Rutgers, F.L. (1918)

(uitg.)
Verklaring van de Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht van 1618-1619
Deel IV, Artt. 71-86. Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning
Rotterdam
Drukkerij Libertas
1918

College-voordrachten van Prof. Dr. F.L. Rutgers over Gereformeerd Kerkrecht, bewerkt en uitgegeven door Dr. J. de Jong, predikant bij de Geref. Kerk te Winsum (Fr.)

Rutgers, F.L. (1918) Wv

|5|

 

 

In het vertrouwen, dat de publicatie van de college-voordrachten van Prof. RUTGERS over Gereformeerd Kerkrecht, waarin Z.H. Gel. de artikelen van de Dordtsche Kerkenordening van 1619 heeft verklaard en toegelicht, in eene algemeen erkende behoefte zal voorzien, heb ik het plan opgevat mijne college-dictaten over Kerkrecht voor de pers te bewerken. Het oordeel, dat mij indertijd van hoogst bevoegde zijde is toegekomen over de uitgave van het door mij als student voor de pers bewerkte college-dictaat-Dogmatiek van Dr. A. KUYPER, den Locus de Magistratu, boezemt mij voldoende vertrouwen in, dat de bewerking en uitgave van mijn college-dictaat-Gereformeerd Kerkrecht eene goede ontvangst zal genieten.

Van de vier hoofddeelen, waarin de Dordtsche Kerkenordening is verdeeld, ziet thans, in afwijking van den gewonen regel van uitgave, het vierde en laatste deel, de artikelen 71-86 omvattend, het eerst het licht. Reden hiervoor is, dat m.i. in onze Gereformeerde Kerken naar eene behandeling van de kerkelijke tucht wel het meest wordt uitgezien door hen, die ambtshalve geroepen zijn haar in het kerkelijk leven toe te passen. Wie zal niet gaarne te dien aanzien het oordeel vernemen van den geleerde, die, omnium consensu, steeds de vraagbaak en de geestelijke adviseur der Gereformeerde Kerken is geweest?

Moge mijn arbeid bevorderlijk zijn aan de verdieping van het kerkrechtelijk besef, en eene geschikte handleiding blijken te zijn voor kerkelijke ambtsdragers en die zich voor het kerkelijk ambt voorbereiden.

En wordt hij aanvaard door familie, oud-collega’s, oud-leerlingen en vrienden als een blijk van bijzondere hoogachting aan de nagedachtenis van hem, aan wiens glashelder en logisch betoog wij gaarne worden herinnerd door hem te hooren spreken, nadat hij gestorven is.

J. DE JONG.

Winsum (Fr.), November 1917.

P.S. Voor toezending van recensies houdt de schrijver zich ten zeerste aanbevolen.

|6|

|7|

 

 

 

 

 

Aan de nagedachtenis
van mijnen hooggeschatten leermeester en
Promotor, Prof. Dr. F. L. RUTGERS,
in leven Hoogleeraar in de Theologische
Faculteit der Vrije Universiteit te
Amsterdam,

wordt dit werk in dankbare vereereing
gewijd door den

Schrijver.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 71

|9|

 

Kerkenordening van de Nationale Synode
van Dordrecht van 1618-1619.

 

Hoofdstuk IV.

Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning 1).

 

Art. 71 2).

Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het Burgerlijk gericht of de straf der Overheid bevrijdt, alzoo worden ook, benevens de Burgerlijke straf, de Kerkelijke Censuren noodzakelijk vereischt, om den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen, en de ergernis uit de Gemeente Christi weg te nemen.

 

Over de kerkelijke tucht wordt in de Dordtsche Kerkenordening gehandeld in de artikelen 71-81.

De kerkelijke tucht is in de Gereformeerde kerken van den


1) Als teksten zijn in dit werk gevolgd:
1. De Wezelsche artikelen van 1568 naar de nieuwe vertaling in het Kerkelijk Handboekje, uitgegeven door P. Biesterveld en Dr. H.H. Kuyper, Kampen, 1905.
2. De redacties van de kerkenordeningen van 1571, 1574, 1578 en 1581 naar de uitgave in Dr. F.L. Rutgers Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, Utrecht, 1889.
3. De redactie van de kerkenordening van 1586 naar de uitgave in het bovengenoemde Kerkelijk Handboekje.
4. De redactie van de kerkenordening van 1619, in de oude spelling naar de uitgave in het Kerkelijk Handboekje, in de nieuwe spelling naar de uitgave in Acta der Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gehouden te Dordrecht in den jare 1893, Amsterdam, 1893.
5. De revisie van de redactie van de kerkenordening van 1619 door de Generale Synode te Utrecht in 1905 naar de uitgave in Acta der Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gehouden te Utrecht van 22 Augustus tot 7 September 1905, Amsterdam.
6. De redactie van de Post-Acta van de Nat. Synode van Dordrecht van 1618/19 naar de uitgave in het Kerkelijk Handboekje.
2) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, maar bracht in de schrijfwijze de volgende verandering ➝

|10|

beginne af als een hoofdpunt beschouwd en behandeld. Het is bekend, hoe Calvijn in zijne Institutie de noodzakelijkheid van de kerkelijke tucht op den voorgrond heeft gesteld, en hoe hij in de practijk desgelijks op hare handhaving heeft aangedrongen. Eigenlijk is dit zelfs zijn groote strijd in Genève geweest: de practijk der kerkelijke tucht.

Eerst streed hij voor de zelfstandigheid der kerk, om te verhinderen, dat de kerk een tak van Staatsdienst zou worden. Daarna heeft hij lange jaren gestreden om de regeling van tucht in de kerkenorde te krijgen en daarin te behouden tegen het Overheidsstreven naar schrapping daarvan, en eerst in 1555 was die strijd volstreden.

Evenals Calvijn in Genève, hebben ook de Gereformeerde kerken in Frankrijk, Schotland, etc. de discipline altijd op den voorgrond gesteld. Zoo doet ook onze kerkenordening in het eerste deel van artikel 71. De noodzakelijkheid der kerkelijke tucht wordt daar uitgesproken geheel in overeenstemming met de Formulieren van Eenigheid. In onze Confessie wordt in art. 29 onder de merkteekenen van de ware kerk de tucht genoemd. Dit ligt eigenlijk ook reeds opgesloten in het tweede kenmerk,


➝ aan: „burgerlijke”, „kerkelijke censuren”, „gemeente van Christus.” In de nieuwe uitgave van de Kerkenordening der Gereformeerde Kerken in Nederland, gelijk deze op de Generale Snode te Utrecht in 1905 is herzien enz, door Ds. W.B. Renkema, Ds. R.J.W. Rudolph, en Dr. J.C. de Moor, Wageningen, 1909, is op dit verschil tusschen materieele wijziging in inhoud en formeele wijziging in schrijfwijze te weinig gelet. Ten onrechte, daar het doel der bewerkers blijkens de inleiding was om een juisten tekst te geven. Niet geheel juist staat dus bij dit art. 71 en andere artikelen aangeteekend: „Ongewijzigd”, terwijl in dit art. 71, alsmede. in artt. 72 en 74, die in 1905 alle in schrijfwijze veranderd zijn, ten onrechte de schrijfwijze van 1893 gevolgd wordt. Art. 78 heeft beide schrijfwijzen, van die van 1893 en 1905 elk de helft. In de derde uitgave van de Kerkenordening van de Gereformeerde Kerken in Nederland door Ds. W.B. Renkema en Dr. J.C. de Moor, Wageningen, 1916, wordt wel de schrijfwijze van 1905 gevolgd, maar wordt, evenals in de uitgave van 1909, ook weer niet geheel juist onder de artikelen, die in 1905 niet naar den inhoud, maar wel naar schrijfwijze veranderd zijn, aangeteekend: „Ongewijzigd”, n.l. onder de artt. 71, 72, 73, 74, 76, 78, 80, 81, 85, 86. In art. 84 werd in 1905 geen verandering aangebracht, noch in inhoud, noch in schrijfwijze. In den met kleine gewone letter gedrukten tekst van de artikelen der Dordtsche kerkenordening komen in de beide uitgaven van Renkema c.s., niettegenstaande de derde uitgave volgens het voorbericht „zeer nauwkeurig is herzien”, de volgende afwijkingen van den tekst der Acta der Generale Synode van 1893 voor: in art. 75: „( )” in plaats van „— —”, „bekwamelijk” in plaats van „bekwaam”; in art. 77: „( )” in plaats van „— —”; in art. 79: „der zelve” in plaats van „der zelver” (alleen in de uitgave van 1916), „naastgelegene” in plaats van „naast gelegene”; „gemeente” in plaats van „Gemeente”; in art. 82: „een Attestatie” in plaats van „eene Attestatie”, terwijl voorts in afwijking van den tekst van 1905 in beide uitgaven in art. 81 staat: „censuur oefenen en” in plaats van „censuur oefenen, en”; in beide uitgaven in art. 84: „Ouderling of Diakenen” in plaats van „Ouderling of Diaken”.

|11|

n.l. de reine bediening der Sacramenten, zoodat de tucht daar dus eigenlijk voorkomt als eene nadere uitwerking van dit tweede kenmerk. Evenzoo wordt in art. 32 van de Confessie over de tucht gehandeld. Hetzelfde geschiedt ook in den Heidelbergschen Catechismus in Zondag 31 over de sleutelen des hemelrijks. Cf. vraag en antwoord 85.

Zoo dikwijls dan ook de Gereformeerde kerken over het kerkverband handelden, stond steeds de handhaving der discipline op den voorgrond.

In de acta der Synoden van 1563 en vgg. is altijd over de tucht gehandeld.

Toen men in 1568 op het Convent te Wezel was saamgekomen om over een officieus kerkverband te handelen is in de door dat Convent vastgestelde artikelen ook een [Caput VIII] „De Disciplina” met 21 artikelen opgenomen. Als daarna in 1571 te Emden de eerste officieele Synode kan saamkomen, heeft deze ook bijzonder uitvoerig over de tucht gehandeld, blijkens art. 25-34 van hare acta. En in die bepalingen zijn in hoofdzaak de Wezelsche artikelen opgenomen.

Die besluiten van de Emdensche Synode van 1571 zijn verder de regelen gebleven voor de tucht, en door alle volgende Synoden overgenomen. Meestal woordelijk, met enkele bijvoegingen, zonder dat zulke wijzigingen aan den zin iets veranderden. De hoofdbepalingen, zooals zij nu nog, in de kerkenordening staan, zijn reeds toen opgesteld.

Omtrent die bepalingen valt in ’t algemeen nog op te merken, dat de uitoefening van de kerkelijke tucht alleen summierlijk beschreven wordt. Dit hoofdstuk over de tucht is niet, en is nooit geweest een soort van Wetboek van Strafvordering, waarin alle gevallen van tucht worden opgenoemd, en aangeduid wordt, welk tuchtmiddel toepasselijk is, hoe de kerkelijke procedure gaan moet, hoe het onderzoek moet geschieden etc.; doch alleen de hoofdbeginselen zijn opgenomen, de uitwerking is vrijgelaten.

Dat kwam hiervandaan, dat het nu eenmaal niet aanging dat alles te omschrijven evenals met de burgerlijke strafoefening geschiedde, omdat de kerkelijke tucht van geheel anderen aard is. Wanneer de tucht alleen uitwendig wordt toegepast, mist de kerkelijke tucht alle doel. Zoo geschiedt het wel op burgerlijk gebied, maar bij de kerkelijke tucht is juist het doel een zondaar te behouden, en de eere Gods te bevorderen. Er kan geen code pénal voor kerkelijke tucht gemaakt worden. Het doel van de tucht eischt de grootste speelruimte in de toepassing, geen regelen voor vaste practijk. Indien maar de beginselen vaststaan en op ieder geval worden toegepast, dan wordt de kerkelijke tucht alleen recht gebruikt. Dus geen wetsbepalingen in de kerkenordening.

Er kwam ook bij, dat de Overheid zeer naijverig was op de

|12|

kerkelijke macht, en vooral op de tuchtoefening, en zij dus groot bezwaar had tegen eene kerkenordening met veel artikelen over de tucht. Bovendien was er toen wel uitzicht op politieke approbatie van de kerkenordening door de Overheid, ook al heeft die nooit plaats gehad.

Beginselen zijn hier strikt noodig, maar ook volkomen voldoende.

Voorts staat in de kerkenordening ook niet eene definitie van kerkelijke tucht, want eene kerkenordening is geen handboek voor kerkrecht of dogmatiek. Dat alles hoort in eene kerkenordening niet thuis.

Tucht op Gereformeerd standpunt is niet hetzelfde als straf. Straf is het leed, dat het bestuur van zekeren kring iemand moet aandoen, wanneer hij binnen het gebied van dien kring eenen daarvoor gestelden regel overtreden heeft. Nu komt tucht daarmede wel veel overeen, want tucht is ook de handhaving van regelen, die voor eenen bepaalden kring gesteld zijn, en dat wel door middel van persoonlijke toepassing van straf; maar toch is tucht daarin onderscheiden, dat bij tucht de verbetering en terechtwijzing van den overtreder op den voorgrond staat, terwijl bij straf de handhaving van het geschonden recht alles beheerscht. In de school, het huisgezin, waar van opvoeding en onderwijzing sprake is, spreekt men daarom liefst van tucht. Zoo ook bij de kerk. Daar komt nog meer dit eigenaardige uit, dat zij dient om de regelen te handhaven, die de Heere voor zijne kerk gesteld heeft, geen regelen van menschen, maar van den eenigen Koning der kerk.

De kerkelijke tucht moet dus altijd steunen op Gods Woord. Gods wil moet de achtergrond zijn. Slechts de uitvoering van Gods wil is de kerkelijke tucht. Dus kan zij nooit gebruikt worden om menschelijke instellingen te handhaven. Dan verdwijnt altijd, als dat toch geschiedt, de eigenlijke tucht. Dan ontstaat alleen geestelijke tyrannie. Vergelijk de Pauselijke hiërarchie.

Voetius geeft in zijne Politica Ecclesiastica, Dl. IV, p. 844, de volgende definitie van de kerkelijke tucht:

„Definitur Disciplina, seu Censura, personalis et juridicialis applicatio voluntatis Dei ad conscientias peccantium movendas ac permovendas; et ad scandala vel cavenda vel tollenda in Ecclesia”. Kerkelijke tucht is dus eene toepassing van Gods wil, en wel eene personeele en rechterlijke toepassing, welke dient om bij den overtreder het geweten wakker te maken en te doen werken en om in de kerk ergernis te voorkomen of weg te nemen.

Zulke tucht wordt dan in art. 71 noodzakelijk genoemd. En vooral is dit noodig, omdat die noodzakelijkheid vaak is ontkend, ook in de Gereformeerde kerk. Niet alleen door principieele bestrijders, maar ook wegens practische bezwaren,

|13|

dat de kerk te veel macht zou krijgen, of dat men van die tucht zelf last zou krijgen. Dergelijke utiliteitsbezwaren zijn evenwel niet principieel en beslissen niets. Alles komt aan op de principieels bestrijding.

Van die principieele bestrijding is Erastus de personificatie, wiens volgelingen, vooral in Engeland, Erastianen zijn genoemd; zij hadden ook hier te lande hun geestverwanten. Voorts zijn er in de 16de eeuw nog anderen, behalve Erastus, geweest, die principieel tegen de kerkelijke tucht gekant waren, maar daarover noch schriftelijk, noch mondeling, debat gevoerd hebben. Ten onzent Huibert Duifhuis, predikant der St. Jacobsgemeente te Utrecht. Deze wilde van opzicht over de leer niet weten. Daarvoor was geen kerkeraad noodig. Dat moest ieder voor zich zelf weten. „Ieder op zijne eigen beproeving”. Caspar Coolhaes in Leiden ging zoover niet. Bij hem kwam de afkeer van de kerkelijke tucht hieruit voort, dat de hem begunstigende Overheid tegen de kerkelijke tucht was, uit vrees, dat de Kerk boven den Staat in macht zou uitgroeien. Toch heeft hij niet data opera hierover geschreven.

Erastus was medicus van professie. Hij had eerst theologie gestudeerd, doch daarna medicijnen in Zwitserland en Zuid-Duitschland. Te Heidelberg was hij gepromoveerd en gevestigd. In ’t eerst bestreed hij de astrologie en de excentriciteiten van Paracelsvs, waarmede hij nog al naam maakte. Op kerkelijk gebied is hij eerst opgetreden, toen in het derde kwartaal der 16de eeuw onder den keurvorst van de Paltz de tucht werd ingevoerd, tengevolge waarvan er tusschen Erastus en de Heidelbergsche theologen conflict ontstond. In zijnen tegenstand werd hij geholpen door den predikant Neuser, die ook Ariaan was. Dientengevolge werd ook Erastus van geestverwantschap met hem beschuldigd. Dit was echter zoo niet, daar Erastus kon verklaren, dat hij ten aanzien van het stuk der Drieëenheid nooit iets geschreven had, en zuiver in de leer was. Neuser werd gevangen gezet, week uit naar Constantinopel en werd Mohammedaan. Erastus, die zich mondeling en bij geschrifte verantwoordde en door Olevianus en Beza werd weerlegd, beroemde zich er echter op door hen niet overtuigd te zijn geworden. Eerst na Erastus’ dood werd zijn strijdschrift uitgegeven en daarna weerlegd door Beza in zijn „Tractatus pius et moderatus de vera excommunicatione et Christiano presbyterio, Genevae 1590”.

De gronden, waarop Erastus de kerkelijke tucht principieel bestreed, waren drie in getal: 1º. Eene kunstmatige exegese van Matth. 16, waardoor alle tuchtbegrip verwijderd werd. 2º. Met dergelijke kunstgrepen werd ook uit 1 Cor. 5 de tucht weggeredeneerd. 3º. Dat ook in het Oude Testament van tucht geen sprake is. Dit kan natuurlijk geen bewijs genoemd worden.

|14|

Alleen bleek er uit, dat eenige argumenten voor tucht geen steek hielden; niet, dat de tucht verkeerd is. Daarvoor is zijne demonstratie te zwak.

Men zou dan ook van hem niet meer gehoord hebben, indien niet in Engeland in ’t midden van de 17de eeuw de strijd van Erastus weer opgehaald was. De Presbyterianen stonden daar tegenover de Episcopalen. De laatste waren tegen tucht en dus ook tegen een kerkeraad, want die twee gaan altijd samen, terwijl zij zich dekten met den naam van Erastus. Zoo ontstond dus ook daar de Erastiaansche strijd. George Gillespie beantwoordde de Erastianen. Later is er niet meer van gehoord.

De gronden der Gereformeerden voor de tucht waren de volgende:

I. De plaatsen der Heilige Schrift, waarin rechtstreeks of middellijk van kerkelijke tucht sprake is.
1º. Matth. 18: 15-19. Hier is sprake van den weg, die te volgen is in zaken van persoonlijke beleediging. Wij vinden hier eene aanwijzing, waaruit duidelijk de macht en de roeping der kerk blijkt om tucht te oefenen en bij hardnekkig verzet iemand uit te sluiten en te plaatsen in de positie van eenen heiden en tollenaar.
2º. Matth. 16 : 18 en 19, waar sprake is van macht van binden en ontbinden, aan Petrus gegeven; in verband met Joh. 20: 23, waar dezelfde macht aan alle Apostelen en dus aan de kerk gegeven wordt.
3º. 1 Cor. 5, waar sprake is van den overtreder, die een ergerlijk schandaal in de gemeente had aangericht. Het voorschrift van Paulus omtrent de handeling te zijnen opzichte is uitsluiting, terwijl 2 Cor. 2: 7 van de wederopneming spreekt.
4º. Alle plaatsen, waar gezegd wordt, dat men geen gemeenschap mag hebben met ketters en afvalligen; bijv. Gal. 5: 12, Apoc. 2. waar een verwijt gericht wordt tot de kerken van Klein-Azië, die valsche leeringen duldden, en geëischt wordt, dat zij die valsche leeraars zullen afsnijden; Tit. 3: 10, 11: „Verwerp eenen ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning; Wetende, dat de zoodanige verkeerd is, en zondigt, zijnde bij zichzelven veroordeeld”. Dus eerst vermanen, tweemaal bij herhaling en dan afsnijden; 2 Joh.: 10: „Indien iemand tot ulieden komt, en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Wees gegroet! d.w.z. niet in het burgerlijke zal men zoo handelen, maar zoo iemand zal men niet in qualiteit ontvangen, en dit geschiedt door kerkelijke tucht op de leeraren.
5º. Eene reeks van plaatsen, waar vermenging van het heilige en onheilige wordt afgekeurd, Matth. 7: 6: Het heilige mag niet tot profanie worden overgegeven. Op kerkelijk gebied vloeit daaruit dan voort, dat de tucht moet geoefend worden; waarbij natuurlijk dit het hoofdargument is, dat de kerkelijke

|15|

tucht bestaat naar Gods uitgedrukt bevel in zijn Woord.

II. Reeds onder het Oude Testament is sprake van afsnijden en uitroeien uit het volk en de gemeenschap. En onder het Nieuwe Testament van uitwerpen uit de Synagoge.

III. In de Christelijke kerk bestond reeds van den oudsten tijd af de gewoonte om kerkelijke tucht toe te passen, zooals Cyprianus, Tertullianus en andere Kerkvaders, en ook oude Canones vermelden.

IV. De algemeene overtuiging van onderscheiden Concilies was, dat zoo alleen de kerk zuiver kan blijven.

Erastus weerlegde op zijne manier de teksten. Maar zulke vrije exegese gaat niet op. De tegenstanders konden eigenlijk dan ook niet anders doen dan toegeven, dat in die plaatsen althans het beginsel van kerkelijke tucht stak. Doch, zeiden zij dan, dat was onder andere omstandigheden, n.l. dat er eene heidensche Overheid was, gelijk in den tijd der Apostelen het geval was, doch nu was dat anders. Nu was de Overheid Christelijk en eene Christelijke Overheid straft de zonden. De kerk in den Apostolischen tijd, zoo zeide men, trad slechts op voor de Overheid. Op deze aldus gemotiveerde Erastiaansche redeneering, dat de tucht aan de Christelijke Overheid moet worden overgelaten, kan geantwoord worden, dat dus na de Fransche Revolutie, nu de Overheid òf vijandig òf neutraal is, de vroegere andere omstandigheden teruggekeerd zijn, zoodat het beroep op de Christelijke Overheid daarmee van zelf vervalt.

Doch ook kan de Overheid geen kerkelijke tucht oefenen, omdat kerkelijke tucht geen surrogaat is van straf der Overheid. Art. 71 zegt: „alzoo worden ook, benevens de Burgerlijke straf, de Kerkelijke Censuren noodzakelijk vereischt”. Het geldt hier andere overtreding. En ook zou de kerk dan op gelijke wijze moeten straffen. Er is echter tweeërlei straf. De Erastianen zeiden dan: Dat is dan tegen den rechtsregel: „non bis in idem”. Waarop de Gereformeerden antwoordden: Ook God straft zonde, dus dan mocht de Overheid ook niet straffen. Doch het is niet tegen dien rechtsregel, want het is overtreding op tweeërlei terrein. Men antwoordde, dat de Overheid de roeping heeft de ongerechtigheden te straffen en dat dit werk nooit kan worden opgedragen aan de kerk, hetgeen ook niet geschied was in den Apostolischen tijd. De kerk daarentegen moet geestelijke straf oefenen. Ieder heeft dus zijn eigen terrein, en daarop moet hij doen, wat hem bepaald van Godswege is opgedragen. Daarom zijn er zonden, die de Overheid niet, maar de kerk wel straft, terwijl de straf bij de Overheid dwingend, doch bij de kerk geestelijk is. Bovendien heeft de Overheid geen kerkelijke macht, daar in de kerk Christus het Hoofd is. Verder heeft de Christelijke Overheid geen andere roeping dan de heidensche. De macht van een ambt kan niet afhangen

|16|

van de qualiteit van den persoon, die het ambt bekleedt. Eene Christelijke Overheid kan wel beter haar ambt volvoeren, maar dat verandert niets aan de roeping. Iedere vader moet zijne kinderen opvoeden in de vreeze des Heeren. Dat kan een Christelijk vader wel, een negervader niet. Doch het verandert zijne roeping niet.

En eindelijk, had ook al de Christelijke kerk in de eerste eeuwen tucht geoefend bij wijze van surrogaat, dan was dat nog verkeerd gedaan.

Tegenwoordig wil men wel geen Overheidstucht over de kerk, doch ook kerkelijke tucht wil men niet meer, uit onverschilligheid en teugelloosheid. Pantheïstisch vereenzelvigt men de kerk met de wereld. Tucht bestaat er dan alleen om de genootschapswetten in stand te houden. Het genootschap ontstaat door den wil van menschen en de wil van deze moet doorgevoerd bij stemmenmeerderheid van de helft + 1.

 

Na de noodzakelijkheid volgt in dit artikel het doel der Christelijke tucht.

Dit is niet door allen met dezelfde woorden uitgedrukt. Zelfs tusschen de voornaamste leiders en woordvoerders der Gereformeerden bestaat er variatie, maar geen wezenlijk verschil.

1º. Calvijn, Institutie 4, 12, 5.

Wat hij er van schreef is zeer zeker het duidelijkst en zaakrijkst. Hij noemt drie bedoelingen: „Sunt auteur tres fines quos spectat Ecclesia in eiusmodi correctionibus et excommunicatione.

„Primus est, ne cum Dei contumelia inter Chistianos nominentur qui turpem ac flagitiosam vitam agunt, acsi sancta eius Ecclesia foret improborum et sceleratorum hominum coniuratio.” De eerste bedoeling is dus, dat de naam Gods niet gelasterd worde om degenen, die tot de kerk behooren. De naam, dien de kerk onder de menschen heeft, hangt samen met Gods naam.

„Alter finis est, ne assidua malorum consuetudine, vt fieri solet, boni corrumpantur. Nam (quae nostra est ad deuiandum procliuitas) nihil facilius est quam vt malis exemplis á recto vitae cursu abducamur”. De tweede bedoeling is dus om er voor te zorgen, dat de goeden door omgang met de kwaden niet bedorven worden, om dus de geloovigen voor besmetting te bewaren.

„Tertius, vt eos ipsos pudore confusos suae turpitudinis poenitere incipiat.” De derde bedoeling is dus om hen zelf berouw te laten hebben met schaatme over hunne zonden, opdat de roede der tucht hen nog tot bekeering brenge.

2º. A Lasco, Forma ac Ratio II, 173.

Gelijktijdig (kort na Calvijn) had hij veel invloed op de kerkenorde.

Hij stelt twee doeleinden, eigenlijk maar één, nl. dat de

|17|

geheele kerk als lichaam des Heeren en een ieder in ’t bijzonder bij zijnen plicht en roeping gehouden worde. De tucht is daarvoor niet alleen een frenum in corruptela nostrae naturae, een teugel voor onze verdorven natuur, maar dient ook tot onderhouding van onderlinge tucht en liefde. In den grond is dit niet anders, dan wat algemeener uitgedrukt, wat Calvijn precieser uitdrukt. Hij zegt dan, wat de kerk daartoe doen moet.

3º. Het Formulier van Excommunicatie, van de 16de eeuw af in onze kerken in gebruik.

Omdat van den zondaar pas gesproken is, wordt met hem begonnen. Het doel der tucht is drieledig:
1º. den zondaar te beschamen;
2º. de Christelijke gemeente niet in gevaar te brengen;
3º. de eere van Gods naam te bevorderen.

Hier dus hetzelfde doel als bij Calvijn, bijna met dezelfde woorden aangegeven, maar in omgekeerde volgorde.

4º. Voetius, Pol. Eccl., IV, 872, is uitvoeriger. Hij noemt 7 doeleinden van de kerkelijke tucht, naar dat men het oog heeft op de personen, op welke de tucht kan betrekking hebben. 1. God, 2. zondaar, 3. geloovige, 4. catechumeen, 5. kerk in ’t algemeen, 6. dienaren, 7. wereld.
1. Opdat Gods naam niet gelasterd worde, en opdat zijne eere worde bevorderd.
2. Opdat de zondaar beschaamd worde, en tengevolge daarvan worde bekeerd en behouden.
3. Opdat de geloovigen niet besmet worden.
4. Catechumenen worden zoo des te beter voorbereid tot de volle gemeenschap der kerk. Zij leeren door tucht, hoe zij zich moeten laten leiden. Zij, die volle gemeenschap willen hebben, moeten zich laten keuren en bestraffen.
5. In betrekking tot de kerk, opdat de zuiverheid, eenheid, vrede en stichting bevorderd worde. De kerk heeft geen uitwendige wapenen of straffen om zich in deze wereld te verdedigen. Zij moet den booze uit haar midden wegdoen.
6. Dienaren. Opdat de opzieners aan hun geweten en aan de roeping van hun ambt voldoen.
7. Wereld. Opdat de mond gestopt worde aan hen, die buiten staan, en aan vijanden, om hun allen grond tot laster en spot te benemen.

Dit zijn eigenlijk niet 7 doeleinden, want 7 bijv. valt samen met 5. Zij laten zich zonder moeite herleiden tot de drie van Calvijn en van het Formulier van den Ban. Catechumenen, kerk, dienaren en wereld kunnen eigenlijk al onder de drie vorige gerangschikt worden. Alleen dus wat den vorm betreft, heeft Voetius het getal zooveel grooter gesteld.

De kerkelijke tucht heeft dus een drieledig doel.

De kerkenordening wijkt hiervan niet af. Als nu in de kerkenordening een tweeledig doel genoemd wordt nl. 1º. „om

|18|

den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen”, en 2º. „de ergernis uit de Gemeente Christi weg te nemen”, dan laat het tweede doeleinde zich in tweeën splitsen, n.l. a. ten opzichte van de eere des Heeren, en b. om de geloovigen voor besmetting te bewaren. (Ergernis = besmetting; wat iemand tot zonde brengt). Ook hier heeft de kerkelijke tucht dus een drieledig doel.

Dit te stellen als doel is geheel in overeenstemming met wat de H. Schrift zelf van de tucht zegt, speciaal in 2 Thess. 3: 14; 1 Cor. 5: 5-7, 11; 2 Cor. 2: 7.

1º. Dat de tucht is om den zondaar te behouden, blijkt uit 2 Thess. 3: 14: „opdat hij beschaamd worde”. 1 Cor. 5: 5 „Denzulken over te geven den satan, tot verderf des vleesches, opdat de geest behouden moge worden in den dag van den Heere Jezus”. 2 Cor. 2: 7: „Alzoo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroosten, opdat de zoodanige door al te overvloedige droefheid niet eenigszins worde verslonden”. De geoefende tucht was voldoende, omdat hij zich verootmoedigd had. Het doel van de tucht was bereikt.

2º. Om de geloovigen voor besmetting te bewaren, „om de ergernis uit de Gemeente Christi weg te nemen”, dus om de geloovigen zelf. 1 Cor. 5: 6, 7, 10, 11. Het dulden van allerlei ongerechtigheid bederft de geheele gemeente. 1 Cor. 10: 6 item. De straffen, vroeger door God over Israël in de woestijn gebracht, dienden als waarschuwing voor de kerk van lateren tijd, om die niet over zich te halen. Straffen, in Gods naam voltrokken, dienen dus tot waarschuwing van anderen.

3º. Om de eere des Heeren.
De Christelijke kerk heeft altijd als doel den naam des Heeren te verheerlijken. Rom. 2: 24. De Joden worden berispt omdat de naam des Heeren om hunnentwil berispt werd. Al wat door den Heere heilig gehouden wordt, moet ook door hen heilig gehouden worden. 1 Petri 2: 12 spreekt van rein houden van den wandel. Dit geldt ook van de Sacramenten. Er moet in de gemeente zelve scheiding van heilig en onheilig zijn; anders wordt de naam des Heeren gelasterd. De eere Gods is het doel. Ieder ander doel bederft de zaak, ondermijnt de tucht en de kerk.

Naast het recht gebruik is er ook misbruik van de tucht.

Rome’s tucht heeft wel gediend om hier en daar eene enkele uitbreking in zonde tegen te gaan, maar dit was zeldzaam. Allerlei afwijking in leer is toegelaten. Ook het leven was in de kloosters ergerlijk. Eén ding stond onder de tucht, nl. al wat de autoriteit van Rome’s paus te na kwam. Het aangematigd gezag van de hiërarchie werd hooggehouden. Zoo werd Gods eere niet bevorderd, noch het welzijn der geloovigen, en de zondaar niet tot inkeer gebracht.

|19|

Dit komt ook evenzoo buiten Rome voor. Ook in de Gereformeerde kerken. Het Hervormd Genootschap straft bovenal aanranding van het kerkelijk gezag. Afwijking in de leer wordt vrijgelaten. Tucht wordt niet gehandhaafd, behalve de tucht over zeer ergerlijk leven. Ook in de Gereformeerde kerken kan het echter gebeuren, dat men iemand onder de tucht zet, omdat hij een predikant niet hooren wil, of het met een ouderling niet vinden kan. Zeer zeker zijn dit verkeerde dingen, maar zoolang iemand geen schisma maakt tegenover de ambten en het voor zichzelf houdt, mag geen tucht toegepast worden. Nooit mag tucht dienen tot handhaving van eigen hoogheid. Bij elke tuchtzaak moet men zich afvragen, of men het om de drie doeleinden doet. Lastige leden, die er werkelijk zijn, door tucht er uit zetten, mag nooit geschieden. Voor dezulken moet men het meest zorg dragen. Doel van de kerkelijke tucht mag nooit zijn, dat de opzieners een rustig leven hebben. Zij moeten juist geen rustig leven hebben, maar voor de gemeente zorgen met inspanning van alle krachten.

Over wie gaat de kerkelijke tucht?

In de K.O. is daarvoor geen apart artikel. Art. 51 spreekt alleen van „den zondaar”. In de andere artikelen is alleen sprake van „iemand” en „zoo wie”. Er wordt geen nadere omschrijving gegeven, omdat de kerkenordening geen handboek van kerkrecht is, geen wetboek, maar eene verzameling van kerkelijke besluiten, die alle kerken aangaan.

In de Gereformeerde kerken is er geen verschil over geweest.

Wel is er antithese met Rome. In de Roomsche kerk gaat de tucht zelfs over levenlooze voorwerpen, voorts ook over gestorvenen, ook over de menschen in massa beschouwd. En voorts (en dit is een voornaam verschilpunt) over alle gedoopten zonder onderscheid. 1. Met betrekking tot levenlooze voorwerpen bestaat zij in het door disciplinaire uitspraak ontzeggen van aan den dienst gewijde dingen, in „ontwijden”. Al wat van de tucht kan gezegd, past echter niet op levenlooze voorwerpen. Bij Rome is dus contradictie. 2. Gestorvenen. Volgens Rome oefent een gestorven ketter invloed door zijnen naam, door wat er van zijn leven bekend is, door zijne leer en vooral door zijne geschriften. Nu wordt door de Gereformeerden niet ontkend, dat de kerk heeft te waken tegen den verkeerden invloed, die van gestorvenen kan uitgaan. Maar dit kan alleen geschieden door de levenden te onderwijzen en te waarschuwen. Wel op zijne leeringen en dwalingen kan men critiek oefenen, maar niet op zijn persoon. Tucht is onmogelijk op gestorvenen, zeiden de Gereformeerden. Men moet toch altijd beginnen met vermaan. De daad is niet de naaste oorzaak, waarom tucht toegepast wordt, maar de hardnekkigheid, waarmede men de zonde als

|20|

zoodanig weigert te erkennen. Dus eerst vermanen (tenzij om openbare ergernis af te snijden). Verder moet men trachten den zondaar tot inkeer te brengen. Dit kan niet bij gestorvenen. Dus tucht kan over zijn persoon niet geoefend worden. 3. Van de tucht over de menschen in massa geldt tot op zekere hoogte hetzelfde. In de Roomsche kerk wordt soms een geheel land onder interdict gelegd, of eene geheele klasse van menschen geëxcommuniceerd, zonder dat nog duidelijk is, wie er toe behooren. Dit komt tegenwoordig nog telkens weer voor. Doch dit is geen tucht. Men weet van de personen niet, eigenlijk is het tucht over een gezelschap, afgezien van de personen. Tucht nu moet persoonlijk zijn, is toepassing van Gods Woord op een bepaalden persoon. Men kan bij „tucht in massa” niet vermanen en tot inkeer brengen. Verder is het hoofdbezwaar, dat zelfs in de Roomsche kerk erkend wordt, dat men dan ook onschuldigen treft. Voorts zijn er nog vele andere niet zoo gewichtige bezwaren. 4. De Roomsche kerk oefent tucht over alle gedoopten zonder onderscheid. De tucht wordt geoefend door de kerk als instituut, terwijl in de organische kerk de tucht door den Heere zelven geschiedt. Nu stelt Rome wel, dat er maar ééne geïnstitueerde kerk is en dat daartoe alle gedoopten behooren. Doch dit kan niet. Tot de geïnstitueerde kerk kan men niet tegen wil en dank behooren; wel zonder zijn toedoen. bijv. kinderen; maar niemand kan men dwingen er bij te blijven. De geïnstitueerde kerk berust juist op confoederatie. De pretentie van Rome, dat zij de alleen zaligmakende kerk is, kan een Gereformeerde niet beamen. Er zijn toch verschillende geïnstitueerde kerken. In Rome’s stelsel past tucht over alle gedoopten. Consequent is, dat zij Protestanten, als tot haar behoorend, tot terugkeer vermaant; ook, dat zij, waar zij de macht in handen heeft, voor haren rechterstoel trekt wie dissentieert.

Volgens de Gereformeerden kan de tucht alleen gaan over personen, over personen individueel, over de zoodanigen, die tot: de geïnstitueerde kerk behoren.

In de 16de eeuw is dit door de Gereformeerden uitgesproken naar aanleiding van de vrees der Overheid, dat de discipline door de Gereformeerden ook buiten hunnen kring zou worden uitgestrekt, even ver als Rome deed, met name ook over de Remonstranten en Libertijnen. De Overheid wilde dit niet. Vele menschen waren er in dien tijd, die zich aan de Gereformeerde kerk onttrokken, omdat zij niet onder de kerkelijke tucht wilden staan uit vrees, dat de kerk dan te veel macht zou krijgen. Toch waren het geen slechte menschen. Zoo bijv. C.Pz. Hooft, Burgemeester van Amsterdam, Coornhert en Oldenbarnevelt, hoewel hij toch wel naar de kerk ging, uitwendig godsdienstig was (over het hart kan niemand oordeelen), en bijv. Coornhert ook in zijne

|21|

gedichten wel vroom was. Te ontkennen is evenwel niet, dat er gereformeerden waren, wien dit denkbeeld wel toelachte. Niet echter onder de theologen of schrijvers van naam, maar onder anderen, die wel wilden verklaren omtrent eene geheele streek, dat wie er Christen wilde heeten Gereformeerd was, en zich ook bij de kerk moest aansluiten. Doch de Overheid was hiertegen. In 1581 werd bijv. door de Overheid aan de kerken voorgehouden, dat wat de kerken ook omtrent tucht bepaalden, dit alleen toepasselijk was op hen, die professie deden van de Gereformeerde religie. De kerken hebben toen geantwoord, zooals Trigland bericht, dat dit van zelf sprak, en hebben dit verder met redenen gestaafd.

Het woord „zondaar” in art. 71 beteekent dus alleen, dat er tucht geoefend wordt over den den zondaar, die professie doet van de gereformeerde religie. Dat niet elke zondaar op eene bepaalde plaats bedoeld was, sprak onder de Gereformeerden vanzelf. De tucht gaat over allen en een iegelijk was de uitspraak, omdat er Lutherschen en Arminianen waren, die meenden, dat koningen en Overheden niet aan de tucht onderworpen waren. Volgens de Gereformeerden is er in de kerk geen onderscheid. In de Luthersche kerk had men een soort van gewone leden en een soort van zeer voorname leden. De Gereformeerden oordeelden: alle onderscheidingen kunnen alleen geestelijk zijn. De onderscheidingen op maatschappelijk gebied vallen weg. Allen zijn broeders onder éénen Meester en Heer. Enkelen uit te zonderen, zeiden de Gereformeerden, is hen stellen buiten het Lichaam van Christus, of wel: er ontstaat dan een apart gemeentetje in de gemeente, dat er toch eigenlijk buiten staat. Bovendien zou men hen dan versteken van het voorrecht, dat door Christus voor hen in qualiteit van geloovigen in de sleutelen des hemelrijks gelegd is.

Dit is geen antithese met Rome; alleen zei Rome, dat zij als Overheden aan de kerkelijke tucht onderworpen zijn.

Er is gevraagd, of men dan steeds op dezelfde wijze de kerkelijke tucht moet toepassen. Bijv. ook, als de gemeente met ondergang bedreigd wordt? Dan luidt het antwoord: De gemeente heeft haar plicht te doen; de uitkomst moet aan, den Heere overgelaten. Maar het is goed, dat men dan met meer omzichtigheid te werk gaat, opdat niet noodeloos de kerk in gevaar gebracht worde.

Verschil was er alleen over de vraag, of de kerkelijke tucht alleen gaat over degenen, die belijdenis des geloofs afgelegd hebben en tot het heilig Avondmaal zijn toegelaten, of ook over de anderen, nl. kinderen en catechumenen.

Deze vraag is in de 16de eeuw reeds betrekkelijk vroeg opgekomen, en is reeds toen onderscheidenlijk beantwoord. De „Forma ac Ratio” van Joan. à Lasco 1555 in de Nederlandsche

|22|

Vluchtelingen-kerk te Londen, die van 1550 af bestond, bevat een artikel: „Over jonge menschen, die losbandig leven en onkundig zijn in leer en belijdenis,” waarin de meening wordt uitgesproken, dat ook over hen de kerkelijke tucht gaan zal. (Editie Kuyper p. 100). De Hollandsche vertaling daarvan is door Maarten Micron bezorgd in zijne „Christelicke ordinantiën der Nederlantschen ghemeynte Christi, te Londen”.

Wij gaan thans deze quaestie nader bezien.

Vraag: Hoe is te oordeelen over hen, die nog geen belijdenis gedaan hebben, en nog niet tot het kerkelijk instutuut behooren: zijn die ook objecten der kerkelijke tucht of niet?

Deze quaestie is hier te lande de laatste jaren vaak behandeld en op zeer onderscheiden wijze beantwoord. In onze Gereformeerde kerken komt ze zeer vaak practisch aan de orde. Dikwijls geschiedt de oplossing dan zoo dat men voor de gedoopten, die toch tot de geïnstitueerde kerk behooren, binnen de kerk eene afzonderlijke positie in het leven roept en hen van de belijdende leden onderscheidt door den naam van „doopleden”. In sommige streken van ons land heeft die naam burgerrecht verkregen en is hij in gebruik alsof het een wettig kerkelijke naam was. Men wil de positie van zulke doopleden bepalen, regelen, omschrijven, hoe zij rechten uitoefenen, daarin optreden, welke rechten zij al of niet hebben, vooral als er sprake is van stemrecht over geldelijke aangelegenheden bij administratie van kerkelijke goederen etc. Van zulke doopleden wordt soms een boek aangelegd of er wordt aanteekening van hen gehouden en bij vertrek naar elders wordt hun eene attestatie als dooplid gegeven, alsof dit eene kerkelijk erkende qualiteit ware.

Deze zaak, practisch aan de orde komend, moet principieel behandeld.

In dien vorm en onder die omstandigheden kwam de vraag vroeger zoo niet aan de orde, naar wel kwam het van den beginne af aan voor, dat er gedoopten waren, die tot het kerkelijk instituut behoorden, maar niet tot belijdenis kwamen.

Reeds bij de eerste institueering van eene Geref. kerk in 1550 te Londen, onder leiding van à Lasco en Micron, is dit punt aan de orde geweest en behandeld in de Forma ac Ratio van à Lasco, p. 100 (eenigszins reeds op p. 170), waar uitvoerig over kerkelijke tucht naar Geref. belijdenis gehandeld wordt (25 pagina’s). Kerkelijke tucht bestaat allereerst in vermaning, waaraan onderworpen zijn allen, die tot de geïnstitueerde kerk behooren, niet die daarbuiten staan. Die buiten zijn oordeelt God. Maar wel gaat de kerkelijke tucht over allen, die tot de geïnstitueerde kerk behooren, zonder onderscheid (p. 172 vg.). Pagina 100 handelt over gedoopte kinderen, die daarna niet tot belijdenis en Avondmaal komen, in „Appendix de adolescentibus dissolutis et imperitis”. Als er opgroeiende kinderen zijn, die

|23|

na het 14de jaar zoo onervaren of zoo ongebonden van leven zijn, dat zij geen belijdenis kunnen doen en toegelaten worden tot het Avondmaal, moet de kerkelijke tucht toegepast, hierin bestaande, dat de Dienaars hen tot zich roepen, de kerkeraad hen voor zich citeert, vermaant en berispt en een onderzoek instelt naar de reden waarom. Het kan dan blijken, dat de schuld eigenlijk niet ligt bij de kinderen, maar bij de ouders. Behooren die ouders tot de kerk, dan moeten zij met de tucht behandeld. Ligt de schuld niet bij de ouders, mare bij de kinderen, die noch om ouderlijke vermaning noch om kastijding geven, dan moeten de ouders daarover bemoedigd en getroost worden en met hen overlegd, wat aan het kind te doen. Het kind zelf moet streng en ernstig berispt uit Gods Woord, Gods bedreiging aan hem voorgesteld en het zelf afgehouden worden van het Avondmaal, d.w.z. als het ook zeggen zou: Nu goed, ik zal belijdenis doen, dan mag het nog niet gebeuren: de ernst van zijne beterschap moet eerst blijken. Als een kind daarnaar in het geheel niet luistert, niet eens verlangt tot het Avondmaal te komen, maar onhandelbaar is en het met den dag erger wordt, dan zal men met deze vermaning voortgaan tot het 18de, uiterlijk tot het 20ste jaar. En indien het ook dan niet tot het Avondmaal is toegelaten en kerkelijke vermaning niets uitwerkt, zal het formeel worden geëxcommuniceerd, „cum publico totius Ecclesiae luctu excommunicabitur”. Als grond is er het volgende bijgevoegd. In Gods Wet onder Israël staat reeds, dat weerspannige kinderen tot de Overheid moeten gebracht worden om met den dood te worden gestraft (Deut. 21). Hoe zal men dan in Christus’ kerk verdragen die toch den Heere smaadheid aandoen en de kerk en den publieken dienst bespotten en verachten?

Deze regel, geldend hij de eerste institueering van de Geref. kerk te Londen in 1550, heeft daar niet lang in praktijk kunnen bestaan. In 1553 toch werd die gemeente door de komst van Maria op den troon verstrooid en althans tijdelijk verwoest.

Hier te lande is deze quaestie nog niet voortgekomen ten tijde van de bloedige vervolgingen. In de Synodale en Classicale acta van de kruiskerken van 1563 etc. komt omtrent deze quaestie niets voor. In de Nederlanden zelf kwam het onder de bloedige vervolging niet voor, dat iemand, die om belijdenis en Avondmaal niet gaf, uiterlijk tot de kerk gerekend wilde worden. Anders werd dit, toen in 1572 de vrijheid aanbrak. Uit de acte van de Nationale Synode van Dordrecht in 1578, Particuliere Vragen, art. 47, blijkt dit. Uit de kerken zelf werd daar deze quaestie ter Synode gebracht. De vraag werd gesteld: „Of de kinderen die in den ghereformeerden ghemeynten ghedoopt syn tot hare iaren ghecomen synde der Kerckelicke straffe onderworpen sullen wesen, ende soo sy vermaent wesende

|24|

hartneckich blyuen, Ofmense dan afsnyden sal hoewel sy hare ghelooue noch niet beleden ende tot den Auontmael des Heeren hen niet begheuen hebben”.

Het antwoord van à Lasco was: ja zeker, maar niet langer dan tot het 20ste jaar wachten. In den toestand van vrijheid werden echter de omstandigheden anders. Dit bracht moeilijkheden met zich. In Holland en Zeeland bestond uitsluitend eene Gereformeerde kerk. Aldaar was geen exercitie van andere religie. Uit den aard der zaak kwam nu ook de wereld in de kerk. Onder de aanzienlijken waren er wel enkelen buiten de kerk gebleven uit vrees voor de kerkelijke tucht, maar dit was toch betrekkelijk zeldzaam. De Reformatie had plaats onder het schild der Overheid, en zoo gebeurde het, dat er velen in de kerk kwamen, bij wie geen overtuiging werkte. Toen begon het herhaaldelijk voor te komen, dat de kinderen opgroeiden zonder belijdenis te doen. Dit was in strijd met den van ouds aangenomen regel. En het gebeurde soms, dat zulke gedoopten zich misgingen en dat er aanmerkingen gemaakt werden op hunnen levenswandel, wijl zij als leden van de kerk beschouwd werden. Hoe te handelen met dezulken? Het eenvoudigst zou de regel van à Lasco geweest zijn. Maar juist de veranderde toestand der kerk leverde bezwaren op. Men zou dan moeite krijgen met de Overheid, die er zeer op stond, dat de kerken met haar tucht binnen haar eigen muren bleven, bang als zij was, dat de Geref. kerk een tuchtregeling als Rome zou invoeren, waarbij ieder gedoopte onder haar tucht stond. Zoo zouden er ook Statenleden onder de tucht van de kerk komen en de kerk te machtig worden. De Overheid hield er daarom op aan, dat de tucht geoefend werd over degenen, die tot de kerk behoorden, dat de kerkelijk tucht niet gaan kon dan over degenen, „die professie deden van den Geref. religie” (1582, in het antwoord van de Staten op de vraag om approbatie van de kerkenordening van 1581). De Overheid wilde dus tucht alleen over wie zich zelf bij de kerk voegden. Men kon niet tot de kerk behooren zonder zijn wil. Gedoopten hebben geen professie gedaan, dus kon over hen geen tucht gaan.

De Nationale Synode van 1578 antwoordde op bovengenoemde particuliere vraag in art. 47. Dit antwoord munt niet uit door bijzondere duidelijkheid. Het slot is wel duidelijk, en komt hierop neer: zij, die geen belijdenis gedaan hebben en niet tot het Avondmaal zijn toegelaten, kunnen nog niet aan excommunicatie onderworpen en dus ook niet aan kerkelijke tucht, want kerkelijke tucht, die niet tot excommunicatie kan voortgaan, is geen kerkelijke tucht.

De zin van het eerste gedeelte is wellicht dat zij, die alleen gedoopt waren, alleen een algemeen getuigenis van Gods Verbond hadden, maar niet in bijzonderen zin tot de kerk behoorden,

|25|

niet tot het kerkelijk instituut, maar geacht werden door hun terughouden van belijdenis en dies ook door hun terugblijven van het Avondmaal tegen het Verbond Gods te zondigen. Nog niet tot openbaren afval gekomen zijnde, zondigden zij tegen het Verbond Gods. Dit nu kon door belijdenis hersteld.

Dit is inderdaad de practijk geweest, die de kerken al van dien tijd af gevolgd hebben, ook al drukten zij het niet zoo duidelijk uit; en ook al waren zij het zich niet bewust, toch namen zij aan, dat, wie tot volwassen leeftijd gekomen niet tot belijdenis en Avondmaal kwam tegen het Verbond Gods zondigde, waarin hij opgenomen was; dat hij zich daardoor feitelijk aan de geïnstitueerde kerk onttrok. Dezulken beschouwden zij dan ook feitelijk als niet tot de geïnstitueerde kerk behoorende. à Lasco zou gezegd hebben: Spreekt dit dan ook uit door excommunicatie op het 20ste jaar. Dit deed men echter niet. De kerken meenden het zoo te moeten laten, Toch werden zij daardoor niet buiten het Verbond geplaatst, want hun kinderen werden wel gedoopt, met doopgetuigen.

Dit was een practisch antwoord op een practische vraag van de Dordtsche Synode van 1578. Op de theorie, op de beginselen ging men toen niet nader in. Dit geschiedde wel door Voetius, die deze vraag in zijne Politica Ecclesiastica herhaaldelijk behandelt. Bij hem vinden wij bijv. de vraag: Of een gedoopte in de kerk, op volwassen leeftijd niet tot het Heilig Avondmaal toegelaten, nog gerekend moet worden lid van de kerk te zijn. Dl. I pp. 29-31. Antwoord: dat een kind in de kerk gedoopt, als lid van de Kerk te beschouwen is, zij het ook als membrum incompletum, als een nog niet uitgegroeid lid. Dit kan niet van den volwassen leeftijd gezegd en geldt daarom niet van volwassenen. De overwegingen en redenen, die bij een klein kind gelden om het als lid der kerk te erkennen, zijn later op volwassen leeftijd niet voldoende voor erkenning als lid. Uitdrukkelijk zegt hij: kerkelijke tucht kan niet geoefend over volwassenen, die niet door belijdenis en verbintenis tot de kerk behooren. De ecclesia instituta toch berust op wederkeerige verbintenis.

In dezen zin beantwoordt hij de vraag, of die in de kerk in hun kindsheid gedoopt zijn, later objecten van kerkelijke tucht zijn. Twee malen wordt deze vraag in gelijken zin beantwoord. Pol. Eccl. Dl. IV p. 849 seqq. en p. 900 seqq. Op p. 848 seqq wordt over het object van kerkelijke tucht gehandeld.

In ’t begin van de 17de eeuw na Arminius’ dood verscheen er nl. een geschrift van een anoniemen schrijver onder den titel „Theses over de kerk”. In die theses zijn stellingen vervat over kerkelijke regeering, inrichting en tucht. De uitgever zegt, dat hij die uit ’t Latijn vertaald heeft uit een manuscript, bij een vriend gevonden, en van Arminius afkomstig. Doch

|26|

Uytenbogaert toonde het onmogelijke daarvan aan. Ze zijn niet van Arminius. In die theses komt de stelling voor, dat die gedoopt zijn in de kerk later voortdurend objecten van kerkelijke tucht zijn. Voetius is het er niet mee eens. Hij zegt: zij hebben vermaning en waarschuwing noodig, maar deze geldt ook van heidenen en Joden en is geen disciplina. Nooit deden zij zelf belijdenis des geloofs en nimmer zijn zij toegetreden tot de kerkelijke confoederatie. Zij zijn niet toegelaten tot het Avondmaal en kunnen dus niet van het Avondmaal geweerd. Dan zou men de kerkelijke tucht ook moeten uitstrekken tot kinderen, die bijv. zijn ontvoerd of als slaaf verkocht naar een heidensch land en daar heiden zijn geworden. Doch dit is een zwak argument, want zij behooren dan niet meer tot de geïnstitueerde kerk. Zij hebben dan opgehouden tot de kerkelijke confoederatie te behooren.

Over hetzelfde onderwerp wordt ook gehandeld Pol. Eccl. Dl. IV, p. 900. Daar wordt de vraag gesteld: Of al degenen, die in de jeugd gedoopt zijnde, niet onderwezen zijn en geen belijdenis doen, zijn te excommuniceeren als zij volharden in leer en leven?

Antw.: Er zijn sommigen in de kerk, die meenen toestemmend te moeten antwoorden, en wel omdat volgens de 1e doopvraag zulke leden ook leden van de kerk zijn. Uit die vraag wordt dan afgeleid, dat de kerk letten moet op opvoeding van de gedoopte kinderen en dat die kinderen ook onderworpen zijn aan de kerkelijke discipline. Zelf is Voetius van eene andere meening, en hij doet dit uitkomen door aanstonds te laten volgen, dat de Roomsche kerk het ook zoo beschouwt en daarom alle gedoopten in ’t algemeen uit kracht van dien doop eo ipso aan haar discipline onderworpen acht. Door alzoo te verwijzen naar de Roomsche practijk, bestrijdt Voetius dus indirect de meening dergenen, die de gedoopten aan de kerkelijke tucht onderworpen achten.

Intusschen is er in die bestrijding eene kleine logische fout. Geen Gereformeerde heeft ooit beweerd, dat alle gedoopten in ’t algemeen aan de discipline van de geïnstitueerde Geref. kerk onderworpen zijn. Wanneer er door Gereformeerden gezegd werd: ook de gedoopten zijn aan discipline onderworpen, dan werd er gedacht aan gedoopten, die tot de geïnstitueerde Geref. kerk behoorden, niet aan die bij een ander instituut gedoopt waren en tot een ander instituut behoorden. De Gereformeerden maakten hierin onderscheid; de Roomsche kerk niet, want die erkent geen andere kerkelijke instituten. De Roomsche kerk stelt: alle gedoopten zijn in de Roomsche kerk gedoopt, want er is geen ander instituut. Ook de gedoopten in de Geref. kerk gelden voor Rome als in de Roomsche kerk gedoopt. Op deze grond werden vervolgd al degenen, die in leer en leven van de Roomsche kerk afweken, werden zij voor een kettergericht gebracht, ook al verklaarden zij van dit instituut niet te willen

|27|

weten. Dit gaat zeker niet aan. Daartegen is Voetius’ verzet zeer rechtmatig. Maar door dit onjuist te noemen is nog niet bewezen, dat ook diegenen, die de discipline uitstrekken tot allen die in het instituut zijn, ongelijk hebben; is nog niet bewezen, dat een Gereformeerde ongelijk heeft, als hij zegt: de kerkelijke discipline gaat wel niet over hen die buiten het instituut zijn, maar wel over hen, die binnen het instituut gedoopt zijn. De argumentatie van Voetius, ontleend aan de practijk van de Roomsche kerk, gaat dus niet door met betrekking tot de Gereformeerden.

In zijn antwoord op bovengenoemde vraag laat hij volgen: bij de membra ecclesiae is tusschen twee soorten te onderscheiden, incompleta et completa, nog onvolkomen, onuitgegroeide en volwassen leden. En hierin ligt de positieve kracht van zijn betoog. Membra incompleta zijn de infantes baptizati, de gedoopte kinderen: membra completa, qui per editam Confessionem etc. ad completam Communionem suscipiuntur, die na belijdenis tot volle gemeenschap zijn toegelaten. Dit is juist, maar hiermede is de vraag nog niet beantwoord, want de quaestie gaat niet over die gedoopte kinderen, zoolang zij membra incompleta zijn, maar over dezelfde kinderen, wanneer zij volwassen zijn, 20, 30, 40 en 50 jaren oud. Dan kunnen zij niet meer gerangschikt onder de membra incompleta, die uit kracht van hunnen leeftijd nog niet tot de volle gemeenschap kunnen komen. Toch ligt er meer in het antwoord dan men wel denkt. Er blijkt uit, en dit is de hoofdzaak, dat Voetius als leden van de kerk mar twee soorten erkent, membra completa, en membra incompleta. De laatste zijn en kunnen alleen zijn incompleta doordat hun leeftijd meebrengt, dat zij nog niet tot geloofsbelijdenis gekomen zijn. Voetius kent niet een derde soort leden, die noch incompleta zijn (omdat zij geen kinderen meer zijn), noch completa (omdat zij nog geen belijdenis deden).

In zooverre komt hij overeen met à Lasco en het gebruik van de eerste Geref. kerk te Londen, die ook zulk een derde soort van leden ondenkbaar hielden. Een volwassen kind, niet tot belijdenis gekomen, moest volgens hen geëxcommuniceerd worden. Beiden, Voetius en à Lasco, zijn van oordeel, dat zulke membra incompleta in de kerk niet thuis hooren. à Lasco wilde dit dan ook uitspreken door excommunicatie. Voetius wilde hen practisch zoo beschouwen, als niet tot de kerk behoorende. Zooals ook de Dordtsche Synode van 1578 in haar duistere terminologie schijnt bedoeld te hebben en feitelijk de practijk onzer kerken geweest is.

Al van de 16de eeuw af is hier te lande niet de practijk gevolgd, dat men gedoopten, die tot het instituut behoorende, geen belijdenis deden, excommuniceerde. Formeel deed men dit niet; feitelijk wel, door hen niet meer als leden der kerk te

|28|

beschouwen, zonder dit uitdrukkelijk uit te spreken. En juist daarom kon dan ook met betrekking tot deze quaestie in de 17de en 18de eeuw theoretisch met volle recht gezegd worden: ook de gedoopten zijn objecten van kerkelijke tucht. Zoo werd het bijv. uitgesproken door à Marck en verder ontwikkeld door De Moor in zijn commentaar op à Marck Dl. VI p. 414. Objecten van kerkelijke tucht zijn diegenen, die in de kerk zijn ingeplant, ecclesiae insiti, hetzij door den Doop alleen of ook door toelating tot en deelneming aan het Heilig Avondmaal.

Zooals uit de geschiedenis van de behandeling blijkt, moet met betrekking tot deze quaestie zeer zeker onderscheiden tussen de tweeërlei soort van menschen, die alleen door Doop tot de geïnstitueerde kerk behooren. Men kan hen niet allen over één kam scheren. Zij zijn òf onmondige kinderkens, òf volwassenen, mondigen, en tusschen die twee is een groot onderscheid. Bij de kinderkens ligt het in den aard der zaak, dat zij nog niet door eigen belijdenis en stipulatie tot de kerk behooren, want hun leeftijd verhindert dit ten eenenmale. Een pasgeboren kind kan geen belijdenis doen. Dit ligt in Gods scheppingsordinantie. Toch behooren zij tot de kerk en zijn zij niet uit te sluiten. Zij zijn geen Heidenkinderen, maar kinderen des Verbonds. In zekeren zin is te zeggen, dat zij ook door stipulatie tot de kerk behooren, n.l. voor zoover een klein kind kan stipuleeren. Dit grijpt ook in het burgerlijke plaats. Want daarin worden stipulaties aangegaan door minderjarige kinderen hij monde van hun voogd. Zelf daartoe onmondig spreken zij door een anderen mond. Ook in het kerkelijke worden er stipulaties aangegaan door ouders en voogden van onmondige kinderen. Die kinderen zijn dus zeer zeker leden van de geïnstitueerde kerk, volgens Voetius membra incompleta krachtens leeftijd, onvolwassenen, nog niet uitgegroeid.

Juist omdat zij leden van de kerk zijn, zijn zij ook objecten van kerkelijke discipline, want die gaat over alle leden. Alleen, bij incomplete leden kan die discipline slechts incompleet zijn. Discipline moet altijd in overeenstemming zijn met de condities van het lid, dat object van discipline is. Zij kunnen niet van het Avondmaal uitgesloten, want zij zijn niet toegelaten tot het Avondmaal. Tucht hij incomplete leden kan niet zijn een uitzetten uit de volle gemeenschap, want zij zijn niet in de volle gemeenschap.

Bij hen is de tucht incompleet, voor zoover de tucht op incomplete leden toepasselijk is, n.l. door vermaning, berisping, bestraffing, waarschuwing. Zoo begint alle tucht. Dus tucht naarmate van hun vatbaarheid. Dit staat bij allen vast. Maar komen die membra incompleta nu wel op den leeftijd, dat hun kinderlijke toestand geen bezwaar meer oplevert om belijdenis

|29|

te doen, dan vervallen alle gronden, waarop men die incompleetheid in Gods ordinantiën gegrond kan achten. Komen de membra incompleta tot mondigen leeftijd, dan mogen zij niet incompleta blijven, behooren zij belijdenis te doen en tot het Avondmaal toe te treden. Doen zij dat niet, dan zijn zij feitelijk ongehoorzaam aan den wil des Heeren, die van zijne gemeente belijdenis en Avondmaalsviering verlangt. Christus zelf wijst er op, dat wij Hem belijden zullen voor de menschen, en de Apostel Paulus, dat wij den dood des Heeren zullen verkondigen. Dat zijn bepaalde voorschriften van den Koning der kerk zelf. Zulke leden kunnen dan qua tales niet meer de positie innemen, die zij als kinderen hadden, en moeten uit een ander oogpunt beschouwd. Op hen is niet meer van toepassing, wat van toepassing is op jonge kinderen. Hieruit volgt, dat, blijven zij weigeren, zij ook niet langer tot de kerk kunnen gerekend worden, en òf geëxcommuniceerd moeten worden òf door de kerk verklaard zich zelven aan de kerk te hebben onttrokken.

Intusschen is dit in Voetius’ tijd niet geschied en ook in onzen tijd al sinds lang niet. Want hierop werd ingewerkt door de Baptistische begrippen met betrekking tot den Doop en Methodistische begrippen niet betrekking tot de Avondmaalsviering. En zoo is het er toe gekomen, dat men langzamerhand zelfs in de Geref. kerk zich er bij neergelegd heeft, dat een groot aantal volwassenen zich aan belijdenis en Avondmaal onttrok. Langzamerhand heeft men zelfs voor zulk soort leden eene zekere kerkelijke positie willen scheppen. Zeer oneigenlijk spreekt men dan van doopleden van 30, 40, 50, 60 jaren oud, die dan toch voortdurend als leden van de geïnstitueerde kerk erkend bleven. Soms legde men een apart boek voor hen aan. Men handelde over hun rechten, en of zij meestemmen konden voor de verkiezing van Ouderlingen en Diakenen, of voor benoeming van kerkelijke administrateurs, of zij zelf daartoe benoembaar waren etc. Ook een apart soort van attestatie werd voor hen ingevoerd. De strekking van dit alles is dan naast de twee soorten van leden, die er alleen kunnen zijn, een derde soort in ’t leven te roepen, die niet incompleet zijn en ook niet compleet maar toch als leden gerekend worden onder den naam van „doopleden”.

Doopleden zijn feitelijk alle leden. Doch als betaalde term kan het desnoods van kleine gebruikt, maar nooit van volwassen menschen. De naam dooplid van een volwassen mensch gezegd, beteekent eigenlijk: een lid der kerk, dat voortdurend aan God ongehoorzaam is, zich verzet tegen zijne ordinantiën door geen belijdenis te doen en Avondmaal te vieren. Men zou hen kunnen noemen: ongehoorzame, misvormde, mislukt, verkeerd gegroeide leden. Maar „doopleden” klinkt mooier. Hierin ligt het gevaar. Ging dit door, dan zou er voor

|30|

hen eene kerkelijke positie zijn geschapen, dan is officieel vanwege de kerk hun positie geijkt. Dan zou de kerk ten slotte zeggen: dit kan zoo wel. Maar dit is niets anders dan een officieel terzijde stellen van de Schrift, die wil, dat de leden der kerk belijdenis doen en ten Avondmaal komen. Dan zou de kerkelijke tucht op doopleden toepasselijk zijn, niet bij afwijking van de leer, want zij hebben geen leer, maar alleen bij afwijking in het leven (dronkenschap, ontucht, overspel etc.). En zoo zou officieel de kerkelijke tucht de belijdenis voor onverschillig verklaren en hoofdzakelijk op het leven neerkomen en zich bezig honden met wat ook in het oog der wereld ergerlijk en bij de wereld verwerpelijk is. Zoo zou de Rationalistische opvatting van de kerkelijke tucht bevorderd worden, en geringschatting van het Avondmaal daarvan een gevolg zijn. Eenen ongeregelden toestand te reglementeeren is echter een onbegonnen werk. Die in ongeregelden toestand verkeeren kan men geen geregelde positie geven. Wanorde is niet te regelen en het onregelmatige kan niet als regelmatig erkend. Van al dit streven moet dan ook afgezien worden, en erkend met beide stroomingen in ons land, dat zij òf, als à Lasco wilde, door excommunicatie moeten verwijderd, òf, gelijk Voetius wilde, feitelijk moeten beschouwd als niet meer tot de kerk behoorend.

Nu kan er wel verschil rijzen over de vraag, of dit door formeele excommunicatie of door eene verklaring der kerk moet geschieden; maar geschieden moet het in elk geval. Ook kan er verschil zijn over den leeftijd waarop, of wat er aan voorafgaan moet, hoe er vermaand worden moet, maar het beginsel moet gehandhaafd. Toch brengt dit moeilijkheden mede. Hun getal kan in groote gemeenten groot zijn, en persoonlijk vermaan en waarschuwing veel tijd kosten. Doch nooit mag voor moeilijkheden in de practijk het beginsel prijsgegeven. Daarom moet daaraan vastgehouden. De tucht gaat over alle leden. Onderscheid is te maken naar gelang van het motief, waarom geen belijdenis wordt afgelegd. Leden, die ongehoorzaam zijn, moeten gestraft. Maar ook kunnen gemoedsbezwaren tegen het doen van belijdenis bestaan, die door voorlichting zijn weg te nemen; hetgeen weer afhangt van personen en omstandigheden.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 72

Art. 72 1).

Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der Leer, of vromigheid des wandels zondigt: zooverre als het heimelijk is, en


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, doch veranderde in de schrijfwijze: „leer of”, „Matth. 18”.

|31|

geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welken Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

 

„Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der Leer, of vromigheid des wandels zondigt”.

In het begin van art. 72 wordt dus met een enkel woord aangegeven, om welke redenen de kerkelijke tucht is uit te oefenen en toe te passen, nl. om redenen van afwijking in leer of leven, zoodat iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt.

Dit komt ook geheel overeen met wat te dien aanzien in de Confessie en in den Catechismus gezegd wordt.

In de Confessie komt geen opzettelijk artikel over de tucht voor, maar toch wordt er herhaaldelijk over gesproken. Zoo in de artikelen 29, 30 en 32, in welk laatste artikel „Van de orde en discipline of tucht der Kerk”, bepaaldelijk over de discipline gehandeld wordt en als regel voor alle tucht gesteld wordt, dat zij moet geschieden naar Gods Woord.

De Catechismus handelt hierover in vraag 82, waar sprake is van tucht over diegenen, „die zich met hunne belijdenis en hun leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen”. Hier wordt dus gesproken over afwijking in leer en leven. Evenzoo in vr. 84: „Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten”?, waar gezegd wordt, wie aan de tucht door het Woord zijn onderworpen; en verder in vr. 85: „Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Christelijken ban”? Hier wordt eveneens als reden opgegeven „onchristelijke leer of leven”. Al te maal verscheiden uitdrukkingen, die wat den zin betreft op hetzelfde neerkomen.

Evenzoo in de kerkenordening, waar de uitdrukkingen wel nu en dan verschillen, maar wat den zin betreft overeenkomen.

In de Wezelsche artikelen van 1568 wordt in Hoofdstuk VIII over de tucht gesproken en als reden, waarom zij toepasselijk is, wordt in art. 7 genoemd: het verspreiden, heimelijk of openbaar, van „vreemde leerstellingen en ketterijen”. Daarna wordt in art. 9 vgg. gesproken over het vermanen valt degenen, die afwijken van den regel van Gods Woord.

Toen in 1571 door de Synode te Emden de eerste redactie van de kerkenordening gemaakt werd, luidde de uitdrukking in art. 26 van de Acta dier Synode: „Daerom indien yemant in der reynigheyt der leer ghedwaelt, ofte in de oprechticheyt des levens ghesondicht sal hebben”, hetgeen precies hetzelfde aanduidt als de tegenwoordige uitdrukking: zondigen tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels. Trouwens op

|32|

dat punt is eigenlijk van den aanvang af de Christelijke kerk vrij eenstemmig geweest. Zeer zeker waren er in den loop der tijden nog wel geschillen over de vraag, wat als afwijking te beschouwen was; en hoever de afwijking gaan moest om plaats te geven aan tucht; en zijn er wel eens zulke bepalingen gemaakt, dat de tucht de afwijking in de leer bevorderde en de vromigheid des wandels in den weg stond, maar in theorie werd wel steeds vastgehouden aan den regel, dat tucht de afwijking in leer en leven betrof.

Dit komt geheel overeen met de leer der Schrift, waar in de Apostolische Brieven voortdurend tegen de afwijking in leer en leven gewaarschuwd wordt, en opgewekt wordt deze niet te laten voortgaan, maar te bestraffen en de afwijkers te vermanen. Dit spreekt zoo duidelijk, dat het niet ontkend wordt.

Toch heeft men gemeend eenige teksten te kunnen aanvoeren, op grond waarvan dan geen kerkelijke tucht zou zijn toe te passen, omdat men het aan den loop van de zaak zelve overlaten moet. Van Erastiaansche zijde werd bijv. gezegd: afwijking in leer en leven is verkeerd, maar men moet de tucht overlaten aan de critiek der zaak zelve en aan de consciëntie. En daarvoor beroept men zich op teksten, die veeleer het tegendeel leeren.

1º. Op Philipp. 1: 15, waar Paulus zegt, dat in Rome sommigen Christus verkondigen „door nijd en twist”, en dan „niet zuiverlijk”. En met betrekking tot dezen zegt Paulus, dat hij zich toch daarover verblijdt, omdat in ieder geval toch Christus verkondigd wordt. Sommige leiden hieruit af, dat volgens Paulus’ leer eene onzuivere prediking niet moet tegengestaan worden, indien maar Christus verkondigd wordt, en dat men zelfs zich daarover verblijden moet. De fout ligt hierin, dat het „niet zuiverlijk” uit vs. 16 gansch verkeerd wordt opgevat. Men verstaat dit dan zoo, dat de prediking van Christus, wat den inhoud betreft, niet zuiver, maar met ketterijen vermengd was. Was dit zoo, dan zou zijn woord kunnen gebruikt worden tegen de aanwending van de kerkelijke tucht. Doch dit staat er niet. „Niet zuiver”, ziet niet op den inhoud van de prediking, maar op de bedoeling van den prediker, zooals duidelijk uit het verband blijkt. Van die menschen, die prediken, wordt geen ketterij vermeld. Integendeel, Christus wordt verkondigd door hen, maar zij doen dit in nijd en twist, meenende aan Paulus’ banden verdrukking toe te brengen. Hun bedoeling is niet zuiver. Zij treden op als persoonlijke tegenstanders van Paulus. Zij willen hem afbreuk doen. Hun doel is om de menschen van Paulus af te trekken en hen naar zichzelf toe te trekken. Maar toch prediken zij Christus, en daarin verblijdt Paulus zich. Dat woord van Philipp. 1 kan zeer goed gebruikt worden tegen dezulken, die geen h.i. onbekeerden prediker willen hooren en zeggen,

|33|

dat een prediker bekeerd moet zijn, omdat hij zelf meenen moet, wat hij zegt. Hiertegen geldt, dat, als de prediking maar zuiver is, Gods Woord toch tot de menschen komt. Maar God zal den prediker oordeelen. Paulus zegt toch niet, dat zulke predikers niet zondigen. Ja, zij zullen hun oordeel niet ontvlieden; doch prediken zij zuiver, dan moet men zich daarom verblijden. In Philipp. 1 is geen grond om zich te verblijden in eene onzuivere prediking, als de inhoud onzuiver is, maar wel als Christus maar zuiver verkondigd wordt, ook al is de persoon van den prediker verwerpelijk. Alle hoorders hebben belang bij den inhoud; de persoon van den prediker geldt in de allereerste plaats den prediker zelven. In Gal. 1: 8 zegt Paulus: „Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgene wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt”. Daarom kan Paulus hier niet onverschillig tegenover den inhoud der prediking zijn.

2º. De tweede plaats, waarop men zich beroept, is 1 Cor. 3: 9-16, waar sprake is van het gebouw, waaraan door Paulus en de andere Apostelen gearbeid wordt. Vooral vs. 12 is dan van belang. „En indien iemand op dit fundament bouwt, goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen”. Die woorden worden door velen opgevat alsof Paulus daar de Christelijke leer vergelijkt met een gebouw en de leerstukken met de steenen, en dan zegt, dat aan dat gebouw van de Christelijke leer gearbeid wordt door aangenomen bouwlieden en dat deze nu bouwstof aanbrengen van verschillende qualiteit: goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen. Goud, zilver en kostelijke steenen zijn dan de zuivere bestanddeelen van de leer; hout, hooi, stoppelen de onzuivere, de ketterijen, die niet zullen blijven, want ieders werk zal door vuur beproefd worden. Men redeneerde nu aldus: Wanneer iemand in de leer afwijkt en ketterijen verkondigt, als het hem er maar om te doen geweest is het Godsgebouw op te trekken, d.i. de zuivere leer in haar verband te brengen, dan zal zulks niet hinderen. Zijne goede bedoeling maakt, dat hij behouden blijft. Die dus met goede bedoelingen kettersche leeringen leert, doet geen strafbaar kwaad, moet niet worden vervolgd. (Deze tekst was vroeger eene geliefde intredetekst voor moderne predikanten. De menschen moesten niet opschrikken van ketterijen De toekomst zou het wel beproeven).

Deze uitlegging wordt ook bij enkele kerkvaders en ook bij Calvijn gevonden, natuurlijk niet met deze toepassing. Tijdens de Hervorming werd tegenover Rome het leerstelsel als „het gebouw” beschouwd. Rome meende, dat in dezen tekst de leer van het vagevuur voorkwam, waaruit ongeschonden voortkomt wat recht bestand heeft. De Hervormers zeiden, zooals van zelf spreekt, dat hier van vagevuur geen sprake is, want hier is

|34|

sprake van een vuur, niet dat loutert; maar dat verteert. Het verteert uit de gemeente alles wat geen rechte bouwstof is. Uit oppositie en antithese tegenover Rome kwamen de Hervormers er toe te beweren, dat hier geen sprake was van de gemeente, maar van leerstukken. Dit is onjuist. Zeer zeker is hier sprake van de gemeente. Dat het niet anders kan opgevat, is op verschillende gronden overvloedig aan te toonen.

1. In de Heilige Schrift wordt de leer nooit bij een gebouw vergeleken. Dit is eene philosophische gedachte van latere eeuwen. Wel komt het beeld van gebouw in de Heilige Schrift veelvuldig voor, maar algemeen in den zin van gemeente. De gemeene is de tempel Gods: zie vs. 16.

2. Hier wordt uitdrukkelijk gezegd, dat dit gebouw opgetrokken is op het fundament Jezus Christus, niet op zijne leer, maar op zijnen Persoon. Het zou eene onjuiste beeldspraak zijn, als het fundament een persoon was en de bouwstoffen leerstukken.

In zeer duidelijke woorden wordt door den Apostel èn aan het begin èn aan het eind van de beeldspraak gezegd wat hij meent: „Gods gebouw zijt gij” (vs. 9). „Weet gij niet, dat gij Gods tempel zijt?” (vs. 16). Van deze gemeente wordt gezegd, dat zij op Christus gebouwd is. Die voor de gemeente werkt, voegt er bouwstof aan toe. Menschelijke toevoegsels worden dus in de gemeente opgenomen en die menschelijke toevoegsels zijn van verschillend gehalte en onderscheiden qualiteit. Omdat menschen nu het hart niet kunnen heoordeelen, zal de gemeente aan de vuurproef worden onderworpen. De Heere zal zelf uitscheiden, wat geen vastigheid heeft. En dit zal niet zijn tot verderf van de personen, die het hebben toegevoegd. Wel zal iemand, zoo zijn werk verbrand zal worden, schade lijden, n.l. voor zoover hij zijn werk niet bekroond ziet. Omdat men over het inwendige van de menschen niet kon oordeelen, zal men toch zien, dat het werk van die personen geen vruchten afwierp.

 

Reden voor kerkelijke tucht is afwijking, wat betreft zuiverheid van leer en vromigheid van wandel.

De nadere definitie en toepassing, met betrekking tot wie, is in de volgende artikelen aan de orde. Hier in art. 72 wordt de regel en het motief van kerkelijke tucht in ’t algemeen aangegeven. In art. 72 is evenals in de daarbij behoorende artikelen 73 en 74 hoofdzaak, dat bepaald wordt, om niet alle afwijking in leer en leven aanstonds als motief van kerkelijke tucht te achten, maar dat integendeel „zooverre als het heimelijk is en geene openbare ergernis gegeven heeft” zulke afwijking nog niet oorzaak voor kerkelijke behandeling zal zijn. Hierin moet dan gehandeld worden naar den regel van Matth. 18, door den Heere gesteld met betrekking tot vergrijpen van den eenen broeder tegen

|35|

den anderen. De regel, die bij persoonlijke beleediging geldt, is terecht toepasselijk geacht ook bij de behandeling van kerkelijke zaken. Bij heimelijke afwijking moet men eerst, persoonlijk en alleen, den afwijkende vermanen en bestraffen, en als dit niet helpt in tegenwoordigheid van een of twee der broederen.

Deze regel stond van den aanvang af in de kerkenordening.

Men vindt ditzelfde beginsel reeds uitgesproken in de Wezelsche artikelen van 1568, waar gedurig in hoofdstuk VIII over de tucht er op gewezen wordt, dat voor kerkelijke behandeling in aanmerking komen zulke afwijkingen, die publiek zijn en niet kunnen geduld worden. In de acta van de Synode van Emden van 1571 komt in artt. 26 en 28 nagenoeg woordelijk hetzelfde voor. Dit is van te meer belang, daar bij eerste redactie van de K.O. van 1571 juist de nu nog geldende redactie is vastgesteld.

Over het algemeen is met betrekking tot de tucht in de kerkenordening het minst veranderd. De beginselen van 1571 zijn door alle volgende Nationale Synoden niet alleen gehandhaafd wat den inhoud aangaat, maar bijna woordelijk. Die bepalingen worden gevonden in de Acta van de Synode van Dordrecht in 1578, Artt. 93-95; van de Synode van Middelburg in 1581, Artt. 59-61; van de Synode van ’s Gravenhage in 1586, Artt. 65-67. Dit is niet zoo vreemd, want het beginsel, belichaamd in artt. 72-74 om heimelijke zonden eerst particulier te behandelen, is door de Reformatie zelf door hare leering der gemeente ingescherpt. Wij vinden dit bij alle Hervormers, en zeer duidelijk bij hen, die op de organiseering der Gereformeerde kerken den meesten invloed hebben uitgeoefend, nl. bij à Lasco en Calvijn.

Calvijn, Institutio Lib. IV, Cap. 12. § 2 seqq., vangt aan met dit opmerkelijk begin: „Primum disciplinae fundamentum est, vt. priuatae monitiones locum habeant”, etc. Die particuliere vermaning bestaat in twee deelen: 1º. dat wie afwijkt, toelaat, dat hij vermaand wordt, de vermaning aanneemt; 2º. dat men dengenen die afwijkt zelf vermaant. Alle kerkelijke tucht berust volgens Calvijn op de particuliere vermaning van de geloovigen onder elkander. (Vele menschen zijn wel niet geneigd van een ander eene vermaning aan te nemen, maar dit hoort er toch ook bij). Verder zegt Calvijn, dat de Dienaren des Woords en de Ouderlingen tot private vermaning geroepen zijn, dan, hoe alle broeders daartoe geroepen zijn.

Ditzelfde beginsel is nog veel uitvoeriger door à Lasco behandeld in zijne Forma ac Ratio en door Micron in zijne Hollandsche bewerking daarvan, waardoor het bij alle Nederlandsche Gereformeerde kerken zooveel ingang vond. In zijne Forma ac Ratio, p. 170 seqq. zegt à Lasco, dat de kerkelijke

|36|

tucht op uitspraken van Gods Woord berust. Verder handelt hij er over op p. 173. Ook hier vinden wij uitgesproken, dat kerkelijke tucht twee dingen betreft: niet alleen vermaning doen aan anderen, maar ook zelf vermaning aannemen. Evenzeer zondigen die de vermaning van een broeder niet willen aannemen,als zij, die nalatig zijn in het geven van vermaningen aan anderen. Deze twee behooren hij elkander. Daarin bestaat de tucht. Ditzelfde vinden wij ook op p. 175, waar sprake is van vermaning en opwekking. Op p. 178 wordt er op aangedrongen, dat de Nederlandsche gemeente in Londen zulke tucht invoere, en dat men om dit te kunnen doen de private vermaning zal laten plaats hebben als grond voor publieke tucht.

Door Calvijn en à Lasco saam is dit beginsel aan de Gereformeerde kerken ingeprent. En dit is inderdaad een gewichtig beginsel, waar zij veel meer inlegden dan men oppervlakkig wel zeggen zou. Inachtneming van dit beginsel geeft goede kerkelijke tucht, en verzuim ervan maakt alle kerkelijke tucht zeer moeilijk en tamelijk wel onmogelijk. Het is noodig, dat het beginsel gevolgd worde niet alleen met ’t oog op de personen, die afwijken, maar ook, opdat de kerkelijke tucht wortel hebbe in de gemeente en niet alleen eene handeling zij van kerkelijke ambtsdragers. Daarbij komt, dat kerkelijke tucht alleen samen met de gemeente kan worden gehandhaafd, en dat, waar de actie der gemeente ontbreekt, de zenuw der kerkelijke tucht wordt afgesneden.

Ditzelfde beginsel, dat het fundament van de kerkelijke tucht gelegen is in private vermaning en waarschuwing tusschen de gemeenteleden onderling, wordt in de K.O. in de artt. 72-74 uitgesproken; en wel met verwijzing naar Matth. 18, om eraan te herinneren, dat bij heimelijke afwijking of als het geen openbare ergernis gaf, eerst de private vermaning moet plaats hebben, eerst door één, dan voor twee of drie getuigen. Baat dit niet, dan moet de afwijking voor den kerkeraad gebracht. Zoo er berouw getoond wordt, niet. Hiermede komen wij aan Art. 73.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 73

Art. 73 1).

De heimelijke zonden, waarvan de zondaar bij een, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden.

 

De roeping, die in dit artikel aan de gemeenteleden voorgehouden wordt, is voorzeker geen gemakkelijke roeping. Voor gemeenteleden is het oneindig gemakkelijker het opzicht over


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, doch veranderde in de schrijfwijze „bij een” in „door één”.

|37|

de gemeente aan de Dienaren des Woords en de Opzieners der gemeente over te laten en zich zelf er buiten te houden; of, indien zij iets tegen iemand weten, dat bij de Opzieners aan te geven. Toch is het dringend noodig dit beginsel der kerkelijke tucht aan de gemeente in te scherpen, omdat daarin alleen voor alle kerkelijke tucht het fundament bestaat. Zonder die private vermaning en waarschuwing heeft de kerkelijke tucht geen wortel in de gemeente en kan ze onmogelijk goed werken. Waar de noodzakelijkheid hiervan niet ingezien wordt, wordt de tucht beschouwd als iets, dat van buiten af aan de gemeente wordt opgelegd, terwijl juist de tucht van binnen uit de gemeente moet opgroeien, opkomen en werken, en uitdrijven al wat met het wezen van kerkelijke tucht in strijd is. Van buiten opgelegd laan zij nooit goed werken. Waar private vermaning en waarschuwing niet plaats hebben, verslapt van zelf ook de ijver bij de Opzieners der gemeente.

Het verval van de tucht, dat reeds van het begin van de 17de eeuw dateert, ís zeker voor een goed deel daaraan toe te schrijven, dat bij de leden der gemeente dit beginsel der kerkenordening verzwakte. Toen dit beginsel verzuimd werd en de kerkelijke tucht aan de Opzieners werd overgelaten, kwam de tucht in verval, want de Opzieners konden niet opzicht houden zooals vereischt werd. Zij konden niet doen, wat de gemeente doen moest. Zoo werd de tucht gebrekkig; de consciëntie van de gemeente sprak niet meer; de gemeente onderging eer de tucht, dan dat zij meeleefde en meewerkte, waardoor de tucht van haar kracht beroofd werd.

Kerkelijke tucht moet in haar eerste stadium door de gemeenteleden worden uitgeoefend. Waar dit verzuimd wordt, mag de gemeente niet klagen, dat de Opzieners hunne roeping niet vervullen. Komt er bij de Opzieners eene klacht van een gemeentelid, dan hebben de Opzieners te vragen, of het gemeentelid, dat zulk een klacht inbrengt bij den kerkeraad, eerst naar Gods Woord, naar Matth. 18 gehandeld heeft. Zoo niet, dan moet zulk een lid bestraft, omdat hij zijne roeping verwaarloosd heeft. De kerkeraad of Opzieners zijn met betrekking tot de kerk niet eene soort van censoren of rechters, van buiten af aan de gemeente opgelegd, om alles in goede orde te houden, maar zij zijn organen van de gemeente om de tucht, die de gemeente moet uitoefenen, toe te passen, voor zoover de gemeente zelf dit niet doen kan. De eigenlijke tucht hoort bij de gemeente thuis.

In dit artikel van de K.O. ligt nog meer met betrekking tot de kerkelijke tucht, n.l. dit gewichtig beginsel, dat kerkelijke tucht is toe te passen niet om of vanwege afwijking in leer en leven op zichzelve, maar alleen om de hardnekkigheid, waarmede zodanige afwijking wordt volgehouden.

|38|

Daardoor is de kerkelijke tucht ook geheel onderscheiden van burgerlijke straf. Burgerlijke straf wordt opgelegd en uitgeoefend ook al heeft iemand nog zooveel berouw. Berouw kan wel als verzachtende omstandigheid gelden, evenals hardnekkigheid tot verzwaring der straf kan werken; maar diefstal en moord bijv. worden toch in alle gevallen gestraft. Kerkelijke tucht nu is geen burgerlijke straf. Zij wordt niet opgelegd om of vanwege eene zonde op zichzelf, maar alleen vanwege de hardnekkigheid, waarmede iemand bij de afwijking blijft, zooals uit den inhoud van het volgend artikel 74 blijkt.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 74

Art. 74 1).

Zoo iemand van eene heimelijke zonde van twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zonde bedreven heeft, zal zulks den Kerkeraad aangeven worden.

 

Eene afwijking, waarover berouw getoond is, mag niet voor den kerkeraad gebracht worden. Wel moet zulks geschieden, wanneer er hardnekkigheid bestaat en men zijne afwijking niet wil erkennen, zoodat er geen verbetering voor de toekomst beloofd wordt. Ook de leer der H. Schrift is, dat de zonden op zich zelf iemand niet rampzalig maken, maar wel het weigeren in Christus te gelooven. De Schrift leert, dat er voor iedere zonde vergeving is in het bloed van Christus. Zoo ook bestaat er op kerkelijk gebied vergeving voor afwijking in leer en leren voor wie waarlijk met berouw tot den Heere terugkeert. Dan moet men stellen, dat de afwijking door den Heere vergeven is. Waar de Koning der kerk vergeven heeft, daar mogen menschen als dienaren van dien Koning de zonden niet toerekenen en tucht toepassen of censureeren.

Eigenlijk zou dan ook kerkelijke tucht niet mogen toegepast worden, wanneer iemand, die gezondigd had, verklaarde: „ik heb berouw”. Toch is soms afhouding van het Avondmaal noodzakelijk, omdat in sommige gevallen het enkele zeggen: „ik heb berouw”, nog geen genoegzamen waarborg geeft. Soms kan de afwijking van dien aard zijn, dat men van het berouw iets zien moet in het leven en dat het uitblijven van de tucht tot bespotting zou worden. Bijv. dronken menschen verklaren in hun nuchterheid altijd berouw te hebben. Zulken nu moeten


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, en bracht in de schrijfwijze de volgende veranderingen aan: „iemand”; „door twee”.

|39|

een proeftijd hebben, opdat niet om hunnentwil de naam des Heeren gelasterd worde.

Ook kan afhouding van het Avondmaal plaats hebben wegens gegeven ergernis. Doch dit geschiedt dan altijd behoudens den regel, dat kerkelijke censuur alleen bij hardnekkigheid toegepast wordt. In deze gevallen daarentegen wordt zij alleen toegepast, omdat berouw en betering des levens genoegzaam hebben moeten blijken, door, zooals men het vaak uitdrukte, de gegeven ergernis genoegzaam weg te nemen.

Nog een ander gewichtig beginsel met betrekking tot de kerkelijke tucht komt hierbij ter sprake, n.l. dat alle kerkelijke tucht eigenlijk door de gemeente zelf wordt toegepast.

Het is hiermee als met alle kerkelijke macht in ’t algemeen. De potestas ecclesiastica is door den Heere gegeven aan de gemeente, ook de potestas ecclesiastica met betrekking tot de kerkelijke tucht. Zoo staat het ook duidelijk in Matth. 18: „Zeg het der gemeente”, en niet aan eenige hoofden daarvan. In 1 Cor. 5 wordt bepaald de gemeente in het meervoud aangesproken, omdat door haar de tucht moet worden toegepast. Dit is daarom niet Independentistisch op te vatten of ook Anabaptistisch, in den zin namelijk, dat de heele gemeente niet alleen de tucht heeft toe te passen, maar dat ook zelve bij stemming heeft te doen, of met andere woorden, dat niet alleen de toepassing der tucht aan de gemeente gegeven is, maar ook de uitoefening daarvan. Zoo toch hebben de Anabaptisten en later de Independenten het opgevat. Zoo is het opgevat in Frankrijk door Jean Morelli in zijn strijd, dien hij met de kerk voerde, en eveneens openbaar geworden in den Brownischtischen strijd met Gereformeerden in het begin van de 17de, eeuw, waarvan de voornaamste punten behandeld zijn in Voetius’ Politica Ecclesiastica. Want die stelden, dat ook de uitoefening van de kerkelijke macht door de gemeente geschieden moest, dat de geheele gemeente voor iedere quaestie van tucht moest saamgeroepen, dat haar de zaak moest voorgesteld, opdat zij bij stemming daarover uitspraak zouden doen. Maar zoo hebben de Gereformeerden het niet opgevat, want deze hebben wel degelijk beide erkend: 1º. dat de kerkelijke macht, ook die voor tuchtoefening, bij de gemeente gelegen is; maar 2º. erkenden zij ook, dat de kerkeraad het orgaan voor die tuchtoefening is. Zij stelden de verhouding van den kerkeraad tot de gemeente als die van de organen tot het lichaam. De macht om te loopen, te zien etc. is aan het lichaam gegeven, maar voor iedere functie bestaan er organen. Niet de voet is het orgaan, dat zien moet! Zoo ook zijn de Opzieners de organen, door welke de gemeente handelt. Aldus de Confessie in de artt. 30 en 31, en de H. Catechismus in antw. 85. In Hand. 20: 28, 31 worden de Opzieners genoemd als degenen, die door God geroepen zijn om toezicht te houden.

|40|

Naar Gereformeerde beschouwing is de kerkeraad het orgaan, door hetwelk de tucht moet uitgeoefend worden. Dit wordt geleerd op de volgende gronden:

1º. Op grond van de namen, die in de H. Schrift aan de Opzieners gegeven worden: opzieners, bestuurders, herders, huishouders Gods, gezanten des Heeren, voorstanders, regeeringen, wachters, etc, welke namen er alle op wijzen, dat er wel degelijk een ambt en eene functie in gezien moet worden, bestaande in het toezicht houden op anderen, en aan ieder natuurlijk is het geboden zich van de hem als zoodanig verleende macht te bedienen om misstanden te voorkomen.

2º. In de tweede plaats beriep men zich op de opdracht aan de Opzieners der gemeente volgens Matth. 16: 19 gegeven, waar aan Petrus de sleutelen des hemelrijks gegeven worden met macht van te binden en te ontbinden, vergeleken met Joh. 20: 21-23, waar diezelfde macht, volgens Matth. 16 aan Petrus geschonken, aan alle Apostelen wordt toegekend. Dan op 2 Cor. 10: 8 waar Paulus spreekt van de macht, die de Heere zelf aan de Opzieners gegeven heeft. Uitdrukkelijk is de executie van toepassing der tucht aan de Opzieners opgelegd.

3º. Eindelijk voerden de Gereformeerden aan, dat eene gansche gemeente onmogelijk de executie van de kerkelijke tucht in alle gevallen op zich kan nemen, vooral niet in gemeenten, die talrijk aan leden zijn. Zij wijzen daarbij op de ondervinding bij anderen en Independenten. Dan ontstaan er allerlei onbillijkheden en misstanden, en wordt de gemeente binnen korten tijd uit elkaar gerukt, zoodat er evenveel gemeenten overblijven als er huisgezinnen bestaan en in de huisgezinnen wellicht nog verschillende gemeenten.

Wanneer dus in de H. Schrift in 1 Cor. 5 en 2 Cor. 10 van tucht gesproken wordt als aan de gemeente opgedragen, en evenzoo in Matth. 18, dan is dit op te vatten in denzelfden zin als wanneer van de kerkelijke macht gezegd wordt, dat zij aan de gemeente is opgedragen, nl. virtualiter et potentialiter, maar niet wat de executie betreft. Vaak wordt tot eene totaliteit datgene gezegd, wat door een bestuur moet worden uitgeoefend. Dit geldt ook in dit geval. De executie moet door den kerkeraad geschieden.

Vraag: Wat beteekent het dan, dat toch de kerkelijke tucht principieel aan de gemeente is opgelegd? Wanneer de gemeente die alleen door den kerkeraad als orgaan kan uitoefenen, komt dat voor de practijk niet op hetzelfde neer, alsdat de kerkelijke tucht op hiërarchische wijze aan een kerkelijk college, bestuur is opgedragen?

Antwoord: Neen. Er ligt een principieel verschil in. Als de kerkeraad erkennen blijft, dat de gemeente de tucht heeft, dan mag hij de kerkelijke tucht niet uitoefenen buiten de gemeente

|41|

om, tegen haren wil, en dus niet als de gemeente overheerschende. Het geldt bij alle kerkelijke handeling, dat de kerkelijke macht bij de gemeente berust. Dit geldt bij het beroepen van dienaren, bij toelating tot het Avondmaal, bij maatregelen van orde. Bij al die handelingen is de gemeente te kennen en te erkennen. Ditzelfde moet ook bij de tucht erkend. De kerkeraad heeft bij de uitoefening van tucht dan te letten op het oordeel der geloovigen, hoe dat oordeel in ’t algemeen zich uitspreekt met betrekking tot misstanden in leer en leven en in ’t bijzonder met betrekking tot een bepaald geval, niet om zich blindelings en onbedacht daaraan te onderwerpen, maar om er mee te rekenen. Want het oordeel der gemeente is ook een factor, waardoor het oordeel van den kerkeraad wordt bepaald. Het oordeel van Gods Woord gaat natuurlijk boven alles.

Voorts moet dit de kerken er toe brengen de kerkelijke tucht te laten wortelen in het besef der gemeente. De kerkeraad moet de gemeente dit laten beseffen. De kerkeraad moet de gemeente niet onmondig houden, maar opwekken en leeren hare macht te gebruiken en mede te spreken en mede te leven.

Voorts volgt hieruit, dat een kerkeraad de kerkelijke tucht niet mag voltrekken, bijv. eene excommunicatie, buiten de gemeente om, maar dat hij het plan daartoe bekend moet maken aan de gemeente, en dat niet als een nieuwstijding, maar opdat de gemeente meebidde voor den geëxcommuniceerde en hem mede bearbeide, opdat hij zich betere, en ook opdat zij hierin haar oordeel uitspreke. Komt de gemeente ertegen op op grond van Gods Woord, dan moet de kerkeraad liever de zaak uitstellen. Niet, dat hij zich moet onderwerpen, maar om te beproeven en te onderzoeken, om te overreden en de hulp van naburige kerken in te roepen.

Ook is nog een gevolg, dat, wanneer de kerkeraad de tucht verzuimt of principieel de tucht ter zijde stelt, ten slotte de tijd komen kan, dat de geloovigen die zelf ter hand nemen, desnoods door het vervangen van de onnutte organen, en door het stellen van andere Opzieners de tucht in de gemeente weer werkelijkheid doen worden. In het toekennen toch van macht aan de gemeente ligt het ambt der geloovigen, dat, zoo nodig, ook tegen den kerkeraad in kan en moet handelen. De gemeente mag dit niet willekeurig doen. Maar het beginsel is, dat de gemeente niet willoos aan den kerkeraad is overgeleverd, en dat de kerkeraad niet met eene gemeente alles doen kan, wat hij wil. De gemeente heeft macht en vermogen tot reformatie bij verzuim van den kerkeraad.

 

Met betrekking tot deze artikelen 72-74 bestaat er nu ook nog eene vraag, die in de practijk telkens voorkomt en ook vaak gedaan is, nl. waarin nu eigenlijk het onderscheid tusschen

|42|

de heimelijke en de openbare afwijking moet gesteld worden?

In art. 72 is er sprake van afwijking, „zooverre als het heimelijk is, en geene openbare ergernis gegeven heeft”. Welke afwijking is nu zoo te qualificeeren? Uit die qualificatie is het eene lid van den zin eene nadere verklaring van het andere. Er is niet tweeërlei soort van afwijking genoemd nl. die heimelijk is, en die geen openbare ergernis gegeven heeft; want elke afwijking, die heimelijk is, heeft nog geen openbare ergernis gegeven; en afwijking, die geen openbare ergernis gegeven heeft, is natuurlijk heimelijk, anders zou zij wel openbare ergernis gegeven hebben. „Die geene openbare ergernis gegeven heeft” is dus epexegetische verklaring van „heimelijk”.

Wat is onder die heimelijke afwijking te verstaan?

Het beginsel is van het begin af, dat de kerk tucht toepaste, gesteld en gevolgd; maar eene nadere definitie van wat heimelijk is en geene openbare ergernis gegeven heeft, is daarbij niet gegeven. Ook niet in de eerste redactie van de Nederlandsche kerkenordening van de Synode van Emden in art. 27 van de acta dier Synode. Alleen blijkt uit de redactie van dat artikel, dat de bepaling: heimelijke zonden, waarvan de zondaar berouw heeft, zal men niet bij den kerkeraad aanbrengen, („Ende die verborghen sonden, daer de sondaer (int heymelijck, ofte van eenen, ofte met twee ofte drye ghetuyghen vermaent zijnde) leetschap van bewijst, en salmen der Consistorie niet aendraghen:”) niet een zoo absolute regel is, dat daarop geene uitzondering kan voorkomen; of m.a.w. dat die regel ziet op het aanbrengen bij den kerkeraad tot toepassing van kerkelijke tucht. Dit moet bij heimelijke zonden niet geschieden. Doch aanbrengen bij den kerkeraad met een ander doel is daarom niet uitgesloten. Het geval, dat zich voordoet, kan zulks zelf meebrengen. Daarom volgt er in dit artikel 27: „maer die verborghen sonden, die der alghemeyne welvaert, ofte der Kercken, eenige merckelijcke schade ende verderffenisse toebrengen moghten, als daer zijn verraderije, off verleydinghe der zielen, die salmen den Kercken-Dienaer aansegghen, op datmen nae zijnen raet toe sie, wat hier in te doen staet”. Landverraad of verleiding der zielen moesten dus bij den kerkenraad aangebracht worden, opdat die zou toezien wat er gebeuren moest. Het kon gebeuren, dat iemand meedeed aan een complot en berouw kreeg, of berouw toonde hij persoonlijk vermaan; dan moest geen censuur toegepast, maar moesten zij, tegen wie het geschied was, gewaarschuwd worden.

Hoofdzaak is wat heimelijke en wat openbare zonde zij.

Reeds op de Synode van Emden in 1571 is ten aanzien van sommige gevallen die vraag gedaan. Bijv. in art. 16 van de Particuliere Vragen: Er werd door de Broeders van Gent gevraagd of de volgende zonden geheim zijn of niet: 1º. pardon

|43|

halen bij de Overheid. Vaak werd er pardon gevraagd aan de burgerlijke of geestelijke Overheid. Dat kwam veel voor bij hen, die in 1566 met de hagepreeken en beeldstormers hadden meegedaan. In 1567, toen Alva gekomen was, toonden zij nu berouw en haalden een pardon, waarvan men acte verkreeg. Dit geschiedde natuurlijk in ’t geheim. Deze vraag werd gedurig herhaald. 2º. Huwelijksbevestiging vragen bij de Papisten. 3º. Doop zoeken bij Roomschen. 4º. In een particulier huis voor den Burgemeester of iemand van de Overheid den Christus verloochenen. 5º. Een eed doen bij de heiligen. Allerlei dingen worden dus genoemd, die in den tijd van de vervolging voorkwamen er die alle geheim waren. De vraag was nu: als een lid der gemeente dit doet, moet dit dan als heimelijke of als openbare zonde beschouwd worden? Moet dit dan aanstonds aan den kerkeraad aangebracht of naar Matth. 18 behandeld worden? Te Emden heeft men die vraag niet beantwoord. Er waren verschillende opinies. Daarom werd het tot eene volgende vergadering of Synode uitgesteld. Er werd daar pro en contra gedisputeerd. Sommige der aangehaalde gevallen betroffen heimelijke zonden, andere weer openbare, want de bedrijvers hadden zich aan de gemeente onttrokken en daarin werden de zonden natuurlijk openbaar. Hier wordt dus alleen wanneer het quaestieus was, gevraagd, of eene zonde heimelijk of openbaar was. Ook de Synode zelf heeft die quaestie niet tot beslissing kunnen brengen.

Ook later kwam deze quaestie nog gedurig voor, zooals het duidelijkst blijkt uit een gravamen, op de Middelburgsche Synode van 1581 ingekomen uit de provincie Zeeland, blijkens art. 87 van den verzamelstaat van gravamina. Hierin werd gevraagd „een distincte beschryuinge te maecken vande heymelicke ende openhare sonden”, m.a.w. nadrukkelijk te definieeren, wat onder heimelijke en wat onder openbare zonde te verstaan zij. Gevraagd werd dus om eene lijst met nauwkeurige omschrijving. Uit de Acta blijkt, dat de Synode op deze vraag niet inging. (Alleen een soort kladnotulen zijn van die Synode over). Over die vraag is niet gehandeld. In de antwoorden op de Particuliere Vragen is deze vraag overgeslagen, zeker wel om dezelfde reden als in Emden, omdat het zoo moeilijk was, of liever bijna onmogelijk. De gevallen zijn zoo duizendvoudig onderscheiden. Het moet bij ieder geval worden uitgemaakt.

Men kan er wel in ’t algemeen iets van zeggen, bijv. heimelijke zonde beteekent niet: zonde in ’t geheim bedreven, maar eene zonde, waarvan het bedrijven geheim is gebleven en dus nog niet tot kennis van velen gekomen. Heel wat „openbare zonden” toch zijn in het geheim bedreven, bijv. zonden tegen het 7de gebod, overspel en ontucht, en tegen het 8ste gebod, diefstal. Hoewel deze zonden in ’t geheim zijn bedreven, zijn ze geen

|44|

heimelijke zonden in den kerkelijken zin van het woord. „Heimelijke zonden” is dus niet gelijk aan: zonden in ’t geheim bedreven, maar het zijn zonden, waarvan de bedrijving niet publiek is geworden. Het is niet de vraag, welke de zonde is, hoe en waar ze is bedreven, maar in hoeverre ze publiek is geworden.

Eene omschrijving van de qualificatie publiek of openbaar is niet gemaakt. Daarvan is geen bepaling en grens aan te wijzen. Zonde, waarvan één persoon weet of twee personen weten, is niet publiek, maar zoo kan men voortgaan. Waar zou de grens zijn? Ook is er verschil bij kleine en groote gemeenten. Als in eene kleine gemeente iets aan vijf personen bekend is, kan het soms publiek genoemd, terwijl dit in eene groote gemeente geheim kan genoemd. De gevallen zijn onderscheiden. Een vaste regel is niet te geven. Het moet bij ieder geval uitgemaakt. Er is te oordeelen naar plaatselijke omstandigheden. In den regel zal het zoo moeilijk niet zijn om dit uit te maken. Men kan het wel merken aan wat in de gemeente omgaat. Men behoeft daarom de gemeente niet rond te gaan om te vragen en te informeeren: weet gij er van? In de gemeente wordt er vanzelf wel over gesproken.

Eindelijk moet er bij deze artikelen nog gesproken over de vraag: of iemand, die over eene begane zonde berouw heeft, daarom in het geheel niet aan de kerkelijke tucht mag onderworpen worden. Dit is wel eens gesteld op dezen grond, dat naar Gods Woord ieder geloovige, die met berouw terugkeert, vergeving van God heeft ontvangen, en dat iemand, die zoo weer in den rechten stand tot God geplaatst is, door de kerk niet kan uitgesloten. Deze redeneering is juist, maar één ding is daarbij vergeten, dat nl. de kerk alleen eenige zekerheid daarvan hebben kan, als het berouw genoegzaam gebleken is. Als de ergernis groot is geweest, dan kan dit niet in korten tijd blijken; en de afhouding van het Avondmaal is dan noodzakelijk, opdat er blijk gegeven worde van de echtheid van het berouw. De reden, waarom dan kerkelijke tucht toegepast wordt, ligt dan niet in de zonde zelf, niet in de hardnekkigheid van den zondaar, maar daarin, dat openbare ergernis gcgeven is, die alleen wordt weggenomen, wanneer openbaar geworden is, dat zij weggenomen is.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 75

Art. 75 1).

Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting der Kerkelijke vermaningen in ’t openbaar


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 wijzigde dit artikel aldus: Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting ➝

|45|

gekomen zijn, zal de verzoening — wanneer men zekere teekenen der boetvaardigheid ziet — openbaarlijk geschieden, door het oordeel des kerkenraads; en ten platten Lande, of in mindere steden, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken, in zulke forme en manier als tot stichting van een iedere Kerk bekwaam zal geoordeeld worden.

 

In dit artikel wordt gehandeld over de verzoening van degenen, die gezondigd hebben, maar tot boetvaardigheid zijn gekomen. Hier is sprake van het geval, dat de weg in art. 72 aangewezen, niet heeft gebaat. Heimelijke vermaning heeft geen doel getroffen, de zaak is aan den kerkeraad, dus aan de kerk meegedeeld, en aldus openbaar geworden, hetgeen hier gelijk staat met zonde, die door haar natuur openbaar is, als dronkenschap en ontucht, die gebleken is door de geboorte van een onecht kind.

In dit art. 75 wordt nu niet behandeld, hoe te dien aanzien kerkelijke tucht is toe te passen, want dit geschiedt in artt. 76 en 77, maar hier wordt gesproken met betrekking tot het geval, dat iemand, na verachting van private vermaning, de vermaning van den kerkeraad aanvaardt en tot berouw komt. Het beginsel is steeds geweest: De zoodanige moet verzoend en op hem is geen kerkelijke tucht toe te passen. Wel kan hij een tijd lang van het Avondmaal afgehouden worden, maar dit is geen eigenlijke kerkelijke tucht. Hij moet verzoend worden, als men zeekere teekenen van boetvaardigheid ziet. Hoofdzaak is hier, dat op den zoodanige geen tucht toe te passen is: dus niet de bepaling, hoe de verzoening geschieden moet. Maar wél hoe te handelen is met een die openbaar afgeweken is, doch berouw toont.

Van ’t begin af is er verschillend gehandeld.

Bij dit artikel is opmerkelijk, dat het gewoonlijk gansch verkeerd verstaan wordt, en dat men in den regel juist het tegendeel van hetgeen er in staat als de leer van dit artikel beschouwt. In vele kerken wordt gesteld, dat ieder, die in openbare zonden gevallen, tot berouw komt, ook in ’t openbaar schuld bekennen moet voor de gemeente, terwijl men zich daarbij op dit art. 75 van de K.O. beroept. Doch dit artikel bedoelt juist dit tegen te spreken.


➝ der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn zal de verzoening, (wanneer men genoegzame teekenen van boetvaardigheid ziet) in zulken vorm en manier geschieden als tot stichting van iedere Kerk door den Kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Of zij in bepaalde gevallen openbaarlijk geschieden zal, wordt, wanneer daarover in den Kerkeraad verschil is, in Kerken, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken beoordeeld.

|46|

Niet alle verzoening zal openbaar geschieden. Dit blijkt uit de woorden zelve en uit de geschiedenis van het artikel.

Het artikel zelf dagteekent van 1571 van de Synode te Emden. In de Acta dier Synode is art. 29 aldus geformuleerd: „Die sonden welcke van haer naetuere openbaer zijn, ofte die der Ghemeente (om der verwerpinghe der vermaninghen wille) gheopenbaert werden, die salmen opentlijck versoenen, niet nae het oordeel van een ofte twee persoonen, maar nae het ghevoelen der gantscher Consistorie, ende dat op sulcker wijse ende forme, welcke men achten sal tot opbouwinghe eener yegelijcker Ghemeente die alderbequaemste te wesen”. Hieruit blijkt, dat toen ook de openbare verzoening geschiedde niet volgens besluit van den kerkeraad, maar enkel volgens het goedvinden van een predikant en ouderling. Dit nu werd afgekeurd. De bedoeling van het artikel is deze. Of de verzoening openbaar geschieden zal al dan niet, mag niet beslist door predikant of ouderlng, maar door den geheelen kerkeraad, „ex ... arbitrio” (= judicio) totius Consistorii. De bedoeling kan niet zijn, dat voor alle mogelijke gevallen publieke verzoening moet gelden, want dan was er geen arbitrium van iemand noodig. En hier staat, dat voor ieder geval van verzoening een arbitrium van den kerkeraad noodig is. De kerkeraad moest beslissen, of de verzoening publiek zon geschieden, ja dan neen.

Dit blijkt niet minder uit wat in 1578 op de Dordtsche Synode is voorgevallen. Daar wordt de bepaling met geheel dezelfde woorden herhaald in art. 97. Terzelfder tijd kwam op die Synode ook een gravamen, eene vraag in, op dezelfde zaak betrekking hebbend, opgenomen in art. 48 van de Particuliere Vragen, nl., of de schuldbekentenis van den zondaar, die berouw had, openbaar in de kerk moest geschieden of alleen voor den kerkeraad. Voor zoodanig gravamen zou geen reden geweest zijn, als de kerkenordening voorschreef: altijd voor de gemeente in ’t openbaar. Maar nog veel ondenkbaarder zou dan het antwoord van de Synode zijn: de schuldbekentenis moet dikwijls niet in ’t openbaar geschieden. De bedoeling van de vraag was blijkbaar: dat behoort niet in de kerk te geschieden, want daar komen ook die spotten met Gods Woord, en in hun tegenwoordigheid behoeft de schuldbekentenis van een berouwhebbenden zondaar niet te geschieden. De Synode antwoordde dan ook ontkennend. Om „de eere des ghevallen broeders ... te verschoonen” moest de verzoening voor den kerkeraad geschieden. Dit artikel staat ook nu nog in de K.O. De Synode van 1578 verstond het aldus: In den regel moet de verzoening niet openbaar voor de geheele gemeente geschieden, maar voor den kerkeraad in de tegenwoordigheid van degenen, die de kerkeraad daarbij noodig oordeelde, bijv. van hen, die van de zonde getuigen zijn geweest of in bijzondere mate door ergernis getroffen

|47|

waren. De Synode van 1578 oordeelde goed, dat van de zaak zelve melding gemaakt werd in de kerk zonder namen te noemen om de eere van den broeder te verschoonen. Hieruit blijkt dus, hoe in de kerkenordening inderdaad bedoeld is, dat de kerkeraad moet uitmaken, of de verzoening in het openbaar voor de gemeente of alleen voor den kerkeraad moet geschieden.

Ditzelfde blijkt uit de Acte van de Synode te Middelburg in 1581. In de K.O. bleef dezelfde bepaling, blijkens art. 63 van de Acta dier Synode. Er kwam bij: met advies der Classe, „door het oordeel des Kerkckenraedts ende aduijse des Classis”. Hierdoor zou dus uitgemaakt worden, of de verzoening in het openbaar geschieden zal. Dit geschiedde zeker wel naar aanleiding van een gravamen (No. 96 van de lijst van gravamina) uit Oost-Vlaanderen, dat gelet moest worden op de predikanten van de dorpen, of zij openbare verzoening zullen mogen voorschrijven zonder advies der Classe. Deze vraag is ter Synode behandeld, en het antwoord is geweest: Neen, zulks mogen die predikanten niet doen. Ook dit antwoord zou ongegrond zijn, als de K.O. voorschreef, dat verzoening altijd openbaar geschieden moet. Als motief voegde de Synode er bij: „ouermidts de selue predicanten dicwils niet ghenouch ervaeren en zijn in kerckelicke Discipline, noch oock voorsien en syn van eenen ervaren kerckenraedt”. Er gebeurden door hen wel eens verkeerde dingen, omdat zij niet genoegzaam konden oordeelen. Dikwijls oordeelden de predikant en de kerkeraad verkeerd. Op dorpen en kleine plaatsen kwamen er personaliteiten voor of werden ze geacht voor te komen. Er moest nooit gedacht kunnen worden: ja dat overkomt mij, omdat de predikant iets op mij zoekt. Dit besluit van 1581 is niet in de Acta opgenomen. Het staat in het stuk, dat ter Synode gemaakt is. Evenals een paar andere besluiten is dit door den Praeses Cornelii op den kant aangeteekend met een streep er door, met het woord: „Doorgehaald”. Dit moest dus niet in de acta opgenomen. Het was niet vleiend voor sommige predikanten. Men vond het minder oorbaar om dit publiek te maken. Toch blijkt ook hieruit de bedoeling van de kerkenordening.

Uit de geschiedenis van dit artikel en uit de oudere redacties en de besluiten van vroegere Nationale Synoden blijkt dus, dat de bedoeling niet is om openbaarheid der verzoening als algemeenen regel te stellen, maar dat alleen dan openbare verzoening zal plaats hebben als de kerkeraad het noodig oordeelt, en in kleine plaatsen met advies van twee genabuurde kerken. Vindt de kerkeraad het niet noodig, dan zal de verzoening niet publiek geschieden. De bedoeling van dit artikel ligt in het beginsel om de openbaarheid te beperken. Meestal wordt dit artikel dus verkeerd opgevat.

De strekking van art. 75 is dus: de verzoening zal in den

|48|

regel niet in het openbaar geschieden; aangezien het artikel zelf het geval noemt, waarin het wel in het openbaar geschiedt. De verzoening zal openbaarlijk geschieden „door het oordeel des Kerkeraads”, d.i. indien de kerkeraad dit noodig oordeelt. Door die woorden wordt „openbaarlijk” nader bepaald. De beslissing ligt dus bij den kerkeraad. In kleine plaatsen, waar maar één Dienaar is, zal de kerkeraad alleen niet beslissen, maar advies vragen van twee genabuurde kerken. Uit die bijvoeging blijkt duidelijk, dat openbaarheid der verzoening niet als regel gesteld wordt.

De reden, waarom in kleine gemeenten advies moet gevraagd van twee genabuurde kerken, ligt hierin, dat men ongemotiveerde en soms schadelijke besluiten van kleine kerkeraden heeft willen voorkomen. Het kan zeer licht gebeuren, dat waar één Dienaar en twee Onderlingen zijn, vooral als de plaats vacant is, er in den kerkeraad een niet genoegzaam aantal personen is om naar vaste regelen en beginselen te werk te gaan. Zij missen soms voldoende oordeel des onderscheids, en handelen meer naar indrukken. Vooral in een kleinen kerkeraad komt er spoedig iets persoonlijks tusschen. Vaak bestaat dan het denkbeeld, dat zij voor de erkenning en de waardigheid van het ambt moeten opkomen, ook door kerkelijke tucht, en dat zij iedere oppositie tegen den kerkeraad als kerkelijke zonde moeten aanmerken. Dan wil men openbare verzoening, om daarin op te komen voor het recht van den kerkeraad. Ook al behoeft dit niet uit hiërarchische ijdelheid te geschieden, toch is er dan gevaar voor hiërachie. Het vernietigt eer het crediet van den kerkeraad, in plaats dat het dat verhoogt. Het is dan ook een verkeerd beginsel. Nog gebeurt het vaak, dat bij verzoening in het openbaar vergeten wordt, wat de K.O. bepaalt omtrent het advies van twee genabuurde kerken met het oog op de meerdere bezadigdheid en billijkheid der procedure en om de stichting van de gemeente op den voorgrond te doen treden.

Meer bepaalt dit artikel niet.

Niet omschreven is, welke regelen de kerkeraad hetzij alleen of met twee genabuurde kerken te volgen heeft om opzettelijk, al of niet openbaarheid van verzoening toe te passen. De kerkenordening is geen wetboek, waarin alle gevallen omschreven zijn. De kerkenordening geeft alleen algemeene beginselen. De Dienaren moeten zelf overeenkomstig die beginselen handelen. Toch zijn die beginselen ook voldoende beschouwd. De inhoud van dit artikel in verband met hetgeen vroeger behandeld is toont, dat er gevallen zijn, waarin verzoening niet in het openbaar zal plaats hebben, en welke die gevallen zijn.

Openbaarheid van verzoening wordt door de kerkenordening afgekeurd en onraadzaam geacht:

|49|

1º. Als de zonde of afwijking van den gevallen, maar berouw hebbenden broeder door die openbaarheid van verzoening vanzelf zou bekend worden aan velen, die er anders niet van wisten.
De Nationale Dordtsche Synode van 1578 (Part. Vragen, art. 48) oordeelde, dat de eere van den broeder in het oog moest gehouden en gehandhaafd worden. Op zeer kleine plaatsen komt dit geval niet licht voor. Daar is eene zonde, die meer of minder openhaar is, van zelf aan allen bekend. In groote gemeenten is dit niet het geval. Daar komen weinig zonden voor, die aan de meerderheid bekend zijn, zij zijn slechts in kleinen kring bekend geworden. Noodzaakt men nu iemand openbare verzoening te doen, dan komen alle andere menschen in de kerk er ook van te weten. Bij zoodanige openbare verzoening hoort de groote meerderheid van de kerkgangers eerst dan voor het eerst van zonde en verzoening. En dan zou de eere van den gevallen broeder hem eerst recht in het publiek zijn ontnomen. Dit nu mag niet, als hij oprecht berouw heeft getoond. Juist om die reden moet in groote kerken de verzoening in den regel niet in het openbaar geschieden.

2º. Verder moet in ’t algemeen de verzoening niet in het openbaar geschieden, als de eere van den berouwhebbende ook voor de toekomst daardoor te veel zou lijden, wanneer hij daardoor te meer in zijne eere zou gekrenkt worden; en dat niet om zijns zelfs wil alleen, maar ook ter wille der gemeente. De openbare verzoening toch geschiedt voor de gemeente en die nog meer in de kerk zijn, zooals ongeloovigen en spotters, gelijk ter Synode van 1578 werd gezegd. Daarvoor bestaat geen vrees in eene kleine gemeente. In groote gemeenten is dit anders. De kerken moeten daar rekening houden met de omstandigheden.

3º. Openbare verzoening is onraadzaam, als door zulke openbaarheid de gemeente niet zou gesticht, maar ontsticht worden, vergelijk het slot vau het artikel: „in zulke forme en manier als tot stichting van een iedere Kerk bekwaam zal geoordeeld worden”. Of dit zoo is, is niet met een enkel woord te beantwoorden; het hangt veel af van personen en omstandigheden, van de denkwijze en de beschouwing, die daaromtrent in de gemeente heerscht. In eene gemeente kan een geest heerschen van Farizëisme, eigengerechtigheid, werkheiligheid. Uitwendig kan eene gemeente vroom schijnen, terwijl er inwendig veel knaagt aan haar geestelijk leven, zonder dat het erkend wordt, wijl eene zoodanige gemeente zich verheft op bijzondere vroomheid en heiligheid. Bij zoodanige gemeente kan openbaarheid der verzoening uitwerken, niet, dat de gemeente er zich in verblijdt en den berouwhebbenden broeder met open armen weer ontvangt, maar dat zij veeleer denkt: ik dank u,

|50|

dat ik niet ben als die tollenaar. En zelfverheffing en trotschheid is het gevolg. Weet men dit, dan moet dit voorkomen.

Het kan ook zijn, dat op de eene of andere plaats de gemeente weinig weet van tucht in Gereformeerden zin, dat alle begrip daarvan verloren is en dat men meent, dat openbare verzoening een ergerlijk iets is, zooals ook thans nog voorkomt. In zoodanige gevallen is openbare verzoening ook verkeerd. Dan moet de gemeente eerst wat beter omtrent de tucht ingelicht worden.

Er zijn zoo meer gevallen op te noemen.

In groote gemeenten zou openbaarheid van verzoening vaak week aan week moeten plaats hebben en dit zou niet tot stichting dienen. Ook dient de vraag in acht genomen te worden, of bij de samenkomst der gemeente vele vreemden van buiten af komen, ongeloovigen en spotters. De kerkeraad moet met al die omstandigheden rekenen.

Openbaarheid van verzoening is aan te raden, enkel als men weet, dat dit dienstiger is voor de eere van den berouwhebbenden broeder en de stichting der gemeente; als het werkelijk dienen kan om hem voor de gemeente te rehabiliteeren en tegenover hem alle verkeerde meeningen, tegenzin en verdachtmaking te doen ophouden. Het kan zijn, dat de gevallen broeder zelf openbare verzoening wenschelijk acht.

De stichting van de gemeente staat hierbij op den voorgrond.

Indien openbaarheid van verzoening stichtelijk geacht wordt voor de gemeente, dan moet zij geschieden; zooals het slot van het artikel zegt: „in zulke forme en manier als tot stichting van een iedere Kerk bekwaam zal geoordeeld worden”.

Een bepaald formulier is niet voorgeschreven. (Het Formulier van Wederopneming ziet alleen op de geëxcommuniceerden). Een bepaald formulier is ook moeilijk op te stellen, want de gevallen zijn zoo ontzaglijk verschillend.

De manier, waarop de openbare verzoening zal plaats hebben, is overgelaten aan den kerkeraad, niet aan den predikant; en in kleine gemeenten aan den kerkeraad met het advies van twee genabuurde kerken.

In het algemeen is er van te zeggen, dat de regel, dien de K.O. stelt, meebrengt, dat bij die openbare verzoening niet het doel is om den gevallen broeder nog eens weer zoo diep mogelijk te vernederen, dat dus niet bij die gelegenheid zijne zonde of afwijking nog eens in ’t bijzonder moet uitgeplozen en hem voorgehouden worden, want daardoor zou zijne eere ook voor de toekomst kunnen lijden, de stichting der gemeente niet worden bevorderd, en de verzoening eigenlijk niet werkelijk en innerlijk voltrokken worden. En daarbij komt de gevallen broeder niet weer in den toestand, waarin hij te voren was, en dat is toch de hoofdzaak van alle verzoening. De „forme

|51|

en manier” moet zoo zijn, dat de zonde als zonde blijft, maar dat op berouw en boetvaardigheid de meeste nadruk gelegd wordt en aangewezen wordt, wat Gods Woord te dien aanzien zegt. De broeder als broeder moet hersteld, en de gemeente, in plaats van op hem neer te zien, moet ertoe gebracht om te onderzoeken of zij wel met hem gelijk staat. De strekking is niet om zelfverheffing bij de gemeente te bevorderen, maar ons de gemeente tot zich zelf te laten inkeeren, opdat door ootmoedigheid de een den ander uitnemender achte, dan zichzelven, Philipp. 2: 3b.

De Dienaar, die de verzoening moet leiden, moet wat hij zeggen zal, niet laten afhangen van het oogenblik, maar zich er op voorbereiden; want de openbare verzoening geschiedt naar „het oordeel des Kerkeraads”, en niet naar zijne persoonlijke meening. Hij zal een niet lang, maar kort en wel overwogen en overdacht woord spreken.

Eindelijk zegt het artikel nog, dat verzoening zal plaats hebben „wanneer men zekere teekenen der boetvaardigheid ziet”. Zekere = certa, en niet: quaedam, dus teekenen, waar men op af kan gaan. Ziet men die nog niet, dan is van de oude kerk af regel geweest om de verzoening uit te stellen, ook al had de kerkeraad zelf de moreele overtuiging van de oprechtheid van het berouw. Het moet bepaald gebleken zijn voor de gemeente, vooral na grove afwijkingen. Op het Convent te Wezel in 1568 is dit alzoo noodig geacht in het artikel over de tucht, Cap. VIII, Art. 10. Daarvoor gold dan enkele malen afhouding van het Avondmaal.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 76

Art. 76 1).

Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie eene openbare of anderszins eene grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehonden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe.

 

In art. 76 wordt in de kerkenordening aangegeven, wat te


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet dit artikel ongewijzigd.

|52|

doen is, wanneer hardnekkiglijk de vermaning des kerkeraads verworpen wordt, en wanneer eene openbare of anderszins eene grove zonde gedaan is.

In dit artikel wordt gehandeld over de afhouding van het Avondmaal, ook wel de eerste trap der censuur genoemd, of juister geheeten: voorloopige of tijdelijke excommunicatie.

Zulke afhouding van het Avondmaal voor korter of langer tijd is van den beginne af aan bij de Gereformeerde kerken in gebruik geweest. Te Genève is dit gebruik door Calvijn ingevoerd, en ondanks het heftig en langdurig verzet der Overheid door Calvijn met zijn collega’s voortgezet. In Genève hield de kerkeraad wekelijks zitting. Gedurig liet hij dan allerlei leden voor zich komen, aan wie om de een of andere afwijking in leer of leven het Avondmaal voor eens of meer werd ontzegd. In alle Gereformeerde kerken, die de Geneefsche of Calvijnsche kerkenordening volgden, is datzelfde ook in de kerkenordening opgenomen geworden; in de Fransche Gereformeerde kerken, ook in Duitschland, Schotland en desgelijks ook in de Nederlandsche kerken, in de Nederlandsche vluchtelingenkerken en kruiskerken beide.

Er is een oogenblik ook aan gedacht om bij de afhouding van het Avondmaal nog bovendien op te nemen afhouding van de samenkomsten der gemeente, de ontzegging van het recht om de samenkomst der gemeente bij te wonen. Toch is dit in onze kerkenordening nooit opgenomen, en het is ook door onze kerken zelve nooit besloten geworden. Wel is eene vraag daaromtrent gekomen op de Synode van Emden van 1571, blijkens de Particuliere Vragen, art. 15. Door de broeders van Gent en Antwerpen was gevraagd, of niet in sommige gevallen bij groote ergernis, door feilen, die bij herhaling geschied waren, de overtreder van de gemeentelijke samenkomst zou afgehouden worden, en wel bepaaldelijk bij de samenkomsten van de kerken onder het kruis. De Synode van Emden oordeelde, dat iedere kerkeraad te dien aanzien maar zelf moest overleggen en overwegen, en oordeelen naar tijd, personen en omstandigheden, terwijl de zaak voorts aan de Classe kon worden overgelaten. Een besluit werd niet genomen. Het werd aan de prudentie van den kerkeraad overgelaten. Uit de vraag en den inhoud van het besluit blijkt, dat het hier en daar toch zeker plaats had.

Bekend is, dat in de oude kerk zulke uitsluiting van de gemeentelijke samenkomst zeer gewoon was. Die in de oude kerk geëxcommuniceerd was, mocht aan de gemeentelijke samenkomst geen deel nemen, hetzij dat hij geheel geweerd werd, hetzij dat hij alleen in het voorportaal mocht komen.

De Gereformeerde kerken namen dit niet over, uit meer dan ééne overweging, vooral uit deze overweging, dat het tegenwoordig zijn bij de bediening des Woords aan de gemeente nog volstrekt

|53|

niet insloot een behooren tot de gemeente. De deelneming aan de Avondmaalsviering sloot dit zeer zeker in, bijwoning van de predikatie niet. Bij bediening des Woords wordt de deur ook opengezet voor ongeloovigen om hen juist door de predikatie tot geloof te doen komen. Er is geen reden om iemand uit te sluiten; wel is er juist dan reden om tot boete, berouw en bekeering op te wekken door het bijwonen van den dienst des Woords.

In de kruiskerken kwam de vraag voor, of de gecensureerde niet geweerd kon worden van de gemeentelijke samenkomst. En werkelijk werd in de kruiskerken een gecensureerde van de gemeentelijke samenkomst uitgesloten. Zoo iemand kon licht een verrader worden, en bij de Roomsche inquisitie aangifte doen. Dit geschiedde dus met ’t oog op de veiligheid der kerken.

Het afhouden van de kerkelijke samenkomsten om den uitgeslotene van het Avondmaal daardoor nog meer uit te sluiten, is echter door de Gereformeerde kerken niet als beginsel vastgesteld.

De afhouding van het Avondmaal, waarvan hier sprake is, is dus eene uitoefening van kerkelijke tucht, eene disciplinaire acte.

Er is ook eene afhouding van het Avondmaal, die nog geen eigenlijk gezegd kerkelijk tuchtmiddel is, en die toch in de Gereformeerde kerken altijd in gebruik is geweest. Men kan daarvan bijv. lezen in de Politica Ecclesiastica van Voetius, Dl. IV, p. 859 vgg., waar in het licht gesteld wordt, hoe elke afhouding van het Avondmaal of onthouding van het Avondmaal nog niet is kerkelijk tuchtmiddel.

Voetius schrijft bijv. aan het slot van Caput VIII van Liber IV, Tractatus II, „De simplici abstentione” als volgt: „Atque hi alii que casus et media et quotidiana praxi nostra Ecclesiastica desumti, (quibus forte alii complures addi possunt), evincunt esse abstentionem quandam ab usu coenae, aut ab actibus quibusdam ministerii Ecclesiastici pro tempore praesenti, (e. gr. à concione habendâ, aut coenae administratione, aut suffragio in presbyterio, aut visitatione Ecclesiae ante administrationem coenae, aut publica eleemosynarum in Ecclesia, collectione), quae tamen formaliter et propriè non sit censura, aut poena, aut disciplina, aut excomnunicatio, sive major sive minor, vulgò dicta suspensio. Ratio haec est, quia Ecclesia non punit sine judicio nec judicat quenquam, disciplina dignum, qui aut ad requisitam poenitentiam se paratum ostendit, aut ad debitam purgationem se offert, immo et eam praestare incipit, si non praestat; saltem de culpâ, aut scandalo dato hactenus non convincitur”.

Door Voetius worden onderscheiden gevallen opgenoemd, waarin een kerkeraad aan een lid der gemeente onthouding van het Avondmaal oplegt, dus aan een lid der gemeente

|54|

deelneming aan het Avondmaal verbiedt, zonder dat er daarom nog sprake is van kerkelijke discipline. Onder die gevallen wordt bijv. genoemd, dat een lid der gemeente ergernis heeft gegeven door eene openbare zonde, maar daarover aanstonds oprecht berouw getoond heeft en dat op zoodanige wijs, dat de kerkeraad van de echtheid van dat berouw overtuigd is. In zoodanig geval komt dan geen kerkelijke tucht meer te pas, maar toch, wanneer de zonde in de gemeente groote ergernis beeft gegeven, zal het noodig zijn dengene, die overtreden heeft, althans in den eersten tijd nog van het Avondmaal af te houden, opdat daardoor aan de ergernis worde tegemoet gekomen. Een eigenlijk tuchtmiddel is het dan niet, want dat komt dan niet meer te pas, maar toch is het eene onthouding van het Avondmaal. Hetzelfde kan gebeuren of noodig zijn in geval iemand in zonde vervallen is en daarover vermaand zijnde, berouw toont, maar dat doet zóó kort voor de Avondmaalsviering, dat moeilijk de zaak behoorlijk ten einde gebracht kan worden voor de Avondmaalsviering zelve; dat moeilijk in de kerkeraadsvergadering nog kan vastgesteld worden, wat mag en moet geschieden. Dan is het noodig de onthouding van het Avondmaal te continueeren of op te leggen. Hetzelfde kan ook voorkomen, hetgeen zeer vaak geschiedt, wanneer iemand beklaagd of verdacht wordt van eene overtreding, die onder de kerkelijke tucht valt, maar de zaak ontkent, en de kerkeraad nog met het onderzoek bezig is. Zoodanig onderzoek kan tijd wegnemen. Zeer dikwijls gebeurt het, dat bij die onderzoeking eene aanvankelijke overtuiging gevestigd wordt van schuld van den beklaagde, zonder dat genoegzaam bewijs van schuld gebleken is. Komt nu de Avondmaalsviering er tusschen, dan gaat het niet aan den persoon, die in kerkelijke behandeling is tot het Avondmaal te laten toetreden, vooral als de zaak openbaar is en openbare ergernis gegeven heeft. Ook al kan er nog geen kerkelijke uitspraak volgen, dan moet de kerkeraad den kerkelijk behandelde van het Avondmaal afhouden, totdat er in zijne zaak uitspraak gedaan is. Dit is dan wel een tuchtmiddel, maar nog geen vonnis te noemen. Ook komt hetzelfde voor in abnormale toestanden van de gemeente; wanneer er beroeringen zijn van leer en te vreezen is, dat iemand, die in kwaden reuk staat en toegelaten wordt tot het Avondmaal, eene scheuring zal teweeg brengen. Dit kwam wel voor bij de Reformatie. Ook komt het voor, dat iets niet kan bewezen worden. Iemand mag dan niet veroordeeld worden, doch het is aan te raden in turbulente tijden de gemeente niet openbaar te trotseeren, maar de gemeente voor te lichten en moeilijkheden te voorkomen. Men moet rekenen met de gemeente, wat betreft de toelating tot het Avondmaal, ook met verkeerde neigingen der gemeente.

|55|

Uit dit aantal en nog meer dergelijke gevallen kan geconcludeerd worden: reden, waarom er afhouding van het Avondmaal kan plaats hebben zonder censuur, is deze, dat alle censuur of tucht, ook kerkelijke tucht dus, op rechtspraak berusten moet en dat in rechten de kerkeraad nooit iemand veroordeelen kan, die bereid is boete te doen, zich berouwvol toont of de vereischte schuldbelijdenis doet. Dan toch is immers de reden daartoe vervallen.

Hier in artikel 76 intusschen is geen sprake van zulke afhouding van het Avondmaal, waarover ook voorts in de kerkenordening niet gesproken wordt, omdat dit aan de prudentie van iederen kerkeraad overgelaten wordt, niet aan de vereeniging van de gezamenlijke kerkeraden.

In art. 76 is sprake van disciplinaire afhouding van het Avondmaal, en daarvoor wordt als noodzakelijke reden, die daartoe aanleiding geeft, gesteld, dat iemand hardnekkiglijk de vermaning van den kerkeraad verwerpt of eene openbare of anderszins eene grove zonde gedaan heeft.

Het zijn algemeene uitdrukkingen, die in dit artikel gebruikt worden. Voorts vinden wij ook in onze kerkenordening geen opsomming van gevallen, waarin kerkelijke tucht moet worden toegepast. In het burgerlijke is in het strafwetboek de eisch, dat precies genoemd worden al zulke overtredingen, waarvoor straf bedreigd wordt; en alle straf, die de rechter oplegt, moet steunen op een artikel van de wet. In het kerkelijke echter wordt zulk eene opsomming niet gegeven. In het kerkelijke bestaat er geen wetboek, en moeten er geen artikelen geraadpleegd worden alsvorens men weet, of deze of die er onder te vatten is. Daarmede hebben de Gereformeerde kerken zich nooit bezig gehouden. In de Roomsche kerk is omschreven, wat een Christenmensch doen en laten moet. Dit wordt eene oneindige reeks van gevallen en een binden van de consciëntie aan menschelijke inzettingen. In de Gereformeerde kerken heeft men nooit zoo gehandeld, maar zich bezig gehouden met beginselen te stellen; en zoo staat ook in dit artikel een beginsel uitgesproken, volgens hetwelk in de practijk ieder geval te beoordeelen is.

Om kerkelijke tucht toe te passen, moet er volgens dit artikel zijn zonde, en wel zonde, die ergernis heeft gegeven, hetzij door haren aard, omdat zij in zich zelf openbaar of anderszins grof is, hetzij eene zonde, die hardnekkig, door de verwerping van kerkelijke vermaning, wordt vastgehouden, eene zonde, waarbij geen sprake is van schuldbelijdenis, betering en bekeering.

Drie dingen worden dus geacht de naaste aanleiding of oorzaak tot toepassing van kerkelijke tucht te zijn. Onder het woord „zonde” wordt verstaan, niet alleen, wat er in het dagelijksch leven onder verstaan wordt, maar in het algemeen alle overtreding van Gods gebod en afwijking van

|56|

Gods ordinantie, hetzij in de belijdenis, hetzij in den wandel. Hoe die zonden voorts te onderscheiden zijn, is een onderwerp van behandeling voor de Christelijke Ethiek. Daarmede houdt natuurlijk het kerkrecht zich niet bezig. Wel wordt het woord „zonde” in het kerkrecht in algemeene beteekenis gebruikt en omvat het niet alleen dadelijke zonde in practijk en wandel, maar ook zonde in belijdenis. Om zonde te maken tot aanleiding en oorzaak, van kerkelijke tucht hoort er bij, dat zij ergernis moet gegeven hebben, hetzij doordat zij openbaar of anderszins grof is, hetzij dat degene, die haar bedreef, de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt.

Niet alle zonde of afwijking is aanleiding of oorzaak van kerkelijke tucht, hetgeen ook wel eigenlijk vanzelf spreekt, omdat anders geen enkel lid der gemeente van kerkelijk tucht vrij zou blijven, aangezien er niemand is, die niet in vele struikelt (Jac. 3: 2). Dan zou de geheele gemeente onder kerkelijke censuur moeten staan. Daarom wordt er bijgevoegd, dat de zonde ergernis moet gegeven hebben. Zoo is dan ook altijd de practijk van de Gereformeerde kerken geweest.

Kerkelijke tucht is nooit toegepast op verkeerde dingen, op verkeerde meeningen en opvattingen, op verkeerde handelingen of practijken, die gewoonlijk geen ergernis geven. Zoo bijv. wanneer iemand uit onkunde met betrekking tot de Schrift en de belijdenis telkens afwijkende meeningen voorstaat. Dat geeft dan aanleiding om hem te onderwijzen, niet om eene kerkelijke procedure tegen hem in te stellen, ten minste als het werkelijk uit onkunde en onwetendheid geschiedt: immers op zoodanige manier zondigt ieder, ook de meest kundige en de verst gevorderde, omdat niemand alle consequenties doorziet.

Evenmin is geoordeeld, dat kerkelijke tucht moet toegepast worden bij alle ijdele woorden, door iemand gesproken. Zeer zeker zijn dat zonden, maar die aanleiding tot vermaning geven. Evenmin bij de zoogenaamde „zwakheden”, ἡττήματα, in gedrag en omgang met anderen, bij karakterfouten, die in woord en daad naar buiten openbaar worden, en voorts ook bij uitbarsting van drift en hartstocht bij menschen van een driftig karakter. Wel is waar zijn dit alle afwijkingen, die zeer zeker met Gods Woord in strijd zijn, maar die in het algemeen geen ergernis geven, want ieder wijkt telkens op zoodanige wijze zelf af. Daartoe zijn ook altijd gebracht klachten, die bij den kerkeraad inkwamen over het onvermogend zijn om schulden te betalen. Het was ook vaak een niet ongewoon verschijnsel, dat schuldeischers gaarne van den kerkeraad wilden gebruik maken als een middel om zonder kosten hun schulden betaald te krijgen. Daarvoor werd dan steeds door den kerkeraad naar den civielen rechter verwezen. Ook kon het, als door den schuldenaar werd toegestemd dat hij schuldig was, gevolg van onvermogen zijn,

|57|

en als iemand uit onvermogen zijne schulden niet betalen kan, dan is daardoor nog niet uitgemaakt, dat hij de kerkelijke gemeenschap onwaardig is. Een ander geval is het, wanneer er bedrog in ’t spel is, en dit in foro civili gebleken is.

Deze eisch van openbare ergernis is altijd vast te houden bij de toepassing van kerkelijke tucht. Het is vooral noodig bij kleine gemeenten en menschen, die met betrekking tot dit punt zelf niet nagedacht hebben. Bij hen is dikwijls de meening, dat kerkelijke straf moet gaan over wat met Gods Woord strijdt. Dit schijnt logisch, maar de manier, waarop dingen, die met Gods Woord strijden, moeten te keer gegaan worden, ligt niet enkel in de toepassing van kerkelijke tucht. Kerkelijke tucht is het uiterste middel en niet het gewone middel. Het gewone middel, waardoor de heerschappij van Gods Woord gehandhaafd en bevestigd wordt, is de dienst des Woords en private leering, vermaning en waarschuwing. Die is hij elke afwijking zeer zeker noodig om met het Woord in de hand de afwijking te bezweren. Men moet dan den eersten sleutel van het Koninkrijk der Hemelen gebruiken, en niet den tweeden. Verwarring tusschen die beide moet voorkomen worden.

Eene uitzondering, waarin kerkelijke tucht ook niet is toe te passen, is altijd geoordeeld te bestaan bij het geval van misdadigers, die ter dood veroordeeld waren. Komt dat thans niet meer voor, vroeger kwam zulk geval gedurig voor. Op de zoodanigen is nooit kerkelijke tucht toegepast, omdat men zei, dat zij tengevolge van den dood binnen enkele dagen toch aan de gemeente zouden ontvallen. De vrees was dus buiten gesloten, dat door hen de gemeente besmet zou worden of schade zou lijden. Gevallen van gevangenisstraf zijn van anderen aard, want de gevangene kan na verloop van tijd uit de gevangenis terugkeeren en zijne rechten als lid der gemeente geldend maken.

In de derde plaats is vooral toepassing van kerkelijke tucht noodig bij het hardnekkig verwerpen van de kerkelijke vermaning, de contumacia, zooals men het noemde. Daarop valt eigenlijk de meeste nadruk, in die mate zelfs, dat Voetius zegt: „quae sola est causa proxima disciplinae; qua posita ponitur, et qua ablata aufertur”, Pol. Eccl., Dl. IV, p. 864. Ook in de kerkenordening, gelijk reeds in voorgaande artikelen gezien is, is dit hoofdzaak. In de vorige artikelen is toch aangeduid: waar geen verwerping van vermaning plaats heeft, maar berouw getoond wordt, daar zal de zaak niet bij den kerkeraad gebracht worden, maar privatelijk worden afgedaan. Hier in art. 76 is sprake van een geval, waarin de zaak bij den kerkeraad is, omdat de private vermaning verworpen werd of anderszins de zaak openbaar is. Nu wordt ook de vermaning van den kerkeraad verworpen. Dit laatste is dan de eigenlijke reden van de

|58|

toepassing der censuur. Zoodanige verwerping van de kerkelijke vermaning kan òf meer negatief òf meer positief zijn. Meer negatief wordt zij openbaar, wanneer iemand stilletjes in zijne zonde of afwijking voortgaat, zonder zich te storen aan wat hem van wege de kerk wordt voorgehouden; meer positief, als iemand ook tegenspreekt, in verzet komt, uitspreekt zich er niet aan te storen, of wanneer hij het recht van den kerkeraad ontkent zich met de zaak te bemoeien of te vermanen en te waarschuwen en met excommunicatie te bedreigen. Dit laatste geval is natuurlijk het ergste. Bij het negatieve geval is ook verwerping, maar niet in zoo ergen graad. Daarbij kan nog meer geduld geoefend worden.

Hardnekkige verwerping van de kerkelijke vermaning is de eenige reden voor de toepassing van kerkelijke tucht, omdat waar zulke hardnekkigheid niet gevonden wordt, maar daarentegen berouw getoond en schuld beleden wordt, eigenlijk van tucht geen sprake meer kan zijn. De Schrift leert duidelijk, dat God den berouwhebbenden zondaar in genade aanneemt; en als God iemand in genade aanneemt, dan mag de kerk niet anders oordeelen dan God zelf en de zonde iemand willen houden. Als God de zonde uitgewischt heeft, moet zij ook voor de kerk uitgewischt zijn. De eigenlijke reden, waarom menschen voor eeuwig verloren gaan, ligt niet in hun zonden, maar in hun ongeloof en verwerping van den Christus. Zoo ligt ook de eigenlijke reden, waarom iemand onder kerkelijke censuur komt, niet in zijne afwijking of zonde, maar in de hardnekkigheid, waarmede hij in zijne zonde volhardt en haar volhoudt. Er moet hardnekkigheid gebleken zijn, bestaande in de verwerping der vermaning, tenzij de afwijking zoo evident is en openbare ergernis geeft, dat om de gegeven ergernis toch censuur moet worden toegepast. Maar anders mag men in de meeste gevallen niet overgaan tot censuur, tot afhouding van het Avondmaal, zoo niet beproefd is den afgewekene langs den, weg van vermaning tot berouw, schuldbelijdenis en bekeering te brengen.

Dit was de practijk van den oudsten tijd af. Bij opzettelijke verwerping der vermaning moet het uiterste gedaan worden. Bij inzage van de notulenboeken van kerkeraden uit de 16de en het begin der 17de eeuw, uit de eerste eeuw der Reformatie, verwondert men zich over het groote geduld, waarmede de kerkeraad iemand telkens en telkens weer aansprak en vermaande, ook als verzet en hardnekkigheid openbaar werd. Vooral vroeger gebeurde het vaak, toen de meer aanzienlijken tot de Gereformeerde kerk behoorden, dat iemand, die voor den kerkeraad geciteerd was, brutaal werd en zeide met den kerkeraad niets te maken te hebben. Dan werd hem eene tweede boodschap gezonden. Gaf hij dan weer zulk bescheid, dan kreeg hij

|59|

een derde boodschap of brief. Dan werd er eene deputatie gezonden, en werd die afgewezen, nog eene tweede en derde. Eerst als dan bleek, dat iemand noch door brief, noch door deputatie te bereiken was, constateerde men hardnekkigheid en werd tot kerkelijke tucht overgegaan. Dit geschiedde dan, omdat hardnekkigheid in het volhouden gebleken was, en hierin liet hoofdmoment lag, waarom kerkelijke censuur was toe te passen.

Dit is een hoofdbeginsel bij de Gereformeerde toepassing van kerkelijke tucht; daarom staat het in de kerkenordening. Waar die hardnekkigheid niet is, is van toepassing van tucht geen sprake. Afhouding van het Avondmaal kan daarom nog wel, maar dit is geen tuchtmiddel en geschiedt om de ergernis aan de gemeente gegeven en om aan de gemeente de betering des levens binnen een zeker tijdsverloop te doen blijken, ook om den naam des Heeren bij die buiten zijn niet te doen lasteren. Niemand, die oprecht berouw heeft, zal daartegen bezwaar maken, om daardoor juist de oprechtheid van zijn berouw te toonen.

Het artikel spreekt alleen van afhouding van het Avondmaal.

Naar aanleiding hiervan is de vraag gedaan of iemand, die op zoodanige wijs gecensureerd is, dus enkel en alleen van het Avondmaal is afgehouden, ook nog als gecensureerde kerkelijke rechten en voorrechten heeft, dan wel of hij, van het voorrecht des Avondmaals verstoken zijnde, ook tijdelijk geschorst is in de andere rechten en voorrechten.

Antwoord: Nooit kan in natuurlijken zin gezegd worden, dat hij dan een recht of voorrecht zou verloren hebben, want afhouding van het Avondmaal stoort nooit in bezit, maar in gebruik van rechten. Hij verliest niet de κτῆσις, maar de χρῆσις. De κτῆσις van rechten en voorrechten wordt eerst bij excommunicatie ontnomen, want dan verliest iemand het recht zelf. Bij afhouding van het Avondmaal wordt het gebruik der rechten ontnomen.

Met name is die vraag gesteld met het oog op het stemrecht. Met betrekking tot andere rechten en voorrechten zal er niet licht quaestie komen. De vraag bijv., of zulk een gecensureerde benoembaar is tot onderling, zal niet licht voorkomen. Dan wordt er zelfs niet aan gedacht op hem de aandacht te vestigen. Het zou dwaas zijn. Met betrekking tot het stemrecht gaat het in onzen tijd gewoonlijk nog minder over het stemrecht voor kerkelijke bedieningen (ouderlingen en diakenen) dan wel voor stoffelijke zaken. In sommige kerken wordt dit laatste stemrecht aan gecensureerden toegestaan, bijv. laat men een gecensureerde meehandelen bij benoeming van kerkelijke administrateurs, in zaken van kerkelijke rekeningen of andere administratieve acte. Dit is echter begripsverwarring. Wie van het Avondmaal afgehouden is, is tijdelijk afgehouden

|60|

van de nauwere gemeenschap der kerk, wordt tijdelijk extra communionem geplaatst. Wie nu extra communionem geplaatst is, kan niet in een ander opzicht beschouwd als intra communionem te staan. Men is er òf binnen òf buiten. Men kan niet zijn half buiten of half binnen.

In den aard der zaak ligt dus, dat censuur als afhouding van het Avondmaal ook van zelf schorst en suspendeert het gebruik van alle andere rechten. Dat volle excommunicatie dat doet, spreekt van zelf. De geëxcommuniceerde is als de heiden en de tollenaar. Maar afhouding van het Avondmaal is tijdelijke en voorloopige excommunicatie. Wie tijdelijk van het Avondmaal is afgehouden, verliest dus tijdelijk het gebruik van zijne kerkelijke rechten.

Ook zijn er nog andere redenen aan te voeren. Bijv. de goede naam van de gemeente zou er onder lijden, en ook het belang der zaak door een scheef oordeel van den gecensureerde, geïnfluenceerd als hij is door zijne censuur. Wie tijdelijk buiten de communio staat, heeft geen rechten van de communio.

 

Wanneer de afhouding van het Avondmaal naar Art. 76, 1e gedeelte, ten gevolge heeft, dat de afgehoudene tot betooning van berouw en inkeer komt, dan geldt natuurlijk art. 75, waar sprake is van de verzoening, wanneer zekere teekenen der boetvaardigheid gezien worden. Dan geldt dus, dat de afgehoudene van het Avondmaal „weer met de gemeente verzoend wordt”, hetgeen de uitdrukking is, die oudtijds daarvoor gebruikt werd, omdat door de openbaarheid en de hardnekkigheid der zonde iemand geacht werd een vijand der gemeente te zijn. Deze verzoening geschiedde openbaar, voor den kerkeraad, of commissie van den kerkeraad, naar dat de kerkeraad het best oordeelde, volgens art. 75, zooals bij de behandeling van dat artikel gezien is. Daartegen, wanneer na afhouding van het avondmaal geen teekenen van boetvaardigheid gezien worden en men in zijne zonde of afwijking volhardt, of, waar het zonde is, die afgeloopen is, zodat er dus van volharding geen sprake kan zijn, men geen berouw of schuldgevoel toont, dan moet door den kerkeraad voortgeprocedeerd worden.

Daarvan wordt gesproken in het 2e gedeelte van art. 76: „En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe”.

Hier wordt dus als regel aangegeven, dat wanneer een afgehoudene van het Avondmaal geen teekenen der boetvaardigheid geeft, de kerkeraad nog weer voortgaan zal met vermanen

|61|

en dat wel niet eenmaal, maar bij herhaling, want er is sprake van verscheidene vermaningen. Aan de afhouding van het Avondmaal zelve hebben ook vermaningen moeten voorafgaan, maar hebben ze niet geholpen, dan moeten ze nog weer volgen.

Uit de bepalingen over de tucht blijkt, dat regel der Gereformeerde kerken was en is, om hij de toepassing van discipline niet overhaast te werk te gaan. Juist daarom werd zoo met nadruk op den voorgrond gesteld, dat aan afhouding van het Avondmaal eerst vermaning moet voorafgaan, en dat het eigenlijk de verachting der vermaning is, waarom kerkelijke tucht toegepast wordt; en juist daarom volgt op de bepaling van afhouding van het Avondmaal dat men niet aanstonds tot excommunicatie voortprocedeert, maar dat nog weer verscheidene vermaningen moeten plaats hebben.

Van den beginne af hebben de Gereformeerde kerken op dit punt in meer dan één opzicht strijd te voeren gehad, want de regel en de practijk van onderscheiden secten, die zich ook bij de Reformatie aansloten, was anders.

Bij de Anabaptisten en voorts alle Doopersche kringen in het algemeen gold de regel, om, zoo spoedig als bleek, in het oordeel der gemeente, dat iemand in een of ander opzicht was afgeweken, dan ook aanstonds tot excommunicatie over te gaan. Bij de Dooperschen is men met excommunicatie heel spoedig bij de hand. Uit de geschiedenis blijkt dit hieruit, dat die kringen zich in een aantal kleinere kringen oplosten en deze ook weer zich in verschillende kringen splitsten, hetgeen ten slotte tot vernietiging van alle Doopersche kringen had geleid, indien er niet een geest van bezadigdheid en gematigdheid bij de volgelingen van Menno Simons geweest ware.

Een soortgelijke strijd op anderen grond en tegenover andere tegenstanders is in de 17de eeuw door onze Gereformeerde kerken gestreden op het stuk van tucht naar aanleiding van en tegenover het optreden van Jean de Labadie, den Waalschen predikant van Middelburg, die gelijk bekend is zich tot levensroeping en taak stelde de reformatie van de Gereformeerde kerken, die meer of minder gedeformeerd waren. Bij hem en zijne volgelingen was geenszins de stelling om bij de toepassing van kerkelijke tucht niet overhaast te werk te gaan; bij hen was juist de luid uitgesproken klacht, dat de Gereformeerde kerken zoo goed als in het geheel geen kerkelijke tucht toepasten en vooral in de grootere plaatsen slechts een samenraapsel waren van allerlei soort van menschen, waaronder maar een enkel Christen voorkwam, alleen ten gevolge van de verslapping der kerkelijke tucht. Volgens hen zat er in den diep vervallen toestand der kerken niets anders op, dan op de meeste plaatsen de geheele massa maar onder de tucht te stellen en te excommuniceeren. En uit die enkelen, die er dan nog uitgehaald zouden worden, zou

|62|

dan de gemeente worden opgebouwd. Op groote plaatsen zou er op deze wijze niet veel van terecht komen. In den Haag bijv. zouden er dan maar hoogstens zes personen opgenomen zijn, waaruit dan de gemeente had moeten opgebouwd worden. Op kleine plaatsen zou dat iets beter gaan.

Volgens hen was ten gevolge van de verslapping der tucht, van de kerk niet veel meer te verwachten. Daartegenover hebben de Gereformeerde kerken haren regel en practijk gehandhaafd. De Gereformeerde kerken deelden niet de meening van de Labadie over de wederkomst van Christus, alsof deze zeer zeker binnen kort gekomen zou zijn. De Labadie was Chiliast. Alle redeneering van hem met het oog op de stellige en zekere wederkomst van Christus binnen zekeren tijd, werd met een beroep op de schríft ter zij gesteld. Ten opzichte van de kerkelijke tucht herinnerden de Gereformeerden eraan, wat de H. Schrift leert van Gods lankmoedigheid, omtrent het oordeel van den eenen mensch over den ander; dat altijd naar den aard der liefde moet geoordeeld, en dat niet verondersteld mag verkeerde zin of gezindheid zonder teeken en bewijs daarvoor, en dat men eer het goede dan het kwade van iemand onderstellen moet; dat door de handeling van de Labadie de ongeloovigen, ook de hypocrieten zeer zeker uit de kerk zouden verwijderd worden, maar ook de geloovigen. Dit nu mag niet. En aangezien aan niemand der menschen kennis des harten gegeven is, zou eene kerk, als de Labadie wilde, dan ook nog uit ongeloovigen kunnen blijken te bestaan, gelijk in de geschiedenis gebleken is.

In dien strijd is van de eene zijde vooral door de Labadie zelf zijn gevoelen uiteengezet in verschillende boekjes; aan den anderen kant hebben vooral Voetius en na hem à Brakel zich daartegenover gesteld. Voetius kon er ook op wijzen, dat de voorstelling van de Labadie, alsof de Gereformeerde kerken in het geheel geen tucht oefenden, onwaar was. Hij kon o. a. van Utrecht getuigen, dat er daar geen Avondmaalsviering voorbij ging, waarvoor niet 10 à 20 gevallen van toepassing van kerkelijke tucht plaats hadden. In andere plaatsen geschiedde desgelijks. Die beschuldiging werd dus afgewezen.

Toch blijkt uit den geheelen strijd op dit punt, dat er in den aanvang en het begin van het optreden van de Labadie wel een element van waarheid was. In Utrecht zelf werd dit door den predikant Van Lodensteyn toegestemd, die den laatsten tijd van zijn leven nooit het Avondmaal wilde bedienen, waarin hij zeer zeker ongelijk had. Maar toch dacht hij zoo over de kerk, dat zij in bedorven toestand verkeerde.

De verklaring van het verschijnsel, dat in de Gereformeerde kerken de toepassing der kerkelijke tucht te wenschen overliet, ligt in de omstandigheid dat de Gereformeerde kerk in eere was, de eenig bevoorrechte in den lande. Ieder die meetellen wilde, moest

|63|

er toe behooren. Dit was zoo van de 16de eeuw af. Evenals sedert Constantijn den Groote aan de Christelijke kerk in het algemeen. zoo waren ook sedert de 16de eeuw aan de Gereformeerde kerk uitwendige voorrechten verbonden. Velen was het alleen om die uitwendige voorrechten te doen, hetzij met bewustheid of onbewust. En zoo behoorden allen tot de kerk. Maar de wereld was in de kerk gekomen. De Gereformeerde kerk was de volkskerk, de eenig gedulde kerk. Het gevolg van die positie der kerk was, dat de toepassing van kerkelijke tucht zeer moeilijk werd, en dat er zeer veel geestelijke kracht toe behoord zou hebben om in dien toestand de kerk zoo zuiver te houden, als zij onder ’t kruis was. Het blijven voortduren van dien toestand der kerk bleef oorzaak voor de omstandigheid, dat er veel leden in de kerk waren, die er niet in thuis hoorden, en dat de kerkelijke tucht daartegenover vaak machteloos bleek te zijn. Hoe meer de innerlijke kracht der kerk afnam, des te meer was er verslapping van kerkelijke tucht. Aan de andere zijde stond de oppositie van de Labadie een de zijnen. Telkens ontstonden er in overeenstemming met meening van de Labadie kringen, die zich losmaakten uit de ingezonken kerk en eene zuivere kerk instelden.

Wat nu in den strijd met de Labadie de positie der Gereformeerde kerken betreft, hadden zij in beginsel gelijk, dat de Labadie veel te summierlijk met de kerkelijke tucht wilde omspringen en toepassing ervan wilde op eene wijze, waartoe de Schrift geen aanleiding en recht gaf, tot verderf en tot schade van de kerken in plaats van tot zegen. Goed was, dat de Gereformeerde kerken vasthielden aan den regel, om met betrekking tot de kerkelijke tucht het „festina lente” toe te passen. Schade kon dit niet hebben, wanneer men, zoolang de zaak hangende was, afhouding van het Avondmaal toepaste, een maatregel, zooals in het burgerlijke leven in preventieve gevangenschap voorkomt. Het „festina lente” mag niet ontaarden, zoodat het „lente” alleen overblijft en het „festina” achterblijft. Langzaam voortvaren met toepassing van kerkelijke tucht zegt nog niet, dat er in het geheel geen voortgang met kerkelijke tocht wordt gemaakt. Niet overhaast te werk gaan, maar langen tijd door middel van vermaning op den afgewekene inwerken, is het beginsel bij Gereformeerde toepassing van kerkelijke tucht.

Voor het overige bevat dit artikel over de afhouding van het Avondmaal en over de wijze, waarop tot excommunicatie moet overgegaan worden, als artikel, dat over den gang van zaken der kerkelijke tucht handelt, geen verderen regel en voorschrift over den vorm van procedure.

In het kerkelijke is het te dien aanzien geheel anders gesteld dan in het burgerlijke, waar de manier van procedeeren en rechtspraak tot in de kleinste bijzonderheden toe bepaald is,

|64|

en waar alle magistraten en rechters aan de voorgeschreven vormen stipt gebonden zijn, op poene, dat hunne handelingen anders van nul en geener waarde verklaard worden. In het burgerlijke is een Wetboek van Rechtsvordering en Strafvordering, en aan die vormen zijn alle Overheden en ambtenaren gehouden. In het kerkelijke bestaat dit niet. Met opzet heeft men zich in het kerkelijke daarvan onthouden, althans in de Gereformeerde kerken, want wel is waar zijn er kerken met zulk soort van wetboek. In de Roomsche kerk is de vorm van procedeeren bepaald en genoegzaam ontwikkeld. Ditzelfde is het geval bij de Episcopaalsche kerk in Engeland en bij de Luthersche kerken in Duitschland, waar de Overheid zelf den vorm van procedeeren in alle bijzonderheden bepaalt, en het kerkelijke geheel geschoeid is op de leest van het burgerlijke. De Gereformeerden onthouden zich daarvan, omdat recht en straf op kerkelijk terrein geheel anders van aard zijn dan op burgerlijk gebied. Kerkelijke tucht is iets anders en bedoelt iets anders dan burgerlijke straf, omdat bij kerkelijke discipline ontbreekt, wat de eigenlijke ziel en zenuw in het burgerlijke is, n.l. de dwingende macht en autoriteit.

Soms is het wel in de Gereformeerde kerken beproefd, ook een nauwkeurig omschreven vorm van procedeeren in het leven te roepen. Zelf hebben hier te lande in enkele provinciën de Staten der provincie dien dan vastgesteld, bijv. in Utrecht was een soort reglementje door de Staten gemaakt, behelzende de manier waarop moest worden geprocedeerd. In de meeste provinciën kwam niets dergelijks voor, en waar de Staten dit bepaalden, hielden de kerken zich er aan, voor zoover het oorbaar was. Regel was voor de kerken geen bepaald voorgeschreven vorm te willen.

Dit geschiedde niet om op kerkelijk gebied eene zekere willekeur te huldigen en meer plaats te geven aan subjectivisme en individualisme, maar omdat op kerkelijk gebied zulke vaste regelen niet te geven zijn. Op kerkelijk gebied is te handelen naar eenmaal vastgestelde beginselen, en voorts naar gelang van omstandigheden, welke omstandigheden duizendvoudig kunnen verschillen.

Bij kerkelijke tucht is op allerlei te letten, om daarna te concludeeren tot al of niet toepassing van tucht, en welk soort van toepassing men wenschelijk acht. Er moet bij toepassing van kerkelijke tucht niet alleen gerekend worden met den aard der zonde, die begaan is, maar ook met de verscheiden manier, waarop daarover in eene bepaalde kerk, in bepaalde streken, in bepaalde tijden geoordeeld wordt.

Dezelfde soort van afwijking kan en moet in het eene geval veel strenger behandeld worden dan in het andere geval. Er is te rekenen met de personen, met de positie, die zij in de

|65|

kerk bekleeden, met wat met betrekking tot hen reeds al of niet is voorgevallen, welk uitzicht of verwachting zij geven voor de toekomst van rust of goed gedrag, of het tegendeel. Er is mede te rekenen, of moeilijkheden van schisma en scheurmakerij te verwachten zijn, en of de Schrift zachtere toepassing van kerkelijke tucht veroorlooft. Op kerkelijk gebied komt bij de toepassing van tucht eene groote mate van Christelijke wijsheid en voorzichtigheid te pas. Evenzoo bestaat er voor de toepassing van tucht in het huisgezin geen boek van procedure, waarnaar vader of moeder zich te richten hebben; voor de toepassing van tucht in de school bestaat er och geen vaste code van bepalingen, waarnaar te handelen is. Telkens toch zou afwijking noodig zijn.

Wel is noodig, dat degenen, die de kerkelijke tucht hebben toe te passen, eenige rechtsbeginselen hebben, die zij handhaven als recht, wat men noemt „rechtsbesef”. Zonder studie van recht gemaakt te hebben, heeft men die; verder vinden zij van zelf „Anklang” in de menschelijke consciëntie en het zedelijk gevoel. Bijv. het beginsel: niemand ongehoord te veroordeelen. Ieder gevoelt hiervan de waarheid en het recht, ook al staat het niet in de kerkenordening. Dit is een algemeen beginsel, dat altijd gelden moet; de toepassing hiervan hangt van omstandigheden af. Een tweede zoodanig beginsel is, dat niemand in zijn eigen zaak, of in eene zaak, waarbij hij naaste betrekkingen heeft, bijv. vader of kinderen, een volkomen betrouwbaar getuigenis kan afleggen.

Deze beginselen, algemeen erkend, gelden ook bij de kerkelijke tucht. Bij die, rechtsbeginselen zijn andere beginselen van kerkelijke tucht aangewezen, waartoe de kerkenordening zich bepaalt. De toepassing dier beginselen wordt aan de kerkelijke vergadering overgelaten. Toepassing van tucht, wat den vorm van procedeeren aangaat, geschiedt naar algemeene rechtsbeginselen, en deze beginselen ten aanzien van de tucht zijn in de kerkenordening aangegeven.

Dit geeft natuurlijk in de praktijk wel moeilijkheden. Vaak is er op het platte land een ouderling, die van toepassing van beginselen niet weet. Die niet oordeelen kan, omdat het hem ontbreekt aan helder inzicht. Voor hem helpt dan veel de zoogenaamde kerkelijke usantie. Dan moet het gaan, zooals de zaak vroeger reeds behandeld is, terwijl langzamerhand een soort gewoonterecht zich vormt. In dubieuse gevallen staat een beroep op de Classe open. Dit is altijd aan te raden. Als men niet weet, hoe men handelen moet, moet men òf anderen òf de Classe om advies vragen.

Soms zijn er enkele punten, waarover kerkelijke bepalingen bestaan, al staat het niet in de kerkenordening. Eén punt moet door de kerken nader bepaald, n.l. hoe lang het beroep op eene meerdere vergadering toegelaten is; hoe lange tijd tot het

|66|

beroep op eene meerdere vergadering mag verloopen. Dit staat niet aangegeven in de artikelen over de tucht. In de kerkenordening staat in art. 31 de algemeene bepaling over appèl. Dit ziet natuurlijk ook op elke uitspraak in zake tucht. Ieder, die in zaken van tucht zich over de uitspraak van eene kerkelijke vergadering beklaagt, kan zich beroepen op eene meerdere vergadering, van den kerkeraad op de Classe, van de Classe op de Particuliere Synode en van de Part. Synode op de Generale Synode. Niet is bepaald, dat dit binnen eenen zekeren termijn moet geschieden. Sommigen verklaarden het daarom aldus, dat het zonder inachtneming van termijn geschieden kan. Zoo zou men na jaren en dagen zich kunnen beroepen. Doch dit kon niet toegelaten. Beriep men zich bijv. na tien jaren, dan is het niet meer mogelijk de zaak te onderzoeken. Ook is er dit bezwaar, dat bij een beroep op de meerdere vergadering de zaak voor iemand die zich beroept, in statu quo moet blijven en zoo min mogelijk gepreajudicieerd. Dit in state quo blijven nu kan niet altijd geschieden. Is er periculum in mora, dan kan de kerkeraad en Classe bepalen: de uitspraak treedt terstond in werking, ongeacht appèl. Bij beroepszaken komt dit wel voor. Daarom is het toch noodig eenen bepaalden termijn te stellen. Ook de kerken achtten dit noodzakelijk, want vrij algemeen is men bijna in alle Classen tot soortgelijke bepalingen gekomen. De termijn mag niet zoo bepaald, dat er niet meer dan een bepaald aantal dagen na de uitspraak verloopen mag zijn, zooals in het Hervormd Genootschap, want dan is de quaestie, wanneer die uitspraak of besluit ter kennisse gekomen is. Voorts is er geen reden voor, waarom men dan veertien dagen en niet een langer tijd zou stellen. Dit toch is dan geheel willekeurig. Onze Geref. kerken bepaalden daarom dezen regel: Iemand mag zich beroepen binnen den tijd tot de eerstvolgende meerdere vergadering binnen den tijd, die er verloopt van de kerkeraadsvergadering tot den tijd, waarop de Classe gehouden wordt. Dus altijd blijft het binnen den tijd van drie maanden bij liet beroep van den kerkeraad op de Classe. Als nu na drie maanden eerst de meerdere vergadering samenkomt en men zich bijv. binnen een maand of slechts veertien dagen beroepen mag, dan blijft het beroep immers toch twee of meer dan twee maanden liggen, want het gebeurt niet altijd, dat onmiddellijk de meerdere vergadering vergadert. Volgt die wel dadelijk, dan moeten er natuurlijk eenige dagen verloopen kunnen. Dus is de termijn voor appèl: tot de eerstvolgende meerdere vergadering. Dergelijke bepalingen zijn er gemaakt met betrekking tot Classes, Provinciale en Generale Synoden. Het aantal is weinig. Zaak is het, zoo weinig mogelijk te bepalen. Vele van zulke zaken regelen zich door usantie. Is het geen bepaling, dan is het ook geen wet van Meden en Perzen en blijft er vrijheid om anders te

|67|

handelen. Eene vaste procesorde in kerkelijke tucht is door de kerken niet vastgesteld. Er zijn alleen in de kerkenordening eenige beginselen aangegeven.

Uit die beginselen laten zich nog wel eenige algemene regelen afleiden, die altijd en immer bij toepassing van tucht zullen te volgen zijn: zooals dan ook in alle handboeken van Gereformeerd kerkrecht geschiedt.

Zoo is algemeene regel bij alle toepassing van kerkelijke tucht, dat de kerkeraad of eenige andere kerkelijke vergadering (Classis of Synode), die over de toepassing van kerkelijke tucht zal handelen, eerst de zaak gereedelijk moet onderzoeken, voordat hij een besluit neemt. Aan alle toepassing van kerkelijke tucht moet behoorlijk onderzoek voorafgaan. Dat staat we niet met zooveel woorden in de kerkenordening, maar het ligt in den aard der zaak. Het vloeit voort uit den algemeenen regel, dat voor ieder oordeel onderzoek noodig is, en dat bij toepassing van kerkelijke tucht naar recht moet gehandeld, en dat nooit naar recht geoordeeld kan worden, als hij, die het oordeel uitspreekt, niet de hoogte van de zaak is. Met betrekking tot dit onderzoek kunnen zich zeer onderscheiden vragen voordoen, die in de practijk wel eens tot moeilijkheden aanleiding geven. Zoo bijv. de vraag, of het onderzoek, dat een kerkeraad in te stellen heeft naar aanleiding van eene ingekomen klacht, enkel loopen moet over den inhoud der klacht of zich ook verder kan uitstrekken. In het burgerlijke is de rechter gebonden aan den inhoud van de klacht; en, indien de aanklacht verkeerd geformuleerd is, kan daarop zelfs geen veroordeeling volgen. In het burgerlijke is dat om goede redenen terecht ingesteld en zeer goed te verdedigen. Op kerkelijk gebied staat de zaak anders. Want daar is de kerkeraad gehouden opzicht te houden en dus ook tucht te oefenen, indien de aanwezigheid van ergerlijke misstanden tot zijne kennis komt, ook al geschiedt dit eerst bij het onderzoek naar een ander feit. Als de kerkeraad bij het onderzoeken van eene klacht bemerkt, dat er nog meer ten laste van den beklaagde is, dan mag hij dit niet ter zijde laten, maar moet hij ook daarnaar onderzoek doen. De omvang van het onderzoek is dus niet bepaald door den inhoud van de klacht.

De kerkeraad moet alles doen, wat meewerken kan tot het drieërlei motief der kerkelijke tucht. Het is bij de kerkelijke tucht er om te doen om den Naam des Heeren heilig te houden, ergernis van de gemeente te weren, en den zondaar tot berouw en bekeering te brengen. Daartoe moet steeds kerkelijke tucht dienen en zal de kerkeraad haar toepassen.

Eene andere vraag, die vaak in de praktijk voorkomt, is, op welke wijze de kerkeraad onderzoek moet doen naar de al of niet juistheid van de ingediende klacht. De algemeene regel is, dat dit onderzoek zooveel mogelijk in stilheid, met

|68|

voorzichtigheid en met inachtneming van de eer en waardigheid der kerk moet worden ingesteld. Daarmede zou het geheel strijden, wanneer aan eene aanklacht, die bij den kerkeraad inkwam, of aan de aanvankelijke resultaten van het ingestelde onderzoek onnoodig publiciteit werd gegeven. In zaken van tucht is het dan ook altijd kerkelijke gewoonte geweest discretie en stilzwijgendheid aan de opzieners op te leggen. Het betaamt niet, dat de opzieners zelf aan misstanden in de gemeente onnoodig ruchtbaarheid geven. Dit zou niet zijn tot eere des Heeren en tot heil der gemeente, maar tot spot der tegenstanders en eerder tot verbittering en afschrikking van den afgewekene dan tot verbetering en naderbrenging. Deze regel geldt bij alle tucht. Zelfs een vader of moeder zal niet zonder noodzaak naar buiten spreken over gebreken der kinderen of van leden der familie. Ditzelfde geldt ook in de kerk. In overeenstemming daarmede is openbaarheid van onderzoek niet wenschelijk, maar moet ruchtbaarheid vermeden. Geheel vermijden kan men haar natuurlijk niet; want personen, die er weinig van wisten, moeten er mede in kennis gesteld worden. Doch het moet niet een geruchtmakend onderzoek zijn, zoodat aan alles te merken is, dat men aan het onderzoeken is. Alleen de kerkeraadsleden hebben er mede te maken; en degenen, die de kerkeraad bij dat onderzoek gebruikt, hebben alleen aan den kerkeraad te rapporteeren en niet met anderen daarover te spreken.

De zaak moet allereerst onderzocht bij den persoon zelven. Verder moet een onderzoek ingesteld bij hen, die zoo iemand aan de geïncrimineerde feiten schuldig weten. Getuigen moeten dus gehoord; maar daarbij moet ieder, die van wege den kerkeraad onderzoekt, goed toezien, dat hij de eer der kerk niet door het slijk sleept. Hij moet dan geen getuigen gaan hooren, die volkomen, onbetrouwbaar zijn, en die door hunne mededeeling de kerk zonder noodzaak in kwaden naam zouden brengen. Het geval doet zich dikwijls voor, als iemand beschuldigd wordt van dronkenschap, echtbreuk of ontucht, dat dan in zoodanige zaak zouden kunnen getuigen kroeghouders, slijters of houders van verdachte huizen, of vrouwen van verdachte zeden. Bij burgerlijke zaken kunnen alle menschen getuigen. Men bindt hen onder eede, en voor meineed zijn er strafbepalingen gesteld. Eene kerk echter kan niet oproepen en dwingen tot getuigen, mag geen eed opleggen, heeft geen strafbepalingen voor een valsch getuigenis, en moet haar eigen eere ophouden, door zich niet in al te nauwe aanraking en betrekking te stellen tot menschen van een ergerlijk leven. De kerk wint geen getuigenis in van menschen, die een ergerlijk leven leiden, aan wier getuigenis geen waarde kan toegekend worden.

Er is wel eens gezegd, dat als absolute regel gelden moet, dat ieder getuigenis voor den kerkeraad van een lid der kerk afkomstig moet zijn, en dat het getuigenis van ergerlijke

|69|

personen gansch ter zijde moet worden gelegd, alsof het niet ingekomen was; zelfs dat men geen getuigenis hooren mag van iemand, die niet lid is van de kerk. Dit is te veel gezegd. Men gaat niet af op het getuigenis van ergerlijke personen, maar er hunnen omstandigheden zijn, dat men er mede rekenen moet, om zich daardoor te laten leiden, om daaraan vragen te ontleenen, die men aan den beschuldigde doen kan. Getuigenis van onbesproken eerlijke menschen, die geloofwaardig, maar geen leden der gemeente zijn, mag niet verworpen worden, zij het tot ontlasting of tot bezwaring. Wordt de beklaagde daardoor ontlast, dan moet men hem door zulk een getuigenis weer in zijne eer herstellen. Het moet om de waarheid te doen zijn. Zulk een absoluten regel te stellen is dus verkeerd. Wel moet men voorzichtig zijn met het afgaan op getuigenis van niet-leden, en zich nooit wenden tot menschen van ergerlijk leven of hun getuigenis aannemen.

Vaak komt het ook in de practijk voor, dat de een den ander tegenspreekt. Gevraagd is, hoe men dan handelen moet, of men de getuigen dan tegenover elkander hooren moet, gelijk men in het algemeen beklaagde en getuige tegenover elkander hoort. Beginsel is, dat de kerkeraad zoveel mogelijk de waarheid moet te weten komen. Daarom dient hij de tegenstrijdige getuigenissen tot klaarheid te brengen en zoo noodig de getuigen tegenover elkander te hooren. Bij zulk een verhoor is altijd groote voorzichtigheid en bedachtzaamheid noodig, om niet uit zulk een verhoor nieuwe quaesties en moeilijkheden te doen voortvloeien. Vooral bij menschen uit het volk leert de ondervinding, dat zij spoedig elkaar gaan uitschelden. Dan wordt het een verhoor, waarbij nieuwe moeilijkheden rijzen, en de zaak zelf niet klaar wordt. Toch moeten zij verhoord worden. De leider van zoodanige samenkomst tot onderzoek van wege den kerkdraad moet zorgen de teugels in handen te houden en niet toelaten, dat een getuige uit eigen beweging ongevraagd gaat spreken. Die zich niet in de orde schikt, moet weggezonden. Levenswijsheid en menschenkennis is daartoe noodig. Die dat niet heeft, moet de personen afzonderlijk hooren en hun getuigenis opteekenen, omdat men anders niet verder komt en uit de eene zaak de andere geboren wordt.

Zeer vaak komt ook de vraag voor: Hoe moet gehandeld, als het onderzoek nog geen genoegzame zekerheid geeft? Als de beklaagde ontkent, wat hem ten laste gelegd wordt, als er veel voor schijnt te pleiten, dat hij iets wel gedaan heeft, maar ook aan den anderen kant weer veel tegen; dus als het onderzoek geen resultaat heeft. Sommigen in de gemeente kunnen zich niet begrijpen, dat men dan den knoop maar niet doorhakt en eene uitspraak doet. Doch dit mag niet. De kerkeraad moet altijd voorzichtig zijn, en in het oog houden dat

|70|

er heel wat zaken zijn ten aanzien van afwijking in leer of leven, waarover menschen bij hun onderzoek nooit tot zekere resultaten komen. Veel kerkelijke procedures moeten eindigen met een „non liquet”. Veroordeeling mag alleen volgen, als bij onderzoek de klacht waar gebleken is. Kerkelijk oordeel of vonnis moet rusten op onderzochte feiten, die gebleken zijn waar te zijn, waaruit afwijking in leer of leven te concludeeren valt. Als de eigenlijke zichtbare feiten ontbreken of niet genoegzaam bewezen zijn, dan kan geen veroordeeling volgen. De kerkeraad kan dan niets anders doen, dan ten slotte met den meesten ernst de zaak voor de consciëntie van den beklaagde stellen, en hem er op wijzen, dat nu wel voor menschen de zaak niet tot klaarheid gekomen is en niets te constateeren valt, en dat daarom, al was er een schijn van verdenking, die moet blijven rusten en geen veroordeeling volgen kan, maar dat ieder te doen heeft met den Heere zelf, die het hart doorgrondt, die geen getuigen noodig heeft en aan wien de waarheid blijkt zonder onderzoek. Op deze wijze moet men dan eene bekentenis trachten te ontlokken. Bekent hij, dan is de zaak uit; maar houdt hij zijne onschuld staande, dan mag geen oordeel, maar moet een „non liquet” uitgesproken, en hij zelf als een broeder behandeld, en als ongerept beschouwd, als iemand, die niet belasterd mag worden. Vaak is gevolg, dat ook de onwaarheid van de aanklacht blijkt. Dan volgt, kerkelijke vrijspraak. Doch dikwijls zijn er ook onoplosbare tegenstrijdige getuigenissen.

Op de vraag, of bij het onderzoek ten gevolge van eene ingestelde klacht de persoon, wien het geldt, gelegenheid moet gehad hebben te antwoorden, is evenals op burgerlijk gebied altijd geantwoord, dat dit noodzakelijk is. Nooit mag iemand ongehoord veroordeeld. Hij moet dus altijd gelegenheid gehad hebben. Wil hij op de citatie niet komen, of eene naar hem toegekomen commissie niet ontvangen, of gezonden brieven ongelezen laten, dan is het zijn eigen schuld, als hij van de gelegenheid geen gebruik maakt. Onttrekt hij er zich aan, bijv. door buitenslands te gaan dan moet de kerkeraad de behandeling van de zaak suspendeeren totdat hij terug is aangezien in zijne afwezigheid geen oordeel uitgesproken kan worden. Wel kan de kerkeraad bepalen, dut hij geen kerkelijke rechten zal hebben, zoolang hij zich niet gezuiverd heeft. Dit is dan eene abstentio van kerkelijke rechten, die niet op een vonnis berust.

Iedere kerkelijke procedure moet met onderzoek beginnen. Blijkt werkelijke afwijking in leer of leven, die openbare ergernis geeft, en wordt de beklaagde hardnekkig, dan moet vermaning en bestraffing volgen. Doch vermaning, berisping en bestraffing, niet zooals zij algemeen uit iedere predicatie en dienst des Woords komt, maar deze speciaal toegepast op

|71|

de personen en de bepaalde feiten, hetzij door den predikant, ouderling, commissie van den kerkeraad hetzij door den geheelen kerkeraad naar gelang van omstandigheden.

Een vaste regel kan daarvoor niet gemaakt. Waar die offieele vermaning en bestraffing niet baat, volgt afhouding van het Avondmaal. Waar dus volgens dit artikel verscheidene vermaningen volgen, wordt eerst als dit alles vruchteloos is, tot excommunicatie overgegaan. Ook voor de verscheidene vermaningen is geen vaste vorm voorgeschreven. Om hoeveel tijd en door wie, hangt van omstandigheden af. Beginsel is, dat de kerkeraad er voor zorgen moet, dat een gecensureerde niet aan zichzelf overgelaten wordt, maar vermaand wordt. Het is er niet om te doen, in het kerkelijk archief een boek te hebben, waarin de namen van de gecensureerden staan, en die personen te laten rusten en te denken: zij hebben geen kerkelijke rechten meer, kunnen daarom niet hinderen; en hen stil te laten gaan. Neen, kerkelijke censuur dient om den zondaar te behouden. In zeer kleine plaatsen is de manier van handelen zeer gemakkelijk. Daar spreekt vanzelf, dat de predikant met een ouderling van tijd tot tijd den zoodanige aanspreekt. In groote steden bestaat er van hen dikwijls een groot aantal. Volgens Voetius bijv. werden in Utrecht zelden minder dan tien personen in de aan het Avondmaal voorafgaande kerkeraadsvergadering, onder censuur gezet. Daar was de lijst van gecensureerden groot. Ook vroeger hier in Amsterdam. De geheele kerkeraad kan zich met de gecensureerden niet bezighouden. Zij worden dan opgedragen aan gecommitteerden van den kerkeraad en onder deze verdeeld. Ieder gecommitteerde, krijgt dan eene wijk. Om controle te houden is gewenscht, dat elke twee of drie maanden voor de Avondmaalsviering de geheele lijst van gecensureerden in den kerkeraad wordt voorgelezen, en bij iederen naam gevraagd wordt aan de opzieners, aan wie de gecensureerden zijn toevertrouwd, wat zij den afgeloopen tijd met de gecensureerden gedaan hebben opdat blijke, dat zij er werk van gemaakt hebben, en of de gecensureerden de vermaning aangenomen hebben en voor de toekomst iets beloven. Eerst als dat geschied is, kan men na gezetten tijd constateeren, of de gecensureerde hardnekkig is. Dan alleen kan er recht zijn tot excommunicatie, als met de vermaning, is voortgegaan. Ook als op de Classe een verzoek komt tot excommunicatie (advies der Classe is altijd daarbij noodig), dan moet altijd blijken, dat de kerkeraad het niet heeft laten ontbreken aan voorafgaande vermaning en waarschuwing. Is dit niet geschied, dan moet de Classe den kerkeraad er op wijzen zijnen plicht en roeping in dit opzicht te vervullen.

Excommunicatie kan eerst plaats hebben, nadat velerlei vermaningen vruchteloos bleven, dus niet overhaast. Daaruit volgt,

|72|

dat excommunicatie nooit geschieden mag in eens, zonder voorafgaande censuur. Ook al is de bedreven zonde nog zoo groot en ergerlijk, de kerkeraad weet uit Gods Woord, dat het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden, dat er van de ergste zonde voor het geloof vergeving is. De kerkeraad moet nooit nalaten om eenen afgewekene tot berouw en schuldbelijdenis te brengen. Het is wel in sommige gevallen gemakkelijk om een ergerlijk lid af te snijden; maar wat gemakkelijk is mag den doorslag niet geven, wel wat naar Gods Woord is, tot eer van God en heil van den broeder.

Ook volgt uit hetgeen over de manier van tuchtoefening gezegd is, dat alle toepassing van kerkelijke tucht eene personeele zaak is. Afgesneden wordt daardoor alle soort van excommunicatie, die in de Roomsche kerk geldt en die niet personeel van aard is.

Roomsche handhoeken van kerkrecht en Roomsche schrijvers hebben behalve excommunicatie over bepaalde personen ook nog andere soorten van excommunicatie. Zij onderscheiden excommunicatio ab homine en excommunicatio a iure. Excommunicatio a iure is excommunicatie, die door den wetgever is uitgesproken enkel door de gestelde wet. Dan staat er in de kerkelijke wet iets, welks overtreding excommuniceert. Dan is men reeds door dat overtreden geëxcommuniceerd.

Excommunicatio latae sententiae volgt huns inziens uit de overtreding van iets, waartegen straf bedreigd is in kerkelijke tucht. Excommunicatio ferendae sententiae betreft iets, waarvan de kerk gezegd heeft: het is niet geoorloofd dit te doen, zoodat uitspraak of oordeel zal moeten volgen.

De Gereformeerde handboeken stellen: Excommunicatie zonder toepassing op bepaalde personen is geen excommunicatie. Ook op kerkelijk gebied, evenals op burgerlijk gebied, kan alleen op zulke wijze gestraft worden. Wie steelt moet tot straf daarvoor in de gevangenis; maar een dief die gestolen heeft, heeft zijn vonnis nog niet, maar is veroordeelingswaardig. Hiermede strijdt niet de uitdrukking in het onderteekeningsformulier van predikanten (Post Acta 1618/19, 164ste zitting) : „Ende indien het zoude moghen gebeuren, dat wy na desen enich bedencken ofte ghevoelen teghen de voorss. leere, ofte eenich poinct derselver zouden moghen crijgen, beloven wij, dat wy t’ selve noch opentlick nog heijmelick zullen voorstellen, dryven, predycken, ofte schryven; maer dat wy t’ selve alvoren den kerckenraet, Classi ende Synodo zullen openbaren, om vande selve geexamineert te worden, bereyt zynde het oordeel derselver altyt gewillichlick ons te onderwerpen; op pene dat wy hyer teghen doende ipso facto van onsen dienst zullen zyn gesuspendeert”. Evenmin de uitdrukking in art. 53 van de K.O.: „en de Dienaren des Woords, die zulks refuseeren,” (n.l.

|73|

onderteekening der Formulieren) „zullen de facto in hunnen dienst door den Kerkeraad of de Classe geschorst worden, tot ter tijd toe dat zij zich daarin geheellijk verklaard zullen hebben, en indien zij obstinatelijk in weigering blijven, zullen zij van hunnen dienst geheellijk afgesteld worden”. De bedoeling is niet, dat de Dienaar des Woords, die tegen de bovengenoemde verklaring handelt, nu reeds een geëxcommuniceerde is, en eene afzetting heeft, maar alleen, dat hij het zelf zoo zal beschouwen. De predikant verklaart, dat hij zich dan zelf als van den dienst vervallen zal beschouwen. De werkelijke afzetting moet dan nog volgen door kerkelijk oordeel van den kerkeraad of Classe. Nooit heeft afzetting plaats zonder kerkelijke uitspraak.

 

Voor de afsnijding van gecensureerden wordt in de kerkenordening verwezen naar het formulier van den ban of excommunicatie of afsnijding: „zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld”.

Dit formulier, dat nu in de Geref. kerken gebruikelijk is en was, waarop deze woorden doelen, is niet zoo oud als de excommunicatie zelve, want die bestond van den aanvang af. Dit blijkt duidelijk uit onderscheidene besluiten der Generale Synoden van de 16de eeuw. Ook blijkt daaruit, wanneer en waar ons tegenwoordig formulier is aangenomen. De bepalingen zelve voor kerkelijke tucht zijn bijna alle afkomstig van de eerste redactie van de kerkenordening van de Emdensche Synode van 1571.

Uit een artikel van de Acta dier Synode over den ban blijkt, dat er toen in 1571 nog geen formulier voor de excommunicatie bestond. Immers in art. 31, dat bijna woordelijk gelijkluidend is met ons tegenwoordig art. 77, waarin de manier, waarop de afsnijding toegaat, behandeld wordt, staat in het eind iets, dat nu niet meer voorkomt, omdat zulks niet meer noodig is, nl. over de manier, waarop de afsnijding geschiedt: „De Kercken-Dienaer sal ’t ghebruyk ende ’t eynde des Bans in ’t breede verclaren, ende sal den gheloovighen vermanen, dat sy gheene alte ghemeensame ende onnoodighe conversatie ende gheselschap met den verbanneden hebben, maer zijn geselschap schouwen tot dien eynde voornemelijck, op dat die verbande ofte uytgheslotene beschaemt zijnde, ernstelijck bedencke sick te bekeeren”. In dit art. 31 wordt eene korte opgave gedaan van hetgeen bij de excommunicatie door den kerkedienaar voor de gemeente te zeggen is. Dit ware onnoodig geweest, als er een formulier voor bestaan had. Dan zou daarnaar verwezen zijn. Ook al zou het niet van elders vaststaan, zoo blijkt uit deze korte aanwijzing, dat er geen formulier was. Het werd toen overgelaten aan de prudentie van den kerkedienaar zelven, hoe hij het gebruik en het

|74|

einde des bans in den breede verklaren en de geloovigen vermanen zou.

Toen in 1578 de 1e Nationale Synode te Dordt samenkwam was er blijkbaar ook nog geen kerkelijk formulier van afsnijding, want de artikelen over de tucht van 1571 zijn eenvoudig overgenomen, en in art. 97 staat bijna woordelijk hetzelfde slot als in art. 31 van Emden. Men bepaalde zich er toen bij om aan den kerkedienaar met enkele woorden te herinneren de hoofdzaak van wat bij excommunicatie te zeggen was. De uitwerking zelve werd aan den dienaar overgelaten.

Op de Synode van Middelburg in 1581 kwam er een gravamen in uit Zuid-Holland en Zeeland: „dat een sekere forme van voorstellen ende excommunicatie gemaect worde”, blijkens punt 93 van den verzamelstaat der gravamina. Uit dit gravamen blijkt, dat er toen nog geen formulier van excommunicatie in onze kerken was. De andere formulieren waren aanwezig, zooals bekend is uit de uitgaven.

Zuid-Holland en Zeeland achtten het wenschelijk, dat een forme van excommunicatie gemaakt werd. De Middelburgsche Synode heeft dat gravamen behandeld, en aan het verlangen althans eenigszins voldaan; want zooals blijkt uit art. 40 van de Particuliere Vragen is toen een soort van formulier gemaakt. Gevraagd werd: „Welcke de bequaemste forme der afsnydinghe zij”? Als antwoord is een formulier voorgesteld, ééne bladzijde druks groot, dat voor de kerkeraden als model kon dienen. Het begin van het antwoord luidt: „Hoewel verscheyden formen voergeschreuen souden konnen worden, soe sullen nochtans de kercken desen naerfolghende mit stichtinghe konnen ghebruycken: Gheliefde Broeders, wy hebben v. l. mennichmael verclaert dat N. de sonde N. beghaen heefft”. De Middelburgsche Synode maakte dus niet een formulier, dat met kerkelijke autoriteit zou ingevoerd worden; zij bedoelde alleen een model te geven. Aan de kerkeraden werd overgelaten of zij het wilden gebruiken, al dan niet. Een bepaald kerkelijk formulier was dit dus nog niet, want daaraan behoorden de kerkedienaars zich te houden, omdat bij die gelegenheden, waarbij een formulier wordt gebruikt, hij, die optreedt, niet zijn eigen gevoelen uitspreekt, maar in naam der kerk spreekt.

Wat den inhoud betreft, komt dit model overeen met de besluiten van vroegere Synoden, in zooverre als er op gewezen wordt, dat de geëxcommuniceerde, die na herhaalde vermaning geen teekenen van boetvaardigheid gaf, noodzakelijk uit de gemeente moet uitgesloten worden, en dat hij als zoodanig vervreemd is van de gemeenschap Christi, der Heilige Sacramenten en alle geestelijke zegeningen en weldaden Gods, die hij zijne gemeente belooft en bewijst; en daarom, zoolang hij hardnekkig en onboetvaardig blijft in zijne zonde, te houden is

|75|

als een heiden en tollenaar, naar het bevel van Christus in Matth. 18. Hij is dan aan den Satan overgegeven: („dat N. buyten de Ghemeente Gods is, ende van de hope der eeuigher salicheyt (soe langhe hy hardtneckich blyft) berooft, en daerom soe vander ghemeenschap der Sacramenten als van alle segeninghen ende weldaden Gods, die hy syne ghemeente bewyst, uitgesloten, ende als een Heiden ende Tollenaer te houden is. Eyndelick wy gheuen hem (ghelyck Paulus spreeckt) den Satan ouer”. (Midd., 1581, Part. Vr. 40).

Dit formulier als model beantwoordt nog niet geheel aan de bedoeling van vroegere Synoden, dat ook het oogmerk en het einde van den ban eenigszins in den breede zou beschreven worden. Het was nog geen compleet formulier. Daaruit verklaart zich, dat op de volgende Nationale Synode in den Haag in 1586 weer een gravamen inkwam (punt 14 van den verzamelstaat), of het niet goed ware een zeker formulier van ban en van wederopneming te gebruiken, en dat men daarbij ook letten zal op art. 39 van de Particuliere Vragen van Middelburg, aangezien dit „bij velen niet practicabel” is. Dit laatste ziet niet op het modelformulier van Middelburg, maar op de artikelen van Emden en Dordt, die op de drie voorstellingen betrekking hebben. Uit het gravamen zelf blijkt, dat men twee formulieren wil hebben, één nl. over „de voorstellinge ende excommunicatie” en een tweede over „de aenneminge met schultbekenninge der poenitenten”. In 1586 had men dus nog geen formulier.

Door die Synode van 1586 schijnt toen het tegenwoordige formulier te zijn aangenomen blijkens de wijziging die de Synode aanbracht in het artikel (69) der kerkenordening, dat over excommunicatie handelt, waar nu bij de vermelding der afsnijding bijkomt: „volghende de forme nae den Woorde Godts daer toe ghestelt”, welke woorden ook nu nog in art. 76 staan. Die bijvoeging maakt waarschijnlijk, dat de Synode van 1586 dit formulier heeft ingevoerd. Daarom is nog niet gezegd, dat de Synode dit formulier zelf opstelde. Zulke formulieren werden meestal van elders overgenomen, want er bestond communicatie met de kerken in het buitenland. Maar officieel en formeel is ons formulier afkomstig van de Haagsche Synode van 1586. Sinds dien tijd is dit formulier bij de afsnijding te gebruiken.

Intusschen sluit dit gebruik niet uit, dat bij afsnijding aan het bestaande formulier nog iets wordt toegevoegd met het oog op het speciale geval, waarin de excommunicatie is uitgesproken. Het blijkt dan ook, dat dit geschied is, bijv. bij de excommunicatie, die in 1623 te Amsterdam is uitgesproken over een tiental Arminiaansch- of Remonstrantschgezinde leden der gemeente. De kerkeraad van Amsterdam had toen reeds sedert meer dan twaalf jaren met enige Arminiaanschgezinde leden van zijne gemeente moeilijkheid. Reeds in 1615 of ’16, of eigenlijk van

|76|

1610 af, had de kerkeraad enkele leden voor zich moeten citeeren en onderhouden over hunne Arminiaansche gevoelens en daarna nog dit gedurig moeten herhalen. In Amsterdam woonde een broeder van den Leidschen Hoogleeraar Episcopius, die ook op de Dordtsche Synode geciteerd is. Deze Bisschop was een der leiders en hoofden der Arminianen. Ook behoorden daartoe o.a. een Secretaris van de Admiraliteit en andere voorname burgers. Reeds van 1615 af hadden zij particuliere samenkomsten, conventikels op Zondag gehad onder Arminiaansche leiding en bezochten zij de kerk niet meer. Toen te Dordt de Arminiaansche gevoelens veroordeeld waren, zette de Amsterdamsche kerkeraad zijne pogingen voort om hen tot de kerk terug te brengen door betere onderwijzing. Doch dit baatte niet, zoodat in 1623 besloten werd de hardnekkige leden te excommuniceeren. Blijkbaar was dus de kerkeraad van Amsterdam zeer geduldig met die leden, hoe onverholen en openlijk zij ook voor hunne Arminiaansche gevoelens uitkwamen. Dit lag daaraan, dat de kerken van ouds zeer voorzichtig waren met excommunicatie in tegenstelling met de Baptistische en Doopersche verzamelingen, die om eene kleinigheid excommuniceerden en er ook zeer vlug mee waren. De Gereformeerde kerken echter maakten ernst met de excommunicatie en beschouwden dit werkelijk zoo, dat, voor zooveel menschen konden oordeelen, de geëxcommuniceerde buiten Gods Koninkrijk kwam te staan. Die overtuiging met betrekking tot de kerkelijke tucht was oorzaak, dat zij niet spoedig tot afsnijding overgingen. Velen waren onkundig en misleid. Men moest hen eerst onderrichtten om te zien, of er uit hunne Arminiaansche gevoelens ook vijandschap bleek, voordat men zeggen kon: uit hun Arminiaansche gevoelens blijkt, dat zij buiten het Koninkrijk Gods staan. Ook maakte het onderscheid, of zij voor die gevoelens propaganda maakten, of dat zij die voor zichzelf hielden. Die er geen propaganda voor maakten, zijn nooit geëxcommuniceerd, maar onderwezen en vermaand. Liep men er mee te koop, dan werd de kerk bedreigd en was excommunicatie noodig. Maar ook dan nog; handelde men zeer voorzichtig. Zoo kwam het, dat die Arminiaanschgezinden zoo langen tijd behandeld zijn.

Bij die excommunicatie in 1623 heeft de Amsterdamsche kerkeraad een afzonderlijk formulier opgesteld om de uitgesproken excommunicatie dier tien leden aan de leden der gemeente bekend te maken. Voetius nam dit formulier op, Pol. Eccl. Dl. IV, p. 938 seqq., omdat hij het zoo bijzonder geschikt vond als model van bekendmaking aan de gemeente van de excommunicatie van personen, die tot ketterij vervallen zijn. Hij voegt er bij, dat dit formulier, waarin de geëxcommuniceerden werden genoemd en hunne afwijking in het licht was gesteld,

|77|

niet gemaakt is om in de plaats van het kerkelijk formulier te komen, maar dat bij dat nu gemaakte formulier ook het kerkelijk formulier is voorgelezen. Het begin van het kerkelijk formulier, waarin sprake is van afwijking en hardnekkigheid, waarop afsnijding volgt, werd door den Amsterdamschen kerkeraad uitgebreid met het oog op het bestaande geval. Dit nu werd eerst voorgelezen als uitbreiding door den kerkeraad met het oog op een speciaal geval en daaraan heeft zich geleidelijk het kerkelijk formulier aangesloten, waarvan alleen de eerste woorden eenige verandering ondergaan hadden. Voetius keurt dit gebruik van het formulier van excommunicatie allerminst af, maar prijst liet zeer. Dergelijke toevoeging in het formulier moet echter niet op den preekstoel geïmproviseerd, want dan kunnen verkeerde uitdrukkingen gebruikt worden, en op de uitdrukkingen komt het aan; en de predikant moet dit niet alleen doen, maar het formulier moet van den kerkeraad afkomstig zijn. Voor kleine kerken is het goed genabuurde kerken of de Classe te raadplegen.

 

Het slot van dit art. 76 luidt:
„Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe”.

De Classe moet dus advies geven. In het volgend artikel 77, waarin de manier van afsnijding meer uitvoerig ontwikkeld wordt, wordt gezegd, wanneer het advies der Classe te vragen is. Hier in art. 76 wordt alleen de zaak zelf, het beginsel aangegeven, dat de particuliere kerk niet afsnijden zal zonder advies der Classe. Deze bepaling wil niet zeggen, dat de particuliere kerk formeel niet het recht zou hebben iemand af te snijden zonder advies der Classe. Eene particuliere kerk is eene complete kerk en heeft alle rechten van eene complete kerk. De Classe zou niets te zeggen hebben over excommunicatie als de particuliere kerk er niets over te zeggen had, want de macht van de Classe is de gecombineerde macht van de plaatselijke kerken. De bedoeling is dus niet om aan de vrijheid van de plaatselijke kerk afbreuk te doen, en centralisatie voor te, staan, en den plaatselijke kerkeraad van macht te berooven ten behoeve van een soort van hooger bestuur. De bepaling in de kerkenordening is gemaakt door kerken, die tot het Gereformeerde kerkverband behoorden, dus is als onderlinge afspraak en overeenkomst van de kerken te beschouwen. De kerken bepalen dit onder elkander. Daartoe hebben zij macht en vrijheid. De plaatselijke kerken beperken zelve hunne macht en vrijheid te dien aanzien. Eene beperking in macht, die men zichzelf oplegt, doet nooit te kort aan eigen zelfstandigheid en vrijheid. De kerken zelve bepaalden dit ten einde de kerkelijke tucht zoo zuiver mogelijk te houden. De kerkelijke

|78|

tucht kan schade lijden door nalatigheid en verzuim, als die sleutel in het geheel niet gehanteerd wordt, maar ook door overdrijving en misbruik en door verkeerde behandeling van dien sleutel. Om daartegen zooveel mogelijk waarborg te hebben, is deze bepaling gemaakt. Vooral kan het gebeuren in kleine gemeenten, waar enkele opzieners zijn, dat over de toepasselijkheid en toepassing van kerkelijke tucht min of meer onjuiste denkbeelden heerschen, en dat men daar soms tot afsnijding zou willen overgaan, wanneer het Woord Gods er nog geen vrijheid voor geeft. Door zulke verkeerde toepassing van tucht zou de tucht schade lijden, in discrediet komen en niet aan hare bedoeling beantwoorden. Om aan dit gevaar te, ontkomen en om bij de toepassing van het uiterste middel zooveel mogelijk prudentie en discretie te waarborgen, is deze bepaling dus gemaakt, dat bij excommunicatie het advies der Classe gevraagd zal worden.

De bepaling wil niet zeggen: om aan de Classe te vragen het voorkomende geval te gaan onderzoeken evenals de kerkeraad deed, en om nu eene uitspraak te doen gelijk de kerkeraad doen moet. Dit zou de Classe moeilijk kunnen doen; en het zou eigenlijk min of meer vooruitloopen op wat de Classe te doen heeft, als van eene uitspraak van den kerkeraad appèl op de Classe komt. Dan toch moet de Classe onderzoeken, alsof zij kerkeraad was.

„Met voorgaand advies der Classe” wil zeggen, niet, dat de Classe de personen zelf hooren moet, maar de voorstelling van den kerkeraad, die advies vraagt. De Classe heeft de omstandigheden te hooren, zooals de kerkeraad daarnaar onderzocht heeft, en daarop haar advies te geven. Mogelijk blijft echter, dat de kerkeraad eene onjuiste voorstelling der zaak geeft, dan kan dit door appèl hersteld. Maar in den regel kan de Classe van den kerkeraad wel vernemen, welke feiten en bewijzen voor de feiten de kerkeraad meent te hebben. Dit zijn vragen, die de Classe doen kan. Ieder lid der Classe kan vragen naar feiten. Ook kan de Classe vragen, of de kerkeraad genoegzame moeite gedaan heeft om te vermanen en te waarschuwen en of de kerkeraad niet overhaast te werk is gegaan: en daarover gerustgesteld, en met de feiten tot op zekere hoogte in kennis gekomen, kan de Classe adviseeren, hetzij om met de vermaning voort te gaan, of om beter bewijs voor de feiten te krijgen, of om voort te gaan met excommunicatie, al naar gelang van omstandigheden. Zoo handelend heeft de Classe zich niet gebonden voor het geval van appèl. Dit is wel eens als een bezwaar hiertegen ingebracht, dat de Classe op deze wijze reeds gepraejudicieerd is. Het advies der Classe in zake excommunicatie achtte men praejudicie op appèl. Dit is echter niet zoo. Wel was het zoo, indien de Classe bij haar advies zelf de

|79|

zaak behandelde. Terwijl Classe door advies in de zaak dus nog niet gepraejudicieerd is, laat zij bij appèl personen voor zich komen en onderzoekt zij de zaak zelf, door bijv. er deputaten voor te benoemen of anderszins.

Vraag: Of de Classe alleen advies moet geven met betrekking tot excommunicatie, dan ook met betrekking tot de afhouding van het Avondmaal in art. 76? Antwoord: Uit de kerkenordening volgt, dat, waar het niet excommunicatie geldt, advies der Classe niet noodig is; maar eveneens geldt, dat iedere kerkeraad vrij is om op dit punt, gelijk op ieder ander punt, advies der Classe te vragen. De Classe is vrij dit advies al dan niet te geven. In vele gevallen doet de Classe wel, zich van het geven van advies te onthouden, en de zaak zelf eerst aan den kerkeraad over te laten. Wel kan de Classe aan den kerkeraad eenen algemeenen regel voorhouden, maar de kerkeraad moet dan beoordeelen, hoe die regel in het voorkomende geval toe te passen is. Sommige kerkeraden vinden het gemakkelijk om naar de Classe om advies te gaan, om zich zoo dan van de zaak zelf af te maken. De Classe moet zulke vragen dan renvoyeeren. De kerkeraad is het eerst van God tot oordeelen geroepen.

Vraag: Of niet advies van de Classe bij alle mogelijke toepassing van kerkelijke tucht mogelijk is, omdat in art. 75 staat, dat de verzoening openbaarlijk zal geschieden door het oordeel des kerkeraads; en ten platte lande of in mindere steden, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde kerken? Men redeneert dan: Als een afgewekene zich verzoenen wil, dan moet dit volgens art. 75 openbaarlijk geschieden. Zijn naam moet bekend gemaakt. Dit mag niet geschieden zonder advies der Classe. Dus nooit is er toepassing van kerkelijke tucht zonder dat er eerst advies der Classe gevraagd is. Deze conclusie gaat niet op, want de praemissen zijn verkeerd. Volgens art. 75 is alle verzoening volstrekt niet openbaar. In groote kerken is zij openbaar, als de kerkeraad dit goedvindt („door het oordeel des Kerkeraads”), en in kleine plaatsen alleen openbaar met advies van twee genabuurde kerken.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 77

Art. 77 1).

Aleer men tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid


1) De Generale Synode van Utrecht in 1905 gaf de volgende wijziging aan het begin van dit artikel: „Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en de daarop gevolgde onderscheidene vermaningen, tot afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende”. In de schrijfwijze werden in 1905 de volgende veranderingen aangebracht: „bewezen”; „in het bestraffen”; „gemeente” (driemaal); „( )”; „tusschen de vermaningen”; „aan het oordeel”. In de redactie van de Generale Synode van Dordrecht van 1893 is „Alleer” blijkbaar een drukfout voor: „Aleer”.

|80|

des zondaars der Gemeente openlijk te kennen geven, de zonden verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen in ’t bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de Gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de Gemeente te kennen geven, dat men hem — tenzij dat hij zich bekeere — van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaning [lees: vermaningen] zal aan ’t oordeel des Kerkeraads staan.

 

Artikel 77 handelt over de excommunicatie.

Wat de bewoordingen van het artikel betreft, is er op te letten, dat de tweemaal in de redactie van 1618/19 voorkomende genetivus „der Kercken” gen. singularis is, en niet, zooals het abusief wel eens is opgevat, gen. pluralis. In het Hollandsch van de 16de en 17de eeuw had het zelfstandig naamwoord „Kerk” in den tweeden naamval „der Kerken”, in het enkelvoud zoowel als in het meervoud. Zelfs bleef in het meervoud de slot-n wel eens weg. In ditzelfde artikel is dit bij „tusschen de vermaninghe” ook op te merken: „Den tijdt tusschen de vermaninghe sal int oordeel des Kercken Raedts staen”. „Vermaninghe” is hier meervoud. Dat „der Kercken” enkelvoud is, blijkt uit het verband, daar de gecensureerde wordt uitgesloten van de gemeenschap der kerk, waartoe hij behoort. Het meervoud zou hier onzin zijn, bijv. bij de uitdrukking: met stilzwijgende bewilliging „der Kercken”. Hier toch is sprake van de kerk, waartoe de gecensureerde behoort en waar de excommunicatie zal plaats hebben, en niet van de andere kerken, die tot het kerkverband behooren en van de excommunicatie niets afweten. Het blijkt bovendien uit de officieele vertalingen, uit de Fransche van de Waalsche Synoden en de Latijnsche vertaling der kerkenordeningen van de 16de eeuw, en voorts uit de oorspronkelijke redactie van dit artikel.

Dit artikel toch is niet eerst in 1619 in de kerkenordening gekomen, maar het heeft er van den beginne af ingestaan. Het is bijna woordelijk aldus reeds opgenomen in de eerste redactie van de kerkenordening van de Emdensche Synode van 1571, nl. in artikel 31. Het dagteekent dus reeds van de eerste samenstelling der kerkenordening zelve.

In de samenkomst van Wezel in 1568 was de excommunicatie

|81|

zeer zeker ook reeds als noodzakelijk voorgesteld, maar was de manier van excommunicatie nog niet zoo uitgewerkt. Men heeft zich te Wezel in Cap. VIII van de Wezelsche artikelen bepaald tot het op den voorgrond stellen van de noodzakelijkheid van kerkelijke tucht tot excommunicatie toe en van de beginselen, die aan zulke kerkelijke tucht ten grondslag liggen. Te Wezel werd het gebruik van zoodanige excommunicatie als volstrekt noodig voorgesteld voor den welstand der Christelijke kerk. In Cap. VIII wordt uitgesproken, dat er vooral voor gewaakt moet worden, dat geen kerk geïnstitueerd wordt zonder kerkelijke tucht, en dat niemand tot den dienst des Woords wordt toegelaten, dan die zich bereid verklaart de kerkelijke tucht te willen handhaven. Onder kerkelijke tucht wordt dus ook de excommunicatie genoemd. De manier waarop wordt nog niet omschreven.

Dit geschiedde eerst bij de officieele vergadering der kerken te Emden in 1571. Ook te Emden werd de noodzakelijkheid van kerkelijke tucht blijkbaar zeer op den voorgrond gesteld, hetgeen blijkt uit de uitvoerige bepalingen te dien aanzien en ook uit een antwoord op eene Particuliere Vraag te Emden gegeven (art. 11 van de lijst der Part. Vragen). De broeders uit Aken en Keulen hadden aan de Synode de vraag voorgesteld, of de excommunicatie ook moet toegepast worden, als de broeder, wien het geldt, dreigt alsdan de kerk te zullen „verscheuren”, m.a.w. als de excommunicatie niet zonder groot gevaar voor de kerk kan toegepast worden. Er was aanleiding toe, omdat juist in dien tijd een enkele afgesneden broeder door eene aanklacht bij de Overheid eene kerk en al hare leden in het grootste gevaar kon brengen. De Nederlandsche kerken, ook in de verstrooiing, waren toen meestal kruiskerken. Zoo’n afgesneden broeder, met de gemeente bekend, kon licht als verrader optreden. De Emdensche Synode oordeelde, dat men zich door zulke bedreiging niet moest laten afschrikken, ook al dreigde de kerk verstoord te worden. Alleen, voegde de Synode er bij, moet de kerkeraad voorzichtigheid gebruiken, aangezien niet is voorgeschreven hoeveel tijd tusschen de vermaningen moet verloopen. Bij de bepaling van den tijd, waarop de excommunicatie geschieden zal, zal men acht hebben op „de behoudenisse der Kerke”. Bij dreigend gevaar kan de kerkeraad temporiseeren, maar nooit eene noodzakelijke excommunicatie achterwege laten.

De beschouwing van tucht der Emdensche Synode is zeer zeker echt Gereformeerd en Calvinistisch. Het is juist het kenmerk van de Gereformeerde kerken om op de kerkelijke tucht bijzonder den nadruk te leggen. Dit is in Genève de groote strijd van Calvijn geweest, waarvoor hij alles op het spel heeft gezet, en dien hij ten slotte gewonnen heeft. Geheel in

|82|

overeenstemming met de denkbeelden van Calvijn achtten zijne leerlingen en de kerken in het algemeen de kerkelijke tucht noodzakelijk, ook tot excommunicatie toe. Juist uit den ernst, dien men met de zaak maakte, en om het hoog gewicht, dat men aan de excommunicatie toekende, oordeelden de kerken, ook met name onze kerken in de 16de eeuw, dat men niet al te spoedig tot excommunicatie zon overgaan.

Zoo bijv. oordeelde de eerste Dordtsche Synode van 1574, toen daar ter sprake kwam, dat er een aantal lidmaten waren, die vrij geregeld van het Avondmaal wegbleven, of ook op wie verdenking rustte inzake leer en leven. De Synode oordeelde, dat de opzieners daarop vlijtig acht moesten nemen, blijkens art. 73, dat de opzieners er op moesten letten, of de leden bij elk Avondmaal communiceerden om hen anders op te zoeken, in ’t bijzonder aan te spreken en te onderzoeken of er bezwaar was in leer en leven. Voorts dat, wanneer de berisping der opzieners niet hielp, de nalatigen voor den kerkeraad moesten ontboden en door dezen vermaand met waarschuwing en bedreiging met Gods gericht, en dat, wanneer dit niet hielp, de kerkeraad de zaak op de Classe moest brengen. Verder staat in het einde van het artikel, dat men niet lichtvaardig tot excommunicatie zal overgaan. De Synode wilde hiermede niet zeggen, dat excommunicatie werkelijk niet noodig zou zijn, maar waarschuwt er voor de excommunicatie niet te beschouwen als een middel om van een lastig lid af te komen, of als schrapping van iemands naam in een boek. In gelijken zin antwoordde die Synode op de vraag, of het Emdensche artikel over excommunicatie ook meebracht degenen, die in grove zonden vervallen, altijd te excommuniceren. Blijkens art. 82 was het antwoord. dat dit in geen geval mocht geschieden, als er eenig berouw getoond werd. Men zal hen wel een tijdlang van het Avondmaal afhouden, maar niet terstond excommuniceeren.

In gelijken zin besloot de Nationale Synode van Dordt van 1578, dat men boetvaardigen nooit mocht excommuniceeren, hoe grof de feiten ook waren, waaraan zij schuldig stonden; blijkens art. 52 van de antwoorden op de Particuliere Vragen. Voorts nam dezelfde Synode het Emdensche artikel over de manier van excommunitie woordelijk over. Hetzelfde deed ook de Nationale Synode van Middelburg van 1581, alleen met deze wijziging, dat er nu tusschen ingelascht werd de uitdrukking „met voorgaende aduijs der Classe”, art. 62 van de kerkenordening art. 39 van de Particuliere Vragen, waar staat: „In die tweede” (nl. vermaning) „sal met het advys der Classe zynen naem wtghedruckt worden”. Over het advies der Classe is reeds gesproken bij de behandeling van art. 76.

De bijvoeging lag in den aard der zaak. In 1571 kon nog moeilijk bepaald worden, dat de kerkeraad met advies der Classe zou handelen. De Classes waren te Emden wel

|83|

voorloopig ingedeeld, maar ze bestonden volstrekt niet werkelijk. Het was volstrekt nog niet zeker, wanneer zij konden saamkomen. Daarom werd het „met advies der Classe” in Emden nog niet in de kerkenordening gevoegd. Geregelde raadpleging der Classe werd eerst mogelijk, toen er vrijheid was. Na de vrijheid kwamen er meer kerken tot reformatie en was er een genoegzaam aantal kerken; evenzoo eene geregelde orde, die het saamkomen mogelijk maakte. Daarom kwam het er eerst in 1581 in, toen er geregeld classicale vergadering gehouden werd.

De Synode van Middelburg van 1581 plaatste dit artikel over naar de antwoorden op de Particuliere Vragen. Dit maakt geen materieel, maar een bloot formeel verschil. Men deed dit ter verkrijging van politieke approbatie. Om de kerkenordening zoo kort mogelijk te maken en er liefst zoo weinig mogelijk zaken in te noemen, waartegen de Overheid bezwaren kon hebben, werd er veel uit de kerkenordening uitgelicht. Niet om haar in kracht te verkleinen, want de antwoorden op de Particuliere Vragen zijn ook regulatief voor de kerken, maar om de kerkenordening voor de Overheid meer aannemelijk te maken. De excommunicatie ging er nu natuurlijk uit. Zij bleef in de kerkenordening, maar met een enkel woord, opdat de aandacht der Overheid er niet speciaal op vallen zou.

In 1586, toen er niet zooveel bezwaar tegen was om de kerkenordening grooter te maken en er tijdens Leicester zeker uitzicht was op politieke approbatie, is door de Nationale Haagsche Synode het artikel in de kerkenordening teruggebracht. De meeste artikelen, die in 1581 naar de Particuliere Vragen overgebracht waren, zijn toen in de kerkenordening terug geplaatst. Art. 70 van 1586 is volkomen gelijkluidend met artikel 77 van 1619.

In 1619 veranderde de Dordtsche Synode aan dit artikel niets, en nam het over zooals het er stond.

Het artikel zelf is voorts duidelijk. Er wordt beschreven, hoe het bij de excommunicatie moet toegaan, hoe het moet toegaan, als de censuur van het eerste stadium, de afhouding van het Avondmaal, in art. 76 besproken, overgaat tot het tweede stadium finale, dat van afsnijding. En in dat tweede stadium worden dan weer drie trappen of achtereenvolgende handelingen onderscheiden. In dat tweede stadium komt de zaak voor de gemeente, maar eerst zonder naam, alleen met vermelding van de zonde met hardnekkigheid, in het tweede stadium met vermelding van den naam, in het derde stadium met de bekendmaking, dat, als er geen bekeering volgt, excommunicatie zal volgen. Blijkens het artikel is bij de tweede handeling het advies der Classe noodig.

Men kan dit noemen trappen van censuur, eene uitdrukking, die vaak wordt gebruikt, maar eigenlijk niet geheel juist is.

|84|

Volgens de kerkenordening zijn er eigenlijk twee trappen van censuur nl. die van art. 76 en art. 77: 1e. afhouding van het Avondmaal, 2e. afsnijding. De tweede trap heeft dan weer drie onderdeelen of drie afzonderlijke treden. Men zou dus, waar sprake is van censuur, die naar het advies der Classe noodig is, eigenlijk niet moeten spreken van tweeden trap van censuur, maar van tweeden trap van excommunicatie. Bij den tweeden trap der censuur is bij het eerste stadium het advies der Classe nog niet noodig, wel bij het tweede.

De uitdrukking „tweede trap der censuur” geeft aanleiding tot misverstand. De uitdrukking trap is niet juist. Ze schijnt aan te duiden een voortgang van het mindere tot het meerdere in dezen zin, dat het meerdere dan ook heel wat meer insluit dan het mindere. Doch dit is bij censuur niet het geval. Het onderscheid tusschen den eersten en den tweeden trap is metterdaad een natuurlijk onderscheid, maar volgens art. 76 is de censuur voorloopig, die volgens art. 77 finaal is. De censuur van art. 76 is eigenlijk ook excommunicatie en ook wel zoo genoemd, maar dan „tijdelijke excommunicatie”. De gecensureerde was ook extra communionem ecclesiae, maar niet definitief. Hij was buiten het gebruik der rechten, niet buiten het bezit daarvan gesteld. De uitdrukking trappen geeft aanleiding tot misverstand, want dingen, die soortgelijk overeenkomen, schijnt zij aan te duiden als twee verschillende soorten van dingen. De gang van zaken is deze, dat er drieërlei soort van openbare vermaning geschiedt, nl. in de kerk en voor de gemeente, waarbij de broeder of zuster, wien ’t geldt, behooren, omdat natuurlijk de kerk of de gemeente er mee te doen heeft.

De vraag is wel eens gedaan, hoe het moet geschieden, als iemand te excommuniceeren is, en de kerkeraad van de kerk, waartoe hij behoort, weigert zijne medewerking te verleenen. Met gewone leden der gemeente kan dit zoo dikwijls niet voorkomen, eigenlijk in het geheel niet. Wel met Dienaren des Woords.

Het geval deed zich voor bij Caspar Coolhaes, die door de Leidsche Overheid krachtig gesteund werd en wien de kerkeraad ook ter zijde stond, althans dien de Overheid als zoodanig erkende. In Coolhaes’ tijd toch waren er twee kerkeraden, de oude en de nieuwe, de Gereformeerde en de Overheidskerkeraad. De laatste had het bezit van alles en werd met den machtigen arm gehandhaafd.

In Leiden nu was geen excommunicatie van Coolhaes mogelijk. In Leiden had de Classe en Synode niets te zeggen. Later heeft zich zulk een geval nog eens voorgedaan. Men deed dan de excommunicatie in naburige kerken geschieden, totdat men het in de kerk zelf kon doen. Tegenwoordig zal dit geval zich niet voordoen. Nu zou een kerkeraad, die niet

|85|

meewerkte, zelf in staat van beschuldiging komen. Wanneer de kerkeraad zich verzetten ging, dan zou hij later zelf een schismatieke kerkeraad worden en in kerkelijke behandeling komen. Gaf hij niet toe, dan zou dit leiden tot conflict, tot zijne afzetting en tot aanstelling van eenen nieuwen kerkeraad. En nu is er geen Overheid, die er zich tegen verzetten zou.

Wat den tijd betreft, hoelang de geheele handeling duren moet, zegt het artikel niets. De betrokken kerkeraad zal daarover zelf oordeelen. Telkens en telkens is daarbij door schrijvers over kerkrecht de vermaning gegeven, om den tijd niet te kort te stellen wegens den hoogen ernst van de handeling. De bedoeling van het artikel is volstrekt niet, dat tusschen die drie openbare bekendmakingen aan de gemeente slechts enkele weken of maanden verloopen zullen. In den regel verliep er veel meer tijd, zoodat de geheele actie een jaar, soms 2 à 3 jaren duurde. In dien tusschentijd werd niet opgehouden met vermaning en waarschuwing.

De eigenlijke excommunicatie geschiedt volgens dit artikel niet bij de derde bekendmaking aan de gemeente zelve, maar daarna; want de derde handeling is, dat men de gemeente bekend make, „dat men hem — tenzij dat hij zich bekeere — van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede.” De eigenlijke excommunicatie geschiedt dus, als na de derde bekendmaking aan de gemeente, geen teeken van bekeering en berouw bij den broeder gezien is, en ook geen oppositie uit de gemeente komt, want daarvoor geschiedt de bekendmaking. Dan geschiedt de eigenlijke excommunicatie door den kerkeraad.

Komt er oppositie uit de gemeente, dan natuurlijk moet de zaak anders behandeld, moet de kerkeraad onderzoeken en oordeelen over de ingebrachte bezwaren.

Daarvan doen zich allerlei gevallen voor, waardoor het noodig wordt de excommunicatie uit te stellen. Als bijv. een groot deel der gemeente verklaart, niet overtuigd te zijn van de schuld, en dus door excommunicatie geërgerd zou worden, dan is temporiseeren aangeraden. Anders ontstaat er een schisma. Ook andere omstandigheden maken het voor een kerkeraad raadzaam met finale excommunicatie te wachten. Bij de meeste gevallen zal het geval wel zoo evident zijn, dat uit de gemeente geen oppositie te verwachten is. Indien de oppositie uit de gemeente slechts van enkelen uitgaat en de kerkeraad hen niet kan overtuigen, dan blijft over toch door te gaan, terwijl men wijst op de gelegenheid tot appèl op de Classe en Synode, tot beroep op de meerdere vergaderingen.

Met betrekking tot dit artikel is de vraag gedaan, of ook te

|86|

excommuniceeren zijn, die zich, tijdens zij in kerkelijke behandeling zijn, van de kerk afscheiden; die verklaren, dat zij met de kerk niets meer te maken willen hebben.

De vraag is dus: Of ook te excommuniceeren zijn, die zich van de kerk afscheiden, hetzij dat zij dit doen tijdens eene kerkelijke procedure, die tegen hen aanhangig is, d. i. in den tijd, dat zij onder kerkelijke behandeling zijn, hetzij wanneer zij in qualiteit zijn van ongerepte leden, omdat hunne overtuiging hen tot eene andere belijdenis brengt, of in het algemeen, omdat zij het met de Gereformeerde kerken niet meer kunnen vinden.

In de 16de en 17de eeuw is het bij herhaling geschied, dat men in zulke gevallen excommuniceerde, bijv. wanneer iemand „tot de Dooperschen verviel” of wanneer iemand Roomsch werd. Het meest bekende voorbeeld daarvoor hebben wij in Petrus Bertius, vroeger Arminiaan, regent van het Statencollege te Leiden, die bij den ommekeer van zaken hier te lande naar Frankrijk was uitgeweken, daar Roomsch was geworden, en toen dit na genoegzaam onderzoek geconstateerd was, hier te lande in zijne gemeente geëxcommuniceerd werd. Ook andere gevallen van dien aard kwamen voor. Schijnbaar was dit dan in strijd met den regel, dien de Gereformeerde kerken toch hadden aangenomen, dat de tucht gaat alleen over degenen, die tot de kerk behooren, en niet over die buiten de kerk zijn. Dit was in de 16de eeuw herhaaldelijk door de kerken uitgesproken, ook met name, toen de Staten van Holland daarop bijzonder hadden aangedrongen en eenige vrees getoond hadden, alsof de kerken tucht wilden oefenen over alle inwoners des lands, en bij de onderhandeling over de politieke approbatie der kerkenordening de clausule maakten, dat de kerkelijke tucht alleen zou gaan over die Gereformeerd van professie waren. De kerken spraken toen uit, dat zij het altijd zoo verstaan hadden. Doch daarbij moet in acht genomen worden, dat, die in de 16de en de 17de eeuw tot eene andere belijdenis overgingen, zich niet formeel van de Gereformeerde gemeente afscheidden. Zij moesten dan door de kerken, tot wie zij behoord hadden, beschouwd worden als nog in de gemeente te zijn. Toen ter tijd kwam het bij niemand op, als hij Roomsch of Doopersch werd, op formeele en officieele wijze te zeggen of te berichten, dat hij zich van de Gereformeerde kerk afscheidde, want toen leefde in de gedachten en voorstelling der menschen nog niet het begrip van genootschap.

In onzen tijd is dit anders. Onder gelijke omstandigheden zou ook in onzen tijd de kerkeraad met de tucht moeten voortgaan. Werd een lid van de Gereformeerde kerk Roomsch of iets anders, en liet hij daarvan niets weten aan den kerkeraad, dan zou deze met de kerkelijke behandeling van zulk een lid moeten voortgaan, als hij reeds in kerkelijke behandeling was; of zoo dit laatste

|87|

niet het geval was, met kerkelijke behandeling moeten beginnen. De zoodanige is dan te beschouwen als een lid, dat afweek. Doorgaans echter staat de zaak anders. Die zich, onder kerkelijke behandeling zijnde, afscheiden, doen dit nu doorgaans door formeele kennisgeving. Zij maken, dat de kerkeraad dit weet. Die tegenwoordig zich aansluiten bij de Roomsche of Doopersche kerk, of bij het hervormd Genootschap, zenden daarvan gewoonlijk aan den kerkeraad bericht. Een Gereformeerde kerkeraad moet dat bericht wel accepteren, maar toch niet direct aannemen en iemand eenvoudig in de boeken schrappen. Want dit is in strijd met de roeping der opzieners. Zij moeten zulk een lid nog bewerken en beproeven hem terecht te brengen, de dwalingen trachten weg te nemen en lang wachten, eer de zaak als definitief wordt beschouwd, al kan soms spoedig blijken, dat er niets aan te doen is. Wel maakt zoodanige formeele afscheiding, dat de kerkeraad niet met kerkelijke tucht tegen den zoodanige kan optreden. Door de formeele afscheiding wordt dit verhinderd. Toepassing van kerkelijke tucht of excommunicatie op de zoodanigen komt niet overeen met het beginsel, dat excommunicatie alleen over leden der kerk gaat, en dat niemand door dwang lid der kerk kan zijn. Het behooren tot eene kerk is geen dwang. De kerk is vrij op te nemen, wien zij wil: maar ook ieder is vrij, zich bij eene kerk te voegen of niet. Kerkelijke tucht is dan niet toe te passen volgens het beginsel. En ook zou toepassing van tucht dan zeer zeker in conflict komen met de burgerlijke wet, want die kan alleen tucht veroorlooven van eene kerk over degenen, die tot die kerk behooren, en niet met betrekking tot diegenen, die er buiten staan. Wilde de kerk dan tucht oefenen in het openbaar voor de gemeente met naam en toenaam van den afgewekene, met vermelding van de zonde, en de zoodanige behoorde niet meer tot de kerk, dan zou hij eene actie kunnen instellen wegens laster en kwaadsprekendheid. Dit kan niet geschieden, als hij lid der kerk is, want dan is het met zijne eigen toestemming, dat de tucht zoo wordt toegepast. De justitie zou dan op zijne klacht zeggen: waarom zijt gij bij de kerk?

Wanneer iemand dus formeel zich van de kerk losmaakt, moet de kerkeraad zich aan hem laten gelegen liggen, maar kan hij geen tucht uitoefenen, 1e om het eigenlijke beginsel, 2e om niet in conflict te komen met de strafwet.

In de practijk geschiedt het vaak, dat de kerkeraad ook maar aanstonds ophoudt met pogingen om den afgewekene te winnen en terug te brengen. Zulke formeele afscheiding geschiedt in den regel bij menschen, die het den kerkeraad lastig maken, die men uit de gemeente gaarne kwijt wil zijn. De kerkeraad grijpt dan de gelegenheid aan zoodanig lid te schrappen.

|88|

Doch dit streven van eenen kerkeraad om van een lastig lid af te komen, is verkeerd. Dit is niet Christelijk, niet Gereformeerd. Streven en motief voor den kerkeraad mag niet zijn om het zich gemakkelijk te maken. De gemakkelijkste weg is meestal de minst Christelijke weg. Men is geen Christen, geen opziener voor zijn gemak. De bedoeling van den kerkeraad moet steeds zijn iemand te winnen.

Eene volgende vraag met betrekking tot dit artikel is: Welk effect de excommunicatie heeft? Wat daaruit voortvloeit met betrekking tot het lid, dat geëxcommuniceerd is?

De kerkenordening spreekt er niet van. Het hoort er ook niet in thuis. De kerkenordening geeft alleen algemeene regelen. Toch moet er hier over gesproken worden, want in de practijk kan dit aanleiding geven tot moeilijkheid, omdat uit de verschillende beschouwingen van het effect der excommunicatie ook eene verschillende gedragslijn en handelwijze kan voortvloeien.

Zooals het woord excommunicatie zelf aanduidt, wordt de geëxcommuniceerde buiten de communio gesteld, of liever verklaard, dat gebleken is, dat hij buiten de communio staat; en is het effect van excommunicatie, dat hij geacht wordt buiten de gemeente en buiten het Verbond te staan. Dit ligt in het woord excommunicatie en ook in de uitdrukkingen, die in de H. Schrift voor de zaak gebruikt worden.

Zoo bijv. in 1 Cor. 5: 2 wordt het geëxcommuniceerd zijn genoemd ἀρθῆναι ἐκ μέσου ὑμῶν scil. τῶν ἀδελφῶν. Uit het midden weggedaan worden, beteekent: buiten de gemeente komen te staan. Ditzelfde ligt ook in de uitdrukking van vs. 5, zelfs nog wat sterker. Buiten de gemeenschap staan is het negatieve begrip, vs. 5 geeft het positieve: παραδοῦναι τῷ σατανᾷ εἰς ὄλεθρον τῆς σαρκός. Dit is de positieve uitdrukking, waardoor het negatieve begrip van buiten de gemeente te staan nog veel sterker verklaard wordt. Er wordt gesproken van „overgeven aan den satan”, om daardoor aan te duiden, dat de zoodanige, die tot nu toe geacht is als te behooren tot het Koninkrijk des lichts, gebleken is te behooren tot het rijk der duisternis en nu daarheen verwezen wordt.

In 1 Cor. 16: 22 wordt voor deze zaak de uitdrukking gebruikt ἤτω ἀνάθεμα. „Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij eene vervloeking, Maranatha”.

In Gal. 5: 13 wordt het excommuniceeren genoemd: ἀποκόπτειν, afsnijden, ὄφελον καὶ ἀποκόψονται οἱ ἀναστατοῦντες ὑμᾶς.

In 1 Timoth. 1: 20 is de uitdrukking: παραδοῦναι τῷ σατανᾷ, aan den satan overgeven, waar Paulus spreekt van twee ketters, Hymenaeus en Alexander.

Rom. 9: 3: ἀνάθεμα εἶναι, evenals in 1 Cor. 16: 22, St. Vert.: verbannen zijn.

|89|

De uitdrukking in Matth. 18 gebruikt, de meest classieke plaats voor kerkelijke tucht, is in vs. 17: ἔστω σοι ὥσπερ ὁ ἐθνικὸς καὶ ὁ τελώνης, „zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar”, als hij dus ook naar de gemeente niet luistert. Van de excommunicatie wordt hier gezegd, dat zij iemand maakt met betrekking tot de gemeente als den heiden en den tollenaar.

Met andere plaatsen is dit aantal nog te vermeerderen, want er zijn nog meer soortgelijke uitdrukkingen in de H. Schrift. Doch uit de aangegevene is de zaak duidelijk, hoe de bedoeling is om den geëxcommuniceerde te beschouwen als buiten de gemeente en het Verbond staande, door de verklaring omtrent den geëxcommuniceerde, dat hij geacht wordt niet tot het Koninkrijk Gods te behooren.

Wat de Heidelbergsche Catechismus zegt, komt hiermede overeen, vraag 83 en 85, waar van den Christelijke ban of uitsluiting uit de Christelijke gemeente gesproken wordt. De geëxcommuniceerde wordt geacht niet tot de geloovigen te behooren. Ditzelfde ligt ook in het woord „ban”. „Ban” beteekent eigenlijk publieke proclamatie, bepaald in het Fransch ook in anderen dan in ongunstigen zin. Maar meest wordt het woord gebruikt in de beteekenis van publieke proclamatie, waarbij verklaard wordt, dat aan iemand de bescherming, die anders aan ieder ingezetene van de Overheid toekomt, onttrokken wordt, waardoor iemand buiten het gemeene recht wordt geplaatst. Het Oud-Hollandsch heeft het werkwoord „verlaten”, in den zin van laten varen, buiten de gemeenschap stellen. Dit was dus ook de beschouwing, en in het algemeen de beschouwing van de Gereformeerden, met betrekking tot de excommunicatie.

Schijnbaar strijdt daarmede geheel, wat twee Nationale Synoden, van Dordt in 1578 en van Middelburg in 1581, met betrekking tot afgesnedenen en hunne kinderen bepaald hebben.

Op de Dordtsche Synode van 1578 kwam de vraag in (Partic. Vragen art. 27): „Ofmen allerley mensschen Kinderen als van hoereerders Afghesnedenen Papisten ende anderen dierghelycken sonder onderscheyt doopen sal?”. Geantwoord werd, dat de Doop moet toegestaan. Deze kinderen mochten niet van den Doop geweerd. De motiveering was: „Ouermidts de doop den kinderen die int verbont Gods staen toekoemt, ende het ghewis is dat dese kinderen buyten het verbont niet en syn”.

Op de Middelburgsche Synode van 1581 kwam uit Zuid-Holland de vraag (Partic. Vragen art. 91): „Oft de ghene die ordentlick naer den reghel Christi gheëxcommuniceert syn ende met hen de kinderen, diese winnen duerende de Excommunicatie, buijten het verbondt sijn?”. Antwoord: „Neen”. Dit ging dus nog verder dan de Dordtsche Synode van 1578, want daar was alleen sprake met betrekking tot kinderen van

|90|

geëxcommuniceerden. De Synode van Middelburg paste het „niet buiten het Verbond staan” naar de letter van haar besluit ook toe op de geëxcommuniceerden zelf. Dit laatste nu zou in geen geval kunnen, en is ook zeker niet naar de letter waar. Het is ook niet te denken, dat die Synode dit zoo zal bedoeld hebben, dat degenen, die geëxcommuniceerd zijn, geenszins te houden zijn als die buiten het Verbond staan. Waarschijnlijk is met betrekking tot deze quaestie de formuleering in de Particuliere Vragen wat summierlijk en kort saamgevat, waardoor de uitdrukkingen onduidelijk zijn geworden. De bedoeling zal wel geweest zijn, om te spreken van kinderen van geëxcommuniceerden, aangezien het moeilijk aangaat aan te nemen, dat de geëxcommuniceerden geenszins te houden zijn als buiten het Verbond staande. Dit zou een contradictoire verklaring zijn.

Met betrekking tot de kinderen staat deze quaestie eenigszins anders, want ook in de 16de eeuw werd aangenomen, dat het Verbond Gods doorgaat in de geslachten, ook al ontbreken er een of meer schakels, ook al komt er in het vervolg een ongeloovig geslacht in. Daarvoor is natuurlijk wel iets te zeggen. Om die reden ging men bij kinderen van geëxcommuniceerden terug op de grootouders, en zei: zij zijn uit het zaad der kerk terwille van de grootouders. Of dit daarentegen juist is, is eene andere zaak, maar die niet bij excommunicatie te pas komt, wel bij de quaestie, wie men doopen zal. Deze oplossing komt het meest met het karakter van excommunicatie overeen en ligt ook het meest voor de hand, dat men kinderen van geëxcommuniceerden, die na de excommunicatie gewonnen zijn, niet erkennen en aannemen zal als kinderen des Verbonds en als het zaad der kerk, omdat de ouders, die deze kinderen wonnen, gelijk waren aan heidenen en tollenaars. En kinderen van heidenen zou men niet doopen, ook al was aan te wijzen, dat onder de voorouders dier heidenen Christenen waren geweest. Hunne kinderen zijn daardoor niet kinderen van geloovigen geworden.

Eene andere quaestie is het, als een der beide ouders geëxcommuniceerd is. Dan ligt de lijn des Verbonds in de(n) andere(n) der ouders. Het kind is dan geheiligd òf in den vader òf in de moeder. Zijn beide geëxcommuniceerd, dan is het moeilijk dit aan te nemen.

Het gevolg van excommunicatie is, dat de geëxcommuniceerde buiten de gemeente en buiten het Verbond komt te staan, en dus ook geenerlei deel meer heeft aan al de geestelijke goederen der gemeente, ook niet aan de stoffelijke, maar dat is het minste.

Daarom is hem nog niet verboden de samenkomsten der gemeente bij te wonen. Men vindt wel in de 16de eeuw zoodanig verbod door onderscheiden kleinere Synoden, en ook wel door

|91|

kerken afzonderlijk uitgesproken, maar dit heeft dan zijnen grond niet in de excommunicatie alleen, niet in die excommunicatie als eigenlijk motief. De reden was dan deze, dat men vreesde, dat zulk een geëxcommuniceerde, de samenkomsten der gemeente bijwonend in den tijd van vervolging, allicht als verrader zon kunnen optreden en groot onheil over de gemeente brengen. Wat dus in de kruiskerken of in de geheime kerken te dien aanzien geschiedde, is dus niet volgens algemeenen regel zoo geschied. Algemeene regel is, dat, waar de gemeente vrij samenkomt, ook de geëxcommuniceerde de samenkomsten der gemeente bijwoont. In de oude Christelijke kerk der eerste eeuwen mochten zij dit alleen doen in het voorportaal, om goed te doen uitkomen, dat zij nu niet tot de, gemeente behoorden. In dienzelfden tijd geschiedde dit ook met alle, anderen, die niet tot de gemeente behoorden. En tegen zulk een gedrag is niets te zeggen. Daarom stonden later en staan ook in onzen tijd bij iedere samenkomst der gemeente de deuren open voor iedereen, voor Joden, Mohamedanen en Heidenen. De geëxcommuniceerde kan ook niet uitgesloten. Het ligt zelfs in de uitdrukking: hij zij u als de heiden en de tollenaar. Eenen heiden zal men juist opwekken naar de samenkomst der gemeente te gaan, om het Woord te hooren bedienen. Iedereen kan komen bij de samenkomst der gemeente, alleen een geëxcommuniceerde komt er dan niet in qualiteit van gemeentelid. In de samenkomst der gemeente komt de gemeente saam. Voor de gemeente wordt het Woord bediend. Die het Woord bedient, spreekt de bijeen zijnde schare aan niet als ongeloovigen, maar als gemeente. Daartoe behoort niet de geëxcommuniceerde, al mag hij er natuurlijk bijzitten en luisteren. Hij hoort het Woord aan, hoe het voor de gemeente bediend wordt. Dus niet in qualiteit van gemeentelid, als de zoodanige, die tot de gemeente behoort, op wien de dienst des Woords berekend en ingericht is. Dienst des Woords is niet Evangelisatie aan heidenen.

Nog meer is in de Christelijke kerk voorgeschreven en te zeggen met betrekking tot het effect der excommunicatie, voor zoover dit den omgang tusschen geëxcommuniceerden en andere gemeenteleden raakt.

Daaromtrent heeft zich in den loop der eeuwen eene vaste traditie gevormd, ook overeenkomstig alle besluiten van Concilies en alle bepalingen van Canonisten en Casuïsten in de Roomsche kerk, waardoor vrij uitvoerig is uitgewerkt, wat het effect van eene excommunicatie is voor eenen geëxcommuniceerde met betrekking tot andere leden der gemeente. En dat voor allerlei gevallen.

En daarna in de 16de eeuw is ook op dat punt bijzonder de aandacht gevestigd geweest door alle Doopersche richtingen, en is er

|92|

een zeker stelsel uitgewerkt ten aanzien van de „mijdingen”, die tegenover eenen geëxcommuniceerde zijn in acht te nemen.

Wat in de Roomsche kerk te dien aanzien gold, is naar de gewoonte van de Canonisten en Casuïsten, die, om het geheugen te hulp te komen, al hunne regelingen in versjes brachten, in de handboeken, wat de negatieve beteekenis betreft, vervat in den hexameter: „Os, orare, vale, communio, mensa negatur”. Waar dit negatief ontzegd werd, mocht positief wel, wat in dezen hexameter stond: „Utile, lex, humile et res ignorata, necesse”.

Deze bepalingen noemt Voetius in zijne Politica Ecclesiastica, Dl. IV, pp. 925-928. De Gereformeerden namen deze bepalingen niet zoo over, maar brachten er bedenkingen tegen in.

Ten slotte zullen wij spreken over hetgeen omtrent het effect der excommunicatie in de Roomsche kerk en bij de Dooperschen geleerd wordt.

Wij zagen reeds, hoe in de Roomsche kerk vijf dingen worden genoemd, die aan den geëxcommuniceerde ontzegd worden, en vijf dingen, waarin nog wel eenige gemeenschap met het geëxcommuniceerde lid gehouden wordt. Zij zijn vervat in de reeds genoemde hexameters:
„Os, orare, vale, communio, mensa negatur.
Utile, lex, humile et res ignorata, necesse”.

Door „os” verstaat de Roomsche kerk saamspreking. Men mag dus met den geëxcommuniceerde geen gesprek houden. Intusschen zijn de Roomsche Canonisten wel gedwongen geworden om bij die bepaling allerlei uitzonderingen te maken, en door die uitzonderingen wordt dan eigenlijk de bepaling tamelijk wel van kracht beroofd. De Gereformeerden zeggen te dien aanzien, dat saamspreking in het algemeen niet verboden is, maar wel zoodanige omgang, die een meer intiem en broederlijk karakter draagt. Men kan niet met geëxcommuniceerden saamspreken als met broederen, maar andere saamspreking kan en moet men ook houden met Heiden, Jood en ongeloovige, en met hen staat de geëxcommuniceerde gelijk.

Door „orare” verstaat de Roomsche kerk, dat men met een geëxcommuniceerd lid niet samen bidden mag. Ook daarbij moeten de Casuïsten gevallen noemen, waarin uitzonderingen zijn. Den regel houden zij zeer streng vast, zoo zelfs, dat als tijdens het gebed der gemeente in de kerk een geëxcommuniceerde binnenkomt, men aanstonds met bidden moet ophouden. De Gereformeerden laten hem ook bij het gebed toe. Bij de Gereformeerden hebben ongeloovigen, Heidenen en Joden ook toegang bij het gebed van de saamvergaderde gemeente. Het gebed toch kan ook voor hen nuttig zijn. Doch het gebed blijft altijd het gebed der gemeente, en is geen gebed, waarbij er rekening mee gehouden wordt, dat ook de geëxcommuniceerde als zoodanig zou kunnen meebidden. Het is geen gebed van

|93|

geloovigen en ongeloovigen dooreengemengd. Het zou verkeerd zijn, indien het gebed, dat gelijk blijft, of de geëxcommuniceerde er bij is of niet, moest gelden als een gebed voor niet en wèl geëxcommuniceerden.

Door „vale” verstaat de Roomsche kerk begroeting en alle eerbetuiging, die met betrekking tot eenen geëxcommuniceerde verboden wordt. De vraag, of men tot eenen geëxcommuniceerde zeggen mag: moge God u tot bekeering brengen, wordt volgens Rome bevestigend beantwoord. Zoo zijn er een aantal begroetingen ook volgens de Roomsche leer geoorloofd, indien zij strekken tot verbetering en niet tot eigen eere van den geëxcommuniceerde. 2 Joh. : 10, 11 ziet volgens Rome alleen op de begroeting van valsche leeraars in hunne qualiteit, en niet op de begroeting in ’t algemeen. De Gereformeerden stemmen hiermede overeen.

Onder „communio” verstaat de Roomsche kerk gemeenschap met geëxcommuniceerden en het samenwonen, samenwerken of het sluiten van overeenkomsten; maar daarvoor zijn ook weer uitzonderingen in menigte noodig, daar anders de regel niet kan opgaan. De Gereformeerden stemden dit wel toe, doch zeiden: zeer zeker, alle familiare, vriendschappelijke en broederlijke omgang met geëxcommuniceerden, zoodat men van hen zijne bijzondere vrienden maakt, is uitgesloten, maar niet alle verkeer met hen houdt op. Naar Paulus’ woord van 1 Cor. 5 : 10 zou men anders uit de wereld moeten uitgaan. Samenwonen, samenwerken en overeenkomsten sluiten, niet op kerkelijk gebied, maar omgang, mits niet intiem, heeft men zelfs met Heidenen, Joden en ongeloovigen, ook dus met geëxcommuniceerden.

Door „mensa” wordt bedoeld samen eten, samen aan tafel zitten. Intusschen zijn ook daarbij zooveel uitzonderingen, dat de regel ten slotte niet blijft. De Gereformeerden oordeelden: Een vriendschappelijken maaltijd houden met eenen geëxcommuniceerde is zeker niet geoorloofd, maar niet wordt verboden het samen aan tafel zitten van leden van eenzelfde familie en huisgezin. Als de vader of moeder geëxcommuniceerd is, moeten vader of moeder niet apart zitten, en hebben de anderen niet het recht dit tot hun ouders te zeggen. En ook als iemand in een logement of herberg komt, waar een geëxcommuniceerde verblijf houdt, behoeft hij zich niet af te scheiden.

In het algemeen is het standpunt der Gereformeerden ten opzichte van de mijding, dat men niet moet trachten allerlei gevallen te definieeren, waarin mijding te pas komt, want dit is onmogelijk; maar dat men in het oog moet houden, wat de bedoeling en de reden der mijding is, nl. opdat de ander beschaamd worde en door schaamte gedreven tot berouw kome.

In het algemeen moet men den geëxcommuniceerde mijden

|94|

ten opzichte van de kerk, opdat hij gemis der gemeenschap der heiligen hebbe en zoo terugkeere. Waar het verkeer met den geëxcommuniceerde hem van dit doel zou afleiden en hem eene honorabele positie zou geven, is dit verkeer uitgesloten.

De Roomsche kerk zelf heeft tegenover die vijf gevallen van mijding een vijftal gevallen moeten stellen, waarin omgang verplicht was.

Onder „utile” wordt verstaan: verkeer met den geëxcommuniceerde, dat tot zijn nut kan dienen, wat hem ten goede komt voor zijn geestelijk heil. Natuurlijk, ieder geloovige moet trachten eenen geëxcommuniceerde terecht te brengen, evenals ditzelfde geldt bij Heidenen en Joden. De Gereformeerden gevoelden dit ook.

Onder „lex” wordt de lex matrimonii verstaan, die hem als plicht wordt opgelegd, in tegenstelling met het gevoelen, dat ook wel uitgesproken is, dat de huwelijksplicht door excommunicatie wordt opgeheven en het huwelijk geschorst en ontbonden.

„Humile” ziet op den dienst, door ondergeschikten aan meerderen te betoonen, van kinderen aan hun ouders, van slaven en dienstknechten aan hun heeren, van pupillen aan hun voogden. Aan den plicht tot gehoorzaamheid tegenover wie die gehoorzaamheid betaamt, mogen zij zich niet onttrekken. Door excommunicatie wordt die verplichting niet opgeheven. Aldus oordeelen ook de Gereformeerden, die het echter niet eens zijn met de uitzondering, die Rome maakt met betrekking tot de gehoorzaamheid van onderdanen aan hunnen vorst, dat nl. de kerk eenen vorst kan excommuniceeren, zodat de onderdanen niet tot gehoorzaamheid gehouden zijn. Het kwam vaak in de geschiedenis voor, dat bij excommunicatie van eenen vorst de Roomsche kerk de onderdanen ontsloeg van den eed der gehoorzaamheid aan de Overheid. Dit was in de Middeleeuwen een uitnemend middel voor de hiërarchie om zeggingschap over de vorsten te hebben. Zoo kon de Kerk de Overheid dwingen. De Gereformeerden oordeelden, dat hiervoor geen grond was, noemden het inconsequent, en uit heerzucht voortgekomen.

Door „res ignorata” wordt verstaan: verkeer of gemeenschap met eenen geëxcommuniceerde, als men niet wist, dat hij geëxcommuniceerd was. Onschuldige onwetendheid excuseert. De Gereformeerden geven toe, dat het geval zoo kan zijn.

„Necesse” betreft de gemeenschap, die niet te vermijden is, ziet op het geval van nood. Hier ligt een ruim veld voor de Casuïsten, die nu ruimschoots gelegenheid hebben hiervoor allerlei bepalingen te maken. Onder dit punt kan alles binnengeloodst worden. In de practijk komt de quaestie van nood wel overeen met wat de geestelijke belieft te bepalen voor ieder bijzonder geval. De geestelijkheid kan dan allerlei bepalen.

De Dooperschen gaan met die gevallen veel verder.

|95|

De regels van de Roomsche kerk omtrent mijding pasten zij consequenter toe. Zij proclameerden de mijding ook met betrekking tot het huwelijk, den band van ouders en kinderen, en met betrekking tot alle samenwonen, samenwerken, sameneten, samenspreken en samenleven. Dit was natuurlijk consequent, maar terzelfder tijd ook iets geheel uitwendigs, want, het doel der mijding werd uit het oog verloren en dan ook niet bereikt. Het doel der mijding was bij hen eigenlijk iets uitwendigs, dat in de practijk ten slotte toch niet was vol te houden.

Daartegenover hebben de Gereformeerden aangetoond, dat zulke mijding niet voortvloeide uit de Schriftuurplaatsen, waarop de Dooperschen zich beriepen; maar dat moest vastgehouden, dat de geëxcommuniceerde voor den geloovige zij als de heiden en de tollenaar. Hierover bestaat eene belangrijke polemische literatuur uit de 16de en het begin der 17de eeuw. De twee meest afdoende geschriften zijn: 1e Babel, dat is Verwerringhe der Wederdooperen van Hermannus Faukelius, 1621; 2e een geschrift van den Haarlemschen predikant Samuel Ampsing, dat door zijnen zoon en naamgenoot in het Latijn is vertaald, en in 1619 verschenen is onder den titel: Tres disputationes theologicae adversus anabaptistas.

Door de Gereformeerde kerken zelve was op het punt van mijding al in de eerste redactie van de kerkenordening uitgesproken, welke mijding bedoeld werd; vgl. art. 31 valt de Acta van de Synode van Emden van 1571. Aan het einde van dit artikel staat, dat bij excommunicatie: „De Kercken-Díenaer sal ’t gebruyck ende ’t eynde des Bans in ’t breede verclaren, ende sal den gheloovighen vermanen, dat sy gheene alte ghemeensame ende onnoodighe conversatie ende gheselschap met den verbanneden hebben, maer zijn geselschap schouwen tot dien eynde voornemelijck, op dat die verbande ofte uitgheslotene beschaemt zijnde, ernstelijck bedencke sick te bekeeren”. Dezelfde woorden worden herhaald door de Dordtsche Synode in 1578 in art. 97 van hare redactie van de kerkenordening. Het is later in de kerkenordening niet meer herhaald, omdat daarna de formulieren van afsnijding en wederopneming, gemaakt zijn, en in gebruik gekomen. Het ontstaan van die formulieren is niet precies na te gaan, wel, dat zij tusschen 1581 en 1586 gemaakt en in gebruik gekomen zijn. In 1581 waren zij er niet. Toen moest men er zelf een voor de excommunicatie opstellen en was er sprake van eene afzonderlijke „forme” of bepaling, door de Synode te maken. In 1586 waren ze er blijkbaar wel, want er werd verwezen naar het formulier van wederopneming, en gesproken van „het formulier daer van zijnde”.

In het „formulier des Bans of der afsnijding van de

|96|

Gemeente” wordt met betrekking tot de mijding met andere woorden gezegd, wat vroeger in de kerkenordening stond.

Daarom was het niet noodzakelijk de mijding nog in de kerkenordening op te nemen.

Op het artikel over de excommunicatie volgt art. 78 over de wederopneming van geëxcommuniceerden.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 78

Art. 78 1).

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de Gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve voor de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, te voren der Gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden Avondmale — zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie — openbaarlijk met professie zijner bekeering veder opgenomen worde, volgens het formulier daarvan zijnde.

 

Deze bepaling omtrent de wederopneming van geëxcommuniceerden is in 1586 in de kerkenordening gekomen. Art. 71 van de redactie der kerkenordening van de Nationale Haagsche Synode is woordelijk gelijkluidend met het nu geldende artikel. Gelijk met vele andere artikelen geschiedde, veranderde de Dordtsche Synode van 1618/19 ook aan dit artikel niets. Van zelf sprak, dat ook: vóór 1586 wederopneming van geëxcommuniceerden heeft plaats gehad, maar daarvoor was toen nog geen bepaling in de kerkenordening of formulier. Dit geschiedde dan naar de manier, die kerkeraad en Classe bepaalden. Om daarin uniformiteit, wat toepassing van beginsel betreft te verkrijgen, nam in 1586 de Haagsche Synode den inhoud dier bepalingen in de kerkenordening op. De bepaling gaat uit van de veronderstelling, dat de wederopneming begeerd moet worden door den geëxcommuniceerde zelf. Alleen van hem kan het uitgaan. De kerkeraad kan en moet wel op hem werken en trachten hem tot bekeering te brengen, maar buiten hem om kan hij nooit tot wederopneming brengen. Dit blijkt uit het begin van het artikel: „Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de Gemeente door boetvaardigheid”. Maar ten opzichte van de begeerte van den geëxcommuniceerde


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, doch veranderde de schrijfwijze als volgt: „gemeente” (tweemaal), „vóór”, „tevoren”, „( )”, „Formulier”.

|97|

is het niet genoeg, dat hij begeert weer in de gemeente opgenomen te worden. Voor den kerkeraad is de overtuiging noodig, dat er blijken zijn van werkelijke boetvaardigheid, waaruit betering en bekeering blijkt, want dit is eigenlijk de eenige grond, waarop de kerkeraad eenen geëxcommuniceerde weder kan opnemen. Zijn er zoodanige blijken niet, dan kan de wederopneming niet plaats hebben, maar moet de excommunicatie blijven voortduren. De eenige en diepste grond der excommunicatie was en is toch niet de begane zonde of overtreding, die in eenige jaren verjaard of vergeten zou kunnen zijn, maar de onboetvaardigheid. Een boetvaardige wordt niet geëxecommuniceerd. Voor alle zonde is er in het bloed van Christus vergeving, dus ook bij de kerk, voor zoover die vergeven kan. De zonde op zich zelve sluit niet buiten de gemeenschap van Christus en buiten de kerk, maar wel het volharden in de zonde, de onboetvaardigheid.

Gebleken moet zijn, dat de onboetvaardige werkelijk in zijn hart is veranderd, verteederd en verbroken. Erkentenis en belijdenis van schuld moeten blijken. Dan kan en moet zelfs de wederopneming plaats hebben. Ook daarbij echter moet de gemeente gehoord worden en medewerken, evenals ook de excommunicatie niet uitgesproken wordt door den kerkeraad buiten medeweten de gemeente. Maar, waar deze in overleg met de gemeente en onder goedkeuring en bewilliging der gemeente na afkondiging plaats heeft, zoo geldt ditzelfde ook van de wederopneming, en geschiedt het om dezelfde redenen, die wij in art. 77 bij de excommunicatie besproken hebben.

Vóór de wederopneming moet volgens dit artikel „der Gemeente aangezegd worden”, dat de geëxcommuniceerde zich verzoenen wil met de gemeente. Dit is niet eene formeele mededeeling, maar de bedoeling is, dat de wederopneming geschiede, voor „zoverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie”. De bekendmaking aan de gemeente geschiedt dus niet om het enkel aan de gemeente te berichten, maar om het oordeel der gemeente in te roepen, en om aan hen, die bezwaren hebben; gelegenheid te geven die in te brengen. Brengen één of meer leden bezwaren in, dan moet de kerkeraad daarmede rekenen. In zulke gevallen moet de kerkeraad de ingebrachte bedenkingen en bezwaren ernstig onderzoeken. Blijken ze grond te hebben, dan moet de wederopneming geweigerd; zoo niet, dan kan zij voortgaan.

Eene vraag, die gedaan kan worden en gedaan is, betreft de verandering van woonplaats van den geëxcommuniceerde.

Het artikel zegt, het zal „te voren der Gemeente aangezegd worden”. De vraag is, welke gemeente bedoeld is. De gemeente, waar de excommunicatie is uitgesproken, of waar de geëxcommuniceerde woont? Is dit dezelfde gemeente, dan is er geen

|98|

quaestie over; maar het zal daarom ook kunnen gebeuren, dat de geëxcommuniceerde verhuisd is naar eene andere gemeente en daar een tijd lang woont. Dan kan de vraag ontstaan: Welke kerk en kerkeraad moet nu de wederopneming effectueeren? Het antwoord daarop kan niet anders zijn dan de kerk en kerkeraad ter plaatse, waar de geëxcommuniceerde woont. Dat het tegendeel wel eens beweerd is, hangt samen met de miskenning van de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerk. Waar men die ontkent, en de kerken samen als één geheel worden genomen, en onder hoogere besturen staan bij opklimmende trappen, daar natuurlijk kunnen en zullen andere regelen gelden. In zoodanige inrichtingen van kerken en in zulke kerkverbanden vindt men dan ook de bepaling voorgeschreven, dat elke kerkelijke straf te niet gedaan kan worden alleen door een hooger college, dan dat, hetwelk de straf heeft uitgesproken, omdat de kerken samen één geheel zijn, zoodat iemand, die lid is van de eene kerk, ook lid is van de andere kerk. Die verhuist blijft dan lid van dezelfde kerk, hij komt alleen in eene andere afdeeling. Ieder kerkbestuur kan zich met zoo’n lid bemoeien.

Doch anders wordt dit, wanneer men de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerk erkent. Het eigenlijk onderscheid is, dat de geëxcommuniceerde, die verhuisd is, niet behandeld moet worden door den kerkeraad van de gemeente waar hij vroeger woonde. Hij kan natuurlijk alleen te doen hebben met de kerk ter plaatse, waar hij woont. Immers, wanneer hij wenscht met de gemeente verzoend te worden; als lid van Christus erkend te worden, lid te worden van de openbaring van Christus’ lichaam op aarde, van de geïnstitueerde kerk, dan kan hij dit alleen worden ter plaatse waar hij woont. Men kan maar tot ééne plaatselijke kerk behooren. Hij kan niet lid worden van de kerk van eene andere plaats, en kan dus niet opgenomen worden in de kerk ter plaatse, waar hij vroeger woonde. Wonende in kerk X, kan hij niet opgenomen worden in kerk IJ. Dit is op Gereformeerd standpunt ongerijmd. Daarom, wil hij zich weer bij de gemeente voegen. dan kan dit alleen geschieden bij de gemeente ter plaatse, waar hij woont. Hierbij komt, dat alleen ter plaatse, waar de geëxcommuniceerde woont door de kerk over betering des levens geoordeeld kan worden. Het is ongerijmd, dat als iemand van kerk X naar kerk IJ verhuisd is en daar tien jaren woont, de bekendmaking, dat hij wederopneming wenscht, in kerk X zou plaats hebben, want niemand weet daar iets van hem. Die bekendmaking heeft dan geen zin. Dat wil niet zeggen, dat daarom die kerk, waar de geëxcommuniceerde woont, in het geheel niet rekenen moet met de kerk, waar hij vroeger woonde. Het spreekt van zelf, dat die kerk betreffende de verzoening voorloopig in overleg treden zal met de kerk, door

|99|

welke de excommunicatie is uitgesproken, om redenen en omstandigheden te vernemen en om op de hoogte gesteld te worden. Dit moet geschieden, omdat met ernst behoort gehandeld te worden. Overleg met de kerk, maar de geëxcommuniceerde vroeger woonde, is dus niet uitgesloten en wordt gevorderd door den eisch des rechts en den ernst, aan de zaak verbonden. Maar formeel moet de wederopneming geschieden door de kerk, waar hij woont, omdat hij alleen lid kan worden van de kerk van de plaats, waarheen hij gegaan is.

Nog wordt in het artikel de wederopneming in verband gebracht met het avondmaal. Het zal „voor de handeling des Avondmaals .... te voren der Gemeente aangezegd worden”. Echter niet zoo, alsof het niet op eenen anderen tijd geschieden kan. Het kan zijn, dat het dan nog een paar maanden duren moet en dat er geen reden is om langer te wachten. Bijv. bij doop, huwelijk en verhuizing is het ongerijmd te wachten tot het Avondmaal. Daarom staat er ook in het artikel: „of anderszins naar gelegenheid”. Toch moet bij voorkeur de wederopneming voor de handeling des Avondmaals gebeuren, omdat het Avondmaal de uitwendige openbaring is van het corpus Christi. Vastgehouden moet aan de beteekenis van het Avondmaal. Daarin culmineert de Christelijke gemeenschap. De gemeenschap der heiligen treedt daarin het meest zichtbaar naar buiten op. En de excommunicatie was allereerst excommunicatie van het avondmaal. In dit artikel komt de centrale beteekenis van het Avondmaal in de kerk uit.

Het slot van het artikel luidt: „teneinde hij .... openbaarlijk met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het formulier daarvan zijnde”. In het formulier van wederopneming wordt kortelijk aan de gemeente herinnerd, dat degeen, die geëxcommuniceerd is geweest, nu genoegzaam berouw en boetvaardigheid en betering des levens betoond heeft en dat, naardien er geen bezwaren tegen hem ingebracht zijn, de wederopneming volgen zal. In dat formulier is de vraag, die aan den boetvaardige te doen is, met veel wijsheid opgesteld. Bijna woordelijk is het formulier geheel te volgen. Het moet gewoon gelezen en er behoeft niets bijgevoegd te worden. Het is niet noodig bij de wederopneming de zaken verder op te halen, of meer in bijzonderheden af te dalen, dan in het formulier geschiedt. Zeer weinig moet er geschieden, om daardoor de eer, van den gevallen maar berouwhebbenden broeder zooveel mogelijk te verschoonen. Daarom moet niet anders dan het formulier gelezen. Niet mag verzwegen worden, dat hij om zijne onboetvaardigheid geëxcommuniceerd is, maar meer dan eene algemeene uitdrukking mag daarvoor niet gebruikt.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 79, 80

|100|

Art. 79 1).

Wanneer de Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads der zelver en der naast gelegene Gemeente van hunnen dienst afgezet, maar de Dienaars opgeschorst worden. Maar of zij geheel van den Dienst af te zetten zijn, zal aan ’t oordeel der Classe staan.

Art. 80 2).

Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den Dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns Dienstes, of indringing in eens anderen Dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij; dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin; kortelijk alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen Lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

 

In art. 79 is sprake van de censuur over de kerkedienaren met betrekking tot hun ambt of dienst. Hier wordt dus gehandeld over censuur van kerkedienaren. Ook daarover moest afzonderlijk in de kerkenordening gesproken worden. Voor kerkedienaren is eene afzonderlijke bepaling gemaakt, juist opdat zij kerkedienaren zijn en bij hen dus de censuur nog iets meer insluit dan bij de gewone leden der gemeente.

Reeds in de Wezelsche artikelen van 1568 werd daarop


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 bracht navolgende wijziging in de inhoud van dit artikel: „zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegen gemeente in hunnen dienst geschort of daarvan afgezet worden maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel der Classe staan, met advies van de in Art 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode”. Voorts liet zij het artikel als volgt beginnen: „Wanneer Dienaars”.
2) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, doch bracht in de schrijfwijze de volgende veranderingen aan: „dienst” (tweemaal); „dienstes of”; „kortelijk, alle”; „lidmaat”.

|101|

gewezen in Hoofdst. VIII „Van de tucht”, in art. 12, hetwelk luidt: „Maar ten opzichte van de Dienaren en Ouderlingen behoort een eenigszins andere handelwijze gevolgd te worden, opdat zij niet lichtvaardiglijk aan, lasteringen bloot staan; ten ware zij wellicht (wat God verhoede) met eenig openbare schanddaad en schelmstuk zich bevlekt hadden. Want dat zij in dat geval zoo spoedig mogelijk, zonder het oordeel der Classis af te wachten, met schande en oneer van hun ambt moeten verwijderd worden, wordt door niemand betwijfeld”. Hier wordt dus al het beginsel uitgesproken, dat bij de dienaren en ouderlingen in zake tucht eene eenigszins andere manier van handelen moet gevolgd worden; niet alsof de kerkedienaren niet aan de gewone censuur zouden onderworpen zijn, want de bepaling daarover geldt ook voor hen. Maar bij de kerkedienaren brengt de censuur, bestaande in afhouding van het Avondmaal of excommunicatie, natuurlijk: ook mede, dat, zoolang de censuur duurt, ook het ambt of de dienst niet kan worden waargenomen, zoodat bij kerkedienaren door censuur ook tevens schorsing in, of afzetting van den dienst wordt uitgesproken. Het spreekt toch van zelf, dat bijv. een ouderling, die om dronkenschap of echtbreuk of welke zonde ook gecensureerd wordt, dan niet, terwijl die censuur nog duurt, als ouderling kan optreden om anderen te vermanen. Zelf van het Avondmaal geweerd, kan hij niet aan de Avondsmaalstafel gaan zitten om anderen te weren. Een diaken, om gebleken diefstal gecensureerd, kan niet, zoolang de censuur duurt, het ambt van diaken blijven waarnemen. Evenmin kan een dienaar des Woords gedurende den tijd van zijne censuur het Woord en de Sacramenten bedienen.

Bij kerkedienaren brengt censuur mede schorsing in ambt en dienst, zoolang de censuur duurt. Maar, omdat bij de kerkedienaren schorsing in ambt en dienst bij de censuur bijkomt, en de censuur voor hen dus meer insluit dan hij gewone leden der gemeente en dan ook voor de gemeente meer gevolgen heeft, moest er eene afzonderlijke bepaling gemaakt worden. Bij kerkedienaren moest meer waarborg genomen worden, dat de censuur inderdaad naar recht zou worden toegepast, en kon dus bij kerkedienaren de gewone censuur niet uitgesproken worden, tenzij volgens de bepaling van art 79. Indien bij kerkedienaren de gewone censuur ook kon worden uitgesproken op de gewone manier volgens artt. 74 en 76, dan zou daardoor de bepaling van art. 79 ontdoken worden; dan zou de kerkeraad zeer gemakkelijk van dezen of genen dienaar des Woords, ouderling of diaken kunnen afkomen door, hem eenvoudig te censureeren. Aangezien nu bij kerkedienaren wat meer waarborg, en oordeel van anderen noodig is, om het gewicht, dat aan zulke censuur hangt, is de gewone manier van censuur bij hen

|102|

niet gevolgd, maar is eene afzonderlijke manier voorgeschreven.

De bepaling dagteekent reeds van de oudste redactie van de kerkenordening, nl. die van de Synode te Emden in 1571. Art. 33 luidt: „Ist dat die Dienaers des Woorts, die Ouderlinghen, ofte Diaconen eenige openbare sonde die tot schande ende lasteringhe der Ghemeente streckt, ofte door de macht der Overheydt behoort ghestraft te werden, bedreven hebhen: Soo sullen die Ouderlingen ende Diaconen door de authoriteyt der Consistorie terstont van haren dienst afgeset werden: Maar den Dienaren des Woorts salmen haren dienst voor een tijt lanck opsegghen, doch of mense t’ eenemael van haeren dienst afsetten sal, daer van sal de vergadering des Classis oordelen, met welckers oordeel, ist dat sy niet te vreden zijn, soo sullen sy haer beroepen op dien Provinciale ofte Lants-Synode”. Woordelijk is dus de bepaling van art. 79 reeds in 1571 opgenomen, alleen met deze uitzondering; dat er in de Emdensche kerkenordening nog niet stond, dat bij afzetting van ouderlingen en diakenen advies van de naburige kerk moest gevraagd worden. In 1571, in den tijd der kerken onder het kruis en in de verstrooiing, toen er nog weinig geconstitueerde kerken waren, had men deze bepaling moeilijk kunnen toepassen.

In 1578 (art. 100) is de bepaling van Emden eenvoudig overgenomen zonder eenige wijziging.

Eerst in 1581 is er bijgekomen, dat bij afzetting van ouderlingen en diakenen het oordeel van de naastgelegene kerk ook moest gevraagd worden (art. 64), blijkbaar omdat de noodzakelijkheid en de behoefte daaraan gevoeld was geworden door het misbruik, dat in sommige getallen tot moeilijkheden aanleiding had gegeven.

In 1586 werd blijkens art, 72 der redactie van de kerkenordening de bepaling gehandhaafd.

En evenzoo in 1619.

In het artikel zelf wordt ten aanzien van de kerkedienaren onderscheid gemaakt tusschen de dienaren des Woords en de ouderlingen en diakenen. Niet alsof de een eenen hoogeren rang zou hebben dan de ander, zooals bij verkeerde uitlegging uit het artikel kan afgeleid worden, alsof bij eenen dienaar des Woords meer omslag moet worden gemaakt, omdat hij in de kerkelijke hiërarchie hooger staat dan een ouderling of diaken. Zoo’n opvatting van hiërarchie is er wel hier en daar in de Gereformeerde kerken geweest. Het laagst stonden dan de diakenen, hooger de ouderlingen, nog hooger de dienaren des Woords, en de allerhoogste rang werd dan bekleed door eenen superintendent of zoo iemand. Deze opvatting is hier en daar ingedrongen bij Nederlanders, die naar Engeland gevlucht waren, onder invloed van de Engelsche beschouwing van het

|103|

hiërarchische stelsel, dat uit de Roomsche kerk in de Engelsche kerk was overgegaan. Maar in de Gereformeerde kerken kan dit nooit aangenomen. Wel kan er onderscheid aangenomen, ook, dat de eene dienst gewichtiger voor de gemeente is dan de andere, maar niet eene hiërarchische rangorde. De onderscheiden manier van behandeling in dit artikel ligt volstrekt niet in eenen hoogeren rang, dien de een boven den anderen hebben zou.

Ten aanzien van de afzetting van de dienaren des Woords is bepaald, dat niet alleen de naastgelegene gemeente geraadpleegd moet worden, maar de geheele Classe, aan wie het eindoordeel zal staan, omdat bij dienaren des Woords aan afzetting van den dienst zooveel meer verbonden is dan bij ouderlingen en diakenen.

Afzetting van den dienst heeft bij dienaren des Woords zooveel meer gevolgen:
1º. Voor henzelven, omdat bij dienaren des Woords hun kerkelijk ambt en dienst hunne geheele levenstaak en levensdoel is en zij bij afzetting geheel uit hunne levenspositie worden uitgezet. Dit geldt niet bij ouderlingen en dialenen, want hun levenstaak en -doel is het ambt en beroep, dat zij in het burgerlijk leven hebben. Ouderlingen en diakenen zijn tijdelijk aan het kerkelijk ambt verbonden, dienaren des Woords levenslang. Afzetting heeft dus voor hen veel meer beteekenis.
2º. Ook is er meer aan verbonden voor de kerk zelve, want de dienaar des Woords gaat in het openbaar voor, in den dienst des Woords en der Sacramenten en in de gebeden. Hij geeft onderwijs aan de jeugd en geeft de leiding aan de gemeente. Wanneer hij wordt afgezet, maakt het veel meer éclat en indruk.
3º. Ook is er veel meer aan verbonden voor den naam des Heeren in het algemeen met betrekking tot de wereld. Wordt er een ouderling of diaken afgezet, dan weet slechts een kleine kring ervan. Over de afzetting van eenen dienaar des Woords daarentegen wordt in ruimer kringen gesproken, ook bij de wereld. De goede naam der kerk is er mede gemoeid, daar de kerk dan in kwaden naam komt.

Daarom in de eerste plaats is voor dienaren des Woords eene andere manier van afzetting voorgeschreven.

In de tweede plaats ook hierom, dat ten aanzien van dienaren des Woords een kerkeraad eerder bevooroordeeld kan zijn en bevooroordeeld te werk gaan dan bij ouderlingen en diakenen. Ook ten opzichte van ouderlingen en diakenen kan een kerkeraad, die gaarne een lid kwijt wil zijn, bij eene eventueele klacht wel bevooroordeeld zijn, doch dat kan toch niet zoolang werken, want de diensttijd van ouderlingen en diakenen is niet levenslang, maar loopt om de twee jaren af, iets waaraan

|104|

men zich toen nog meer gehouden heeft dan nu. Dan waren doorgaans de aftredenden niet herkiesbaar. Van eenen ouderling of diaken, dien men kwijt wilde wezen, kwam men in ieder geval spoedig af. Vooroordeel behoefde bij de beoordeeling van zoodanig lid niet te werken. Maar een dienaar des Woords had men levenslang. Nu kon het gebeuren, dat, wanneer de dienaar des Woords niet goed beviel, wanneer hij te oud werd en men een jong predikant verlangde, wanneer er moeilijkheden in de gemeente waren, of wanneer er iets in zijne persoonlijkheid of karakter was, dat de menschen niet aanstond, de gemeente dan haren dienaar gaarne kwijt wilde zijn. Het is zeer menschelijk, dat men dan van hem zoekt af te komen. Wanneer dergelijke bezwaren tegen den dienaar opkomen, is het menschelijk, dat de kerkeraad, die daarbij betrokken is, bevooroordeeld is. Het zou ook met opzet kunnen gebeuren. Daarom noemt het artikel het oordeel der Classe er bij.

Als derde grond komt er bij, dat bij ouderlingen en diakenen ontzetting uit den dienst alleen kan gelden van dienst in die bepaalde gemeente, waar zij hun ambt en dienst hebben, terwijl bij dienaren des Woords de censuur ook geldt voor alle andere kerken, waarmede de kerk, waar de censuur plaatgreep, verbonden is. Uit kracht van het kerkverband is een dienaar des Woords uit de eene kerk ook gequalificeerd den dienst des Woords en der Sacramenten in andere kerken te bedienen, als de kerkeraden hem daartoe uitnoodigen, en is hij verplicht dit te doen, als de gezamenlijke kerken van een district hem tot het uitoefenen van vacaturedienst aanwijzen. Maar een ouderling en diaken kan niet buiten de plaatselijke kerk optreden. Bij dienaren des Woords wordt de qualificatie door de gezamenlijke kerken medegedeeld, en hun dienst kan zonder verder onderzoek bij andere kerken gebruikt worden. Daarom moeten die kerken bij de afzetting van eenen dienaar des Woords ook gehoord worden en zal het „aan het oordeel der Classe staan”, want de afzetting heeft strekking voor alle kerken. Daarom is er onderscheid in de manier van behandeling bij dienaren des Woords aan de eene zijde, en bij ouderlingen en diakenen en de andere zijde.

Ten laatste, als reden voor schorsing en afzetting wordt bij alle kerkedienaren genoemd: „eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is”.

Bij dit woord „openbaar” geldt dan natuurlijk ook de definitie van dit woord in art. 75 in het begin gegeven, nl. dat het zonden zijn, „die van haar nature wege openbaar, of door verachting der Kerkelijke vermaningen in ’t openbaar gekomen zijn”. Men moet dus ook in dit zeggen de openbare zonde niet alleen verstaan als zonde, die door haar natuur openbaar

|105|

is, zoodat een kerkedienaar, aangesproken over eene zonde, in het geheim begaan, zou kunnen zeggen: maar dit valt niet onder het artikel. Als een dienaar des Woords, over eene heimelijke zonde aangesproken en vermaand zijnde, niet hoort, maar de vermaning afwijst, kan hij dus niet zeggen: het is niet openbaar; want bij verachting der vermaning moet het der gemeente aangezegd worden en wordt het dus openbaar.

Wanneer hij eene grove zonde de kerkedienaar schuld belijdt en boetvaardigheid toont, dan moet uit dit artikel niet afgeleid worden, dat hij dus ongehinderd in dienst moet blijven, en dat er van verdere censuur geen sprake kan zijn. Ook bij gewone leden in gewone gevallen is bij ergelijke zonde, al wordt er schuld beleden en eenig teeken van boetvaardigheid getoond, vaak afhouding van het Avondmaal noodig. De censuur kan dan eenen tijd lang moeten blijven duren, opdat de echtheid van het berouw blijke, en de gegeven ergernis weggenomen worde. Ditzelfde geldt nog veel meer van kerkedienaren. Bij kerkedienaren moet de echtheid van schuldbelijdenis en berouw daaruit blijken, dat iemand zich zelven onwaardig keurt den dienst te blijven waarnemen, en dat hij uit zich zelven ontslag vraagt uit zijnen dienst; en in zoodanig geval zal dit ook moeten verleend worden. Dan is het het beste, dat de zoodanige zijn ambt niet blijft waarnemen. Bijv. is van eenen diaken dieverij gebleken, dat hij geld van de armen stal, dan kan hij daarover berouw toonen. Dan mag geen censuur toegepast, maar toch gaat het niet aan hem in den dienst te laten. Dan moet hij direct daarop zijn ontslag aanvragen om de echtheid van zijn berouw te bewijzen en te erkennen, dat hij nu onwaardig is, den dienst waar te nemen, dat hij zijne qualificatie als diaken verloor, en dat hij zijn ontslag moest krijgen. Staat een ouderling schuldig aan openbare dronkenschap of echtbreuk, dan moet hij niet in dienst gelaten. Vooral bij een dienaar des Woords moet in zoodanige gevallen ontslag volgen. En dan, na drie maanden, een half of een geheel jaar, zou hij weer beroepbaar kunnen worden.

Voorts wordt de uitdrukking „een openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is”, als uitdrukking, waarom censuur bij kerkedienaren wordt toegepast, nader nog omschreven in art. 80, dat bij art. 79 behoort.

 

Die omschrijving in art. 80 is reeds te vinden in de Wezelsche artikelen van 1568, Hoofdst. VIII, art. 14, en wel nagenoeg met dezelfde woorden. In de Wezelsche artikelen worden nog wat meer van dergelijke zonden opgenoemd, bijv.: de misdaad van vervalsching in woord of in geschrifte, ongeoorloofde woeker, dobbelspel en de overige onbetamelijke en door de wetten verboden spelen,

|106|

ook de zucht om kerken en collega’s te overheerschen, dus hiërarchische zucht.

De beschrijving zelf is ontleend aan de Geneefsche kerkenordening, waarin reeds in Calvijns tijd die opsomming van dingen, die in eenen dienaar niet te dragen zijn, door Calvijn gegeven, voorkomt.

Die omschrijving kwam het eerst in 1581 in onze kerkenordening als art. 65. Daar zijn de woorden gelijkluidend. Woordelijk is dit in 1586 in art. 73 gebleven, en evenzoo in 1619 in art. 80.

Alle zonden, overtredingen en uitspattingen, die kerkedienaren begaan kunnen, zijn in dit artikel niet opgenoemd. Het ging moeilijk om daarvan een complete lijst of catalogus te maken. Alleen de voornaamste zijn opgenoemd; niet zoo, dat, bij ieder van de zonden de onderscheidene gradaties genoemd worden, alleen worden zij met enkele woorden aangeduid. En om aan te duiden, dat men niet notarieel moet gaan napluizen en zoeken, of die en die zonde wel in het artikel voorkomt, is aan het einde van het artikel toegevoegd: „kortelijk alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen Lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden”. Eene strafwet in den zin, dat opgenoemd is alwelke zonden kunnen bedreven worden, is dit artikel niet. Zoo moet de kerkelijke tucht nooit beschouwd worden. Veel moet altijd afhangen van de appreciatie van de kerkelijke vergadering, die zich met de zaak bezighoudt. Daaraan moet veel worden overgelaten. Toch is in dit artikel voorkomen, dat veel ergerlijks door de vingers gezien en gepasseerd zou worden, zoodat in het geheel geen tucht zou geoefend worden.

 

Betreffende de in art. 79 voorgeschreven manier van handelen is regel, dat bij kerkedienaren niet de kerkeraad alleen een oordeel uitspreekt, maar dat hij daarbij voorgelicht en bijgestaan wordt door andere kerken. Geldt het ouderlingen en diakenen, dan geschiedt dit door den kerkeraad van de naastgelegene gemeente, en bij dienaren des Woords door alle kerkeraden nl. die van eene geheele Classe.

Betreffende de bepaling, dat in zake ouderlingen en diakenen de kerkeraad der naastgelegene gemeente gehoord moet en mede moet oordeelen, is wel eens de vraag gedaan, welke kerk men daarvoor nemen moet. Of men zoo mogelijk precies moet uitrekenen, hoeveel ellen de omliggende kerken van de plaatselijke kerk, waar het geval voorkomt, verwijderd zijn, dus of men daarvoor moet nemen den kerkeraad van die kerk, wier kerkgebouw het dichtst bij is. Natuurlijk is het zoo niet bedoeld. De kerkeraad van de naastgelegene gemeente is

|107|

genoemd, omdat men daarmee het gemakkelijkst correspondeert, en ook mag het niet van willekeur afhangen, welken kerkeraad men neemt. Een ouderling of diaken mag niet vragen: welken kerkeraad uit de Classe wil ik hebben? En ook mag de kerkeraad niet zeggen: welken kerkeraad zou ik hierin het liefst hebben?. De bedoeling van „naast gelegene kerk” is de kerk waarmede men het gemakkelijkst in correspondentie treedt, d.i. wier centrum het dichtst bij gelegen is. Maar het kan ook zijn, dat dit niet zoo is. Er moet gelet worden op de communicatie. Het kan voorkomen, dat twee kerken, die locaal dicht bij elkander liggen, toch moeilijk naastgelegene gemeenten, kunnen zijn, omdat de communicatie tusschen beide niet gemakkelijk is. Doch gewoonlijk valt de gemakkelijkheid der communicatie samen met den localen afstand. Maar het kan ook anders zijn, bijv. bij twee kerken die door eene rivier gescheiden worden. In den winter kan de communicatie dan moeilijk zijn. Het kan ook gebeuren, dat de communicatie gemakkelijker is met eene kerk, die op een uur afstand verwijderd ligt, dan met eene kerk, waarvan de afstand drie kwartier is. Soms zijn ook kerken van verschillende Classen naastgelegene kerken. Niet alleen de zuiver locale afstand, maar de omstandigheden beslissen hier dus.

Wat de manier waarop betreft, moet het niet zoo gaan; dat de kerkeraad advies vraagt aan dien der naastgelegene gemeente, en dan doet wat hij wil, maar zoo, dat beider oordeel moet samengaan. Het oordeel van de kerkeraden, volgende op eene gecombineerde vergadering van beide kerkeraden, moet gehoord worden: of de kerkeraad van de naastgelegene gemeente moet gedeputeerden zenden met bepaalden last, zoodat beide kerkeraden gelijk op stemmen. Komen zij beide tot overeenstemming, dan is de zaak in orde. Stemmen zij niet overeen, dan moet de zaak voor de Classe gebracht en de afzetting worden uitgesteld. Een andere kerkeraad mag dan niet om oordeel gevraagd worden, want dit is tegen het artikel. De kerk mag dus niet de Classe rondgaan; totdat zij eenen kerkeraad gevonden heeft, die het met haar eens is. Presseert de zaak, dan kan er eene buitengewone Classe saamgeroepen worden. Dit geldt ook, waar het predikanten betreft, als de Classe oordeelen moet. Dit geschiedt ook wel in gewone vergaderingen. Als er periculum in mora is, hetgeen bij een dienaar des Woords in den regel het geval is, moet eene buitengewone vergadering gehouden worden. Die kan binnen betrekkelijk korten tijd gevraagd worden. En daarvoor moet altijd gelegenheid zijn. In iedere Classe moet dit kunnen geschieden.

De bepaling, dat „de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads der zelver en der naast gelegene Gemeente van hunnen dienst afgezet, maar

|108|

de Dienaars opgeschorst worden”, komt thans in bespreking.

Deze uitdrukking „terstond” beteekent hier blijkens de tegenstelling: zonder daarover vooraf het oordeel der Classe te vragen; maar het sluit natuurlijk niet uit, dat aan de bedoelde schorsing, waar het eenen predikant geldt, of de afzetting, waar het ouderlingen en diakenen geldt, behoorlijk onderzoek vooraf gaat. Bij alle tucht in het algemeen kan en mag nooit uitspraak gedaan worden zonder behoorlijk onderzoek, zonder dat de bezwaarde over de zaak gehoord is en zonder dat genoegzaam gebleken is van zijne schuld en genoegzaam is gebleken, hetzij van de hardnekkigheid, waarmede hij volhoudt, hetzij van de gegeven ergernis wegens ergerlijk misdrijf, waardoor hij niet in dienst kan blijven. De uitdrukking „terstond” is dus niet op te vatten in den zin, dat het geschieden moet op denzelfde dag, dat het bezwaar ter kennisse van den kerkeraad komt.

Intusschen zijn er zonder twijfel ook gevallen, waarin het noodig kan zijn terstond te handelen, in den zin, dat men er geen dag over heen laat gaan: gevallen, waarin het noodig kan zijn eenen dienaar des Woords aanstonds te schorsen, ook nog voordat het onderzoek formeel geheel kan zijn afgeloopen: gevallen, waarin het noodig kan zijn eenen ouderling of diaken nog wel niet af te zetten, maar in de functie van zijn ambt te schorsen; gevallen dus, waarin het noodig kan zijn kerkedienaren voorloopig te schorsen. De uitdrukking „voorlopige schorsing” komt wel in de kerkenordening niet voor maar de zaak is toch feitelijk menigmaal in practijk gebracht: en het ligt in den aard der zaak, dat voorloopige schorsing mogelijk en bestaanbaar is, en soms noodzakelijk. Bijv. wanneer een dienaar des Woords op den dag, voordat het Avondmaal plaats heeft, aan een feest deelneemt, en in het openbaar zich dronken vertoont, dan moet de dienaar des Woords voorloopt geschorst worden, en mag men hem niet laten optreden. Daarmede wordt dan natuurlijk niet uitspraak in optima forma gedaan. Of ook, wanneer van eenen dienaar des Woords iets zeer ergerlijks bekend wordt, kan voorloopige schorsing noodig zijn, als aanvankelijk het noodig blijkt omtrent de waarheid der beschuldiging. Ditzelfde kan voorkomen bij ouderlingen en diakenen. Bijv. wanneer een ouderling een ergerlijk leven leidt, of een diaken zich schuldig maakt aan diefstal van armengelden. Het is wel mogelijk, dat dan later blijkt, dat de zaak zoo erg niet is. De geschorste moet dan gerehabiliteerd worden. Maar dat komt niet veel voor. In den regel zal het wel niet zoo zijn. Doch eenige zekerheid moet er zijn. Heeft de kerkeraad niet het noodige bewijs omtrent de waarheid der beschuldiging, is die zekerheid er niet, en bestaat er toch ergernis in de gemeente, dan moet de kerkeraad bij kerkeraadsbesluit zich onthouden en den betrokken persoon aanraden of opleggen

|109|

zich ook te ontbonden van dienst. Dit is dan nog geen formeele schorsíng. Hij moet zich dan onthouden totdat de bedenking is weggenomen. Dit heeft op zich zelf niets onteerends en is in het belang der kerk.

Over artikel 80 is gesproken bij artikel 79, waar gehandeld werd over de aanleiding tot schorsing of tucht.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 71-80

Met deze artikelen eindigen de bepalingen over de eigenlijke kerkelijke discipline of tucht.

Deze bepaling in de kerkenordening zijn dus betrekkelijk weinig in getal, nl. Artt. 71-80. Tien in het geheel. En met opzet zijn er in de kerkenordening maar zoo weinig artikelen over de tucht gemaakt, omdat eene vermeerdering van het getal en verdere uitwerking van de toepassing der discipline als van zelf er toe geleid zou hebben, dat men eene groote omvangrijke code pénal kreeg op kerkelijk gebied.

Bij het opstellen van kerkenordeningen hebben de Gereformeerde kerken in het algemeen zich laten waarschuwen door de ervaring in de Roomsche kerk opgedaan, waar vermeerdering van het aantal kerkelijke bepalingen er alleen toe geleid had, dat er een zóó omvangrijk en ingewikkeld corpus iuris ontstond, dat iemand jaren lang in de rechten, in het ius canonicum moest gestudeerd hebben om er eenigszins den weg in te weten, en dat het niet alleen voor gewone gemeenteleden, maar ook voor de kerkedienaren onmogelijk was, dat te kunnen. De kerkelijke tucht werd door zoodanige uitbreiding van het aantal bepalingen eindelijk in handen gesteld van enkele wetgeleerden. Dit wilde men niet en heeft men in de Gereformeerde kerken niet kunnen willen, want daar is de kerkelijke discipline altijd naar Gods Woord opgedragen aan de ouderlingen, aan de opzieners der kerken, en niet in alle kerken, hetzij kleine of groote, kunnen kerkelijke rechtsgeleerden tot ouderlingen gekozen worden. Het zullen wel in den regel gewone, vaak eenvoudige gemeenteleden zijn, die de kerkelijke tucht moeten toepassen. Daarom moet men niet hebben een samenstel van bepalingen, waarin vele formaliteiten omschreven zijn, waarin alleen canonisten thuis zijn, die op zich zelf geen tucht kunnen oefenen.

Het was ook niet noodig de voorschriften te vermenigvuldigen, evenals dit op burgerlijk gebied wel noodig is. Immers tucht is niet hetzelfde als straf. Zij wordt met eene andere bedoeling en op eene andere manier uitgeoefend. Het zal wel in niemand opkomen, om voor huiselijke tucht een samenstel van regelen te maken, waaraan vader of moeder bij de uitoefening van hunne tucht gebonden zijn. Evenmin zal iemand voor eene school een geheel wetboek maken, om aan den meester

|110|

voor te schrijven, aan welke vormen hij gebonden is om tucht te oefenen. Dit kan niet altijd naar dezelfde vormen gaan. De vorm van tucht wijzigt zich naar het doel van de tucht, in overeenstemming met de omstandigheden en de personen, op welke de tucht wordt uitgeoefend. Zoo is het ook in het kerkelijke. De kerkelijke colleges handelen, waar het tucht geldt, niet als strafrechters of als eene rechtbank, maar meer al jury, voor welke ook niet allerlei vormen zijn voorgeschreven, waaraan zij gebonden is bij het opmaken van haar uitspraak. Een jury oordeelt naar vuur haar leden voorkomt recht en billijk te zijn. Evenzoo een kerkeraad, zonder daarbij gebonden te zijn aan allerlei vormen.

Dit wil niet zeggen, dat daarom op het gebied van tucht willekeur heerscht. Wel degelijk zijn het rechtsbeginselen, in Gods Woord neergelegd, die in de consciëntie van de menschen weerklank vinden, en algemeen zijn aangenomen, die op dit gebied gelden. Rechtsbeginselen, die men kennen kan zonder in de rechten te studeeren; die gelden, ook bij de toepassing van kerkelijke discipline, ook al zijn de vormen, waarin toepassing geschiedt, verschillend.

Ook is er op kerkelijk gebied in de kerk zekere usantie, wat betreft de manier, waarop men procedeert. Die usantie heeft, juist omdat zij bestaat, zeker recht van bestaan. Die usantie wijst den weg, hoe in voorkomende gevallen te handelen. Zij geeft wel geen wet van Meden en Perzen, waarvan men niet mag afwijken, maar geeft dan toch aanwijzingen van den weg, die bij discipline gevolgd moet. Die usantie zelf is nooit toevallig of willekeurig ontstaan, maar heeft zich gevestigd onder leiding van kerkelijke opzieners, die in de beginselen van recht en kerkelijke tucht genoegzaam thuis waren, en wijsheid en verstand hadden die beginselen toe te passen. In die usantie vindt men het resultaat van de wijsheid der voorgeslachten. Daaronder kan dwaling loopen en iets zijn, wat niet houdbaar is, maar toch ligt er een groot element van waarheid in, en is zij grootendeels zuiver. Èn door de algemeene rechtsbeginselen èn door de kerkelijke usantie is in vele gevallen reeds, bepaald, hoe eene kerkelijke procedure in zake tucht loopen zal. Daarom zal men wel doen er naar te handelen.

Thans moeten nog enkele punten besproken, die bij de toepassing van kerkelijke tucht voorkomen en tot moeilijkheden aanleiding geven: en wel naar aanleiding van deze artikelen, ook al noemt de kerkenordening ze niet afzonderlijk.

1º. De eerste vraag, die vaak gedaan is met betrekking tot de toepassing van kerkelijke tucht, is deze: Of een beklaagde die door een kerkelijk college over zekere zonde wordt aan gesproken, eischen kan den naam te weten van dengene, die iets te zijnen laste heeft ingebracht?

|111|

Het gebeurt vaak, wanneer een lid der gemeente of een kerkedienaar zelf op kerkelijke wijze wordt aangesproken, dat hij dan aanstonds vraagt, wie het bezwaar tegen hem heeft ingebracht, en dat hij weigert verder te antwoorden alvorens dat te weten. Er wordt dan gezegd, dat de beklaagde recht heeft dit te eischen, en dat de kerkeraad hem den naam zeggen moet.

Intusschen is er voor zoodanig recht geen grond te vinden. In het burgerlijke geldt, dat de officier van justitie der rechtbank aan den beklaagde niet behoeft te zeggen, van wien hij de aanklacht heeft. Hij kan ook aan vrager den naam niet zeggen, wanneer hij geheimhouding beloofd heeft. Het komt er ook niet op aan: de rechter vraagt. De hoofdzaak is niet, van wien de klacht komt, maar of zij waarheid bevat, op goede gronden berust. Wie de klacht inbrengt, doet minder ter zake. Het zou het inbrengen van klachten kunnen tegenhouden, als ook gezegd moest: worden van wien het bezwaar komt.

Op de vraag, van wien de klacht komt, kan altijd geantwoord worden: van den kerkeraad zelf; want die neemt de klacht over. Van wien de kerkeraad zijne inlichtingen heeft en het weet, komt er niet op aan, is voor den beklaagde geen hoofdzaak. Het kerkelijk college moet de zaak onderzoeken, en dit moet er wel rekening mee houden, van wien de klacht komt, of zij komt van een betrouwbaar persoon of van eenen ongeloovige met het doel om de kerk te bemoeilijken. Is de aanklacht onjuist, dan moet de klager vanwege den kerkeraad bestraft worden. Dit kan buiten den beklaagde omgaan.

Soms is het goed om aan den beklaagde mede te doelen, wie de aanklacht inbracht; doch dat moet de kerkeraad beoordeelen. In den regel zal de beklaagde het wel weten, want wat van elders naar den kerkeraad komt, moet behandeld zijn naar Matth. 18, waar de vermaning staat, om er zelf eerst met den betrokken persoon over te spreken. Komt er eene aanklacht in, dan moet de kerkeraad vragen, of de klager er met den persoon zelf, dien hij aanklaagt, over gesproken heeft. Zoo niet, dan moet de kerkeraad hiertoe vermanen. En wordt deze regel gevolgd, dan weet de beklaagde van wien de klacht komt.

Doch hoofdzaak blijft, of de klacht waar is. In ieder geval kan de procedure niet worden opgehouden door den eisch van den beklaagde om den naam van zijnen aanklager te weten. Eigenlijk is het geen klacht in dien zin, dat er eene zaak zou zijn tusschen beklaagde en aanklager. Bij eene klacht is er geen sprake van eene persoonlijke zaak, maar van eene zaak tusschen de gemeente, aan welke ergernis is gegeven, en den beklaagde. De gemeente moet iets tegen hem hebben. De aanklager stelt de gemeente er mede in kennis. Zulk eene procedure is dus nooit eene private procedure.

2º. De tweede vraag is, of een beklaagde ook recht heeft,

|112|

zich door een ander te laten bijstaan: toegelaten is assistentie van eenen beklaagde, die voor een kerkelijk college geroepen wordt, voor den kerkeraad of commissie uit den kerkeraad of Classe of Synode; of hij het recht heeft mede te brengen, wat men oudtijds een „mond” noemde, iemand om voor hem te spreken.

Over zulke assistentie wordt in de kerkenordening niet gesproken. Toch wordt zij door de kerkenordening niet uitgesloten; en de geschiedenis leert, dat het vaak heeft plaatsgehad, dat iemand, voor een kerkelijk college geroepen, een ander meebracht om voor hem te spreken. Daarvoor zijn ook zeer goede redenen, want het kan gebeuren, dat iemand, voor een kerkelijk college geroepen, uitermate verlegen of zeer onontwikkeld is, dus niet in zijn eigen zaak kan spreken. Op dien grond is vroeger voor den zoodanige toegelaten, dat hij iemand heeft, die hem daarin helpt. Om die reden is zulke kerkelijke assistentie toegelaten. En ook nu is er geen reden om die te weigeren. Alleen maar, zoodanige „bijstander” moet zich dan onderwerpen aan de bepalingen, die het college, waarvoor hij verschijnt, voor dien bijstand vorderen mag. Zulk een voorspreker heeft niet het recht zelf bepalingen te maken, wanneer hij verschijnen zal, wanneer het zijn tijd van spreken is, hoelang, en welke zaken hij behandelen zal. Dit alles wordt bepaald door het college, dat hem vergunt het woord te voeren, onder de bepalingen, die daarvoor noodig geoordeeld zijn. Anders zou zulk een voorspreker de zaak bederven kunnen, en in het niet doen loopen. Dit kon vooral gebeuren bij een eenvoudigen kerkeraad als de bijstand „glad” was en goed ter tale. Zoo heeft bijv. de Dordtsche Synode gehandeld, toen de geciteerde Remonstranten verzochten om nog enige personen te mogen meebrengen tot bijstand, waar onder ook den hoogleeraar Episcopius. De Dordtsche Synode vergunde dit, mits op voorwaarde, dat zij zich zouden onderwerpen aan de regels en bepalingen van orde, die de Synode voor hun spreken en optreden zou stellen. Onder die restrictie of reserve is het meebrengen van een „mond” of bijstand toegelaten. Natuurlijk is niet de bedoeling, dat de beklaagde zelf in het geheel niet spreken zal, of dat hij zelf kan wegblijven. Op de vragen moet hij zelf antwoorden, want de zaak gaat hem aan. De kerkeraad moet, waar het tucht geldt, van hem zelf alles vernemen. De beklaagde moet antwoorden op de vraag, hoe hij er onder gestemd is, door zijne gemoedsstemming mede te deelen. De „mond” of bijstand kan over de uitwendige bijkomstigheden spreken, hij zelf alleen over zijn hart. De beklaagde mag dus niet wegblijven. De zaak kan niet buiten hem om behandeld. Gewoonlijk zal in den regel ook zulke assistentie wel niet noodig zijn, gelijk zij ook in vroeger tijd niet veel is voorgekomen.

|113|

In het burgerlijke staat de zaak anders.

Een strafrechter is bij eene procedure aan allerlei formaliteiten gebonden, bijv. het leveren van bewijs. In al die formeele bepalingen is een beklaagde niet thuis. Hij kan niet weten, of er onder die bepalingen ook eene is, wier al of niet inachtneming gevolgen kan hebben. Daarom moet hij iemand ter assistentie meebrengen, eenen rechtsgeleerde, opdat met hem naar recht wonde gehandeld.

In de kerk echter is geen wetboek van strafvordering. Daar kan een beklaagde even goed in de bepalingen thuis zijn al een rechtsgeleerde zelf, want daar gelden alleen algemeene rechtsbeginselen. Dan is geen assistentie noodig. Is hij onschuldig, dan kan hij naar de beginselen, die hij zelf kent, in het midden brengen wat hij weet, en dit aanvoeren voor het feit, dat hij onschuldig is. Is hij schuldig, dan blijkt dit, en dit hangt niet af van omstandigheden, al wijst hij ook op eenige informaliteit, die begaan is. Dit baat voor eene kerkelijke rechtbank niet. Als de uitspraak op goede gronden steunt, houdt zij stand, ook al is in de formaliteiten verkeerd gedaan.

Een „mond” mag dus toegelaten, mits met de clausule, dat goede behandeling gewaarborgd zij.

3º. De derde vraag is, of het noodig is de uitspraken in zulke gevallen schriftelijk op te maken, met opname van de gronden waarop.

Daarop is geantwoord, ook blijkens de leer der ervaring, dat het zeer zeker noodig is, dat de kerkeraad de uitspraak formuleert en in het notulenboek opneemt met de gronden, waarop zij steunt. De mededeeling er van aan wien het geldt, kan mondeling geschieden, door den kerkeraad of door eene commissie van den kerkeraad, die naar zijn huis gedeputeerd wordt. Verlangt iemand schriftelijk acte, dan moet die gegeven worden, want die is noodig in geval van appèl. Iemand moet dan weten, wat zijn vonnis inhoudt. Natuurlijk moet die uitspraak met de hoofdgronden, waarop zij steunt, altijd kort en summierlijk gegeven worden, zonder te veel uitweiding en noodelooze beschouwing. Alleen de hoofdzaken moeten daarin uitkomen.

4º. Eene vierde vraag met betrekking tot de kerkelijke tucht, die in de practijk vaak voorkomt, is, of aan den beklaagde en eventueel aan den gecensureerde of bezwaarde ook inzage moet gegeven worden van de stukken, die voor hem bezwarend zijn, of althans authentiek afschrift van de stukken ter zijner bezwaring.

Die vraag moet natuurlijk bevestigend beantwoord worden, omdat het onbillijk zou zijn en met het rehtsbeginsel strijdend, eenen beklaagde niet in kennis te stellen met hetgeen er tegen hem wordt aangevoerd. En het gaat ook niet aan, hem

|114|

dit alleen mede te deelen, voor zoover de kerkeraad of kerkelijke vergadering dit noodig of nuttig acht. Want de vraag, wat nuttig of noodig is voor den beklaagde, staat niet aan de beantwoording van kerkeraad of Classe, maar van beklaagde zelven. Aan iederen beklaagde, tegen wier bezwarende stukken zijn ingebracht, moet altijd de gelegenheid gegeven worden daarvan kennis te nemen, hetzij door tijd en plaats te bepalen, wanneer en waar men inzage der stukken bekomen kan, hetzij door authentiek afschrift te geven, of op welke wijze men dienstig acht.

Daartoe behooren intusschen niet de notulen van de kerkelijke vergaderingen, in welke over zijne zaak gehandeld is. Dit is wel gevraagd, en het is ook wel voorgekomen, dat een beklaagde verlangde en eischte inzage te krijgen van de notulen van de kerkeraadsvergadering, of een extract uit die notulen, voor zoover zij op zijne zaak betrekking hadden. Vooral is dit gevraagd, wanneer de beklaagde vermoeden had, dat er in den kerkeraad verschil van gevoelen was, en dat er ook ten zijnen voordeele zou gesproken zijn; of als hij vermoeden had, dat er in den kerkeraad dingen gezegd waren, waarvan hij zou kunnen gebruik maken bij zijne verdediging. Met het oog op die omstandigheid, en in het algemeen, is het zaak in de notulen niet te veel op te teekenen. Voor eene kerkelijke vergadering is het onnoodig den loop der discussiën in de notulen op te nemen. En het brengt ook vele bezwaren mede. Het is onmogelijk het zoo nauwkeurig te doen, als de zaak eischt. Dit zou altijd stenographisch geschieden moeten. Dan eerst is er zekerheid en waarborg, dat ieders gevoelen juist is weergegeven. Een scriba kan dit niet met de noodige juistheid doen, ook al is hij volkomen onpartijdig. Terwijl hij hoort, moet hij het gesprokene in korte woorden saamtrekken. En in den regel is een scriba niet geheel onpartijdig. Ook al wil hij dit vermijden, toch werkt het onwillekeurig op hem. Neemt eene kerkelijke vergadering na discussie besluiten, dan doet het weinig ter zake af, door wien en wat er gesproken is. Het komt alleen aan op het besluit, en de motieven, welke bij het besluit gevoegd zijn. Besluit en motieven tot besluit moeten door den kerkeraad zelven geformuleerd. Staan er in de notulen nog andere dingen, dan kan de beklaagde die niet vragen. Met de notulen, waarin het besluit met motieven staat, heeft beklaagde niets te maken. Indien eene meerdere vergadering, waarbij de zaak in appèl komt, inzage wenscht van de notulen der behandeling dier zaak, dan is de mindere vergadering gehouden en verplicht die te geven, maar onder reserve, dat zij binnen den kring van die vergadering blijven.

 

Met betrekking tot de kerkelijke tucht is ook het hooger beroep of appèl eene belangrijke zaak.

|115|

In de kerkenordening wordt in het hoofdstuk over tucht over appèl niet gesproken. Intusschen was de zaak zelve reeds bepaald in het hoofdstuk over de kerkelijke vergaderingen, in art. 31. Daar was als algemeen beginsel gesteld: „Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere Kerkelijke vergadering beroepen mogen; en ’t gene door de meeste stemmen goed gevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Testzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoo lang; als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn”.

Dit art. 31 heeft niet alleen en in de eerste plaats op kerkelijke tucht betrekking, maar op alle mogelijke besluiten van kerkelijke vergaderingen in zaken van kerkelijke geschillen, zonder dat het daarom tuchtzaken zijn. Het heeft ook betrekking op alle besluiten van kerkelijke vergaderingen, waar nog geen geschil was, maar waardoor een ander zich bezwaard kon achten. Het is eene algemene bepaling. Die algemene bepaling geldt ook met betrekking tot tucht. In art. 31 is uitgesproken, dat ook bij kerkelijke tuchtzaken appèl op de meerdere vergaderingen mogelijk is. De uitdrukking „Zoo iemand zich beklaagt etc.” geldt dus ook voor die zich bezwaard acht door, eene uitspraak in zake tucht.

Het ligt ook in den aard van het Gereformeerd kerkverband, dat in zake kerkelijke tucht, appèl van eene mindere, op eene meerdere vergadering mogelijk is, niet alsof deze meerdere vergadering een soort van hoogere besturen zouden zijn, die over de mindere vergaderingen zouden te zeggen hebben, als een Bisschop over eenen pastoor en een aartsbisschop over eenen bisschop. Dit is volstrekt niet de verhouding der kerkelijke vergaderingen in het Gereformeerd kerkverband, maar wel brengt dit kerkverband mede, dat alle kerken, die tot het kerkverband behooren, gehouden zijn elkander te helpen, zich verbonden hebben tot wederzijdsche hulp met betrekking tot zaken, die zij zelve niet kunnen afdoen, en die anders tot moeilijkheden aanleiding geven.

Nu is er altoos moeilijkheid als een kerkeraad uitspraak doet in eene tuchtzaak en eenige leden der gemeente, door die uitspraak bezwaard, zich er niet bij kunnen neerleggen, omdat zij meenen, dat die uitspraak niet conform Gods Woord en dus niet recht is. In de plaatselijke kerk zelve kan daarover geen nadere uitspraak volgen. Bleef dit nu zoo hangen, dan werkte dit storend op de gemeente. Een deel zou er voor, een ander deel tegen den kerkeraad kiezen. Twist en verdeeldheid zouden aanleiding geven tot schisma. Hierbij dient nu het kerkverband om zulk eene kerk te helpen. Dit geschiedt dan zoo,

|116|

dat de gezamenlijke kerken de zaak ter hand nemen en hun gevoelen er over uitspreken. Zooals Voetius zegt: Tien zien meer dan één. En zoo is er meer waarborg voor eene goede uitspraak, wanneer tien kerken oordeelen dan wanneer er ééne oordeelt.

Om die reden ligt het in den aard van het Gereformeerd kerkverband, dat, waar eene tuchtzaak in eene plaatselijke kerk aanleiding geeft tot moeilijkheid, en die niet uit den weg kan geruimd worden, de andere kerken te hulp komen. In en door de kerkenordening hebben de kerken zich verbonden dit te doen, en ook is door aanneming dier kerkenordening de mindere vergadering gehouden zich te onderwerpen aan eene eventueele uitspraak van eene meerdere vergadering, aan het oordeel van de meerderheid der andere kerken.

Zoodanig appèl in tuchtzaken is ook van den beginne af in de Gereformeerde kerken in gebruik geweest.

Reeds voordat het kerkverband der Gereformeerde kerken gelegd was, reeds vóór 1571 is te Wezel bij de samenkomst van 1568 daarvan sprake geweest. In Hoofdst. VIII „Van de tucht”, art. 11, is uitdrukkelijk uitgesproken, dat het altijd moest vrijstaan om zich van eene mindere op eene meerdere vergadering te beroepen. Eerst wordt daar in de artikelen gezegd, hoe de tucht moet geoefend worden, en dan volgt in art. 11: „Indien iemand echter meent, dat hem op deze wijze of op eenige andere manier onrecht is aangedaan, zal het hem vrijstaan van de uitspraak van den Kerkeraad zich te beroepen op het oordeel van de Classen (nadat deze ingesteld zullen zijn) en wederom van de beslissing van de Classen zal hij hulpe mogen verzoeken bij de Synode; . . .”. Beroep wordt toegestaan op de Classen, nl. zoodra die zijn ingesteld, wat in 1568 nog niet geschied was, en van de Classen weer op de Synode. Hierin ligt dus het beginsel, dat appèl in tuchtzaken vrijstaan moet.

Eene zeer juiste opmerking wordt aan het artikel toegevoegd: „hoewel zulk een tegensparteling en weigering om zijn schuld te erkennen het schandmerk der hardnekkigheid niet zal kunnen ontgaan”. M. a. w.: ofschoon zoodanige weigering om zich bij de uitspraak van den kerkeraad neer te leggen, doorgaans den schijn heeft van koppigheid. Hierin ligt de gedachte uitgesproken, dat men niet te licht moet appelleeren.

Het is wel eens de beschouwing van sommige menschen, dat men van eene uitspraak van den kerkeraad, waarmede men het niet eens is, zich altijd maar moet beroepen op Classen en Synoden. Dit wordt dan zoo verdedigd, dat men liefst bij alle mogelijke zaken eene zoo juist mogelijke uitspraak heeft. Naar die theorie komt men voor alle tuchtzaken bij de Generale Synode terecht, en onderwerpt zich niemand in eene tuchtzaak aan de uitspraak van den kerkeraad. Dit gaat niet aan, want

|117|

dan zou de Generale Synode wel duizend zaken krijgen, waarbij iedere zaak nauwkeurig moest worden onderzocht, en zou zij wel een jaar lang mogen zitting hebben. Hierbij komt, dat dit ook allesbehalve Christelijk is. In het burgerlijke laat het zich denken, dat iemand, die er het geld voor over heeft, alle rechtbanken afloopt. Het toont in de eerste plaats, dat iemand zeer hoog met zich zelf is ingenomen, als hij zijne eigen meening over eene zaak: boven die van den kerkeraad en de Classe stelt. Ook, en vooral hierop komt het aan, toont het, als de Classe de uitspraak van den kerkeraad bevestigd heeft, dat iemand niet geneigd is schuld te bekennen. In den regel zal het niet voorkomen, dat de kerkeraad of Classe iemand onschuldig onder censuur stelt, en zijn besluit daartoe onjuist is. Door de gedachte aan appelleeren wordt het doel van de tucht tegengehouden, nl. om tot vernedering en tot verootmoediging te leiden. Het appelleeren strekt zoo om iemand te stijven in de meening, dat hij wel gelijk heeft, terwijl het tegendeel de bedoeling is van de kerkelijke tucht, nl. dat hij de diepte in moet. Het appelleeren steekt juist iemand in de hoogte, en maakt hem hardnekkig. In dien zin zei men te Wezel, is appelleeren doorgaans bewijs van hardnekkigheid. Daardoor wordt niet uitgesloten, dat, er gevallen zijn kunnen, waarin appèl geoorloofd is: dat de kerkeraad onjuist oordeelt, of eene verkeerde beschouwing van de zaak heeft. Het appelleeren wordt niet afgesneden; alleen wordt er eene kleine vingerwijzing gegeven om niet voor alle zaken te appelleeren.

Ook de Provinciale Synode van Dordt van 1574, die verder over zaken van tucht geen bepalingen maakte, maar zich neerlegde bij die van de Synode te Emden in 1571, heeft met betrekking tot één punt nl. de kerkelijke censuur van menschen, die zich in den kerkelijke dienst indrongen, bepaald, dat, indien zij door de Classe voor schismatici zijn verklaard en zij zich beklagen, dat hun ongelijk geschied is, zij zich op de Provinciale Synode mogen beroepen, art. 19. Met betrekking tot één punt werd dus door deze Synode het beginsel herinnerd.

Op de Nationale Synode van Dordt van 1578 was onder de gravamina eene vraag ingekomen, ook op appèl betrekking hebbend, onder de particuliere Vragen als art. 4 vermeld. Deze vraag had betrekking op den tijd, binnen welken geappelleerd moest worden. Daarover was nog niets bepaald. In de practijk gaf dit moeilijkheid, niet als iemand terstond na eene uitspraak appelleerde, maar als hij er mee wachtte. Het kwam voor, dat iemand er lang mee wachtte, bijv. eenige maanden, eer hij zich op de Classe beriep. De vraag was: kon de Classe het dan nog in behandeling nemen? Want indien de termijn, waarbinnen men zich beroepen kon, ad infinitum gesteld werd, dan bleef er altijd gelegenheid tot appèl open, bleven alle zaken hangende,

|118|

en kon de zaak bij eene meerdere vergadering in behandeling komen, als de tijd er niet meer was om de zaken goed te onderzoeken. Voor appèl was dus eene tijdsbepaling noodig. Zoo kwam de vraag in art. 4: „Of het den ghenen die door wettelicke wtsprake des Kerckenraets ofte Classis ghecondemneert syn, tot allen tyden wanneer sy willen vry is sich tot grooter vergaderinghe te beroepen? ...”. Of dus de tijdsbepaling geheel stond aan den bezwaarde, die appelleeren wilde.

De Synode antwoordde: „Dat de saken te onderscheyden syn om welcken de beroepinghe gheschiet”. Dit zag op de geschillen, waarbij onderscheiden werd tusschen geschillen en tuchtzaken. De eerste betroffen twee personen, de laatste één persoon.

Met betrekking tot geschillen bepaalde de Synode den termijn, waarbinnen men appelleeren mocht, tot „de helft van den tyt die daer is tusschen de versamelinghe van de welcke hy ghecondemneert is tot de naeste grooter versamelinghe tot de welcke hy sich beroept, ten ware dat die tyt te kort ware, waer van de classis oordeelen ende besluyten sal”. De termijn werd dus gesteld op de helft van den tijd tusschen de vergadering, die uitspraak deed, en die op welke men zich beriep; tenzij dat die tijd (waarin met billijkheid zal geoordeeld worden) te kort ware, bijv. wanneer Woensdag de kerkeraad vergaderde en Donderdag, den volgenden dag, de Classe. Daarover zou dan de Classe oordeelen. Maar het vervolg en het slot van het artikel ziet op tuchtzaken. „Maer soo het oordeel wtghesproken is teghen yemanden alleen die ghesondicht heeft, sal de seluighe sich terstont beroepen. Ende soo yemant op den bestemden tyt sick niet en beroept, die sal van het recht der beroepinghe versteken wesen”.

In zaken van tucht oordeelde dus de Synode, dat indien iemand wilde appelleeren, hij dit aanstonds moest doen. Anders was de gelegenheid tot appèl verlopen. Hieraan lag de gedachte ten grondslag, dat als iemand gecensureerd was, niet was te denken, dat hij eerst wel de juistheid van het oordeel erkennen zou en naderhand weer niet. Als een gecensureerde bezwaren meent te hebben, is niet te veronderstellen, dat hij zich eerst bij het oordeel van den kerkeraad neerlegt en het goedkeurt, en daarna weer niet. Doet hij dit toch, dan komt dit voort uit verkeerde inblazingen. Zijn er grondige bezwaren in te brengen, dan doet iemand dit aanstonds.

Intusschen was die bepaling: „sal de seluighe sich terstont beroepen”, voor hem, die zich beroepen moest, niet precies duidelijk. Wat is terstond? „Denzelfden dag” was moeilijk te behalen, ook niet „den volgenden dag” of „later”. In de practijk handhaafde men „terstond” in dien zin, dat het gebeuren moest vóór de eerstvolgende vergadering, op welke men zich beriep, tenzij dat de tijd al te kort was zoodat men geen

|119|

gelegenheid had zijne bezwaren behoorlijk op schrift te brengen, aangezien zij op schrift moesten gebracht, omdat er zoo alleen in de vergadering over gehandeld kon worden. Dus, tenzij de tijd te kort is; waarbij intusschen de billijkheid te betrachten is.

Dit is ook nu nog in onze kerken de regel, die door de Synode is aangenomen, dat hooger beroep in tuchtzaken geschieden moet voor de eerstvolgende vergadering van kerken, op welke men zich beroept. Zoo’n tijdsbepaling moet men wel hebben, omdat eene zaak niet tot in het oneindige kan blijven hangen. Verwarring ontstaat dan bij hooger beroep, omdat de zaak niet meer juist kan onderzocht voorden. En ook is er geen reden denkbaar, waarom iemand in weken en maanden niet bezwaard zou zijn door eene uitspraak en later wel. Legt hij zich in den eersten tijd er bij neer, komt hij tot erkenning van schuld, dan is de zaak uit en wordt de censuur opgeheven. Wie dit doet, stemt zijn ongelijk toe, en verootmoediging moet volgen. Een korter tijdsbepaling voor appèl dan de tijd, binnen welken de eerstvolgende vergadering gehouden wordt, is niet noodig, bijv. acht dagen. Het appèl behoeft niet vroeger gedaan. Het hindert eene Classe of Synode niets, of het appèl vroeger of later inkomt, als zij toch niet vergadert.

Wanneer het appèl geschiedt op eene Classe, dan is de zaak voor de Classicale behandeling niet als moeilijk te beschouwen. De Classe vergadert vaak genoeg. Die heeft daar alle kerken tegenwoordig en kan ter vergadering inlichtingen voor de behandeling verkrijgen. De kerkeraad der plaatselijke kerk is er aanwezig. De Classe kan deputaten benoemen om de personen te horen en kan daarover rapport hooren op de volgende vergadering, of kan voor buitengewone zaken eene buitengewone vergadering houden.

Moeilijker wordt de zaak voor eene Particuliere Synode. Die vergadert slechts eenmaal per jaar. Voor eene buitengewone Synode zouden de Classen moeten samenkomen om afgevaardigden te benoemen. Ook zijn de kosten bezwaarlijk.

Nog moeilijker wordt het voor eene buitengewone samenkomst van eene Generale Synode, die anders om de drie jaren vergadert. Eene aparte Synode kan niet voor één persoon gehouden worden. Daarom is bij Synoden wel in gebruik geweest en ook nu nog in gebruik, dat, als er appèl in tuchtzaken bij de Synode komt, de Synode deputaten benoemt, om naar de zaken een onderzoek in loco in te stellen, en daarna uit naam van de gezamenlijke kerken de zaken zoo mogelijk tot een goed einde te brengen. Dit is noodig, omdat er gevallen zijn, waarin de Synode niet kan oordeelen zonder ter plaatse een onderzoek ingesteld te hebben. Personen kunnen ter Synode gehoord worden, maar er zijn zaken, die in loco onderzocht moeten worden. De Synode zelf kan dit niet doen. Het zou teveel moeite, geld en

|120|

tijd kosten. Eene Synode kan zich niet zoo maar naar eene andere plaats verplaatsen. Daarom geschiedt dit onderzoek door deputaten, die desnoods ook uitspraak doen. Maar met eenige beperking, want deputaten mogen niet te groote macht hebben. De Synode moet aanwijzen in welken zin deputaten beslissen moeten. Als het zoo is, moeten zij zoo doen, en als het zus is, moeten zij het zus doen. De Synode moet aanwijzing geven van de richting, in welke de uitspraak vallen moet, al naar gelang van omstandigheden. Zoo alleen is gewaarborgd, dat niet personen in plaats van kerken oordeelen. De deputaten moeten personen zijn van kerkelijke ervaring, zij moeten als niet heerschzuchtig bekend staan, maar als in den zin der kerken en niet in eigen zin de zaken leidend. Doorgaans geeft het benoemen van deputaten weinig bezwaar, daar dit alles in aanmerking genomen wordt.

In zake appèl is ook gevraagd: of alleen geappelleerd kan worden door personen, die meenen ten onrechte gecensureerd te zijn, of ook door kerkeraden en Classen, wier uitspraken van censuur door meerdere vergaderingen zijn afgekeurd. Wel eens is deze vraag ontkennend beantwoord, want soms zegt men: alleen personen, die gecensureerd worden, mogen zich beroepen, niet kerkeraden. Zoo was het in het Hervormd Genootschap om predikanten, die om hun leven aangeklaagd waren, vrij te krijgen. Een afwijkende predikant beriep zich dan op eene afwijkende Classe, nadat hij door zijnen kerkeraad gecensureerd was. In de Synodale Reglementen stond dan ook de bepaling, dat het kerkelijk college, welks uitspraak door een hooger vernietigd was, niet mocht appelleeren. De Gereformeerden oordeelden zoo niet. Als de kerkeraad iemand censureert en de Classe zegt bij appèl, dat de kerkeraad de censuur moet opheffen, dan is de persoon, die appelleerde, van zijn bezwaar ontheven. Maar is er dan voor den kerkeraad bezwaar zoodanig lid te erkennen als van censuur ontheven en hem toe te laten tot het Avondmaal, dan moet de kerkeraad recht kunnen krijgen. Dan is er in den kerkeraad bezwaar, en geldt art. 31 van de kerkenordening. Daarom staat er „iemand”, zoo onbepaald mogelijk. Dus wanneer een kerkeraad zich meent te moeten beklagen, door de uitspraak van de Classe verongelijkt te zijn, dan beroept de kerkeraad zich op de Particuliere Synode. Dit mag niet lichtelijk gebeuren, ook niet uit koppigheid; vgl. het artikel van het Convent te Wezel in 1568 (VIII, 11).

Met betrekking tot zoodanig appèl hebben wij nog te spreken over het effect, dat de uitspraak van eene meerdere vergadering heeft, en over den vorm, waarin deze uitspraak vervat moet zijn.

Te dien aanzien moet de meerdere vergadering de vrijheid en de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, ook wat den vorm betreft, blijven erkennen en eerbiedigen. Het is met een

|121|

kerkelijk beroep op eene meerdere vergadering niet zoo gesteld, als met een beroep in het burgerlijke van eene lagere op Gene hoorere rechtbank, waarbij dan de hoogere rechtbank in hare uitspraak, als zij het met de lagere niet eens is, eenvoudig de uitspraak der lagere rechtbank vernietigt en dus door haar eigen uitspraak maakt, dat de eerste uitspraak wettelijk niet weer bestaat. Wel is het zoo opgevat, op kerkelijk gebied, overal, naar men eene hiërarchie heeft, een hooger en een lager kerkelijk bestuur, en waar dan het hoogere bestuur eenvoudig het lagere kan commandeeren. Daarom is het ook zoo opgevat in alle kerkverband, waar men het Collegiale stelsel huldigt, en waar ook een hooger bestuur boven een lager staat en de macht van het lagere bestuur geheel afhankelijk is van het hoogere bestuur. In hiërarchische en collegiale kerkverbanden is zoodanige bovenstelling van het eene bestuur boven het andere, waarbij het lagere al zijne macht aan het hoogere ontleent, en het geen macht behoudt, als het hoogere bestuur het niet met het lagere eens is. In zoodanig verband past bij appèl, dat het vonnis van het lagere bestuur door de uitspraak van het hoogere vernietigd wordt, en dat aan het lagere last gegeven wordt, zich voortaan zoo en zoo te gedragen.

Op Gereformeerd terrein komt dit niet te pas. Uitspraken van meerdere vergaderingen met den term: „wij bevelen en gelasten” zijn niet Gereformeerd. In een Gereformeerd kerkverband ontleent niet de mindere vergadering hare macht aan de meerdere vergadering, zoodat hare macht van de meerdere vergadering afhankelijk zou zijn. Het is juist andersom. De meerdere vergadering ontleent hare macht aan de mindere vergaderingen. Daarmede moet steeds rekening worden gehouden. De meerdere vergadering moet dus, als zij het met de mindere vergadering niet eens is, niet de uitspraak vernietigen en last geven aan de mindere vergadering, om naar de uitspraak van de meerdere vergadering te handelen, maar uitspreken, dat het vonnis van de mindere vergadering naar het oordeel van de meerdere vergadering niet op goede en genoegzame gronden steunt, en dat dus het vonnis, waarbij over iemand censuur was uitgesproken, moet worden ingetrokken, met bepaling tevens, dat het effect van de uitgesproken censuur, wat de kerken in het algemeen betreft, niet kan stand houden. Daarop moet dan volgen, dat de mindere vergadering op hare vroegere uitspraak terugkomt, haar vroeger vonnis intrekt. En dit kan geschieden, ook al zou de mindere vergadering zelve niet overtuigd zijn.

Gesteld zelfs, dat de mindere vergadering van oordeel bleef, dat haar censuur juist en goed was, dan zou zij toch in de uitsprank van de meerdere vergadering aanleiding genoeg hebben er op terug te komen, en zich bij die uitspraak neer te

|122|

leggen. Het zou dan voor die mindere vergadering hetzelfde geval zijn, als wanneer er in den kerkeraad eene meerderheid en eene minderheid is. Ook daar moet de minderheid zich naar de meerderheid voegen, ook al zou zij niet overtuigd zijn. Wordt in den kerkeraad over iemand de censuur uitgesproken bij meerderheid van stemmen, en de minderheid is er van overtuigd, dat de censuur niet goed is, dan moet zij zich toch aan de meerderheid onderwerpen. Dan mag dus een predikant niet zeggen: Ik zal toch aan dien broeder of zuster het Avondmaal uitreiken. Men kan dan appelleeren, maar toch moet men zich voegen naar de meerderheid. Iets dergelijks nu heeft ook plaats, als meer kerken zich over eene enkele kerk uitgesproken hebben, en de kerk het er niet mede eens is. Dan kan niet verlangd en geëischt worden, dat die kerk hare eigen overtuiging zal opgeven. Er mag niet gedwongen worden, maar wel mag geëischt, dat zij zich voegen zal naar de uitspraak van de meerderheid. Doet zij dit, dan kan daarom nog wel aan de gemeente duidelijk gemaakt worden, dat dit nog niet is zijne overtuiging opgeven.

Dit zich voegen naar de meerderheid is formeel noodig, omdat de meerdere vergadering de besluiten van eene mindere vergadering, niet vernietigen kan. Vindt de mindere vergadering daartegen onoverkomelijk bezwaar, dan kan zij appelleeren van de Classe op de Particuliere Synode, en van de Particuliere Synode op de Generale Synode. Ten slotte is van de uitspraak van de Generale Synode geen appèl mogelijk, en dan moet de mindere vergadering zich naar de uitspraak der Generale Synode schikken, altijd onder voorbehoud van art. 31 der kerkenordening, dat de uitspraak niet strijde tegen Gods Woord, of eene duidelijk uitgedrukte bepaling der kerkenordening. Is het laatste het geval, handhaaft bijv. de Generale Synode eene ketterschen predikant, dan moet men zich daarnaar niet schikken. Maar dan moet daarvoor eene evidente uitspraak van Gods Woord zijn, eene zoodanige, waardoor de Synodale vergadering zelf moet verklaren: het strijdt met Gods Woord.

In geval van verzet heeft men aanstonds eene breuk in het kerkverband. Wanneer eene mindere vergadering zich niet neerlegt bij de uitspraak van eene meerdere vergadering, maar kerkelijk haar gevoelen geldigheid wil geven, dan scheidt zij zich van het kerkverband af. Dan is er een zeer ernstig conflict, dat, indien het niet bijgelegd wordt, tot een schisma leidt. Dit is eene zeer ernstige zaak voor eene kerk, of nl. haar overtuiging van dien aard is, dat daarom het kerkverband moet verbroken worden. In den regel zal het gevolg zijn, dat na de uitspraak van de meerdere vergadering de mindere vergadering op haar uitspraak terugkomt en zich neerlegt bij de uitspraak der gezamenlijke kerken, die naar hare mening met Gods Woord overeenkomt.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 81

|123|

Art. 81 1).

De Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen zullen onder elkander de Christelijke Censuur oefenen, en malkanderen van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen.

 

In Art. 81 der kerkenordening is sprake van de onderlinge censuur van kerkedienaren. Eene dergelijke onderlinge censuur, d.w.z, onderlinge opzicht, met inbegrip van vermaning en bestraffing, als daarvoor reden is, was ten aanzien van Classicale en Synodale vergaderingen reeds bepaald in art. 43 der kerkenordening, hetwelk luidt: „In ’t einde van de Classicale, en andere meerdere samenkomsten, zal men Censuur houden over diegenen die iets strafwaardigs in de vergadering gedaan, of de vermaning der mindere samenkomsten versmaad hebben”. Naar dat artikel 43 moet in alle Classicale en Synodale vergaderingen censuur geschieden over hem, die in de vergadering iets berispelijks, gedaan heeft. Maar die censuur ziet niet op leer of leven in het algemeen, doch bepaald op iemands houding en gedrag staande de vergadering. Ook kwam daarbij, dat censuur gaan zou over die „de vermaning der mindere samenkomsten versmaad” heeft, wanneer bij de meerdere vergadering de klacht komt, dat de een of andere kerkedienaar de vermaning van de mindere vergadering in den wind slaat.

Voor de toepassing van dat artikel was er in de 16de eeuw meer reden dan nu in onzen tijd, omdat het later betrekkelijk zeldzaam werd, dat iemand gedurende de vergadering zich zoo gedroeg, dat op hem aan het einde eene formeele bestraffing moest toegepast worden. In de 16de eeuw was er meer reden voor, toen een aantal predikanten niet op regelmatige wijze in den kerkelijken dienst waren gekomen, en weinig begrip van kerkelijke orde hadden. Dit geldt ook van de ouderlingen. Toch is dit artikel ook in 1619 gebleven, omdat zeer zeker in de meerdere vergaderingen kerkelijk opzicht over de waarneming van functiën moet bestaan.

Dit wordt evenwel in art. 81 niet bedoeld. Hier is niet sprake van de houding of het gedrag in de meerdere vergadering of van het verachten van de vermaning van eene mindere vergadering, maar hier is het artikel veel algemeener, het strekt zich veel wijder uit, en ziet op wat dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen alzoo verkeerds zouden kunnen doen, en niet op censuur in Classen of Synoden, maar bepaaldelijk in den kerkeraad.

Over zoodanige onderlinge censuur van kerkedienaren is


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet de inhoud van dit artikel ongewijzigd, doch veranderde de schrijfwijze als volgt: „censuur”, „malkander”.

|124|

van den beginne af in onze Gereformeerde kerken al gehandeld. Trouwens, dit lag in den aard der zaak, omdat ook in andere Geref. kerken en kerkverbanden, die er bestonden, zoodanige censuur van den aanvang af was ingevoerd, èn in Frankrijk waar de kerken tot Reformatie kwamen, èn in Genève, dat onder leiding van Calvijn het voorbeeld gaf.

In Genève werd aan de onderlinge censuur zelfs zeer streng de hand gehouden. Calvijn zelf gaf het voorbeeld voorhandhaving der bepaling, ook door zijne eigen houding. Daar was bij de eensuur gebruikelijk, dat één voor één de namen van de kerkedienaren genoemd werden, waarop gevraagd werd, of iemand iets ten zijnen aanzien in het midden had te brengen betreffende zijne leer of leven of waarneming van bediening. Tot op het laatst toe hield Calvijn zich streng eraan om die bepaling uit te voeren, ook met betrekking tot hem zelf. Er was wel eene neiging bij de jongeren om ten aanzien van de ouderen uit bescheidenheid niet te streng op de uitvoering der bepaling aan te dringen, vooral met betrekking tot Calvijn in de laatste jaren van zijne bediening. Er lag inderdaad voor jongeren, die pas in de bediening gekomen waren, iets moeilijks in om met betrekking tot Calvijn in de vergadering een oordeel uit te spreken over leer en leven en bediening. Het kon schijnen, dat men meende zich boven Calvijn te moeten stellen, en den indruk van onbescheidenheid en aanmatiging maakte. Toch bleef Calvijn de bepaling handhaven en er op aandringen er geen onbescheidenheid in te zien, maar eenen kerkelijken regel, die noodig en goed is om de kerkedienaren in den band te houden en bij goede orde te bewaren.

In de Gereformeerde kerken is dit overal van den aanvang af geschied.

Hoe dit ging en bedoeld werd, blijkt uit wat in de Wezelsche artikelen over zoodanige censuur staat in Hoofdst. VIII, art. 13, waar de onderlinge censuur nog tot de Classe gebracht wordt. Onder Classicale censuur wordt hier niet verstaan de inhoud van het tegenwoordige art. 43, maar veel meer. In 1568 wilde men de onderlinge censuur van kerkedienaren, die volgens art. 81 der kerkenordening in den kerkeraad moet plaats hebben, in de Classicale vergadering laten geschieden, omdat in de meeste plaatsen geen kerkeraad was. Genoemd art. 13 luidt: „Zoo zij echter met eenige heimelijke zonde bevangen zullen zijn, zal de censuur overgelaten worden aan de vergadering der Classis. Daarin zal, nadat zij bevolen zijn buiten te staan en van de overigen een eed afgenomen is, dat niemand zal verklappen wat of door wien iets gezegd is, nauwkeurig onderzoek worden gedaan naar ieder van de Dienaren en Ouderlingen afzonderlijk, en nauwkeurig navraag worden gedaan, hoe ieder zich in zijn ambt gedragen heeft. En indien iemand een vermaning zal schijnen noodig te

|125|

hebben, zoo zal hij, na in de vergadering teruggeroepen te zijn, vermaand worden, of zoo een bestraffing of kastijding [noodig is], zal hij worden bestraft en naar de grootte of lichtheid van zijn misdaad worden gekastijd”. Zoodoende moest ieder ouderling en dienaar des Woords in de vergadering behandeld worden, en indien uit de berichten bleek, dat hij vermaning noodig had, werd hij in de vergadering geroepen, en kreeg hij zijne vermaning. Ook werd er een eed afgenomen, dat niemand zou ontdekken, wat of door wien iets gezegd was. Zoo kon een ouderling vermaand worden, indien hij traag was in huisbezoek, een dienaar des Woords, indien hij in zijn ambtelijk werk te kort schoot. De Voorzitter diende de vermaning toe uit naam der vergadering. Als het ernstiger was, en iemand bestraffing en kastijding noodig had, moest hij gestraft en gekastijd worden, en dat naar dat de fouten klein of groot bevonden waren.

In de kerkenordening is toen de bepaling van onderlinge censuur in den kerkeraad opgenomen op de eerste Nationale Synode van Dordt van 1578 en wel in art. 66 van hare redactie van de kerkenordening. (In 1571 werd dit door de Synode van Emden nog niet in de kerkenordening opgenomen). En wel bepaaldelijk als eene censuur, die in den kerkeraad zou moeten gehouden worden, terwijl tevens bepaald werd, dat dit zou geschieden voor het houden des Avondmaals en ook, dat de censuur zou gaan „soo wel ouer de leere als ouer den wandel, ende sullen de christelicke vermaninghen in der liefde opnemen”. Dit laatste is meer vermaning dan wettelijke bepaling. Men moest niet boos zijn als er aanmerking gemaakt werd.

Dezelfde herinnering wordt in die redactie van de kerkenordening ook nog gegeven aan het einde van art. 102: „Gheen Kercke en sal ouer andere Kercken, gheen Dienaer ouer andere Dienaers, gheen Ouderlinck noch Diaken ouer andere Ouderlinghen ofte Diakenen eenighe heerschappie voeren ofte ouerhant hebben, maer lieuer sal hem een yeghelick van alle oorsake ende suspitie van dien wachten, Hoewel wt plicht der liefde de eene Kercke de andere, de een Dienaer den anderen etc. niet alleen moghen, maer oock behooren te vermanen”. Toen werd dus het beginsel van art. 66 over onderlinge censuur aan het einde van de kerkenordening nog eenmaal herinnerd.

In art. 66 van de redactie der kerkenordening van de Synode van Middelburg in 1581 werd de bepaling van 1578 woordelijk herhaald en alleen de laatste opmerking, dat men de Christelijke vermaningen in liefde aannemen zou, weggelaten. Zeker, omdat dit geen wettelijke bepaling kon heeten. Ook hier staat, dat de onderlinge censuur voor het Avondmaal zal geschieden en gaan zal over leer en leven beide.

Op de Middelburgsche Synode waren te dien aanzien ook nog enkele vragen ingekomen, die ook door de Synode

|126|

beantwoord zijn. Bijv. Of zulke onderlinge censuur nuttig en raadzaam was, art. 25 van de Particuliere Vragen. Antwoord: „Het is gansch nut ende raetsaem”. Eene: andere vraag (en daaruit verklaart zich misschien, hoe de vorige vraag er kwam) kwam uit West-Vlaanderen, blijkens punt 106 van de ingekomen gravamina: „Oft een ouder inden dienst de nyeuwe aennemelingen nyet en vermach te vermanen, ende oft deselue hen nade vermaninge nyet en behooren te voegen”. Het schijnt in West-Vlaanderen te zijn voorgekomen, dat overeenkomstig de bepaling der kerkenordening eenige ouderen aan de jongere, pas aangekomen dienaren, vermaningen gaven, die de jongere minder aangenaam vonden, en waarnaar de jongeren zich niet voegen wilden. Gevraagd werd, of de houding der jongere predikanten goed was. Hiermede staat de vraag in verband, of in het algemeen de onderlinge vermaning nuttig en raadzaam was. De hoofdbedoeling daarvan was blijkens het antwoord, dat door zulke censuur de ouderen, die, de jongeren vermaanden, beschuldigd werden „heersschappende” te zijn. Sommige jongeren zagen er iets hiërarchisch en clericalistisch in; vgl. Part. Vr., art. 72: „Oft een Ouder inden Dienst zynen medehulper, noch ionck inden Dienst des woordts zijnde, vermanende ende straffende met recht als heersschappende beschuldicht can worden? Is gheandwoordt, Neen. Daeromme de andere de vermaninghe ghehouden, sal zyn te ontfanghen”. Daarbij is niet uitgesloten, dat bij zulke hij, die de vermaning geeft, bescheiden moet zijn en de liefde in acht moet nemen, en ook door den vorm niet onbescheiden moet zijn. Doch dit raakt de zaak niet. De censuur moest gehandhaafd blijven.

Op de Haagsche Synode van 1586 is het artikel geworden zooals het nu luidt. Toen is het eenigszins gewijzigd. Waarom blijkt niet. De notulen van de vergadering en vele stukken toch zijn verloren gegaan. In art. 74 van de redactie van 1586 werd het artikel gehandhaafd, maar met weglating der bepaling, dat de onderlinge censuur voor het houden van het Avondmaal moet geschieden. En de censuur over leer en leven werd veranderd in de bepaling „ende malcanderen vande bedieninghe haers amps vrindelijck vermanen”. Weggelaten werd dus de bepaling van den tijd; en de zaak, waarover de censuur gaan zou, werd bepaald tot de bediening van hun ambt. De weglating van de tijdsbepaling is zeker geschied om te dien aanzien den kerkeraad vrij te laten, omdat tijdsbepaling voor de eene kerk heel iets anders inhoudt dan voor de andere kerk. In sommige kerken werd alle twee maanden Avondmaal gehouden, zooals, in Amsterdam. De censuur had daar dus zesmaal per jaar plaats. In andere kerken was er viermaal Avondmaal, dus viermaal censuur. In nog andere kerken, vooral

|127|

gecombineerde, nog minder. De tijdsbepaling was, gansch in het algemeen genomen, niet voor alle kerken gelijkmatig. Denkelijk is zij om die reden dan ook weggelaten. De bepaling, dat de censuur over leer en leven gaan zou, werd veranderd in: malkanderen vriendelijk vermanen over de bediening van hun ambt. Dit geschiedde het meest om hierop bijzonderen nadruk te leggen, en niet om censuur over leer en leven uit te zonderen. Integendeel, dit kon niet. Kerkelijke censuur gaat over leer en leven der gemeenteleden, dus natuurlijk ook over leer en leven der kerkedienaren. Het spreekt van zelf, dat kerkelijke censuur, die over de bediening van het ambt gaat, ook gaat over leer en leven; terwijl het nog niet zoo van zelf spreekt, dat kerkelijke censuur, die over leer en leven gaat, ook gaat over de bediening van het ambt. Daarom die verandering.

In hiërarchische en collegiale stelsels gaat de censuur over de bediening van het ambt van de hoogere besturen uit. Zoo van een bisschop over een pastoor, van het Classicaal bestuur over den kerkeraad. In het Gereformeerd kerkverband is het aldus niet. Dit moest dan ook in de kerkenordening staan en in zooverre heeft die bepaling waarde. De Dordtsche Synode van 1618/19 nam het artikel woordelijk over.

Uit dit historisch overzicht blijkt, dat de onderlinge censuur van kerkedienaren naar de tegenwoordige redactie van de kerkenordening bedoeld is als meest te gaan over de ambtsbediening, over de wijze, waarop dienaren des Woords, ouderlingen een diaken hun ambt bedienen. Dit blijkt uit de weglating van de woorden „leer en leven” en de bijvoeging, dat zij malkanderen van de bediening huns ambts vriendelijk zullen vermanen. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat bij onderlinge censuur niet over leer en leven mag gesproken worden; de onderlinge censuur gaat zeer zeker casu quo ook over leer en leven. Is er op leer en leven van eenen dienaar des Woords, ouderling of diaken iets aan te merken, en is dit eenen mededienaar bekend, dan mag dit niet achterwege blijven. Het behoefde niet eens gezegd, want het spreekt van zelf. De kerkeraad houdt altijd opzicht over leer en leven der gehele kerk. En hun is toevertrouwd niet alleen het opzicht over de gewone gemeenteleden, maar ook over de opzieners.

In het artikel wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van censuur oefenen over de ambtsbediening, want dat hierover censuur gaat, kan niet geacht worden van zelf te spreken.

Dit censuur oefenen over de ambtsbediening is iets speciaal Gereformeerds. Eigenlijk alleen in de Gereformeerde kerken geschiedt dit. In de Roomsche kerk niet. Daar oefenen de kerkedienaren geen onderlinge censuur over de ambtsbediening, maar doen hooger geplaatste besturen dit volgens den ladder

|128|

der hiërarchie. Het toezicht over de ambtsbediening van een kapelaan berust bij den pastoor, dat over een pastoor bij den bisschop, over een bisschop bij den aartsbisschop. Rome volgt den hiërarchischen weg, waar ieder volgende op den voorgaande censuur houdt. Zoo is er ook in de Episcopaalsche kerk geen onderlinge censuur, die over ambtsbediening gaat, maar geschiedt dit „van hooger hand”. In de Luthersche kerken gaat dit opzicht over de ambtsbediening van de Overheid uit. In alle collegiale stelsels en kerkverbanden geschiedt dit door hoogere besturen. Zoo ook in het Hervormd Genootschap. Daar berust het opzicht over gewone ambtsdragers bij het Classicaal bestuur, over het Classicaal bestuur bij het Provinciaal bestuur, en over het Provinciaal bestuur bij de Synode of Synodale commissie. Alleen in de Gereformeerde kerken oefenen de kerkedienaren zelf onderlinge censuur over de ambtsbediening.

De manier, waarop volgens art. 81 onderlinge censuur is te oefenen, wordt in het artikel niet nader bepaald, maar aan den kerkeraad zelf overgelaten.

Die manier dan kan natuurlijk onderscheiden zijn. De onderlinge censuur kan geoefend zoo, dat beurtelings ieder van de leden de vergadering verlaat, en bepaald met betrekking tot hem gevraagd wordt, of een der aanwezigen iets op zijne ambtsbediening heeft aan te merken. Dit is zeker de meest doeltreffende manier. Wordt er iets aangemerkt, dan moet de persoon, wien het geldt, binnengeroepen worden, daarover worden aangesproken, zijne verdediging worden gehoord, en naar bevind van zaken door den kerkeraad uitspraak worden gedaan, òf om hem vrijspraak te geven van de beschuldiging, òf om te vermanen, te berispen, te straffen en op te wekken, al naar bevind van zaken. Het kan ook anders geschieden, zoodat men de kerkedienaren allen in de vergadering laat blijven, en in hunne tegenwoordigheid laat uitspreken, wat de een tegen den ander heeft. Ten voordeele hiervan is gezegd, dat iemand, die iets heeft, die eene aanmerking heeft, ook den moed moet hebben het openlijk iemand in het aangezicht te zeggen. Dit is waar, doch de ondervinding leert, dat dit niet zoo licht geschiedt.

Wat de methode betreft, is voor doeltreffende censuur wel noodig, en in ieder geval goed, de leden één voor één individueel te noemen. Men kan ook voldoen aan het artikel door in het algemeen te vragen: Heeft iemand eene aanmerking te maken op de ambtsbediening van één zijner broederen? Maar de ondervinding leert, dat dan niet zoo licht eene aanmerking ingebracht wordt; en zoo komt dan de zaak niet tot haar recht. Moeilijkheid geeft dit inzonderheid in groote kerken, vooral in de grootste, waar het aantal leden van den kerkeraad twintig, dertig tot aan de honderd bedraagt. Zooals bijv. in den

|129|

Amsterdamschen kerkeraad bedraagt het aantal leden omstreeks honderd. Dan is het wel moeilijk hen allen afzonderlijk te noemen en alen tot een onderwerp van afzonderlijke bespreking te maken. Het neemt te veel tijd weg. Deze moeilijkheid tracht men dan gewoonlijk zoo op te lossen, dat de kerkedienaren niet individueel genoemd worden, maar alleen in het algemeen. Gevraagd wordt dan, of iemand op een der dienaren des Woords eene aanmerking heeft. Daarna geschiedt ditzelfde met betrekking tot de ouderlingen, en dan met de diakenen. Het kan ook zoo geschieden, dat men niet bij dezelfde censuur alle leden behandelt, maar telkens een deel daarvan, bijv. viermaal per jaar een vierde gedeelte. Hiervoor is ook iets te zeggen. Toch geschiedt het in groote kerken om de moeilijkheid van uitvoering op meer algemeene wijze. Practisch is het in groote kerken moeilijk anders te regelen en zal het eerste beter zijn.

De tijd, waarop de onderlinge censuur plaats hebben moet, en hoe vaak, wordt in het artikel niet genoemd.

De vroegere bepaling in oudere redacties der kerkenordening was: voor elke bediening van het Avondmaal. Intusschen is dit, gelijk boven reeds is opgemerkt, niet eene tijdsbepaling, die voor alle kerken hetzelfde zou beteekenen. Niet alle kerken hebben een zelfde aantal Avondmaalsbedieningen. In zeer groote kerken is er alle twee maanden Avondmaal, dat zou worden zesmaal per jaar censuur, wat veel tijd zou rooven. Den tijd bepaalde toen doorgaans op viermaal ’s jaars.

Voorts spreekt wel van zelf; dat daarom nooit ten kwade geduid mag worden, als de een of andere dienaar eene opmerking maakt. De bedoeling is nooit iets onaangenaams voor iemand uit te spreken, maar om de ambtsbediening zoo getrouw en vruchtbaar als mogelijk is, te maken. Mocht soms blijken, dat er personaliteiten achter de aanmerkingen schuilen, of vijandelijkheid of tegenzin, dan moet de broeder, die uit persoonlijk motief aanmerkingen maakt, daarover bestaft worden. Het is te doen om het welzijn van de kerk. Van ouds geldt de regel voor de kerkelijke tucht, dat men niet alleen over anderen klaagt, maar dat men zelf ook klachten en vermaningen aanneemt; dat men niet alleen op anderen toezicht, houdt, maar dat men ook van anderen toezicht aanneemt, en aanmerkingen, zoo die gemaakt worden, in liefde aanneemt. Men kan wel zeggen, als een dienaar niet getrouw is en reden geeft tot klacht, dat dan in iedere kerkelijke vergadering aanmerkingen kunnen gemaakt worden. Dit is zeer zeker waar. In elke vergadering kan zoo iets gebeuren. Maar toch is het goed er eene vergadering op eenen bepaalden tijd voor aan te wijzen. Anders blijven zoo licht aanmerkingen achterwege, omdat men er geen aanleiding toe heeft; of, zoo zij gemaakt worden, heeft het zoo licht den schijn, dat zij uit personaliteiten

|130|

geschieden. Doch als er eene bepaalde vergadering is, waarop de censuur formeel aan de orde gesteld is, is het ieders plicht te zeggen, wat hij heeft. De aanmerkingen kunnen dan gehoord worden, en als zij ongegrond zijn, kan het blijken. Het is geen gemakkelijke zaak, maar het nuttige hiervan mag niet uit het oog worden verloren. Men mag niet alleen voor zijne eigen ambtsbediening zorgen, maar men moet ook op die van anderen toezien. Dienaren des Woords moeten dit met liefde verdragen. Het mag niet kwalijk genomen. Predikanten mogen niet denken: een diaken of ouderling weet er niet van. Wordt er aanmerking gemaakt, dan moeten zij die in liefde aannemen, en beginnen met te veronderstellen, dat er wel aanleiding is om zich zelf op dit punt te herzien. Zij moeten zich zelf herzien, of er iets is, dat aanleiding geven kan. De ervaring blijkt wel eens anders, maar toch als het werd opgevolgd, en dit in alle kerkeraden geschiedde met trouw en verstand, dan zou de vrucht daarvan zeer zeker niet achterwege blijven.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 82

Art. 82 1).

Dengenen die uit de Gemeenten vertrekken, zal eene Attestatie of getuigenis huns wandels bij advies des Kerkeraads medegegeven worden, onder het Zegel der Kerk, of, waar geen Zegel is, van twee onderteekend.

 

Art. 82 handelt over het afgeven van attestaties.

In de woorden der vroegere redacties: „onder den Zeghel der Kercken”, is „der Kercken” een singularis = der kerk.

Zoodanige bepaling over het afgeven van attestaties heeft reeds van den beginne af aan in de kerkenordening gestaan, en de zaak zelf was eigenlijk al in practijk voor er nog een kerkverband was. Het lag in den aard der zaak, ook in den tijd der kruiskerken, dat leden der gemeente, vertrekkende, getuigenis vroegen om elders als broeders te kunnen erkend worden. Natuurlijk kon dit niet op hun eigen zeggen geschieden. Het lag dan ook voor de hand, dat zij dit getuigenis vroegen aan de opzieners van de kerk, die zij verlieten. Op hun eigen woord konden zij elders niet worden aangenomen. Zij moesten zich daar dus als broeders kunnen legitimeeren om als broeders


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 wijzigde dit artikel aldus: „Dengene, die uit de gemeente vertrekken, zal eene attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel door de kerkeraad medegegeven worden, door twee onderteekend of bij attestatiën, die onder het zegel der Kerk gegeven worden, met ééne onderteekening”.

|131|

opgenomen te worden. Vooral was dit noodig, omdat tijdens de vervolging velen moesten vluchten met achterlating van alles. Hulpeloos kwamen zij dan elders aan, Zij moesten geholpen worden En wie dan ondersteuning van andere kerken wilden hebben, moest blijken broeder te zijn. In de tijd van vervolging was dit meer dan noodig, omdat van de tijdsomstandigheden door oplichters vaak misbruik gemaakt werd. Dit blijkt uit aantekeningen van de vreemdelingendiaconie te Emden en uit acten en brieven van kerkeraden. Het was een gemakkelijk ding voor landloopers om zich bij de Gereformeerde kerken aan te dienen als verjaagd en verdreven om des geloofs wil, en op dien grond ondersteuning te vragen. Dit geschiedt nu nog. Zulk bedrog was vooral in dien tijd niet zeldzaam. Zij deden zich voor als vervolgde broeders, terwijl zij gaven om God noch om zijn Woord.

De Emdensche Synode van 1571 bepaalde daarom, dat geen kerk iemand helpen zou als hij geen schriftelijk bewijs meebracht, om het groote misbruik, dat er van gemaakt werd. Vaak werd het geld verkeerd besteed. Die het niet moesten hebben kregen het, en de broeders, die het werkelijk verdienden, kwamen daardoor ten achter, want ten slotte vertrouwde men niemand meer. Art. 44 van de redactie van 1571 bevat het dien aanzien bepaalde Om de zware belasting der kerken te voorkomen, die dagelijks toenam doordat sommige lichtvaardig van woonplaats veranderde, en anderen onder het deksel, dat zij gelooovig en behoeftig waren, de aalmoezen, den huisgenoten des geloofs toekomende en noode zijnde, onttrokken, werd voor vertrekkende leden het meenemen van eene attestatie noodig geacht om in andere gemeenten opgenomen te worden. Noodig werd geacht eene „attestatie ofte ghetuyghenisse ...., hoe sy sich te vooren in leere ende leven by de ghemeynte, van daer sy ghecomen zijn, ghedraegen hebben” („testimonium ante actae in Ecclesia vnde proficiscuntur vitae et doctrinae”).

Daarna werd op de Provinciale Synode van Dordt in 1574, toen men hier te lande althans in Holland en Zeeland aanvankelijk en ten deele vrijheid had, in art. 71 bepaald, dat geen kerkeraad iemand tot het Nachtmaal zou toelaten zonder attestatie.

Deze bepaling is in de kerkenordening gebleven en is nu vervat in art. 61. Bij de behandeling van art. 61 is over die attestatie gesproken in zoverre daarbij te handelen met betrekking tot de gemeente, waar menschen van buiten inkwamen. Wat hier in art. 82 staat, is niet hetzelfde als wat in art. 61 staat. Art. 82 is niet overbodig. In art. 61 was sprake van ontvangen van leden, die van buiten komen. Hier in art. 82 is sprake van vertrekken uit eene gemeente. De zaak van attestatie is in art. 61 beschouwd uit het oogpunt van de gemeente, waar iemand van buiten inkomt, en in art.

|132|

82 uit het oogpunt van de gemeente, vanwaar iemand naar elders vertrekt. Dit zijn twee zaken, die te onderscheiden zijn.

Dit laatste is in de kerkenordening ingekomen, althans eene bepaling daarover, in 1578, in art. 25 van de toenmalige redactie der Dordtsche Synode. Toen werd daaromtrent bepaald, dat aan een lid, uit de gemeente vertrekkende, een getuigenisbrief zou gegeven worden „met ghemeynen aduyse in den Kerckenraet”, d.w.z. niet door den predikant alleen, gelijk in de practijk wel eens voorkwam. Dit toch is niet de zaak van den predikant alleen, maar van den geheelen kerkeraad.

Voorts werd in dit artikel bepaald, wat zoodanige attestatie moest inhouden: zij zullen „alsoo gheschreuen worden, dat de vrome ende godsalighe met desen woorden worden gherecommandeert Datse in der Kercke Godes Christelick sonder opsprake ende erghernisse ghewandelt hebben”. Dit wil niet zeggen, dat dit altoos precies met dezelfde moorden moest geschieden. Het was niet een formulier, dat ad literam moest nagevolgd, maar een model, om in het algemeen den inhoud aan te geven. Dit moest er in de attestatie staan, nl. wanneer de kerkeraad dat naar waarheid kon getuigen. Anders natuurlijk niet: dan moest er ander advies gegeven worden. Daarom volgt er: „maer sodanighe forme van ghetuyghenisse salmen die niet gheuen de welcke alsoo noch niet beproeft en syn”. Het artikel liet natuurlijk vrij, om het niet te zeggen van wien men het niet zeggen kon. Maar dan moest er iets anders in de attestatie gezet.

Verder bepaalt het artikel, om er den nadruk op te leggen, dat de kerkeraad de attestatie afgeeft: „Ende soo het ghebeurde dat door de haestighe reyse der ghener die vertrecken willen, de tsamenkoemste des Kerckenraets niet en konde verwacht worden, sullen de Dienaers des woordts met aduys somigher Ouderlinghen het ghetuyghenisse schryuen, in het welcke soo sy aerm syn sal (dogh met discretie) aengheteekent worden, hoe vele hen van den Diaconen ghegheuen is, item wanneer ende waer sy vertrecken”. Eene uitzondering werd dus gemaakt voor het geval, wanneer iemand zeer plotseling moest vertrekken, voordat de kerkeraad kon saamkomen. Bij zulk overhaast vertrek kon de attestatie dan als uitzondering door eenen dienaar des Woords met advies van sommige ouderlingen afgegeven worden. In den regel moest dit echter door de kerkeraad geschieden.

Die bepaling omtrent den inhoud van de attestatie is in de latere redacties der kerkenordening niet overgenomen, zeker omdat men dit niet noodig achtte, en ook niet den schijn wilde hebben, de kerken aan eenen bepaalden vorm van inhoud en uitdrukking te willen binden. Daartegenover is in 1581 wel het artikel in de kerkenordening opgenomen, dat er nu in staat, nl. in art. 67, 1e alinea: „Den ghenen die vut der Ghemeijnte

|133|

vertrecken sal een Attestatie ende ghetuijghenisse hares wandels bij aduijse des Kerckenraedts mede ghegheuen werden”.

En in 1586 op de Haagsche Synode is dit artikel in de redactie gekomen, die het nu ook nog heeft (art. 75).

In dit artikel dus valt de nadruk op het afgeven van de attestatie. De hoofdpunten, die als regel gesteld worden, zijn: 1°. Degene, die uit eene gemeente vertrekt, moet eene attestatie medegegeven, die hij van den kerkeraad vragen moet. 2°. Zij moet niet door den predikant, maar door den kerkeraad afgegeven worden. 3°. Daarvan moet duidelijk blijken, hetzij door het zegel der kerk, of waar geen zegel is, door onderteekening van twee.

Wat het eerste punt betreft, dat eene attestatie is mede te geven, ligt de reden voor de hand. Iemand, van elders komende, en zich bij eene kerk van hetzelfde kerkverband willende aansluiten, kan niet geloofd op zijn eigen woord, maar heeft een getuigenis noodig. De kerk, waar hij komt, hem als lid willende aannemen, is te dien aanzien op zichzelf geheel vrij. De eene kerkeraad kan den anderen niet verplichten een lid te accepteeren. Van dwang is geen sprake. Iedere kerkeraad is zelf verantwoordelijk. Komt, er iemand niet eene attestatie van eene kerk buiten het kerkverband, dan is er geen reden om zijne attestatie aan te nemen, en moet de kerkeraad hem zelf nader onderzoeken. Bij kerken uit hetzelfde kerkverband ligt de zaak anders, niet omdat de kerkeraden niet vrij zouden zijn, maar omdat door het kerkverband de kerken bij onderlinge overeenkomst hebben afgesproken elkanders attestatiën te erkennen. Gelijk in het kerkverband de kerken zijn overeengekomen elkanders examinatie van predikanten te erkennen, zoo erkennen zij ook elkanders getuigenis met betrekking tot leer en leven van de leden der kerk. Dit berust dus niet op een oorspronkelijk recht van den eenen kerkeraad om zijne leden aan eenen anderen kerkeraad op te dringen, maar dit ligt in het kerkverband, in onderlinge overeenkomst. Het berust daarin, dat in het kerkverband de kerken zich verbonden hebben onderling de belijdenis een tucht te handhaven. Bestaat er nu op dat punt bij eene kerk afwijking en nalatigheid, dan kan de attestatie niet gelden. Men moet in het kerkverband elkaar kunnen vertrouwen. Begint in het kerkverband eene kerk nalatig te worden in het opzicht over leer en leven, dan verliest de attestatie haar waarde, en moeten de andere kerken die kerk tot haren plicht brengen, en, indien dit niet gelukt, het kerkverband ten slotte verbreken. Het aannemen van eene attestatie van iemand, die van elders komt, rust alleen op onderling vertrouwen, niet op een recht van de eene kerk tegenover de andere, ook niet op de omstandigheid, dat die verbonden kerken samen weer eene nieuwe kerk zouden vormen naar de Collegiale beschouwing.

|134|

In het Collegiale stelsel zijn de plaatselijke kerken afdeelingen van één groot genootschap, is iemand lid 1° van het groote genootschap, en 2° plaatselijk van de afdeeling, waar hij woont, zoodat iemand, die verhuist, zich heeft aan te melden bij de andere afdeeling zonder dat die afdeeling het recht heeft hem te weren. Volgens het Collegiale stelsel is iemand, die verhuist, op de andere plaats, waar hij komt, per se lid van de „Kerk” en hoort hij per se bij die afdeeling, ook al heeft hij zich niet aangemeld. Dit berust 1° op de foutieve onderstelling, dat er ééne groote kerk is, waarvan de plaatselijke kerken de afdeelingen zijn, 2° op de ontkenning, en de miskenning van de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerken als het beginsel van Gereformeerd kerkrecht, hetwelk Schriftuurlijk is, daar de Schrift ook van plaatselijke kerken spreekt. Juist, omdat bij vertrek van de eene kerk naar de andere, degene die verhuist zich bij die kerk moet aanmelden en niet per se lid is, moet hij ook zelf komen om zich aan te melden. Daarom staat in het artikel, dat hun eene attestatie zal „medegegeven” worden.

Daarmede is in strijd, als de attestatie niet afgegeven wordt, maar toegezonden wordt aan de kerkeraad van de gemeente waar de verhuisde komt te wonen. Zoodanige practijk hoort thuis in eene genootschapskerk, in het Collegiale stelsel. Daar kan iemand zelf kennis geven, dat hij van afdeeling veranderd is, of kunnen de besturen der afdeelingen het elkander berichten. In het Gereformeerde kerkverband kan dit niet. Die practijk is in strijd met het grondbeginsel van Gereformeerd kerkverband, in strijd met de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerk en in strijd met art. 82 van de kerkenordening. Ook in onze Gereformeerde kerken komt het verkeerde gebruik voor, dat kerkeraden de attestaties elkander per post toezenden. Het geeft aanleiding tot moeilijkheden, bijv. wanneer in de plaatselijke kerk, waarheen iemand verhuisd is, meer dan ééne Gereformeerde kerk is bijv. A en B. Aan wie de attestatie gezonden wordt, mag niet de kerkeraad, maar moet de persoon zelf beslissen. Een mensch mag niet beschouwd worden als eene zaak, die men in een loket plaatst. Zoodanige kerkeraad bovendien weet dan wel, dat de persoon er woont, maar waar, weet hij niet te vinden, vooral in grootere plaatsen. Dient de persoon zelf zijne attestatie in, dan vraagt men waar hij woont, en weet men hem te vinden. Doch dit zijn utiliteitsredenen. Hoofdreden voor de stelling, dat de persoon zelf zijne attestatie moet indienen, ligt wel hierin, dat de gezamenlijke kerken geen groot genootschap zijn, ligt in de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerk. De kerk is en blijft vrij aan te nemen, wien zij wil. Ook de persoon is vrij. Neemt iemand eene attestatie mede, en dient hij haar niet in dan moet de eene kerkeraad den

|135|

anderen waarschuwen, opdat de persoon vermaand worde, en opgewekt haar in te dienen. Dwingen kan en mag niet. Reden, waarom eene attestatie van den eenen kerkeraad naar den anderen afgezonden wordt, is wel eens, dat hij verhuizing de persoon te gauw weg is, niet bedenkt, dat de aanvrage om attestatie nog moet afgelezen worden. Maar dan kan men hem naar zijn nieuw adres vragen.

In de tweede plaats zegt het artikel, dat het afgeven van de attestatie geschieden moet „bij advies des Kerkeraads”.

Uit de geschiedenis van dit artikel blijkt, dat dit eenigszins in antithese staat met „door den predikant alleen”. In antwoord op ingekomen vragen spraken vroegere Synoden dit al uit. Trouwens, dit lag in den aard der zaak. Immers, iemand, die uit eene gemeente naar eene andere vertrekt, krijgt attestatie mede niet van particuliere personen, maar van de kerk, in wier midden hij verkeerd heeft. Orgaan dier kerk is niet de predikant alleen, maar de gansche kerkeraad. De Roomsche beschouwing is, dat een bisschop de kerk is, en de paus de geheele kerk. Naar Gereformeerde beschouwing daarentegen vertegenwoordigen de gezamenlijke ambtsdragers de kerk. De kerk spreekt zich uit door den kerkeraad. Daarom moet de attestatie van den kerkeraad uitgaan, ook al moet althans in kleinere gemeenten de predikant de attestatie wel schrijven en onderteekenen.

Ja, er is nog meer. Niet alleen, dat de kerkeraad de attestatie moet afgeven, maar de kerkeraad moet ook de gemeente daarover hooren. Dit staat wel niet in het artikel, maar het was van ouds altijd gebruik. Het ligt eigenlijk in den aard der zaak. Het vloeit voort uit het Gereformeerd beginsel, dat niet de kerkeraad de gemeente overheerscht, maar alleen orgaan der gemeente is, en dat zooveel mogelijk de gemeente met den kerkeraad moet samenwerken, en dat in alle gevallen, waarin maar samenwerking mogelijk is, de gemeente moet gekend en gehoord worden. Zoo geschiedt het bij beroepingen van dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, die aan de gemeente afgekondigd worden. Zoo geschiedt het met betrekking tot de uitoefening van kerkelijke tucht, en dat niet bij wijze van mededeeling als nieuwsbericht, maar om te horen of er uit de gemeente bezwaren komen, of anders voort te gaan, met stilzwijgende toestemming der gemeente. Zoo gebeurt het ook, wanneer jeugdige leden tot het Avondmaal wenschen toegelaten te worden. Hunne namen worden dan aan de gemeente te voren bekend gemaakt. Zoo ook, wanneer de kerkeraad eene attestatie moet afgeven. Voordat de kerkeraad daaromtrent een besluit neemt moet hij aan de gemeente mededeelen, dat die of die attestatie bij den kerkeraad heeft aangevraagd naar die of die plaats. Dit is niet alleen eene mededeeling, maar eene

|136|

bekendmaking om de gemeente daarover te hooren, opdat, indien iemand iets ten nadeele van den afgekondigden persoon weet, hij dit tijdig bij den kerkeraad als bezwaar kan inbrengen. Attestatie mag niet afgegeven worden, voordat er eenige tijd na de afkondiging verloopen is, en er gelegenheid gegeven is tot het inbrengen van bezwaren; hetzij na éénen dag, hetzij zooals gewoonlijk, na drie of vier dagen.

De bekendmaking aan de gemeente moet ook daarom geschieden, omdat de kerkeraad alleen vaak niet genoeg op de hoogte is, tenzij de gemeente medewerkt. Bij zeer kleine gemeenten geldt dit niet. Alle leden zijn daar genoegzaam persoonlijk aan den kerkeraad bekend. In groote gemeenten is dit anders. Daar zijn er velen, die geen der kerkeraadsleden kent of voldoende kent. Daar worden attestatiën gevraagd door personen, die bijna niemand kent. Hoe grooter de gemeente is, des te meer beteekenis heeft dan het aflezen van de namen der personen, die attestatie vragen. Ook al kent de kerkeraad hen niet, toch kunnen er daarom in de gemeente wel zijn, die hen van naderbij kennen. Komen er geen bezwaren in, dan mag de kerkeraad het er voor houden, dat de gemeente stilzwijgende toestemming geeft tot het afgeven van attestatie. Worden er wel bezwaren ingebracht, dan moeten die eerst door den kerkeraad onderzocht en beoordeeld. Zijn zij gegrond, en kan geen gunstige attestatie afgegeven worden, dan moet dit ook niet geschieden. De persoon, wien het geldt, heeft beroep op de meerdere vergadering.

In de derde plaats wordt in het artikel gezegd, dat attestatie zal medegegeven worden „onder het Zegel der Kerk, of, waar geen Zegel is, van twee onderteekend”.

Dit is volgens het artikel regel. De reden daarvan ligt hierin dat oudtijds bij stukken, die eenige offcieele waarde hadden, het zegel het officieele waarmerk was, en ook het eenige waarmerk. Op stukken uit de 15de, 16de en zelfs uit de 17de eeuw vindt men zulke zegels. Dit was geen handteekening maar alleen zegel. Het had volstrekt niet tot oorzaak, dat de menschen, van wie de stukken uitgingen, niet konden schrijven, zooals wel eens gezegd is, alsof de schrijfkunst zoo weinig bekend was, dat aanzienlijke personen niet konden schrijven. Reden was niet, dat de schrijfkunst niet voldoende verstaan werd, maar dat in het zegel het voornaamste waarmerk gevonden werd, veel meer dan in de handteekening. Het zegel werd doorgaans met groote zorg aan het stuk vastgehecht, zoodat het niet gemakkelijk er van losgemaakt kon worden. Aan het bezit of de bewaring van het zegel werd daarom zoo groote beteekenis gehecht, omdat bezit van het zegel bezit van de officieele macht was. Nog altijd komt dit uit, waar men het afzonderlijk staatsambt heeft van zegelbewaarder. In Engeland bijv. waar een groot-zegelbewaarder, is, is vaste

|137|

regel, dat dit zegel nooit in andere handen mag komen, dan in die van den groot-zegelbewaarder, koning of koningin. Treedt bij ontslag van het ministerie de groot-zegelbewaarder af, dan moet hij het zegel persoonlijk aan den koning of koningin ter hand stellen, die het persoonlijk dan weer aan zijnen opvolger opvergeeft. Nooit mag het uit zijne handen in die van anderen komen. Het zegel is bewijs van officieele macht. Langzamerhand is de beteekenis van het zegel verminderd en heeft men aan de handteekening meer gewicht gaan hechten.

Allengs is op kerkelijk gebied in gebruik gekomen, dat men kerkelijke stukken ook nog wel van het zegel voorzag, maar ook van de handteekening. En dikwijls, bleef het zegel dan achterwege. Zoo kwam langzamerhand de handteekening in de plaats van het zegel. Dat is niet in strijd niet dit artikel, waarin uitdrukkelijk uitgesproken wordt „onder het Zegel der kerk, of, waar geen Zegel is, van twee ondertekend”. Handteekening heeft dezelfde beteekenis als zegel, als waarmerk, dat de attestatie echt is.

In den tegenwoordigen tijd moet deze bepaling over het zegel niet zoo verstaan, alsof zij insloot, dat het noodzakelijk zou zijn voor iedere kerk een zegel aan te schaffen, en op iedere attestatie dit zegel af te drukken. Dit is eene letterknechtachtige opvatting van het artikel. Het komt er alleen op aan, dat de attestatie behoorlijk gewaarmerkt is, en dit pleegt thans door handteekening te geschieden. Het is daarom niet verboden het zegel er ook bij te doen. Het geeft dan iets meer, doch heel veel niet. Een zegel is tegenwoordig gemakkelijk na te maken. Nu gebeurt het ook wel bij groote kerken, die een zegel hebben, dat zij het zegel op de attestatie drukken. Doch dit is zegelgebruik bij manier van stempel, hetgeen in het artikel niet bedoeld wordt. Het eigenlijke zegel moet in lak of was afgedrukt worden, en zoo bevestigd worden, dat het aan het stuk blijkt gehecht door die het opmaakte. Het is dus niet hetzelfde als een stempelafdruk met blauwen inkt. Tegenwoordig dient het zegel meer voor ornament, om de deftigheid van het stuk te doen uitkomen, dan voor waarmerk van echtheid. Er zijn een aantal kerken, die geen zegel hebben. Dit was reeds in de 16de en 17de eeuw het geval. En nu nog meer. Destijds hadden de meeste kerken een zegel. Welk zegel het was, kan men weten uit de onderzoekingen van den Leidschen Hoogleeraar N.C. Kist, die na hem voortgezet zijn door Dr. P.A. Borger. Prof. Kist stelde een onderzoek in naar de zegels en zinnebeelden der Geref. kerken. Hij schreef naar allerlei kerken, ging archieven en boeken na, kreeg eene verzameling van zegels, en publiceerde de officieele gegevens in het tijdschrift: Kerkhistorisch Archief, verzameld door N.C. Kist en W. Moll, Hoogleeraren te Leiden en Amsterdam,

|138|

Amsterdam 1857-1866, 4 dln., in Deel I, blzz. 441-499, onder den titel: „De zegels en zinnebeelden der Nederlandsche Hervormde Kerken, door N. C. Kist”. Daarna zijn er zes supplementen op de lange lijst gemaakt, naast Kist vooral bijeenverzameld door Dr. Borger, die reeds op jeugdigen leeftijd emeritus verklaard is en zijn verder leven veertig jaren lang aan allerlei kerkelijke onderzoekingen wijdde omtrent statistische en genealogische bijzonderheden en andere punten, waardoor hij zich zeer verdienstelijk gemaakt heeft. Ook deze supplementen zijn in het Kerkhistorisch Archief afgedrukt 1). Wie nu met betrekking tot de Gereformeerde kerken weten wil, wat het zegel eene kerk was, moet die lijsten raadplegen. Is daar geen zegel te vinden, dan was er wel geen zegel, of is het althans niet bekend. Wel is gevraagd, of men dan niet uit oude attestaties die zegels kan opmaken, doch de manier, waarop men de zegels aanhechtte is oorzaak, dat bij onderscheiden stukken die zegels verdwenen. Daarom is uit oude attestaties niet veel op te maken. Bij vouwen brokkelde de was of lak af; evenzoo, wanneer er iets op neergezet werd, zoodat van de meeste oude zegels niets meer te zien is.

Wat het zegel betreft, kan het artikel thans eenigszins anders geredigeerd. Het is echter te doen om een behoorlijk waarmerk te hebben.

Omtrent den inhoud van de attestatie geeft het artikel geen bepaling, tenzij dan in de woorden „getuigenis huns wandels”. Door die woorden wordt volstrekt niet bedoeld, getuigenis omtrent belijdenis of leer uit te sluiten, alsof daaraan minder gewicht werd gehecht. Dit was natuurlijk in de 16de en 17de eeuw, ondenkbaar. Door de uitdrukking „wandel” wordt niet alleen verstaan het levensgedrag uit zedelijk oogpunt beschouwd, maar levensgedrag in het algemeen, zoodat de belijdenis er onder begrepen wordt. Tot enen Christelijken wandel behoort niet alleen onthouding van dronkenschap, stelen, vloeken, ontucht enz, maar ook, dat men in belijdenis en kerkelijk leven zich naar Gods Woord gedraagt, zoodat in de uitdrukking: „getuigenis huns wandels” wel degelijk de belijdenis ligt opgesloten. Dit stond dan algemeen in de attestatie uitgedrukt onder verschillende bewoordingen.

Wij hebben vroeger reeds bij de bespreking van de attestatie tot toelating tot het Avondmaal gezien (art. 61), hoe onze kerken nooit eenen vasten vorm voor de attestatie verbindend wilde maken. Slechts ééne Synode, die van Dordrecht in 1578, bepaalde iets omtrent den vorm van attestatie (art. 25). Zij gaf


1) Supplement 1, 2 en 3 zijn van N.C. Kist, Dl. I, blzz. 505, 506, Dl. II, blzz. 135-144, 478-484. Supplement 4 en 6 zijn van Dr. P.A. Borger, Dl. III, blzz. 142-160, Dl. IV, blzz. 410-412. Supplement 5 is van Mr. J. van Dam van Noordeloos, Dl. III, blzz. 293-312.

|139|

aan wat in het algemeen in de attestaties moest voorkomen: zij „sullen .... alsoo gheschreuen worden, dat de vrome ende godsalighe met desen woorden worden gherecommandeert Datse in der Kercke Godes Christelick sonder opsprake ende erghernisse ghewandelt hebben”. Niet zoo echter, alsof dit nu aan alle kerken gebiedend werd voorgeschreven, maar deze zaken werden er in vereischt, getuigenis omtrent belijdenis en wandel; en als het eene volledige attestatie zou zijn, moest er in staan, dat daaromtrent geen ergenis of opspraak gegeven was.

In het algemeen werd de inhoud aangegeven. Het overige werd aan de prudentie van de kerkeraden overgelaten, uit deze overweging, dat attestatie of getuigenis niet hetzelfde is als op burgerlijk gebied het verhuisbiljet, dat aan vaste vormen gebonden is. Maar het is een getuigenis; en de inhoud van een getuigenis hangt af, van wat er getuigd kan worden. Men kan aan de kerken van te voren niet voorschrijven ten aanzien; van personen, die te eeniger tijd zich zullen aanmelden, dit of dat te getuigen. Want dit moet nog blijken. De hoofdreden daarvoor is, dat de attestatie niet als een stuk papier te beschouwen is, maar dat de inhoud der attestatie waarheid is, en dat de kerkeraad naar zijn beste weten getuigenis geeft. De bedoeling daarvan is echter weer niet, dat in de attestatie iets moet gezegd worden omtrent de vroomheid, godsvrucht of geestelijke staat van den persoon, wien het geldt. Daarover oordeelt de kerkeraad niet. De intimis non judicat ecclesia. Maar er moet getuigenis gegeven over zaken, waarover de kerkeraad kan oordelen nl. over uitwendige belijdenis en uitwendige wandel. Of het een hypocriet is, beslist de kerkeraad niet, maar moet aan God overgelaten. Blijk uit belijdenis en wandel, dat hij niet Christelijk denkt en leeft, dan kan niet getuigd, dat hij onbesproken en onergerlijk is. Daarom wordt de attestatie in den regel gegeven in algemene bewoordingen en kiest men voor den gewonen vorm uitdrukkingen, die kunnen gelden voor alle gemeenteleden, omtrent wie geen aanmerking te maken is. Er zijn er wel, van wie men meer kan zeggen, bijv. dat zij bijzonder blijken van godsvrucht gegeven hebben, maar het is moeilijk voor eenen kerkeraad graden en trappen te stellen, en een aantal soorten van attestaties aan te nemen, naarmate men iemand geestelijk in eene hoogere of lagere klasse stelt. Zóó kan de attestatie toch niet over allen oordelen en zou het maken dat de attestatie onbillijk zou worden voor anderen De kerkeraad kan niet precies classificeeren. Personen, die de kerkeraad niet kent, zouden licht een te laag soort attestatie krijgen. Daarom treedt de attestatie niet in bijzonderheden, en is het beter zoodanige uitdrukkingen te gebruiken, die op allen toepasselijk zijn, waarop dan een andere kerkeraad tot het Avondmaal kan toelaten.

|140|

Wat te doen, als er personen zijn, omtrent wie men zoo iets niet volledig getuigen kan, en er toch geen aanleiding is tot toepassing van kerkelijke censuur? Het kan moeilijkheid geven officieel te verklaren, dat iemand onergerlijk in belijdenis en wandel is, wanneer hij onder censuur is geweest. Er zijn een aantal gevallen, waarin men geen recht heeft eene attestatie te weigeren, maar waarin men toch eenige bedenking heeft die zonder meer af te geven, om niet den schijn te hebben andere kerkeraden te misleiden. Is iemand onder eensuur geweest, heeft hij beterschap beloofd, maar is met zekerheid nog weinig te zeggen, dan moet men in den regel, zooals bij alle dergelijke gevallen, eene attestatie afgeven, maar in de attestatie aanteekenen, dat men die of die opmerking heeft, of daarover eenen afzonderlijken brief meegeven. Ja meer nog. Er zijn gevallen, dat men in het geheel niet getuigen kan omtrent Christelijken wandel, bijv. als iemand, die onder censuur staat, attestatie vraagt.

Dan brengt het artikel niet mede, dat de kerkeraad attestatie moet weigeren. Dan moet eene attestatie gegeven worden naar bevind van zaken, zooals de waarheid meebrengt. Er staat niet, dat het altijd een gunstig getuigenis moet zijn. Vraagt een dronkaard eene attestatie, dan geeft men hem een getuigenis mede, dat hij een dronkaard is. Doorgaans zal, als er in de attestatie zoo iets staat, de persoon, wien het geldt, haar niet inleveren. Dan is het zaak den anderen kerkeraad te waarschuwen, en op te wekken dien persoon op te zoeken en hem te vermanen zijne attestatie in te leveren. De attestatie moet naar waarheid zijn. Een ongunstig getuigenis is ook attestatie.

Dit is de inhoud van de bepaling in het artikel omtrent het afgeven van attestatiën.

Dit alles wordt enigszins toegelicht en opgehelderd door de practijk der kerken van de 16de en het begin der 17de eeuw. In Particuliere Synoden is de zaak van attestaties ook meermalen ter sprake gebracht, naar aanleiding van quaesties, die zich in de provinciën voordeden; en de besluiten dier Particuliere Synoden helderen de bepaling van het artikel eenigszins op. Vgl. Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, verzameld en uitgegeven door Dr. J. Reitsma en Dr. S.D. van Veen, Groningen 1892-1899, Dl. I-VIII.

Zoo is er in de Noord-Hollandsche Synoden over de zaak van attestaties behandeld in de Synode van Amsterdam van 1578, blijkens art. 8 der Acta, waar onder de gravamina voorkwam, dat de bepaling van de kerkenordening sommigen niet duidelijk genoeg in uitdrukking of volledig voorkwam. De Synode gaf eene verduidelijking en herhaling, van wat de Generale Synode van Dordrecht van 1578 besloten had. Zij

|141|

antwoordde dus, wat de algemeene inhoud van de attestatie moest zijn, maar zij voegde er nog iets bij, waarvan m.a.w. de inhoud was: wanneer in eene attestatie niet stonden de woorden: „N.N. heeft vroemelycken ende godsalichlycken tot allen tyden in onse gemeente geleeft ende gewandelt sonder ergernisse”, dan zou dit bewijs zijn, dat men dit niet van hem getuigen kon, dat hij vromelijk en godzaliglijk gewandeld had. De kerkeraden konden zoo weten, dat er over den persoon eenige aanmerking was.

Op de Noord-Hollandsche Synode van Alkmaar van 1587 kwam de klacht in, dat er vaak misbruik van attestaties gemaakt werd, art. 6 van de Acta. Niettegenstaande de bepaling van de kerkenordening werden ze door den predikant alleen afgegeven, zonder advies van den kerkeraad, zonder zegel en zonder onderteekening. De Synode maakte de bepaling, dat de kerkeraad geen gunstige attestatie voor geldig zou houden, als die ouder was dan drie maanden, omdat zulk getuigenis dan wel voor den vroegeren, maar niet meer voor den tegenwoordigen tijd gold.

In de volgende Noord-Hollandsche Synode van Haarlem van 1588 (art. 11 van de Acta) werd weer geklaagd, dat kerkelijke attestatie wel eens gevraagd werd door menschen, die een vagebondeerend leven leidden en met hunne attestatie geld gingen ophalen. Besloten werd om van hen, die om vertrek attestatie vroegen, te vernemen, of zij van plan waren te vertrekken, en zoo niet, hun geen attestatie te geven, opdat zij daarmede niet zouden gaan bedelen.

Dit is in de Synode van Amsterdam van 1589 herhaald, in art. 8 van de Acta.

Op de Synode van Hoorn van 1596 (art. 46 van de Acta) kwam niet betrekking tot attestatie een geval voor, waarmede de Classe geen weg wist, nl. van iemand, die onder censuur had moeten staan, met de gemeente verzoend was door schuldbelijdenis, en nu attestatie vroeg. Daar het zoo kort geleden was, was nu de vraag, of men hem een attestatie zal geven zonder vermelding van zijne voorgaande fouten. De Synode antwoordde, dat dit aan de discretie van den kerkeraad moest overgelaten worden. Het hing er van af, of de kerkeraad genoegzaam van de oprechtheid van de schuldbelijdenis overtuigd was. Dan moest eene gewone attestatie afgegeven worden. Zoo niet dan moest dit in de attestatie aangetekend.

Op de Noord-Hollandsche Synode van Edam van 1598 (art. 27, van de Acta) kwam een gravamen in omtrent een geval, dat in Noord-Holland vaak voorkwam, dat nl. arme leden der gemeente van de eene plaats naar de andere trokken zonder hoop van elders beter hun kost te hebben. Vooral uit Amsterdam kwam die klacht in, aangezien inzonderheid veel armen naar Amsterdam trokken, zonder daar echter den kost te vinden.

|142|

De vraag was nu, wat daaraan te doen. De Synode besloot dat de kerken, uit welke zulke menschen vertrokken, ernstig zullen onderzoeken, wat hen bewoog zulks te doen, en zoo zij bevinden, dat er geen redenen voor zijn, zullen zij hen vermanen niet te verhuizen, maar te blijven. Natuurlijk kon men hen niet dwingen, en daarom moest men, wanneer zij niet wilden blijven, attestatie afgeven met den naam van de plaats, waarheen zij wilden vertrekken, terwijl men in de attestatie het een en ander kon aanteekenen.

Op de Particuliere Synode van Noord-Holland van Alkmaar van 1599, kwam blijkens de lijst der „Particularia” weder eene vraag uit Alkmaar over de inhoud van de attestatie, met de opmerking, dat het moeilijk ging om ten aanzien van ieder vertrekkend lid de woorden te gebruiken, dat hij zonder opspraak in de gemeente verkeerd had: omdat het wel voorkwam, dat iemand niet onder censuur gestaan had, maar toch aanleiding tot opspraak gegeven had. De Synode besloot, dat iedere kerk natuurlijk getuigenis moest geven overeenkomstig de waarheid en de gelegenheid der zaak.

Hetzelfde ongeveer werd nog eenmaal besloten naar aanleiding van een particulier geval op de Noord-Hollandsche Synode van Amsterdam van 1607 (art. 16 van de Acta), welk geval zich voordeed als gevolg van censuur. Iemand, die ergerlijk geleefd had, was onder censuur gesteld, was uit de gemeente vertrokken, had zes of zeven jaar in ’s vijands land gewoond (hoogstwaarschijnlijk in de Zuidelijke Nederlanden) en was toen weer teruggekeerd. De vraag was nu, hoe zoodanige persoon te behandelen. De Synode besloot, dat hij zich eerst moest verzoenen met de kerk, die hem onder censuur gesteld had, Daarna kon hij weer als lid opgenomen worden. Indien hij niet ter genoegdoening van de kerkeraad bewijs van verbetering des levens kon geven, dan kon hem ook door dien kerkeraad geen attestatie gegeven worden van onergerlijk leven, maar moest de kerkeraad getuigen, wat hij ven hem wist, en in de kerk waar hij kwam, moest men naar bevind van dit getuigenis met hem handelen.

Op de Zuid-Hollandsche Synoden is ook over de zaak van de attestaties herhaaldelijk gehandeld geworden.

Zoo bijv. kwam op de Zuid-Hollandse Synode van Gorinchem van 1595 (art. 38 van de Acta) de klacht van de diakenen uit Gorkum, dat er zoveel misbruik van attestaties gemaakt werd, nl. op deze wijze, dat menschen, die blijkbaar landloopers waren, van attestaties, die zij in handen konden krijgen, de zegels aftrokken, deze op eigengemaakte attestaties weer opdrukten, en van dergelijke attestaties zich bedienden tot nadeel van de rechte armen. De Synode drukte de kerken op het hart, de zegels zoo op de attestaties vast te maken, dat zij

|143|

er niet afgerukt konden worden, dus niet op los papier bij de attestatie, maar in de attestatie zelf moesten de zegels afgedrukt.

Op de Zuid-Hollandsche Synode van Leiden van 1600 (art. 30 van de Acta), kwam het gravamen in, dat het nog al vaak voorkwam, dat leden van de eene kerk naar de andere vertrokken zonder attestatie te vragen. Besloten werd alle kerken er op te wijzen, dat zij er op zouden aandringen, dat menschen, uit de eene kerk naar eene andere vertrekkende, attestatie vroegen, en bij verzuim, indien zulks niet geschiedde, moest door den kerkeraad op de plaats van vertrek een schrijven gericht worden aan den kerkeraad van de plaats, waarheen men wist, dat de vertrokkene gegaan was, opdat door dien kerkeraad de verhuisde persoon zou worden vermaand attestatie aan te vragen, ten einde zich bij de kerk te voegen. Men kan zoodanigen persoon niet buiten zijn wil en weten om van de eene kerk naar de andere overschrijven. Dit kan wel in de Roomsche, Luthersche, Episcopaalsche kerk, en ook in Collegiale kerken. Niet echter in de Gereformeerde kerken, waar niemand buiten zijn weten en tegen zijn wil in eene kerk kan worden ingelijfd. De persoon zelf moet altijd daarin handelen.

Op de Zuid-Hollandsche Synode van Delft van 1607 (art. 22 van de Acta), werd weer over misbruik van attestaties gehandeld, nl. tegen dat misbruik, dat landloopers door bedrog attestatie wisten te verkrijgen, die dan vooraan in een boekje plakten en daarmee dan rondgingen om giften te verzamelen, die zij in dat boekje lieten aanteekenen. Zoo kregen zij in dat boekje eene groote lijst van namen van predikanten, en bedrogen daarmede anderen. De Synode besloot, de kerken en de predikanten te waarschuwen lichtelijk attestatie te geven, behalve wanneer iemand van de eene plaats naar de andere vertrok, en, om een einde te maken aan het misbruik van boekjes, dat niemand daarin meer zou teekenen.

Dit zijn eenige bepalingen van de beide Hollandsche Synoden, waaruit blijkt, hoe de kerken de bepaling van de kerkenordening hebben toegepast, nl. dat zij zeer stipt deze bepalingen gehandhaafd hebben: 1° dat attestatie gegeven werd aan vertrekkende leden, 2° dat dit door den kerkeraad geschiedde, 3° met behoorlijk waarmerk, zegel of onderteekening, waarbij 4° met betrekking tot den inhoud gehandhaafd werd, dat die overeenkomstig de waarheid moest zijn.

Eindelijk is bij dit artikel nog op te merken, dat hier alleen gehandeld wordt over attestaties, die medegegeven worden aan leden, die van de eene gemeente naar eene andere vertrekken, en dat hier niet gehandeld wordt, over alle mogelijke soorten van attestatie, die een kerkeraad soms kan afgeven. Er zijn nl. een aantal andere gevallen, waarin aan een lid der gemeente attestatie gegeven wordt.

|144|

Eene attestatie is wel vaak in de practijk hetzelfde als een kerkelijk verhuisbiljet, maar niet altijd. Op zichzelve is een attestatie een getuigschrift, aan iemand gegeven op kerkelijk gebied. Zulke getuigschriften zijn het meest noodig, wanneer iemand van de eene gemeente naar de andere verhuist; maar ook zijn er nog een aantal andere gevallen, waarin een kerkelijk getuigschrift noodig is. Doch daarover behoefde in de kerkenordening niet gesproken te worden. Het lag in den aard der zaak, en het spreekt valt zelf. Evenals een particulier persoon geroepen kan worden om aan een ander een getuigschrift te geven, zoo kunnen ook kerken in die omstandigheden komen. In den aard der zaak ligt, dat het getuigschrift zegt, waartoe het is afgegeven, zoodat er geen misbruik van gemaakt kan worden.

Zoo bijv. zijn kerkelijke attestaties noodig voor een predikant, die naar eene gemeente vertrekt, die hem beriep. Hij moet dan getuigschrift hebben omtrent zijne ambtsbediening van de kerk, van welke hij vertrekt, ook een getuigschrift van de Classe; anders kan eene andere kerk hem niet ontvangen. Zoodanige attestatie moet gevraagd worden door studenten en beroepen predikanten, die zich aanmelden tot het doen van praeparatoir en peremptoir examen. Dit is ook een getuigschrift, dat de kerkeraad geeft omtrent iemands leer en leven. Zoo zijn er nog andere gevallen, waarin een kerkeraad aan een lid der gemeente getuigenis geeft omtrent leer en leven.

Toch moet de kerkeraad zeer voorzichtig zijn in het geven van zoodanig getuigschrift aan leden der gemeente. Al in de 16de eeuw kwam het in Holland voor, dat er veel misbruik van gemaakt werd, en dat menschen, die zulk getuigenis gevraagd hadden, er op bedacht waren daarmede aan den kost te komen en er giften en gaven op in te zamelen. Daarom is het altijd zaak, als een kerkelijk, getuigschrift af te geven is, vooral in de attestatie uit te drukken, waartoe het getuigschrift gegeven wordt, waarvoor het dienen moet, en niet een algemeen getuigschrift te geven, dat voor alle mogelijke doeleinden gebruikt kan worden; om zoo mogelijk te voorkomen, dat het getuigschrift voor andere doeleinden gebruikt wordt. Zoo behoort in een getuigschrift om examen af te leggen vermeld te worden, dat het voor dat doel dienen moet; zoo ook moet in een getuigschrift voor eenen vertrekkenden predikant, of voor een lid der gemeente, steeds het doel uitgedrukt worden.

Ook moet natuurlijk zoo’n getuigschrift altoos overeenkomstig de waarheid zijn. De kerkeraad moet vooral toezien, om niet, terwille van het doel en om den persoon te helpen, dingen te verzwijgen of anders voor te stellen dan waarheid is, zoo bijv. bij getuigschrift voor examen of voor eenen predikant, om daardoor iemand te helpen en voor moeilijkheden te bewaren,

|145|

die anders zouden kunnen voorkomen. Hierdoor misleidt men de kerken en het geeft in de toekomst, zooals de practijk leert, nog veel grooter moeite. Als er iets te zeggen is omtrent den persoon, mag het niet verzwegen. Zonder eenig doel of zonder uitgedrukt doel mag de kerkeraad eigenlijk nooit attestatie afgeven. Het is niet overbodig dit op te merken, omdat het toch vaak aan den kerkeraad gevraagd wordt, en de kerkeraad daarover dikwijls in het onzekere verkeert.

Er heerscht met betrekking tot attestaties bij vele gemeenteleden een zonderling begrip. Dan wordt er gedacht, dat de kerkeraad nier een lidmatenboek heeft, waarin de namen van de gemeenteleden staan opgeteekend, maar een stapel attestaties, waarop hunne namen voorkomen, en dat bezit van attestaties is dan bewijs, dat zij tot de gemeente behooren. De voorstelling heerscht dan, dat iemand, als hij zijne attestatie gekregen heeft, van de gemeente los is. In dat denkbeeld komt het voor, dat menschen, die zich van de gemeente afscheiden, of tot eene andere kerk overgaan, bij den kerkeraad komen met het verzoek, of zij hunne attestatie terug kunnen krijgen, die echter soms niet eens bewaard is, omdat zij aan haar doel beantwoord heeft. En in vele kerkeraden weet men dan niet wat te doen. Er zijn er, die dan attestatie afgeven. De menschen moeten zelf dan maar weten, wat zij er mede doen.

Er zijn kerkgenootschappen, die zulke attestaties afgeven, bijv. de Lutherschen. Maar dit gaat niet en eigenlijk heeft het geen zin. Eene kerk of kerkeraad kan en mag nooit in de hand werken of bevorderen, dat een zijner leden tot eene andere gemeente overgaat, tenzij tot eene gemeente, die ook tot haar kerkverband behoort. Een Gereformeerde kerkeraad houdt de Geref. kerkformatie voor de zuiverste openbaring van het Lichaam van Christus, en kan noch mag dus nooit iemand helpen om uit de zuiverste kerkformatie in eene mindere zuivere over te gaan, maar moet trachten de gelovigen in zijne gemeente te verzamelen. Een Geref. kerkeraad, die het tegendeel zou doen, zou daardoor toonen zijn eigen beginsel niet te verstaan. En iemand attestatie af te geven zonder vermelding van het doel, heeft nog minder zin. Een getuigschrift geeft men alleen, opdat het voor iets dienen zal. Men geeft dat niet „in’s Blaue hinein”. Als er geen doel is, waarom zou men dan attestatie geven? Het heeft geen zin om attestatie af te geven aan iemand, die zegt: ik blijf hier wonen, ik blijf geen lid der kerk, maar ik wil attestatie hebben. Want voor wien geldt dan die attestatie? Aan den zoodanige, die zich van de kerk wil afscheiden, zonder naar eene andere kerkformatie over te gaan, zal een Geref. kerkeraad geen attestatie kunnen geven; wel zal hij kunnen getuigen, dat zoo iemand zonde doet, omdat hij zich van de kerk afscheidt. En waartoe zal

|146|

zulk eene attestatie dienen? Er kan alleen in staan, dat de kerkeraad niet goedkeurt, dat zulk een zich van de kerk afscheidt. En dat zal hij toch aan niemand laten zien. Daarom is vast te houden aan art. 82 der kerkenordening met betrekking tot dengene, die attestatie vraagt om zich van de kerk af te scheiden, en moet geantwoord, dat attestatie over leer en leven alleen kan gegeven worden, als hij uit de gemeente vertrekt en niet als hij in de plaats blijft wonen. De attestatie moet altijd een doel hebben.

Art. 82 hangt nauw samen met art. 83, dat over attestatie aan armen handelt.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 83

Art. 83 1).

Voorts zal den Armen, om genoegzame oorzaken vertrekkende, van de Diakenen bijstand gedaan worden, naar discretie, mits aanteekenende op den rug van hunne Attestatie de plaatsen waar zij henen willen, en de hulpe die men hun zal gedaan hebben.

Over dit artikel is ook eenigszins bij art. 82 gesproken, omdat over het afgeven van attestaties in vroegere redacties van de kerkenordening meermalen gesproken wordt met betrekking tot de armen.

In de vroegere redacties van de kerkenordening waren de tegenwoordige artikelen 82 en 83 niet twee artikelen, maar in één artikel samengevoegd. Later is dit in tweeën gesplitst omdat het toch eigenlijk twee op zichzelf staande zaken betrof. Art. 82 handelt over attestatie, mede te geven aan vertrekkende leden, art. 83 over hulp aan armen, die vertrekken. En het was goed hiervoor een afzonderlijk artikel te hebben, omdat in dit laatste een belangrijk beginsel uitgesproken wordt met betrekking tot de roeping van diakenen; een beginsel, dat in de practijk ook zijne toepassing moet vinden.

Er wordt in dit art. 83 gehandeld over de verhuizing van arme leden van de eene plaats naar de andere. Daaromtrent wordt dan in het artikel bepaald, dat de arme, die verhuist, van de diaconie bijstand krijgt, d.w.z. reisgeld om naar de


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 wijzigde dit artikel aldus: „Voorts zal den armen, om genoegzame oorzaken vertrekkende, door de Diakenen reisgeld gegeven worden, naar hetgeen zij oordelen behoorlijk te zijn. De Kerkeraad en de Diakenen zullen echter toezien, dat zij niet te zeer genegen zijn om hunne Kerken van de armen te ontlasten, met welke zij andere Kerken zonder enige nood zouden bezwaren”.

|147|

andere plaats te kunnen komen, met een zekere aanbeveling, waarin tevens eene aanwijzing, om hem bedeeling te geven, omdat hij die nl. noodig heeft, en met aanteekening van de hulp, die men hem zal gedaan hebben. Daarin ligt dan het beginsel, dat aan de armen, die vertrekken, niet enkel attestatie gegeven wordt, opdat de kerkeraad dan van die leden los zou zijn, maar dat de kerkeraad voor hen zorg hebbe, voorzoover dit op zijnen weg ligt.

Ten tweede zegt het artikel, dat dit alleen moet geschieden met betrekking tot armen, die om genoegzame oorzaken vertrekken, d.w.z. dat er eerst gevraagd moet, of er oorzaak was tot vertrekken, hetwelk eerst beoordeeld moet; dan, dat diakenen oordeelen en keuren moeten, of de oorzaak voldoende is. Zoo niet, dan mag de kerkenrad hem geen attestatie geven en moet voorkomen worden, dat hij naar eene andere plaats vertrekt. Genoegzame oorzaak tot vertrek nu is er niet, wanneer eene arme van de eene plaats naar de andere vertrekt enkel omdat hij meent daar grootere ondersteuning te zullen krijgen, en veel minder wanneer de arme vertrekt zonder enig vooruitzicht hoegenaamd, enkel in de hoop van daar wel werk te zullen vinden en wat te zullen krijgen. Genoegzame oorzaak is er alleen, als hij weet op de plaats waarheen hij vertrekken wil, werk te zullen hebben en aan de kost te kunnen komen of familie te hebben, die hem zal ondersteunen.

Door die bepaling wordt dus aan de diakenen voorgehouden om bij eenen arme die vertrekt, wel te onderzoeken, om welke redenen hij vertrekt; en komt het hun voor, dat hij er in de andere plaats niet op verbetert, dan moeten zij hem niet medehelpen om op die andere plaats te komen, maar trachten hem van verhuizen te weerhouden, en dan zóó bewerken dat hij blijft.

Daaraan ligt het beginsel ten grondslag, dat het bij ondersteuning van armen met reisgeld er niet om te doen moet zijn armen kwijt te raken. Dit is juist een beginsel, waarop in de practijk vaak moet gelet, en waaraan dikwijls herinnerd moet worden. Het gebeurt nl. dat, als er armen uit ene plaats vertrekken, diakenen er blijde om zijn, dat zij armen kwijt raken, en zich verheugen van de last ontslagen te zijn: veel armen te onderhouden geeft zoveel meer bezigheid. Dit is iets menschelijks. Het gebeurt vaak, dat kerken, die door de zorg voor haar armen gedrukt worden, moeite hebben met hun onderhoud. Zeer natuurlijk is het dan, dat zij wat verlicht wenschen te worden, en er toe medewerken de armen naar een andere plaats te laten verhuizen, zoodoende de last van zich op anderen afschuivende. Op zich zelf is dit zeer natuurlijk, maar toch geheel in strijd met het Geref. Beginsel van armenverzorging en de beginsel in dit artikel neergelegd, waarin

|148|

juist het tegendeel staat. Diakenen moeten niet wenschen, dat de armen van hunne woonplaats vertrekken, tenzij zij weten, dat het in hun eigen belang is, omdat zij in betere conditie komen; en zoo niet, dan moeten zij hen behouden, wanneer zij in ieder geval zoo werkelijk behouden kunnen worden.

In de practijk moet er altijd op aangedrongen worden, dat dit artikel worde nageleefd. In de eerste plaats moet het belang van de armen zelf in het oog gehouden worden, en niet mag de last van de armen op anderen worden afgeschoven.

Eindelijk ten derde ligt er ook nog in dit artikel, dat, wanneer een arme van de eene plaats naar de andere vertrekt, de zorg voor dien arme verder rust op de kerk, waarheen hij zich begaf, en niet op de kerk, vanwaar hij vertrok. Indien de zorg voor den vertrokken arme bleef rusten op de kerk, vanwaar hij vertrok, dan had het artikel geen zin, behoefde er geen bepaling gemaakt, en behoefde eene andere kerk er in het geheel niet in gekend te worden.

Dit artikel spreekt dus uit, dat bij verhuizing de arme voor rekening komt van die kerk, waarheen hij vertrok. Dit vloeit voort uit den aard der zaak. Iedere kerk heeft voor hare eigen armen te zorgen. En die armen wonen binnen de grenzen dier kerk. Een arme, die verhuisd is, kan geen lid blijven van de kerk, vanwaar hij vertrok, en alleen de diaconie in die plaats, waarheen hij vertrok, kan geroepen zijn voor hem te zorgen. Een arme, die van Amsterdam naar Utrecht vertrekt, kan geen lid zijn der Kerk van Amsterdam, maar van Utrecht, en moet dus daar ondersteuning ontvangen.

Dit hangt samen met het beginsel van de plaatselijke kerk als grondslag voor het Gereformeerde kerkverband. Ook voor de practijk is het noodzakelijk. Anders is toezicht van diakanen op de armen niet mogelijk, wanneer nl. de armen niet binnen de grenzen der gemeente wonen. Zoodoende zou eene kerk hare armen anders overal verspreid hebben. Daarom geldt in de Gereformeerde kerken als regel, dat de arme, die verhuist, niet geholpen moet worden door diakenen van de plaats, vanwaar hij komt, maar van de plaats, waarheen hij komt.

Uitzonderingen op dien regel kunnen er alleen zijn, als door diakenen zelven, om genoegzame redenen, naar hun zelven dunkt, een arme naar eene andere plaats wordt gezonden, bijv. wanneer diakenen van eene stad een weeskind naar het platteland zenden om daar zijne opleiding te ontvangen, en het in een huisgezin uitbesteden. Dit komt dan voor rekening van de diaconie, die het kind zendt. Ook wanneer een arme oude man, die ondersteuning geniet, op eene andere plaats bij zijne getrouwde kinderen kan komen, die hem met kleine hulp in huis kunnen hebben, kunnen diakenen hen daarheen zenden met betaling van geld. Ook in alle zulke gevallen zou het toch wenschelijk

|149|

zijn, dat de ondersteuning formeel geschiedde door de diakenen van de plaats, waar hij woont, omdat men daar ook de zorg voor zijne geestelijke belangen heeft. In zoodanige gevallen valt er de nadruk op, dat ook dan de vertrokken armen komen voor den last en de zorg van de kerk ter plaatse, waarheen zij gezonden zijn. Alleen, de diakenen van de kerk te dezer plaatse krijgen dan restitutie voor hetgeen zij aan geld hebben gegeven, omdat diakenen van de kerk hunner vorige woonplaats hebben gezonden. Het is dan alleen eene finantieele verrekening tusschen de diaconieën. Dit is formeel de beste weg. En zou is er ook beter toezicht. Dit is de eenige uitzondering, die mogelijk is. In alle andere gevallen blijft gelden, dat de diaconie van eene plaats verplicht is te zorgen voor de plaatselijke armen.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 84

Art. 84 1).

Geene Kerk zal over andere Kerken, geen Dienaar over andere Dienaren, geen Ouderling of Diaken over andere Ouderlingen of Diakenen eenige heerschappij voeren.

 

In dit artikel is een grondbeginsel voor de kerkinrichting der Geref. kerken geformuleerd, en wij vinden datzelfde beginsel dan ook bij alle Geref. kerken van den beginne af terug. Het is in de Nederlandsche kerkenordening, wat de woorden betreft, meest ontleend aan de Fransche kerkenordening, waarin het van den aanvang af gestaan heeft, en wel als art. 1. In deze kerkenordening, die gemaakt is, door de eerste Fransche Synode, die in 1559 te Parijs is gehouden, luidde het eerste artikel: „Aucune Eglise ne pourra prétendre primauté, ni domination, sur l’autre: ni pareillement les Ministres d’une Eglise les uns sur les autres, ni les Anciens, ou Diacres, les uns sur les autres” 2).

Trouwens, het sprak eigenlijk wel vanzelf, dat in de Geref. kerken dat beginsel van den aanvang af was aangenomen. Als men let op de wording, het ontstaan van het kerkverband der Geref. kerken, waar zich dat het eerst geformeerd heeft in Frankrijk, dan ziet men, dat het inderdaad niet anders kon.

In Frankrijk was de Overheid op de hand van de Roomschen en dus tegen de Reformatie. Van Overheidswege werden de Gereformeerden en ook de Gereformeerde kerken, zoodra zij zich


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet dit artikel ongewijzigd. De beide uitgaven van Renkema c.s., 1909 en 1916 hebben eene drukfout in „geen Ouderling of Diakenen”.
2) [J.] Aymon, Actes ecclésiastiques et civils de tous les Synodes nationaux des Eglises réformées de France, à la Haye 1710, Tome premier, p. 1.

|150|

constitueerden, zooveel mogelijk vervolgd en onderdrukt. Wettelijk konden en mochten zij niet bestaan. Er kon dus geen quaestie van zijn, dat onder de Gereformeerden en Geref. kerken enige dwingende macht werd uitgeoefend. Waar zich in Frankrijk een Geref. kring openbaarde, en die Geref. kring meest onder leiding van Calvijn en de kerk van Genève tot institueering kwant, d.w.z. tot institueering van kerkelijke diensten, van ouderlingen en diakenen, en daarna ook van dienaren des Woords; waar dit alles geschiedde, sprak het van zelf, dat wel advies en raadgeving van buiten daar helpen kon, maar dat geenerlei dwingende macht op zulk eene kerk en kerkeraad kon worden uitgeoefend. Dwingende macht kon alleen uitgeoefend van Overheidswege, en nu stelde de Overheid zich wel ten dienste van de Roomsche kerk om te beproeven met dwingende macht de Reformatie tegen te gaan en te onderdrukken, maar niet stelde zich die dwingende macht ten dienste van de Gereformeerden om die op eeniglei wijze te noodzaken tot eenheid van kerkelijke inrichting en kerkelijk verband.

Het samenkomen en het samenverbonden zijn van de Gereformeerde kerken in Frankrijk in een kerkverband kon dus natuurlijk alleen geschieden door vrijwillige toetreding van de kerken zelve. Deze vrijwillige toetreding was dan voor het besef, bewustzijn en de conciëntie van de Gereformeerden wel gebonden aan Gods Woord. Zij waren niet vrij in dien zin, dat zij het ook even goed hadden kunnen nalaten, want zij gevoelden zich geroepen en gedrongen door Gods Woord om hunne eenheid ook kerkelijk zooveel mogelijk te openbaren en te doen uitkomen, plaatselijk door samen als ééne kerk op te treden, en verder in betrekking tot andere kerken door zooveel mogelijk kerkelijk samen te komen in meerdere of mindere vergaderingen en zich aan de besluiten van meerdere vergaderingen te onderwerpen. In zedelijke zin, uit godsdienstig motief, was ieder er toe verplicht en mochten zij dit niet nalaten, maar dwingende macht bestond er in dit opzicht niet. Geer kerk kon een andere kerk dwingen tot het kerkverband toe te treden, en dus veel minder kon de eene kerk over de andere heerschappij voeren en haar dwingen tot iets, wat zij zelf niet wilde.

Zoo sprak het, als men op de historie let, wel vanzelf, dat die kerken, in kerkelijke vergaderingen samenkomen, als beginsel stelden, dat geene kerk over andere kerken zou heersen, en ook, dat geen overheersing van dienaren onderling kon worden aangenomen. Want de strijd valt de Reformatie op kerkelijk gebied ging juist tegen de overheersing, van de dienaren onderling, tegen de hiërarchie. Het was de hiërarchie, die in de kerk alle Reformatie tegenhield, en belemmerde en belette. Het was het beginsel dier hiërarchie, die in de 15de eeuw op

|151|

de groote concilies de hervorming in hoofd en leden had tegengehouden, en allengs meer was daardoor het inzicht doorgedrongen, dat met het bestaan van zulke hiërarchie Reformatie niet mogelijk was. Door de geschiedenis en de Schrift te raadplegen was men tot de overtuiging gekomen, dat in de oude Christelijke kerk zulke hiërarchie niet bestaan had, en dus niet door God ingesteld was. Zoo volgde het van zelf uit de historie der kerk, dat in de Geref. kerken als beginsel aangenomen werd: gelijkheid van dienaren des Woords onderling, van ouderlingen onderling, en van diakenen onderling.

Geheel om dezelfde reden is dit beginsel in de Nederlanden aangenomen, toen het hier tot kerkelijke formatie en institueering kwam, en wij vinden dit dan ook uitgesproken in de Acta der Particuliere Synoden, in de Zuidelijke Nederlanden gehouden, althans van 1563 af. Ook in de Nederlanden, waar de kerken alleen onder het kruis tot openbaring konden komen, lag het in den aard der zaak, dat van dwingende macht op kerkelijk gebied bij de Gereformeerden geen sprake kon zijn. Vandaar vinden wij dit beginsel dan ook eveneens uitgesproken door de kerken van de Nederlanden in het algemeen op hare eerste Synode te Emden, en reeds te voren in de artikelen, die de Wezelsche samenkomst van 1568 bij wijze van model gemaakt heeft.

In die Wezelsche artikelen komt op onderscheiden plaatsen dit beginsel aan den dag, zoo bijv. in Cap. IV, waar in art. 7 van de dienaren des Woords gezegd wordt, dat zij bij hun indiensttreding ook beloven moeten: „Neque vllum imperium dominandique licentiam vsurpaturos, siue erga Ministros siue erga ecclesiam, neque vllas nouos leges pro suo arbitrio introducturos”. „Dat zij voorts geen het minste gezag of vrijheid om te heerschen zich zullen aanmatigen hetzij over de Dienaren (des Woords), hetzij over de kerk, en dat zij geen nieuwe wetten naar eigen willekeur zullen invoeren”. In dit artikel wordt dus als wenschelijk en noodig uitgesproken, dat bij de indiensttreding door den dienaar beloofd wordt, dat hij niet zal staan naar heerschappij, hetzij jegens andere dienaren, hetzij jegens de kerk.

Ditzelfde wordt in hetzelfde hoofdstuk in art. 9 van de ouderlingen gezegd, waar uitgesproken wordt: „Leges autem condere vel imperium exercere siue erga Ministros Collegasque siue erga ecclesiam: Ac vel Consistorium seu Senatum ecclesiasticum pro suo arbitratu cogere, Ministris ignorantibus vel absentibus, sciant a suo munere esse quàm alienissimum”. „Het maken van wetten echter of het oefenen van gezag, hetzij over de Dienaren [des Woords] en hunne ambtgenooten, hetzij over de kerk, behooren zij te bedenken, dat allerminst tot hun ambt behoort, evenmin als het houden van kerkeraadsvergadering

|152|

naar eigen welgevallen zonder dat de Dienaren dit weten of er bij tegenwoordig zijn”. Dus ook de ouderlingen mogen geen heerschappij oefenen, hetzij ouderlingen jegens dienaren des Woords, hetzij ouderlingen jegens medeouderlingen.

In overeenstemming daarmede wordt in die artikelen in Cap. V, art. 19, gezegd, dat het aan de vergaderingen der Classis niet toekomt enige zeggenschap over enige kerk uit te oefenen, zonder hare toestemming, „opdat de kerk niet tegen haar wil beroofd worde van haar recht en gezag”. Er was nl. in het voorgaande artikel 18 gezegd, dat, indien een dienaar en eene kerk aan elkander verbonden waren, de dienaar de kerk, en de kerk haren dienaar niet verlaten mocht zonder toestemming der Classe. Dit werd daarom als wenschelijk en noodig voorgesteld, omdat het in vele gevallen in eene plaatselijke kerk moeilijk was om zonder tusschenkomst der Classe op dat punt tot eene ordelijke behandeling van zaken te komen. Wenschelijk en noodig was, dat de Classe tusschenbeide kwam, als er iets was tusschen den predikant en de kerk, wijl het niet aanging de behandeling daarvan plaatselijk te doen geschieden. Juist om het nu niet te doen voorkomen, alsof de Classe een soort hooger bestuur was, waaraan uit den aard der zaak de kerk moet onderworpen zijn, volgt in art. 19: „Nec tamen Classium conuentibus quicquam iuris hac in re concedendum putamus in vllam ecclesiam, eiusue Ministros, nisi illa vltro consentiente: ne suo iure et authoritate inuita priuetur ecclesia”. Sterker kan het al niet uitgedrukt worden, dat geen kerk over eene andere kerk heerschen mag, tenzij die kerk het zelf toestaat. Die toestemming wordt van zelf gegeven door toetreding tot het kerkverband, en met betrekking tot de daarbij gestipuleerde punten wordt volgens de kerkenordening gehandeld.

Nog meer komt ditzelfde beginsel uit in Cap. VIII: „De Disciplina”. Tot de zonden, die in eenen dienaar des Woords niet geduld kunnen worden, behoort volgens art. 14: „het klaarblijkelijk jacht maken op heerschappij over de kerk en zijne ambtgenooten”. „Manifesta affectatio tyrannidis in ecclesiam et Collegas”. En nog eenmaal wordt het in art. 20 wenschelijk genoemd, dat de Classe niet altijd op dezelfde plaats vergadert, maar dat in de verschillende kerken de Classe zooveel mogelijk rond zou gaan, om ook daarmede de heerschappij van de eene kerk over de andere te voorkomen; als motief staat er dan ook bij: opdat niet eene van de kerken als hoofdkerk zou beschouwd worden. Dit zijn niet bepalingen van de kerken zelve, maar van de woordvoerders en leiders, te Wezel officieus samengekomen.

In 1571 stelde de eerste Synode te Emden in hare Acta als art. 1: „Nulla Ecclesia in alias, nullus minister in ministers,

|153|

nullus Senior in Seniores, Diaconus in Diaconos primatum seu dominationem obtinebit, sed potius ab omni et suspitione et occasione canebit”. „Gheen Kercke sal over een ander Kercke, gheen Dienaer des Woorts, gheen Ouderlinck, noch Diaken sal d’een over d’ander heerschappie voeren, maar een yeghelijck sal hen voor alle suspcien, ende aenlockinge om te heerschappen wachten”. In Emden werd dit als art. 1 gesteld, zeker om aanstonds daarmede het karakter van zulk eene Geref. Synode te doen uitkomen, hetgeen niet onnatuurlijk was, omdat over het samenkomen van deze Synode nog al eenige bezwaren gemaakt waren in onderscheiden kerken. Met name in de Hollandsche kerken was men tegen zulk eene Synode, waarvan men vreesde, dat het kon uitloopen op wegneming van de vrijheid der plaatselijke kerken. Uit de geschiedenis weten wij, dat het veel moeite gekost heeft om de verschillende kerken onder het kruis en in de verstrooiing tot deelneming aan deze Synode te bewegen, waarbij Marnix van St. Aldegonde zich zeer verdienstelijk gemaakt heeft. Zeker om die reden is dit in art. 1 uitgesproken, dat het niet te doen was om heerschappij te oefenen, dat eene Geref. Synode zeker zoo iets nooit bedoelde.

Dit Emdensche artikel bleef vervolgens in de kerkenordening, ook al bleef het niet in art. 1. Het is op eene andere plaats gesteld, toen men de kerkenordening logisch begon te rangschikken.

Op de eerste Nationale Synode van 1578 te Dordrecht werd het aan het einde van de kerkenordening gesteld als het laatste van de artikelen, als art. 102. Toen werd er nog bijgevoegd „Hoewel wt plicht der liefde de eene Kercke de andere, de een Dienaer den anderen etc. niet alleen moghen, maer oock behooren te vermanen”. Dit laatste sprak van zelf, is meer een zedelijke plicht dan een beginsel van kerkenordening; het is later uit de kerkenordening uitgelicht, omdat het in eene kerkenordening minder thuis hoort.

In de Middelburgsche redactie van 1581 bleef het aan het einde als op één na het laatste artikel, nl. art. 68, nagenoeg woordelijk geredigeerd, zooals het nu nog geredigeerd is. In deze redactie van 1581 werd bovendien nog uitgesproken in art. 9, waar van de diensten sprake is, dat onder de dienaren des Woords gelijkheid zal gehouden worden aangaande de lasten van hunnen dienst. De kerkeraad zal er op letten. Hetzelfde wordt van ouderlingen en diakenen gezegd.

De Haagsche Synode van 1586 heeft zoowel laatstgenoemd artikel betreffende gelijkheid van dienaren, die hetzelfde ambt hebben, als het artikel tegen overheersching, woordelijk overgenomen, artt. 15 en 77. Zoo is het ook in de redactie van 1619 gebleven.

|154|

Van dit artikel zegt J. Trigland in zijne Kerckelijcke Geschiedenissen Leijden 1650, blz. 162, dat het allereerst tegen Rome gericht is. Hij zegt: „Dat heeft die Synodus alsoo ghestelt, om dat sy wel geobserveert hadde, dat uyt die heerschinge der Bisschoppen over Bisschoppen, ofte Herderen over Herderen, ghesproten was de grouwelijcke opperhoofdicheydt des Roomschen Paus: hebbende alsoo willen thoonen hoe af-keerich onse kercken daer van zijn, ende hoe sorchvuldelijcke de [sic] selve soecken te mijden alle de minste beginsel die daer toe eenighe aenleydinghe souden mogen geven”.

G. Brandt schrijft in zijne Historie der Reformatie, Amst. 1677, Dl. I, blz. 524, dat dit artikel ook gekant scheen te zijn tegen het Episcopale stelsel, zooals dat in Duitsche en Engelsche kerken onderhouden werd: „Dit scheen gekant tegen de Bisschoplijkheit, die onder de Roomschgesinden, en ook, doch op een’ andre wijse, in de Reformatie van Engelandt en Duitschlandt plaets had gehouden”. Daaraan zou men kunnen toevoegen, dat het dan wel allereerst zag op eene verwante bepaling in sommige Gereformeerde kerken in Duitschland en Engeland, waar men Superintendenten had aangenomen. Bisschoppen, zooals de Engelse Staatskerk en de Luthersche kerken die hadden, zouden er in de Gereformeerde kerken zoo licht niet komen. Daarvoor was geen gevaar. Maar Superintendenten hadden de Gereformeerden in Duitschland van de Overheid aangenomen, en in Engeland hadden zij zich ook daarin geschikt, omdat de regeering het wilde hebben. Daarvoor, dat men Superintendenten zou willen, bestond nu wel vrees.

Later, in de vorige eeuw, heeft men gemeend, dat Trigland en Brandt wel wat veel in dit artikel eene antithese met Rome en het Episcopale stelsel hebben willen zien, en dat de bedoeling eer was om de Gereformeerde kerken op een goeden grondslag te vestigen. Intusschen, ook al wordt het laatste erkend, dan kunnen en moeten wij toch vaststellen, dat men die goed gegronde kerkinrichting dan toch bedoelde in antithese met Rome en het Episcopale stelsel. Trigland kon dit zeer goed weten, omdat hij onderscheidene menschen kende, die aan de samenstelling van de kerkenordening hadden deelgenomen. Het ligt in den aard der zaak, dat bij de constitueering der Gereformeerde kerken bepaald de antithese met het stelsel, dat zooveel eeuwen had gegolden, als het ware op den voorgrond stond. Het punt, in dit artikel uitgesproken en geformuleerd, is juist hoofdpunt in den geheelen strijd der Reformatie. Indien moest erkend, dat de eene kerk heerschappij kan hebben over de andere kerk, dat had daardoor Rome het pleit voor een goed deel reeds gewonnen. Aanstonds was er dan, historisch en om andere redenen, veel voor de hiërarchie van Rome te zeggen; in allen gevalle kon men daartegen dan niet principieel opkomen. Indien

|155|

suprematie van de eene kerk over de andere kerk en van den eenen bisschop over den anderen bisschop (in het Roomsche stelsel is de kerk in den bisschop gerepresenteerd), mocht en moest worden aangenomen, dan was daardoor eigenlijk de Reformatie van de 16de eeuw veroordeeld. Dit blijkt wel het duidelijkst uit de polemiek van de eerste helft der 16de eeuw en uit de godsdienstgesprekken, gehouden tusschen Hervormingsgezinden en Roomschgezinden, met name in Zürich, waar Zwingli woordvoerder der Gereformeerden was. Wanneer in zulke polemiek de Roomschen het materieel niet goed konden uithouden, niet konden aantoonen, dat zij op grond des Schrift met hunne leer gelijk hadden, het niet konden waar maken, dat de leer der kerk ook de leer der Schrift was; dan verschantsten zij zich achter de autoriteit der kerk, waartegen een particulier niet mocht opkomen, ook niet eene particuliere kerk. Al erkenden zij, wat zij wel deden, dat Reformatie noodig was, dan mocht h.i. toch nooit een particuliere of plaatselijke kerk die Reformatie tot stand brengen, want dit waren geen zelfstandige lichamen. De reformatie moest dan uitgaan van hem, die zeggenschap had, van den bisschop, in onderworpenheid aan den hoofdbisschop in de moederkerk van Rome.

In de polemiek kwam dit uit, dat Rome zulke suprematie had.

Daartegenover moest door de Gereformeerden het stelsel ontwikkeld, dat elke kerk op eene bepaalde plaats, dat iedere plaatselijke kerk eene zelfstandige en volledige openbaring van het lichaam van Christus is, eene volledige en zelfstandige kerk; en dat in het N. Testament, wanneer er van kerken sprake is, de plaatselijke kerk bedoeld wordt, en dat aan de plaatselijke kerk alles opgedragen werd, wat er aan op te dragen was; waarbij niet ontkend wordt de eenheid in het kerkverband, maar wel, dat de plaatselijke kerken eigenlijk afdeelingen zouden zijn van één groot geheel. Dit was wel geestelijk zoo. Wel was er eene algemeene kerk, maar deze was over de geheele aarde in alle landen verspreid, niet alleen de tegenwoordige kerk, maar ook de kerk van vroeger, en niet alleen de kerk op aarde, maar ook de kerk in den hemel omvattend. Doch dit geldt dan alleen de organische kerk. Als instituut echter is de kerk niet één groot geheel, maar de openbaring van het Lichaam van Christus op eene bepaalde plaats, waarin alles aanwezig is, wat tot het wezen van eene kerk behoort; en juist daarom zijn alle kerken gelijk, en is er in de kerk gelijkheid van dienaren des Woords, gelijkheid van ouderlingen en gelijkheid van diakenen.

Met de erkenning van dit beginsel valt of staat de gehele Reformatie. Het recht, de roeping en de vrijheid tot reformatie grondde zich juist daarop, dat er geen suprematie zijn mocht van de eene kerk over de andere en van den eenen bisschop

|156|

over den anderen bisschop. Daarom is in de polemiek van dien tijd dit punt zoo volledig uit Gods Woord ontwikkeld en aangetoond. In de Geref. Dogmatiek is dit principieel opgesteld. Dit punt hebben wij hier niet uit Gods Woord waar te maken, daar dit geschiedt in den Locus de Ecclesia. In het kerkrecht ontleent men aan de Locus de Ecclesia de „Lehnsatz”, dat elke plaatselijke kerk als geïnstititueerde kerk volledig en zelfstandig is, en dat ook de dienaren gelijk zijn. Daarom is ook in Art. 31 van de Confessie opgenomen, dat Jezus Christus „de eenige algemeene Bisschop en het eenige Hoofd der Kerk is”, in de woorden: „En aangaande de Dienaars des Woords, in wat plaats dat zij zijn, zoo hebben zij eene zelfde macht en autoriteit, zijnde altegader Dienaars van Jezus Christus, den eenigen algemeenen Bisschop en het eenige Hoofd der Kerk”. Uit die formuleering, uit de keuze van deze woorden blijkt, dat op dit punt in de 16de eeuw de antithese met Rome vooropstaat. Christus wordt hier de eenige algemene Bisschop genoemd, alleen omdat de Roomsche kerk aan den bisschop van Rome als hoofd der kerk alle zeggenschap over de kerk toeschrijft.

Dit is dus een grondbeginsel der Geref. kerken, maar met betrekking tot de kerkinrichting natuurlijk niet het grondbeginsel, alsof in dit ééne punt nu alles uitgesproken was, wat er omtrent de betrekking van de kerken tot elkander te zeggen is. Zoo opgevat zou men tot Independentisme komen. Dit artikel mag niet uit de kerkenordening uitgelicht, en beschouwd worden buiten verband met de andere artikelen, om op dit artikel voortredeneerend alle zeggenschap en macht aan Classe en Synode te ontnemen.

Bij dit artikel moet dus wel in het oog gehouden worden, dat dit grondbeginsel niet het eenige is, waarop de Geref. kerkinrichting rust. Er hoort zeer zeker ook bij het beginsel, waarin uitgesproken wordt, dat de kerken met elkander in kerkverband moeten treden, en daardoor jegens elkander wederkeerige verplichtingen op zich nemen, een beginsel, waarover vroeger in de kerkenordening gehandeld is bij de artikelen, die over de kerkelijke samenkomsten spreken, artt. 29 vgg., over vierderlei kerkelijke samenkomsten, over wat men in die vergaderingen behandelen zal, en hoe door meerderheid van stemmen beslist wordt.

Indien art. 84 het eenige beginsel was van kerkinrichting dan zou in de kerkenordening geen hoofdstuk kunnen staan over kerkelijke samenkomsten, tenzij dat het den kerkeraad betrof, en dan zou in art. 29 niet van vierderlei samenkomsten sprake moeten zijn, maar van eene, van den kerkenraad. Dit geschiedt echter niet. Naast het beginsel, dat de zelfstandigheid der plaatselijke kerken handhaaft, staat ook het beginsel, dat de plaatselijke kerken niet op zichzelf moeten staan, maar zich

|157|

in kerkverband hebben te vereenigen, voor zoover de belijdenis daartoe vrijheid geeft, al is het ook, dat er eenheid in de belijdenis moet zijn. Nam men dit niet aan, dan zou art. 84 tot independentisme leiden, het andere uiterste van hiërarchie, gelijk dan ook de independenten of independentistich gezinden, en vooral ook alle separatisten en separatistisch gezinden, zich bij voorkeur op dit art. 84 van de kerkenordening beroepen; en sommigen wel eens doen alsof heel de kerkenordening uit dit art. 84 bestond, evenals of er geen andere artikelen in de kerkenordening waren en het met deze niet in verband stond. Dit nu gaat niet aan, en is geheel onjuist. Even waar als het is, dat iedere plaatselijke kerk in zich zelf volkomen is, het wezen van eene kerk ten volle heeft en aanspraak heeft op vrijheid en zelfstandigheid, en dat de Gereformeerde kerkinrichting opgebouwd wordt uit de plaatselijke kerken, die er eerst zijn en daarna het kerkverband; evenzeer geldt aan den anderen kant, dat de plaatselijke kerk en de enkele geloovigen niet op zichzelf mogen blijven staan. Bij geloof komt het wel aan op persoonlijk geloof, maar waar eene kerk is, is ieder gehouden zich bij de ware kerk te voegen. Evenzoo zijn ook de plaatselijke kerken schuldig met de zuivere kerken in kerkverband te treden.

Daardoor wordt het streven en de toepassing van dit art. 84 eenigszins nader bepaald. Schijnbaar zeker sluiten de twee bedoelde beginsen elkander uit. Voor sommigen is het dan ook moeilijk te begrijpen, hoe in een zelfde kerkenordening die twee beginselen zoo duidelijk zijn uitgesproken: eenerzijds de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerk, en anderzijds de roeping om tot het kerkverband toe te treden en het recht en dee macht van dat kerkverband om over sommige dingen te beslissen. Toch zijn die twee beginselen volstrekt niet met elkander in strijd, tenzij dat men een van beide of beide eenzijdig zou willen ontwikkelen en toepassen. Veeleer houden ze metterdaad elkander in evenwicht en bij de toepassing elkander binnen de juiste grenzen. Het kerkverband, in Classen en Synoden optredend, moet zeer zeker volgens het hoofdstuk over de kerkelijke samenkomsten allerlei zaken regelen en ordenen, die ook de plaatselijke kerk betreffen, welke men daar niet heeft hunnen afhandelen, en die niet aan de plaatselijke kerk overlaten, omdat dan geen kerkverband mogelijk zou zijn. De plaatselijke kerken hebben bij hare toetreding tot het kerkverband, bij al hare vrijheid zich verbonden de uitspraken der meerdere vergaderingen te eerbiedigen. En zij hebben krachtens hunne verbinding zich er aan te houden. En anderzijds moeten de meerdere vergaderingen, Classen en Synoden, wel toezien om nu dat zeggenschap niet te bepalen tot andere dingen dan die de gemeene orde betreffen, om

|158|

nooit de grenzen te overschrijden, en daarom nooit te komen tot bepalingen en beslissingen, die de plaatselijke kerk ook zelve wel nemen kon. Zij hebben zich strikt te houden aan den regel, dat zij alleen besluiten mogen nemen over zaken, die in eene plaatselijke kerk niet tot oplossing konden komen, nl. geschillen, appèl of ook zaken, die niet ééne plaatselijke kerk, maar alle plaatselijke kerken gelden, waaover niet ééne kerk beslissen mag of onderscheidene kerken een onderscheiden beslissing nemen kunnen. Gaan zij buiten die grenzen, willen Classen en Synoden ook bepalingen en besluiten maken over zaken, niet de kerken in het algemeen betreffend, of die wel in de mindere vergadering kunnen afgehandeld worden, dan treden zij buiten hare bevoegdheid en buiten de grenzen, die de kerkenordening zelf stelt. Dan komen zij in strijd met art. 84, en dan heeft de plaatselijke kerk het recht op grond van art. 84 hare vrijheid en zelfstandigheid te handhaven.

Zoo wordt dus door art. 84 de grens gesteld, de grenslijn aangegeven voor de bemoeiing van Classen en Synoden, en wordt door de bepaling over de kerkelijke samenkomsten in art. 29 vgg. aan de plaatselijke kerken eene grens aangegeven voor de toepassing van art. 84.

Dit artikel 84 laat zeer zeker toe, dat de plaatselijke kerk in zaken, die zij zelve niet kan uitmaken, of die op alle kerken betrekking hebben, het zeggenschap overlaat aan alle kerken gezamenlijk in Classen en Synoden. In zooverre heeft de plaatselijke kerk zelf afstand gedaan van hare vrijheid, en moet dit, omdat anders kerkverband niet mogelijk is. Voor zoover de Synoden dan besluiten nemen, moeten de plaatselijke kerken zich onderwerpen. En indien de plaatselijke kerk op grond van art. 84 die grens wijder stelde, en zou meenen, dat zij zich in het algemeen niet aan de uitspraak van Classen en Synoden behoeft te storen, dan zou zoodanige kerk, de grens van art. 84 te buiten gaande, in strijd komen met wat zij zelf omtrent de meerdere samenkomsten heeft toegezegd en erkend, dus independentistisch worden, en dus op kerkelijk gebied revolutionair handelen; hetgeen tenslotte leidt tot scheuring en scheiding, zonder dat Gods Woord daarvoor grond geeft, en dus tot eene zondige, schuldige scheuring en scheiding, waardoor degenen, die er de oorzaak van zijn, eene zware verantwoordlijkheid op zich laden.

In het algemeen zal dus het beginsel van art. 84: de volkomen vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerk, vooraal aan Classen en Synoden moeten herinnerd worden, en moet dit telkens bij de vergadering van Classen en Synoden geheel in het oog gehouden worden. Zulke vergaderingen hebben minder noodig om herinnerd te worden aan hare macht volgens het hoofdstuk over de kerkelijke samenkomsten. Daarvan zijn

|159|

zij wel overtuigd, maar zij moeten herinnerd worden aan art. 84, tegen de verzoeking om hare macht uit te breiden. In ieder college (ook in Christelijke colleges), dat zeker quantum van bevoegdheid heeft, ligt van nature de tendenz zijne macht uit te breiden, zelfs onwillekeurig. Zulke tendenz ligt ook in de Classen en Synoden, en dit met de beste bedoeling om des te beter de orde te handhaven en Gods Woord in de toepassing tot zijn recht te laten komen. Toch is die tendenz gevaarlijk. Niemand heeft meer macht dan naar Gods wil hem werkelijk is toegekend. De Classen en Synoden moeten tij haar saamkomsten diep doordrongen zijn van dit in art. 84 uitgesproken beginsel.

Aan den anderen kant heeft de plaatselijke kerk het niet zoo noodig aan dit artikel herinnerd te worden. Het ligt in den aard der zaak, dat de plaatselijke kerk beproeven zal, om, wanneer eene meerdere vergadering een besluit neemt, dat niet naar haren zin is, daartegen in te gaan en zich te verzetten. Ieder, die in een verband leeft, heeft van nature zekere neiging om het verband zoo los mogelijk te houden. De plaatselijke kerken behoeven niet gedurig aan dit artikel 84 herinnerd te worden, althans niet in het Gereformeerde kerkverhand, (in het Lutersche of Roomsche kerkverband is dat anders), maar zij hebben het integendeel noodig meer herinnerd te worden aan het artikel over de kerkelijke samenkomsten, art. 29 vgg., aan het beginsel, dat de kerken tot kerkverband verplicht zijn, aan de verplichtingen, die uit het kerkverband voortvloeien, aan de verplichtingen, die het kerkverband haar tegenover elkander oplegt.

Wanneer beide beginselen aanvaard worden, en men bij de toepassing elkander controleert, en ieder het meest let op datgene, waartoe hij het meest neiging heef, dan leert de practijk, dat die twee beginselenen niet in botsing komen, maat samen noodzakelijk zijn om het Gereformeerde kerkverband goed te doen werken.

Met betrekking tot dit art. 84 is de vraag gedaan, of in dit artikel ook ligt de gelijkheid van Dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen onderling. Er wordt in uitgesproken gelijkheid van de dienaren, zoodat onder hen geen primaat of heerschappij zal zijn van den een over den ander. Ditzelfde wordt ook omtrent ouderlingen en diakenen uitgedrukt. Zijn nu dienaren, ouderlingen en diakenen als bekleeders van een ambt in Christus kerk ook onderling gelijk, of is daar ook een hooger en lager, een meerder of minder, zoodat, om het zoo eens uit te drukken, het diakenschap de laagste trap, het ouderlingschap een hoogere trap en het ambt van dienaar des Woords de hoogste trap is?

Geheel deze voorstelling, alsof er in de Geref. kerken alzoo drie trappen van kerkelijke bediening waren, de eene telkens hooger dan de andere, is met het beginsel van die kerken zeer zeker geheel in strijd.

|160|

In dit artikel wordt niet uitdrukkelijk de gelijkheid van dienaren, ouderlingen en diakenen uitgesproken, maar het ligt er toch in. Een dienaar mag niet over eenen mededienaar, maar ook niet over eenen ouderling of diaken eenige heerschappij voeren. Dit geldt ook voor ouderlingen en diakenen. Geen dienaar in de kerk mag heerschappij voeren over andere dienaren, want in de kerk van Christus zal het niet zijn als in de rijken der wereld, waar de grooten macht en heerschappij uitoefenen. In de kerk van Christus is de dienaar des Woords met betrekking tot den ouderling of diaken geen meerdere of hoogere in hiërarchischen zin. Dit neemt niet weg, dat de uitdrukking: „meerder of hooger”, met betrekking tot de ambten in de Geref. kerken wel eens gebruikt is. Van den dienst des Woords is zeer zeker wel eens gesproken als van eenen dienst, die hooger staat dan de dienst van enen ouderling, zoodat er sprake was van een bevorderd worden van het ouderlingschap tot eenen hoogeren dienst, die dan in de dienst des Woords bestond, of van het bevorderd worden van diaken tot ouderling. Dit is ook wel geschied door Gereformeerden, aan wie men toch in het minste geen neiging tot hiërachie kan toekennen. Zoo bijv. vinden wij zoodanige uitdrukking ook wel in de kantteekeningen op den Bijbel. Bogerman en Walaeus, van wie de kantteekeningen het meest afkomstig zijn, waren geen hiërarchisch gezinde menschen.

De uitdrukking komt voor bij 1 Timoth. 3: 13, een tekst, die vooral aangehaald wordt door hen, die wel van zulke rangorde in den dienst willen weten. In dit hoofdstuk worden voorschriften voor diakenen gegeven, hoe zij zich in hun ambt gedragen moeten, waarbij in vs. 13 deze woorden staan: „Want die wel gediend hebben, verkrijgen zich zelven eenen goeden opgang, en veel vrijmoedigheid in het geloof hetwelk is in Christus Jezus”. In dien tekst wordt de aandacht gevestigd op de woorden: βαθμὸν ἑαυτοῖς καλὸν περιποιοῦνται, verkrijgen zich zelven eenen goeden opvang. De kantteekeníng bij het woord „opgang” luidt aldus: „Of, trap; waardoor verstaan wordt, òf eene goede achting en aanzien in Gods gemeente, òf ook een toegang tot meerdere en hoogere diensten; namelijk, van het ouderlingschap, of van het leerambt, gelijk ook bij den ouden veel gebruikelijk is geweest”. De kantteekenaren teekenen dus aan, dat dit zien kan op den opgang, die in de schatting der gemeente gemaakt wordt, en dat het ook wel kan verstaan van den opgang tot eenen hoogeren dienst nl. van het ouderlingschap. En niet alleen komt dit daar voor, maar in de practijk van onze kerken in de 16de, 17de en 18de eeuw is het vaak zoo gegaan, dat zeer dikwijls in de gemeenten de regel gold om niemand tot ouderling te benoemen dan die eerst diaken geweest was. Verkiezing van diaken tot ouderling was bevordering tot een hooger ambt. Die gedachte

|161|

is wel niet ontwikkeld, anders was men tot het inzicht gekomen, dat het in de Gereformeerde kerken niet aanging, dat er hooggeplaatsten en ondergeschikten waren, zooals in de Roomsche kerk. Er werd bij dat „hooger” niet zoo nagedacht.

In dat zeggen was natuurlijk een kern van waarheid, want „meerder en hooger” werd niet opgevat in hiërarchischen zin, maar bij „hooger” in de kantteekening was de bedoeling, dat het eene ambt meer werk vereischt, meer belang heeft, meer macht geeft dan het andere. En dit is zeer zeker waar. Het is niet te loochenen, dat het ambt van eenen dienaar des Woords, vergeleken met dat van eenen ouderling meer macht geeft, omdat een dienaar des Woords meer doen kan, omdat hij de bediening des Woords heeft. Een dienaar des Woords ontving meer macht dan een ouderling. Een ouderling is geroepen de kerk te besturen, niet in wereldschen zin, maar in kerkelijken en geestelijken zin. In 1 Timoth. 3: 13 heeft de Apostel niet de bedoeling het ouderlingschap te stellen als eenen hoogeren trap van dienst, waartoe men zou opklimmen. In den eersten Apostolischen tijd was dit dan ook geen gebruik. Alleen in de 2de en 3de eeuw vatte de kerk het zoo op, en kreeg men rangorde: bisschoppen, ouderlingen, diakenen, onderdiakenen, etc.

Ook in het verband zou die opvatting weinig passen. Er staat ook: „veel vrijmoedigheid in het geloof”. Men kan niet inzien, hoe die samenhangt met een hooger ambt, hoe iemand door een hooger ambt te krijgen meer vrijmoedigheid zou krijgen, wèl na goed volbrachten dienst. Meer vrijmoedigheid ziet niet op het meer geacht worden in de schatting der gemeente, maar op het met zuivere consciëntie spreken, omdat men meer kans heeft gehoord te worden. Velen verklaren het door voortgang in geestelijk leven. Ook dit is zeer zeker waar, maar het past minder in het verband.

In hiërarchischen zin is er dus tusschen de ambten geen onderscheid van minder of hooger. In zooverre zijn de ambten alle gelijk. De ambtsdragers hebben allen te dienen. Heerschappij voeren komt alleen te pas in de rijken dezer wereld. Allen hebben zij te dienen, ieder op de plaats en in de roeping, waarin de Heere heen gesteld heeft. De Heere is de eenige Heerscher. Hij is de enige Koning, de absolute Koning, die zelf alleen te zeggen heeft, die in de gemeente de diensten heeft ingesteld, en zijne heerschappij uitoefent in den dienst van Woord en Sacrament, van tucht en barmhartigheid. Alle kerkelijke dienaren zijn dienaren van Christus. Met betrekking tot elkander kan er dus geen hoogheid zijn van den een over den ander.

Die gelijkheid moet nu niet zoo opgevat, alsof de ambten ineen zouden vloeien. Zulks wil het voorgaande niet zeggen. Wel degelijk worden zij onderscheiden. Dit is de reden, waarom zij

|162|

in art. 84 afzonderlijk worden genoemd. Er is onderscheid, zooals in Hoofdst. 1: „Van de Diensten”, uitdrukkelijk in het licht wordt gesteld door de aanwijzing, wat het ambt, de officieele werkzaamheid is van den dienaar des Woords, ouderling en diaken. Die onderscheiding brengt reeds mede, dat het eene ambt meer macht geeft en van meer belang is voor de gemeente dan het andere. Niet ieder ambt heeft de macht tot wat een ander doen kan. Een ouderling heeft geen macht en bevoegdheid het Woord en de Sacramenten te bedienen. Toch is hij weer niet minder dan de predikant, want deze regeert de kerk met de ouderlingen. Een diaken heeft niet de macht om te regeeren, om tucht te oefenen en toezicht op de dienaren des Woords. Een dienaar des Woords heeft weer geen macht om de liefdegaven der gemeente te nemen, die aan de armen uit te deelen, en naar eigen goedvinden daarover te beschikken, want dit behoort tot het ambt der diakenen. De ambten blijven onderscheiden. Zoo is er dus verschil van werkzaamheid. Zelfs zijn er gemeenten, waar het ambt van diaken in de gemeente betrekkelijk weinig te doen zal hebben, waar de werkzaamheid van dit ambt eene kleine afmeting aanneemt, bijv. in gemeenten, waar weinig of geen armen zijn. Het spreekt dan van zelf, dat toch diakenen barmhartigheid hebben te oefenen. Kunnen zij die nu niet in hunne eigen gemeente oefenen, dan moeten zij met hunne middelen andere gemeenten te hulp komen. Dit werk neemt dan weinig tijd en moeite. Zoo zullen ook de ouderlingen in gemeenten, waar met betrekking tot regeering en tucht weinig voorvalt, betrekkelijk weinig te doen hebben. Het meeste belang voor de gemeente heeft de dienst des Woords en der Sacramenten, en daarom zal altijd het ambt van dienaar des Woords het ambt zijn, dat het meest invloed heeft en in de schatting der gemeente het meest geteld wordt. Dit wil niet zeggen, dat de dienaar des Woords de superieur is van ouderlingen en diakenen, het hoofd van het kerkelijk gezelschap; want dit doet te kort aan de waarheid, dat Christus alleen het Hoofd is, en dat door hem de ouderlingen in de regeering der kerk zijn gesteld. Wat de macht om te regeeren betreft, staat de dienaar des Woords op ééne lijn met de ouderlingen. Regeeren mag hij alleen, in zooverre hij ook ouderling is.

De werkkring van de onderscheiden ambten is niet gelijk. Dit kan ook niet. Ieder ambt heeft zijnen eigen werkkring, het eene is van ander belang dan het andere. Het verschil moet dus wel in het oog gehouden worden, maar de een mag zich niet boven den ander verheffen, want er is geen verschil in rang.

In den kerkelijken dienst is geen rangorde.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 85

|163|

Art. 85 1).

In middelmatige dingen zal men de Buitenlandsche Kerken niet verwerpen, die ander gebruik hebben dan wij.

 

Dit artikel behoort blijkens zijnen inhoud niet meer tot het „Vierde Hoofdstuk”, dat tot opschrift heeft: „Van de Censuur en Kerkelijke Vermaning”, het hoofdstuk over de tucht. Eigenlijk behoort reeds art. 84 daartoe ook niet. Eigenlijk is het hoofdstuk over de tucht met art. 83 geëindigd, terwijl reeds in art. 83 niet meer uitsluitend over de tucht gehandeld wordt, doch om den nauwen samenhang met art. 82 kan het er bij gerekend. In zeker opzicht kan art. 84 nog als bij de tucht behoorende beschouwd worden, als zijnde eene waarschuwing tegen misbruik van de tucht, om de tucht niet zoo te gebruiken en toe te passen, dat daaruit heerschappij komen kan van de eene kerk over de andere en van den eenen dienaar over den anderen. Maar het artikel bedoelt reeds een algemeen beginsel uit te spreken, zooals blijkt uit de historie. In de Emdensche kerkenordening van 1571 stond het als art. 1. Naderhand is het aan het einde gekomen. Reeds van art. 84 kan daarom gezegd, dat het een artikel van algemeene beteekenis bedoelt te zijn. Dit art. 84 is dan één der slotartikelen.

Evenwel, art. 85 kan in geenerlei opzicht met opzicht of tucht in verband worden gebracht. Er kan geen sprake van zijn, dat de Nederlandsche kerken tucht zouden hebben met betrekking tot de buitenlandsche kerken. Hier in art. 85 is een algemeen beginsel uitgesproken. De zin en de bedoeling van artikel 85 blijkt allereerst uit de geschiedenis van de daarin voorkomende bepalingen.

In de Wezelsche artikelen vinden wij reeds eenige daarmede overeenkomende bepalingen en wel in Cap. 1, artt. 9-11, en Cap. 8, art. 22.

In Cap. 1, artt. 9-11 wordt gehandeld over de viering van Doop en Avondmaal en den ritus, die daarbij in acht te nemen is. Met betrekking tot die punten nu wordt gezegd, dat hier nu alleen zal bepaald worden, wat bepaald moet worden, wat als algemeen beginsel moet gelden, zoowel omdat het reeds in de oude Christelijke kerk gebruik was, alsook omdat het in den aard der zaak lag, dat men middelmatige dingen niet voorschrijven zal, dingen nl. „quae cum natura sint adiaphorae, neque in Apostolorum doctrina exemploue certum habent fundamentum, nec denique necessariam aliquam atque ineuitabilem rationem”, („die, daar zij van nature middelmatig zijn, noch in de leer of het voorbeeld der


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, doch bracht in de schrijfwijze de volgende veranderingen aan: „buitenlandsche”, „een ander gebruik”.

|164|

Apostelen een vasten grondslag hebben, noch ten slotte eene noodzakelijke en onvermijdelijke reden hebben”). Er wordt dus gezegd, dat men met betrekking tot Doop en Avondmaal geen dingen zou voorschrijven, die middelmatig waren, die niet berustten op de leer en het voorbeeld der Apostelen en niet uit den aard der zaak voortvloeiden, d.i. bij rechtmatige deductie uit de H. Schrift volgden. Daartoe behoorden: eenmaal of driemaal besprengen bij den Doop, getuigen bij den Doop, of men bij het Avondmaal staan of zitten of rondgaan zou, uit de Schrift lezen, of psalmen zingen en dergelijke dingen meer. Daarentegen zal men volgens art. 11 in andere dingen, die Gods Woord uitdrukkelijk voorschrijft, of die berusten op het uitdrukkelijk voorbeeld der Apostelen, of in wat uit den aard der dingen regelmatig voortvloeit, het gevoelen der kerken niet vrijlaten „in iis non temerè a communi ecclesiarum consensu ac inueterato vsu recedatur”, („daarin zal men niet lichtvaardig van de gemeene overeenstemming der kerken en de ingewortelde gewoonte afwijken”).

Ons tegenwoordig art. 85 vinden wij in deze meer uitvoerige omschrijving en bepaling van 1568 weer terug, en daaruit blijkt tevens, wat hier door „adiaphora”, middelmatige dingen, verstaan wordt: nl. dingen, die niet uitdrukkelijk in Gods Woord worden voorgeschreven of berusten op het duidelijk voorbeeld der Apostelen of met noodzakelijke redenen uit het beginsel der Schrift worden afgeleid. En in al die dingen moet men de kerken vrijlaten.

Ditzelfde vindt men ook in Cap. 8, art. 22, welk artikel evenals de twee voorgaande verkeerdelijk tot Cap. 8 gebracht is. De Wezelsche vergadering zelve heeft dit niet gedaan. Zij heeft in de hoofdstukken geen nummering van de artikelen gemaakt. Dat is het afzonderlijk werk geweest van den Hollandschen vertaler, den predikant L. van Renesse, die in zijn: Van het Regeer-Ouderlinghschap, Utrecht, 1659, 1664, bij die nummering zeer onhandig is te werk gegaan; en bijeengevoegd heeft wat niet bij elkaar behoorde. De Wezelsche vergadering zelve heeft in haar opstel, zooals het nog in het Oud-Synodaal Archief der Nederlandsche Hervormde Kerk te ’s-Gravenhage aanwezig is, waar zij iets nieuws begon, telkens een nieuwen regel begonnen. Dienovereenkomstig had ook de nummering moeten geschieden. En aan het slot van het hoofdstuk over de discipline heeft de Wezelsche vergadering nieuwe artikelen toegevoegd van algemeenen aard. Hoofdstuk 8 had dus moeten eindigen met art. 19. Wij merken dit op om te voorkomen, dat men in de meening zou gaan verkeeren, dat reeds van 1568 af dat artikel bij de tucht behoorde.

In dit art. 22 wordt door de Wezelsche vergadering nog eens uitgesproken, dat al wat in deze artikelen gezegd is, niet zoo bedoeld

|165|

is, dat zij andere kerken daarom veroordeelt, als die soms op een of andere punt iets anders hebben, (hetgeen natuurlijk niet geldt van het gezag der belijdenis); dat zij het best kunnen begrijpen, dat andere kerken met betrekking tot hetgeen vermeld is, andere bepalingen hebben. Hier wordt dan niet onderscheiden tusschen „diaphora” en „adiaphora”; want de gedachte: „alleen in adiaphora” ligt er aan ten grondslag.

De Emdensche Synode van 1571 heeft in art. 21 van hare Acta eene bepaling opgenomen, die overeenkomt met hetgeen goedgekeurd is in Wezel, nl. dat er indifferentia, middelmatige dingen, waren bij de viering van het Avondmaal. Bij het Avondmaal zal men gewoon brood gebruiken, en dat breken; maar staande, gaande, of zittende het Nachtmaal te ontvangen, oordeelde men middelmatig te zijn (rondgaan der leden bij den predikant, of staan of zitten, waarbij de predikant rondgaat). Ook „Psalmen te singen, ofte yet wat uyt de heylighe Schrift te lesen ter wijle ’t heylighe Avondmael uytghedeelt wort, wort den Kercken vry ghelaten”. In dit art. 21 wordt bepaald met betrekking tot het Avondmaal gezegd, dat hierbij middelmatige dingen zijn, in den zin zooals de vergadering van Wezel het bedoelde.

In de redactie der K.O. van de Synode van Dordt van 1578 vinden wij te dien aanzien twee artikelen. In art. 69, waar blijkens het voorgaande en volgende over het Avondmaal wordt gehandeld, wordt gezegd: „Ouermidts wy middelmatich achten in de bedieninghe ded Avontmaels te staen of te sitten (het knyelen nemen wy wt om der superstitie ende het perykels wille van het broot aen te bidden) soo sullen de ghemeynten die wyse ghebruycken die een yeghelick de alderbequaemste sal duncken”. En in art. 72, het middelste van de de laatste drie artikelen over het Avondmaal wordt nog, eens gezegd: „In allen middelmatighen dingen sullen gheen Kercken verachtet worden, die een ander wyse gebruycken dan wy doen”. Met betrekking tot het Avondmaal zal men de kerken vrijlaten in adiaphora.

In art. 46 van de redactie der K.O. van de Synode van Middelburg van 1581 wordt het ook weer met betrekking tot het Avondmaal gezegd. In art. 45 wordt gehandeld over het Avondmaal. In art. 46, het slotartikel over het Avondmaal, staat: „In middelmatighen dinghen salmen de buijtenlandtsche Kerkcken niet verwerpen, die een ander ghebruijck hebben dan wij”. Daaruit blijkt, dat in 1581 het artikel geheel in den vorm gekomen is, dien het nu nog heeft, maar in die redactie stond het ook weer bij de artikelen over het Avondmaal, in het Hoofdstuk: „Vander Leere, Sacramenten ende anderen Ceremonien”. In 1586 is door de Haagsche Synode het artikel uit dat verband weggenomen, en aan het einde van de kerkenordening gezet, waar het nu nog staat. Art. 78 was daar op één na het laatste artikel.

|166|

Door die verplaatsing intusschen is het artikel niet geheel van karakter veranderd.

Uit de geschiedenis blijkt, dat het van den beginne af eene bepaling is geweest, die bepaaldelijk zag op de Avondmaalsviering, eenigszins ook op de Doopsbediening en verder ook op den cultus of eeredienst. Maar natuurlijk had het daarin uitgesproken beginsel ook nog wel enige verdere strekking, en zou dus de opvatting, die alleen aan het Avondmaal wilde doen denken, te beperkt zijn. Hetzelfde beginsel kon en moest ook gelden en toepassing vinden met betrekking tot de uitoefening van kerkelijke functiën en diensten. Daarbij kon ook in onderscheiden kerken een onderscheiden gebruik zijn, bijv. het gebruik van huisbezoek doen door eenen dienaar des Woords met eenen ouderling of door twee ouderlingen, het daartoe verdeelen der gemeente in wijken, de bepaling van het aantal malen, dat men in één of twee jaar de gemeente rondkwam. Hetzelfde artikel moest ook zijne toepassing vinden bij de kerkelijke vergaderingen, waar ook zulk onderscheid in gebruik was, bijv. met betrekking tor de vraag of bij eenen praeses een assessor gekozen moest worden; of er één of twee scribae moesten zijn; op welke manier de vergadering zou geleid worden. Die gedachte is het zeker geweest, die er toe geleid heeft, dat men in 1586 dit artikel verplaatste en aan het einde zette, als een algemeen artikel, om niet te doen denken, dat het alleen met betrekking tot het Avondmaal gold. Wel is het met betrekking tot het Avondmaal het eerst aan de orde gekomen. In de 16de eeuw concentreerde zich de strijd over ritus en ceremoniën op het Avondmaal. Wel is natuurlijk, dat men het hier uitgesproken beginsel eerst alleen op de Avondmaalsbediening toepaste, maar de strekking gaat verder, waarom het dan ook als een algemeen beginsel aan het slot is gesteld.

Toch blijft waar, ook bij die verplaatsing, dat het artikel, gelijk het nu nog luidt, niet ziet op alle mogelijke middelmatige dingen, maar alleen ziet op die bij ritus, ceremoniën en kerkelijke gebruiken. Dit blijkt bovendien uit het woord „gebruik”. De Latijnsche vertaling van dit woord in de officieele vertaling van de redactie der K.O. van 1581, ten behoeve van de buitenlandsche kerken gemaakt, is „ritus” („quae aliis ritibus quam nostris vtuntur”). Het spreekt ook wel wel van zelf, dat het niet op alle mogelijke middelmatige dingen kon zien, terwijl men bij de vaststelling van de leer en de kerkinrichting, althans wat de hoofdzaken aangaat, geen middelmatige dingen erkennen kon.

Van dit artikel wordt een verkeerd gebruik en toepassing gemaakt, als men er uit afleidt, dat de Nederlandsch Gereformeerde kerken er dus niets tegen hebben, als andere kerken op het stuk der belijdenis iets geheel anders en tegenovergestelds zeggen dan onze belijdenis, of op het stuk van

|167|

kerkinrichting naar een geheel ander stelsel dan onze kerken te werk gaan. Dit toch zou niet zijn een ander „gebruik”, maar een andere grondslag, een ander beginsel. Het ziet allereerst op den ritus, en verder op wat er mede overeen komt, op dergelijke gebruiken, die in Gods Woord niet bepaald zijn en niet met noodzakelijkheid daaruit volgen. In den ritus zijn „adiaphora” en „indifferentia”, dingen, die volgens Gods Woord en de Apostolische gewoonte aan de kerken zelve ter bepaling zijn overgelaten. In zooverre worden ze dan „adiaphora” genoemd.

In een anderen zin zijn zij het dan toch ook weer niet. In zekeren zin kan men zeggen: er zijn geen „adiaphora”, evenmin op kerkelijk als op godsdienstig en zedelijk gebied. Eigenlijk is er niets „adiaphoron”. De kleinste kleinigheid in handeling, ook in gedachte, is nooit geheel onverschillig of middelmatig, maar moet met een of ander beginsel in verband zijn te brengen. In eigenlijken zin is er ook met betrekking tot den ritus geen „adiaphoron”, zelfs niet in die dingen, die de Wezelsche artikelen vrijlieten, bijv. het tweemaal of driemaal besprengen bij den Doop, het staan, gaan of zitten bij het Avondmaal is in eigenlijken zin geen „adiaphoron”. Dit staat wel aan den kerkeraad ter bepaling, maar die kan niets met willekeur bepalen en heeft te rekenen met de plaatselijke omstandigheden, waaruit ook Gods wil blijkt. Bij God ligt er reeds alle ordinantie voor klaar. Het is er nu alleen maar om te doen die te leeren kennen. De bepaling van den kerktijd is „adiaphoron”, maar het is ook weer niet „adiaphoron”, want de kerkeraad moet daarbij rekenen met het belang der gemeente. Hij moet de uren van godsdienstoefening zoo regelen, dat de gemeente het best gelegenheid heeft haar bij te wonen, opdat niemand daarvan uitgesloten worde. Ook zulke kleinigheden zijn geen „adiophora”, al worden zij zoo genoemd, omdat het niet door Gods Woord uitdrukkelijk wordt voorgeschreven. „Adiaphora” worden zij genoemd, omdat er geen algemeene regel is te geven, die voor alle tijden, plaatsen en personen geldt. Evenals men op ethisch gebied dit door „adiaphora” wordt verstaan, hetgeen niet zeggen wil, dat men naar menschelijke willekeur te werk gaat, maar dat er geen bindende bepaling is, (dat de mensch zelf zijn weg heeft te kiezen overeenkomstig Gods wil voor dat bepaalde geval, dien hij met de hem ten dienste staande gegevens moet opsporen); zoo ook op het gebied van den ritus.

Met betrekking tot den ritus kan niet gezegd, dat er dingen zijn, die èn absoluut èn in een bepaald geval „adiaphora” zijn. In bepaalde gevallen zijn er nooit „adiaphora”. De kerk moet die dingen zelve bepalen in overeenstemming met plaatselijke en tijdelijke omstandigheden. Juist om die plaatselijke omstandigheden moet het aan de plaatselijke kerk overgelaten, en mag het niet door de gezamenlijke kerken geregeld. Daarom

|168|

moet de eene kerk dit aan de andere overlaten, en mag zij de andere kerk, die een ander gebruik heeft, niet verwerpen; anders beseft zij haren plicht en roeping niet. Dit ligt dan voor de verantwoording van die andere kerk. Daarom staat in het artikel: „In middelmatige dingen zal men de Buitenlandsche Kerken niet verwerpen, die een ander gebruik hebben dan wij”.

Dit „verwerpen” is niet in kerkrechtelijken zin bedoeld. Het wil niet zeggen, dat de eene kerk de andere onder censuur mag stellen. Dit kan niet, want de Nederlandsche kerken hebben geen opzicht en tucht over de buitenlandsche kerken. Wat het wel zeggen wil, blijkt uit de Latijnsche vertaling van art. 46 van de redactie der K.O. van 1581: „In adiaphoris damnandae non erunt ecclesiae exterae, quae aliis ritibus quam nostris vtuntur”, d.w.z.: niet te veroordeelen zijn etc. De uitdrukking: „Damnandae non erunt” weert het zeggen, dat zoodanige kerk, die een ander gebruik heeft dan wij, geen goede Christelijke kerk kan zijn, gedeformeerd is. De vrijheid van de buitenlandsche kerken wordt erkend en beslist geëerbiedigd, ook al volgt men in de eigen kerken een ander gebruik.

Dit artikel waarschuwt tegen kerkelijke bekrompenheid, enghartigheid en sectarisme, tegen de beschouwing, alsof niets goed kan zijn, dan wat men in zijne eigen kerk ziet doen, en alsof andere kerken, die eenen anderen ritus en ceremoniën volgen, reeds daardoor afwijken van de goede lijn en geen ware kerken zijn. Dit volgt volstrekt niet. Dit kan volgen, en is het gevolg, als het dingen geldt, die niet „adiaphora” zijn. Dan moet men die kerk veroordeelen. Dit ligt in het artikel en blijkt er de bedoeling van.

Hoewel dit artikel algemeen is, daarom moet er toch niet verder bij gehandeld worden over „adiaphora” in het algemeen, in philosophischen, theologischen en ethischen zin. Hier hebben wij alleen te doen met „adiaphora” ten aanzien van kerkelijke gebruiken.

Ook moet nog opgemerkt worden, dat al staat dit artikel onder de slotartikelen van algemeenen aard, en aan het einde van het hoofdstuk over de tucht, het toch niet opgevat mag worden als een artikel om de verhouding van de Nederlandsche kerken tot de buitenlandsche te regelen. Geen zoodanig artikel bevat onze kerkenordening. Van buitenlandsche kerken wordt zelfs alleen in dit artikel gesproken en in geen ander. In dit artikel is er over gesproken, oorspronkelijk alleen met betrekking tot de Avondmaalsviering, en ook nu nog alleen met betrekking tot gebruiken (ritus), en lang niet in het algemeen. Toch, al wordt in dit artikel in het geheel niets uitdrukkelijk gezegd over de houding en verhouding van de Nederlandsche en buitenlandsche kerken, valt er uit dit artikel te dien aanzien nog wel iets af te leiden omtrent die houding en verhouding in het algemeen.

|169|

Enkele punten, die daarbij in aanmerking komen, worden door den inhoud van dit artikel beheerscht en beslist.

1º. In het algemeen volgt er uit, dat er een band is tusschen de Gereformeerde keken in Nederland en de buitenlandsche kerken, en ruimer nog, andere kerken in het algemeen. Altij natuurlijk Christelijke kerken, maar dat ligt al in het woord „kerk”. Er ligt dus in, dat de Nederlandsche Gereformeerde kerken niet willen optreden als een op zichzelf staande geïsoleerde groep van kerken, of wel als een complex van kerken, dat men „vaderlandsche Kerk” noemt, en dat met daarbuiten staande kerken geenerlei verband heeft.

Trouwens, het ligt in den aard der zaak, dat dit nooit de beschouwing kan zijn van Gereformeerde kerken, aangezien naar Gereformeerd kerkbegrip de geïnstitueerde kerk de openbaring is van het Lichaam van Christus; en dit Lichaam van Christus is niet bepaald tot de grenzen van Nederland of van de Nederlandsche taal. Het Lichaam van Christus is de geheele Christelijke kerk, alle geloovigen, en dat niet alleen, die er nu zijn, maar ook die er geweest zijn, die in den hemel zijn, en die nog komen zullen. Dit Lichaam van Christus is natuurlijk één geheel, en dus al wat tot het lichaam behoort, hangt met elkander samen. De geïnstitueerde kerk is de openbaring van het Lichaam van Christus op eene bepaalde plaats, maar als Lichaam van Christus hangt zij natuurlijk samen met de openbaring van het Lichaam van Christus, die elders bestaat. Dit ligt ook in het artikel. Dit kwam vroeger in allerlei opzicht vanzelf meer uit dan in onzen tijd. Het kwam daarin uit, dat er meer gemeenschap tusschen de kerken geoefend werd, dat men meer deelde in elkanders lief en leed, en ook, dat men elkander feitelijk erkende in die mate zelfs, dat bijv. de kerkelijke handboekjes van de vorige eeuw niet alleen maar de kerken van Nederland vermeldden, maar ook alle Gereformeerde kerken over de geheele wereld. Een Hollandsch kerkelijk handboekje was niet compleet, als er alleen de kerken en predikanten van Nederland in stonden. Ook moesten er in staan die van Duitschland, Frankrijk, Engeland, Amerika, de koloniën, die alle te samen tot het Lichaam van Christus behooren.

Die band met de buitenlandsche kerken heeft dan voorts soortgelijke strekking als het nauwere kerkverband in het vaderland zelf. Die band dient om elkander te helpen en te steunen op allerlei wijze, ook in stoffelijk opzicht, gelijk onze kerken deden met betrekking tot de Waldenzen en de Iersche kerk in tijden van druk en vervolging. Toch is het stoffelijke niet hoofdzaak. De hulp en de steun, dien de kerken elkander te geven en van elkaar te ontvangen hebben, is geestelijke steun, dat men elkander helpt om de waarheid zuiver en ongeschonden te houden, Gods Woord te handhaven tegen allen vijandigen

|170|

aanval en tegenstand, om zooveel mogelijk de kerken te doen beantwoorden aan wat zij naar Gods Woord wezen moeten.

Die band met andere kerken kan openbaar worden en werken door middel van het kerkverband. De Nederlandsche kerkenordening sluit volstrekt niet uit, dat die kerken, die op die kerkenordening in kerkverband staan, ook in verband treden met kerken buiten het land. In het laatst der 16de eeuw heeft men daarnaar zelfs gestreefd. Toen heeft men gepoogd om te komen tot een kerkverband in eigenlijken zin tusschen alle Gereformeerde kerken op de geheele wereld: Zwitserland, Frankrijk, Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland. Vooral in 1581 is er door de voornaamste leiders en woordvoerders der Gereformeerden op het vasteland druk over gesproken en gecorrespondeerd. En dat het eene ernstige poging was, blijkt wel daaruit, dat de Middelburgsche Synode van 1581 blijkens hare Acta het besluit nam: „Als de Synodus Oecumenica vergadert zal worden, soe sal yut elcke Synode particulier, een beschreuen worden, om legatos ad synodum oecumenicam te deputeren”. (F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw, blz. 363 vg.). Men wilde dus toen tot een Synodus Oecemenica komen, als zoodanig onderscheiden van een Synodus Generalis of Nationalis van één land of ééne taal. De Synode Oecumenica zou de οἰκουμένη omvatten. In verband daarmede staat, dat men toen in Genève de Harmonia Confessionum uitgaf, de belijdenisschriften van alle Gereformeerde kerken in één bundel, om daardoor te doen uitkomen de eenheid in belijdenis, en dus ook in den grondslag van kerkinrichting, en aan te toonen, dat alle kerken, die in den grond één waren en in belijdenis niet afweken, daarom zeer zeker in kerkverband konden treden.

Door allerlei redenen is er toen toch niet van gekomen. Twee bezwaren waren er tegen eene Synodus Oecumenica, en één er van geldt nog. Het eerste bezwaar was, dat de Overheden in zulke zaken iets te zegen hadden, en in den regel niet toestonden, dat de kerken binnen haar gebied met andere kerken daarbuiten in relatie traden. Door de oppositie tegen Rome waren zij bang voor eene kerkelijke macht, die de Overheidsmacht te sterk zou worden. Immers, was Rome in conflict met eene enkele Overheid, dan stelde het de kerkelijke macht van de geheele wereld daartegenover door haar verband en organisatie. Het tweede bezwaar ligt in de taal. In de 16de eeuw gold dat minder, daar het Latijn gebruikelijk was. Maar toch kon men dan op zulke Synoden alleen geletterden hebben.

Dit bezwaar van de taal bestaat nog. Kerkverband over de geheele wereld is dus niet uitgesloten, maar practisch bijna onuitvoerbaar. Wel kan er correspondentie gehouden worden, waarmede wel niet kerkerlijk: verband gelegd wordt, maar

|171|

waarmede men over en weer van elkanders werk kennis neemt en door brieven en persoonlijke deputatiën op Generale Synoden elkander ontmoet. Veel practische vrucht is er natuurlijk van zulke ontmoeting niet te wachten. Er kunnen niet uit voortvloeien besluiten of maatregelen, maar wel heeft correspondentie het voordeel dat men elkander kan leeren kennen en van elkander kan leeren, omdat men bij elkander enkele dingen beter ziet en daarom overneemt, òf betreurt en daarom in broederlijke liefde er tegen waarschuwt. Ook dient zij om den band van de gemeenschap der heiligen meer te doen werken, om de algemeenheid van het Lichaam van Christus beter te doen uitkomen, en om de eigen kerken zooveel mogelijk voor enghartigheid, bekrompenheid en sectarisme te bewaren. Overigens heeft het niet zooveel gegeven. Men moest elkander op elkanders vergaderingen ontmoeten.

2º. In de tweede plaats kan er uit dit artikel worden afgeleid en vloeit er rechtstreeks uit voort, dat voor alle kerkverband en correspondentie van kerken met het buitenland noodig is overeenstemming in belijdenis en in de grondslagen van kerkinrichting, die in de belijdenis zijn uitgedrukt. Dit is noodig, niet alleen voor kerkverband maar ook voor correspondentie. Immers, in het artikel wordt gezegd, dat men de buitenlandsche kerken niet verwerpen zal, die een ander gebruik hebben dan wij .... in middelmatige dingen. Daarin ligt, dat buitenlandsche kerken, die een ander gebruik hebben in betrekking tot middelmatige dingen niet verworpen mogen, dus dat men die op die punten niet verwerpen zal. In middelmatige dingen mag vrijheid gelaten, maar in niet-middelmatige dingen niet. De belijdenis nu geldt meer dan ritus en ceremoniae.

Allereerst moet men dus ten aanzien van buitenlandsche kerken op de belijdenis letten, want die is nooit „adiophoron” in den door het artikel bedoelden zin. Zij is juist de grondslag van het kerkelijk leven en verband. Eene geïnstitueerde kerk zonder belijdenis, of eene kerk, die de belijdenis prijsgeeft, is een menschelijk genootschap, eene vereniging van menschen evenals zoovele, waar de wil der menschen en niet de wil des Heeren geldt, eene vereeniging, die als zoodanig niet kan bestaan als openbaring van het Lichaam van Christus. Wat openbaring van het Lichaam van Christus is, heeft eene belijdenis, heeft eene onwrikbare vastheid in Gods Woord, waarvan het niet af kan. En met kerken, die daaromtrent zich niet willen uitspreken of de belijdenis ter zijde stellen, die doen, alsof de belijdenis „adiaphoron” is, en alsof alle belijdenissen evengoed gelden kunnen, — met zulke kerken in kerkverband en correspondentie te treden kan enkel dienen tot verzwakking van de eigen kerken. Zulke kerken moeten gewaarschuwd worden, voorzoover zij willen hooren en de waarschuwing aannemen.

|172|

Uit dit artikel volgt dus ook, dat onze Geref. kerken geen band moeten zoeken of aanvaarden met andere kerken, die met terzijdestelling vaar de belijdenis enkel op uitwendige dingen zou gegrond zijn, of zelfs gegrond zou zijn enkel op den vorm van kerkinrichting.

In den laatsten tijd is er zeker streven in de Geref. kerken in het buitenland, vooral in Amerika en Engeland om een nauweren band tusschen de Geref. kerken aan te leggen, niet op grond van de belijdenis, maar op grond van de kerkinrichting, en wel bepaald op één punt van kerkinrichting: het hebben van ouderlingen. Daaruit is de zoogenaamde Presbyterian Alliance geboren, het Presbyteriaansch Verbond, dat alle kerken, die ouderlingen hebben, vereenigt; kerken, die geen ouderlingen hebben, worden uitgesloten. Kerken, die ouderlingen hebben, om het even of zij eene belijdenis hebben en de waarheid handhaven of niet, moeten en kunnen er aan meedoen.

Dat er op dit ééne punt zoo groot gewicht werd gelegd, laat zich daaruit verklaren, dat in Amerika en Engeland de Episcopaalsche kerk hoe langer hoe krasser is opgetreden, juist in haar episcopaal karakter, en niet wil erkennen, dat er buiten de Episcopaalsche kerk eene wezenlijke instituëering van het Lichaam van Christus zijn kan. Geen kerkedienaar erkennen zij, die niet van eenen bisschop zijne ordening en wijding ontving. Zoo denkt althans de hoog-kerkelijke partij. Voor de Episcopalen is een Roomsche pastoor een kerkedienaar, hoewel hij dwaalt, niet een Gereformeerd predikant. Het feit deed zich zeer dikwijls voor, dat bij samenkomsten een Geref. predikant wel bereid was eenen Episcopaalschen predikant in qualiteit te erkennen, maar dat het omgekeerde geweigerd werd.

Juist door dit krasse optreden van de Episcopaalsche kerk laat het zich begrijpen, dat de Gereformeerden uit antithese het presbyteriale op den voorgrond stelden, maar dit was geheel onjuist. Het hebben van ouderlingen behoort zeer zeker tot eene goede kerkinrichting, maar het is niet het een en al, het beteekent nog niet het hebben van eenen goeden grondslag. Eene kerk van ongeloovigen kan ook ouderlingen hebben. Het is eigenlijk een uitwendig iets. Anders is het, wanneer het hebben van ouderlingen steunt op Gods Woord, er van uitgaat, dat men naar Gods Woord ouderlingen moet hebben. Niet het hebben van ouderlingen, maar de onderworpenheid aan Gods Woord karakteriseert de kerk. Er zijn Geref. kerken zonder ouderlingen geweest, bv. de kerk van Zürich in den tijd van Zwingli en Bullinger. De omstandigheden werkten daartoe mede. Zwingli was voor eene presbyteriale kerkinrichting, maar de Overheid, die zelf de tucht wilde hebben, was er tegen. De dienaren des Woords hadden evenwel zulk eenen invloed op de Overheidspersonen, dat die feitelijk toch als ouderlingen fungeerden. Men had daar

|173|

dus wel, wat eene presbyteriaansche kerkinrichting deed, wel kerkelijke tucht, maar door de Overheid onder leiding van de kerkedienaren, zoodat de Overheidspersonen feitelijk ouderlingen waren. Calvijn en de Geref. kerken hebben daarom die kerk van Zürich niet verworpen. Omgekeerd hebben tegenwoordig vele kerken ouderlingen, met welke echter eene Geref. kerk niet in verband mag treden. Sommige zijn geheel schijn- en valsche kerken. Het hebben van ouderlingen is op zich zelf niet het kenmerk κατ᾽ἐξοχήν van eene Geref. kerk, en aan het streven om enkel daarop een kerkverband in te richten mogen de Geref. kerken niet meedoen.

Evenmin mogen zij meedoen aan een kerkverband, dat het stuk van kerkinrichting vrijlaat, en op het stuk van belijdenis eene vage, niets zeggende belijdenis heeft, die nog niet eens gehandhaafd wordt. Dit bezwaar geldt tegen de aansluiting hij de Evangelical Alliance, die in 1846 werd gesticht. Het Evangelisch Verbond let niet op kerkinrichting. Bij de oprichting is wel eene belijdenis uitgesproken en verschillende oprichters meenden het met die belijdenis ernstig genoeg, maar van den beginne af was het te doen om de grenzen der belijdenis niet al te nauw te stellen, zooals men het uitdrukte. Zoo was de poort geopend, waardoor allerlei ketterij ongehinderd kon binnensluipen. De bewoordingen der belijdenis konden dit niet beletten. Het was een hellende weg, waarlangs men telkens lager kwam. In dat Evangelisch verbond zijn allerlei, tot de meest ongeloovige richtingen toe, ongehinderd opgenomen. De meeste hoofdbestuurders meenen het oprecht met de belijdenis; ook zijn er zeer rechtzinnige Christenen onder, maar zij handhaven de belijdenis niet, omdat zij wel weten, dat dan negen tiende van het Verbond hun de rug toekeert. Als men de belijdenis wil handhaven, en eenen grondslag hebben wil, zooals de Vereen. voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs „de onveranderlijke waarheden der Hervorming”, dan stuit men op verzet. Een deel er van is dan ook Arminiaansch en Ariaansch. Zoodanig verbond leidt tot verzwakking der belijdenis en ondermijnt de kerken in haren grondslag.

Die noodzakelijkheid van overeenstemming in belijdenis en grondslag van kerkinrichting wil niet zeggen, dat men geen rekening moet houden met de omstandigheden, met de ἠττήματα, de misstanden, die er in de kerk zijn kunnen, en die men overal ziet. Het moet niet enghartig en bekrompen geschieden. Er kunnen zeer zeker misstanden zijn, waar men overheen kan komen. Onverschillig is echter de kerkinrichting niet.

Onze kerken gaven in 1618 te Dordrecht daarvan zelve een goed voorbeeld, toen het wenschelijk geacht werd aan het oordeel over de Remonstranten ook de buitenlandsche kerken te doen deelnemen; en op de vraag, welke kerken men daarbij

|174|

uitnoodigen zou, zelfs bepaald werd, dat men zich wenden zou tot de Gereformeerde kerken van Duitschland, Zwitserland, Frankrijk en van Schotland, voor zoover koning Jacobus I dat goedvond. Maar vooral heeft men toen niet de Engelsch-Episcopaalsche kerk uitgezonderd. Op de Dordtsche Synode is inderdaad een Episcopaalsche bisschop geweest met eenige andere afgevaardigden. Schijnbaar was dit in strijd met den regel, dat er alleen kerkverband en correspondentie kan bestaan met kerken, die in belijdenis en grondslag van kerkinrichting overeenkomen. Inderdaad was dit toen zoo niet. Toen ter tijd was de Engelsche kerk goed Calvinistisch. Het Episcopaalsche stelsel was toen nog niet uitgewerkt, zooals nu, en wat het meest afdoet, de afgevaardigden van de Episcopaalsche kerk in Engeland hebben te Dordt, aan de Synode deelnemend, hun episcopaal karakter als het ware tijdelijk afgelegd. Als dit niet geschied was, hadden zij aan de Synode niet kunnen deelnemen. Volgens het Episcopaalsche stelsel kan een bisschop eenen ongeordenden predikant niet erkennen. Hij kan met ongeordende personen niet kerkelijk vergaderen. Volgens het tegenwoordig systeem zou een bisschop van zulk eene Synode het eenige lid zijn. Tegenwoordig zon naar het Episcopaalsche stelsel een bisschop daar nooit als gewoon lid, maar jure suo voorzitter zijn. Dit is in Dordt niet geschied. Men gaf hem alleen het praesidium van de buitenlandsche godgeleerden, alleen bij de enkele samenkomsten, die zij hadden. Zoo was het mogelijk, dat iemand uit de Episcopaalsche kerk in Dordt ter Synode was. Het geschiedde ook, omdat men het met ’t oog op koning Jacobus noodig oordeelde. Doch die Engelsche bisschop heeft niet qualitate qua in Dordt gezeten.

3º. In de derde plaats kan uit het beginsel van dit artikel worden afgeleid, dat in verhouding tot andere kerken nooit als „adiaphoron” mag beschouwd wat niet „adiaphoron” is; dat in verhouding tot andere kerken men nooit mag handelen, alsof verschillen er niet op aankomen. Dit geldt niet alleen de kerken, maar ook de leden. Verschillen mogen niet genullificeerd worden.

Dit geldt de vraag, of men deel mag nemen aan kerkelijke werkzaamheden, diensten, dienst des Woords en der Sacramenten bij andere kerken. En het beginsel van dit artikel spreekt te dien aanzien uit, dat dit niet mag, als er werkelijk verschil is in belijdenis of grondslag van kerkinrichting. De kerken mogen er geen gemeenschap en deelneming aan hebben, ook niet de leden der kerken, omdat zij juist door zulke gemeenschap zouden uitspreken: het verschil is middelmatig, en het standpunt der andere kerken zouden steunen. Natuurlijk valt dit in het oog, als die kerken tot deelneming aan den dienst instemming met de belijdenis en de kerkinrichting eischen. Dit

|175|

gebeurt evenwel niet veel. Maar dan toont toch deelneming aan den kerkelijken dienst qua talis, dat men het verschil als „adiaphoron” beschouwt. Door zulke deelneming verzwakt men het standpunt van zijne eigen kerk, verzwakt men den moreelen invloed van zijn eigen kerk op anderen, en stijft en sterkt men anderen in hun verkeerd standpunt.

Dit geldt ook de vraag, of men den dienst mag bijwonen in het Hervormd Genootschap bij eenen rechtzinnigen predikant, in de Episcopaalsche, in de Luthersche kerk of in schismatieke Gereformeerde kerken, als nl. de prediking goed Gereformeerd is. Op alle zulke vragen antwoordt het artikel: Dit mag niet. Zoo helpt men die andere kerken stand houden in hare eigen positie, zoo steunt men die in haar kwaad, geeft men zijn eigen beginsel prijs, en verzwakt men zijne eigen opkomen voor eigen beginsel in later tijd, verzwakt men zijne eigen positie ook voor later optreden, en geeft men den indruk, dat de Gereformeerden het practisch met hun beginselen zoo nauw niet nemen. Die indruk is nu fataal. Daarom moet men waken voor het beginsel, ook al krijgt dit den naam van bekrompenheid. Dit is toch beter, dan dat men zegt: Die Gereformeerde hoort er niet, maar doet er toch aan mee.

Rutgers, F.L. (1918) Art. 86

Art. 86 1).

Deze Artikelen, de wettelijke Ordening der Kerken aangaande, zijn alzoo gesteld en aangenomen met gemeen accoord, dat zij — zoo het profijt der Kerken anders vereischte — veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en behooren te worden. Het zal nochtans geene bijzondere Gemeente, Classe of Synode vrijstaan zulks te doen, maar zullen naarstigheid doen om die te onderhouden, totdat anders van de Generale of Nationale Synode verordend worde.

 

Ditzelfde slotartikel stond reeds, voordat de eerste redactie van de kerkenordening gemaakt was, aan het einde van de Wezelsche artikelen van 1568, in Hoofdst. 8, art. 22, waar eerst betuigd was, dat bij het opstellen van die artikelen in aanmerking genomen waren tijd, plaatsen, personen en omstandigheden; dat met de grootste zorg en nauwkeurigheid onderzocht was, „wat naar gelang van dit alles voor de Nederlandsche kerken


1) De Generale Synode te Utrecht in 1905 liet den inhoud van dit artikel ongewijzigd, doch bracht in de schrijfwijze de volgende veranderingen aan: „ordening der kerk”, „( )”, „maar zij zullen”.

|176|

dienstig of ondienstig zou zijn”; en daarna gezegd werd: „Et ita rem temperarunt vt si contingat Dominum nostrum Iesum Christum vberiorem gratiae suae fructum Belgiae posthac aliquando concedere, tam quod ad magistratus piam reformationem attinet, quam quod ad ecclesiae prouentum spectat, haec ipsa capita latius extendere, et pro re ac tempore vel augere vel minuere vel quae videbuntur immutare liceat”. De artikelen zijn dus zoo gemaakt, dat zij naderhand naar gelang van tijden en omstandigheden, konden vermeerderd, verminderd of gewijzigd worden, wanneer het eens aan de kerken te beurt viel, dat de Heere Jezus Christus eene overvloediger vrucht zijner genade gaf, zoowel wat betreft de godvruchtige reformatie der Overheid, als hetgeen den goeden voortgang der kerk betrof.

In de Hollandsche vertaling van de Wezelsche artikelen, zooals die later gemaakt is en in alle uitgaven ook is overgenomen, is daarbij eene zonderlinge fout gemaakt. Die Hollandsche vertaling is volstrekt niet officieel, hoewel zij algemeen gevolgd is in de kerkelijke handboekjes. Zij is het werk van een particulier persoon, den predikant Lodewijck van Renesse, en dateert van het jaar 1664. Deze vertaling bevat een groot aantal ergerlijke fouten. Soms is het de vraag of de vertaler wel goed Latijn verstond. Zoo heeft hij ook het woord „proventus” niet verstaan. De woorden: „quod ad ecclesiae prouentum spectat” vertaalt hij door: „so ten aansien der Kerkelyke in-komsten”. De inkomsten zaten hem blijkbaar zeer voor de aandacht 1).

De inkomsten der kerk hebben hier met de kerkenordening niets te maken. Proventus beteekent: goede voortgang 2). Bij de Wezelsche artikelen moet men daarom met de Hollandsche vertaling van L. van Renesse voorzichtig zijn.

Toen de kerkenordening officieel geredigeerd werd op de eerste Nederlandsche Synode van 1571 te Emden, werd aan het einde der Acta hetzelfde slotartikel gevoegd, zoo goed als geheel met dezelfde woorden als waarin het nu nog in de kerkenordening staat. De Latijnsche vertaling is origineel. De Hollandsche vertaling is ook in vele opzichten abusief. Hier is het art. 53,


1) Door deze vertaling van L. van Renesse hebben de Wezelsche artikelen eerst algemeene bekendheid verkregen. Zij komt voor in zijn geschrift: „Van het Regeer-Ouderlingenschap”, Utrecht 1659, 1664 en wel in het tweede deel van 1664, blz. 99 vgg. Zie verder hierover: F.L. Rutgers, Acta van de Nederlansche Synoden der zestiende eeuw, Utrecht 1889, blz. 2-6, en de dissertatie van schrijver dezes: De Voorbereiding en Constitueering van het Kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde Kerken in de zestiende eeuw, Groningen 1911, blzz. 36-39.
2) In het Kerkelijk Handboekje, uitgegeven door P. Biesterveld en Dr. H.H. Kuyper, Kampen 1905, waarin de Wezelsche artikelen opnieuw vertaald zijn uit den Latijnschen tekst volgens de uitgave van Rutgers, is „proventus” door „wasdom” vertaald. Rutgers, Acta, blz. 4, heeft: „groei of wasdom der Kerk”.

|177|

alleen met dit onderscheid in de redactie, dat eene particuliere kerk de artikelen niet mag veranderen. Eerst later is er bijgevoegd: ook geen particuliere Classe en particuliere Synode, maar alleen eene Generale Svnode.

In de redactie der K.O. van de Prov. Dordtsche Synode van 1574, die voor Holland en Zeeland werd aangenomen, conform de Emdensche redactie, stond ditzelfde artikel ook aan het slot, bijna geheel met dezelfde woorden als art. 53 van 1571, behalve dat bij particuliere gemeente ook particuliere Classe opgenomen werd (zie art. 91 der Acta van de Prov. Synode van 1574 in het kerkelijk handboekje van 1612). De Dordtsche Synode van 1574 zelf heeft met betrekking tot dit artikel geen besluit genomen, maar bij de eindredactie van de Acta, voor zooverre die op de kerkenordening betrekking hadden, is door de daartoe benoemde commissie dit artikel aan de Acta toegevoegd als art. 91, overgenomen uit de Emdensche redactie 1).

Door de Nationale Synode van Dordrecht van 1578 is bij de redactie van de kerkenordening dit artikel aan het einde weggelaten. Waarom blijkt niet. Zeker niet, omdat men het er niet mede eens was (vgl. art. 46), zeker wèl is het omwillekeurig over het hoofd gezien.

In de redactie der K.O. van de Middelburgsche Synode van 1581 kwam het er weer bij als art.69, en daar luidt het geheel en woordelijk, zooals het ook nu nog in de kerkenordening gevonden wordt.

Zóó is het artikel overgenomen in de Haagsche redactie van de K. O. van 1586, waar het art. 79 uitmaakt.

 

De woorden: „deze Artikelen”, zien natuurlijk op de 85 voorgaande artikelen, van welke artikelen hier gezegd wordt, dat zij „de wettelijcke Ordeninge der Kercken” aangaan, geheel conform het opschrift van geheel, hetwelk luidt: „Kercken-ordeninghe”, en geheel conform art. 1, waarin staat: „Om goede ordre in der Ghemeente Christi te onderhouden”. Hier wordt dus in dit artikel nog eens herinnerd, wat vroeger reeds daaromtrent uitgesproken werd, dat alle deze artikelen de wettelijke ordening der kerken aangaan, dat het doel der kerkenordening alleen is om de kerken in goede orde te houden. Het is niet zonder reden, dat dit in de kerkenordening zoo herhaaldelijk geschiedt, want het is inderdaad van belang dit in het oog te houden. Het is een gewichtig beginsel (vgl. art. 1), omdat daaruit volgt, wat er in


1) In het Kerkelijk Handboekje, uitgegeven door P. Biesterveld en Dr. H.H. Kuyper, Kampen 1905, waarin voor de bepalingen der Prov. Synode van Dordrecht van 1574 de tekst is gevolgd, gelijk die door Prof. Rutgers in zijne uitgave van de Acta van de Nederl. Synoden der zestiende eeuw, Utrecht 1889, is afgedrukt, eindigt de redactie van de kerkenordening van deze Dordtsche Synode van 1574 met art. 90. Op blz. 219 van zijne Acta maakt Prof. Rutgers evenwel melding van art. 91, en voegt er aan toe „Uit de acta van Emden”. Zie ook blz. 128.

|178|

de kerkenordening thuis hoort en wat er niet in thuishoort, hoeveel men bepalen moet en hoeveel aan de kerken overlaten; ook omdat er nog uit voortvloeit, gelijk wij later zien zullen, dat de kerkenordening niet te beschouwen is als eene wet, gelijk op burgerlijk gebied de staatswet, maar als eene ordening, zoodat de hoofdzaak is, niet om nu letterlijk en precies elke bepaling stipt op te volgen, ook al zou daardoor de orde verstoord worden, want dan zou men in strijd handelen met de bedoeling van de kerkenordening zelve.

Wat betreft de woorden: „der Kercken”, mag men zich niet door dien vorm op een dwaalspoor laten leiden, daar deze uitdrukking hier geen meervoud is. Bij onderscheidene artikelen hebben wij gezien, dat de vorm „der Kercken” in den regel 2e naamval enkelvoud is der oude declinatie; zoo ook „der Gemeenten” = van de gemeente. Dat de letter n aan het einde bij een enkelvoud staat, blijkt uit onderscheidene andere gevallen. Of „der Kercken” enkelvoud of meervoud is, kan ook blijken uit de officieele vertalingen, bijv. uit de officieele vertaling in het Fransch voor de Waalsche kerken in deze landen. En oorspronkelijk zijn verreweg de meeste artikelen in het Latijn gesteld, de latere artikelen zijn officieel in het Latijn vertaald door het moderamen van de Middelburgsche Synode van 1581. Art. 53 van de Latijnsche redactie van 1571 heeft: „Articuli hi ad legitimum Ecclesiae ordinem spectantes”. De Fransche vertaling luidt: „Ces articles concernans l’ordre legitime, de l’ Eglise” 1). Het moet hier ook enkelvoud zijn, want hier wordt door „kerk” niet verstaan de ecclesia instituta, maar wat anders vaak door gemeente wordt aangeduid. „Kerk” beteekent hier de vergadering der geloovigen, die juist door deze artikelen geordend of geïnstitueerd wordt als kerken in het meervoud, wat ook later volgt in de uitdrukkingen: „nutticheydt der Kercken” (1571), „profijt der Kercken” (sedert 1581), waarin „Kercken” meervoud is. Dit blijkt uit het Latijnsche „vtilitas Ecclesiarum” en het Fransche „l’ utilité des Eglises”. Hier is sprake, niet van het profijt van Gods kerk in het algemeen, maar van de geïnstitueerde kerken, waarop de kerkenordening ziet. De vorm „der Kercken” als enkelvoud heeft ongeveer de beteekenis van een adjectivum, gelijk het in het opschrift „Kercken-ordeninghe” ook door een adjectief vertaald wordt in het Fransche „ordre ecclésiastique”. De „wettelijke kerkelijke orde” had er kunnen staan. Hier in dit artikel dient „kerk” om aan te wijzen op welk gebied die orde geldt; uit welk enkelvoud echter niet af te leiden is, dat de gezamenlijke kerken samen ééne kerk vormen. De kerk is niet iets, dat uit de gezamenlijke geïnstitueerde kerken


1) Livre Synodal contenant les articles résolus dans les Synodes des Eglise Wallonnes des Pays-Bas, Tome premier 1563-1685, La Haye 1896, p. 22.

|179|

voortvloeit, maar dat aan de geïnstitueerde kerken voorafgaat. Er mag dus niet uit afgeleid, dat er ééne algemeene kerk zou zijn. De algemeene Christelijke kerk is geïnstitueerd in plaatselijke kerken, maar deze vormen weer niet één geheel. Men vond hier te lande de kerke Gods, de vergadering der geloovigen, nog ongeordend. Daarvoor werd eene ordening gemaakt. Daardoor werden zij ecclesiae institutae, die niet samen weer ééne kerk vormen, want dat is collegialistisch.

„Alsoo gestelt ende aenghenomen met ghemeyn accoordt”, „mutuo consensu”. Die uitdrukking beteekent niet, dat er bij het stellen der artikelen tusschen de onderscheidene kerken ook geen verschil van gevoelen geweest is. Dit is er zeer zeker wel geweest. Lang niet bij ieder artikel was van den aanvang af ieder het eens met een daartoe gedaan voorstel. De artikelen zijn meestal besluiten van Synoden over punten van bespreking, die daarna in de kerkenordening geformuleerd zijn. Later is er over gediscussieerd, en bij de stemming is er eene meerderheid en minderheid geweest. Toch staat er van 1571 af, dat die artikelen gesteld en aangenomen zijn met gemeen accoord („ghemeyn accoort”), en daarop ligt ook de nadruk. Dit is noodig geweest, indien het werkelijk eene kerkenordening voor alle kerken zou zijn. De eene kerk kon de andere niet dwingen. Geen kerk zal over andere kerken heerschen, zegt art. 84. Eene kerkenordening, die voor alle kerken zou gelden kon dus alleen met gemeen accoord worden opgesteld.

Hoe dit dan kon samengaan met de omstandigheid, dat er toch van te voren verschil van gevoelen was? Dit wordt opgelost door de opmerking, dat de kerken ter Synode samengekomen, zich verbonden zich te onderwerpen aan het gevoelen der meerderheid, hetgeen als regel aangenomen en in art. 31 geformuleerd en toegepast werd: „ende t’ ghene door de meeste stemmen goet gevonden is, sal voor vast ende bondich ghehouden worden. Ten zy dattet bewesen worde te strijden tegen het woordt Gods, ofte teghe de Artijckelen in desen Generalen Synodo besloten, soo langhe als de selve door gheen ander Generale Synode verandert zijn”. Iedere plaatselijke kerk, die tot de Synode deputeerde, deed dan tot op zekere hoogte zelf vrijwillig afstand van haar recht, in zooverre zij zich onderwierp aan de besluiten der meerderbeid, als deze niet tegen Gods Woord streden. Dit was zoo oprecht gemeend, dat, als de beslissing gevallen was, de minderheid zich aan de meerderheid conformeerde. In de 16de eeuw was dan ook eene tweede stemming gebruikelijk. De eerste diende om uit te maken, voor welk gevoelen de meerderheid zich verklaarde; bij de tweede stemming stemde de geheele minderheid ook voor om het tot besluit te maken, niet omdat zij het er mede eens was, maar omdat zij het noodig oordeelde voor de goede orde, dat niet

|180|

de minderheid, maar de meerderheid haren zin kreeg. Zij behield hare eigen meening, maar legde zich neer bij het gevoelen der meerderheid. Zulke tweede stemming is later wel niet in gebruik gebleven, maar feitelijk was toch de beschouwing der zaak, dat het zoo geschiedde. Dit kon natuurlijk niet gebeuren met dingen, die met Gods Woord streden, en voor de orde der kerken gevaarlijk waren. Omtrent de andere punten kon men zich behoudens zijne consciëntie conformeeren.

Ten bewijze daarvan gold in de 16de eeuw, dat de Acta door alle leden geteekend werden. Dit was een bewijs daarvan, dat zij er nu ook voor waren, niet persoonlijk, maar om die artikelen als kerkenordening aan te nemen. Dit geschiedde door afgevaardigden, van wie bekend was, dat zij niet eens de bepalingen zouden kunnen houden, bijv. in 1578 en 1581 verklaarden de afgevaardigden der verstrooide Nederduitsche kerken in Engeland, dat zij de bepalingen der kerkenordening niet zouden kunnen houden, omdat de Overheid het hun zou beletten, en omdat zij onder den Londenschen bisschop geplaatst waren. Die Nederlanders konden daar niets aan doen, doch desniettegenstaande onderteekenden ook zij de Nederlandsche kerkenordening.

In dit „gemeen accoord” ligt dus in, dat het stellen en aanvaarden der kerkenordening, het volgen en handhaven daarvan, volstrekt niet bedoelt om in strijd te komen met het beginsel van art. 84, dat de eene kerk niet over de andere heerschen zal. Aan niemand, aan geen enkele kerk werd iets opgelegd, maar allen aanvaardden vrijwillig de kerkenordening, die door de meerderheid was vastgesteld. Daarom konden ten slotte de kerkenordening en de artikelen gezegd worden met gemeen accoord te zijn gesteld en aangenomen.

Intusschen, de artikelen van de kerkenordening worden niet en zijn ook nooit beschouwd als gelijk staande met Gods Woord. De Gereformeerde kerken hebben nooit in de kerk een soort onfeilbare autoriteit erkend. In de Roomsche kerk is de Paus, e cathedra loquens, onfeilbaar. Eene pauselijke uitspraak, e cathedra gegeven, kan nooit veranderd. Zoodanige autoriteit kennen de Geref. kerken niet. Zelfs van de Confessie en den Cathechismus geldt, dat zij altijd examinabel zijn aan Gods Woord; niet, alsof men ze altijd in twijfel moest trekken, maar zóó, dat, indien er een gravamen wordt ingebracht, kerkelijk onderzocht moet worden, of het op Gods Woord steunt. Dit nu geldt nog veel meer van de kerkenordening. Zeer zeker is het geoorloofd daartegen bezwaren in te brengen, vooral, omdat zij de orde der kerken aangaat, en niet bedoelt de belijdenis en Gods Woord te handhaven.

Met betrekking tot de orde der kerken zijn er veel zaken, die in Gods Woord niet bepaald en omschreven zijn, die niet konden bepaald en omschreven worden, omdat ze afhangen

|181|

van tijden, personen en omstandigheden; veel zaken dus, die aan de vrijheid der kerken zijn overgelaten. Daarbij mag niet willekeurig worden gehandeld, maar metterdaad wordt dan verondersteld, dat de kerken bij zulke zaken trachten zullen Gods ordinantiën daaromtrent te verstaan, al zijn die ook niet geopenbaard. Uit de beginselen in Gods Woord gegeven moet men trachten af te leiden, wat in de gegeven omstandigheden het beste blijkt. Dit kan veranderd of vermeerderd of verminderd worden.

Wat conform Gods Woord in de kerkenordening staat, kan niet veranderd, vermeerderd of verminderd worden. Er zijn regels, die rechtstreeks aan Gods Woord zijn ontleend. Zoo zou op eene kerkelijke vergadering altijd onaannemelijk zijn bijv. het voorstel om den Doop uit de kerkenordening uit te lichten, dat er geen Avondmaal zijn zou, of dat er voor den dienaar des Woords geen roeping noodig was. Zoo zijn er tal van zaken, die op eene duidelijke uitspraak van Gods Woord steunen.

Dit „veranderen, vermeerderen of verminderen” geldt alleen van zulke bepalingen als variabel zijn naar tijd en omstandigheden. Zulke zaken mogen en moeten veranderd, vermeerderd of verminderd, „soo het profijt der Kercken anders vereyschte”.

In dit slotartikel wordt, gelijk in dergelijke slotartikelen vaak geschiedt, iets omtrent wijziging gemeld.

Motief en maatstaf moet zijn „het profijt der Kerken”. Wijziging van de kerkenordening is alleszins mogelijk, met uitsluiting van wijziging van wat in Gods Woord staat, maar alleen, zoo het profijt der kerken het vereischt. Daarin ligt, dat het niet door eene buitenkerkelijke macht aan de kerken kan opgelegd worden, dat wijziging bijv. niet door de Overheid aan de kerken kan gelast worden. Voor eene kerkelijke vergadering, Synode, die de wijziging der kerkenordening ter hand nemen zal, geldt alleen het profijt der kerken, en zulke Synode mag zich niet onder de macht stellen van iemand anders, bijv. van de Overheid. Dit wil niet zeggen, dat de Synode geen rekening houden moet met bekende denkbeelden van de Overheid, vooral, waar de Overheid zich veel met de kerkenordening bemoeit. Het profijt der kerken kan zijn zich te accommodeeren aan de Overheid, gelijk de Dordtsche Synode van 1618 dit gedaan heeft in onderscheidene zaken. Maar dit deden de kerken vrijwillig. Wel heeft in de 16de eeuw de Overheid vaak beproefd aan de kerken eene kerkenordening op te leggen, of eene bepaling te doen opnemen, maar de kerken hebben dit nooit geaccepteerd. Tegen eene kerkenordening van de Overheid hebben de kerken altijd geprotesteerd. Zij hebben die nooit aanvaard.

Ook mag de wijziging niet geschieden naar iemands willekeur of particulier belang. Geen verandering naar iemands genoegen. Nooit mag motief zijn, dat dan de toestand voor dezen of dien aangenamer zou zijn, in het belang voor deze of die soort van

|182|

kerkedienaren of kerken. Altijd ligt het motief in het profijt der kerken in het algemeen. Dit moet bij wijziging den doorslag geven. Bij verandering moet het altijd de vraag zijn, of daardoor het doel der kerkenordening beter bereikt wordt, dat goede orde in de kerk van Christus onderhouden wordt.

Ten aanzien van wijziging van de kerkenordening wordt in het tweede deel van het artikel nog gezegd, door wie die geschieden kan; in de woorden: „Ten sal nochtans gheen bysondere Gemeente, Classe ofte Synode toestaen sulcks te doen, maer sullen neersticheydt doen om die te onderhouden, tot dat anders vande Generale ofte Nationale Synode verordent wort”. Daarin wordt uitgesproken, dat de Generale of Nationale Synode de vergadering is, in welke wijziging van de kerkenordening kan geschieden; niet eene particuliere kerk, Classe of Synode; die zal het niet „toestaen” zulks te doen.

De uitdrukking „toestaen” is niet geheel meer overeenkomstig het tegenwoordig taalgebruik. De zin en beteekenis daarvan blijkt duidelijk uit het spraakgebruik van dat woord in de 16de en 17de eeuw, en uit den officieelen Latijnsche tekst, aangezien dit artikel van de Emdensche Synode van 1571 afkomstig is, waar het in de redactie van art. 53 luidt: „non erit tamen alicuius privatae Ecclesiae id facere”, m.a.w.: non erit negotium, (want dit is de zin van esse cum genetivo) het is niet de taak, de zaak, de roeping van eene bijzondere kerk. In den tegenwoordigen stijl zou men zeggen: „het zal geen bijzondere kerk vrijstaan”.

Geen particuliere kerk, Classe of Synode mag dus in de kerkenordening eene verandering maken. Zij mag natuurlijk wel eene verandering voorstellen, maar niet eene verandering arresteeren. Dit spreekt eigenlijk van zelf, aangezien eene kerkenordening eene regeling is, een onderling accoord, geldend voor alle kerken, die tot het kerkverband behooren; en daarin mag geen verandering gemaakt worden tenzij door die alle samen. Evenals de kerkenordening gemaakt is door alle kerken samen, kan ze ook alleen door die alle samen gewijzigd worden.

Aan deze bepaling ligt het beginsel ten grondslag, dat over eene kerkelijke regeling, die voor eene plaatselijke kerk gelden zal, altijd die kerk zelf moet gehoord worden, en dat zij zelve daarmede moet instemmen; dat de regelen voor eene plaatselijke kerk van die plaatselijke kerk moeten uitgaan; dat niet door eene andere kerk of door eene combinatie van andere kerken eene regeling kan opgelegd worden, daar dit alleen door de combinatie van alle kerken geschieden kan. Op eene Generale Synode nu zijn alle kerken aanwezig. Wat daar besloten wordt bij meerderheid van stemmen, wordt volgens art. 31 van de kerkenordening voor vast en bondig gehouden, tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods. Daartoe heeft dan iedere particuliere kerk medegewerkt. Zoo wordt de

|183|

regeling dan niet van buiten opgelegd, maar wordt de kerk zelve daarin gekend.

De wijze, waarop de Generale of Nationale Synode verandering in de kerkenordening aanbrengt, wordt in het artikel niet nader bepaald. Zeer terecht wordt op de vraagt daaromtrent geen nader antwoord gegeven. De kerkenordening bedoelt niet regelen en voorschriften te geven en die voor alle gevallen uit te werken, maar zij geeft alleen zooveel als voor de kerkelijke orde goed is. De kerkenordening spreekt alleen beginselen uit. De toepassing daarvan wordt aan de kerken zelve overgelaten. De wijze, waarop wijziging moet plaats hebben, wordt daarom gerustelijk aan de Generale of Nationale Synode overgelaten.

In het algemeen zal ten aanzien van zulke wijziging dan wel als regel moeten gelden, dat de Generale Synode niet te spoedig en te licht daartoe overga, en niet te veel wijzigingen aanbrenge. Zeker is er voor eene Generale Synode vaak wel aanleiding om tot wijziging over te gaan. Nog nooit is er Generale Synode gehouden of er kwamen voorstellen in, waarbij werd voorgeslagen om in de kerkenordening het een of ander te wijzigen. Toch doet eene Generale Synode in den regel verstandig, als zij daarop niet ingaat; ook al zou zij zelve moeten toestemmen, dat eene voorgestelde wijziging niet kwaad was, of ook al zou zij zelve oordoelen, dat eene voorgestelde wijziging betere regeling gaf, of op enkele plaatsen een einde zou maken aan misstanden, of die in het vervolg zou voorkomen. Die overweging drijft gewoonlijk eene particuliere kerk, Classe en Synode er toe om wijzigingen voor te stellen, want het laat zich begrijpen, dat men, op de eene of andere plaats in moeilijkheden gekomen, omdat eene bepaling van de kerkenordening niet duidelijk of volledig is, of op een bepaald geval niet van toepassing, er licht toe komt eene wijziging voor te stellen, opdat men in de kerkenordening steun zou hebben.

Toch moet de Generale Synode toezien niet te spoedig en te licht dien weg in te slaan. Immers de geschiedenis en de ervaring leeren, waartoe men dan van zelf komt, bijv. de geschiedenis en de ervaring van de Roomsche kerk, van het Hervormd Kerkgenootschap, of ook van de Engelsche en Duitsche kerken en zoovele andere. Indien eene Generale Synode, of ook, wat van niet-Gereformeerde kerken geldt, eene, macht, die bevoegd is om de kerkenordening te wijzigen, al te spoedig en te licht er toe overgaat om wijzigingen aan te brengen in voorkomende gevallen, dan gaat allengs, hoe langer hoe meer, haar arbeid voor een goed gedeelte daarin op. Veel meer kerken, dan nu het geval is, zullen komen met voorstellen om in dit en dat geval te voorzien. De Synode moet de punten dan onderzoeken en vaststellen. Dan wordt het hoe langer hoe moeilijker de eenheid der kerkenordening in het oog te houden. Het werk der

|184|

Generale Synode wordt dan, gelijk het werk der Synode van het Hervormd genootschap niet ten onrechte is genoemd: „de codificatie van allerlei nietigheden”. En daarbij wordt natuurlijk de hoofdzaak uit het oog verloren en wordt het werk van de Synode puur bureaucratische arbeid.

Ook is het dan onvermijdelijk, dat de kerkenordening uitgebreid wordt en de vier kleine hoofdstukken vermeerderd worden. Ieder hoofdstuk krijgt dan afdeelingen en deze weder onderafdeelingen, en ten slotte komen er nog speciale reglementen bij. Zoo krijgt men, wat de Roomsche kerk in het einde der middeleeuwen, en de collegiale genootschappen later gekregen hebben, een Corpus iuris canonici van ontzaglijk grooten ontvang, en evenals het Hervormd Kerkgenootschap een vrij dikken bundel reglementen, een boekdeel met verordeningen, die ten doel hebben de zaken beter te laten gaan, maar feitelijk tot uitwerking en gevolg hebben, dat de kerken dan nog niet eens weten, wat zij tot de orde te doen hebben. De ouderlingen weten er den weg niet meer in, zij kunnen er niet uit wijs worden. Zij laten het dan liggen en laten het dan maar over aan de predikanten en de hoogere besturen, die het wel weten, en vragen hen bij voorkomende moeilijkheden. Dit leidt er in de kerk toe, dat de hiërarchie insluipt en bevestigd wordt, want het is juist de kracht van die hiërarchie dat zij het alleen weet, hoe men in de kerk moet te werk gaan. Bij een boekdeel reglementen behooren permanente besturen, die in de reglementen thuis zijn, en bij wie men te biecht moet gaan. Wil men dien weg niet in, erkent men, dat als schepping van uitwendige orde die weg onberispelijk is, maar doodend voor het leven der kerken, dan moet men tegen het eerste begin hiervan waken. Vooral eene Generale Synode is daartoe geroepen. Zij moet den moed en de kracht hebben allerlei voorstellen tot wijziging, ook al drijven plaatselijke redenen er toe aan, toch niet in de kerkenordening op te nemen, uit de overweging, dat in de kerkenordening alleen beginselen moeten uitgesproken worden, en dat de uitvoering en toepassing daarvan aan de particuliere kerk, Classe en Synode moet overgelaten; ook uit de overweging, dat men metterdaad bij ieder gebleken gebrek in de kerkenordening aanhoudend iets te wijzigen overhoudt. Zoo doet men ook niet op het burgerlijke gebied, veel minder op het kerkelijke. Daarom moet men wachten tot eene generale wijziging, waarbij alles, wat in den loop der jaren gebleken is wijziging te behoeven, tegelijk gewijzigd wordt. Doet men dit niet, dan zal de wijziging niet het gewenschte effect sorteeren. Immers als men alle drie jaren wijzigingen aanbrengt, dan zal men ook telkens eene nieuwe editie van de kerkenordening moeten hebben, of men zou de oude boekjes met de pen uit de couranten moeten bijhouden, wat voor iedereen niet gemakkelijk gaat. Die boekjes gelden anders niet meer.

|185|

De Generale Synode moet dus met wijzigingen wachten, totdat er werkelijk eene generale wijziging noodig is. Maar voor eene generale wijziging is noodig, dat er in de kerken zelve genoegzame kerkrechtelijke kennis is, en dat er een genoegzaam aantal personen is, die met kennis van zaken er hun oordeel over kunnen uitbrengen. Dit geschiedde ook zoo in 16de eeuw in den strijd met Rome. Toen was er een groot aantal dienaren des Woords, ouderlingen en particulieren, bijv. Marnix van St. Aldegonde, die in het kerkrecht zeer geoefend waren.

In onzen tijd is er een groot gebrek aan mannen, die op kerkrechtelijk gebied thuis zijn, en werken er nog veel beginselen van het Collegiale stelsel na, zij het ook geheel onbewust. In het jaar 1895 namen de Oost-Friesche kerken het besluit tot aanneming van de Dordtsche kerkenordening met de noodige wijzigingen. Men bracht wijzigingen aan, maar gebleken is, dat, met de bedoeling om in het Geref. spoor te loopen, er heel wat collegialisme en hiërarchie in de kerkenordening is ingeslopen, waarom de wijziging dan ook ter zijde gezet is. Het is niet zoo gemakkelijk om eene kerkenordening, die een groot aantal beginselen stelt, en waarin eenheid is, en die de Geref. lijn volgt, te wijzigen. Daarvoor is genoegzaam kerkrechtelijk besef noodig. Men moet dan goed thuis zijn in de beginselen en in de geschiedenis der artikelen.

Dit is niet het werk van enkele personen, maar van een aantal personen op eene Generale Synode 1).

Van de particuliere gemeente, Classe of Synode zegt het artikel, dat zij „sullen neersticheydt doen om die te onderhouden, tot dat anders van de Generale ofte Nationale Synode verordent wort”.

Daaruit is wel eens afgeleid, dat dus eene plaatselijke kerk, die in een of ander opzicht eene bepaling van de kerkenordening niet houdt, met dit artikel in strijd komt, en de kerkenordening wijzigt. Dit is geheel onjuist.

Eene plaatselijke kerk, juist ter wille van de orde eene bepaling der kerkenordening niet volgende, bedoelt niet de kerkenordening te wijzigen, en verandert het artikel evenmin. Zij verlangt niet, dat andere kerken ook zoo handelen; alleen voor zich zelve wijkt zij af. Dit artikel is dus daarop niet van toepassing. Dit zou zoo zijn, wanneer eene particuliere kerk,


1) Zulk eene generale wijziging werd in de Dordtsche kerkenordening aangebracht door de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland, gehouden in Utrecht van 22 Augustus tot 7 September 1905. Zie hierover Kerkenordening der Gereformeerde Kerken in Nederland, gelijk deze op de Generale Synode te Utrecht in 1905 is herzien. Nieuwe uitgave door Ds. W.B. Renkema, Ds. R.J.W. Rudolph en Dr. J.C. de Moor, Wageningen 1909. Inleiding blzz. 21-24.

|186|

van eene bepaling afwijkend, aan alle andere kerken voorschreef dit ook te doen.

Intusschen, zij moeten „naarstigheid doen om die te onderhouden”. De uitdrukking is opmerkelijk: „operam dabunt”, ook wel vertaald door: „zij zullen arbeiden.” Zulk eene uitdrukking komt niet voor in het burgelijke wetboek, ook niet in de kerkelijke regelingen van Roomschen, Episcopalen en Collegialen. Daarin wordt niet gezegd, dat de kerken naarstigheid zullen doen, maar zijn zij verplicht die geheel te onderhouden. In de Geref. kerkenordening is het woord „naarstigheid” met opzet en zeer juist gekozen. Op kerkelijk gebied wordt bij de Geref. kerken niet voorgeschreven eene strenge, slaafsche, letterlijke opvatting van alle bepalingen.

In de Geref. kerken is de mogelijkheid opengelaten, dat men nu en dan, hier en daar, eenigszins daarvan afwijkt. Dat blijkt uit de uitdrukking van dit artikel, maar ook uit allerlei andere omstandigheden:

1º. blijkt het hieruit, dat bij de uitgaven van de kerkenordening, hetzij in de zoogenoemde kerkelijke handboekjes, van welke tot het laatst van de vorige eeuw een groot aantal uitgegeven is, hetzij in de Classicale handboekjes, altijd en immer, althans in vroegeren tijd, niet alleen de laatste redactie werd afgedrukt, nl. die van 1618/19, maar ook de oudere redacties, van de eerste redactie van 1571 af, daarbij werden gevoegd. Dit zal nooit geschieden bij de uitgave van het Burgerlijk Wetboek, of bij de regelingen van de Roomsche, Episcopale en Collegiale kerk. Bij de Gereformeerde kerken is dit altijd geschied. Dit geschiedde niet uit een soort van historisch interesse, omdat het belangrijk was te weten, welke de vroegere bepalingen waren, want dit belang gold slechts voor een klein aantal personen. De handboekjes waren voor ouderlingen en gemeenteleden, om te weten, hoe zij practisch te handelen hadden. Alleen daarom zijn de oudere redacties opgenomen. Het bewijst, dat in de schatting der kerken de oudere redacties nog niet geheel hadden afgedaan, en ook niet in het kerkelijk leven. Voetius zegt ter verklaring daarvan, dat die oudere redacties opgenomen zijn, omdat soms de oudere redactie beter en zuiverder is dan de latere; omdat soms in lateren tijd bijv. terwille van de Overheid in de kerkenordening iets opgenomen is, wat er beter uitgelaten was (Pol. Eccl. Dl. I, p. 285 sq). Wanneer men dan practisch de oudere redactie volgt, handelt men goed en in den geest van de redactie zelve. Eene burgerlijke wet moet stiptelijk ad literam opgevolgd. Eene kerkenordening echter is niet gebiedend, en kan niet letterlijk aan alle kerken opgelegd worden.

2º. De Gereformeerde kerken hebben van de 16de eeuw af betrekkelijk weinig procedures gehad, die betrekking hadden op de handhaving van de kerkenordening, daarentegen heel wat meer

|187|

in zake de leer. Daarop zagen zij zeer stipt toe. Van de leer mocht niet afgeweken worden, noch ter rechter-, noch ter linkerhand. Maar kleine afwijkingen van de kerkenordening hadden zij soms wel goedgekeurd, als er kerken in eenen toestand waren, dat de afwijking niemand anders schaadde en in het belang der kerk zelve was voor de goede orde, vrede en rust. De belijdenis als grondslag voor de kerkelijke saamleving werd streng gehandhaafd, maar reglementaire preciesheid en formalisme viel niet in den smaak der Gereformeerden. Dit laatste is de hoofdzaak in het Collegiale en evenzoo in het Roomsche en Episcopale stelsel. Daar wordt precies de hiërarchie gevolgd. Voor het overige komt het er minder op aan. In het Gereformeerde stelsel is de belijdenis en de waarheid hoofdzaak, en wordt een kerkelijk formalisme niet geëerd. Echter wel eens wat te weinig, daar het individualisme zelfs wel eens wat te ver gaat.

In de Gereformeerde kerken is er altijd een betrekkelijk recht voor afwijking van de kerkenordening geweest, hetgeen ook door Voetius verdedigd is in zijn Pol. Eccl. Dl. I, p. 272 seqq. en p. 284 seqq, waar de vraag behandeld wordt, of aan de kerkenordening zooveel beteekenis moet worden gehecht, dat elke afwijking als ordeloosheid, ἀταξία, moet aangemerkt worden. De kerkenordening bleef regel, maar er kon van worden afgeweken. En al stond niet in de kerkenordening, wanneer en hoe dit uit de beginselen, in de kerkenordening neergelegd, volgde, het stond in de practijk vast. De kerkenordening zelve kan geen regelen voor practische afwijking geven.

Die regelen zijn volgens Voetius in drie hoofdregelen saam te vatten.

1º. Het doel van de afwijking moet altijd zijn het belang der kerken om volgens arrt. 1 en 86 de goede orde, εὐταξία, des te beter te onderhouden. Afwijking is geoorloofd, wanneer stipte naleving niet geschieden kan, zonder dat de orde, vrijheid en welstand der kerk gevaar loopt. Niet mag er afgeweken worden, omdat het iemand zoo in den zin komt, en hij zijnen eigen zin wil volgen, of omdat iemand eens heerschen wil, of bandeloos is; maar het moet gaan om het beginsel van handhaving van goede orde.

2º. In de tweede plaats mag nooit in de kerkenordening zelve iets veranderd worden, maar moet de afwijking als afwijking gekenmerkt en erkend worden. De afwijking mag niet in de kerkenordening gebracht en aan anderen opgelegd worden.

3º. Wanneer er quaestie kwam, of de goede orde de afwijking wel vereischte, dan zou uit de twisting daarover een nieuw kwaad komen. Daarom moest dan de afwijking onderworpen worden aan het oordeel van eene daartoe bevoegde vergadering; die van eenen kerkedienaar aan het oordeel van den

|188|

kerkenraad, de afwijking van eenen kerkeraad aan het oordeel van de Classe, enz. Aan het oordeel dier vergadering moest men zich dan onderwerpen. Uit de afwijking kon dus nooit ordeloosheid, wanorde of bandeloosheid ontstaan. Vrijheid was er, zonder losbandigheid en willekeur. Afwijking naar die drie regelen kan nooit tot schade der kerken zijn.

Men heeft van den toestand en de inrichting der Gereformeerde kerken, die alzoo ontstaat, wel gezegd, dat het niet gemakkelijk is om zoo in de Gereformeerde kerken kerkregeering te oefenen; dat het veel gemakkelijker zou zijn, indien er eene groote verzameling van bepalingen voor allerlei gevallen was, die men maar te raadplegen had. Dit is waar, maar nog veel gemakkelijker is het, als men niet eens naar een reglement behoeft te vragen, maar aan één persoon vragen kan. Het allergemakkelijkst is dus het Roomsche stelsel. Doch in Christus’ kerk is het niet de vraag, wat het gemakkelijkst is, maar wat het meest met Gods Woord overeenkomt en zoo het meest kan strekken tot den bloei van Christus’ kerk. Niet het gemak, maar wat moet, staat in de kerk op den voorgrond. Voor het leven van de kerk is dit noodig; anders gaat het leven er uit, zoals de geschiedenis geleerd heeft. Juist integendeel maakt in de Gereformeerde kerken het minder gemakkelijke om de kerken goed te regeeren, dat men geprikkeld wordt om op de hoogte van de beginselen te komen. Dit moeilijke maakt, dat men in de Gereformeerde kerken genoodzaakt wordt de beginselen te bestudeeren. Is een Gereformeerd dienaar daar eenmaal achter gekomen, historisch en kerkrechtelijk daarin thuis, dan geeft de toepassing van de kerkenordening verder geen moeite, en is dit thuis zijn in de beginselen een groot voordeel. Zoo stonden de Gereformeerde kerken in de 16de eeuw sterk tegenover Rome. Men wist zich rekenschap te geven, waarom de Gereformeerde kerken zoo geregeerd werden. Het is de kracht der Gereformeerde kerken, dat hare kerkinrichting de leden, die er onder staan, dringt tot studie en onderzoek der beginselen, tot deductie van wat als beginsel in Gods Woord is neergelegd. Dit is wel vaak de langere weg, maar een weg, die beter tot het doel leidt.

Naar aanleiding van dit artikel kan nog de vraag gedaan worden: Aangezien nu eene enkele kerk de kerkenordening niet wijzigen mag, volgt daaruit ook, dat iedere kerk aan de kerkenordening verbonden is en blijft? M.a.w. de vraag, of eene kerk niet de kerkenordening zelve ter zijde mag stellen en eene andere aannemen en zich aan het kerkverband onttrekken. Die quaestie kan natuurlijk niet voorkomen in een stelsel, waarbij de vrijheid en de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk wordt ontkend.

In het Roomsche en Episcopale stelsel, volgens hetwelk de kerk in den bisschop en den paus opgaat, kan er geen quaestie

|189|

zijn van onttrekking aan het kerkverband; wie zich van den Paus of den bisschop losmaakt, maakt zich los van Christus. Ook niet in het territoriale stelsel, want daar is de kerk een creatuur van de Overheid, waaraan men zich niet onttrekken kan. Ook niet in het Collegiale stelsel, want daar zijn de plaatselijke kerken afdeelingen van één groot genootschap en kan men wel persoonlijk uit het genootschap gaan, maar kan niet eene afdeeling zich aan het geheel onttrekken. Doch op het Gereformeerde standpunt, dat de Gereformeerde kerken sinds de 16de eeuw ten onzent innamen, is dat anders.

Op Gereformeerd standpunt, en eigenlijk op Protestantsch standpunt in het algemeen, kan niet ontkend, dat de plaatselijke kerk zelfstandigheid heeft ook met betrekking tot het verband der kerken, en desnoods zelfs recht en roeping kan hebben om zich van het kerkverband los te maken. Immers door dat te ontkennen zou men de Reformatie onwettig verklaren en weer Roomsch moeten worden. Dit standpunt is dan ook door Zwingli reeds van den beginne der Reformatie af aan ingenomen, tegenover de tegenwerpingen der Roomschen, die zich achter de kerk verschansten. Zij wilden wel reformatie, maar dan moest zij van den bisschop uitgaan; doch, dan had men lang kunnen wachten. Daarom legde reeds Zwingli op de vrijheid en zelfstandigheid der plaatselijke kerken den nadruk. Op de vrijheid en zelfstandigheid van de plaatselijke kerk rustte het recht en de roeping tot reformatie. Rome echter beweerde, dat men moest wachten op de concilies. Op Gereformeerd standpunt kunnen er omstandigheden zijn, waarin eene Gereformeerde kerk recht en roeping heeft om zich van het kerkverband af te scheiden. Hiermede wordt niet gezegd, gelijk de Independenten willen, dat de Gereformeerde kerken los naast elkander staan en zich naar eigen goedvinden en willekeur aan het kerkverband kunnen onttrekken.

De quaestie, of eene kerk zich aan het kerkverband mag onttrekken is dezelfde als deze, of een particulier lid zich aan de plaatselijke kerk onttrekken mag. Gelijk verband is er tusschen de verschillende leden van eene plaatselijke kerk als tusschen de plaatselijke kerken. Het kerkverband kan vergeleken met het plaatselijk verband van de onderscheidene leden der gemeente. Van beide geldt, dat men zich niet mag afscheiden, zoolang het kerkverband de kenmerken van de ware kerk nog vertoont, al valt ook in de practijk soms veel af te keuren. Zoolang, wat de belijdenis noemt als kenmerken van de zuivere kerk, aanwezig is, mag men zich niet van de plaatselijke kerk afscheiden. Niet, omdat de landswetten het verbieden, of omdat dwingende macht het weerhoudt, maar omdat Gods Woord het verbiedt. Men is verplicht zich bij de ware kerk te voegen. En een particulier lid zondigt, als hij

|190|

zich afscheidt. Zoo ook geldt het van het kerkverband. Ook eene plaatselijke kerk zondigt als zij het kerkverband verbreekt. Formeel is het zich plaatselijk afscheiden niet te belettten. Een lid kan dan behoorlijk vermaand, gewaarschuwd, onderwezen en met Gods Woord bestraft worden, maar men kan hem niet dwingen. Evenzoo staat het met eene plaatselijke kerk tegenover het kerkverband. Evenmin heeft het kerkverband dwingende macht tegenover eene plaatselijke kerk. Door het kerkverband zijn de plaatselijke kerken niet vernietigd. Zelfs mag en moet eene plaatselijke kerk zich aan het het kerkverband onttrekken, als door het kerkverband van Gods Woord wordt afgeweken. Plaatselijk moet een particulier lid zich zelfs afscheiden, als de kerkeraad, niet in de practijk en in eene bepaalde zaak, maar in beginsel de belijdenis ter zijde stelt, of menscheninstelling voor Christus’ instelling volgt. Zoo ook bij het kerkverband. Wanneer het mag geschieden, is het tevens plicht. Daardoor is willekeur uitgesloten.

Dit wordt dikwijls verward. Tengevolge van het feit, dat het zich afscheiden vaak geschied is, stelt men het wel eens voor, alsof het naar willekeur gebeuren kan, al naar men er lust en baat bij heeft of niet. Dit is Pelagiaansche willekeur. Daarvan hangt het ook thans niet af, of Gereformeerde kerken A en B op ééne plaats zullen ineensmelten en of men zich dan al of niet afscheiden zal. Voor eenen Gereformeerde gelden ook op dit gebied vaste beginselen en lijnen, door Gods Woord getrokken. Als Gods Woord er niet toe verplicht, dan mag het niet, en moet de eenheid van de plaatselijke kerk en van het kerkverband zoovee! mogelijk uitkomen. Als er dan toch eene plaatselijke kerk is, die zich hiernaar niet voegt, dan moet er vermaand en onderwezen worden, maar onttrekt zij zich, dan kan het kerkverband er niets aan doen. Wel moet het kerkverband er iets aan doen, wanneer in zoo’n plaatselijke kerk twee stroomingen zijn, wanneer de afscheiding niet eenparig geschiedt, maar een deel het ongeoorloofde van de afscheiding inziet. Dan moet het kerkverband dat trouw blijvende deel zooveel mogelijk steunen door te zorgen, dat de kerkelijke institutie niet te loor gaat, dat de dienst des Woords en der Sacramenten geregeld geschiede, en dat het in het bezit gelaten worde van de kerkelijke goederen. Daartoe is van veel belang, welke houding de kerkeraad aanneemt. Wijkt die ook af, en onttrekt die zich, dan moet het kerkverband voor de vervulling der openvallende plaatsen zorgen. En verder moet, als er quaestie over komt, ter, beslissing van den rechter gelaten worden, hoe het met de kerkelijke goederen gaan zal. Actori incumbit probare. Daarom moet men voor den rechter zorgen, dat men de kerkelijke goederen in bezit heeft.

Eindelijk komt bij dit artikel ook de vraag ter sprake, hoe

|191|

het staat met de geldigheid van deze kerkenordening, gelijk ze in 1619 het laatst is gerevideerd, met betrekking tot de Geref. kerken van lateren tijd en ook van dezen tijd 1). Er staat in het artikel: de kerken „sullen neersticheydt doen om die [artikelen] te onderhouden”. Waarop steunt dat, op welke gronden? Die vraag moet beantwoord worden, omdat het wel eens betwist is, dat de kerkenordening, in Dordt het laatst herzien, in vroegere eeuwen werkelijk geldigheid had, en dat zij na de Revolutie nog geldigheid bleef houden.

Dat de kerkenordening na 1619 voor de Geref. kerken geldigheid had, is wel eens ontkend omreden, dat de politieke approbatie van de Staten-Generaal toen niet verleend is. Dit was het gevolg van den altijd voortdurende strijd tusschen de politieken en de kerkelijken over de vraag, van wie de kerkenordening moet uitgaan, van de kerken zelve of eigenlijk van Gods Woord, gelijk de kerken dat opvatten, of van de politieke Overheid. Het was de vraag, wie Overheid in de kerk was, Christus, die zijne macht door zijne dienaren uitoefent, of de politieke Overheid; de vraag, of de Overheid in het burgerlijke, ook Overheid in de kerk was. Die strijd is in de 16de eeuw met de vrijheid begonnen en bleef steeds voortduren. Tengevolge van het verschillend inzicht hierover is ook in 1619 de gevraagde politieke approbatie niet verleend. Vooral Holland opponeerde daartegen en eenigszins ook Friesland, terwijl in de andere provinciën de Staten, hoezeer ook Gereformeerd van denkwijs, zich niet goed in approbatie konden vinden. Het laat zich begrijpen. De kerken konden niet loslaten, dat Christus Koning in zijne kerk is, en dat door de bestuurders der kerk, als dienaren van Christus, de kerkelijke ordening werd vastgesteld overeenkomstig Gods Woord. Naast het kerkelijk gebied ligt het staatsgebied. Zij hielden vast, dat de Staat niet op kerkelijk gebied mocht ingrijpen, noch de kerk op staatkundig gebied, dat er geen collateraliteit bestond tusschen staat en kerk, aangezien beider gebied van geheel anderen aard is, het eene geestelijk en het andere stoffelijk, en dat als ieder zich binnen de eigen grenzen hield, er geen botsing zou komen. De Overheid meende, dat wel niet in zoodanige landen, waar de Overheid Heidensch ot Turksch was, de Overheid zeggenschap over de kerk had, maar wel in landen, waar de Overheid zelve Gereformeerd was en alleen de Gereformeerde kerken erkende. De grond voor dit beweren was, dat anders de Overheid licht onder de kerk zou komen door middel van de tucht. Daardoor kon de kerk dwingen, want wie onder kerkelijke tucht gesteld was, was daardoor onbekwaam tot eene


1) Zie hierover F.L. Rutgers, De geldigheid van de oude Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde kerken, Amsterdam, 1890.

|192|

burgelijke Overheidsbediening. Dit valt niet te ontkennen: het stelsel zelf van eene eenige door de Overheid erkende kerk kerk bracht mede, dat er botsing komen moest tusschen Overheid en kerk over de bevoegdheid van kerkbestuur. Daarom kon die quaestie niet goed opgelost worden.

Toch kan men zeggen, dat de Dordtsche kerkenordening wel degelijk door Overheidsmacht geapprobeerd is, zoals ook Voetius, deze vraag besprekend, op twee feiten de aandacht vestigt: 1º dat de kerken overal de Dordtsche kerkenordening opvolgden, behalve enkele uitzonderingen, zooals het beroepen van predikanten; dat dit overal onder de toelating, goedkeuring en zelfs medewerking der Overheid geschiedde, zoodat ook, waar de kerkenordening formeel niet geapproheerd is geworden, „rebus ipsis et factis” approbatie verleend is. 2º De Formulieren van Eenigheid en de liturgie zijn in alle provinciën door de Overheid geapprobeerd. Dit geschiedde èn door de Staten-Generaal èn door de Provinciale Staten. Dus is ook geapprobeerd, wat in de Confessie en de liturgie over de kerkelijke regeering en de kerkelijke ordinantiën staat. Daarmede is het pleit beslist. Want als de Overheid zelf aan de Gereformeerde kerken voorschreef die Formulieren te houden, dan schreef zij ook voor die toe te passen. Dus, zegt Voetius, verbindt zij zich ook zich daaraan te houden (Pol. Eccl. Dl. I, p. 292 sq.).

Dit was door de Overheid zoo niet bedoeld. Zij stemde dan ook niet in met wat op dien grond door de kerken beweerd werd. Doch zelfs afgezien daarvan en lettende op de formeele Overheidsbesluiten, kan men concludeeren, dat de kerkenordening na de Belijdenis overal voor goedgekeurd gehouden is, en in sommige provinciën ook formeel. De Provinciale Staten achtten zich soeverein op het stuk van religie, niemand boven zich erkennende. Zij handelden dan ook over deze quaestie.

Uit overgebleven aktenstukken blijkt, dat de Dordtsche kerkenordening „sicuti jacebat”, gelijk zij het laatst in Dordt is gerevideerd, formeel is geapprobeerd in Overijsel, Gelderland en Utrecht, in de laatste twee provinciën met eenige reserves van zeer weinig gewicht.

Met betrekking tot Friesland, waar de Dordtsche kerkenordening eerst goedgekeurd is door de gezamenlijke steden, maar in tegenspraak met wat de landschappen wilden, kan geconcludeerd, dat de gezamenlijke Staten de kerkenordening niet goedkeurden, maar bepaalden, dat in Friesland de ordening zou blijven, die tot dusver gebruikelijk was, nl. de redactie van 1586. In de boekjes, door den Canonicus van Friesland (d.i. den door de Staten voor het kerkrecht aangewezen predikant) uitgegeven, komt dan ook de kerkenordening van 1586 voor. Dit maakte niet veel verschil. Zelfs wordt in de kerkenordening van 1618/19 nog meer aan de Overheid toegekend,

|193|

dan in die van 1586, ter wille van de politieke approbatie.

In Groningen, evenals in Drenthe, is door de Overheid eene eigen kerkenordening uitgevaardigd, en toen door de kerken aangenomen, in omgekeerde orde als het behoorde. Die beide kerkenordeningen kwamen overeen met de generale ordening van de gezamenlijke kerken, behalve in de punten van predikantsberoeping en kerkvisitatie. De Staten beriepen zich op die overeenkomst. Zij zijn gesteld, zooals zij gesteld zijn, ten einde overeenstemming met de andere kerken te hebben. Het concept is gemaakt door een zeer Gereformeerd man, door Menso Alting.

In Zeeland gold hetzelfde. De kerkenordening is daar formeel van de kerken uitgegaan, van eene Provinciale Synode, en daarna formeel door de Staten geapprobeerd. Doch er was met betrekking tot de predikantsberoeping een collegium qualificatum en andere regeling. Voor de rest was er overeenstemming met de Dordtsche kerkenordening.

Daaruit is het te verklaren, dat ter Dordtsche Synode alle provinciën konden verklaren, dat zij eene kerkenordening volgden, die geheel overeenstemde met de kerkenordening van 1586.

In Holland is met betrekking tot de kerkenordening de meeste strijd gevoerd, vooral in den tijd van Van Oldenbarnevelt, die den kerken eene Staatskerkenordening wilde opdringen.

In Holland is lang onderhandeld tusschen Zuid-Hollandsche en Noord-Hollandsche Synoden en de Staten. In 1624 besloten de Staten nog niet tot approbatie over te gaan, maar „alle saecken te laten by ’t gebruyck dat in elcke Classe dien-aen-gaende tot noch toe is gevolght”, met behoud van het patronaatsrecht. Dit gebruik was het volgen van de Dordtsche kerkenordening. Deze is dus niet formeel door de Overheid geapprobeerd, maar zijdelings, doordat het gebruik er van geapprobeerd is. ln 1626 oordeelden de kerken, dat het noodig was „een geauthoriseerde Kercken-ordeninghe” te bezitten, maar op de Synode legden de kerken zich neer bij bovengenoemd besluit van de Staten. Zij hadden wel formeele approbatie gewild, maar zij achtten het goed te blijven bij de orde, dusver gevolgd. Gevolgd werd dus de Dordtsche kerkenordening.

Juist door al die besluiten was de eigenlijke strijdvraag, wie over de kerk zeggenschap had, practisch van minder belang geworden. Feitelijk golden de bepalingen van de in Dordt gerevideerde kerkenordening, maar met enkele uitzonderingen. Dit geschiedde met goedkeuring van de Overheid, formeel en stilzwijgend. En vroeg men verder: op wiens autoriteit? — dan antwoordden de kerken: op autoriteit van Christus, door wiens dienaren de kerkenordening naar zijn Woord is vastgesteld, en antwoordde de Overheid: op autoriteit van ons als Overheden.

In de practijk was dit eene vrij oisieve quaestie, meer theoretisch dan practisch van aard. En alzoo is er een soort modus

|194|

vivendi gevonden tusschen de kerken en de Overheid. Beiden handhaafden hun standpunt en in de practijk werd de Dordtsche kerkenordening gevolgd.

Zoo bleef het standpunt tot de Revolutie. Bij de inzinking der kerken in de 18de eeuw, en toen de Overheid hare macht begon te doen gevoelen, is er geprofeteerd o.a. door Mosheim, dat de Overheid het ook theoretisch van de kerken zou winnen.

De Revolutie wierp beide stelsels overhoop. In het stelsel der Revolutie was de kerk eene vereeniging, een genootschap als ieder ander, dat als zoodanig door de Overheid behandeld werd. Vóór de Fransche Revolutie beschouwde men de kerk als staatslichaam, en was elke instelling te regelen door den Staat. De Revolutie echter verbrak het verband tusschen kerk en Staat, en was voor absolute scheiding tusschen kerk en Staat. Alle hulp, door den Staat aan de kerken verleend, verviel nu. Ieder kon nu eene kerk oprichten en van de eene kerk naar de andere overgaan. De Geref. kerken verloren haar karakter, niet van heerschende kerk, want dat hebben zij nooit gehad, maar van publieke kerk. Daarmede verviel ook de pretentie van de Overheid op de regeling van kerkelijke zaken. Die pretentie immers was gegrond op het feit, dat de Gereformeerde kerk de publieke kerk was. Nu zij geen publieke kerk meer was, kon er ook van zulke pretentie geen sprake meer zijn. Het voorwerp van den strijd, de publieke kerk, was er niet meer. De kerk bleef alleen privaat voortbestaan. De Overheid had er geen belang meer bij.

Intusschen bleef de kerk bestaan. In de practijk merkte men van die verandering niet veel. De tractementen werden uitbetaald. Wel merkte men er iets van bij beroeping. Toen bijv. de kerk van Leiden handopening en autorisatie voor beroep vroeg, werd geantwoord, dat zij haar gang kon gaan en dat men er niet mee van noode had. Hieraan bemerkte men, dat er een andere toestand gekomen was. Door de Revolutie verviel feitelijk al wat door de Overheid met betrekking tot de kerken ooit bepaald was, maar natuurlijk niet, wat de kerken zelve bepaald hadden, want dat steunde niet op Overheidsbepaling, maar op besluiten van de Nationale Synoden en de Dordtsche kerkenordening. Door de Revolutie verviel het bezwaar, dat aan algeheele aanneming der Dordtsche kerkenordening in den weg gestaan had. De Overheid legde daaraan nu niets meer in den weg.

In onderscheiden „Geschiedenissen der Nederlandsche kerken” vindt men de voorstelling, alsof door de Revolutie de kerk gedesorganiseerd werd, en zonder reglementen kwam te staan, zooals in die van Vos e.a. 1). Dit is echter geheel onjuist. Hoe kon het ook? De besluiten van de Revolutie om de overheidsmacht


1) G.J. Vos Az., Geschiedenis der Vaderlandsche Kerk, Dordrecht, 1888.

|195|

over de kerken te doen vallen, tastten niet de organisatie aan, maar wel de tractementen, want de kerken kwamen in financieele moeilijkheden. Doch dit raakte de organisatie niet. Die bleef in haar geheel bestaan. Die bewering is dus in strijd met de geschiedenis.

Na de Revolutie was er wèl organisatie. De kerkeraden bleven vergaderen en de Classes namen besluiten. Alles bleef voortgaan met minder belemmering. Wie niet in de gelegenheid is archieven in te zien, heeft een zichtbaar bewijs daarvan in den bundel van „Evangelische Gezangen”, die in 1807 is ingevoerd. Iedere leek kan daaruit weten, hoe er eene Provinciale Synode bijeen was, nl. de Noord-Hollandsche, door welke de medewerking der andere Synoden tot het invoeren van een bundel Godsdienstige liederen werd verzocht; hoe er bepaalde deputaten zijn bijeengekomen, en hoe de gezangenbundel in de Provinciale Synoden is ingebracht en behandeld. De machinerie werkte dus geregeld. Het bezwaarlijke in het financieele kwam vooral, toen daarna in den Franschen tijd een besluit tot uitvoering kwam, dat alle traktementen deed stil staan. Doch de organisatie werd niet aangetast.

Desorganisatie kwam eerst voor in 1816, door Koning Willem I, die door uitbetaling van de achterstallige tractementen de predikanten voor zich won, de quaestie van pensioenen regelde, en ook aan de kerken eene regeling gaf. Toen is wel degelijk door de restauratie de organisatie aangetast, onder toejuiching van vele predikanten. Het vroeger vreemde feit kwam nu voor, dat de kerken om den financieelen steun der Overheid te genieten er zelve op aandrongen, dat de Overheid het bestuur in de kerk zou regelen en uitoefenen. De kerken in verval bleken onmachtig om haar eigen vrijheid te dragen, en namen een stelsel aan, dat vroeger nooit geheerscht had, hetwelk zij drie eeuwen lang hadden bestreden. Dit is onwettig geschied, want de kerken zijn er zelve niet over gehoord, zelfs hebben zij het niet eens gemerkt. Wie het merkten, waren alleen de predikanten. Noch formeel, noch reëel is daardoor de Dordtsche kerkenordening van 1619 afgeschaft.