestaan, of vervolgens mogten worden opgerigt, is de administratie van die fondsen aan het Provinciaal Kerkbestuur opgedragen.

Vierde Afdeeling.
Van het Classikaal Bestuur.

Art. 49. De Hervormde kerken, onder hetzelfde Provinciaal Kerkbestuur behoorende, worden ter geregelde uitoefening van het Kerkelijke Bestuur verdeeld in classen; en wijders, ten einde de waarneming van den dienst in vacerende gemeenten, en de bijeenkomsten der Predikanten gemakkelijk te maken, in ringen.

Art. 50. In de provinciën of landschappen, bevorens uitgemaakt hebbende den staat der Vereenigde Nederlanden, zullen zijn de navolgende drie en veertig classen.
In Gelderland zes; Arnhem, Nijmegen, Zutphen, Thiel, Bommel, Harderwijk.
In Zuid-Holland zes; ’s Gravenhage, Rotterdam, Leyden, Dordrecht, Gouda, Brielle.
In Noord-Holland vijf; Amsterdam, Haarlem, Alkmaar, Hoorn, Edam.
In Zeeland vier; Middelburg, Zierikzee, Goes, Yzendijke.
In Utrecht drie; Utrecht, Amersfoort, Wijk.
In Vriesland vijf; Leeuwarden, Sneek, Harlingen, Dokkum, Heerenveen.
In Overijssel drie; Zwolle, Deventer, Kampen.
In Groningen vier; Groningen, Winschoten, Appingadam, Middelstum.
In Noord-Braband vier; ’s Hertogenbosch, Breda, Heusden, Eindhoven.
En in Drenthe drie; Assen, Meppel, Koevorden.


a. 46. In plaats van Kerkenraadsleden moet staan: Ouderlingen en Diakenen. De Predikanten, eerst genoemd, zijn immers ook Kerkenraadsleden? De Diakenen, niet genoemd, zijn immers ook afzetbaar door het Prov. Kerkbestuur? En de Oud-Ouderlingen, die geene Kerkenraadsleden meer zijn, maar in hoogere Kerkelijke Besturen zitting hebben, behooren immers ook afzetbaar te wezen?

|36|

Art. 51. Ten aanzien der zuidelijke provinciën van het Koningrijk zullen in het vervolg de bepalingen gemaakt worden, welke noodig mogten bevonden worden.

Art. 52. De grensscheiding tusschen de onderscheidene classen en derzelver verdeeling in ringen, zullen nader bepaald worden bij het Ministeriëel Departement voor de zaken van den Hervormden en andere eerediensten, behalve dien der Rooms Katholijken. Bij de bepalingen te dien aanzien zal worden in het oog gehouden:
a. Dat de bestaande afdeeling de grondslag der nieuwe moet zijn, en daarin alleen de noodzakelijke veranderingen gemaakt worden.
b. Dat geene classe zich meer dan in ééne provincie zal kunnen uitstrekken.
c. Dat zoo veel mogelijk eene meerdere gelijkheid worde daargesteld, tusschen de uitgestrektheid, getal van Predikanten, en aantal gemeenten, behoorende tot de classen van dezelfde provincie.
d. Dat de ringen zoodanig naar plaatselijke omstandigheden zijn ingerigt, als meest geschikt is om de behoorlijke waarneming van den dienst, in vacerende gemeenten te verzekeren.

Art. 53. Bij de invoering der nieuwe classikale verdeeling, zullen door de classikale Moderatoren de noodige schikkingen worden geproponeerd, ten aanzien der bestaande weduwen-beurzen en andere fondsen.

Art. 54. Op voorstel van het Kerkbestuur der provincie, welke zulks betreft, zullen in het vervolg in deze verdeeling der classen in ringen, en bepaling der classikale hoofdplaatsen door het Synode veranderingen kunnen gemaakt worden, met toestemming van het hier voorgemelde Ministeriëel Departement.

Art. 55. Het Kerkelijk Bestuur in elk classikaal ressort is opgedragen aan eene commissie van Moderatoren, bestaande uit eenen Praeses, eenen Assessor, eenen Scriba, en twee, drie of vier gecommitteerde Predikanten, naar mate van de uitgebreidheid der classen of talrijkheid der leden, alsmede uit eenen Ouderling of Oud-Ouderling, die na één jaar aftreedt.

Art. 56. Elk lid van het Provinciaal Kerkbestuur fungeert als Praeses bij de Moderatoren van zijn classikaal ressort, en zijn Secundus als Assessor.

Art. 57. De Scriba wordt benoemd door Zijne Majesteit den Koning, uit de Predikanten der classikale hoofdplaats, of derzelver nabuurschap voor den tijd van drie jaren, de eerste maal onmiddelijk en vervolgens uit een zestal, door de classikale vergadering geformeerd, en door het Provinciaal Kerkbestuur tot een drietal


a. 51. Van art. als dit, mogt het Reglement eindelijk wel gezuiverd worden.

|37|

verminderd. Hij blijft steeds weder verkiesbaar; bij zijne afwezendheid fungeert de jongste der gecommitteerden.

Art. 58. De gecommitteerden worden alsmede door den Koning benoemd uit de Predikanten, Ouderlingen en Oud-Ouderlingen van het classikaal ressort, de eerste maal onmiddelijk en vervolgens uit gelijke nominatie al in het voorgaande artikel is vermeld.
Van de gecommitteerden, indien derzelver getal vier is, treden twee, en anderszins één, jaarlijks, af, die echter steeds weder benoembaar blijven. De eerste aftreding zal plaats hebben den 1sten Januarij 1818.

Art. 59. De Moderatoren houden hunne gewone vergaderingen in de classikale hoofdplaatsen, op den laatsten Woensdag van de maanden Januarij, Maart, Mei, Julij, September en November. Zij kunnen echter hunne bijeenkomsten, bijzonder des winters, uitstellen, indien de werkzaamheden zulks toelaten. De Praeses heeft het regt buitengewone vergaderingen te beschrijven.

Art. 60. De Moderatoren zorgen voor de belangen der kerken in hun ressort, en houden toevoorzigt over de gemeenten, Kerkenraden en Predikanten daartoe behoorende. Zij corresponderen, zoo met de Provinciale Kerkbesturen, als met de Kerkenraden der onderscheidene gemeenten.

Art. 61. Zij houden bijzonder een wakend oog over de vacerende gemeenten, en corresponderen deswegens met de Praetors der ringen; zij zorgen dat de beroepingen der Predikanten geregeld en ten spoedigste geschieden, dat de beroepene leeraren bevestigd, en de vertrekkende, van hunne betrekkingen behoorlijk ontslagen worden.
De verzoeken om handopeningen en approbatie moeten door hen worden ingezonden aan het Ministeriëel Departement voornoemd.

Art. 62. De classikale Moderatoren behartigen de belangen van Predikants-weduwen en weezen in hun ressort.

Art. 63. Zij beslissen de geschillen in of tusschen de Kerkenraden der gemeenten ontstaan, en doen uitspraak in cas van appél over alle zaken, die ter eerster instantie bij de plaatselijke Kerkenraden zijn behandeld.

Art. 64. Zij zijn bevoegd tot het suspenderen van Predikanten, Candidaten en Kerkenraads-leden.

Art. 65. Op den laatsten Woensdag in de maand Junij wordt in de hoofdplaats der classis, eene classikale vergadering gehouden, bestaande uit alle de Predikanten van het ressort, en zoodanig getal


a. 57. Hier wordt niet gezegd, dat de Scriba rang en stem als lid heeft. Het wordt misschien voorondersteld, wijl de Scriba even als de gecommitteerden wordt gekozen en benoemd. Zoo begreep de Synode het ook (S. Hand. 1842. bl. 160).
a. 58. Zie over het zestal, voor gecommitteerden te maken, onze aant. bij II D.., II Hoofdst., § Klassen en Ringen.
a. 64. Zie aant. onder a. 46 van dit Reglement.

|38|

Ouderlingen, of Oud-Ouderlingen als thans gebruikelijk is, of in het vervolg bij huishoudelijke reglementen mogt worden bepaald.

Art. 66. De Praeses, Assessor en Scriba van classikale Moderatoren, fungeren ook als zoodanig in deze vergadering.

Art. 67. De handelingen der classikale vergaderingen zullen zich bepalen:
1º. Tot het formeren der nominatiën voor de keuze van een Scriba voor de classikale Moderatoren (art. 57) en van gecommitteerden tot het classikaal bestuur (art. 58).
2º. Tot het afhooren en sluiten der rekeningen van de classikale weduwenbeurs en andere fondsen, alsmede tot het benoemen van Quaestors, en voorts daaromtrent te besluiten, zoo als geoordeel wordt te behooren.

Vijfde Afdeeling.
Over de Waalsche, Presbyteriaansche Engelsche en Schotsche Kerken *).

Art. 68. De Waalsche kerken behouden de vrijheid om zoodanige afzonderlijke verbindtenissen en betrekkingen met elkander te bewaren, als door derzelver financiële belangen, en het verschil van taal gevorderd worden, zonder echter daar door op te houden van onder het algemeen Kerkbestuur begrepen te zijn.

Art. 69. Ter behartiging dezer afzonderlijke belangen, zal er eene commissie bestaan van zes leden, zijnde vijf Predikanten en een Ouderling der Waalsche kerken, welke den titel zullen hebben van Gecommitteerden tot de huishoudelijke zaken der Waalsche kerken in Nederland.

Art. 70. De gecommitteerden worden door den Koning benoemd, de eerste reize onmiddelijk, en vervolgens uit een drietal door de commissie geformeerd.

Art. 71. Elk jaar, te beginnen met den 1 Januarij 1818, zal één der gecommitteerde Predikanten aftreden, blijvende de aftredende steeds weder verkiesbaar. De Ouderling zal na één jaar zitting aftreden.

Art. 72. Aan deze gecommitteerden wordt aanbevolgen het oppertoezigt over de financiële instellingen der gezamenlijke Waalsche kerken, mitsgaders het afnemen van examina van hen, die zich aan derzelver dienst toewijden, ten gevolge der verordeningen hierboven bij art. 24 vermeld.


a. 70. Met het begrip van vertegenwoordiging zou beter overeenkomen, dat op de jaarlijksche Reunion twee of drietallen werden geformeerd, uit welke de Commissie tot huishoudelijke zaken, hare leden koos.
*) in deze Afdeeling moesten thans ook de bepalingen omtrent het Kerkbestuur van Limburg geplaatst worden.

|39|

Art. 73. Dezelve commissie is wijders met betrekking tot de Waalsche kerken belast met de functiën aan de Provinciale Kerkbesturen en classikale Moderatoren opgedragen, en één lid uit dezelve woont het Synode bij; zullende voorgaan geen afzonderlijk Synode der Waalsche kerken meer gehouden worden.

Art. 74. De Waalsche kerken hebben het regt, om eenmaal ’s jaars eene bijeenkomst te houden over derzelver huishoudelijke belangen, vervangende voor haar, zoo veel zulks mogt te pas komen, de classikale vergaderingen; de eerste bijeenkomst zal te ’s Gravenhage plaats hebben, en alsdan de beurtwisseling ten deze nader worden bepaald.

Art. 75. De Waalsche Predikanten, blijven leden der ringsvergaderingen. De commissie houdt hare zittingen steeds in ’s Gravenhage.

Art. 76. De Presbyteriaansche Engelsche en Schotsche kerken worden in de classen, tot welke de Nederduitsche Hervormde gemeente, in die stad, in welke zij gevestigd is, behoort, ingelijfd, in zoo verre dit nog geen plaats heeft.

Art. 77. Zoo ten aanzien van het hooger als van het Kerkenraadsbestuur wordt in het oog gehouden, dat de kerken, in het vorig artikel vermeld, de bijzondere huishoudelijke inrightingen en regten behouden, welke aan dezelve afzonderlijk en privativelijk behooren.

Zesde Afdeeling.
Van de Ringen en derzelver bijeenkomsten.

Art. 78. Elke classis wordt verdeeld in ringen.

Art. 79. De Ringen moeten zorgen voor de vervulling van den dienst in de vacante gemeenten volgens schikkingen daartoe door classikale Moderatoren gemaakt.

Art. 80. De Predikanten, tot denzelfden ring behoorende, worden opgewekt om bepaalde zamenkomsten te houden, niet ter uitoefening van eenig Kerkelijk Bestuur, maar, ter onderlinge opscherping en versterking van den band der broederlijke liefde.

Art. 81. Bij de zamenstelling van zulke bijeenkomsten, kiezen zij bij meerderheid eenen Praetor en Scriba, en vergaderen voorts zoo dikwijls, als zij goedvinden.

Art. 82. Hunne werkzaamheden bestaan in de overweging en behandeling van onderwerpen den Godsdienst, en den bloei des Christendoms, de bevordering van bijbelkennis en de waarneming van hunne bedieningen betreffende.

Art. 83. Zij houden aanteekening van hunne werkzaamheden en geven van dezelve jaarlijks een verslag aan classikale Moderatoren, zijnde zij bevoegd, om daarbij tevens voorstellen in te zenden; de classikale Moderatoren brengen dit verslag, zoo veel noodig,

|40|

met bijgevoegde consideratiën, ter kennis van het Provinciaal Kerkbestuur, hetwelk daarvan een algemeen verslag opmaakt, en aan het Ministeriëel Departement voor de zaken van den Hervormden en andere eerediensten, behalve dien der Roomsch Katholijken inzendt.

Zevende Afdeeling.
Over het Kerkelijk Bestuur in de gemeenten.

Art. 84. In alle gemeenten, waar de stof daartoe niet geheel ontbreekt, zal een afzonderlijke Kerkenraad zijn.

Art. 85. Dezelve bestaat uit den Predikant of de Predikanten der plaatsen, en uit Ouderlingen, gekozen uit de achtingwaardigste, kundigste en voornaamste leden der gemeente. De pligten van de Leeraren, de Ouderlingen, de Diakenen en de betrekking van Diakenen tot den Kerkenraad, worden door het Synode bij het Reglement op de Kerkenraden omschreven en bepaald.

Art. 86. Gemeenten, waar, door gebrek aan stof, geene Kerkenraden bestaan, zijn geplaatst onder het onmiddelijk opzigt van classikale Moderatoren met den Predikant.

Art. 87. Aan den Kerkenraad behoort de zorg voor hetgeen den openbaren Godsdienst, het Christelijk onderwijs en het opzigt over de leden van de gemeente betreft.

Art. 88. De censure over de leden der gemeente om gegronde redenen, en volgens de bepalingen van het Reglement op de manier van kerkelijke zaken te behandelen, en over het Kerkelijk opzigt en tucht, noodig zijnde, geschiedt ter eerster instantie door den Kerkenraad, zijnde dezelve censure, voor zoo veel Predikanten, Kerkenraads-leden en Candidaten betreft, onverminderd de bepaling in art. 46 van dit Reglement voorkomende, en achtervolgens de voorschriften van het voorz. Reglement op de manier van Kerkelijke zaken te behandelen, en over het Kerkelijk opzigt en tucht, aan de classikale Moderatoren opgedragen.

Art. 89. Aan Diakenen blijft de zorg voor de armen der gemeente, naar plaatselijk gebruik, aanbevolen.

Art. 90. In de administratie der Kerk, Pastorij, Custorij en andere gemeenten-fondsen, en de betrekkingen tusschen derzelver Bestuurders en de Kerkenraden, wordt door de bepalingen van dit reglement geene veranderingen gemaakt.

Art. 91. De classikale Moderatoren zijn verpligt om van alle misbruiken, die in de administratie der in het voorgaande artikel genoemde fondsen bestaan, of er door hen verder in ontdekt mogten


a. 83. De Synode heeft in het jaar 1840 gevoeld, dat zij toch ook wel kennis hebben mogt van hetgeen in de zamenkomsten van al de Leeraars der Kerk verhandeld wordt, en de Minister heeft bereidwillig toegestaan, dat haar de verslagen telken jare worden medegedeeld (Min. Disp. v. 31 Julij 1840, nº. 1).

|41|

worden, dadelijk kennis te geven aan het Provinciaal Kerkbestuur, dat daarvan met deszelfs consideratiën berigt moet geven aan het Ministeriëel Departement voor de zaken der Hervormde en andere eerediensten, behalve dien der Roomsch-Katholijken, ten einde redres te bekomen.

Art. 92. Het hiervoren gemeld Ministeriëel Departement zal, na ingenomen te hebben de gedachten van de Provinciale Kerkbesturen, en na voorafgaande raadpleging met de Staten der Provincie welke zulks betreft, over de onderwerpen in de voorgaande artikelen vermeld, de noodige voordragten doen aan Zijne Majesteit den Koning.

Art. 93. De huishoudelijke belangen der gemeenten, zullen voor het overige, overeenkomstig de algemeene verordeningen, door plaatselijke reglementen, onder ’s Konings goedkeuring, kunnen worden geregeld.

Aldus gearresteerd bij Koninklijk Besluit van den 7 Januarij 1816, nº. 1.


a. 92. Zie onze Inleiding op I D., III Hoofdst., § de Reglementen op de administratie der Kerkelijke fondsen enz.

———

Hooyer, C. (1846) § 2.

§ 2.
Instructie voor de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk.

Inleiding. Uit aanmerking, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk alleen gedurende veertien dagen in het jaar door de Synode werd vertegenwoordigd, en het, zoo, om voor de Synodale besluiten te zorgen, als anderszins, hoogst wenschelijk en noodzakelijk scheen, dat de Ned. Herv. Kerk eene vaste vertegenwoordiging had, is tot het daarstellen eener permanente Synodale Commissie besloten; haar aard en attributen in eenige artikelen omschreven, en den Direct. Gen. verzocht, om aan Z.M. eene voordragt tot het verkrijgen van zoodanige Commissie te doen (S. Hand. 1827, bl. 37 en 38. 75-83). Wel werd de bedenking gemaakt, of zulke Commissie, niet bekend bij het Algemene reglement op het bestuur der Kerk, mogt ingevoerd worden zonder het inwinnen der consideratiën der Provinciale Kerkbesturen, volgens art. 15 des gemelden Alg. Regls. Doch men noemde zoodanige Commissie, geenszins eene alteratie van hetzelve, maar alleen een bijvoegsel tot hetzelve. Deze onderscheiding scheen sommige leden der Hooge Vergadering evenwel van de wettigheid eener zoodanige invoering der Commissie niet te overtuigen en heeft een zestal aanteekening verzocht, dat zij zich met die voorbijgaan der Provinciale Kerkbesturen niet hebben geconformeerd. Het was niet genoeg, dat de Synode in tegenspraak met a. 15 des Alg. Regls. had gehandeld, maar toen de gemelde Synodale Commissie bij Kon. Besl. v. 26 Nov. 1827 als ampliatie van het Alg. Regl. werd benoemd, zag men ook de ingediende artikelen, buiten kennis der Synode, door den Raad van Staten aanmerkelijk veranderd en vermeerderd (Vergelijk de voorgedragen Synodale artikelen l.l., bl. 78-85, met de Kon. benoeming der Commissie, te vinden bij W. Broes, Kerk en Staat. IV D., II St., bl. 450-453). Maar niet alleen mogt de wijze van invoering dier Synodale Commissie van de zijde der Synode en der Regering onwettig heeten, ook de Commissie zelve baarde bekommering. De groote belangen der Kerk zag men liever toevertrouwd aan het doorzigt, vooral

|42|

aan de trouw en den moed van twintig personen, dan aan zeer enkelen (W. Broes, l.l. IV. D., I. St.,. bl. 138 en 139). Die moed en trouw werd toen ook wel vereischt tegen over eene Regering, die zich het opperbestuur over de Synode en de Hervormde Kerk aanmatigde. Maar ook van eene andere zijde vreesde men, dat de Synodale Commissie gevaarlijk worden kon, als zij de grenzen van haar gezag overschrijdende, in de regten der Synode ingreep, en eene Oligarchie in onze Kerk invoerde (Hedendaagsch Kerkregt bij de Herv. in Ned. door H.J. Roijaards, I D., bl. 103).

In het jaar 1841 is in een commissoriaal rapport, betreffende een in gerucht zijnde Concordaat met Rome, de wensch geuit, dat er eene vertegenwoordiging der Kerk bestond, die, wanneer zich, buiten den tijd van de jaarlijksche zitting der Synode, belangrijke zaken mogten voordoen, uit naam der geheele Kerk kon spreken en handelen. Dat denkbeeld werd aangegrepen en allereerst besloten, om de respective Provinciale Kerkbesturen nopens eene, dan noodzakelijke, verandering van a. 20 des Alg. Regls. te hooren (S. Hand. 1841, bl. 98 en 156-159). De ingekomene stukken der Provinciale Kerkbesturen, ten volgenden jare ter tafel gebragt, bevatten echter zulke consideratiën, dat de zaak hare vereischte duidelijkheid nog niet verkregen had, en werden gezegde Besturen nogmaals aangezocht, om het voorgestelde op nieuw te overwegen en de consideratiën, omtrent alles wat met de alteratie van a. 20 in verband stond, aan de Synodale Commissie op te zenden, ten einde zij ten volgenden jare een beknopt verslag daarvan ter Synodale Tafel zou kunnen brengen (S. Hand. 1842, bl. 153-157).

In dat beknopt verslag der Synodale Commissie van de consideratiën der Provinciale Kerkbesturen kwam het denkbeeld tot meerdere duidelijkheid, om eene Commissie der permanente vertegenwoordiging der Nederlandsche Hervormde Kerk of eene Algemeene Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk door de Synode op te rigten, en de thans bestaande Synodale Commissie in dezelve op te lossen. Zelfs had één der Provinciale Kerkbesturen (Utrecht) reeds eene Instructie voor dergelijke Commissie van vertegenwoordiging ontworpen, waarin hare zamenstelling en werkzaamheden, en daaronder ook de magt tot het beleggen eener buitengewone Synode, omschreven, de benoeming en aftreding harer leden geregeld, mitsgaders haar lidmaatschap van, hare betrekking tot en hare verantwoordelijkheid aan de Synode, naauwkeurig werd bepaald. Diensvolgens werd in deliberatie gebragt, of de Synode, besluitende tot eene voortdurende vertegenwoordiging der Kerk, haar alleen in de bevoegdheid zou doen bestaan om de Synode buitengewoon te doen bijeenkomen, dan wel, gelijk door sommige Provinciale Kerkbesturen was geproponeerd, in de vestiging eener Commissie van vertegenwoordiging. Tot dit laatste werd besloten, en aan de Algemeene Synodale Commissie gedemandeerd, ten volgenden jare eene Instructie voor de bedoelde Commissie aan de Synode ter beoordeeling aan te bieden (S. Hand. 1843. bl. 53-57 en 133-134). Deze Instructie in het volgende jaar ter Synodale tafel gebragt, werd na alteratie en ampliatie aangenomen, maar omtrent de bijgevoegde bepaling, dat één lid dier Commissie jaarlijks met eene concluderende stem tot de Synode zou worden afgevaardigd, besloten, de consideratiën der Provinciale Kerkbesturen nog in te winnen en, indien vóór den 1 October geene consideratie ter contrarie strekkende inkwamen, op genoemde Instructie de Koninklijke Sanctie te verzoeken (S. hand. 1844. bl. 218, 219 en 251, 252).

Geene tegenbedenkingen ingekomen, is de Koninklijke Sanctie verzocht en verkregen, bij Kon. Besl. v. 24 Jan. 1845, nº. 109.

Met genoegen merkt men op, dat deze Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk, met inwinning der consideratiën van de Provinciale Kerkbesturen en zonder eenigen invloed der Hooge Regering opgerigt, de duidelijke veroordeeling in zich sluit van de wijze, waarop de vroegere Synodale commissie was ontstaan. Evenwel blijft er nog, ten aanzien der handelwijs, niet der Regering, maar der Synode veel te wenschen over.

Blijkt het uit de wijze van deliberatie, dat de Synode de Instructie voor de Algemeene Synodale Commissie als ampliatie der tweede Afdeeling van het Algemeen Reglement wil beschouwd hebben, waarom heeft zij dat dan bij gemelde Instructie niet uitgedrukt, maar de Hooge Regering in de noodzakelijkheid gebragt, om dat in hare plaats bij het besl. van Sanctie te doen?

|43|

Waarom is die geheele Instructie, door de Synodale Commissie opgemaakt, niet ter fine van consideratie aan de Provinciale Kerkbesturen gezonden, daar toch de meeste der artikelen bij velen onbekend en de vestiging van diergelijke Commissie van vertegenwoordiging slechts door sommigen der Provinciale Kerkbesturen was geproponeerd?

Waarom zijn ook bij het besluit der Synode in hare vergadering van 18 Julij 1844, nopens het opnemen van een Hoogleeraar met praeadviserende Stem in genoemde Commissie, de Provinciale Kerkbesturen niet gehoord, daar die maatregel immers door geen een Provinciaal Kerkbestuur, maar slechts door het classikaal Bestuur van Bommel was voorgesteld?

Waarom zijn al de artikelen, uitmakende de Instructie voor de Algemeene Synodale Commissie, finaal gearresteerd, en daarna de consideratiën der Provinciale Kerkbesturen op a. 12 dier Instructie gevraagd; of las de Synode niet duidelijk genoeg in a. 15 des Algemeenen Reglements, dat vóór en aleer een besluit te nemen, de consideratiën der Provinciale Kerkbesturen moeten ingewonnen worden?

Waarom is de alteratie van a. 20 des Algemeenen Reglements, omtrent welke al het inwinnen der adviesen van de Provinciale Kerkbesturen is uitgegaan, geheel achterwege gebleven; of staat thans a. 19 der Instructie in geenen openbaren strijd met a. 20 des Algemeenen Reglements, welk laatst artikel zijne kracht behoudt, zoolang het niet wettig opgeheven is?

———

Instructie
voor de Algemeene Synodale Commissie der Nederlandsche Hervormde Kerk.

Art. 1. Er zal, ter vervanging van de thans bestaande Algemeene Synodale Commissie, ingesteld bij Koninklijk besluit van den 26sten November 1827 nº. 67, bestaan, eene Algemeene Synodale Commissie voor de Nederlandsche Hervormde Kerk, welke hare belangen zal behartigen en waarnemen, wanneer de Synode niet vergaderd is.

Art. 2. Deze Commissie zal waken voor de uitvoering der Kerkelijke wetten en besluiten, en correspondentie houden met Kerkelijke collegiën, commissiën en personen, en is bevoegd, om, in voorkomende gevallen, de Godgeleerde faculteiten der drie hoogescholen te raadplegen.

Art. 3. Zij zal verder uitvoeren en voltooijen, hetgeen de Synode, ten aanzien van de werkzaamheden, tot den kring dier vergadering behoorende, uitdrukkelijk aan de commissie zal opdragen.

Art. 4. Zij zal daarenboven, ook buiten zoodanigen uitdrukkelijken last, de Kerkelijke belangen voorstaan en bevorderen in alle gevallen, welker behandeling tot de bevoegdheid der Synode behoort, en geen uitstel tot hare eerst volgende gewone bijeenkomst zou gedogen, zonder dat daarbij eenig algemeen of bijzonder belang zoude schade lijden.


a. 4. Was het niet wenschelijk geweest, dat der Algemeene Synodale Commissie ook ware opgedragen de behandeling der Appéllen van Provinciale Kerkbesturen, den wandel en de ambtsbediening der kerkelijke personen betreffende, wijl dezelve ➝

|44|

Art. 5. Zij zal tot hare werkzaamheden niet betrekken, want volgens de Kerkelijke reglementen aan de overige Kerkbesturen is aanbevolen, en zich onthouden van het maken van nieuwe bepalingen, het veranderen van bestaande, of het invoeren van nieuwe verordeningen, maar bevoegd zijn, om daartoe voordragten aan de Synode te doen.

Art. 6. Zij staat in onmiddellijk verband met het Ministerie voor de zaken der Hervormde eeredienst, op gelijke wijze als de Synode, ook ten aanzien der bijwoning van de vergaderingen, en het verleenen van het visum op alle naar buiten werkende besluiten van belangrijken aard, en zal, op dezelfs aanvrage van berigt, consideratiën en advies dienen.

Art. 7 Zij zal van al hetgeen door haar verrigt is, verslag doen aan de eerst volgende gewone Synode, en wegens hare handelingen en besluiten aan dezelve verantwoordelijk zijn.

Art. 8. Zij zal jaarlijks aan de Synode een overzigt van den staat des Kerkgenootschaps aanbieden.

Art. 9. De commissie zal bestaan uit negen leden, namelijk behalve den President, Vice-President en Secretaris der Synode, uit drie Predikanten en drie Ouderlingen.
Aan elk der zes laatstgenoemde zal een Secundus worden toegevoegd.
Ook zal een Hoogleeraar in de Godgeleerdheid, aan een der drie hoogeschoolen des rijks, met eene praeadviserende stem, in deze commissie zitting hebben. Naar volgorde der drie respective Godgeleerde faculteiten, zal de Hoogleeraar die de laatste Synodale vergadering heeft bijgewoond, of deszelfs Secundus in opgenoemde hoedanigheid, tot voormelde commissie behooren.

Art. 10. De Secundus van den Vice-President, zal dezen bij de commissie, niet slechts bij afwezigheid vervangen, maar ook, wanneer de Vice-President in de plaats van den President moet optreden. De Secundus van den Secretaris der Synode wordt ook als zoodanig bij de commissie aangemerkt.

Art. 11. De drie Predikanten benevens de drie Ouderlingen met derzelver Secundi, worden door de Synode zelve, bij volstrekte meerderheid benoemd uit de respective Predikanten en Ouderlingen of Oud-Ouderlingen der Nederlandsche Hervormde Kerk, en wel, zooveel mogelijk, uit verschillende Provinciale ressorten.


➝ zelden tot eene eerstvolgende Synode kunnen worden uitgesteld, zonder dat daarbij eenig algemeen of bijzonder belang, van gemeenten en personen, schade lijdt?
a. 7. Verantwoordelijk. Wil dit zeggen, dat de Commissie reden van hare handelingen geven zal? Of dat hare handelingen door de Synode geimprobeerd en herroepen kunnen worden? Of dat zij strafbaar wezen zal voor hare afgekeurde handelingen? Dit woord is te onbepaald.
a. 11. Hier is, als in a. 11 van het Algemeen Reglement, het geval van staking der stemmen vergeten.

|45|

Art. 12. De zes laatstgenoemde leden der commissie, worden in die betrekking voor drie jaren benoemd; jaarlijks zal één van deze worden afgevaardigd tot de Algemeene Synode, met eene concluderende stem.

Art. 13. Er zal jaarlijks eene aftreding plaats hebben, van twee der zes laatstgenoemde leden, één Predikant en één Ouderling; zullende de aftredende binnen twee jaren na hunne aftreding, als leden der commissie, niet weder benoembaar zijn. De eerste aftreding wordt door het lot bepaald.


a. 12. Omtrent dit artikel is in de Synode van 1845 een verzoek ingekomen van het Prov. Kerkbestuur van Zeeland om explicatie, en een voorstel van het Kerkbestuur van Limburg, behelzende consideratiën. Welke de redenen waren van het Zeeuwsche verzoek, of wat het Limburgsche voorstel inhield, kan uit de onbegrijpelijk beknopte notulen der Synode niet worden opgemaakt (bl. 84 en 85). Alleen het laatste is in het Rapport der Commissie (bl. 105) gezegd in te houden: „dat door de Synode nadere bepalingen worden gemaakt omtrent het lid, dat uit de Alg. Syn. Commissie jaarlijks tot de vergadering der Alg. Synode zal worden afgevaardigd, gelijk ook omtrent de overige leden der Commissie, wanneer zij tevens leden der Synode zijn.” Zooveel blijkt, dat de Synode er wel verre van af is, om te onderstellen, dat eene nadere verklaring, volgens het verzoek van het Prov. Kerkbestuur van Zeeland, en een bepaald besluit, overeenkomstig het voorstel van het Kerkbestuur van Limburg, niet te eeniger tijd hoogst gepast en belangrijk zoude zijn. Evenwel wordt dat hoogst gepaste en belangrijke voor als nog min voegzaam en onnoodig geoordeeld. Doch is het onvoegzaam om zoo spoedig ampliatie op de, nog onlangs gesanctioneerde, Instructe te maken, dan is het nog veel minder voegzaam, dat deze onlangs vervaardigde Instructie zoo spoedig ampliatie behoeft. En wordt het voor als nog niet noodig geacht in eene onderstelde mogelijkheid te voorzien, zal dan, als die mogelijkheid in wezenlijkheid veranderd is, er nog wel tijd overblijven om er op wettige wijs in te voorzien?
Met eene concluderende stem. Is de Synode eene vertegenwoordiging der Kerk, welk deel der Kerk wordt dan door het lid der Commissie vertegenwoordigd? En is dat lid door geen deel der Kerk ter Synode afgevaardigd, hoe kan het in die vertegenwoordigende vergadering dan regt van concluderende stem hebben?
a. 13. Is door de Synode van 1844 (Hand. bl. 252) besloten, dat de leden der voormalige Synodale Commissie, in overeenstemming met hetgeen betrekkelijk den tijd van zitting bij a. 12 deze Instructie is vastgesteld, elk voor den tijd, gedurende welken hij in laatstgenoemde betrekking nog zoude hebben moeten fungeren, doch hoogstens voor niet meer dan drie jaren, in deze Algemeen Synodale Commissie voor de Ned. Herv. Kerk zullen opgenomen worden en mitsdien van de bij a. 13 gementioneerde loting ter aftreding uitgezonderd worden, — zoo heeft de volgende Synode (Hand. bl. 106) erkend, „dat zij ten volle overtuigd is nopens de tegenstrijdigheid, welke er, ten opzigte van het bedoelde besluit, in de aangehaalde artikelen bestaat; eene tegenstrijdigheid van dien aard, dat eene onverwijlde opheffing derzelve, in het belang van orde en regelmaat, geoordeeld mag worden gebiedend noodzakelijk te zijn.” „Trouwens overeenkomstig het besluit der Synode des vorigen jaars, in verband met den tijd der zitting van de leden der voormalige Synodale Commissie, zouden, in het jaar 1846 slechts één Predikant, in 1847 slechts één Ouderling; maar in 1848 tegelijk twee Predikanten en twee Ouderlingen moeten aftreden; terwijl volgens a. 12 en 13 der Instructie, telken jare één Predikant en één Ouderling behooren af te treden, om door één Predikant en één Ouderling te worden vervangen.”
Er behoorde hier ook eene bepaling gevonden te worden, die belet, dat Praeses en ➝

|46|

Art. 14. Deze Commissie zal vergaderen te ’s Gravenhage en wel gewoonlijk twee malen ’s jaars, ééns in het voorjaar en ééns in het najaar. De dag der vergadering wordt bepaald door het moderamen, in overleg met het Ministerie van eeredienst. Zij zal overigens buitengewoon zamenkomen, zoo dikwijls als het Hoofd van dat Ministerie, of met deszelfs voorkennis het moderamen dit mogt noodig achten.

Art. 15. Zij zal zoodanige zaken, welke spoed vorderen, doch van te weinig belang zijn, om daarvoor eene buitengewone vergadering der commissie te beleggen, bij onderlinge correspondentie der leden mogen afdoen.

Art. 16. Zij zal aan twee of drie harer leden de behandeling kunnen demanderen van het gene onverwijlde afdoening vereischt, behoudens derzelver verantwoordelijkheid aan de geheele commissie.

Art. 17. Zij zal hare werkzaamheden over het geheel tusschen de verschillende leden, naar huishoudelijke bepalingen kunnen regelen.

Art. 18. De Provinciale Kerkbesturen en andere Kerkelijke collegiën en personen zijn verpligt, om aan de aanschrijvingen dezer commissie te voldoen, en aan dezelve al die inlichtingen te geven, welke zij mogt verlangen.

Art. 19. Deze commissie is bevoegd, met voorkennis van Zijne Majesteit den Koning, in buitengewone gewigtige omstandigheden, eene buitengewone Synode te beleggen, en daartoe de leden der laatstgehoudene hooge Kerkvergadering zamen te roepen.

Aldus vastgesteld door de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk in hare zitting van den 20sten Julij 1844.


➝ Vice-praeses in perpetuum leden der Commissie zijn. Ook voor hen behoorde als maximum van den tijd hunner zitting drie jaren bepaald te wezen.
Ook kan het geschieden, dat een lid, aftredende, voor de Synode en tot haar President of Vice-President, en wel twee jaren achtereen, wordt benoemd, en daarna onder de zes leden der Synodale Commissie komt, waardoor de bepaling van a. 13 geëludeerd wordt.

———

Hooyer, C. (1846) § 3.

Hoofdstuk II.
Algemeene Reglementen.

§ 3.
Reglement op het Examen en de toelating tot het Leeraar-ambt in de Hervormde Kerk.

Inleiding. Reeds in de Wezelsche Kerkordening (1568) is zorg gedragen voor de opleiding van de Dienaars des Woords. Behalve de Collegiën der disciplinen, waarin de drie hoofdtalen en de zuivere belijdenis der heilige waarheid moesten

|47|

onderwezen worden, werd het ook in groote gemeenten geraden gevonden „dat men aanstelle bysondere Propositiën te doen binnens huys, van soodanige, van welke merkelyke hope is, datse schier ofte morgen de Kerken sullen dienst konnen doen” (C. I. a. I, 2. C. II. a. 26). Zoolang zulke Proponenten niet wettiglijk geëxamineerd en bekwaam gekeurd waren in de Universiteit of Klasse, was het hun niet geoorloofd de gemeente openbaarlyk van den Predikstoel te leeren. Ook geëxamineerd, mogten zij geene Sacramenten bedienen, dan nadat zij beroepen en bevestigd waren (Kerkorde van ’s Gravenhage 1586. a. 18). In 1608 vond de Zuid-Hollandsche Synode noodig om den Leeraars nog een peremptoir examen op te leggen, boven het examen, reeds bij de toelating tot het Leeraar-ambt ondergaan, en praeparatoir genoemd. Dit vond evenwel niet overal ingang en werd in Vriesland nooit ingevoerd, terwijl Zeeland integendeel twee praeparatoire met één peremptoir examen eischte (Ypeij en Dermout, Gesch. d. Ned. Hevr. Kerk. I. bl. 387 en 388).

In het Reglement op het Examen door de Synode (1816, 11 Julij) geärresteerd en bij Kon. Besluit (30 Julij 1816, nº. 1) gesanctioneerd, is dat tweeledig examen vervallen en zijn vele bepalingen vastgesteld: omtrent het doel der examina — de vereischten om tot hetzelve toegelaten te worden — de personen, voor welke, en de onderwerpen, over welke het onderzoek geschieden zal, benevens de regten en de pligten der bekwaam gekeurden. Op de bepalingen echter van dat Reglement zijn later vele ampliatiën en alteratiën gevallen. Ook heeft men nieuwe maatregelen noodig gekeurd, ten einde de gestrengheid bij het afnemen der examina te handhaven en het indringen van ongeschikte personen in de dienst der Kerk te verhinderen (S. Hand. 1825. bl. 16, 71-78 en 123-125). De alteratiën en ampliatiën van het Reglement op het examen, daartoe door de Synode ter bekrachtiging voorgedragen, zijn bij Kon. Besluit van 6 Nov. 1825 nº. 110 gewijzigd en voor den tijd van zes jaren voorloopig gesanctioneerd. Na verloop van die jaren heeft de Synode eene geheele herziening des genoemden Reglements noodig gekeurd (S. Hand. 1831, bl. 71, 73-81, en 170-183), en is dat gerevideerd Reglement op het Examen en de toelating op het Leeraar-ambt in de Hervormde Kerk gesanctioneerd bij Kon. Besluit van 3 Dec. 1831, nº. 84.

———

Reglement
op het Examen en de Toelating tot het Leeraarambt in de Hervormde Kerk.

Art. 1. Allen, die, na volbragte studie, tot het Leeraar-ambt in de Hervormde Kerk van Nederland verlangen te worden toegelaten, zullen zich aan een examen voor het Kandidaatschap tot de Heilige Dienst moeten onderwerpen.

Art. 2. Het examen bestaat in een onderzoek aangaande de kunde en bekwaamheid, welke de zoodanige bezitten, in alles, wat tot de behoorlijke waarneming van het Leeraarambt vereischt wordt.

Art. 3. Het doel van het examen is, te zorgen, dat geene anderen toegelaten worden, dan die de vereischte kundigheden bezitten, en tevens om hun, die zich met loffelijke vlijt voorbereid hebben, gelegenheid te geven, om hunne bekwaamheden aan den

|48|

dag te leggen, en zich daardoor eene gunstige aanbeveling te verwerven.


a. 3. (S. Besl. v. 18 Julij 1842) „Heeft besloten en besluit bij dezen, handelende in den geest der — Synodale verklaring van den 19 Julij 1841, aan de Provinciale Kerkbesturen hunne verpligting te herinneren, om geene Candidaten tot het Leeraarambt toe te laten, en insgelijks aan de Classikale Besturen, om geene lidmaten toe te laten tot het geven van Godsdienstig onderwijs, dan de zoodanigen, die bij het examen, volgens de Reglementen door hen afgelegd, aan de overige vereischten voldoende, tevens getoond hebben, de leere, die in de Symbolische schriften der Hervormde Kerk voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde Kerk, te zijn toegedaan.”
Hier geldt vooreerst de vraag: heeft de Synode het regt, om zulke geloofsvoorwaarde, boven de vereischte kundigheden, aan de toelating der Candidaten tot het Leeraar-ambt voor te schrijven? Dit moet blijken uit het Algemeen Reglement voor het Best. d. Herv. Kerk, hetwelk de werkzaamheden der Synode omschrijft. Onder de algemeene bepalingen spreekt dit Regl. a. 9 van handhaving der Hervormde leer, maar draagt te dien opzigte niets aan de Synode op, wat ook niet aan de mindere Kerkbesturen en aan iederen Kerkenraad is opgedragen. Al die besturen moeten, volgens hetzelve, zich ten doel stellen „de zorg voor de belangen, zoo van het Christendom in het algemeen, als van de Hervormde Kerk in het bijzonder, — de handhaving harer leer, de vermeerdering van Godsdienstige kennis, de bevordering van Christelijke zeden enz.” Ja, ook worden deze pligten en daaronder de handhaving der leer aan de Ministerii Candidati volgens a. 38 van dit regl. op het examen enz. opgelegd. Waaruit genoegzaam blijkt, dat dit handhaven der leer, waartoe zelfs alle Kerkenradne en Candidaten verpligt worden, geen voorschrijven van geloofsregels in zich sluit. Of dit regt misschien alleen aan de Synode is toegekend, moet uit de Tweede Afdeeling des Algemeenen Reglements worden opgemaakt, hetwelk over de Synode en hare attributen handelt. Wel is in die Afdeeling aan de Synode opgedragen het hoogste Kerkbestuur (a. 16): de zorg voor de algemeene belangen der Kerk, in het bijzonder wat de openbare Godsdienst en de Kerkelijke instellingen betreft, en staat zij daartoe in verband met het Departement voor de Herv. Eeredienst (a. 21). Wel beslist zij de geschillen tusschen de Prov. Kerkbesturen en doet uitspraak in cas van appél (a. 22). En ontwerpt Algemeene Kerkelijke Reglementen en Verordeningen onder toezigt der Regering (a. 23). Maar gezagoefening over de leer is der Synode niet toegekend; welke gezagoefening, indien zij tot hare bevoegdheid gerekend was, zeer zeker en in de eerste plaats zou genoemd zijn. Dat de opstellers des Algemeenen Reglements die bevoegdheid aan de Synode niet hebben toegekend, kan ook uit dit Reglement op het examen enz. blijken, hetwelk door twee dier zelfde opstellers ontworpen is. Zoo ergens was het hier de plaats, dat de Synode aan de Provinciale Kerkbesturen de geloofsregelen voorschreef, volgens welke de Candidaten voor het Leeraar-ambt moesten beoordeeld worden, maar het doel van het Examen wordt gezegd hierin te bestaan, dat geene anderen toegelaten worden, dan die de vereischte kundigheden bezitten. En zoo min hebben die opstellers het voorschrijven van geloofsregelen gewild, dat zij bij hun eerste concept, ook in het onderteekeningsformulier, de vermelding der Symbolische schriften opzettelijke vermeden hebben. Als de Synode dus voorschrijft, om de bekwaam gekeurde Candidaten wegens hun niet genoeg overeenstemmen met de leer der Symbolische schriften, af te wijzen, treedt zij op een grondgebied, dat haar niet is afgestaan en matigt zich een regt aan, haar door het Hoofdreglement onzer Kerk niet verleend.
De tweede vraag is: Of de Provinciale Kerkbesturen moeten voldoen aan deze bloote Synodale aanschrijving, welke eene ampliatie en alteratie is van het gesanctioneerde Reglement op het examen, enz.? Het Reglement zegt, dat de vereischte kundigheden voldoende ter toelating zijn: de Syn. aanschrijving acht ze onvoldoende. Het Reglement ➝

|49|

Art. 4. Het examen voor de Nederduitsche, Engelsche en Hoogduitsche Kandidaten, wordt afgelegd voor een der Provinciale Kerkbesturen; en dat der Waalschen, voor de Kommissie tot de zaken der Waalsche kerken.
Het examen van Kandidaten, van ’s Lands wege opgeleid tot de dienst in de koloniën van den Staat, geschiedt voor de Commissie tot de zaken der Protestantsche kerken in Neêrlands Oost- en West-Indië. Deze Commissie is wijders bevoegd, daartoe verzocht zijnde, tot het examineren van Kandidaten, die tot de buitenlandsche dienst, hoewel niet voor de Nederlandsche koloniën, bestemd zijn; blijvende nogtans het examen dergenen, die zich tot de dienst in de


➝ verlangt de toelating der zulken, die de vereischte kundigheden bezitten: de Synodale aanschrijving beveelt, dat zij afgewezen worden, indien zij niet tevens hunne verkleefdheid aan de leer der Symbolische schriften hebben getoond. Zoo komen de Prov. Kerkbesturen tusschen het Reglement en de Syn. aanschrijving in. Wat zullen zij kiezen? Wat moeten zij doen? Zij zullen en moeten het gesanctioneerde Reglement volgen en niet de ongesanctioneerde aanschrijving der Synode, welke daarom geene kracht van wet heeft, wijl het slotartikel (47) bepaalt, dat de veranderingen of vermeerderingen van het Reglement onder de goedkeuring van Z.M. den Koning geschieden moeten. — Behalve de onbevoegdheid der Synode, om zulke aanschrijving te doen en de onverpligtheid (zoo niet meer) der Prov. Kerkbesturen om haar op te volgen, is die keursteen, waarop de Kandidaten moeten getoetst worden, verwerpelijk. „Dat geene Kandidaten tot het Leeraarambt mogen toegelaten worden, dan de zoodanigen, die bij het Examen, volgens de Reglementen door hen afgelegd, aan de overige vereischten voldoen, tevens getoond hebben, de leere, die in de Symbolische schriften der Hervormde kerk voorkomt, — te zijn toegedaan.” Wat is hier de leer, die in de Symbolische schriften voorkomt? niet de geheele leer; want er wordt toegegeven (S. verklaring 19 Julij 1841) dat hare feilbare opstellers zich vergist, min helder gedacht of zich niet gelukkig uitgedrukt hebben. Is het dan een deel dier leer? Ook niet; want men vergenoegt zich geenszins met de aankleving van deze of gene waarheid daarin vervat. Maar wat dan? In het algemeen de leer. Dus niet al de leerstukken, noch enkele leerstukken, maar de leer in het algemeen. Hier wordt het ons reeds duister! De leer, die in de Symbolische schriften der Hervormde kerk voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde kerk. Is hier wezen en hoofdzaak onderscheiden? Men moet het verwachten in een opstel als dit. Wat geeft dan hoofdzaak te kennen, dat wezen niet uitdrukt? En dit op de belijdenis der Hervormde kerk toegepast, wat is dan hare hoofdzaak in onderscheiden van haar wezen? En wat is haar wezen met hare hoofdzaak? Wat is verder het verschil van aard en geest, en wat is dan de aard en de geest der Symbolische schriften? Wij kennen zeer kundige leden van Provinciale Kerkbesturen, die deze woorden een warboel noemen. Zij zijn ten minste onbestemd en duister, en mag zulke keursteen gelden bij het aannemen of afwijzen van een’ Kandidaat? Is het geene bediegelijke keursteen, waarop deze zeggen zal, dat de geëxamineerde proef, maar gene met evenveel grond beweren kan, dat hij geen proef houdt; dewijl het voorschrift door de examinatoren ruim en naauw, naar ieders bijzondere opvatting, kan verklaard en bij den eenen dit de hoofdzaak, bij den anderen weder geheel iets anders als zoodanig zal genomen worden? En is dan, behalve de schade, die de Kerk door het afwijzen naar zulken duisteren regel lijden kan, het gansche levensgeluk van den Kandidaat niet aan willekeur prijs gegeven en de deur opengezet tot de grootste onregtvaardigheid?

|50|

fransche taal bepalen, aan de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken opgedragen.

Art. 5. Ingeval een Provinciaal Kerkbestuur, bij hetwelke aangift van een’ Kandidaat voor de Engelsche of Schotsche kerk geschiedt, bestaat uit leden, der Engelsche of Schotsche taal niet genoeg magtig, om daarin het examen af te nemen, zal hetzelve verpligt zijn, daartoe tenminste twee predikanten, die in de Engelsche of Schotsche kerk dezes rijks dienen, tot de vergadering op te roepen.

Art. 6. Al de leden der genoemde Kollegiën, of bij derzelver afwezigheid, derzelver secundi of tertii, zullen het examen van het begin tot het einde moeten bijwonen.

Art. 7. In de vergaderingen, waarin de Kerkbesturen, welke uit niet meer dan drie classikale ressorten bestaan, examen afnemen, zullen de secundi van derzelver leden tevens tot het mede verrigten van het werk des onderzoeks worden opgeroepen: ten einde het examen onder verschillende examinatoren kunne verdeeld worden. Een lid van het Kerkbestuur of deszelfs secundus buiten staat zijnde tot de waarneming van dat werk, zal de oudste der Moderatoren deszelfs plaats moeten vervangen.

Art. 8. In zoodanige gevallen zullen de opgeroepen secundi of tertii defroijement en reisgelden, doch geene presentie-gelden genieten.

Art. 9. Ten einde aan elk der Provinciale Kerkbesturen gelegenheid te geven, tot het examineren van Kandidaten en onder deze Kollegiën het genoemde werk gelijkelijk te verdeelen; zullen de Studenten aan de Hooge School te Leyden, worden geëxamineerd door de Kerkbesturen van Zuid-Holland, Noord-Holland, Zeeland en Noord-Braband; — die van de Hooge School te Utrecht, door de Kerkbesturen van Utrecht, Gelderland en Overijssel; — en die van de Hooge School te Groningen, door de Kerkbesturen van Groningen, Vriesland en Drenthe; welke dezelve zullen examineren bij beurten, op de wijze, in de volgende artikelen bepaald.

Art. 10. Gemelde Kerkbesturen hebben geene vrijheid, om meer dan zes jongelingen, na elkander, tot het examen aan te nemen; wanneer dus een Kerkbestuur zes jongelingen tot het examen toegelaten heeft, zullen de zes volgende door het, in de bovengenoemde rangschikking, tweede Kerkbestuur moeten onderzocht worden, en de zes daarop volgende door het derde of vierde; waarna de beurt weder tot het eerste terug komt.

Art. 11. Tot de dienst der Waalsche, Engelsche en Hoogduitsche kerken dezer landen, zullen ook zij, die op de buitenlandsche Hooge Scholen hunne studiën voltrokken hebben, worden toegelaten; mits, voor zoo verre zij niet reeds als Predikanten eene vaste standplaats gehad hebben, zich aan het examen onderwerpende.

|51|

Art. 12. Niemand, hetzij hij Nederlander of Buitenlander zij van geboorte, die buiten ’s lands gestudeerd en aldaar het regt tot de predikdienst bij de Hervormden bekomen, doch tot nog toe geene vaste standplaats vervuld heeft, zal in het Koningrijk der Nederlanden, om te prediken, toegelaten worden, dan nadat hij het examen voor een Kerkbestuur zal hebben ondergaan.

Art. 13. Indien een Nederlander op eene der Academiën van dit rijk gestudeerd, doch buiten ’s lands het regt tot de Predikdienst bij de Hervormden bekomen heeft, zal hij, om in dit rijk, tot het prediken toegelaten te worden, het examen voor een der Provinciale Kerkbesturen, of voor de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken moeten ondergaan; en tot dit examen niet mogen toegelaten worden, tenzij hij voldoe aan hetgeen in het volgende artikel gevorderd wordt.

Art. 14. Om tot het examen te worden toegelaten, wordt vereischt:
a. Bewijs, dat men den graad van Kandidaat in de Letteren, en dien van Kandiaat in de Godgeleerdheid heeft bekomen.
b. Bewijs, dat men drie jaren gestudeerd heeft in de faculteit der Godgeleerdheid, na het bekomen van den daartoe voorbereidenden graad.
c. Bewijs van een tweejarig met vrucht bijwonen der lessen, over de uitlegkunde van het Oude en Nieuwe Testament, de Dogmatiek en de Christelijke Zedekunde.
Alle deze bewijzen zullen, zoo veel de toelating tot het examen aangaat, niet gevorderd worden van de zoodanigen, op welke de artikelen 49 en 75 van het Besluit op het Hooger onderwijs toepasselijk zijn.
d. Eene Kerkelijke attestatie, mede inhoudende, dat de Kandidaat meer dan twee jaren Lidmaat is van de Hervormde kerk.
e. Eene getuigenis van de Professoren der Theologische faculteit van de Hooge School, aan welke hij zijne studiën heeft volbragt.
1º. Van het vlijtig waarnemen van alle bovengenoemde lessen, en van betoonde vorderingen; door ten minste twee volle jaren behoorlijk te responderen op alle vereischte collegiën.
2º. Van ten minste tweemaal sub praeside gepredikt te hebben.
3º. Van goed zedelijk gedrag.

Art. 15. Nederlanders, zoo wel als allen, die buiten ’s lands het regt tot de Predikdienst bij de Hervormden bekomen hebben, en


a. 14. Landhuishoudkunde weggevallen. Zie reeds de memorie der Synode aan den Minister in de S. Hand. 1828, bl. 99, over het wenschelijke der opheffing van de verpligting tot de beoefening dezer wetenschap.

|52|

overeenkomstig artikel 12 en 13 tot het examen worden geadmitteerd, zullen, in plaats van de bewijzen, in het voorgaande artikel sub a, b en c vermeld, moeten voorzien zijn:
1º. Van behoorlijke getuigschriften der Hoogleeraren van de Hervormde Godgeleerde faculteit dier Hooge Scholen, waar zij hebben gestudeerd, en wel in het bijzonder van goed zedelijk gedrag.
2º. Van eene kerkelijke attestatie, even als in artikel 14 sub d is gevorderd.

Art. 16. Buitenlanders, die hunne studiën niet op eene der Nederlandsche Hooge Scholen volbragt hebben, zullen tot het examen niet mogen toegelaten worden, zonder de agreatie van het Gouvernement te hebben bekomen.

Art. 17. Kandidaten van andere Protestantsche Kerkgenootschappen, die verlangen tot het examen bij een der Provinciale Kerkbesturen te worden toegelaten, zullen moeten leveren:
1º. Bewijs, dat zij den graad van Kandidaat in de Godgeleerdheid hebben verkregen.
2º. Bewijs, dat zij met vrucht de lessen over de uitlegkunde van het Oude en Nieuwe Testament; de Dogmatiek en de Christelijke Zedekunde hebben bijgewoond bij dezulken, die, volgens de erkende verordeningen van het Kerkgenootschap, hetwelk hen tot de Predikdienst heeft toegelaten, daartoe bevoegd zijn.
Ook de zoodanige zullen genot hebben van de uitzondering op de te leveren bewijzen, indien de artikelen 49 en 75 van het Besluit op het Hooger onderwijs op hen toepasselijk zijn.
3º. Voorts zal van hen gevorderd worden:
a. Bewijs, dat zij op Belijdenis des Geloofs als Lidmaten der Nederlandsche Hervormde kerk zijn aangenomen;
b. Bewijs, dat zij gedurende meer dan twee jaren Lidmaten geweest zijn bij eenig Protestantsch Kerkgenootschap.
c. Getuigschrift van zedelijk goed gedrag, door de bevoegde personen, bij welke zij in no. 2 bepaalde lessen hebben bijgewoond, afgegeven.
d. Verklaring van het Provinciaal Kerkbestuur, onder welks ressort zij, gedurende den tijd, waarin zij Kandidaten waren bij andere Kerkgenootschappen, gewoond hebben, dat hetzelve tegen de toelating tot het examen geene zwarigheid heeft.
Dit laatste al van allen gevorderd worden, die eenige Kerkelijke bediening bij een ander Kerkgenootschap bekleeden of bekleed hebben.
(S. Hand. 1832, bl. 23, 102-107 en Kon. sanctie 13 Nov. 1832, n. 87).

|53|

Art. 18. De aangifte voor het examen geschiedt ten minste twee maanden vóór den tijd, wanneer men begeert geëxamineerd te worden, met overlegging der in de voorgaande artikelen vermelde stukken.
De Studenten der Leydsche Hooge School zullen zich aangeven bij den Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland, die der Utrechtsche Hooge School bij dien van Utrecht, en die van de Groningsche Hooge School bij dien van Groningen.
Genoemde Secretarissen zullen de door de examinandi overgelegde stukken, naar orde van derzelver inkomen, zonder verwijl opzenden aan het Kerkbestuur, bij hetwelk het examen zal moeten plaats hebben. Zij zullen aan ieder, die zich bij hen aangeeft, dadelijk afgeven een bewijs, waarin de dag der aangifte moet worden uitgedrukt; opdat daardoor de orde, in welke de aangiften geschied zijn, bekend moge wezen en blijke met de beurt der Kerkbesturen om te examineren overeen te komen.

Art. 19. De Secretarissen der bovengenoemde Kerkbesturen van Zuid-Holland, Utrecht en Groningen en die der Commissie tot de zaken der Waalsche kerken, zullen aan de Commissie tot de zaken der Protestantsche kerken in Neêrlands Oost- en West-Indië opgave doen toekomen van de namen dergenen, die zich bij hunne Kollegiën tot het examen hebben aangegeven.

Art. 20. Nadat de Secretaris van het Kerkbestuur, bij hetwelk het examen moet plaats hebben, de vereischte getuigschriften in orde heeft bevonden, zal hij dezelve dadelijk doen toekomen aan den President, en, met diens overleg, aan den Examinandus kennis geven, dat hij voorloopig tot het examen wordt toegelaten.
De getuigschriften zullen niet te min op de vergadering van het Kerkbestuur overgelegd, en vóór den aanvang van het examen door hetzelve voldoende gekeurd moeten worden.

Art. 21. De Provinciale Kerkbesturen, de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken en de Commissie tot de zaken der Protestantsche kerken in de Nederlandsche Oost- en West-Indiën, zijn gehouden het examen op derzelver gewone vergaderingen en kosteloos af te nemen.

Art. 22. De Examinandus zal, vóór men tot het examen overgaat, betalen eene som van vijf en twintig guldens ten behoeve van de algemeene weduwenbeurs.

Art. 23. Het examen wordt afgenomen in de Nederduitsche, Fransche, Engelsche of Latijnsche talen.

Art. 24. Bij ieder examen zullen al de tegenwoordig zijnde leden der vergadering aan hetzelve deel nemen, en ten dien einde de werkzaamheden zoodanig verdeelen, dat elk der leden meer bepaaldelijk in één der vakken, art. 29 opgegeven, examinere; doch zal deze verdeeling nooit aan den Examinandus vooraf bekend gemaakt worden.

|54|

De Ouderling zal, zulks begeerende, zich van voorschreven werkzaamheden kunnen verschoonen.

Art. 25. Indien eenig lid van een Provinciaal Kerkbestuur tot den vierden graag van bloedverwantschap of zwagerschap den Examinancus bestaat, zal zoodanig lid geenerlei deel aan het examen mogen nemen, maar deszelfs secundus zal worden opgeroepen; indien dezelve in de vergadering niet reeds tegenwoordig is.

Art. 26. Geene toelating tot de Predikdienst zal mogen worden verleend, dan na bewijzen van kunde en bekwaamheid, welke door den Kandidaat zelven mondeling ten aanhoore van Examinatoren gegeven zijn.

Art. 27. Men zal niet dulden, dat er eenige voorafgaande tentamina plaats hebben, of eenige vragen, die gedaan zullen worden, vooraf aan den Examinandus worden medegedeeld.

Art. 28. Niet meer dan twee Kandidaten zullen gelijktijdig geëxamineerd worden, en tot elk examen zullen ten minste twee volle uren worden besteed.

Art. 29. De onderwerpen van het examen zijn:
a. De Bijbelsche uitlegkunde.
1º. Voor de uitlegging der Ouden Testaments wordt vereischt: de vertaling in het Latijn van twee hoofdstukken, elk uit een bijzonder Geschiedkundig boek genomen; en bijgevoegde verklaring van den zin en meening, op uitlegkundige gronden.
2º. Voor het Nieuwe Testament: dergelijke vertaling en verklaring van één hoofdstuk van een Geschiedkundig boek en van één hoofdstuk van een Brief; waarbij ook gelegenheid kan gegeven worden om te toonen, dat de Examinandus in de kritiek niet onbedreven is.
De bovengemelde hoofdstukken zullen den Examinandus bij zijne admissie worden opgegeven.
Dit geheel onderzoek geschiedt in de Latijnsche taal.
Indien de Kandidaat aan deze vereischten niet kan voldoen, zal het examen geen verderen voortgang hebben, en de Examinandus afgewezen worden.
b. De Geschiedenis der Kerk en der Leerstellingen.
c. De leerstellige Godgeleerdheid
.
In het vak der leerstellige Godgeleerdheid, zal


a. 24. (14 Julij 1837). „De Algemeene Synode der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden gezien hebbende, dat door sommige Provinciale Kerkbesturen, bij hunne rapporten wegens het examineren, de namen der Examinatoren in elk der vakken niet zijn vermeld, heeft in hare vergadering van heden bepaald, dat zulks voortaan, overeenkomstig a. 24, vergeleken met a. 36, van het Reglement op het examen enz., zal behooren te worden in acht genomen en dat hiervan aan de Kerkbesturen, welke dit hebben verzuimd, aanschrijving zal geschieden.”

|55|

voornamelijk worden ondervraagd over al de kenmerkende leerstukken van het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap.
d. De Christelijke Zedekunde.
e. De Predikkunde en de pligten van het Herders- en Opzieners-ambt
.
De Examinandus zal, hetzij door een schriftelijk opstel, hetzij door mondelinge voordragt, of wel door beide, naar verkiezing des Kerkbestuurs, zijne bekwaamheid tot de Predikdienst bewijzen.
De President bepaalt bij het examen, hoelang in elk vak zal geëxamineerd worden.

Art. 30. De Doctores Theologiae, die dezen graad op eene der Nederlandsche Hooge Scholen bekomen hebben, worden alleen geëxamineerd: in de geschiedenis der Kerk en der leerstellingen, de leerstellige Godgeleerdheid, de Christelijke Zedekunde, de Predikkunde en de pligten van het Herders- en Opzieners-ambt.

Art. 31. Zoo dikwijls een examen moet gehouden worden, zullen de Kerkbesturen aan de te examineren personen andere hoofdstukken uit den Bijbel opgeven, dan die bij het onderzoek, dat op de naast vorige vergadering gedaan is, gebruikt zijn; en zal over de vakken art. 29, litt. b-e uitgedrukt, op elke vergadering eene nieuwe verdeeling onder de leden moeten gemaakt en gevolgd worden.

Art. 32. Wanneer de geëxamineerde bevonden wordt de vereischte bekwaamheden niet te bezitten, zal hij worden afgewezen, met gebijzonderde aanwijzing der vakken, in welke hij te zwak bevonden is. Het Provinciaal Kerkbestuur zal tevens den afgewezen’ Kandidaat aanzeggen, dat het houden eener leerrede voor de Christelijke gemeente hem uitdrukkelijk is verboden, tot dat hij, na hernieuwd examen, tot de Predikdienst is toegelaten.

Art. 33. Wanneer iemand als onbekwaam wordt afgewezen, zal er ten minste een vol jaar moeten verloopen, eer hij tot een tweede examen kan worden toegelaten; en dan nog onbekwaam bevonden wordende, ten minste weder een vol jaar, eer hij voor de derde maal mag worden onderzocht. Die bij het derde examen geene genoegzame bekwaamheid toont te bezitten, wordt voor altijd afgewezen.

Art. 34. Zulken, die eenmaal, of voor de tweede reis zijn afgewezen, zullen door het Kerkbestuur, hetwelk hen heeft afgewezen, bij eene vernieuwde aangifte moeten geëxamineerd worden, buiten en boven het getal, dat hetzelve op zijne beurt moet aannemen.

Art. 35. Ingeval van verschillend oordeel of het al of niet toelaten van een’ geëxamineerden, zal de volstrekte meerderheid van stemmen beslissen.

|56|

In geval de stemmen staken, moet de geëxamineerde worden afgewezen.

Art. 36. De Kerkbesturen zullen verpligt zijn, van ieder gehouden examen een naauwkeurig verslag in te zenden aan het Departement voor de zaken der Hervormde kerk, en aan de Synode; zullende dat verslag mede moeten bevatten eene opgave van de hoofdstukken gebruikt bij het uitlegkundig examen; van de verdeeling der vakken van het examen tusschen de leden, en van den tijd, die tot het geheele examen besteed is.

Art. 37. Een geëxamineerde, bekwaam gekeurd zijnde, zal bij plegtigen eede verklaren: ter verkrijging van eenige standplaats geene overeenkomsten te hebben aangegaan, of giften te hebben gegeven, of immer te zullen aangaan of geven, en dat hem niet bewust is, dat dezelve door iemand van zijnentwege, of ten zijnen behoeve aangegaan of gegeven zijn, of aangegaan of gegeven zullen worden; en dat hij ook nimmer eene standplaats zal zoeken of aannemen, welke hij kan vermoeden, dat door eenige bedingen, beloften of welke middelen ook, van voorafgegane overeenkomst aan hem wordt opgedragen.

Art. 38. De geëxamineerde zal daarenboven verpligt zijn, de navolgende verklaring en belofte af te leggen en met zijne onderteekening te bekrachtigen.
„Wij ondergeschrevenen door het Provinciaal Kerkbestuur van … (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken) tot de openbare Predikdienst in de Nederlandsche Hervormde kerk geadmitteerd, verklaren bij deze opregtelijk, dat wij de belangen, zoo van het Christendom in het algemeen, als van het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap in het bijzonder, door leer en wandel, zorgvuldig zullen behartigen; dat wij de leer, welke overeenkomstig Gods Heilig woord, in de aangenomen formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk is vervat, ter goeder trouw aannemen en hartelijk gelooven, — dat wij dezelve naarstig zullen leeren en handhaven, — en dat wij op de bevordering van Godsdienstige kennis, Christelijke zeden, orde en eendragt ons met allen ijver zullen toeleggen; verbindende wij ons, bij deze onze handteekening, tot al het voorschrevene, en om, zoo wij bevonden worden tegen eenig gedeelte van deze verklaring en belofte gehandeld te hebben, deswege ons te zullen onderwerpen aan de uitspraken der bevoegde Kerkelijke vergaderingen.”


a. 36. (Min. aanschr. 7 Mei 1840). „Het zou mij bijzonder aangenaam zijn, indien de Provinciale Kerkbesturen, in het vervolg, bij het verslag der examina, mij tevens eenig berigt wilden doen toekomen met betrekking tot de uitwendige talenten, of predikgaven der toegelatene Kandidaten, ten aanzien, zoo van den stijl hunner leerredenen, als vooral van de stem en de uitvoering.”
a. 38. Het is bekend, hoe spoedig in de Ned. Herv. kerk de geloofsbelijdenis van Guido de Bres ingevoerd is, om eenstemmigheid in de leerwijs der Predikers ➝

|57|

Art. 39. De geëxamineerde zal hierop met gepaste aanspraak van den President tot de Predikdienst toegelaten en aan denzelven afgegeven worden het navolgende getuigschrift:


➝ en in de belijdenis der gemeente te brengen (Antwerpen 1566). Hoe ook de Catechismus van Zacharias Ursinus, in het Nederduitsch vertaald, daarbij is gevoegd, met welks leer elke Dienaar des Woords ook verklaren moest in alles overeen te stemmen (1568 Wezelsche S. C. II. a. 8). Hoe deze mondelijke verklaring in onderteekening overgegaan (1571. Embdensche S. a. 2), en deze onderteekening met de bedreiding van schorsing en afzetting in geval van weigering is geëischt geworden (1586, ’s Gravenhaagsche S. a. 47). Hoe eindelijk bij de geloofsbelijdenis en den catechismus nog de vijf leerregelen van Dordt zijn gevoegd en een accuraet Formulier van onderteeckeningh ontworpen is, waardoor alle Kerkendienaars hunne overeenstemming in de regtzinnige leer klaarlijk betuigden en de uitvlugten van sommigen, waarmede zij de kerken plegen te bedriegen, verhoed werden (1619, Dortsche S. postact. Sess. 162, 164). De toepassing van dit laatste was het uiterste van gestrengheid. Doch reeds aanstonds zagen zich vrome en geleerde mannen genoodzaakt, dat formulier bij de onderteekening in een’ ruimen zin op te vatten (Heringa Berigt aangaande zeven stellingen enz., vijfde stelling). Bij den voortgang der Godgeleerde wetenschap, werd het al grooter struikelblok, en, steeds ruimer en ruimer verklaard, verloor het zijne werking. Evenwel bleef het een band, die, hoe ook verwijd en uitgerekt, pijnlijk knelde. Geen wonder dus, dat de oudste, eerwaardigte en meest algemeen geachte Leeraars der Herv. kerk, tot de Synode van 1816 geroepen, geen enkel woord voor het behoud van dat Dordtsche onderteekenings-formulier gesproken hebben (Rapport ter zake van het adres enz. 19 Julij 1841). Zoo afkeerig was men van geloofsbanden geworden, dat de twee leden der consulerende commissie, belast met het ontwerpen des Reglements op het Examen, in hun concept zelfs geen formulieren genoemd, en alleen dit van den Kandidaat gevorderd hebben, „Hij zal zich bij handteekening moeten verbinden tot de stipte nakoming van al hetgeen bij a. 9 van het Algemeen Reglement op het Bestuur der Hervormde kerk in de Nederlanden, is vermeld, en plegtig beloven, niets daartegen strijdig, te ondernemen.” Alzoo in het geheel geene onderteekening der formulieren van eenigheid meer. Maar daar de klassis van Amsterdam in haar bekend adres van 4 Maart 1816 hare vrees openbaarde, dat men plan hebben kon om eene andere eenheid in geloofs- en leerpunten daar te stellen, en alzoo de Godsdienst in hare hartader zou aantasten, werd bij de hoofdzakelijke herhaling van genoemd a. 9 des Algemeenen Reglements, gevoegd, dat de Kandidaten „den vasten wil verklaarden, om de leer in de formulieren, overeenkomstig Gods woord, vervat, te prediken.” Doch de Synode van 1816, willende uitsluiten alle leerregelen die niet overal waren ingevoerd (canones Dordraceni), of slechts in ééne classis golden (Walcherensche artikelen), heeft bij het woord formulieren, gevoegd aangenomen formulieren van eenigheid der Ned. Herv. kerk en dus alleen de geloofsbelijdenis en den catechismus als geldend verklaard. Dit formulier van onderteekening is met eenparigheid van stemmen, op het gunstig praeadvies der Professoren, aangenomen. Ja, ook bij de revisie van het Reglement op het examen, en dus na een tijdverloop van vijftien jaren, werden er op dit artikel geene explicatiën of alteratiën door iemand der Synodale leden verlangd, gelijk ook door geen der Provinciale Kerkbesturen, die op andere artikelen hunne consideratiën hadden medegedeeld (rapport der commissie op onderscheidene adressen betrekkelijk het onderteekenings-formulier enz. S. Hand. 1835, bl. 129). Evenwel leed dit onderteekenings-formulier aan een groot gebrek, hetwelk weldra bleek bij de twisten, die over deszelfs zin werden aangevangen. Sommigen verklaarden de zinsnede alzoo, dat men de leer in de formulieren vervat geloofde, omdat zij (quia); anderen in zoo ver zij (quatenus) met Gods woord overeenkomstig waren. Ook werden er gevonden, die noch omdat of in zoo ver, maar als die (quippe) wilden gelezen ➝

|58|

„Vermits voor ons, leden van het Provinciaal Kerkbestuur van ……. (of voor de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken) verschenen is N.N., Kandidaat in de Letteren en Godgeleerdheid te …, verzoekende tot het examen te worden toegelaten, ten einde admissie tot de Predikdienst te bekomen; en wij bevonden


➝ hebben. Welk laatste echter geen zakelijk verschil met het eerste maakt. De strenge opvatting van quia en quippe baarde groote moeijelijkheid. Zij was onmogelijk vol te houden bij het onloochenbare verschil tusschen den stand der tegenwoordige Godgeleerdheid en dien van de geloofsbelijdenis en den catechismus. Men moest wel tot een gematigd, gelijk men zeide, quia of quippe komen, en daardoor was men overgegaan op het grondgebied der voorstanders van quatenus. Spraakkunstig mogt het quia of dan nog beter quippe gelden, maar uit een geschiedkundig oogpunt beschouwd, was het geenszins te verdedigen en bleek het duidelijk dat de opstellers quatenus moesten bedoeld hebben (Godg. bijdr. IX. D. I. St. bl. 1-24). In dezen strijd was de dubbelzinnigheid van het onderteekenings-formulier duidelijk aan het licht gekomen. Eene dubbelzinnigheid, om welke velen de voorzigtigheid der Synode hoogelijk geprezen, maar anderen haar alles behalve lofwaardig hebben genoemd. Ook al is het eene toevallige dubbelzinnigheid geweest, hetwelk wij gaarne gelooven, dan is zij nog zeer te misprijzen in een formulier van onderteekening, hetwelk den onderteekenaar verbindt en duidelijk moet opgeven, waartoe het hem verbindt. — Aan de Synode van 1835 werden bepaalde vragen gerigt, gelijk reeds in het vorige jaar was geschied (S. Hand. 1834, bl. 142-146, en 151), om duidelijke verklaring der betwiste woorden; doch, na rijpe deliberatie, verklaarde zij aan dat verzoek niet te moeten voldoen (S. Hand. 1835, bl. 120-136 en 161, 162). Zij achtte, dat zulke verklaring de bevoegdheid dier Synode te buitenging. Maar, indien de Synode volgens het slotartikel (47) des Reglements op het examen enz. het regt heeft, om dat Reglement onder de goedkeuring des Konings te veranderen of te vermeerderen, zal zij ook wel de bevoegdheid hebben onder dezelfde hooge goedkeuring eene verklaring van enkele woorden uit een artikel des gemelden Reglements te geven. De ware reden der weigering van de gevraagde verklaring zal wel te zoeken zijn in de vrees voor de rust en den vrede der Nederlandsche Hervormde kerk. — Bij de Synode van 1841 gingen de adressanten verder en verlanden de vernietiging van het nieuwe en de herstelling van het oude onderteekenings-formulier. Aan welk verlangen de Synode om grondige redenen weigerde te voldoen (S. Hand. 1841, bl. 21, 127-138); maar tevens eene nadere verklaring gaf van het onderteekenings-formulier, als dat zich niet vergenoegt met de aankleving van deze of gene waarheid in de formuliers-artikelen vervat, maar in het algemeen, de leer, die in dezelve voorkomt, gelijk die in haren aard en geest het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Hervormde kerk, door den Leeraar dier kerk wil aangenomen hebben. Waarop ten volgenden jare door een adres van zeven Heeren, niet zonder reden geantwoord werd, dat dit eene verklaring was, welke allezins eene nadere verklaring behoefde, en zij verlangden „dat het wezen en de hoofdzaak verklaard werden te zijn die waarheden, welke door de opstellers der formulieren en door de Nederlandsche Hervormde kerk ten alle tijde als fundamenteel zijn beschouwd.” De Synode volhardde bij de verklaring des vorigen jaars, als hebbende toen, gelijk zij zeide, haar gevoelen omtrent de waarde en het verbindend gezag van de Symbolische boeken der Hervormde kerk duidelijk en volledig uitgedrukt (S. Hand. 1842, bl. 21, 97-106, 108 en 109, 132-135). Dit verklaarde zij thans voor eens en voor altoos, welk eeuwig Edict niets beteekent van eene Synode, die, bij gedurige afwisseling van haar personeel, in eene volgende zitting bepalen kan, wat in de voorgaande was geweerd; gelijk de Synode van 1841 eene verklaring van het onderteekenings-formulier gegeven heeft, waartoe de Synode van 1835 zich onbevoegd had verklaard.

|59|

hebben, dat de Kerkelijke attestatie, benevens de getuigschriften afgegeven door de Godgeleerde faculteit der Academie te …, bijzonder ook aangaande zijn zedelijk gedrag, in goede orde waren; hebben wij geene zwarigheid gemaakt, hem tot het examen toe te laten. En hebben wij hem, volgens artikel 29 van het Reglement op het examen, naauwkeuriglijk onderzocht, ten aanzien van al de vakken, in gemeld artikel opgenoemd, en zulks met dien uitslag, dat wij denzelven N.N. tot de Predikdienst hebben toegelaten.”
„Hebbende dezelve den, bij art. 37 van het Reglement op het examen gevorderden, solemnelen eed gedaan; alsmede de, bij art. 38 van hetzelfde Reglement, vereischte verklaring van overeenstemming met de leer, welke, overeenkomstig Gods Heilig woord, in de aangenomene formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk vervat is, plegtig afgelegd en onderteekend.”

Art. 40. Het voormelde getuigschrift zal door den President en Secretaris van het Kerkbestuur worden onderteekend.

Art. 41. De Provinciale Kerkbesturen zijn gehouden, den Kandidaten, welke zij tot de Predikdienst toelaten, bij derzelver admissie uitdrukkelijk te herinneren, dat zij verpligt zijn, in de gemeenten in welke zij geroepen mogten worden, het gansche jaar door wekelijks, getrouwelijk te catechiseren.

Art. 42. De, tot Predikdienst aldus geadmitteerde Kandidaten, zullen den naam van Kandidaten tot de Heilige dienst (sacri Ministerii Candidati) voeren.

Art. 43. De openbare bekendmaking der admissie geschiedt door het Kerkbestuur alleenlijk met deze woorden:
„Door het Provinciaal Kerkbestuur van …… (of door de Commissie tot de zaken der Waalsche kerken) is tot de Predikdienst toegelaten N.N.”

Art. 44. Na bekomen admissie is de Kandidaat beroepelijk in elke gemeente, met inachtneming van hetgeen bij het Reglement op de beroepingen is vastgesteld.

Art. 45. De Kandidaat, beroepen zijnde, zal, om te kunnen toegelaten worden tot de dienst der gemeente, waarbij hij beroepen is, bij het Provinciaal Kerkbestuur, of hetzelve niet vergaderd zijnde, bij den President en Secretaris van hetzelve Bestuur, waaronder de gemeente, welke hem beroepen heeft, behoort, moeten overleggen:
a. Den beroeps-brief, voorzien van de approbatie van het Klassikaal bestuur, alvorens die aan Zijne Majesteit ter approbatie wordt aangeboden.
b. Eene attestatie van den Kerkenraad zijner woonplaats, van goed zedelijk gedrag.
Hij zal bij handteekening verklaren bij zijne vorige onderteekende verklaring en belofte (zie art. 38), opregtelijk te persisteren.

|60|

Art. 46. Alles in orde bevonden zijnde, aan het vorenstaande vereischte voldaan, en de beroeping door Zijne Majesteit den Koning zijnde geapprobeerd, zal de beroepene in zijne dienst bevestigd worden.

Art. 47. De Synode reserveert aan zich het regt, om dit Reglement in het vervolg, onder goedkeuring van Zijne Majesteit den Koning, zoodanig te veranderen of te vermeerderen, als bevonden zal worden te behooren.

Goedgekeurd bij ’s Konings Besluit van den 30 December 1831, no. 84.

———

Hooyer, C. (1846) § 4.

§ 4.
Reglement op de Vacaturen, als mede op de beroeping en het ontslag van Predikanten.

Inleiding. Had de geloofsbelijdenis van Guido de Bres, op de Antwerpsche Synode (1566) aangenomen, reeds bepaald (a. 31), „dat de Dienaers des woorts Godts — tot hare ampten behooren verkooren te werden door wettelike verkiesinge der kerke,” zoo is dit beginsel in de Synoden van later tijden gevolgd. De verkiezing geschiedde door de mansledematen of door de Kerkenraden met het goeddunken der klassikale Vergaderingen of drie Predikanten der naburige gemeenten (Embdensche S. 1571. a. 13). „Om de confusie ofte verwerringen te vermyden die uyt de verkiesinge des gemeenen volks ontstaan mochte” is de mansledenmaten-verkiezing afgeschafte (Dordtsche S. 1574. a. 12), maar het medestemmen der Diakenen toegelaten (Dordtsche S. 1578. a. 4). En werd vervolgens bepaald, dat de wettelijke beroeping dergenen, die te voren in de dienst niet geweest zijn, zoo wel in de steden, als ten platte lande, ook zal bestaan in de Approbatie der Gereformeerde Overheid van de respectivelijke plaatsen (a. 4 van de S. v. Dordt. 1578, Middelburg 1581, ’s Gravenhage 1586). Waarbij eindelijk gevoegd is, dat de wettelijke beroeping geschieden zal „niet sonder goede correspondentie met de Christelijke Overigheyd der selver plaatse” (S. v. 1619. Sess. 161), welk laatste, op verzoek der Politieke Commissarissen, alzoo gesteld is, om deze Kerkordening zoo veel te beter door de bijzondere Staten aller Provinciën bekrachtigd te krijgen. Het was ook op de aanmerking dierzelfde Commissarissen, dat de Synode van 1619 afzag van haar voornemen, om het Jus patronatus, bij Staatsbesluit van 1589 bevestigd, eenigzins of ten eenemale uit de Nederlandsche kerk te weren. Zij bepaalde zich alleen bij eenige artikelen, om het misbruik van dat regt te beletten (Sess. 156 en 157), en hoe eng deze artikelen de uitoefening van dat regt ook beperken, hebben zij toch het Kerkelijk zegel gehangen aan eene handeling, die weinig strookt met het aangenomen beginsel, dat de Dienaars des Woords door wettelijke verkiezing der Kerk behooren gekozen te worden. De plegtige bevestiging der verkozen’ Leeraars geschiedde na veertien dagen van presentatie aan de gemeente, en als dan openlijk de vragen nopens het gevoelen der wettigheid des beroeps, de erkentenis van Gods woord als de volkomene leer der zaligheid, de belofte van ijver en trouw en der onderwerping aan de Christelijke vermaning, toestemmend beantwoord waren (Dordtsche S. 1578. a. 4 en 5), werd de bevestiging met openbare gebeden of met oplegging der handen voor de geheele gemeente, naar de wijze der Apostelen, besloten (Wezelsche S. 1568. C. II. a. 11). Welke oplegging der handen echter, leidende „in de jonkheyt der Kerken tot superstitie of bespottinge” is afgeschaft (Dordtsche S. 1574. a 24), maar wederom toegelaten, waar het stichtelijk geschieden kon, of anders het geven der regterhand in de plaats gesteld (Dordtsche S. 1578, a. 5), en eindelyk dat opleggen der handen in gebruik gebleven (Haagsche S. 1586. a. 4. Dordtsche S. 1618. a. 4).

|61|

Behalve deze verordeningen der voormalige Synoden bestonden er nog bepalingen van Staatskerkordeningen (1576 en 1583), die der Burgerlijke overheid van alle steden en dorpen grooten invloed en medewerking op de keus der Leeraars verleenden. Al waren zij nimmer ingevoerd, werden zij echter door alle Magistraten gehandhaafd en ontstond er alzoo groote oneenparigheid in de wijze van verkiezing der Predikanten van onderscheidene Provinciën en gemeenten, al naar dat de Staatsinvloed hier of dáár vermogender of zwakker was (Zie Ypeij en Dermout, Gesch. d. Ned. Herv. Kerk, I. D. bl. 395-426).

De Staatsomwenteling van 1795 scheidde de Kerk van den Staat en nam allen dwang, welken de Overheid weleer aan de Kerk had opgelegd, ten eenenmale weg Ook de voorregten der heerlijkheden afgeschaft zijnde, werd aan de Kerken de vrije beroeping van hare Leeraars teruggegeven. Allengs echter begonnen de regten der heerlijkheden gereclameerd te worden, eerst zonder vrucht, maar met beter gevolg onder de regering van Lodewijk Napoleon. Eindelijk heeft de Souvereine Vorst met zekere beperking, en weldra zonder dezelve, alle Collatoren in hun van ouds genoten voorregt bevestigd *). Deze besluiten hebben het


*) Kon Besl v. 23 Sept. 1814, nº. 4.
Hebben goedgevonden en verstaan:
1º. Dat, met den 1 November aanstaande, in werking gebragt en voortaan geobserveerd zullen worden de bepalingen omtrent de uitoefening van het regt van collatie of beroeping van Predikanten, voorkomende in art. 5 van Ons Besluit van den 26 Maart l.l. no. 20, wegens de voormalige heerlijke regten; reserverende wij nogtans wel expresselijk aan Ons, om, hetzij bij speciale dispositiën over dit onderwerp, hetzij bij het daarstellen van algemeene Kerkelijke verordeningen, ten dezen nader en anders te disponeren.
2º. Dat dien overeenkomstig hetzelve regt onbepaald wordt toegekend aan deszelfs voormalige eigenaren, op alle plaatsen, waar de Predikanten uit Kerkelijke fondsen, zonder subsidie van den Lande, worden bezoldigd; terwijl in de gemeenten, waar voorschreven subsidiën plaats hebben, door de Gemeenten of Kerkenraden een dubbeltal geformeerd en de electie door den voormaligen geregtigden zal gedaan worden; blijvende eindelijk daar, waar aan de voormalige Heeren alleen het regt van de medestemming in de benoeming van Predikanten of het regt van agreatie competeerde, hetzelve in den vorm, zoo als zulks te voren heeft plaats gehad.
3º. Dat in de voorsz. gemeenten, even als in alle andere, de Kerkelijke wetten, welke thans bestaan, of in het vervolg mogten worden vastgesteld, geobserveerd zullen worden; en dat in het bijzonder bij voortduring zullen worden naargekomen de verordeningen op het verleenen van handopeningen en approbatiën, ten gevolge van Ons Besluit van den 23 December 1813, no. 17 bepaald.
4º. Dat in alle plaatsen, tot de Domeinen van den Staat behoorende, en in alle andere, waar het regt van collactie bevorens is uitgeoefend, of door den Souverein, of door de voormalige Heeren dier plaatsen, welke, na de vereeniging dier Heerlijkheden met de Lands Domeinen door het Gouvernement in derzelver regten moeten geacht worden te zijn opgevolgd, het regt van collatie door Ons zal worden uitgeoefend.
5º. Dat de Kerkenraden der Hervormde gemeenten van zoodanige plaatsen, ingeval van vacature, zich op de wijze, bij het vragen van handopening thans gebruikelijk, zullen adresseren aan Onzen Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken; dat voor zoo verre de vacerende gemeente in de termen valt, om overeenkomstig de beginselen, bij Ons Besluit van den 6 April l.l., no. 15, vastgesteld, te moeten vervuld worden, Onze voornoemde Secretaris van Staat Ons eene voordragt zal doen van twee of meer personen voor de vacerende Predikants-plaats, en dat door Ons vervolgens deswege zoodanig zal worden gedisponeerd, als Wij zullen oordeelen te behooren.
6º. Dat, zoodra door Ons eene benoeming zal zijn geschied, Onze meergemelde Secretaris van Staat zorg zal doen dragen, dat het beroep Kerkelijk worde geëffectuëerd, met observatie van alle de bestaande Kerkelijke verordeningen. —
Kon. Besl. van 1 Febr. 1815, nº. 15.
Overwogen hebbende eenige bij Ons ingediende verzoeken van eenige eigenaars van heerlijkheden, daartoe tenderende, dat het tweede artikel van Ons Besluit van 28 September 1814, no. 4, betreffende de uitoefening van het regt van collatie, zoodanig mogt worden gemitigeerd of geëxpliceerd, dat de supplianten en alle andere wettige eigenaars van heet volkomene regt van collatie, hetzelve ook voortaan, zonder voorafgaande nominatie van den Kerkenraad, zouden mogen uitoefenen in die gemeenten, waar de Predikanten geheel of gedeeltelijk uit subsidiën van ’s Lands wege worden bezoldigd;
Gezien het rapport van Onzen Secretaris van Staat voor de Binnenlandsche Zaken van den 30 Januarij 1815, no. 23;
Hebben goedgevonden en verstaan, met alteratie alleen in zoo verre van het bepaalde bij § 2 van Ons Besluit van den 28 September 1814, no. 4, (te vinden in het Staatsblad van dit jaar, no. 102), te verklaren, zoo als geschiedt bij deze, dat de eigenaars der heerlijkheden en andere wettige Collatoren, welke tot den jare 1795 het volstrekte collatie-regt tot begeving van Predikants-plaatsen ➝

|62|

Patronaatsregt zeer duister en onbestemd omschreven, en „wat gebrek is in de zaak van regt zoo groot, als de onzekerheid van deszelfs bepaling, ten gevolge waarvan de gezagvoerder ligt te veel eischt en de onderworpene van zijne zijde aan het gezag te weinig toestaat. Namelijk den Collator komt toe aan de gemeente een’ Leeraar te presenteren. Zullen we dit presenteren bepalen tot aanbieden, zoodat het de vrije keus tusschen aannemen en weigeren overlaat? In dit geval heeft de Collator niets. Zullen we integendeel het presenteren uitstrekken tot een besluit, hetwelk de gemeente verpligt is zich te laten welgevallen? In dit geval schijnt de Collator te hebben boven hetgeen, waarop hij aanspraak heeft. Die eerste uiterst bekrompene uitlegging nu van het woord is tastbaar ongerijmd. Doch schijnt de tweede, als zijnde overruim, even weinig te kunnen toegelaten worden. Deze immers laat aan de gemeente slechts het goedkeuren van des Collators keuze vrij, niet het afkeuren; maar zoo beperkt goedkeuren — ik bedoel approbatie zonder improbatie — is zelfs aan het onmondige kind toegelegd, met opzigt tot de ouderlijke bevelen, althans zoo ver het zich van de approbatie kwijt met gepaste zedigheid. Doch behalve van de zijde dezer ongerijmdheid ligt het ook om andere redenen voor het oog, dat de gemeente tegen over den Collator, die presenteert, behalve het regt van acceptatie des aangebodenen, ook dat van recusatie bezit, en wel niet alleen ingeval de aangebodene de, bij de Kerk bepaalde, vereischten niet bezit; maar ook indien hij der gemeente van wege kleine bekwaamheden, allergebrekkigste uitspraak, twistigen omgang, overhooge jaren, volstrekt mishaagt of ongepast mogt voorkomen. Ik besluit dit uit den inhoud der acte, door welke in den Kerkenraad des Collators verkiezing met den Kerkelijken vorm, welke in de plaats van des Bisschops investituur komt, bekleed wordt. De Kerkenraad verzekert in die acte naar den persoon van … naarstig te hebben vernomen, en nu, op grond van goede getuigenissen, ten aanzien van deszelfs gaven en talenten, regtzinnig geloof en godvrucht enz. enz. in hem volkomen genoegen te nemen. En tot voldingend bewijs van hetgeen ik beweer mag strekken eene keurige bijzonderheid, welke Ypeij uit zijn rijken schat heeft medegedeeld, dat, toen te eeniger tijd sommige Heeren Collatoren goedvonden om hunne presentatie, met voorbijgaan van de gemeente, aan de classen op te dragen, de Synode meende tegen die afwijking zich te moeten verzetten. Ik weet van deze tegenkanting geene andere redenen uit te denken, dan de overtuigdheid van die Vergadering, dat boven en behalve het oordeel der classis, hetwelk bloot tot de Kerkelijke wettigheid van den aangebodene betrekking had, ook nog de allenthalvige goedkeuring, genoegenneming en acceptatie aan de zijde der gemeente vereischt werden” (Broes. Kerk en Staat IV. D. 1. St. bl. 185 en 186).

De Synode van 1816 heeft na deliberatie een Algemeen Reglement op de vacaturen, als mede op de beroeping en het ontslag van Predikanten vervaardigd, en wegens latere ampliatiën en alteratiën, op aandrang des Ministers, en na de adviezen der Provinciale Kerkbesturen ingewonnen te hebben, in hare zitting van 1826 een nieuw Reglement op de vacaturen enz. aangenomen. Door welk


➝ hebben gehad, dat zelfde regt ook voortaan zullen uitoefenen, zonder voorafgaande nominatie van den Kerkenraad of der gemeente en zulks zonder onderscheid, of op zoodanige plaats het traktement geheel profluëert uit de plaatselijke kerkelijke goederen; of dat hetzelve gedeeltelijk of geheel uit ’s Lands kas wordt betaald; — blijvende dien onverminderd in volle kracht de bestaande verordeningen ten aanzien der handopeningen en approbatiën. —
Kon. Besl. v. 11 Aug. 1819.
Hebbende goedgevonden en verstaan, het navolgende te bepalen;
Art. 1 Geen Collatie-regt, hetwelke thans aan zekeren grond-eigendom of aan eenige heerlijke bezitting verknocht is, mag daar van worden afgescheiden, veel min als een afzonderlijk object verkocht.
Art. 2. Geene eigendoms-overgang, hetzij bij overeenkomst of bij gifte onder levenden, of bij gifte ter zake des doods, van de thans reeds van den grond of bezitting afgescheidene en dus afzonderlijk bestaande collatie-regten, of van aandeelen in dezelve, zal voortaan kunnen plaats hebben, dan onder Onze uitdrukkelijke goedkeuring.
Art. 3. Indien Wij mogten goedvinden eene zoodanige eigendoms-overgang en overdragt goed te keuren, reserveren Wij aan Ons, zulks te doen onder de voorwaarden, welke de belangen van den Godsdienst mogten komen te vorderen.
Art. 4. Geen unicus collator zal de collatie mogen doen aan iemand, die hem binnen den vierden graag van bloedverwantschap of zwagerschap bestaat, ten zij onder Onze speciale toestemming.

|63|

Algemeen Reglement de oneenparigheid in zaken van beroep, welke vóór 1795 bestond, veel verminderd, maar nog niet geheel weggenomen is. De Synode daarop opmerkzaam geworden (S. Hand. 1840. bl. 80), heeft de Synodale Commissie geauthoriseerd, om in de verschillende Provinciale ressorten onderzoek te doen naar het als nog bestaan van zulke wijze van Predikants-beroepingen, als welke in het, door Z.M. gesanctioneerd Reglement op de vacaturen enz., niet gementioneerd zijn, en als zoodanig van de Kerkelijke bepalingen, ten aanzien van dit onderwerp, afwijken; waarover rapporten op de volgende Synodale vergaderingen zijn ingediend, uit welke de groote oneenparigheid en onwettigheid van vele Predikants-beroepingen bleek, en is de voortzetting dier zaak, als ook hetgeen ten dien aanzien door de Kerk zou behooren gedaan te worden, aan de, toen nieuw ingestelde, Algemeene Synodale Commissie opgedragen (S. Hand. 1845. bl. 85). Het baart verwondering, dat de Synode, zoo naauwlettend op de nakoming van haar Reglement op de vacaturen enz., in dat zelfde Reglement zoo vrijgevig geweest is op het punt van Collatie-regt, en hetzelve zonder eenig bezwaar, of zonder de minste beperking, aanneemt. Dit moet zij toch wel toestemmen, dat de volstrekte collatie met het regt der gemeente in strijd is, en dat een Predikant der gemeente opgedrongen, niet wel kan gezegd worden, door Gods gemeente in de bediening geroepen te zijn. Tot het jus in sacra, hetwelk ook de hooge Regering erkent alleen aan de Kerk toe te komen, behoort mede het jus sacerdotii, namelijk om „zich zelve Leeraren te verkiezen, te beroepen en in te wijden” (Kist. de Chr. Kerk. Tweede en vermeerderde uitgaaf, I. bl. 309. Royaards Kerk-regt. I. bl. 43). Zij zelve heeft dus het regt om te bepalen, hoe en door wie in iedere gemeente de verkiezing enz. geschieden zal. Dit regt is de Synode, als de Nederlandsche Hervormde kerk vertegenwoordigende, verpligt te handhaven, en dan vooral, wanneer de Staat door zijne besluiten omtrent het Patronaatsregt, inbreuk maakt op die regten der Kerk. — Over dit onderwerp van collatie-regt nemen wij hier de woorden over van een adres des klassikalen Bestuurs van Bommel, bij de Synode van 1843 ingediend. „Veelal wordt het Collatieregt afgeleid uit eene overeenkomst, die tusschen stichters of begiftigers eener Kerk en Gemeenten zoude bestaan hebben. Of het evenwel uit overeenkomst is ontsproten, is onzeker. Keizer Justiniaan (Nov. 57. c. 2 en Nov. 123 c. 18) bepaalde, dat zij, die eene Kerk gebouwd hadden of de kosten van de eeredienst betaalden, zelve of hunne erfgenamen de Geestelijke derzelve mogten aanstellen, als de Bisschop de voorgedragene geschikt keurde. Dat regt is zeker dus reeds vroeg uitgeoefend in de gemeenten, die hetzelve niet hadden overgedragen. Naderhand werd op vele plaatsen de grondbezitter ook als eigenaar der Kerk en hare goederen beschouwd. Quod jus, zegt Venema H.E. T. V. bl. 270, partim ex privatorum oratoriorum in usum familiae et famulitii, constructione in proprio fundo ortum est, partim ex infeudatione Ecclesiarum, cujus vi possessores et domini erant, quibus in feudum cesserant. In het eerste geval is het blijkbaar, dat het eenen grondeigenaar vrij moet staan zijnen eigen Kapellaan aan te stellen. Dit zou aan iemand, die het thans mogt verkiezen, ook nu niet geweigerd worden. Wanneer die geestelijke echter tevens belast werd met de zorg voor anderen, en de gemeente tot onderhoud daarvan bijdroeg, zou dat absolute regt weg vallen. Op dien grond kunnen dus thans de Collatie-regten niet meer gebouwd worden. In het tweede geval is het regt tot aanstelling van Geestelijken een leenregt. Zoo is het bij ons doorgaans behandeld. Het is met de overige leenregten afgeschaft geworden, en met de andere heerlijke regten, daaruit voortgevloeid, door den Souvereinen Vorst weder hersteld. Wilde men die daarentegen uit overeenkomsten tusschen donateurs en gemeenten afleiden, dan moet zulk eene overeenkomst kunnen bewezen worden, en insgelijks, waartoe men zich van wederzijds verpligtte. Daardoor alleen toch kon men beoordeelen of die overeenkomst nog van kracht, dan of die door niet-nakoming van gestelde voorwaarde vervallen is. Maar zoodanige bewijzen zouden wel moeijelijk te leveren zijn. Het bijdragen tot het traktement van Predikant enz. kan dat bewijs niet opleveren. Want die bijdragen is veelal een servituut, verbonden aan het genot van goederen aan de eigenaren van heerlijkheden of ter administratie overgelaten of anderzins opgedragen: en waar dit ook niet het geval is, zoo is nog niet bewezen, dat aan het doen van die bijdrage eene Gemeente het regt tot aanstelling van geestelijken verbonden heeft.

|64|

Maar al konden eenige Collatoren bewijzen, dat eenige Gemeente aan hunne voorzaten het regt om eenen Priester te benoemen had opgedragen, daaruit volgt niet, dat hun nu het regt tot aanstelling van Hervormde Predikanten toekomt. Dit was hun niet verleend. Zij hebben het alleen verkregen, doordien men of stilzwijgend er in berustte, als zij eenen Predikant benoemden, of door de politieke overheid in hunne aanspraken op zoodanig regt gehandhaafd werden.

Maar het regt om Geestelijken aan te stellen was voormaals niet bij de Gemeenten, maar bij de Bisschoppen, en dezen waren het dus, die aan de Patronen het regt, om eenen Geestelijken te presenteren, dien zij konden goedkeuren, maar ook verwerpen, overlieten of overdroegen. Maar Bisschoppelijk regt erkent onze Kerk niet, en dus evenmin een Patronaatregt daarop steunende. Zij kent aan geenen Bisschop of hem, die zijne plaats vervangt, het regt toe, om Leeraren te kiezen, maar aan de gemeenten of hare vertegenwoordigers zelve.

Maar in ieder geval is het zeker, dat de collatie-regten bij ons alleen steunen op de besluiten van den Souvereinen Vorst van den 26 Maart 1814, nº. 20, van den 28 Sept. 1814, nº. 4 en den 1 Febr. 1815, nº. 15. De staat beschouwde die niet als gewone eigendommen. De Regering toch, die eenen ieder het zijne wilde gelaten hebben, schafte die na de omwenteling van 1795 af. De Souvereine Vorst ontnam hetgeen aan de gemeenten was opgedragen weder aan dezelve en droeg het op aan hen, die vroeger in het genot van collatie-regten geweest waren. Dit had evenmin kunnen geschieden, als de Vorst die als gewone eigendommen had aangemerkt.

Daarin verschilde de herstelling der collatie- van die der overige heerlijke regten, dat terwijl deze slechts gedeeltelijk hersteld werden (Waardoor bewezen werd, dat men die geenszins als onvervreemdbaar eigendom beschouwde), de collatie-regten door het Besluit van 1 Febr. 1815 (anders dan 28 Sept. 1814 bepaald was), weder geheel op den voet van vóór 1795 gebragt werden. Maar ook de overige heerlijke regten, voor zoo ver zij thans nog uitgeoefend worden, vinden vele tegenstanders. Daarover schijnt men het eens te zijn, dat het regt tot benoeming of voordragt van ambtenaren, als zijnde geen privaat maar publiek regt, door den Staat kan geregeld of ook opgeheven worden. Op gelijken grond moet worden geoordeeld over de collatie-regten; alleen met dit onderscheid, dat, daar zij noch tot het privaat, noch tot het publiek, maar tot het Kerkelijk regt behooren, het de Kerk is, die onder sanctie des Konings daarover de vereischte beschikkingen behoort te maken. Het geschil dan daargelaten, of zij uit een regtsoogpunt beschouwd geldig zijn; uit een Kerkelijk oogpunt ontbreekt aan derzelver wettigheid. Die is echter aangevuld door het Kerkelijke Reglement op de Vakaturen enz., waarin het regt van collatie uitdrukkelijk erkend of stilzwijgend voorondersteld wordt. Ook de Kerkelijke Wetgeving heeft dezelve dus bekrachtigd, en de Kerk is daaraan gebonden, tot dat door de bevoegde magt anders mogt bepaald worden. Op zulke nadere bepaling derzelve gaf het Koninklijk Besluit van 28 Sept. 1814 uitzigt. Het slot van a. 1 luidde aldus: „reserverende wij nogthans wel expresselijk aan ons, om hetzij bij speciale dispositiën over dat onderwerp, hetzij bij het daarstellen van Algemeene Kerkelijke verordeningen, ten dezen nader en anders te disponeren.” Ook hierdoor werd verklaard, dat de gedane dispositiën voor verandering vatbaar waren. En de Koning heeft van deze voorbehouding ook gebruik gemaakt bij de Besluiten van 8 Febr. 1815 en van 11 Aug. 1819, nº. 43. Maar bij Kerkelijk Reglement is de zaak niet geregeld; en daar het verkiezen van Predikanten eene Kerkelijke zaak is, zoo had dit behooren te geschieden. Met andere woorden, de Vergadering, de Hervormde Kerk vertegenwoordigende, had deswegens een Reglement moeten maken, terwijl aan den Koning de sanctie daarvan toekwam. In het laatstaangehaalde Koninklijk Besluit, waarin onder anderen voorkomt, dat de overgang van de daarin genoemde afgescheidene collatie-regten niet zal kunnen geschieden „zonder uitdrukkelijke goedkeuring des Konings, welke alleen zal verleend worden onder de voorwaarden, welke de belangen van de Godsdienst mogen komen te vorderen,” ziet men de zorg der Regering om de nadeelen te voorkomen, die uit het bezit van collatie-regten zouden kunnen ontstaan. Maar eigenlijk gaat de Regering daarbij hare bevoegdheid te buiten. Zij heeft te zorgen, ne respublica quid detrimenti capiat; maar aan de Kerk komt toe, om te waken,

|65|

dat de belangen van de Godsdienst niet benadeeld worden, en zij moet dus ook zelve de wijze der benoeming tot Kerkelijke posten kunnen regelen.

Wij wenschen dus, dat de Synode het regt der Kerk omtrent deze Kerkelijke zaak verklare en aan Z.M. voordrage, om iets dergelijks als het volgende in het Algemeen Reglement in te lasschen: „Het aandeel, dat Collatoren en andere niet Kerkelijke personen in de verkiezing van Predikanten hebben zullen, zal door de Synode bij Reglement worden bepaald.” Daar de regering zich geenerlei jus in sacra wil aanmatigen, zoo zal zij dan ook over het jus sacerdotii niet eigenmagtig willen beschikken; en daar zij ook geene magt circa sacra wil uitoefenen buiten de bestaande Reglementen, zoo zal zij ook deze zaak, die nog door geen Kerkelijk Reglement, maar slechts bij Koninklijk Besluit geregeld is, niet tegen het regt der Kerk aan zich willen behouden, maar die aan de Kerk zelve overlaten. De Regering heeft voorzeker daartoe volle vrijheid, daar alle concessiën aan Collatoren onder het uitdrukkelijk voorbehoud van de bevoegdheid, om nader en anders te disponeren, zijn verleend.

Wij wenschen verder, dat, als dit regt der Kerk erkend zal zijn, de Synode aan het Besluit des Konings van den 11 Aug. 1819 uitbreiding moge geven, en dat doe overeenkomstig het regt der Kerk. In dat Besluit is bepaald, dat geen eigendomsovergang van de thans reeds van den grond of de bezitting afgescheidene collatie-regten voortaan plaats zal kunnen hebben zonder Z.M. goedkeuring. Dat regt tot goedkeuring moet de Kerk voor zich zelve vorderen: aan haar komt toe, om „voorwaarden” daarbij te bepalen „welke de belangen van de Godsdienst mogen komen te vorderen.” Maar dat regt tot goedkeuring behoort niet beperkt te worden tot afgescheidene collatie-regten, maar tot alle te worden uitgestrekt. Ook collatie-regten verbonden met eenige meerdere of mindere bezitting kunnen evenzeer „tot eene financiële speculatie verlaagd of tot bevordering van bloedverwanten aangewend worden.” Daarenboven de Kerk kent ten haren opzigte geene regten, die door verkoop of erfenis zouden kunnen worden overgedragen. De regtverkrijgende van den vorigen Collator behoorde altijd door de Kerk in die qualiteit aangenomen, of ook wel, zoo daartoe termen waren, niet aangenomen te worden. Bij de regten moesten ook de verpligtingen der Collatoren worden vastgesteld. De eerste van alle is deze, dat hij zelf lidmaat zij der Hervormde Kerk, welke onmogelijk kan gedogen, dat Katholijken en Israëliten een deel van het jus sacerdotii in haar zouden uitoefenen. Eene andere is deze, dat zij tot de gewone of buitengewone behoeften der Kerken bijdragen.

Maar hetgeen regtstreeks door het beginsel, waarvan wij uitgaan, gevorderd wordt, is dat de gemeente of hare vertegenwoordigers aandeel hebben in de benoeming van haren Predikant. Wij zouden genegen zijn, om voor te stellen, dat, waar Collatoren of andere niet Kerkelijke personen de volstrekte benoeming thans hebben, dezen het regt zullen bezitten, om een drie- of viertal te formeren, waaruit de vertegenwoordigers der gemeente de benoeming zouden doen.”

Zoo oordeelde ook de consulerende Commissie onder Lodewijk Napoleon, dat de Kerkenraden, namens hunne gemeenten, op de uitoefening van dat regt eenen medewerkenden invloed dienden te hebben, bijv. door het maken van eene, zoo geheetene, nominatie van drie personen. Hiervan wilde zij nogtans uitgezonder hebben die Collatoren, die uit hunne eigene goederen de Predikanten bezoldigden en daarom in hun regt niet moesten benadeeld worden (Ypeij en Dermout. Gesch. der Herv. Kerk. D. IV. bl. 400). Op diergelijk middel is ook reeds de Wel Eerwaardige Zeer Geleerde Heer W. Broes bedacht geweest, van het voorstellen namelijk „eens zes- of drietals van Candidaten of Leeraars door den Collator, ten einde daaruit de Kerkenraad kieze. De gemeente hoort dan en vergelijkt. Zij ontvangt, zoo niet haren onbepaald vrij gezochten, echter haren gekozen’ man; en de Collator zal de beroeping, overeenkomstig zijn regt en het hut der Gemeente, zamen met hare toestemming en tot eigen genoegen geleid hebben” (Kerk en Staat. D. IV. St. I. bl. 188). Aangenaam is het ook op te merken, dat de tegenwoordige Minister van Eeredienst gemelden regel volgt in de uitoefening van het collatie-regt des Konings en dit doet te eerder verwachten, dat het der Synode niet moeijelijk vallen zou, om duidelijke bepaling en noodige beperking van het collatie-regt te verkrijgen.

|66|

Reglement
op de Vacaturen alsmede op de Beroeping en het Ontslag van Predikanten.

 

Eerste Afdeeling.
Van het ontstaan en de bediening der Vacaturen.

Art. 1 Eene vacature bij eene gemeente ontstaat door het overlijden, het vertrek, het emeritaat, den vrijwilligen afstand, het ontslag of de afzetting van eenen Predikant in dezelve.

Art. 2. Voor iedere gemeente wordt een Consulent benoemd, benevens een Secundus of plaatsvervanger van denzelven; ten einde, in geval de gemeente geheel vacant is, en in andere hierna te melden gevallen, te fungeren.

Art. 3. Het Klassikaal Bestuur benoemt de Consulenten voor alle gemeenten onder hetzelve behoorende, daarbij de belangen en behoeften der bijzondere gemeente in aanmerking nemende.

Art. 4. Het Klassikaal Bestuur kan in de aanstelling der Consulenten, zoodanige veranderingen maken, als de omstandigheden zullen vorderen.

Art. 5. Aan de Kerkenraden en de benoemde Consulenten, zal van de alzoo gedane benoemingen en van de daaromtrent, door het Klassikaal Bestuur, gemaakte veranderingen, worden kennis gegeven.

Art. 6. Ingeval van overlijden eens Predikants, geeft de Consulent daarvan, onverwijld kennis aan den Praetor van den ring en aan het Klassikaal Bestuur.

Art. 7. Het Klassikaal Bestuur, berigt van het overlijden eens Predikants ontvangen hebbende, zal de noodige opgaven daarvan onverwijld inzenden aan het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz.

Art. 8. De predikdienst wordt, in vacerende gemeenten,


a. 7. Min. Disp. 29 Mei 1832, nº. 2. „In aanmerking genomen, dat van tijd tot tijd berigten bij het Departement zijn ingekomen, uit welke schijnt te blijken, dat de bestaande verordeningen, met betrekking tot het ontvangen van vacatuur-gelden voor overledene Predikanten, niet overal genoegzaam zijn, om alle bezwaren en kosten voor te komen, en dat te dien opzigte mitsdien eenige voorziening wordt gevorderd;
Heeft dien overeenkomstig besloten:
De Scriba’s der Klassikale Besturen uit te noodigen, om in hun Klassikaal Ressort volgende maatregelen te nemen; ten einde het overlijden van Predikanten, onverwijld, ter kennisse van het Departement worde gebragt; hetzij dan door den Scriba of door den gecommitteerde tot den ontvangst der vacatuur-gelden, in den ring, welke het aangaat.”

|67|

waargenomen door de Predikanten van den ring, en het verdere herderlijke werk door den Consulent.

Art. 9. De Consulent zal met den Kerkenraad moeten bepalen, hoe dikwijls hij zich, tot het verrigten van het herderlijke werk naar de vacante plaats zal begeven.

Art. 10. Ingeval van verschil tusschen den Kerkenraad en den Consulent, doet het Klassikaal Bestuur uitspraak.

Art. 11. De Consulent vervult bij den Kerkenraad in allen opzigte de plaats van den Pastor loci; geene Kerkenraads vergadering mag gehouden worden, dan in zijne tegenwoordigheid, en zal, zonder zijne toestemming, in eene vacante gemeente, niemand iets mogen verrigten, dat tot het herder- en leeraar-ambt behoort.

Art. 12. De Consulent kan voor deze zijne gewone werkzaamheden van de vacante gemeente niets vorderen; maar hij wordt daarvoor door den ring schadeloos gesteld op dien voet, als zulks in de onderscheidene ringen zal bepaald zijn.

Art. 13. Wanneer de Consulent daarenboven op speciaal verzoek den Kerkenraad adsisteert, zal hem telkens worden betaald drie guldens, en bovendien, voor elk uur afstands één gulden voor de heen- en één gulden voor de terugreize; zullende de verzoekers voor deze betaling moeten instaan.

Art. 14. Bij het vacant worden eener gemeente, zullen de Kerkelijke boeken en papieren, gewoonlijk onder den Predikant berustende, overgenomen en bewaard worden in eene kist of kast met twee verschillende sloten, welke ééne sleutel zal berusten onder den Consulent, en de andere onder den Ouderling, die de oudste in bediening is.

Art. 15. Bij het ontstaan eener vacature zal de Consulent de eerste predikbeurt vervullen; voor de eerste predikbeurt wordt gehouden die, welke volgt, op den dag der begrafenis of des afscheids van den Predikant.

Art. 16. Ingeval van suspensie of ontzetting eens Predikants, of dat anderzins voor eenig Predikant op aanschrijving van het Klassikaal Bestuur, moet worden gepredikt, zal de Consulent de eerste predikbeurt na de daarvan ontvangene aanschrijving vervullen.

Art. 17. De Praetor van den ring zorgt, dat aan de Predikanten, die den Predikdienst in de vacature moeten vervullen, de orde der predikbeurten tijdig worde medegedeeld, met bijvoeging van den tijd, op welken het H. Avondmaal bediend en de voorbereiding- en dank-preken moeten gehouden worden.


a. 14. Min. Disp. 29 Mei 1832, nº. 1. „De Prov. Kerkbesturen en klass. Besturen uit te noodigen, om uit kracht van a. 30 en 31 van het Regl. op de vacaturen enz. zorg te dragen, dat wanneer ergens een Predikant mogt gesuspendeerd worden, met de Kerkelijke boeken en papieren worde gehandeld, overeenkomstig a. 14 van gemeld Reglement.”

|68|

Art. 18. De vervulling van den predikdienst door den ring, bij vacaturen in gemeenten van één Predikant, wordt bepaald op ééne predikbeurt op elken zon- of feestdag, alsmede op dank- en bededagen; ten aanzien van gemeenten van meer dan éénen Predikant, worden de ringen gevolmagtigd om huishuidelijke Reglementen ten aanzien van meerdere beurten te ontwerpen, onder goedkeuring van het Klassikaal Bestuur.

Art. 19. Een Predikant, die zijne predikbeurt in eenige door den ring bediend wordende gemeente verzuimt, verbeurt zes guldens, boven en benevens hetgene voor de vervulling der beurt uit de ringbeurs had kunnen genoten worden; deze boete komt ten voordeele van de diakonie der gemeente; alleen de bewezen onmogelijkheid om de beurt te vervullen, of te doen vervullen, ter beoordeeling van het Klassikaal Bestuur, kan daarvan ontheffen; doch zal in allen gevalle het aandeel uit de ringbeurs komen ten voordeele van de diakonie der gemeente, wier predikbeurt is verzuimd.

Art. 20. In eene vacante gemeente of die vacant staat te worden, mag nimmer gepredikt of eenige openlijke godsdienstoefening gehouden worden door Studenten in de godgeleerdheid, of door iemand, die niet den rang van Kandidaat tot de H. dienst verkregen heeft.

Art. 21. Wanneer in eenigen ring het getal der vacaturen, welke door den ring moeten bediend worden, grooter wordt dan een derde van het getal der Predikanten die tot dien dienst verpligt zijn, zal het Klassikaal Bestuur de meerdere vacaturen door één of meer der naburige ringen doen bedienen en daaromtrent zoodanige bepalingen maken als meest billijk zullen geoordeeld worden.
De Ringpredikanten zijn verpligt zich onverwijld naar de bepalingen te gedragen, welke ten dezen zijn gemaakt, behoudens hun regt om zich deswege te beklagen bij het Provinciaal Kerkbestuur, hetwelk in deze, zonder hooger beroep, zal beslissen.

Art. 22. Wanneer eene vacature ontstaat door het overlijden van den Predikant, wordt, voor diens erven, gedurende het sterfkwartaal, en waar eene weduwe, ongehuwd kind of kinderen, beneden de twintig jaar na blijven, wordt daarenboven voor dezelve, gedurende een vol jaar, de dienst vervuld door de Ringpredikanten zonder geldelijk bezwaar voor de weduwe of kinderen.

Art. 23. Al de inkomsten eener vacante Predikantsplaats, uit


a. 18. De Synode van 1828 oordeelde, dat onder de feestdagen, welke op vacante plaatsen moeten gevierd worden, ook behooren te worden gerekend de Vrijdag vóór Paschen, als mede de eerste en laatste dag van het jaar (Hand. bl. 56). Maar de Synode van 1834 bepaalde, dat a. 18 van dit Regl., vergeleken met de verordeningen omtrent de Eeredienst v. 11 Julij 1817, genoegzaam aanwijst, dat den Predikanten geene directe verpligting tot het vervullen der genoemde Godsdienstoefeningen in vacante gemeenten is opgelegd (Hand. bl. 128).

|69|

welke fonds ook voortvloeijende, voor zoo ver die aan dezelve als standplaats verbonden zijn en niet tot den persoon of eenige bijzondere dienst van den laatsten Predikant zijn beperkt geweest, komen ten voordeele van de Ringpredikanten, die aldaar de dienst vervullen, uitgezonderd die van het sterfkwartaal en van het jaar van gratie.
Wanneer tusschen den ring en de vacerende gemeente verschil van gevoelen omtrent de aan de Ringpredikanten toekomende inkomsten mogt ontstaan, zal het Klassikaal Bestuur hetzelve trachten te vereffenen, en zulks mislukkende, de zaak voordragen aan het Departement voor de Zaken der Hervormde Kerk enz.; ten einde, na het Provinciaal Kollegie van Toezigt op de kerkelijke administratie te hebben gehoord, deswege te beslissen.
Indien de inkomsten eener pastorij meer dan twaalf honderd guldens mogten bedragen, zal het meerdere komen ten voordeele der gemeente, om daaruit geheel of gedeeltelijk de kosten te vinden, welke bij dit Reglement in volgende art. zijn vermeld.

Art. 24. De afrekening wegens de inkomsten eener vacature tusschen den ring, de aankomende en vertrekkende Predikanten, de weduwen of erven van overledene Predikanten, geschiedt in elken ring overeenkomstig huishoudelijke bepalingen.
Ingeval van geschil beslist het Klassikaal Bestuur.

Art. 25. De Quaestor van den ring ontvangt het deel der inkomsten van de vacature, hetwelk den ring toekomt; de hieruit ontstaande ringbeurs wordt besteed om daaruit een zeker tantum te betalen voor iedere predikbeurt, welke door den Consulent, en de verdere Ringpredikanten, in die betrekking is waargenomen.

Art. 26. Uit de ringbeurs moeten ook de gewone kosten van het Consulentschap gegoed worden.

Art. 27. De Ringpredikanten kunnen onderling, van tijd tot tijd, bepalingen maken, hoeveel voor iedere predikbeurt, alsmede voor de waarneming van het consulentschap uit de ringbeurs zal gegeven worden.
Iemand der Ringpredikanten, vermeenende reden te hebben, om zich wegens bepalingen, ten deze door de Ringpredikanten gemaakt, te bezwaren, zal zich deswege kunnen wenden aan het Klassikaal Bestuur, hetwelk in dat geval, zonder hooger beroep zal beslissen.

Art. 28. Het Klassikaal Bestuur, zulks noodig oordeelende, zal den ring aanschrijven, om de dienst te vervullen voor ongestelde, afwezende of gesuspendeerde Predikanten.

Art. 29. Ingeval van krankzinnigheid eens Predikants, worden de bepalingen gevolgd, daaromtrent vastgesteld bij Koninklijk besluit van 8 November 1824, nº. 103.


a. 29. Kon. Besl. v. 8 Nov. 1824, nº. 103. „Hebben goedgevonden en verstaan:
1º. Dat, wanneer eenig Klassikaal Bestuur redenen mogt hebben, te vermoeden, dat een Leeraar onder deszelfs ressort, uit hoofde van krankzinnigheid of krenking ➝

|70|

Art. 30. Wanneer op aanschrijving van het Klassikaal Bestuur, voor eenen zieken, krankzinnigen, afwezigen of gesuspendeerden Predikant de dienst wordt waargenomen, zullen de dienstdoende Predikanten, gedurende hun vereischt verblijf in zoodanige gemeente, ten kost van hem, ten wiens behoeve de dienst vervuld wordt, behoorlijk worden gedefroijeerd.

Art. 31. Op aanschrijving van het Klassikaal Bestuur, fungeren de Consulenten ook in de gevallen bij art. 30 bepaald.
In zoodanige gevallen zal de Consulent voor elke reize dat hij in zoodanige gemeente moet tegenwoordig zijn, drie guldens mogen vorderen, ten laste van den Predikant voor wien de dienst alzoo wordt waargenomen.

Tweede Afdeeling.
Van de vervulling der Vacaturen, en de beroeping van Predikanten.

Art. 32. Met de vervulling der vacaturen, zal alle mogelijke spoed gemaakt worden.


➝ van verstandelijke vermogens, buiten staat is, zijn dienstwerk als Leeraar naar behooren waar te nemen, of wel, indien daarover klagten worden ingebragt, hetzelve Klassikaal Bestuur als dan door eene Commissie uit deszelfs midden, daartoe speciaal gemagtigd, op de plaats zelve, zoowel door het hooren van den Kerkenraad als, zoo mogelijk, door een onderhoud met zoodanigen predikant, zich van zijnen toestand zal behooren te overtuigen.
2º. Dat, ingevalle hij bevonden wordt, werkelijk in zijne verstandelijke vermogens gekrenkt te zijn, het Klassikaal Bestuur hem als dan minzaam zal trachten te bewegen, om voor den tijd van een half jaar zijne rust te nemen; zullende hij bijaldien deze pogingen vruchteloos mogten zijn, het Klassikaal Bestuur, na zich te hebben voorzien van het attest van eenen geneesheer, zoodanigen Predikant, behoudens eer en tractement, voor den evengemelden tijd, in zijne functie mogen schorsen en zijne dienst door de Ringbroeders mogen laten waarnemen.
3º. Dat, na het verloopen van dat half jaar, het Klassikaal Bestuur andermaal onderzoek zal doen, of hij op nieuw tot de Predikdienst zoude kunnen toegelaten worden; terwijl ingeval hetzelve Bestuur daartoe geene vrijheid vinden mogt, de bedoelde Predikant nogmaals, voor den tijd van één jaar, op gelijke wijze in de uitoefening zijner betrekkingen zal kunnen worden geschorst; ten ware, na gepast onderzoek, blijken mogt, dat de hoop op herstel geheel ware afgesneden. Alles onverminderd het regt van hooger beroep, van de ten dezen bedoelde Klassikale Beschikkingen, op het Provinciaal Kerkbestuur. En
4º. Dat, na verloop van dezen laatsten termijn, bij onverhoopte voortduring van des Predikants krankzinnigheid, of van de krenking zijner verstandelijke vermogens, het ontslag uit zijne bediening salvo honore en, naar gelang van zijnen tijd van dienst en omstandigheden, met toekenning van pensioen of gratificatie, voor hem zal kunnen worden verzocht.
a. 31. Van dit en het voorgaande artikel is eene nieuwe redactie voorgedragen, maar nog niet aangenomen en nogmaals in handen van de Syn. Comm. gesteld, ten einde de Synode nader te dienen van advies (S. Hand. 1845. bl. 32, 85).

|71|

Art. 33. De handopening wordt gevraagd op verzoek des Kerkenraads, door het Klassikaal Bestuur bij het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz., met speciale opgave der gronden, op welke de vervulling der vacature met een’ eigen’ Predikant verlangd wordt; voor zoo ver de gemeente, volgens de bestaande verordeningen, daarop geen stellig regt van aanspraak heeft.

Art. 34. Voor gemeenten, waar eene Koninklijke collatie is, wordt, in plaats van handopening te vragen, alleen kennisgeving van de invallende vacature gevorderd, door het Klassikaal Bestuur in te zenden bij het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz.

Art. 35. De Kerkenraden hebben vrijheid de handopening te vragen, zoodra het door hunnen Predikant aangenomen beroep naar elders, Kerkelijk is goedgekeurd, of wanneer anders het ontstaan der vacature genoegzaam zeker is.
Ingeval echter van de verroeping eens Predikants, moet het doen der beroeping uitgesteld worden tot na den afloop der maand, in welke de verroepen Predikant is gedemitteerd.

Art. 36. Uiterlijk drie maanden na het begin eener vacature, moet een beroep gedaan worden.

Art. 37. De vacature wordt gerekend te beginnen van den dag des doods, des afscheids of der afzetting van eenen Predikant.

Art. 38. Indien in eenige gemeente een jaar van gratie wordt waargenomen, zal de beroeping aldaar twee maanden vóór het eindigen van dien tijd moeten geschieden.
En indien een Emeritus verklaard Predikant gedurende eenigen tijd voor de dienst moet zorgen, zullen de aanstalten voor de beroeping te zijner vervanging, twee maanden vóór het eindigen van dien tijd een aanvang moeten nemen, terwijl de beroeping zelve zal plaats hebben, zoodra het Emeritaat is ingegaan.

Art. 39. In geval in eenige gemeente de beroeping op den bepaalden tijd geen voortgang heeft gehad, zal het Klassikaal Bestuur aan het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz., daarvan kennis geven, met opgave van de redenen, waarom de beroeping niet tijdig is geschied, en van de maatregelen, welke door het Klassikaal Bestuur genomen zijn om dezelve te bespoedigen.


a. 38. Dit artikel is eene alteratie gesanct. bij Kon. Besl. 16 Sept. 1842, nº. 145. Het oude artikel was: Indien in eenige gemeente een jaar van gratie wordt waargenomen, of zoo een emeritus Predikant, een half jaar, voor de dienst moet zorgen, zal de beroeping aldaar twee maanden vóór het eindigen van dien tijd moeten geschieden.” Dit artikel in verband met a. 73 kon de moeijelijkheid baren, dat een emeritus verklaarde Predikant kort vóór zijne demissie gestorven zijnde, terwijl volgens dit a. 38 het beroep reeds gedaan, aangenomen en geapprobeerd was, of het annus gratiae niet kon worden uitbetaald of aan het reeds gedane beroep binnen den tijd van één jaar geen gevolg gegeven worden of de gemeente gedurende dat jaar in de betaling van een buitengewoon traktement zou moeten voorzien (S. Hand. 1842. bl. 152, 153).

|72|

Art. 40. Zoo de vertraging der beroeping veroorzaakt wordt, door de schuld des Kerkenraads, en dezelve, op herhaalde aanmaning, geen voortgang maakt, zal het Klassikaal Bestuur, in geval de Kerkenraad het regt der benoeming heeft, een drietal formeren, ten einde de benoeming door Z.M. den Koning moge gedaan worden.

Art. 41. Bij gemeenten, waar Collatoren of andere stemgeregtigden het regt van benoeming, medestemming of agreatie mogen oefenen, zal het Klassikaal Bestuur bij vertraging des Kerkenraads, moeten doen, hetgeen des Kerkenraads is, om de beroeping tot stand te brengen.

Art. 42. Zoo de vertraging der beroeping mogt veroorzaakt worden door hen, die de regten van collatie, of het regt tot eenige ander wettelijke wijze van medewerking bezitten, zal het Departement voor de zaken der Hervormde kerk enz. eenen tijd bepalen, binnen welken de benoeming zal moeten geschieden; en zoo hieraan niet wordt voldaan, zal de benoeming door Z.M. den Koning gedaan worden.


a. 40. Dit art. schijnt van het beginsel uit te gaan, dat de Koning het opperbestuur in Predikants-beroepingen heeft, daar het aan den Koning het regt geeft om, als een Kerkenraad geen voortgang maakt, in deszelfs plaats uit een drietal van het Klassikaal Bestuur, de benoeming te doen. Wordt volgens het Algemeen Reglement (a. 3) het bestuur der Herv. kerk Synodaal, provinciaal, klassikaal en gemeentelijk uitgeoefend, dan moet bij nalatigheid van het gemeentelijk bestuur, het in rang volgende bestuur deszelfs functiën overnemen en alzoo het Klassikaal Bestuur, meermalen met het verrigten van Kerkenraads-werkzaamheden beslast, ook hier doen, wat de Kerkenraad had behooren te doen, d.i. het drietal formeren en het benoemen. Dit benoemen moet daarom te eerder aan een Kerkbestuur en mag te minder aan den Koning opgedragen worden, omdat het kiezen en beroepen van een Leeraar een erkend regt der Kerk en een jus in sacra is (Hedendaagsch kerkregt enz. v. H.J. Roijaards, D. I. § 14. bl. 43).
a. 42. Dat, als de vertraging van een beroep bij den Kerkenraad ligt, het Klassikaal Bestuur doet, wat des Kerkenraads is, vloeit voort uit den naauwen band, die er tusschen Kerkenraden en Klassikale Besturen bestaat; welke laatste uitdrukkelijk gezegd worden daar te zijn, om te zorgen voor de belangen der kerken in hun ressort en het houden van toevoorzigt over- en het corresponderen met de gemeenten en Kerkenraden; om bijzonder te waken over de vacerende gemeenten en te zorgen, dat de beroepingen der Predikanten geregeld en ten spoedigste geschieden (a. 60 en 61 des Alg. Regls.). Gelijke betrekking tusschen de Collatoren en den Koning is er niet en het blijkt dus geenszins, waarom de Koning, bij nalatigheid der Collatoren, in hunne regten treden moet. Oorspronkelijk is de benoeming van Leeraars der gemeenten bij de Kerk of kerkelijke personen geweest. De Collatoren hebben hun regt van benoeming, hoe dan ook, van de Kerk en hare Bestuurders verkregen, maar als die Collatoren hun regt verzuimen uit te oefenen, zoodat dit in hunne plaats dient te geschieden, schijnt de oorspronkelijke eigenaar er het naaste toe, en valt het regt dier, door den Collator vertraagde, benoeming op de Kerk en hare Bestuurders terug. Zij zijn er zeker nader toe dan de Koning, want het geldt hier geene stoornis van openbare orde of veiligheid, maar een belang van de Godsdienst, waarover hun de uitsluitende zorg is aanbevolen. En indien door zulke beroeps-vertraging de openbare orde al verstoord werd, zou dit eene zaak van Politie zijn, wel te vereffenen, zonder dat de Koning zich met eene benoeming belast, die eene daad van kerkelijk bestuur is, tot welke de grondwet Hem geen regt geeft.

|73|

Art. 43. Een beroepen Predikant of Kandidaat zal van het ontvangen des beroepsbriefs, aan den Kerkenraad der gemeente, waar hij beroepen is, onverwijld kennis geven; en uiterlijk vier weken na de ontvangst zich stellig moeten verklaren, of hij de beroeping aanneemt, zullende anderzins geacht worden voor de beroeping te hebben bedankt.

Art. 44. Ten aanzien van iemand, die eene beroeping in eene gemeente heeft aangenomen en toch in gebreke blijft, dezelve op te volgen, zal gehandeld worden overeenkomstig het bepaalde, bij Koninklijk Besluit van 19 September 1821, nº. 42.

Art. 45. De Kerkeraad berigt hebbende ontvangen, dat de beroepen Predikant heeft bedankt, zal zoodra mogelijk, uiterlijk zes weken daarna, eene nieuwe beroeping moeten doen, en te dien einde van het bedanken des beroepenen, onverwijld kennis geven aan hen, die het regt van benoeming mogten hebben.

Art. 46. De beroeping der Predikanten zal geschieden door den Kerkeraad, bij volstrekte meerderheid van stemmen; en, waar een Consulent moet werkzaam zijn, onder dienst voorzitting, doch zonder dat hem daarbij het regt van stemming toekomt.

Art. 47. Bij gemeenten, waar het regt van collatie, of eenige andere wettelijke wijze van medewerking plaats heeft, zal de


a. 44. Dit besluit behelst: 1º. Dat, als een Predikant, eene beroeping aangenomen hebbende, daarna weder bedankt, de beroepende Kerkenraad aan het Klassikaal Best verklaren zal of dezelve er in berust. Zoo ja, blijft de zaak zonder gevolg. 2º. Indien de beroepende Kerkenraad er niet in berust, zal het Klass. Best., waaronder de gezegde Predikant behoort, zijne verantwoordeing beoordeelen en haar niet voldoende vindende, hem onberoepelijk verklaren, maar voor niet langer dan voor drie jaren. 3º. Zoo hij niet appelleert of zijn vonnis bekrachtigd wordt, zal er kennis van gegeven worden aan alle Prov. Kerkbesturen en door dezen aan alle Klassikale Besturen, om de Kerkelijke goedkeuring gedurende den bepaalden tijd aan elk beroep, op hem uitgebragt, te weigeren. — De bepaling dat de onberoepelijkheid voor niet langer dan drie jaren wezen zal, is er door den Koning bijgevoegd. Met welk regt deze bijvoeging door den Koning geschied is, weten wij niet.
a. 45. Bij het eerste Reglement was slechts drie weken bepaald. Deze korte tusschentijd, moeijelijkheid barende, had de Minister in zulk geval, op gemotiveerd verzoek der Klass. Best., dispensatie toegezegd (17 Julij 1822. nº. 2174/1107), en is thans het dubbel van dien tijd vastgesteld.
a. 46. S. Disp. 8 Julij 1834. „Dat, wanneer bij eene Predikants-beroeping, van drie genomineerden één twee stemmen op zich vereenigd heeft, terwijl de twee overige stemmen, tusschen eenen tweeden en derden verdeeld zijn, het lot eerst zal beslissen, wie der twee genomineerden, die de minste stemmen hebben, van de beroeping zal uitvallen; en, nadat de stemming tusschen de twee overgeblevene zal zijn herhaald, bij het verder blijven staken der stemmen, door hetzelfde middel, te weten het lot, zal worden uitgewezen, wie de beroepene zal zijn.” Evenwel heeft de Synode besloten, dat, bij de formering der nominatiën en de beroeping van Predikanten, de stemming buiten twijfel ten allen tijde, moet plaats hebben met geslotene briefjes (S. Hand. 1838, bl. 54). Een Predikant is geen lid, veelmin voorzitter der vergadering, in welke een beroep van een Predikant in zijne plaats geschiedt (S. Hand. 1838, bl. 56).

|75|

Kerkeraad de beroeping op den alzoo wettelijk benoemden moeten uitbrengen.

Art. 48. Zoo de Kerkenraad mogt weigeren, de beroeping op den wettig benoemden uit te brengen, zal de Consulent daarvan onverwijld kennis geven aan het Klassikaal Bestuur, hetwelk in dat geval, gelijk ook bij gemeenten, waar nog geen Kerkenraad mogt bestaan, in deze, de functiën des Kerkenraads zal vervullen.

Art. 49. De Klassikale Besturen zullen, bij de kerkelijke approbatie der beroeping in aanmerking nemen, of daarbij is gehandeld overeenkomstig de Kerkelijke wetten en de bestaande verordeningen omtrent de in art. 47 vermelde wettelijke wijze van beroepen.

Art. 50. In twijfelachtige gevallen ten aanzien der Kerkelijke approbatie, wendt zich het Klassikaal Bestuur, met opgave der bijzonderheden en voordragt aan het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz.

Art. 51. Door het bepaalde bij het vorig artikel wordt geene verandering gemaakt in hetgeen omtrent de beoordeeling, en afdoening der geschillen, hetzij in het algemeen, hetzij met betrekking tot dit soort van zaken, bij ’s Lands wetten en verordeningen is vastgesteld.

Art. 52. Het nominatie-prediken, door Predikanten die eene vaste standplaats vervullen, is, en blijft verboden.

Art. 53. Niemand zal tot Predikant in eenige gemeente mogen beroepen worden, ten zij hij op den dag der beroeping, den ouderdom van twee en twintig jaren heeft bereikt.
Kandidaten, welke in eene vacature verlangen te prediken, zullen vooraf hunne akte van geboorte benevens die van hun Kandidaatschap moeten vertoonen aan den Consulent.

Art. 54. In gemeenten van meer dan vier Predikanten, wordt de ouderdom van vijf en twintig jaren, en eene drie jarige dienst in den beroepenen vereischt.

Art. 55. Geen Predikant mag van zijne eerste standplaats, naar eene andere gemeente beroepen worden, ten zij er twee jaren van zijnen diensttijd in zijne tegenwoordige gemeente verloopen zijn, op den dag, op welken de roepende gemeente vacant wordt.


a. 53. Bij S. Besl. van 25 Julij 1844 is vastgesteld:
1º. Dat, indien dezelfde Kandidaat in dezelfde vacature op verzoek van den Kerkenraad, bij herhaling predikt, die Kerkenraad alsdan gehouden zal zijn, hem de reis- en verblijfkosten te vergoeden; en
2º. Dat de Consulenten de bevoegdheid hebben in eene vacante gemeente een’ der Kerkenraads-leden te matigen, om, in hunne plaats, inzage te nemen van de acten van Kandidaten, bedoeld bij a. 53 van het Reglement op de vacaturen en beroepingen.
a. 55. Min. Disp. 3. Nov. 1830, nº. 1. „Heeft goedgevonden en verstaan:
Dat voortaan geene dispensatie van het voorschreven artikel zal verleend worden, ➝

|75|

Art. 56. De Klassikale Besturen zullen bij  de Kerkelijke approbatiën der beroepingen zich informeren, of, des noods, de vereischte bewijzen kunnen vorderen, dat bij de beroepingen niet is gehandeld, strijdig met de bepalingen, alhier art. 52-55 vastgesteld.

Art. 57. Wanneer in eenige gemeente, een vreemdeling tot Predikant mogt beroepen worden, wiens naturalisatie in dit Koningrijk aan het Klassikaal Bestuur niet bekend is, zal de Kerkenraad van die gemeente, het verzoek om de agreatie van Z.M. den Koning voor dien beroepenen inzenden bij het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz., door middel van het Klassikaal Bestuur. „Door geen Kerkenraad zal eene beroeping op eenen Buitenlandschen Predikant mogen worden uitgebragt, dan uit eene nominatie, welke vooraf (voor zooveel de daarop geplaatste Buitenlandsche Leeraren aangaat) zal worden onderworpen aan de approbatie van het Provinciaal Kerkbestuur, hetwelk daarop de consideratiën van het Klassikaal Bestuur inwinnen, en in het algemeen belang van de Nederlandsche Hervormde kerk beslissen zal; zullende, wat in zoodanig geval de Waalsche kerken betreft, de commissie tot de zaken der Waalsche kerken de Provinciale Kerkbesturen vervangen.
Geene despectie of benoeming van eenen Buitenlandschen Predikant zal Kerkelijk worden gemaakt, zonder dat de Kerkenraad daartoe vooraf de toestemming van het Provinciaal Kerkbestuur, op bovengemelde wijze zal hebben verzocht en verkregen.” (alteratie gesanct. 18 Aug. 1845, nº. 84).

Art. 58. De beroepene verklaard hebbende, de beroeping aan te nemen, zal dezelve op drie aaneenvolgende Zondagen, van den Predikstoel aan de gemeente worden voorgesteld, om te vernemen, of iemand iets wettigs, tegen denzelven heeft in te brengen.

Art 59. Bezwaren tegen den beroepenen, moeten schriftelijk bij den Kerkenraad ingeleverd, en door denzelven na de derde afkondiging, ingezonden worden bij het Klassikaal Bestuur.

Art. 60. Het Klassikaal Bestuur, zoodanige tegen den beroepenen ingekomene bezwaren gewigtig oordeelende, brengt dezelve ter kennis van het Klassikaal Bestuur, waaronder de beroepene behoort, hetwelk dezelve zal onderzoeken en beoordeelen en deswege kennis


➝ tenzij uit hoofde van bijzondere en zeer gewigtige redenen, in het belang van de roepende gemeente, of van den beroepenen.
Dat de verzoeken daartoe, door den Kerkenraad der vacerende gemeente in te dienen, steeds zullen moeten vergezeld gaan van een ontwikkeld advies des Klassikalen Bestuurs, waaronder dezelve behoort.
Dat de aanvragen van dien aard door het Departement, om consideratiën en advies, zullen gesteld worden in handen van het Klassikaal Bestuur, waaronder de standplaats behoort des Predikants, dien men zou willen beroepen.
En dat wijders de Minister, vóór en aleer te beslissen, al de stukken nog zal stellen in handen der Algemeene Synodale Commissie; ten einde nader te dienen van consideratiën en advies.

|76|

geven aan het Klassikaal Bestuur, waaronder de roepende gemeente behoort, ten einde het laatstgenoemd Klassikaal Bestuur daarover, ter eerster instantie, en dus behoudens hooger beroep aan het in rang volgende, hooger Kollegie, beslisse.

Art. 61. De voorstellingen ongehinderd geschied, of de ingebragte bezwaren ongegrond geoordeeld zijnde, wordt de beroeping, met al de daarbij vereischte bescheiden, door den Kerkenraad aan het Klassikaal Bestuur ter approbatie aangeboden, en, in orde bevonden zijnde Kerkelijk goedgekeurd.

Art. 62. De Kerkelijke geapprobeerde beroepsbrief wordt door het Klassikaal Bestuur, namens den Kerkenraad ter bekoming der Koninklijke approbatie, ingezonden bij het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk, enz.


a. 62. In het jaar 1813 heeft de Souvereine Vorst bij Besl. van 23 Dec., nº. 17 bepaalde:
„a. 1. Alle beroepingen van Kerkelijke Leeraars, welke bij het einde der Fransche Regering in deze Landen, wel kerkelijk geschied waren, maar nog geen effect hadden gesorteerd, omdat de Keizerlijke goedkeuring daarop nog niet was verleend geworden, zullen worden gebragt ter kennisse van den Commissaris-Generaal voor de Binnenlandsche Zaken; ten einde door denzelven te worden onderzocht en naar bevind van zaken in Onzen naam geapprobeerd.
a. 2. Geene beroepingen van Predikanten der Herv. Godsdienst, noch van zoodanige Leeraars van andere Kerkgenootschappen, als toelagen uit ’s Lands kas genieten, zullen kunnen geschieden, dan na vooraf verkregene toestemming van Onzen Commissaris-Generaal voor de Binnenlandsche Zaken. De approbatie der ten gevolge dezer toestemming gedane beroepingen, zal op, aan denzelven gedane aanvragen, en op zijne voordragt door Ons zelven worden verleend.”
Dit laatste in die kerkelijke verordening wilde nogtans de Vorst, dat als voorloopig zoude beschouwd worden. Zelf toch gevoelde hij, dat hetzelve voor andere, betere wijzigingen vatbaar zou kunnen zijn. Het werd derhalve door den Vorst slechts vastgesteld, ten einde in de afwachting van nadere Reglementen, aan voorkomende zaken van zoodanigen aard, als in het Besluit vermeld werden, eenen geregelden gang te geven (Ypeij en Dermout. Gesch. d. Herv. kerk. IV. bl. 607).
Geene latere Reglementen hebben dit regt van approbatie gewijzigd of beter bepaald. Artikel 62 van dit Regl. op de vacat. enz., heeft het slechts genoemd en erkend. De Souvereine Vorst kon niet wel anders, zoolang er geene kerkelijke bepalingen omtrent hetzelve gemaakt waren, dan te volgen hetgeen in gebruik was. Maar zal het een duurzaam geldig regt zijn (Hedendaagsch kerkregt van H.J. Royaards. D. I. bl. 236), dan behoort het op vaster grond te rusten, dan op hetgeen vroeger in gebruik en aan den Franschen Keizer gereserveerd was. In genoemd Besl. van 1813 schijnt het Approbatie-regt uit de Landsbezoldiging der Hervormde Predikanten afgeleid. Maar behalve dat de Herv. kerk, uit hoofde van voorouderlijk regt, wettige aanspraak op die bezoldiging heeft, genieten vele Predikanten geen Landstractemen en zouden dus aan het regt van Approbatie ook niet behooren onderworpen te wezen. Wilde men dat regt op het verleenen van kinderschool- en akademie gelden gronden, dan zijn er wederom, die, deze gelden niet genietende, zich aan het regt, daarop gegrond, zouden kunnen onttrekken, en het tevens vreemd is, dat de Mennonieten, in het genot der genoemde gelden, evenwel geene approbatie voor hunne voorgangers in de Godsdienst behoeven. Alle Herv. Predikanten kunnen evenwel gezegd worden te deelen in het genot der kosten van het Herv. Kerkbestuur, waarin de Staat voor een deel voorziet; maar alle daaruit afgeleide regten, die verder gaan, dan de zorg voor het wel besteden dier kosten, zijn uiterst

|77|

Art. 63. De beroeping van eenen Kandidaat door het Klassikaal Bestuur goedgekeurd zijnde, moet daarop aan het Provinciaal Kerkbestuur ter bekoming van deszelfs visum, worden aangeboden, om


twijfelachtig (W. Broes. Kerk en Staat. IV. D. I. st. bl. 102). Het approbatie-regt dus, rustende op de betaling van ’s Rijks gelden ten behoeve der Hervormde Predikanten (afgezien van de exceptiën, op die betaling te maken), kan niet meer behelzen, dan men meenen zou, dat het doel der verleening van handopening was, namelijk, de Koninklijke verklaring, dat de vereischte gelden kunnen gevonden worden. Opmerkelijk is ten dezen opzigte een antwoord der Regering van 18 Febr. 1815 aan Roomsch-Katholijken, op ingebragt bezwaar tegen het voorschreven verzoek om agreatie voor aangestelde Geestelijken: „dat de kennisgeving eener vacature, het verzoek, om bij de vervulling de toelage gecontinueerd te zien, en de agreatie voor den aangestelden Geestelijke, bij vermeld Besluit gevorderd (28 Sept. 1814), geene andere strekking hebben, dan om te oordeelen en te beslissen, of het genot van de bevorens geaccordeerde toelage wederom aan de vervulling der vacature kan worden verbonden, en vervolgens of aan den aangestelden Geestelijke de toelage van zijnen voorganger in officio toegestaan, bij voortduring zal worden uitgereikt.” Indien dit uitdrukkelijk gezegd wordt van de strekking der agreatie voor aangestelde Geestelijken, die toelagen uit ’s Rijks kas genieten, zal de approbatie voor beroepen’ Predikanten zeker wel geene andere strekking hebben. Hiermede komt ook wel overeen de gemakkelijkheid, met welke de Koninklijke approbatie steeds gegeven en, zoo veel wij weten, nooit aan Nederlandsche beroepen geweigerd is.
Daar evenwel het approbatie-regt door onze Kerk niet omschreven, noch juist werd bepaald, loopen de begrippen omtrent hetzelve uiteen. Zoo noemt de Hoogleeraar H.J. Royaards de Koninklijke approbatie de laatste slagboom ter wering van onwaardige Predikanten (Hedendaagsch kerkregt, D. II. bl. 58). Dit is een geheel ander doel, dan zoo even aan die approbatie is toegekend, en als zij daartoe dienen moest, zouden wij haar niet wenschelijk en onnoodig achten, zoowel voor den Koning als voor de Kerk. De Koning kon dan ligt op die zelfde klippen van haat en verdeeldheid stooten, waarop de vrede tusschen de gemeente en hare magistraten onder den vorigen kerkvorm menigmaal schipbreuk leed bij het approberen of improberen van een door den Kerkenraad uitgebragt beroep. En de kerk kon de geprezene onafhankelijkheid ene vrijheid van hare beroepingen (N.C. Kist, de Christ. kerk. 2. uitg. D. I. bl. 314) wel eens belemmerd zien, als de koning, door deze of gene kerkelijke partij misleid, het niet omschreven approbatie-regt ter improbatie van beroepenen gebruikte. Maar het is ook onnoodig, dat de Koninklijke approbatie een slagboom ter wering van onwaardige Predikanten zij. De Kerk kan dat zelve doen. Zij heeft bij elk beroep de middelen in handen om den waardigen van den onwaardigen te onderkennen en daarenboven het onbetwijfelde regt om, dienovereenkomstig, toe te laten of te weren. Zij zou ook te veel van den Koning eischen, indien zij van hem verlangde, scherper, dan zij zelve, op hare Dienaars toe te zien; terwijl bovendien bij haar nog bewijzen van waarde of onwaarde in aanmerking mogen en moeten komen, waarop de Koning zijn verleenen of weigeren der approbatie niet gronden mag. De Koning heeft slechts toe te zien, ne respublica damnum capiat. Dat bepaalt zijn toelaten of weren des beroepenen, en tot het laatste heeft hij in zulk geval de toevlugt tot de improbatie, welke ook slechts een regt van één oogenblik is, niet noodig. Hij heeft duurzame en altijd geldende wetten, die voldoende moeten geacht worden, om onruststokers met veel geduchter en meer afdoende straffen te vervolgen, dan de weigering der approbatie is.
Wij hebben dit niet aangeteekend, om den Koning het regt van approbatie te betwisten, maar om aan te toonen, hoe noodig het is, dat dit regt juist en duidelijk worde omschreven en bepaald.

|78|

vervolgens door het Klassikaal Bestuur ter bekoming der Koninklijke approbatie te worden ingezonden.

Art. 64. De Koninklijke approbatie wordt niet vereischt, ingeval de beroepene door Zijne Majesteit den Koning is benoemd.

Art. 65. Ingeval het Klassikaal Bestuur zwarigheid mogt vinden in het verleenen van de Kerkelijke approbatie, zal hetzelve geen middel mogen verzuimen, om ten spoedigste uitspraak deswege te kunnen doen.

Art. 66. Indien de uitspraak over de approbatie der beroeping door het Klassikaal Bestuur niet in deszelfs eerste vergadering na het daartoe ingediend verzoek, kan geschieden, zal hetzelve, met opgave der redenen, diligent verklaring, gedurende eenen bepaalden termijn,moeten verzoeken van het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz., hetwelk in zoodanig geval, daarvoor termen vindende, de belissing aan een ander Klassikaal Bestuur zal kunnen opdragen.

Art. 67. De kosten, welke overeenkomstig de bepalingen van dit reglement veroorzaakt worden door de beroeping, het vertrek en het transport van den beroepenen Leeraar, met deszelfs huisgezin en goederen, zullen ,ten zuinigste berekend, komen, ten laste der roepende gemeente.
„Indien hij nogtans een beroep aanneemt, dat binnen twee jaren na den dag zijner bevestiging op zijne tegenwoordige standplaats, op hem is uitgebragt, zal de teruggave der kosten gevorderd kunnen worden.” (alteratie gesanct: 11 Sept. 1828, nº. 104).
Geene verbindtenissen, waardoor den beroepenen eene meer dan twee jaren voortdurende verpligting tot deze teruggave zoude worden opgelegd, zullen in het vervolg worden toegelaten.
Een Kandidaat heeft geen regt om vergoeding van transport- en andere kosten van de gemeente te eischen.

Art. 68. Geenerlei kosten van zoogenaamde beroepings-commissiën of anderzins, veroorzaakt door het inwinnen van informatiën omtrent Predikanten, welke beroepen zouden kunnen worden, mogen immer ten laste van eenig gemeente-fonds gebragt worden.


a. 65. Wanneer een beroep bij een Klass. Best., uit hoofde van gebreken in den vorm, is afgekeurd geworden, zal degene, die op zoodanige plaats beroepen was, geen regt hebben, om te appelleren, maar alleen de vrijheid om zich te beklagen. — In geval een Predikants-beroep door een Klass. Best. is gedesapprobeerd, mag het Prov. Kerkbest. de redenen van bezwaar bij het Klass. Best. annuleren, maar heeft geen regt, om de beroeping te approberen, blijvende dit aan het Klass. Best. overgelaten (S. Hand. 1925, bl. 69, 70). — Indien het Klass. Best. zonder nieuwe redenen op te geven, zijne goedkeuring dan nog blijft weigeren, heeft het geval plaats bij a. 50 en 66 vermeld, en verzendt het Departement de zaak naar een ander Klass. Best. om de benoeming goed te keuren (S. Hand. 1832, bl. 53).

|79|

Derde Afdeeling.
Van het ontslag en de bevestiging van Predikanten.

Art 69. Ingeval een Predikant naar eene andere gemeente vertrekt, zal het Klassikaal Bestuur, één van deszelfs leden committeren, om zoodanigen Predikant te demitteren.

Art. 70. De demissie geschiedt in eene vergadering des Kerkeraads, en wel onder voorzitting van den Consulent, waar deszelfs werkzaamheid vereischt wordt, en wordt alsdan aan den Consulent het herderlijk opzigt over de gemeente, namens het Klassikaal Bestuur opgedragen.

Art. 71. Het defroijement, zoo wel van den Klassikalen Gecommitteerde als van den Consulent, komt, ingeval eener zoodanige demissie, ten laste der roepende gemeente.

Art. 72. Aan den alzoo gedemitteerden Predikant worden akten gegeven naar vereisch ingerigt volgens de formulieren C en D, vastgesteld 14 Julij 1817.

Art. 73. Wanneer een beroepen Predikant, na zijne demissie en vóór zijne bevestiging in eene andere gemeente, mogt overlijden, zal hij gerekend worden als Predikant der gemeente, welke hij verlaten zoude, overleden te zijn, in geval zijn overlijden voorviel gedurende de maand, in welke hij was gedemitteerd; doch in het tegenovergestelde geval, wordt hij gerekend gestorven te wezen, als Predikant der gemeente, bij welke hij beroepen was.

Art. 74. Overeenkomstig de bepaling, in het voorgaande artikel vastgesteld, zal in die gevallen gehandeld worden ten aanzien der bediening van het sterfkwartaal of het jaar van gratie; alsmede ten aanzien der weduwe of minderjarige kinderen.

Art. 75. Op gelijke wijze als art. 70, ten aanzien van eenen vertrekkenden Predikant is bepaald, zal gehandeld worden tot demissie van eenen emeritus verklaarden, of anderzins honorabel ontslagen Predikant; zullende daarbij acten worden afgegeven, naar vereisch ingerigt volgens de formulieren E en F, vastgesteld 14 Julij 1817.

Art. 76. In de gevallen, in het voorgaande artikel gemeld, komen de kosten der demissie ten laste van hem, ten wiens behoeve de handeling moet plaats hebben.

Art. 77. Ingeval van afzetting eens Predikants zal het Klassikaal Bestuur, op ontvangen berigt van het Provinciaal Kerkbestuur, de noodige aanschrijving doen aan den Praetor van den ring, aan den Kerkenraad, en aan den Consulent der gemeente.

Art. 78. De bevestiging van den beroepenen moet plaats hebben uiterlijk zes weken na het ontvangen berigt van de Koninklijke approbatie der beroeping, of waar geene Koninklijke approbatie vereischt wordt, zes weken na de kerkelijke approbatie van dezelve.

|80|

Art. 79. Zoo de beroepene door de omstandigheden mogt verhinderd worden, om aan de bepalingen in het voorgaande artikel te kunnen voldoen, zal hij daarvan kennis moeten geven aan het Klassikaal Bestuur, en zich onverwijld moeten adresseren bij het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz., ten einde verlenging van den gestelden termijn te verkrijgen.

Art. 80. Een beroepen Predikant moet, vóór zijne bevestiging, zijne akte van demissie aan den Kerkenraad zijner nieuwe gemeente overgeven.

Art. 81. De bevestiging geschiedt in naam van het Klassikaal Bestuur, door den Consulent, of diens Secundus; het houden der bevestigings-leerrede, kan door den Consulent aan eenen anderen Predikant worden afgestaan.

Art. 82. De Conculent, wien het houden der bevestigings-leerrede is opgedragen, wordt daarvoor door de gemeente betaald.

Art. 83. In allen gevalle zal de Consulent of deszelfs Secundus, bij de bevestiging moeten tegenwoordig zijn; alleen met goedkeuring van den Praeses van het Klassikaal Bestuur, zullen zij zich door anderen kunnen laten vervangen.

Art. 84. De bevestiging der Kandidaten geschiedt met oplegging der handen; bij die der Predikanten heeft dit geen plaats.

Art. 85. De Consulent geeft van de bevestiging onverwijld berigt aan het Klassikaal Bestuur, en zoo de bevestigde Kandidaat was, ook aan het Provinciaal Kerkbestuur.

Art. 86. (Vervallen bij Kon. Besl. v. 30 Dec. 1831, nº. 34).

Art. 87. De Scriba van het Klassikaal Bestuur, geeft van de dadelijke vervulling der vacature kennis aan het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk enz.

Art. 88. Het Klassikaal Bestuur verklaart den bevestigde, wanneer hij van elders gekomen is, onverwijld tot lid der Klassis, en zendt daarvan akte aan den Predikant, alsmede in allen gevalle berigt aan den Praetor van den ring.

Art. 89. Bij de aankomst, bevestiging en intrede van Predikanten, zullen van de zijde zoo der gemeente als des Predikants alle noodelooze kosten vermeden worden.


a. 81. De afstand der bevestigings-leerrede sluit tevens die der bevestiging of inzegening in (S. Res. 6 Julij 1827).
a. 82. Namelijk de vacatie en reiskosten (S. Res. 9 Julij 1829).
a. 89. Bij a. 40 van het oude Regl. waren inhalingen en welkomstmaaltijden verboden. Men heeft de gestrengheid van dit verbod thans verzacht, misschien om de gemeenten in de betooning harer ingenomenheid met den nieuwen Leeraar niet te zeer te belemmeren en vooral de ambtsbroeders door al te karige ontvangst van het bijwonen der bevestiging en intrede niet af te schrikken. Maar van eene andere zijde is den laatsten, behalve den Consulent, verboden, om de predikdienst in hunne gemeenten op den dag van zoodanige plegtigheid geheel onvervuld te laten (S. Res. 11 Julij 1827).

|81|

Vierde Afdeeling.
Algemeene bepalingen.

Art. 90. De Klassikale Besturen zullen alle zaken, op de vacaturen en derzelver vervulling, mitsgaders de bevestiging en het ontslag van Predikanten betrekking hebbende, met den meesten spoed behandelen; zoo dat, wanneer daarbij geene bedenkelijkheden voorkomen, de Praeses en Scriba, namens het Bestuur, het in dezen vereischte kunnen afdoen.

Art. 91. Van de onderscheidene bepalingen dezes Reglements kan door Zijne Majesteit den Koning dispensatie worden verleend.

Art. 92. De Synode behoudt aan zich om in het vervolg dit Reglement, onder goedkeuring des Konings, zoodanig te veranderen, als bevonden zal worden te behooren.

Behoudens wijzigingen, goedgekeurd bij Zijner Majesteits besluit van den 23sten November 1826, nº. 189.


a. 91. Van eenige bepalingen dezes Reglements (a. 35, 53, 55) moet dispensatie kunnen verleend worden, opdat in sommige gevallen de belangen der Godsdienst geen schade lijden. „Nach der Analogie der Gesetzgebung sollten solche Ausnahmen nur von derselben Autorität ausgehen können, welche auch die Regel festgesetzt hat” (Lehrbuch d. Kirchenrechts. v. F. Walter. 9te Aufl. § 180). Alzoo komt het der Synode toe, om dispensatie te verlenen van de bepalingen der door haar gemaakte Reglementen. In de Roomsche kerk is dat regt van dispenseren bij den Paus, maar die de bevoegdheid tot het verleenen van sommige bepaalde dispensatiën door volmagten aan Bisschoppen overdraagt. Onze Synode heeft dat regt den Koning afgestaan, die het wederom aan de Gen. Direct. voor de Zaken der Herv. kerk heeft overgedragen (Besl. v. 22. Nov. 1829, n. 99). Wij zouden het moderamen der Alg. Syn. Commissie zeer geschikt achten tot de uitoefening van dit regt der Kerk, en, als men wil, in correspondentie met het Min. Depart., wijl het art. betreft van een door den Koning goedgekeurd Reglement.

———

Hooyer, C. (1846) § 5.

§ 5.
Reglement op het Hulppredikerschap in de Nederlandsche Hervormde Kerk.

Inleiding. Gelijk onze Hervormde Kerk, ten tijde der oude Republiek, hare Proponenten niet alleen tot hunne oefening in het werk stelde (S. v. ’s Gravenhage 1586. a. 18), maar ook tot adsistentie der Predikanten, vooral ten platten lande, de eenvoudige lieden deed onderrigten en catechiseren (Kerk. Plak. I. bl. 607 en 610); zoo is ook, onder onzen nieuwen kerkvorm, in de Syn. Vergaderingen van 1817 en 1818, uit vrees voor gebrek aan een genoegzaam aantal Predikanten, beraadslaagd over het geven van zekeren kerkelijken rang aan Theologi Candidati en over het benoemen van hen tot Helpers in vacante gemeenten of bij kranke en zwakke Leeraars. Welke beraadslagingen echter zonder gevolg zijn gebleven. Maar toen, zestien jaren later, het getal der Proponenten zeer was aangegroeid, achtte men nuttig, dat zij, billijk bezoldigd, het dienstwerk verrigtten in gemeenten, waar het annus gratiae of eene liefdebeurt, om ontstentenis eens Predikants, moest vervuld worden: dat dan de keus van zoodanigen Sacri Ministerii Candidatus door den Kerkenraad uit een zes- of drietal, door het Prov. Kerkbestuur geformeerd, zou geschieden, en dat, voor zoo ver de hulp van het Min.

|82|

Departement niet toereikende was, de gemeente daartoe het hare moest bijdragen. Dit voorstel werd in handen der Alg. Syn. Commissie gesteld, om ten volgenden jare der Synode daarop te dienen van consideratie en advies (S. Hand. 1834, bl. 33, 34). Maar vóór de Synode wederom vergaderde en de Alg. Syn. Commissie hare consideratiën ten fine van besluit mededeelen kon, had Z.M. bij Besl. van 14 Nov. 1834, nº. 131, reeds eene som van 2500 Gl. beschikbaar gesteld, en het Min. Dep. onderscheidene Kandidaten tot Hulppredikers in sommige gemeenten benoemd en met toelagen begiftigd. Deze voorkomende hulpvaardigheid der Regering bewoog de Synode, om de zaak bij hetgeen van Gouvernementswege gedaan werd vooreerst te laten berusten; maar misschien ook inziende, dat nu niet gehandeld werd overeenkomstig het voorstel betreffende de keus der Kandidaten door de gemeente uit een zes- of drietal, van het Prov. Kerkbestuur geformeerd, en vermoedende, dat deze zaak van het Hulppredikerschap later wel blijken zou eenige vaste bepalingen te behoeven, besloot zij, dat de Alg. Syn. Commissie al zulke bedenkingen, inlichtingen en voorstellen zou ontvangen en overwegen, welke haar met betrekking tot dit onderwerp door wien ook zou worden toegezonden, om daarop bij de Synode te rapporteren en te adviseren (S. Hand. 1835, bl. 46, 47, 81, 94, 95). Weldra rezen er bedenkingen nopens sommige punten, rakende de dienst dier Kandidaten in vacante gemeenten, en bleek de noodzakelijkheid, dat zij door bepaalde verordeningen geregeld werd: te meer, daar dit onderwerp in verband stond met de regten en bevoegdheden van Kerkelijke Vergaderingen en ingreep in het kerkelijk leven en de geestelijke belangen der gemeenten. Om welke redenen ook de Minister wenschte, dat van wege de Synode vaste en bepaalde verordeningen op dit stuk gemaakt werden (S. Hand. 1843, bl. 153, 154). Eene Commissie, daartoe benoemd, heeft in haar belangrijk rapport eerst het standpunt aangewezen, van waar het Hulppredikerschap in onze Kerk thans moet beschouwd worden, en daarna de beginselen opgegeven, die zij gemeend heeft voor oogen te moeten houden, en de maatregelen, welke zij, daarvan uitgaande, heeft gemeente te moeten voorstellen. Het Hulppredikerschap is geenszins iets geheel nieuws, zoo min in de oude, als tegenwoordig kerkinrigting, en het getal dier Hulppredikers is thans reeds zoo vermeerderd, dat de Rijks toelagen, voor hen bestemd, tot 4000 Gl. geklommen zijn. Miste de zaak tot dus ver eene behoorlijke regeling, thans bestaat er behoefte aan de vestiging van een meer geregeld Hulppredikerschap. Eene behoefte niet in het overgroot getal Kandidaten, maar in den toestand der Vaderlandsche Kerk zelve te zoeken, daar vele gemeenten de dienst van meerdere Predikanten behoeven, en vooral ook het Separatisme en de Propaganda van Rome ernstig is tegen te gaan. De beginselen bij de ontworpene reglementaire bepalingen voor oogen te houden en de maatregelen, daarvan uitgaande, voor te dragen, zijn: Dat het hulppredikerschap als eene kerkelijke instelling moet gevestigd worden in verband tot den Staat. De kerk eischt vrijheid, zelfstandigheid en eigen wetgevend gezag, maar altijd onder bekrachtiging van den Staat, die haar beschermen moet en handhaven, ook naar grondwettige beginselen, en door dezelfs medewerking [voor zoo ver zij niet strijdt met de zelfstandigheid der kerk en de beginselen der Grondwet?]. Daarom gaan de bepalingen nopens het Hulppredikerschap van de Kerk uit, die tevens door de kerkelijke benoeming en door de medewerking der Kerkelijke Besturen blijft zorgen, dat deze instelling zich bestendig op het terrein der Kerk bewege. Maar nu de Staat medewerkt [geldelijke bijdragen levert?], eischen billijkheid en wijsheid, dat men geene weldaden geniete, zonder tevens regten te verzekeren [af te staan?]. — Een tweede beginsel geldt den aard van het Hulppredikerschap in betrekking tot de verschillende Kerkbesturen. Dat het geene nieuwe tusschenstand van kerkelijken worde: dat veler belangen worden vereenigd en vooral de medewerking der Klassikale Besturen ingeroepen, ook daar, waar bij meer duurzame instellingen, de regten der Kerkenraden behoorden geëerbiedigd te worden. — Een derde beginsel is hierin gelegen, dat men misbruiken trachte voor te komen, die uit een meer gevestigd Hulppredikerschap, ten nadeele der gemeenten, konden ontstaan. — Eindelijk is het laatste beginsel, dat de vrije ontwikkeling der Kerk niet belemmerd worde (S. Hand. 1843, bl. 153-162).

|83|

Na gehoudene deliberatiën en op Ministeriële bedenkingen gemaakte veranderingen, is het Reglement op het Hulppredikerschap in de Nederlandsche Hervormde kerk finaal gearresteerd (11 Julij 1844), en door den Koning gesanctioneerd bij Besl. v. 11 Oct. 1844, nº. 17.

———

Reglement
op het Hulppredikerschap in de Nederlandsche Hervormde Kerk.

Van Hulppredikers.

Art. 1 Waar in de Hervormde kerk van Nederland behoefte bestaat aan Hulppredikers, kunnen dezelve, nadat de maatregelen daartoe zullen getroffen zijn, worden gekozen uit Predikanten, buiten vaste bediening, die met loffelijke getuigenissen uit hunne gemeenten ontslagen zijn, en vooral uit Kandidaten tot de Heilige dienst bij de Nederlandsche Hervormde kerk.

Art. 2. Zoodanige Hulppredikers kunnen worden aangesteld:
I. Als vaste Hulppredikers:
a. In grootere gemeenten
, wier verzoek om vermeerdering van het getal der Predikanten, voor als nog niet kan worden ingewilligd.
b. Voor nieuwe standplaatsen, aan welke bij derzelver stichting of uitbreiding, wegens financiëele of andere redenen voorloopig nog een vast predikants-tractement kan worden verzekerd.
II. Als tijdelijke Hulppredikers:
a
. Voor Predikanten, die wegens geneeslijke ongesteldheden, tijdelijk in de vervulling hunner ambtspligten verhinderd worden, en in welke dienst de hulp der ring-broeders niet dan gebrekkig kan voorzien.
b. Voor Predikanten, die wegens voortdurende ongesteldheid of gevorderden leeftijd, niet meer in staat zijn tot de waarneming van alle pligten hunner bediening; terwijl geldende redenen hen terug houden van de aanvrage om emeritaat, en tegen wier aan blijven door hunne gemeenten geene gegronde bedenkingen gemaakt worden.
c. In vacante gemeenten, voor welker belangen het open blijven der Leeraars-plaats gedurende het jaar van gratie, of bij ontstaan verschil over de beroeping bijzonder nadeelig zou kunnen werken, of waar anders een Predikant, door buitengewone omstandigheden verhinderd is in de waarneming van zijne dienst, zonder dat de gemeente vacant verklaard is.
In alle deze gevallen zal de gewone dienst der Ringpredikanten worden aangevuld of vervangen door die der Hulppredikers, behoudens

|84|

de grenzen van derzelver werkzaamheden, onder artikel 16 en vervolgens vermeld.
d. In bezwaarlijke combinatiën en in uitgestrekte dorpsgemeenten, aan welke, om bijzondere redenen geen tweede Predikant kan worden toegevoegd, wanneer bijzondere omstandigheden (art. 10 nader te noemen) dit raadzaam mogten maken.

Bezoldiging en wijze van aanstelling.

Art. 3. Zoodanige Hulppredikers worden niet kerkelijk beroepen; maar zij worden voor hunne werkzaamheden voor langeren of korteren duur, benoemd of aangesteld.

Art. 4. De wijze van derzelver benoeming staat in verband met de wijze van derzelver bezoldiging.

Art. 5. Vaste Hulppredikers (vermeld in art. 2, nº. 1) zullen worden aangesteld op gelijksoortige wijze als beroeping of benoeming (waar deze plaats heeft) der Predikanten in die gemeenten pleegt te geschieden.
Waar derzelver bezoldiging geheel uit gemeente-fondsen wordt verstrekt, zal de Kerkenraad, onder goedkeuring van het Klassikaal Bestuur, zoodanigen Hulpprediker mogen aanstellen. Indien echter de bezoldiging gedeeltelijk van wege het Rijk wordt betaald, zullen de bevoegden, hetzij de Kerkenraad hetzij Collatoren of Floreenpligtigen de keuze doen uit een zestal, opgemaakt en toegezonden door het Ministerie voor de Zaken der Hervormde Eeredienst.

Art. 6. Waar Hulppredikers ten dienste van ongestelde of zwakke Predikanten (Art. 2, II) optreden, zal, in zoo ver de Prediking geheel in de bezoldiging voorziet, de keuze door denzelven geschieden, onder approbatie van het Klassikaal Bestuur, na ingewonnen advies van den Kerkenraad der gemeente.

Art. 7. Waar de bezoldiging gedeeltelijk door den Predikant, gedeeltelijk door de gemeente, of uit de gemeente-fondsen wordt verstrekt, zal de benoeming, onder gelijke approbatie van het Klassikaal Bestuur, met gemeen overleg, door den Predikant en de overige leden van den Kerkenraad gezamentlijk geschieden, en bij verschil door het Klassikaal Bestuur.

Art. 8. Waar dezelve gedeeltelijk door het Rijk, gedeeltelijk door de gemeente, of uit gemeente-fondsen, of ook door den Predikant wordt uitbetaald, zal de Kerkenraad der gemeente, of de Predikant, die daartoe bijdragen, de keuze doen uit een drietal door het Ministeriëel Departement toegezonden.
Indien behalve door het Rijk, de toelage gedeeltelijk uit de gemeente-fondsen of door de gemeente, gedeeltelijk door den Predikant wordt verstrekt, zullen de overige leden van den Kerkenraad en de Predikant zich over de keuze uit het toegezonden drietal

|85|

moeten verstaan, en bij verschil deze keuze door het Klassikaal Bestuur geschieden.
Op de bepalingen van dit artikel zal eene uitzondering kunnen gemaakt worden, in die gevallen, waarin, na ingenomen advies van het Provinciaal Kerkbestuur, eene regtstreeksche benoeming door het Ministeriëel Departement voegzaam geoordeeld wordt, zullende in dat geval het Klassikaal Bestuur aan deze benoeming op kerkelijke wijze het vereischte gevolg geven.

Art. 9. Voor gemeenten, waarin de tijdelijke dienst van eenen Hulpprediker verlangd of vereischt wordt, hetzij gedurende het jaar van gratie, hetzij bij andere, de beroeping van eenen Predikant noodwendig vertragende omstandigheden, hetzij in gevallen, waarin de Predikant door buitengewone omstandigheden of maatregelen verhinderd is, in de waarneming van zijne dienst (zie art. 2, nº. II litt. c) zal het Klassikaal Bestuur de keuze doen, uit een drietal, aan hetzelve ingezonden door het Ministeriëel Departement, ook dan, wanneer uit de ringbeurs een gedeelte der bezoldiging verstrekt wordt.

Art. 10. Op gelijken voet zal worden gehandeld, in andere voorkomende gevallen of in combinatiën, wanneer bezwaren, uit de onbruikbaarheid der wegen gedurende de wintermaanden of langer, de dienst van eenen Hulpprediker doen verlangen.

Duur van het Hulppredikerschap.

Art. 11. De duur van het Hulppredikerschap in eene bepaalde gemeente, wordt geregeld naar de bijzondere omstandigheden, waaronder de aanstelling heeft plaats gehad.

Art. 12. Vaste Hulppredikers, en zij die in nieuw gevestigde gemeenten of standplaatsen werkzaam zijn, blijven fungeren, zoo lang de omstandigheden het niet toelaten een vasten Predikant in die gemeenten te beroepen, of de behoeften der gemeenten zulks vereischen.

Art. 13. Hulppredikers, die voor zieke of door ongesteldheid in hun dienstwerk tijdelijk verhinderd wordende Predikanten optreden, zullen niet langer dan voor zes maanden worden aangesteld.
Na verloop van dien termijn zal dezelve om gewigtige redenen, door het Klassikaal Bestuur tot een jaar mogen worden verlengd.
Wanneer zulks langer dan een jaar verlangd wordt, zal de autorisatie van het Provinciaal Kerkbestuur vereischt worden; hetwelk echter, eer hetzelve zoodanige aanvrage toestaat, de consideratiën en het advies van den plaatselijken Kerkenraad en van het Klassikaal Bestuur zal inwinnen.

Art. 14. De voortdurende dienst van eenen Hulpprediker, in gemeenten waar een voor zijn dienstwerk niet meer geschikt Predikant in het tijdig aanzoek om zijn emeritaat achterlijk blijft,

|86|

zal niet mogen worden toegestaan, dan om zeer gewigtige en dringende redenen, ter beoordeeling van het Provinciaal Kerkbestuur, en nadat het zal gebleken zijn, dat zulks mede door den Kerkenraad der gemeente begeerd, of raadzaam geoordeeld wordt.

Art. 15. De voortduring van het Hulppredikerschap, langer dan voor den tijd, waarvoor hij oorspronkelijk was aangesteld, zal echter altijd afhankelijk zijn van het voortdurend bestaan der geldelijke toelagen.

Art. 16. De verbindtenis van den vasten of tijdelijken Hulpprediker aan de gemeente, waarin hij werkt, verhindert hem niet, gebruik te maken van de gelegenheid, om, gedurende dien tijd van eene vaste standplaats te worden voorzien.

Werkzaamheden der Hulppredikers en derzelver betrekking tot de kerk.

Art. 17. De Hulppredikers zijn ingevolge bij derzelver aanstelling in eene gemeente, onder approbatie van het Klassikaal Bestuur gemaakte bepalingen, geheel of gedeeltelijk belast met de waarneming van de Predikdienst, het catechetisch onderwijs, de Godsdienstige opleiding der schooljeugd en het herderlijk werk.

Art. 18. Het bewaren en in orde houden der kerkelijke boeken en papieren, kan hun, waar zulks raadzaam en doelmatig geacht wordt, door het Klassikaal Bestuur, schoon steeds onder deszelfs opzigt en verantwoordelijkheid, worden opgedragen.

Art. 19. Zij zijn, als zoodanig, geen leden van den Kerkenraad, noch mogen denzelven presideren, evenmin kunnen zij ledematen aannemen en bevestigen, blijvende dit een en ander aan den Predikant of aan den Consulent opgedragen.

Art. 20. Bij de kerkvisitatie wordt naar derzelver leer, wandel en bediening onderzoek gedaan, blijvende Kandidaat-hulppredikers overigens onderworpen aan de bepalingen omtrent kerkelijk opzigt en tucht jegens de Kandidaten, ingevolge het Reglement op de oefening van kerkelijk opzigt en tucht.

Art. 21. Kandidaat-hulppredikers kunnen geene leden zijn der algemeene weduwenbeurs, dan nadat zij gedurende twee jaren vaste Hulppredikers in eene bepaalde gemeente geweest zijn. In zoodanig geval zal de wijze van derzelver toelating door de Synode worden geregeld.

Algemeene bepalingen.

Art. 22. Bij ontstaande geschillen over de werkzaamheden der Hulppredikers in de gemeenten, zullen de Klassikale Besturen in den geest van dit Reglement beslissen, terwijl men zich verder zal kunnen beroepen op het Provinciaal Kerkbestuur.

Art. 23. De Provinciale Kerkbesturen zijn bevoegd, om ten

|87|

aanzien van de bepalingen in dit Reglement voorkomende, zulke schikkingen toe te staan, als met de plaatselijke belangen van deze of geene gemeente, door hetzelve meest overeenkomstig geoordeeld worden, mits niet strijdig met de bestaande kerkelijke Reglementen en verordeningen; zij zijn desniettemin gehouden, om van deze schikkingen aan de eerstvolgende vergadering der Algemeene Synode kennis te geven, en die aan derzelver goedkeuring te onderwerpen.

Art. 24. De Provinciale Kerkbesturen zijn insgelijks gehouden, jaarlijks  rapport van den staat van het Hulppredikerschap in hunne respective ressorten aan de Algemeene Synode, en een afschrift daarvan aan het Ministerie voor de Zaken der Hervormde Eeredienst in te zenden.

Art. 25. De bepalingen van dit Reglement zijn niet toepasselijk op zoodanige Hulppredikers, als in sommige grootere gemeenten tot de vervulling van Predikbeurten, reeds van ouds plegen gebruikt te worden.

Art. 26. De Algemeene Synode der Hervormde kerk behoudt aan zich, om in het vervolg dit Reglement, onder bekrachtiging des Konings, zoodanig te veranderen of te vermeerderen, als bevonden zal worden te behooren.

———

Hooyer, C. (1846) § 6.

§ 6.
Reglement op de Kerkvisitatie.

Inleiding. Reeds op de Wezelsche Kerkvergaderingen (1568), was er van het toezigt op de kerken gehandeld, en in het Hoofdstuk van de Discipline bepaald, dat men in de Klassikale bijeenkomsten naarstiglijk onderzoeken zou het leven van de Dienaren en Ouderlingen, elk in het bijzonder, en hoe ieder zich in zijne beroeping gedragen heeft (C. VIII. a. 13). Ook werd nuttig gekeurd, dat zulke vergaderingen niet altijd op dezelfde plaats gehouden werden, maar dikwijls van plaats veranderen, voornamelijk, opdat de vergadering te beter konde onderzoeken de gelegenheid van iedere kerk in het bijzonder, wat orde daar gehouden wordt in de leer, gebruik der ceremoniën en kerkelijke discipline; en of de Predikanten en Ouderlingen vrolijke en naarstiglijk elk hunne beroeping waarnemen (a. pl. a. 20). De Praeses was dan ook gewoon in dusdanige verzamelingen (minstens viermaal in het jaar te houden), na het gebed, een iegelijk bijzonder af te vragen: „Of ook in hare gemeente de gewoonlyke straffe onderhouden wordt? Ofse van eenige Ketteryen aangevochten worden? Ofse twyffelen aan eenig stuk der Leere? Of op den Armen en Scholen goede acht genomen wordt? Ofse tot de regeeringe harer kerke den raadt ofte hulpe der Broederen van doen hebben? en andere diergelyke dingen meer (S. v. Dordt. 1578, a. 29). Op de Middelburgsche Synode (1581), die zich in menig opzigt als bijzonder gestreng doet kennen, werd gevraagd: „Of het niet goed ware, beneffens de Classikale vergaderingen, ook eenige Jaerlyksche besoekingen der kerken aan te stellen, ofte Inspectores — te maken?” hetwelk toen echter onnodig werd gekeurd (Part. vr. 64). Maar de Synode van Dordrecht (1619) schiep Visitatores, die uit de oudste, ervarenste en geschikste Dienaars van de Klassis gekozen en geauthoriseerd werden, „om in alle kerken van de steden, zoowel als van het platte Land, alle jaren visitatie te doen, en toe te zien, of de Leeraars, Kerkenraden en Schoolmeesters haar ampt trouwelyk waarnemen, by de suyverheyd

|88|

der Leere verblyven, d’aangenomen ordre in alles onderhouden, en de stigtinge der gemeente, mitsgaders der jonge jeugt, na behooren, zoowel haar mogelijk is, met woorden en werken bevorderen, ten eynde sy die gene, die nalatig in d’een of d’ander bevonden worden, in tyds mogen broederlyk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwinge, en ’t meeste profyt der kerken en scholen helpen dirigeren. En sal yder Classis deze Visitatores mogen continueeren in haar bedienige, soo lange het haar sal goed denken, ten ware dat de Visitatores selve om redenen, van dewelke de Classis oordeelen sal, versogten ontslagen te werden” (a. 44 en Sess. 162, VI). Deze instelling der Kerkvisitatie, hoe nuttig zij ook ware, heeft niet overal eenen gereeden ingang gevonden, en in Gelderland was het eerst ten jare 1698, dat de Ordre of het Reglement op die visitatie tot stand kwam, terwijl er nog in het begin der achttiende eeuw eenige kerken waren, die de visitatiën niet wilden toelaten en daarover bij de Heeren Staten van Gelderland moest geklaagd worden (S. Prov. 1701, § 20, 1703, § 19).

De kerkinrigting van 1816 heeft deze instelling behouden. Aan de Synode werd opgedragen, om een Reglement op de kerkvisitatie te ontwerpen (Alg. Regl. op het Best. der H. kerk, a. 26), en dat ontworpen Reglement is na delibaratie in de vergadering van 18 Julij 1816 gearresteerd en bij Kon. Besl. van 30 Julij nº. 1, gesanctioneerd. Alras werden er veranderingen noodig geacht, en eerst vruchteloos (S. Hand. 1819, bl. 45. 65-74), maar daarna met meer gevolg voorgesteld, zoodat aan de Prov. Kerkbesturen, des verkiezende, de magt gelaten werd tot eene voegzame moderatie van het Reglement op de Kerkvisitatie, welke hierin zou bestaan: dat de Kerkvisitatie om het derde jaar geschiedde, terwijl men in de twee andere jaren zou kunnen volstaan, met zich uit ingewonnen bescheiden te verzekeren, dat er geene persoonlijke tegenwoordigheid der Kerkvisitatoren werd vereischt, — en dat aan de Visitatoren werd overgelaten, om zich te onthouden en onthouding toe te laten van zoodanige bijzonderheden, welke, of geheel te onpas zouden komen in de bezochte gemeenten of slechts uiterlijkheden betroffen, welke tot het wezen van het Reglement en het doel der Kerkvisitatie in geene regelregte betrekking staan (S. Hand. 1820, bl. 34, 36, 82-84). Deze zoogenaamde moderatie in de uitvoering werd door de Synode geacht alleen het visum van Zijne Excellentie te behoeven en is, bij diens afwezigheid, slechts door den Secretaris en Adviseur geteekend, ofschoon zij aanmerkelijke verandering daarstelde, die naar het slotartikel des Reglements onder goedkeuring des Konings had behooren te geschieden. Doordien de Prov. Kerkbesturen van de hun verleende magt van moderatie een verschillend gebruik maakten, ontstond er eene ongelijkmatigheid, welke de Dir. Gen. verzocht te doen ophouden, en eene Commissie van Revisie des Regl. op de Kerkvisitatie benoemde werd (S. Hand. 1821, bl. 49. 59-62). Het Concept-reglement, door die Commissie voorgedragen, werd door de Synode wel aangenomen (S. Hand. 1822, bl. 31-38 en 64-70), maar door den Koning niet gesanctioneerd. De reden dezer weigering lag in a. 12 van het gerevideerde Reglement, waar onderzoek gedaan werd naar de opvolging van verordeningen, betreffende de Eeredienst, door de Synode van 1817 uitgevaardigd, maar waarop de Koninklijke sanctie niet was gevraagd geworden. De Synode nam dus dat struikelblok der sanctie weg, en verklaarde bovendien hare handelwijs van 1817 in een eerbiedig adres, regtstreeks aan den Koning gerigt (S. Hand. 1823, bl. 59-60). Thans volgde de verlangde sanctie, en ontving de Synode kennisgeving door den Dir. Gen.: dat Z.M. de uitdrukking der gevoelens *) van de Synodale vergadering, in haar adres vervat, met welgevallen had aangenomen. Welke kennisgeving de Synode eene zeer belangrijke Dispositie noemde, en besloot, om dat gewigtig stuk woordelijk in het register van hare Handelingen te insereren (S. Hand. 1824, bl. 16).


*) Dit woord zal hier niet meeningen, maar gezindheden moeten beteekenen; gevoel in het meervoud.

|89|

Reglement
op de Kerkvisitatie.

Art. 1. Om het derde jaar wordt er eene persoonlijke visitatie gehouden, van alle kerken behoorende onder het ressort van de Synode der Hervormde kerk in het Koningrijk der Nederlanden.

Art. 2. Deze visitatie is aanbevolen aan de Klassikale Besturen, welke telkens twee leden uit derzelver midden daartoe verkiezen, en gehouden zullen zijn om te zorgen: vooreerst, dat elke gemeente in drie jaren ééns persoonlijk worde bezocht; ten tweede, dat Predikanten, in dezelve gemeente dienende, niet te gelijk als Visitatoren worden benoemd.

Art. 3. Deze Gecommitteerden worden benoemd in de vergadering van Januarij, en zijn verpligt hun werk af te doen vóór de vergadering van Mei, waarin zij zullen moeten verslag doen van hun verrigte en wedervaren. Ieder Klassikaal Bestuur zendt terstond deszelfs rapport, aangaande de gedane kerkvisitatie, aan den Secretaris van het Provinciaal Kerkbestuur; die gehouden zal zijn, uit de ingekomen rapporten een algemeen rapport te vervaardigen, hetwelk, onder zijne handteekening, veertien dagen vóór het houden der Algemeene Synode, aan den Secretaris der Synode, zal moeten toegezonden worden, ten einde door hem ter tafel der laatstgemelde vergadering te worden gebragt.

Art. 4. De Visitatoren geven tijdig genoeg, ten minste vóór den Zondag der week, waarin de kerkvisitatie zal geschieden, kennis aan de Kerkenraden, van den dag en het uur hunner komst.

Art. 5. De Kerkenraden zorgen, dat des Zondags vóór dat de kerkvisitatie zal geschieden, daarvan aan de gemeente kennis worde gegeven.


a. 1. Waar Groote Kerkenraden bestaan, zal de kerkvisitatie alleen geschieden voor de speciale gecommitteerden tot de Zaken der Nederduitsche kerken (S. res. 7 Julij 1818).
a. 3. Indien er omstandigheden bestaan, waardoor het Klassikaal Bestuur, gebruik makende van het regt bij a. 59 v.h. Alg. Regl. aan de Klass. Best. toegekend, de vergadering van Januarij uitstellen moet, dan kan in de vergadering van Maart de benoeming der Visitatoren worden gedaan; alles in dien verstande en met het effect, dat aan de bedoeling van a. 3 dezes Regl. naar behooren worde voldaan (S. Hand. 1824, bl. 48). — Voor het rapport aangaande de gedane Kerkvisitatie heeft het Klass. Best. eene Tabel, welke, behoorlijk ingevuld uit het verslag der Visitatoren, in de maand Mei aan den Secretaris van het Prov. Kerkbestuur gezonden wordt. Deze Secretaris van het Prov. Kerkbestuur heeft weder eene andere Tabel, uit die der Klass. Best. in te vullen, en veertien dagen vóór het houden der Synode aan den Secretaris der Synode op te zenden (Circulaire der Alg. Syn. Comm. aan de Klass. Best., betrekkelijk de kerkvisitatie, 25 Oct. 1830 en Syn. Disp. over de wijze, op welke het jaarlijksch algemeen verslag van de Kerkvisitatie aan de Synode zal worden gedaan, 22 Oct. 1832. Beide Tabellen zullen wij achter dit Regl. plaatsen.

|90|

Art. 6. Geen Predikant, Ouderling of Diaken, en in vacante gemeente, ook geen Consulent, mag afwezend zijn van de kerkvisitatie, zonder genoegzame redenen, die ter beoordeeling des Kerkenraads staan.

Art. 7. De reiskosten der Gecommitteerden zullen worden goedgemaakt uit de Klassikale kas, overeenkomstig het Reglement op de Klassikale kosten.

Art. 8. Op de standplaats van eenen der Visitatoren, laat deze het werk der visitatie geheel aan zijnen Mede-gecommitteerden over, terwijl hij zelf zich rangschikt onder den Kerkenraad.

Art. 9. De Kerkenraad, van het uur der visitatie volgens art. 4 verwittigd, zal zorgen, dat zij dadelijk na de aankomst der Visitatoren vergaderen kan.

Art. 10. Nadat de Kerkenraad geopend is, wordt hiervan berigt gegeven aan de Visitatoren, die daarop in de vergadering binnen komen en hunnen last openen.

Art. 11. De Praeses van den Kerkenraad geeft daarop het presidium over aan den Voorzitter der Visitatoren.
De andere Visitator neemt den post van Scriba waar.

Art. 12. De Praeses der Visitatoren zal:
a. Eerst onderzoek doen, of aan de gemeente kennis is gegeven van de kerkvisitatie.
b. Daarna overgaande tot het doel der kerkvisitatie, zal hij vragen:
1º. Ten opzigte der Predikanten:
A. Of zij onberispelijk zijn in leer en wandel?
B. Of zij op zon- en feestdagen al de gewone predikbeurten, ook die over den catechismus, waarnemen, en van tijd tot tijd belijdenis-predikatiën houden?
C. Of zij geregeld het H. Avondmaal bedienen, en die bediening laten voorafgaan door eene leerrede ter voorbereiding en opvolgen door eene nabetrachting?
D. Of zij geregelde catechisatiën houden, ter onderwijzing van ouden en jongen in de bijbelsche geschiedenis en in de geloofs- en zedeleer?
E. Of zij hun werk maken van het herderlijk bezoeken der gemeente, en bijzonder der kranken?
2º. Ten opzigte van de Ouderlingen:
A. Of zij zijn onberispelijk in belijdenis en wandel?
B. Of zij den Predikant of de Predikanten behulpzaam zijn in het houden van opzigt over de gemeente?
C. Of bij dezelve eene regelmatige aftreding plaats heeft?
3º. Ten opzigte van de Diakenen:
A. Of dezelve onberispelijk zijn in belijdenis en wandel?
B. Of zij oplettend zorgen voor de inzameling der liefdegaven en het beheer der fondsen?

|91|

C. Of zij jaarlijks behoorlijk rekening doen?
D. Of er geregelde aftreding bij dezelve plaats heeft?
4º. Ten aanzien van den staat van het Godsdienstig onderwijs in de gemeente:
A. Welke het getal is dergenen, die sedert de laatste kerkvisitatie tot lidmaten aangenomen zijn?
B. Welke het getal is dergenen (ouden en jongen, de schoolkinderen echter daaronder niet begrepen), die gedurende datzelfde tijdsbestek van het Godsdienstig onderwijs hebben gebruik gemaakt?
C. Wat, ingevolge de additionele artikelen van het Reglement op het Godsdienstig onderwijs, tot de Godsdienstige opleiding der Hervormde schooljeugd in de gemeente verrigt wordt?
(De vragen van 4º. zijn ampliatiën. Zie S. Hand. 1843. bl. 47, 48, en 127. Gesanct. bij Kon. Besl. v. 28 Nov. 1843, nº. 56).

Art. 13. Bij de visitatie zullen op de tafel moeten liggen de doop-, lidmaat-, en trouwboeken, alsmede het boek, waarin de handelingen des Kerkenraads worden aangeteekend, benevens de portefeuille ter bewaring van kerkelijke Reglementen en ingekomen stukken, het kerkelijke betreffende.


a. 12. De Kerkvisitatoren zullen in alle gemeenten afzonderlijk en opzettelijk onderzoek doen naar het houden van Catechisatiën, gedurende den zomer, en naar den uitslag, welke de pogingen der Predikanten ten deze hebben gehad. Ook zullen zij, bij afzonderlijk rapport, van een en ander doen blijken aan hun Klass. Best., hetwelk dit rapport zal doen toekomen aan het Prov. Kerkbest., voorzien van zoodanige aanmerkingen, als hetzelve ter zake dienstig zal keuren. Daarna zenden de Prov. Kerkbesturen deze rapporten, voorzien van hunne consideratiën, ten spoedigste bij de Synode in (Syn. Besl. v. 20 Julij 1830).
Insgelijks zullen de Klass. Best. zorgen, jaarlijks, bij gelegenheid der schriftelijke, zoowel als persoonlijke kerkvisitatie, in elke gemeente, behalve de gewone vragen, een afzonderlijk en opzettelijk onderzoek te doen aangaande de overgangen van de Herv. kerk tot de Roomsche of omgekeerd: hun getal met de oorzaken, middelen en wijze van overgang, en zullen de Klass. Best. hiervan, gelijktijdig met het berigt der kerkvisitatie, doch bij afzonderlijk rapport, verslag doen aan de Prov. Kerkbest., om door deze op dezelfde wijs, als de rapporten op de zomercatechisatiën, des noodig met hunne consideratiën, aan de Synode te worden opgezonden (S. Hand. 1841. bl. 53, 54, 92). De Synode heeft noodig geacht de Kerkelijke Besturen aan te schrijven, „dat zoodanige voorschriften, als en voor de Kerkenraden in het gemeen, en voor de Predikanten, Ouderlingen en Diakenen in het bijzonder, uit kracht van vroegere algemeene kerkelijke wetten zijn aangenomen en vastgesteld als regelen van werk en dienst, ofschoon dezelve in het Reglement op de Kerkvisitatie niet bepaaldelijk worden uitgedrukt, gerekend moeten worden derzelver verbindende kracht te behouden; en zulks overeenkomstig met, en op grond van a. 10 van het Alg. Regl. op het Best. d. Herv. kerk in het Kon. d. Ned., hetwelk als eene Grondwet der Ned. Herv. kerk moet worden beschouwd” (15 Julij 1824).
a. 13. „De Alg. Syn. d. Ned. Herv. kerk, in ervaring gekomen zijnde, dat niet alle Kerkenraden met dezelfde zorg en naauwkeurigheid bedacht zijn op het wel bewaren hunner Archieven, inzonderheid op de Acte-boeken en andere stukken van vroegeren tijd, welker aanwezen dikwijls voor de geschiedenis van het uiterste ➝

|92|

Art. 14. Visitatoren zijn gehouden dezelve in te zien en zich te overtuigen van derzelver goede orde en naauwkeurigheid.

Art. 15. De praeses zal vervolgens laten onderzoeken of er ook leden der gemeente opgekomen zijn, die iets aan de Visitatoren hebben voor te dragen, en dezelve hooren.

Art. 16. Bij het hooren van ingekomen klagten, en in allen gevalle, zullen Visitatoren steeds zorgvuldig onder het oog houden, dat zij alleen door broederlijke toespraak en raadgeving, de ontstane zwarigheden of geschillen moeten trachten te vereffenen, en alles wat hiertoe niet vatbaar is, overlaten aan de beoordeeling van het Klassikaal Bestuur.

Art. 17. Na de verrigting van hun werk, nemen Visitatoren hun afscheid van de vergadering, waarna het presidie door den gewonen voorzitter weder opgevat, en van de visitatie behoorlijke aanteekening gedaan wordt in het actenboek.

Art. 18. De visitatoren maken uit hunne aanteekeningen hun rapport op, om te dienen gelijk bij art. 3 bepaald is. Zij vervaardigen een afzonderlijk verslag wegens hetgeen in art. 12, sub. nº. 4, nopens den staat van het Godsdienstig onderwijs in de gemeente is voorgeschreven, om door middel van de Klassikale en Provinciale Kerkbesturen aan de Synode te worden toegezonden, op dezelfde wijs als zulks in art. 3 en 4 van het Syn. Besl. van den 20 Julij 1830 ten aanzien van het rapport wegens de zomercatechisatiën bepaald is. (Zie de S. Hand. aangehaald bij art. 12, nº. 4).

Art. 19. Kopij van het rapport van wege de Provinciale Kerkbesturen, voor de Synode vervaardigd, wordt gezonden door den Secretaris van ieder Kerkbestuur aan het Ministeriëel Departement voor de zaken der Hervormde kerk.

Art. 20. Bij de Waalsche kerken zal het kerkelijk onderzoek steeds schriftelijk geschieden, en het rapport des aangaande van wege de Commissie tot derzelver huishoudelijke zaken, op gelijke wijze als bij art. 3 en 19 voor de Nederduitsche gemeenten bepaald is, aan de Synode en het Departement voor de Zaken der Hervormde kerk worden toegezonden.

Art. 21. Wanneer en waar de kerkvisitatie niet geschiedt door


➝ belang is, heeft besloten de Klass. Besturen aan te schrijven, gelijk geschiedt bij deze, om te zorgen, dat bij elken Kerkenraad zal behooren te worden geformeerd, een index van al de stukken, in het Archief voorhanden, en dat de Kerkvisitatoren zich van het aanwezen van dezen index, mitsgaders van de ongeschondenheid van het Archief, telkens bij gelegenheid der persoonlijke kerkvisitatie zullen behooren te verzekeren om deswegens rapport te doen” (15 Julij 1842).
a. 16. Indien in eene gemeente iets zeer berispelijks gevonden wordt, vooral wanneer zulks bij herhaling het geval is, zullen de namen dier berispelijke personen en gemeenten aan de Synode bekend worden gemaakt; evenwel niet in het rapport zelve, maar in eene confidentiële bijlage (Syn. Disp. 10 Julij 1829).

|93|

afgevaardigden, geschiedt dezelve jaarlijks schriftelijk, en zal de schriftelijke beantwoording der vragen, moeten geteekend zijn door al de leden des Kerkenraads, in gemeenten van éénen Predikant; en in andere, behalve door de Praeses en Scriba, door eene commissie van acht leden.

Art. 22. Van den uitslag van dit schriftelijk onderzoek, wordt, op gelijke wijze als in art. 3 en 19 bepaald is, door de Kerkelijke Besturen rapport aan de Synode, en kopij van hetzelve aan het Ministeriëel Departement voor de Zaken der Hervormde kerk gezonden.

Art. 23. Bijaldien aan het Klassikaal Bestuur, in het jaar, waarin bij eene of andere gemeente geene visitatie bij personele commissie zoude geschieden, redenen voorkomen, om welke hetzelve noodig oordeelt, door eene commissie te doen onderzoeken naar den toestand van zoodanig eene gemeente onder deszelfs ressort, of naar het gedrag der leeraren of Kerkenraads-leden, zal hetzelve bevoegd zijn twee leden uit deszelfs midden tot zoodanig onderzoek te committeren.

Art. 24 . Deze commissie zal worden gedefroijeerd, gelijk de leden der Klassikale Besturen, ingeval van losmaking van de Klassis, gedefroijeerd worden.

Art. 25. Dit defroijement zal betaald worden door de algemeene Klassikale kas, nadat de noodzakelijkheid der benoeming van de voorgemelde commissie door het Provinciaal Kerkbestuur zal zijn geattesteerd.

Art. 26. Van zoodanige bijzondere visitatie moet schriftelijk rapport worden gedaan, op de eerstkomende vergadering aan het Klassikaal Bestuur, en kopij van hetzelve worden ingezonden bij het Provinciaal Kerkbestuur.

Art. 27. De Engelsche kerken zullen gevisiteerd worden als de Nederduitsche.

Art. 28. De Algemeene Synode reserveert aan zich het regt, om dit Reglement in het vervolg, onder goedkeuring van Zijne Majesteit den Koning, zoodanig te veranderen of te vermeerderen, als bevonden zal worden te behooren.

Goedgekeurd bij Koninklijk besluit van den 8 October 1823, nº. 17.


a. 21. Aanschr. d. Syn. Comm. 22 Oct. 1832. „Zullen de Prov. Kerkbest. de Klass. Best., onder hun ressort behoorende, aanschrijven, dat de thans gebruikt wordende tabellen voor de kerkvisitatie, of zoodanige als dezelve zullen komen te vervangen, ook zullen dienen voor — en van wege elk Klass. Best., toegezonden worden aan — Kerkenraden, bij welke de kerkvisitatie schriftelijk geschiedt; met last van de Klass. Best., om, bij de toezending tot laatstvermeld gebruik, de vragen van den 2den en 16den kolom door te halen.”

———

|94|

Tabellen.

|95|

Hooyer, C. (1846) § 7.

|96|

§ 7.
Reglement op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde kerk.

Inleiding. De Nederlandsche Hervormde kerk heeft van den beginne af groote zorg voor de Godsdienstige opleiding der jeugd getoond. Eene duidelijke proef geeft ons reeds de Wezelsche Kerkvergadering van het jaar 1568 in het III. Capittel a. 3 en 4. „Elke gemeynte behoude ook in hare vryheyd de tyd van catechiseren, na tyds en voorvallen der saken gelegentheyt: de wyse dus lange in ’t gebruyk sal nog onderhouden worden: en men sal met alle sorgvuldigheyt, de kinderen na hare jaren niet alleen laten opseggen, en van buyten leeren de syllaben en woorden des catechismi; maar ook leeren verstaan de sake selfs: en niet alleen in hare memoriën, maar in ’t binnenste van hare herten indrukken. Daarom sal men niet alleen de jeugt de woorden afvragen; maar ook ondervragen over de materie selfs, klaar en ten volle uytgeleydt van den catechist: en voor alle dingen sal van noode zyn in het uytleggen des catechismi, op het gemeynsaamste met haar te handelen, en het ondersoek te rigten na het begryp der kinderen. Men sal ook ernstelyk aanhouden by de ouders der catechumenen, en de Schoolmeesters, om haar t’huys, en in de schole neerstelyk te onderwysen: op dat sy ’t gene in de kerke geleert is, van selfs leeren erkauwen, en met bequame schriftuurplaatsen bevestigen. — In ’t bysonder sullen sy de jeugt gewennen tot sedigheit in de kerke en vergaderingen. En voorwaar alle die voor Ledematen willen gehouden worden in de Gemeynte, sullen soo haast de jaren der kinderen sulks toelaten, haar laten catechiseren, om van der jeugt aan in de ware Leer en Godtsaligheyt opgebragt te worden: die sulks weygereen te doen, sullen sonder twyffel de kerkelyke censure onderworpen zyn.”

Zoo werden de kinderen in huis, in de school en in de kerk onderwezen en de heilige waarheid in het binnenste hunner harten gedrukt, terwijl de ouders, die weigerden, dat hunne kinderen alzoo in de ware leer der Godzaligheid opgebragt werden, zondere twijfel censurabel waren. Het onderwijs-boek, in de Nederduitsche scholen en kerken gebruikt, was de Heidelbergsche Catechismus, die door Datheen uit het Hoogduitsch vertaald, in 1563 te Embden uitgegeven en achter zijne Psalmberijming (1566) geplaatst, spoedig den Embdenschen catechismus niet alleen verdrong, maar ook door de Kerkvergaderingen van Wezel, Embden, Dordrecht enz. werd goedgekeurd en gewettigd. Doch het stond den Dienaren ook vrij, om sommigen in het bijzonder het kort onderzoek te laten leeren (Prov. Syn. v. Dordt. 1574. a. 2). Dit was een leerboekje in de Nederlandsche Hervormde gemeente te Londen ingevoerd, en droeg den titel: Eene corte ondersoeckinghe des ghelooves over den ghenen, die haer tot de gemeynte begheven ende des Heeren avontmaal mit haer houden willen. Welk uitmuntend boekje, ook achter de Psalmberijming geplaatst (Nat. Syn. v. Dordt. 1578, a. 40. en zie Ypeij en Dermout Gesch. d. Ned. Herv. kerk. D. I. aanteek. 418), grooten bijval vond, en wel strookte met het Zwingliaansche Formulier om het heylige nachtmael te houden, maar in de Kerkvergadering van Dordrecht (1618 en 1619) plaats ruimen moest voor het meer Kalvinistisch „Kort Begrip der Christelicke Religie voor die haer willen begeven tot des Heeren heylig Avontmael.” Dit kort begrip door Herman Faukelius in 1617 in het licht gegeven en in 1637 onder de openbare kerkschriften, tusschen de Nederlandsche Geloofsbelijdenis en de Liturgie der Hervormde kerken van Nederland geplaatst, beviel daarom in het gebruik aan vele Leeraars, wijl het met de orde van zaken des Heidelbergschen catechismus overeenkwam. Het onderwijs uit den catechismus in de openbare Godsdienstoefening geschiedde alzoo, dat de kinderen van buiten geleerde antwoorden opzegden en de Leeraar die antwoorden daarna op de eenvoudigste wijze verklaarde, ook tot nut der meer bejaarde hoorders. Zulk behandelen van den Catechismus moest elken Zondag namiddag geschieden (S. v. Dordt. 1619. a. 68), en dat nooit verzuimd „alhoewel daar nog soo weynig Toehoorders waren, ook selfs in den oogst” (Geldersche Prov. S. 1656 § 53. 1657 § 35. 1658 § 33). In de school moesten evenzeer de kinderen uit den catechismus geleerd worden en hadden de Kerkenraden in last, om alom toe te zien, dat er goede Schoolmeesters waren, die de jeugd niet alleen leerden lezen,

|97|

schrijven enz., maar ook in de Godzaligheid en in den Catechismus onderwezen (S. v. Dordt. 1619, a. 21); terwijl de Visitatores der kerken in elke gemeente onderzochten, of de Schoolmeesters het geheele jaar door school hielden, daar het eenigsins geschieden kon, en alleen stigtelijke boeken gebruikten (Ordre of Reglement waarna alle kerken, onder de respective Classen der Christelyke Synodus van Gelderlant ressorterende, sig sullen hebben te reguleren, sooveel een ieder mogelyk is, dat gepractiseert kan worden, volgens de resolutie van de welgemelte Synodus genomen Aº. 1698 in Augusto).

Deze band echter, die de scholen en Schoolonderwijzers aan Kerkenraden en Klassen verbond, werd bij de omwenteling van 1795 geheel verbroken. De Schoolmeesters behoefden geen Godgeleerd onderzoek meer te ondergaan, zoo als in sommige Provinciën plaats vond, noch formulieren van eenigheid te onderteekenen, volgens het voorschrift der Nationale Synode van 1618 en 1619. Zij waren ook niet meer gehouden aan leerboeken van de Kerk goedgekeurd, en mogten noch den Catechismus leeren, noch eenig leerstellig onderwijs meer op hunne scholen geven (Instructie voor den Agent der Nat. opvoeding enz. 18 Oct. 1798, a. 6. Publicatie 15 Junij 1801, a.4, benevens het Reglement van orde voor de openbare scholen enz., welks 2de art. bepaalt, dat op twee dagen der week telkens slechts éénmaal school zal gehouden worden, ten einde den leerlingen gelegenheid te geven, om, buiten den gewonen schooltijd, onderwijs in de leerstellingen van hun Kerkgenootschap te ontvangen. — „Nopens dit leerstellig onderwijs zullen maatregelen genomen worden, opdat de jeugd er geenszins van verstoken blijve, maar het zal door geen Schoolmeester geschieden.” Aldus bepaalt a. 23 der wet voor het lager schoolwezen enz. 3 April 1806, welke wet als grondslag der Nederlandsche Schoolinrigtingen behouden bleef, volgens Besl. v.d. Souv. Vorst 30 Maart 1814. nº. 2). Zoo was het dan aan de Leeraars der Godsdienst overgelaten, om in het onderwijs der leerstellig Godsdienst te voorzien, en bleek het spoedig, dat zij daartoe niet vruchteloos waren uitgenoodigd bij Circulaire van den Secretaris van Staat (30 Mei 1806). Later werd besloten, dat alle Schoolonderwijzers aan de respective Kerkenraden om het half jaar wel ingevulde lijsten verstrekken zouden van de scholieren, die tot zoodanig Kerkgenootschap behooren, van welks kant de aanvraag geschiedt, en voorts zorg te dragen, dat gemelde scholieren een naarstig gebruik van de catechisatiën maken, voor hen aangelegd. Terwijl ook de Regenten van wees-, arm- en Godshuizen, als ook de Schoolopzieners en plaatselijke Schoolcommissiën op de krachtdadigste wijs zullen bevorderlijk zijn in het voldoen aan de bedoelingen des Gouvernements met opzigt tot het leerstellig onderwijs der schooljeugd (Extract uit het Verbaal van het verhandelde bij den Min. v. Binnenlandsche Zaken van Z.M. den Koning v. Holland, 25 Sept. 1806, nº. 8).

Bij de nieuwe kerkinrigting van 1816 werd der Synode aanstonds opgedragen om doelmatige schikkingen te maken ter bevordering, regeling en verbetering van het Godsdienstig onderwijs (Alg. Regl. voor het Best. d. Herv. kerk, a. 25), en heeft zij een Reglement op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde kerk gearresteerd, hetwelk, na verandering van a. 15, door den Koning is gesanctioneerd (30 Julij 1816, nº. 1).

In dit Regl. is alle ruimte gelaten voor de keus der Godsd. leerboeken, mits uit den schoot der Herv. kerk oorspronkelijk of kerkelijk goedgekeurd (a. 5). Maar, gelijk onder den vorigen kerkvorm bij het vermenigvuldigen der onderwijsboekjes was geschied (Ypeij en Dermout a. pl. II. bl. 280-283), zoo werden er ook nu pogingen aangewend, om door de Synode één of eenige leerboeken ten algemeenen gebruike te doen aanwijzen. Dit echter achtte zij met regt niet uitvoerlijk of heilzaam, maar strijdig met de beginselen van het Protestantismus. Wel werd het wenschelijk geoordeeld, dat de ringsvergaderingen er zich op toelegden, om meer eenparigheid in de keus der leerboeken te verkrijgen, en heeft de Synode, zonder iets bepaalds te noemen en voor te schrijven of af te schaffen en te verbieden, die catechiseerboeken in het algemeen aangeprezen, welke niet alleen de geloofsleer, maar ook de zedenleer van het Evangelie opzettelijk behandelden: de waarheden van de geloofsleer meest van hare vertroostende en heiligende zijde voordragen, en de bijbelsche geschiedenis als eene opleiding tot de vereering van Gods Opperbestuur over de wereld en enkele menschen aanwenden (S. Hand. 1817, bl. 12, 44-50).

|98|

Was in dit Regl. verzuimd, om aan alle Predikanten het wekelijks catechiseren gedurende het gansche jaar voor te schrijven, zoo werd de Synode daar weldra opmerkzaam op gemaakt (S. Hand. 1828, bl. 21, 55 en 56), en is bij onderzoek gebleken, dat in niet minder dan 671 gemeenten het Godsdienstig onderwijs twee derde gedeelten des jaars stilstond en alleen in de wintermaanden geschiedde; waarom besloten werd, om het wekelijks catechiseren gedurende het gansche jaar als stellige verpligting voor te schrijven; — daaromtrent jaarlijks bij elke Kerkvisitatie afzonderlijk onderzoek en rapport te doen, — den Kandidaten bij hunne admissie dien zelfden pligt uitdrukkelijk te herinneren, en den beroepsbrief in dien geest mede te veranderen (S. Hand. 1830, bl. 69-79 en 112-118).

Ook is in dit Regl. aan het Godsdienstig onderwijs der krijgslieden niet gedacht, maar heeft de Synode later voorgeschreven, om dat onderwijs met de meeste zorg te behartigen, en de gelegenheid daartoe niet slechts open te stellen, maar door bezoek en toespraak in de caserne het gebruik maken der catechisatiën bij de militairen te bevorderen (S. Hand. 1817, bl. 84 en 1842, bl. 165). Wel was er in dit Regl., a. 33, aan het Godsdienstig onderwijs in de Koloniën van den Staat en op ’s Lands schepen gedacht en vastgesteld, dat, zoodra door het Gouvernement bepalingen daaromtrent zouden zijn bekend gemaakt, ook dit Regl., naar gelang der omstandigheden, moest worden toegepast op de vorming en het examen van de tot dat einde bestemde Onderwijzers. Doch eerst na acht en twintig jaren heeft de Synode deze zaak tot onderzoek aan de Commissie voor de Zaken der Indische kerken opgedragen (S. Hand. 1844, bl. 302).

Hebben wij van de wet op het lager schoolwezen, 3 Apr. 1806, als grondslag onzer tegenwoordige school-inrigting gewaagd, moeten wij nog melding maken van het Koninklijk Besl. 2 Jan. 1842, houdende nadere bepalingen ten aanzien van het lager onderwijs. Daar a. 9 van dit Besl. bepaalt, „dat de bijzondere scholen, die bij uitsluiting behooren tot eenig Godshuis, van welke gezindte ook, behalve door de kinderen tot zoodanig gesticht behoorende, ook kunnen bezocht worden door kinderen, wier ouders door het Diakonie- of Armbestuur dier gezindte worden gealimenteerd.” Zoo heeft de Alg. Syn. Commissie, op last der Synode, de respective gemeenten hierop opmerkzaam gemaakt, ten einde aan de scholen in de Godshuizen onzer Kerk zoodanige uitbreiding te geven, dat ook de kinderen der bedeelden daarin kunnen worden onderwezen, of anderzins zoodanige andere plaatselijke maatregelen te nemen, waardoor de Godsd. opleiding onzer armen-kinderen, en hunne bewaring voor de zuivere belijdenis der Kerk krachtdadiglijk worde bevorderd (19 Oct. 1843). Ook heeft a. 11 van gem. Kon. Besl. eenige additionele artikelen op dit Regl. van Godsd. onderwijs uitgelokt. Art. 11 luidt als volgt:

„Terwijl het aan de Onderwijzers bij de lagere scholen en bij de Rijks-kweekscholen voor onderwijzers ten strengste verboden blijft, om in dezelve onderwijs te geven in het leerstellige van eenig Kerkgenootschap, of eenige uitlegging te geven of uitdrukking te bezigen, waardoor aan eene of andere gezindheid aanstoot zou kunnen worden gegeven, zal voortaan, ter bevordering van zoodanig leerstellig Godsdienstig onderwijs door daartoe bevoegde personen, afzonderlijk en uitsluitend aan de kinderen, tot de respective Kerkelijke Genootschappen behoorende, dagelijks, te beginnen met het jaar 1842, de lokalen der openbare scholen gedurende één uur beschikbaar gesteld moeten worden, en zal men de bepaling van het daartoe te bestemmen uur, en van het gebruik daarvan, beurtelings, ten behoeve van iedere kerkelijke gezindte, regelen, door tusschenkomst der Schoolopzieners of der leden van de Plaatselijke Schoolcommissie, onder welke de scholen respectivelijk ressorteren, na opzettelijk overleg met de Geestelijken der verschillende kerkelijke gezindheden in de stad of gemeente.”

Ten opzigte van dit art. heeft Z.M. den Minister van Staat, belast met de Gen. Directie voor de Zaken der Herv. Kerk, opgedragen, om langs zoodanigen weg, als door Z. Exc. het meest gepast zal geoordeeld worden, de Leeraars der verschillende gezindheden opmerkzaam te maken op het hoogbelang, hetwelk de Regering er in stelt, bij de handhaving van het beginsel om alle leerstellig onderwijs van de lagere scholen te weren, er met des te meer ijver worde gezorgd, dat het bedoelde onderwijs, buiten den schooltijd, met ruimte en grondig onderwezen worde, en om verder de Leeraars aan te sporen, om ook van hunne

|99|

zijde tot dat doel mede te werken, niet alleen door te volharden in de pogingen, te dien einde tot hiertoe aangewend, maar ook, om met verdubbelden ijver gebruik te maken van iedere gelegenheid, die zich kan aanbieden, om hoe langer zoo meer de schoolkinderen in dat leerstellig onderwijs te doen deelen, en het, zoo mogelijk, daarheen te leiden, dat weldra geene dier kinderen meer van dat voorregt verstoken zij (15 Jan. 1842, nº. 60). De Synode, met dit schrijven des Konings bekend gemaakt, heeft, ten einde te verhoeden, dat aan het Godsd. onderwijs der schooljeugd schade geschiede, en te zorgen dat het de noodige uitbreiding erlange, eenige additionele artikelen aan dit Regl. op het Godsd. onderw. toegevoegd (S. Hand. 1842, bl. 54, 55, 59 en 1843, bl. 47-49 en 127). Welke add. art. wij aan het einde van dit Regl. zullen plaatsen. Te weinig bekend met den loop der zaak van het Godsd. onderwijs, bleef bij vele Kerkelijke Besturen onzekerheid nopens den zin en de bedoeling der additionele artikelen bestaan. Maar de Synode besloot, om op den ingeslagen weg voort te gaan en aan de aangenomen beginselen nog meer uitbreiding te geven. Een uitgebreid en gewigtig voorstel, daaromtrent gedaan, vond bijval, maar bleef in advies en zal in de vergadering van 1846 bepaaldelijk behandeld worden (S. Hand. 1844, bl. 31, 225-242, 302. 1845, bl. 118).

———

Reglement
op het Godsdienstig onderwijs in de Nederlandsche Hervormde kerk.

I. Hoofdstuk.
Over het Godsdienstig onderwijs in het Algemeen.

Art. 1. Door Godsdienstig onderwijs wordt verstaan het onderrigt van eerstbeginnenden en meergevorderden in de bijbelsche geschiedenis, en in de christelijke geloofs- en zedeleer; bijzonder van de genen, die tot het lidmaatschap der Hervormde kerk verlangen toegelaten te worden; zoo door de Leeraren, als onder hun opzigt, door andere daartoe geschikte en bevoegde personen.

Art. 2. Dat onderrigt behoort trapsgewijze voort te gaan, en geschikt te zijn naar de vatbaarheid der onderscheidene leerlingen.

Art. 3. Met meergevorderden behoort, zoo veel mogelijk, dit onderwijs zoo in het openbaar als afzonderlijk te geschieden, en wordt den Leeraren, ook in de openbare cathechisatiën, de ijverige toeleg tot uitbreiding van kennis der bijbelsche geschiedenissen, even zeer als die der leer ernstig aanbevolen.

Art. 4. Bij het afnemen der belijdenis zal niemand als lidmaat worden toegelaten, bijaldien hij volstrekte onkunde in de bijbelsche geschiedenis mogt laten blijken.

Art. 5. Tot handleiding bij dit onderwijs, zal men zich alleen bedienen van leerboeken uit den schoot der Hervormde kerk oorspronkelijk, of met hare goedkeuring voorzien.

Art. 6. In alle gevallen zullen de ondergeschikte Onderwijzers

|100|

zich van geene andere leerboeken mogen bedienen, dan die goed gekeurd worden door hen, aan wien het opzigt over het Godsdienstig onderwijs is opgedragen.

Art. 7. In allen opzigte zullen dezelve zich gedragen naar de regelen, bij dit Reglement bepaald.

Art. 8. Bij het onderwijs zal ook een kort overzigt van den oorsprong, de uitbreiding en hervorming der Christelijke kerk, naar de vatbaarheid der leerlingen, worden medegedeeld.

II. Hoofdstuk.
Over de Godsdienstige onderwijzers en derzelver vereischten.

Art. 9. Daar het Godsdienstig onderwijs een van de eerste en voornaamste pligten is der Herders en Leeraars, zijn dezelve gehouden, op de vermeerdering van hunne gemeenten met kundige en waardige leden zich met alle zorg toe te leggen; en alles aan te wenden, dat, het zij door henzelven, het zij door anderen, onder den titel van Catechizeermeesters en Catechizeermeesteressen, het noodige onderwijs, op bekwamen leeftijd, of naar gelang van ieders toestand en ouderdom worde medegedeeld.

Art. 10. Ook Kandidaten en geordende Leeraars buiten vaste bediening kunnen dit werk, mits onder het gewone toezigt, mede verrigten.

Art. 11. Uit deze onderwijzers, het zij Kandidaten en geordende Leeraars buiten vaste bediening, het zij Catechizeermeesters, worden in de gemeenten, waar zulk eene bediening in gebruik is, de meest geschikten tot Krankbezoekers verkozen, met in acht neming van de jaren, kunde, menschenkennis, bescheidenheid en godvruchtigen wandel, en na behoorlijk onderzoek.

Art. 12. Op plaatsen, waar openbare catechisatiën voor de gemeente gehouden worden, zullen de Catechizeermeesters of Catechizeermeesteressen, en zij bijzonder, die door hunne plaatsing in scholen of godshuizen, en door de daar aan verbondene bezoldiging, boven anderen bevoorregt zijn, verpligt wezen, van de Leeraren daartoe gevraagd zijnde, tot stichting der gemeente hunne gaven te besteden.

Art. 13. In de Hervormde kerk, zullen buiten de Leeraren geene andere Godsdienstige Onderwijzers erkend zijn, dan de genen die in art. 9 en 10 genoemd zijn.


a. 11. De Synode heeft bepaald, dat zoo min a. 11 als een der overige art. van dit Regl., bepaaldelijk a. 9, 17, 18, 19 en 22, een afzonderlijk onderzoek tot den post van Krankbezoeker bij eenig Klass. Bestuur vordert; terwijl het uit den aard der zaak volgt, gelijk zulks mede de bedoeling van dit a. 11 is, dat elke Kerkenraad vrij en onverlet is, om zich van de geschiktheid en bekwaamheid dergenen, die zich voor den post van Krankbezoeker aanmelden, op zulke wijs, als dezelve het meest voegzaam en doelmatig acht, te overtuigen (S. Hand. 1837, bl. 100).

|101|

Art. 14. Ook de zoogenaamde oefeningen zullen niet mogen gehouden worden, dan door de bevorens gemelde personen, en alleenlijk in de gemeente, tot welke zij behooren, na daar en boven de uitdrukkelijke toestemming van den Leeraar of de Leeraren dier gemeente daartoe bekomen te hebben.

Art. 15. De overtreding van het bovenstaande artikel en de wanorde daaruit ontstaande is, naar bevind van zaken, aan kerkelijke correctie of censure onderworpen; en zal, des noods, aan het burgerlijk Bestuur worden te kennen gegeven.

Art. 16. Het getal der Krankbezoekers, Catechizeermeesters en Catechizeermeesteressen zal in elke gemeente bepaald worden, door hen, aan wien het toezigt over het Godsdienstig onderwijs is opgedragen naar de volstrekte behoefte der gemeente.

Art. 17. In deze Onderwijzers en Onderwijzeressen wordt gevorderd, dat zij sedert twee jaren lidmaten der Hervormde kerk zijn, en zich onbesproken en voorbeeldig hebben gedragen; als ook dat zij zich tot het geven van Godsdienstig onderwijs, gedurende ten minsten twee jaren, opzettelijk geoefend en voorbereid hebben, onder het opzigt en de leiding van een of anderen Leeraar hunner gemeente; en zullen degenen, die tot de genoemde opleiding worden toegelagen, niet boven de dertig jaren oud mogen zijn.

Art. 18. Niemand zal tot dezen post bevoegd zijn, dan na het ondergaan van een behoorlijk examen.

Art. 19. In dit examen zullen zij, behalve genoegzame kennis van de gewijde geschiedenis, den inhoud der Bijbelboeken, de christelijke geloofs- en zedeleer en de hoofdzakelijke geschiedenis van het Christendom, ook de gaven der onderwijzing, benevens eenige kennis van de gronden der hollandsche taal moeten aan den dag leggen.

Art. 20. Zij zullen tot het examen niet mogen toegelaten worden, ten zij zij in tegenwoordigheid van een Leeraar of Leeraren, omtrent kinderen en meer bejaarden, voldoende proeven van hunne geschiktheid, tot het mededeelen van onderwijs gegeven hebben; waarvan zij, zoo wel als van hun tweejarig lidmaatschap, en tweejarige oefening, voor hunne admissie tot het examen, schriftelijk getuigenis zullen overleggen.

Art. 21. Dit examen zal, na behoorlijke aangifte tot hetzelve in eene voorgaande vergadering, kosteloos geschieden, bij het Klassikaal Bestuur, waaronder de gemeente tot welke de voornoemde personen behooren, ressorteert, en twee volle uren moeten duren, zoo veel de Waalsche kerken betreft, worden de schikkingen over dat examen overgelaten aan de Commissie, aan welke de zaken dier kerken zijn aanbevolen.

Art. 22. Niemand zal eene akte, tot het geven van Godsdienstig

|102|

onderwijs, kunnen bekomen, dan die door het Klassikaal Moderamen, ten minste met twee derden der stemmen, is goedgekeurd, en na deze verklaring te hebben onderteekend.
„Wij Ondergeteekenden, bij het Klassikaal Bestuur ……, geëxamineerd en toegelaten tot het geven van Godsdienstig onderwijs, verklaren in goeden gemoede, de leer, welke overeenkomstig Gods heilig Woord, vervat is, in de formulieren van eenigheid der Nederlandsche Hervormde kerk, hartelijk te omhelzen, belovende dezelve bij ons onderwijs, getrouwelijk te zullen leeren, en ons overeenkomstig het Reglement op het Godsdienstig onderwijs, in alles stiptelijk te zullen gedragen; ons onderwerpende aan het oordeel van het Klassikaal Bestuur, indien daar tegen ons door mogt gehandeld worden.”

Art. 23. Na het onderteekenen van deze verklaring en belofte, stelt het Klassikaal Bestuur aan den geëxamineerden de volgende acte van admissie ter hand.
„Het Klassikaal Bestuur van ……, geëxamineerd hebbende N.N., geboortig van ……, oud … jaren, wonende te ……, verklaart denzelven (dezelve), bevoegd, om te staan naar den post van Catechizeermeester (Catechizeermeesteresse) en, na verkiezing tot denzelven post door den Kerkenraad eener gemeente, geregtigd, om in die gemeente Godsdienstig onderwijs te geven, overeenkomstig het Reglement op hetzelve.”

Art. 24. Op het vertoonen dezer acte van admissie zijn dezelve, ingeval van vacature, door den Kerkenraad verkiesbaar.

Art. 25. Deze acte van admissie zal door elk ander Klassikaal Bestuur, waaraan dezelve vertoond wordt, geldig gekeurd worden om verkiesbaar te zijn onder deszelfs ressort. — Allen, die dus verre door de Kerkenraden tot het geven van Godsdienstig onderwijs zijn toegelaten, zullen worden opgeroepen om te ontvangen, zonder examen, eene acte, tot voortzetting van het Godsdienstig onderwijs, onder verbintenis en onderteekening als in art. 22 bepaald is; bij verplaatsing nogtans zullen zij verpligt zijn, zich aan het examen te onderwerpen van het Klassikaal Bestuur, waaronder hunne nieuwe woonplaats behoort.

III. Hoofdstuk.
Over het Godsdienstig onderwijs in Scholen, Godshuizen, openbare Gestichten en aan de Armen.

Art. 26. In alle lagere scholen, die uit publieke of gemeente fondsen gesticht zijn en onderhouden worden — In alle godshuizen, verbeterhuizen en gevangenhuizen, waar zulken gevonden

|103|

worden, die tot de Hervormde kerk behooren, zal Godsdienstig onderwijs gegeven worden.

Art. 27. Dit Godsdienstig onderwijs zal gegeven worden, het zij door de Leeraars, het zij door Catechizeermeesters onder derzelver opzigt.

Art. 28. Wanneer dit Godsdienstig onderwijs op tijden van gewone godsdienstoefening gehouden wordt, zal hetzelve alleen toegankelijk zijn voor degenen, die bij hetzelve worden onderwezen; met uitzondering dergenen, die tot zulke scholen en gestichten betrekking hebben

Art. 29. Wat de genoemde gestichten aangaat, wordt het onderwijs in de gebouwen zelve gegeven; alle protestanten daarin verpleegd wordende, worden daarbij toegelaten, maar geene personen van andere gezindheden hebben tot hetzelve toegang, dan op hun uitdrukkelijk verzoek en met bijzonder verlof van de Onderwijzers. Wat de scholen betreft, zal het onderwijs plaats hebben, het zij in het locaal der school, het zij in eene kerk of op eenige andere plaats, naar dat de omstandigheden zulks aanraden.

Art. 30. Op eene school, waar slechts weinige kinderen zijn van hervormde ouders, zullen deze, met die van eene bijgelegene tot eene catechisatie kunnen worden zamengevoegd.

Art. 31. De keuze uit de Catechizeermeesters, tot Onderwijzers in de onderscheidene scholen en gestichten, is overgelaten aan derzelver Bestuurders of Regenten, met overleg van hen, aan wien het toezigt over het Godsdienstig onderwijs is opgedragen.

Art. 32. Degenen, aan wie de zorg is toevertrouwd over het Godsdienstig onderwijs, zullen zoo veel mogelijk, zorg dragen, dat aan behoeftige personen, om niets onderwijs in de Godsdienst worde gegeven.

Art. 33. Zoodra door het Gouvernement bepalingen zullen zijn gemaakt, ten aanzien van het Godsdienstig onderwijs, zoo in de Koloniën van den Staat als op ’s Lands Schepen, zal dit Reglement, naar gelang der omstandigheden, ook worden toegepast op de vorming en het examen van de tot dat einde bestemde Onderwijzers.


a. 26. Die in verbeter- en gevangenhuizen Godsd. onderwijs geven, zullen weldoen zich bekend te maken met de Instructie wegens de Godsdienstoefening in de groote Strafgevangenissen en in de burgerlijke en militaire huizen van verzekering 11 October 1826, I.a. C. Zij kunnen er uit leeren, wat zij voor zich en voor hun leerlingen van de Kommandanten en Concierges of van de Commissiën van Administratie en Kollegiën van Regenten mogen verlangen. Genoemde Instructie is te vinden in G. v.d. Tuuk, Handboek voor Herv. Predikanten enz., Derde Stuk, bl. 273.

|104|

IV. Hoofdstuk.
Over het toezigt op het Godsdienstig onderwijs.

Art. 34. Het zal eene der voorname werkzaamheden van de Predikanten in hunne Ringsvergaderingen zijn, elkanderen op den toestand van het Godsdienstig onderwijs oplettend te maken, daaromtrent mededeelingen te doen en zamen te beraadslagen, om dat belangrijk vak van hunne dienst op de beste wijze te bevorderen.

Art. 35. De Leeraars van de Godsdienst zullen aan degenen, die zich tot het geven van Godsdienstig onderwijs wenschen bekwaam te maken, de noodige hulp en opleiding verleenen; in groote gemeenten wordt dit werk aan één of meer Leeraren opgedragen, die daartoe door den Kerkenraad zullen worden uitgenoodigd.

Art. 36. In elke gemeente, in welke ook door Catechizeermeesters en Catechizeermeesteressen onderwijs gegeven wordt, zal eene commissie bestaan, waaraan het toezigt daarover is opgedragen.

Art. 37. De Kerkenraad benoemt deze commissie jaarlijks uit haar midden, en doet dezelve bestaan uit een gelijk getal Predikanten en dienstdoende Ouderlingen.

Art. 38. Eenmaal in elke maand houdt deze commissie, op een’ bepaalden tijd, hare gewone vergadering.

Art. 39. De werkzaamheden der genoemde commissie zin de navolgende:
1º. Dezelve draagt eene naauwkeurige zorg, dat het Godsdienstig onderwijs, waar het volgens dit Reglement gevorderd wordt, nergens ontbreke, en maakt met de Regenten van de openbare gestichten, in Hoofdstuk III vermeld, en met de onderscheidene Bestuurders der scholen, omtrent den tijd, de plaats, de uitwendige orde bij het onderwijs, en billijke belooning van hetzelve, het noodige overleg.
2º. Dezelve ontvangt en beoordeelt de verzoeken van hen, die tot de lessen der Leeraren, aan welke de opleiding van toekomstige Catechizeermeesters is opgedragen, verlangen toegelaten te worden.
3º. Dezelve beijvert zich, om bij de plaatselijke commissiën tot instandhouding van de Eeredienst, of wien het anderzins mogt aangaan, eene behoorlijke bezoldiging te verkrijgen voor diegenen der Catechizeermeesters, welke belast zijn met het onderwijs bij art. 26 en 32. bepaald.
4º. Zij heeft het regt om vast te stellen den prijs, tot welken, voor ieder, de catechisatiën der Catechizeermeesters en Catechizeermeesteressen, aan hunne huizen toegankelijk zullen zijn; waarbij de plaatselijke omstandigheden van iedere gemeente, in aanmerking zullen genomen worden.

|105|

5º. Zij onderzoekt, of degenen, die tot het genieten van kosteloos onderwijs door haar gerechtigd zijn verklaard, en als zoodanig op eene lijst bij haar zijn aangeteekend, hetzelve behoorlijk ontvangen en gebruiken.
6º. Zij bezoekt de inrigtingen van Godsdienstig onderwijs, volgens art. 36, aan hare zorg aanbevolen, tweemaal des jaars opzettelijk; terwijl nogtans elk van hare leden, tot deze inrigtingen, altijd den toegang heeft.
7º. Zij geeft schriftelijk getuigenis (zie art. 17 en 20), om te dienen bij het Klassikaal Bestuur.
8º. Zij biedt de behulpzame hand aan verdienstelijke Krankbezoekers, Catechizeermeesters en Catechizeermeesteressen, die door ouderdom of ziekte tot de waarneming van hun werk onbekwaam geworden zijn, ter verkrijging van een billijk en geëvenredigd pensioen, uit de kas der gemeente.

Art. 40. Voor de commissie sisteren zich:
1º. De Krankbezoekers, met de lijst der kranken, door hen bezocht, met bijvoeging van het getal bezoeken bij dezelve afgelegd.
2º. De Catechizeermeesters en Catechizeermeesteressen, met eene lijst, waarop het getal hunner discipelen, als ook derzelver naarstigheid of verzuim staat aangeteekend.
3º. De personen, welke tot het ontvangen van kosteloos onderwijs begeeren toegelaten te worden.

Art. 41. De commissie houdt van alles behoorlijke aanteekening, en doet jaarlijks aan de Kerkenraden ordelijk verslag van den staat der Godsdienstige onderwijzing.

Art. 42. Het afnemen van belijdenis is aan de Leeraars aanbevolen, die daarbij door één of meer Ouderlingen zullen verzeld worden.


a. 42. In de Syn. Verg. van 1824 was de volgende aanschrijving voorgedragen: „De Alg. Syn. d. Herv. Kerk verlangt, dat de Predikanten hun, die op belijdenis des geloofs wenschen aangenomen te worden tot lidmaten, zoo het noodig is, ernstig afvragen, of zij reeds gedoopt zijn, en tevens hen onderrigten, dat zij in geen geval als lidmaten onzer Kerk kunnen beschouwd worden, zoolang dit niet geschied is. De Predikanten hebben het regt, om, zoo er aan eene of andere zijde onzekerheid blijft bestaan omtrent den al of niet verrigten doop, zich dienaangaande door doelmatige middelen nader te verzekeren.” De Synode heeft echte deze aanschrijving min noodzakelijk gekeurd, vertrouwende, dat elk nadenkend Leeraar bij het aannemen van personen tot lidmaten der gemeente, vooral der zulken, die hem te voren geheel en al onbekend zijn geweest, hierop behoorlijk acht geeft (S. Hand. 1824. bl. 55-57).
Tegen de gemengde huwelijken moet ook gewaarschuwd worden. Syn. Circ. v. 17 Julij 1824, nº. 22:
„De Algemeene Synode der Nederduitsche Hervormde kerk acht zich verplicht, al de Leeraren dier Kerk, met den meesten ernst, opmerkzaam te maken op eene zaak, welker bedenkelijke gevolgen, onder den Goddelijken zegen, inzonderheid ook door de omzigtige wijsheid en werkzamen ijver der bedienaren van de Protestantsche Godsdienst, kunnen afgewend of verminderd worden. ➝

|106|

Art. 43. De bevestiging der ledematen zal van nu aan overal in het openbaar moeten geschieden, dezelve zal daarin bestaan,


➝ Het is namelijk ter onzer zekere kennis gekomen, dat, bij de meermaals plaats hebbende huwelijks-verbindtenissen tusschen Protestanten en Roomschgezinden, de Pauselijke stoel doorgaans weigert, vergunning of dispensatie te verleenen tot dergelijke kerkelijke bevestiging, indien niet de Protestant vooraf plegtig toestemt en belooft, dat alle kinderen, uit die verbindtenis voortspruitende, uitsluitend in de Roomsche kerkleer zullen worden opgevoed; en dat dit aan de Roomsche Geestelijken, vooral in die oorden van ons Vaderland, waar hunne geloofsgenooten de meerderheid der bevolking uitmaken, maar al te gunstige gelegenheid geeft, om onze Kerk op velerlei wijze te benadeelen en te ondermijnen. Wij vertrouwen nu, dat onze geliefde medebroeders in de heilige bediening met ons gevoelen, en bij gepaste gelegenheden met wijze behoedzaamheid verklaren zullen, dat Protestanten, welke zulke of dergelijke beloften doen, zich zelve zeer vergeten, en zich hunne schoone godsdienst geheel onwaardig betoonen; — maar dat zij het evenwel met ons op dezen oogenblik onraadzaam achten, het afleggen dier beloften, van onze zijde, door middelen van bestraffende kerkelijke tucht tegen te gaan, daar de aanwendiging dier middelen ligtelijk eene schadelijke verbittering zoude te weeg brengen. Maar insgelijks zullen zich onze medebroeders met ons overtuigd houden, dat waarschuwingen en vermaningen, welke dan eerst gedaan worden, wanneer de huwelijks-keuze reeds gevestigd is, dikwijls te laat zullen gehoord worden, om haar heilzaam doel te bereiken. Wij wenschen dus hartelijk, dat de leeraren reeds vroegtijdig zich mogen beijveren, om hunne jeugdige leerlingen te wapenen tegen die onverschilligheid en te genezen van die onkunde, welke, helaas! bij velen onzer geloofsgenooten plaats heeft. Daartoe zal het nuttig zijn, hen, zoodra hunne vatbaarheid dit toelaat, op de voortreffelijkheid hunner belijdenis opmerkzaam te maken; hun van die dwalingen, welke den hoofdinhoud der Evangelieleer verduisteren, afkeer, getemperd door Christelijke liefde jegens, en medelijden met de dwalenden, in te boezemen; en tevens hen te overtuigen, dat, hoewel onwillekeurige dwaling niemand van de hope der zaligheid uitsluit, evenwel moedwillige verzaking der waarheid ons, voor ons geweten en voor den Oppersten Regter, ten hoogste strafbaar maakt. Voorts zullen onze geachte medebroeders, ook zonder onze bijzondere aanwijzing, gevoelen, welk eene schoone en bovenal geschikte gelegenheid hun, door hunner kweekelingen aanneming tot lidmaten en openlijke bevestiging aangeboden wordt, om aan dezelve de gemelde leeringen en vermaningen en tevens de dure verpligtingen, die op Protestantsche Christenen rusten, met plegtigen ernst, maar tevens in den geest der Christelijke zachtmoedigheid, op het hart te drukken.
Het spreekt van zelf, dat de gemeenteleden, welke reeds aan Roomschgezinde echtgenooten verbonden zijn, meer nog dan andere, de trouwhartige zorg en het herderlijk opzigt van hunnen Leeraar behoeven, en door hen met Christelijke behoedzaamheid behooren opgewekt te worden, om aan de eenmaal afgelegde belijdenis getrouw te blijven. Doch wij moeten het geheel aan zijne, met voorzigtigheid gepaarde getrouwheid, en kennis der verschillende omstandigheden overlaten te beoordeelen, in hoe verre hij pogingen aanwenden kan, om voor te komen, dat de kinderen, uit een gemengd huwelijk gesproten, zelfs boven en tegen aangegane verbindtenissen, in de Roomsche kerkleer door de ouders worden opgevoed, of daartoe aan anderen ter opvoeding toevertrouwd.
De Synode deze aanschrijving, met last van verdere mededeeling, aan de verschillende Prov. Kerkbesturen toezendende, werd tot derzelver uitvaardiging genoopt, niet door eenigen twijfel aan de wijsheid of den ijver der Leeraren, maar door diep gevoel van het moeijelijke der taak, welke de tegenwoordige omstandigheden der Kerk aan niet weinigen harer Ambtsbroeders opleggen, en door den vurigen wensch, om hen, zoo veel mogelijk, met haren broederlijken raad en voorlichting te dienen. ➝

|107|

dat de Predikant of een der Predikanten, in tegenwoordigheid der gemeente, van den predikstoel de navolgende vragen aan de aangenomenen voorstelt.
1º. Of zij van harte gelooven de leer, die zij hebben beleden.
2º. Of zij ook voorgenomen hebben bij deze leer, door Gods genade, te blijven, de zonden te verzaken en een christelijk leven te leiden.
3º. Of zij zich onderwerpen aan het kerkelijk opzigt, en ingeval zij zich mogten misgaan aan de kerkelijke tucht.
Waarop de bevestiging zelve plegtiglijk en met gepaste aanspraken geschiedt.

Art. 44. De Christelijke Synode reserveert aan zich het regt, om in het vervolg dit Reglement, onder goedkeuring van Zijne Majesteit den Koning, zoodanig te veranderen of te vermeerderen, als bevonden zal worden te behooren.


➝ Zij besluit deze aanschrijving met de bede, dat God ons allen moge vervullen met den geest der wijsheid, getrouwheid en kloekmoedigheid, opdat wij, door Zijne hulp, de aan onze zorg vertrouwde kudde mogen staande houden in de reine leer van haren eenigen Opperherder Jezus Christus!
a. 43. Er is gevraagd: of de aanneming van lidmaten gerekend moet worden plaats te hebben, wanneer zij belijdenis van hun geloof afleggen, of wanneer zij bij de openbare Godsdienstoefening als lidmaten worden bevestigd? De Synode heeft geantwoord: „dat de aanneming van lidmaten eerst plaats heeft bij de bevestiging. Deze bevestiging, welke in den regel openlijk moet geschieden, kan, om bijzondere reden, ook door eene Commissie uit den Kerkenraad binnens kamers plaats hebben (S. Hand. 1844, bl. 135, 242, 302).

———

Additionele Artikelen.

Art. 1. Aan de Kerkenraden wordt de verpligting opgelegd, om, boven en behalve hetgeen, volgens de bestaande kerkelijke Reglementen, door middel der gewone catechisatiën geschiedt, te zorgen voor de Godsdienstige opleiding der Hervormde schooljeugd.

Art. 2. Daartoe wordt bepaald, dat aan de schoolkinderen der Hervormden, in den loop van elke week, bij herhaling Godsdienstig onderwijs, naar derzelver ontluikende vatbaarheid, hetzij in het schoollokaal, hetzij elders, zal gegeven worden.

Art. 3. In gemeenten van éénen Predikant, zal dat onderwijs aan de schooljeugd eerst en voornamelijk gegeven worden door den Predikant der plaats, of althans onder zijn onmiddellijk toezigt. In het laatste geval zal zulks geschieden door eenen kundigen en geschikten Schoolonderwijzer van de Hervormde belijdenis, of eenig ander lid der gemeente, daartoe opzettelijk door den

|108|

Predikant opgeleid en gekozen, des noodig en zoo mogelijk, tegen billijke schadeloosstelling uit den boezem der gemeente.

Art. 4. In gemeenten van meer dan éénen Predikant, zullen de Kerkenraden zorg dragen, dat in het voornoemde Godsdienstig onderwijs der Hervormde schooljeugd worde voorzien, hetzij door de Predikanten, hetzij door Catechizeermeesters, of op andere geschikte wijze, overeenkomstig de kerkelijke Reglementen.

Art. 5. De respective Kerkenraden van alle gemeenten zullen zorgen, dat het Godsdienstig onderwijs der kinderen die de school verlaten, verder geregeld worde voortgezet, hetzij door bijzonder onderwijs des Leeraars of der Leeraren, hetzij door andere desbevoegden, in daartoe aangelegde catechisatiën, Zondags-scholen of andere daartoe geschikte inrigtingen.

Art. 6. Deze maatregelen zullen voortaan, ook bepaaldelijk moeten worden dienstbaar gemaakt, om het algemeen en tijdig afleggen der geloofsbelijdenis te bevorderen, en in het bijzonder, om, zoo veel mogelijk te zorgen, dat elk, die tot het Hervormd Kerkgenootschap behoort, althans vóór het aanvaarden van de verpligte krijgsdienst, als ook van den dienstbaren of eenigen anderen vasten levensstand, mits alsdan tot rijpen leeftijd gekomen zijnde, als lidmaat worde aangenomen. (Gesanct. bij Kon. Besl. v. 28 Nov. 1843, nº. 56).

———

Hooyer, C. (1846) § 8.

§ 8.
Algemeen Reglement op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden bij de Hervormde Gemeenten in het Koningrijk der Nederlanden.

Inleiding. De Kerkenraden kunnen even oud als onze Hervormde Kerk genoemd worden. Reeds op de geheime Synode van Antwerpen (1566), waar de geloofsbelijdenis werd aangenomen, zijn zij erkend en hunne werkzaamheden omschreven (a. 30). Alle volgende kerkordeningen hebben dien Raet der Kercke gewettigd en zijn onafhankelijk bestaan, zooveel mogelijk, gehandhaafd. Bij onzen tegenwoordigen kerkvorm is hij ook behouden heeft de Consulerende Commissie aanstonds, naar a. 85 des Alg. Regl. voor het Bestuur der Herv. Kerk, een Concept-Reglement op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden vervaardigd. De Commissaris Gen. oordeelde echter, dat het hoogst moeijelijk, ja ondoenlijk was, om voor als nog een definitief Regl. op de Kerkenraden vast te stellen van wege de groote omzigtigheid, welke in zaken van bijzonder en huishoudelijk belang der gemeenten behoort in acht genomen te worden, en de nog ontbrekende volledige kennis van alle lokale inrigtingen, behoeften en omstandigheden, maar ook van wege de verschillende belangrijke onderwerpen, wier gedeeltelijke regeling van het Gouvernement afhangt, en het gebrek aan volledigheid, dat een Regl. op de Kerkenraden noodwendig zou moeten hebben, bijaldien al de bijzondere Reglementen op de Kerk. Tucht, het Godsd. Onderwijs en de onderscheidene deelen van de Eeredienst niet waren vastgesteld. Om al deze redenen stelde de Commissaris Gen. liever eenige provisionele verordeningen op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden voor. De Synode van de bedenkingen van gewigt, maar evenwel de provisionele verordeningen niet verkieselijk, vooral omdat zij de vaststelling van een definitief Regl. zouden vertragen, en keurde enkele algemeene bepalingen beter, die bijzonder moesten strekken, om Kerkenraden te doen benoemen in gemeenten, waar zij nog niet bestonden (S.

|109|

Hand. 1816, bl. 37-40 en 65-69). Eene Commissie, benoemd tot het verzamelen van bouwstof voor een Regl. op de Kerkenraden (S. Hand. 1822, bl. 107, 108), haar rapport uitgebragt (S. Hand. 1823, bl. 38-45 en 54-57, 59), en een Concept-Reglement geleverd hebbende, is dit na deliberatie gearresteerd en ter sanctie aangeboden (S. Hand. 1824, bl. 17, 28-37); maar niet, dan na wijzigingen en geheele weglating van a. 16, het toezigt en medebestuur der Kerkenraden over de gemeente-fondsen behelzende (S. Hand. 1825, bl. 27, 28), Koninklijk goedgekeurd.

———

Algemeen Reglement
op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden bij de Hervormde Gemeenten in het Koningrijk der Nederlanden.

Eerste Afdeeling.
Van de zamenstelling des Kerkenraads.

Art. 1. De Kerkenraad bestaat uit Opzieners der gemeente, zijnde Predikanten en Ouderlingen, behoudens de betrekkingen van Diakenen tot den Kerkenraad, als in de volgende artikelen van dit Reglement, of in de huishoudelijke Reglementen zullen bepaald worden.

Art. 2. De Diakenen of Armverzorgers der gemeente staan met den Kerkenraad in het naauwste verband; zij handelen in hunne bijzondere administratie communicatief met den Kerkenraad, en nemen deel aan de handelingen van denzelven, zoo verre het eene en andere wederkeerig in eenig huishoudelijk Reglement zal bepaald worden.

Art. 3. De Diakenen staan, zoo wel als de Predikanten en Ouderlingen, onder het onmiddelijk opzigt en de beoordeeling der Klassikale Besturen.

Art. 4. In de bepaling van het getal der Ouderlingen en Diakenen zal, zoo veel mogelijk, gelet worden op de grootheid der gemeenten, op den aard der combinatiën en op het getal der Predikanten.


a. 1. Oorspronkelijk waren de Diakenen met de Herders en Opzieners tot den Raad der Kerk gerekened (Ned. Geloofsb. a. 30. Kerkorde v. Embden 1571, a. 6). Van af de Dordtsche Synode v. 1574 is dit veranderd, en besloten „dat de Dienaars en Ouderlingen op zich zelven en de Diakenen op zich zelven zullen zamenkomen. Doch in plaatsen, waar weinig Ouderlingen zijn, zullen de Diakenen een deel des Kerkenraads mogen wezen, en, in den Kerkenraad geroepen zijnde, zullen gehouden wezen te komen (a. 4. Zie verder Kerkorde v. Dordt, 1578, a. 15; v. Middelb. 1581, a. 28, 29, en v. Dordt, 1619, a. 37, 38). Bij beroepingen van Predikanten werden zij meestal in den Kerkenraad geroepen, om in dat werk te deelen.

|110|

Art. 5. De benoeming van Ouderlingen en Diakenen geschiedt door den Kerkenraad, benevens de Diakenen.
In gemeenten, bij welke tot nu toe, door mansledematen, gewezene Kerkenraadsleden of anderen, invloed op de benoeming van Ouderlingen en Diakenen werd uitgeoefend, zullen de meer huishoudelijke Reglementen bepalen of en zoo ja, welken invloed dezelve aldaar, daarop zullen blijven uitoefenen.
In allen gevalle worden de benoemden behoorlijk aan de gemeente voorgedragen, ten einde aan ieder lidmaat gelegenheid te geven, om zijne bezwaren tegen den benoemden te kunnen inbrengen.


a. 5. De Consistoriën of Kerkenraden zijn steeds aangemerkt als de gemeenten vertegenwoordigende. Wij zien dit duidelijk uitgedrukt in ons Formulier van de bevestiginge der Ouderlingen en Diakenen, hetwelk reeds van zoo vroeg in gebruik is (S. v. ’s Hage, 1586, a. 4, 20, 22 en S. v. Dordt, 1619, a. 4, 22, 24 en See. 161). „Alzoo maken de Dienaren des woorts ende de Ouderlingen t’samen een collegie of gezelschap, zijnde als een Raet der Kercke, ende vertoonende de geheele gemeynte: — — — daervan zy verkoren zyn.” En ook nog wordt het altijd gezegd en als onwedersprekelijk vastgesteld: „de leden der plaatselijke Nederduitsche Gemeenten worden volledig vertegenwoordigd door derzelver Kerkenraden” en „Er is dus geen lid der Hervormde kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, dat niet, evenzeer als voorheen, vertegenwoordigd wordt” (Rapport op het voorstel van den Heer van Heusden over eene meer volledige vertegenwoordiging der Kerk, in S. Hand. 1829, bl. 83 en 84). Hoezeer onder het oude Kerkbestuur de Leeraars somwijlen, even als de Staatspartij doorgaans, op de medewerking der gemeente in de keus harer Opzieners zochten af te dingen, is dit regt in geene der vroegere Kerkordeningen aan de gemeenten betwist, maar telkens toegestaan of duidelijk voorgeschreven, dat de Kerkenraad in de verkiezing der Ouderlingen en Diakenen een dubbel getal der gemeente voorstellen zal, opdat zij de helft daaruit kieze (S. v. Dordt. 1574, a. 28).
Bij de nieuwe organisatie van ons tegenwoordig Kerkbestuur hechtte men eerst wel aan dat oude. Men kan dit zien uit de toelating van afgetredene Kerkenraadsleden en Diakenen bij de Predikants-beroeping volgens het eerste Regl. op de vacaturen enz. a .32. „In plaatsen, waar het gebruikelijk is, de afgetredene Kerkenraads-leden of de Diakenen daarbij te roepen, zal dit gebruik blijven bestaan, behoudens de nadere verordeningen, welke eventuëel ten dezen mogten gemaakt worden.” Maar in het gerevideerde Regl. werd dit weggelaten (a. 46). Zoo is in dit Alg. Regl. op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden ook gezegd (a. 5): „In gemeenten, bij welke tot nu toe, door mans-ledematen, gewezene Kerkenraadsleden of anderen, invloed op de benoeming van Ouderlingen en Diakenen werd uitgeoefend, zullen de meer huishoudelijke Reglementen bepalen of, en zoo ja, welken invloed dezelve aldaar, daarop zullen blijven uitoefenen.” Maar in die huishoudelijke Regl. worden allen (behalve de Ambachtsheeren in Zeeland) van de benoeming der Ouderlingen en Diakenen uitgesloten, die geene fungerende leden des Kerkenraads zijn, en alle andere wijze van benoeming heet afgeschaft. Dien overeenkomstig is dan ook een verzoek van Oud-ouderlingen en Diakenen, om de aanvulling van het aftredend deel des Kerkenraads aan een zeker getal van lidmaten op te dragen, gewezen van de hand (S. Hand. 1832, bl. 98 en 149-152). De Synode heeft aldus de Kerkenraden tot Kollegiën gemaakt, die zich zelven kiezen, en daarmede is het vertegenwoordigende dier Kollegiën grootendeels verloren gegaan. Wel bepaalt het slot van a. 5, dat de benoemden behoorlijk aan de gemeenten voorgedragen moeten worden, ten einde ieder lidmaat gelgenheid hebbe, om zijne bezwaren tegen de benoemden in te brengen. Maar, zonder dat men beschuldigingen ter wering kan bijbrengen of bewijzen, is het zeer wel mogelijk, ➝

|111|

Art. 6. De tijd der aftreding en de bevoegdheid der aftredende Ouderlingen en Diakenen om weder te worden benoemd, worden bij de huishoudelijke Reglementen geregeld.

Tweede Afdeeling.
Van de vereischten van Predikanten, Ouderlingen en Diakenen.

Art. 7. Predikanten moeten alle de vereischten bezitten, welke bij de onderscheidene kerkelijke Reglementen te dezen zijn bepaald.

Art. 8. Ouderlingen zullen de navolgende vereischten in zich moeten vereenigen; zij moeten zijn:
a. Ledematen der gemeente, niet beneden de dertig jaren oud, behalve in geval van hooge noodzakelijkheid;
b. Onberispelijk in belijdenis en zeden, bekende voorstanders van de openbare Godsdienst en geene tegenstrevers van de bestaande kerkelijke verordeningen.
c. Zoo veel mogelijk tot de aanzienlijkste leden der gemeente behoorende.

Art. 9. Diakenen behooren te zijn:
a. Meerderjarig naar de burgerlijke wet.
b. Onberispelijk in belijdenis en zeden, voorstanders van de openbare Godsdienst en geene tegenstrevers van de kerkelijke verordeningen.
c. Ledematen der gemeente; bij de gemeenten echter waar de Diakenen tevens algemeene Armverzorgers moeten zijn, zullen des noods en onder zoodanige bepalingen als bij eenig huishoudelijk Reglement zullen worden vastgesteld, ook zulken


➝ dat de benoemde geenszins de keus, niet slechts van eenigen, maar van het grootste deel der gemeente is, en in zoo vele opzigten van haar verschilt, dat hij evenmin kan gezegd worden de geheele gemeynte te vertoonen, als hij door haar verkoren is. Deze woorden moeten dan uit het Formulier van Bevestiging genomen en door de Leeraars bij die plegtigheid vermeden worden. — Hoe gaarne anders, kunnen wij dus niet toestemmen wat eene hooggeschatte hand over de inrigting onzes tegenwoordigen Kerkbestuurs schreef: „Het klimt uit al hare afzonderlijke deelen tot één middenpunt op; elke, ook de geringste, gemeente oefent op hetzelve haren invloed” (Kist, de Christelijke kerk op aarde enz., 2de uitg. D. I. bl. 313). Neen, waar de eerste schakel reeds niet houdt, hangt de geheele keten der vertegenwoordiging in de lucht, indien het ook al ware, dat de overige schakels wel in elkander grepen.
a. 6. Was het niet goed, dat Ouderlingen ook hunne Secundi hadden, gelijk de leden der overige Kerkelijke Besturen? Dan behoefde in gevallen, als a. 15 van het Regl. op de uitoefening van kerkelijk opzigt en tucht opgeeft, geene afgetredene Kerkenraadsleden of notabelen der gemeente in de Kerkenraads Vergadering geroepen te worden. — Ook mogten de laatst afgetreden’ Diakenen wel Secundi der dienstdoenden blijven, om aanstonds in te treden, als dezen, om langdurige krankheid of verwijdering uit de gemeente, hunne dienst verlaten.

|112|

als Diakenen kunnen dienen, die nog geene ledematen zijn, mits het blijke dat zij de Hervormde Godsdienst zijn toegedaan; doch zullen de zoodanigen aan de bijzondere werkzaamheden des Kerkenraads volstreks geen deel nemen.

Art. 10. De dwangmiddelen tegen hen, die mogten weigeren de benoeming tot Ouderling of Diaken te aanvaarden, worden, zoo verre dezelve niet bij andere, reeds bestaande Reglementen mogten zijn bepaald, aan de voorzigtigheid der Kerkenraden overgelaten.

Derde Afdeeling.
Van de werkzaamheden des Kerkenraads.

Art. 11. Aan den Kerkenraad behoort de zorg voor hetgeen de openbare Godsdienst, het Christelijk onderwijs en het opzigt over de leden van de gemeente betreft.

Art. 12. De Kerkenraad vergadert ten minste viermaal in elk jaar, om de voorkomende zaken af te doen.

Art. 13. Een Predikant in de vergadering tegenwoordig zijnde, zal Voorzitter zijn des Kerkenraads. Het getal en de tijd der gewone vergaderingen, de wijze op welke de vergaderingen geregeld, en de buitengewone vergaderingen belegd worden, zullen bij eenig huishoudelijk Reglement worden voorgeschreven.

Art. 14. De Kerkenraad houdt aanteekening van deszelfs handelingen, zorgt voor de bewaring en de behoorlijke registratie der archiven en van de inkomende stukken, mitsgaders voor de naauwkeurige aanteekening, in dubbele daartoe aangelegde boeken, van aankomende en vertrekkende ledematen, van de gedoopten en van de kerkelijk ingezegende huwelijken.

Art. 15. De Kerkenraad gedraagt zich in alles naar de voorschriften van de bestaande kerkelijke Reglementen en verordeningen, en draagt zorg, dat dezelve gevolgd en ter uitvoering worden gebragt.


a. 9. Onder den vorigen kerkvorm wenschte men vooral, dat de eerwaardige Raad der Kerk uit de aanzienlijksten en meest geachten der gemeente werd zaâmgesteld. Zoo was Jonkheer Boysot, Admiraal van Walcheren, in 1574 Ouderling van de Waalsche Gemeente te Middelburg; Witte Korneliszoon de Witte was Diaken en 1637 bij de Gemeente van Brielle, toen hij tot Vice-admiraal van Holland werd benoemd.
a. 15. Op dit art. volgde in het Concept-reglement een ander, dat aldus luidde:
„Art. 16. De Kerkenraad oefent toezigt en medebestuur uit over de Gemeente-fondsen en eigendommen, alsmede over de financiële belangen der gemeente, voor zoo ver zulks, naar bestaande Reglementen, aan denzelven toekomt.” (of gelijk eerst gesteld was: als bij de bestaande Reglementen te dien opzigte is bepaald geworden). (S. Hand. 1823. bl. 43 en 56). — In dit art. zien wij zekere poging der Synode ➝

|113|

Art. 16. Omtrent de plaats der vergadering van den Kerkenraad, de onvermijdelijke kosten van deszelfs vergaderingen, alsmede omtrent de Kosters of bedienden van den Kerkenraad en derzelver instructiën, zullen bij de huishoudelijke Reglementen de noodige bepalingen worden gemaakt.

Vierde Afdeeling.
Van de bijzondere pligten der Predikanten, Ouderlingen en Diakenen.

§ 1. Van de Predikanten.

Art. 17. De Predikanten schrijven telkens voor, wat de Voorlezer zal lezen en der gemeente voorzingen.

Art. 18. Zij mogen in de regeling der predikbeurten geene verandering maken, zonder wettig besluit van den Kerkenraad.

Art. 19. Zij zorgen op de beste wijze, zoo veel noodig, met voorkennis en advijs van den Kerkenraad, voor het herderlijk werk in de gemeente.

Art. 20. Zij moeten gezettelijk prediken over den catechismus, en de gewone voorbereidings- en nabetrachtings-leerredenen houden, vóór en na het Heilig Avondmaal.

Art. 21. Zij moeten catechisatiën houden voor ouden en jongen, die nog geene belijdenis gedaan hebben, zoo over de Bijbelsche geschiedenissen, als over de Christelijke geloofs- en zedeleer. Ook moeten zij zich bevlijtigen, om de alzoo onderwezenen tot ledematen aan te nemen.

Art. 22. Zij moeten gezet en behoorlijk huisbezoekingen doen, om de gemeente op te wekken tot het bijwonen van de openbare Godsdienst en de catechisatiën, alsmede tot de viering des Heiligen


➝ om het regt der Kerkenraden op het bestuur der gemeente-fondsen te handhaven en blijkt dus duidelijk, dat zij de slot-artikelen van het Alg. Regl. voor het Best. der Kerk anders zou gesteld hebben, indien dat Regl. van haar was uitgegaan. Maar wij bemerken tevens, dat de Synode, die zich dat Alg. Regl. voor het Bestuur der Kerk zoo gemakkelijk liet opleggen, ook thans dit 16de art. even gemakkelijk ontnemen laat. „De vergadering maakte geene zwarigheid, om naar aanleiding van de aanmerkingen der Commissie van den Staatsraad, a. 16 geheel weg te laten” (S. Hand. 1825, bl. 28). Zoo moest dit artikel, hetwelk toch weinig baatte om de reeds bestaande Regl. op de administratie der kerk. fondsen enz., maar evenwel het beginsel van regt des Kerkenraads op het toezigt en medebestuur over het eigendom der gemeente bevatte, vernietigd worden. En dat liet de Synode toe, die het regt der gemeente en alzoo ook van hare Opzieners en Bestuurders op het toezigt en medebestuur van de eigendommen der gemeente niet betwijfelen kon; die dan ook verpligt was geweest, om dat regt te handhaven tegen over een’ Staat, die van de Kerk gescheiden, zich het beheer van de wettige bezitting der Kerk niet aanmatigen mogt!

|114|

Avondmaals, en wat verder dienen kan, om de Godsdienstigheid en goede zeden te bevorderen.

Art. 23. Zij zijn verpligt, om, buiten wettige verhindering, geroepen zijnde, kranken te bezoeken, en die bezoeken, zoo veel noodig, te herhalen.

§ 2. Van de Ouderlingen.

Art. 24. De Ouderlingen moeten, zoo veel mogelijk, de openbare Godsdienst bijwonen.

Art. 25. Zij zijn verpligt, daartoe verzocht zijnde, de Predikanten bij te staan bij het herderlijk werk.

§ 3. Van de Diakenen.

Art. 26. De Diakenen zorgen voor de inzameling der aalmoezen, en voor de ondersteuning van de behoeftige leden der gemeente.

Art. 27. Zij behartigen hetgene tot vinding, uitbreiding of bevordering kan strekken van de fondsen en middelen tot onderhoud der behoeftigen.

Art. 28. Zij doen rekening en verantwoording van hunne administratie, op die wijze en op zoodanigen tijd, als bij eenig huishoudelijk Reglement bepaald wordt, of anders gebruikelijk mogte zijn.

Art. 29. Zij raadplegen met den Kerkenraad en handelen niet dan met deszelfs goedkeuring, in alle gevallen, welke eenigen aanmerkelijken invloed op de belangen hunner administratie kunnen hebben, en tevens van de plaatsgrijpende gewoonte mogten afwijken.

Art. 30. Zij handelen voorts gemeenschappelijk met den Kerkenraad in alle zoodanige gevallen, als bij eenig huishoudelijk Reglement zullen zijn voorgeschreven.

Art. 31. De bepalingen in dit Reglement voorkomende, omtrent der Diakenen beheer en verantwoording, worden verstaan, behoudens de reeds bestaande algemeene of plaatselijke verordeningen en die, welke in het vervolg van gouvernements-wege zullen worden daargesteld.

Vijfde Afdeeling.
Bijzondere bepalingen.

Art. 32. De Provinciale Kerkbesturen zullen werkzaam zijn, ten einde bijzondere huishoudelijke Reglementen voor de Kerkenraden


a. 31. Daar dit art. het Diakonie-bestuur geheel aan de Gouvernements-bepalingen onderwerpt, hetwelk met de beginselen van het, nog ongesanctioneerde Reglement op de Diakonie-administratie in strijd is, heeft de Synode besloten, dit art. benevens het daarmede overeenstemmende artikel der Prov. Huish. Regl. in te trekken en is Z.M. verzocht ook dit Besl. van intrekking te willen goedkeuren (S. Hand. 1844, bl. 163, 294 en 295).

|115|

onder hun ressort, of ook voor bijzondere gemeenten, tot stand mogen gebragt worden, welke echter niets zullen mogen bevatten, strijdig met de bepalingen van het algemeen Reglement.

Art. 33. Ten genoemden einde zullen de Provinciale Kerkbesturen eene grondschets van zoodanig huishoudelijk Reglement, ter fine van consideratiën aan de Klassikale Besturen en door dezelve, zoo veel noodig, aan de bijzondere Kerkenraden doen toekomen; en na zulks, die Reglementen ontwerpen, en derzelver invoering bij de gemeenten bevorderen.

Art. 34. De Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk behoudt aan zich het regt, om dit Reglement, onder goedkeuring van den Koning, zoodanig te veranderen en te vermeerderen, als zij in het vervolg zal vermeenen te behooren.

Goedgekeurd bij ’s Konings besluit van den 16 November 1825, nº. 177.

———

Hooyer, C. (1846) § 9.

§ 9.
Algemeen Reglement op de Diakonie-administratie bij de Nederlandsche Hervormde Kerk.

Inleiding. Van dat in onze Hervormde gemeenten de Dienaars des woords voor de vergaderingen optraden, is ook het ampt der Diaconen ingesteld. Toen er drie Predikanten in Amsterdam waren (1566), verhaalt Brandt, „wies de toeloop van ’t volk; ook vermeerderde ’t getal der armen: derhalven wierdt te deser tijdt, of wat vroeger, goedtgevonden, eenigen der broederen, volgens het voorbeeldt der eerste Apostolische kerke, tot Diaconen te stellen, om d’aelmoessen onder de preeke te vergaederen. Dit geschiedde te dier tijdt in houten schootelen *). Ook syn er ettelyke oude deughtsaeme susters tot Diakonessen gekooren. Veele braghten toen hun overvloedt van kleenoodiën en klederen den Diakonen; ofte maekten die tot geldt en stelden ’t hun ter handen. Dees’ droegen zich ook getrouwelijk in ’t uitreiken der giften; deelende, seggen de Gedenkschriften van Laurens Reael, den noodtdruftigen sonder onderscheidt van persoonen, ’t sy van wat religie dat die waeren.” (Hist. d. Ref. D. I. Tweede druk, bl. 379). Het ampt van Diakonissen door de Wezelsche Synode goedgeacht (cap. V, a. 10), is echter spoedig afgeschaft, en zoo er eenige dienst bij kranke vrouwen te doen was, moest dat door de huisvrouwen der Diakenen geschieden (S. v. Middelb. 1581, Part. vr. 56). Dat Diakenschap was tweeërlei, aalmoezen vergaderen en uitdeelen, en zieken, gekwetsten en gevangenen bezoeken, laven, vertroosten (S. v. Wezel 1568, cap. V. a. 5, 6). Waar zij alleen de administratie der aalmoezen hadden, moesten zij rekening en verantwoording voor den Kerkenraad doen. Maar als zij gemeenschap met de Heilige Geest- en andere armen-goederen oefenden, dan deden zij rekening voor degenen, die de Magistraat, benevens sommigen van den Kerkenraad, daartoe ordineerde. Altoos werd het der gemeente voorgedragen, opdat een iegelijk die verkoos, zich bij het doen der rekening voegen mogt (S. v. Dordt.


*) Van Gent leest men, dat in dit zelfde jaar 1566 „de Diakens omgingen met zakxkens in de Geusche predikatiën.” In de Waalsche kerken geschiedde, gelijk nog, de inzameling der aalmoezen bij het einde der Godsdienstoefening aan de deur. Ook werd deze laatste wijs van inzameling bij de Nederduitsche Gemeenten ook wel het aldergevoegelykste en bequaamste gekeurd, maar was dit zeer bezwaarlijk uit te voeren wegens het orgelspelen na de predikatie, waarom het volk, blijvende luisteren, de Kerk niet aanstonds na de preek verliet (S. v. Dordt. 1574, a. 49 en 50).

|116|

1574, a. 36). De Diakenen dienden meestal, gelijk de Ouderlingen, twee jaren, en elk jaar trad de helft af (S. v. Dordt. 1578, a. 13 en 1619, a. 27). Zij behoorden evenwel niet tot den Kerkenraad, ten zij het getal der Ouderlingen zeer klein was, als wanneer zij mede tot den Kerkenraad genomen werden (S. v. Dordt. 1619, a. 38). En, die wettig verkozen, weigerden de dienst aan te nemen, zonder wettige redenen te hebben of te geven, werd van de Tafel des Heeren een tijd lang gesuspendeerd (Syn. ordonnantiën enz. van Johannes Smetius. 2de druk, bl. 46).

Het was bij de nieuwe kerkinrigting niet anders te verwachten, dan dat de zorg voor de armen aan de Diakenen zou blijven aanbevolen (a. 89, v.h. Alg. Regl. voor het Best. d. Kerk). Maar omtrent de Diakonie-administratie bestond menige onzekerheid, door geene wetten duidelijk bepaald, en werden daardoor gedurige botsingen tusschen kerkelijken en burgerlijken veroorzaakt. Uit dien hoofde werd voorgesteld, om door de Syn. Comm. te doen onderzoeken, welke algemeene beginselen en bepalingen voor de Diakonie-administratie kerkelijk zouden kunnen worden vastgesteld (S. Hand. 1834, bl. 158-160). De Syn. Comm. oordeelde die zaak der Diakoniën van zoodanigen ingewikkelden aard en zoo onttrokken aan de bemoeijing der Kerkelijke Kollegiën, dat het voor als nog onmogelijk was algemeene beginselen en bepalingen daaromtrent vast te stellen. Maar ofschoon zij wenschte, dat de Synode aan het voorstel geen verder gevolg geven zou, bleef het haar opgedragen (S. Hand. 1835, bl. 49, 50, 96. 1836, b. 51. 1837, bl. 30-33, 101). Eindelijk liep alles uit op eene aanschrijving, dat de Klass. Besturen niet alleen geregtigd, maar ook verpligt waren, om op de Diakonie-administratie toezigt te houden (S. Hand. 1838, bl. 38 en 39). — Met gelukkiger gevolg werd het voorstel, om een Reglement voor de Diakoniën vast te stellen, door ds. van Senden en den Heer Luttenberg hernieuwd (S. Hand. 1841, bl. 117, 118. 1842, bl. 49), en ontving de Synode door hare Commissie van de voorstellers een ontwerp van Algemeen Reglement op de administratie der Diakoniën bij de Hervormde gemeenten, hetwelk, in handen gesteld van het Prov. Kerkbestuur van Utrecht, ten einde in overleg te treden met den Hoogleeraar Roijaards, die de eerste voorsteller van zoodanige algemeene bepalingen voor de Diakonie-administratie in 1834 was geweest (S. Hand. 1843, bl. 45, 46, 125, 126), werd omgewerkt, en alzoo kwam er een ontwerp van een Algemeen Reglement op de Diakonie-administratie in de Nederlandsche Hervormde kerk ter Synodale tafel met eene memorie van toelichting, die alle aandacht verdient (S. Hand. 1844, bl. 55, 36, 151-174). Onder de beginselen, waarvan dit Diakonie-Regl. uitgaat, zijn vooral merkenswaardig: dat de Diakenen Bestuurders zijn van Kerkelijke Gemeente-fondsen, zelfstandig werkzaam en niet ondergeschikt aan den Staat, schoon de besluiten omtrent de Diakoniën onderworpen blijven aan de sanctie van den Koning, — en dat de Diakoniën bij de zorg voor de armen alleen te rade gaan met de middelen, die zij hebben en dezelve besteden naar de kennis die zij dragen, niet alleen van de uitwendige omstandigheden, maar ook van het Godsdienstig en zedelijk leven der behoeftigen. Deze beginselen van onafhankelijk beheer en onverplichte onderstand zijn in strijd met vele bestaande verordeningen, waarom de Synode adviseert wordt, Z.M. bij gemotiveerd adres te verzoeken, om de Kon. Besl. v. 27 Nov. 1831, nº. 91 — 3 Julij 1832, nº. 75 — 14 Maart 1833, nº. 87 en andere verordeningen, die de wet van 28 Nov. 1818 op de Diakoniën hebben toegepast, in te trekken. Deze toch zijn het, die buiten de kerk om, de wet van 28 Nov. 1818 hebben toegepast op de Diakoniën, beschikkende over privaat-fondsen der gemeenten en dus over goederen en eigendommen der Kerk. Ook behoort de Synode in genoemd adres te verzoeken, om bij eventuële wetgeving op de armen-directie, a. 12 der wet v. 28 Nov. 1818 weg te laten. En eindelijk zou de Synode moeten besluiten tot intrekking van a. 31 van het Algemeen Reglement op de Kerkenraden, onder sanctie des Konings. Dat art. onderwerpt het Diakonie-bestuur geheel aan de Gouvernements-bepalingen, hetwelk met de genoemde beginselen in strijd is. Ten gevolge van dien zullen dan ook a. 37 (36 of 38) der huishoudelijke Kerkenraads-Reglementen vervallen.

Na deliberatie is dit Algemeen Reglement op de Diakonie-administratie bij de Nederlandsche Hervormde kerk aangenomen, en bij adres aan Z.M., behelzende

|117|

de openlegging der grondbeginselen, door de Synode erkend, het gearresteerde Reglement met intrekking van de opgenoemde artikelen te willen sanctioneren (S. Hand. 1844, bl. 292-295 en 298-302). Deze sanctie bleef echter verschoven in afwachting eener nieuwe wet op het armwezen (S. Hand. 1845, bl. 81).

———

Reglement
op de Diakonie-administratie, bij de Nederlandsche Hervormde kerk.

Art. 1. Het doel der Diakoniën is, uit de bestaande fondsen en de giften der Christelijke weldadigheid handreiking te doen aan behoeftigen der Hervormde Gemeente, en voorts hunne ware belangen ook op andere wijze voor te staan en te bevorderen.

Art. 2. Ten aanzien van het aantal van Diakenen, en dezelver benoeming en aftreding, en van de vereischten, die zij zullen moeten bezitten, zal gehandeld worden volgens het Algemeene en de Huishoudelijke Provinciale Reglementen op de zamenstelling en werkzaamheden der Kerkenraden.

Art. 3. Behoudens derzelver betrekking tot den Kerkenraad, zoo als die in de zoo even genoemde Reglementen is uitgedrukt en in die Reglement nader wordt aangewezen, staan de Diakenen, als Kerkelijke personen, ook wat derzelver administratie betreft, onder het toezigt van het Klassikaal Bestuur.

Art. 4. Aan de Kerkenraden is in de eerste plaats de zorg opgedragen om te waken voor de handhaving der bepalingen, in dit Reglement vastgesteld. Desgelijks waakt het Klassikaal Bestuur, en beslist, na inwinning van alle informatiën, die het noodig mogt achten, de geschillen, welke in de gemeente of in den Kerkenraad, mede ten aanzien der administratie, mogten ontstaan, en aan deszelfs beoordeeling onderworpen worden, behoudens bevoegdheid van beroep op het Provinciaal Kerkbestuur. Het Klassikaal Bestuur zorgt voor het herstel van de gebreken en misbruiken, die het mogt ontdekken, of doet deswege voordragt aan hooger Kerkelijk Bestuur.

Art. 5. Diakenen administreren de fondsen en eigendommen der Diakoniën, en de liefdegiften, aan haar verstrekt. Zij zorgen met onderling overleg voor de inzameling der aalmoezen. Zij behartigen hetgeen tot vinding, bevordering of uitbreiding kan strekken van de middelen tot ondersteuning der behoeftigen, met bevoegdheid om daartoe de hulp van den Kerkenraad te verzoeken.

Art. 6. Bij iedere Diakonie zal zijn een boek of legger, houdende duidelijke en volledige beschrijving van al de fondsen en eigendommen, zonder onderscheid, die aan de Diakonie behooren. Deze legger zal worden gehouden door den na te vermelden

|118|

Boekhouder of administrerende Diaken, en zal op ieder blad van wege Diakenen, of in gemeenten, waar Diakenen niet afzonderlijk vergaderen, van wege den Kerkenraad moeten genommerd en gewaarmerkt zijn. Het boek zal steeds behoorlijk moeten zijn bijgewerkt, en geene posten zullen in hetzelve mogen zijn geroijeerd, zonder duidelijke aanwijzing en waarmerking der redenen. Een dubbel van dezen legger zal berusten onder een’ der andere Diakenen, en in gemeenten waar slechts twee Diakenen dienen, onder den Predikant.

Art. 7. De bewijzen van eigendom en alle andere effecten van waarde, der Diakonie toebehoorende, zullen, met overleg van den Kerkenraad, onder speciaal toezigt van het Klassikaal Bestuur, overal op de meest veilige plaats en wijze bewaard worden, en wel, in gemeenten, waar zulks mogelijk is, in eene ijzeren kist of brandkast, met verschillend werkende sloten, van welke de sleutels zullen berusten in onderscheidene handen. Over een en ander zullen door Diakenen, met goedkeuring des Kerkenraads, nadere bepalingen gemaakt worden.

Art. 8. Diakenen mogen, gedurende hunnen diensttijd, geene leverantiën doen aan de Diakonie, noch daarin eenig deel hebben, noch ten haren behoeven eenig werk verrigten of doen verrigten, waarvoor zij bezoldigd worden, tenzij daarvoor, naar de meening des Kerkenraads, dringende redenen bestaan, welke alsdan ter beoordeeling moeten onderworpen worden aan het Klassikaal Bestuur.

Art. 9. Zij beraadslagen met den Kerkenraad, en handelen niet dan met deszelfs goedkeuring in alle gevallen, welke eenigen aanmerkelijken invloed op de belangen hunner administratie kunnen hebben, en tevens van de plaatsgrijpende gewoonte mogten afwijken.

Art. 10. Zonder de gezegde goedkeuring zal almede geen aankoop of verkoop van effecten en vaste goederen, geene plaatsing van beleeningen of lijfrenten, noch verbruiking van legaten, of iets van soortgelijken aard mogen geschieden.

Art. 11. Een van de Diakenen wordt door hen jaarlijks, of ook bij continuatie, tot Boekhouder of administrerend Diaken aangesteld, onder goedkeuring des Kerkenraads.

Art. 12. De Boekhouder of administrerend Diaken is, als zoodanig, belast met al de ontvangsten en uitgaven, daaronder begrepen de ontvangst der collecten uit handen van Diakenen, en de uitgave aan dezelve ter bedeeling der behoeftigen, of regtstreeks aan de behoeftigen zelve, naar huishoudelijk plaatselijk gebruik.

Art. 13. Gezamenlijke Diakenen blijven echter voor de administratie verantwoordelijk, en zullen derhalve al zulke bepalingen maken, door welke zij oordeelen, zich van eene goede en rigtige administratie te kunnen verzekerd houden.

Art. 14. De Boekhouder of administrerende Diaken is verpligt,

|119|

aan gezamenlijke Diakenen, op derzelver verlangen, ten allen tijde opening te geven van den staat zijner kas, zijne boeken te vertoonen, en, in geval van meer ontvangen dan uitgegeven gelden, te doen blijken, dat die voorhanden zijn. Waar slechts twee Diakenen dienen, is de Boekhouder, of administrerende Diaken, verpligt, gelijke opening te geven aan den Kerkenraad, wanneer deze, hetzij op verlangen van den Mede-Diaken, hetzij om andere redenen, dit mogt noodig achten.

Art. 15. De Boekhouder of administrerende Diaken zal alle mogelijke zorg moeten aanwenden tot het tijdig innen der inkomsten van de Diakonie, en, des noodig van zijne diligentie moeten doen blijken. Hij zal geene betaling van rekeningen ten laste der Diakonie mogen doen, alvorens die rekeningen door Diakenen, of namens dezelve, volgens huishoudelijke diakonale bepalingen, zijn goedgekeurd.

Art. 16. Waar, onderscheiden van Boekhouder of administrerenden Diaken, een Kassier bestaat, kunnen aan denzelven, zoodanige der bovengenoemde werkzaamheden worden opgedragen, als Diakenen mogten noodig oordeelen.

Art. 17. De Diakenen zorgen, voor zoo verre de middelen toelaten, voor de ondersteuning van behoeftige lidmaten, die woonachtig zijn onder het ressort der kerkelijke gemeente, tot welker dienst de Diakenen benoemd zijn.

Art. 18. Waar het tot hiertoe gebruikelijk is geweest, of waar de Kerkenraad zulks, op voorstel van Diakenen, raadzaam mogt achten, zullen ook dezulken kunnen ondersteund worden, die nog geene belijdenis des geloofs hebben afgelegd.

Art. 19. Bij voorkeur zullen Diakenen, bij de uitvoering van het bepaalde in art. 17 en 18, hunne zorg uitstrekken tot dezulken, die door Godsdienstigheid, matigheid, zedigheid en orde zich gunstig aanbevelen, of door verlies van echtgenoot, vader of moeder, door talrijkheid van huisgezin, door ligchaamsgebreken of ziekelijkheid of door anderen zwaren rampspoed, bijzonder medelijdenswaardig zijn. Zij zullen daarenboven ten aanziene van de zoodanigen, die nog geen twee jaren onder het ressort der gemeente gewoond hebben, mede in aanmerking nemen de omstandigheden, die tot verandering van woonplaats hebben aanleiding gegeven.

Art. 20. Diakenen zullen door alle gepaste middelen, welke onder hun bereik vallen, werkzaamheid trachten te bevorderen en aan te moedigen bij zoodanige behoeftigen, die tot eenigen arbeid in staat zijn.

Art. 21. De zorg van Diakenen bepaalt zich niet alleen tot het stoffelijk belang der behoeftigen, maar zij zullen zich ook geroepen achten, dezelve door vermaning, raad en troost te dienen, en toe te zien op derzelver zedelijk gedrag, bijwoning van de openbare Godsdienst en opvoeding en onderwijzing hunner kinderen, behoudens de herderlijke zorg en het opzigt van Predikanten en Ouderlingen.

|120|

Art. 22. Ter bevordering eener rigtige administratie wordt aan Diakenen aanbevolen, omtrent de tijdige opmaking eener jaarlijksche begrooting van ontvangsten en uitgaven, overal, waar zulks uitvoerbaar is, huishoudelijke bepalingen te maken.

Art. 23. Diakenen doen jaarlijks rekening en verantwoording van hunne administratie, zullende daarbij de navolgende bepalingen worden in acht genomen:
1º. De rekening wordt gedaan zoodra mogelijk, uiterlijk vóór den 1 April, van de administratie, loopende van den 1 Januarij tot den 31 December des vorigen jaars.
2º. De rekening zal geschieden, na voorafgaande bekendmaking aan de gemeente, voor de gezamenlijke leden des Kerkenraads, zullende echter Diakenen geene concluderende stem hebben bij het beoordeelen der door hen gedane rekening. Aan de leden der gemeente zal daarna gelegenheid worden gegeven, om van de alzoo gedane rekening visie te nemen.
3º. Bij het doen der rekening zal de Kerkenraad zich verzekeren, dat al de rentgevende effecten en bewijzen van eigendom der Diakonie aanwezig zijn, zullende dezelve door den Kerkenraad nagezien, met den voornoemden legger, stuk voor stuk, vergeleken, en, in orde bevonden zijnde, weder ter gewone plaats gedeponeerd worden.
4º. In gemeenten, waar zulks nuttig geoordeeld wordt, zal het den Kerkenraad vrijstaan, het opnemen der rekening en hetgene daartoe behoort, op te dragen aan eene speciale commissie, jaarlijks daartoe te benoemen, met zoodanige instructie, als de Kerkenraad zal goedvinden.

Art. 24. Na het doen der rekening, of zoo dikwijls de omstandigheden dit mogten raden, zullen Diakenen aan den Kerkenraad hun gevoelen mededeelen, of in de bestaande behoeften op eene billijke wijze heeft kunnen voorzien worden. Bijaldien het tegendeel uit de gegeven inlichtingen aan den Kerkenraad mogt blijken, zal dezelve dadelijk alle middelen beproeven, om eene ruimere ontvangst te verkrijgen.

Art. 25. Bijaldien het daarentegen mogt bevonden worden, dat de inkomsten niet slechts toereikende waren, om in de uitgaven te voorzien, maar dat er ook een belangrijk batig saldo, grooter dan de noodige behoeften vereischen, is overgebleven, zal dit overschot door Diakenen tot een vruchtdragend kapitaal worden opgelegd, om met goedvinden des Kerkenraads, bij buitengewone noodlottige omstandigheden, ten nutte van bijzondere behoeftigen, of ten algemeenen nutte van de plaatselijke Diakonie te worden aangewend. Met consent van Diakenen, als zoodanig, kan ook de Kerkenraad, onder goedkeuring van het Klassikaal Bestuur,

|121|

besluiten, van dit saldo ter ondersteuning der plaatselijke behoeftige kerkekas, of van andere behoeftige Diakoniën, bij leening gebruik te maken.

Art. 26. Diakenen zijn bevoegd, indien zij oordeelen, dat zulks tot welzijn hunner behoeftigen kan strekken, zich in betrekking te stellen met het Burgerlijk Bestuur, en met de Besturen over de instellingen van onderwijs en weldadigheid.

Art. 27. Zij zijn, desgevraagd zijnde, gehouden, aan het Burgerlijk Bestuur de vereischte inlichtingen te geven, omtrent het personeel der door hen bedeelden.

Art. 28. De Provinciale Kerkbesturen zijn bevoegd, na inwinning van advies der Klassikale Besturen, nadere huishoudelijke Reglementen te ontwerpen en in te zenden aan de Synode, welke daarop, indien het blijkt, dat zij niet in strijd zijn met dit algemeen Reglement, de bekrachtiging van Zijne Majesteit den Koning zal vragen. Deze Reglementen, eenmaal gearresteerd zijnde, zullen niet kunnen veranderd worden, dan onder de zoo even genoemde bepalingen.

Art. 29. De bepalingen, in dit Reglement voorkomende, worden met betrekking tot Diakoniën, welke met burgerlijke of andere armen-inrigtingen gecombineerd zijn, verstaan ,behoudens zoodanige exceptiën, als voor zooverre der Diakenen beheer en verantwoording betreft, uit den aard der zaak, naar het oordeel der onderscheidene Bestuurders, noodwendig voortvloeijen.

Art. 30. Ten aanzien van Diakeniën, bij welke gebruiken bestaan, die met dit of met later in te voeren Provinciale Reglementen niet overeenkomstig zijn, doch die moeijelijk kunnen opgeheven worden, of waarvan de voortduring van plaatselijk belang geacht wordt, kan de Kerkenraad van bepalingen der gezegde Reglementen, zooveel zulks noodig is, langs den gewonen kerkelijken weg dispensatie vragen aan het Provinciaal Kerkbestuur, hetwelk daaromtrent vooraf het advies van het Klassikaal Bestuur zal inwinnen, en, de dispensatie raadzaam achtende, dezelve aan de bekrachtiging van Zijne Majesteit den Koning zal onderwerpen.

Art. 31. Overal, waar in dit Reglement van den Kerkenraad gesproken wordt, is voor zoodanige gemeenten, waar meer dan vier Ouderlingen dienen, en de Diakenen dus ook afzonderlijk kunnen vergaderen, de breede Kerkenraad bedoeld, in welken dus ook de Diakenen, wat hunne administratie zoo wel als andere aangelegenheden betreft, hoofdelijk stem hebben, behoudens het bepaalde bij art. 23.

Art. 32. In dit Reglement zullen geene veranderingen kunnen gemaakt worden, dan door de Synode, onder bekrachtiging van Zijne Majesteit den Koning, welke veranderingen dan ook voor de Provinciale huishoudelijke Reglementen zullen gelden.

———