Rutgers, F.L. (1918) Art. 71-80

Met deze artikelen eindigen de bepalingen over de eigenlijke kerkelijke discipline of tucht.

Deze bepaling in de kerkenordening zijn dus betrekkelijk weinig in getal, nl. Artt. 71-80. Tien in het geheel. En met opzet zijn er in de kerkenordening maar zoo weinig artikelen over de tucht gemaakt, omdat eene vermeerdering van het getal en verdere uitwerking van de toepassing der discipline als van zelf er toe geleid zou hebben, dat men eene groote omvangrijke code pénal kreeg op kerkelijk gebied.

Bij het opstellen van kerkenordeningen hebben de Gereformeerde kerken in het algemeen zich laten waarschuwen door de ervaring in de Roomsche kerk opgedaan, waar vermeerdering van het aantal kerkelijke bepalingen er alleen toe geleid had, dat er een zóó omvangrijk en ingewikkeld corpus iuris ontstond, dat iemand jaren lang in de rechten, in het ius canonicum moest gestudeerd hebben om er eenigszins den weg in te weten, en dat het niet alleen voor gewone gemeenteleden, maar ook voor de kerkedienaren onmogelijk was, dat te kunnen. De kerkelijke tucht werd door zoodanige uitbreiding van het aantal bepalingen eindelijk in handen gesteld van enkele wetgeleerden. Dit wilde men niet en heeft men in de Gereformeerde kerken niet kunnen willen, want daar is de kerkelijke discipline altijd naar Gods Woord opgedragen aan de ouderlingen, aan de opzieners der kerken, en niet in alle kerken, hetzij kleine of groote, kunnen kerkelijke rechtsgeleerden tot ouderlingen gekozen worden. Het zullen wel in den regel gewone, vaak eenvoudige gemeenteleden zijn, die de kerkelijke tucht moeten toepassen. Daarom moet men niet hebben een samenstel van bepalingen, waarin vele formaliteiten omschreven zijn, waarin alleen canonisten thuis zijn, die op zich zelf geen tucht kunnen oefenen.

Het was ook niet noodig de voorschriften te vermenigvuldigen, evenals dit op burgerlijk gebied wel noodig is. Immers tucht is niet hetzelfde als straf. Zij wordt met eene andere bedoeling en op eene andere manier uitgeoefend. Het zal wel in niemand opkomen, om voor huiselijke tucht een samenstel van regelen te maken, waaraan vader of moeder bij de uitoefening van hunne tucht gebonden zijn. Evenmin zal iemand voor eene school een geheel wetboek maken, om aan den meester

|110|

voor te schrijven, aan welke vormen hij gebonden is om tucht te oefenen. Dit kan niet altijd naar dezelfde vormen gaan. De vorm van tucht wijzigt zich naar het doel van de tucht, in overeenstemming met de omstandigheden en de personen, op welke de tucht wordt uitgeoefend. Zoo is het ook in het kerkelijke. De kerkelijke colleges handelen, waar het tucht geldt, niet als strafrechters of als eene rechtbank, maar meer al jury, voor welke ook niet allerlei vormen zijn voorgeschreven, waaraan zij gebonden is bij het opmaken van haar uitspraak. Een jury oordeelt naar vuur haar leden voorkomt recht en billijk te zijn. Evenzoo een kerkeraad, zonder daarbij gebonden te zijn aan allerlei vormen.

Dit wil niet zeggen, dat daarom op het gebied van tucht willekeur heerscht. Wel degelijk zijn het rechtsbeginselen, in Gods Woord neergelegd, die in de consciëntie van de menschen weerklank vinden, en algemeen zijn aangenomen, die op dit gebied gelden. Rechtsbeginselen, die men kennen kan zonder in de rechten te studeeren; die gelden, ook bij de toepassing van kerkelijke discipline, ook al zijn de vormen, waarin toepassing geschiedt, verschillend.

Ook is er op kerkelijk gebied in de kerk zekere usantie, wat betreft de manier, waarop men procedeert. Die usantie heeft, juist omdat zij bestaat, zeker recht van bestaan. Die usantie wijst den weg, hoe in voorkomende gevallen te handelen. Zij geeft wel geen wet van Meden en Perzen, waarvan men niet mag afwijken, maar geeft dan toch aanwijzingen van den weg, die bij discipline gevolgd moet. Die usantie zelf is nooit toevallig of willekeurig ontstaan, maar heeft zich gevestigd onder leiding van kerkelijke opzieners, die in de beginselen van recht en kerkelijke tucht genoegzaam thuis waren, en wijsheid en verstand hadden die beginselen toe te passen. In die usantie vindt men het resultaat van de wijsheid der voorgeslachten. Daaronder kan dwaling loopen en iets zijn, wat niet houdbaar is, maar toch ligt er een groot element van waarheid in, en is zij grootendeels zuiver. Èn door de algemeene rechtsbeginselen èn door de kerkelijke usantie is in vele gevallen reeds, bepaald, hoe eene kerkelijke procedure in zake tucht loopen zal. Daarom zal men wel doen er naar te handelen.

Thans moeten nog enkele punten besproken, die bij de toepassing van kerkelijke tucht voorkomen en tot moeilijkheden aanleiding geven: en wel naar aanleiding van deze artikelen, ook al noemt de kerkenordening ze niet afzonderlijk.

1º. De eerste vraag, die vaak gedaan is met betrekking tot de toepassing van kerkelijke tucht, is deze: Of een beklaagde die door een kerkelijk college over zekere zonde wordt aan gesproken, eischen kan den naam te weten van dengene, die iets te zijnen laste heeft ingebracht?

|111|

Het gebeurt vaak, wanneer een lid der gemeente of een kerkedienaar zelf op kerkelijke wijze wordt aangesproken, dat hij dan aanstonds vraagt, wie het bezwaar tegen hem heeft ingebracht, en dat hij weigert verder te antwoorden alvorens dat te weten. Er wordt dan gezegd, dat de beklaagde recht heeft dit te eischen, en dat de kerkeraad hem den naam zeggen moet.

Intusschen is er voor zoodanig recht geen grond te vinden. In het burgerlijke geldt, dat de officier van justitie der rechtbank aan den beklaagde niet behoeft te zeggen, van wien hij de aanklacht heeft. Hij kan ook aan vrager den naam niet zeggen, wanneer hij geheimhouding beloofd heeft. Het komt er ook niet op aan: de rechter vraagt. De hoofdzaak is niet, van wien de klacht komt, maar of zij waarheid bevat, op goede gronden berust. Wie de klacht inbrengt, doet minder ter zake. Het zou het inbrengen van klachten kunnen tegenhouden, als ook gezegd moest: worden van wien het bezwaar komt.

Op de vraag, van wien de klacht komt, kan altijd geantwoord worden: van den kerkeraad zelf; want die neemt de klacht over. Van wien de kerkeraad zijne inlichtingen heeft en het weet, komt er niet op aan, is voor den beklaagde geen hoofdzaak. Het kerkelijk college moet de zaak onderzoeken, en dit moet er wel rekening mee houden, van wien de klacht komt, of zij komt van een betrouwbaar persoon of van eenen ongeloovige met het doel om de kerk te bemoeilijken. Is de aanklacht onjuist, dan moet de klager vanwege den kerkeraad bestraft worden. Dit kan buiten den beklaagde omgaan.

Soms is het goed om aan den beklaagde mede te doelen, wie de aanklacht inbracht; doch dat moet de kerkeraad beoordeelen. In den regel zal de beklaagde het wel weten, want wat van elders naar den kerkeraad komt, moet behandeld zijn naar Matth. 18, waar de vermaning staat, om er zelf eerst met den betrokken persoon over te spreken. Komt er eene aanklacht in, dan moet de kerkeraad vragen, of de klager er met den persoon zelf, dien hij aanklaagt, over gesproken heeft. Zoo niet, dan moet de kerkeraad hiertoe vermanen. En wordt deze regel gevolgd, dan weet de beklaagde van wien de klacht komt.

Doch hoofdzaak blijft, of de klacht waar is. In ieder geval kan de procedure niet worden opgehouden door den eisch van den beklaagde om den naam van zijnen aanklager te weten. Eigenlijk is het geen klacht in dien zin, dat er eene zaak zou zijn tusschen beklaagde en aanklager. Bij eene klacht is er geen sprake van eene persoonlijke zaak, maar van eene zaak tusschen de gemeente, aan welke ergernis is gegeven, en den beklaagde. De gemeente moet iets tegen hem hebben. De aanklager stelt de gemeente er mede in kennis. Zulk eene procedure is dus nooit eene private procedure.

2º. De tweede vraag is, of een beklaagde ook recht heeft,

|112|

zich door een ander te laten bijstaan: toegelaten is assistentie van eenen beklaagde, die voor een kerkelijk college geroepen wordt, voor den kerkeraad of commissie uit den kerkeraad of Classe of Synode; of hij het recht heeft mede te brengen, wat men oudtijds een „mond” noemde, iemand om voor hem te spreken.

Over zulke assistentie wordt in de kerkenordening niet gesproken. Toch wordt zij door de kerkenordening niet uitgesloten; en de geschiedenis leert, dat het vaak heeft plaatsgehad, dat iemand, voor een kerkelijk college geroepen, een ander meebracht om voor hem te spreken. Daarvoor zijn ook zeer goede redenen, want het kan gebeuren, dat iemand, voor een kerkelijk college geroepen, uitermate verlegen of zeer onontwikkeld is, dus niet in zijn eigen zaak kan spreken. Op dien grond is vroeger voor den zoodanige toegelaten, dat hij iemand heeft, die hem daarin helpt. Om die reden is zulke kerkelijke assistentie toegelaten. En ook nu is er geen reden om die te weigeren. Alleen maar, zoodanige „bijstander” moet zich dan onderwerpen aan de bepalingen, die het college, waarvoor hij verschijnt, voor dien bijstand vorderen mag. Zulk een voorspreker heeft niet het recht zelf bepalingen te maken, wanneer hij verschijnen zal, wanneer het zijn tijd van spreken is, hoelang, en welke zaken hij behandelen zal. Dit alles wordt bepaald door het college, dat hem vergunt het woord te voeren, onder de bepalingen, die daarvoor noodig geoordeeld zijn. Anders zou zulk een voorspreker de zaak bederven kunnen, en in het niet doen loopen. Dit kon vooral gebeuren bij een eenvoudigen kerkeraad als de bijstand „glad” was en goed ter tale. Zoo heeft bijv. de Dordtsche Synode gehandeld, toen de geciteerde Remonstranten verzochten om nog enige personen te mogen meebrengen tot bijstand, waar onder ook den hoogleeraar Episcopius. De Dordtsche Synode vergunde dit, mits op voorwaarde, dat zij zich zouden onderwerpen aan de regels en bepalingen van orde, die de Synode voor hun spreken en optreden zou stellen. Onder die restrictie of reserve is het meebrengen van een „mond” of bijstand toegelaten. Natuurlijk is niet de bedoeling, dat de beklaagde zelf in het geheel niet spreken zal, of dat hij zelf kan wegblijven. Op de vragen moet hij zelf antwoorden, want de zaak gaat hem aan. De kerkeraad moet, waar het tucht geldt, van hem zelf alles vernemen. De beklaagde moet antwoorden op de vraag, hoe hij er onder gestemd is, door zijne gemoedsstemming mede te deelen. De „mond” of bijstand kan over de uitwendige bijkomstigheden spreken, hij zelf alleen over zijn hart. De beklaagde mag dus niet wegblijven. De zaak kan niet buiten hem om behandeld. Gewoonlijk zal in den regel ook zulke assistentie wel niet noodig zijn, gelijk zij ook in vroeger tijd niet veel is voorgekomen.

|113|

In het burgerlijke staat de zaak anders.

Een strafrechter is bij eene procedure aan allerlei formaliteiten gebonden, bijv. het leveren van bewijs. In al die formeele bepalingen is een beklaagde niet thuis. Hij kan niet weten, of er onder die bepalingen ook eene is, wier al of niet inachtneming gevolgen kan hebben. Daarom moet hij iemand ter assistentie meebrengen, eenen rechtsgeleerde, opdat met hem naar recht wonde gehandeld.

In de kerk echter is geen wetboek van strafvordering. Daar kan een beklaagde even goed in de bepalingen thuis zijn al een rechtsgeleerde zelf, want daar gelden alleen algemeene rechtsbeginselen. Dan is geen assistentie noodig. Is hij onschuldig, dan kan hij naar de beginselen, die hij zelf kent, in het midden brengen wat hij weet, en dit aanvoeren voor het feit, dat hij onschuldig is. Is hij schuldig, dan blijkt dit, en dit hangt niet af van omstandigheden, al wijst hij ook op eenige informaliteit, die begaan is. Dit baat voor eene kerkelijke rechtbank niet. Als de uitspraak op goede gronden steunt, houdt zij stand, ook al is in de formaliteiten verkeerd gedaan.

Een „mond” mag dus toegelaten, mits met de clausule, dat goede behandeling gewaarborgd zij.

3º. De derde vraag is, of het noodig is de uitspraken in zulke gevallen schriftelijk op te maken, met opname van de gronden waarop.

Daarop is geantwoord, ook blijkens de leer der ervaring, dat het zeer zeker noodig is, dat de kerkeraad de uitspraak formuleert en in het notulenboek opneemt met de gronden, waarop zij steunt. De mededeeling er van aan wien het geldt, kan mondeling geschieden, door den kerkeraad of door eene commissie van den kerkeraad, die naar zijn huis gedeputeerd wordt. Verlangt iemand schriftelijk acte, dan moet die gegeven worden, want die is noodig in geval van appèl. Iemand moet dan weten, wat zijn vonnis inhoudt. Natuurlijk moet die uitspraak met de hoofdgronden, waarop zij steunt, altijd kort en summierlijk gegeven worden, zonder te veel uitweiding en noodelooze beschouwing. Alleen de hoofdzaken moeten daarin uitkomen.

4º. Eene vierde vraag met betrekking tot de kerkelijke tucht, die in de practijk vaak voorkomt, is, of aan den beklaagde en eventueel aan den gecensureerde of bezwaarde ook inzage moet gegeven worden van de stukken, die voor hem bezwarend zijn, of althans authentiek afschrift van de stukken ter zijner bezwaring.

Die vraag moet natuurlijk bevestigend beantwoord worden, omdat het onbillijk zou zijn en met het rehtsbeginsel strijdend, eenen beklaagde niet in kennis te stellen met hetgeen er tegen hem wordt aangevoerd. En het gaat ook niet aan, hem

|114|

dit alleen mede te deelen, voor zoover de kerkeraad of kerkelijke vergadering dit noodig of nuttig acht. Want de vraag, wat nuttig of noodig is voor den beklaagde, staat niet aan de beantwoording van kerkeraad of Classe, maar van beklaagde zelven. Aan iederen beklaagde, tegen wier bezwarende stukken zijn ingebracht, moet altijd de gelegenheid gegeven worden daarvan kennis te nemen, hetzij door tijd en plaats te bepalen, wanneer en waar men inzage der stukken bekomen kan, hetzij door authentiek afschrift te geven, of op welke wijze men dienstig acht.

Daartoe behooren intusschen niet de notulen van de kerkelijke vergaderingen, in welke over zijne zaak gehandeld is. Dit is wel gevraagd, en het is ook wel voorgekomen, dat een beklaagde verlangde en eischte inzage te krijgen van de notulen van de kerkeraadsvergadering, of een extract uit die notulen, voor zoover zij op zijne zaak betrekking hadden. Vooral is dit gevraagd, wanneer de beklaagde vermoeden had, dat er in den kerkeraad verschil van gevoelen was, en dat er ook ten zijnen voordeele zou gesproken zijn; of als hij vermoeden had, dat er in den kerkeraad dingen gezegd waren, waarvan hij zou kunnen gebruik maken bij zijne verdediging. Met het oog op die omstandigheid, en in het algemeen, is het zaak in de notulen niet te veel op te teekenen. Voor eene kerkelijke vergadering is het onnoodig den loop der discussiën in de notulen op te nemen. En het brengt ook vele bezwaren mede. Het is onmogelijk het zoo nauwkeurig te doen, als de zaak eischt. Dit zou altijd stenographisch geschieden moeten. Dan eerst is er zekerheid en waarborg, dat ieders gevoelen juist is weergegeven. Een scriba kan dit niet met de noodige juistheid doen, ook al is hij volkomen onpartijdig. Terwijl hij hoort, moet hij het gesprokene in korte woorden saamtrekken. En in den regel is een scriba niet geheel onpartijdig. Ook al wil hij dit vermijden, toch werkt het onwillekeurig op hem. Neemt eene kerkelijke vergadering na discussie besluiten, dan doet het weinig ter zake af, door wien en wat er gesproken is. Het komt alleen aan op het besluit, en de motieven, welke bij het besluit gevoegd zijn. Besluit en motieven tot besluit moeten door den kerkeraad zelven geformuleerd. Staan er in de notulen nog andere dingen, dan kan de beklaagde die niet vragen. Met de notulen, waarin het besluit met motieven staat, heeft beklaagde niets te maken. Indien eene meerdere vergadering, waarbij de zaak in appèl komt, inzage wenscht van de notulen der behandeling dier zaak, dan is de mindere vergadering gehouden en verplicht die te geven, maar onder reserve, dat zij binnen den kring van die vergadering blijven.

 

Met betrekking tot de kerkelijke tucht is ook het hooger beroep of appèl eene belangrijke zaak.

|115|

In de kerkenordening wordt in het hoofdstuk over tucht over appèl niet gesproken. Intusschen was de zaak zelve reeds bepaald in het hoofdstuk over de kerkelijke vergaderingen, in art. 31. Daar was als algemeen beginsel gesteld: „Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere Kerkelijke vergadering beroepen mogen; en ’t gene door de meeste stemmen goed gevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Testzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoo lang; als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn”.

Dit art. 31 heeft niet alleen en in de eerste plaats op kerkelijke tucht betrekking, maar op alle mogelijke besluiten van kerkelijke vergaderingen in zaken van kerkelijke geschillen, zonder dat het daarom tuchtzaken zijn. Het heeft ook betrekking op alle besluiten van kerkelijke vergaderingen, waar nog geen geschil was, maar waardoor een ander zich bezwaard kon achten. Het is eene algemene bepaling. Die algemene bepaling geldt ook met betrekking tot tucht. In art. 31 is uitgesproken, dat ook bij kerkelijke tuchtzaken appèl op de meerdere vergaderingen mogelijk is. De uitdrukking „Zoo iemand zich beklaagt etc.” geldt dus ook voor die zich bezwaard acht door, eene uitspraak in zake tucht.

Het ligt ook in den aard van het Gereformeerd kerkverband, dat in zake kerkelijke tucht, appèl van eene mindere, op eene meerdere vergadering mogelijk is, niet alsof deze meerdere vergadering een soort van hoogere besturen zouden zijn, die over de mindere vergaderingen zouden te zeggen hebben, als een Bisschop over eenen pastoor en een aartsbisschop over eenen bisschop. Dit is volstrekt niet de verhouding der kerkelijke vergaderingen in het Gereformeerd kerkverband, maar wel brengt dit kerkverband mede, dat alle kerken, die tot het kerkverband behooren, gehouden zijn elkander te helpen, zich verbonden hebben tot wederzijdsche hulp met betrekking tot zaken, die zij zelve niet kunnen afdoen, en die anders tot moeilijkheden aanleiding geven.

Nu is er altoos moeilijkheid als een kerkeraad uitspraak doet in eene tuchtzaak en eenige leden der gemeente, door die uitspraak bezwaard, zich er niet bij kunnen neerleggen, omdat zij meenen, dat die uitspraak niet conform Gods Woord en dus niet recht is. In de plaatselijke kerk zelve kan daarover geen nadere uitspraak volgen. Bleef dit nu zoo hangen, dan werkte dit storend op de gemeente. Een deel zou er voor, een ander deel tegen den kerkeraad kiezen. Twist en verdeeldheid zouden aanleiding geven tot schisma. Hierbij dient nu het kerkverband om zulk eene kerk te helpen. Dit geschiedt dan zoo,

|116|

dat de gezamenlijke kerken de zaak ter hand nemen en hun gevoelen er over uitspreken. Zooals Voetius zegt: Tien zien meer dan één. En zoo is er meer waarborg voor eene goede uitspraak, wanneer tien kerken oordeelen dan wanneer er ééne oordeelt.

Om die reden ligt het in den aard van het Gereformeerd kerkverband, dat, waar eene tuchtzaak in eene plaatselijke kerk aanleiding geeft tot moeilijkheid, en die niet uit den weg kan geruimd worden, de andere kerken te hulp komen. In en door de kerkenordening hebben de kerken zich verbonden dit te doen, en ook is door aanneming dier kerkenordening de mindere vergadering gehouden zich te onderwerpen aan eene eventueele uitspraak van eene meerdere vergadering, aan het oordeel van de meerderheid der andere kerken.

Zoodanig appèl in tuchtzaken is ook van den beginne af in de Gereformeerde kerken in gebruik geweest.

Reeds voordat het kerkverband der Gereformeerde kerken gelegd was, reeds vóór 1571 is te Wezel bij de samenkomst van 1568 daarvan sprake geweest. In Hoofdst. VIII „Van de tucht”, art. 11, is uitdrukkelijk uitgesproken, dat het altijd moest vrijstaan om zich van eene mindere op eene meerdere vergadering te beroepen. Eerst wordt daar in de artikelen gezegd, hoe de tucht moet geoefend worden, en dan volgt in art. 11: „Indien iemand echter meent, dat hem op deze wijze of op eenige andere manier onrecht is aangedaan, zal het hem vrijstaan van de uitspraak van den Kerkeraad zich te beroepen op het oordeel van de Classen (nadat deze ingesteld zullen zijn) en wederom van de beslissing van de Classen zal hij hulpe mogen verzoeken bij de Synode; . . .”. Beroep wordt toegestaan op de Classen, nl. zoodra die zijn ingesteld, wat in 1568 nog niet geschied was, en van de Classen weer op de Synode. Hierin ligt dus het beginsel, dat appèl in tuchtzaken vrijstaan moet.

Eene zeer juiste opmerking wordt aan het artikel toegevoegd: „hoewel zulk een tegensparteling en weigering om zijn schuld te erkennen het schandmerk der hardnekkigheid niet zal kunnen ontgaan”. M. a. w.: ofschoon zoodanige weigering om zich bij de uitspraak van den kerkeraad neer te leggen, doorgaans den schijn heeft van koppigheid. Hierin ligt de gedachte uitgesproken, dat men niet te licht moet appelleeren.

Het is wel eens de beschouwing van sommige menschen, dat men van eene uitspraak van den kerkeraad, waarmede men het niet eens is, zich altijd maar moet beroepen op Classen en Synoden. Dit wordt dan zoo verdedigd, dat men liefst bij alle mogelijke zaken eene zoo juist mogelijke uitspraak heeft. Naar die theorie komt men voor alle tuchtzaken bij de Generale Synode terecht, en onderwerpt zich niemand in eene tuchtzaak aan de uitspraak van den kerkeraad. Dit gaat niet aan, want

|117|

dan zou de Generale Synode wel duizend zaken krijgen, waarbij iedere zaak nauwkeurig moest worden onderzocht, en zou zij wel een jaar lang mogen zitting hebben. Hierbij komt, dat dit ook allesbehalve Christelijk is. In het burgerlijke laat het zich denken, dat iemand, die er het geld voor over heeft, alle rechtbanken afloopt. Het toont in de eerste plaats, dat iemand zeer hoog met zich zelf is ingenomen, als hij zijne eigen meening over eene zaak: boven die van den kerkeraad en de Classe stelt. Ook, en vooral hierop komt het aan, toont het, als de Classe de uitspraak van den kerkeraad bevestigd heeft, dat iemand niet geneigd is schuld te bekennen. In den regel zal het niet voorkomen, dat de kerkeraad of Classe iemand onschuldig onder censuur stelt, en zijn besluit daartoe onjuist is. Door de gedachte aan appelleeren wordt het doel van de tucht tegengehouden, nl. om tot vernedering en tot verootmoediging te leiden. Het appelleeren strekt zoo om iemand te stijven in de meening, dat hij wel gelijk heeft, terwijl het tegendeel de bedoeling is van de kerkelijke tucht, nl. dat hij de diepte in moet. Het appelleeren steekt juist iemand in de hoogte, en maakt hem hardnekkig. In dien zin zei men te Wezel, is appelleeren doorgaans bewijs van hardnekkigheid. Daardoor wordt niet uitgesloten, dat, er gevallen zijn kunnen, waarin appèl geoorloofd is: dat de kerkeraad onjuist oordeelt, of eene verkeerde beschouwing van de zaak heeft. Het appelleeren wordt niet afgesneden; alleen wordt er eene kleine vingerwijzing gegeven om niet voor alle zaken te appelleeren.

Ook de Provinciale Synode van Dordt van 1574, die verder over zaken van tucht geen bepalingen maakte, maar zich neerlegde bij die van de Synode te Emden in 1571, heeft met betrekking tot één punt nl. de kerkelijke censuur van menschen, die zich in den kerkelijke dienst indrongen, bepaald, dat, indien zij door de Classe voor schismatici zijn verklaard en zij zich beklagen, dat hun ongelijk geschied is, zij zich op de Provinciale Synode mogen beroepen, art. 19. Met betrekking tot één punt werd dus door deze Synode het beginsel herinnerd.

Op de Nationale Synode van Dordt van 1578 was onder de gravamina eene vraag ingekomen, ook op appèl betrekking hebbend, onder de particuliere Vragen als art. 4 vermeld. Deze vraag had betrekking op den tijd, binnen welken geappelleerd moest worden. Daarover was nog niets bepaald. In de practijk gaf dit moeilijkheid, niet als iemand terstond na eene uitspraak appelleerde, maar als hij er mee wachtte. Het kwam voor, dat iemand er lang mee wachtte, bijv. eenige maanden, eer hij zich op de Classe beriep. De vraag was: kon de Classe het dan nog in behandeling nemen? Want indien de termijn, waarbinnen men zich beroepen kon, ad infinitum gesteld werd, dan bleef er altijd gelegenheid tot appèl open, bleven alle zaken hangende,

|118|

en kon de zaak bij eene meerdere vergadering in behandeling komen, als de tijd er niet meer was om de zaken goed te onderzoeken. Voor appèl was dus eene tijdsbepaling noodig. Zoo kwam de vraag in art. 4: „Of het den ghenen die door wettelicke wtsprake des Kerckenraets ofte Classis ghecondemneert syn, tot allen tyden wanneer sy willen vry is sich tot grooter vergaderinghe te beroepen? ...”. Of dus de tijdsbepaling geheel stond aan den bezwaarde, die appelleeren wilde.

De Synode antwoordde: „Dat de saken te onderscheyden syn om welcken de beroepinghe gheschiet”. Dit zag op de geschillen, waarbij onderscheiden werd tusschen geschillen en tuchtzaken. De eerste betroffen twee personen, de laatste één persoon.

Met betrekking tot geschillen bepaalde de Synode den termijn, waarbinnen men appelleeren mocht, tot „de helft van den tyt die daer is tusschen de versamelinghe van de welcke hy ghecondemneert is tot de naeste grooter versamelinghe tot de welcke hy sich beroept, ten ware dat die tyt te kort ware, waer van de classis oordeelen ende besluyten sal”. De termijn werd dus gesteld op de helft van den tijd tusschen de vergadering, die uitspraak deed, en die op welke men zich beriep; tenzij dat die tijd (waarin met billijkheid zal geoordeeld worden) te kort ware, bijv. wanneer Woensdag de kerkeraad vergaderde en Donderdag, den volgenden dag, de Classe. Daarover zou dan de Classe oordeelen. Maar het vervolg en het slot van het artikel ziet op tuchtzaken. „Maer soo het oordeel wtghesproken is teghen yemanden alleen die ghesondicht heeft, sal de seluighe sich terstont beroepen. Ende soo yemant op den bestemden tyt sick niet en beroept, die sal van het recht der beroepinghe versteken wesen”.

In zaken van tucht oordeelde dus de Synode, dat indien iemand wilde appelleeren, hij dit aanstonds moest doen. Anders was de gelegenheid tot appèl verlopen. Hieraan lag de gedachte ten grondslag, dat als iemand gecensureerd was, niet was te denken, dat hij eerst wel de juistheid van het oordeel erkennen zou en naderhand weer niet. Als een gecensureerde bezwaren meent te hebben, is niet te veronderstellen, dat hij zich eerst bij het oordeel van den kerkeraad neerlegt en het goedkeurt, en daarna weer niet. Doet hij dit toch, dan komt dit voort uit verkeerde inblazingen. Zijn er grondige bezwaren in te brengen, dan doet iemand dit aanstonds.

Intusschen was die bepaling: „sal de seluighe sich terstont beroepen”, voor hem, die zich beroepen moest, niet precies duidelijk. Wat is terstond? „Denzelfden dag” was moeilijk te behalen, ook niet „den volgenden dag” of „later”. In de practijk handhaafde men „terstond” in dien zin, dat het gebeuren moest vóór de eerstvolgende vergadering, op welke men zich beriep, tenzij dat de tijd al te kort was zoodat men geen

|119|

gelegenheid had zijne bezwaren behoorlijk op schrift te brengen, aangezien zij op schrift moesten gebracht, omdat er zoo alleen in de vergadering over gehandeld kon worden. Dus, tenzij de tijd te kort is; waarbij intusschen de billijkheid te betrachten is.

Dit is ook nu nog in onze kerken de regel, die door de Synode is aangenomen, dat hooger beroep in tuchtzaken geschieden moet voor de eerstvolgende vergadering van kerken, op welke men zich beroept. Zoo’n tijdsbepaling moet men wel hebben, omdat eene zaak niet tot in het oneindige kan blijven hangen. Verwarring ontstaat dan bij hooger beroep, omdat de zaak niet meer juist kan onderzocht voorden. En ook is er geen reden denkbaar, waarom iemand in weken en maanden niet bezwaard zou zijn door eene uitspraak en later wel. Legt hij zich in den eersten tijd er bij neer, komt hij tot erkenning van schuld, dan is de zaak uit en wordt de censuur opgeheven. Wie dit doet, stemt zijn ongelijk toe, en verootmoediging moet volgen. Een korter tijdsbepaling voor appèl dan de tijd, binnen welken de eerstvolgende vergadering gehouden wordt, is niet noodig, bijv. acht dagen. Het appèl behoeft niet vroeger gedaan. Het hindert eene Classe of Synode niets, of het appèl vroeger of later inkomt, als zij toch niet vergadert.

Wanneer het appèl geschiedt op eene Classe, dan is de zaak voor de Classicale behandeling niet als moeilijk te beschouwen. De Classe vergadert vaak genoeg. Die heeft daar alle kerken tegenwoordig en kan ter vergadering inlichtingen voor de behandeling verkrijgen. De kerkeraad der plaatselijke kerk is er aanwezig. De Classe kan deputaten benoemen om de personen te horen en kan daarover rapport hooren op de volgende vergadering, of kan voor buitengewone zaken eene buitengewone vergadering houden.

Moeilijker wordt de zaak voor eene Particuliere Synode. Die vergadert slechts eenmaal per jaar. Voor eene buitengewone Synode zouden de Classen moeten samenkomen om afgevaardigden te benoemen. Ook zijn de kosten bezwaarlijk.

Nog moeilijker wordt het voor eene buitengewone samenkomst van eene Generale Synode, die anders om de drie jaren vergadert. Eene aparte Synode kan niet voor één persoon gehouden worden. Daarom is bij Synoden wel in gebruik geweest en ook nu nog in gebruik, dat, als er appèl in tuchtzaken bij de Synode komt, de Synode deputaten benoemt, om naar de zaken een onderzoek in loco in te stellen, en daarna uit naam van de gezamenlijke kerken de zaken zoo mogelijk tot een goed einde te brengen. Dit is noodig, omdat er gevallen zijn, waarin de Synode niet kan oordeelen zonder ter plaatse een onderzoek ingesteld te hebben. Personen kunnen ter Synode gehoord worden, maar er zijn zaken, die in loco onderzocht moeten worden. De Synode zelf kan dit niet doen. Het zou teveel moeite, geld en

|120|

tijd kosten. Eene Synode kan zich niet zoo maar naar eene andere plaats verplaatsen. Daarom geschiedt dit onderzoek door deputaten, die desnoods ook uitspraak doen. Maar met eenige beperking, want deputaten mogen niet te groote macht hebben. De Synode moet aanwijzen in welken zin deputaten beslissen moeten. Als het zoo is, moeten zij zoo doen, en als het zus is, moeten zij het zus doen. De Synode moet aanwijzing geven van de richting, in welke de uitspraak vallen moet, al naar gelang van omstandigheden. Zoo alleen is gewaarborgd, dat niet personen in plaats van kerken oordeelen. De deputaten moeten personen zijn van kerkelijke ervaring, zij moeten als niet heerschzuchtig bekend staan, maar als in den zin der kerken en niet in eigen zin de zaken leidend. Doorgaans geeft het benoemen van deputaten weinig bezwaar, daar dit alles in aanmerking genomen wordt.

In zake appèl is ook gevraagd: of alleen geappelleerd kan worden door personen, die meenen ten onrechte gecensureerd te zijn, of ook door kerkeraden en Classen, wier uitspraken van censuur door meerdere vergaderingen zijn afgekeurd. Wel eens is deze vraag ontkennend beantwoord, want soms zegt men: alleen personen, die gecensureerd worden, mogen zich beroepen, niet kerkeraden. Zoo was het in het Hervormd Genootschap om predikanten, die om hun leven aangeklaagd waren, vrij te krijgen. Een afwijkende predikant beriep zich dan op eene afwijkende Classe, nadat hij door zijnen kerkeraad gecensureerd was. In de Synodale Reglementen stond dan ook de bepaling, dat het kerkelijk college, welks uitspraak door een hooger vernietigd was, niet mocht appelleeren. De Gereformeerden oordeelden zoo niet. Als de kerkeraad iemand censureert en de Classe zegt bij appèl, dat de kerkeraad de censuur moet opheffen, dan is de persoon, die appelleerde, van zijn bezwaar ontheven. Maar is er dan voor den kerkeraad bezwaar zoodanig lid te erkennen als van censuur ontheven en hem toe te laten tot het Avondmaal, dan moet de kerkeraad recht kunnen krijgen. Dan is er in den kerkeraad bezwaar, en geldt art. 31 van de kerkenordening. Daarom staat er „iemand”, zoo onbepaald mogelijk. Dus wanneer een kerkeraad zich meent te moeten beklagen, door de uitspraak van de Classe verongelijkt te zijn, dan beroept de kerkeraad zich op de Particuliere Synode. Dit mag niet lichtelijk gebeuren, ook niet uit koppigheid; vgl. het artikel van het Convent te Wezel in 1568 (VIII, 11).

Met betrekking tot zoodanig appèl hebben wij nog te spreken over het effect, dat de uitspraak van eene meerdere vergadering heeft, en over den vorm, waarin deze uitspraak vervat moet zijn.

Te dien aanzien moet de meerdere vergadering de vrijheid en de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, ook wat den vorm betreft, blijven erkennen en eerbiedigen. Het is met een

|121|

kerkelijk beroep op eene meerdere vergadering niet zoo gesteld, als met een beroep in het burgerlijke van eene lagere op Gene hoorere rechtbank, waarbij dan de hoogere rechtbank in hare uitspraak, als zij het met de lagere niet eens is, eenvoudig de uitspraak der lagere rechtbank vernietigt en dus door haar eigen uitspraak maakt, dat de eerste uitspraak wettelijk niet weer bestaat. Wel is het zoo opgevat, op kerkelijk gebied, overal, naar men eene hiërarchie heeft, een hooger en een lager kerkelijk bestuur, en waar dan het hoogere bestuur eenvoudig het lagere kan commandeeren. Daarom is het ook zoo opgevat in alle kerkverband, waar men het Collegiale stelsel huldigt, en waar ook een hooger bestuur boven een lager staat en de macht van het lagere bestuur geheel afhankelijk is van het hoogere bestuur. In hiërarchische en collegiale kerkverbanden is zoodanige bovenstelling van het eene bestuur boven het andere, waarbij het lagere al zijne macht aan het hoogere ontleent, en het geen macht behoudt, als het hoogere bestuur het niet met het lagere eens is. In zoodanig verband past bij appèl, dat het vonnis van het lagere bestuur door de uitspraak van het hoogere vernietigd wordt, en dat aan het lagere last gegeven wordt, zich voortaan zoo en zoo te gedragen.

Op Gereformeerd terrein komt dit niet te pas. Uitspraken van meerdere vergaderingen met den term: „wij bevelen en gelasten” zijn niet Gereformeerd. In een Gereformeerd kerkverband ontleent niet de mindere vergadering hare macht aan de meerdere vergadering, zoodat hare macht van de meerdere vergadering afhankelijk zou zijn. Het is juist andersom. De meerdere vergadering ontleent hare macht aan de mindere vergaderingen. Daarmede moet steeds rekening worden gehouden. De meerdere vergadering moet dus, als zij het met de mindere vergadering niet eens is, niet de uitspraak vernietigen en last geven aan de mindere vergadering, om naar de uitspraak van de meerdere vergadering te handelen, maar uitspreken, dat het vonnis van de mindere vergadering naar het oordeel van de meerdere vergadering niet op goede en genoegzame gronden steunt, en dat dus het vonnis, waarbij over iemand censuur was uitgesproken, moet worden ingetrokken, met bepaling tevens, dat het effect van de uitgesproken censuur, wat de kerken in het algemeen betreft, niet kan stand houden. Daarop moet dan volgen, dat de mindere vergadering op hare vroegere uitspraak terugkomt, haar vroeger vonnis intrekt. En dit kan geschieden, ook al zou de mindere vergadering zelve niet overtuigd zijn.

Gesteld zelfs, dat de mindere vergadering van oordeel bleef, dat haar censuur juist en goed was, dan zou zij toch in de uitsprank van de meerdere vergadering aanleiding genoeg hebben er op terug te komen, en zich bij die uitspraak neer te

|122|

leggen. Het zou dan voor die mindere vergadering hetzelfde geval zijn, als wanneer er in den kerkeraad eene meerderheid en eene minderheid is. Ook daar moet de minderheid zich naar de meerderheid voegen, ook al zou zij niet overtuigd zijn. Wordt in den kerkeraad over iemand de censuur uitgesproken bij meerderheid van stemmen, en de minderheid is er van overtuigd, dat de censuur niet goed is, dan moet zij zich toch aan de meerderheid onderwerpen. Dan mag dus een predikant niet zeggen: Ik zal toch aan dien broeder of zuster het Avondmaal uitreiken. Men kan dan appelleeren, maar toch moet men zich voegen naar de meerderheid. Iets dergelijks nu heeft ook plaats, als meer kerken zich over eene enkele kerk uitgesproken hebben, en de kerk het er niet mede eens is. Dan kan niet verlangd en geëischt worden, dat die kerk hare eigen overtuiging zal opgeven. Er mag niet gedwongen worden, maar wel mag geëischt, dat zij zich voegen zal naar de uitspraak van de meerderheid. Doet zij dit, dan kan daarom nog wel aan de gemeente duidelijk gemaakt worden, dat dit nog niet is zijne overtuiging opgeven.

Dit zich voegen naar de meerderheid is formeel noodig, omdat de meerdere vergadering de besluiten van eene mindere vergadering, niet vernietigen kan. Vindt de mindere vergadering daartegen onoverkomelijk bezwaar, dan kan zij appelleeren van de Classe op de Particuliere Synode, en van de Particuliere Synode op de Generale Synode. Ten slotte is van de uitspraak van de Generale Synode geen appèl mogelijk, en dan moet de mindere vergadering zich naar de uitspraak der Generale Synode schikken, altijd onder voorbehoud van art. 31 der kerkenordening, dat de uitspraak niet strijde tegen Gods Woord, of eene duidelijk uitgedrukte bepaling der kerkenordening. Is het laatste het geval, handhaaft bijv. de Generale Synode eene ketterschen predikant, dan moet men zich daarnaar niet schikken. Maar dan moet daarvoor eene evidente uitspraak van Gods Woord zijn, eene zoodanige, waardoor de Synodale vergadering zelf moet verklaren: het strijdt met Gods Woord.

In geval van verzet heeft men aanstonds eene breuk in het kerkverband. Wanneer eene mindere vergadering zich niet neerlegt bij de uitspraak van eene meerdere vergadering, maar kerkelijk haar gevoelen geldigheid wil geven, dan scheidt zij zich van het kerkverband af. Dan is er een zeer ernstig conflict, dat, indien het niet bijgelegd wordt, tot een schisma leidt. Dit is eene zeer ernstige zaak voor eene kerk, of nl. haar overtuiging van dien aard is, dat daarom het kerkverband moet verbroken worden. In den regel zal het gevolg zijn, dat na de uitspraak van de meerdere vergadering de mindere vergadering op haar uitspraak terugkomt en zich neerlegt bij de uitspraak der gezamenlijke kerken, die naar hare mening met Gods Woord overeenkomt.