Kerkorde NHK (1951)

Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk

Bron: 

Kerkorde der Nederlandse Hervormde Kerk. Uitgave Januari 1951, ’s-Gravenhage: Boekencentrum N.V.

Kerkorde NHK (1951) KO

Kerkorde van de Nederlandse Hervormde Kerk

Kerkorde NHK (1951) Art. I-1

Kerkorde.

 

Artikel I. Van de Kerk.

Lid
1

De Nederlandse Hervormde Kerk, overeenkomstig haar belijdenis openbaring van de ene heilige katholieke of algemene Christelijke Kerk, bestaat uit al de Hervormde gemeenten, waartoe mede worden gerekend de Waalse, Presbyteriaans-Engelse en Schotse gemeenten in Nederland, alsmede de in haar verband opgenomen Nederlandse Hervormde gemeenten buiten Nederland.

Kerkorde NHK (1951) Art. II-1

Kerkorde.

 

Artikel II. Van de gemeenten.

Lid
1

Krachtens het genadeverbond behoren tot een Hervormde gemeente, die rondom Woord en sacramenten wordt vergaderd en mitsdien tot de Nederlandse Hervormde Kerk, gesteld onder haar opzicht en gehouden tot dienstbetoon aan elkander en de wereld,
zij, die door openbare belijdenis des geloofs belijdende leden (lidmaten) der Kerk zijn geworden;
zij, wier inlijving in de gemeenschap der Kerk is bekrachtigd door de Heilige Doop; en
zij, die uit Hervormde ouders zijn geboren.

Kerkorde NHK (1951) Art. II-2

Kerkorde.

 

Artikel II. Van de gemeenten.

Lid
2

Tot een Hervormde gemeente behoren ook zij, die krachtens hun belijdenis, doop of geboorte tot een andere Kerk behoorden en naar de Hervormde Kerk zijn overgekomen.

Kerkorde NHK (1951) Art. III-1

Kerkorde.

 

Artikel III. Van de orde der Kerk.

Lid
1

De orde in het leven en werken der Kerk strekt zich uit over:
de verkondiging van het Woord Gods,
de bediening van de sacramenten,
de dienst der gebeden,
de dienst der barmhartigheid,
het openlijk belijden van de Naam Gods,
de zending,
het getuigenis tegenover overheid en volk,
de opdracht der Kerk jegens de van het Evangelie vervreemden,
de catechese,
de herderlijke zorg,
het opzicht,
de opleiding en vorming van de dienaren des Woords en van hen, die in een bediening worden gesteld,
de theologische arbeid der Kerk,
het inzamelen en beheren van gelden en goederen voor de dienst der Kerk en
de roeping ten aanzien van de eenheid der Christelijke Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-1

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
1

Om deze orde der Kerk van Christuswege te onderhouden en in de verscheidenheid der diensten te voorzien, zijn er de volgende drie ambten:
dat der dienaren des Woords,
dat der ouderlingen en
dat der diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-2

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
2

De dienaren des Woords worden onderscheiden in
herders en leraars (predikanten),
zendingspredikanten en
predikant-evangelisten.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-3

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
3

Aan de herders en leraars is toebetrouwd:
de verkondiging des Woords,
de bediening van de sacramenten,
de dienst der gebeden,
de leiding van de kerkdiensten,
het afnemen van de openbare belijdenis des geloofs,
de bevestiging van de ambtsdragers en van hen, die in een bediening worden gesteld,
de kerkelijke bevestiging en inzegening van het huwelijk,
de leiding van de ambtelijke vergaderingen der Kerk, zo zij daartoe geroepen worden,
  voorts — met medewerking van de ouderlingen —
de herderlijke zorg,
de catechese,
de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd,
het medewerken aan de geestelijke vorming van de jeugd,
en met de ouderlingen tezamen
het opzicht over de gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-4

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
4

Aan de zendingspredikanten is toebetrouwd
het Evangelie des Koninkrijks uit te dragen in de niet-gekerstende wereld, opdat ook daar de Kerk worde geplant en de volkeren komen tot de dienst des Heren.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-5

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
5

Aan de predikant-evangelisten is in het bijzonder toebetrouwd
de verkondiging van het Evangelie,
de geestelijke zorg en
het onderricht
ten behoeve van hen, die van het Evangelie zijn vervreemd, om door deze arbeid mede werkzaam te zijn in de kerstening van de wereld.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-6

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
6

Aan de ouderlingen is toebetrouwd
het vergaderen van de gemeente,
de zorg, dat alles in de gemeente met orde geschiedt,
het dragen van de medeverantwoordelijkheid voor de bediening des Woords en het rechte gebruik van de sacramenten,
de ambtelijke tegenwoordigheid bij de kerkdienst,
de leiding van de ambtelijke vergaderingen der Kerk, zo zij daartoe geroepen worden,
en de verzorging van de stoffelijke belangen der gemeente, voorzover niet van diaconale aard, door daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen, die als zodanig de naam kerkvoogd dragen,
en voorts, met de herders en leraars tezamen,
het opzicht over de gemeente,
als ook, met de herders en leraars, bezig te zijn in
de herderlijke zorg,
de catechese,
de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd, en
de geestelijke vorming van de jeugd.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-7

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
7

Aan de diakenen is toebetrouwd
de dienst der barmhartigheid jegens gemeente en wereld, inzonderheid door bijstand en vertroosting aan hen, die verpleging en verzorging behoeven, die moeilijkheden hebben in het gezinsleven, die maatschappelijk zijn ontspoord of zich in stoffelijke nood bevinden;
de taak om, staande temidden van de sociale noden van het volk, hun kennis dienaangaande dienstbaar te maken aan de voorlichting van de Kerk, opdat deze ook overheid en samenleving wijze op haar. roeping, de gerechtigheid te betrachten;
de ambtelijke tegenwoordigheid bij de kerkdienst, in het bijzonder ook voor de leiding van het inzamelen van de liefdegaven en het dienen aan de tafel des Heren; en
het beheren van de diaconale gelden en goederen.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-8

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
8

De verkiezing en roeping van haar ambtsdragers geschiedt plaatselijk door de gemeente en overigens door de meerdere vergaderingen.

Kerkorde NHK (1951) Art. IV-9

Kerkorde.

 

Artikel IV. Van de ambten.

Lid
9

De ambtsdragers worden bevestigd in een kerkdienst met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-1

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
1

Opdat niet de ene gemeente over de andere, het ene ambt over het andere, noch de ene ambtsdrager over de andere heerschappij voere, wordt de regering der Kerk uitgeoefend in vergaderingen, waarin de ambten bijeen zijn.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-2

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
2

Deze vergaderingen zijn
voor de plaatselijke gemeente de kerkeraad;
voor de in een classis verenigde gemeenten de classicale vergadering;
voor de in een kerkprovincie verenigde gemeenten en classes de provinciale kerkvergadering; en
voor de gemeenten, classes en kerkprovincies tezamen en mitsdien voor de gehele Kerk de generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-3

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
3

In de meerdere vergaderingen zullen geen andere zaken worden behandeld, dan die in de mindere vergaderingen niet kunnen worden afgedaan, of naar de orde der Kerk tot het werk der meerdere vergaderingen behoren.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-4

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
4

De kerkeraad bestaat uit de bij de gemeente dienstdoende dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-5

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
5

In de kerkeraad vormen
de predikant of de predikanten (het ministerie) met alle ouderlingen (het presbyterie) het consistorie,
de daartoe in het bijzonder aangewezen ouderlingen, die als zodanig de naam kerkvoogd dragen, het college van kerkvoogden,
de diakenen het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-6

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
6

De classicale vergaderingen zijn samengesteld uit
de dienstdoende predikanten en andere door de kerkeraden aangewezen afgevaardigde ambtsdragers;
de provinciale kerkvergaderingen en
de generale synode uit afgevaardigde ambtsdragers, aangewezen door de classicale vergaderingen.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-7

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
7

De meerdere vergaderingen kiezen zich uit de kerkvisitatoren en uit haar organen van bijstand adviseurs, die aan haar beraadslagingen deelnemen.

Kerkorde NHK (1951) Art. V-8

Kerkorde.

 

Artikel V. Van de ambtelijke vergaderingen.

Lid
8

De meerdere vergaderingen benoemen uit haar midden een breed moderamen, belast met de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van haar besluiten en met datgene, wat aan dit moderamen tot taak wordt gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Art. VI-1

Kerkorde.

 

Artikel VI. Van de organen van bijstand.

Lid
1

Wanneer de zorg voor de dienst der Kerk op de verschillende terreinen des levens dit vereist, worden bij ordinantie organen van bijstand van de generale synode in het leven geroepen, belast met het geven van voorlichting en met de uitvoering van hetgeen hun op dat arbeidsveld tot taak wordt gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Art. VI-2

Kerkorde.

 

Artikel VI. Van de organen van bijstand.

Lid
2

Indien een provinciale kerkvergadering of classicale vergadering hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een meerdere ambtelijke vergadering wil overgaan tot de instelling van een orgaan van bijstand, doet zij dit naar regelen, bij ordinantie gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Art. VII-1

Kerkorde.

 

Artikel VII. Van de bedieningen.

Lid
1

Met het oog op de dienst der Kerk in de wereld, waarin de ambten tezamen met de gemeenten hebben werkzaam te zijn, worden bedieningen ingesteld.

Kerkorde NHK (1951) Art. VII-2

Kerkorde.

 

Artikel VII. Van de bedieningen.

Lid
2

Tot de vervulling van deze bedieningen worden lidmaten geroepen, om naast de ambtsdragers werkzaam te zijn in
het apostolaat,
de geestelijke vorming van de jeugd,
de catechese,
het pastoraat,
het diaconaat,
of waar de orde der Kerk dit verder aangeeft.

Kerkorde NHK (1951) Art. VII-3

Kerkorde.

 

Artikel VII. Van de bedieningen.

Lid
3

De bedieningen worden ingesteld en zij, die daarin werkzaam zijn, worden daartoe geroepen, plaatselijk door de kerkeraad en anders door een meerdere vergadering, na overleg met het betrokken orgaan van bijstand van die ambtelijk vergadering en voorts in overleg met het generale orgaan van bijstand, op dat terrein werkzaam; zij, die in de zendingsarbeid in een bediening werkzaam zijn, worden in de naam der generale synode door de raad voor de zending benoemd.

Kerkorde NHK (1951) Art. VII-4

Kerkorde.

 

Artikel VII. Van de bedieningen.

Lid
4

De zorg voor de opleiding en vorming van hen die in een bediening begeren te worden gesteld, berust bij de generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Art. VII-5

Kerkorde.

 

Artikel VII. Van de bedieningen.

Lid
5

Zij, wier opleiding ten behoeve van de vervulling van een bediening is voltooid, leggen de daartoe bestemde belofte af.

Kerkorde NHK (1951) Art. VII-6

Kerkorde.

 

Artikel VII. Van de bedieningen.

Lid
6

Zij, die een bediening aanvaarden, worden bevestigd in een kerkdienst, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. VIII-1

Kerkorde.

 

Artikel VIII. Van het apostolaat der Kerk.

Lid
1

Als Christus-belijdende geloofsgemeenschap gesteld in de wereld om Gods beloften en geboden voor alle mensen en machten te betuigen, vervult de Kerk, in de verwachting van het Koninkrijk Gods, haar apostolische opdracht in het bijzonder
door haar gesprek met Israël,
door het werk der zending,
door de verbreiding van het Evangelie en de voortdurende arbeid aan de kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie.

Kerkorde NHK (1951) Art. VIII-2

Kerkorde.

 

Artikel VIII. Van het apostolaat der Kerk.

Lid
2

De Kerk richt zich in het gesprek met Israël tot de synagoge en tot allen, die bij het uitverkoren volk behoren, om hun uit de Heilige Schrift te betuigen, dat Jezus de Christus is.

Kerkorde NHK (1951) Art. VIII-3

Kerkorde.

 

Artikel VIII. Van het apostolaat der Kerk.

Lid
3

De Kerk richt zich in het werk der zending, in gehoorzaamheid aan het bevel van Christus, onder uitoefening van de dienst der barmhartigheid in de geestelijke en lichamelijke noden, met het Evangelie des Koninkrijks tot de volkeren in de niet-gekerstende wereld;
zij vervult de dienst der barmhartigheid in de geestelijke en lichamelijke noden van deze volkeren;
zij brengt hen, die zijn gekomen tot geloof en de Heilige Doop hebben ontvangen, bij de bediening van Woord en sacramenten tezamen in gemeenten;
zij dient deze gemeenten bij de inrichting en opbouw van een eigen kerkelijk leven;
zij arbeid bij dit alles ook aan de kerstening der samenleving.

Kerkorde NHK (1951) Art. VIII-4

Kerkorde.

 

Artikel VIII. Van het apostolaat der Kerk.

Lid
4

De Kerk richt zich in de verbreiding van het Evangelie tot hen, die daarvan zijn vervreemd, om hen terug te brengen tot de gemeenschap met Christus en Zijn Kerk, blijft in al haar geledingen strijden voor het reformatorisch karakter van staat en volk en wendt zich, in de verwachting van het Koninkrijk Gods, in de arbeid der kerstening tot overheid en volk, om het leven naar Gods beloften en geboden te richten.

Kerkorde NHK (1951) Art. IX-1

Kerkorde.

 

Artikel IX. Van de geestelijke vorming van de jeugd.

Lid
1

Aan de Kerk is opgedragen, mede te werken aan de vorming van de jeugd, teneinde deze te brengen tot haar plaats in de gemeente en haar de weg te wijzen in de wereld.

Kerkorde NHK (1951) Art. IX-2

Kerkorde.

 

Artikel IX. Van de geestelijke vorming van de jeugd.

Lid
2

Ook is de Kerk medeverantwoordelijk voor de opvoeding van en het onderwijs aan de jeugd van het gehele volk in gezin en school, opdat ook daarin de gehoorzaamheid aan Gods geboden gestalte krijge.

Kerkorde NHK (1951) Art. X-1

Kerkorde.

 

Artikel X. Van het belijden der Kerk.

Lid
1

In dankbare gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift als de bron der prediking en enige regel des geloofs doet de gehele Kerk, ook in haar ambtelijke vergaderingen, in gemeenschap met de belijdenis der vaderen en in het besef van haar verantwoordelijkheid voor het heden, zich strekkende naar de toekomst van Jezus Christus, belijdenis van de zelfopenbaring van de Drieënige God.

Kerkorde NHK (1951) Art. X-2

Kerkorde.

 

Artikel X. Van het belijden der Kerk.

Lid
2

De belijdenis der vaderen is vervat, zowel in de Apostolische geloofsbelijdenis, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius — waardoor de Kerk zich verbonden weet met de algemene Christelijke Kerk — als in de Heidelbergse catechismus, die van Genève, en de Nederlandse geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels, door de Reformatie geschonken aan de Kerk in de Nederlanden.

Kerkorde NHK (1951) Art. X-3

Kerkorde.

 

Artikel X. Van het belijden der Kerk.

Lid
3

In haar verantwoordelijkheid voor het heden en levende in de uit de Schrift geputte belijdenis der vaderen, belijdt de Kerk telkens opnieuw in haar
prediking,
getuigenissen,
kanselboodschappen,
herderlijke brieven,
kerkliederen,
gebeden,
formulieren,
leerboeken en
belijdenisgeschriften
Jezus Christus als Hoofd der Kerk en als Heer der wereld.

Kerkorde NHK (1951) Art. X-4

Kerkorde.

 

Artikel X. Van het belijden der Kerk.

Lid
4

De ambten, vergaderingen, organen en bedieningen zijn naar de aard van hun roeping, evenals de gemeenteleden op hun wijze, gehouden in al hun spreken en handelen zich te bewegen in deze weg van het belijden der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. X-5

Kerkorde.

 

Artikel X. Van het belijden der Kerk.

Lid
5

Te dien einde heeft de Kerk, terwille van de rechte vervulling van de opdracht van haar ambtsdragers, van hen die in een bediening zijn gesteld en van haar leden, de roeping naar de regel van het Woord Gods opzicht te oefenen over haar leden, in het bijzonder over de verkondiging, de catechese en de opleiding en vorming van de dienaren des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Art. X-6

Kerkorde.

 

Artikel X. Van het belijden der Kerk.

Lid
6

De Kerk weert al wat haar belijden weerspreekt.

Kerkorde NHK (1951) Art. X-7

Kerkorde.

 

Artikel X. Van het belijden der Kerk.

Lid
7

Bezwaren inzake dat belijden kunnen door lidmaten — onder beroep op het Woord Gods — worden voorgelegd aan het oordeel der Kerk, die zich daarover uitspreekt.

Kerkorde NHK (1951) Art. XI-1

Kerkorde.

 

Artikel XI. Van de kerkdienst.

Lid
1

In haar kerkdiensten komt de gemeente samen tot de dienst des Woords, de dienst der sacramenten, de dienst der gebeden en de dienst der barmhartigheid.

Kerkorde NHK (1951) Art. XI-2

Kerkorde.

 

Artikel XI. Van de kerkdienst.

Lid
2

Bij de tekstkeuze voor de predikdienst wordt rekening gehouden met het kerkelijk jaar; in de leerdiensten kan ook gehandeld worden over de belijdenisgeschriften, in het bijzonder de Heidelbergse catechismus.

Kerkorde NHK (1951) Art. XI-3

Kerkorde.

 

Artikel XI. Van de kerkdienst.

Lid
3

De eredienst wordt geleid door hen, die daartoe in de orde der Kerk zijn aangewezen, volgens een der, in overleg met de kerkeraad der gemeente gekozen, orden uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. XI-4

Kerkorde.

 

Artikel XI. Van de kerkdienst.

Lid
4

In de kerkdiensten zullen door de gemeente geen andere liederen worden gezongen dan die, welke zijn bijeengebracht in het kerkboek.

Kerkorde NHK (1951) Art. XII-1

Kerkorde.

 

Artikel XII. Van de feest- en gedenkdagen der Kerk.

Lid
1

De Kerk viert de dag des Heren.

Kerkorde NHK (1951) Art. XII-2

Kerkorde.

 

Artikel XII. Van de feest- en gedenkdagen der Kerk.

Lid
2

Zij onderhoudt als bijzondere dagen
de Kerstdagen,
de Goede Vrijdag,
de Paasdagen,
de Hemelvaartsdag en
de Pinksterdagen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XII-3

Kerkorde.

 

Artikel XII. Van de feest- en gedenkdagen der Kerk.

Lid
3

Voorts komt de gemeente samen tot herdenking van de Kerkhervorming, op de Oudejaarsavond, op de Nieuwjaarsdag en op boete-, bede- en dankdagen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIII-1

Kerkorde.

 

Artikel XIII. Van het kerkboek.

Lid
1

Tot het kerkboek der Nederlandse Hervormde Kerk worden verenigd
het psalm- en gezangboek,
het dienstboek, bevattende de orden van dienst, de liturgische formulieren en de gebeden met de ziekentroost,
het belijdenis- en leerboek en
de kerkorde.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIII-2

Kerkorde.

 

Artikel XIII. Van het kerkboek.

Lid
2

Wijzigingen in het kerkboek, met uitzondering van de kerkorde, worden vastgesteld door de generale synode, die deze, na haar in eerste lezing te hebben vastgesteld en tenminste zes maanden tevoren ter kennis te hebben gebracht van de gemeenten en haar leden, aan de classicale vergaderingen ter consideratie voorlegt, waarna de vaststelling van de tweede lezing en de eindstemming daarover plaatsvinden op gelijke wijze, als is aangegeven voor het aanbrengen van veranderingen in de kerkorde.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIV-1

Kerkorde.

 

Artikel XIV. Van de opleiding en vorming tot dienaar des Woords.

Lid
1

De zorg voor de opleiding en vorming van de dienaren des Woords berust bij de generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIV-2

Kerkorde.

 

Artikel XIV. Van de opleiding en vorming tot dienaar des Woords.

Lid
2

Zij ontvangen hun opleiding en vorming bij de theologische faculteit van de daarvoor door de Kerk aangewezen universiteiten.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIV-3

Kerkorde.

 

Artikel XIV. Van de opleiding en vorming tot dienaar des Woords.

Lid
3

Zij ontvangen een nadere voorbereiding voor hun ambtelijke bediening aan een seminarium der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIV-4

Kerkorde.

 

Artikel XIV. Van de opleiding en vorming tot dienaar des Woords.

Lid
4

De generale synode kan, in geval van een opleiding elders of bij singuliere gaven, een andere weg tot het predikambt openen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIV-5

Kerkorde.

 

Artikel XIV. Van de opleiding en vorming tot dienaar des Woords.

Lid
5

Degene, wiens opleiding en vorming zijn voltooid, onderwerpt zich aan een onderzoek inzake zijn geschiktheid, bekwaamheid en roeping tot het ambt.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIV-6

Kerkorde.

 

Artikel XIV. Van de opleiding en vorming tot dienaar des Woords.

Lid
6

Zo geen bezwaren bestaan, wordt hij na het afleggen van de daartoe bestemde belofte als candidaat tot de Heilige Dienst toegelaten tot de evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk en verkrijgt hij het recht te staan naar het ambt van dienaar des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Art. XV-1

Kerkorde.

 

Artikel XV. Van de Heilige Doop.

Lid
1

De Heilige Doop wordt aan de kinderen der gemeente in haar midden op gezette tijden bediend door de dienaren des Woords, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. XV-2

Kerkorde.

 

Artikel XV. Van de Heilige Doop.

Lid
2

Degenen, die niet als kind zijn ten Doop gehouden, ontvangen, na openbare belijdenis des geloofs te hebben afgelegd, de Heilige Doop, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVI-1

Kerkorde.

 

Artikel XVI. Van de catechese.

Lid
1

De catechese is het onderricht aan de kinderen der gemeente en verder aan allen, die dit onderricht begeren.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVI-2

Kerkorde.

 

Artikel XVI. Van de catechese.

Lid
2

Het doel der catechese is
hen te leren leven uit Gods beloften en naar Zijn geboden,
hen voor te bereiden tot de openbare belijdenis des geloofs, daardoor te brengen tot de deelneming aan het Heilig Avondmaal, en mitsdien tot het dragen van medeverantwoordelijkheid als belijdend lid voor de opbouw der gemeente van Christus.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVI-3

Kerkorde.

 

Artikel XVI. Van de catechese.

Lid
3

Het kerkelijk onderricht betreft
het lezen en verstaan van de Heilige Schrift,
de belijdenis en geschiedenis der Kerk,
het kerkboek, in het bijzonder het kerklied.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVI-4

Kerkorde.

 

Artikel XVI. Van de catechese.

Lid
4

De Kerk geeft leiding en voorlichting ten opzichte van de leerboeken en geschriften, die bij het catechetisch onderricht worden gebruikt.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVII-1

Kerkorde.

 

Artikel XVII. Van de openbare belijdenis des geloofs.

Lid
1

Zij, die begeren als belijdende leden in het midden der gemeente te worden opgenomen, daardoor tot het Heilig Avondmaal te worden toegelaten, en medeverantwoordelijkheid te dragen voor de opbouw der gemeente van Christus, doen in de gemeente openbare belijdenis des geloofs.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVII-2

Kerkorde.

 

Artikel XVII. Van de openbare belijdenis des geloofs.

Lid
2

Tot deze belijdenis worden zij niet toegelaten, dan na onderzoek door de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVII-3

Kerkorde.

 

Artikel XVII. Van de openbare belijdenis des geloofs.

Lid
3

De openbare belijdenis geschiedt in het midden der gemeente met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVIII-1

Kerkorde.

 

Artikel XVIII. Van het Heilig Avondmaal.

Lid
1

Het Heilig Avondmaal wordt op gezette tijden in het midden der gemeente gevierd.

Kerkorde NHK (1951) Art. XVIII-2

Kerkorde.

 

Artikel XVIII. Van het Heilig Avondmaal.

Lid
2

Het wordt, met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk, bediend aan de belijdende leden der Kerk door de dienaren des Woords onder opzicht van de ouderlingen en met bijstand van de diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIX-1

Kerkorde.

 

Artikel XIX. Van de dienst der barmhartigheid.

Lid
1

Krachtens de gemeenschap in het Heilig Avondmaal en in navolging van haar Heer vervult de gemeente haar diaconale opdracht in de Kerk en in de wereld.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIX-2

Kerkorde.

 

Artikel XIX. Van de dienst der barmhartigheid.

Lid
2

De leden der gemeente geven door werken der barmhartigheid gehoor aan de roeping tot onderling dienstbetoon en tot bijstand aan hen, die lichamelijk, zedelijk of maatschappelijk in nood verkeren, en dragen de arbeid der diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-1

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
1

Gehoor gevend aan het woord van haar Herder, vervult de gemeente haar pastorale opdracht.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-2

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
2

De leden der gemeente onderhouden deze herderlijke zorg ten opzichte van elkander; op de dienaren des Woords en de ouderlingen rust daarbij een bijzondere verantwoordelijkheid.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-3

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
3

De herderlijke zorg beoogt de gemeente op te bouwen in het geloof, de hoop en de liefde, opdat zij niet afwijke van de weg van het belijden der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-4

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
4

Het opzicht, gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus, het Hoofd der Kerk, geschiedt tot eer van God, tot bewaring der gemeente, en tot behoud van hen, die dwalen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-5

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
5

Dit opzicht wordt uitgeoefend door of in opdracht van de ambtelijke vergaderingen en betreft
het geestelijk leven der gemeenten en de vervulling van ambten en bedieningen; en
de belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers en van hen, die in een bediening zijn gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-6

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
6

Het opzicht over de gemeenten, gehouden door visitatoren, betreft haar geestelijk leven en de vervulling van ambten en bedieningen en heeft ten doel de opbouw van de gemeente en de bevordering van haar dienst in de wereld.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-7

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
7

Het opzicht over belijdenis en wandel van leden en ambtsdragers wordt gehouden door broederlijke samenspreking en herderlijk vermaan.

Kerkorde NHK (1951) Art. XX-8

Kerkorde.

 

Artikel XX. Van de herderlijke zorg en het opzicht.

Lid
8

Indien nodig, gaat de Kerk over tot toepassing van de daartoe gegeven bijzondere middelen ter handhaving van de kerkelijke tucht.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXI-1

Kerkorde.

 

Artikel XXI. Van het huwelijk en het gezin.

Lid
1

Het huwelijk, als een inzetting Gods, zal heilig worden gehouden.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXI-2

Kerkorde.

 

Artikel XXI. Van het huwelijk en het gezin.

Lid
2

De bevestiging en inzegening van het huwelijk geschieden, na verkregen goedkeuring van de kerkeraad, in het midden der gemeente met gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXI-3

Kerkorde.

 

Artikel XXI. Van het huwelijk en het gezin.

Lid
3

De Kerk richt zich mede op de vragen, die zich ten aanzien van huwelijk en gezin voordoen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXII-1

Kerkorde.

 

Artikel XXII. Van de financiën.

Lid
1

De financiële zaken der gemeente van diaconale aard worden verzorgd door het college van diakenen, haar overige financiële zaken door het college van kerkvoogden.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXII-2

Kerkorde.

 

Artikel XXII. Van de financiën.

Lid
2

De verzorging van de generale financiën der Kerk geschiedt, in samenwerking tussen de verschillende delen van het kerkewerk, door een generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXIII-1

Kerkorde.

 

Artikel XXIII. Van het toezicht.

Lid
1

Het toezicht, hetwelk de zorg voor de goederen, administraties, archieven en financiën der Kerk betreft, strekt zich uit over al haar organen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXIV-1

Kerkorde.

 

Artikel XXIV. Van de behandeling van bezwaren en geschillen.

Lid
1

Bezwaren en geschillen, voor de behandeling van welke in de orde der Kerk niet een afzonderlijk orgaan of een bijzondere wijze van behandeling is aangegeven, worden voorgelegd aan commissies voor de behandeling van bezwaren en geschillen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXV-1

Kerkorde.

 

Artikel XXV. Van het verband met andere Kerken.

Lid
1

De Nederlandse Hervormde Kerk, als openbaring van de ene heilige katholieke of algemene Christelijke Kerk, neemt deel aan de oecumenische arbeid in Nederland en in de wereld.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXV-2

Kerkorde.

 

Artikel XXV. Van het verband met andere Kerken.

Lid
2

Zij zoekt en onderhoudt nauwere betrekkingen met Kerken, waarmede zij door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis verbonden is.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVI-1

Kerkorde.

 

Artikel XXVI. Van de hereniging der Kerken.

Lid
1

De Nederlandse Hervormde Kerk zoekt hereniging met de andere Kerken, waarmede eenheid of verwantschap bestaat in geloof en kerkorde.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVII-1

Kerkorde.

 

Artikel XXVII. Van de ordinanties.

Lid
1

De orde der Kerk wordt verder geregeld bij of krachtens ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVII-2

Kerkorde.

 

Artikel XXVII. Van de ordinanties.

Lid
2

Een ordinantie komt tot stand en wijzigingen daarin worden aangebracht op een voorstel, hetzij bij de generale synode ingediend door een classicale vergadering, door een provinciale kerkvergadering of door een der organen van bijstand der generale synode, hetzij gedaan in de synode zelve.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVII-3

Kerkorde.

 

Artikel XXVII. Van de ordinanties.

Lid
3

Een voorstel daartoe van een classicale vergadering van een provinciale kerkvergadering of van een orgaan van bijstand der generale synode kan in dat lichaam echter niet op dezelfde vergadering worden ingediend en afgehandeld.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVII-4

Kerkorde.

 

Artikel XXVII. Van de ordinanties.

Lid
4

De synode stelt de ordinantie of de voorgestelde wijziging in eerste lezing vast, zendt haar aan de kerkeraden toe ter consideratie door de classicale vergaderingen en stelt — zo het beraad over deze consideraties haar daartoe doet besluiten — de ordinantie of de wijziging daarin in tweede lezing vast.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVII-5

Kerkorde.

 

Artikel XXVII. Van de ordinanties.

Lid
5

Indien zulks in een ordinantie is bepaald, worden daarin aangewezen zaken nader geregeld bij generale regeling der synode.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVII-6

Kerkorde.

 

Artikel XXVII. Van de ordinanties.

Lid
6

Indien de naleving van een bepaling ener ordinantie door buitengewone omstandigheden in een bepaald geval naar het oordeel der generale synode tot kennelijke onrechtvaardigheid zou leiden, kan de generale synode, bij met redenen omkleed en ter algemene kennis van de Kerk gebracht besluit, van de naleving van die bepaling in dat bijzondere geval ontheffing verlenen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVII-7

Kerkorde.

 

Artikel XXVII. Van de ordinanties.

Lid
7

De generale synode draagt zorg voor bundeling en uitgave van de kerkorde, ordinanties, generale regelingen en andere, voor de kennis van de orde der Kerk van belang zijnde stukken.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVIII-1

Kerkorde.

 

Artikel XXVIII. Van veranderingen in de kerkorde.

Lid
1

Voorstellen tot wijziging in deze kerkorde kunnen worden gedaan hetzij door een classicale vergadering of door een provinciale kerkvergadering aan de synode, hetzij in de generale synode zelve.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVIII-2

Kerkorde.

 

Artikel XXVIII. Van veranderingen in de kerkorde.

Lid
2

Zulk een voorstel kan echter niet op dezelfde bijeenkomst van een mindere vergadering worden ingediend en afgehandeld.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVIII-3

Kerkorde.

 

Artikel XXVIII. Van veranderingen in de kerkorde.

Lid
3

De synode stelt een wijziging in eerste lezing vast en zendt haar, ter consideratie door de classicale vergaderingen, ten minste drie maanden voor de dag, waarop de consideraties moeten worden ingediend, aan de kerkeraden toe.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVIII-4

Kerkorde.

 

Artikel XXVIII. Van veranderingen in de kerkorde.

Lid
4

Alvorens tot behandeling in tweede lezing wordt overgegaan, wordt door elke classicale vergadering een tweede afgevaardigde aangewezen voor een verdubbelde synode, waarna de behandeling in tweede lezing plaats vindt in tegenwoordigheid van deze afgevaardigden, die met adviserende stem aan de beraadslagingen deelnemen.

Kerkorde NHK (1951) Art. XXVIII-5

Kerkorde.

 

Artikel XXVIII. Van veranderingen in de kerkorde.

Lid
5

Indien het beraad over de consideraties bij de tweede lezing haar daartoe doet besluiten, stelt de synode de wijziging in tweede lezing vast, waarna de eindstemming over de aldus vastgestelde tweede lezing plaats vindt door de verdubbelde synode.

Kerkorde NHK (1951) Art. XIX-1

Kerkorde.

 

Artikel XXIX. Van de orde der Kerk in tijden van nood.

Lid
1

Indien en zolang zeer bijzondere omstandigheden een normaal functionneren van het leven der Kerk onmogelijk maken, treffen de daarvoor in aanmerking komende lichamen der Kerk of hun leden de door de omstandigheden tijdelijk geboden, van de orde der Kerk afwijkende, maatregelen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.
1. Samenstelling.
2. Arbeidsveld.
3. Werkwijze.

II. De classicale vergadering.
4. Samenstelling.
5. Arbeidsveld.
6. Werkwijze.

III. De provinciale kerkvergadering.
7. Samenstelling
8. Arbeidsveld.
9. Werkwijze.

IV. De generale synode.
10. Samenstelling.
11. Arbeidsveld.
12. Werkwijze.
13. De synodus contracta.

V. De Waalse gemeenten.
14. De Waalse gemeenten.

VI. Algemene bepalingen.
15. Het gelden van de algemene bepalingen.
16. Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.
17. Secundi en tertii.
18. Voordrachten en aanbevelingen.
19. Zittingstijd.
20. Herkiesbaarheid.
21. De orde der vergaderingen.
22. De brede moderamina.
23. De organen van bijstand.
24. Besluitvorming over zaken.
25. Stemmingen over personen.
26. Overdracht van werkzaamheden.
27. Secretariaten en instituten.
28. De raad voor de zaken van pers en publiciteit.
29. Jaaroverzichten.
30. Afkondigingen en bekendmakingen.
31. Kennisgevingen van verkiezingen en benoemingen.

VII. Indeling van de gemeenten in ringen en classes en van de gemeenten en classes in kerkprovincies.
32. De kerkelijke indeling.
33. Wijziging van de kerkelijke indeling.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1.I.

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel
1-3

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-1-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 1.

Samenstelling.

Lid
1

De kerkeraad wordt gevormd door de herders en leraars (predikanten), de ouderlingen en de diakenen der gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-1-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 1.

Samenstelling.

Lid
2

Het getal van de predikanten wordt bepaald door het aantal predikantsplaatsen voor gewone werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-1-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 1.

Samenstelling.

Lid
3

Predikanten voor bijzondere werkzaamheden en predikanten voor buitengewone werkzaamheden, indien zij aan de gemeente zijn verbonden, hebben mede zitting in de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-1-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 1.

Samenstelling.

Lid
4

Het getal ouderlingen en diakenen wordt door de kerkeraad vastgesteld, met dien verstande, dat er, behoudens mogelijke ontheffing van dit voorschrift door het breed moderamen der classicale vergadering voor gemeenten met minder dan 1000 zielen, in elke gemeente nevens elke predikant tenminste drie ouderlingen zijn en die diakenen en in elke gemeente bovendien tenminste drie tot kerkvoogd aangewezen ouderlingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-1-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 1.

Samenstelling.

Lid
5

De verkiezing van de ambtsdragers geschiedt naar regelen, neergelegd in de ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers, en geldt voor wat betreft de ouderlingen en diakenen telkens voor een tijdvak van vier zittingsjaren, terwijl op de laatste dag van elk oneven zittingsjaar de helft der ouderlingen en de helft der diakenen aftreedt en in tussentijdse vacatures wordt voorzien binnen drie maanden, nadat de vacature is ontstaan of daarin opnieuw moest worden voorzien.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-1-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 1.

Samenstelling.

Lid
6

De kerkeraad kan leden van de kerkeraadscommissies voor bijzondere werkzaamheden uitnodigen om als adviseurs aan zijn vergadering deel te nemen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-2-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 2.

Arbeidsveld.

Lid
1

De kerkeraad heeft inzonderheid tot taak
te onderhouden de dienst des Woords en der sacramenten;
opzicht te houden naar de bepalingen van de ordinantie voor het opzicht;
leiding te geven aan de opbouw der gemeente en haar dienst in de wereld;
de agenda te bespreken van de eerstvolgende classicale vergadering;
het verslag te behandelen van zijn afgevaardigden ter classicale vergadering en
te verrichten datgene, wat naar de orde der Kerk van hem wordt gevraagd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-2-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 2.

Arbeidsveld.

Lid
2

Met inachtneming van de in de ordinantie voor het diaconaat gestelde bepalingen is de zorg voor alle diaconale aangelegenheden der gemeente opgedragen aan het college van diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-2-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 2.

Arbeidsveld.

Lid
3

Met inachtneming van de in de ordinantie voor de kerkelijke financiën gestelde bepalingen is de zorg voor alle financiële aangelegenheden der gemeente, voorzover niet van diaconale aard, opgedragen aan het college van kerkvoogden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-2-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 2.

Arbeidsveld.

Lid
4

Alle zaken worden behandeld door of namens de kerkeraad in zijn geheel, tenzij de behartiging daarvan in de orde der Kerk geheel of ten dele is opgedragen aan het consistorie, het ministerie, het college van diakenen of het college van kerkvoogden, waarbij de kerkeraad voor een goede samenwerking zorg draagt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-2-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 2.

Arbeidsveld.

Lid
5

In gemeenten met minder dan 1000 zielen kan bij plaatselijke regeling worden vastgesteld, dat de werkzaamheden, opgedragen aan het consistorie, worden verricht door de kerkeraad in zijn geheel.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-3-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 3.

Werkwijze.

Lid
1

De kerkeraad komt in de regel eens per maand, doch tenminste zes maal per jaar bijeen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-3-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 3.

Werkwijze.

Lid
2

In gemeenten met één predikantsplaats treedt de predikant — in gemeenten met meer predikantsplaatsen een der predikanten, volgens plaatselijke regeling aangewezen — en bij een vacature de consulent op als praeses van kerkeraad en consistorie en wijst de kerkeraad telkens voor het eerstvolgende kalenderjaar uit de ouderlingen of diakenen een scriba aan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-3-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 3.

Werkwijze.

Lid
3

Praeses en scriba vormen — desgewenst met een door de kerkeraad uit zijn midden daaraan toegevoegd lid — het moderamen van de kerkeraad, welks leden de administratieve werkzaamheden van dat moderamen onderling verdelen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-3-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 3.

Werkwijze.

Lid
4

Als praeses van het consistorie fungeert de praeses van de kerkeraad, terwijl — als de scriba van de kerkeraad geen ouderling is — een der ouderlingen als scriba van het consistorie optreedt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-3-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 3.

Werkwijze.

Lid
5

De kerkeraad kan in aangelegenheden van plaatselijke aard nader voorzien bij plaatselijke regeling, welke, na acht dagen voor de gemeente ter inzage te hebben gelegen, wordt opgezonden aan het breed moderamen der classicale vergadering en — ter beoordeling van dit moderamen — geen bepalingen mag bevatten strijdig met kerkorde, ordinanties of regelingen krachtens ordinantie vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-3-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 3.

Werkwijze.

Lid
6

Indien meer dan een derde van het aantal ambtsdragers, dat de kerkeraad, de centrale kerkeraad of de vergadering van de ambtsdragers der wijkgemeente behoort te tellen, ontbreekt of tijdelijk buiten functie is, delegeert, behoudens het bepaalde in het tweede lid van artikel 11 van de ordinantie voor de vorming van gemeenten, het breed moderamen der classicale vergaderingen tenminste twee zijner leden — bij wier aanwezigheid aan het vereiste omtrent het quorum geacht wordt te zijn voldaan — om met de overgebleven ambtsdragers te doen wat des kerkeraads is, totdat tenminste twee derde van het getal der ambtsdragers der gemeente in functie is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-3-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

I. De kerkeraad.

Artikel 3.

Werkwijze.

Lid
7

Indien, krachtens de aan een gemeente volgens het vierde lid van art. 1 van deze ordinantie verleende ontheffing, het getal van ouderlingen, kerkvoogden of diakenen zodanig is gedaald, dat het niet mogelijk is alle in de ordinanties der Kerk voorgeschreven functies te vervullen, bepaalt het breed moderamen der classicale vergadering tevens op welke wijze in de vervulling daarvan wordt voorzien.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1.II.

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel
4-6

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
1

De classicale vergaderingen komen bijeen, naar de indeling van de gemeenten in classes, bedoeld in art. 32 van deze ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
2

Naar deze vergadering worden door elke kerkeraad afgevaardigd de predikanten, zowel die voor gewone als die voor bijzondere werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
3

Predikanten voor buitengewone werkzaamheden wonen als adviserend lid de classicale vergadering, binnen welker ressort zij wonen, bij.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
4

Nevens elke ter classicale vergadering af te vaardigen predikant wordt — ook indien de predikantsplaats vacant is — telkens voor drie achtereenvolgende kalenderjaren een ouderling of diaken afgevaardigd en wel zo, dat in elke classis bij toerbeurt, telkens gedurende drie kalenderjaren naar een door het breed moderamen der classicale vergadering te maken rooster, worden afgevaardigd vijf diakenen en voor het overige ouderlingen, onder wie vijf kerkvoogden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
5

Indien de predikantsplaats vacant is, wordt in plaats van de predikant een ouderling afgevaardigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
6

In gemeenten met een of meer gemeenschappelijke predikantsplaatsen neemt de kerkeraad van elk dezer gemeenten aan de afvaardiging van ouderlingen en diakenen ter classicale vergadering deel alsof bij elk harer een afzonderlijke predikantsplaats was gevestigd, met dien verstande, dat, indien de predikantsplaats vacant is, door die gemeenten bij toerbeurt een ouderling wordt afgevaardigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
7

In centrale gemeenten geschiedt de afvaardiging ter classicale vergadering steeds door de wijkkerkeraden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-4-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 4.

Samenstelling.

Lid
8

Als adviseurs nemen aan de beraadslagingen ter classicale vergadering deel de quaestor van de classis, één der — telkens voor het eerstvolgende kalenderjaar door het breed moderamen dier vergadering na overleg met de in de classis bestaande organen van bijstand aangewezen — leden van elk dezer organen, en de afgevaardigde der classis naar de generale synode, voorzover zij niet reeds deel uitmaken van de vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-5-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 5.

Arbeidsveld.

Lid
1

De classicale vergadering heeft inzonderheid tot taak
leiding te geven — met name ook door middel van haar breed moderamen en van haar organen van bijstand — aan het leven en werken der classis op haar verschillende arbeidsvelden en ter hand te nemen al wat het kerkelijk leven in de classis kan bevorderen;
opzicht te houden naar de bepalingen van de ordinantie voor het opzicht;
uit te spreken jegens de meerdere vergaderingen wat er leeft in de gemeenten en ambtelijke vergaderingen op haar territoir;
consideraties te geven — de kerkeraden in haar ressort gehoord — over de vragen van belijden en kerkorde, haar door de meerdere vergaderingen voorgelegd;
het verslag te behandelen van haar afgevaardigden naar de meerdere vergaderingen; en
te verrichten datgene, wat naar de orde der Kerk van haar gevraagd wordt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-5-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 5.

Arbeidsveld.

Lid
2

De afgevaardigden ter classicale vergadering brengen verslag uit aan de kerkeraden over hetgeen ter classicale vergadering is gedaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-6-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 6.

Werkwijze.

Lid
1

De classicale vergadering komt tenminste tweemaal per jaar bijeen, waarvan éénmaal in de laatste volle week van de maand Mei en éénmaal in de laatste volle week van de maand September.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-6-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 6.

Werkwijze.

Lid
2

Voorts komt zij bijeen, indien het moderamen daartoe redenen aanwezig acht of door tenminste vijf kerkeraden uit de classis een verzoek daartoe is ingediend, aan welk verzoek binnen zes weken na ontvangst moet worden gevolg gegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-6-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 6.

Werkwijze.

Lid
3

De classicale vergaderingen komen bovendien bijeen, indien de provinciale kerkvergadering of haar breed moderamen het verlangen daartoe kenbaar maakt, in welk geval tevens door deze een bepaald datum daarvoor kan worden vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-6-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 6.

Werkwijze.

Lid
4

De classicale vergadering kiest zich bij de aanvang van haar eerste vergadering in het kalenderjaar onder leiding van de in leeftijd oudste der aanwezige predikanten voor dat jaar uit de afgevaardigde predikanten voor gewone werkzaamheden of uit de als primus afgevaardigde ouderlingen een praeses en, tot bijstand en ter vervanging van deze, een assessor, met dien verstande, dat in elk geval, hetzij de praeses, hetzij de assessor uit de predikanen wordt gekozen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-6-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 6.

Werkwijze.

Lid
5

Zij kiest zich voorts — voor een tijdvak van drie jaren — uit haar midden een scriba.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-6-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 6.

Werkwijze.

Lid
6

Praeses, assessor en scriba vormen het moderamen der vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-6-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

II. De classicale vergadering.

Artikel 6.

Werkwijze.

Lid
7

Voorts benoemt de classicale vergadering — eveneens voor een tijdvak van drie jaren — uit de lidmaten van de gemeenten der classis een quaestor.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1.III.

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel
7-9

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-7-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 7.

Samenstelling.

Lid
1

De provinciale kerkvergaderingen komen bijeen naar de indeling van de classes in kerkprovincies, bedoeld in art. 32 van deze ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-7-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 7.

Samenstelling.

Lid
2

Naar deze vergadering worden, zo de kerkprovincie minder dan vijf classes omvat, telkens voor een tijdvak van vier kalenderjaren door elke classis afgevaardigd drie predikanten en drie ouderlingen, met dien verstande, dat bij toerbeurt en naar een door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering vast te stellen rooster telkens gedurende een viertal kalenderjaren twee classes als een der ouderlingen een kerkvoogd en twee classes in plaats van een der ouderlingen een diaken afvaardigen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-7-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 7.

Samenstelling.

Lid
3

Omvat de kerkprovincie meer dan vier classes, dan worden door elke classis afgevaardigd twee predikanten en twee ouderlingen en bedraagt in een kerkprovincie met vijf classes het aantal kerkvoogden en dat der diakenen telkens twee, terwijl in een kerkprovincie met meer dan vijf classes het aantal kerkvoogden en dat der diakenen telkens drie bedraagt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-7-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 7.

Samenstelling.

Lid
4

Als adviseurs nemen aan de beraadslagingen ter vergadering deel de praeses van visitatoren-provinciaal en voorts één der — telkens voor het eerstvolgende kalenderjaar door het breed moderamen der vergadering na overleg met de in de provincie bestaande organen van bijstand aangewezen — leden van elk dezer organen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-8-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 8.

Arbeidsveld.

Lid
1

De provinciale kerkvergadering heeft inzonderheid tot taak
leiding te geven — met name ook door middel van haar breed moderamen en van haar organen van bijstand — aan het leven en werken der kerkprovincie op haar verschillende arbeidsvelden en ter hand te nemen al wat het kerkelijk leven in de kerkprovincie kan bevorderen;
opzicht te houden naar de bepalingen van de ordinantie voor het opzicht;
uit te spreken jegens de generale synode, wat er leeft in de ambtelijke vergaderingen op haar territoir; en
te verrichten, datgene, wat naar de orde der Kerk van haar wordt gevraagd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-8-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 8.

Arbeidsveld.

Lid
2

De afgevaardigden brengen verslag uit aan de classicale vergaderingen over hetgeen ter provinciale kerkvergadering is gedaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
1

De provinciale kerkvergadering komt ten minste éénmaal per jaar bijeen op een door haar moderamen vast te stellen tijdstip.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
2

Voorts komt zij bijeen, indien door tenminste twee classicale vergaderingen een verzoek daartoe bij het moderamen is ingediend, aan welk verzoek binnen zes weken na ontvangst moet worden gevolg gegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
3

De vergadering komt bovendien bijeen, indien de generale synode of haar breed moderamen het verlangen daartoe te kennen geeft, in welk geval deze tevens een bepaalde datum daarvoor kan vaststellen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
4

De provinciale kerkvergadering kiest zich bij de aanvang van haar eerste vergadering in het kalenderjaar voor dat jaar onder leiding van de in leeftijd oudste der aanwezige predikanten uit de als primus afgevaardigde predikanten voor gewone werkzaamheden of uit de als primus afgevaardigde ouderlingen een praeses en, tot bijstand en ter vervanging van deze, een assessor, met dien verstande, dat in elk geval, hetzij de praeses, hetzij de assessor uit de predikanten wordt gekozen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
5

Voorts kiest zij zich — voor een tijdvak van vier jaren — uit haar midden of — zo dit met het oog op het geven van leiding door de provinciale kerkvergadering aan het kerkelijk leven in de kerkprovincie gewenst is — uit de ambtsdragers der kerkprovincie of uit de daarin woonachtige eervol ontslagen predikanten, die de bevoegdheden als van een emeritus-predikant hebben, een scriba, die tevens als quaestor optreedt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
6

Is deze niet uit haar midden gekozen, dan heeft hij in de vergadering van de provinciale kerkvergadering en haar breed moderamen een adviserende stem.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
7

De scribae der provinciale kerkvergaderingen komen tenminste tweemaal per jaar bijeen om onder leiding van de secretaris-generaal der Kerk de hun toevertrouwde belangen te bespreken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-9-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

III. De provinciale kerkvergadering.

Artikel 9.

Werkwijze.

Lid
8

Praeses, assessor en scriba vormen tezamen het moderamen der vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1.IV.

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel
10-13

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-10-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 10.

Samenstelling.

Lid
1

Naar de generale synode vaardigt iedere classis, telkens voor een tijdvak van vijf kalenderjaren, bij toerbeurt, naar een door het breed moderamen der synode te maken rooster, een predikant, een ouderling of een diaken af en wel zo, dat telkens gedurende een vijftal kalenderjaren
zeven en twintig classes een predikant aanwijzen;
dertien classes een ouderling;
zeven classes een kerkvoogd; en
zeven classes een diaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-10-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 10.

Samenstelling.

Lid
2

Als adviseurs worden door haar breed moderamen ter vergadering geroepen
bij toerbeurt, naar een door het breed moderamen op te maken rooster, twee der kerkelijke hoogleraren;
en — na overleg met het betrokken orgaan — een door de synode aangewezen vertegenwoordiger van
 de raad voor de zending,
 de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie,
 de raad voor het jeugdwerk,
 de raad voor de zaken van Kerk en theologie, uit de leden, die geen kerkelijk hoogleraar zijn,
 de kerkvisitatoren-generaal,
 de raad voor de herderlijke zorg,
 de algemene diaconale raad,
 de algemene kerkvoogdijraad,
 de generale financiële raad,
 de raad voor het verband met andere Kerken,
en voorts — naar behoefte — vertegenwoordigers van andere organen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-10-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 10.

Samenstelling.

Lid
3

Indien de orde der Kerk een bijeenkomst verlangt van een in aantal verdubbelde synode, worden de boventallige leden zodanig aangewezen, dat de classes, die in het kalenderjaar, waarin de verdubbelde vergadering bijeenkomt, geen predikant afvaardigen, een predikant zenden en van de classes, die in dat jaar een predikant afvaardigen, naar een door het breed moderamen der synode te houden loting, dertien classes een ouderling zenden, zeven een kerkvoogd en zeven een diaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-11-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 11.

Arbeidsveld.

Lid
1

De generale synode heeft inzonderheid tot taak
leiding te geven — met name ook door middel van haar breed moderamen en van haar organen van bijstand — aan het leven en werken der Kerk op haar verschillende arbeidsvelden en ter hand te nemen al wat het leven der Kerk kan bevorderen;
opzicht te houden naar de bepalingen van de ordinantie voor het opzicht;
te getuigen met en voor de Kerk in al haar geledingen tegenover overheid en volk van het Evangelie van Jezus Christus;
gehoor te geven aan de roeping der Kerk inzake de eenheid der Christelijke Kerk; en
te verrichten datgene, wat naar de orde der Kerk van haar wordt gevraagd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-11-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 11.

Arbeidsveld.

Lid
2

De afgevaardigden naar de generale synode brengen aan de classicale vergaderingen verslag uit over hetgeen ter synode is gedaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-12-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 12.

Werkwijze.

Lid
1

De generale synode komt tenminste éénmaal per jaar, in de maand Juli, bijeen, ten tijde door haar zelf of, zo zulks niet is geschied, door haar moderamen bepaald.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-12-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 12.

Werkwijze.

Lid
2

Voorts komt zij bijeen, indien haar breed moderamen dit nodig acht, alsook wanneer tenminste twee provinciale kerkvergaderingen of tenminste tien classicale vergaderingen een verzoek daartoe bij dat moderamen indienen, aan welk verzoek binnen drie maanden na ontvangst daarvan moet worden gevolg gegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-12-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 12.

Werkwijze.

Lid
3

De synode kiest zich bij de aanvang van haar eerste vegadering in het kalenderjaar voor dat jaar onder leiding van de in leeftijd oudste der aanwezige predikanten uit de als primus afgevaardigde predikanten voor gewone werkzaamheden of uit de als primus afgevaardigde ouderlingen een praeses en, tot bijstand en ter vervanging van deze, een assessor, met dien verstande, dat in elk geval, hetzij de praeses, hetzij de assessor uit de predikanten wordt gekozen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-12-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 12.

Werkwijze.

Lid
4

Voorts kiest zij zich — voor onbepaalde tijd — uit de dienaren des Woords een scriba, die niet tegelijkertijd kan optreden als afgevaardigde ener classis, die tevens fungeert als secretaris-generaal der Kerk, in de vergaderingen van de synode en haar breed moderamen een adviserende, doch in die van haar moderamen een concluderende stem uitbrengt, en voor de duur van zijn scribaat wordt beroepen als predikant voor buitengewone werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-12-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 12.

Werkwijze.

Lid
5

Bij afwezigheid of ontstentenis van de scriba der generale synode treedt als zodanig op de assessor primus, die in dat geval als assessor door zijn secundus wordt vervangen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-12-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 12.

Werkwijze.

Lid
6

Praeses, assessor en scriba vormen tezamen het moderamen der vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-13-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 13.

De synodus contracta.

Lid
1

De synode wijst voorts uit haar midden, telkens voor een tijdvak van één jaar, met inbegrip van haar moderamen, dat ook daar als zodanig fungeert, twaalf leden aan, die een synodus contracta vormen, en wel zo, dat deze bestaat uit zes predikanten, vijf ouderlingen, onder wie één kerkvoogd, en één diaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-13-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

IV. De generale synode.

Artikel 13.

De synodus contracta.

Lid
2

De synodus contracta, tot welker vergadering naar behoefte worden opgeroepen de quaestor-generaal en een of meer der adviseurs, heeft tot taak te verrichten wat in de ordinanties der Kerk aan de generale synode is opgedragen, voorzover dit haar door de synode wordt gedelegeerd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1.V.

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

V. De Waalse gemeenten.

Artikel
14

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-14-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

V. De Waalse gemeenten.

Artikel 14.

De Waalse gemeenten.

Lid
1

De Waalse gemeenten, die een afzonderlijke Waalse classis vormen, komen bijeen in de Waalse Reünie, waarop alle bepalingen van toepassing zijn, welke in de ordinanties gelden voor de classicale vergadering en de provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-14-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

V. De Waalse gemeenten.

Artikel 14.

De Waalse gemeenten.

Lid
2

De Waalse Reünie kiest op gelijke wijze als de classicale vergadering een breed moderamen, dat onder de naam Waalse Commissie alles verricht, wat in de ordinanties is opgedragen aan het breed moderamen van een classicale vergadering en aan het breed moderamen van een provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1.VI.

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel
15-31

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-15-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 15.

Het gelden van de algemene bepalingen.

Lid
1

Het bepaalde in de artikelen 15-31 van deze ordinantie geldt — voor zover daaruit niet blijkt, dat zij alleen betrekking hebben op daar met name genoemde lichamen, of voorzover ter zake bij kerkorde of ordinantie geen afwijkende regeling is getroffen — behalve voor de ambtelijke vergaderingen ook voor de overeige lichamen der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-15-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 15.

Het gelden van de algemene bepalingen.

Lid
2

Indien in de orde der Kerk sprake is van lichamen, wordt daaronder verstaan en begrepen de ambtelijke vergaderingen en alle bij of krachtens ordinantie in het leven geroepen organen en colleges, aan welke enige taak of bevoegdheid op kerkelijk terrein is toebedeeld, alsmede alle door ambtelijke vergaderingen of kerkelijke organen en colleges ingestelde vaste of tijdelijke commissies.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
1

Tot het dragen van ambten en het vervullen van bedieningen kunnen alleen worden geroepen lidmaten der Kerk, die onberispelijk zijn in belijdenis en wandel.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
2

Niemand kan tegelijkertijd meer dan één ambt dragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
3

Verhuizingen buiten het kerkelijk territoir, waarvoor een verkiezing of benoeming geldt, heeft, evenals verlies van het ambt of van het lidmaatschap, waarop zulk een verkiezing of benoeming steunt, tengevolge, dat de opdracht aan de betrokkene geacht wordt op de dag, waarop de verhuizing of dat verlies plaats vond, te zijn vervallen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
4

Met uitzondering van de predikanten, voor wie art. 27 van de ordinantie voor het pastoraat geldt, legt hij, die een ambt draagt of in een bediening is gesteld, waaraan inkomsten zijn verbonden, zijn ambt of bediening neer op de laatste dag van het kalenderjaar, waarin hij de leeftijd van vijf en zestig jaren heeft bereikt, terwijl voor ambten en bedieningen overigens de leeftijdsgrens van zeventig jaren geldt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
5

Van de leeftijdsgrens voor niet bezoldigde ambtsdragers kan in een gemeente met minder dan 200 zielen in dringende gevallen dispensatie worden verleend door het breed moderamen der classicale vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
6

Vrouwelijke lidmaten, die in een bediening zijn gesteld, leggen deze neer op de dag, waarop zij in het huwelijk treden of op de laatste dag van het jaar, waarin zij de leeftijd van zestig jaren hebben bereikt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
7

Predikanten, wier ambtsbediening om welke reden ook een einde neemt, leggen behoudens een eventuele herbenoeming in een of dezer functies tezelfder tijd ook hun op dat ambt steunende kerkelijke functies neer.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
8

Zonder, uitsluitend in het belang der gemeente te verlenen, toestemming van het breed moderamen der classicale vergadering kunnen elkander tot in de eerste of tweede graad van bloed- of aanverwantschap bestaanden niet tegelijkertijd deel uitmaken van een kerkeraad, de centrale kerkeraad uitgezonderd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-9

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
9

Worden twee of meer leden van een kerkeraad wettig gekozen, doch kan krachtens het vorig lid van dit artikel slechts een van hen zitting nemen, dan geschiedt dit door de oudste in leeftijd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-16-10

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 16.

Vereisten voor ambten, bedieningen en functies.

Lid
10

Men kan niet tegelijkertijd deel uitmaken van het moderamen van een classicale vergadering en van dat van een provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-17-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 17.

Secundi en tertii.

Lid
1

Tenzij in de ordinanties der Kerk een afzonderlijke regeling is getroffen worden
nevens elke, niet ambtshalve, afgevaardigde naar een meerdere vergadering;
nevens elke assessor en scriba van zulk een vergadering;
nevens elk adviserend lid van zulk een vergadering; en
nevens elk, niet ambtshalve als zodanig optredend, lid van een breed moderamen,
een secundus en een tertius benoemd, die aan dezelfde vereisten moeten voldoen als de primus en bij verhindering of ontstentenis van deze op hun beurt als primus of secundus fungeren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-17-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 17.

Secundi en tertii.

Lid
2

Bij vacature van een primaat of secundaat neemt de secundus of de tertius het primaat of secundaat tijdelijk waar, totdat in de eerstvolgende vergadering van het daartoe aangewezen orgaan een nieuwe primus of secundus is aangewezen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-17-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 17.

Secundi en tertii.

Lid
3

Het in het vorige lid van dit artikel bepaalde geldt mede voor andere lichamen dan in het eerste lid van dit artikel bedoeld, voor welker leden een secundus of tertius mocht zijn aangewezen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-18-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 18.

Voordrachten en aanbevelingen.

Lid
1

Indien een benoeming moet geschieden uit een voordracht, geeft het lichaam, hetwelk die benoeming moet doen, daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan hen, die haar hebben in te dienen, welke hun voordracht binnen vier weken na ontvangst der kennisgeving inzenden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-18-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 18.

Voordrachten en aanbevelingen.

Lid
2

Is geen of geen genoegzame voordracht ingediend, dan doet het lichaam de benoeming naar eigen keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-18-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 18.

Voordrachten en aanbevelingen.

Lid
3

Staat de gelegenheid om een voordracht in te dienen open voor meer dan één lichaam, dan geschiedt de keuze uit allen, die aldus zijn voorgedragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-18-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 18.

Voordrachten en aanbevelingen.

Lid
4

Indien, buiten de in het vijfde lid van dit artikel gestelde mogelijkheid, bij ordinantie aan een lichaam de gelegenheid is gegeven bij de vervulling van een vacaturer een aanbeveling in te dienen, wordt het voornemen tot het doen van de benoeming tenminste vier weken tevoren ter kennis van dat lichaam gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-18-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 18.

Voordrachten en aanbevelingen.

Lid
5

Ieder lichaam, waarin een vacature ontstaat, kan een aanbeveling voor de vervulling daarvan indienen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-18-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 18.

Voordrachten en aanbevelingen.

Lid
6

Tenzij in bepaalde gevallen bij ordinantie is bepaald, dat met het indienen van een enkelvoudige voordracht kan worden volstaan, dient een voordracht tenminste twee namen te bevatten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-18-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 18.

Voordrachten en aanbevelingen.

Lid
7

Bij voordrachten en aanbevelingen ten aanzien van welke niet is vermeld, dat zij alphabetisch zijn, wordt de volgorde geacht tevens voorkeur uit te drukken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-19-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 19.

Zittingstijd.

Lid
1

De zittingstijd van ambtsdragers in de ambtelijke vergaderingen vangt, tenzij voor de kerkeraad bij plaatselijke regeling voor het zittingsjaar een andere regeling is getroffen, aan op de eerste en loopt ten einde op de laatste dag van een kalenderjaar, terwijl aftredende ambtsdragers in de kerkeraad zo mogelijk zitting houden, tot hun opvolgers zijn bevestigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-19-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 19.

Zittingstijd.

Lid
2

De zittingstijd van hen, die door een ambtelijke vergadering zijn benoemd in organen of functies dier vergaderingen voor een tijdvak van één jaar, begint of eindigt op de dag, waarop die vergadering in het kalenderjaar voor de eerste maal bijeenkomt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-19-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 19.

Zittingstijd.

Lid
3

De zittingstijd van hen, die deel uitmaken van een kerkelijk lichaam duurt, zo ten aanzien van zulk een lichaam in de ordinanties der Kerk niet anders is bepaald, evenzoveel jaren als dat lichaam leden telt, doch ten hoogste vijf jaren, terwijl de periodieke aftreding zó wordt geregeld, dat er aftreden:

bij een aantal leden van 5 6 7 8 9 10 meer dan 10
in het eerste jaar 1 1 1 1 1 2 elk
in het tweede jaar 1 1 1 1 2 2 jaar
in het derde jaar 1 1 1 2 2 2 een
in het vierde jaar 1 1 2 2 2 2 vijfde
in het vijfde jaar 1 2 2 2 2 2 deel

 

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-19-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 19.

Zittingstijd.

Lid
4

Indien in de ordinanties der Kerk of krachtens deze tabel sprake is van aftreding van de helft, een derde, een vierde of een vijfde der leden en hun aantal niet zonder restant deelbaar is door het getal van hen, die periodiek moeten aftreden, geschiedt de aftreding onder overeenkomstige toepassing van de tabel, in het vorige lid van dit artikel opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-19-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 19.

Zittingstijd.

Lid
5

Indien ten aanzien van een kerkelijk lichaam is bepaald, dat de zittingsduur minder dan vijf jaren bedraagt, wordt door dat lichaam een rooster van periodieke aftreding opgemaakt, waarbij telkenjare evenzoveel of ten naaste bij zoveel gelijke delen van de leden aftreden, als de zittingstijd jaren duurt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-19-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 19.

Zittingstijd.

Lid
6

Elk lichaam maakt — voor de eerste maal bij loting — een rooster op van de volgorde, waarin zijn leden bij de periodieke aftreding aan de beurt zijn, waarbij — indien het lichaam een gequalificeerde samenstelling heeft — de aftreding in gelijke verhouding tussen de groepen van gequalificeerden geschiedt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-19-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 19.

Zittingstijd.

Lid
7

Hij, die een tussentijdse vacature vervult, neemt op die rooster de plaats van zijn voorganger in.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-20-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 20.

Herkiesbaarheid.

Lid
1

De toegevoegde leden van een breed moderamen zijn niet meer dan eenmaal terstond herkiesbaar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-20-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 20.

Herkiesbaarheid.

Lid
2

De leden van ambtelijke vergaderingen en kerkelijke organen zijn bij aftreding niet meer dan tweemaal terstond hierkiesbaar, tenzij in enige ordinantie ten aanzien van een bepaald lichaam een afwijkende regeling is gemaakt, en behoudens dispensatie van deze beperking in dringende gevallen aan een gemeente met minder dan 200 zielen, te verlenen door het breed moderamen der classicale vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
1

De afgevaardigden naar een meerdere ambtelijke vergadering tonen daar een geloofsbrief afgegeven door de vergadering, die hen afvaardigde.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
2

Elk kerkelijk lichaam benoemt uit zijn midden telkens voor een kalenderjaar een voorzitter, een vice-voorzitter en een secretaris.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
3

Bij afwezigheid ook van de vice-voorzitter of — waar deze is benoemd — van de assessor, diens secundus en tertius, fungeert het in leeftijd oudste daartoe gequalificeerde lid der vergadering als voorzitter.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
4

Zo het lichaam meer dan zes leden telt, vormen voorzitter, vice-voorzitter en secretaris het moderamen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
5

Het moderamen heeft tot taak — voorzover dit niet voor rekening komt van de secretaris —
de behandeling van zaken door de vergadereing voor te bereiden;
haar besluiten ten uitvoer te leggen;
in naam van en onder verantwoordelijkheid aan de vergadering telkens terugkerende of spoedeisende zaken af te doen;
aan het moderamen ter afwikkeling opgedragen zaken ten einde te brengen; en
te verrichten hetgeen in de ordinanties der Kerk aan dit moderamen tot taak is gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
6

Van de vergaderingen van een kerkelijk lichaam worden notulen gehouden, welke na rondzending aan de leden of anders na voorlezing in de volgende vergadering, worden gearresteerd en ten blijke daarvan door voorzitter en secretaris ondertekend.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
7

Een kerkelijk lichaam vergadert — voorzover daarvoor in de ordinanties der Kerk geen bepaalde aanwijzingen zijn gegeven — ten tijde en ter plaatse door het lichaam, of, zo dit niet is geschied, door zijn voorzitter vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
8

De vergaderingen worden gehouden binnen de grenzen van het ressort van het betrokken lichaam, tenzij buitengewone omstandigheden of het voornemen om met een of meer lichamen uit een ander ressort gezamenlijk bijeen te komen, de vergadering telkens voor elk geval afzonderlijk anders doen besluiten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-9

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
9

Een bijeenkomst van een kerkelijk lichaam wordt — tenzij dit tegen een kortere termijn in een bepaald geval geen bezwaar maakt — tenminste zeven dagen tevoren bijeengeroepen, onder opgave van de zaken, die in behandeling zullen komen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-10

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
10

Een ambtelijke vergadering kan niet overgaan tot het nemen van besluiten over zaken en personen, tot het houden van verkiezingen of tot het doen van benoemingen, zo niet twee derde gedeelte der leden, waaruit zij moet bestaan, tegenwoordig is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-11

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
11

Wanneer een vergadering eenmaal wegens het ontbreken van het vereiste aantal leden is uiteengegaan, kan in een volgende vergadering de agenda van de uiteengegane vergadering, ongeacht het getal aanwezige leden, worden afgehandeld, mits tussen beide vergaderingen een tussenruimte ligt van voor de kerkeraad tenminste drie en voor de meerdere ambtelijke vergadering tenminste zeven dagen en die volgende vergadering, zo het de kerkeraad betreft, tenminste twee en anders tenminste vijf dagen tevoren opnieuw schriftelijk is bijeengeroepen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-12

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
12

Met inachtneming van hetgeen ter zake nader in de ordinanties der Kerk is bepaald, wordt de orde der vergadering, de volgorde van de te behandelen zaken en de wijze waarop dit geschiedt, behoudens bezwaar van de vergadering, verder door haar moderamen vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-13

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
13

Een ambtelijke vergadering kan tot haar bijeenkomsten uitnodigen degenen, wier voorlichting zij begeert.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-21-14

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 21.

De orde der vergaderingen.

Lid
14

Een meerdere ambtelijke vergadering kan op hun verzoek aan leden der Kerk toestaan, haar vergadering geheel of ten dele bij te wonen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-22-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 22.

De brede moderamina.

Lid
1

Voor de tijd, dat een classicale vergadering of provinciale kerkvergadering niet bijeen is, breidt zij haar moderamen uit tot een breed moderamen, hetgeen plaats vindt door voor een tijdvak van respectievelijk drie en vier jaren uit haar midden toe te voegen:
aan het moderamen der classicale vergadering vier leden, in dier voege, dat het breed moderamen is samengesteld uit drie predikanten, drie ouderlingen onder wie een kerkvoogd, een diaken en, met adviserende stem, de quaestor van de classis; en
aan dat van de provinciale kerkvergadering vier leden, in dier voege, dat het breed moderamen is samengesteld uit drie predikanten, drie ouderlingen, onder wie een kerkvoogd, en een diaken;
terwijl de synodus contracta tevens fungeert als breed moderamen der generale synode, onder delegatie, naar het bepaalde in het tweede lid van art. 26 dezer ordinantie, van de daarvoor in aanmerking komende werkzaamheden door de contracta aan haar moderamen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-22-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 22.

De brede moderamina.

Lid
2

De brede moderamina der ambtelijke vergaderingen zijn, nevens hetgeen het vijfde lid van art. 21 van deze ordinantie aan het moderamen tot taak stelt, in het bijzonder ook belast met het leiden en coördineren — in naam van, naar de lijnen getrokken door en in verantwoordelijkheid aan de ambtelijke vergaderingen — van de arbeid der organen van bijstand dier vergadering en verrichten voorts wat hun bij of krachtens de ordinanties der Kerk nog tot taak wordt gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
1

De organen van bijstand der ambtelijke vergaderingen zijn, onder de naam van kerkeraadscommissie, classicale commissie, provinciale commissie of raad, in opdracht en onder leiding van en in verantwoordelijkheid aan de ambtelijke vergaderingen dienstbaar aan de zorg der Kerk op een bepaald terrein des levens.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
2

De leden worden benoemd uit de lidmaten, binnen het territoir dier ambtelijke vergadering woonachtig, telkens voor gelijke duur als de zittingstijd van de leden dier vergadering, met dien verstande, dat in zulk een orgaan tenminste één lid zitting heeft van de ambtelijke vergadering, welke de benoeming doet.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
3

Tenzij bij ordinantie een andere regeling is getroffen, geschiedt de vaststelling van het getal en de wijze van benoeming van de leden der raden door de generale synode, die tevens van elke raad de voorzitter en de secretaris benoemt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
4

Met goedvinden van de generale synode kan een raad voor bepaalde onderdelen van het hem ter bewerking toegewezen arbeidsveld bijzondere raden of vaste commissies in het leven roepen, aan welke de zorg voor dat onderdeel kan worden gedelegeerd en op welke de voor de raden geldende bepalingen van overeenkomstige toepassing zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
5

De begroting van de organen van bijstand der meerdere vergaderingen en die van de door hen bestuurde instellingen behoeven de goedkeuring van de generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
6

Het breed moderamen der synode roept op gezette tijden de voorzitters en secretarissen der raden bijeen, om onder zijn leiding de taak, de arbeid en de gemeenschappelijke belangen der raden te bespreken en overleg te plegen over afbakening en aansluiting van hun aan elkandere grenzende arbeidsvelden en geeft, behoudens zijn verantwoordelijkheid aan de generale synode, bij verschil van inzicht tussen de raden onderling of tussen een of meer raden en het breed moderamen een eindbeslissing.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
7

Indien een provinciale kerkvergadering of een classicale vergadering, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van een meerdere ambtelijke vergadering, overgaat tot de instelling van een orgaan van bijstand voor een bepaald onderdeel van het kerkelijk leven, stelt zij het getal der leden van dat orgaan vast en gaat zij tot de benoeming van de leden over, met dien verstande, dat de helft of ten naaste bij de helft van deze leden wordt benoemd in overleg met de generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
8

De generale synode kan dit overleg delegeren aan de betrokken raad, terwijl de synode of die raad geacht wordt met de benoemingen, door de mindere vergaderingen voor het komende zittingstijdvak te doen, accoord te gaan, indien met dit overleg niet een aanvang is gemaakt vóór de eerste October van het lopende jaar of, bij het tussentijds ontstaan van vacatures, niet binnen vier weken na ontvangst van de door het breed moderamen dier ambtelijke vergadering daarvan aan de raad gedane mededeling.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-23-9

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 23.

De organen van bijstand.

Lid
9

Tenzij bij ordinantie anders is bepaald, geschiedt de vaststelling van het getal en de benoeming van de leden der organen van bijstand der kerkeraden door de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
1

In bijeenkomsten van kerkelijke lichamen wordt over zaken mondeling gestemd, tenzij de vergadering anders besluit.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
2

De leden stemmen hoofdelijk, tenzij de vergadering van algemene instemming met het aan de orde zijnde voorstel blijk geeft en geen der leden een hoofdelijke stemming verlangt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
3

De naar een meerdere vergadering afgevaardigde ambtsdragers kunnen door de ambtelijke vergadering, die hen afvaardigt — naast de geloofsbrief — van instructies worden voorzien, waarbij zij echter in het uitbrengen van hun stem worden vrijgelaten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
4

Elk lid is verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen, tenzij de vergadering hem om bijzondere redenen van die verplichting ontslaat, in welk geval zijn aanwezigheid bij de telling wordt veronachtzaamd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
5

Een voorstel is aangenomen, indien de volstrekte meerderheid — van het totaal der uitgebrachte stemmen — zich daarvoor verklaart.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
6

Bij staking van stemmen wordt een herstemming gehouden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
7

Staken de stemmen voor de tweede maal, dan wordt het voorstel in de volgende vergadering opnieuw in stemming gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-24-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 24.

Besluitvorming over zaken.

Lid
8

Staken de stemmen in die vergadering wederom, dan wordt het voorstel geacht te zijn verworpen of — in zaken van kerkelijk opzicht — ten gunste van de betrokkene te zijn beslist.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
1

Stemmingen in vergaderingen van lidmaten en van kerkelijke lichamen ter verkiezing of benoeming van personen geschieden door de ter vergadering aanwezige stemhebbende leden met gesloten briefjes.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
2

Evenwel kunnen leden van organen en commissies alsmede functionarissen zonder schriftelijke stemming worden benoemd, zo uit de vergadering daartegen geen bezwaar wordt gemaakt en daarvoor door de voorzitter of uit de vergadering niet meer dan één candidaat wordt aanbevolen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
3

Voor de vervulling van elke vacature moet afzonderlijk worden gestemd, tenzij een vergadering uit meer dan twintig leden bestaat of meer dan vijf stemmingen tegelijk moeten worden gehouden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
4

Ter beslissing wordt gevorderd de volstrekte meerderheid der uitgebrachte geldige stemmen, waarbij blanco stemmen niet meetellen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
5

Wordt deze meerderheid bij eerste stemming niet bereikt, dan vindt een tweede vrije stemming plaats.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
6

Indien ook deze tweede stemming niet de vereiste meerderheid oplevert, wordt — zo nodig na een tussenstemming — een herstemming gehouden tussen tweemaal zoveel personen, als er plaatsen moeten worden vervuld, uit hen, die bij de laatste stemming de meeste stemmen behaalden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
7

Staken daarbij de stemmen, dan wordt de in leeftijd oudste dier personen geacht te zijn gekozen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-25-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 25.

Stemmingen over personen.

Lid
8

Voor het geval niet voor elke vacature afzonderlijk wordt gestemd, worden, zo een groter aantal personen de volstrekte meerderheid heeft verkregen dan er plaatsen te vervullen zijn, zij geacht te zijn gekozen, die achtereenvolgens de meeste stemmen op zich hebben verenigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-26-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 26.

Overdracht van werkzaamheden.

Lid
1

Een kerkelijk lichaam kan aan door haar benoemde commissies, onder verantwoordelijkheid aan en van dat lichaam in zijn geheel, opdragen, werkzaamheden op een bepaald terrein namens dat lichaam te verrichten, daaromtrent besluiten te nemen en deze ten uitvoer te leggen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-26-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 26.

Overdracht van werkzaamheden.

Lid
2

Van de in het vorig lid van dit artikel genoemde bevoegdheid maken inzonderheid ook de brede moderamina der ambtelijke vergaderingen gebruik om, ter bevordering van een goede gang van zaken en naar door hen gegeven richtlijnen, aan het moderamen de tenuitvoerlegging op te dragen van op het breed moderamen rustende werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
1

De generale synode benoemt een secretaris voor algemene zaken, aan wie onder verantwoordelijkheid aan het breed moderamen der generale synode is opgedragen de secretaris-generaal bij te staan en te vervangen, bij het voeren van het secretariaat van de generale synode, haar breed moderamen en haar moderamen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
2

De voorziening in de waaarneming van de verdere arbeid van de secretaris-generaal geschiedt van geval tot geval door het breed moderamen der generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
3

Indien de omvang van het werk van een orgaan van bijstand der synode leidt tot de benoeming van een secretaris buiten de leden, wordt, tenzij het breed moderamen der synode in een bepaald geval een andere regeling treft, deze secretaris als zodanig, met een bijzondere opdracht, verbonden aan het secretariaat-generaal der Kerk en is het betrokken secretariaat of bureau gevestigd terzelfder plaatse als het secretariaat der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
4

De plaats, waar het secretariaat of bureau van andere kerkelijke lichamen zal gevestigd zijn, wordt bepaald door het lichaam, dat de secretaris van dat orgaan benoemt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-5

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
5

Met uitzondering van de scriba der classicale vergadering, die steeds een concluderende stem uitbrengt, heeft de scriba of secretaris van een kerkelijk lichaam, die voor die arbeid een vergoeding ontvangt, in de vergadering van dat lichaam en van deszelfs breed moderamen een adviserende en in die van het moderamen een concluderende stem.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-6

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
6

De generale synode kan bij generale regeling ten behoeve van de Kerk in haar geheel instituten in het leven roepen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-7

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
7

Deze generale regeling bevat in ieder geval
a. een omschrijving van het arbeidsveld en de taak van zulk een instituut;
b. de instelling van een curatorium van of commissie van toezicht op dat instituut, waarvan de leden — al of niet op voordracht of aanbeveling van derden — door de generale synode worden benoemd;
c. de bepaling, dat de financiële opzet en de begroting van zulk een instituut de voorafgaande goedkeuring behoeven van de generale financiële raad;
d. nadere bepalingen omtrent de verhouding tot en de samenwerking van zulk een instituut met het generale secretariaat der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-8

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
8

In elk geval zal er ten behoeve van de Kerk in haar geheel zulk een instituut zijn voor sociologische onderzoekingen ten dienste van de Kerk en voor de kerkelijke statistiek.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-9

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
9

Het instituut voor sociologische onderzoekingen ten dienste van de Kerken voor de kerkelijke statistiek heeft tot taak:
de gegevens bijeen te brengen, die kunnen bijdragen tot een beter inzicht in het leven en werken der Kerk; en
deze gegevens te bewerken en gereed te maken voor gebruik door de generale synode en de andere lichamen der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-27-10

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 27.

Secretariaten en instituten.

Lid
10

Het instituut kan bij alle lichamen der Kerk schriftelijke enquêtes houden en ontvangt op zijn verzoek van deze lichamen de inlichtingen en gegevens, die het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze van node heeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-28-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 28.

De raad voor de zaken van pers en publiciteit.

Lid
1

Ten behoeve van de Kerk in haar geheel en van de organen van bijstand in het bijzonder is er een raad voor de zaken van pers en publiciteit, die tot taak heeft de pers met voorlichting te dienen en de kerkelijke publiciteit te verzorgen, onder meer door het doen uitgeven van periodieken en geschriften, die de Kerk kunnen dienen in de vervulling van haar apostolische, pastorale en diaconale opdracht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-28-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 28.

De raad voor de zaken van pers en publiciteit.

Lid
2

De inrichting en werkwijze van de raad en de benoeming van zijn leden worden geregeld bij generale regeling.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-29-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 29.

Jaaroverzichten.

Lid
1

Elk door een ambtelijke vergadering benoemd lichaam doet, tenzij deze vergadering een andere termijn stelt, vóór de eerste April aan en ter behandeling door die vergadering een overzicht toekomen van de gang van zaken op het aan dat lichaam toevertrouwde arbeidsveld in het afgelopen kalenderjaar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-29-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 29.

Jaaroverzichten.

Lid
2

Mede aan de hand van jaaroverzichten, tot dat doel door de brede moderamina van de provinciale kerkvergaderingen opgesteld, geeft het breed moderamen der generale synode jaarlijks een samenvattend overzicht over de gang van het leven der Kerk in het afgelopen jaar en brengt dit ter kennis van de Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-30-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 30.

Afkondigingen en bekendmakingen.

Lid
1

De kerkeraad doet zijn afkondigingen in de kerkdienst en regelt de wijze, waarop zijn bekendmakingen in de gemeente plaats vinden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-30-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 30.

Afkondigingen en bekendmakingen.

Lid
2

De overige vergaderingen en organen der Kerk doen hun officiële mededelingen in een der daarvoor door het breed moderamen der synode aangewezen bladen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-30-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 30.

Afkondigingen en bekendmakingen.

Lid
3

Indien krachtens besluit van de kerkeraad of ingevolge een voorschrift uit of krachtens enige ordinantie een bepaald stuk ter inzake van de leden der gemeente wordt gelegd, geschiedt dit voor een in de bekendmaking te bepalen tijdvak op een daarvoor naar redelijkheid aan te wijzen plaats en wordt zulks op een der wijzen als bedoeld in het eerste lid van dit artikel tenminste zeven dagen te voren ter kennis van de leden der gemeente gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-31-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 31.

Kennisgevingen van verkiezingen en benoemingen.

Lid
1

Elke ambtelijke vergadering, die een afgevaardigde heeft aangewezen naar een meerdere vergadering, geeft daarvan terstond kennis aan de scriba van het breed moderamen dier meerdere vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-31-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 31.

Kennisgevingen van verkiezingen en benoemingen.

Lid
2

Elke meerdere ambtelijke vergadering zendt telken jare in de maand Januari een lijst — en in de maand Juli een opgave van de daarin gekomen wijzigingen — van de leden, secundi en tertii der ambtelijke vergadering, van haar breed moderamen en van haar organen van bijstand aan het breed moderamen der opvolgende meerdere vergadering en aan de scriba van het breed moderamen der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-31-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VI. Algemene bepalingen.

Artikel 31.

Kennisgevingen van verkiezingen en benoemingen.

Lid
3

De scriba van het breed moderamen der synode doet telken jare in de maand Februari een naamlijst het licht zien van allen, die zijn afgevaardigd naar een meerdere ambtelijke vergadering of deel uitmaken van een breed moderamen of een orgaan van bijstand van zulk een vergadering en publiceerd in de maand Augustus de daarin gekomen wijzigingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1.VII.

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VII. Indeling van de gemeenten in ringen en classes en van de gemeenten en classes in kerkprovincies.

Artikel
32-33

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-32-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VII. Indeling van de gemeenten in ringen en classes en van de gemeenten en classes in kerkprovincies.

Artikel 32.

De kerkelijke indeling.

Lid
1

De gemeenten worden samengevoegd tot ringen en classes en de gemeenten en classes tot kerkprovincies naar een indeling, voor de eerste maal tegelijk met de kerkorde en krachtens de daarvoor gestelde regelen vastgesteld, en nadien bij gebleken behoefte gewijzigd op de wijze aangegeven in art. 33 van deze ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-33-1

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VII. Indeling van de gemeenten in ringen en classes en van de gemeenten en classes in kerkprovincies.

Artikel 33.

Wijziging van de kerkelijke indeling.

Lid
1

Wijziging in de samenvoeging van gemeenten tot ringen vindt plaats door het breed moderamen der classicale vergadering, onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-33-2

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VII. Indeling van de gemeenten in ringen en classes en van de gemeenten en classes in kerkprovincies.

Artikel 33.

Wijziging van de kerkelijke indeling.

Lid
2

Wijziging in de samenvoeging van gemeenten tot classes geschiedt door het breed moderamen der provinciale kerkvergaderingen onder goedkeuring van het breed moderamen der synode of — zo hierbij meer dan een kerkprovincie is betrokken — door het breed moderamen der synode, de brede moderamina dier kerkprovincies gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-33-3

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VII. Indeling van de gemeenten in ringen en classes en van de gemeenten en classes in kerkprovincies.

Artikel 33.

Wijziging van de kerkelijke indeling.

Lid
3

Wijziging in de samenvoeging van classes tot kerkprovincies geschiedt door het breed moderamen der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 1-33-4

Ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

 

VII. Indeling van de gemeenten in ringen en classes en van de gemeenten en classes in kerkprovincies.

Artikel 33.

Wijziging van de kerkelijke indeling.

Lid
4

Wijzigingen in de kerkelijke indeling worden niet aangebracht dan op verzoek van of na overleg met de betrokken kerkeraden, brede ministeries of brede moderamina der classicale vergadering of provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten

 

I.  Gewone gemeenten.
1. Wie tot een gemeente behoren.
2. Het register van gemeenteleden.
3. Het bijhouden van het doop-, lidmaten- en trouwboek.
4. De vorming van nieuwe gemeenten.
5. De grenzen der gemeenten.
6. Samenvoeging.
7. Combinatie.
8. Ringen van gemeenten.

II. Centrale gemeenten.
9. De vorming van centrale gemeenten.
10. De wijkgemeente.
11. De wijkkerkeraad.
12. De werkzaamheden van de wijkkerkeraad.
13. De centrale gemeente.
14. De centrale kerkeraad.
15. De werkzaamheden van de centrale kerkeraad.
16. Buurtgemeenten.
17. Regionale kerkelijke commissies.

III. Buitengewone gemeenten.
18. Gestichtsgemeenten.
19. Schippersgemeenten.
20. Gemeenten in het buitenland.
21. Gemeenten in wording.
22. Gemeenten in herstel.

IV. Bijzondere verbanden van gemeenten.
23. Gemeenten in bijzonder verband.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2.I.

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel
1-8

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-1-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 1.

Wie tot een gemeente behoren.

Lid
1

Elke gemeente heeft haar door de Kerk vastgestelde grenzen en wordt — naar de indeling, bedoeld in art. 32 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen — aangeduid als de Hervormde Gemeente te ......

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-1-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 1.

Wie tot een gemeente behoren.

Lid
2

Tot een bepaalde gemeente behoren alle leden, die binnen haar grenzen hun vaste woonplaats hebben.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-1-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 1.

Wie tot een gemeente behoren.

Lid
3

Deze allen blijven tot haar behoren, zolang zij niet door verandering van woonplaats in een andere gemeente worden opgenomen, naar het buitenland vertrekken, tot een andere kerkgemeenschap overgaan, door een uitdrukkelijke schriftelijke verklaring aan de kerkeraad zich van de gemeenschap der Kerk afscheiden of bij bijzondere maatregel tot handhaving van de kerkelijke tucht van haar gemeenschap zijn afgesneden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-1-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 1.

Wie tot een gemeente behoren.

Lid
4

Leden der Nederlandse Hervormde Kerk die naar het buitenland vertrekken en zich daar niet kunnen aansluiten bij een in haar verband opgenomen Hervormde gemeente of bij een verwante Kerk en zij, die in gelijke omstandigheden leden der Kerk worden, kunnen in een daartoe door het breed moderamen van de generale synode bijgehouden register van leden en lidmaten der Nederlandse Hervormde Kerk worden opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-2-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 2.

Het register van gemeenteleden.

Lid
1

Van de leden der gemeente wordt door het college van kerkvoogden een kaartregister bijgehouden, ingericht naar een der door het generaal college van toezicht aangewezen modellen en bevattende van elk lid de gegevens omtrent doop, belijdenis, huwelijk, gezinsverband en werkkring.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-2-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 2.

Het register van gemeenteleden.

Lid
2

Het register der gemeenteleden wordt regelmatig bijgehouden met behulp van de gegevens over de plaats gevonden hebbende verhuizingen en veranderingen in de gezinnen, verkregen van de andere gemeenten der Kerk en uit het burgerlijk bevolkingsregister ter plaatse.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-2-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 2.

Het register van gemeenteleden.

Lid
3

Bij het vertrek van een lid der gemeente naar elders wordt de betrokken kaart of een copie daarvan met de mededeling van de verhuizing toegezonden aan het college van kerkvoogden der gemeente van vestiging met de gegevens, die het consistorie dienstig oordeelt daaraan toe te voegen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-2-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 2.

Het register van gemeenteleden.

Lid
4

Bij generale regeling kan worden bepaald, dat het inrichten en bijhouden van de registers der gemeenteleden van een aantal gemeenten tezamen zal geschieden op een door de generale synode in het leven geroepen of aangewezen regionaal of provinciaal bureau.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-2-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 2.

Het register van gemeenteleden.

Lid
5

Deze generale regeling zal in elk geval de bepaling bevatten
a. dat de kosten van zulk een bureau door de deelnemende gemeenten naar evenredigheid zullen worden gedragen; en
b. dat zulk een bureau — behalve voor het vertrekken van statistische gegevens voor het toezicht, de kerkvisitatie of de ten uitvoerlegging van hetgeen bij ordinantie is voorgeschreven — van de te zijner beschikking staande gegevens en adressen ener gemeente geen gebruik zal mogen maken, dan met goedkeuring, naar gelang van het betrokken arbeidsveld, van de kerkeraad of van het college van kerkvoogden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-2-6

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 2.

Het register van gemeenteleden.

Lid
6

Op verzoek van een lidmaat geeft de kerkeraad een aan de kerkeraad der gemeente, van welke de lidmaat gaat deel uitmaken, gerichte attestatie af als bedoeld in art. 3 van de ordinantie voor de bediening van het Heilig Avondmaal.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-3-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 3.

Het bijhouden van het doop-, lidmaten- en trouwboek.

Lid
1

De namen van hen, die zijn gedoopt, van hen, die onder de belijdende leden zijn opgenomen of met attestatie tot de gemeente zijn overgekomen, en van hen, wier huwelijk is bevestigd en ingezegend, worden door het college van kerkvoogden ingeschreven in het doopboek, het lidmatenboek of het trouwboek, terwijl bij vertrek of overlijden en verlies van het lidmaatschap daarvan aantekening geschiedt in het lidmatenboek.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-3-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 3.

Het bijhouden van het doop-, lidmaten- en trouwboek.

Lid
2

Deze boeken worden ingericht naar een door het breed moderamen der synode daarvoor vastgesteld model, in duplo bijgehouden en ten minste eenmaal per maand bijgewerkt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-3-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 3.

Het bijhouden van het doop-, lidmaten- en trouwboek.

Lid
3

Het tweede exemplaar van deze boeken wordt bewaard op een plaats tenminste 200 meter gelegen van die, waar het eerste exemplaar wordt bewaard.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-3-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 3.

Het bijhouden van het doop-, lidmaten- en trouwboek.

Lid
4

Het generaal college voor toezicht kan voor het bewaren van deze boeken, alsmede voor het register van de gemeenteleden, bedoeld in art. 2 dezer ordinantie, nadere voorschriften geven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
1

Het verzoek tot vorming van een nieuwe gemeente wordt — hetzij door belanghebbende lidmaten, hetzij door een of meer der betrokken kerkeraden — gericht tot het breed moderamen der classicale vergadering, dat hierover, onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, een beslissing neemt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
2

Is het territoir der nieuw te vormen gemeente in meer dan een classis gelegen, dan beslist het breed moderamen der provinciale kerkvergadering hierover, de brede moderamina der betrokken classicale vergaderingen gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
3

Ligt het territoir in meer dan één kerkprovincie, dan beslist het breed moderamen der synode, de brede moderamina der betrokken classicale vergaderingen en der provinciale kerkvergaderingen gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
4

Het verzoek gaat gepaard met een aanvrage tot vestiging van een afzonderlijke of gecombineerde predikantsplaats en wordt vergezeld van
een kaart, waarop de grenzen der nieuwe gemeente en der betrokken gemeenten zijn aangegeven;
een opgave van het aantal lidmaten en leden der nieuwe en der betrokken gemeenten;
een mededeling van de wijze, waarop de nieuwe gemeente zich voorstelt te voorzien in de gebouwen of lokalen voor de kerkdiensten en de pastorale zorg;
een overzicht over de financiën der nieuwe gemeente en van de wijze waarop de benodigde gelden worden verkregen; en
een ontwerp-regeling inzake de verdeling van de kerkelijke en diaconale bezittingen en schulden der betrokken gemeenten alsmede van de pastoralia, goedgekeurd door de provinciale colleges van toezicht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
5

Het breed moderamen wint over het verzoek het oordeel in van de betrokken kerkeraden, stelt de betrokken lidmaten in de gelegenheid hun oordeel kenbaar te maken, kan bij zijn beslissing ten behoeve van die gemeenten bepaalde overgangsmaatregelen treffen, en besluit bij een gunstige beslissing op het verzoek tevens tot de vestiging van de aangevraagde predikantsplaats.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-6

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
6

Een nieuwe gemeente wordt, overeenkomstig de bepalingen van art. 33 der ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, door het breed moderamen tevens ingedeeld bij een ring, classis en kerkprovincie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-7

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
7

Zolang de nieuwe gemeente nog geen eigen ambtsdragers heeft, doet het breed moderamen der classicale vergadering daar wat des kerkeraads is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-4-8

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 4.

De vorming van nieuwe gemeenten.

Lid
8

Ontstaat door landaanwinning of op andere wijze een nieuw gebied, dan treft het breed moderamen der synode voor de kerkelijke indeling en inrichting daarvan een voorlopige regeling en stelt het later het tijdstip vast, waarop voor dit gebied of bepaalde delen daarvan de bepalingen dezer ordinantie van kracht worden, onder gelijktijdige indeling ervan in of bij een of meer ringen, classes en kerkprovincies, na deze te hebben gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-5-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 5.

De grenzen der gemeenten.

Lid
1

Het breed moderamen der classicale vergadering houdt op daartoe bestemde kaarten aantekening van de geographische grenzen van elke gemeente en is onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering mede bevoegd, gehoord de provinciale kerkvoogdijcommissie en de provinciale diaconale commissie, wijziging in deze grenzen aan te brerngen op verzoek van de kerkeraad of van lidmaten van een gemeente, die daarbij een redelijk belang hebben, waarbij naast overwegingen van geestelijke of maatschappelijke aard, ook rekening wordt gehouden met de aanwas van bevolking, de ligging van kerk- en dienstgebouwen en de mogelijkheden van verkeer.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-5-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 5.

De grenzen der gemeenten.

Lid
2

Het breed moderamen der classicale vergadering hoort de kerkeraden der betrokken gemeenten en stelt de betrokken lidmaten in de gelegenheid hun oordeel kenbaar te maken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-5-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 5.

De grenzen der gemeenten.

Lid
3

De ambtsdragers en stembevoegde leden, die tengevolge van een grenswijziging deel zullen uitmaken van een andere gemeente, verliezen op de dag van die grenswijziging hun bevoegdheden in de oude gemeente, doch zijn in hun nieuwe gemeente aanstonds stembevoegd en verkiesbaar tot ambtsdrager, terwijl hun namen terstond in het register van tot stemmen bevoegde lidmaten worden opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-5-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 5.

De grenzen der gemeenten.

Lid
4

Bij wijziging van de grenzen ener gemeente kan ook haar indeling bij ring en classis aan een wijziging worden onderworpen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-5-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 5.

De grenzen der gemeenten.

Lid
5

Zijn de gemeenten, welker grenzen gewijzigd worden, in verschillende classes gelegen, dan geschiedt deze wijziging door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering of — zo zij zijn gelegen in verschillende kerkprovincies — door het breed moderamen der synode, de brede moderamina der provinciale kerkvergaderingen gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-6-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 6.

Samenvoeging.

Lid
1

Op verzoek van de betrokken kerkeraden kan het breed moderamen der classicale vergadering, nadat ook de lidmaten der betreffende gemeenten gelegenheid hebben gehad hun oordeel kenbaar te maken, onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, twee of meer aangrenzende gemeenten samenvoegen tot een nieuwe gemeente, waarbij dit moderamen — tenzij deze samenvoeging plaats vindt om de daaruit ontstane gemeente in wijkgemeenten in te delen — gehoord de provinciale kerkvoogdijcommissie en de provinciale diaconale commissie, na overleg met de betrokken kerkeraden, tevens een regeling treft over de samenstelling van de kerkeraad, voor de diaconale en andere bezittingen der gmeenten, voor haar verdere financiële aangelegenheden en terzake van hetgeen verder voor regeling in aanmerking komt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-6-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 6.

Samenvoeging.

Lid
2

De tot stemmen bevoegde lidmaten van de samengevoegde gemeenten zijn in de nieuwe gemeente terstond stembevoegd en verkiesbaar tot ambtsdrager, waartoe zij na de samenvoeging in de lijst van tot stemmen bevoegde lidmaten worden opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-6-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 6.

Samenvoeging.

Lid
3

Bij de samenvoeging van gemeenten kan tevens haar indeling bij ring en classis aan een wijziging worden onderworpen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-6-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 6.

Samenvoeging.

Lid
4

Samenvoeging van gemeenten, behorende tot meer dan een classis, geschiedt door het breed moderamen der provinciale kerkvergadering of — zo zij in verschillende kerkprovincies zijn gelegen — door het breed moderamen der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-7-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 7.

Combinatie.

Lid
1

Bij twee of meer gemeenten kunnen een of meer gemeenschappelijke predikantsplaatsen worden gevestigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-7-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 7.

Combinatie.

Lid
2

Zulk een combinatie komt tot stand op verzoek van de kerkeraden der gemeenten, onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, bij besluit van het breed moderamen der classicale vergadering, de provinciale kerkvoogdijcommissie gehoord, nadat tussen de kerkeraden en laatstgenoemd moderamen overeenstemming is verkregen over een onderlinge overeenkomst tussen die kerkeraden, waarin onder meer een voorziening wordt getroffen ten aanzien van
plaats, verdeling en tijdstip van de gewone en bijzondere kerkdiensten en de regeling daarvan, zo de predikant wordt geroepen een vacaturebeurt te vervullen;
de indeling van het pastorale werk;
de door de predikant te betrekken ambtswoning of de gemeente, waar hij zijn woonplaats dient te hebben;
het aandeel van elke gemeente in de keuze van de predikant;
het aandeel van elke gemeente in de verplichtingen jegens de predikantsplaats; en
de overige gemeenschappelijk te dragen kosten uit de combinatie voortvloeiende.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-7-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 7.

Combinatie.

Lid
3

Nadat het overleg met het rijk over de cumulatie van de betrokken rijkstraktementen is ten einde gebracht en over de inhoud van de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid van dit artikel, overeenstemming is verkregen en de kerkeraden schriftelijk hebben verklaard zich en hunne gemeenten daardoor gebonden te weten, gaat de combinatie op een door het breed moderamen der classicale vergadering vast te stellen datum in.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-7-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 7.

Combinatie.

Lid
4

Onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering kunnen, met goedvinden van alle bij de overeenkomst betrokkenen, in deze overeenkomst wijzigingen worden aangebracht of kan de combinatie op verzoek van een of meer der kerkeraden worden beëindigd, indien naar het oordeel van het breed moderamen der classicale vergadering, de provinciale kerkvoogdijcommissie gehoord, daartoe gegronde redenen bestaan en een voor alle kerkeraden redelijke oplossing is gevonden ten aanzien van de betrokken predikantsplaats(en), van de daaraan verbonden inkomsten en van de predikant, die daarop mocht zijn gevestigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-7-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 7.

Combinatie.

Lid
5

In een combinatie kunnen de kerkeraden gemeenschappelijke kerkdiensten houden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-7-6

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 7.

Combinatie.

Lid
6

Bij het vormen van een combinatie worden de betrokken gemeenten — zo dit nog niet het geval is — steeds bij één ring ingedeeld en kan de indeling der betrokken gemeenten bij ring en classis aan een wijziging worden onderworpen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-7-7

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 7.

Combinatie.

Lid
7

De vorming van een combinatie tussen gemeenten, gelegen in meer dan één classis, geschiedt bij besluit van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering of, zo zij zijn gelegen in meer dan één kerkprovincie, bij besluit van het breed moderamen der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-8-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

I. Gewone gemeenten.

Artikel 8.

Ringen van gemeenten.

Lid
1

In elkanders nabijheid gelegen gemeenten of wijkgemeenten in een classis zijn, naar de indeling krachtens de artikelen 32 en 33 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, samengevoegd tot een ring van gemeenten, met het oog op de samenwerking op daarvoor in aanmerking komende terreinen van het kerkelijk leven, deze gemeenten betreffende, terwijl de Waalse gemeenten een afzonderlijke ring vormen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2.II.

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel
9-17

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-9-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 9.

De vorming van centrale gemeenten.

Lid
1

In gemeenten met meer dan een predikantsplaats voor gewone werkzaamheden zijn er, behoudens de in dit hoofdstuk aangegeven uitzonderingen, evenveel wijkgemeenten als er zulke predikantsplaatsen zijn, welke wijkgemeenten tezamen de centrale gemeente vormen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-9-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 9.

De vorming van centrale gemeenten.

Lid
2

Aan gemeenten met twee of drie predikantsplaatsen voor gewone werkzaamheden kan het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, op verzoek van de kerkeraad en het breed moderamen der classicale vergadering gehoord, telkens voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaren, ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-9-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 9.

De vorming van centrale gemeenten.

Lid
3

Aan gemeenten met meer dan drie predikantsplaatsen voor gewone werkzaamheden, waar uit hoofde van bijzondere omstandigheden ernstige bezwaren bestaan tegen de vorming van wijkgemeenten naar het eerste lid van dit artikel, kan het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, het breed moderamen der classicale vergadering gehoord, telkens voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaren, toestemming verlenen tot het vormen van een of meer wijkgemeenten met twee of drie predikanten voor gewone werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-9-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 9.

De vorming van centrale gemeenten.

Lid
4

Indien aan een gemeente toestemming is verleend tot de vorming van een wijkgemeente met twee of drie predikantsplaatsen, kan haar tevens worden toegestaan, dat bij de vaststelling van het getal kerkvoogden en diakenen dier wijkgemeente ten aanzien van de tweede en derde predikant niet het minimum geldt, aangegeven in het vierde lid van art. 1 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-9-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 9.

De vorming van centrale gemeenten.

Lid
5

Indien bij een gemeente, die een ontheffing of toestemming, als bedoeld in het tweede of derde lid van dit artikel, heeft verkregen, een nieuwe predikantsplaats voor gewone werkzaamheden wordt gevestigd, wordt door het breed moderamen der classicale vergadering tegelijkertijd aan het breed moderamen der provinciale kerkvergadering de vraag voorgelegd, of het redenen aanwezig acht om deze ontheffing of toestemming tussentijds in te trekken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-9-6

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 9.

De vorming van centrale gemeenten.

Lid
6

Zijn in een gemeente met meer dan één predikantsplaats voor gewone werkzaamheden geen wijkgemeenten gevormd, dan wordt zij — evenals een wijkgemeente met meer dan één predikantsplaats — voor de toepassing van de bij of krachtens ordinantie gestelde regelen gelijkgesteld met een gemeente met één predikantsplaats, tenzij enige bepaling in een bepaald geval het tegendeel aangeeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-9-7

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 9.

De vorming van centrale gemeenten.

Lid
7

Tenzij uit enige bepaling van een ordinantie of generale regeling het tegendeel blijkt, zijn de artikelen dezer ordinantie betreffende gewone gemeenten, ook van toepassing op centrale gemeenten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-10-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 10.

De wijkgemeente.

Lid
1

Tenzij uit enige bepaling van ordinantie, generale of plaatselijke regeling blijkt, dat daarmede in een bepaald geval de centrale gemeente of de centrale kerkeraad is bedoeld, gelden de daarin voorkomende bepalingen inzake gemeente of kerkeraad voor de wijkgemeente of de wijkkerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-10-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 10.

De wijkgemeente.

Lid
2

Tot een wijkgemeente behoren alle leden, die binnen haar grenzen hun vaste woonplaats hebben.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-10-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 10.

De wijkgemeente.

Lid
3

In een in wijkgemeenten ingedeelde gemeente worden, wanneer in de ordinanties der Kerk sprake is van tot stemmen bevoegde lidmaten der gemeente, daaronder verstaan de tot stemming bevoegde lidmaten van de wijkgemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-10-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 10.

De wijkgemeente.

Lid
4

Bij verhuizing naar een andere tot de centrale gemeente behorende wijkgemeente, gaan de stembevoegdheid in de wijkgemeente van vertrek en de bevoegdheid om daar tot het dragen van een ambt te worden geroepen, verloren om in de wijkgemeente van vestiging terstond te worden herkregen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-10-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 10.

De wijkgemeente.

Lid
5

De wijkgemeente kiest uit haar lidmaten ouderlingen — onder wie kerkvoogden — en diakenen, die met de predikant de wijkkerkeraad vormen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-10-6

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 10.

De wijkgemeente.

Lid
6

Zolang twee of meer wijkgemeenten tezamen zijn aangewezen op het gebruik van een kerk- of dienstgebouw, treft de centrale kerkeraad een regeling voor het gebruik daarvan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-11-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 11.

De wijkkerkeraad.

Lid
1

Het getal der leden van de wijkerkeraad wordt bepaald door de centrale kerkeraad met een minimum van zes ouderlingen, van wie drie kerkvoogden, en drie diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-11-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 11.

De wijkkerkeraad.

Lid
2

Voor de tijd, dat het getal leden van een wijkkerkeraad door vacature of anderszins tijdelijk tot beneden twee derde is gedaald, wijst de centrale kerkeraad uit zijn midden een ouderling en een diaken aan, bij wier tegenwoordigheid en met wier medewerking aan het vereiste omtrent het quorum geacht wordt te zijn voldaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-11-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 11.

De wijkkerkeraad.

Lid
3

De ouderling of diaken ener wijkgemeente, die ophoudt binnen haar grenzen zijn vaste woonplaats te hebben, wordt — behoudens door de centrale kerkeraad te geven dispensatie — geacht zijn ambt te hebben neergelegd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-11-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 11.

De wijkkerkeraad.

Lid
4

Indien in een wijkgemeente niet voldoende ambtsdragers te vinden zijn, kan de centrale kerkeraad voor elk geval afzonderlijk en voor een tijdvak van ten hoogste vier jaren ontheffing verlenen van de bepaling, dat de ambtsdrager binnen de grenzen der wijkgemeente woonachtig moet zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-11-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 11.

De wijkkerkeraad.

Lid
5

Indien voor de eerste maal tot de vorming van wijkgemeenten wordt overgegaan, blijft de kerkeraad zijn werkzaamheden verrichten, tot de wijkkerkeraden zijn gevormd, hetzij door de verkiezing van nieuwe leden, hetzij door overgang van de zittende leden naar de wijkkerkeraden, onder aanvulling van de daarna nog openstaande plaatsen, een en ander naar bepalingen, op te nemen in de plaatselijke regeling, bedoeld in het eerste lid van art. 13 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-12-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 12.

De werkzaamheden van de wijkkerkeraad.

Lid
1

Aan de wijkkerkeraad is toevertrouwd
de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten;
de pastorale zorg over de wijkgemeente;
het opzicht over belijdenis en wandel van de leden der wijkgemeente;
het afgeven van attestaties en van de verklaringen nodig voor de bediening van de doop of het doen van belijdenis in een andere (wijk)gemeente der Kerk;
de zorg voor de catechese en het afnemen van de belijdenis des geloofs;
de zorg voor het jeugdwerk, waaronder die voor de zondagsschool, de kinderkerk, de jeugdkerk en de arbeid onder de jonge lidmaten;
de diaconale zorg in de wijkgemeente, voorzover deze niet berust bij het centraal college van diakenen;
het werk der zending;
de arbeid onder hen, die buiten het kerkelijk leven staan;
en voorts
alle overige zaken, die naar de orde der Kerk behoren tot het arbeidsveld van de kerkeraad en niet krachtens ordinantie, generale of plaatselijke regeling behoren tot de taak van de centrale kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-12-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 12.

De werkzaamheden van de wijkkerkeraad.

Lid
2

Indien bijzondere plaatselijke omstandigheden dit noodzakelijk maken, kunnen onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, het breed moderamen van de classicale vergadering gehoord, in de plaatselijke regeling, telkens niet langer dan voor een tijdvak van vijf jaren, een of meer wijzigingen worden aangebracht in de verdeling van de werkzaamheden over de wijkkerkeraden en de centrale kerkeraad, aangegeven in de artikelen 12 en 15 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-13-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 13.

De centrale gemeente.

Lid
1

Met inachtneming van de bepalingen terzake in de ordinanties gesteld, geschiedt de vorming en inrichting van een centrale gemeente, evenals de vaststelling van de  grenzen der wijkgemeente, verder bij plaatselijke regeling.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-13-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 13.

De centrale gemeente.

Lid
2

Deze plaatselijke regeling wordt, onder goedkeuring van het breed moderamen van de classicale vergadering, vastgesteld en zo nodig gewijzigd door de kerkeraad of — in centrale gemeenten — door de daartoe in vergadering bijgeengekomen ambtsdragers van de wijkgemeenten en bevat tevens bepalingen over het bijeenroepen van deze vergadering van ambtsdragers, waarin als praeses, assessor en scriba fungeren de praeses, assessor en scriba van de centrale kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-13-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 13.

De centrale gemeente.

Lid
3

In de centrale gemeente is een centrale kerkeraad, benoemd door en uit de — daartoe in vergadering bijeengekomen — ambtsdragers der wijkgemeenten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-13-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 13.

De centrale gemeente.

Lid
4

In centrale gemeenten met minder dan vier wijkgemeenten kan bij plaatselijke regeling worden bepaald, dat de centrale kerkeraad bestaat uit alle ambtsdragers van de wijkgemeenten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-13-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 13.

De centrale gemeente.

Lid
5

De vergadering van ambtsdragers kan ook bijeenkomen ter bespreking van voor de centrale gemeente van bijzonder belang zijnde aangelegenheden, indien de centrale kerkeraad daartoe besluit, of tenminste een vierde deel van het getal der wijkkerkeraden een gemotiveerd verzoek daartoe bij de centrale kerkeraad indient.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
1

Het getal der leden van de centrale kerkeraad wordt in de plaatselijke regeling vastgesteld, met dien verstande, dat daarin evenveel predikanten als ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn, zitting hebben en half zoveel diakenen en half zoveel kerkvoogden als ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn, en wel uit elke wijkgemeente tenminste één ambtsdrager.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
2

Voor de predikant-leden van de centrale kerkeraad wordt zo mogelijk en voor de overige leden in elk geval een secundus en een tertius aangewezen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
3

Indien naast een predikant met een bepaalde opdracht een orgaan van bijstand is ingesteld, wordt dit ten aanzien van de vertegenwoordiging in de centrale kerkeraad gelijk gesteld met een wijkgemeente door afvaardiging van een ambtsdrager uit dit orgaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
4

De leden en plaatsvervangende leden van de centrale kerkeraad worden benoemd voor een tijdvak van vier jaren, terwijl op de dag van aftreding in elk oneven kalenderjaar de helft of ten naaste bij de helft van hen naar een door de centrale kerkeraad te maken rooster aftreedt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
5

Verhuizing naar een andere wijkgemeente heeft aftreding als lid of plaatsvervangend lid van de centrale kerkeraad tengevolge, terwijl met vervulling van tussentijdse vacatures wordt gewacht tot de eerstvolgende gezamenlijke vergadering van de ambtsdragers der wijkgemeenten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-6

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
6

De centrale kerkeraad wijst telken jare in zijn eerste vergadering, onder leiding van de in leeftijd oudste tegenwoordige predikant, uit de predikanten een praeses en een assessor aan, uit de leden een scriba en voorts drie ouderlingen — onder wie tenminste één kerkvoogd — en drie diakenen, die allen tezamen het groot moderamen van de centrale kerkeraad vormen, hetwelk belast is met de voorbereiding en tenuitvoerlegging van zijn besluiten en met de afdoening van al de daartoe door de centrale kerkeraad aangewezen zaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-7

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
7

In centrale gemeenten met minder dan tien wijkgemeenten kan bij plaatselijke regeling worden bepaald, dat het groot moderamen bestaat uit praeses, assessor, scriba, één ouderling, één kerkvoogd en één diaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-14-8

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 14.

De centrale kerkeraad.

Lid
8

Praeses en scriba kunnen door de centrale kerkeraad ook worden benoemd voor meer dan één jaar, doch telkens ten hoogste voor vier jaren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-15-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 15.

De werkzaamheden van de centrale kerkeraad.

Lid
1

Aan de centrale kerkeraad is toevertrouwd
de verkiezing van de predikanten, tezamen met de wijkkerkeraad der wijkgemeente, welker predikantsplaats vacant is;
de verkiezing van predikanten met een bepaalde opdracht, tezamen met het desbetreffende orgaan van bijstand en de beroeping van deze predikanten;
de beroeping van predikanten voor bijzondere werkzaamheden;
de verkiezing of aanwijzing van ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht, tezamen met het betrokken orgaan van bijstand;
de verkiezing of aanwijzing van ouderlingen en diakenen voor bijzondere werkzaamheden;
de bepaling — behoudens incidentele afwijkingen bij besluit van het groot moderamen — van getal, tijd en plaats van de kerkdiensten in de centrale gemeente en plaats en tijd voor de bediening van de sacramenten;
de zorg voor het bijbelonderricht op de scholen;
het dragen van verantwoordelijkheid voor en de regeling van de arbeid der predikanten met een bepaalde opdracht en voor bijzondere werkzaamheden;
de behartiging van de belangen der centrale gemeente bij de overheid;
de benoeming van de leden in de regionale kerkelijke commissie; en
wat hem naar de orde der Kerk verder tot taak wordt gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-16-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 16.

Buurtgemeenten.

Lid
1

Indien in een centrale gemeente de behoefte wordt gevoeld aan het bijeenbrengen van twee of meer wijkgemeenten in een buurtgemeente, worden in de plaatselijke regeling voor de vorming van een centrale gemeente de daarvoor nodige bepalingen opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-16-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 16.

Buurtgemeenten.

Lid
2

In de buurtgemeente is een buurtkerkeraad, bestaande uit de ambtsdragers van de wijkgemeenten, die zich — naar het bepaalde in het zesde of zevende lid van art. 14 dezer ordinantie — een groot moderamen kiest.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-16-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 16.

Buurtgemeenten.

Lid
3

In de plaatselijke regeling wordt dan tevens bepaald, hoe de werkzaamheden verdeeld worden tussen centrale kerkeraad, de buurtkerkeraad en de betrokken wijkkerkeraden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-17-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 17.

Regionale kerkelijke commissies.

Lid
1

De (centrale) kerkeraden der gemeenten, gelegen in een door het breed moderamen der synode — de brede moderamina der betrokken meerdere ambtelijke vergaderingen gehoord — aangewezen en uit sociaal-economisch of geographisch oogpunt samenhangend complex van wooncentra, roepen tezamen een regionale kerkelijke commissie in het leven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-17-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 17.

Regionale kerkelijke commissies.

Lid
2

De vaststelling van het getal der leden en hun zittingstijd geschiedt door die kerkeraden in onderling overleg.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-17-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 17.

Regionale kerkelijke commissies.

Lid
3

Deze commissie heeft tot taak
de verzorging van bij haar overgebrachte belangen der betrokken centrale gemeenten;
overleg te plegen — ter verkrijging en tot behoud van een redelijke indeling van het kerkelijk leven en de pastorale bearbeiding in dat complex van wooncentra — over de grenzen der gemeenten; tijd en plaats van de kerkdiensten; en over de behoefte aan en de plaats van kerk-, dienst- en andere kerkelijke gebouwen; en
de behartiging van de belangen der gemeenten gezamenlijk bij de overheid en waar zulks verder wenselijk wordt geacht.

Kerkorde NHK (1951) Ord.2-17-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

II. Centrale gemeenten.

Artikel 17.

Regionale kerkelijke commissies.

Lid
4

Indien de gemeenten, in het eerste lid van dit artikel bedoeld, in verschillende classes zijn gelegen, treft de regionale kerkelijke commissie met de brede moderamina der betrokken classicale vergaderingen, onder goedkeuring van het breed moderamen der synode, het breed moderamen der provinciale kerkvergadering gehoord, een regeling met betrekking tot hun samenwerking op die terreinen, waarop deze noodzakelijk is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2.III.

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel
18-22

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
1

De als een gesloten geheel levende bevolking van een inrichting of gesticht, dan wel het tot de Hervormde Kerk behorende deel van die bevolking, kan onder de naam van gestichtsgemeente tot een buitengewone gemeente worden samengevoegd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
2

Een gestichtsgemeente wordt gevormd bij besluit van het breed moderamen der classicale vergadering, onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, en bij een ring ingedeeld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
3

Bij een gestichtsgemeente kunnen alleen predikanten voor bijzondere of buitengewone werkzaamheden worden beroepen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-4

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
4

De beroeping geschiedt steeds door het breed moderamen der classicale vergadering, nadat het, de plaatselijke kerkeraad gehoord, over de keuze van de predikant met de inrichting of het gesticht tot overeenstemming is gekomen, of, indien het bepaalde in het zevende lid van dit artikel wordt toegepast, door de centrale kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-5

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
5

De kerkeraad ener gestichtsgemeente bestaat nevens de predikant uit tenminste twee ouderlingen en een diaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-6

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
6

Het breed moderamen der classicale vergadering kiest deze ouderlingen en diaken uit de lidmaten der classis, tenzij het van oordeel is, dat deze geheel of ten dele kunnen worden gekozen uit de lidmaten der gestichtsgemeente zelf.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-7

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
7

Een gestichtsgemeente kan als wijkgemeente in een centrale gemeente worden opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-8

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
8

Nevens de predikant vaardigt de kerkeraad der gestichtsgemeente ter classicale vergadering een ouderling af.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-18-9

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 18.

Gestichtsgemeenten.

Lid
9

Een gestichtsgemeente kan bij besluit van het breed moderamen der classicale vergadering, onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering, worden ontbonden, indien een of meer van de redenen, die aan haar vorming belang verleenden, niet meer aanwezig zijn, in welk geval de leden der gemeente terugkeren tot de gemeente, waartoe zij naar art. 1 van deze ordinantie behoren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-19-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 19.

Schippersgemeenten.

Lid
1

De tot de Hervormde Kerk behorende schippers, die geen vaste woonplaats hebben of in de regel van hun vaste woonplaats afwezig zijn, vormen een eigen gemeente onder een centrale kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-19-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 19.

Schippersgemeenten.

Lid
2

De inrichting van zulk een gemeente geschiedt door het breed moderamen der synode, dat de nadere bepalingen daarvan ter goedkeuring voorlegt aan de synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-20-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 20.

Gemeenten in het buitenland.

Lid
1

In het buitenland in een bepaald gebied woonachtige leden van de Nederlandse Hervormde Kerk kunnen, indien geen toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in art. 5 van de ordinantie voor het verband met andere Kerken, zo de omstandigheden dit wenselijk maken, een buitenlandse gemeente vormen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-20-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 20.

Gemeenten in het buitenland.

Lid
2

De inrichting van zulk een gemeente geschiedt door het breed moderamen der synode, zo mogelijk na overleg met de daarvoor in aanmerking komende Kerken daar te lande.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-20-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 20.

Gemeenten in het buitenland.

Lid
3

De gemeenten in het buitenland worden òf bij een classis der Kerk ingedeeld òf tot afzonderlijke classes en deze zo nodig tot kerkprovincies verenigd, in welk laatste geval het breed moderamen der synode de nodige bepalingen maakt inzake het verband van zulke classes of kerkprovincies met de Hervormde Kerk in Nederland.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-21-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 21.

Gemeenten in wording.

Lid
1

Indien een deel van een (centrale) gemeente, hetzij door vestiging van nieuwe bewoners, hetzij krachtens de wens van daar reeds wonende leden, binnen kortere of langere tijd tot zelfstandigheid kan worden gebracht, kan het breed moderamen der classicale vergadering, de betrokken kerkeraad gehoord en nadat de betrokken leden in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken, dat deel dier gemeente verklaren tot een (wijk)gemeente in wording en de maatregelen treffen, die het komen tot zelfstandigheid bevorderen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-22-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

III. Buitengewone gemeenten.

Artikel 22.

Gemeenten in herstel.

Lid
1

Indien het geestelijk of gemeentelijk leven ener gemeente naar het oordeel van visitatoren-provinciaal een zodanige inzinking vertoont, dat het nemen van bijzondere maatregelen gerechtvaardigd is, kan de generale synode, het breed moderamen der classicale vergadering en dat van de provinciale kerkvergadering gehoord, zulk een gemeente voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaren verklaren tot een gemeente in herstel en ten aanzien van haar inrichting en pastorale verzorging maatregelen treffen, waarbij wordt afgeweken van de in de ordinanties der Kerk gestelde regelen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2.IV.

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

IV. Bijzondere verbanden van gemeenten.

Artikel
23

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-23-1

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

IV. Bijzondere verbanden van gemeenten.

Artikel 23.

Gemeenten in bijzonder verband.

Lid
1

Gemeenten, bedoeld in art. 22 van deze ordinantie, en gemeenten, gelegen in een streek met een overwegend niet-Hervormde bevolking, kunnen onder goedkeuring van het breed moderamen van de generale synode door een of meer classicale vergaderingen of provinciale kerkvergaderingen worden verenigd tot een bijzonder verband, welks taak het is het leven der Kerk in die streek te versterken en tezamen met de kerkeraden dier gemeenten zich te bezinnen op en uiting te geven aan de uit haar ligging voortvloeiende bijzondere verantwoordelijkheid.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-23-2

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

IV. Bijzondere verbanden van gemeenten.

Artikel 23.

Gemeenten in bijzonder verband.

Lid
2

Zulk een verband staat onder leiding hetzij, van het breed moderamen der betrokken ambtelijke vergadering, hetzij van een door de betrokken ambtelijke vergaderingen in het leven geroepen commissie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 2-23-3

Ordinantie voor de vorming van gemeenten.

 

IV. Bijzondere verbanden van gemeenten.

Artikel 23.

Gemeenten in bijzonder verband.

Lid
3

Inzake de keuze van hen, die geroepen worden bij een tot zulk een verband behorende gemeente in het pastoraat werkzaam te zijn, is overleg en overeenstemming van node met de in het vorige lid van dit artikel bedoelde ambtelijke vergadering of commissie, die tevens bevoegd is aan hen, die in dat pastoraat werkzaam zijn, in het belang der Kerk een bepaalde nevenopdracht te geven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3.

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.
1. Voorbereiding en leiding.
2. Door wie de verkiezing geschiedt.
3. Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.
4. De zesjaarlijkse stemming.
5. Verkiezing door de lidmaten.
6. Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.
7. Stemming over gehele of gedeeltelijke machtiging van de kerkeraad.
8. Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.
9. Verkiezing door de kerkeraad.
10. Algemene bepalingen.
11. De verkiezing van ouderlingen en diakenen.
12. De bevestiging.

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.
13. De voorbereiding van de verkiezing.
14. De bereidheid een beroeping in overweging te nemen.
15. De autorisatie.
16. Vereisten voor het beroepbaar zijn.
17. Consent voor de terugkeer tot het ambt.
18. Het uitbrengen van een beroep.
19. De beslissing op het beroep.
20. De approbatie.
21. De bevestiging.

IV. De verkiezing in bijzondere gevallen.
22. De verkiezing in buitengewone gemeenten.
23. De verkiezing in nieuwe gemeenten.

V. Bezwaren.
24. Bezwaren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3.I.

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel
1-3

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-1-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 1.

Voorbereiding en leiding.

Lid
1

Bij de voorbereiding en leiding van de verkiezing van ambtsdragers herinnert de kerkeraad de gemeente aan de plaats en het werk van de ambten in de gemeente des Heren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-2-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 2.

Door wie de verkiezing geschiedt.

Lid
1

De bevoegdheid tot verkiezing van ouderlingen en diakenen berust bij de tot stemmen bevoegde lidmaten der gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-2-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 2.

Door wie de verkiezing geschiedt.

Lid
2

Aan de verkiezing van ouderlingen en diakenen wordt deelgenomen door die lidmaten, die binnen de grenzen der gemeente woonachtig zijn, in het lidmatenboek der gemeente zijn ingeschreven en de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, mits op hen niet een bijzonder middel tot handhaving van de kerkelijke tucht wordt toegepast en zij niet in gebreke zijn gebleven, over het voorafgaande kalenderjaar hun aandeel bij te dragen in de verplichte betalingen, bedoeld in het eerste lid van art. 7 van de ordinantie voor de kerkelijke financiën.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-2-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 2.

Door wie de verkiezing geschiedt.

Lid
3

De verkiezing van predikanten voor gewone werkzaamheden geschiedt door de kerkeraad met uitzondering van die gemeenten, waar het register, bedoeld in art. 3 van deze ordinantie, op 1 November minder dan 200 namen bevat, in welk geval de verkiezing ook van de herder en leraar door de lidmaten der gemeente geschiedt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-2-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 2.

Door wie de verkiezing geschiedt.

Lid
4

De verkiezing van een predikant door de lidmaten geschiedt in een vergadering van lidmaten, uitgeschreven en geleid door de kerkeraad, op welke vergadering van toepassing is het bepaalde in het tiende en elfde lid van art. 21 en dat in art. 25 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-2-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 2.

Door wie de verkiezing geschiedt.

Lid
5

De verkiezing van andere dienaren des Woords geschiedt naar de regelen, daarvoor opgenomen in de op hun arbeid betrekking hebbende ordinanties der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-3-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 3.

Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

Lid
1

De werkzaamheden ten behoeve van de verkiezing van ouderlingen en diakenen worden verricht door het college van kerkvoogden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-3-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 3.

Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

Lid
2

Dit college maakt elk jaar vóór 1 September een register met de namen van de tot stemmen bevoegde lidmaten op, naar de toestand van 1 Juli van dat jaar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-3-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 3.

Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

Lid
3

Dit register wordt van 1-8 September voor de leden der gemeente ter inzage gelegd, gedurende welk tijdvak zij bezwaren over het al of niet daarin voorkomen van namen van lidmaten bij de kerkeraad, schriftelijk en ondertekend, kunnen indienen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-3-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 3.

Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

Lid
4

De kerkeraad geeft vóór 15 September daaraanvolgende van zijn beslissing schriftelijk en met opgave van redenen kennis aan de betrokkenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-3-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 3.

Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

Lid
5

Hij, die zulk een kennisgeving ontvangt, kan zich vóór 25 September met een gemotiveerd bezwaar, waarvan tegelijkertijd een afschrift aan de kerkeraad moet worden gezonden, om nadere voorziening wenden tot de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, die vóór 10 October een eindbeslissing geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-3-6

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 3.

Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

Lid
6

Nadat de uit de toepassing van het vierde en vijfde lid van dit artikel voortvloeiende wijzigingen in het register zijn aangebracht, wordt het door het college van kerkvoogden van 20 tot 25 October wederom ter inzage gelegd, hetgeen vóór 20 October ter kennis van de gemeente wordt gebracht, en vervolgens vastgesteld, om te gelden van 1 November daaraanvolgend tot en met 31 October van het volgend jaar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-3-7

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

I. Algemene bepalingen.

Artikel 3.

Het register van tot stemmen bevoegde lidmaten.

Lid
7

Gedurende de tijd, dat het register van kracht is, vindt aanvulling slechts plaats voor de gevallen, aangegeven in de artikelen 4, 5 en 8 van de ordinantie voor de vorming van gemeenten, en worden daaruit geschrapt de namen van hen, die afgevoerd moeten worden wegens grenswijziging, verhuizing, overlijden of aanwending van een maatregel tot handhaving van de kerkelijke tucht, benevens van hen, die tot een andere kerkgemeenschap zijn overgegaan of schriftelijk verklaard hebben zich van de gemeenschap der Kerk te hebben afgescheiden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3.II.

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel
4-12

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-4-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 4.

De zesjaarlijkse stemming.

Lid
1

De tot stemmen bevoegde lidmaten der (wijk)gemeente kunnen hun bevoegdheid tot verkiezing van ouderlingen en diakenen zichzelf voorbehouden of de kerkeraad machtigen namens hen deze bevoegdheid geheel of gedeeltelijk uit te oefenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-4-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 4.

De zesjaarlijkse stemming.

Lid
2

In November 1951, daarna in November 1956 en vervolgens om de zes jaren, in de maand November, roept de kerkeraad deze lidmaten op tot een stemming, waarbij zij over de in het eerste lid van dit artikel gestelde mogelijkheden opnieuw een beslissing nemen met betrekking tot het op 1 Januari daaraanvolgende aanvangend tijdvak van zes kalenderjaren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-4-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 4.

De zesjaarlijkse stemming.

Lid
3

Deze stemming geschiedt, behalve waar de omstandigheden — zulks ter beoordeling van het breed moderamen der classicale vergadering — dit niet toelaten, in een vergadering van lidmaten, onder leiding van het moderamen van de kerkeraad, met gesloten stembiljetten, terwijl de meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen beslist en bij staking van stemmen de bestaande wijze van verkiezing gehandhaafd blijft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-4-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 4.

De zesjaarlijkse stemming.

Lid
4

Van de uitslag der stemming wordt binnen acht dagen schriftelijke mededeling gedaan aan het breed moderamen van de classicale vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
1

Indien de lidmaten zich de bevoegdheid tot verkiezing van ouderlingen en diakenen hebben voorbehouden, worden zij, tenminste vier weken voor het houden ener verkiezing, door middel van een schriftelijke mededeling aan ieder persoonlijk of door een mededeling in het kerkblad en afkondiging in een kerkdienst, uitgenodigd binnen acht dagen na de genade mededeling bij de kerkeraad, schriftelijk en ondertekend, voor elke vacature afzonderlijk, aanbevelingen in te dienen van lidmaten, van wie zij menen, dat zij voor verkiezing in aanmerking komen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
2

De kerkeraad brengt de namen van alle aanbevolenen, voor elke vacature afzonderlijk, voorzover zij door tien of meer lidmaten der gemeente zijn aanbevolen of ook, waar het de verkiezing van een kerkvoogd betreft, door de vergadering van kerkvoogden en notabelen, alsmede de namen van hen, die naar het oordeel van de kerkeraad zelf voor verkiezing in aanmerking komen, in alphabetische volgorde op een verkiezingslijst.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
3

Zijn geen aanbevelingen bij de kerkeraad ingekomen voor een bepaalde vacature, dan kan door de kerkeraad zelf in die vacature worden voorzien.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
4

Bevat de verkiezingslijst voor een bepaalde vacature slechts één aanbeveling, dan wordt de aanbevolene door de kerkeraad verkozen verklaard.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
5

De kerkeraad brengt bij de oproep tot de verkiezing, welke ten minste acht dagen tevoren schriftelijk aan ieder persoonlijk of door een mededeling in het kerkblad en afkondiging in een kerkdienst geschiedt, tevens de verkiezingslijst ter kennis van de lidmaten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-6

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
6

De kerkeraad kan de bekendmaking van de verkiezingslijsten vergezeld doen gaan van zijn advies betreffende de verkiezing.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-7

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
7

De verkiezing geschiedt ter plaatse en ten tijde door de kerkeraad vast te stellen, terwijl de lidmaten zich daarbij in hun keuze beperken tot degenen, wier namen op de verkiezingslijst zijn vermeld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-8

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
8

Behalve waar de omstandigheden dit niet toelaten — zulks ter beoordeling van het breed moderamen der classicale vergadering — vindt de verkiezing plaats in een vergadering van lidmaten, onder leiding van het moderamen van de kerkeraad, in welke vergadering gestemd wordt met inachtneming van het bepaalde in art. 25 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-9

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
9

Vindt de verkiezing niet plaats in een vergadering van lidmaten, dan wordt bij de vaststelling van de geldig uitgebrachte stemmen hij verkozen verklaard, die bij eerste stemming de volstrekte meerderheid heeft verkregen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-10

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
10

Indien in een vacature niemand der aanbevolenen de volstrekte meerderheid heeft verkregen, vindt — zo nodig na loting door de kerkeraad tussen hen, die een gelijk aantal stemmen op zich verenigd hebben — een herstemming plaats tussen de twee aanbevolenen, die het hoogste aantal stemmen verkregen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-11

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
11

In de mededeling, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, en op de verkiezingslijst, bedoeld in het vijfde lid van dit artikel, wordt uitdrukkelijk bij elke vacature vermeld, of zij de verkiezing betreft van een ouderling, een kerkvoogd of een diaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-5-12

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 5.

Verkiezing door de lidmaten.

Lid
12

Nadere bepalingen betreffende de verkiezingen kunnen door de kerkeraad in de plaatselijke regeling, bedoeld in het vijfde lid van art. 3 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, worden opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
1

In de plaatselijke regeling, bedoeld in het vijfde lid van art. 3 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, is de kerkeraad bevoegd bepalingen op te nemen, krachtens welke de gemeente wordt ingedeeld in een aantal geographische onderdelen, waarvan de lidmaten de bevoegdheid tot verkiezing hebben van één of meer der ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn, van één of meer der kerkvoogden en van één of meer der diakenen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
2

De verhouding van het getal ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn, dat door de lidmaten, woonachtig binnen de grenzen van zulk een geographisch onderdeel, verkozen wordt, tot het getal ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn, dat in de kerkeraad zitting moet hebben, is evenredig, of ten naaste bij evenredig, aan de verhouding van het getal lidmaten van dat geographisch onderdeel tot het getal der lidmaten van de gehele gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
3

Het in het tweede lid van dit artikel bepaalde geldt op overeenkomstige wijze voor het getal der kerkvoogden en eveneens voor het getal der diakenen, dat door lidmaten van een geographisch onderdeel der gemeente verkozen wordt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
4

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde bepalingen bevatten een beschrijving van de grenzen van elk geographisch onderdeel en vermelden daarbij het getal ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn, het getal kerkvoogden en het getal der diakenen, dat de lidmaten van elk onderdeel verkiezen, alsmede het getal lidmaten, dat ten tijde van de vaststelling der bepalingen in elk onderdeel woonachtig is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
5

De in het eerste lid van dit artikel bedoelde bepalingen worden herzien, zodra de kerkeraad besluit tot uitbreiding van het getal der ouderlingen, die geen kerkvoogd zijn, der kerkvoogden of der diakenen, doch blijft overigens van kracht gedurende de periode van zes jaren, bedoeld in het tweede lid van art. 3 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-6

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
6

Indien bij de zesjaarlijkse stemming, bedoeld in het tweede lid van art. 3 dezer ordinantie, de lidmaten zich de verkiezing van ouderlingen en diakenen voor de volgende periode opnieuw voorbehouden, wordt de indeling der gemeente in geographische onderdelen, zoals deze in de plaatselijke regeling is opgenomen — waar nodig — overeenkomstig het bepaalde in het tweede en derde lid van dit artikel opnieuw aangepast aan gewijzigde omstandigheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-7

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
7

Wanneer het bepaalde in het zesde lid van dit artikel geen aanleiding geeft tot het aanbrengen van een wijziging in de indeling der gemeente in geographische onderdelen, geeft de kerkeraad daarvan kennis aan het breed moderamen van de classicale vergadering, onder mededeling van het getal der lidmaten, die op dat tijdstip in elk der geographische onderdelen der gemeente woonachtig zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-6-8

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 6.

Verkiezing door de lidmaten naar geographische indeling.

Lid
8

Alle bepalingen van art. 4 dezer ordinantie zijn mede van toepassing op de verkiezingen, welke gehouden worden in elk der geographische onderdelen, waar de lidmaten geroepen worden tot vervulling van één of meer vacatures, met dien verstande, dat alle verkiezingen plaatsvinden in vergaderingen en onder leiding staan van het moderamen van de kerkeraad of van ambtsdragers der gemeente, door het moderamen aangewezen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-7-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 7.

Stemming over gehele of gedeeltelijke machtiging van de kerkeraad.

Lid
1

Indien de lidmaten besluiten de kerkeraad te machtigen de bevoegdheid tot verkiezing van ouderlingen en diakenen uit te oefenen, wordt — zo de zesjaarlijkse stemming in een vergadering van lidmaten wordt gehouden, terstond in dezelfde vergadering, en zo zulks niet het geval is, vóór 1 Januari eerstvolgende — een tweede stemming gehouden, waarin de lidmaten beslissen, of voor de periode van zes jaren de verkiezing van ouderlingen en diakenen geheel aan de kerkeraad zal worden opgedragen, dan wel of de kerkeraad alleen recht van voordracht zal hebben.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-7-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 7.

Stemming over gehele of gedeeltelijke machtiging van de kerkeraad.

Lid
2

De stemming geschiedt met gesloten stembiljetten, terwijl de meerderheid der geldig uitgebrachte stemmen beslist en bij staking der stemmen de lidmaten geacht worden de kerkeraad het recht van voordracht gegeven te hebben.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-7-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 7.

Stemming over gehele of gedeeltelijke machtiging van de kerkeraad.

Lid
3

Van de uitslag der stemming wordt binnen acht dagen schriftelijk mededeling gedaan aan het breed moderamen van de classicale vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
1

Indiende de lidmaten besluiten de kerkeraad het recht van voordracht te geven, worden zij ten minste vier weken voor het houden van een verkiezing, door middel van een schriftelijke mededeling aan ieder persoonlijk of door een mededeling in het kerkblad en afkondiging in een kerkdienst, uitgenodigd, binnen acht dagen na de gedane mededeling bij de kerkeraad, schriftelijk en ondertekend, voor elke vacature afzonderlijk, aanbevelingen in te dienen van lidmaten, van wie zij menen, dat die voor verkiezing in aanmerking komen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
2

Na kennisneming van deze aanbevelingen stelt de kerkeraad in alphabetische volgorde dubbeltallen op voor iedere vacature.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
3

Betreft een op te stellen dubbeltal de vacature voor een kerkvoogd, dan wordt dat dubbeltal door de kerkeraad opgesteld op voordracht van het college van kerkvoogden of in wijkgemeenten door de wijkraad van kerkvoogden, aan wie de kerkeraad tevoren de voor die vacature ingekomen aanbevelingen doet toekomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
4

De kerkeraad brengt bij de oproep tot een verkiezing, welke ten minste acht dagen tevoren schriftelijk aan ieder persoonlijk of door een mededeling in het kerkblad en afkondiging in een kerkdienst geschiedt, tevens de voorgedragen dubbeltallen ter kennis van de lidmaten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
5

De verkiezing geschiedt ter plaatse en ten tijde door de kerkeraad vast te stellen, terwijl de lidmaten zich daarbij in hun keuze beperken tot hen, wier namen op het dubbeltal zijn vermeld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-6

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
6

De verkiezing vindt bij voorkeur plaats in een vergadering van lidmaten, in welke vergadering gestemd wordt met inachtneming van het bepaalde in art. 25 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-7

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
7

Vindt de verkiezing niet in een vergadering plaats, dan wordt bij het staken der stemmen de in leeftijd oudste van het dubbeltal geacht te zijn gekozen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-8

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
8

In de mededeling, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, en in de voordracht, bedoeld in het derde lid van dit artikel, wordt uitdrukkelijk bij elke vacature vermeld, of zij de verkiezing betreft van een ouderling, een kerkvoogd of een diaken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-8-9

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 8.

Verkiezing op voordracht van de kerkeraad.

Lid
9

Nadere bepalingen betreffende de verkiezingen kunnen door de kerkeraad in de plaatselijke regeling, bedoeld in het vijfde lid van art. 3 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen, worden opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-9-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 9.

Verkiezing door de kerkeraad.

Lid
1

Indien de lidmaten besluiten de verkiezing van ouderlingen en diakenen geheel aan de kerkeraad op te dragen, worden zij ten minste twee weken voordat de kerkeraad één of meer vacatures voornemens is te vervullen, door middel van een schriftelijke mededeling aan ieder persoonlijk of door een mededeling in het kerkblad en afkondiging in een kerkdienst, uitgenodigd binnen acht dagen na de gedane mededeling bij de kerkeraad, schriftelijk en ondertekend, voor elke vacature afzonderlijk, aanbevelingen in te dienen van lidmaten van wie zij menen, dat zij voor verkiezing in aanmerking komen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-9-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 9.

Verkiezing door de kerkeraad.

Lid
2

Na kennisneming van de ingekomen aanbevelingen gaat de kerkeraad over tot vervulling van de vacature.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-9-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 9.

Verkiezing door de kerkeraad.

Lid
3

In de mededeling, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, wordt uitdrukkelijk bij elke vacature vermeld, of zij de verkiezing van een ouderling, een kerkvoogd of een diaken betreft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-9-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 9.

Verkiezing door de kerkeraad.

Lid
4

De aanbevelingen voor de vacatures van een kerkvoogd worden door de kerkeraad aan het college van kerkvoogden der gemeente of, in wijkgemeenten, aan de wijkraad van kerkvoogden toegezonden, op welks voordracht de kerkeraad vervolgens overgaat tot vervulling van de vacature.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-10-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 10.

Algemene bepalingen.

Lid
1

Waar in dit hoofdstuk sprake is van ouderlingen en diakenen, zijn daaronder niet begrepen die ouderlingen en diakenen, die krachtens het bepaalde in het vierde lid van art. 4 van de ordinantie voor het presbyteraat en krachtens art. 4 van de ordinantie voor het diaconaat met een bepaalde opdracht belast of voor bijzondere werkzaamheden aangewezen zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-10-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 10.

Algemene bepalingen.

Lid
2

Waar in dit hoofdstuk sprake is van lidmaten, zijn steeds bedoeld de tot stemmen bevoegde lidmaten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-10-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 10.

Algemene bepalingen.

Lid
3

Voor vergaderingen van lidmaten, als in dit hoofdstuk bedoeld, is geen quorum vereist, terwijl bij de berekening van het aantal geldig uitgebrachte stemmen blanco stemmen niet meetellen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-11-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 11.

De verkiezing van ouderlingen en diakenen.

Lid
1

Bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen geschiedt de keuze uit de tot stemmen bevoegde mannelijke lidmaten der (wijk)gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-11-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 11.

De verkiezing van ouderlingen en diakenen.

Lid
2

De bevoegdheid tot het verkiezen van ouderlingen en diakenen in centrale gemeenten berust bij de tot stemmen bevoegde lidmaten der wijkgemeente; de verkiezing of aanwijzing van ouderlingen en diakenen met een bepaalde opdracht geschiedt door de centrale kerkeraad tezamen met het betrokken orgaan van bijstand; die van ouderlingen en diakenen voor bijzondere werkzaamheden door de centrale kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-11-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 11.

De verkiezing van ouderlingen en diakenen.

Lid
3

Hij, die gekozen is tot ouderling of diaken, ontvangt van de kerkeraad daarvan schriftelijk bericht onder mededeling, dat hem een tijd van beraad wordt gegeven van zeven dagen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-11-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 11.

De verkiezing van ouderlingen en diakenen.

Lid
4

Wie zijn roeping tot het ambt aanvaardt, wordt, nadat de uitslag van de stemming van kracht is geworden, op de eerstvolgende Zondag in een kerkdienst der gemeente aan haar voorgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-11-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 11.

De verkiezing van ouderlingen en diakenen.

Lid
5

Bezwaren tegen belijdenis en wandel van de voorgestelde, zo deze mochten bestaan, kunnen door leden der gemeente uiterlijk op de vijfde dag na die kerkdienst schriftelijk, gemotiveerd en ondertekend, worden ingediend bij de kerkeraad, die daarmede handelt naar de ordinantie voor het opzicht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-11-6

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 11.

De verkiezing van ouderlingen en diakenen.

Lid
6

Daarbij wordt tevens beslist, of de keuze van kracht blijft, terwijl, zo dit niet het geval is, tot het houden van een nieuwe verkiezing wordt overgegaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-12-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

II. De verkiezing en bevestiging van ouderlingen en diakenen.

Artikel 12.

De bevestiging.

Lid
1

Zijn geen bezwaren ingekomen of werden de ingediende bezwaren ongegrond bevonden, dan vindt de bevestiging binnen vier weken plaats in een kerkdienst der gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3.III.

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel
13-21

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-13-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 13.

De voorbereiding van de verkiezing.

Lid
1

Binnen een maand, nadat een predikantsplaats vacant is geworden of is komen vast te staan, dat men zulk een vacature kan verwachten, wordt met de voorbereiding van de verkiezing van een predikant een aanvang gemaakt en binnen twee maanden, nadat de vacature is ingegaan, tot het uitbrengen van een beroep overgegaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-13-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 13.

De voorbereiding van de verkiezing.

Lid
2

Alvorens tot de verkiezing over te gaan, roept de kerkeraad in zijn vergadering de leden van zijn organen van bijstand, om hen over de keuze van een predikant te raadplegen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-13-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 13.

De voorbereiding van de verkiezing.

Lid
3

De verkiezing van predikanten in centrale gemeenten geschiedt — nadat de voorbereiding van de verkiezing, bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel, heeft plaats gevonden door de kerkeraad der wijkgemeente — door de centrale kerkeraad, tezamen met de kerkeraad der wijkgemeente, welker predikantsplaats vacant is, waarna de wijkkerkeraad het beroep uitbrengt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-13-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 13.

De voorbereiding van de verkiezing.

Lid
4

Bij vertraging in het beroepingswerk kan het breed moderamen der classicale vergadering de kerkeraad op diens verzoek voor een te bepalen tijd terzake diligent verklaren en anders maatregelen vorderen of nemen ter voortzetting en voltooiing van het beroepingswerk

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-14-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 14.

De bereidheid een beroeping in overweging te nemen.

Lid
1

Predikanten, die op een standplaats der Kerk gevestigd zijn, prediken niet op beroep, doch kunnen hun bereidheid tot het in overweging nemen van een beroeping kenbaar maken aan kerkvisitatoren, die tot taak hebben op verzoek van kerkeraden of predikanten voorlichting te geven bij het opmaken van nominaties.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-14-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 14.

De bereidheid een beroeping in overweging te nemen.

Lid
2

Proponenten geven voor het vervullen van een predikbeurt de kerkeraad inzage van hun testimonium van candiaat tot de Heilige dienst en ontvangen, zo zij zijn uitgenodigd op beroep te prediken, vergoeding van reiskosten, terwijl voor hun ontvangst wordt zorg gedragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-14-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 14.

De bereidheid een beroeping in overweging te nemen.

Lid
3

In een centrale gemeente kan, met goedvinden van de centrale kerkeraad, ruiling van standplaats geschieden, nadat daarover overeenstemming is verkregen tussen de betrokken predikanten en wijkkerkeraden, terwijl in dat geval de vacatures op eenzelfde datum geacht worden te zijn vervuld en de bevestiging van beide predikanten plaats vindt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-15-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 15.

De autorisatie.

Lid
1

Alvorens een beroep uit te brengen, vraagt de kerkeraad, onder overlegging van de verlangde stukken en gegevens, daartoe de autorisatie van het breed moderamen der classicale vergadering, welke hem wordt verleend, zo gebleken is
dat de ligger van de inkomsten en rechten, aan de standplaats verbonden, voldoet aan de daarvoor in de ordinanties der Kerk gestelde vereisten;
dat de gemeente in het bezit is van een door het college van kerkvoogden aan te vragen bewijs van het daartoe aangewezen ministerieel departement, dat de ten laste van het rijk komende inkomsten en rechten van de standplaats ter beschikking van de te beroepen predikant staan;
dat zij heeft voldaan aan alle bij of krachtens ordinantie vastgestelde financiële verplichtingen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-15-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 15.

De autorisatie.

Lid
2

Een door het breed moderamen der classicale vergadering verleende autorisatie blijft van kracht gedurende de eerstvolgende elf kalendermaanden volgende op die, waarin zij werd afgegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-16-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 16.

Vereisten voor het beroepbaar zijn.

Lid
1

Om beroepbaar te zijn als predikant is van node
a. dat men is toegelaten tot de bediening van het Evangelie in de Nederlandse Hervormde Kerk;
b. dat men de leeftijd van drie en twintig jaren heeft bereikt;
c. dat men — op een standplaats gevestigd — daar tenminste vier jaren heeft gestaan;
d. dat men — beroepen door een gemeente met drie of meer predikantsplaatsen — tenminste vier jaren dienstdoend predikant is geweest, waarbij in een centrale gemeente het totaal van de standplaatsen der wijkgemeenten geldt;
e. dat men — beroepen naar een ongeklassificeerde standplaats — tenminste vijf jaren dienstdoend predikant is geweest;
f. dat men niet beroepen wordt in de vacature, die men zelf veroorzaakte of door afwijzing van het beroep deed voortduren, tenzij deze afwijzing minstens twee jaren geleden heeft plaats gehad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-16-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 16.

Vereisten voor het beroepbaar zijn.

Lid
2

Van de in het vorige lid van dit artikel sub c, d en e genoemde voorwaarden kan het breed moderamen der synode, het breed moderamen der betrokken classicale vergadering en der provinciale kerkvergadering gehoord, vrijstelling verlenen, terwijl die sub d en e niet van toepassing zijn op predikanten, beroepen voor bijzondere of buitengewone werkzaamheden, noch op hen, die tenminste vijf jaren een andere kerkformatie als predikant of voorganger hebben gediend.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-17-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 17.

Consent voor de terugkeer tot het ambt.

Lid
1

Hij, die om welke reden ook opgehouden heeft dienstdoend predikant der Kerk te zijn, is niet beroepbaar dan met consent van het breed moderamen der synode, hetwelk een besluit tot weigering van dit consent met redenen omkleedt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-17-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 17.

Consent voor de terugkeer tot het ambt.

Lid
2

Alvorens dit consent te ontvangen
verstrekt de aanvrager zo nodg het bewijs, dat hij lidmaat is der Kerk;
toont hij zo nodig aan nog bevoegd te zijn tot de evangeliebediening in de Nederlandse Hervormde Kerk;
legt hij een verklaring over van de kerkeraad der gemeente(n), tot welke hij gedurende de laatste drie jaren heeft behoord, inzake zijn belijdenis en wandel; en
ondertekent hij de verklaring, dat hij volhardt bij de belofte door hem bij zijn toelating tot de evangeliebediening afgelegd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-17-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 17.

Consent voor de terugkeer tot het ambt.

Lid
3

Zulk een consent blijft van kracht gedurende het lopende en de daarop volgende twee kalenderjaren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-17-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 17.

Consent voor de terugkeer tot het ambt.

Lid
4

Een consent, als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, is ook van node voor degene, die binnen vier jaren na de ontvangst van zijn testimonium van candidaat tot de Heilige Dienst nog niet tot dienstdoend predikant is bevestigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-18-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 18.

Het uitbrengen van een beroep.

Lid
1

Degene, op wie bij de verkiezing de keuze is gevallen, ontvangt daarvan mededeling van de kerkeraad door middel van een aangetekend per post te verzenden beroepsbrief, opgesteld naar het model, vastgesteld bij generale regeling, en vergezeld van een afschrift van de ligger der aan de bij de gemeente gevestigde predikantsplaats(en) verbonden inkomsten en rechten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-18-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 18.

Het uitbrengen van een beroep.

Lid
2

Deze beroepsbrief wordt niet verzonden vóór afloop van de termijn, genoemd in het eerste lid van art. 24 dezer ordinantie, of, zo een bezwaar, als daar bedoeld, mocht zijn ingediend, niet voordat daarover een eindbeslissing is gegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-18-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 18.

Het uitbrengen van een beroep.

Lid
3

In geval een vrijstelling van node is, als bedoeld in het tweede lid van art. 16 dezer ordinantie, wordt dit de gekozene medegedeeld en met het verzenden van de beroepsbrief gewacht, totdat deze vrijstelling is verleend.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
1

De beroepene geeft van het ontvangen van de beroepsbrief kennis aan de scriba van de kerkeraad der roepende gemeente, onder mededeling op welke datum de beroepsbrief door hem in ontvangst is genomen en zendt binnen drie weken na deze datum, eveneens per aangetekende brief, aan die scriba een stellige verklaring of hij al dan niet bereid is de beroeping op te volgen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
2

De beroeping aanvaardende, richt hij deze verklaring in naar het model, bij generale regeling vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
3

Mocht de beroepene binnen de gestelde termijn geen stellige verklaring hebben afgelegd, zo wordt hij geacht het beroep te hebben afgewezen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
4

Bij afwijzing van het beroep wordt binnen drie maanden een nieuwe verkiezing gehouden en dienovereenkomstig een beroep uitgebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
5

Indien buitengewone omstandigheden achteraf een ernstig beletsel voor de beroepene vormen om tot opvolging van het beroep over te gaan, kan de kerkeraad der gemeente, die hem beriep, hem zijn woord teruggeven, mits de kerkeraad der gemeente, die hij dient, daarin berust.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-6

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
6

Is dit laatste niet het geval, dan wordt de zaak ter eindbeslissing voorgelegd aan de generale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-7

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
7

Zolang deze beslissing niet is gevallen, is de beroepene niet in een andere vacature beroepbaar en gaat hij niet over tot het aanvaarden van een reeds op hem uitgebracht beroep.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-19-8

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 19.

De beslissing op het beroep.

Lid
8

Indien de beroepene zich bereid verklaard heeft de beroeping op te volgen, wordt dit op de eerstvolgende Zondag in een kerkdienst der gemeente afgekondigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-20-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 20.

De approbatie.

Lid
1

Indien het beroep is aanvaard, vraagt de kerkeraad onder overlegging van de verlangde stukken en gegevens daarop de approbatie van het breed moderamen der classicale vergadering, welke verleend wordt, zo gebleken is,
dat voldaan is aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 13-19 van deze ordinantie;
dat — blijkens een door het breed moderamen van de provinciale kerkvergadering der kerkprovincie, tot welke de beroepene behoort, afgegeven verklaring — tegen deze geen ingebrachte bezwaren terzake van diens belijdenis of wandel, verkondiging of kerkelijk onderricht in behandeling zijn, of een bijzondere maatregel ter handhaving van de kerkelijke tucht op hem wordt toegepast;
dat de gemeente heeft voldaan aan alle bij of krachtens ordinantie opgelegde financiële verplichtingen;
dat de beroepene heeft voldaan aan zijn pensioenlasten en zijn verplichtingen jegens de door hem bezette standplaats.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-21-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 21.

De bevestiging.

Lid
1

Nadat de approbatie is verkregen, vindt — in een kerkdienst der gemeente — de bevestiging plaats en wel binnen drie maanden na de aanvaarding van het beroep, behoudens verlenging van deze termijn door het breed moderamen der classicale vergadering wegens bijzondere omstandigheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-21-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 21.

De bevestiging.

Lid
2

De bevestiging geschiedt door de consulent en — behoudens overmacht — in tegenwoordigheid van twee ambtsdragers uit de classis, daartoe gedelegeerd door het breed moderamen der classicale vergadering, dat daartoe twee weken van te voren bericht ontvangt van tijd en plaats der bevestiging en de onkosten voor deze delegatie voor rekening der classis brengt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-21-3

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 21.

De bevestiging.

Lid
3

De te bevestigen predikant, van een andere standplaats komende, geeft aan de afgevaardigden van de classis vóór de bevestiging inzage van de acte van losmaking van zijn vorige standplaats.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-21-4

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 21.

De bevestiging.

Lid
4

De bevestiging kan op verzoek van de beroepene aan de kerkeraad, die hem beriep, geschieden door een dienaar des Woords der Kerk, door hem en de kerkeraad in onderling overleg uit te nodigen, in welk geval de consulent mede tegenwoordig is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-21-5

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 21.

De bevestiging.

Lid
5

De bevestiging van hem, die voor de eerste maal in het ambt van dienaar des Woords bevestigd wordt, geschiedt met oplegging van handen, waartoe de bij de bevestiging aanwezige dienaren des Woords mede worden geroepen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-21-6

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

III. De verkiezing en bevestiging van herders en leraars.

Artikel 21.

De bevestiging.

Lid
6

Van de bevestiging geeft de kerkeraad kennis aan het breed moderamen ter classicale vergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3.IV.

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

IV. De verkiezing in bijzondere gevallen.

Artikel
22-23

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-22-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

IV. De verkiezing in bijzondere gevallen.

Artikel 22.

De verkiezing in buitengewone gemeenten.

Lid
1

Tenzij in het besluit, waarbij een buitengewone gemeente wordt gevormd, of bij ordinantie een regeling voor de verkiezing van predikanten, ouderlingen en diakenen wordt getroffen, geschiedt deze door het breed moderamen der ambtelijke vergadering, door hetwelk dat besluit wordt genomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-23-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

IV. De verkiezing in bijzondere gevallen.

Artikel 23.

De verkiezing in nieuwe gemeenten.

Lid
1

Na de vorming van een nieuwe gemeente benoemt het breed moderamen der classicale vergadering uit zijn midden een afgevaardigde, die met de consulent en twee door dat moderamen aan te wijzen lidmaten der nieuwe gemeente fungeren als commissie voor de verkiezingen en daar de taak vervullen, terzake in de hoofdstukken I en II van deze ordinantie opgedragen aan kerkvoogdij en kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-23-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

IV. De verkiezing in bijzondere gevallen.

Artikel 23.

De verkiezing in nieuwe gemeenten.

Lid
2

Deze commissie maakt het register op van de tot stemmen bevoegde lidmaten, naar de toestand op de dag, waarop de gemeente zelfstandig is verklaard en doet op een der wijzen, aangegeven in art. 5 of 6 van deze ordinantie, door de lidmaten ouderlingen, kerkvoogden en diakenen kiezen, waarna de aldus gevormde kerkeraad tot de verkiezing van een herder en leraar overgaat, tenzij ook deze verkiezing door de lidmaten geschiedt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3.V.

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

V. Bezwaren.

Artikel
24

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-24-1

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

V. Bezwaren.

Artikel 24.

Bezwaren.

Lid
1

Tot stemmen bevoegde lidmaten kunnen uiterlijk op de tweede dag na die, waarop de verkiezing plaats vond, of na de dag, waarop het resultaat van een verkiezing, waarbij geen stemming werd gehouden, is gepubliceerd, bezwaar maken tegen de wijze, waarop de verkiezing is geschied.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 3-24-2

Ordinantie voor de verkiezing van ambtsdragers.

 

V. Bezwaren.

Artikel 24.

Bezwaren.

Lid
2

Zulk een bezwaar moet schriftelijk, ondertekend en met vermelding van redenen worden ingediend bij de kerkeraad, die dit, vergezeld van een toelichting zijnerzijds, binnen vier dagen doorzendt aan de provinciale commissie voor de behandeling van bezwaren en geschillen, die binnen veertien dagen na ontvangst van het bezwaarschrift over de ingediende bezwaren en over de geldigheid van de verkiezing een eindbeslissing geeft en haar ter kennis brengt van degene, die bezwaar heeft gemaakt en van de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4.

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.
1. De organen voor het gesprek met Israël.
2. De raad voor de verhouding van Kerk en Israël.
3. Predikanten en evangelisten.
4. De financiën

II. Het werk der zending.
5. De organen voor de zending.
6. De zendingsarbeid der gemeente.
7. De classicale zendingscommissies.
8. De raad voor de zending.
9. Instituten voor de zending.
10. De band tussen gemeente en bepaalde delen van het zendingswerk.
11. Vorming van zelfstandige gemeenten en Kerken.
12. Zendingsarbeiders.
13. Zendingspredikanten.
14. Vicarissen in de zendingsarbeid.
15. Bedieningen in de zendingsarbeid.
16. Kerkelijke staat van de zendingsarbeiders.
17. Bezoldiging.
18. De financiën der zending.

III. De arbeid ter kerstening.
A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.
19. Het getuigenis der Kerk.
20. De raad voor de zaken van Kerk en overheid.
21. De gedeputeerde bij de overheid.
B. De kerstening van de samenleving.
22. De raad voor de zaken van Kerk en samenleving.
C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.
23. De organen voor de arbied ter verbreiding van het Evangelie.
24. De raad voor de arbeid der verbreiding van het Evangelie.
25. Scholing en opleiding voor de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd.
26. Predikant-evangelisten.
27. Evangelisten.
28. De benoeming tot evangelist.
29. Bezoldiging.
30. De financiën.
D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.
31. Instituten voor de arbeid ter kerstening.
32. Het instituut „Kerk en wereld”.
33. De leiding van het instituut „Kerk en wereld”.
E. Voortgaande reformatie van het volksleven.
34. Het apostolaat ten aanzien van het rooms-katholicisme.
35. Voorlichting en bijstand.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4.I.

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel
1-4

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-1-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 1.

De organen voor het gesprek met Israël.

Lid
1

De roeping tot het apostolaat ten aanzien van het volk Israël rust op de gemeenten en haar kerkeraden onder leiding van de generale synode, daarbij ter zijde gestaan door een raad voor de verhouding van Kerk en Israël.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-1-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 1.

De organen voor het gesprek met Israël.

Lid
2

De kerkeraden, classicale vergaderingen en provinciale kerkvergaderingen benoemen commissies voor het gesprek met Israël, tenzij zij deze arbeid aan de commissie voor de zending toevertrouwen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-2-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 2.

De raad voor de verhouding van Kerk en Israël.

Lid
1

De raad voor de verhouding van Kerk en Israël heeft tot taak
leiding te geven aan
het onderzoek van de Heilige Schrift ten aanzien van de vragen met betrekking tot het volk Israël;
de verdieping en verbreding van het inzicht der Kerk in de weg Gods met dit volk;
het gesprek met Israël;
het brengen van het Evangelie in Nederland en daarbuiten, aan hen, die tot het volk Israël behoren;
de arbeid onder Israël in gemeente, classis en kerkprovincie te coördineren;
het zoeken en opleiden van de personen, die in deze arbeid in ambt of bediening zullen werkzaam zijn;
samen te werken met andere organen in binnen- en buitenland, in deze arbeid werkzaam.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-3-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 3.

Predikanten en evangelisten.

Lid
1

Tot de arbeid onder Israël worden geroepen predikanten voor gewone of buitengewone werkzaamheden, en evangelisten, die in een bediening worden gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-3-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 3.

Predikanten en evangelisten.

Lid
2

Onder overeenkomstige toepassing van het bepaalde in art. 11 van de ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords kunnen de opleiding en de vorming van deze predikanten worden gewijzigd en aangevuld met het oog op de bijzondere opdracht, waarmede zij zullen worden belast.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-3-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 3.

Predikanten en evangelisten.

Lid
3

De opleiding of de voltooiing van de opleiding van de evangelisten geschiedt naar bepalingen, vast te leggen in een generale regeling der synode, waarin mede is opgenomen, ten overstaan van wie zij, alvorens een testimonium te ontvangen, bevestigend antwoorden op de volgende vragen:
Belooft gij in het werk van uw bediening te getuigen van het heil in Christus Jezus en te blijven in de weg van het belijden der Kerk?
Zijt gij bereid, ijverig en getrouw uw arbeid te verrichten in de Nederlandse Hervormde Kerk, in gemeenschap met het voor uw bediening aangewezen orgaan?
Zijt gij bereid, u te onderwerpen aan de regelen, in de orde der Kerk voor haar leven en werken gesteld?

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-3-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 3.

Predikanten en evangelisten.

Lid
4

Bezoldiging en pensionnering van deze predikanten en evangelisten worden bij generale regeling der synode vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-4-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 4.

De financiën.

Lid
1

De voor deze arbeid benodigde gelden worden gevonden uit een kas voor de arbeid onder Israël.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-4-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 4.

De financiën.

Lid
2

De winning van deze gelden geschiedt door de kerkeraad met behulp van de betrokken gemeentelijke commissie, zo deze is ingesteld, en met bijstand van de raad voor de verhouding van Kerk en Israël.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-4-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

I. Het gesprek met Israël.

Artikel 4.

De financiën.

Lid
3

Voor deze kas geldt het bepaalde in art. 19 van de ordinantie voor de kerkelijke financiën.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4.II.

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel
5-18

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-5-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 5.

De organen voor de zending.

Lid
1

De roeping tot het apostolaat ten aanzien van de niet gekerstende wereld rust op de gemeenten en haar kerkeraden, met medewerking van classicale zendingscommissies, onder leiding van de generale synode en een raad voor de zending.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-5-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 5.

De organen voor de zending.

Lid
2

Het initiatief, de voortdurende zorg en de verantwoordelijkheid voor de zendingsarbeid der gemeente berusten bij het consistorie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-5-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 5.

De organen voor de zending.

Lid
3

In elke gemeente is een kerkeraadscommissie voor de zending, waarin naast twee der ambtsdragers gemeenteleden zitting hebben, welke commissie — onder de naam van gemeentelijke zendingscommissie — in opdracht van en onder verantwoordelijkheid aan het consistorie, is belast met de verwerkelijking van de zendingsopdracht der gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-5-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 5.

De organen voor de zending.

Lid
4

Het consistorie stelt het aantal leden dezer commissie vast en benoemt haar leden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-6-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 6.

De zendingsarbeid der gemeente.

Lid
1

De voortdurende zorg van de gemeente voor de zending uit zich in het betrekken van al haar leden, inzonderheid ook de jeugd, in de arbeid der zending en in het zoeken naar arbeiders om uit haar midden te worden uitgezonden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-6-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 6.

De zendingsarbeid der gemeente.

Lid
2

Zij doet dit met name in haar kerkdiensten, door middel van gemeentelijke samenkomsten, studiekringen en publicaties.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-6-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 6.

De zendingsarbeid der gemeente.

Lid
3

De verantwoordelijkheid der gemeente voor de zendingsarbeid uit zich mede door het op zich nemen van een aandeel in de geldelijke lasten, aan die arbeid verbonden, en door haar leden in de gelegenheid te stellen, dit aandeel door collecten en vaste bijdragen bijeen te brengen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-7-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 7.

De classicale zendingscommissies.

Lid
1

In elke classis is een classicale zendingscommissie, welker ledental door de classicale vergadering wordt bepaald en welker leden — onder wie tenminste twee ambtsdragers, benevens één lid, voorgedragen door de raad voor de zending — telkens voor een tijdvak van drie jaren door deze vergadering worden benoemd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-7-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 7.

De classicale zendingscommissies.

Lid
2

Deze commissie heeft tot taak de zendingsarbeid der gemeente in breder verband te brengen en de verbinding te vormen tussen de gemeenten en de raad voor de zending, inzonderheid ook door het voorleggen aan de gemeenten binnen haar ressort van een aandeel in de kosten van het zendingswerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-7-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 7.

De classicale zendingscommissies.

Lid
3

De classicale zendingscommissie werkt naar behoefte samen met andere classicale zendingscommissies in of buiten haar kerkprovincie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-8-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 8.

De raad voor de zending.

Lid
1

De generale synode wordt bij haar zorg voor het zendingswerk bijgestaan door de raad voor de zending.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-8-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 8.

De raad voor de zending.

Lid
2

Deze raad is, onder verantwoordelijkheid aan de synode en in haar naam, belast met de leiding van het zendingswerk der Kerk en daarbij in het bijzonder ook met
de leiding, voor zover deze op de weg ligt van de Kerk in Nederland, van het zendingswerk daarbuiten;
de verzorging — in samenwerking met andere daarvoor aangewezen organen en instellingen — van de vertaling en verspreiding van de bijbel en van kerkelijke geschriften in de talen der volken, onder welke de zending arbeidt;
het leggen van bijzondere banden tussen bepaalde geledingen van de Kerk en delen van het zendingswerk buiten Nederland of uit dat zendingswerk voortgekomen Kerken;
het coördineren van de arbeid der zending in gemeente, classis en kerkprovincie, inzonderheid ook door het voorleggen aan de classes van een aandeel in de kosten van het zendingswerk;
het bewustmaken van de gemeenten van haar zendingsroeping;
het verruimen in de gemeenten van het inzicht in de zendingsvragen;
het zoeken en opleiden van hen, die in ambt of bediening in de arbeid der zending werkzaam zullen zijn;
het samenwerken met andere organen, in binnen- en buitenland op het gebied van de zending werkzaam.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-8-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 8.

De raad voor de zending.

Lid
3

De raad doeet telken jare in een vergadering van de generale synode verslag van de zendingsarbeid der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-8-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 8.

De raad voor de zending.

Lid
4

De zorg voor de dagelijkse gang van zaken van de raad voor de zending berust, naar een regeling door de raad vastgesteld, bij een directorium, welks leden in overleg met de raad worden benoemd door de generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-8-5

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 8.

De raad voor de zending.

Lid
5

De regeling van de bezoldiging van de leden van het directorium behoeft de goedkeuring van de generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-9-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 9.

Instituten voor de zending.

Lid
1

De raad voor de zending roept op eigen initiatief of in opdracht van de synode de bureaux, instituten en inrichtingen in het leven, die voor de vervulling van zijn taak van node zijn en welker nadere regeling de goedkeuring van het breed moderamen der generale synode behoeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-9-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 9.

Instituten voor de zending.

Lid
2

Terzake van de daaraan verbonden financiële lasten wordt tevoren de goedkeuring gevraagd van de generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-10-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 10.

De band tussen gemeente en bepaalde delen van het zendingswerk.

Lid
1

Teneinde vorm te geven aan de vervulling van haar zendingsroeping en de band tussen haar en het zendingswerk te verstevigen, zenden één of meer gemeenten, ringen of classes zendingsarbeiders uit, bij voorkeur voor een bepaald gedeelte van het zendingswerk, of stellen zij zich voor een bepaald onderdeel daarvan verantwoordelijk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-11-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 11.

Vorming van zelfstandige gemeenten en Kerken.

Lid
1

De zendende Kerk gaat zodra mogelijk over tot de vorming van gemeenten, verricht daar in de overgangstijd alle nog nodige kerkelijke handelingen en bevordert de zelfstandigheid van deze gemeenten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-11-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 11.

Vorming van zelfstandige gemeenten en Kerken.

Lid
2

De zendende Kerk richt al haar arbeid op de planting van geheel zelfstandige Kerken, aan welke zij haar zendingsarbeid zodra mogelijk overdraagt en met welke zij bereid blijft samen te werken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-12-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 12.

Zendingsarbeiders.

Lid
1

De zendingsopdracht van gemeente en Kerk wordt in haar naam ten uitvoer gelegd door zendingspredikanten, vicarissen en door degenen, die daarvoor in een bediening zijn gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-13-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 13.

Zendingspredikanten.

Lid
1

Met het oog op de bijzondere opdracht waarmede de zendingspredikanten zullen worden belast, worden hun opleiding en vorming gewijzigd en aangevuld overeenkomstig het bepaalde in art. 11 van de ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-13-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 13.

Zendingspredikanten.

Lid
2

In de Kerk in Nederland zijn de zendingspredikanten bevoegd tot dezelfde ambtelijke handelingen, als waartoe de predikanten voor buitengewone werkzaamheden gerechtigd zijn, en zijn zij beroepbaar als herder en leraar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-13-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 13.

Zendingspredikanten.

Lid
3

De zendingspredikanten worden tot de bediening van het Evangelie toegelaten op gelijke wijze, als is bepaald voor de herders en leraars der Kerk in Nederland.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-13-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 13.

Zendingspredikanten.

Lid
4

De beroeping van de zendingspredikant geschiedt door en dienst bevestiging vanwege de gemeente, of een der gemeenten, door welke de zendingspredikant wordt uitgezonden, en anders door en vanwege een meerdere vergadering der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-14-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 14.

Vicarissen in de zendingsarbeid.

Lid
1

Tot bijstand in de arbeid der zendingspredikanten kunnen door de raad voor de zending vicarissen worden benoemd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-14-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 14.

Vicarissen in de zendingsarbeid.

Lid
2

Tot vicaris zijn benoembaar degenen, die terzake van hun opleiding en vorming voldoen aan de bepalingen en eisen, bedoeld in art. 38 van de ordinantie voor het pastoraat.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-15-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 15.

Bedieningen in de zendingsarbeid.

Lid
1

Ten behoeve van de arbeid der zending worden nevens het ambt van zendingspredikant bedieningen ingesteld voor de verbreiding van het Evangelie, voor de medische arbeid, voor het sociale werk en voor het onderwijs.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-15-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 15.

Bedieningen in de zendingsarbeid.

Lid
2

In deze bedieningen kunnen door de raad voor de zending worden gesteld mannelijke en vrouwelijke lidmaten der Kerk, die voldoen aan door de raad, onder goedkeuring van de generale synode, gestelde eisen van geschiktheid en kennis.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-15-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 15.

Bedieningen in de zendingsarbeid.

Lid
3

De raad voor de zending treft, onder goedkeuring van de generale synode, de nodige regelingen terzake van de opleiding en voorbereiding van deze zendingsarbeiders voor hun werk, in welke regelingen mede is opgenomen, ten overstaan van wie zij, alvorens een testimonium te ontvangen, bevestigend antwoorden op de vragen, vermeld in het derde lid van art. 3 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-15-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 15.

Bedieningen in de zendingsarbeid.

Lid
4

De raad bepaalt hun werkzaamheden en wijst het terrein van hun arbeid aan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-16-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 16.

Kerkelijke staat van de zendingsarbeiders.

Lid
1

Indien zich ten aanzien van iemand, die in het zendingswerk in een ambt of bediening is of wordt gesteld, de wenselijkheid voordoet dat hij daarbij lid of ambtsdrager is of blijft van meer dan één Kerk, treft de generale synode, de raad voor de zending gehoord, terzake van het lidmaatschap van hem en zijn gezin en terzake van zijn ambtelijke bevoegdheden en verantwoordelijkheid in de Nederlandse Hervormde Kerk en — in overleg met de betrokken Kerk of Kerken — ten aanzien van de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor zijn ambt of bediening in elk geval afzonderlijk een regeling.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-16-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 16.

Kerkelijke staat van de zendingsarbeiders.

Lid
2

Voor lidmaten van andere Kerken, in het ambt van zendingspredikant gesteld, geldt niet het bepaalde in het tweede lid van art. 13 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-17-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 17.

Bezoldiging.

Lid
1

De inkomsten en rechten, verbonden aan het ambt van zendingspredikant, aan het vicariaat en aan een bediening in de zendingsarbeid, worden bij generale regeling der synode vastgesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-18-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 18.

De financiën der zending.

Lid
1

De voor het werk der zending benodigde gelden worden gevonden uit een of meer generale kassen voor de zending.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-18-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 18.

De financiën der zending.

Lid
2

De winning van de gelden voor deze kassen geschiedt door de kerkeraden met behulp van de gemeentelijke zendingscommissies en met bijstand van de classicale zendingscommissies en de raad voor de zending.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-18-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 18.

De financiën der zending.

Lid
3

Deze kassen staan onder beheer van de raad voor de zending, welke voor de administratie een of meer thesauriers aanwijst, die hun arbeid verrichten onder leiding van een financiële commmissie van ten hoogste vijf leden, door de generale financiuele raad, de raad voor de zending gehoord, te benoemen uit de lidmaten der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-18-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 18.

De financiën der zending.

Lid
4

Met inachtneming van de daarover nader in de ordinanties der Kerk gestelde bepalingen, komt de beslissing over de besteding van de gelden dezer kassen toe aan de raad voor de zending.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-18-5

Ordinantie voor het apostolaat.

 

II. Het werk der zending.

Artikel 18.

De financiën der zending.

Lid
5

De begroting dezer kassen behoeft de goedkeuring van de generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4.III.

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

Artikel
19-35

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-19-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 19.

Het getuigenis der Kerk.

Lid
1

De Kerk, krachtens haar opdracht zich wendend tot overheid en volk met de oproep, het leven naar Gods beloften en geboden te richten, doet dit, zo bijzondere omstandigheden haar daartoe dringen, door haar ambtelijke vergaderingen en wel
hetzij door zich rechtstreeks te richten tot overheid of volk,
hetzij door middel van een kanselboodschap of een herderlijke brief.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-19-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 19.

Het getuigenis der Kerk.

Lid
2

Indien een mindere vergadering zich met een openlijk getuigenis tot overheid of volk wil wenden, pleegt zij over dit voornemen daartoe tevoren overleg met het breed moderamen der generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-19-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 19.

Het getuigenis der Kerk.

Lid
3

De generale synode, voornemens zich te wenden tot overheid of volk, beslist in elk geval afzonderlijk, of zij redenen aanwezig acht om tevoren daaromtrent ook de classicale vergaderingen te raadplegen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-19-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 19.

Het getuigenis der Kerk.

Lid
4

De getuigenissen, van een meerdere vergadering uitgegaan, worden door de kerkeraden van haar ressort ter kennis van de gemeenten gebracht en op de classicale vergaderingen van dat ressort in bespreking genomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-19-5

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 19.

Het getuigenis der Kerk.

Lid
5

De generale synode bepaalt, de classicale vergaderingen gehoord, welke van deze stukken als uitdrukking van het belijden der Kerk zullen worden gebundeld en uitgegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-20-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 20.

De raad voor de zaken van Kerk en overheid.

Lid
1

De generale synode wordt voor de vraagstukken op het gebied van Kerk en staat en voor het overleg met de overheid bijgestaan door een raad voor de zaken van Kerk en overheid.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-20-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 20.

De raad voor de zaken van Kerk en overheid.

Lid
2

Deze raad heeft tot taak
synode en Kerk te dienen met voorlichting en advies omtrent deze vraagstukken;
de vervulling van, door of vanwege de synode verstrekte, opdrachten tot het bestuderen van bepaalde vraagstukken of tot het verrichten van bepaalde werkzaamheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-21-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 21.

De gedeputeerde bij de overheid.

Lid
1

De generale synode pleegt het overleg met de burgerlijke overheden, voorzover niet door de generale synode aan andere organen toevertrouwd, door een gedeputeerde bij de overheid, die door haar wordt benoemd en aan haar verantwoording verschuldigd is en zo nodig wordt bijgestaan door daartoe door de generale synode uitgenodigde leden der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-21-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 21.

De gedeputeerde bij de overheid.

Lid
2

De gedeputeerde is tevens secretaris van de raad voor de zaken van Kerk en overheid.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-21-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

A. Het getuigenis tegenover overheid en volk.

Artikel 21.

De gedeputeerde bij de overheid.

Lid
3

Op de gedeputeerde is het bepaalde in het derde lid van art. 27 van de ordinantie voor de ambtelijke vergaderingen van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-22-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

B. De kerstening van de samenleving.

Artikel 22.

De raad voor de zaken van Kerk en samenleving.

Lid
1

De generale synode, gehoor gevende aan de roeping der Kerk ten aanzien van de cultuurgebieden der samenleving, wordt daarin bijgestaan door een raad voor de zaken van Kerk en samenleving, welke zich bezig houdt met de vragen betreffende
het sociale en economische leven,
de verhouding van de volkeren onderling,
pers en de vormiing van de openbare mening,
film,
radio en televisie,
wetenschap,
techniek,
schone kunsten,
sport, ontspanning en besteding van de vrije tijd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-22-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

B. De kerstening van de samenleving.

Artikel 22.

De raad voor de zaken van Kerk en samenleving.

Lid
2

Deze raad en zijn commissies hebben tot taak
synode en Kerk voor te lichten omtrent hetgeen er op het betrokken levensterrein geschiedt;
van voorlichting te dienen over hetgeen op dat terrein kan worden gedaan ter kerstening van de cultuur;
samen te werken met de raad voor de zaken van Kerk en overheid en de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie;
ten uitvoer te leggen wat de synode hun in last geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-22-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

B. De kerstening van de samenleving.

Artikel 22.

De raad voor de zaken van Kerk en samenleving.

Lid
3

Deze raad telt tenminste tien leden, door de synode benoemd, met dien verstande, dat twee leden worden benoemd op voordracht vavn de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie en twee leden op voordracht van de raad voor de zaken van Kerk en overheid, welke leden mede zorg dragen voor het contact met het orgaan, door hetwelk zij werden voorgedragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-22-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

B. De kerstening van de samenleving.

Artikel 22.

De raad voor de zaken van Kerk en samenleving.

Lid
4

Als secretaris, met adviserende stem, van de raad, wijst de generale synode een der leden aan van het directorium van het instituut „Kerk en wereld”.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-22-5

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

B. De kerstening van de samenleving.

Artikel 22.

De raad voor de zaken van Kerk en samenleving.

Lid
5

De verdere regeling van de aangelegenheden van de raad geschiedt, naar gebleken behoefte, bij generale regeling der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
1

De gemeente is, evenals elk harer leden, in leven en werken geroepen tot verbreriding van het Evangelie in eigen omgeving.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
2

De arbeid van de kerkeraad in pastoraat en diaconaat, ieder voor zich en tezamen, is daarom steeds ook gericht op deze apostolische opdracht der gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
3

De kerkeraden zien in de arbeid ter verbreiding van het Evangelie een wezenlijk deel van hun ambtelijke arbeid, richten daarbij hun aandacht met name ook op het werk der Kerk ten aanzien van schoolcatechese, jeugdwerk en gezinszorg en strekken daarbij hun zorg in het bijzonder ook uit tot de zaken welke betrekking hebben op gemengde huwelijken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
4

Het initiatief, de voortdurende zorg en de verantwoordelijkheid voor de arbeid der gemeente ter verbreiding van het Evangelie berusten bij het consistorie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-5

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
5

Door de kerkeraad wordt een kerkeraadscommissie voor deze arbeid gevormd, waarin naast tenminste drie ambtsdragers gemeenteleden zitting hebben, welke commissie tezamen met het consistorie in deze arbeid werkzaam is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-6

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
6

De vaststelling van het aantal leden dezer commissie en de benoeming van haar leden geschiedt door het consistorie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-7

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
7

Zulk een commissie is er in elk geval in de gemeenten, waar een of meer evangelisten werkzaam zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-8

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
8

Zo nodig worden voor dit werk, als predikant-evangelist, bijzonderlijk daarvoor opgeleide dienaren des Woords aangewezen of beroepen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-9

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
9

De kerkeraadscommissie voor deze arbeid kan zich voorts doen bijstaan door evangelisten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-10

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
10

De gemeente zoekt bij de verrichting van dit onderdeel harer opdracht naar behoefte en mogelijkheid de samenwerking met andere gemeenten uit ring, classis of kerkprovincie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-23-11

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 23.

De organen voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
11

Het consistorie en de kerkeraadscommissie houden contact met de algemene organen der Kerk, op dit terrein werkzaam.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-24-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 24.

De raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
1

De generale synode doet zich bijstaan door een raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie, die tot taak heeft
de beginselen uit te dragen, die aan deze arbeid ten grondslag moeten liggen;
ter bereiking van de verschillende groepen en lagen der bevolking de juiste wegen en methoden aan te wijzen;
het verspreiden van de bijbel onder het Nederlandse volk en het verschaffen van hulpmiddelen voor het lezen en verstaan van de Heilige Schrift;
het geven van voorlichting aan en zoveel mogelijk coördineren van de arbeid der gemeenten onder hen, die van het Evangelie vervreemd zijn;
het verschaffen aan de consistories en kerkeraadscommissies van voor verspreiding geschikte lectuur;
het samenwerken met de raad voor de zaken van Kerk en samenleving.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-24-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 24.

De raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
2

De raad richt zich daarbij onder meer op
de scholing en opleiding van hen, die hetzij in ambt of bediening, hetzij in een niet-kerkelijk verband een bijzondere plaats in die arbeid zullen hebben in te nemen;
het organiseren van samenkomsten ter bevordering van de arbeid ter verbreiding van het Evangelie;
het te dien einde stichten en in bedrijf brengen van vormingscentra en het contact of samenwerking zoeken met bestaande vormingscentra;
het vormen van een geestelijk centrum voor allen, die hetzij in ambt of bediening, hetzij in een niet-kerkelijk verband in deze arbeid werkzaam zijn;
de scholing, opleiding of nazorg van hen, die op verwante terreinen in ambt of bediening worden tewerk gesteld;
de toerusting van gemeenteleden en ambtsdragers tot de vervulling van hun apostolische taak.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-24-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 24.

De raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Lid
3

Als secretaris van de raad met adviserende stem wijst de generale synode een der leden aan van het directorium van het instituut „Kerk en wereld”.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-25-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 25.

Scholing en opleiding voor de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd.

Lid
1

Bij de opleiding en vorming tot herder en leraar of predikant-evangelist wordt terzake van de scholing voor de arbeid onder hen, die van het Evangelie en van de Kerk zijn vervreemd, de medewerking ingeroepen van het instituut „Kerk en wereld”.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-25-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 25.

Scholing en opleiding voor de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd.

Lid
2

De opleiding van hen, die begeren gesteld te worden in een bediening voor het apostolaat of de voltooiing van deze opleiding, alsmede de scholing van hen, die op een plaats in een niet-kerkelijk verband in het apostolaat willen werkzaam zijn, geschiedt aan het instituut „Kerk en wereld”, naar bepalingen, vast te leggen in een generale regeling der synode, waarin onder meer regelen zullen worden gesteld inzake de toelating van leerlingen, de vakken, waarin zij zullen worden onderwezen, de examens, waaraan zij zich hebben te onderwerpen, de bedieningen, tot welke deze examens toegang geven en de kosten, aan de opleiding verbonden, terwijl in deze generale regeling mede is opgenomen, ten overstaan van wie zij, alvorens een testimonium te ontvangen, bevestigend antwoorden op de vragen, vermeld in het derde lid van art. 3 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-26-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 26.

Predikant-evangelisten.

Lid
1

De predikant-evangelisten zijn, al naar gelang zij beroepen zijn voor gewone, buitengewone of bijzondere werkzaamheden, bevoegd tot de daaraan verbonden ambtsbezigheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-26-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 26.

Predikant-evangelisten.

Lid
2

De predikant-evangelisten verrichten hun arbeid in gemeenschap met de raad voor de arbeid tot verbreiding van het Evangelie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-26-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 26.

Predikant-evangelisten.

Lid
3

De kerkeraad,  die is overgegaan tot de beroeping of aanwijzing van een predikant-evangelist, kan — onder goedkeuring van het breed moderamen der generale synode — regelen treffen inzake de bediening van Woord en sacramenten aan en inzake een tijdelijk verband met en van degenen, ten behoeve van wie de predikant-evangelist werkzaam is.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-27-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 27.

Evangelisten.

Lid
1

Zij, die werkzaam zijn in de bediening ten behoeve van het apostolaat, worden — onder de naam van evangelist — geroepen tot de verbreiding van het Evangelie onder hen, die van de Kerk zijn vervreemd of haar nog verre staan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-27-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 27.

Evangelisten.

Lid
2

Bij de arbeid der evangelisten, die geschiedt hetzij geheel in dienst van één of meer gemeenten, hetzij in een niet-kerkelijk verband, worden onderscheiden
het pastorale werk,
het sociale werk en
het werk onder de jeugd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-27-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 27.

Evangelisten.

Lid
3

Deze evangelisten zijn bij die arbeid belast met
de verkondiging van het Evangelie aan,
hete leiden van kerkelijke samenkomsten van, alsmede
het geven van kerkelijk onderricht,
de betoning van geestelijke zorg, en
de sociale bijstand aan
degenen, onder wie zij werkzaam zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-27-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 27.

Evangelisten.

Lid
4

Tot evangelist zijn benoembaar lidmaten der Kerk, die voldoen aan de vereisten, gesteld in de generale regeling der synode, bedoeld in het tweede lid van art. 25 van deze ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
1

De evangelist is werkzaam ten behoeve van een of meer kerkelijke gemeenten en verricht zijn werkzaamheid in opdracht van en in verantwoordelijkheid aan de kerkeraad, in samenwerking met de kerkeraadscommissie voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie en in gemeenschap met de raad voor deze arbeid.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
2

Indien de aard van het werk dit vordert, kan een evangelist werkzaam zijn ten behoeve van een regionaal of algemeen orgaan der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
3

Een gemeente of groep van gemeenten, het verlangen hebbende tot aanstelling van een evangelist over te gaan, stelt zich in verbinding met het instituut „Kerk en wereld” en verbindt zich, de aan deze aanstelling verbonden kosten te zullen dragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
4

De benoeming geschiedt door de ambtelijke vergadering of de ambtelijke vergaderingen, in welke ressort de evangelist werkzaam zal zijn, nadat over de keuze van degene, die wordt benoemd, en over zijn acte van aanstelling met bijbehorende instructie overeenstemming is verkregen met het instituut „Kerk en wereld”.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-5

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
5

De benoeming geschiedt voor een tijdvak als in de acte van aanstelling is aangegeven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-6

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
6

Indien het belang van het werk dit vordert, kan op verzoek, hetzij van de ambtelijke vergadering of vergaderingen, hetzij van het instituut in onderling overleg, de betrokkene gehoord, ook tussentijds een aanstelling worden beëindigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-7

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
7

De bezoldiging van de evangelist, wiens aanstelling tussentijds wordt beëindigd, komt voor rekening van het instituut, totdat hij op een andere plaats wederom te werk is gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-28-8

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 28.

De benoeming tot evangelist.

Lid
8

De evangelist, die blijk geeft om andere redenen dan die welke zouden leiden tot het toepassen van een bijzonder middel ter handhaving van de kerkelijke tucht, voor de verdere waarneming van zijn bediening ten enenmale ongeschikt te zijn, kan op voordracht van de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie door het breed moderamen der synode, de betrokken evangelist en ambtelijke vergadering of vergaderingen gehoord, van zijn bediening ontheven worden, met inachtneming van een wachttijd van één jaar, gedurende hetwelk hij zijn salaris blijft ontvangen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-29-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 29.

Bezoldiging.

Lid
1

De bezoldiging van de evangelisten, bedoeld in art. 27 dezer ordinantie, geschiedt bij generale regeling, vastgesteld krachtens de ordinantie voor de traktementen en pensioenen, en omvat
een minimum-aanvangstraktement voor ongehuwden en gehuwden,
periodieke verhogingen,
kindergelden,
maatschappelijke voorzieningen,
vergoeding van verhuiskosten,
een wachtgeldregeling, en
een pensioenregeling met verhaal van premie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-30-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 30.

De financiën.

Lid
1

De voor deze arbeid benodigde gelden worden, voor zoveel zij niet dienen te komen voor rekening van de gemeenten zelve, gevonden uit een kas voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-30-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 30.

De financiën.

Lid
2

De winning van deze gelden geschiedt door de kerkeraad met behulp van de betrokken gemeentelijke commissie, zo deze is ingesteld, en met bijstand van de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-30-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

C. De verbreiding van het Evangelie onder hen, die daarvan zijn vervreemd.

Artikel 30.

De financiën.

Lid
3

Voor deze kas geldt het bepaalde in art. 19 van de ordinantie voor de kerkelijke financiën.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-31-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 31.

Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Lid
1

Ten dienste van de arbeid ter kerstening kan de generale synode ten behoeve van een orgaan van bijstand, of van meer van deze organen gemeenschappelijk, instituten in het leven roepen of bestemmen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-31-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 31.

Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Lid
2

De nadere organisatie van zulk een instituut en van zijn verhouding tot de Kerk geschiedt bij generale regeling der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-32-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 32.

Het instituut „Kerk en wereld”.

Lid
1

Er is een instituut, genaamd „Kerk en wereld”.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-32-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 32.

Het instituut „Kerk en wereld”.

Lid
2

Dit instituut heeft tot taak
terzake van de kerstening der samenleving de raad voor de vragen van Kerk en samenleving waar nodig te dienen met zijn initiatieven en bijstand bij de vervullling van dienst opdracht;
terzake van de arbeid ter verbreiding van het Evangelie de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie te dienen en bij te staan bij het ontwerpen en volvoeren van diens plannen en bij de tenuitvoerlegging van hetgeen die raad verder tot taak is gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-33-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 33.

De leiding van het instituut „Kerk en wereld”.

Lid
1

Het instituut staat onder leiding van een curatorium van twaalf leden, benoemd door de generale synode, en wel drie leden uit de raad voor de zaken van Kerk en samenleving, drie leden uit de raad voor de arbeid ter verbreiding van het Evangelie, drie leden uit de generale synode en drie leden naar vrije keuze.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-33-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 33.

De leiding van het instituut „Kerk en wereld”.

Lid
2

De zorg voor de dagelijkse gang van zaken is, onder leiding en toezicht van het curatorium, opgedragen aan een directorium, welks leden in overleg met het curatorium worden benoemd door de generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-33-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 33.

De leiding van het instituut „Kerk en wereld”.

Lid
3

De benoeming van de vast aan het instituut te verbinden docenten geschiedt door de generale synode, waarvoor het curatorium een aanbeveling indient.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-33-4

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 33.

De leiding van het instituut „Kerk en wereld”.

Lid
4

De benoeming van andere docenten en de aanwijzing van hen, aan wie een opdracht gegeven wordt tot het geven van enkele lessen of het geregeld houden van voordrachten, behoeven de goedkeuring van het breed moderamen der synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-33-5

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

D. Instituten voor de arbeid ter kerstening.

Artikel 33.

De leiding van het instituut „Kerk en wereld”.

Lid
5

De regeling van de bezoldiging van directorium en docenten behoeft de goedkeuring van de generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-34-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

E. Voortgaande reformatie van het volksleven.

Artikel 34.

Het apostolaat ten aanzien van het rooms-katholicisme.

Lid
1

De Kerk blijft in al haar geledingen strijden voor het reformatorisch karakter van staat en volk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-34-2

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

E. Voortgaande reformatie van het volksleven.

Artikel 34.

Het apostolaat ten aanzien van het rooms-katholicisme.

Lid
2

Zij bevordert het rechte verstaan van het Evangelie onder hen, die behoren tot de Rooms Katholieke Kerk, of van haar zijn vervreemd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-34-3

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

E. Voortgaande reformatie van het volksleven.

Artikel 34.

Het apostolaat ten aanzien van het rooms-katholicisme.

Lid
3

Zij wordt in het belijden van de waarheid van het Evangelie terzijde gestaan door de raad voor de zaken van Kerk en theologie, die zich daartoe in het bijzonder ook bezig houdt met het onderzoek van de vraagstukken die verband houden met het rooms-katholicisme.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 4-35-1

Ordinantie voor het apostolaat.

 

III. De arbeid ter kerstening.

E. Voortgaande reformatie van het volksleven.

Artikel 35.

Voorlichting en bijstand.

Lid
1

Waar zich de behoefte daartoe doet gevoelen, roept de ambtelijke vergadering een commissie in het leven, wier taak het is
voorlichting te geven over het reformatorisch belijden, leven en werken der Kerk;
bijstand te verlenen aan hen, die ter zake in moeite komen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5.

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.
1. Wat het jeugdwerk omvat.
2. De raad voor het jeugdwerk.
3. De jeugdwerkleider.

II. De zaken van Kerk en school.
4. De zorg voor de zaken van Kerk en school.
5. De raad voor de zaken van Kerk en school.
6. Leerkrachten voor het bijbelonderwijs op de scholen.
7. Testimonium I.
8. Testimonium II.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5.I.

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel
1-3

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-1-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 1.

Wat het jeugdwerk omvat.

Lid
1

De Kerk, erkennende dat zij naast de ouders mede verantwoordelijkheid draagt voor de jeugd van Kerk en volk, heeft in haar jeugdwerk met name tot taak:
de jeugd te bewaren bij en in aanraking te brengen met het Evangelie van Jezus Christus;
leiding en daadwerkelijke bijstand te geven bij haar ontwikkeling, arbeidsleven, ontspanning en besteding van vrije tijd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-1-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 1.

Wat het jeugdwerk omvat.

Lid
2

De zorg voor het jeugdwerk behoort tot de werkzaamheden van de kerkeraad, welke zich doet bijstaan door een commissie voor het jeugdwerk, welker leden door de kerkeraad worden benoemd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-1-3

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 1.

Wat het jeugdwerk omvat.

Lid
3

De zorg der Kerk strekt zich mede daartoe uit, dat de jonge lidmaten actief betrokken worden in het leven van jeugd, gemeente en Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-2-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 2.

De raad voor het jeugdwerk.

Lid
1

De meerdere ambtelijke vergaderingen doen zich bij haar werkzaamheden op het gebied van het jeugdwerk voorlichten en bijstaan door een orgaan van bijstand voor het jeugdwerk in haar ressort.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-2-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 2.

De raad voor het jeugdwerk.

Lid
2

Het orgaan van bijstand der generale synode, raad voor het jeugdwerk genaamd, heeft inzonderheid tot taak
samenwerking te bevorderen tussen de organen, op het terrein van het jeugdwerk, in de Kerk en daarbuiten, werkzaam;
voorlichting en leiding te geven aan het jeugdwerk;
organen en instellingen in het leven te roepen, te besturen of te doen besturen, welke bevorderlijk zijn voor het bereiken van de aan het jeugdwerk gestelde doeleinden;
de scholing ter hand te nemen of te bevorderen van hen, die geroepen zullen worden leiding te geven aan het jeugdwerk;
ten uitvoer te leggen, hetgeen hem krachtens het vierde lid van art. 3 dezer ordinantie wordt geopdragen;
leiding te geven aan werkgemeenschappen van jeugdwerkleiders der Kerk;
periodieken en geschriften te doen verschijnen, van belang voor de jeugd, voor het werk onder deze of voor degenen, die op enig terrein des levens met de jeugd in aanraking komen;
samen te werken met andere organen van bijstand, voorzover zij op enigerlei wijze betrokken zijn bij de vorming van de jeugd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-3-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 3.

De jeugdwerkleider.

Lid
1

De kerkeraad kan zich bij de geestelijke vorming van de jeugd doen bijstaan door jeugdwerkleiders.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-3-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 3.

De jeugdwerkleider.

Lid
2

Tot deze bediening kunnen worden geroepen mannelijke en vrouwelijks lidmaten der Kerk, die hun tijd geheel aan deze arbeid willen geven en aan daarvoor te stellen eisen voldoen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-3-3

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 3.

De jeugdwerkleider.

Lid
3

De opleiding van hen, die begeren in deze bediening te worden gesteld, geschiedt naar bepalingen vast te leggen in een generale regeling der synode, waarin onder meer regelen zullen worden gesteld inzake de toelating tot de opleiding, de vakken, waarin en de wijze waarop het onderricht zal worden gegeven, en het examen, dat tot deze bediening toegang geeft, in welke generale regeling mede is opgenomen, ten overstaan van wie zij, alvorens een testimonium te ontvangen, bevestigend antwoorden op de vragen, vermeld in het derde lid van art. 3 van de ordinantie voor het apostolaat.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-3-4

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

I. Het jeugdwerk.

Artikel 3.

De jeugdwerkleider.

Lid
4

Inzake de benoeming tot jeugdwerkleider, zijn arbeid — in gemeenschap met de raad voor het jeugdwerk — en zijn bezoldiging zijn de bepalingen in de artikelen 10 en 11 van de ordinantie voor de catechese van overeenkomstige toepassing.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5.II.

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel
4-8

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-4-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 4.

De zorg voor de zaken van Kerk en school.

Lid
1

De Kerk, in haar zorg voor de zaken van Kerk en school, werkt mede aan de kerstening van het onderwijs.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-4-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 4.

De zorg voor de zaken van Kerk en school.

Lid
2

Deze zorg heeft mede ten doel:
het dienen en bevorderen van het onderwijs in de bijbelse geschiedenis en de kerkgeschiedenis op de scholen en inrichtingen van onderwijs;
contact te leggen tussen de gemeente, de school, de leerkrachten en de ouders der leerlingen, opdat de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de opvoeding van de kinderen gestalte krijge;
de ouders te doordringen van hun verantwoordelijkheid voor het schoolonderricht aan hun kinderen;
te voorzien in het onderwijs daar, waar het ontbreken van scholen of een andere gewichtige reden dit in bijzondere gevallen nodig maakt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-4-3

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 4.

De zorg voor de zaken van Kerk en school.

Lid
3

De Kerk richt haar herderlijke zorg in het bijzonder ook op hen, die belast zijn met de opvoeding en het onderwijs en zoekt hen te dienen bij de rechte vervulling van hun taak.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-5-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 5.

De raad voor de zaken van Kerk en school.

Lid
1

De ambtelijke vergaderingen doen zich bij haar zorg voor de zaken van Kerk en school voorlichten en bijstaan door een raad voor de zaken van Kerk en school.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-5-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 5.

De raad voor de zaken van Kerk en school.

Lid
2

Deze raad heeft tot taak
voorlichting te geven aan en waar nodig samenwerking te bevorderen tussen de organen, die voor, vanwege of ten behoeve van de Kerk, of in het algemeen op het gebied van het onderwijs werkzaam zijn;
te bevorderen, dat vanwege de kerkelijke gemeenten bijbelonderwijs wordt gegeven op de scholen, waar zulks niet geschiedt;
samen te werken met de raden voor de catechese en voor het jeugdwerk;
zorg te dragen — zo nodig in samenwerking met de raad voor de catechese — voor de uitreiking van de testimonia I en II en toezicht te houden op de daarvoor in het leven geroepen opleiding.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-6-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 6.

Leerkrachten voor het bijbelonderwijs op de scholen.

Lid
1

De kerkeraad doet zich bij zijn zorg voor het onderwijs in de bijbelse en kerkgeschiedenis op de scholen en inrichtingen van onderwijs zo nodig bijstaan door leerkrachten, in het bezit van testimonium I of II.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-6-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 6.

Leerkrachten voor het bijbelonderwijs op de scholen.

Lid
2

Op verzoek van de raad voor de zaken van Kerk en school dragen een of meer kerkeraden, met inachtneming van hetgeen bij generale regeling der synode omtrent de te stellen eisen en de opleiding nader zal zijn bepaald, zorg, dat de gelegenheid bestaat een opleiding te ontvangen ter verkrijging van testimonium I of II.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-7-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 7.

Testimonium I.

Lid
1

Testimonium I wordt door de raad voor de zaken van Kerk en school of een door deze aangewezen commissie, uitgereikt aan lidmaten der Kerk, bij voorkeur leerkrachten der scholen, die bij een onderzoek blijk hebben gegeven voldoende kennis te bezitten van
de bijbel,
de geschiedenis van Kerk en zending,
de belijdenisgeschriften en formulieren der Kerk,
het kerkboek,
het godsdienstig leven van de jeugd,
de didactiek van het bijbelonderwijs en
de hedendaagse sociale vragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-7-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 7.

Testimonium I.

Lid
2

Aan hen, die in het bezit zijn van testimonium I, kan worden toevertrouwd onderricht te geven in bijbelse en kerkelijke geschiedenis op de lagere scholen, de nijverheidsscholen en in de eerste twee klassen van middelbare of tot hoger onderwijs voorbereidende scholen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-8-1

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 8.

Testimonium II.

Lid
1

Testimonium II wordt door de raad voor de zaken van Kerk en school of een door deze aangewezen commissie uitgereikt aan lidmaten der Kerk, bij voorkeur leerkrachten van het voorbereidend hoger onderwijs, het middelbaar onderwijs of van kweekscholen, die bij een onderzoek blijkt hebben gegeven van voldoende kennis van
het Oude en Nieuwe Testament,
dogmatiek en ethiek,
de geschiedenis van Kerk en zending,
de belijdenisgeschriften en formulieren der Kerk,
het kerkboek,
het godsdienstig leven van de jeugd,
de didactiek van het bijbelonderwijs en
de hedendaagse geestelijke stromingen en sociale vragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 5-8-2

Ordinantie voor het jeugdwerk en de zaken van Kerk en school.

 

II. De zaken van Kerk en school.

Artikel 8.

Testimonium II.

Lid
2

Aan hen, die in het bezit zijn van testimonium II kan worden toevertrouwd het onderricht in bijbelse en kerkelijke geschiedenis op tot hoger onderwijs voorbereidende, middelbare en kweekscholen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6.

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

1. De kerkdiensten der gemeente.
2. Bijzondere kerkdiensten.
3. Hulp en voorlichting bij de predikdienst.
4. Het kerkgebouw.
5. De koster.
6. De cantor-organist of de organist.
7. De raad voor de eredienst.
8. De huisdiensten.

Artikel

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
1

In haar kerkdiensten verenigt zich de gemeente des Heren onder de bediening van Woord en sacramenten en tot de dienst der gebeden en der barmhartigheid.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-2

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
2

Buitengewone kerkdiensten kunnen worden gehouden naar aanleiding van belangrijke gebeurtenissen in het leven van Kerk, staat en volk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-3

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
3

Getal, plaats en tijd van de kerkdiensten worden vastgesteld door de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-4

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
4

Een kerkdienst wordt niet geleid dan
door een dienaar des Woords of een emeritus-predikant der Kerk;
door hem, die de bevoegdheid van een emeritus heeft;
door hen, die daartoe naar de bepalingen van hoofdstuk VIII van de ordinantie voor het pastoraat bevoegd zijn; of
door een predikant als bedoeld in de artikelen 3 en 7 van de ordinantie voor het verband met andere Kerken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-5

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
5

In noodgevallen kan een ouderling een kerkdienst leiden, onder gebruikmaking van een daartoe bestemde orde van dienst uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-6

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
6

In een kerkdienst wordt slechts gebruik gemaakt van een — in overleg met de kerkeraad gekozen — orde uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-7

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
7

De pastor loci laat zich in de door hem te leiden kerkdiensten niet vervangen dan in overleg met de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-1-8

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 1.

De kerkdiensten der gemeente.

Lid
8

De kerkeraad doet in het openbaar — ook door middel van de plaatselijke nieuwsbladen en zonder daarvoor van deze betaling te verlangen — mededeling van plaats en tijd der kerkdiensten en desgewenst van de naam van degene, die daarin zal voorgaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-2-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 2.

Bijzondere kerkdiensten.

Lid
1

De kerkeraad kan besluiten tot het houden van bijzondere kerkdiensten, zoals voor de jonge leden der gemeente en voor hen, die buiten het kerkelijk leven staan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-2-2

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 2.

Bijzondere kerkdiensten.

Lid
2

De kerkeraad kan, al of niet in samenwerking met andere Kerken, besluiten tot het houden van oecumenische kerkdiensten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-2-3

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 2.

Bijzondere kerkdiensten.

Lid
3

In bijzondere kerkdiensten kan worden afgeweken van het bepaalde in het vierde en zesde lid van art. 1 dezer ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-2-4

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 2.

Bijzondere kerkdiensten.

Lid
4

In oecumenische kerkdiensten kan ook gezongen worden uit het liederenboek van andere Kerken.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-3-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 3.

Hulp en voorlichting bij de predikdienst.

Lid
1

De generale synode doet zich bij haar zorg voor de predikdienst bijstaan door de raad voor de zaken van Kerk en theologie, die hulp en voorlichting geeft, zowel ten aanzien van de voorbereiding van de predikdienst en de leerdienst, als ten behoeve van de huisdiensten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-4-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 4.

Het kerkgebouw.

Lid
1

De zorg voor de kerkgebouwen der gemeente en voor de orde daarin tijdens de kerkdiensten berust bij de kerkvoogden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-4-2

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 4.

Het kerkgebouw.

Lid
2

Met inachtneming van de bepalingen, terzake gesteld in de ordinantie voor het toezicht, beslist de kerkeraad in zijn geheel, onder goedkeuring — behoudens beroep op het breed moderamen der generale synode — van het provinciaal college van toezicht, hetwelk de bouw- en restauratiecommissie hoort, over het bouwplan en over de inrichting bij restauratie of bouw van een kerkgebouw en de schikking der kerkmeubelen, een en ander niet strijdig met de liturgische grondgedachten der Reformatie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-4-3

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 4.

Het kerkgebouw.

Lid
3

De kerkgebouwen der gemeente worden door kerkvoogden, in overleg met de kerkeraad, niet dan voor gemeentelijke en kerkelijke doeleinden beschikbaar gesteld, behoudens afwijking in bijzondere gevallen onder goedkeuring van het breed moderamen der provinciale kerkvergadering.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-5-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 5.

De koster.

Lid
1

De kerkvoogden kunnen zich bij de zorg voor het kerkgebouw en de orde daarin tijdens de kerkdiensten doen bijstaan door een koster, door het college van kerkvoogden, na overleg met de kerkeraad in zijn geheel, bij voorkeur benoemd uit de lidmaten der Kerk, die — naar een regeling in zijn instructie opgenomen — tevens kan worden belast met werkzaamheden ten dienste van de kerkeraad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-6-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 6.

De cantor-organist of de organist.

Lid
1

De gemeente wordt in de kerkdienst terzijde gestaan door de cantor-organist of de organist, die, met inachtneming van de aanwijzingen van de kerkeraad, zich richt naar de redelijke wensen van hem, die de leiding van de kerkdienst heeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-6-2

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 6.

De cantor-organist of de organist.

Lid
2

De cantor-organist verleent op verzoek van de kerkeraad en naar een in zijn instructie op te nemen regeling zijn medewerking bij het onderricht van de jonge leden der gemeente in het geestelijk en kerkelijk lied en bij het kerkelijke muziekleven der gemeente.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-6-3

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 6.

De cantor-organist of de organist.

Lid
3

De cantor-organist of de organist wordt benoemd door het college van kerkvoogden, na overleg met de kerkeraad in zijn geheel, zo mogelijk uit de lidmaten der Kerk, en bij voorkeur uit hen, die in het bezit zijn van een der testimonia voor kerkorganist, namens de raad voor de eredenst afgegeven door de commissie voor de kerkmuziek.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-6-4

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 6.

De cantor-organist of de organist.

Lid
4

Deze testimonia zijn onderscheiden naar de eenvoudige, gewone of buitengewone geoefendheid van de organist, zoals deze ook kan blijken uit hem, vanwege door de commissie voor de kerkmuziek daartoe bevoegd geachte opleidingsinstituten, uitgereikte diploma’s.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-6-5

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 6.

De cantor-organist of de organist.

Lid
5

Een testimonium wordt afgegeven, indien de cantor-organist of de organist voldoet aan door de commissie voor de kerkmuziek gestelde, met zijn technische opleiding overeenkomende, eisen inzake de kennis van
de orden van de dienst,
het psalm- en gezangboek,
het geestelijk lied,
de geschiedenis van het orgel en de orgelmuziek
en indien hij zich bekwaam heeft getoond in het begeleidend en zelfstandig orgelspel overeenkomstig de aard van de Hervormde eredienst.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-6-6

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 6.

De cantor-organist of de organist.

Lid
6

De cantor-organist of de organist ontvangt een aanstelling, ingericht naar een der door de raad voor de eredienst daarvoor vastgestelde modellen, waarin zijn taak, plichten en rechten nader worden geregeld, terwijl de raad voor de traktementen in overleg met de algemene kerkvoogdijraad bevoegd is een minimumregeling vast te stellen voor de bezoldiging van de cantor-organist of de organist.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-7-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 7.

De raad voor de eredienst.

Lid
1

De generale synode doet zich, bij haar zorg voor de eredienst in de Kerk in haar geheel, bijstaan door een raad voor de eredienst, bestaande uit negen leden, onder wie één lid gekozen uit de raad voor de zaken van Kerk en theologie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-7-2

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 7.

De raad voor de eredienst.

Lid
2

De raad voor de eredienst heeft tot taak
synode en Kerk voor te lichten over het hun toegewezen arbeidsveld;
leiding te geven aan de zorg voor de eredienst in gemeente en Kerk; en
de uitgaven te verzorgen van boeken en geschriften op het terrein van de eredienst.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-7-3

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 7.

De raad voor de eredienst.

Lid
3

De raad voor de eredienst wordt bijgestaan door vaste commissies voor bepaalde onderdelen van zijn arbeidsveld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-7-4

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 7.

De raad voor de eredienst.

Lid
4

De leden dezer commissies worden benoemd uit de generale synode, uit de raad voor de eredienst en uit de lidmaten der Kerk, terwijl haar voorzitters en secretarissen — telkens voor een tijdvak van drie jaren — door de raad worden aangewezen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-7-5

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 7.

De raad voor de eredienst.

Lid
5

Er zullen in ieder geval vaste commissies zijn voor
het dienstboek der Kerk,
het psalm- en gezangboek,
de kerkmuziek,
de beginselen van kerkbouw, en
de huisdiensten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 6-8-1

Ordinantie voor de kerkdienst.

 

Artikel 8.

De huisdiensten.

Lid
1

Predikanten en ouderlingen wekken, met name bij het huisbezoek, de leden der gemeente op tot het getrouw onderhouden van de huisdienst met Schriftlezing, gebed en gezongen of gelezen lied, waarvoor de commissie voor de huisdiensten, in samenwerking met de raad voor de zaken van Kerk en theologie, handleidingen uitgeeft, ingesteld op de verschillende groepen der bevolking.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7.

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.
1. De opleiding en vorming van de dienaar des Woords.
2. De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.
3. De kerkelijke hoogleraren.
4. De inschrijving in het album.
5. Het onderzoek naar de geschiktheid voor het predikambt.
6. De kas voor de vorming van de dienaren des Woords.
7. De fondsen voor het theologisch hoger onderwijs.

II. Het kerkelijk examen.
8. Het kerkelijk examen.
9. De opleiding van theologen in het buitenland.
10. De vorming van hen, die bij een andere Kerk in de evangeliebediening zijn werkzaam geweest.
11. De opleiding en vorming tot zendingspredikant.

III. De toelating tot de evangeliebediening.
12. De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.
13. Het seminarium.
14. De aanvrage van een colloquium.
15. De vereisten voor de toelating tot het colloquium.
16. Het colloquium.
17. Singuliere gaven.
18. Het testimonium van candidaat tot de Heilige Dienst.

IV. De theologische arbeid der Kerk.
19. De raad voor de zaken van Kerk en theologie.
20. De werkzaamheden van de raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7.I.

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel
1-7

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-1-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 1.

De opleiding en vorming van de dienaar des Woords.

Lid
1

De opleiding van de dienaar des Woords geschiedt aan de theologische faculteit van de Rijksuniversiteiten te Leiden, Groningen en Utrecht en aan de gemeentelijke universiteit van Amsterdam.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-1-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 1.

De opleiding en vorming van de dienaar des Woords.

Lid
2

Aan de kerkelijke hoogleraren en aan andere, daartoe door de Kerk uitgenodigde, hoogleraren der universiteit is bij de theologische opleiding opgedragen bijzondere zorg te besteden aan de vorming tot het ambt van dienaar des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-1-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 1.

De opleiding en vorming van de dienaar des Woords.

Lid
3

Aan de kerkelijke en andere, daartoe door de generale synode uitgenodigde, hoogleraren is mede toevertrouwd het betonen van geestelijke zorg aan hen, die in het album der Kerk zijn ingeschreven.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
1

Bij haar voortdurende zorg voor de opleiding en vorming van de dienaren des Woords wordt de generale synode bijgestaan door een commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
2

Deze commissie telt zeven leden, door de generale synode benoemd uit de lidmaten der Kerk, onder wie ten hoogste vier leden uit de predikanten en tenminste twee leden uit haar midden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
3

Men kan niet tegelijk lid van deze commissie zijn en kerkelijk hoogleraar of rector van het seminarium, bedoeld in art. 13 van deze ordinantie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-4

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
4

De commissie kiest zich een voorzitter, een vice-voorzitter en een secretaris.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-5

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
5

Zij heeft tot taak, in naam van en in verantwoordelijkheid aan de generale synode, de belangen te verzorgen van de opleiding en vorming van de dienaren des Woords, voorzover zulks niet behoort tot de opdracht der hoogleraren of van de rector van het seminarium.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-6

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
6

Zij is daarbij, nevens hetgeen haar verder in deze ordinantie is opgedragen, onder meer belast met
de voorlichting van synode en Kerk over de opleiding en vorming van de dienaren des Woords;
de zorg voor de belangen der Kerk bij de opleiding tot predikant gedurende de jaren van het voorbereidend hoger onderwijs;
de behartiging van de stoffelijke belangen aan opleiding en vorming verbonden;
de voorbereiding tot oprichting, al of niet in samenwerking met andere lichamen, van de instituten, aan welke bij opleiding en vorming blijkt behoefte te bestaan;
het besturen of doen besturen van deze instituten; en
de leiding van het seminarium.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-7

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
7

Het overleg, voortvloeiende uit de raadpleging van de Hervormde Kerk over de bezetting van leerstoelen in de theologische of litteraire faculteit ener universiteit, waar de Kerk haar dienaren des Woords doet opleiding, wordt namens haar gevoerd door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs in overleg met het breed moderamen der generale synode, de kerkelijke hoogleraren aan die universiteit gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-2-8

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 2.

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
8

De commissie brengt telken jare vóór 1 October en mede aan de hand van haar door de kerkelijke hoogleraren en de rector van het seminarium verstrekte gegevens verslag uit aan de generale synode over de opleiding en vorming van de dienaren des Woords in het afgelopen academiejaar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
1

De benoeming en het ontslag van kerkelijke hoogleraren geschiedt door de generale synode.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
2

Alvorens de generale synode tot zulk een benoeming overgaat, doet de commissie voor het theologisch hoger onderwijs — na overleg met de vergadering van de hoogleraren der Kerk en gehoord het advies van de theologische faculteit, waar de te benoemen hoogleraar zal werkzaam zijn — haar een aanbeveling met tenminste drie namen toekomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
3

De generale synode kan, indien de omvang van het werk dat vereist, overgaan tot de benoeming van docenten vanwege de Hervormde Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-4

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
4

Tot kerkelijk hoogleraar zijn benoembaar zij, die — behoudens door de generale synode van deze voorwaarde te verlenen ontheffing — tenminste vijf jaren als dienaar des Woords de Hervormde Kerk hebben gediend.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-5

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
5

Hij, die benoemd is tot kerkelijk hoogleraar, verklaart binnen vier weken, of hij deze benoeming aanvaardt.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-6

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
6

Hij, die tot kerkelijk hoogleraar is benoemd of met een bepaalde opdracht is belast, belooft, vóór het tijdstip, waarop die benoeming of opdracht ingaat, ten overstaan van het moderamen der generale synode, dat hij bij zijn arbeid aan de opleiding en vorming van de dienaren des Woords zich naar art. X der kerkorde zal bewegen in de weg van het belijden der Kerk, het opzicht der generale synode daarover aanvaardt, zich zal onderwerpen aan de regelen van de orde der Kerk en zal medewerken aan de opbouw van de Hervormde Kerk als openbaring van de ene heilige katholieke of algemene christelijke Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-7

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
7

De synode kan, in bijzondere gevallen en in overleg met de betrokken kerkelijke hoogleraar, ook een rijks- of gemeentelijk hoogleraar uitnodigen een opdracht te aanvaarden tot het onderwijs in een of meer der vakken, welke als onderdeel van de opleiding en vorming door de kerkelijke hoogleraren zouden moeten worden gedoceerd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-8

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
8

De kerkelijke hoogleraren wijden zich geheel aan de opleiding en vorming van de dienaren des Woords, de kerkelijke docenten worden nevens hun eigen werkzaamheden belast met een taak ten aanzien van een bepaald onderdeel van deze opleiding en vorming en kunnen een leeropdracht ontvangen aan meer dan een universiteit.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-9

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
9

Het onderwijs vanwege de Kerk wordt gegeven in
bijbelse theologie,
dogmatiek,
christelijke ethiek,
wezen en geschiedenis van het apostolaat,
praktische theologie,
geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk en van haar symbolische en liturgische geschriften,
kerkrecht,
en voorts in die vakken, waarin de generale synode het onderwijs alsnog noodzakelijk of wenselijk acht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-10

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
10

De verdeling van deze vakken over de hoogleraren en de vaststelling van het aantal uren, waarin een bepaald vak zal worden gedoceerd, geschiedt onder goedkeuring van de generale synode door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs, de vergadering der kerkelijke hoogleraren gehoord.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-11

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
11

De kerkelijke hoogleraren bij eenzelfde universiteit fungeren bij toerbeurt telkens gedurende een academisch jaar als voorzitter en regelen de zorg voor het bijhouden van het album der Kerk en voor de verdere administratieve aangelegenheden ter plaatse in onderling overleg.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-12

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
12

De kerkelijke hoogleraren komen onder leiding van de in diensttijd oudste aanwezige hoogleraar naar behoefte in vergadering bijeen ter behandeling van de hen gemeenschappelijk rakende aangelegenheden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-13

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
13

Een kerkelijk hoogleraar kan geen zitting hebben in een vertegenwoordigend lichaam van de staat, noch enige staatsrechtelijke functie vervullen, noch enige nevenbetrekking, waaraan regelmatige inkomsten zijn verbonden, dan met toestemming van het breed moderamen der synode, de commissie voor het theologisch hoger onderwijs gehoord, waarbij dat moderamen tevens beslist, of de hoogleraar geheel of ten dele op non-activiteit wordt gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-14

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
14

Bij afwezigheid of ontstentenis van een kerkelijk hoogleraar regelen de overige kerkelijke hoogleraren, onder goedkeuring van de commissie voor het theologisch hoger onderwijs, de wijze, waarop in de waarneming van zijn werkzaamheden wordt voorzien.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-15

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
15

Behoudens dispensatie in bijzondere gevallen door het moderamen der generale synode te verlenen, heeft de kerkelijke hoogleraar zijn woonplaats binnen de grenzen van de burgerlijke gemeente, in welke de betrokken universiteit is gevestigd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-3-16

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 3.

De kerkelijke hoogleraren.

Lid
16

Aan de kerkelijke hoogleraren worden jaarwedde en pensieonrechten verzekerd tot eenzelfde bedrag als zijn of zullen worden toegekend aan de rijkshoogleraren, terwijl voor de verplichting tot aftreden na volbrachte diensttijd gelijke bepalingen gelden als voor de rijkshoogleraren.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-4-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 4.

De inschrijving in het album.

Lid
1

Zij, die begeren tot dienaar des Woords in de Hervormde Kerk te worden gevormd, laten zich van de aanvang hunner studie af telken jare inschrijven in het album der Kerk, met dien verstande, dat de inschrijvingsgelden niet meer dan viermaal verschuldigd zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-4-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 4.

De inschrijving in het album.

Lid
2

Voor de inschrijving in het album en voor het afleggen van de kerkelijke examens zijn inschrijvings- en examengelden verschuldigd, waarvan het bedrag, onder goedkeuring van het breed moderamen der synode, wordt vastgesteld door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-4-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 4.

De inschrijving in het album.

Lid
3

In het album der Kerk worden ook ingeschreven vrouwelijke theologische studenten, die het kerkelijk examen wensen af te leggen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-5-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 5.

Het onderzoek naar de geschiktheid voor het predikambt.

Lid
1

Zij, die voor de eerste maal in het album der Kerk zijn ingeschreven, maken binnen drie maanden na die inschrijving persoonlijk kennis met de kerkelijke hoogleraren der universiteit en onderwerpen zich op verlangen dier hoogleraren aan een onderzoek, betrekking hebbende op de aanvankelijke geschiktheid voor het predikambt of vicariaat.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-5-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 5.

Het onderzoek naar de geschiktheid voor het predikambt.

Lid
2

De hoogleraren vragen daarbij desgewenst het getuigenis van rectoren, leraren, predikanten en anderen, onder wier leiding de ingeschrevene voordien heeft gestaan, alsmede van de andere hoogleraren der faculteit.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-5-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 5.

Het onderzoek naar de geschiktheid voor het predikambt.

Lid
3

Aan hem, die naar het oordeel van de kerkelijke hoogleraren de aanvankelijke geschiktheid tot het predikambt of vicariaat mist of op een later tijdstip van de vorming blijk geeft deze geschiktheid toch niet in voldoende mate te bezitten, wordt daarvan — indien de commissie voor het theologich hoger onderwijs dit inzicht deelt — door deze commissie mondeling mededeling gedaan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-6-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 6.

De kas voor de vorming van de dienaren des Woords.

Lid
1

De onkosten der Kerk, aan opleiding en vorming verbonden, worden bestreden uit een kas voor de vorming van de dienaren des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-6-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 6.

De kas voor de vorming van de dienaren des Woords.

Lid
2

De beslissing over de besteding van de gelden van deze kas berust bij de commissie voor het theologisch hoger onderwijs, met dien verstande, dat haar begroting de goedkeuring behoeft van de generale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-6-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 6.

De kas voor de vorming van de dienaren des Woords.

Lid
3

Voor deze kas geldt het bepaalde in art. 19 van de ordinantie voor de kerkelijke financiën.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-6-4

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 6.

De kas voor de vorming van de dienaren des Woords.

Lid
4

In deze kas worden gestort
de wettelijke en andere bijdragen van de overheid voor de opleiding van de dienaren des Woords, voorzover deze niet rechtstreeks aan de kerkelijke hoogleraren worden uitbetaald;
de inschrijvings- en examengelden van hen, die in het album der Kerk zijn ingeschreven;
de internaats- en lesgelden van hen, die aan het seminarium deelnemen;
renten van ten name der kas belegde gelden en van daarvoor aangewezen generale fondsen der Kerk;
bijdragen van kerkeraden en andere kerkelijke organen;
de opbrengst van collecten; en
andere inkomsten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-6-5

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 6.

De kas voor de vorming van de dienaren des Woords.

Lid
5

Uit deze kas worden bestreden
de administratie- en andere kosten van de commissie voor het theologisch hoger onderwijs, van de kerkelijke hoogleraren en docenten en andere uitgaven ten behoeve van het theologisch hoger onderwijs en van het seminarium; en
de traktementen der kerkelijke hoogleraren en docenten, voorzover deze hun niet rechtstreeks door rijk of gemeente worden uitbetaald, benevens de traktementen van de rector en docenten van het seminarium.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-7-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 7.

De fondsen voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
1

De voor het theologisch hoger onderwijs der Kerk nodige generale fondsen worden gevormd bij besluit van de genereale financiële raad.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-7-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 7.

De fondsen voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
2

Als zodanig zullen er in ieder geval zijn een fonds voor het theologisch hoger onderwijs der Kerk en een studiefonds.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-7-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

I. Opleiding en vorming.

Artikel 7.

De fondsen voor het theologisch hoger onderwijs.

Lid
3

Voor het beheer, de administratie en de beslissing over de besteding van de gelden dezer fondsen zijn dezelfde bepalingen van kracht als terzake gegeven ten aanzien van de kas voor de vorming van de dienaren des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7.II.

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel
8-11

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-8-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 8.

Het kerkelijk examen.

Lid
1

Het kerkelijk examen wordt met open deuren en gedurende één uur afgenomen door de daarvoor door de synode aangewezen hoogleraren aan de betrokken universiteit.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-8-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 8.

Het kerkelijk examen.

Lid
2

Tot dit examen worden toegelaten zij, die in het album der Kerk zijn ingeschreven en met goed gevolg het candidaatsexamen in de godgeleerdheid hebben afgelegd aan een der daarvoor aangewezen universiteiten.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-8-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 8.

Het kerkelijk examen.

Lid
3

Het examen betreft
bijbelse theologie,
dogmatiek,
christelijke ethiek,
wezen en geschiedenis van het apostolaat,
praktische theologie,
geschiedenis van de Nederlandse Hervormde Kerk en van haar symbolische en liturgische geschriften,
kerkrecht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-8-4

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 8.

Het kerkelijk examen.

Lid
4

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs, de vergadering der kerkelijke hoogleraren gehoord, bepaalt voor elke universiteit afzonderlijk en telkens voor een tijdvak van tenminste drie jaren, in welke van deze vakken examen zal worden afgenomen en in welke vakken afdoend tentamen, met dien verstande nochtans, dat steeds drie dezer vakken op het examen zullen worden gevraagd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-8-5

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 8.

Het kerkelijk examen.

Lid
5

Hij, die met gunstig gevolg het doctoraal examen in de godgeleerdheid heeft afgelegd, is bij het kerkelijk examen vrijgesteld van de vakken, waarin hij bij zijn doctoraal examen door de kerkelijke hoogleraren is geëxamineerd.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-8-6

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 8.

Het kerkelijk examen.

Lid
6

Afwijzing bij het kerkelijk examen geschiedt tenminste voor drie en ten hoogste voor twaalf maanden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-8-7

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 8.

Het kerkelijk examen.

Lid
7

Binnen drie maanden nadat het examen met goed gevolg is afgelegd, houdt de geëxamineerde, ter beoordeling van zijn homiletische bekwaamheid, ten overstaan van een der kerkelijke hoogleraren een proefpreek, waarna hij voor een tijdvak van drie jaren de bevoegdheid ontvangt tot de prediking van het Evangelie in een kerkdienst met gebruikmaking van een daarvoor bestemde orde van dienst uit het dienstboek der Kerk.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-9-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 9.

De opleiding van theologen in het buitenland.

Lid
1

De generale synode kan — de commissie voor het theologisch hoger onderwijs gehoord — bepalen, dat de theologische studie aan door haar met name aangewezen inrichtingen voor theologisch hoger onderwijs in het buitenland gelijk gesteld wordt met die aan een der daarvoor aangewezen Nederlandse universiteiten, onder vaststelling tevens van de graden of bewijsstukken, die in dat geval behaald of verkregen moeten zijn.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-9-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 9.

De opleiding van theologen in het buitenland.

Lid
2

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs treft in overleg met de betrokken kerkelijke hoogleraren dan tevens een regeling inzake de vorming van de betrokkene tot het ambt van dienaar des Woords.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-10-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 10.

De vorming van hen, die bij een andere Kerk in de evangeliebediening zijn werkzaam geweest.

Lid
1

Zo iemand, die tot predikant of geestelijke is opgeleid, of als zodanig heeft dienst gedaan bij een andere Kerk hier te lande of in het buitenland, begeert tot de evangeliebedieninig in de Nederlandse Hervormde Kerk te worden toegelaten, beoordeelt de commissie voor het theologisch hogere onderwijs — de kerkelijke hoogleraren gehoord — voor elk geval afzonderlijk de waarde van de wetenschappelijke opleiding door de aanvrager genoten; stelt zij, in overleg met de betrokken kerkekelijke hoogleraren, zo nodig de vereisten voor een bijzonder kerkelijk examen, waaraan hij zich heeft te onderwerpen, vast; en bepaalt zij van welke vereisten voor de toelating tot het colloquium hem dispensatie wordt verleend.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-10-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 10.

De vorming van hen, die bij een andere Kerk in de evangeliebediening zijn werkzaam geweest.

Lid
2

Is dit examen met goed gevolg afgelegd, dan wordt de aanvrager opgeroepen voor het colloquium, doch niet, dan nadat hij — zo dit nog niet geschied is — onder de belijdende leden der Kerk is opgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-10-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 10.

De vorming van hen, die bij een andere Kerk in de evangeliebediening zijn werkzaam geweest.

Lid
3

Een gemeente kan in een bestaande vacature aan degene, die naar de bepalingen van dit artikel tot de Hervormde Kerk wil overkomen, de — haar gedurende zes maanden bindende — toezegging doen hem te beroepen, zodra hem het testimonium van candidaat tot de Heilige Dienst zal zijn uitgereikt, terwijl de aldus voorlopig beroepene haar binnen vier weken de stellige verklaring doet toekomen, of hij zich verbindt deze toekomstige beroeping op te volgen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-11-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 11.

De opleiding en vorming tot zendingspredikant.

Lid
1

Inzake de opleiding en vorming van de zendingspredikant, voor wiens academische opleiding gelijke bepalingen gelden als voor de andere dienaren des Woords, worden — de commissie voor het theologisch hoger onderwijs, de kerkelijke hoogleraren en de raad voor de zending gehoord — bepalingen gesteld in een generale regeling der synode betreffende die onderdelen van de vorming tot het ambt van dienaar des Woords, die worden vervangen of aangevuld met het oog op de bijzondere eisen door de arbeid als zendingspredikant gesteld, waarbij het kerkelijk examen dienovereenkomstig wordt gewijzigd en waarin tevens wordt bepaald, door wie dit examen zal worden afgenomen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-11-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 11.

De opleiding en vorming tot zendingspredikant.

Lid
2

De commissie voor het theologisch hoger onderwijs kan deze vorming — onder medewerking van de kerkelijke hoogleraren bij een der universiteiten — doen plaats vinden aan een in overleg met de raad voor de zending daarvoor aangewezen instituut of seminarium.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-11-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

II. Het kerkelijk examen.

Artikel 11.

De opleiding en vorming tot zendingspredikant.

Lid
3

Voor hen, die tot zendingspredikant zijn gevormd, gelden de bepalingen inzake het colloquium, maar niet die betreffende de verplichte leertijd in het pastoraat en het verblijf in het seminarium.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7.III.

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel
12-18

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-12-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 12.

De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.

Lid
1

De toelating tot de bediening van het Evangelie en het recht om te staan naar het ambt van dienaar des Woords worden — na een colloquium met hem, die deze toelating en dit recht begeert — verleend door gedelegeerden van de provinciale kerkvergaderingen voor de toelating tot de evangeliebediening, waartoe iedere provinciale kerkvergadering uit de predikanten en ouderlingen van haar ressort voor een tijdvak van vier jaren drie gedelegeerden, waaronder steeds tenminste één predikant en één ouderling, aanwijst, met voor ieder hunner een secundus en een tertius, die hetzelfde ambt dragen als de primusl

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-12-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 12.

De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.

Lid
2

Met een jaarlijks volgens rooster plaats vindende opschuiving vormen de gedelegeerden uit hun midden zes delegaties, ieder van vijf leden, welke delegaties, naar een door de gedelegeerden te maken regeling, bij toerbeurt en in verschillende delen van het land bijeenkomen voor het houden van — door elke delegatie telkens ten hoogste zes — colloquia.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-12-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 12.

De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.

Lid
3

De verdeling van de aangevraagde colloquia over de delegaties geschiedt door de gedelegeerden naar volgorde van de ingekomen aanvragen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-12-4

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 12.

De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.

Lid
4

De gedelegeerden en de delegaties wijzen ieder uit hun midden een voorzitter en een secretaris aan.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-12-5

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 12.

De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.

Lid
5

Een gedelegeerde is niet meer dan eenmaal terstond herkiesbaar.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-12-6

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 12.

De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.

Lid
6

Voor het colloquium met hen, die begeren dienaar des Woords te worden bij een Waalse gemeente, wijst de Waalse Commissie voor elk geval afzonderlijk drie gedelegeerden aan, die in tegenwoordigheid van voorzitter en secretaris van de gedelegeerden der provinciale kerkvergadering het colloquium afnemen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-12-7

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 12.

De gedelegeerden voor de toelating tot de evangeliebediening.

Lid
7

De gedelegeerden der Waalse Commissie kunnen, zo zij dit begeren, een colloquium van een der andere delegaties bijwonen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-13-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 13.

Het seminarium.

Lid
1

Na beëindiging van de verplichte leertijd, bedoeld in art. 15 dezer ordinantie sub e en mede ter voorbereiding van het colloquium, ontvangen de candidaten gedurende een tijdvak van vier maanden en in internaatsverband gemeenschappelijk de nadere voorbereiding voor hun ambtsbediening aan een seminarium, welks rector en docenten worden benoemd door de generale synode, waartoe de commissie voor het theologisch hoger onderwijs een aanbeveling indient.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-13-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 13.

Het seminarium.

Lid
2

Door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs worden vrouwelijke studenten, zo zij  de stukken overleggen, genoemd in art. 15 van deze ordinantie sub a, b, d en e op haar verzoek, tot de deelneming aan een viermaandelijkse leergang van het seminarium toegelaten; mannelijke studenten, die de leeftijd van vijf en dertig jaren hebben bereikt, worden op hun verzoek vrijgesteld van de verplichting tot deelneming aan de vorming in het seminarium.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-13-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 13.

Het seminarium.

Lid
3

Onder goedkeuring van de commissie voor het theologisch hoger onderwijs maken rector en docenten telkens voor de eerstvolgende leergang van vier maanden een werkplan op, dat steeds in het bijzonder gericht zal zijn op
de praktijk van het gemeentelijk leven,
de pastorale zorg in de gemeente,
het werk onder de jeugd, en
de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd,
dit laatste onder inschakeling van het instituut „Kerk en wereld”.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-14-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 14.

De aanvrage van het colloquium.

Lid
1

Tot het colloquium wordt de gelegenheid geboden in de eerste volle week van de maanden Februari, Juli en October op tijd en plaats, tenminste een week van te voren door de betrokken delegatie ter kennis van de aanvrager gebracht.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-14-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 14.

De aanvrage van het colloquium.

Lid
2

De aanvrage geschiedt bij de secretaris-generaal der Kerk uiterlijk op de zestiende dag van de maand, voorafgaand aan de maand, waarin het colloquium, waaraan de aanvrager wenst deel te nemen, wordt gehouden.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-14-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 14.

De aanvrage van het colloquium.

Lid
3

De aanvrager zendt tegelijkertijd met de aanvrage bij de secretaris-generaal in vijfvoud een preek in over een door de aanvrager gekozen tekst uit de bijbel, vergezeld van een orde van dienst met de daarbij gekozen Schriftlezing en liederen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-15-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 15.

De vereisten voor de toelating tot het colloquium.

Lid
1

Bij zijn aanvrage om een colloquium, tot hetwelk alleen mannelijke lidmaten der Kerk worden toegelaten, legt de aanvrager de volgende stukken over
a. een attestatie over belijdenis en wandel, afgegeven door de kerkeraad der gemeente(n), tot welke hij in de afgelopen vier en twintig maanden heeft behoord, en een verklaring, dat hij vóór die tijd onder de belijdende leden der Kerk werd opgenomen;
b. het bewijs, dat hij met goed gevolg het kerkelijk examen heeft afgelegd en een proefpreek heeft gehouden;
c. een verklaring van de kerkelijke hoogleraren bij de universiteit, waar hij het kerkelijk examen heeft afgelegd, over zijn geschiktheid voor het predikambt, welke verklaring, zo zij ongunstig luidt, met redenen omkleed en door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs van haar visum voorzien dient te zijn;
d. een testimonium, dat hij gedurende drie jaren de colleges heeft gevolgd in de exegese van het Oude en Nieuwe Testament en gedurende één jaar in de encyclopedie der godgeleerdheid;
e. een verklaring, dat hij tenminste vier maanden, onder leiding van een door hem met toestemming van de rector van het seminarium, na overleg met de betrokken kerkelijke hoogleraren, gekozen predikant, werkzaam is geweest in het praktische pastorale werk, tenzij de commissie voor het theologisch hoger onderwijs hem in het belang der Kerk of uit hoofde van bijzondere omstandigheden of in verband met een andere pastorale opdracht van deze verplichte leertijd heeft vrijgesteld;
f. een verklaring van de rector, afgegeven namens de vergadering van docenten van het seminarium, bedoeld in art. 13 van deze ordinantie, dat hij de voorgeschreven tijd daar getrouw en met vrucht is werkzaam geweest.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-16-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 16.

Het colloquium.

Lid
1

Het colloquium, bedoeld als gesprek over het ambt van de dienaar des Woords in het geheel van het leven en werken der Kerk, vindt plaats voornamelijk aan de hand van de door de candiaat ingezonden preek.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-16-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 16.

Het colloquium.

Lid
2

Vindt de delegatie het resultaat van het colloquium niet bevredigend, dan wordt dit op verzoek van de aanvrager bij een latere gelegenheid voortgezet.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-16-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 16.

Het colloquium.

Lid
3

Is de delegatie daarna van oordeel, dat tegen diens toelating, ter zake van geschiktheid, bekwaamheid of roeping, onoverkomelijke bezwaren bestaan, dan deelt zij dit de candidaat onder opgave van redenen mede, terwijl zij dit oordeel en de redenen bovendien schriftelijk bevestigt, in welk geval hij zich kan beroepen op de generale synode, die na ingewonnen advies van de commissie voor het theologisch hoger onderwijs in deze eindbeslissing geeft.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-17-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 17.

Singuliere gaven.

Lid
1

Een lidmaat der Kerk, wie naar het oordeel van het breed moderamen der generale synode singuliere gaven zijn geschonken voor het ambt van dienaar des Woords, kan — zo hij voldoet aan voor elk geval afzonderlijk door de commissie voor het theologisch hoger onderwijs gestelde eisen van ontwikkeling en kennis der theologie — door dat moderamen tot het colloquium worden toegelaten, zonder dat is voldaan aan de vereisten, in de artikelen 8 en 15 letter b-f van deze ordinantie gesteld.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-18-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 18.

Het testimonium van candidaat tot de Heilige Dienst.

Lid
1

Hij, die na het colloquium is toegelaten tot de evangeliebediening wordt bevoegd verklaard als proponent te staan naar het ambt van dienaar des Woords en ontvangt het testimonium van candidaat tot de Heilige Dienst.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-18-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 18.

Het testimonium van candidaat tot de Heilige Dienst.

Lid
2

Candidaten tot de Heilige Dienst zijn bevoegd tot
de verkondiging des Woords,
de dienst der gebeden, en
de leiding van kerkdiensten, met gebruikmaking van een daarvoor in het dienstboek der Kerk aangegeven orde van dienst.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-18-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

III. De toelating tot de evangeliebediening.

Artikel 18.

Het testimonium van candidaat tot de Heilige Dienst.

Lid
3

Het testimonium wordt aan de proponent niet uitgereikt, dan nadat hij verklaard heeft, ter verkrijging te eniger plaatse van het ambt van dienaar des Woords, nimmer zijn toevlucht te hebben genomen of te zullen nemen tot enige gift of andere overeenkomst en, nadat artikel X van de kerkorde zal zijn voorgelezen, de volgende vragen bevestigend beantwoord en dit antwoord met zijn ondertekening bekrachtigd heeft:
Belooft gij in geheel uw ambtelijk werk Christus Jezus te verkondigen naar uitwijzen van het Heilig Evangelie, daarmede blijvende in de weg van het belijden der Kerk?
Zijt gij van harte bereid, ijverig en getrouw te arbeiden in de Nederlandse Hervormde Kerk, als openbaring der ene heilige katholieke of algemene christelijke Kerk?
Zijt gij bereid, u te onderwerpen aan de regelen in de orde der Kerk voor haar apostolaat en belijden, haar leven en werken gesteld?

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7.IV.

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

IV. De theologische arbeid der Kerk.

Artikel
19-20

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-19-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

IV. De theologische arbeid der Kerk.

Artikel 19.

De raad voor de zaken van Kerk en theologie.

Lid
1

De generale synode doet zich bij haar zorg voor de theologische arbeid der Kerk bijstaan door een raad voor de zaken van Kerk en theologie.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-19-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

IV. De theologische arbeid der Kerk.

Artikel 19.

De raad voor de zaken van Kerk en theologie.

Lid
2

Deze raad bestaat uit vijftien lidmaten der Kerk, onder wie tenminste vijf en ten hoogste tien doctores in de godgeleerdheid, en daarenboven de kerkelijke hoogleraren ambtshalve.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-19-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

IV. De theologische arbeid der Kerk.

Artikel 19.

De raad voor de zaken van Kerk en theologie.

Lid
3

Deze raad heeft tot taak:
hulp en voorlichting te geven zowel ten aanzien van de voorbereiding van de dienst des Woords en de leerdienst, als ten behoeve van de huisdiensten;
medewerking aan en beoordeling van de arbeid der bijbelvertaling;
bijstand te verlenen — in contact met de leiding van het seminarium — bij de voortgezette studie van de theologie;
theologisch werkzaam te zijn in de geestelijke strijd der Kerk tegen de machten van ongeloof en bijgeloof;
mede te werken aan de opbouw der Kerk in haar belijden;
voorlichting te geven aan de ambtelijke vergaderingen bij het opzicht over de dienst des Woords en de catechese.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-20-1

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

IV. De theologische arbeid der Kerk.

Artikel 20.

De werkzaamheden van de raad.

Lid
1

Bij het verlenen van bijstand bij de voortgezette studie der theologie richt de raad zich zowel tot de brede ministeries als tot afzonderlijke predikanten ter behandeling van theologische en daaraan verwante onderwerpen.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-20-2

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voor de theologische arbeid der Kerk.

 

IV. De theologische arbeid der Kerk.

Artikel 20.

De werkzaamheden van de raad.

Lid
2

De arbeid van de raad, theologisch werkzaam te zijn in de geestelijke strijd der Kerk en aan de opbouw der Kerk in haar belijden, vraagt van hem, mede gezien de verhouding van Kerk en cultuur, in het bijzonder het doen verschijnen van wetenschappelijke en eenvoudige geschriften en artikelen en het bevorderen van bijeenkomsten en conferenties.

Kerkorde NHK (1951) Ord. 7-20-3

Ordinantie voor de opleiding en vorming van de dienaar des Woords en voo