Rutgers, F.L. (1922)

Kerkelijke Adviezen II
Kampen
J.H. Kok
1922

Rutgers, F.L. (1922) 86

|5|

Artikel 56-60.

Het verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen met den Doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden, en dat in openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt.

De Dienaars zullen hun best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten Doop presenteere. En in de gemeenten, waar men nevens den vader ook gevaders of getuigen bij den Doop neemt (welk gebruik, in zichzelf vrij zijnde, niet lichtelijk te veranderen is), betaamt het, dat men neme die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn.

De Dienaars zullen in het doopen, zoo der jonge kinderen als der bejaarde personen, de Formulieren van de instelling en het gebruik des Doops, welke tot dien einde onderscheidenlijk beschreven zijn, gebruiken.

De bejaarden worden door den Doop de Christelijke gemeente ingelijfd, en voor lidmaten der gemeente aangenomen, en zijn daarom schuldig het Avondmaal des Heeren ook te gebruiken, ’t welk zij bij hunnen Doop zullen beloven te doen.

De namen der gedoopten, mitsgaders der ouders en getuigen, en desgelijks de tijd des Doops, zullen opgeteekend worden.

|6|

86. Mag de Doopsbediening alleen op Zondag plaats hebben?

 

(Heraut, 16 Dec. 1883.)

142. In den Amsterdamschen kerkeraad is sedert eenigen tijd o.a. over de bediening van den Heiligen Doop moeten gehandeld worden; en onder de punten, die daarbij ter sprake kwamen, hoorde ook de vraag, of zij enkel op den Zondag zou plaats hebben, dan wel buitendien ook in weekdiensten

De verzoeken en de voorstellen, die de aanleiding waren tot het aan de orde stellen van die vraag hebben uit den aard der zaak een en ander, dat uitsluitend plaatselijk en persoonlijk is. Maar dit geldt slechts de toepassing en de uitvoering. Wie de quaestie zelve onderzoekt, die bemerkt al spoedig, dat zij, evenals trouwens alle kerkrechtelijke quaesties, van principieelen aard en van algemeen belang is. Daarom kan ook geen onzer lezers het wraken, dat er hier hunne aandacht op gevestigd wordt. Bij deze, gelijk bij alle dergelijke vragen, is er uit de geschiedenis veel te leeren; en met name wordt ook hier uit die toelichting duidelijk, welk belang het hier geldt.

In de Nederlandsche Gereformeerde kerken is gedurende 2½ eeuw, van de reformatie af tot de deformatie in 1816, even goed in weekdiensten als in Zondagsdiensten de Christelijke Doop bediend geworden.

Thans, in onzen tijd is men daaraan zoo ontwend, dat velen er niet eens meer van weten. En wanneer men dan, in de zeldzame gevallen, dat eene Doopsbediening in de geschiedverhalen te vermelden viel, zooals b.v. toen Wtenbogaert en Episcopius in Februari en April 1613 te Amsterdam als doopsgetuigen optraden, daarbij de vroegpreek van Dinsdag en van Donderdag als tijdsbepaling vindt opgegeven, dan wordt thans niet zonder eenige verwondering opgemerkt, dat dit voor Wtenbogaert, Trigland, Brandt, enz. blijkbaar eene zeer gewone zaak was.

Eene halve eeuw geleden zou men daarvan natuurlijk niet zoo vreemd hebben opgezien. Eerder was men toen juist getroffen door het verbod, dat er van de Haagsche Synode was uitgegaan. In een rapport aan die Synode uit het jaar 1821 (Hand. blz. 57)

|7|

wordt uitdrukkelijk erkend, dat „in onze voornaamste steden, daar de Doop in de week veelvuldig plaats had, het verbod daartegen, in het begin, eenig opzien baarde.”

En ook inderdaad, men behoeft oude Doopboeken slechts even in te zien, om terstond overtuigd te worden, dat er vóór het jaar 1816 op dit punt geen onderscheid was tusschen Zondagsdiensten en weekdiensten.

Zoo b.v. werd te Amsterdam in de Nieuwe Kerk gedoopt, niet alleen des Zondags, maar ook in de beide weekbeurten. En de Doopboeken van die kerk leeren ook nog, dat het waarlijk niet bij uitzondering in de week geschiedde. Om maar eens een voorbeeld te geven uit een op de gis gekozen tijd; in Augustus 1790 zijn in de Nieuwe Kerk gedoopt 89 kinderen, waarvan 58 op 5 Zondagen, en de overige 31 op 6 Dinsdagen en Woensdagen; en in Nov. van datzelfde jaar zijn aldaar gedoopt 31 kinderen, waarvan 9 op 4 Zondagen, en de overige 22 op 6 Dinsdagen en Woensdagen. Het grooter aantal op de Zondagen van Augustus heeft o.a. tot oorzaak, dat er des zomers op dien dag ook een vroegdienst was, en er, blijkens de Doopboeken, alsdan niet slechts des namiddags, maar ook in de vroegbeurt gedoopt werd.

In die Doopboeken wordt niet altijd aangegeven, wanneer de kinderen geboren zijn. Maar wanneer die dag wel vermeld wordt, of wanneer hij van elders bekend is, dan treft ook nog de omstandigheid, dat de Doop gewoonlijk zoo spoedig mogelijk geschiedde, doorgaans op den tweeden of derden dag, en soms nog vroeger; en in ieder geval lang voordat de moeder er bij kon tegenwoordig zijn; zooals trouwens ook genoeg bekend is uit de derde vraag van ons Doopformulier, waarin vóór het jaar 1816 van de moeder nooit sprake was, en alleen de vader ondersteld werd tegenwoordig te zijn.

Blijkbaar was dus vaste gewoonte, dat de kinderen ten Doop gebracht werden zoodra hun toestand dit veroorloofde, en dat daartoe de gelegenheid openstond, zoodra er eene openlijke samenkomst der gemeente was. Of dit op een Zondag was, dan wel op een weekdag, maakte hoegenaamd geen verschil.

Dat was de regel in onze kerken, niet slechts feitelijk, maar ook rechtens. Het gebruik was geheel in overeenstemming met de

|8|

desbetreffende kerkelijke bepalingen. Die bepalingen, door de opeenvolgende Nationale Synoden gemaakt of vernieuwd, zijn de volgende:

 

In de Wezelsche Kerkenordening van 1568:

„Men sal den Doop bedienen na het gewoonlyk formulier uitgedrukt in de Kerkelyke Ordonnantien, ende dat niet anders, nochte ergens, als in de kerke, onder de Predikatie, ende de Catechismus; ten zy misschien in de aankomende Gemeynten in acht genomen moet worden sommiger swakheyt, welken te gevallen en om ergernisse te myden, de kinderen in huys gedoopt mogen worden; doch dit word ook niet toegestaan, ten sy in tegenwoordigheid ten minsten van vier ofte vyf geloovigen ; ende dat, tot anders door de Synode sal besloten zijn.” (Cap. VI, art. 2).

In de Dordtsche Kerkenordening van 1574:

„Het verbond Gods zal in den kinderen (zoo haest als men den Doop Christelicken bekoomen kan) met ten Doop verzegelt worden, ten zy sake datter eenige sware oorsake sy, om den Doop een tyd lanck uyt te stellen, daer van de Kerken-Raedt oordeelen zal. Maer de affectie der Ouderen, die den Doop haerder kinderen begeeren uyt te stellen, ter tydt toe dat de Moeders selve hare kinderen presenteren, ofte op de Ghevaders langhe wachten, en is geen wettelycke oorsake om den Doop uit te stellen. (art. 57).
Men sal den Doop niet aendienen, dan alleen in een openbare versamelinghe der kercken, by de vecondiginghe des Goddelycken Woordts (art. 58).
In de plaetsen daer selden den Predicatien geschieden, ende nochtans kinderen ten Doope gebracht werden, sal eenen tydt gheordineert worden dat men de kinderen in de kercke ten Doope brengen sal, ende men sal een teecken met de clocke gheven, om het volck te samen te roepen, ende een corte vermaninghe voor den Doop doen.” (art. 59).

In de Dordtsche Kerkenordening van 1578:

„Het verbondt Gods sal aen den kinderen der Christenen, met den Heyligen Doop (soo haest als men denselven bedienen can) bezeghelt worden, ten ware dat yemandt eenighe wettighe oorsaecken

|9|

hadde om denselven uyt te stellen, van welcke de Dienaeren met de Ouderlinghen oordeelen sullen (art. 59).
Men sal den Doop niet bedienen, dan in de Predicatiën: Doch in de Dorpen, daer weynigh Predicatien ghedaen werden, sal men een seeckeren dagh in de weke verordenen om den Doop te bedienen, alzoo nochtans, dat hetzelve sonder een korte Predicatie niet en geschiede” (art. 60).

In de Middelburgsche Kerkenordening van 1581:

„Het verbondt Gods sal aen den kinderen der gedoopte Christenen met den Doop (soo haest als men de bedininge der selve hebben can) bezegelt worden, ende dat in de openbare verzamelinge, wanneer Gods Woord gepredict word. Doch ter plaetse daer niet so veel Predicatien gedaen en worden, sal men eenen seeckeren dag ter Weke ordineeren, om den Doop extraordinaerlyck te bedienen alzoo nochtans dat het selve sonder Predicatie niet en geschiede” (art. 39).

In de Haagsche Kerkenordening van 1586:

„Het verbont Gods sal aen den kinderen der Christenen enz.” (art. 50, dat verder geheel gelijkluidend is met art. 39 der Kerkenordening van 1581).

In de Dordtsche Kerkenordening van 1619:

„Het verbont Gods enz.” (art. 56, geheel gelijkluidend met art. 50 der Kerkenordening van 1586).

En voorts in de besluiten der Dordtsche Synode van 1619:

„Zyn voortgebragt de advyzen en oordeelen der respective Collegien op de voorige gravamina, en is daer over aldus geresolveert.
1. Men sal den Doop aen kranke kinderen, of sieken, buyten de Vergadering der kerke niet bedienen, dan in seer grooten noot, ende dat met voorweten, en in 't bywesen des Kercken-Raedts, oock niet aen verwesene Misdadigen, dan met advys der Gedeputeerden des Classis” (Postacta, 163e Sessie).
„Of en op wat wyse den Doop, in gevalle van noodsakelykheyd, soo men dat noemt, in 't heymelyk sal mogen bedient werden, werd gelaten in de voorsigtigheyd en vry-heyd der Kerken-Raden en Classen” (Postacta, 175e Sessie).

|10|

In alle die bepalingen is, gelijk ieder zien kan, als algemeene regel gesteld, dat de Doop in het openbaar, in de kerk, bij de gewone samenkomsten der gemeente moet bediend worden. Maar nergens is er ook maar eenigszins sprake van, dat dit tot den Zondag zou beperkt zijn. Integendeel, waar ook in de week „openbare verzamelingen” of „predikatiën” gehouden werden, daar waren die gewone weekdiensten door de genoemde bepalingen even goed voor de Doopsbediening aangewezen. En indien er in de eerste dagen der week pasgeborenen waren, wier toestand reeds veroorloofde, dat zij naar de kerk gebracht werden, dan moest zelfs die weekdienst voor hun Doop gebruikt worden, en geen kerkeraad mocht dat weigeren Immers, op iederen dag, dat er eene „openbare verzameling der gemeente” of eene „predicatie” was, „kon men denzelven bedienen” of „de bediening deszelven hebben;” en „zoo haast als het kon” moest het ook geschieden. Met betrekking tot den tijd van doopen was de regel, naar de uitdrukking, waarin Voetius al hetgeen daarover te zeggen was, kortelijk samenvat: „Onbepaaldelijk moet bij de allereerste gelegenheid de Doop begeerd, en ook door de kerk bediend worden; wegens Gods bevel, en wegens de goddelijke verzegeling der verbondsgenade door denzelven.” (Polit. Eccl., Vol. I, pag. 725)

In de genoemde bepalingen is er, na den algemeenen regel, ook sprake van uitzonderingen. Maar zooals ieder ook zien kan, geene van die uitzonderingen heeft de strekking, om de Doopsbediening in weekdiensten ook maar enigszins te beperken. Het zijn alle slechts uitzonderingen op den regel van openbare Doopsbediening bij de samenkomsten der gemeente; en de uitzondering, die het meest genoemd wordt en die Overal op den voorgrond staat, was er juist op berekend om ook daar, waar geen weekdienst was, toch op een weekdag Doopsbediening mogelijk te maken. Op „plaatsen, waar niet zooveel predikatiën gedaan worden” (en dat dit inzonderheid doelde op stadjes en dorpen, waar geen weekdiensten waren, volgt reeds uit de woorden zelven in hun verband, en zal hieronder nog nader blijken) moest een vaste weekdag verordend worden voor „extra-ordinaire” Doopsbediening. Natuurlijk lag dat „extra-ordinaire” dan niet in de omstandigheid, dat het een weekdag was, want als dat de zin was, dan zou de

|11|

uitzondering wel niet uitsluitend voor kleine plaatsen gemaakt zijn; de groote gemeenten zouden er dan juist de meeste behoefte aan gehad hebben, en het zou wel ongerijmd zijn geweest juist die uit te sluiten. Het „extra-ordinaire” lag alleen in de afwijking van den algemeenen regel, welks vermelding voorafging, nl. den regel van Doopsbediening bij de gewone openbare samenkomsten der gemeente En om dat „extra-ordinaire” dan toch nog zooveel mogelijk met den regel in overeenstemming te brengen, moest zulke Doop ook in de kerk geschieden, en niet zonder predikatie, terwijl ook gezorgd was, dat er eenig volk bij tegenwoordig was.

Bij de andere uitzonderingen blijft de dag geheel buiten rekening. Zij betreffen den heimelijken Doop bij zoogenaamde noodzakelijkheid die alleen in kruiskerken, onder de vervolging, werd toegestaan, en ook dan nog slechts schoorvoetend en blijkbaar zoo min mogelijk; en voorts den buitengewonen Doop aan zieke kinderen, die alleen vergund werd in zeer grooten nood, en die dan ook zoo veel mogelijk in het openbaar geschiedde, en niet zonder predikatie. Eigenlijke huisdoop is in onze kerken nooit veroorloofd geworden.

Alle die bepalingen nu zijn tot 1816 van kracht geweest in alle Nederlandsche Gereformeerde kerken. Niet alleen door het streven, van predikanten en kerkeraden, om alles zooveel mogelijk in te richten naar de door de Nationale Synoden gemaakte verordeningen. Maar ook, doordat deze bepalingen alle waren opgenomen in de Provinciale Kerkenordeningen, die voor iedere provincie door hare Staten goedgekeurd en ingevoerd waren.

Als zoodanig gold in Friesland de aldaar aangenomen Haagsche Kerkenordening van 1586, waarbij men in 1619 gebleven was en waarmede de provinciale bepalingen op dit punt (in de uitgave van 1806, Sect. II, artt. 1-3 en in de beide vroegere uitgaven, Tit. XXXIV, artt. 1, 2, 10 en 16) dan ook geheel overeenstemden.

Voor Groningen bepaalde de Kerkenordening van 1595, die aldaar gehandhaafd is tot 1816: „De doope sal men op de forme unde ordenunge, die in den Nederlandschen Kerkenordenunge beschreven is, bedenen” (art. 38).

Voor Drenthe was in de Kerkenordening van 1638 de bovenvermelde bepaling van art. 56 der Dordtsche Synode, in art. 70 eenvoudig overgenomen.

|12|

In Overijsel, Gelderland en Utrecht was de Dordtsche Kerkenordening zelve geapprobeerd; en de eenige verandering, die in de hier bedoelde artikelen kort daarna door Gelderland gemaakt werd, bestond hierin, dat men voor de uitdrukking: „Doch ter plaatse daar niet zooveel predikatiën gedaan worden”, denkelijk om der wille van de duidelijkheid liever schreef: „Doch in de steden, ende ten platten lande, daar niet soo veel predikatiën gedaan worden” (Cap. VI, art. 1); terwijl daar voorts ook bestendigd bleef, hetgeen reeds in 1580 geresolveerd was: „Kranke kinderen niet buyten de gemeyne vergaderinge te doopen, ende sulks om superstitien te vermyden” (Cap. VI, art. 8). Omtrent Utrecht is te dezen aanzien nog opmerkelijk, wat in het Utrechtsch Synodaal-Handboekje (Ed. 1803) op het woord „Doopen” staat aangeteekend: „Daartoe kan ook in de week gepredikt worden, volgens K.O. art 56 (Synode 1620, Sess. 8, grav. 2) doch behoeft evenwel niet in den donkeren avond, des nachts of op andere ontijden (Synode 1621, Sess. 4, grav. 5)”, en voorts nog: „Voorheen bij eene gevaarlijke ziekte en diergelijke, ook geoorloofd buiten de vergadering der kerke, met voorweten en in tegenwoordigheid des kerkenraads (Synode 1624, Sess. 7, § penult.) doch dit in wat cas ook, afgeschaft (Synode 1629, Sess. 7, § 14)”.

In Holland bleef van overheidswege het gebruik, dat tot 1624 gevolgd was, de regel; en dat gebruik was, in zake de Doopsbediening, geheel in overeenstemming met de bepalingen van de Nationale Synoden.

En voor Zeeland bevatte de Kerkenordening, die daar in 1591 is ingevoerd, in art. 47 woordelijk hetzelfde als art. 50 van de Haagsche Kerkenordening, die later ook te Dordrecht gevolgd is. In deze provincie werd in 1602 aan die bepaling nog toegevoegd, bij art. 48: „Belangende het doopen der kinderen ten platten lande, alwaer in de weecke seeckeren dagh tot den Doop bestemt wort, en de weynigh volck verschynt, wort goet gevonden, dat men seeckere Texten, daer toe best dienende, gereet hebben sal, om deselve paraphrastice te verklaren, ende daeruit eenige leeringen ende vermaningen te trecken, naer gelegentheyt der toehoorders; ende daernaer sal het Formulier des Doops gelesen worden”. En in de Acta der Zeeuwsche Synode van 1620 staat nog

|13|

aangeteekend: Cap. II, nr. VII, „Is in bedencken genomen, of het niet goet en ware, twee dagen in de weke te ordineren, om den kinderen te doopen; ende na rype deliberatie goed gevonden, dat men by den Articule daer van zynde, in de Kercken-Ordeninge zal blyven; maer het geviele, dat eenigh kindt (na den ordinaren dagh van doopen in de weke geboren zynde) kranck wierde, in zulcken gevalle, zullen de respective kerckenraden discretie mogen gebruyken, om het zelve te doopen, mits dat zy toesien, dat de luyden daer door in superstitie niet en werden gevoed noch gestyft”.

In de zaak, waar het nu voor ons op aankomt, waren alle de Nederlandsche Gereformeerde kerken dus eenstemmig. En strijd is er op dat punt ook nooit geweest; want de practijk, die te dien aanzien hier gehuldigd werd, was aan alle Protestantsche kerken gemeen. Ook de Remonstranten, en hunne voorloopers, hadden zulke bepalingen opgenomen in de door hen gemaakte Kerkenordeningen, en zij hadden daarin voor plaatsen, waar geen weekdiensten waren, zelfs twee weekdagen voor extra-ordinaire Doopsbediening aangewezen (Hollandsche Kerkenordening van 1591, art. 16; en Utrechtsche Kerkenordening van 1612, van den H. Doop, art. 1). En voorts kan men soortgelijke bepalingen terugvinden in de oude Kerkenordeningen van alle landen. Voor zooveel die uit de 16e eeuw dagteekenen, zijn zij bijna alle te vinden in de verzameling van Evangelische Kerkenordeningen, die de Berlijnsche hoogleeraar Richter voor eenige jaren heeft uitgegeven, ten getale van niet minder dan 172; en onder die alle is er niet ééne, die de gewone Doopsbediening tot den Zondag beperkt. Juist de eenige, waarvan Dr. Richter dat zegt, nl. de Kerkenordening van de Nederlandsche gemeente te Londen uit het jaar 1550, is op dit punt onvolledig en daardoor onnauwkeurig door hem medegedeeld; niet in overeenstemming met de „Forma ac Ratio” van Joh. à Lasco zelven, waarvan bedoeld werd een uittreksel te geven.

Voor ons, Nederlanders, is uit die gansche verzameling zeker de Paltzische Kerkenordening van 1563 de belangrijkste, waaruit o.a. ook ons Doopsformulier voor het grootste gedeelte ontleend is. En indien we aan de vele aanhalingen nog ééne mogen toevoegen, dan zij het de bepaling, die omtrent den tijd van Doopsbediening aldaar gemaakt werd. Na de aanwijzing van het verband tusschen

|14|

de bediening van het Woord en die van den Doop, volgt dan (Richter 2e deel, blz. 258):

„Daarom zullen de kinderen op iederen geschikten tijd, als het behoorlijk van hunnentwege begeerd is en zij in de kerken voor de Dienaars des Woords gebracht zijn, door de predikanten gedoopt worden, en zulks zal inzonderheid geschieden op Zondag, feestdag, of anders in de week, wanneer de gemeente Gods bijeen is, opdat ieder zijn eigen doop wete te herdenken, en opdat de Christelijke gemeente eenpariglijk den Naam Gods over het kind aanroepe.”

Duidelijker kon wel niet gezegd worden, dat ook in de Gereformeerde kerk weekdiensten even goed als de Zondagsdiensten voor de doopsbediening zijn aangewezen.

En de reden, waarom verordend werd, dat de gelegenheid tot Doopsbediening zoo veelvuldig moest gegeven worden, ligt ook voor de hand. Het was om dezelfde reden, als waarom ook zoo gedurig op haast om daarvan gebruik te maken, werd aangedrongen. Men vindt ze in onze Confessie en in onzen Catechismus, in hetgeen daar van de Sacramenten in het algemeen, en van den H. Doop in het bijzonder gezegd wordt.

Er wordt niet van gezegd, dat hij noodzakelijk is tot zaligheid. Ware dat ook maar eenigszins geloofd, dan zou het wel gruwelijke wreedheid geweest zijn, de gelegenheid ook maar eenigszins te beperken; en huisdoop, ja zelfs nooddoop, ten allen tijde en aan alle plaatsen, zou gebiedend moeten zijn voorgeschreven.

Maar wel wordt beleden, dat de Sacramenten „van God zijn ingezet”, en voorts dat zij „niet ijdel nog ledig zijn”, maar „panden der goedwilligheid en genade Gods te onswaarts, zichtbare waarteekenen en zegelen van eene inwendige en onzienlijke zaak, door middel van welke God in ons werkt, door de kracht des Heiligen Geestes”. Welke belijdenis dan in onze Formulieren van eenigheid, en in het eerste deel van ons Doopformulier, nog uitvoerig ontwikkeld wordt, gelijk ieder weet of kan nazien.

Welnu, zoo was dan vanzelf de gevolgtrekking: wat God bevolen heeft, moet altijd zoo spoedig mogelijk volbracht worden, en de gelegenheid, om voor zijn kind dat goddelijk pand en zegel te verkrijgen, moet altijd zoo spoedig mogelijk begeerd en gegeven

|15|

worden. „Bij de allereerste gelegenheid”, zegt Voetius in het boven reeds aangehaalde woord, „wegens Gods bevel, en wegens de goddelijke verzegeling der Verbondsgenade door den Doop.”

Noodeloos uitstel, hetzij van den kant der ouders of wel van den kant der kerk, is geringschatting van Gods Woord, en van het goddelijk Bondszegel.

Zoo dacht men vroeger in onze kerken. Maar zoo dachten velen niet meer in het laatst van de vorige en in den aanvang van deze eeuw; bij de algemeene afwijking en het algemeen verval, onder den invloed van revolutie en rationalisme. Ook zonder dat men zich altijd daarvan bewust was, kwam bij vele predikanten de Gereformeerde belijdenis van den H. Doop op den achtergrond. Er werd meer gehecht aan de zoogenaamde „aanneming tot lidmaat.” En bij den Doop werd de hoofdzaak: niet Gods werk, Gods beloften, en het goddelijk pand; maar de verplichting der ouders, hunne beloften, en de treffende toespraak van een predikant. In één woord, men begon den H. Doop te beschouwen, niet zoozeer als een Bondszegel, maar veeleer als een „kerkelijke plechtigheid”.

En daar nu leer en kerkrecht, belijdenis en kerkelijke houding, tot elkander staan als theorie en practijk, zoo is zeker niet te verwonderen, dat die geringschatting van het Bondszegel ook werd overgebracht in de kerkelijke verordeningen.

Reeds de eerste Haagsche Synode van 1816 hield zich een oogenblik daarmede bezig; vooral om aan de volgende Synode op te dragen, dat deze ernstig zou letten o.a. „op eene meer stichtelijke en plechtige bediening van den H. Doop” (Handd. blz. 84).

Daarop werd in de Synode van 1817 door de rapporteerende commissie op dit punt o.a. gezegd:

„Zij zou aanraden, om de gelegenheid tot deze plechtigheid overal te verminderen, zooveel plaatselijke omstandigheden dit gedoogen. Daartoe zou de Synode kunnen gelasten, dat de Doop voortaan niet meer in de weekbeurten bediend wierd, en dat er op den Zondag in alle gemeenten zoo weinig kerken en beurten toe wierden afgezonderd, als met derzelver verschillende grootte bestaanbaar was. — Waar de talrijkheid der doopelingen de bediening van den Doop iederen Zondag niet noodzakelijk maakte, zouden de predikanten,

|16|

in overleg met hunne kerkeraden, op bepaalde tijden opzettelijke Doop-predikatiën kunnen houden, en de ouders liefderijk trachten te overreden, die af te wachten, ten einde daarin hun kroost aan te bieden. — Voorts zou het ongetwijfeld den indruk des Doops vergrooten, wanneer niet alleen de vader maar ook de moeder met het kind ten Doop kwam, er daartoe hare herstelling gerustelijk afwachtte; enz.” (Handd. blz. 71).

De Synode nam dit alles geheel over (Handd. blz. 79), en in dien geest werd toen de bekende circulaire van 11 Juli 1817 (in bijna alle reglementenboekjes te vinden) opgesteld.

In het volgende jaar moest de inhoud van de circulaire in werking treden. Maar reeds in 1819 was ter Synodale tafel een adres van den kerkeraad te Rotterdam, „houdende verzoek, tot wijziging der bepaling, waarbij de bediening des H. Doops in de week verboden wordt” (Handd. blz. 46 vv.). De daarbij aangevoerde gronden waren niet zeer principiëel; men zeide, dat het groot getal kinderen de stichting verminderde, dat de Doophekjes te klein waren, en dat schamele gemeenteleden nu werden afgeschrikt. De Synode vond die gronden dan ook niet genoegzaam, gaf een paar wenken om aan die bezwaren tegemoet te komen, en handhaafde haar verbod.

In diezelfde vergadering kwamen ook een paar adressen, verzoekende, dat de Synode gelasten zou, dat tot verhooging van de plechtigheid nergens meer zou mogen gedoopt worden, tenzij in opzettelijke Doopbeurten, in kleine gemeenten slechts twee malen jaars, enz. Waarop de Synode „hulde doende aan zulke heilzame en Christelijke bedoelingen, voor als nog zwarigheid maakte, verder te gaan dan de circulaire van 1817” (Handd. bladz. 47 vg.).

In 1820 was er, blijkens de rapporten, die inkwamen, aan die circulaire nog lang niet overal voldaan; waarop de Synode haar weer aandrong, hoewel met aanrading van voorzichtigheid bij de uitvoering (Handd. blz. 100-102).

In 1820 was er weder een verzoek om vergunning tot Doopsbediening in de week, ditmaal van het Class. bestuur van Rotterdam, op grond eener klacht van den kerkeraad van Schiedam, waar het verbod aanleiding had gegeven tot een overgang naar de Roomsche kerk (Handd. blz. 50). De Synode besloot daaraan

|17|

tegemoet te komen, door bepaling van de uitzondering, die thans in art. 14 van het Synodaal Reglement voor de kerkeraden gelezen wordt; maar bleef voorts het gegeven verbod streng handhaven. En waarom zij dat deed, kan worden afgeleid uit de drie motieven, die de rapporteerende Commissie aanvoerde tegen de gevraagde vergunning:

„Vooreerst toch zou daardoor het loffelijk doel der Hooge Vergadering, om de Doopsbediening zeldzamer en plechtiger te maken, worden tegengewerkt; en integendeel nieuw voedsel worden gegeven aan de bijgeloovige begrippen omtrent deze plechtigheid, die nog maar al te veel, ook in onze Protestantsche kerk plaats hebben.
Ten tweede, zou noodzakelijk langs dien weg de achting voor de Hoog-Eerw. Synode en derzelver besluiten worden verzwakt. De predikanten in onze voornaamste steden, daar de Doop in de week veelvuldig plaats had, zullen erkennen, dat het verbod daartegen in het begin, eenig opzien baarde. Thans is men, door standvastig handhaven van het Synodaal besluit, eindelijk zooverre gekomen, dat de gemeenten daaraan gewoon zijn geworden; en nu zullen zij vernemen, de Doop mag weder in de week worden bediend! Zullen de leden der gemeente niet in grooten getale (want dit wordt vroeger of later het geval) van deze vrijheid gebruik maken; zal de verdenking van zwakheid en te groote toegeeflijkheid niet alsdan de Hooge Kerkvergadering in het oog der gemeenten zelve vernederen; zal dezelve niet daardoor, bij volgende besluiten en verordeningen, haren invloed verliezen; en zal dit zelfs, voor den Godsdienst, voor welke de achting dikwerf tegelijk met die voor hare bedienaren daalt, niet nadeelig kunnen worden?
Ten derde, deze maatregel zou alleen voor de voorname steden, en zelfs daar nog maar gedeeltelijk, en geheel niet op het platte land, doel kunnen treffen, enz.” (Handd. blz. 57 vg.).

Die motieven, waarop critiek thans wel overbodig is, werden natuurlijk niet openbaar gemaakt; de Synoden meenden destijds wel te kunnen volstaan met de eenvoudige mededeeling harer beschikkingen. En zoo was het den Rotterdamsche kerk niet kwalijk te nemen, dat van harentwege in 1822 bij vernieuwing verzocht werd, althans eenmaal in de week doopsbediening te mogen hebben. Toch was de Synode er blijkbaar verstoord over. Kort en goed werd het

|18|

aanzoek „van de hand gewezen;” en de besturen, door wier handen het gekomen was, werden verzocht, „te zorgen, dat de Synode niet wederom door dit aanzoek, als waaromtrent zij zich bij herhaling heeft verklaard, worde lastig gevallen” (Handd. blz. 101).

Daar alle besturen hiervan uit de „Handelingen” kennis kregen, en geen kerkeraad rechtstreeks stukken naar de Synode kon zenden, zoo ligt in den aard der zaak, dat nu langen tijd geen adressen te dier zake meer inkwamen, ook al zouden kerkeraden ze hebben willen opzenden. Eerst in 1844 kwam er weer een daartoe strekkend verzoek, ditmaal van den kerkeraad van Amsterdam, aangedrongen door het Classikaal en Provinciaal bestuur, en gemotiveerd door de overweging, „dat het aantal kinderen, welke ten Doop gebracht worden, meermalen zoo groot is, dat alle stichting schipbreuk lijdt op de twintig- en dertigmalige herhaling van dezelfde formule.” De Synode echter achtte „het overbrengen van deze plechtigheid op een weekdag” evenmin stichtelijk; wilde dat de kerkeraad van Amsterdam andere maatregelen voor de stichting zou nemen en handhaafde haar vroeger verbod (Handel. blz. 136, 223 en 297).

Intusschen waren die vroeger genomen besluiten nog altijd niet opgenomen in de eigenlijke Reglementen. Maar ook daartoe werd besloten in 1856 (Handd. blz. 115), zoodat nu ook kon worden gesproken van „reglementaire” geldigheid.

Na dien tijd is er nog maar eens op verandering aangedrongen, en wel in 1876, door de Classe van Amsterdam. Deze stelde voor, in de reglementaire bepaling de uitdrukking „op den Zondag” te veranderen in „bij voorkeur op den Zondag”, zoodat er ook gelegenheid zijn zou tot Doopsbediening in de week. Ten voordeele van die wijziging voerde zij aan:

1º „dat ook in dit opzicht aan de kerkeraden zooveel mogelijk vrijheid wordt verleend; 2º. dat een dergelijke bepaling niet in strijd is met de leer of voormalige verordening der Gereformeerde kerk; 3º. dat met name in de gemeente Amsterdam bij sommige leden der gemeente afkeerigheid heerscht tegen het gebruik van rijtuig op den Zondag; 4º. dat het plicht is zooveel mogelijk elk gemoedsbezwaar op te heffen; 5º. dat voor 11 Augustus 1856 in de gemeente van Amsterdam op een anderen dag der week gelegenheid tot doopen

|19|

bestond; en 6º. dat zeker in andere gemeenten dergelijke bewaren gevoeld worden”. (Handd. blz. 88).

Maar ook thans „kon de Synode in het voorstel niet treden, om reden vooral, dat de uitzonderingen zich hier zoo zeer zouden kunnen vermenigvuldigen, dat het in het artikel beoogde doel om de doopbediening, behoudens de in het artikel vermelde noodzakelijke uitzondering, te doen plaats hebben in die samenkomsten, waar alle leden der gemeente gelegenheid hebben tegenwoordig te zijn, geheel verijdeld zou kunnen worden” (Handd. blz. 393); overeenkomstig het advies van de minderheid der rapporteerende commissie, „naar wier meening eene al te veelvuldige herhaling der Doopsbediening, inzonderheid eene Doopsbediening in eene weinig bezochte godsdienstoefening in de week, niet anders dan nadeelig zijn kan voor den indruk door deze plechtigheid teweeg gebracht” (Handd. blz. 89). En om die reden, die als de eenige genoemd wordt, moesten dus de Zondagsche Doopbeurten, die in Amsterdam juist gemaakt hadden dat de gemeente geheel van de Doopsbediening wegbleef, daar ter plaatse in stand blijven.

De eigenlijke reden lag natuurlijk hierin, dat de Heilige Doop voor die heeren niet „een van God ingesteld Bondszegel” was, maar alleen „eene kerkelijke plechtigheid.” En een paar jaren vroeger, in 1874, was dat in de Synodale vergadering ook ondubbelzinnig uitgesproken. Er was toen eene klacht ter tafel, naar aanleiding van het feit, dat de Waalsche kerkeraad van Breda aan een Jood vergund had, zonder Doop in de gemeente te worden opgenomen; van welke vergunning de bedoelde persoon zijne toetreding had afhankelijk gemaakt, „oordeelende hij, als vijand van alle formalisme, dat waar de realiteit in casu zijner toetreding tot en opneming in de gemeente bestond, het symbool, hoe gepast ook, kon achterwege blijven.” De daarover rapporteerende commissie nu gaf toe, dat de Doop in onze kerk niet verplichtend is, want er was geen bepaald voorschrift in de reglementen. Intusschen keurde zij de handelwijze van den Bredaschen kerkeraad af, en vond zij het behoorlijk, dat een Jood, die overging, gedoopt werd, omdat „de Doop is de algemeen aangenomene, beteekenisvolle inwijdings-ritus in de Christelijke

|20|

kerk.” Maar juist omdat hij slechts „symbool is, en niet te verwarren met de zaak zelve”, geheel gelijkstaande met „de handoplegging van een predikant op zijn eerste standplaats”, achtte zij ten slotte voor den bedoelden persoon den Doop niet meer noodig. De Synode zelve kon zich daarna met eene exceptie van alle beslissing onthouden. Maar van de voorafgaande beraadslagingen wordt toch nog vermeld, dat „de meeste leden zich vereenigden met de beschouwingen der commissie over de zaak zelve, en slechts enkele leden eene zachtere of zelfs eene goedkeurende beoordeeling van het vermelde besluit van den Bredaschen kerkeraad voorstonden”, (Handd. blz. 131-134 en 163).

Bij zulke opiniën nu spreekt het wel vanzelf, dat men eene veelvuldige Doopsbediening zooveel mogelijk tegengaat, en dat men, het wezen der zaak verloren hebbende, dat verlies zoekt te vergoeden door uitwendigheden, en den hoogsten nadruk legt op het „statelijk en plechtig”.

Daarom heeft de Synode er dan ook nooit toe kunnen besluiten, haar verbod om, behoudens twee uitzonderingen, niet anders dan op Zondag te doopen, weer in te trekken. Dit slechts kan ten slotte, ten haren gunste, nog gezegd worden, dat zij in de laatste jaren feitelijk verklaard heeft, voortaan dat verbod niet te zullen handhaven. Voor een drietal jaren is in ’s Gravenhage zelve dat verbod overtreden; en geen kerkelijk bestuurslid zou te dien aanzien onwetendheid kunnen voorwenden, want die Doop aan een kind uit ons Koninklijk Huis was aan ieder bekend. Toch is er toen door niemand aan gedacht, om den predikant, die dien Doop bediend had, te vervolgen of ook zelfs maar eenigszins lastig te vallen. En daar nu zonder grond niet van bestuursleden ondersteld mag worden, dat zij met twee maten zouden meten, zoo is door hun aller stilzwijgen toen genoegzaam betuigd, dat men, ja, het verbod nog in de Reglementen wil laten staan, maar toch op de handhaving niet zal aandringen.

Uit de geschiedenis, die we daar in hoofdtrekken schetsten, blijkt o.a. duidelijk, dat de Doopsbediening in de week is afgeschaft, inzonderheid ten gevolge van miskenning van het Bondszegel ; en dat die afschaffing is gehandhaafd, doordat zulke miskenning tot geringschatting en loochening overging. Veilig kan

|21|

men daar nog bijvoegen, dat zij bij de gemeente zelve zulke geringschatting ontzettend heeft in de hand gewerkt. Het is waarlijk geen wonder, dat de gemeente voor de Doopsbediening hoe langer hoe onverschilliger is geworden, en dat in toenemende mate de Doop nog slechts begeerd wordt uit gewoonte of om wereldsche redenen. Immers, de gemeente wordt gevormd en onderwezen, niet slechts door het gesprokene woord, maar ook door de kerkelijke praktijk ; en wanneer er strijd is tusschen die beide, dan heeft zelfs de praktijk op den duur den meesten invloed. Zeg, wat ge wilt, over de hooge beteekenis en de groote waarde van het door God ingestelde Bondszegel; indien ge ter zelfder tijd den Doop verbiedt, als de samenkomst der gemeente toch gelegenheid geeft dien te ontvangen, en dus tot noodeloos uitstel dwingt, dan zal al uwe leering krachteloos blijken. Als een aardsche koning iets beveelt, en als voor wereldsche goederen een bewijs en onderpand te verkrijgen is, dan zal ieder zich wel haasten zooveel hij kan. En wanneer nu bij den Doop de gemeente zulken haast, tengevolge van de kerkelijke praktijk, wel moet afleeren, dan leert zij daarmede tevens af, te gelooven, dat de Doop voor hare kinderen een van God ingesteld Bondszegel is. Ongeveer op dezelfde wijze, als waarop haar wordt ingeprent, dat de Doop niet tot zaligheid noodig is, doordat in de kerkelijke praktijk eigenlijke huisdoop en nooddoop niet wordt toegelaten.

Indien dus de gemeene hare belijdenis omtrent den H. Doop zal blijven gelooven, of tot dat geloof weer zal worden teruggebracht, dan moeten onze kerkeraden er voor zorgen, dat de gelegenheid tot Doopsbediening zoo veel mogelijk worde opengesteld, elken Zondag en ook bij samenkomsten der gemeente in de week.

Niet alsof liet nu bijzonder Gereformeerd zou zijn om juist in de week een kind te doen doopen. Het ligt in het geheel niet aan den dag, en wanneer men van eene Doopsbediening op Zondag reeds kan gebruik maken, zou het zelfs zeer ongereformeerd zijn, tot een weekdag nog te wachten. Maar de gemeente moet er weer aan gewend worden, „het Verbond Gods aan de kinderen te doen bezegelen, zoo haast men de bediening des Doops hebben kan”.

Daarbij zal zonder twijfel moeten gerekend worden met onderscheiden omstandigheden, als b.v. dat het tegenwoordig geslacht,

|22|

ook in zijne kinderen, naar het lichaam niet zoo sterk is als ons voorgeslacht; dat de gewoonte, ook de verkeerdelijk aangenomen gewoonte, tot eene tweede natuur wordt, en dus niet op eens weer veranderd kan worden; en vooral ook, dat „de affectie der ouderen, die den Doop haerder kinderen begeeren uyt te stellen, ter tydt toe, dat de moeders zelve hare kinderen presenteren”, welke affectie, sinds de reformatie, tot in deze eeuw, steeds beschouwd is als „geen wettelycke oorsake om den Doop uyt te stellen” (Dordtsche Kerkenordening van 1574, art. 57) thans sedert bijna 70 jaren voortdurend zooveel mogelijk is gevoed en gesterkt.

Maar dat alles mag toch niet afschrikken van de heilige roeping van predikanten en kerkeraden, om den Doop te handhaven als van God ingesteld Bondszegel, niet alleen met woorden, maar ook in de praktijk; en om krachtig zich te verzetten tegen alle praktijken, die, beginnende met miskenning en geringschatting, er ten slotte vanzelf wel toe moeten leiden, dat de kerk van haar Bondszegel wordt beroofd.

Reeds voor 30 jaren schreef J.A. Wormser (over den kinderdoop, blz. 11) „Leer de natie haren doop verstaan en waardeeren, en kerk en Staat zijn gered”. Wie het eens is met dat woord, dat ook onze Groen van Prinsterer zoo gedurig met instemming overnam, die bedenke, wat er dus wel volgen moet, wanneer onze natie zal geleerd hebben, haren Doop te miskennen en gering te schatten; en hij doe in deze, wat zijn hand vindt om te doen.

Rutgers, F.L. (1922) 87

87. Moeten de kinderen den eersten Zondag na de geboorte gedoopt worden, of mag men op het herstel der moeder wachten?

 

(1896.)

143. In art. 56 der K.O. is de uitdrukking „zoo haast men den Doop hebben kan” wel naar aanleiding van oppositie tegen de Dooperschen en afkeuring van uitstel (om Doopouders of om getuigen) in de K.O. gekomen, en dus ten deele uit die omstandigheden te verklaren, maar toch niet geheel. In zóóver verschil ik dus zooveel niet van ’t geen door prof. Kuyper en Ds. Sikkel er

|23|

over gepubliceerd is. Maar wel verschil ik hierin, dat ik een uitstel van 2 à 3 weken, totdat de moeder hersteld is, geen onnoodig uitstel noem, waaruit geringschatting van den Doop zou blijken. Daarvoor is in onzen tijd de beschouwing van de menschen over de tegenwoordigheid der moeder te veel gewijzigd. En dat blijkt ook wel uit de praktijk. B.v. hier in Amsterdam zijn in de laatste 9 jaren, in onze Geref. kerk B, zeker 4 à 5000 kinderen gedoopt; maar nauwelijks 1 op de 100 binnen de 14 dagen; en bijna altijd, als de moeder er ook bij was. En noch de kerkeraad, noch iemand in den kerkeraad heeft daarop ooit aanmerking gemaakt. En zoo is het zeker elders ook. — Men moet zonder twijfel het „zoo haast mogelijk” blijven voorhouden. Maar, vooreerst, zijn in onzen tijd de kinderen zwakker dan in vorige eeuwen, zoodat het niet altijd geraden is, hen de eerste dagen uit de kraamkamer in de kerk te brengen. En dan ook vind ik niet af te keuren, dat de moeder er gaarne bij is, en zou ik daarmede dan ook willen rekenen.

 

(1912.)

144. Wat ge in uw schrijven mij vraagt, is eigenlijk, dat ik de oude en nog geldende bepaling, volgens welke de Doop aan de kinderen des Verbonds te bedienen is, zoo spoedig als men dien Doop in de kerk verkrijgen kan, — historisch en dogmatisch en kerkrechtelijk voor u zal toelichten. Dit nu is in het bestek van eèn brief wel niet mogelijk. Daarvoor is dit punt veel te omvangrijk. Dus nu slechts een paar opmerkingen geheel in het algemeen.

In onze Geref. kerken is van de 16e eeuw af de Doop altijd zoo spoedig mogelijk aan de kinderkens bediend; vaak zelfs op den 2en of 3en dag na de geboorte, en in ieder geval nog binnen de 8 dagen. In alle oude Doopboeken is dit te zien. Uitzonderingen, door lateren Doop, zijn zeldzaam. En dit steunde vooral op de erkentenis, dat de Doop een Bondzegel is van Gods wege, waarop de kinderen des Verbonds recht hebben, en waarvan de bediening dus niet zonder noodzaak mag worden uitgesteld; welk uitstel gehouden werd voor eene geringschatting van den Doop.

|24|

In het laatste der 18e eeuw is die juiste beschouwing bij velen op den achtergrond getreden, zoodat de Doopsbediening beschouwd werd, niet zoozeer als een goddelijk „zegel”, maar bijna alleen als een „teeken”, terwijl in verband daarmede het zwaartepunt niet meer was wat God aan de kinderen doet, maar wat de ouders daarbij beloven en wat de kerk doet door de opneming. En in ’t begin der vorige (19e) eeuw heeft de Synode van het Herv. Kerkgenootschap dat zeer bevorderd, door aan te dringen op zeldzame Doopsbediening, opdat daardoor het plechtige van die „plechtigheid” (gelijk men het noemde) zou verhoogd worden. En omdat nu het zwaartepunt verlegd werd van Gods doen op het doen der menschen, werd er nu ook op aangedrongen, dat de moeder mede zou tegenwoordig zijn en de vragen beantwoorden (al was dit natuurlijk overbodig).

Nu dit eenmaal, in de vorige eeuw, volksgewoonte geworden is, en het aan het gevoel der moeders zeer in het gevlei komt, gaat het niet aan, zulks door kerkelijke dwangmiddelen te willen veranderen. Men kan en moet er wel op aandringen, den H. Doop toch te beschouwen als een goddelijk Bondzegel; en hoe meer die beschouwing ingang vindt, des te minder zal de Doop worden uitgesteld. Maar verder dan onderwijzing en vermaning moet een kerkeraad in dezen toch niet gaan. Eene volksgewoonte, waarvoor ook wel eenig motief is, gaat niet licht uit de wereld, vooral niet als zij niet bepaald „zondig” kan genoemd worden. „Zonde” zou er alleen dan zijn, wanneer de beteekenis van den Doop als goddelijk Bondzegel werd geloochend of ter zijde gesteld. Dit is b.v. hier in Amsterdam zeker nier het geval; en toch wordt hier in onze kerk, ondanks onderwijzing en vermaning, de Doopsbediening doorgaans nog uitgesteld tot 3 à 4 weken, als wanneer ook de moeder er bij is, en dan natuurlijk als moeder de Doopvragen mede beantwoordt.

Rutgers, F.L. (1922) 88

88. Mag een aangenomen kind of een stiefkind gedoopt worden, indien de ouders niet tot de Gereformeerde kerk behooren, of niet tot het H. Avondmaal zijn toegelaten?

|25|

(1897.)

145. Omtrent de in uw schrijven bedoelde Doopquaestie weet ik, ondanks uwe inlichtingen, nog niet genoeg om een volledig en beslist advies te kunnen geven.

Zoo b.v. weet ik niet, of de overleden moeder van het bedoelde kind lid was der Geref. kerk en tot het Avondmaal toegelaten; noch ook, of de vader in de Geref. kerk gedoopt is, en, kerkelijk verder ongemoeid gelaten, dus nu nog door haar als lid, zij ’t ook onmondig lid, beschouwd wordt.

Ik zal nu maar onderstellen, dat dit laatste het geval is, en dat voorts de moeder niet tot het Avondmaal was toegelaten.

De moeielijkheid ontstaat dan hierdoor, dat de kerk dien vader, ook toen hij tot jaren van onderscheid kwam, maar geen belijdenis deed, eenvoudig zoo heeft laten voortleven, en als lid der kerk (zij ’t ook onmondig) is blijven beschouwen en behandelen. Dat moest eigenlijk niet geschied zijn; gelijk Prof. Bavinck en ik, in ons rapport aan de Middelburgsche Synode van 1896 hebben trachten duidelijk te maken.

Maar nu het geschied is, heeft men daarmede te rekenen. En wanneer die vader dan voor zijn kind den Doop vraagt (zij ’t ook door middel van anderen), dan moet hij in dezen beoordeeld worden, niet naar 't geen in ’t oog van particulieren (zij ’t ook van velen, of van allen) omtrent hem te denken is, maar naar zijn kerkelijken staat; en als deze nog ongerept is, met welk recht zou men hem dan weigeren zijn kind te doopen ? — Omdat de kerkeraad oordeelt dat hij zich genoegzaam als een ongeloovige openbaar maakt? Maar dan had de kerkeraad op dien grond reeds lang alle gemeenschap tusschen hem en de kerk moeden afbreken. Dit niet gedaan hebbende, kan de kerkeraad niet terzelfder tijd doen, alsof hij het wel gedaan had.

Intusschen moet er natuurlijk ook waarborg zijn voor eene Christelijke opvoeding. Die zou er zeker zijn, indien de door u genoemde pleegouders daarover eenig zeggenschap hadden. Maar — het kind is hun niet afgestaan, dan voor zoolang de vader (of bij diens overlijden, de voogd) het wil. Een ander soort van afstand is bij een kind niet mogelijk. Als de vader het morgen terugeischt, moeten de pleegouders het aanstonds afgeven; ook

|26|

al waren er acten van afstand enz.; want deze zijn onwettig en dus ongeldig. — Waarborg kan er dus alleen zijn in de verklaring des vaders, dat hij, voor zooveel aan hem staat, dat kind bij die pleegouders zal laten. En al heeft de vader dan ook de macht, op die verklaring terug te komen, het is toch zóóveel als hij kan geven, en het kan m.i. voor den kerkeraad dan ook volstaan.

De zaak wordt natuurlijk geheel anders, wanneer de vader buiten eene Geref. kerk gedoopt is, en wanneer de moeder er ook niet toe hoorde. En zij wordt ook geheel anders, als de moeder tot het Avondmaal in een Geref. kerk was toegelaten. — Maar, gelijk ik reeds zeide, ik ging uit van de onderstelling, dat dit niet zoo was.

In ieder geval echter moet de vader formeel verklaren dat hij het kind gedoopt wenscht te hebben en het aan de bedoelde pleegouders toevertrouwt. En hij moet ook begrijpen dat niet die pleegouders het kind laten doopen, maar dat hij zelf dit laat doen.

 

(1901.)

146. In het door u genoemde geval schijnt mij nog al moeielijk, het bedoelde kind ten Doop toe te laten, reeds omdat de ouders, geen van beiden, tot de Geref. kerk behoorden of behooren. Immers, de vader is onbekend en de moeder behoort formeel tot de „Herv. kerk”. Ook de voldoende waarborg voor de Christelijke opvoeding zou hier niet aanwezig zijn, daar die in deze moeder niet te vinden is, en ook niet in haar tegenwoordigen man, ofschoon die het kind als het zijne aannam; want die man, ofschoon tot de Geref. kerk behoorende, is naar uwe mededeeling, nog niet tot belijdenis en Avondmaalsviering gekomen, en gedraagt zich in zijn wandel dus ook niet als een kind des verbonds, en als een aan Christus’ ordinantie gehoorzaam kerklid. Dit bezwaar echter zou nog kunnen ondervangen worden door het eischen van een Doopgetuige. Maar dat helpt niet voor het bezwaar tegen de ouders. Hierin zou slechts dan voorzien zijn, als de moeder zich formeel voegde bij de Geref. kerk, door zich daarvoor aan te melden en onder het opzicht te stellen van den kerkeraad, die dan natuurlijk

|27|

allereerst schuldbelijdenis van haar zou moeten verlangen, en voorts de belofte, (van wier ernst de kerkeraad zich ook genoegzaam zou te overtuigen hebben, b.v. door een proeftijd), zich door catechiseeren enz. tot het doen van belijdenis te zullen voorbereiden.

Ziehier in het kort mijn gevoelen.

 

(1910.)

147. Ge schrijft mij over een aanvrage om Doopsbediening van een 10 jarig kind, waarvan de overleden vader lid was der Geref. kerk (maar hoewel als kerkganger zich aansluitend, toch geen belijdend lid), de nog levende moeder eveneens (ook geen belijdend lid, maar ter catechisatie komend), en de stiefvader, die nu als hoofd van dat gezin de opvoeding van zijn stiefkind heeft te regelen, niet alleen lid is der Geref. kerk, maar ook tot het Avondmaal toegelaten. En ten aanzien van die aanvrage schrijft ge verder, dat er in uwen kerkeraad „verschil van gevoelen” is, en vraagt ge nu mijn „advies.”

Maar ge deelt mij niet mede, waarover „verschil van gevoelen” is, en wat nu de quaestie is, waarover ge mijn advies vraagt. En inderdaad kan ik niet gissen, wat hier eigenlijk quaestieus zou zijn.

Het bedoelde kind zal toch wel door ieder beschouwd worden als te zijn van Christelijke afkomst, als „het Zaad der kerk”, zoodat het niet mag behandeld worden, alsof het een kind van twee Joden of Heidenen was, maar recht heeft op den Doop.

Het kan ook wel niet twijfelachtig zijn, dat de Gereformeerde kerk (en niet de Hervormde of Roomsche of andere kerk) daarvoor is aangewezen.

Evenmin is onzeker, dat hier voldoende waarborgen zijn voor de opvoeding van het kind in de Gereformeerde belijdenis en voor de Geref. kerk; reeds door de stipulatie, die bij het beantwoorden der Doopvragen door den stiefvader met de kerk wordt aangegaan.

En ook kan er geen bezwaar zijn in den leeftijd van het kind, daar een 10 jarige slechts bij zeer zeldzame uitzondering (en dan nog alleen in Zuidelijke landen) kan geacht worden op eigen

|28|

belijdenis tot het Avondmaal te kunnen worden toegelaten. Op dien leeftijd is de Doop nog de gewone kinderdoop.

Bezwaar zou er alleen zijn. wanneer dat kind, hoe jong ook, toch reeds blijken gaf van beslist ongeloof en van hardnekkig verzet tegen de waarheid; ’t geen op zulk een leeftijd wel uiterst zeldzaam is, maar toch kan voorkomen; en te dien aanzien moet kerkeraad zich dus genoegzaam vergewist hebben, dat het kind niet door zulk een boozen geest wordt bezield en gedreven.

Anders weet ik waarlijk niet, wat hier zou te vragen zijn. 

 

(1915.)

148. Om in het geval, waarover uw brief mij schrijft, een volledig en beslist advies te kunnen geven, zou ik van de daarbij betrokken personen en omstandigheden meer moeten weten, dan ’t geen uwe mededeelingen mij kunnen leeren.

Intusschen schijnt mij ook daaruit wel te blijken, dat het bedoelde kind recht heeft op den Christelijken Doop, en dat de Gereformeerde kerk geroepen is dien te doen bedienen.

Immers, al was, en is, de moeder ongedoopt, de overleden vader was wel gedoopt en was misschien ook wel belijdend lid; waarbij dan voor deze quaestie niet ter zake doet, dat hij behoorde tot een anderen kerkengroep dan de Gereformeerde; want ook buiten onze kerken worden alle Christelijke gedoopten terecht beschouwd als binnen het Christelijk erf geplaatst. Reeds daarom zou dan het kind van dien vader te beschouwen zijn als „het zaad der kerk”, en als „kind des verbonds” recht hebben op den Christelijken Doop.

En het andere vereischte, om in onze kerk tot den Doop te worden toegelaten, n.l. voldoende waarborg voor de opvoeding in en voor de Geref. kerk, is hier zeker ook aanwezig, omdat de stiefvader van het kind belijdend lid is onzer Geref kerk.

De leeftijd van het kind is natuurlijk ook geen bezwaar, daar althans vóór het einde van het 15e levensjaar (naar den ouden regel onzer kerken) openbare belijdenis en toelating tot het Avondmaal zeldzaam is; en dus vóór dien leeftijd de Doop nog een

|29|

kinderdoop zijn moet. Alleen dan zou er bezwaar zijn, wanneer bij zulk een kind van 6-15 jaar reeds bewust verzet tegen de waarheid zich onmiskenbaar openbaarde; ’t geen op zoo jongen leeftijd wel zeer zeldzaam is, maar toch kan voorkomen.

Over de moeder schrijft ge mij alleen, dat ze vrij geregeld ter kerke gaat. M.i. moet nu ook op deze gewerkt worden, dat zij, zoo mogelijk ook spoedig kome tot belijdenis en toelating tot Doop en Avondmaal.

 

(1916.)

149. Om op uwe vraag een volledig en beslist advies te kunnen geven, zou ik van de bij dit geval betrokken personen en omstandigheden meer moeten weten, dan uw brief mij kon mededeelen.

Voor zooveel ik nu met de zaak bekend ben, is mijn gevoelen, dat de door u bedoelde kinderen in de Gereformeerde kerk niet tot den H. Doop kunnen worden toegelaten, reeds omdat alle waarborg ontbreekt voor eene Christelijke opvoeding in de Gereformeerde kerk, aangezien degenen, die de ouderlijke macht over die kinderen hebben, ten allen tijde die macht kunnen uitoefenen, zonder dat de pleegouders daartegen eenig verweer hebben; ook niet in een zoogenaamde „overdracht” of acte van afstand, die in rechten toch niets beteekent. Ouders behouden altijd hunne ouderlijke macht, als zij niet door een rechterlijk vonnis daaruit ontzet zijn; in welk laatste geval die macht dan op den benoemden voogd overgaat.

Ziedaar zeer in het kort mijn oordeel; altijd voor zooveel ik de zaak nu kan beoordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 89

89. Mag een kind, waarvan men niet weet of de ouders Christenen zijn, gedoopt worden op verzoek van een pleegvader?

 

(1914.)

150. Voor de toelating van een kind tot den H. Doop moet een kerkeraad genoegzaam overtuigd zijn van twee dingen: 1º. dat

|30|

het kind te beschouwen is als „het zaad der kerk” en dus als een „kind des verbonds;” en 2º. dat er voldoende waarborg is voor de opvoeding van het kind als lid der Gereformeerde kerk. Waar die twee dingen aanwezig zijn, heeft het kind recht op den Doop, zoodat geen Gereformeerde kerkeraad dien zou mogen weigeren. Maar waar ten aanzien van die twee dingen, of van één van beiden, alleszins reden is tot onzekerheid, of zelfs tot zekerheid van het tegendeel, moet met de Doopsbediening gewacht worden totdat het kind in staat is, op eigen geloofsbelijdenis tot de kerkelijke gemeenschap te worden toegelaten.

Voor zooveel ik het door u genoemde geval uit uwe mededeelingen kan beoordeelen, komt het mij voor, dat op beide die punten aan de genoemde vereischten nog al veel ontbreekt.

Wat het eerste punt betreft : de vader van het (onechte) kind is onbekend, en indien de moeder inderdaad, gelijk men meent te weten, ongedoopt is, dan staat deze zelve geheel buiten het Christelijk erf; terwijl ook dat ongedoopt zijn geen gunstig vermoeden geeft omtrent het gezin waaruit zij afkomstig is. Wegens dat ongedoopt zijn der moeder is dus wel zeer twijfelachtig, of het kind als een kind des verbonds te beschouwen is.

En het tweede punt is niet minder twijfelachtig. Wel zou de tegenwoordige pleegvader van het kind, naar uwe mededeelingen, een betrouwbaar Doopgetuige zijn voor de stipulatie met de kerk in zake de Christelijke opvoeding. Maar die pleegvader heeft, voor zooveel ik de zaak kan beoordeelen, geenerlei recht over het kind. Als de moeder het weêr opeischt, moet hij het haar weder afstaan (tenzij deze moeder bij rechterlijk vonnis uit de ouderlijke macht is ontzet; waarvan ge mij echter niets schrijft).

Ziedaar in het kort een paar opmerkingen als antwoord op uwe vragen.

Rutgers, F.L. (1922) 90

90. Mogen kinderen, wier ouders uit de ouderlijke macht ontzet zijn, en al dan niet ook geëxcommuniceerd, op verzoek van hun Gereformeerden voogd gedoopt worden?

|31|

(1909.)

151. Hiernevens zend ik het door u mij gezonden authentieke afschrift van een uitspraak der X-sche rechtbank aan u terug. 

Hieruit is duidelijk, dat de vader van het door u bedoelde kind wettiglijk van zijne voogdij is ontheven, en dat gijzelf wettiglijk tot voogd zijt benoemd, zoodat thans, niet meer de vader, maar gijzelf, over de opvoeding van dat kind alle macht en beslissing hebt. 

Na inzage van dat stuk kan m.i. de kerkeraad der Geref. kerk dan ook geen bezwaar maken om uwe presentatie van dit kind en uwe stipulatie bij het beantwoorden der Doopvragen als voldoende te erkennen. Zelfs zou in dit geval een verklaring en belofte van den vader niet voldoende zijn, aangezien deze zijne voogdijmacht over dat kind wettiglijk verloren heeft. Als waarborg voor de Geref. opvoeding is hier uwe verklaring en belofte noodig, en die is dan tevens ook voldoende.

Daar nu voor het overige wel geen twijfel zijn kan, of dit kind is inderdaad van Christelijke afkomst (al behooren of behoorden ook de beide ouders tot de Herv. kerk), zoodat het als „zaad der kerk” recht op den Doop heeft, zie ik niet, op welken grond een Geref. kerkeraad dien Doop zou kunnen weigeren.

De „Hervormde” kerkeraad zou het moeten weigeren, juist omdat de macht over de opvoeding in uwe handen is, en gij dit kind in de Geref. kerk en belijdenis wilt opvoeden. Maar om dezelfde reden hoort dit kind voor den Doop dan ook thuis in de Geref. kerk.

 

(1909.)

152. Ge vraagt mijn gevoelen over hetgeen uwen kerkeraad te doen staat, nu voor twee kinderkens van geëxcommuniceerde ouders de Doop bij hem is aangevraagd.

Over dit punt is veel gehandeld, vooral in de 16e en 17e eeuw, door Gereformeerde schrijvers, van Calvijn af, en in vergaderingen van Gereformeerde kerken, hier te lande, in Frankrijk, in Schotland, enz. En dan in onderscheiden zin; zoodat nu eens vóór, dan weer tegen de toelating van zulke kinderen geadviseerd of besloten is. 

Die tegenstrijdigheid van gevoelens had wel meest tot oorzaak,

|32|

dat bij deze zaak de omstandigheden zeer verschillend kunnen zijn. En in die onderscheidene gevallen is dan vaak zeer onderscheidenlijk te oordelen.

Daarom kan ik voor het geval, dat zich nu in uwe gemeente voordoet, dan ook geen beslist en volledig advies geven; want ik ben met de omstandigheden niet genoeg bekend, en ook niet met de personen die daarbij betrokken zijn.

Zoo b.v. weet ik niet, waarom de hier bedoelde ouders den Doop hunner jongste kinderen in de Gereformeerde kerk aanvraagden, en in het algemeen, hoe zij thans tegenover die kerk staan. En evenmin kan ik beoordeelen, of de uiterste remedie der excommunicatie terecht op hen is toegepast; althans op den man, die wegens moedwillig verzuim van den dienst des Woords en der Sacramenten geoordeeld is, bewijs te hebben gegeven van buiten Gods verbond te staan.

In het algemeen geldt als vereischte om een kind tot den Doop toe te laten, vooreerst, dat het kind moet geacht worden tot „het Zaad der kerk” te behooren, en ten tweede, dat er genoegzame waarborg is voor opvoeding in de Geref. belijdenis en kerk.

Aan dit tweede vereischte is hier natuurlijk voldaan, omdat de ouders, volgens uwe mededeeling, wettelijk uit de voogdij ontzet zijn, en de Geref. diakonie voogd.

Maar ten aanzien van het eerste vereischte schijnt mij hier wel bezwaar te zijn, daar deze kinderen geboren zijn, nadat de kerkeraad geoordeeld had, dat beide de ouders bewezen hebben, buiten Gods Koninkrijk te staan, en stellig daarom geëxcommuniceerd werden.

Intusschen herhaal ik, dat ik niet genoeg gegevens heb, om dit geval beslist te beoordeelen.

Over de quaestie zelve zou voorts nog veel te zeggen zijn; Voetius gebruikt, in zijn handboek voor kerkrecht, niet minder dan 7 bladzijden, om deze quaestie eenigszins toe te lichten; en natuurlijk kan ik in een brief dat alles niet behandelen. Bij twijfel, in een voorkomend geval, acht ik in den regel zaak, den Doop uit te stellen, totdat de kinderen, op 15 of 16 jarigen leeftijd, zelven belijdenis des geloofs kunnen doen.

Rutgers, F.L. (1922) 91

|33|

91. Kunnen bij den Doop van kinderen, die onder voogdij der diakonie staan, nog „getuigen” toegelaten worden?

 

(1909.)

153. Wat punt 2 betreft, is m.i. zeker de voogd, d.i. de diakonie (door één der diakenen) aangewezen om voor de bedoelde kinderen den Doop aan te vragen en door het beantwoorden der vragen de stipulatie aan te gaan, als getuige. Maar indien de grootvader dier kinderen een onbesproken lid der kerk is en zich die kinderen blijkbaar aantrekt, zou het misschien overweging verdienen, ook hem te vragen, als tweede getuige de stipulatie aan te gaan. Noodig is dat zeker niet; maar als grootvader heeft hij toch wel zulke relatie en zulken invloed op die kinderen, dat het goed kan zijn, hem zooveel mogelijk hierin te kennen.

 

(1910.)

154. Voor zooveel ik de door u bedoelde aanvrage om Doopsbediening uit uwe mededeelingen kan beoordeelen, zie ik hier, met betrekking tot de stipulatie door het beantwoorden der Doopvragen, geen bezwaren.

Natuurlijk moet hier de stipulatie allereerst worden aangegaan door de voogden der twee bedoelde kinderen; dus in het eene geval door een der diakenen, uit naam van de diakonie. Maar er is natuurlijk nooit eenig bezwaar bij eene Doopsbediening, om met den vader of voogd ook nog één of meer getuigen te laten optreden en de vragen mede beantwoorden. En in dit bepaalde geval is dit zelfs zeer gewenscht, aangezien hier dan als getuige mede zou optreden de broeder, die grootvader is van het kind, en tevens toeziende voogd, en bovendien de a.s. opvoeder van het kind. De stipulatie van de diakonie zou hier zeker kunnen volstaan; maar de waarborg is toch veel grooter, wanneer die grootvader tevens getuige is. En als de vrouwen van die broeders, die de kinderen in huis zullen hebben, mede als getuigen willen optreden, waarom zou men die dan weren ? Zou men daartoe

|34|

eigenlijk wel het recht hebben, wanneer een vader of voogd zulke mede-getuigen begeert?

In de Doopvragen kan dan natuurlijk niet gezegd worden „waarvan gij de vader zijt”, maar moet dit, wegens de omstandigheden worden: „waarvan gijlieden voogden en getuigen zijt.”

Rutgers, F.L. (1922) 92

92. Mogen kinderen, wier moeder overleden, en wier vader wegen een rechterlijk vonnis voortvluchtig is, op verzoek van den grootvader gedoopt worden?

 

(1901.)

155. Ge vraagt mij of de kerkeraad een drietal kinderen van 5-10 jaar, wier moeder overleden is, en wier vader wegens een rechterlijk vonnis voortvluchtig is, ten doop mag toelaten op verzoek van den grootvader zonder den vader hierin te kennen.

Ook na uwe inlichtingen weet ik van dit geval nog te weinig, om uwe vraag te kunnen beantwoorden.

In het algemeen kan ik slechts zeggen, dat de vader als hoofd des gezins, den Doop van zijn kind moet aanvragen, of althans aan den kerkeraad genoegzame zekerheid moet geven, dat hij dien Doop goed vindt, met verklaring, dat hij zijn kind in de Geref. leer wil doen opvoeden, en aan den Doopgetuige het recht toekent daarop toezicht te houden en daaraan te helpen.

Is nu in bovenbedoeld geval de vader geheel onbereikbaar? Ook voor den grootvader? Kan deze aan den kerkeraad het noodige genoegzaam verzekeren door hetgeen de vader hem zeide of schreef? Heeft die grootvader in de laatste 10 jaar aan die zaak zich niet laten gelegen liggen? En zoo zou ik nog voort kunnen vragen.

Natuurlijk kan de vader zijn kinderen altijd opeischen en ze opvoeden gelijk hij wil; tenzij hij bij rechterlijk vonnis die macht verloren had. Maar dan zou er natuurlijk een voogd moeten zijn. Is er thans, daar de moeder overleden is, geen toeziende voogd? En hoe doet deze in de zaak der Doopsbediening?

Als de kerkeraad het waarschijnlijk acht, dat de kinderen toch niet Gereformeerd opgevoed zullen worden, zou ik den Doop

|35|

liever uitstellen tot hun belijdenis. Acht de kerkeraad het tegenovergestelde genoegzaam zeker of waarschijnlijk, dan moeten kinderen des verbonds niet worden uitgesloten van den doop.

Rutgers, F.L. (1922) 93

93. Mag aan een kind, welks ouders om finantieële redenen nog niet samenwonen, de Doop geweigerd worden?

 

(1915.)

156. Ge vraagt mijn advies over de vraag, of voor een kind, dat blijkbaar te beschouwen is als „het zaad der kerk” en dat dus recht heeft op den Christelijken Doop, en voor welks opvoeding in en voor de Gereformeerde kerk ook genoegzame waarborg bestaat, de toelating tot den Doop mag of zelfs moet geweigerd worden, zoolang de ouders, om finantieële redenen, nog niet samenwonen, maar beiden bij hun eigen ouders in huis zijn. 

Ik begrijp die vraag niet heel goed.

Natuurlijk is de regel, dat gehuwden ook moeten samenwonen. Maar op dien regel zijn toch ook uitzonderingen, vooral wanneer voor dat samenwonen de noodige middelen ontbreken. Men had dan zeker nog niet moeten trouwen, maar in het hier bedoelde geval mocht dat, om de begane zonde, niet worden uitgesteld.

En voorts, ook al was er voor dat niet-samenwonen geen enkel motief te vinden, ja, al was er verwijdering tusschen de echtgenooten (wat hier echter niet het geval is), welk bezwaar zou daaruit dan volgen tegen de toelating van hun kind tot den Christelijken Doop?

Zonder twijfel is het altijd roeping van de opzieners, om er op aan te dringen, dat echtgenooten ook samenwonen; en wanneer het niet samenwonen zijn grond heeft, niet in onvermogen, maar in onwil en in zondige verwijdering, dan moet daartegen worden opgetreden, desnoods in sommige gevallen ook met kerkelijke tuchtmiddelen.

Maar tot die tuchtmiddelen kan of mag ook dan nooit behooren, dat men de ouders zou willen dwingen, door aan hun kind eenig leed toe te voegen of aan dat kind een hem toekomend recht te onthouden. Naar de schrift mogen menschen nooit aan kinderen de ongerechtigheden hunner ouders bezoeken.

Rutgers, F.L. (1922) 94

|36|

94. Mag de Doop van een kind, welks ouders vroeger verzuimden Doopsbediening aan te vragen, geweigerd worden?

 

(1898.)

157. Ouders zijn niet bij machte, hun kind, door verzuim of nalatigheid in het aanvragen van Doopsbediening, aan het verbond Gods te onttrekken. Dus kan zulke nalatigheid of verzuim nooit een reden zijn, om later den Doop van zoodanig kind te weigeren. 

Hoe er met de door u eenigszins beschreven ouders te handelen is, kan ik, uit de verte, zonder preciese kennis van personen en omstandigheden niet zeggen. Als de toestand er naar is, en er termen voor zijn, moet de kerkeraad met de loopende zaken voortschrijden; met advies van de Classe.

Rutgers, F.L. (1922) 95

95. Hoe te handelen bij den Doop van onechte kinderen?

 

(1897.)

158. In het door u omschreven geval kan, naar mijn gevoelen, de Doop alleen dan door den kerkeraad worden toegestaan, wanneer de ongehuwde moeder, die zelve nog niet tot het Avondmaal is toegelaten, teekenen vertoont van boetvaardigheid, en voorts uitzicht geeft (ook door catechisatiebezoek, of door een belofte daartoe, die voor ernstig kan gehouden worden), dat zij, behoorlijk voorbereid, tot de gemeenschap des Avondmaals zal komen. Alsdan zou de Doop kunnen worden toegediend, b.v. met de grootmoeder tot getuige. Maar anders ontbreekt elke aanwijzing, dat het kind het zaad der kerk is, en alle waarborg, dat het in de Christelijke leer zal worden opgevoed. Nog te meer, omdat de man harer keuze Roomsch is.

Natuurlijk wordt daardoor niet gezegd, dat de grootmoeder niet alles wat in haar vermogen is, zou te doen hebben, om dat kind, gelijk ook de gevallen moeder, te onderwijzen en te helpen onderwijzen, te vermanen, te waarschuwen enz. Dat is en blijft haar roeping, door den kerkeraad haar ook voor te houden.

|37|

(1910.)

159. In het door u genoemde geval kan m.i. de feitelijke vader van het te doopen onechte kind in geen geval dat kind bij den kerkeraad ten Doop „presenteeren”, noch door dezen worden toegelaten tot het aangaan der stipulatie door het beantwoorden der Doopvragen.

Afdoende is in dit opzicht reeds, dat hij wèl verplichtingen heeft tegenover het door hem verwekte kind (n.l. den plicht van onderhoud), maar geenerlei vaderlijke macht over dat kind heeft, noch. ook ooit zulk een recht kan krijgen; en reeds daarom kan de kerk geenerlei belofte van hem vragen, noch ook waarde daaraan toekennen. Volgens de wet mag die man zelfs niet eens als vader (wel te onderscheiden, volgens de wet van „verwekker”) optreden of erkend worden.

Het bedoelde kind is te doopen, als ieder ander onecht kind, zoodat voor de stipulatie (door beantwoording der Doopvragen) een getuige noodig is (natuurlijk een onbesproken lid eener Geref. kerk), en de presentatie of aangifte door de moeder geschiedt.

 

(1912.)

160. Voor de toelating van een kind tot den H. Doop zijn er twee hoofdvereischten: vooreerst, dat het kind geboren, is uit ouders, die althans één van beide tot de Christelijke kerk behooren, zoodat het als het „zaad der kerk” te beschouwen is; en ten tweede (opdat de Doopsbediening niet eene ijdele vertooning zij), dat er zoodanige waarborg zij voor de Christelijke opvoeding in en voor de Gereformeerde kerk, dat de kerkeraad daarvan, wel geene volstrekte, maar dan toch genoegzame zekerheid heeft.

Met betrekking tot het eerste punt is er, in bet door u genoemde geval, bij uwen kerkeraad blijkbaar geene moeielijkheid of twijfel, en dit m.i. terecht.

Maar ten aanzien van het tweede punt oordeelt uw kerkeraad, dat in dit geval de stipulatiën der grootouders (door het beantwoorden der Doopvragen) geen voldoende beteekenis of waarde

|38|

kunnen hebben, wegens hunnen geenszins Christelijken handel en wandel, terwijl bovendien de grootmoeder nog niet eens tot belijdenis kwam.

Nu kan ikzelf natuurlijk den grootvader niet beoordeelen, daar ik hem in ’t geheel niet ken, en alleen door uwe mededeelingen iets van hem afweet. Indien hij werkelijk in zijn leven en in de opvoeding zijner eigene kinderen blijkbaar te onchristelijk is, om zijne beloften bij eene Doopsbediening voldoende te achten, dan moet de kerkeraad m.i. weigeren, hem als Doopgetuige toe te laten, en voorts trachten eenen anderen, beter betrouwbaren, getuige te vinden, al zal dit, vrees ik, wel moeielijkheden opleveren. Maar dan zou ook noodig zijn, dat terzelfder tijd die grootvader, na herhaalde vruchtelooze vermaning, onder kerkelijke censuur werd gesteld. Of dit noodig is, kan ik niet beoordeelen; maar men kan hem niet als Doopgetuige weigeren, en terzelfder tijd in het ongerepte bezit laten van de rechten die een onbesproken gemeentelid heeft; in ieder geval zou de afwijzing als Doopgetuige gemotiveerd moeten zijn door de overweging, dat hij wegens blijkbare onverschilligheid voor den dienst des Heeren, verwaarloozing zijner roeping als Christelijk huisvader, enz. enz. „in kerkelijke behandeling” is, en, indien geen betering bleek, onder censuur zou te stellen zijn.

Ik herhaal echter, dat ik over dien grootvader geen eigen oordeel kan hebben. De kerkeraad, die dat wel kan hebben en die zelf met hem spreken kan, moet hier beslissen.

 

(1912.)

161. In uw brief vraagt ge mijn advies inzake een aanvrage van Doopsbediening voor twee onechte kinderen van 10 en 4 jaar, wier moeder zelve ongedoopt is, maar thans gehuwd is met een belijdend lid uwer gemeente, waardoor die kinderen thans ook Christelijk worden opgevoed. Voor uw kerkeraad is het nu de vraag, of hij die kinderen tot den Christelijken kinderdoop mag en dus ook moet toelaten.

In het algemeen was en is het de gezonde regel van Geref.

|39|

kerken (geheel overeenkomstig de uit Gods Woord geputte beginselen) dat de kinderkens recht hebben op den Doop, en dus ook daartoe mogen en moeten worden toegelaten, wanneer zij te beschouwen zijn als het „zaad der kerk” en dus als „kinderen des Verbonds”, en wanneer er genoegzame waarborg is, dat zij in en voor de Geref. kerken zullen worden opgevoed.

Aan de tweede dezer voorwaarden (die te stellen is, omdat anders de Doopsbediening tot een ijdele vertooning en zelfs tot bespotting zou worden) is in het geval, dat zich nu bij u voordoet, zonder twijfel voldaan; de stipulatiën, die door het beantwoorden der Doopvragen door den stiefvader met de kerken worden aangegaan, zijn hier zeer zeker een voldoende waarborg voor de opvoeding in en voor de Geref. kerken; althans voor zooveel menschen iets waarborgen kunnen.

Het bezwaar bij uwen kerkeraad heeft dan ook alleen betrekking op de eerste voorwaarde, die inzake Doopsbediening en het recht daarop, ook zeer zeker de hoofdzaak raakt. N.l. mogen en moeten deze kinderen thans door de kerk beschouwd worden als tot het verbond te behooren? En grond voor dit bezwaar is dan het feit, dat de moeder zelve niet gedoopt is en dus buiten het Christelijk erf staat, en dat zij afkomstig is uit een slecht huisgezin, zoodat men ook niet tot den grootvader van de kinderen kan opklimmen om aan dezen de verbondslijn te kunnen vastmaken.

Over een bekenden of vermoedelijken vader van die kinderen schrijft gij in het geheel niet; en dus onderstel ik, dat men daarvan niets weet, ook niet, of deze ondanks zijne zonde tegen het 7e gebod, toch als gedoopte tot het terrein der Christelijke kerk behoorde, in welk laatste geval die kinderen dan toch recht op den Doop zouden hebben, (altijd behoudens den waarborg voor de Christelijke opvoeding). Daar van dien vader niets schijnt bekend te zijn, zou hier alle rechtsgrond van den Doop bij de moeder te zoeken zijn. Immers, bij haar man, die nu door zijn huwelijk de vader van die kinderen geworden is, kan m.i. zulke rechtsgrond niet te vinden zijn. Wat er aan rechten en plichten uit dat vaderschap voortvloeit, dat geldt alles alleenlijk van het oogenblik der huwelijkssluiting af, en het kan geen terugwerkende kracht hebben; allerminst met betrekking tot de vraag, of die kinderen als het

|40|

„zaad der kerk” te beschouwen zijn; evenmin als dit het geval kan zijn bij Heiden-kinderen, die door adoptie of „aanneming” in vollen zin kinderen werden van Christelijke menschen, (gelijk o.a. ook beslist is door de Dordtsche Synode van 1618/19 blijkens hare Acta).

Voor zooveel ik het door u mij voorgestelde geval kan beoordeelen, zou ik het dus raadzaam achten, de beslissing over den Doop van die kinderen uit te stellen totdat de moeder na belijdenis des geloofs tot den Doop wordt toegelaten. Zoodra die moeder als geloovige te beschouwen is, en dus ook te beschouwen is als reeds van eeuwigheid af tot Gods Verbond verkoren te zijn, mag en moet ook van haar kinderen gelden dat die „het zaad der kerk” zijn. Mocht dit soms nog vele jaren duren, dan zou van zelf een kind, dat reeds 15 jaar was, alleen op eigen belijdenis des geloofs zijn te doopen. De kinderdoop kan na het 15e jaar wel niet meer plaats hebben. Wel voor dien tijd; altijd natuurlijk wanneer er bij het kind geen bepaalde vijandschap tegen de waarheid is (hetgeen bij kinderen wel zeldzaam is, maar toch kan voorkomen).

 

(1915.)

162. Het door u bedoelde kind kan zonder twijfel wel gedoopt worden bij afwezigheid van de ongehuwde moeder, met den grootvader als getuige, om de stipulatie aan te gaan door beantwoording der Doopvragen. De voorafgaande schuldbelijdenis van de moeder schijnt in uwe gemeente (gelijk ook wel in andere kerken) bij zulke gevallen in het openbaar te geschieden. Maar eisch is die openbaarheid niet, en ook geen usantie in alle kerken. Zij kan ook wel voor den kerkeraad of voor daartoe uit zijn midden gekozen opzieners (predikant en ouderling b.v.) worden afgelegd; en zij kan dan, indien de kerkeraad het noodig of stichtelijk acht, aan de gemeente worden bekend gemaakt.

|41|

(1916.)

163. Uw eerste vraag (over de toelating van een kind tot de Doopsbediening) is mij niet zeer duidelijk, daar bijna alle bijzonderheden, die ge over dat kind en over zijne bij de geboorte ongehuwde moeder en over familieleden en voogd mij mededeelt, mij voorkomen bij deze quaestie weinig of niet ter zake te doen, en daar ik er niet bij vermeid vind, waarom eigenlijk bezwaar wordt gemaakt tegen de toelating van dat kind tot den Doop.

Uit uwe mededeelingen maak ik op, dat de moeder van dat kind, en de heele familie, lid zijn van eene Christelijke kerk, zij het ook slechts door den Christelijken Doop, en dat dit kind dus te beschouwen is niet als een kind van heidenen, maar als thuis hoorend op het Christelijk erf, zoodat het als kind des verbonds recht heeft op den Christelijken Doop. En wanneer het dan rechtens geheel onder de macht is van een voogd en voogdes, die beiden belijdende leden zijn der Gereformeerde kerk en die het hun toevertrouwde kind in en voor die kerk willen opvoeden, dan heeft de kerkeraad daarin ook voldoende waarborg, en dan kan de Doop zelfs alleenlijk in de Geref. kerk gevraagd en bediend worden.

Ik begrijp dus niet, waarin uw bezwaar ligt; tenzij dan dat er omstandigheden zijn, mij geheel onbekend, die u aan het twijfelen brachten. Ik schreef dus het bovenstaande, voor zooveel ik uit uw mededeelingen met de zaak bekend ben.

Rutgers, F.L. (1922) 96

96. Mag een onecht kind gedoopt worden, als de moeder weigert den vader te noemen?

 

(1915.)

164. Op uwe vraag, met betrekking tot eene ongehuwde moeder (weduwe), of de kerkeraad het recht heeft bij de schuldbelijdenis dier zuster ook te eischen, dat zij den naam noeme van haar medeschuldige, is m.i. slechts één antwoord mogelijk, nl. dat de kerkeraad dat recht niet heeft, en bovendien er ook niet veel aan hebben zou, omdat in vele gevallen aan zulke verklaring van een gevallen vrouw weinig of geen waarde te hechten is, evenmin als aan geruchten, waarvan niemand de

|42|

eerste zegsman wil zijn. Natuurlijk mag de kerkeraad dan ook geen verklaring eischen, dat deze of gene niet de medeschuldige is. Indien er dus geen genoegzame redenen zijn om de schuldbelijdenis dier zuster op zich zelve voor geveinsd te houden, dan moet die aanvaard en aan haar kind de Doop bediend worden, onder aangaan van de stipulatiën met een getuige, daar de moeder dan nog wel niet tot het Avondmaal zal zijn toegelaten. In geen geval mag aan dat kind zijn recht op den Doop dan onthouden worden, daar men eene moeder niet tot iets mag dwingen door een onrecht aan haar kind.

Rutgers, F.L. (1922) 97

97. Mag aan een onecht kind de doop onthouden worden, indien de grootvader weigert als getuige op te treden, terwijl de grootmoeder hiertoe wel bereid is?

 

(1915.)

165. In de zaak, waarover ge mij schrijft, kan ik natuurlijk geen bepaald advies geven over de gedragslijn, die de kerkeraad moet volgen tegenover den door u bedoelden broeder, die van de Avondmaalsbediening wegblijft en die weigert als getuige op te treden bij den Doop van zijn (onecht) kleinkind: aangezien ik niet bekend ben met de daarbij betrokken personen en omstandigheden.

Ik kan enkel in het algemeen zeggen, dat ten aanzien van het wegblijven van de Avondmaalsviering vermaning en terechtwijzing en waarschuwing altijd noodig is.

En ten aanzien van het als getuige optreden bij den Doop van zijn kleinkind geldt altijd in het algemeen, dat een kerkeraad iemand nooit daartoe kan dwingen, en zulks ook niet mag beproeven b.v. door dreiging met censuur, of zelfs door weigering van de Doopsbediening, daar in het laatste geval aan het kind de Christelijke Doop, waarop het recht heeft, zou onthouden worden, en men dus den grootvader zou willen straffen door aan zijn kleinkind een recht te onthouden, terwijl het toch aan menschen niet vrijstaat, de verkeerdheid van ouders of grootouders aan hun kinderen of kleinkinderen te bezoeken.

|43|

In het gegeven geval zou daarvoor zelfs geen schijn van reden bestaan, daar de grootmoeder bereid is als getuige op te treden, en dus de vereischte waarborg voor de opvoeding van het kind aanwezig is, misschien zelfs nog beter dan wanneer de grootvader de stipulatie bij het beantwoorden der Doopvragen aanging.

Rutgers, F.L. (1922) 98

98. Is openbare schuldbelijdenis der moeder als voorwaarde te stellen voor den Doop van haar onecht kind?

 

(1908.)

166. Onze kerken belijden, op Schriftuurlijken grond, dat de kleine kinderen recht hebben op den H. Doop, als teeken en zegel van Gods verbond, wanneer zij te beschouwen zijn als „het zaad der kerk”, als „kinderen des Verbonds”, en wanneer er genoegzame waarborg is voor Christelijke opvoeding naar de Geref. belijdenis.

Daarom gaat het m.i. niet aan, hun den Doop te weigeren wanneer aan die twee voorwaarden voldaan is; bij een kind, waarvan de ouders (wegens wangedrag, of wegens verzuim in de toelating tot het Avondmaal, of om andere redenen) geene stipulatie zouden kunnen aangaan, die voor de kerk iets beteekende, wil die tweede voorwaarde dan natuurlijk zeggen, dat er een of meer betrouwbare getuigen zijn, die de Doopvragen beantwoorden; en daarin moeten de ouders dan natuurlijk bewilligen, zoodat bij weigering om getuigen te stellen de Doop niet zou kunnen toegestaan worden; en wanneer het een onecht kind geldt, is ook zeker noodig, dat de moeder eerst tot schuldbelijdenis kome, reeds omdat anders te verwachten is, dat het kind (dat toch in de macht der moeder blijft), in godsdienstig en zedelijk opzicht wordt verwaarloosd, zonder dat de getuigen daaraan iets kunnen doen.

Maar buitendien nog iets op te leggen, voordat het kind zal gedoopt worden (b.v. dat de moeder hare schuldbelijdenis persoonlijk zelve zal uitspreken; in het midden der gemeente en dus, daar de samenkomsten voor ieder toegankelijk zijn, in het openbaar), doet

|44|

m.i. te kort aan het recht van het kind. In kerken, waar zulke openbare schuldbelijdenis gebruikelijk is, kan zij zeker worden opgelegd aan een lid, dat zich misgaan heeft, en moet dit zelfs geschieden, zoolang die gewoonte of regel niet veranderd is, daar men niet willekeurig onderscheid mag maken. Maar een lid, dat in dit opzicht onwillig zou zijn, mag men niet trachten te dwingen, door onthouding van een voorrecht, niet aan haar zelve, maar aan haar kind. Bij de uitoefening van discipline kan men allerlei tuchtmiddelen gebruiken; maar nooit een middel, waardoor men eene moeder zou straffen door aan haar (in dit opzicht onschuldig) kind een Goddelijk voorrecht, waarop dit kind van Godswege aanspraak heeft, te onthouden, Eene daartoe strekkende gewoonte of regel moet m.i. niet worden in stand gehouden.

Nu weet ik niet, hoe uw kerkeraad zijn besluit te dezen aanzien indertijd geformuleerd heeft, en of dit besluit ook toelaat, op de openbaarheid der schuldbelijdenis allen nadruk te leggen, zonder dat volstrekt noodig is, dat de schuldige die ook zelve uitspreekt. Als dat kan, zou de thans aanhangige quaestie practisch gemakkelijk zijn op te lossen. Men zou dan de persoon in quaestie hare schuldbelijdenis voor den kerkeraad kunnen laten afleggen, en vervolgens hiervan openbare mededeeling laten doen, van den kansel; b.v. in den dienst, waarin de Doop van het kind, onder getuigen plaats heeft.

Ten dezen een onderscheid te maken tusschen leden, die reeds tot het Avondmaal waren toegelaten, en leden, die nog niet zijn toegelaten, zou, bij de toelating hunner kinderen tot der Doop, m.i. ongemotiveerd. zijn. In beide gevallen is het recht van het kind hetzelfde.

Ziehier, zoo kort mogelijk, een advies. Volledig kon het niet zijn, doordat ik met de omstandigheden niet genoeg bekend ben, en dus niet weet wat nu, practisch, het best door den kerkeraad zou kunnen gedaan worden.

Rutgers, F.L. (1922) 99

99. Mag een kind, welks vader wegens dronkenschap gecensureerd is, terwijl de moeder niet tot de Gereformeerde kerk behoort, gedoopt worden?

|45|

167. Wat uwe vraag betreft inzake de Doopsaanvrage over het kind van een man, die als belijdend lid der Geref. kerk onder censuur staat wegens herhaalde dronkenschap, en van een vrouw, die niet tot de Geref. kerk behoort, — het is altijd zeer moeielijk, over toepassing van tucht, of van kerkelijke regelen, op een bepaald geval een advies te geven, als men ver af is, en niet genoegzaam bekend is met personen en omstandigheden. Men ziet dan zoo licht het een of ander, dat toch van belang is, over het hoofd; of liever, men kan daar dan niet mede rekenen, omdat men er niet van wist. Wel schrijft gij mij iets over de geestelijke gesteldheid van dien man, die zich niet tegen de vermaning verhardt, en de opzieners vraagt om voor hem te bidden, maar die tevens achter zijne onmacht zich verschuilt, en geene formeele schuldbelijdenis wil afleggen zoolang hij niet zeggen kan, dat hij van die zonde af is. Maar daardoor weet ik van het geval toch nog niet alles. In het algemeen zou ik zeggen, dat het kind van zulk een man nog te achten is als tot het Verbond te behooren, en dus recht heeft op den Doop; mits er door het stellen van een betrouwbaar getuige genoegzame waarborg is, dat het kind ook in de Geref. leer zal worden opgevoed. Ten minste als er in de levensuitingen van man en vrouw beiden geen afdoende grond is, om het tegendeel voor zeker te houden; hetgeen altijd mogelijk is.

Rutgers, F.L. (1922) 100

100. Mag een gecensureerde een kind ten Doop presenteeren en op de vragen antwoorden?

 

(1893.)

168. Natuurlijk kan een gecensureerde een kind niet ten Doop presenteeren. Maar in het bedoelde geval doet de vader dit immers reeds? Dus behoeft de moeder het zeker niet te doen. Rest de vraag, of haar kan toegelaten worden, toch mede de vragen te beantwoorden. Hiertegen zou ik geen bezwaar zien, mits dan terstond daarop door den predikant aan de gemeente worde duidelijk gemaakt, dat het kind kan gedoopt worden op de stipulatie van den vader, en dat aan de moeder slechts vergund is, de vragen mede te beantwoorden en zichzelve ook daardoor te verbinden

|46|

tot hetgeen toch reeds hare roeping was, zij het ook, dat de kerk aan haar antwoord op zichzelf niet genoeg zou hebben, daar de kerkeraad in de treurige noodzakelijkheid was, haar tijdelijk buiten de volle kerkelijke gemeenschap te plaatsen. Ik bedoel niet, die woorden juist te gebruiken; maar iets dergelijks. En dan zou ik aan de moeder vooraf zeggen, dat ik zóó tot haar spreken moest, omdat zij nu eenmaal niet als ongerept lid in de gemeente kan optreden; opdat zij niet later zegge: had ik dat geweten, dan ware ik liever thuis gebleven. — Intusschen zijn er ook kerken, waar men een gecensureerde in ’t geheel niet tot antwoorden toelaat, en ook daarvoor is iets te zeggen. De kerkeraad moet in dezen beslissen. In geen geval echter kan de gecensureerde mede het kind presenteeren, d.w.z. als gerechtigde de stipulatie aangaan.

Rutgers, F.L. (1922) 101

101. Mag een niet-Gereformeerde vader in de kerk bij den Doop van zijn kind mee de vragen beantwoorden?

 

(1896.)

169. In het door u genoemde geval (gelijk bijna altijd) moet de vader zijn kind „ten Doop presenteeren”, daar het buiten hem om of tegen zijn zin toch niet kan gedoopt worden. Trouwens, hij heeft het kind reeds aanvankelijk „gepresenteerd”, doordat hij den Doop ervoor aanvroeg.

Die Doop nu moet bediend worden, daar de moeder lid der Geref. Kerk en tot het H. Avondmaal toegelaten is, en de vader, ofschoon zelf buiten de Geref. Kerk staande, toch zijn kind ten Doop heeft aangeboden.

Bij dien stand van zaken moet de stipulatie (door het beantwoorden der Doopvragen) natuurlijk met de moeder geschieden, daar de kerk aan den vader die vragen ook niet kan voorstellen, noch ook in zijne beantwoording den noodigen waarborg voor de Christelijke opvoeding van het kind zou kunnen vinden.

Nu wil echter die vader gaarne medekomen bij den Doop van zijn kind, en alsdan de vragen mede beantwoorden.

Tegen dat medekomen, en mede voor den predikstoel staan, kan m.i. geen bezwaar zijn. Mits valsche schijn en misleiding

|47|

voorkomen worde; d.w.z. mits dan voor den Doop, na de vragen, met een enkel woord gezegd worde, dat het kind mag en moet gedoopt worden, na het antwoord der moeder, ofschoon de vader niet tot de Geref. Kerk behoort. Dit kan met een enkel woord wel zóó geschieden, dat de gemeente niet zal denken, dat de kerkeraad het lid- of niet-lid-zijn der ouders bij den Doop van een kind voor onverschillig houdt.

En wat het beantwoorden der vragen betreft, zou ik in uw geval den man trachten te beduiden, dat hij ze niet kan toestemmend beantwoorden, wanneer hij ongeloovig of onverschillig is; en dat daarom de kerk aan zijn antwoord geen beteekenis of waarde zou kunnen toekennen. ’t Zou een ander geval zijn, wanneer hij verstandelijk de vragen wel beaamde, maar er niet naar leefde; ofschoon ook dan zijn antwoord geen genoegzame waarborg voor de opvoeding zou geven. Indien hij eventueel toch de vragen beantwoordde, zou vóór den Doop te zeggen zijn, dat voor de kerk alleen ’t antwoord der moeder genoegzame beteekenis kan hebben, enz.

Hem bepaaldelijk verbieden, bij den Doop van zijn kind tegenwoordig te zijn, of hem alsdan er bij te laten zijn gelijk ieder ander vreemdeling (’t geen voor hem zijn zou, alsof hij zijn vaderschap verloochende en alsof de Doop tegen zijn zin plaats had), zou ik liever niet. Mits over en weêr de positie duidelijk erkend zij, en ook voor de gemeente genoegzaam blijke.

Rutgers, F.L. (1922) 102

102. Mogen ouders, die hun oudere kinderen naar de openbare school zenden, bij den Doop van een jonger kind zelf op de Doopvragen antwoorden?

 

(1907.)

170. Ge schrijft mij, dat een ouderpaar uit uwe gemeente hunne kinderen van de Christelijke school heeft afgenomen (nadat één van die kinderen in zijne klasse was blijven zitten), niet omdat zij tegen Christelijk onderwijs zijn, maar om het onderwijs zelf op die school, en dat diezelfde ouders nu voor een pasgeboren kind den Doop aanvragen. Naar aanleiding daarvan

|48|

vraagt ge nu aan mij, of de kerkeraad die ouders de Doopvragen bevestigend kan laten beantwoorden.

Uw vraag is dus m.a.w. of de kerkeraad bij dezen Doop, al dan niet, moet eischen, dat er een Doopgetuige optrede; dan wel of de stipulatie van den vader (of van de ouders) voldoende is. Over de Doopsbediening zelve kan toch natuurlijk geen quaestie zijn. Het bedoelde kind zal wel door niemand geacht worden, „buiten het Verbond” en „buiten de Christelijke erve” te staan, maar wel degelijk beschouwd worden als te behoren tot „het zaad der kerk”, zoodat, naar den eisch van Gods Woord, dat kind recht heeft op den Christelijken Doop, en de vraag alleen zijn kan, of de stipulatie van den vader (of van de ouders) al dan niet voldoende is.

Ik onderstel daarbij, (al schrijft ge daarvan ook niets) dat die ouders, of althans één van beiden, tot het H. Avondmaal zijn toegelaten, en dus complete, „mondige” leden der kerk zijn. Anders zou, reeds daarom, een Doopgetuige noodig zijn.

En ook onderstel ik, dat de ouders niet onder kerkelijke censuur staan en van het H. Avondmaal zijn afgehouden. Anders zou, ook reeds daarom, een Doopgetuige noodig zijn, die de stipulatie aanging door beantwoording der Doopvragen.

Maar wanneer die onderstellingen juist zijn, dan zie ik niet, met welk recht de kerkeraad in dit geval een Doopgetuige zou kunnen eischen. Als de ouders, (of althans één van beiden) in het volle bezit en genot zijn hunner rechten als leden der kerk, hoe zou men ze dan onbevoegd kunnen verklaren, om de Doopvragen te beantwoorden, en hoe zou men die beantwoording dan onvoldoende kunnen achten?

Meent men, dat het feit, dat zij hunne kinderen van de Christelijke school afnamen, hiertoe genoegzame aanleiding geeft, dan zou men hen, wegens dat feit, toch eerst onder censuur moeten stellen. En dit is (naar mijn inzien, gelukkiglijk) hier blijkbaar niet geschied.

Immers voor kerkelijke censuur is hier zeker geen reden. Zelfs niet, al hadden de ouders het idee, dat het algemeen onderwijs op eene „openbare” school ook wel te gebruiken is en een „Christelijke” school dus eigenlijk minder noodig was.  Dat zou

|49|

dan wel een gansch verkeerde opvatting zijn, die zelfs voor een geloovige zeer inconsequent zou zijn en met zijn Christelijke belijdenis in strijd; maar toch niet een „ketterij” of eene „onzedelijke” overtuiging. Zij behoort dan tot die „verkeerde inzichten”, die men door onderwijzing, vermaning, waarschuwing, enz. voortdurend moet bestrijden; maar waartegen men niet moet optreden met kerkelijke censuur. Dit laatste zou een misbruik zijn van de kerkelijke censuur, ’t welk wel telkens weer is voorgekomen; ook reeds in de 16e eeuw; maar ’t welk toen ook steeds bestreden is in Geref. kerken, met name door Calvijn, die terecht aanwees, dat niet elke misstand in de gemeente of bij gemeenteleden eene kerkelijke censuur noodig of zelfs geoorloofd maakt (gelijk met name in Doopersche kringen gesteld werd).

Nog veel minder kan er dan sprake zijn van kerkelijke censuur, of van ongeregelde en dus onwettige berooving van kerkelijke bevoegdheden, als een gemeentelid niet eens die verkeerde opvatting heeft, maar alleenlijk in een bepaald geval van de in zijn dorp bestaande Christelijke school voor zijne kinderen geen gebruik wil maken. Zonder twijfel moeten opzieners der gemeente hem dan ook daarvan zoeken terug te brengen; maar door onderwijzing en vermaning, niet door kerkelijke tuchtmiddelen. En dat te minder, omdat Christelijke ouders daarvoor wel eens redenen kunnen hebben, die zij niet aan anderen kunnen mededeelen, maar die toch zeer gegrond en wettig kunnen zijn. Inzake de opvoeding der kinderen moet de beslissing en de verantwoordelijkheid ten slotte aan de ouders gelaten worden; tenzij dan dat die opvoeding ten doel had de kinderen ongeloovig en onzedelijk te maken, en dit doel duidelijk bleek. Maar alsdan zouden zulke ouders de censuur ook zeer zeker niet ontgaan. In de keuze van een school kan dit doel nog niet liggen.

Ik geloof dan ook niet, dat ergens in onze kerken censuur gebruikt wordt tegen ouders, die hun kinderen naar eene „openbare” Universiteit zenden, in plaats van naar de „Vrije Universiteit”, of naar een „stedelijk” gymnasium, in plaats van een Christelijk, of naar een „stedelijke” Hoogere Burgerschool, in plaats van naar eene Christelijke, of naar eene „openbare” lagere school, in plaats van naar eene Christelijke. In alle die gevallen kunnen er gegronde

|50|

redenen zijn, en zijn ze er ook wel eens metterdaad. De kerk bepale zich dan hier tot vermaning enz., en ga niet over tot maatregelen van dwang.

Natuurlijk, kan bij den Doop, in een geval als dit, over de Christelijke opvoeding nog eens speciaal tot de ouders gesproken worden. Maar verder wordt dan de zaak aan hunne conscientie overgelaten. En ook de gemeente herinnerd aan het: „oordeelt niet”; bij alle opwekking om het Christelijk onderwijs te steunen en te gebruiken.

Rutgers, F.L. (1922) 103

103. Hoe te handelen met een Hervormd „Dooplid” die overschrijving verzoekt in het Doopboek der Gereformeerde kerk? En hoe te handelen ten aanzien van den Doop zijner kinderen?

 

(1914.)

171. Ge schrijft me, dat een man, die Hervormd „Dooplid” is, maar steeds getrouw de Gereformeerde kerk bezoekt, en die gehuwd is met eene vrouw, „Dooplid” in de Gereformeerde kerk, bij welke hij zeven nog ongedoopte kinderen heeft, thans aan uwen kerkeraad verzoekt: 1. hem als „Dooplid” op het boek der Gereformeerde kerk te willen overschrijven; en 2. te willen toestaan, dat zijne zeven kinderen in de Geref. kerk gedoopt worden, en dan door hemzelven worden „ten Doop gehouden”; met welke laatste uitdrukking waarschijnlijk zal bedoeld zijn, dat de stipulatie, die door het beantwoorden der Doopvragen aan de Doopsbediening vooraf moet gaan, met hemzelven worde aangegaan, zonder dat hij daarvoor een belijdend lid als getuige heeft te stellen. — En nu vraagt ge mij te dien aanzien: „Mogen wij aan zijn dubbel verzoek voldoen?”

Bij het eerste punt van dat verzoek, de overschrijving, zijn in uw kerkeraad door sommigen twee bezwaren daartegen ingebracht; n.l. dat zijn eerste kind, nu reeds vele jaren geleden, te vroeg geboren is, en dat hij als postbeambte des Zondags in den vroegen ochtend, tot 8 uur, dienst heeft te verrichten. Dit begrijp ik echter niet goed. Ook al zou men die twee omstandigheden aan den

|51|

bedoelden man op het allerzwaarst willen toerekenen, dan begrijp ik toch niet, waarom hij deswege niet op het Doopboek zou zijn over te schrijven. Daarmede krijgt hij toch geen toegang tot het Avondmaal en tot de volle kerkelijke gemeenschap, al moet hij daartoe dan toch aanstonds gedrongen worden; maar er wordt alleen door geconstateerd, eenerzijds, dat hijzelf de Gereformeerde kerk als de zuiverste kerk erkent en daarom onder haren kerkeraad zich voor leiding en toezicht gaat stellen, en anderzijds, dat die kerkeraad zich ambtshalve met hem als Dooplid wil gaan bemoeien. Feitelijk bestaat die verhouding reeds, ook door zijn getrouw bezoek van den Geref. kerkdienst. Maar dan rest toch altijd, om die verhouding ook nominaal en formeel in orde te maken; te meer omdat de vrouw van dien man ook op het Doopboek der Geref. kerk is ingeschreven, en het gansche gezin blijkbaar tot die kerk behoort.

Dit alles moet m.i. gelden, ook al zou men de genoemde bezwaren nog zoo zwaar laten wegen. Maar ook op zichzelf zou ik die bezwaren toch niet afdoende achten. Natuurlijk bewijst de te vroege geboorte van het eerste kind, dat er toen eene zonde begaan was, die zeer zeker niet gering is te achten, en waarvan de schuld door de ouders ook wel erkend en beleden zal zijn. Maar ik meen, dat men hun dat dan ook niet voortdurend moet nahouden; te minder, nu het al zoovele jaren geleden is, en de man in dien tijd zich betoond heeft (zooals ge schrijft) als „van ernstige levensopvatting”. Zelfs al zou de kerkeraad het noodig achten, dat hij over die zonde nu nog eens voor den kerkeraad schuld beleed, dan zou dat toch de inschrijving als „Dooplid” niet kunnen verhinderen; integendeel, eerst daarna, of daarbij, zou de kerkeraad ambtshalve met hem kunnen handelen. Maar, gelijk ik reeds zeide, ik zie geen reden, om dit ook nu nog aan de orde te stellen; althans voor zooveel ik de omstandigheden ken, en kan beoordeelen.

Het andere bezwaar betreft den dienst, dien de bedoelde man, als postbeambte, des Zondags ’s ochtends, tot 8 uur, te verrichten heeft. Bij dit bezwaar wordt dus ondersteld, dat zulke dienstverrichting eene overtreding is van het 4e gebod, ’t geen dan geacht wordt ook „ceremonieel” voor Christenen te gelden, zoodat hun alle werk, zonder onderscheid, op den Dag des Heeren zou

|52|

verboden zijn. Dat was in de 17e eeuw wel de opvatting van de meeste Engelsche Puriteinen, maar niet de opvatting van onze Geref. kerken, die het 4e gebod anders opvatten, reeds blijkens Zondag 38 van onzen Catechismus, en voorts blijkens de uitspraken der groote Dordtsche Synode van 1618/19, en van Particuliere Synoden daarna, op grond van alle de plaatsen in het Nieuwe Testament, waarin over de onderhouding van den Sabbath gehandeld wordt, Natuurlijk werd door onze kerken wèl als regel gesteld, „dat men op dien dag ruste van alle slaafachtige werken”, maar met de uitdrukkelijke bijvoeging: „uitgenomen die de liefde en tegenwoordige noodzakelijkheid vereischen”, en zonder „de strenge onderhouding van denzelven dag, het Joodsche volk bijzonder opgeleid” (punt 2 en 6 van het besluit over den Zondag, van de Dordtsche Synode van 1619, in hare bekende „Post-acta”). Meer kunt ge over dit onderwerp vinden in onderscheidene boekjes over den Sabbath, b.v. dat van prof. A. Kuyper, en van prof. H.H. Kuyper (onlangs verschenen bij G.J.A. Ruys te Utrecht) vooral blz. 21-25.

Tot zulk een boekje kan een brief natuurlijk niet worden uitgebreid. En dus kan ik hier alleen zeggen, dat ik het met die Gereformeerde opvatting eens ben; en dan ook van oordeel ben, dat bij heel wat publieke diensten ook bij alle streven naar het zooveel mogelijk vrijhouden van den Zondag, toch niet alle werk op dien dag door het 4e gebod zou verboden zijn; ook niet alle werk bij de posterijen, daar dit vaak „noodzakelijk” is, vooral in groote gemeenten, voor medische hulp, voor justitie en politie, enz., en daar dit dan zoo geregeld kan worden, dat de Zondagsheiliging (waar het toch om te doen is, daar Zondagsrust op zichzelf nog volstrekt geen gehoorzaamheid aan het 4e gebod is) er voor de dienstdoende beambten niet onder lijdt. Dit nu is zeker niet het geval, wanneer die postdienst reeds ’s ochtends 8 uur is afgeloopen. Iets anders is het, wanneer ook gedurende dien geheelen dag dienstwerk gevorderd wordt, slechts met vrijlating van eenigen tijd voor kerkgang. Maar ook in zulke gevallen treedt b.v. de Amsterdamsche kerkeraad niet met censuur op, maar met onderwijzing en vermaning, de zaak verder aan de conscientie overlatende. M.i. terecht.

|53|

Ten slotte, wat den Doop der zeven kinderen betreft, deze moeten zonder twijfel geacht worden „zaad der kerk” en „kinderen des Verbonds” te zijn, en dus recht te hebben op den Christelijken Doop, die hun dan te bedienen is in de Geref. kerk, als de kerk waartoe het gezin behoort; waarbij dan echter de stipulatie, door het stellen en beantwoorden der Doopvragen, om genoegzamen waarborg te geven voor de opvoeding in en voor de Geref. Kerk, door den kerkeraad niet kan worden aangegaan met de ouders, daar deze nog geen van beiden tot eigen belijdenis kwamen, maar is aan te gaan met een Doopgetuige (één of meer), belijdend lid van eene onzer Geref. Kerken.

Wel kan dan daarbij aan de ouders worden toegestaan, de kinderen bij den Doop te geleiden of op de armen te dragen; en zelfs ook wel, de Doopvragen mede te beantwoorden; mits dan bij het doen der vragen uitdrukkelijk gezegd worde, waarom in dit geval een antwoord van de ouders voor de kerk niet volstaan kan, en dus een getuige noodig is.

Rutgers, F.L. (1922) 104

104. Kunnen ouders, die nog niet tot het H. Avondmaal zijn toegelaten (Doopleden) zonder „getuige” hun kind laten doopen?

 

(1893.)

172. Bij den Doop van een kind, welks ouders, hoewel leden der kerk, toch nog geen van beiden op belijdenis tot het Avondmaal zijn toegelaten, brengt de kerkelijke orde zeker mee, dat hun stipulatie (door het beantwoorden der vragen) niet voldoende geacht wordt. Ik zie er geen bezwaar in, zulke ouders, (nadat zij, voor zooveel noodig, over de beteekenis van het antwoorden ingelicht zijn,) mede tot het beantwoorden toe te laten (altijd, indien zij nog leden der kerk zijn); dat heeft zelfs menige nuttigheid. Maar voor de kerk is dat geen waarborg genoeg, en is dus ook een getuige (natuurlijk een lid van een onzer Geref. kerken, en in het volle bezit van alle rechten als zoodanig) noodig.

Intusschen, er zijn enkele streken van ons land, waar dit reeds sedert zeer lang geen gewoonte is; waar de menschen daar nog niets of nog niet veel van begrijpen, en waar dus onmiddellijke

|54|

en strenge invoering van die kerkelijke orde moeielijkheden zou geven. Alsdan geldt, wat terecht gezegd wordt van velerlei afwijkingen of misstanden, n.l. dat men die niet moet zoeken te weren op een wijze, die nog grooter euvel zou in het leven roepen. Door onderwijs, voorlichting enz. moeten dan eerst gezonder, beter en zuiverder begrippen eenigszins zijn doorgedrongen. Dat wil dan niet zeggen, dat men inmiddels het kwaad maar goed moet noemen; ’t geen nooit mag. Altijd moet duidelijk uitkomen, dat een afwijking of misstand door den kerkeraad als zoodanig erkend wordt, en dat men alleen om het gebrek aan inzicht bij een gemeente of om andere goede redenen de afwijking tijdelijk duldt. Maar onder die conditie kan men, dunkt mij, wel iets toegeven, ook op dit punt van getuigen bij den Doop. Als de kerkeraad en de predikant maar telkens de gemeenteleden op dit punt voorlichten; bij voorkomende gevallen beginnen met een getuige te verlangen; en alleen bij groote moeielijkheden, die dan zouden komen, voor dat geval toegeeft, uitdrukkelijk zeggende, dat het is om de zwakheid der broederen, en met handhaving in beginsel, van hetgeen de goede orde eischt, dan geloof ik dat men op den duur wel tot die goede orde, ook in de practijk, zal komen. Natuurlijk moeten in ieder geval zulke ouders ook ernstig bepaald worden bij hun toestand van voortdurende ongehoorzaamheid aan den Heere, die belijdenis en Avondmaalsviering wil.

 

(1897.)

173. In ’t door u genoemde geval zie ik er niets tegen, dat de vader het kind drage. Integendeel, daardoor toont dan het hoofd des gezins, dat de Doop in de Geref. kerk met zijn goedvinden en wil geschiedt. Met hem stipuleeren kan de kerk niet; ook zou hij alleenlijk de 3e vraag kunnen beantwoorden. Kon hij de andere 2 vragen ook beantwoorden, dan zou hij belijdenis moeten doen om ten Avondmaal te gaan. Maar de kerkeraad laat hem toch niet ongemoeid volharden in zijn lidmaatschap zonder belijdenis en Avondmaalsviering ?

|55|

(1900)

174. Wat nu uwe vraag betreft, ik heb die (met prof Bavinck) reeds grootendeels beantwoord in ons rapport aan de Middelburgsche Synode van 1896, dat behandeld is in de Generale Synode van 1899.

Er zijn, bepaaldelijk in het Noorden des lands, een groot aantal gemeenteleden, die, onder den invloed eener ongereformeerde opvatting van het H. Avondmaal, feitelijk dit door den Heere tot sterking des geloofs ingestelde Sacrament ter zijde stellen en zich daaraan onttrekken, en die nu, wel verre van te erkennen, dat zij hierin verkeerd doen en den Heere ongehoorzaam zijn, juist integendeel hierin dikwijls een bewijs zien van een dieper opvatting van vroomheid, en althans verlangen, dat de kerk hen daarin niet alleen zal verdragen, maar ook hen beschouwen en behandelen zal, als waren zij normale leden.

Dit nu mag de kerk m.i. niet doen. Zulke leden moeten beschouwd en behandeld worden, zoo al niet als ongehoorzamen aan ’s Heeren woord, dan toch in ieder geval als kerkelijk-onmondigen. En dit komt dan hoofdzakelijk hierin uit, dat de kerk niet met hen, als met mondigen, stipulatiën aangaat, of wel in zulke stipulatiën een genoegzamen waarborg vindt. Door anders te handelen zou de kerk hun geweten (dat op het punt van belijdenis en Avondmaalsviering zeker nog wel eens spreekt) helpen verzwakken, en voorts zelve feitelijk dispensatie geven van een eisch, dien de Heere toch gesteld heeft.

Daarom is het, dat, wanneer geen van beide ouders tot de volle kerkelijke gemeenschap gekomen is, een getuige bij den Doop verlangd wordt, die dan de stipulatie aangaat, en daardoor verbonden is, om, voor zooveel hij of zij dit kan, het kind in de Christelijke leer te doen onderwijzen. De bezwaren tegen zulk getuige-zijn begrijp ik niet goed. Dat de ouders er soms tegen hebben, ligt hierin, dat zij zelven door de kerk voor volle leden willen erkend worden; maar dat is toch geen goed motief! En indien zij meenden, dat zij zelven dan voor de opvoeding minder verantwoordelijk zouden zijn, zouden zij even dwaas redeneeren als een schuldenaar, die zou meenen dat bij voor de schuld minder verantwoordelijk was, wanneer de schuldeischer bij de stipulatie

|56|

ook een borg verlangd had. Voorts wordt van een Doopgetuige nooit meer verlangd, dan hij, in de gegeven omstandigheden, telkens zou kunnen doen, en welk bezwaar zou er zijn, dat op zich te nemen? Het getuige-zijn geeft hem dan juist telkens, als het noodig is, een grond en motief om zich eenigszins met die Christelijke onderwijzing te bemoeien.

In gevallen, dat geen van beide ouders tot het Avondmaal zijn toegelaten, zou ik dus blijven noodig achten, dat de kerkeraad een getuige verlangt.

Een andere vraag is, of men daarbij ook den ouders zelven vergunnen kan, mede de Doopvragen te beantwoorden (nadat hun die tevoren zijn uitgelegd). Daartegen zou ik geen principieel bezwaar zien, mits natuurlijk dan ouders en getuigen stipuleeren, en het uitkome, waarom in die gevallen de kerk aan de stipulatie der ouders niet genoeg heeft.

 

(1910.)

175. Ge doet mij een paar vragen, die in verband staan met de uitspraak van de laatste Generale Synode over den Doop van kinderen, wier ouders nog geen van beide tot het Avondmaal zijn toegelaten.

Die uitspraak houdt o.a. in (art. 86) dat „de stipulatiën, welke de kerk bij den Doop der kinderen verlangt en moet verlangen als waarborg voor de Christelijke opvoeding, niet met de ouders kunnen worden aangegaan, wijl deze zelf nog verzuimden door eigen belijdenis van hun geloof te doen blijken. In zulke gevallen blijft er bijgevolg niets anders over dan om, liefst uit den kring der familie, één of meer getuigen te vorderen,” enz.

Ik citeer dit met opzet geheel letterlijk, omdat de korte resumtie, die ge in uw schrijven ervan geeft (alsof uitgesproken was, dat „z.g. Doopleden-ouders bij den Doop hunner kinderen niet zelf de stipulatie kunnen aangaan”) niet geheel juist is, en van het goede besluit een eenigszins verkeerd besluit zou maken. Immers was de quaestie, niet welke stipulatie zulke ouders zelven zouden kunnen aangaan, maar, welke stipulatie de kerk met hen kan aangaan en als voldoende beschouwen.

|57|

Met betrekking tot die uitspraak nu hebt ge op eene Synodale vergadering te X, „Ds. A hooren beweren, dat ik in particulier gesprek met anderen gezegd zou hebben, dat zulk een uitspraak daarom nog niet inhoudt, dat men in zulke gevallen nu overal en onvoorwaardelijk den eisch moet stellen van getuigen, maar dat men, waar dit niet gewild of uitvoerbaar was, beter deed de kinderen toch te doopen, en dan zoo dat de Doopleden-ouders zelven de gewone Doopvragen beantwoorden.” — En ge vraagt, of dit inderdaad zoo door mij gezegd is, en, in elk geval, wat in deze mijne meening is.

Op die vraag is het antwoord zeer gemakkelijk, en wie de laatste Generale Synode heeft bijgewoond, zou daaromtrent ook niet in het onzekere zijn. Het gevoelen, dat, blijkens uw schrijven mij is toegedicht, is op die Synode ook voorgestaan, zelfs in een voorstel (als ik me goed herinner) eenigszins belichaamd. Maar juist door mijn oppositie is dat toen niet aangenomen, en is in een volgende zitting de uitspraak gevallen, gelijk zij, in hoofdzaak door mijzelf geredigeerd, nu luidt. Er moet dus misverstand zijn bij Ds. A of bij degenen, van wie hij zijne mededeeling had. Ik kan mij zelfs niet voorstellen wat ik kan gezegd hebben, ’t geen mij in lijnrechte tegenspraak zou brengen met al wat ik over die materie ooit gezegd, gedoceerd en geschreven heb (dit laatste b.v. in het rapport over z.g. Doopleden, dat mede door Prof. Bavinck geteekend is.)

Uw tweede vraag is, of het „bij elke erkenning, dat zulke ouders de gewone stipulatie niet kunnen aangaan”, (of beter uitgedrukt, „dat de kerk met zulke ouders de gewone stipulatie niet kan aangaan”) toch niet mogelijk en zelfs aanbevelenswaardig zou zijn, dat de kerk, met het oog op zulke ouders, een tweede reeks Doopvragen opstelde, om daardoor ook met hen een zekere stipulatie aan te gaan.

Hierop kan ik slechts antwoorden, dat dit, voor zoover het mogelijk is, natuurlijk nu reeds geschiedt, doordat de kerkeraad zich van tevoren vergewist, wanneer van zulke ouders een aanvrage voor Doopsbediening aan hun kind tot den kerkeraad komt, dat die ouders hun kind in en voor de Geref. kerk willen doen opvoeden. Eigenlijk is dit zelfs reeds opgesloten in de aanvrage

|58|

om Doopsbediening; maar de kerkeraad zal het daarbij natuurlijk toch niet laten ontbreken aan onderzoek en vermaning en opwekking (door den predikant en door één of meer opzieners). En indien soms de ouders of het hoofd des gezins zich dan positief vijandig betoonden en verklaarden hun kind buiten de Geref. kerk te willen houden of die kerk bij de opvoeding te willen tegenwerken (een geval, dat wel zeer zelden zal voorkomen, maar toch mogelijk is), dan zou zeker de Doopsbediening bezwaar ontmoeten, en met de ouders kwalijk te handelen zijn.

Maar dat is heel iets anders dan dat men hen toelaat en officieel erkent als leden, met wie de kerk een formeele stipulatie in zake de Gereformeerde opvoeding kan aangaan. Dit toch zou hun een zekere vaste en ordelijke positie geven in de kerk, als „Doopleden”. En dat mag toch de kerk nooit doen. Als volwassen Doopleden hebben zij geene kerkelijke qualiteit, maar zijn zij ongehoorzame leden, aan wier ongehoorzaamheid in geen enkel opzicht mag worden tegemoet gekomen. Zij moeten overtuigd worden, ook door de wijze, waarop de kerk met hen omgaat, dat zij in een onordelijken en zondigen weg zijn.

Daarom behoeven zij nu niet verhinderd te worden de gewone Doopvragen, met de getuigen, te beantwoorden, als zijzelven het begeeren. Maar dan moet daarbij telkens m.i., aan de gemeente gezegd worden, dat en waarom de stipulatie met hen niet kan worden aangegaan, als voldoende. Ook tot hunne beschaming en opwekking.

 

(1911.)

176. Het kind, waarover ge mij schrijft is blijkens uwe mededeeling, van een vader, die lid is der gemeente, zij het ook nog slechts door den Doop. En daarom is, naar de beschouwing, die in onze Gereformeerde kerken sedert eeuwen gehuldigd is en die ook zeker naar Gods Woord is, dat kind te beschouwen, niet als gelijkstaande met een kind van Heidenen of Joden, maar als „het zaad der kerk” en een „kind des Verbonds”; ’t geen zelfs het geval zou zijn, wanneer de vader buiten alle Christendom stond, en alleen de moeder lid der kerk was. Wel is het in onze kerken

|59|

soms voorgekomen (niet in haren bloeitijd, in de eeuw der Hervorming, maar in de 18e eeuw), dat hier of daar een kerkeraad de toelating tot den Doop wilde afhankelijk stellen van zijn oordeel over den geestelijken staat der ouders of des vaders. Maar onze kerken hebben dit, terecht, nooit goedgekeurd; niet alleen omdat zulk eene subjectieve keuring bijna altijd zeer moeielijk of zelfs onmogelijk is; maar ook, omdat menschen zich daarbij lichtelijk vergissen kunnen, en het dan onverantwoordelijk zijn zou, aan een kind, dat van Godswege recht op den Doop heeft, dit teeken en zegel te onthouden; ’t geen oneindig veel erger zijn zou, dan dat door menschelijke vergissing een kind gedoopt werd, ’t welk hierop geen recht had. Voor de kerk moet een kind, geboren uit ouders die beide (of één van beiden) lid zijn der kerk, beschouwd worden als geboren op het Christelijk erf, en dus tot de kerk behoorende.

Natuurlijk moet een kerkeraad, om tot den Doop een kind toe te laten, ook waarborg hebben voor de Christelijke opvoeding in en voor de Gereformeerde kerk, en daarom, als de vader en moeder geen van beiden belijdend lid zijn, een betrouwbaar getuige verlangen. Maar die blijkt er te zijn, in het geval, waar ge mij over schrijft.

Rutgers, F.L. (1922) 105

105. Is het van belang wie een kind ten Doop houdt?

 

(1895.)

177. Bij de toelating tot den H. Doop komt het voor een kerkeraad er op aan: dat het kind te houden zij voor het „zaad der kerk”, — dat het door het hoofd des gezins, of van zijnentwege of met zijne toestemming ten Doop gepresenteerd worde, — en dat behoorlijke stipulatie plaats hebbe, door beantwoording der Doopvragen, zoo mogelijk door den vader zelven, als deze een tot het H. Avondmaal toegelaten lid der kerk is.

Dit alles nu is aanwezig in het door u genoemde geval. Wat zou de kerkeraad dan nog meer kunnen verlangen?

Hij kan toch niet eischen, dat de vader zelf zijn kind tijdens de Doopsbediening zal vasthouden of dragen. Immers, hieraan is geenerlei beteekenis of gevolg toe te kennen. Doorgaans vraagt

|60|

een kerkeraad daarnaar dan ook in het geheel niet. Hier in Amsterdam b.v. wordt het geheel aan de ouders zelven overgelaten, wie het kind zal dragen; en wanneer iemand daartoe vergunning aan den kerkeraad vroeg, zou deze zeker antwoorden, dat hem zulks om het even is.

Indien quaestie is van het „als getuige bij den Doop optreden”, zou het zeker een ander geval zijn; want een „getuige” gaat met de kerk eene stipulatie aan. Maar het dragen en vasthouden van het kind zegt op zich zelf niets en verbindt tot niets. Dat moet een kerkeraad dus aan de ouders overlaten. 

In het door u genoemde geval moet dus zeker aan de moeder geantwoord worden, dat de kerkeraad geen reden heeft om er tegen te hebben, dat zij zelve haar kind dan draagt en vasthoudt. Als de stipulatie maar door den vader geschiedt.

Rutgers, F.L. (1922) 106

106. Is er bezwaar tegen het gebruik van het woord „Amen” na den Doop?

 

(1908.)

178. Ik zie geenerlei principieel bezwaar tegen het gebruik van het woordje „Amen”, na ’t uitspreken van de Doopsformule; en ikzelf zou het zeker gebruiken, als ik den Doop moest bedienen in eene gemeente, waar men nu eenmaal daaraan gehecht was (ook al heeft die gehechtheid iets bijgeloovigs of bekrompens).

Immers dat woordje is niet de aanduiding van een wensch, dien men gaarne vervuld ziet of van welks vervulling men zich overtuigd houdt, maar het beteekent, gelijk de Catechismus in zijn laatste antwoord ook zegt, de sterke bevestiging van hetgeen voorafgaat, ’t geen bij de constateering van een feit even goed past. Anders zou het in het Onze Vader ook niet kunnen volgen op de slotwoorden („want U is” enz.), die toch wel geen wensch uitspreken, maar een feit constateeren.

In ons Doopformulier staat het niet. Maar het staat wèl in de oude uitgave van het Doopformulier der Waalsche Gereformeerde kerken hier te lande. En eveneens in zeer oude Formulieren uit den tijd vóór de Midden-eeuwen.

Van strijd daarover is mij uit vroeger tijd niets bekend; dan

|61|

alleen wat Voetius vermeldt, Pol. Eccl. Vol. I p. 677 (in de uitgave der Bibl. Reform., serie II p. 157). Maar daarbij betrof het de vraag, „of het woordje Amen behoorde tot het wezenlijke van den vorm der Doopsbediening”; ’t geen dus onderstelt, dat men toen algemeen dat woordje gebruikte, en zelfs gevraagd werd, of een Doop wel wettig was, als dat woordje werd weggelaten.

Ziedaar iets in antwoord op uw vraag. M.i. kunt ge dus de BB in X wel geruststellen. Het al of niet gebruiken van dat woordje is ook waarlijk geen strijd waard.

Rutgers, F.L. (1922) 107

107. Over het Formulier om den Heiligen Doop aan de kinderen te bedienen volgens de Flakkeesche uitgave van de Liturgie.

 

(Heraut, 16 Jan. 1896.)

179. Een ingezonden stuk in den Gelderschen Kerkbode van 25 December l.l. geeft gereede aanleiding om nog eens terug te komen op de Flakkeesche uitgave van de „Liturgie der Gereformeerde kerken in Nederland” (toegevoegd aan de Bijbel-uitgave in klein-octavo van dezelfde drukkerij).

Niet alsof iedere aanmerking tot die uitgave ook een antwoord zou moeten uitlokken. Dat zou zelfs moeielijk te verlangen zijn. Maar in dit geval kan het antwoord nog iets meer doen, dan slechts voor sommige lezers ééne enkele bijzonderheid toelichten. Het kan juist door die toelichting dienen, misschien om bij anderen soortgelijke bezwaren te voorkomen of op te lossen, en in ieder geval om de bedoelde uitgave nog eens in het algemeen te verklaren en te rechtvaardigen.

Het opstel in den Gelderschen Kerkbode handelt over eene uitdrukking in de 3de vraag van het „Formulier om den Heiligen Doop aan de kinderen te bedienen".

In die vraag heeft de Flakkeesche uitgave de oude uitdrukking „of gij niet belooft en voor u neemt”, veranderd in: „of gij niet belooft en u voorneemt”. En om van die verandering rekenschap te geven, is er in eene noot bijgevoegd: „De officieele tekst heeft hier: voor u neemt; hetgeen in de taal der 16de eeuw hetzelfde

|62|

was als: u voorneemt, of bij uzelven besluit; maar thans in dien zin niet meer kan gezegd worden.”

Hierdoor nu is een lezer, die zich J.L. teekent, niet bevredigd, zoodat hij te dien aanzien nog eenige opheldering vraagt. Of liever, hij acht die verandering zeer foutief. Want in afwachting van de gevraagde opheldering stelt hij reeds als zeker, dat de „ouderwetsche” uitdrukking „voor zich nemen” hetzelfde beteekent als „in hedendaagsche taal” de uitdrukking „voor zijne rekening of verantwoording nemen” en dat het „taalverwarring” is, in die Doopvraag te willen lezen: „of gij niet belooft en u voorneemt”. Ten einde die verzekering wel niet te bewijzen, maar dan toch te verklaren, besteedt hij bijna zijn geheele opstel, om met eenige uitvoerigheid uiteen te zetten, dat het bij die Doopvraag te doen is om eene verbintenis; dat inderdaad eene verbintenis wordt aangegaan, wanneer iemand iets „voor zijne rekening neemt”; dat dit echter niet geschiedt (nl. naar het oordeel van den Schrijver), wanneer iemand aan zijne „belofte” om iets te doen, nog toevoegt, dat hij zulks ook „zich voorneemt”; en dat integendeel „beloven en zich iets voornemen niet kan samengaan”; want „hij, die ten opzichte van eene zaak iets belooft, moet die belofte vervullen, maar mag zich niet aan de zaak onttrekken, door zijne belofte als een voornemen te beschouwen.” En aan het slot van dit gansche vertoog neemt de Schrijver dan aan (eenigszins in strijd met zijn stelligen toon), dat hij „wel verkeerd geredeneerd zal hebben”, tevens „verzoekende, hem dat eens te willen ophelderen”.

Om aan dat verzoek te voldoen, zal het wel niet noodig zijn, de onjuistheid van de aangevoerde redeneering in bijzonderheden aan te toonen. Ook niet voor den Schrijver zelven, als hij slechts bedenkt, wat een „voornemen” eigenlijk is. In zijn opstel kent hij blijkbaar geene andere „voornemens”, dan die betrekking hebben op zaken, waartoe men niet verplicht is. Maar in zijn leven zal hijzelf toch nog wel eens andere „voornemens” hebben opgevat en uitgesproken. Immers ligt in het woord „voornemen” niet vanzelf reeds opgesloten, dat men tot de uitvoering niet verbonden zou zijn. Of dit, al dan niet, het geval is, hangt geheel af van hetgeen men „zich voorneemt”. En wanneer dit eene zaak is, waartoe men verplicht is, dan wordt door het „voornemen” te

|63|

kennen gegeven, dat men met die verplichting ernst maakt, dat men metterdaad haar aanvaardt, dat men werkelijk gezind is haar te vervullen. Zoo b.v. (om bij onze Liturgie te blijven) in de 5de vraag van het „Formulier om den Heiligen Doop aan de volwassenen te bedienen” (luidende: „of gij u van harte voorgenomen hebt, altijd Christelijk te wandelen”, enz.), of in de laatste vraag aan degenen, „die tot des Heeren Avondmaal begeeren toegelaten te worden” (inhoudende: „of zij voorgenomen hebben, bij de voorzeide leering te blijven”, enz.). Op die beide plaatsen staat zelfs alleenlijk het woord „voornemen”; en in de bedoelde Doopvraag staat het woord „beloven” er nog bij, zoodat dan de zin wel zeer duidelijk is. „Beloven” en „voor zijne rekening nemen” zou ongeveer dezelfde gedachte uitdrukken. Maar „beloven” en „zich voornemen” gaat, helaas, niet altijd samen; en door de betuiging van het laatste wordt dus aan het eerste nog iets toegevoegd. Wie zegt, dat hij iets „belooft”, en dan daarbij uitspreekt, dat hij dit ook „zich voorneemt”, die verklaart hierdoor, dat hij niet slechts met den mond, maar ook met het hart belooft; dat hij de gedane belofte ernstig meent; dat hij werkelijk des zins en des willens is, dienovereenkomstig te handelen.

Intusschen (en hierop vooral moet nu de aandacht gevestigd worden) voor de zaak, waar het bij eene uitgave van de Liturgie om te doen is, hebben dergelijke redeneeringen en beschouwingen al zeer weinig beteekenis. Voor zoover zij juist zijn, kunnen zij belang en waarde hebben, wanneer eene altijd mogelijke herziening van de Liturgie bij de kerken aan de orde is, of in het algemeen. wanneer men over haren inhoud handelt. Maar wie de Liturgie uitgeeft, of wie zulke uitgave beoordeelt, heeft er eigenlijk niets mede te doen. Het kan zeker wel voorkomen, dat een uitgever of beoordeelaar hier en daar op de uitdrukking aanmerking heeft, en er liever iets anders voor zou in de plaats stellen. Maar wie aan die neiging ook maar eenigszins toegaf, zou zich metterdaad aan de Liturgie der kerken vergrijpen, en op kerkelijk gebied door persoonlijke willekeur alle orde verbreken. De kerken zelve hebben hare Liturgie op wettige wijze vastgesteld; en wie nu dat werk der kerken als zoodanig uitgeeft, heeft te zorgen, dat hij daarbij eerlijk en nauwkeurig te werk ga, d.w.z. dat hij

|64|

den vastgestelden tekst zuiver weergeve. Hierdoor wordt niet uitgesloten, dat de taal, voor zoover die verouderd is, naar het tegenwoordig spraakgebruik wordt veranderd. Integendeel, dat is noodig, om den tekst inderdaad denzelfden te laten; d.w.z. om hem voor het tegenwoordig geslacht hetzelfde te doen zeggen, als wat door de kerken bedoeld was, en wat er in de 16de eeuw ook inderdaad door werd uitgesproken. Maar ook bij zulke wijziging mag persoonlijke voorkeur voor de eene of de andere gedachte niet het minste gewicht in de schaal leggen. Ook bij zulke wijziging is uitsluitend de vraag, welke uitdrukking van den tegenwoordigen tijd aan de oude en verouderde uitdrukking beantwoordt.

Dat dit bij eene uitgave van de Liturgie eigenlijk de eenige eisch is, zal natuurlijk ieder wel toegeven. En toch, hoe vreemd het ook klinke, van de talloos vele uitgaven, die er sedert de Dordtsche Synode van 1619 verschenen zijn, heeft geen enkele aan dien eisch voldaan of ook maar ernstiglijk trachten te voldoen. Zonder twijfel was er onderscheid tusschen de verschillende uitgaven, zoodat de eene nauwkeuriger was dan de andere. Maar geen enkele uitgever gaf den kerkelijk vastgestelden tekst. Zelfs de Deputaten der Zuid-Hollandsche Synode, aan wie dit voor 1½ eeuw uitdrukkelijk was opgedragen, gaven toch weer iets anders, zich er toe bepalende, aan het slot hunner uitgave eene niet zeer nauwkeurige lijst te geven van hunne talrijke afwijkingen. En wie daarna de Liturgie uitgaf, lette niet op die uitgave, maar ging den onzuiveren tekst eenvoudig nadrukken. Voorts werd bij dien nadruk lang niet altijd de vereischte nauwkeurigheid in acht genomen. En ook waren er telkens uitgevers, die bij noodige wijziging van verouderde uitdrukkingen, of ook wel zonder zulke aanleiding, bij zichzelven over den inhoud gingen redeneeren, en zich dan lieten leiden door de gedachte aan hetgeen huns inziens hier of daar moest staan. Aan die oorzaken is b.v. toe te schrijven, dat in het Formulier voor den kinderdoop (om slechts hieruit een enkel voorbeeld te nemen) reeds in het opschrift aan het woord „de kinderen” toegevoegd werd: „de kleine kinderen der geloovigen;” dat in de voorstelling der leer, waar de kerken schreven, dat „de Heilige Geest in ons wonen wil”, dit veranderd

|65|

werd in het veel zwakkere, dat „Hij bij ons wonen wil”, en dat in het voorgebed, waar de kerken het te doopen kind reeds „Gods kind” noemden, in de uitdrukking „dit uw kind” het zoo veel beteekenende voornaamwoord „uw” eenvoudig werd weggelaten. En wanneer dan eenmaal zulke fouten waren ingeslopen, werden zij bestendigd en vermenigvuldigd. Reeds in 1650 schreef het oud-lid van de Dordtsche Synode, de bekende geschiedschrijver Jacobus Trigland: „Men weet de vryheydt ende de gewoonte van de Druckers ende Boeckverkoopers hier te lande. Sy drucken ende verkoopen alles wat haer belieft, ende alsse erghens een Copie van een Psalmboeck, Catechismus of dierghelycke hebben, zy drucken eenvoudich by haer neus lancks, manneken nae manneken, sonder ondersoeck of het wel of qualyck is, en die boecken worden also in de winckels tot verscheyden gebruycken verkoft.” En zooals het toen reeds ging, is het sedert veelszins blijven gaan; ook zelfs waar men zich beijverde, om critiek te oefenen en nauwkeurig te werk te gaan.

Dat gebrek zooveel mogelijk te verhelpen, is nu de bedoeling geweest der Flakkeesche uitgaven. Of en in hoeverre dat doel bereikt is, mag en moet door ieder beoordeeld worden. Maar dan altijd naar den regel, dat men hier slechts te doen heeft met quaestiën, die òf historisch, òf taalkundig zijn. De geschiedenis moet beslissen, welke tekst door de kerken is vastgesteld (eene vraag, waarover gelukkig geen verschil van gevoelen is); en de taalkunde moet beslissen, hoe die tekst naar het tegenwoordig spraakgebruik luiden moet. Uit de talrijke noten, die in de Flakkeesche uitgave den gegeven tekst trachten te rechtvaardigen, kan genoegzaam blijken, dat die regel daar ook altijd streng is in het oog gehouden.

Veelomvattend was die taak zonder twijfel, meer dan menigeen zou vermoeden; en indien de ondergeteekende die alleen had moeten volbrengen, zou hem zeker de tijd wel ontbroken hebben. Maar (en dit mag hier nu wel eens gezegd worden) een gedeelte van dien arbeid is voor hem verricht door den Leeuwarder predikant Dr. H.H. Kuyper, die begonnen is met zoowel van de Liturgie als van de Formulieren van eenigheid een exemplaar in gereedheid te brengen, waarin hij met betrekking tot iederen volzin van den

|66|

tekst de slotsommen van zijn onderzoek en van zijne critiek in duizende aanteekeningen weergaf, en die daardoor voor de uitgave eenen grondslag gelegd heeft, waarvan de ondergeteekende bij zijn eigen onderzoek uitnemenden dienst had. Te meer, omdat Dr. H.H. Kuyper van de Liturgie juist bijzondere studie gemaakt had; eene studie, waarvan men vertrouwen mag, dat zij aan ons kerkelijk publiek eerlang wel geheel zal ten goede komen.

In de alzoo bewerkte uitgave is dus, ook met betrekking tot de 3de vraag van het Formulier voor den Kinderdoop, de te geven tekst eerst na onderzoek vastgesteld; en dat onderzoek gold dan hier uit den aard der zaak eene zuiver taalkundige quaestie. Het mocht niet de vraag zijn, wat men bij de uitdrukking „voor zich nemen” thans het eerst zou denken, maar alleenlijk, wat zij beteekende in de zestiende eeuw.

Om nu hierbij niet alleenlijk af te gaan op de eigene kennis van het oudere Hollandsch, werd ook bij deze vraag, gelijk bij zoovele andere, van de meest bevoegde zijde een advies ingewonnen; waarop de ondergeteekende van Dr. A. Kluyver, een der redacteuren van het Nederlandsch Woordenboek, die aan zulke verzoeken steeds met groote welwillendheid voldaan heeft, in Maart l.l. het volgende antwoord kreeg: „Ik meen wel te mogen zeggen, dat iets voor zich nemen in de oudere taal hetzelfde is als zich iets voornemen, beide gevolgd naar sibi proponere, en dat tusschen de beide uitdrukkingen meer een verschil is van constructie dan van beteekenis. Bij andere op dergelijke wijze samengestelde werkwoorden komt hetzelfde voor. Het denkbeeld voor zijne rekening nemen, op zich nemen, zich tot iets verbinden, wordt, naar ik geloof, door voor zich nemen niet uitgedrukt, maar wel dat van zich voornemen, het besluit tot iets nemen,” enz.

Voorts werd ook bij deze uitdrukking nagegaan, hoe zij in den ouden tijd door bekwame hand in eene andere taal was overgebracht, daar toch hieruit blijken kon, in welken zin zij door hen, die de oudere taal nog gebruikten, werd opgevat; en dan gaf de Latijnsche vertaling, die Jacobus Revius (een der geleerdste theologen uit den tijd der Dordtsche Synode) in 1623 uitgaf, de woorden: „of gij niet voor u neemt”, aldus weder: „an non apud te decernas”, d.i. letterlijk: „of gij niet bij uzelven besluit”.

|67|

En eindelijk werd in aanmerking genomen, dat de vele vragen die in de Liturgie gevonden worden, nergens spreken van een „voor zijne rekening nemen”, maar wel (b.v. in de boven reeds aangehaalde vragen uit het Formulier voor den Doop van volwassenen, en uit de aanwijzingen voor het afnemen der geloofsbelijdenis) van een „zich voornemen”.

Nu kan iemand zeker wel meenen, dat toch beter ware, indien hier van een „voornemen” niet gesproken werd. Maar al zou dat ook waar zijn (des neen), dan zou toch de tekst niet daarnaar mogen gewijzigd worden. In de Liturgie moet staan, wat de kerken gewild hebben, totdat deze zelve het wettiglijk wijzigen. En op de boven aangegeven gronden, waar niets tegenover wordt aangevoerd, moet dus hier worden aangenomen, dat er van een „voornemen” sprake is.

Zonder twijfel is men ook verantwoord, als men letterlijk blijft bij hetgeen vóór 3 eeuwen geschreven is, en dus de verouderde uitdrukking onveranderd laat. Alleenlijk (en dit blijkt ook uit het opstel, dat tot deze toelichting aanleiding gaf), men weet dan zeker, dat vele hoorders of lezers er iets anders bij denken dan bedoeld is; en men geeft hun metterdaad dus iets anders. Talloos vele zijn wel de verkeerde gevolgtrekkingen, die, zoowel bij de Liturgie, als ook bij de Formulieren van eenigheid, en vooral bij den Bijbel zelven, uit zoodanig gebruik van verouderde woorden, of van woorden, wier beteekenis zich geheel gewijzigd heeft, onophoudelijk zijn voortgevloeid. En het zal wel niemand onverschillig zijn, of hij dat belet, dan wel met bewustheid daartoe medewerkt. Moge het aan de uitgevers der Flakkeesche drukkerij gegeven zijn, zoodanig misverstand althans eenigszins te voorkomen.

Rutgers, F.L. (1922) 108

108. Welke leeftijdsgrens moet voor den kinderdoop gesteld worden?

 

(1900.)

180. De uiterste grens van leeftijd, buiten welken kinderen niet meer tot den H. Doop zijn toe te laten zonder voorafgaande geloofsbelijdenis, en gelijktijdige toelating tot het H. Avondmaal, is voor Gereformeerde kerken niet precies bepaald geworden. Die

|68|

grens zou ook voor verschillende landstreken niet geheel dezelfde kunnen zijn. In het algemeen echter heeft men sedert de Reformatie daarvoor den leeftijd genomen, waarop een kind kan geacht worden voor geloofsbelijdenis en Avondmaalsviering vatbaar te zijn; dus in zuidelijke landen de leeftijd van 10 à 12 jaar, in noordelijke landen die van 14 jaar. Wel is thans hier te lande zeldzaam, dat een kind op zijn 15e jaar tot de Avondmaalsviering in onze Geref. kerken wordt toegelaten. Maar het komt toch nog voor (b.v. hier in Amsterdam met een mijner eigene kinderen), en in de eeuw der Hervorming was het in onze Nederlandsche kerken de gewoonte; ’t geen ook zeker veel beter was dan de latere usantie, om tot 18 of 20 jaar, of nog langer, te wachten. In ieder geval kan men, ook thans, wel niet ontkennen, dat een kind op zijn 15e jaar tot rekenschap van geloof in staat kan zijn; en alsdan mag hij niet meer als een onmondig kind gedoopt worden. Natuurlijk is er ook op jongeren leeftijd reeds in meerdere of mindere mate kennis van de waarheid, en persoonlijke verhouding te dien aanzien; althans bij de meeste kinderen. En daarom mag op jongeren leeftijd ook niet gedoopt worden, wanneer er (gelijk wel zeldzaam is, maar toch voorkomt) bij het kind verzet is tegen de waarheid, of een aanstootelijk leven. Daarom heeft de kerkeraad hier als regel aangenomen, na het 14e levensjaar niet meer tot den Doop toe te laten zonder gelijktijdige toelating tot het H. Avondmaal, na geloofsbelijdenis, en vóór dien leeftijd nog te doopen, met stipulatie der ouders of getuigen, maar niet zonder dat de kerkeraad door gecommitteerden zich heeft vergewist, dat er in de levensuitingen van het kind geen bezwaar was. De wijze, waarop men zich daarvan vergewist, en met het kind spreekt, verschilt dan natuurlijk, al naarmate het kind pas 6 of 7 jaar is of reeds 13 of 14.

Tijd ontbreekt mij, om te dien aanzien in onderscheiden boeken te gaan opzoeken, wat over de beschouwing en practijk onzer vaderen daarin vermeld wordt. Maar noodig is dat ook niet. De zaak is niet zeer ingewikkeld. En voorts zal, ook al stelt men te dien aanzien een regel, toch ook hier moeten gelden, dat er allerlei gevallen kunnen voorkomen, waarop die regel dan niet precies past en die men op zichzelf moet beoordeelen.

|69|

(1904.)

181. Het motief, dat een kerkeraad dringt een gevraagden Doop toe te staan, kan alleen hierin liggen, dat de kerkeraad overtuigd is, dat die Doop naar Gods Woord iemand toekomt. Dus bij een volwassene, als zijne Christelijke belijdenis voldoende is, en bij kinderen, als de Verbondsbelofte hun toekomt.

Weigeren mag de kerkeraad niet, wanneer hij de genoemde overtuiging heeft of kan hebben. Er kan geen tusschenleeftijd zijn tusschen een pasgeboren kind en een volwassene, in welken de Doop absoluut zou te weigeren zijn, zelfs jaren lang.

Nu kan over den grenstijd tusschen kinderen en volwassenen verschil zijn: die zal in Zuidelijke landen ook wel anders te stellen zijn dan in Noordelijke. Maar voor onze streken is doorgaans de leeftijd van uiterlijk 15 jaar aangenomen; en ik zie inderdaad niet, waarom die vroeger of later zou te stellen zijn.Wanneer een kind reeds enige jaren oud is, moet natuurlijk vooraf ook onderzocht worden, of er niet soms een bepaalde reden is om zoodanig kind niet meer als een kind des Verbonds te erkennen, b.v. positief verzet tegen de waarheid, of onzedelijkheid, of schromelijke onkunde (in verband met den leeftijd). En daarom onderzocht men b.v. wel of zij het Onze Vader, de 10 geboden en de 12 geloofsartikelen kenden (waarbij zeker niet noodig is, dat zij die in de kerk voor de gemeente zouden opzeggen), ’t geen dan als een kiem of beginsel van die later af te leggen belijdenis beschouwd werd.

Voor het overige hangt de manier, waarop men zulke kinderen behandelt, natuurlijk veel af van personen en omstandigheden. Ziedaar, in het kort mijn antwoord, voor zooveel ik uw bedoeling begrepen heb.

 

(1907.)

182. Aanbieding tot den H. Doop van kinderen tusschen 1 en 15 jaren heeft zich ook in vroeger tijd in onze kerken natuurlijk dikwijls voorgedaan. Maar aangezien de beslissing over het al of niet toestaan van de omstandigheden afhing en dus aan de kerkeraden

|70|

stond, zal men te dien aanzien van Classen en Synoden niet vele besluiten kunnen vinden.

Toch wel enkele. Zoo b.v. in de Acten der Provinciale en Particuliere Synoden, ed. Reitsma en v. Veen, Dl. 2 (om de andere Dll. van dien uitgever na te gaan, ontbreekt mij nu den tijd; eventueel zouden zij echter wel ergens te raadplegen zijn), blz. 275, uit de Acta der Particuliere Zuid-Hollandsche Synode te Rotterdam, Juni 1586, art. 29:

„Het is voorghestelt worden een vraghe, hoe dat men soude doen met kinderen van 7 ofte 8 jaren, die niet ghedoopt en syn, om te doopen. Ende is gheandtwoort, dat de ouders sullen present verschynen by den doope, ende den dienaer des woorts betuyghen sal voor der ghemeynte onbehoorlyck te syn, dat de kinderen soolanghe opghehouden syn van den doope ende, daert stichtelyck can gheschieden, met affvraginghe van het Vader Onse, thien gheboden, tgheloove ende van den doope te handelen, doch alsoo dat dit in de vryheydt der kercken ghestelt worde.”

En uit de acta der Particuliere Zuid-Hollandsche Synode te Leiden, November 1592, art. 28 (blz. 439):

„Int doopen der kinderen, die alreede 7 ofte 8 jaeren oudt syn, sullen haer de dienaeren ende kercken moogen draagen naer tghene in Synodo particulari anno 1586 te Rotterdam geresolveert is, dat de ouders present zyn, de dienaer betuyghe onbehoorlyck te zyne den doop alsoo uit te stellen ende daert stichtelyck geschieden kan met affvraginghe van ’t Vader Onse, geloove ende thyen geboden ende doope ; doch dat dit gelaten zy in de vryheyt der kercken by provinsie totten naesten generalen synodum.”

Over de practyk in de 17e en 18e eeuw vindt ge berichten, vooral in het werk, dat voor de behandeling van alle mogelijke kerkelijke quaesties een soort van „Sammelwerk” is (naast de „Pol. Eccl.” van Voetius), nl. B. de Moor, commentarius perpetuus in Joh. Marckii compendium theologiæ christianæ, waar in Pars 5 d.i. Dl. 6 (Ed. 1768) bladz. 474 te vinden is, wat de schrijver, toen hij predikant te Enkhuizen was, uit de kerkeraadsacta over eenige jaren der 17e eeuw had opgediept, bij een hem voorkomend geval:

Hominibus aetatis intermediae inter infantilem et adultam aliquando

|71|

Baptismus confertur post praeviam aliqualem instructionem et confessionem primorum Christianismi elementorum; aliquando hi instar Infantium considerantur, qui absque ullá praeviá Confessione per Baptismum Ecclesiae initiantur. Vide Consider. Deputat. Class. Delph. et Schieland. Belg. edit. ann. 1733, pag, 77, 78, 104, 105. Ipse ad diem 1 Nov. 1743 Enchusae Baptismum administravi Puellae X annorum, cujus pater Anabaptistarum, mater nostrae religioni addicta fuerat sed quae, utroque illo parente defuncto, nunc in Orphanotrophio educabatur. Praefecti Orphanotrophio rem hanc antea cum Synedrio communicaverant, atque ex hujus consilio puellam hanc in primis Religionis elementis a Catechistâ prius aliquantum erudiri curaverant, ita ut dein ante Baptismum coram coetu. Praefectorum Orphanotrophio professa fuerat et recitaverit Orationem Dominicam Symbolum Apostolorum et Decalogum : dein ego post Baptismum collatum specialem addidi Benedictionem, quo debitâ cum reverentiâ erga hanc Cerimoniam foret affecta, atque in sul solatium et excitationem Baptismi sibi administrati viveret memor. At in eâdem Ecclesia baptisati sunt 20 Aug. 1653 filius XV annorum, 13 Febr. 1656 filius XIV annorum, 10 Martii 1656 duo filii, 10 Febr. 1662 filia XII annorum, post recitatos publica coram suggestu XII Fidei Articulos; offerentibus hosce liberos patre, matre, aliisve testibus, qui simul pro ipsorum ulteriore institutione spondebant.”

De practijk was dus vroeger, dat men voor kinderen tot en met 14 jaar die nog niet gedoopt waren, de gewone kinderdoop toepasselijk achtte (met het 15e jaar werd men geacht oud genoeg te zijn, om alsdan alleenlijk op „belijdenis des geloofs” gedoopt, en dan tevens tot het H. Avondmaal toegelaten te worden: dus alsdan de „bejaardendoop”). Soms was het dan de gewone kinderdoop, zonder meer; maar dikwijls werd dan vooraf nog verlangd, dat zulk een kind de 12 geloofsartikelen kon opzeggen (hetzij voor een kerkeraadscommissie, of voor de gemeente) of wel bovendien ook de tien geboden en het Onze Vader. Altijd was natuurlijk eisch, dat het kind kon geacht worden tot het „zaad der kerk” te behooren (door de ouders, of ook een hunner); en dan hing het van omstandigheden af, zeker meest van den leeftijd, of men althans eenige kennis van de Christelijke waarheid bij

|72|

hen verlangde; waarvan zonder twijfel het motief vooral was, zich zooveel mogelijk te vrijwaren tegen het doopen van een kind, dat reeds eenigszins bewijzen gaf of althans vermoedens, dat het, ondanks zijn geboorte uit christenouders, toch niet als een kind des verbonds te beschouwen was, wegens algeheele onverschilligheid of zelfs vijandschap tegen de waarheid, waarvan uit den aard der zaak wel iets blijken zou bij het spreken over de 12 artikelen, het gebed en de 10 geboden. Natuurlijk kon daarvan alleen sprake zijn bij kinderen van 7 à 8 tot 14 jaar; zij ’t ook, dat dit slechts zelden voorkwam.

Hier in Amsterdam volgt de kerkeraad dien ouden regel, zoodat voor kinderen van dien leeftijd, uit een christenvader of moeder, indien er genoegzame waarborg is voor de godsdienstige opvoeding, de kinderdoop toegestaan wordt, tenzij er, naar het oordeel van de wijkgecommiteerden bij het kind zelf al verzet of vijandschap tegen de waarheid openbaar wordt. Het geval komt hier ieder jaar herhaaldelijk voor. ’t Is wel singulier, dat ge nu voor het eerst in uw kerk zulk een geval hebt.

 

(1908.)

183. In onze kerken is reeds van ouds de grens, boven welke van geen kinderdoop meer sprake kon zijn, gesteld op den leeftijd van uiterlijk 15 jaar, aangezien daarna in den leeftijd geen beletsel meer is tegen het hebben der noodige kennis van „zonde, verlossing en dankbaarheid”, de drie hoofdstukken, die te belijden zijn vóór de toelating tot het H. Avondmaal. Na het 15e levensjaar werd dus de H. Doop bediend na belijdenis van de leer, waarop toegang tot het Avondmaal verleend werd, en werd dan de Doopsbediening tevens openbare geloofsbelijdenis en toelating tot het Avondmaal. Inderdaad kan iemand na het 15e jaar ook niet meer gedoopt worden als een kind, dat van wege zijn leeftijd die dingen niet verstaat of begrijpt.

Bij het geval, dat zich nu in uwe gemeente voordoet, zou te dien aanzien dan ook wel geen twijfel zijn, indien in het bedoelde gezin slechts twee kinderen waren, van 16½ en 17½ jaar. Althans,

|73|

het schijnt mij toe, dat er aan hun Doop (met het Formulier van den kinderdoop) slechts gedacht wordt, doordat er nog negen andere kinderen zijn van 1 tot 13½ jaar. Toch ligt daarin natuurlijk geenerlei reden; zoodat bij die oudste twee dus te wachten is met den Doop tot hunne belijdenis.

Bij de andere negen is daarentegen op zichzelf geen bezwaar tegen kinderdoop; want 13½ jaar is nog rijkelijk jong voor belijdenis, tenzij het kind geestelijk bijzonder ontwikkeld mocht zijn.

Intusschen is bij kinderen, die reeds eenigszins, in meerdere of mindere mate, tot jaren van onderscheid kwamen, ook de oude regel in acht te nemen, dat men bij zulke kinderen onderzoeke, of er niet soms verzet of booze vijandschap tegen de waarheid bij hen openbaar wordt: ’t geen bij kinderen wel zeldzaam is, maar toch kan voorkomen, en alsdan natuurlijk een beletsel zou zijn tegen toelating tot den Doop. Ook zal wel eenige waarborg noodig zijn, dat de ouderen van die 9 kinderen ter catechisatie komen; ’t geen de ouders, en ook die kinderen zelven, zich althans ernstig moeten voornemen.

 

(1915.)

184. Voor zooveel ik weet, is in onze kerken altijd vastgehouden aan den regel, dat aan een kind, ’t welk, als behoorende tot „het zaad der kerk”, recht heeft op den Christelijken Doop, en voor welks opvoeding in en voor de Gereformeerde kerk genoegzame waarborg bestaat, de Doopsbediening niet mag onthouden worden. Dit geldt dus ook de twee door u bedoelde kinderen van 12 en 14 jaar. Maar bij dezen reeds gevorderden kinderlijken leeftijd ziet ge nu eenig bezwaar tegen hunnen Doop als kinderdoop.

Maar in dit geval zouden zij nu als volwassenen op eigen geloofsbelijdenis tot den Doop, en tevens tot het Avondmaal zijn toe te laten; en dat gaat toch niet op een leeftijd, die hen zeker nog niet tot „bejaarden”, d.i. tot hun jaren gekomenen, kan stempelen. Naar de theorie en practijk onzer kerken is hiervoor doorgaans het voleindigde 15e levensjaar als grens gesteld.

Op jongeren leeftijd werden zij als kinderen gedoopt; waarbij

|74|

dan ook wel eens, als het oudere kinderen betrof, onderzocht werd of zij van de Christelijke religie reeds wisten wat kinderen kunnen weten, b.v. of zij de 10 geboden en de 12 geloofsartikelen en het Onze Vader konden opzeggen, en in het algemeen, of er bij hen geen verzet was tegen de waarheid, ’t geen bij kinderen wel zeer zeldzaam is, maar toch kan voorkomen. En voorts ging de Doops, bediening dan natuurlijk met het Formulier van den kinderdoop, waaraan bij een kind van b.v. reeds 15 jaar dan ook wel eens eene toespraak aan het kind werd toegevoegd.

Er zijn zonder twijfel een aantal bronnen, waaruit over den Doop van kinderen van 10 à 15 jaar de theorie en practijk onzer kerken te putten is. Maar ik kan die nu niet voor u gaan bijeenzoeken. Ge kunt er iets over vinden in het werk, dat (evenals Voetius’ Polit. Eccl.) een rijke schatkamer is voor de behandeling van kerkelijke quaesties, nl. de zeven lijvige quartijnen van „B. de Moor, Commentarius perpetuus in Joh. Marckii Compendium Theologiae Christianae,” Dl. V, pag. 474 (welke Dl. in 1768 verscheen), waar hij een aantal voorbeelden geeft van Doopsbedieningen in de 17e eeuw aan kinderen van 10 tot 15 jaren, en ook nog verder verwijst naar de Consideratiën van de Deputaten van Delft en Schieland (in het licht verschenen in 1733). blz. 77, 78, 104, 105). 

 

(Heraut, 18 Nov. 1894.)

185. Doop van kinderen, die de eerste kindsheid reeds ontwassen zijn.

Onder de quaesties, waarvoor kerkeraden telkens gesteld worden, en waarbij zij dan toch vaak eenigszins onzeker zijn over de te nemen beslissing, behoort ook de vraag: hoe te handelen, wanneer de H. Doop gevraagd wordt voor kinderen, die nog geenszins als geheel volwassen te beschouwen zijn, maar die toch ook niet meer tot de kinderkens kunnen gerekend worden.

Niet alleen in groote, maar ook in kleine kerken, nu hier dan daar, doet zich het bedoelde geval telkens voor; b.v. wanneer een Doopsgezind huisgezin zich bij de Gereformeerde kerk komt

|75|

aansluiten, of wanneer de ouders met betrekking tot den Doop vroeger Doopersche gevoelens waren toegedaan, of wanneer zij langen tijd weinig gelegenheid hadden om eene zuivere Doopsbediening te verkrijgen, of wanneer tot dusver door onverschilligheid, achteloosheid, enz. aanbieding tot den Doop was verzuimd. En dat dan vaak de beslissing niet gemakkelijk geacht wordt, blijkt genoegzaam uit het aantal gevallen, waarin dan advies wordt gevraagd.

Natuurlijk is er geenerlei moeielijkheid of bezwaar, wanneer de ongedoopte reeds geheel volwassen is. Ieder weet, dat alsdan de leeftijd geheel onverschillig is, en dat voor de toelating tot den Doop wordt vereischt : eene voldoende geloofsbelijdenis met kerkelijke stipulatie, en een met die belijdenis overeenstemmende levenswandel. En twijfel is er ook niet, wanneer men te doen heeft met kinderen, die nog betrekkelijk klein zijn, b.v. beneden de 6 à 7 jaar. Ieder begrijpt wel, dat dezulken dan nog geheel als kinderkens te behandelen zijn.

Kan dit laatste echter ook nog, wanneer de kinderen reeds ouder zijn? En tot welken leeftijd kan er dan nog sprake zijn van kinderdoop? En zou ongeoorloofd zijn, een Doop te bedienen, die eenerzijds niet meer een kinderdoop is, maar wel tegelijk door eenige geloofsbelijdenis wordt voorafgegaan, en die anderzijds toch nog niet medebrengt, dat men reeds in de volle gemeenschap der kerk wordt opgenomen, met alle de daaraan verbondene verplichtingen en bevoegdheden?

De omstandigheden, die in onzen tijd tot deze vragen aanleiding geven, waren, zooals licht te begrijpen is, ook in vroeger eeuwen gedurig aanwezig. Daardoor heeft men met die vragen reeds van ouds te doen gehad; ook in de Gereformeerde kerken hier te lande. In de zestiende eeuw was er, evenals thans nog, velerlei Doopersche neiging; en er was ook wel onverschilligheid, die den Doop deed verwaarloozen. En terzelfder tijd, althans sedert de Gereformeerde kerken, met uitsluiting van alle andere, door de overheid erkend werden, was er nog meer reden dan thans, om toch later den Doop nog te vragen, vooral omdat een ongedoopte niet tot de gewone huwelijksbevestiging kon worden toegelaten. De genoemde vragen moesten dus wel telkens voorkomen.

|76|

En omdat er eenheid van belijdenis was, kon het wel niet anders, of er moest ook overeenstemming komen in de kerkelijke practijk.

Op één punt is zelfs van den aanvang af bijna in het geheel geen verschil geweest, nl., in de bepaling van den leeftijd boven welken geen kinderdoop meer bestaan kan. Wanneer van dien leeftijd sprake is, dan wordt daarvoor altijd het 15de levensjaar aangegeven. Bij sommige kinderen, die bijzonder ontwikkeld waren, werd de grens wel eens vroeger gesteld; maar later toch nooit. Dat men op dit punt zoo eenstemmig was, is ook zeker geen wonder. Men deed eigenlijk niet anders, dan eene overoude kerkelijke usantie bestendigen. En die usantie was geheel in overeenstemming met hetgeen de natuur zelve aanwijst, en met hetgeen op burgerlijk en maatschappelijk gebied reeds sedert vele eeuwen als recht gegolden had. Algemeen was aangenomen, dat de kindsheid duurt tot het 7de levensjaar, daarna de onmondigheid tot het 14de; maar dat dan het tijdperk komt van de mondigheid (die natuurlijk van de meerderjarigheid wel te onderscheiden is).

Daaruit volgt nu wel niet, wat men in de zestiende eeuw er uit afleidde en wat in de Luthersche kerk ook thans nog geldt nl. dat bij de kinderen der gemeente de geloofsbelijdenis en de daaraan verbondenen toelating tot het H. Avondmaal met het 15de levensjaar moet geschied zijn. Ook al is er veel, waardoor die practijk wordt aanbevolen, als een algemeene regel kan zij toch wel niet gesteld worden; en de oudste Kerkenordening, die voor Nederlandsche Gereformeerden gemaakt is, ging zeer zeker te ver, toen zij met betrekking tot kinderen, die op hun 15de jaar nog niet tot het Avondmaal waren toegelaten, kerkelijke censuur noodzakelijk achtte. Maar wel moet erkend worden, dat alsdan de leeftijd op zichzelf de geloofsbelijdenis niet onmogelijk maakt. Men heeft dan niet meer te doen met „jonge kinderen", die als zoodanig uit den aard der zaak „deze dingen niet verstaan". En dus kan de kerk hen alsdan tot den Doop slechts toelaten op dezelfde wijze waarop in het algemeen volwassenen worden aangenomen.

Met betrekking tot dit laatste kan nu echter gevraagd worden, of zoodanige toelating tot den Doop ook tevens eene toelating is tot het Avondmaal, en, of dus die gedoopten ook geroepen zijn daaraan deel te nemen.

|77|

Op dit punt was er na de Reformatie in het eerst nog wel eenige onzekerheid, althans bij de kerken in Holland. Zeker wel het meest ten gevolge der omstandigheid, dat de Doop vaak gevraagd werd, ook door dezulken, die tot het Avondmaal niet wilden of niet konden worden toegelaten en dat weigering van den Doop dan tevens de gewone huwelijksbevestiging onmogelijk zou maken. Althans, het was altijd in verband met die huwelijksbevestiging, dat de quaestie aan de orde kwam, en de kerken voelden zich dan blijkbaar niet geheel vrij om te weigeren. En misschien werkte ook wel mede, dat men gaarne geheel Holland Gereformeerd wilde maken, en dus (om het zoo eens uit te drukken) een voorportaal van de kerk wilde openstellen voor degenen, die in haar binnenste nog niet komen konden.

Daaruit verklaren zich onderscheidene besluiten, die in de zestiende eeuw door Particuliere Synoden van Noord en Zuid-Holland genomen zijn; als namelijk:

„Wert gevraecht, oft yemant, die tot zynen jaeren gecoemen is, den cristelycken Doop versoeckende, doch en can hem der cristelycke discipline noch nyet onderwerpen noch totten heyligen avontmael begeven, moegen totten Doop toegelaeten worden. Wert geantwoort in genere, dat wanneer yemant waere, die den heyligen Doop van herten sonder superstitie begeert ende bekent die leere voor recht, wert oyck bevonden eenes stichtelycken wandels, dat men soe danigen den doop nyet sal weygeren, al ist dat hy vuyt swacheyt het gebruyck des nachtmaels noch nyet can beloven noch hem der cristelycken discipline can onderwerpen” (Acta van de Noord-Hollandsche Synode te Edam, 1586, art. 32).

„Is voorder van denselven classe (Enkhuizen) geproponeert, overmits het somwylen geboert, dat jongelieden van 15, 16 oft 17 jaren ongedoopt synde, versoecken gedoopt te werden sonder nochtans te hebben eenich fundament in den geloove ende niet te verwilligen om totten avondtmael te gaen, wort gevraecht off men soodanigen doopen sal oft niet. Waerover de resolutie des synodi is: alhoewel de meeste stemmen der classes medebrengen, dat men niemant en sal doopen, dan die voorgaende beloften doen haer meteenen totten avontmael te begeven; nochtans om sekere

|78|

redenen ende voorvallende omstandicheden, diet synodus heeft ingesien, is goet gevonden, dat sulckx door den gedeputeerden roerde gecommuniceerd metten synodo van Suythollant, opdat gelyckelyck daerin by provisie mach werden geraemt naert behooren” (Acta van de Noord-Hollandsche Synode te Amsterdam, 1595, Art. 43).

„Is voorgestelt van den persoonen, die tot haeren jaren gekomen zyn ende 18 of 20 jaren oudt zyn ende eerst gedoopt worden, of dieselve oock behooren tot den aventmale te komen. Heeft de vergaderinge geacht te behooren, dat sulcke gedoopt worden met voorgaende belydenisse des gheloofs, ende die alsoo tot haeren jaren, als voorseydt is, gekomen ende gedoopt syn, sullen vermaent worden hen oock met den tyt bequamelick ende ordentelick tot den aventmale te begheven, Maer of sy terstont daerin gehouden zyn, is gerefereert ad synodum nationalem” (Acta van de Zuid-Hollandsche Synode te Delft, 1587, Art. 17).

„Wt oorsaecke vant voorgaende (maatregelen om door politieke verordening het trouwen van ongedoopten te beletten) is questie gemoveert van eenigen classen, indien oude luyden, zijnde roeckeloos van leven, versoecken souden om gedoopt te worden, nyet van te vooren gedoopt zynde, waerinne alreede swaricheyt was gevallen, alsoo men verstaet ende dat men wel vermoedet van alsulcke, dat se haer totten avontmael des Heeren nyet licktelycken begeven sullen, hoe dat men in dese zaecke doen sal. Is raedtsaem gevonden ende geresolveert, dat men hem den doope nyet en sal weygeren midts voorgaende bekentenisse des gelooffs, thyen geboden ende Vader Onse, met belofte van beteringe des levens. Ende want sommige versoecken gedoopt te worden rot oorsaecke van houwelyck aan te gaen, sal men haer affvragen, oft haer nyet leet en zy, dat zy den Doop zoo lange hebben uytgestelt, ende dat zy niet om houwelycx maer om des verbonts ende instellinge Christi willen begeeren gedoopt te worden. Ende eyndelycken sullen de dienaeren alsulcke vermaenen, dat sy achtervolgende op haere bekentenisse, haer ter gelegener tyt totten avontmael des Heeren begeven. Het sal oock stichtelyck zijn, dat de dienaren int particulier alsulcke voorhenen van de verborgentheyt des Doops onderwysen, ende dit alles by provisie totten naesten generalen

|79|

synodum” (Acta van de Zuid-Hollandsche Synode te Leiden, 1592, Art. 7).

„Opt voerstellen van den gedeputeerden des Noorthollantschen synodi wt last derselver, te weten oft men jongeluyden van 15, 16, 17 jaeren, ongedoopt synde ende sonder eenich fundament in den geloove te hebben ende sonder te verwilligen ten avontmaele te gaen den heyligen Doop versoeckende sal mogen doopen, is geantwoert : neen, alsoo men acht, dat tselve nyet wt cristelycke affectie maer om eenick particulier insien versocht wordt. Maer op de voorder vraege, hoe men handelen sal metten voersz. jongeluyden, indien sy wel int geloove naer haer gelegenheyt tamentlyck onderricht zyn, maer noch nyet en beloven haer totten avontmaele te begeven, dat men soodanige behoort te vermanen ende met goede redenen te onderwysen, dat haere professie, die sy met het doopsel aennemen, oock medebrenght, dat se haer oock in de wtterlycke gemeenschap der kercken mits gaende ten avontmael behooren te begeven, ende soecken alsoo met alle manieren haer daertoe te bewilligen, maer indyen sy wt scrupuleusheyt oft ander sints haer voeralsnoch beswaert vonden tselve te beloven, daervan nyettemin goede hope gevende, dat men denselven evenwel den Doop nyet en sal onthouden, mits naderhandt deselve in goede opsicht houdende ende totten avontmaele vermanende” (Acta van de Zuid-Hollandsche Synode te Gorinchem, 1595, Art. 34).

De quæstie, waarover in alle die besluiten gehandeld wordt, moest dus, gelijk uit die besluiten zelve wel duidelijk is, op eene Generale Synode definitief beslist worden. En in verband daarmede zou diezelfde Synode dan ook een liturgisch formulier hebben op te stellen. Over de provisioneele vaststelling van zulk een formulier was in de Hollandsche Synoden wel gesproken (Acta van de Noord-Hollandsche Synode te Amsterdam, 1589, Art. 3; te Hoorn, 1602, Particuliere Vragen, Art. 12; te Edam, 1604, Art. 19; te Enkhuizen, Gravamina Alkmaar, Art. 8); maar het was er toch niet toe gekomen. De Hollandsche kerken hebben niet gedaan, als de Zeeuwsche, die, toen eene Generale Synode reeds 24 jaren lang niet had kunnen gehouden worden, op hare Provinciale Synode te Veere, in 1610 het besluit namen: „Men zal het oude formulier des Doops met de minste verandering die mogelick is accomoderen

|80|

op de volwassene” (Acta, Cap. VI, Art. 3); en die toen in diezelfde Synode een formulier daarvoor vaststelden.

Daar de kennis van dit formulier veelszins bijdraagt, om het latere besluit van de Dordtsche Synode van 1618 des te beter te begrijpen, volge hier een opgave van den inhoud.

„Forme om den H. Doop aen de volwassene te bedienen.

1º. Eerstelick sal de hooftsomme der leere des H. Doops in drye stucken begrepen alzoo sy voorgestelt wordt in forme van bedieninge des kinderdoops voorgelezen werden.

2º. Daernaer de anticipatie ofte voorcomminghe naer het verclaers van de leere des Doops volgende ende beginnende met dese woorden: Ende hoewel onze kinderen niet en verstaen ect.; sal aldus verandert worden: Ende hoewel de kinderen der Christenen, sonder dese dingen te verstaen, uyt crachte des verbondts moeten gedoopt worden, zoo en ist nochtans niet geoorloft volwassene te doopen tensy deselve alvooren het evangelium gehoort ende gelooft hebben, want hierom ist, dat Jezus Christus synen Appostelen bevolen heeft alle volcken te leeren, ende deselve te doopen in den name des Vaders, ende des Soons ende des H. Geestes, voegende oock dese belofte daerby, dat degene die gelooven zal, ende gedoopt zal syn, zal zalich worden, naer weleken regel de Appostelen zich altydts in het doopen van de volwassene gericht hebben; blyckende by de menichvuldige exempelen, dewelcke daervan in het boeck vande Handelinge der Appostelen te lesen syn. Dewyle dan de Appostelen naer het bevel Christi geen andere volwassene en hebben gedoopt, dan degene die het evangelium gelooft ende haer geloove met den monde beleden hebben, soo en mach men oock als nu aen geen andere volwassene den Doop bedienen dan degene die de verborgentheyt des Doops uyt de verkondinghe des H. Evangelii hebben leeren verstaen, ende daervan door belydenisse des mondts goede rekenschap geven.

3º. Het eerste gebedt sal geheel blyven ende over de volwassene als over de kinderen gebruyckt worden, behoudens dat men voor kindt ofte kinderen, segge: persoone ofte persoonen.

4º. Voor de stipulatie zal de dienaer de persoone die gedoopt moet worden op dese maniere toespreken: Christelicke broeder ofte suster, ghy hebt gehoort dat den Doop eene ordeninge Godts

|81|

is, om ons ende onsen zade syn verbondt te verzegelen; ende soo voorts, gelyck int formulier van den Doop der kinderen volcht. 

5º. De stipulatien ofte affvraegingen sullen aldus geschieden:

1. Hoewel ghy in sonden ontfangen ende geboren syt, ende daarom allerande ellende jae de verdoemenisse zelver onderworpen, oft gij niet en bekent dat ghy in Christo gheheylicht syt, ende daerom als een lidtmaet syner gemeynte behoort gedoopt te wesen? 2. Oft ghy de leere die int oude ende nieuwe testament ende inde articulen onses Christelicken geloofs begrepen is, ende dienvolgende inde Christelicke kerche geleert wordt, niet en bekent de ware ende volcommen leere der zalickeyt te wezen, belovende door des Heeren genade de selve te beleven ende bij de suyvere belydenisse, daervan totten eynde uwes levens te volherden?

6º. Int tweede gebedt sullen in de plaetse deser woorden „Wij bidden u oock, door denzelven uwen lieven Soone, dat gij dit kindt met uwen H. Geest altyts wilt regeren opdat het Christelick ende Godtsalichlick opgevoet worde; gebruyckt syn dese woorden: Wy bidden u oock, door denselven uwen lieven Soone, dat ghy dese persoone met uwen H. Geest altyts wilt regeren opdat hij Christelick ende Godtsalichlick wandele ende inden Heere Jesu Christo, etc., ende soo voorts in hetselve gebedt is volgende” (Aanhangsel van de Acta der Provinciale Synode te Veere, 1610).

De Generale Synode, die eindelijk in 1618 te Dordrecht kon samenkomen, vond nu onder de ingebrachte gravamina ook het punt van „de bedininge des Doops aen bejaerde personen” en van „de daeromtrent te houden eenparigheyt”.

Met betrekking tot dien Doop zelven maakte zij een einde aan alle toegeeflijkheid, waarmede tot nog toe in Holland wel eens was toegestaan, dat de alzoo gedoopte dan toch nog van het Avondmaal terugbleef. Zulke toegeeflijkheid, ofschoon later door Voetius (Pol. Eccl. Vol. I. pag. 670) nog eenigszins in bescherming genomen, was ook inderdaad niet te verdedigen. Immers, indien geloofsbelijdenis en wandel onvoldoende waren om tot het Avondmaal te worden toegelaten, dan waren zij ook onvoldoende voor de toelating tot den Doop; daar toch het eene Sacrament niet minder omvattend of minder heilig is dan het andere. En indien

|82|

zij voldoende waren, dan gold ook het bevel van Christus, dat de leden zijner gemeente zijn Avondmaal zouden vieren, en dan had niemand het recht, als het ware dispensatie te geven van aan dat bevel te gehoorzamen. Daarom was het besluit der Dordtsche Synode, in hare 162ste Sessie: „De bejaerde worden door den Doop der Christelicke gemeente inghelyft, ende voor lidtmaten der ghemeente aenghenomen, ende zyn daerom schuldich het Avontmael des Heeren oock te gebruycken, ’t welck sy by haren Doop sullen beloven te doen”. Welk besluit daarna, als art. 59, in de bestaande Kerkenordening werd ingelascht.

Dat met dit besluit inderdaad niets anders bedoeld werd, dan om op het uit Holland ingekomen gravamen eene beslissing te geven, blijkt o.a. met volkomen duidelijkheid uit het rapport, dat van de Generale Synode op de eerstvolgende Particuliere Synode van Noord-Holland werd ingebracht; waarvan in de Acta dezer Synode het laatste punt aldus luidt: „Op tgene int synodo Amsteldamensi ao 1595 was vuytgestelt tot het synodus nationael, hoe men handelen zal met jongheluyden van 15, 16, 17 jaren, dewelcke versoecken gedoopt te werden zonder haer ten avontmael te begeven, is ingebracht, dat het synodus nationael daerop heeft gestelt den 59 artyckel in de kerkenordenynge, die aldus luydt: De bejaerde werden door den Doop de christelycke gemeynte ingelyft ende voor ledematen der gemeynte aengenomen ende zyn daerom sculdich het avontmael des Heeren oóck te gebruycken, twelck zy by haren Doop beloven zullen te doen” (Acta van de Noord-Hollandsche Synode te Edam, 1619, art. 4 aan het einde).

De geschiedenis van dit artikel toont ook duidelijk, dat het woord „bejaarden” hier te verstaan is, niet in den zin, dien het thans heeft, maar in den zin, dien het oudtijds had, nl. dien van personen, die tot hun jaren, d.i. tot de jaren des onderscheids gekomen waren, of m.a.w. die boven de 15 jaren oud waren. Daarom staat dan ook in het besluit van de Dordtsche Synode, waarbij het formulier voor hun Doop werd vastgesteld, en desgelijks in dat Doopformulier zelf voor het Hollandsche woord „bejaarden” in den oorspronkelijken Latijnschen tekst het woord „adultiores”, d.i. grooteren, ouderen, in tegenstelling met de „parvuli”, d.i. de kinderkens.

|83|

Met betrekking tot dat Doopformulier valt nog op te merken, dat bij zijne samenstelling blijkbaar het hierboven medegedeelde Zeeuwsche formulier als model heeft gediend; zij het ook, dat de vragen daaruit niet zijn overgenomen, maar door de Dordtsche Synode, in hare 175e Sessie, veelszins zijn uitgebreid en vermeerderd.

In het algemeen is voor onze gansche Liturgie de arbeid der Provinciale Zeeuwsche Synode van 1610 van een overwegend gewicht geweest. Het resultaat van dien arbeid was opgenomen in de uitgave, die in 1611 bij Richard Schilders het licht zag; en deze uitgave was zóó nauwkeurig, dat zij door de Dordtsche Synode als standaard-editie werd aangenomen. Slechts op enkele punten werd eene kleine wijziging noodig geacht. Te dien einde werd in de 178e Sessie eene commissie benoemd van tien leden (uit elke provincie één, met één der Leidsche hoogleeraren), om de geheele Nederlandsche Liturgie te herzien, en alzoo te zorgen voor een officieelen en authentieken tekst. En deze commissie heeft haar werk zóó verricht, dat zij in haar rapport de reeds genoemde Zeeuwsche uitgave als de voortaan te volgen uitgave aanwees, slechts met verandering van de vragen in het Formulier van den Doop van bejaarden, en met eenige kleine wijzigingen in de redactie en in de volgorde van de andere Formulieren. Haar rapport staat in de Acta der Zuid-Hollandsche Synoden vermeld in Art. 20 van de Acta der Synode te Rotterdam, in 1621, aldus luidende: „Om te onderhouden eenparicheyt in het Doopen, in de Liturgie ende in het Trouwen, heeft D. Assessor (nl. Festus Hommius, dezelfde, die in de Dordtsche Synode scriba geweest was) de vergaderinge overgelevert t’ geene tot Conciliatie der Formulieren in den Synodo Nationali by de Broederen daertoe Bestelt, was geconcipieert, waer naer alle kerckendienaeren haer voortaen sullen hebben te reguleeren.” En in aansluiting aan dat artikel bevat een aanhangsel van de Acta dier Synode de „Copye der Conciliatie van de formulieren etc., waervan wort gementioneert in den XXen Art. der voorgaender Acten”, onder het opschrift: „Animadversa in Liturgiam Ecclesiae volgende het Exemplaer in Quarto, in Zeelandt gedruckt.” Dat geheele rapport nu bevat slechts een twintigtal regels. Zóó weinig had men in de Zeeuwsche uitgave te veranderen gevonden.

|84|

Het is zeer te betreuren, dat toen geen deskundige voor een goeden druk van de Liturgie gezorgd heeft. Dit bleef aan de uitgevers overgelaten; en deze waren, gelijk licht te begrijpen is, niet op de hoogte van de waarde of onwaarde der vele bestaande uitgaven, noch ook van de eindredactie der Deputaten van de Dordtsche Synode. Daardoor hebben onze kerken eigenlijk nooit eene wezenlijk goede en nauwkeurige uitgave gekregen. En wel hebben later de Zuid-Hollandsche kerken in de jaren 1732 tot 1734 over zulk eene, ook toen zeer noodige, uitgave gehandeld; de Classe van Dordrecht aangewezen, om daarvoor te zorgen; en goedgekeurd, dat de door die Classe daarvoor aangewezen predikanten hun werk uit haren naam zouden uitgeven. Maar ook die poging is mislukt door de bijna ongelooflijke slordigheid en onnauwkeurigheid, waarmede de bedoelde twee predikanten, niet tegenstaande zij de stukken, die hun den weg konden wijzen, vóór zich hadden, bij hunne uitgave zijn te werk gegaan.

Met name het Formulier voor den Doop van bejaarden heeft daaronder geleden. De Dordtsche Synode, die het Zeeuwsche Formulier van 1610 vóór zich had en daarin alleenlijk de toespraak en de vragen wilde wijzigen, maakte dus ook in haar besluit (in de 175e Sessie) enkel hiervan melding. En toen zijn ook de uitgevers gaan denken, dat dit nu het geheele Doopformulier was. Er werd niet gedacht aan de Zeeuwsche uitgave, die nog heel wat meer bevatte. Er werd niet begrepen, dat men dan een formulier kreeg, waarin over de beteekenis van het Sacrament zelfs geen enkel woord te vinden was en waaraan ook alle gebed ontbrak. Er werd uit het oog verloren, dat de Dordtsche Synode zelve in haar 162e Sessie, haar later besluit uitdrukkelijk qualificeerde als een „Formulier van vragen den bejaerden in haeren doop voor te houden.” En er werd ook niet op gelet, dat dit Doopformulier dan een uiterst zonderling, afgebroken begin had; dat in den eersten volzin: „ende alhoewel de kinderen der Christenen, onaengesien sy dit niet en verstaen” enz., het voornaamwoord „dit” niets had om op terug te slaan; en dat in het algemeen een formulier toch niet met het voegwoordje „en” kon beginnen. Men drukte maar gedachteloos af; en wie dan nog even nadacht, liet dat voegwoordje eenvoudig weg. Wel hebben kerken en

|85|

Godgeleerde schrijvers tegen die foutieve uitgave telkens geijverd. Zoo b.v. B. de Moor, in zijn perp. In Joh. Marckii Compendium Pars V, pag. 475 sq. En reeds vroeger hadden de Zuid-Hollandsche kerken, in hare Synoden van 1752 (Acta, Art. 21) en 1753 (Acta, Art. 24) bepaald, dat bij ieder Classicaal examen aan de candidaten zou worden voorgehouden, wat de geheele inhoud was van genoemd Formulier. Maar ook dit ging buiten de uitgevers om. En ook thans nog is er onder de tallooze uitgaven onzer Liturgie misschien geene enkele, waarin de bedoelde fout is verbeterd. Toch is waarlijk niet aan twijfel onderhevig hoe het zijn moet. Evenmin als het twijfelachtig zijn kan, dat de Dordtsche Synode door „bejaarden” verstaan heeft: personen van 15 jaar en daarboven.

Na het 15de levensjaar kan dus geen Doop meer worden toegediend, zonder dat de gewone geloofsbelijdenis daaraan voorafgaat: en wanneer tegen dit een en ander nog bezwaar is, dan moet de Doop wachten, totdat dit bezwaar is vervallen.

Maar hoe nu te handelen met kinderen, die jonger zijn, en die toch reeds de eerste kindsheid te boven zijn?

Te dien aanzien is in onze kerken altijd aangenomen, dat de leeftijd op zichzelf nooit een reden mag zijn, waarom kinderen des verbonds van den Doop zouden worden uitgesloten. Integendeel, de Doop moet hun zelfs zoo spoedig mogelijk bediend worden. En wanneer dit reeds eenige jaren is uitgesteld, dan is er des te meer reden, om nu toch niet langer te wachten.

Daarom werden zulke kinderen hier te lande dan ook altijd toegelaten om gedoopt te worden, geheel op denzelfden voet als de pasgeborenen. Alleenlijk werd dan vaak bij de eenigszins oudere kinderen vooraf onderzocht, of zij reeds eenige Godsdienstige kennis hadden; b.v. of zij de Tien Geboden, de Twaalf Geloofsartikelen en het Onze Vader, of wel iets daarvan, reeds van buiten kenden. Zonder twijfel, opdat blijken zou, dat de noodige waarborg voor eene Christelijke opvoeding niet geheel ontbrak, en dat er bij het kind zelf geen bepaald verzet was tegen de waarheid; ’t geen bij kinderen wel zeldzaam, maar toch niet geheel ondenkbaar is. Toch geschiedde dit niet altijd. B. de Moor, t.a.p. blz. 474, bericht, ook met verwijzing naar andere bronnen: „Personen, die tusschen de kindsheid en den volwassen leeftijd in staan, worden

|86|

gedoopt, soms na een klein weinigje voorafgaand onderwijs en belijdenis van de eerste beginselen van het Christendom, soms zóó, dat zij beschouwd worden als kinderkens, die zonder eenige voorafgaande belijdenis door den Doop in de kerk worden ingelijfd”. En hij geeft dan verder eenige mededeelingen omtrent een vijftal gevallen van kinderen tusschen de 10 en 15 jaar, welke hem tijdens zijnen dienst in de kerk van Enkhuizen waren voorgekomen.

Voor het overige spreekt wel vanzelf, dat, wanneer zulke gevallen zich voordoen, niet de predikant alleen, maar de geheele kerkeraad de te volgen gedragslijn bepalen moet; ook met name ten aanzien van de vraag, of en hoe degenen, die den Doop van het kind verzuimd hebben, te bestraffen zijn; zoo mede of en hoe er nadere waarborgen te verlangen zijn voor de Christelijke opvoeding.

Rutgers, F.L. (1922) 109

109. Hoe te handelen bij den Doop van idioten?

 

(1912.)

186. Ge vraagt mijn gevoelen over de toelating tot den H. Doop, met betrekking tot een jongmensch van 20 jaar, die, wat verstandelijke ontwikkeling betreft, niet verder gekomen is noch komen kan, dan een kind van 2 à 3 jaar. En ge schrijft mij daarbij, dat Uw kerkeraad tegen die toelating geen bezwaar heeft en er zich zelfs toe verplicht acht, „op grond hiervan, dat de ouders als belijdende lidmaten tot de gemeente behooren, en deze zoon wel lichamelijk volwassen is, maar verstandelijk nog met een zeer jong kind te vergelijken, dat geenszins geacht kan worden welbewust op te kunnen treden.”

Welnu, dat oordeel van Uwen kerkeraad is geheel in overeenstemming met hetgeen de Christelijke kerk reeds sedert vele eeuwen voor dergelijke gevallen (die wel betrekkelijk zeldzaam zijn, maar toch vaak voorkwamen en voorkomen) heeft uitgesproken en in practijk gebracht; niet alleen de Roomsche kanonisten (bij welke de meening van de onmisbaarheid van den Doop tot zaligheid ook wel invloed had) maar ook de Gereformeerde, met name Voetius, die in zijne Verhandeling over de Doopsbediening ook

|87|

aan dit punt eene bladzijde toewijdt; Politica Ecclesiastica, Pars I, Lib. II, Tract. II, Sect. III, Cap. II, Quaestio XI (Vol. I, pag. 655 vg.; in de uitgave van de Bibl. Reformata van 1886, Series Secunda, p. 1401). Aldaar zegt hij, zich met het gevoelen der Roomsche kanonici op dit punt wel te kunnen vereenigen, behalve dat men hun de onmisbaarheid van den Doop tot zaligheid niet kan toegeven; terwijl hij ook stelt (gelijk wel vanzelf spreekt), dat men zeker zijn moet, dat zulke volwassenen niet reeds vroeger gedoopt zijn, en dat zij inderdaad onbekwaam zijn zich begrippen te vormen over menschelijke en goddelijke zaken en dus niet tot een eigen belijdenis kunnen komen. Alsdan, zegt hij, „zijn zij gelijk te stellen met de kleine kinderkens der geloovigen” (habendi sunt instar infantum foederatorum). Ten slotte voegt hij er ook nog het voorbehoud bij, dat er geen vrees moet zijn, dat zij zich bij de Doopsbediening onstichtelijk zouden gedragen, zoodat hun Doop alle plechtigheid zou wegnemen, zwakken zou ergeren, en aan vijanden en vreemden eene oorzaak tot spot zou geven.

 

(1912.)

187. Ge vraagt mij: „Behoort een kind van groot 13 jaar den H. Doop te ontvangen, als het een idioot is?”

Daar ik met den persoon, dien het hier geldt, geheel onbekend ben, kan ik op die vraag slechts antwoorden, dat dit geheel afhangt van de mate van idiotisme, waaraan dit kind lijdt.

Is de kwaal niet zóó erg, dat aan dit kind, zij het ook met veel geduld en moeite, nog wel besef is bij te brengen van de hoofdzaken, zonde en verlossing en dankbaarheid, zoodat kan verwacht worden, dat het na eenige jaren op geloofsbelijdenis tot het H. Avondmaal kan worden toegelaten, al zou het ook bijna niets kunnen van buiten leeren en alleenlijk op voorgestelde vragen met ja of neen kunnen antwoorden, — dan is het (als het overigens voor een kind des Verbonds te houden is en er voldoende waar borg is voor de opvoeding; gelijk hier wel het geval schijnt te zijn) op het 14e levensjaar zeker nog te doopen.

Maar als met genoegzame zekerheid te verwachten is, dat zijne

|88|

kwaal eene toelating tot het H. Avondmaal nooit zal toelaten en dat het misschien zelfs bij eene Doopsbediening zich onstichtelijk zal gedragen, — dan moet het m.i. tot den Doop ook niet worden toegelaten, en zijn de ouders te troosten met de waarheid, dat niet het gemis van den Doop een kind kan schaden (gelijk de Roomsche opvatting is), maar alleenlijk de minachting van den Doop, waarvan hier geen sprake is.

Maar ik herhaal, dat ik, door onbekendheid met het kind en met zijn toestand, voor dit bepaalde geval een speciaal advies niet kan geven.

Rutgers, F.L. (1922) 110

110. Welke is de kerkelijke positie van volwassen „Doopleden?”

 

(1896.)

188. Uwe derde vraag hangt samen met de quæstie, of Christelijke kerken volwassen leden kunnen hebben, die ongemoeid en ongestoord aan de roeping tot belijdenis doen en Avondmaal vieren zich onttrekken, en of aan zulke leden, onder den foutieven naam van „Doopleden”, eene kerkelijke positie kan gegeven. M.i. niet. En indien onze kerken dienovereenkomstig handelen, zou de door u genoemde quæstie (tucht over zoogenaamde „Doopleden”, die zich misgaan) niet voorkomen. De kerken komen met die „Doopleden” in moeilijke gevallen, omdat zij hunne ongehoorzaamheid aan het Woord des Heeren toelaten en zelfs wettigen. Ik heb daarover iets geschreven in den Heraut van 26 Febr. 1893 1) nr. 792, maar kan die vier kolommen natuurlijk hier niet herhalen.

Hiermede hangt uwe vierde vraag ook samen. Een volwassen persoon kan geen lid worden eener Geref. kerk, onder den titel van „Dooplid”, d.i. zóó, dat de kerkeraad hem ontslaat van de door den Heere zelven opgelegde verplichting tot belijden en Avondmaalvieren. En natuurlijk kan dat nog veel minder, wanneer zulk een persoon (gelijk de door u bedoelde 18 jarige jongen)


1) Opgenomen wordt het „Advies in zake Kerkelijke tucht over zoogenaamde „Doopleden”, omdat dit van denzelfden inhoud is als de Heraut-artikelen, en na 1896 hiernaar steeds verwezen wordt.

|89|

over de Doopsbediening ook van de kerk zelfs niets weten wil. Daarom is de kerkeraad van zulke menschen nog volstrekt niet af. Hij heeft ambtelijke roeping om het lichaam van Christus op te bouwen, zelfs bij Roomschen, Joden en Heidenen, dus nog veel meer bij personen, die in eenige relatie staan tot de Geref. kerk, door familie, door van God beschikte omstandigheden, door hun kerkgaan in de Geref. kerk, door hun begeerte om te leeren, enz. Maar de kerkeraad moet hen, als zij tegen Gods hand handelen, daarin niet geruststellen, door hun eene kerkelijke geregelde positie te geven.

 

189. Advies in zake kerkelijk opzicht en tucht over zoogenaamde „Doopleden”, opgesteld door de BB. H. Bavinck en F.L. Rutgers.1)

Uit de Generale Synode, die in 1893 te Dordrecht gehouden is, geeft art. 199 van hare acta het volgende bericht:

„Komen in behandeling de vragen van Zeeland: a. „Hoe moet gehandeld worden met Doopleden, die niet komen tot het doen van belijdenis?” Om de groote beteeekenis der vragen en de gebrekkige voorbereiding voor hare beantwoording, besluit de Synode deputaten te benoemen, om de eerstvolgende Generale Synode daarover te dienen van advies.”

En daarna zijn, blijkens art. 222 van die acta voor bedoeld advies aangewezen: de broederen Prof. Dr. F.L. Rutgers en Prof. Dr. H. Bavinck.

Ter voldoening aan die opdracht wordt door de alzoo benoemden het volgende aan de kerken ter overweging en beoordeeling aangeboden.

In de zaak, die het hier geldt, is de hoofdvraag deze: zijn degenen, die als kinderkens in eene kerk gedoopt zijn, enkel wegens dien Doop, en dus zonder hunne eigene belijdenis en verbintenis, als leden van die kerk te beschouwen? En indien hierop toestemmend moet geantwoord worden, dan zijn ook de


1) Uit de Acta van de Synode te Middelburg 1896, blz. 119-125.

|90|

zoodanigen, als leden der kerk, objecten van hare tucht, en dan komt als tweede vraag: hoe is de kerkelijke tucht op hen toe te passen?

Op de genoemde hoofdvraag nu is niet eenvoudiglijk met bevestiging of ontkenning te antwoorden; want ten aanzien van de daarin bedoelde gedoopten zijn twee soorten scherp van elkander te onderscheiden.

Het kunnen zijn: kinderen, die juist als zoodanig voor eigen belijdenis en verbintenis nog niet vatbaar zijn, en die er dus nog niet toe kwamen, omdat zij naar des Heeren eigen bestel nog niet konden. En het kunnen zijn: volwassenen, die ofschoon èn hun doop èn des Heeren last hen tot belijdenis en verbintenis roept, toch niet daartoe komen; hetzij omdat zij zelven dit nalaten, om welke reden dan ook, hetzij omdat de kerk bezwaar maakt hen toe te laten.

Wat nu eerstgenoemden betreft, nl. de gedoopte kinderen: ten hunnen aanzien wordt algemeen, en ook zeker terecht, aangenomen, dat die geenszins te beschouwen zijn als staande buiten het kerkelijk instituut, waarin zij gedoopt zijn, maar wel degelijk als leden; zeker niet als volwassen leden, die als zoodanig in de volle kerkelijke gemeenschap zijn en die dus ook in alle rechten en plichten van het lidmaatschap deelen; maar toch wel als onvolwassen leden, in welke bij regelmatigen groei ook wel tot ontwikkeling zal komen, wat zij in beginsel en kiem reeds geacht worden te bezitten. En dit strijdt niet met de grondstelling, dat men niet zonder eigen toedoen lid kan zijn van een kerkelijk instituut; want de daarvoor noodige keuze en daad is werkelijk aanwezig, zij het ook, gelijk vanzelf spreekt, op de wijze, die bij kleine kinderen alleen mogelijk is; zij geschiedt nl., gelijk vele formeele handelingen, waartoe onmondige kinderen geroepen worden, door degenen, die naar Gods ordinantie hun „mond” zijn. Door hunne ouders of voogden worden zij in een bepaald kerkelijk instituut ten doop gepresenteerd; en door die, voor hen geldende, keuze en daad (althans wanneer de kerk harerzijds daartegen geene wettige bezwaren heeft) behooren zij dan tot dat instituut, als minderjarige, onmondige, onvolwassene leden.

Als zoodanig zijn die gedoopten dan ook uit den aard der zaak

|91|

aan de kerkelijke tucht onderworpen. Alleenlijk, het ligt tevens in den aard der zaak, dat die tucht in overeenstemming is met hunnen toestand, d.w.z. dat zij (om het zoo eens uit te drukken) ook slechts incompleet kan zijn. Door ontzegging van het Avondmaal of door excommunicatie kan zij dan nog niet worden uitgeoefend; maar zij moet zich bepalen tot waarschuwing, vermaning, berisping en dergelijke middelen. Naar de uitdrukking van Gijsbertus Voetius (Polit. Eccl. IV, 849 sq.) zou dit nog niet als de „eigenlijk gezegde tucht” te beschouwen zijn, en zouden die middelen nog niet meer zijn dan hare „voorloopers en voorbereidselen”. Maar zeker niet ten onrechte wordt juist met een beroep op die voorstelling van Voetius, door Johannes à Marck en Bernard de Moor (Comment. IV, 414) de uitdrukking eenigszins gewijzigd, en met zooveel woorden gesteld, dat „objecten van de kerkelijke tucht” zijn „degenen, die de kerk zijn ingeplant, hetzij door den Doop alleen, of ook door de deelneming aan het Avondmaal”. Geheel in overeenstemming met de opvatting van de kerkelijke tucht, die reeds in het kerkrechterlijk handboek voor de Nederlandsche vluchtelingenkerk te Londen, de Forma ac Ratio van Johannes à Lasco (Opp. II, 100 en 170 tot 194), theoretisch en praktisch is uiteengezet; en ook voorts met het algemeen gangbare begrip van tucht, volgens hetwelk alle bestraffing, die met woorden geschiedt, ook wel degelijk tot de eigenlijke tucht is te rekenen.

Geheel anders echter staat de quaestie ten aanzien van diezelfde gedoopten, wanneer zij de kinderjaren ontgroeid zijn, en dus bekwaam zijn tot eigen keuze; want het ligt in den aard der zaak, dat de grond, waarop zij in den kinderstaat als leden erkend werden, alsdan niet meer kan blijven gelden. Als volwassenen zijn zij door des Heeren Woord geroepen, om door eigene belijdenis en verbintenis leden zijner kerk te zijn; en wie daartoe wel gelegenheid heeft, maar er tocht niet toe komt, om het even wat hem terughoudt, die is niet meer te beschouwen als een minderjarig, onmondig, onvolwassen lid, maar als iemand, die bij voortduring ongehoorzaam is aan het Woord des Heeren, die metterdaad verloochent wat bij zijnen doop van hem ondersteld werd,

|92|

en die weigert een belijder te worden. Het kan daarom wel zijn, en dus ten slotte wel blijken, dat hij toch tot de uitverkorenen behoort, maar met Gods verborgen raad kan en mag de kerk bij de bepaling van hare gedragslijn niet rekenen; zij moet rekenen met het feit, dat zij voorshands geenerlei grond meer heeft, om te onderstellen, dat de zoodanige tot haar gemeenschap behoort, en dienovereenkomstig kan zij hem dus niet langer als haar lid erkennen. Het is daarbij zeker wel mogelijk, dat hijzelf dat toch zijn wil; maar hij wil het dan zijn, op voorwaarde dat de kerk hem als het ware ontslaat van de verplichting tot eigen verbintenis, tot belijdenis en tot Avondmaalsviering; en van eene verplichting, die door den Heere zelven aan alle de zijnen is opgelegd, kan of mag de kerk natuurlijk niet ontslaan. Zonder terzijdestelling van het Woord des Heeren is het dus eenvoudig onmogelijk, aan zulke gedoopten als leden der kerk eene ordelijke positie te geven. Tot op den volwassen leeftijd hadden zij zeer zeker eene eigene kerkelijke positie als nog niet uitgegroeide leden; maar dat zij zij later natuurlijk niet meer; en wat zouden zij dan zijn? Bij sommige kerken is in onze eeuw gewoonte geworden , hen toch maar „doopleden” te blijven noemen, en dan als zoodanig kerkelijk te rangschikken. Maar het gaat toch inderdaad niet aan, hun een naam te geven, die nu eenmaal zou medebrengen, dat zij toch nog tot op zekere hoogte regelmatige leden zijn. Dat zijn zij geweest, in hunnen onmondigen toestand; maar bij het ophouden van dien toestand werden zij aan het Hoofd ongehoorzame, niet-belijdende, door de kerk afgewezene of wel zelven zich terugtrekkende, uitvallende of (om het zoo eens uit te drukken) mislukte leden. Indien zij zich toch aan de gemeente blijven houden, kunnen zij wel „kerkgangers” genoemde worden, of „gedoopte bijwoners”, of met eenen anderen dergelijken naam; en omdat zij gedoopt zijn, blijven zij ook zeker in de kerk, voor zoover die in algemeenen zin zichtbaar optreedt; maar omdat zij niet belijden en zich ook niet verbinden, staan zij toch buiten het instituut, dat juist op belijdenis en verbintenis rust; een lidmaatschap van de kerk, in dien zin, kan hun niet worden toegekend.

Blijkbaar is dat ook de beschouwing, die in onze Gereformeerde kerken van den beginne af gegolden heeft; zij het ook, dat er

|93|

eenig verschil was in de kerkelijke praktijk, die uit die beschouwing werd afgeleid. Wegens dat verschil heeft men de gewoonte, te spreken van twee lijnrecht tegenover elkander staande meeningen: eenerzijds die van Johannes à Lasco en van de oude Nederlandsche kerk te Londen, en anderzijds die van Gijsbertus Voetius en van de latere Gereformeerde kerken in Nederland. Maar inderdaad is die voorstelling niet geheel juist; want al is hier ook verschil van kerkelijke gedragslijn, er is daarom toch volstrekt geen principiëele strijd. Bij de organisatie der vluchtelingenkerk te Londen, onder leiding van à Lasco, werden kinderen, die in die kerk gedoopt waren, wanneer zij met hun 15de levensjaar, wegens schuldige onkunde of om wangedrag, nog niet tot het Avondmaal konden worden toegelaten, bij herhaling vermaand en strengelijk berispt; en wanneer die censuur op hun 18de of uiterlijk op hun 20ste jaar nog niet had geholpen, werden zij uitgesloten van de gemeenschap, waartoe zij als kinderen behoord hadden, maar nu geacht werden niet meer te behooren; of m.a.w. zij werden formeel geëxcommuniceerd (Joh. à Lasco, Opp. II, 100). Later hebben de Nederlandsche Gereformeerde kerken in de Nationale Dordsche Synode van 1578 geoordeeld, dat de kerkelijke excommunicatie alleen kon worden toegepast op degenen, die na belijdenis en verbintenis tot het Avondmaal waren toegelaten; maar niet op hen, die alleen door den Doop „een algemeen getuigenis van Gods Verbond” ontvangen hadden; aangezien deze laatsten, ook wanneer zij niet tot „openbaren afval” gekomen waren en dus nog tot de Christelijke kerk wilden gerekend worden, toch niet meer behoorden tot het kerkelijk instituut, maar reeds wegens het achterwege blijven van belijdenis en verbintenis geacht moesten worden, „tegen het Verbond Gods te zondigen” en „afvallig” te zijn, en als afgevallenen noodig te hebben „tot de ware kerk te worden wedergebracht” en „weder opgenomen” te worden (Acta der Synode van 1578, Particuliere Vragen, art. 47); of m.a.w., die Synode stelde, dat dezulken moesten beschouwd en behandeld worden als gedoopten, die ook zonder excommunicatie, buiten de gemeenschap der kerk waren komen te staan. Geheel in denzelfden geest spreekt ook Voetius, waar hij uitvoerig aantoont, dat de overwegingen, die bij den Doop van een kind

|94|

alleszins gelden om het als een incompleet lid der kerk te erkennen, op later leeftijd voor het lidmaatschap niet meer een voldoenden grond geven (Pol. Eccl. I, 29-31); en voorts ontkent, dat de Kerk tucht kan oefenen over volwassenen, die niet door belijdenis en verbintenis tot hare gemeenschap behooren, daar toch de Kerk slechts tweeërlei leden heeft, nl. incompleete, d.i. gedoopte kinderen, en compleete, d.i. die tot belijdenis en verbintenis kwamen (Pol. Eccl. IV, 849 vg., en 900 vg.); in welke beschouwing blijkbaar geen plaats is voor eene derde soort, die bestaan zou uit „volwassene onvolwassenen”, zoodat dus de gedoopte kinderen, die niet tot belijdenis kwamen, geacht worden hun aanvankelijk lidmaatschap te hebben verloren. En wat alzoo gesteld werd door Voetius, in overeenstemming met de Synode van 1578, dat is in het algemeen, althans tot op onze eeuw, de beschouwing en de praktijk geweest van de Nederlandsche Gereformeerde kerken.

Nu is in dat alles zeker tweeërlei gedragslijn op te merken: eenerzijds die van à Lasco en van de oude Nederlandsche kerk te Londen, en anderzijds die van Voetius en van de Nederlandsche kerken in het vaderland; maar de beschouwing van beide is toch in den grond dezelfde. A Lasco stelde, dat gedoopte kinderen, die op volwassen leeftijd door hunne eigene schuld niet tot belijdenis kwamen, dan ook geene leden der kerk konden blijven; maar ook Voetius stelt hetzelfde, door te ontkennen dat zij leden zijn, ook al geeft hij toe, dat zij als kinderen incompleete leden waren. En Voetius oordeelt, dat de kerkelijke tucht daarom niet op zulke volwassenen van toepassing is; maar dat spreekt ook bij à Lasco vanzelf, daar hij ze juist bij het eindigen van den minderjarigen leeftijd door excommunicatie wilde buitensluiten, waarop dan natuurlijk verder geene kerkelijke tucht meere kon volgen. Volgens beiden zijn dus de hier bedoelde gedoopten geene leden der kerk, noch ook onder hare tucht; en slechts in de toepassing van het beginsel verschillen zij van elkander. Naar het ééne gevoelen moet de kerk dat ook uitspreken, wanneer die gedoopten aan den kinderlijken leeftijd ontgroeid zijn; en daar zij op dat oogenblik nog als leden gelden, en dus in de gemeenschap zijn, zij het ook nog niet in de volle gemeenschap, zoo moet dat formeele oordeel, dat de kerk te hunnen aanzien vellen moet, ook door excommunicatie

|95|

geschieden. En naar het andere gevoelen moet de kerk omtrent zulke gedoopten, die zij niet langer als leden erkennen kan, eenvoudiglijk aannemen, ook zonder dat er telkens eene bepaalde formeele uitspraak gedaan wordt, dat zij feitelijk als leden zijn uitgevallen.

Het kan eenigszins vreemd schijnen, dat de praktijk van à Lasco, die zich zeker door eenvoudigheid en beslistheid bijzonder aanbeveelt, enkel in den eersten tijd, en dan nog zeer kort en in zeer beperkten kring heeft gegolden. Bij nader inzien laat zich echter wel begrijpen, dat men aan de andere gedragslijn de voorkeur gaf. Immers: 1º. De overheid zou anders bezwaar gemaakt hebben, volgens haar beginsel, „dat de Kerkelijke Ordonnantie geene plaatse behoort te hebben, dan over die geene, die haar onder de Gemeente en professie van de Gereformeerde kerke begeeven hebben” (Resolutie van de Staten van Holland van 18 Maart 1582). 2º. Toen onze Gereformeerde kerken, die in à Lasco’s tijd nog zoo bitter vervolgd werden, hier te lande niet alleen vrijheid kregen, maar ook met uitsluiting van anderen erkend en begunstigd werden, kregen zij vanzelf een groot aantal leden, die alleen in naam gereformeerd waren; bij de massa der leden ging het gehalte evenzeer achteruit, als het cijfer vooruitging; en zoo werd het voor die kerken dus veel moeilijker, haar belijdend karakter en de gezette Avondmaalsviering met de oude beslistheid te handhaven. 3º. Na den eersten Hervormingstijd werd er niet meer op aangedrongen, dat de Avondmaalsviering op den leeftijd van 12 à 14 jaren zou aanvangen; en hoe later de leeftijd metterdaad gesteld werd, des te meer moest het voorkomen, dat er waren, die terugbleven, niet wegens algeheele onkunde of wangedrag, maar om ernstig gemeende bezwaren, terwijl zij voor het overige, ten aanzien van het christelijk en kerkelijk leven zich zóó openbaarden, dat de kerk nog geene vrijmoedigheid kon hebben om hun alle lidmaatschap bepaald te ontzeggen. En 4º. Indien wegblijven van het Avondmaal bij de jonge leden door formeele afsnijding gestraft werd, dan moest die natuurlijk op later leeftijd ook geschieden bij degenen, die zich telkens van de Avondmaalsviering onthielden; en in vele gevallen zou dit toch al moeielijk zijn geweest. Om al die redenen volgde men dus liever de practijk, die bij Voetius voorkomt; die door zulke bezwaren niet gedrukt

|96|

werd, en die juist medebracht, dat in vele gevallen eene kerkelijke beslissing nog kon uitblijven. Wel was dan met betrekking tot bepaalde personen soms onzeker, of de kerk ze nog als leden beschouwde; maar een overwegend bezwaar kon er in die onzekerheid niet gelegen zijn, want voordat zij tot belijdenis waren overgegaan, hadden zij toch geenerlei kerkelijke rechten of plichten.

Voor onze Gereformeerde kerken, in haren tegenwoordigen toestand, zijn diezelfde redenen zeker nog ten deele van kracht; maar ook slechts ten deele. En zoo schijnt het dan nu raadzaam, van de beide bovengenoemde practijken, met vermijding van de bezwaren, waardoor zij gedrukt worden, zooveel mogelijk het goede te behouden. B.v. in dier voege, dat de kerkeraad alle gedoopte leden zijner kerk, die op hun 18de levensjaar door eigen schuld nog niet tot belijdenis en verbintenis gekomen zijn, wegens hun kerkelijk verzuim in behandeling neemt, door hun als gedoopte leden hunne schuld voor God voor te stellen; dat hij officieel en gezet daarmede voortgaat, van jaar tot jaar, totdat de vermaning doel treft, of wel genoegzaam blijkt nutteloos te zijn, en in ieder geval niet langer dan tot het 30ste levensjaar; en dat hij alsdan, of eventueel reeds vroeger, formeel verklaart en daarbij aan den betrokkene bericht, dat deze, wegens voortdurende nalatigheid om aan de kerkelijke vermaning tot belijdenis en verbintenis gehoor te geven, niet meer onder de leden der kerk kan gerekend worden.

Maar natuurlijk moet dan niet in andere opzichten die practijk weer verloochend worden. In onze eeuw is bij sommige kerken een streven, om aan de hier bedoelde gedoopten eene kerkelijke positie te geven; om ten hunnen behoeve een nieuw soort van lidmaatschap, dat van „volwassene Doopleden”, in het leven te roepen; om hen als zoodanig ongemoeid te laten voortleven, alsof hunne positie regelmatig was; om bij verhuizing naar elders kerkelijke attestatie als Dooplid voor hen in te voeren, om hun in sommige gevallen zelfs kerkelijke rechten te geven; enz. En in overeenstemming daarmede komt dan ook de gedachte op, om hen, zoo zij op zedelijk gebied zich misdragen, aan de kerkelijke tucht onderworpen te verklaren. Dat nu zijn allemaal dingen, die toch eigenlijk niet aangaan. Dat zou gelijk staan met een officieel ter zijde stellen van het Woord der Heeren, die uitdrukkelijk wil,

|97|

dat de leden zijner kerk tot belijdenis en tot Avondmaalsviering zullen komen. Het zou zijn eene ondermijning van den grondslag der kerk, in zoover die als instituut juist berust op de belijdenis en verbintenis harer leden. Het zou maken, dat de kerkelijke tucht zóódanig ontaardde, dat zij voortdurende ongehoorzaamheid aan het Woord des Heeren, hoe openbaar ook, toch ongemoeid liet, en zich slechts bekommerde om hetgeen ook in het oog der wereld verwerpelijk is. Het zou eene feitelijke geringschatting zijn van het Avondmaal, alsof leden der kerk dat wel konden missen, en eene feitelijke terzijdestelling van de belijdenis, als voor het lidmaatschap der kerk niet meer noodig. Het zou iets, dat zondig is, tot een stelsel maken, en het ongeregelde als iets regelmatigs ordenen. In één woord, het is een beginsel dat, bij onvermijdelijke doorwerking, de belijdende kerk onzes Heeren Jezus Christus maken zou tot een niet-belijdend zedelijk genootschap, dat naar menschelijk goedvinden ingericht is. „Principiis obsta: sero medicina paratur”: d.i. waak tegen de beginselen van het kwaad: als het eenmaal ingedrongen is, komen de middelen om het te verhelpen te laat.

Uit al het boven aangevoerde volgen nu vanzelf deze drie conclusiën (in welke evenals in de voorafgaande beschouwingen, met het woord „kerk” niet bedoeld wordt de kerk voor zoover zij onzichtbaar is, noch ook de kerk voor zoover zij enkel in de aanwezigheid van geloovigen zichtbaar wordt, maar de kerk, die ook als eene eenheid in het zichtbare optreedt, de tot formatie gekomene kerk, de Ecclesia instituta, de kerk als instituut):

1º. De gedoopte kinderen zijn leden van de kerk, in welke zij gedoopt zijn, zij het ook dat zij nog incompleete leden zijn. Als leden der kerk zijn zij ook vanzelf objecten van de kerkelijke tucht. Maar in overeenstemming met hun toestand kan die kerkelijke tucht ook slechts „incompleet” zijn, en alleen door vermaning, berisping en dergelijke middelen worden uitgeoefend.

2º. De sub 1º bedoelde gedoopten, die op volwassen leeftijd door eigen schuld niet tot belijdenis en verbintenis komen, moeten door de kerk ernstiglijk en bij herhaling daartoe vermaand worden; en wanneer zij die vermaning niet opvolgen, moeten zij geacht worden het lidmaatschap van de kerk te verliezen; waarbij wenschelijk is, dat de kerkeraad dit ook uitspreke, uiterlijk met hun

|98|

dertigste levensjaar. Ophoudende lid te zin van de kerk, houden zij dus ook op, objecten te zijn van de kerkelijke tucht.

3º. Met het sub 2º gestelde moet noodzakelijk samengaan, dat de aldaar bedoelde gedoopten, niet alleen ten aanzien van de kerkelijke tucht, maar ook in ieder ander opzicht, niet meer als leden der kerk beschouwd en behandeld worden; zoodat b.v. hunne kinderen ook niet als „kinderen der geloovigen” ten Doop kunnen worden toegelaten.

Dat deze drie conclusiën aanstonds en in alle onze kerken zouden worden overgenomen en in toepassing gebracht, is intusschen zeker niet te verwachten. Sedert langen tijd is de kerkelijke practijk bijna overal geheel anders geweest, en er is met betrekking tot dit onderwerp ook nog zeer veel onkunde en verkeerde opvatting, die voorafgaande onderwijzing der gemeente zeer noodig maken. Daarom schijnt het niet raadzaam te zijn, dat de Generale Synode op dit punt thans reeds bindende bepalingen make, en wordt haar aan het slot van dit advies dus alleen voorgesteld:

de Generale Synode, de deputaten der kerken voor advies in zake kerkelijk opzicht en tucht over zoogenaamde „Doopleden” dechargeerende, verklaart, dat zij met de hoofdstrekking van hun advies zich vereenigt, en acht wenschelijk, dat de kerkeraden zooveel mogelijk in dien geest arbeiden.

Rutgers, F.L. (1922) 111

111. Welke Doop moet als Christelijke Doop erkend worden?

 

(1910.)

190. Wat uw andere vraag betreft, een Doop is in Geref. kerken (gelijk in alle kerken, behalve die der Doopsgezinden), altijd als Christelijke Doop erkend, wanneer hij bediend was met water, en conform de instelling van Matth. 28: 19, en door iemand die in den kring, binnen welken de Doop plaats had, daartoe was geautoriseerd. Ik vermoed, dat aan die drie voorwaarden wel voldaan wordt in Darbistische kerken, of kerkelijke kringen. Maar ik weet niet zeker, of dit bij die alle het geval is. En dus, wanneer een geval zich voordoet van iemand, die lid wil worden van een Geref. kerk en in een Darbisten-kring „gedoopt” is of heet te zijn,

|99|

dan moet naar die Doopsbediening onderzocht worden. In oude tijden was men in onze kerken altijd meer geneigd tot erkenning dan tot het tegendeel, uit vreeze, dat men tot de zonde van wederdooperij zou vervallen.

Rutgers, F.L. (1922) 112

112. Mag de Doop in een Hervormde kerk bediend „tot den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes” erkend worden?

 

(1912.)

191. Ge vraagt mij, of een Doop, die in de Herv. kerk door een predikant (wiens persoonlijk geloof of ongeloof hierbij natuurlijk niets ter zake doet) bediend is „tot den Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes”, als Christelijke Doop mag erkend worden. En ge voegt erbij, dat de meerderheid in uw kerkeraad die vraag ontkennend beantwoordt.

Dit laatste begrijp ik inderdaad niet; want, voor zoover ik weet, is deze vraag, met vele andere gelijksoortige vragen, overal en ten allen tijde door alle Gereformeerde kerken en Gereformeerde Godgeleerden steeds bevestigend beantwoord; in tegenstelling met de Roomsche Sacramentsleer, volgens welke het bij de Sacramenten aankomt op den preciesen klank der daarbij uitgesproken formule; terwijl het bij Gereformeerden aankomt op haar blijkbaren zin en beteekenis.

Dit bracht geenszins mede, dat men nu in Gereformeerde kerken ook wel toeliet of duldde, dat aldaar van de oude formule ook maar eenigszins werd afgewken. Dat mocht nooit. Maar wanneer in andere kerken de formule eenigszins gewijzigd was gebruikt, dan werd daarom die Doop toch niet ongeldig verklaard, mits de afwijking de belijdenis der Heilige Drieëenheid, het fondament der Christelijke belijdenis, onaangetast en onverminkt liet. Anders zou men wéér de Roomsche Sacramentsleer aanvaarden, en nog heel wat andere Roomsche dwalingen, die daarmede samenhangen, en zelfs de geheele Gereformeerde Confessie voor een goed deel ondermijnen.

Dit punt in een brief te ontwikkelen en te motiveeren, gaat moeilijk, om den omvang van zulk een vertoog. Maar ge kunt althans de hoofdzaken vinden, met schriftuurlijke, dogmatische,

|100|

historische en kerkrechtelijke motiveering in de Verhandeling van G. Voetius, over de Doopsbediening, met name in Hfdst. III, § 2, Quaestie I („of het uitspreken van de woorden der Doopformule de handeling tot een Doop maken”, ’t geen natuurlijk ontkennend beantwoord wordt) en Quaestie II („of dus de gewone Doopformule wel is te wijzigen”, ’t geen natuurlijk ook ontkennend beantwoord wordt, met bijvoeging van den regel, waarnaar wijzigingen, die in kerken buiten ons kerkverband voorkwamen, te beoordelen zijn); te vinden in de Politica Ecclesiastica, Vol. I, pag. 624-679 (in den herdruk van 1886, in de Bibliotheca Reformata, Vol. III van die Bibliotheca, pag. 155-158).

In onze kerken zou dus niet geoorloofd zijn, in de Doopformule het woordje „in” door „tot” te vervangen, al zou iemand ook meenen, dat het oorspronkelijk Grieksch van Matth. 28: 19 daardoor preciezer vertaald werd (gelijk in de Herv. kerk inderdaad door sommigen gemeend wordt); en een predikant, die in onze kerken eigenmachtig zulks deed, zou zeer zeker onder kerkelijke censuur komen.

Maar tevens is duidelijk, dat zulke wijziging de belijdenis der Heilige Drieëenheid ongerept laat; evenmin als die zou aangerand worden, wanneer iemand het eerste voegwoordje „en” wegliet, of den tweeden naamval „des” oploste in „van den”, of de woorden „N.N. ik doop u” veranderde in „ik doop N.N.” (in den 3en persoon, gelijk de Grieksche kerk gewoon is te doopen). Dat alles zou in onze kerken geenszins mogen; maar wanneer het elders geschied is, mag en moet dit toch erkend worden, als tot het wezen van den Doop niet afdoende, en heeft iedere opziener dus te waken tegen de groote afdwaling van de Wederdooperij.

Voor het overige zou natuurlijk uw kerkeraad, ook al helde hij daartoe over, zulk een ernstige zaak niet op eigen verantwoording mogen doen, daar de al of niet geldigheid van den Doop niet één enkele kerk, maar alle kerken van het kerkverband raakt, en hij zou allerminst tot Wederdooperij mogen overgaan in een geval, waaromtrent alle Geref. theologen en kerken zich beslist geheel anders hebben uitgesproken. Ook b.v. nog laatstelijk, voor eenige jaren, onze Particuliere Synode van X, toen haar advies gevraagd werd voor een soortgelijk geval dat te Y was voorgekomen.

Rutgers, F.L. (1922) 113

|101|

113. Is de nooddoop, in de Roomsche kerk door den vader van een kind bediend, geldig?

 

(1909.)

192. Uwe vraag (over de geldigheid van een Nooddoop, indertijd in de Roomsche kerk door den vader van een kind bediend, en daarna door die kerk als wettigen doop erkend, denkelijk met aanvulling van wat er op Roomsch standpunt nog aan ontbreken mocht) is in onze kerken zeer vaak aan de orde geweest, en, voor zoover ik weet, altijd beantwoord, gelijk zulks geschiedt door Voetius in zijne Politica Ecclesiastica, Vol. I p. 633-635; in de uitgave der Bibl. Ref. (door Hoedemaker) p. 122-123, die het het raadzaamst acht, zulk een Doop als Christelijken Doop te erkennen, o.a. omdat in de Roomsche kerk (anders dan bij ons) in geval van nood een gewoon gemeentelid een zekere kerkelijke qualificatie heeft; omdat men anders ook in moeilijkheid komt met de Luthersche kerk, in welke ook een Doop, in geval van nood door een leek bediend, geldig is; omdat men anders op de lijn der Wederdoopers komt; omdat men anders de dwaling zou voeden, dat de Doop noodzakelijk is ter zaligheid, terwijl toch niet het gemis van den Doop maar alleen zijne minachting schuldig zou maken enz.

Een bepaalde zonde is het zeker niet, zulke een Doop niet als Doop te beschouwen, maar toch wel onvoorzichtig. En zelf zou ik er nooit toe adviseeren.

Indien er in uw gemeente quaestie over is, moet ge de zaak op de Classe brengen.

Rutgers, F.L. (1922) 114

114. Mag een Gereformeerd arts een Roomschen „nooddoop” bedienen?

 

(1915.)

193. Ge vraagt mij, of een arts van Gereformeerde belijdenis aan een kind uit een Roomsch gezin met eene goede conscientie den zoogenaamden „nooddoop” zou kunnen bedienen, en of hij zelfs niet in sommige gevallen daartoe geroepen zou zijn.

Mijn antwoord kan slechts beslist ontkennend zijn.

Een arts van Gereformeerde belijdenis weet en erkent, dat de

|102|

zoogenaamde „nooddoop” door iemand, die tot de bediening der Sacramenten geenerlei opdracht of qualificatie van Christus door middel der gemeente ontvangen heeft, inderdaad geen Christelijke Doop is, maar slechts eene vertooning van de daartoe behoorende uiterlijkheden. Iets dergelijks goed te keuren, en er zelfs toe mede te werken, ja daarbij de hoofdrol te spelen, zou dus zijn: meet bewustheid de hooge beteekenis en de heiligheid van het Sacrament des Doops te verloochenen; ’t geen de door u bedoelde arts toch natuurlijk niet zou willen doen.

En dit verandert niet door de omstandigheid dat naar Roomsche beschouwing de Doop noodzakelijk is ter zaligheid, en daarom in geval van nood ook door een „leek” te bedienen is. Want een Gereformeerd Christen kan toch niet, ook al is het maar tijdelijk, zijn op de Schrift gegrond geloof verloochenen, en een Roomsch dwaalbegrip, door eene met dat geloof strijdige handeling, feitelijk aanvaarden. Zulke verloochening kan voor niemand ooit noodig zijn, noch ooit geacht worden tot zijne Christelijke roeping te behooren.

Eigenlijk is te dezen aanzien voor Roomsche kraamvrouwen ook geenerlei behoefte aan medewerking van den arts, daar naar Roomsche beschouwing iedere leek, familielid of buur of bekende, tot dien zoogenaamden nooddoop ook bevoegd is; en wie zelf Roomsch is, zal dan denkelijk zelf wel liever door een geloofsgenoot dan door een „ketter” die handeling zien verrichten. Door een Roomsch gezin zal wel altijd kunnen gezorgd worden, dat er zulk eene hulp in de buurt is.

Rutgers, F.L. (1922) 115

115. Hoe te handelen indien bij verandering van grenzen tusschen twee kerken, leden der eene kerk, die daardoor bij de andere zouden komen, toch hun kinderen in de vroegere kerk laten doopen?

 

(1914.)

194. In de zaak, waarover uw schrijven mij een en ander mededeelt, kan ik uit uwe mededeelingen tot geene andere slotsom komen dan deze: dat uw kerkeraad ten onrechte bezwaar maakt tegen de besluiten der Classe.

Om de kerkelijke orde te bewaren en om de opzieners in staat

|103|

te stellen hun ambt behoorlijk te bedienen, moet iedere kerk haar eigen grenzen hebben, binnen welke alle hare leden wonen, en buiten welke zij geene leden kan hebben.

Toen dus, door wijziging der kerkelijke grenzen, een gezin dat vroeger tot X behoorde, voortaan binnen de grenzen van Z kwam, behoorde dat gezin van toen af tot Z. waar zijn leden in de boeken dezer kerk moesten worden opgenomen, en waar zij onder het opzicht van den kerkeraad van Z vanzelf kwamen te staan. Deze kerkeraad kon hun dan toch wel toestaan, in X doorgaans ter kerk te gaan, zonder hen daarover dan lastig te vallen; en zelfs kon hij hun toestaan (als daarvoor speciale reden was) in X van Doop en Avondmaal gebruik te maken, mits dit dan niet eene doorloopende vergunning was, maar telkens vóór elke bediening van Doop en vóór elke Avondmaalsviering van den kerkeraad van Z door hen gevraagd werd, en dan, met goedkeuring van dien kerkeraad, door den kerkeraad van X werd toegestaan. Maar zulke inschikkelijkheid zou toch nooit verandering kunnen brengen in de eischen van recht en van orde, volgens welke de leden van dit gezin leden zijn van de kerk van Z.

Indien zulke inschikkelijkheid eene ongeoorloofde scheiding bracht in het gezin, dan zou zij zeker niet betoond mogen worden, en zou dat gezin dus moeten vermaand worden, voortaan geheel naar Z, en niet meer naar X ter kerk te gaan. Maar ik kan niet zien, hoe hier sprake kan zijn van „scheiding in het gezin”; tenzij dan, dat men zou meenen, dat dit gezin ook in volgende geslachten aan X zou verbonden zijn. Maar dit kan toch wel niemand meenen; waartoe anders die geheele grensregeling?

Uit dat gezin moeten de kinderen dus natuurlijk ook bij den kerkeraad van Z ten Doop gepresenteerd worden. Wel kan deze kerkeraad op verzoek van den vader toestaan, dat de Doop in X bediend wordt, even goed als hij kan toestaan, dat de Doop in Y, of waar ook geschiedt; mits met goedvinden van den kerkeraad der vreemde kerken, en met verplichting van dezen om den toegedienden Doop terstond aan den kerkeraad van Z te berichten, opdat die in de Doopboeken van Z worde ingeschreven. Indien uw kerkeraad dus een kind uit dat gezin te X ten Doop heeft toegelaten zonder toestemming van den kerkeraad van Z, en ook

|104|

zonder bericht aan dezen, opdat de Doop in Z’s boek werd ingeschreven, dan was dat zeker met Gereformeerd kerkrecht en kerkelijke orde in strijd en had de Classe gelijk, toen zij dit afkeurde.

Ziehier althans iets op uw vraag.

Rutgers, F.L. (1922) 116

Artikel 61-64.

Men zal niemand ten Avondmaal des Heeren toelaten, dan die naar de gewoonheid der Kerk, tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der Gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis eens vromen wandels, zonder welke ook degenen, die uit andere Kerken komen, niet zullen toegelaten worden.

Een iedere Kerk zal zulke manier van bediening des Avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welverstaande nochtans, dat de uitwendige ceremoniën, in Gods Woord voorgeschreven, niet veranderd en alle superstitie vermeden worde, en dat na de voleinding der predikatie en der gemeene gebeden het Formulier des Avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende, zal worden gelezen.

Het Avondmaal des Heeren zal ten minste alle twee of drie maanden gehouden worden.

De bediening des Avondmaals zal alleen geschieden, waar toezicht is van Ouderlingen, volgens kerkelijke orde, en in eene openlijke samenkomst der gemeente.

 

116. De aanneming tot lidmaat in Gereformeerden zin.

 

(Heraut, 7 Dec. 1877.)

195. Nog altijd is het onderwerp, dat hierboven genoemd wordt, in de Ned. Herv. kerk aan de orde van den dag. Ontzaglijk veel

|105|

is er sedert meer dan twee jaren over de regeling van die zaak geschreven en gesproken. En geen wonder, voorwaar! De groote kerkelijke strijd, die reeds van veel ouder dagteekening is, concentreert zich thans slechts tijdelijk op dat punt. Het is volkomen dezelfde strijd, als die in onzen tijd ook reeds gevoerd werd over de Doopsformule, over de Avondmaalsviering, over de „handhaving van de leer der Hervormde kerk”, enz.

Dit verschil is er slechts in de onderscheidene phasen, die de veeljarige strijd reeds doorloopen heeft, dat telkens duidelijker aan het licht komt, hoe onvereenigbaar de twee beginselen zijn, die tegenover elkander staan, en die velen desniettegenstaande in één kerkverband willen blijven samenbinden. Hoe zou de moderne kunnen blijven, als de belijdenis der kerk wordt gehandhaafd? En is de Gereformeerde niet reeds feitelijk uitgedreven, als de kerk wordt tot hetgeen de moderne van haar maken wil? Want als iemand het gebouw, waarin ik woon, geheel afbreekt, dan ben ik metterdaad daar ook uitgezet, al is het op eene andere manier dan wanneer men mij de deur gewezen had; en het aanbod eener woning, die ik om der conscientie wil niet zou kunnen betrekken, zou dan natuurlijk aan de zaak niets veranderen. Daarom juist is die strijd zoo gewichtig; en in zooverre (maar ook in zooverre alleen) geldt het hier de belijdeniskwestie. Wie de Gereformeerde belijdenis toegedaan is, kan te dien aanzien niets toegeven; hij moet wel zeggen en blijven zeggen: laat staan, wat er van die belijdenis bij de aanneming tot lidmaat nog is overgebleven; laat bij die gelegenheid ten minste de algemeene Christelijke grondslag bewaard blijven.

Intusschen, of liever juist daarom, kunnen we volstrekt niet optreden als voorstanders van behoud quand même. Gereformeerd en Conservatief zijn geen synoniemen, maar tegenvoeters; en de aanneming tot lidmaat, zooals zij thans in de Ned. Herv. Kerk geschiedt, kan ook ons voorwaar niet behagen. In zooverre ontkennen we dan ook ten sterkste, dat het thans de belijdeniskwestie onzer kerk zou gelden. Het is enkel de vraag, of er in het algemeen eene belijdenis zijn zal, ja dan neen; maar de Gereformeerde belijdenis is in dezen geheel buiten kwestie. Er zal nog heel wat moeten veranderen, voordat men zal kunnen zeggen, dat de kerk

|106|

bij de aanneming tot lidmaat volgens hare beginselen handelt. En al wordt nu het volgende jaar de bestaande toestand soms bestendigd, onze leuze zal ook dan moeten zijn: dankbaar, maar onvoldaan.

Waarom? En wat we dan willen? Terugkeer tot den toestand van vorige eeuwen? o Neen! Repristinatie en reactie is nooit Gereformeerd. Die benaming zelve sluit reeds het denkbeeld van ontwikkeling in zich; gelijk dan ook de Gereformeerde beginselen bij uitnemendheid voor ontwikkeling vatbaar blijken. Maar dan ontwikkeling van diezelfde beginselen, niet van beginselen, die er lijnrecht tegenover staan; een voortbouwen op denzelfden grondslag, niet op een anderen, noch ook zonder fondament. Dat is eisch des tijds: dat is roeping der Hervormde gemeente.

Daartoe is natuurlijk noodig, vóór alle dingen, om die beginselen goed te kennen en er diep van doordrongen te zijn. En het is alleen studie van de geschiedenis en van de leer der Gereformeerde kerk, die ons daartoe brengen kan. Met betrekking tot het punt in kwestie, de aanneming tot lidmaat, is dus een historisch onderzoek dringend noodig. Wat is te dien aanzien, volgens de geschiedenis, Gereformeerd te noemen, zoowel wat de theorie als ook wat de praktijk betreft? Door het antwoord op die vraag wordt voor velen, en ook voor ons, onze houding en ons streven bepaald en geleid, zoowel in den kerkelijken strijd als ook verder in het kerkelijk leven. 

Daarom willen we beproeven, op die vraag eenig antwoord te geven. Natuurlijk in de verste verte geen volledig antwoord. Daarvoor zouden niet slechts de kolommen van een weekblad, maar ook zelfs de vellen van een tijdschrift aan ruimte te kort komen. Slechts enkele aanwijzingen zijn hier mogelijk; te meer omdat de kolom, die in dit blad voor stukken van zoodanigen aard bestemd is, niet te lang met dezelfde zaak zich mag bezig houden. Maar iets kan er toch in een drie- of viertal artikelen wel van gezegd worden. En indien dit anderen opwekt tot eigen studie, ten einde met leer en leven onzer kerk hoe langer hoe meer bekend te worden, dan zal daarmede tevens een der hoofdbedoelingen van dit korte overzicht zijn bereikt.

Het is een geschiedkundig onderzoek, dat we wenschen in te stellen; en daarbij mogen we natuurlijk verschillende tijden en

|107|

toestanden niet door elkaar warren. Ook ten aanzien van de aanneming tot lidmaat is in onze kerk noch de theorie, noch de praktijk, van den aanvang af tot nu toe, steeds dezelfde geweest. We zijn dus genoodzaakt verschillende tijdperken te onderscheiden, en maken daartoe de volgende verdeeling:

1e tijdperk: de Nederlandsche Gereformeerde kerken onder het Kruis en in de verstrooiïng. Van haar bestaan als zoodanig, tot aan de eerste Synode, die in het vaderland in vrijheid bijeenkwam; omstreeks 1550 tot 1574. Periode van wording en van innerlijken bloei, onder allerlei verdrukking en bestrijding van buiten.

2e tijdperk: de Nederlandsche Gereformeerde kerken in den eersten tijd van hare uitwendige rust. Van de eerste Synode te Dordrecht tot de groote Nationale Synode aldaar; 1574 tot 1618. Periode van vestiging en uitbreiding, in botsing met de Staatsmacht en met afwijking in haar eigen boezem.

3e tijdperk: de Nederlandsche Gereformeerde kerken in den tijd van hare zoogenoemde heerschappij. Van de Dordtsche Synode tot aan of tot na de Omwenteling: 1618 tot 1795 of 1816. Periode van insluipend dogmatisme en van voortgaande verzwakking der Gereformeerde beginselen.

4e tijdperk. De Nederlandsche Gereformeerde kerken in het Nederlandsche Hervormde Kerkgenootschap; 1816 tot onzen tijd. Periode van ontbinding en van aanvankelijke herleving.

Wat we tot kenschetsing van die tijdperken met een enkel woord hebben aangestipt, dient alleen om de verdeeling zelve eenigszins te rechtvaardigen, en omdat die kenschetsing zelve voor ons tegenwoordig doel verder weinig ter zake doet, moeten we het bij die korte aanstipping thans laten. Met betrekking tot de zaak, die we te onderzoeken hebben, willen we elk van die tijdperken achtereenvolgens beschouwen.

 

(Heraut, 14 Dec. 1877.)

Hoe was in het eerste tijdperk van de geschiedenis onzer Nederlandsche Gereformeerde kerken, toen zij „onder ’t cruys” en „in de verstroyinghe” ontstonden en bloeiden, de theorie en de praktijk met betrekking tot de aanneming van lidmaten? — Opzettelijke beschouwingen zijn er over dat onderwerp toen ter

|108|

tijd niet geleverd; en natuurlijk kon er in dien tijd van verdrukking en bestrijding nog veel minder sprake zijn van een vasten regel, die in alle gemeenten gevolgd werd. Maar toch zijn er voor het onderzoek van dat tijdperk wel gegevens, die ons met genoegzame zekerheid, duidelijkheid en volledigheid inlichten. De bovengenoemde vraag laat zich nl. beantwoorden:

deels uit opmerkingen en uitdrukkingen, die in geschriften van toenmalige Nederlandsche Gereformeerden hier en daar voorkomen; deels uit den inhoud en de voorreden van de oudste voor Nederland bewerkte uitgaven van liturgische geschriften, onder welke natuurlijk die van Petrus Dathenus en die van Gaspar van der Heyden, om hunne bekendheid met en hun invloed op de Nederlandsche kerken, inzonderheid van gewicht zijn;

deels uit de hierop betrekking hebbende artikelen in de Handelingen van de Synoden onder het Kruis, die in dit tijdperk in de Zuidelijke Nederlanden, te Wezel en te Embden gehouden zijn;

deels uit getuigenissen en verklaringen van later levende geschiedkundigen, vooral van hen, die nog betrekkelijk dicht bij dien ouden tijd staan;

en deels ook uit hetgeen bekend is omtrent de Gereformeerde kerken, die toen ter tijd in het buitenland gevestigd waren, voor zoover die door gevluchte Nederlanders gesticht waren of met de Nederlandsche kerken in de nauwste betrekking stonden, en voor zoover die met de kerken in ons vaderland ten aanzien van de leer en de ceremoniën overeenstemden; waarbij dus in aanmerking komen: eenigszins de Gereformeerde kerk te Genève, meer nog die van Straatsburg en die van de Paltz, en het meest die van de talrijke Nederlandsche uitgewekenen te Londen, in 1550 aldaar gesticht.

De slotsommen waartoe het onderzoek van die verschillende bronnen ons brengt, zijn niet slechts ten aanzien van de hoofdzaken, maar ook ten aanzien van allerlei bijzonderheden, volkomen dezelfde, en dus juist daardoor des te zekerder.

Het voornaamste van die resultaten is natuurlijk datgene, dat betrekking heeft op de theoretische beschouwing van de zaak. Daarvan spreken we dus het eerst; en we vragen: wat was toen ter tijd de beteekenis van de aanneming tot lidmaat?

|109|

Het was geenszins eene aanneming tot lid of lidmaat (tusschen die twee woorden is men eerst in veel later tijd een willekeurig en bovendien onmogelijk vol te houden onderscheid gaan maken) in den eigenlijken zin van dat woord; en het werd dan ook slechts zeer zelden zoo genoemd. Ja, wat meer is, wanneer soms deze of eene daarmede overeenkomende uitdrukking gebruikt werd, dan bedoelde men daarmede volstrekt niet, dat de aangenomen persoon lid of lidmaat was geworden van de kerk in het algemeen, maar alleen, dat hij zich gevoegd had bij deze of gene bijzondere, plaatselijke kerk of gemeente. Daarom werd volkomen dezelfde terminologie dan ook gebruikt ten aanzien van hen, die op attestatie van elders in de kerkelijke gemeenschap werden opgenomen; deze heetten dan, evenzeer als de jeugdige belijders „tot leden of lidmaten te zijn aangenomen”, nl. tot lidmaten van de plaatselijke kerk.

Volgens de oude Gereformeerde beschouwing zijn alle „kinderen der geloovigen” d.i. allen, die tot het „zaad der kerk” moeten gerekend worden, juist daardoor ook „lidmaten” in den vollen zin van het woord, en worden dientengevolge bij den Doop als zoodanig erkend en aangenomen. Helder en krachtig werd die beschouwing toen ter tijd overal op den voorgrond gesteld, ’t geen ook noodig was tegenover de Wederdoopers, wier aantal en invloed juist toen zoo toenam. Uit den grooten overvloed van getuigenissen, die we dienaangaande zouden kunnen aanhalen, voegen we een paar uitspraken hierbij, bij voorkeur ontleend aan geschriften en schrijvers, van welke overbekend is, dat onze kerk het geheel met hen eens was.

In de „corte ondersoeckinghe des gheloofs” (in 1554 door Marten Micron voor de Nederlandsche kerken bewerkt, en nog lang na dit tijdperk de in ons vaderland meest gebruikte handleiding bij het afnemen van geloofsbelijdenis) wordt in artikel 30 gezegd, dat de Doop „is voor alle lidtmaten der ghemeinten sy syn onmondighe kinderen oft volwassenen;” en daarom wordt in den aanvang aan den jeugdigen belijder ook niet gevraagd, of en waarom hij lidmaat worden wil, maar: „hoe sy dy in uwe herte versekert, dat ghy een lidtmaet der ghemeinte Christi syt?”

Desgelijks wordt in het grootere leerboek van denzelfden schrijver „den kleynen catechynen” (hier te lande ook zeer bekend

|110|

en in eere) Antw. 89 tot 97 o.a. gezegd, dat „de kinderkens der gheloovigen de sonderlichste lidtmaten der Gemeinte Christi zijn,” van degenen die eerst op later leeftijd na belijdenis des geloofs gedoopt worden, enkel hierin onderscheiden, dat zij door hun jeugd, en dus „door haer kranckheyt der natueren niet ghelooven noch belyden konnen,” maar voorts niet achter te stellen bij volwassen belijders, daar „haer aengeboren kranckheyt haer niet toegherekent veert om Christus wille, in denwelcken sy ghesegent, dat is heylich, gerechtich, reyn, ende gheloovich gheacht werden, niet min dan de volwassene gheloovige;” ja, zelfs „heeft de Gemeynte van harer salicheyt veel sekerder ghetuygenisse wten woorde Gods, dan men wt de belydinge der volwassenen hebben kan.”

Eveneens en nog sterker, spreekt Guydo de Bres zich gedurig uit, in zijn uitvoerig en grondig geschrift „den Wortel, den Oorspronck ende het Fundament der Wederdooperen ofte Herdooperen van onsen tijde” (in 1515 in het Fransch uitgegeven, en daarna bij herhaling in Hollandsche vertalingen). B.v. in het 3e Boek, 11e Capittel; „daer syn tweederley middelen om Gods volck te onderkennen van den goddeloosen; het eene is de belydenis des geloofs; het ander is, het Goddelijk Verbont, met zyne beloften. Want gelyck men voor Gods volck moet bekennen ende aennemen, die met den monde belijden, dat sy in Jesu Christo van herten ghelooven, nae het inhouden der H. Schrift, etc.; also moet men alle degenen ooc voor Lidtmaten ende Bondtgenooten des Lichaems Christi aannemen, die Godt selve door zijn volks bekent,” enz, Of in het 15e Capittel: „dat de kinderkens dan ledekens der sichtbaerlycker Ghemeynte Gods zyn, zulcx is blykelyck by het inhoud der beloften,” enz. Ja, zelfs verklaart hij, wederom in het 11e Capittel, dat men veiliger en zekerder de kinderkens der geloovigen kan aannemen, dan dezulken, die reeds volwassen zijn: „want al ist saecke dat de bedaeghde seyt ende belydt, dat hy gelooft, so en can men daer niet van versekert wesen. Maer aengaende de kleyne kinderkens der gheloovigen, al ist saecke dat sy niet en spreken, noch geen belydenisse des gheloofs en doen, so hebben sy nochtans eenen waren mont, een vaste ende sekere belydinge; want sy hebben de H. Schrift, het ware Woort Gods, jae, zelfs de mont des Soons Gods, die voor

|111|

hen spreeckt ende belydinge doet; ende my aangaande, ik achte het ghetuygenisse ende de belydinghe, die Gods Woort voor hen doet, meer dan ’t gene, dat een bedaeghde van hem zelven soude connen betyughen,” enz.

Geheel in denzelfde geest zijn dan ook de leeringen uit dien tijd, die nu nog gedurig herinnerd worden. Ieder weet, dat het 74e Antwoord van onzen Heidelbergschen Catechismus aangaande de jonge kinderen betuigt, dat „zij zoowel als de volwassenen in het Verbond van God en in zijne gemeente begrepen zijn;” en ieder kent de 2e vraag uit ons doopsformulier (dat wel zelf in dit dit tijdvak niet thuis hoort, maar waarvan de vragen toch ook in oudere, toen gebruikte formulieren, reeds voorkomen), waarin beleden wordt, dat „onze kinderen in Christus geheiligd zijn, en daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen.” Met al zulke uitdrukkingen maakten onze vaderen, in den bloeitijd onzer kerk, vollen ernst.

Maar als dan de eigenlijke aanneming tot lidmaat reeds bij den Doop geschiedde, wat was dan toen de handeling, die tegenwoordig zoo genoemd wordt?

Het was toen ter tijd niets meer en niets anders, dan de toelating tot het Heilig Avondmaal. Dat was dan ook de uitdrukking, die er bijna altijd voor gebruikt werd. Welke van de uit dien tijd afkomstige geschriften, kerkelijke bepalingen of liturgiën we ook opslaan, telkens blijkt, dat er geene andere beteekenis en geen ander doel aan werd toegekend. De leerboeken, die er in dien tijd voor de jeugd gemaakt werden, spreken ook opzettelijk uit, in hun titels en voorreden,. dat zij opgesteld zijn tot leering voor hen, die zich voor het eerst tot het Nachtmaal des Heeren begeven willen. Juist daarom ging de aanneming ook altijd onmiddellijk aan de Avondmaalsviering vooraf. En die zelfde beschouwing is ook de oorzaak, dat we er nooit en nergens over zien handelen, dan alleen in het nauwste verband met de leer of de viering van het Avondmaal. Ondersteld, dat dat Bondszegel niet gegeven was, er zou dan toch wel altijd Christelijk onderwijs voor de jeugd zijn geweest, en er zou misschien ook wel onderzocht zijn naar de resultaten, opdat men weten zou of er ook reden was voor de toepassing van kerkelijke censuur (want ieder, die gedoopt en

|112|

dus lidmaat was, werd toen, zooals van zelf sprak, beschouwd en behandeld als aan de censuur onderworpen), maar van eene bepaalde opneming in de volle Christelijke gemeenschap, en van eene inschrijving in afzonderlijke registers zou ten aanzien van gedoopte kinderen dan zeker geen sprake geweest zijn. Die opneming en inschrijving had haar reden van bestaan alleen in de Avondmaalsviering; zij was daarbij zelfs volstrekt noodzakelijk; en de redenen, die men daarvoor opgaf, zijn ook gemakkelijk te begrijpen. Daarover, ten besluite van dit artikel, nog een enkel woord, waarbij we kortheidshalve geen schrijvers van dien tijd meer laten spreken.

Het Avondmaal (zoo was de beschouwing) is o.a. hierin van den Doop onderscheiden, dat dit Sacrament kan ontvangen worden zonder dat men er bewustheid van heeft, maar het Avondmaal niet. Het moet waardiglijk gevierd worden, tot gedachtenis aan den Heiland, met onderscheiding van Zijn lichaam en bloed, om Zijn dood te verkondigen, en alleen na voorafgaande zelfbeproeving. Daarom mogen kinderen, zoolang zij tot dat alles niet in staat zijn, aan de viering niet deelnemen. Zij moeten eerst genoegzaam onderwezen zijn, en alsdan is de kerk, die verplicht is, zooveel mogelijk te zorgen, dat het Avondmaal niet ontheiligd worde, daardoor juist ook verplicht, die kinderen van te voren te onderzoeken, teneinde zoo goed mogelijk te weten, of zij tot eene goede viering bekwaam zijn. Dat nu, en dat alleen, was bij onze vaderen de bedoeling van hetgeen thans de aanneming tot lidmaat genoemd wordt. Het was in den grond der zaak niet anders dan een onderdeel van het kerkelijk opzicht en van de kerkelijke tucht. Omtrent alle Avondmaalgangers in het algemeen werd vóór de bediening een onderzoek ingesteld, individueel en nauwkeurig. Ten aanzien van hen, die reeds vroeger waren toegelaten, geschiedde dat bij het huisbezoek, bij de hier en daar vereischte aangifte voor de ouderlingen, enz.; en ten aanzien van hen, die voor het eerst zich aangaven, geschiedde het bij de afneming van belijdenis des geloofs. De zaak was bij allen eigenlijk dezelfde, alleen de vorm was verschillend, naar gelang men of voor het eerst, of bij vernieuwing tot het Avondmaal kwam.

Met die beschouwing stond in nauw verband, wat er voor de

|113|

toelating vereischt werd, en hoe zij geschiedde. Daarover in het volgend artikel.

 

(Heraut, 21 Dec. 1877.)

De aanneming tot lidmaat was bij de Nederlandsche Gereformeerde kerken, in het eerste tijdperk van haar bestaan, niet anders dan de toelating tot het Heilig Avondmaal, waarbij eene opzettelijke toelating in den aard der zaak lag, omdat de kerk zich eerst zooveel mogelijk overtuigen moest, dat men tot eene goede viering in staat was. Uit die beschouwing nu vloeit van zelf ook voort, wat er bij die aanneming werd vereischt en hoe zij geschiedde.

In de eerste plaats was natuurlijk noodig, dat de jeugdige lidmaten tot de jaren van onderscheid gekomen waren. Het is lichtelijk te begrijpen, dat men niet voor alle kinderen volkomen hetzelfde levensjaar zal verlangd hebben; en men had ook niet in alle kerken hetzelfde gebruik. Maar wat in het algemeen de regel was, laat zich toch wel zeggen. Van de buitenslands gemaakte Gereformeerde Kerk-ordeningen, naar welke onze Nederlandsche kerken zich richtten en die ook ten deele uit haar waren voortgekomen, hadden sommigen het 14e en anderen het 16e levensjaar tot gewonen regel gesteld. In het algemeen was dat dus ook hier te lande de leeftijd die vereischt werd.

Intusschen, dat die leeftijd zou bereikt zijn, werd alleen verlangd met het oog op de zaak waar het om te doen was; en daarmede is dus van de eigenlijke eischen natuurlijk nog niets gezegd. De hoofdzaak was volstrekt niet: iets uitwendigs. Wel werd er van te voren door den kerkeraad een onderzoek ingesteld naar het voorgaande leven van degenen, die wilden toegelaten worden; maar dat was alleen „om degenen die in ondeugd en boosheden leefden en de werelt volgden, van den Nachtmaele af te houden”. Dezulken, indien zij gedoopt waren en dus tot de gemeente behoorden, werden bovendien gedurig vermaand en bestraft; en indien het eindelijk bleek, dat dit alles niet hielp, werden zij „als verachters der genade en des Verbonts Gods, dat God met hen door ’t ghetuyghen des doops ghemaect hadde, afghesneden ende den duyvel overghelevert”. Bij de zoodanigen werd dus met de zaak der aanneming niet eens een begin gemaakt; dat geheele

|114|

onderzoek naar het leven was nog maar een voorafgaand iets; het werd enkel ingesteld om te weten of er tot het eigenlijke onderzoek kon worden overgegaan.

Bij dat eigenlijke onderzoek moest geantwoord worden op een grooter of kleiner aantal vragen; en wie dan al te weinig of niets kon antwoorden, werd ook nog van het Avondmaal afgehouden. Maar dat was volstrekt niet, omdat kennis of geleerdheid als een hoofdzaak beschouwd werd. Er was zelfs geen sprake van de kennis als zoodanig, maar alleen van de toegepaste en toegeëigende kennis. Met deed aan den aannemeling allerlei vragen, niet om hem te doen toonen, wat hij wist; maar om hem te doen uitspreken, wat hij voor zichzelven geloofde en gevoelde en van zins was. Daarop, en daarop alleen, kwam het aan. De hoofdeisch, of liever de eenige eisch, was: oprecht geloof in den Heer, kennis en aanneming van de waarheden der religie; niet zoozeer in het algemeen, als vooral met betrekking tot zichzelven; niet slechts met het verstand, maar ook met het hart; niet als een onderwerp van beschouwing maar als eigen praktijk.

Duidelijk blijkt dat b.v. uit de reeds vroeger genoemde „corte ondersoeckinghe”, die toen doorgaans de leiddraad was, volgens welke het onderzoek werd ingesteld. We lezen ook wel van een onderzoek, „naar het Formulier van den kleynen Catechismus”; maar dat komt geheel op hetzelfde neer, want de „corte ondersoeckinghe”, was juist een uittreksel uit dit leerboek, opzettelijk gemaakt om bij de aanneming gebruikt te worden. Op de eerste vraag, die daarin aan den aannemeling gedaan wordt: „Hoe sy dy in uwe herte versekert, da ghy een lidtmaet der Gemeinte Christi syt?” luidt het antwoord aldus: „Wt dien dat de heylighe Gheest tot mynen gheest ghetuycht, dat ick een kint Gods des Vaders sy, door Jesum Christum synen Sone ende mynen oppersten Priester: dewelcke my, door de heylighe offerhande syns lichaems en de wtstortinghe syns bloets, van myne sonden ghesuyvert heeft. Ick ghevoele oock bovendien, dat ick doer den Gheest Gods tot de ghehoersaemheit der goddelicker gheboden gheroert werdt”. En voorts is in de 41 vragen en antwoorden, waaruit die leiddraad bestaat, nergens sprake van kennis of van verstandelijke aanneming der waarheid; maar bij alle onderwerpen, die behandeld worden

|115|

(de wet, de geloofsartikelen, de sacramenten en het gebed) is het altijd ten volle, zooals in de oude uitgaven van Marten Micron zelven aan het hoofd staat: „een ieghelick went na dese maaiere van syn gheloove ondervraecht”.

Dat het daarop aankwam, werd ook bij de ondervraging van te voren herinnerd. In de toespraak, die voorafging, werd inzonderheid gesproken over het voorrecht om zich met belijdenis des geloofs bij eene Christelijke gemeente te kunnen voegen, en over de roeping der Christenen om dat dan ook te doen; en in de oude liturgie, die dat zoo bericht, besluit dan die toespraak aldus: „Maer voer al moet een ieghelick van u een ghetuyghenisse syns gheloofs gheven”. En daarom staat dan ook in alle uitgaven van de „corte ondersoeckinghe” die bekende herinnering, die nog zeer lang daarna aan het einde van alle gelijksoortige leerboeken herhaald werd, dat „alle dese hooftstucken” niet zoozeer gekend en woordelijk opgezegd, als wel „in den grondt bekent en beleden” moeten worden.

Dat was noodig, juist omdat de aanneming niet anders was dan de toelating tot het Avondmaal. „Tot dat Avondmaal zal men niet laten komen, die zich met hunne bekentenis en leven als ongeloovige en goddelooze menschen aanstellen”; maar diegenen mogen en moeten er komen, „die zichzelven vanwege hunne zonden mishagen, en nochtans vertrouwen, dat die hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met zijn lijden en sterven bedekt is: en die ook begeeren hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren.” Die overbekende uitspraken uit den 30en Zondag van onzen Heidelbergschen Catechismus, zijn ook afkomstig uit het tijdperk, waarvan we nu spreken; en juist hetzelfde, wat daarin geëischt wordt voor de Avondmaalsviering, was naar de beschouwing van dien tijd, toen dus ook het vereischte voor de zoogenoemde aanneming tot lidmaat.

Of er tegen zulk eene geloofsbelijdenis toentertijd door niemand ooit bezwaar werd gemaakt? Denkelijk zal dat wel eens zijn voorgekomen; en men wilde zelfs bezwaren doen uitspreken, als ze soms aanwezig waren. De Gereformeerde kerk kon niet, evenals de Roomsche, tevreden zijn met een bloot uitwendig vertoon. Na het onderzoek werd nog altijd gevraagd, of de aannemeling

|116|

ook „ergens in, der leeringhen halven, eenighen twyfel had, opdat men hem mocht ghenoech doen. Ende indien hy segt ja, so soeckt men hem wt de Schrift te voldoen”; terwijl men dan niet voortging, voordat hij „gherust was”. Was dat laatste soms niet het geval, dan bleef ook zeer zeker de aanneming achterwege.

Als er bij den aannemeling geen bezwaren waren, en als dus die algemeene vraag, die op al het beledene betrekking had, bevredigend was beantwoord, dan werden daaraan nog twee andere vragen toegevoegd. Opmerkelijk is het, dat die vragen niet altijd met dezelfde woorden vermeld worden; ja zelfs in ééne en dezelfde liturgische uitgave worden ze op verschillende plaatsen soms verschillend geformuleerd. Die tweede en derde algemeene vragen hadden betrekking op de volharding en op de onderwerping aan de tucht. Maar nu zijn de bewoordingen niet altijd dezelfde. Dikwijls worden zij aldus opgegeven: „Men vraecht hem oft hy voer hem ghenomen heeft, by dese voerseide leeringhe te blyven, ende de werelt te versaken, ende een nieuw Christlick leven te leiden? Ten einde vraecht men hem oock, oft hy hem der Christelicker straffe wilt ghewillichlick onderwerpen?” Maar ze luiden soms ook aldus „Ten anderen, oft si oock, door de ghenade Gods, niet willen in deselve belidenisse des gheloofs volstandelick blyven, ende daernae haer leven stellen; ende de werelt ende satan met alle sine pracht verloochenen? Ten derden, oft si haer oock niet willen der Christelicker straffen (wt den Woorde Gods) ghewillichlijk onderwerpen?” Blijkbaar waren er voor die vragen geene vaststaande formules; maar het valt ook tevens in het oog, dat er slechts verschil was in woorden, en volstrekt niet in het wezen der zaak. Bewoordingen, die eigenlijk iets anders beteekenden, werden niet gebruikt en zouden ook natuurlijk volstrekt niet geduld zijn.

Na de toestemmende beantwoording van die vragen volgden toespraak en gebed; terwijl ook wel het gebed eerst gedaan werd en de toespraak dan volgde. Bij de aanneming van kinderen werd deze ook tot de ouders gericht; en in hetgeen tot de aannemelingen zelven gezegd werd, kwam altijd voor, dat „sy vermaent werden to vrede, liefde ende eendrachticheit met alle menschen, ende tot vrede-makinghe, indien sy met iemant eenich wtstel hebben”. Welke laatste vermaning wederom voortvloeide uit de toenmalige

|117|

beschouwing van de gansche handeling, die enkel bedoelde om tot het Avondmaal toe te laten.

Voorts vinden we nog vermeld, dat het geheele onderzoek in het openbaar voor de gansche gemeente gehouden werd; tenzij, gelijk vanzelf spreekt, de vervolgingen zulke openbaarheid beletten en geheime of bijzondere aanneming noodzakelijk maakten; ’t geen natuurlijk in ons vaderland toen wel vaak het geval zal geweest zijn. Als er tegen openbaarheid geen dergelijk bezwaar was, dan geschiedde die geloofsbelijdenis en beantwoording der vragen door gaans acht dagen vóór de Avondmaalsviering, des Zondags namiddags; ofschoon het ook wel plaats had, dat alsdan de geloofsbelijdenis alleen werd afgenomen en de beantwoording der drie vragen daags vóór de bediening geplaatst werd. Met betrekking tot de geloofsbelijdenis werd er in ons vaderland ook wel onderscheid gemaakt tusschen de „jongelingen” en de „volwassenen”, waarbij het dan voor de laatstgenoemden „om vele oorsaken niet van noode noch dienstig geacht werd, dat het ondersoeck in het openbaer geschiede”, en genoeg werd geoordeeld, dat „hierover staen de Dienaers, leeraers, ende Propheten, ofte kan men die niet bekomen, eenige ouderlingen, ende de predikant, volgens het Formulier in de Kerkelijke Liturgie”; terwijl blijft, „dat men de jongelingen, die in de Catechismus uitgeleert zyn, voor de volle Gemeynte ondersoecke na het Formulier van de kleyne Catechismus, daer men ook by sal voegen de Hooftstucken van de groote Catechismus.” Evenwel moesten allen, „die genoegsaem ondersocht zyn, ’t zy jongelingen, ’t zy volwassenen haer stellen voor de Gemeynte,” om de drie bovenbedoelde vragen in het openbaar te beantwoorden.

In het algemeen was er dus verscheidenheid ten aanzien van al dat uitwendige; iedere kerk of gemeente kon dat, althans tot op zekere hoogte, naar haar eigen goedvinden regelen. Het was niet te doen om eenvormigheid, maar om wezenlijke eenheid. En terwijl men willekeur of losbandigheid, indien die zich ergens vertoond hadden, wel met nadruk zou zijn tegengegaan, was men er toch volstrekt niet op uit allerlei bijzaken en bijzonderheden door gebiedend voorschrift te regelen: men liet gaarne zooveel mogelijk vrijheid aan elke bijzondere kerk.

|118|

(Heraut, 28 Dec. 1877.)

Het tweede tijdperk van de geschiedenis onzer Nederlandsche Gereformeerde kerken, van de eerste tot de laatste Synode te Dordrecht (1574-1618) hebben we gekenschetst als de periode van vestiging en uitbreiding, in botsing met de Staatsmacht, en met afwijking in haar eigen boezem. Nu we in de geschiedenis van de aanneming tot lidmaat tot deze periode genaderd zijn, moeten we op die kenschetsing allereerst terugkomen, omdat bij dit tijdperk meer dan bij eenig ander, zijn algemeen karakter met ons onderwerp in zeer nauw verband staat.

Het was de periode van vestiging en uitbreiding. Nu de vervolgingen allengs ophielden, althans voor de Gereformeerde kerken in Noord Nederland, en nu deze door de overheid zelfs bijzonder werden beschermd en bevoorrecht, kregen zij een aanzienlijken aanwas van leden, niet slechts door de overkomst van een groot aantal vluchtelingen, vooral uit de Zuidelijke Nederlanden, maar ook door de toetreding van een groot deel der bevolking, dat tot dusver nog niet tot haar behoord had, maar dat nu óf zelf tot haar overging óf althans zijne kinderen in haar deed opnemen. De Gereformeerde kerk werd nu allengs meer de kerk van de groote menigte; en bij regelmatige ontwikkeling zou het nu zeer natuurlijk geweest zijn, dat men, ook en vooral ten aanzien van de toelating tot het Avondmaal, met die veranderde omstandig heden had rekening gehouden. Ongelukkig heeft onze kerk dat toen bijna in het geheel niet kunnen doen. Zij was van den aanvang af, ook ten deele door haar eigen toedoen, alles behalve vrij in haar vestiging en ontwikkeling. In dit gansche tijdvak was zij daarbij voortdurend in tweeërlei strijd: in botsing met de Staatsmacht, tot handhaving van haar recht op zelfstandigheid, en in botsing met afwijking in haar eigen boezem, tot handhaving van haar Gereformeerd karakter; terwijl die twee stroomingen, die haar dreigden omver te werpen, des te geweldiger tegen haar inliepen, omdat zij doorgaans in dezelfde bedding vereenigd waren.

In dien hevigen strijd werd natuurlijk de aandacht bijna uitsluitend gevestigd op de hoofdpunten, die in kwestie waren, voor iets anders was er bijna geen gelegenheid, geen tijd, en geen rust. En ook nog in een ander opzicht was die strijd belemmerend

|119|

voor de voortgezette regeling van de aanneming tot lidmaat. De twee tegenstanders, waarmede de kerk te strijden had, waren beiden ook bepaaldelijk er op uit, om bij die gelegenheid de Gereformeerde beginselen zooveel mogelijk ter zijde te stellen.

Aan den eenen kant deden dat de politieken, d.i. zij, die de kerk aan den Staat wilden onderwerpen. Juist omdat zij dat wilden, was er bij dezulken groot bezwaar tegen eene vrije uitoefening van de kerkelijke tucht door de kerken zelve, en zij trachtten die zooveel mogelijk te beperken. Klaar daarmede troffen zij dan ook tevens de vrijheid der kerk in het aannemen harer leden; want die aanneming was niet anders dan de toelating tot het Avondmaal, en stond dus met opzicht en tucht in het allernauwste verband. Inderdaad toonen dan ook de kerkelijke wetten en verordeningen, die toen op verschillende tijden in de voornaamste provinciën door de Staten zijn ontworpen of vastgesteld, dat men van die zijde, bij de toelating tot het Avondmaal, ook bij de eerste toelating, geenszins een onderzoek wilde hebben, dat zou ingericht zijn volgens de beginselen en in den geest der Gereformeerde kerk. Reeds de eerste van die wetten, in 1576 op last der Staten van Holland en Zeeland ontworpen, stelde in het algemeen tot beginsel, met betrekking tot allen, die aan de Avondmaalsviering wenschen deel te nemen, geen voorafgaand onderzoek naar hun geloof en gedrag: „onse steden en vele onser dorperen konnen niet al te precysen ordre op ’t houden van het Avondmaal lyen, gelyk als is de examinatie van alle degeene de welke van het Nachtmael mede deelachtig willen wezen, der selver belydenisse des geloofs, aenteikeninge en verkundinge der namen, tooninge van getuigen en diergelyke meer. Paulus schynt eer te willen trachten tot de ondersoekinge van sich selven”.

En nu werd nog wel bepaald, dat „die kinderen, die eerst tot het Nachtmael gebraght sullen worden”, in de daaraan voorafgaande week „by de predikanten sullen komen, omme te verklaren uit den Catechismus de belydenisse des geloofs”; maar in het verband, waarin die bepaling voorkomt, bedoelde dat blijkbaar niet veel meer dan een onderzoek naar de elementaire kennis; en het zou ook uitsluitend door de predikanten worden ingesteld, die volgens diezelfde wetten geheel van de Regeering afhankelijk zouden zijn,

|120|

en dus ook hare inzichten zouden te volgen hebben. Zoo was het in de eerste van die kerkelijke Staatswetten; en nu is in latere Verordeningen, die van Staatswege werden opgesteld, een en ander wel telkens gewijzigd, maar zij bleven toch altijd in denzelfden geest. Zelfs de wetten, waarin het meest aan de kerk wordt toegestaan, bepalen toch voor degenen, die zich voor het eerst tot het Avondmaal begeven: zij moeten blijken „ghenoegh onderrecht te zyn” er moet bij hen geene „openbare ergernisse ofte ander letsel” zijn, en zij moeten samen „de generale belydenisse des gheloofs by monde van de Kerckendienaers doen”; voldeden zij aan die eischen dan moesten zij ook zonder ander onderzoek en zonder verdere belijdenis worden toegelaten. Dat is nu voor de kerk wel geen wet geworden; want geene van de hier bedoelde Verordeningen is ooit ingevoerd kunnen worden. Maar zij toonen ons toch de inzichten, die de Regeering krachtdadig voorstond; en daartegenover was de kerk, vooral toentertijd, volstrekt niet vrij.

Zij werd bij de regeling van dit punt nog te meer belemmerd, omdat in haar eigen boezem zooveel predikanten en leden waren, die de inzichten van de Staatsmachten deelden en die ook nog wel verder wilden gaan. Natuurlijk waren er ook wel vroeger in de kerk geweest, die meer instemden met Erasmus of met Luther, dan met Calvijn. Maar de kerk in het algemeen, en haar gansche leiding, was toch in de eerste periode beslist Gereformeerd geweest. Thans echter hadden velen zich bij de Hervormde kerk gevoegd, wier algemeen Protestantsche denkwijs met haar geloof of niet geheel, of ook wel in het geheel niet overeenkwam, en die nu, in de plaats van de Gereformeerde belijdenis, „eene algemene Christelijke geloofsbelijdenis wilden, onbepaald genoeg om de veelsoortige Protestanten, Calvinisten, Zwinglianen, Lutheranen, Wederdoopers en Doopsgezinden onder ééne gemeente te brengen.” Deze allen zochten, zooals ook vanzelf spreekt, „de kerke open te setten soo veel doenlyk was, voor alle Christenen van een onbesprooken leven;” en het zal wel geene aanwijzing noodig hebben, hoe dat streven, dat zich in de kerk zelve openbaarde, op de aanneming tot lidmaat werken moest. Zij geschiedde soms volstrekt niet in Gereformeerden zin; en ook zij, die dat laatste

|121|

onmisbaar achtten, werden in de toepassing van hun beginsel, en vooral in de ontwikkeling daarvan, toch veelszins belemmerd.

Om al die redenen vinden we in dit tijdperk, met betrekking tot ons onderwerp, dan ook niet veel nieuws. De beteekenis, die er aan de aanneming gehecht werd, was geheel dezelfde als in de vorige periode; en zij was dat bij allen zonder onderscheid, zoowel bij de tegenstanders als bij de voorstanders van de Gereformeerde belijdenis. Het was en bleef niet anders dan de toelating tot het heilig Avondmaal. In kerkelijke Verordeningen werd er altijd van gesproken in het hoofdstuk dat over het Avondmaal handelt, maar ook nergens anders dan daar. In diezelfde Verordeningen, maar ook in actenboeken, lidmatenboeken enz., is de staande uitdrukking, die men voor het lidmaat-worden gebruikt vindt: „zich voor het eerst tot het Avondmaal begeven”; en wie bij die gelegenheid afgewezen werd, werd gezegd „nog van het Avondmaal te zijn afgehouden”. De toegelatenen werden vaak, ook in officiële stukken, eenvoudig „communicanten” genoemd, en de opteekening van hun namen in een communicanten-boek werd wel door de kerk nuttig geacht en aanbevolen, maar toch niet zoo noodig geoordeeld, als de inschrijving van de namen der gehuwden. Ja, zelfs zag men in de Kerke-ordening, die in 1595 in de provincie Groningen werd ingevoerd, er volstrekt geen bezwaar in, om al de Avondmaalgangers, die pas van elders waren ingekomen, en van wie bekend was, dat zij elders in de Gereformeerde kerk waren toegelaten, toch voor ditmaal hun geloofsbelijdenis en belofte voor de gansche gemeente te doen vernieuwen, ten einde door dat voorbeeld aan dien nu ingevoerden regel een goeden ingang zou worden gegeven: eene herhaling, die natuurlijk ongerijmd zou geweest zijn, als men daarbij gedacht had aan eene toetreding tot de kerk in het algemeen.

Omdat de beschouwing niet veranderd was, bleef men bij de toelating ook hetzelfde eischen als vroeger: er moest belijdenis des geloofs gedaan worden. Alleenlijk, de strijd, die in de kerk voor en tegen de Gereformeerde belijdenis gevoerd werd, maakte vanzelf, dat er door de voorstanders van die belijdenis thans, meer dan vroeger, op de leer als zoodanig gelet werd en daarop nadruk werd gelegd. Dat is o.a. te zien aan de boekjes en geschriften, die

|122|

bij het afnemen der geloofsbelijdenis tot leiddraad gebruikt werden. Men bediende zich nog wel van de vroeger genoemde „corte ondersoeckinghe des gheloofs”; maar men volgde toch ook niet zelden iets anders. In verschillende liturgie-boeken van dien tijd staan een aantal andere „corte formen”, ook bestemd voor het doen van geloofsbelijdenis en daarbij gebruikt. Zoo b.v. het Kort Begrip, uit de Paltz afkomstig (in 20 vragen en antwoorden); dat van Th. Beza (in 20 vragen en antwoorden); een soortgelijk, dat door C. van der Heijden werd aanbevolen (in 16 vragen en antwoorden); en later het welbekende van Faukelius. En nu vinden we in die alle, dat het subjectieve element er minder sterk in uitkomt dan b.v. in de „corte ondersoeckinghe”, of in den Heidelbergschen Catechismus. Dat lag in den aard der zaak. Bij den hevigen strijd over de Gereformeerde leer moest er juist naar de leer wel wat meer gevraagd worden, omdat toch geloof en leven daarvan afhangen en daarnaar het meest moeten beoordeeld worden.

Voorts was men ook met kennis en toestemming van de waarheid volstrekt niet tevreden; er werd ook gevraagd naar de toeeigening en de levenskeus, zoowel bij het onderzoek, dat tot bijzonderheden afdaalde, als ook door de voorstelling van de drie algemeene vragen, die uit de vorige periode behouden bleven. En wie die vragen niet kon of niet wilde beantwoorden, zooals nu in dit tijdperk op verschillende plaatsen blijkt te zijn voorgekomen, werd dan ook afgehouden van het Avondmaal. Op de vraag, die in 1578 ter Synode van Dordrecht gesteld werd; „of het geoorlooft zy, tot het Heilig Avondmael toe te laten, die wel den Bybel alleen voor Gods Woort erkennen, maer de gewoonlyke vragen, die men voorhoud den gene die ten Avondmael gaan, niet beantwoorden, nog daarin bewilligen willen?” was de beslissing der Synode, die ook later gehandhaafd werd: „De Kerken sullen haar gewone wyzen van belydenisse des geloofs af te eischen, onderhouden, en een iegelyk is schuldig rekenschap van zyn geloof te geven naar de leere Petri, want het niet betaamt, dat men een gemeen gebruik der Gemeente om eenige byzondere personen verandere”.

De manier, waarop die belijdenis des geloofs werd afgenomen, is op de verschillende Synoden, die in dit tijdperk gehouden zijn,

|123|

telkens geregeld; dikwijls door letterlijke overneming van de bepalingen der voorafgaande Synoden. Het voornaamste verschil tusschen die opeenvolgende bepalingen is vooral hierin gelegen, dat men in het eerst nog gestemd was voor openbaarheid, zoowel bij het onderzoek en de geloofsbelijdenis als bij het beantwoorden der vragen; dat men later slechts voor dit laatste openbaarheid bepaalde, terwijl dan beter werd gevonden, dat het andere voor den kerkeraad, of voor een predikant met een ouderling plaats had; en dat men daarna voor die openbaarheid geene bepaling of beperking meer maakte, terwijl ook reeds vroeger in dat opzicht vrijheid was voor elke bijzondere kerk. Ten aanzien van al het uitwendige is de bepaling, die in bijna alle Synodale Kerkenordeningen van dit tijdvak voorkomt, dat het overal „nae de gewoonheyd der Kercken” zal zijn ingericht.

 

(Heraut, 4 Jan. 1878.)

Op de Dordtsche Synode van 1618 is er over de zaak der aanneming bijna in ’t geheel niet gehandeld. Wel is er veel beraadslaagd over hetgeen er vanwege de kerk zou kunnen gedaan worden tot verbetering van het voorbereidend godsdienstonderwijs, en zijn er te dien aanzien uitnemende bepalingen gemaakt. Maar wat de aanneming zelve betreft, is slechts woordelijk herhaald, wat reeds door een aantal vroegere Synoden besloten was: „Men sal niemandt ten Avontmael des Heeren toelaeten, dan die nae de gewoonheyt der kerken, tot welcke hy hem voeght, belijdenisse der Gereformeerde religie gedaen heeft, mitsgaders hebbende getuygenisse eens vromen wandels”. Uit die weinige woorden blijkt intusschen genoegzaam, dat men ook op dit punt de beginselen, die tot dusver gegolden hebben, wilde handhaven, en dat met betrekking tot de aanneming zoowel de theorie als de praktijk nog dezelfde waren als vroeger. Dat men daarin nog altijd niets anders zag, dan de toelating tot het Avondmaal, blijkt o.a. ook nog uit de bepaling, door die Synode gemaakt, dat bejaarden, die door den Doop in de Christelijke gemeente werden ingelijfd, uitdrukkelijk zouden moeten beloven, het Avondmaal ook te zullen gebruiken; welke belofte ook werd opgenomen in de vragen van het nieuwe Formulier voor den Doop van bejaarden, dat toen door

|124|

de Synode gemaakt is. Er is nooit aan gedacht, om datzelfde ook aan gewone aannemelingen te vragen, of door hen te laten beloven. Want, terwijl de aanneming voor ongedoopte bejaarden werkelijk eene opneming was in de kerk, waaruit nog volstrekt niet volgde, dat zij ook aan het Avondmaal zouden komen, was zij voor vroeger gedoopten niet anders dan de toelating tot het Avondmaal; en juist bij die beschouwing, maar ook bij die beschouwing alleen, zou het ongerijmd zijn geweest, om degenen, die niets anders dan die toelating vroegen, nu nog eens opzettelijk af te vragen, of zij er ook komen zouden. Dat sprak dan vanzelf de geheele handeling had geene andere bedoeling en geen anderen zin.

In het gansche tijdvak, dat met de groote Dordtsche Synode een aanvang neemt, vinden we diezelfde beschouwing dan ook onophoudelijk en op allerlei wijze terug. Ook in die provinciën, waar de Dordtsche Kerkenordening in haar geheel, door weigering van de Overheid, niet kunnen ingevoerd worden, waren of werden toch, met betrekking tot de aanneming, volkomen gelijkluidende bepalingen gemaakt, terwijl voorts de kerken ook zooveel mogelijk in den geest der Synode handelden. Eerst in het laatst dezer periode zien we die beschouwing, onder den invloed van den geest des tijds, eenigszins op den achtergrond treden. Maar dat was dan altijd toch slechts bij een deel der kerk; niet bij het volk in het algemeen of bij de voorstanders der Gereformeerde belijdenis. Bij dezulken is zij blijkbaar in dit gansche tijdperk de heerschende beschouwing gebleven.

Maar dienovereenkomstig altijd te handelen, en voorts op dien grondslag alles zóó te regelen als de toestand der kerk het nu eigenlijk vorderde, is ook in dit tijdperk aan onze Gereformeerde kerken slechts ten deele vergund. Sinds de Dordtsche Synode was de tweeledige strijd van het vorige tijdvak nu zóó beslist

de kerk had hare belijdenis geheel kunnen handhaven, en zij was ook niet in eene Staatsinstelling ontaard; maar ten aanzien van dat tweede punt had zij haren strijd toch volstrekt niet gewonnen; zij werd door de Overheid gesteund en geholpen, maar ook door diezelfde Overheid op allerlei wijze in hare vrijheid en zelfstandigheid beperkt. En nu ligt het in den aard der zaak, dat juist die verhouding tot den Staat zeer ongunstig moest werken, ook

|125|

bepaaldelijk op de aanneming tot lidmaat. In eene heerschende Staatskerk, waartoe ieder, die wil meegeteld worden, behooren moet, is het bijna onvermijdelijk, dat ook de wereld tot de kerkelijke gemeenschap moet worden toegelaten. Deels daardoor, en deels ook uit andere oorzaken, kwam de hoofdzaak, die vroeger geëischt werd, hoe langer hoe meer op den achtergrond. En het baatte niet, of men dan al streng bleef toezien op getrouwe overeenstemming met de leer der kerk. Juist daardoor werd het dogmatisme, dat ook reeds door andere oorzaken begon in te sluipen, ook bij de voorbereiding tot de aanneming, en bij die gelegenheid zelve, des te meer in de hand gewerkt.

Intusschen, niettegenstaande de toenemende verzwakking der Gereformeerde beginselen, en ondanks de gebrekkige wijze, waarop zij vaak werden toegepast, zijn toch die beginselen zelve, juist in dit tijdvak, telkens krachtig gehandhaafd; en zij zijn ook, met het oog op den toestand der kerken, in menig opzicht ontwikkeld en uitgewerkt. Met name is dat geschied, reeds in den aanvang van dit tijdvak, door den beroemden Gijsbertus Voetius, op wiens geschriften we, ook bij het onderwerp, dat we thans behandelen, inzonderheid te letten hebben, In zijne „Politica Ecclesiastica” wordt op onderscheidene plaatsen over de aanneming opzettelijk gesproken, en niemand heeft dat onderwerp zóó uitvoerig en zóó grondig behandeld als hij. Hij beschrijft nauwkeurig, hoe die zaak toentertijd hier en daar geregeld was; en zoo iemand, dan was hij wel met zijn tijd en met zijne kerk goed bekend. Zijne getuigenis wordt dan ook gestaafd door hetgeen allerlei andere bronnen ons leeren. En voorts zien we ook nog, dat de beschouwingen, door hem uitgesproken, bijna overal in de vaderlandsche kerken werden aangenomen of gedeeld; terwijl de bepalingen of regelen, die hij daaraan ontleende, zooveel mogelijk gevolgd werden. Een volledig overzicht van hetgeen over dit onderwerp bij Voetius te lezen staat, kunnen we uit den aard der zaak hier niet geven; ook al hadden we tienmaal meer ruimte, dan zou die daarom toch nog tekort schieten. Maar over enkele punten kunnen we er daarom toch wel iets van mededeelen, hoofdzakelijk ontleend aan zijne Politica Ecclesiastica, Pars I, Lib. I, Tract. I, Capp. I, II en III ; Pars I, Lib. II, Tract. II, Sect. IV, cap. III.

|126|

Ook bij Voetius blijft op de voorgrond staan, dat de aanneming niets anders is dan de toelating tot het Avondmaal. Maar juist daarom is zij dan ook de opneming in de volle kerkelijke gemeenschap. Zonder twijfel zijn de kinderen der geloovigen reeds bij hunnen Doop tot lidmaten der gemeente aangenomen; maar zij zijn dat toch nog niet ten volle; zij zijn van de lidmaten, die ook belijdenis deden, wel niet specifiek, maar toch gradueel onder scheiden; op dezelfde wijze en om dezelfde reden, als men tusschen de wedergeboorte en de werkelijke bekeering een onderscheid maken moet.

Reeds daaruit volgt, dat er nog andere redenen zijn, dan de vroegere reeds aangevoerde, waarom de kerk eene geloofsbelijdenis vragen moet, ook van hen, die reeds door den Doop tot haar behooren. Ook bij Voetius is de hoofdreden, dat de kerk zich moet overtuigen, of degenen, die aan het Avondmaal komen willen, tot eene goede viering in staat zijn. Maar behalve dat, geeft hij nog een aantal andere redenen. B.v. de kerk is niet als de Staat, tot welken men reeds door een voorondersteld en stilzwijgend goedvinden gerekend wordt te behooren ; dat zou de wereld in de kerk brengen, en zelfs eene aanranding zijn van de vrijheid des gewetens. Het is ook met het karakter en met de gesteldheid der kerk in strijd, dat zij zonder vrijwillige en uitdrukkelijke belijdenis van geloof en bekeering, waar zulke belijdenis mogelijk is, iemand zou beschouwen en erkennen als behoorende tot Gods volk. Er zou in de kerk ook verwarring en wanorde komen in allerlei opzicht, als de opneming in hare volle gemeenschap zonder onderzoek, inschrijving en verbintenis plaats had; maatregelen van orde, die zelfs bij wereldlijke vereenigingen doorgaans noodig geacht worden. Enz. enz.

Wat de aanneming zelve betreft ; waar zij in reeds gevestigde gemeenten plaats heeft, geschiedt zij dan alleen volgens de beginselen onzer Gereformeerde kerken, indien daarbij voldaan wordt aan de vijf volgende voorwaarden:

1º. Er moet onderwijs uit Gods Woord aan voorafgaan; en dat onderwijs moet bij kinderen in den regel nog niet eindigen met het 14de levensjaar. Aan lidmaten, die reeds elders zijn aangenomen, wordt die eisch niet gesteld; ten minste als zij

|127|

elders in de gemeenschap eener rechtzinnige kerk geleefd hebben.

2º. De aannemelingen moeten in het openbaar hun geloof belijden, door op allerlei vragen, die de predikant hun doet, over alle hoofdstukken waarin zij onderwezen zijn, niet slechts goed te antwoorden en kennis der Schrift te toonen, maar ook te laten blijken, dat zij de waarheid met toepassing op zichzelven hebben aangenomen. Bij lidmaten, die met attestatie van elders komen, is dat onderzoek niet noodig, tenzij er vermoeden is van onrechtzinnigheid. Het bedoelde onderzoek moet in het openbaar worden ingesteld, waarvoor Voetius vele en gewichtige redenen bijbrengt. Desnoods laat hij toe, dat het voor den kerkeraad geschiede, maar dan toch altijd met opene deuren. En alleen bij uitzondering, in dringende gevallen, zou het enkel voor een predikant, met één of meer ouderlingen mogen plaats hebben. Ook in zulke gevallen mogen die ouderlingen er nooit bij ontbreken; en uit de tien redenen, die Voetius daarvoor aanvoert, blijkt genoegzaam, welk eene gewichtige roeping en welk eene macht hij bij die gelegenheid aan de ouderlingen toekent.

3º. Het moet door nauwkeurig onderzoek en door goede getuigenissen aan den kerkeraad gebleken zijn, dat de levenswandel der aannemelingen onergerlijk en godvruchtig is. Vooral in de groote gemeenten moet dat goed worden nagegaan.

4º. De aannemelingen moeten zich openlijk voor God en de gemeente verbinden, door bevestigend te antwoorden op de gebruikelijke, algemeene vragen. Die vragen worden door Voetius eenigszins anders opgegeven, dan gewoonlijk in de liturgische uitgaven; maar blijkbaar is het enkel een verschil in den vorm. Het zijn er bij Voetius vier in plaats van drie, doordat de tweede in tweeën gesplitst is; en zij zijn ook buitendien iets uitvoeriger. Waar hij elders nauwkeurig beschrijft, hoe de aanneming in Utrecht geregeld was, worden diezelfde vier vragen al weder met andere woorden, en nu veel uitvoeriger, opgegeven; terwijl hij er tevens bijvoegt, dat aldaar ook wel andere bewoordingen gebruikt werden. Op de formuleering kwam het niet aan, als de inhoud maar dezelfde was.

5º. Er moet bij de gansche zaak volkomene vrijheid zijn, en dan niet slechts voor den aannemeling, maar ook voor de

|128|

gemeente. Opwekking en aandrang tot het doen van belijdenis kan en moet gebruikt worden, maar nooit eenigerlei dwang. En wederkeerig kan eene gemeente ook nooit gedwongen worden, om personen, die zij om goede redenen meent niet te moeten opnemen, toch tot hare gemeenschap toe te laten.

Dit alles, en nog zeer veel meer, dat op de aanneming betrekking heeft, wordt door Voetius grondig ontwikkeld, en op allerlei gevallen, die zich zouden kunnen voordoen, toegepast. En alle die beschouwingen waren volstrekt niet redeneeringen over hetgeen hij wenschelijk achtte, maar stelselmatige beschrijvingen van hetgeen werkelijk plaats had. Ook nog lang na zijn tijd bleven die beginselen bijna overal gelden. Zoo b.v., om hier slechts één punt te noemen, sprak het in den aanvang der 18de eeuw nog vanzelf, dat men door de aanneming enkel lid werd van de plaatselijke gemeente of kerk, en dat alle andere gemeenten volstrekt niet verplicht waren om die aanneming steeds te erkennen. Toen een predikant te Zwolle, die voor een Spinozist gehouden werd, door den kerkeraad aldaar en door de Overijselsche Synode in zijn dienst was gehandhaafd, bepaalden o.a. de Synoden van Gelderland en van Groningen (in 1706 en 1709), dat in die provinciën geene attestatiën van den kerkeraad van Zwolle mochten worden aangenomen; tenzij dan, dat door schriftelijk bewijs of afgevraagde belijdenis duidelijk gebleken was, dat de leden, die ze meebrachten, geheel vrij waren van de dwalingen, die men in Zwolle scheen te begunstigen. Door het afbreken van de correspondentie met zulk eene gemeente, werd zij dan na korten tijd wel gedwongen om zich naar het oordeel der andere Gereformeerde kerken te voegen. Voor het overige mocht die vrijheid der gemeenten, om de aanneming elders al of niet te erkennen, nooit in willekeur ontaarden. Waar geen deugdelijke grond was voor weigering, moest de attestatie worden aangenomen.

Slechts met een enkel woord kunnen we hier nog bijvoegen, dat in de laatste helft van de 18e eeuw, door allerlei oorzaken, die daartoe samenwerkten, de aanneming tot lidmaat hoe langer hoe meer haar Gereformeerd karakter verloor. Dat blijkt o.a. uit den strijd, die toen jaren lang zooveel pennen in beweging bracht, over de vraag, wie er tot het Avondmaal mochten en moesten komen,

|129|

en wie er door de kerk waren toe te laten. Met het antwoord op die vraag stond natuurlijk de geheele theorie en praktijk bij de aanneming in het nauwste verband. En bij velen was dat antwoord eene geheele afbreking van hetgeen in de Gereformeerde kerken altijd gegolden had. Het was toen voornamelijk J.C. Appelius (wiens geschriften, ofschoon meer dan eens gedrukt, toch reeds nu maar al te zeldzaam geworden zijn), door wien de oude Gereformeerde beginselen werden voorgestaan en ontwikkeld. Maar al werd hij daarbij door velen gesteund en gevolgd, de kerk in het algemeen week toch al meer af van de lijn, waarop zij vroeger was voortgeleid; en ook in de zaak der aanneming werd toen al meer voorbereid, wat zich in het volgende tijdvak geheel openbaren zou.

 

(Heraut, 13 jan. 1878.)

Aan het einde der 18de eeuw werd de schok de revolutie ook met name door de Gereformeerde kerk diep gevoeld. Zij hield op de Staatskerk te zijn; zij verloor de voorrechten, die zij als de heerschende kerk had genoten, en zij werd ontslagen van de overheersching, die zij als zoodanig van den Staat had moeten verdragen. Van die zijde was er dus geen beletsel meer, dat haar verhinderde, vrij te worden en zich in vrijheid te ontwikkelen. Maar toch lag het in den aard der zaak, dat zij toentertijd daartoe niet gekomen is. Toestanden, die reeds meer dan twee eeuwen geduurd hebben, worden niet zoo spoedig veranderd; de kerk was er niet slechts aan gewend, maar zij was er ook door verwend en bedorven; en behalve dat stond zij voor een groot gedeelte onder den invloed van den toenmaligen tijdgeest, waardoor ook de innerlijke kracht tot zelfstandigheid haar ontbrak. In velerlei opzicht, en met name ten aanzien van de regeling der zuiver kerkelijke aangelegenheden, bleef dus alles voorloopig bij het oude; en ook voor de aanneming van lidmaten werd er in dien tijd van overgang niets nieuws bepaald of ingevoerd.

Plannen tot verandering zijn er echter in dien tijd wel geweest, en daaronder één, dat ook zou zijn uitgevoerd, indien koning Lodewijk, die toen weer de wettige macht had om de kerkelijke zaken te regelen, op den troon was gebleven. Dat concept-reglement van 1809, opgesteld door eene commissie van uitnemende en

|130|

invloedrijke mannen, die tot op zekere hoogte zelfstandig daarbij mochten te werk gaan, is juist daarom zeer merkwaardig tot kenschetsing van de denkbeelden en beschouwingen van dien tijd. Met betrekking tot de aanneming is dat wetsontwerp bijzonder kort; slechts drie artikelen, die er over handelen; maar uit het daarin voorgestelde blijken toch een aantal belangrijke zaken. In de plaats van „de Gereformeerde kerken” komt nu „het Hervormd Kerkgenootschap”, terwijl de plaatselijke kerken, ter onderscheiding dáárvan, „gemeenten” genoemd worden. Wie in eenige gemeente belijdenis des geloofs heeft gedaan, zal, bij verhuizing naar eene andere gemeente, ook aldaar moeten worden aangenomen, als hij voorzien is van eene kerkeraads-attestatie, waaruit blijkt, dat hij als lidmaat bekend is. En in elke gemeente zal de aanneming geschieden op belijdenis des geloofs voor de opzieners der gemeente. Meer wordt er niet bepaald; en terwijl dus aan den eenen kant het toen heerschende denkbeeld van eenheid ook op de kerk werd toegepast, werd toch aan de andere zijde nog zeer veel overgelaten aan de regeling van iedere bijzondere gemeente. Ten overvloede werd ook nog uitdrukkelijk gezegd, dat alle huishoudelijke schikkingen, vaststellingen en gebruiken, hetzij tot bewaring van de eenheid en zuiverheid der leer van Waarheid en Godzaligheid, of wel tot regeling van den openbaren godsdienst, mochten blijven bestaan, als zij maar niet met het algemeen reglement in strijd waren.

Tot de vaststelling en de invoering van dat algemeen reglement is het nimmer gekomen. En daarom beginnen we de laatste periode ook met 1816, het jaar waarin de Hervormde kerk georganiseerd is door koning Willem I, die wel tot die regeling onbevoegd was, maar aan wiep het toch gelukt is, haar in te voeren. Zonder twijfel is die organisatie toen aan de kerk opgelegd, en feitelijk door haar aanvaard, met de beste bedoelingen en verwachtingen. Maar zij was toch door en door ongereformeerd, niet slechts in haar oorsprong, maar ook in haar karakter. Blijkbaar triomfeerde nu de richting, die reeds meer dan twee eeuwen vroeger zich had doen gelden, en die vooral in het laatst der vorige periode groote vorderingen gemaakt had; en al was ook die richting in den loop des tijds natuurlijk in velerlei opzicht gewijzigd, zij was, bij vroeger vergeleken, er toch waarlijk niet meer Gereformeerd op geworden.

|131|

De geheele organisatie van 1816 werd o.a. gekenmerkt door een geest van centralisatie, van clericalisme, van eenvormigheid en van anti-gereformeerd universalisme; alles gesteund en gehandhaafd door den sterken arm van den Staat. Niet dat allen, die er aan meewerkten of er zich aan onderwierpen, zich van die beginselen ten volle bewust waren of de volle toepassing daarvan bedoelden; en evenmin ontkennen we, dat er in die regeling ook veel goeds was. Maar dat laatste kon op den duur wel niet baten tegen het ontbindend karakter van de hier genoemde beginselen; en wie eenmaal een beginsel heeft aangenomen, om het even hoe hij dan gezind is en wat hij bedoelt, die wordt bij de handhaving van dat beginsel ook vanzelf gedreven tot eene steeds volkomener toepassing. Zoo is het ook gegaan met die vier beginselen, in betrekking tot de aanneming van lidmaten. Duidelijk blijkt dat uit de kerkelijke bepalingen, die er te dien aanzien gemaakt zijn, in 1816 in 1847 en in 1861, en uit de plannen tot verandering, die er te dier zake thans nog aanhangig zijn.

Sedert 1816 zijn de Nederlandsche Gereformeerde kerken officiëel samengesmolten, of (’t geen misschien juister is) samengeketend tot ééne Hervormde kerk, of (zooals men toen zich bij voorkeur uitdrukte) tot één Hervormd Kerkgenootschap. Ook in 1809 was dit reeds alzoo voorgesteld. Of dat ook zou geschied zijn, indien de kerken zelven zich vrij hadden kunnen uitspreken, is zeer zeker de vraag. Maar men was weer afhankelijk van den Staat; en men moest de beschouwing, die er te dien aanzien op Staatsgebied heerschte, wel aanvaarden en ook op kerkelijk gebied laten toepassen. Dienovereenkomstig werd nu ieder, die belijdenis deed, daardoor lidmaat van de kerk in het algemeen. Zij werd, en zij is nog, een groot gebouw met meer dan 1200 deuren, terwijl iedere deur ook den toegang opent tot al de kamers, die er in het gansche gebouw zijn. Langen tijd bestond nog de bepaling, dat er voor ieder, die wilde ingaan, eene bepaalde deur, en slechts die ééne, was aangewezen, zoodat al wie daar niet kon aankloppen, of wie daar werd afgewezen, ook buiten moest blijven. Maar hoe grooter het verschil werd van overtuigingen en van inzichten, zoowel tusschen de personen, die toelating wenschten, als tusschen hen en de deurwachters, en tusschen deze onderling, des te meer

|132|

werd ook noodig, althans, indien men allen en alles wilde bijeen houden, dat de keuze van deuren werd vrijgelaten. En daarom werd in 1867 bepaald, dat men ook buiten de gemeente waar men woont, en zonder de toestemming van haar kerkeraad, tot lidmaat der kerk kan worden aangenomen, en dan overal als zoodanig moet worden erkend. Ongereformeerd als dat is, was het toch noodzakelijk, wanneer men een ander ongereformeerd beginsel wilde handhaven.

Wat de aanneming zelve betreft, sedert 1816 werd die eigenlijk een werk van de predikanten alleen. Vroeger hadden de ouderlingen, die ook bij de voorbereidende catechisatiën niet slechts mochten, maar in vele gemeenten zelfs moesten tegenwoordig zijn, in de zaak der aanneming wettiglijk minstens evenveel te zeggen als de predikanten. .Maar nu werd die zaak aan de leeraars aanbevolen of opgedragen, alleenlijk „verzeld van één of meer ouderlingen” (1816), of „in tegenwoordigheid van één of meer ouderlingen” (1847), of „bijgestaan door één of meer ouderlingen” (1861). De laatstbedoelde uitdrukking toont echter eenigen terugkeer tot de oude Gereformeerde beginselen, die nog meer blijkt uit de bepaling van hetzelfde reglement, dat de „aanneming van wege den kerkeraad geschiedt”; in verband ook met hetgeen te dien aanzien in andere, ongeveer gelijktijdige, reglementen verordend is. Bij verschil van richting tusschen predikant en ouderlingen, hebben laatstgenoemden daardoor ook nog iets te zeggen. Maar waar zulk verschil niet is, spreekt het wel vanzelf, dat de ouderlingen, die alleen bij de aanneming tegenwoordig zijn, er niet licht toe komen, en ook geen genoegzamen grond hebben, om den predikant, die wil aannemen, tegen te spreken; zoodat in normalen toestand hunne macht en hun invloed feitelijk op niets wordt teruggebracht.

Kenmerkend is ook sedert 1816 de eenvormigheid, waartoe alle kerken genoodzaakt werden. „Afzonderlijke huishoudelijke inrichtingen” werden nog wel toegelaten, maar die „mochten niets behelzen, strijdig met die eenheid in beginselen en gelijkvormigheid in hoofdzaken, welke de onderscheidene kerken, als deelen van het geheel, behooren te kenschetsen”. Overal moest nu alles geheel op dezelfde wijze worden ingericht. Eerst een voorbereidend godsdienstonderwijs, waaromtrent, voor zoover het door predikanten

|133|

gegeven werd, de kerkeraad zoo goed als niets zou te zeggen hebben. Daarna een onderzoek naar kennis en eene geloofsbelijdenis, beide binnenskamers, voor predikant een ouderling, terwijl daarbij de predikant geheel op de voorgrond treedt; althans het zal ook wel de bedoeling zijn van het thans nog vigeerende reglement, dat de geloofsbelijdenis door de predikant wordt afgenomen, al staat er eigenlijk bij vergissing, dat „het afleggen van die belijdenis evenals het onderzoek naar de kennis, door hem geschiedt” En eindelijk eene openbare bevestiging, van de aanneming afgescheiden, en waarbij drie vastgestelde vragen nu woordelijk gedaan en toestemmend beantwoord zouden moeten worden. Ten opzichte van al die bijzonderheden werd na 1816 geene vrijheid meer overgelaten: andere gebruiken en regelingen mochten nergens meer blijven.

Op eenvormigheid werd meer nadruk gelegd, naarmate de wezenlijke eenheid meer te wensen overliet. Als het kerkverband eigenlijk reeds is losgemaakt, doordat de gemeenschappelijke belijdenis werd ter zijde gesteld of bestreden, en men wil toch nog een kerkverband overhouden, dan zoekt men dat natuurlijk in de inrichting en in het bestuur, en men hecht dan des te meer aan reglementaire bepalingen en aan uiterlijke vormen. Ook met onze kerk is het zoo gegaan. Wel werd de belijdenis officiëel niet veranderd, en werd ook de leer in een wetsartikel steeds gehandhaafd, maar terzelfder tijd werd door de meeste leiders en toonaangevers een anti-gereformeerd universalisme zoo veel mogelijk begunstigd; en zoals in den aard der zaak lag, heeft dat beginsel allengs meer zoo doorgewerkt, dat zijne negatieve zijde telkens duidelijker op de voorgrond kwam. De richting, die in 1816 den boventoon had, heeft langzaam maar zeker op de eenmaal gekoze lijn moeten voortgaan: en ook in de zaak der aanneming is die voortgang zeer duidelijk waar te nemen. Eerst stond de belijdenis des geloofs daarbij nog op de voorgrond, en werd de eisch van genoegzamen kennis daaraan toegevoegd. Openlijk moet toen nog verklaard worden, dat men van harte geloofde de leer, die men had beleden; welke uitdrukking nu wel niet veel beteekende, omdat allerlei leer door de predikant kon geleerd zijn, maar die toch de Gereformeerde leer geenszins uitsloot, ja,

|134|

zelfs eigenlijk onderstelde. En overeenkomstig het karakter der Gereformeerde kerk werd in die voorgeschreven vragen ook nog gesproken van de onderwerping aan de kerkelijke tucht. Later, in 1861, is op al die punten de afwijking reeds veel grooter. Nu staat de verkregen kennis op den voorgrond, en is de belijdenis des geloofs slechts een toevoegsel; terwijl daarom ook niet meer geëischt wordt „de belijdenis van oprecht geloof aan het Evangelie”, maar alleen „eene belijdenis des geloofs”. In de voorgeschreven vragen is geen sprake meer van „de leer”, waaronder altijd nog de Gereformeerde kon en moest verstaan worden; maar in plaats daarvan wordt gevraagd naar de persoonlijke geloofsbetrekking tot God, in bewoordingen, die, hoe schoon ook op zich zelven, toch niet meer bevatten dan eene algemeene Christelijke geloofsbelijdenis. En in de derde vraag wordt van kerkelijke tucht in het geheel niet meer gesproken, en in plaats daarvan de belofte afgeëischt, dat men de kerkelijke verordeningen zal opvolgen. Zoover was men in 1861, en thans zijn er weer een aantal, voor wie die regeling nog veel te dogmatisch is. Van die zijde wil men geenerlei formule meer, die omtrent leer of geloofsovertuiging iets bepaalt. De aannemelingen zouden voor een predikant en ouderlingen nog wel belijdenis moeten afleggen van hun Christelijk geloof; maar alles wat zij daarvoor zouden willen uitgeven, zou ook als zoodanig moeten worden aangenomen; en een toestemmend antwoord zou alleen noodig zijn op de een of andere gezindheidsvraag. En voorts wordt van diezelfde zijde hoe langer hoe meer nadruk gelegd op de verkregene kennis: men verlangt van te voren een zeer veel omvattenden cursus van godsdienstwetenschap (natuurlijk met de noodige toegeeflijkheid voor het volk), die dan door de aanneming, als door een soort van eindexamen besloten wordt. Uit den aard der zaak zal men ook op dat standpunt onmogelijk kunnen blijven staan. Op die lijn steeds voortgaande, misschien met nog eenige halten, maakt men van de kerk slechts eene soort van Nutsmaatschappij, tot het houden van godsdienstige lezingen (zoolang men daarin nog smaak heeft), en tot bevordering van godsdienstonderwijs (zoolang men dat nog noodig acht); en daarmede zou dan voor de Nederlandsche Gereformeerde kerken het ontbindingsproces zijn voltooid.

|135|

Maar de periode van ontbinding is ook tevens eene periode van aanvankelijke herleving. De Gereformeerde kerken zijn hier nog niet gestorven, en zij blijven ook volstrekt niet alleenlijk, of ook zelfs hoofdzakelijk, voortleven in de Christelijk Gereformeerde kerk. Door allerlei oorzaken, ook door het optreden van laatstgenoemde kerk, is in het Hervormde kerkgenootschap de oude Gereformeerde geest weer ontwaakt, die eigenlijk nooit verdwenen was, maar alleenlijk ten onder werd gehouden. Met betrekking tot de aanneming is het zelfs opmerkelijk, hoe de Gereformeerde beschouwing, met hetgeen daaruit volgt, nog overal diep geworteld is. Ook al is in de kerkelijke reglementen de aanneming van de Avondmaalsviering geheel afgescheiden, in de praktijk gaat zij er toch nog altijd onmiddellijk aan vooraf. Bijna iedere aangenomene voelt zich nog verplicht aan die viering dan deel te nemen, ook al is hij reeds van plan om er later nooit weer te komen. Onder het volk zijn nog allerlei uitdrukkingen, die bewijzen, dat men de aanneming opvat als eene toelating tot het Avondmaal, en dat men er dezelfde eischen voor stelt. De nog altijd gebruikelijke formuleering van de meeste kerkelijke attestatiën vloeit ook voort uit diezelfde beschouwing. En voorts brengt de algemeene onvoldaanheid met de wijze, waarop thans de zaak der aanneming geregeld is, velen tot de vraag, wat nu eigenlijk te dien aanzien Gereformeerd is, en wat er op dien grondslag kan gedaan worden tot vernieuwde reformatie voor den tegenwoordigen tijd. Dat alles, en nog zooveel meer, geeft bewijs of hoop van herleving. Hoe die zich kan en moet en zal openbaren, is zeker in alle bijzonderheden niet zoo spoedig te bepalen. Maar iets kan er toch wel van gezegd worden; en aan zulke aanstipping van eenige slotsommen zal dan nu nog een laatste artikel zijn gewijd.

 

(Heraut, 27 Jan. 1878.)

De geschiedenis van de zoogenaamde „aanneming tot lidmaat” bij de Nederlandsche Gereformeerde kerken, gelijk wij die, meest uit de bronnen zelven, in eenige hoofdtrekken hebben trachten te schetsen, heeft niet alleen een historisch belang, maar leidt ook vanzelf tot allerlei gevolgtrekkingen, die ons in de praktijk goed te pas komen. Het is die geschiedenis, die ons leeren kan, wat

|136|

te dezer zake Gereformeerd is; en voor Gereformeerde kerken wordt dan daardoor bepaald, volgens welke beginselen en in welke richting zij zich verder te ontwikkelen hebben. Op die praktische slotsommen met een enkel woord nog de aandacht te vestigen, zal misschien geen nutteloos werk zijn. We doen dat, gelijk van zelf spreekt, bepaaldelijk met het oog op den tegenwoordigen tijd en op den tegenwoordigen toestand van het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap. En al zijn wij daarbij ook genoodzaakt van volledigheid af te zien, en voorts meer aan te stippen dan uit te werken, — het voornaamste laat zich toch in korte woorden wel samenvatten, vooral nadat het geschiedkundig overzicht reeds den weg heeft gebaand.

De conclusiën, die we te maken hebben, laten zich gevoeglijk onder vier hoofdpunten rangschikken. Tot beantwoording van de vraag, wat de aanneming in Gereformeerden zin is en zijn moet, letten we achtereenvolgens op deze vier hoofdzaken:
1º. Op de beteekenis, welke aan die handeling moet worden toegekend;
2º. Op de eischen, die daarbij door de kerk gesteld moeten worden;
3º. Op de gevolgen. die kerkrechtelijk daaraan moeten verbonden worden; en
4º. Op de grondslagen, waarop de kerkelijke regeling rusten moet.

Welke in ieder van die vier opzichten de Gereformeerde beginselen zijn, hebben we met een enkel woord te herinneren; terwijl we daaraan dan telkens een en ander toevoegen omtrent hunne toepassing in den tegenwoordigen tijd. Van volledige toepassing kan zeer zeker nog geen sprake zijn; maar wel van het zich bewust worden der historische lijn, van het volgen der richting, die daardoor is aangewezen, en van medewerking tot bereiking van het voorgestelde doel.

1º. De beteekenis, die aan de Aanneming moet worden toegekend. In het algemeen hangt de beteekenis, die men daaraan toekent, geheel af van de beschouwing, die men omtrent den Heiligen Doop, het Heilig Avondmaal en de Christelijke kerk is toegedaan. Volgens de Gereformeerde opvatting van de kerk en van de Sacramenten, is de aanneming niet anders dan de toelating tot het Avondmaal. De erkenning van dat beginsel brengt o.a. mede:

|137|

a. Dat de aanneming niet worde voorgesteld, gelijk vaak geschiedt, als eene bevestiging of aanvulling van den Doop. Deze is op zichzelf reeds een goddelijk Bondszegel, dat miskend of verloochend wordt, als er later sprake is van menschelijke bevestiging of aanvulling. Wel is het gedoopte kind, als het tot jaren van onderscheid komt, tot geloof en belijdenis geroepen, en kan daaruit blijken, of de Doop ook voor hem persoonlijk een zegel geweest is. Maar dat geldt dan van geloof en belijdenis in het algemeen, niet slechts van de handeling eener enkele ure; en voorts kan het hier op aarde en voor menschen toch nog niet beslissend blijken. De beteekenis, de kracht en de waarde van den Doop zijn noch geheel noch ten deele afhankelijk van hetgeen de gedoopte later beleden heeft, maar liggen alleen in hetgeen door God uit kracht des Verbonds is beloofd.

b. Dat de aanneming steeds beschouwd en behandeld wonde als de inleiding tot de Avondmaalsviering, en dus deze laatste de hoofdzaak blijft. Nooit mag de aanneming zóó op den voorgrond komen, dat zij in de schatting der gemeente meer beteekenis en gewicht zou krijgen dan de Avondmaalsviering zelve, en deze slechts een soort van aanhangsel of herhaling der belijdenis zou worden. De Avondmaalsviering is eene kerkelijke handeling op zich zelve, verreweg de hoogste, de heiligste en de gewichtigste van alle godsdienstige verrichtingen in de gemeente; en de aanneming is niet anders dan de kerkelijke vergunning om aan die feestviering deel te nemen.

c. Dat de aanneming nooit het karakter krijge van eene opneming of inlijving in de Christelijke kerk, en alzoo van eene op zichzelf staande handeling, die haar doel in zich zelve zou hebben. Eene ernstige en gewichtige zaak is en blijft zij natuurlijk; maar wanneer zij verheven wordt tot hoofdmoment in het leven, en wordt voorgesteld en behandeld als kerkelijke plechtigheid bij uitnemendheid, dan is dat eigenlijk eene geringschatting van de beide Sacramenten, en leidt er ook vanzelf toe, dat deze door de gemeente hoe langer hoe meer worden geminacht en ter zijde gesteld.

2º. De eischen, die bij de aanneming door de kerk moeten gesteld worden.

a. Dat het onderzoek niet betrekking hebbe op de verkregene

|138|

kennis als zoodanig. Wel wordt die kennis doorgaans nog niet voorgesteld als de hoofdzaak; maar er wordt toch vaak gehandeld, alsof dat zoo was, terwijl dan de geloofsbelijdenis slechts bij wijze van aanhangsel aan het eigenlijke examen wordt toegevoegd. Dat zou zeker niet meer kunnen plaats hebben, als het onderzoek naar de kennis van de aanneming zelve geheel werd afgescheiden, en deze eerst later geschiedde, wanneer daartoe het verlangen werd geopenbaard; ’t geen ook bovendien het voordeel zou hebben, dat daardoor het onderwijs op de catechisatie een einde nam, zonder dat de gewoonte ook verplichtte om alsdan ook belijdenis te doen. Maar, behalve dat een eindexamen zeer moeielijk is af te nemen, wanneer in de verste verte geene eischen van vereischte kennis kunnen gesteld worden, zou van zulk eene inrichting ook het gevolg zijn, dat op de catechisatie nog veel meer de hoofdzaak gesteld werd in kennis, en zij dus hoe langer hoe minder op de geloofsbelijdenis voorbereidde. Ook nog andere bezwaren zijn er tegen zulk eene inrichting in te brengen; en het voordeel kan ook verkregen worden, als predikanten en ouderlingen, vóór en bij de aanneming, niet de kennis maar de geloofsbelijdenis op den voorgrond plaatsen.

b. Dat niet enkel of hoofdzakelijk gevraagd worde naar de gezindheid des harten. Natuurlijk komt het daar ook op aan, en is zonder ernstige levenskeus de geheele belijdenis eene geveinsde vertooning, die de kerk dus beletten moet, wanneer iemands gedrag daartoe aanleiding geeft. Maar behalve dat dit slechts een algemeene eisch is, die door alle ernstige godsdienstige vereenigingen gesteld wordt, is het juist de beschouwing der Gereformeerde kerk, dat de rechte gezindheid des harten en waarachtig Christelijk leven op het nauwst samenhangen met iemands godsdienstige overtuigingen, en dat bij bijzondere personen altijd het leven ook wel degelijk naar de leer moet beoordeeld worden.

c. Dat dus bovenal gevraagd worde naar geloof des harten, te kennen en te beoordeelen, voor zooveel dat menschen mogelijk is, uit de belijdenis van den mond; welke belijdenis, juist omdat de toelating in de Gereformeerde kerk gevraagd wordt, ook met de bijzondere opvatting van die kerk behoort overeen te stemmen. Ten aanzien van de al of niet genoegzame overeenstemming, is

|139|

natuurlijk het oordeel van de vertegenwoordigers der kerk altijd eenigszins subjectief. Maar toch niet in meerdere mate, dan hun oordeel over het al of niet voldoende van den levenswandel ook is. En in beide opzichten staat het subjectieve oordeel toch ook onder de controle der kerk, althans behoort daaraan onderworpen te zijn.

d. Dat men, ook ten aanzien van geloof en belijdenis, niet meer vordere, dan van beginnenden mag verwacht worden; en dus ook de aanneming niet uitstelle, totdat er een ontwikkeld geloof is, dat in allerlei strijd, ook op verstandelijk gebied, is geoefend. Het onderzoek en leeren moet dan nog volstrekt niet ophouden; en zeker heeft de kerk te dien aanzien, juist in onzen tijd, nog heel wat te doen.

3º. De gevolgen, die kerkrechtelijk aan de aanneming moeten verbonden worden. De gevolgen, deels verplichtingen, deels voorrechten, zijn, zooals uit het boven gezegde ook volgt:

a. Onderwerping aan de kerkelijke tucht. De geheele aanneming, als toelating tot het Avondmaal, onderstelt zulke tucht ; zij is er zelve reeds een uitvloeisel van; en haar reden van bestaan zou vervallen, als er later van geene kerkelijke tucht meer sprake was. Eigenlijk is het eene tegenstrijdigheid, om bij iemands eerste Avondmaalsviering bepaalde eischen te stellen, en terstond daarna, bij alle volgende vieringen, die eischen te laten vallen: het spreekt vanzelf, dat men ze dan ook bij de eerste viering op den duur niet kan laten blijven. Natuurlijk behoeft bij kerkelijke tucht niet gedacht te worden aan de treurige overblijfselen, die thans nog dien naam dragen, noch ook aan hetgeen men in den tijd onzer Staatskerk daaronder verstond.

b. Toelating tot het Avondmaal, en alzoo tot de volle kerkelijke gemeenschap, maar geen andere voorrechten bovendien. Stemrecht b,v. behoeft daaraan volstrekt niet verbonden te zijn, en aanspraak op bedeeling evenmin. Daarvoor kunnen en moeten andere eischen gesteld worden. En wanneer de toelating tot het Avondmaal, ook reeds op zichzelve, uiterlijke voordeelen geeft, dan is onvermijdelijk, dat door velen inzonderheid op die uiterlijke voordeelen gezien wordt. Onverschilligen, die anders zich wel niet zouden aanmelden, worden daardoor juist dan gelokt. Vooral met betrekking tot dit punt hebben de meeste buitenlandsche Gereformeerde kerken hare

|140|

beginselen beter ontwikkeld dan de onze. Wat wij ten onrechte lidmaten noemen, in onderscheiding van leden, heet daar gewoonlijk Avondmaalgangers. En men is daar, vooral in de vrije Gereformeerde kerken, ook reeds doorgaans gekomen tot het stelsel van tweeërlei soort van leden of lidmaten, in ruimeren en in engeren zin. Daardoor tracht men dan de bezwaren te vermijden, die altijd verbonden zijn aan het stelsel van eene zich zelf ontbindende kerk der menigte, en aan het stelsel van eene te veel in zich zelf opgesloten kerk der besliste geloovigen; terwijl men het goede van beide stelsels zoekt te behouden en te vereenigen. Op verschillende wijzen is diezelfde grondgedachte uit te voeren; en ook voor onze kerk zou iets dergelijks zeker wel overweging verdienen.

c. Voortdurende waardeering van het Avondmaal. Waar die ontbreekt, en waar het dus bij de eerste toelating blijkbaar om iets anders te doen was, zou de toegang tot de Avondmaalsviering ook weer moeten ontnomen worden. Door de kerkelijke tucht moet dan de vroeger begane vergissing hersteld worden.

4º. De grondslagen, waarop de kerkelijke regeling van de aanneming rusten moet. Deze zijn o.a.:

a. De grootst mogelijke vrijheid, wat de aanneming zelve betreft, en dan niet slechts voor den aannemeling, die op geenerlei wijze mag gedwongen worden, maar ook voor de kerf: of gemeente, in wier gemeenschap hij wenscht opgenomen te worden; dus ook voor deze de vrijheid van weigeren, behoudens waarborgen tegen willekeur, die genoegzaam aanwezig zijn, wanneer de onderscheidene kerken, met de gemeenschappelijke belijdenis tot band van eenheid, eenzelfde kerkverband hebben. Geene enkele gemeente kan de zaak der aanneming met ernst ter harte nemen, als zij gedwongen is, allen, die elders, op welke voorwaarden ook, zijn aangenomen, reeds daarom in haar volle gemeenschap op te nemen. Ook is de maatstaf, waarnaar predikanten en kerkeraden bij de aanneming oordeelen, op verschillende plaatsen zeer verschillend, en het is onbillijk, dan toch aan allen volkomen dezelfde rechten te geven; terwijl de alle gemeenteverband verbrekende vrijheid om zich elders te laten aannemen wel aan die onbillijkheid eenigszins tegemoet komt, maar toch niet geheel, en bovendien andere bezwaren voor de gemeenten in het leven roept.

|141|

b. Volle erkenning van het ambt en gezag der ouderlingen. De aanneming is vooral niet minder hunne zaak, dan zij de zaak is der predikanten. Zij behooren op de hoogte te zijn van het voorbereidend onderwijs, dat mede te regelen en daarop toe te zien; en bij de aanneming zelve komt het hun ook toe, eene beslissende stem te kunnen uitbrengen. Het clericalisme, dat dit de laatste eeuw om velerlei redenen bij ons heeft verhinderd, behoort in de Gereformeerde kerk niet tehuis. En zonder twijfel zou in onze kerk veel afwijking zijn tegengehouden, als de ouderlingen zich hadden kunnen doen gelden, ook al zouden lang niet allen dat hebben willen doen.

c. Autonomie der gemeenten in de uiterlijke regeling van de zaak. Eenvormigheid is onnoodig, geeft op zich zelve slechts een schijn van eenheid, en is bij wezenlijke eenheid zelfs schadelijk, wanneer zij van buiten wordt opgelegd. Het is volkomen voldoende, wanneer maar nergens Gereformeerde beginselen geschonden worden; de beste regeling zal ook gewoonlijk op de meeste plaatsen wel worden nagevolgd; en voorts moet in betrekkelijk onverschillige dingen ook het goede nooit worden opgedrongen.

Vraagt men ten slotte, wat naar aanleiding van het bovengenoemde reeds nu zou kunnen of moeten voorgesteld worden, dan zouden we slechts te antwoorden hebben: nu nog niets. Dat er bij ons geen sprake kan zijn van aanneming der thans nog aanhangige Synodale voorstellen, of van onderwerping, als die soms mochten doorgaan, spreekt vanzelf. Bij de laatste verandering, in 1861, was er ook wel afwijking, maar dan zóó, dat de algemeene Christelijke belijdenis werd op de voorgrond gesteld; deze werd duidelijk uitgesproken, en men was slechts wat ruimer dan vroeger. Maar thans wordt heil gezocht, niet in meerdere ruimte, maar in dubbelzinnigheid, terwijl de afwijking bijna zoo ver mogelijk voortgaat: zijdelings worden algemeene Christelijke waarheden ontkend, en bedektelijk wordt alle geloofsbelijdenis ter zijde geschoven. Bij de aanneming van dat allertreurigste expedient moet en zal de kerkelijke crisis slechts des te eerder tot een einde komen. Intusschen was voor de Synode wel niets anders mogelijk, als zij tot elken prijs ook de moderne richting in de kerk wilde houden. En zoolang nu de Synode aan dat denkbeeld (van tot elken prijs bijeenhouden) zich blijft vastklemmen, zijn alle mogelijke voorstellen, die onzerzijds

|142|

zouden kunnen gedaan worden, volkomen doelloos: zij moeten dan wel afstuiten op onwil, of misvormd worden door dubbelzinnigheid. Bij zoo groote en principiëele verschillen, als er met betrekking tot de aanneming in allerlei opzicht bestaan, is eene regeling, die aan allen voldoen zou, eenvoudig eene onmogelijkheid.

Afzien van alle voorstellen is echter niet hetzelfde als stilzitten en in den toestand berusten. Het niet opereeren in den regeeringskring sluit het bewerken van den volksgeest niet uit, maar vordert integendeel op dat veld des te grooter ijver; waartoe allereerst geroepen zijn zij, die door hunne betrekking in de kerk leiders van den volksgeest te noemen zijn. Indien deze weten, wat zij willen, en waarom zij dit willen; indien zij dan ook doen wat zij kunnen om hunne beschouwingen en hunne beginselen te verspreiden en te laten werken; en indien zij dienovereenkomstig ook zelven handelen, waar daartoe gelegenheid is; dan wordt ook een betere toestand allengs voorbereid. Voor onze kerkelijke quæstiën geldt voorzeker: het is nu tijd, dat de Heer werke. Maar dat wil niet zeggen, dat wij zelven het werken nu wel kunnen of mogen of moeten nalaten. Het sluit juist integendeel in zich, dat er meer dan ooit door ons gewerkt worde, niet om daardoor de uitkomst ook maar eenigszins zelven tot stand te brengen, maar in gehoorzaamheid aan de roeping des Heeren en in de kracht van Hem, die niet alleen in, maar ook door de gemeente zijn werk volbrengt.

Rutgers, F.L. (1922) 117

117. Kan een vrouw, die na gedwongen huwelijk om finantiëele redenen nog bij haar ouders inwoont, tot het doen van belijdenis worden toegelaten, na schuldbelijdenis?

 

(1915.)

196. De quæstie is dus, of kan en moet voldaan worden aan het verzoek der bedoelde moeder, om op belijdenis des geloofs tot het Heilig Avondmaal te worden toegelaten, zoolang zij nog bij haar ouders thuis is, evenals haar man bij zijn ouders, — dan wel, of haar de eisch of voorwaarde moet gesteld worden om eerst met haren man samen te wonen in een eigen gezin.

Zulk een voorwaarde zou natuurlijk te stellen zijn, wanneer die

|143|

man een eigen woning had, waarin hij zijn gezin kon huisvesten en onderhouden, en wanneer zijne vrouw alsdan willekeurig weigerde om alsdan, op zijn verlangen, met hem te komen samenwonen; zulke weigering zou dan zeker zondig zijn; en wanneer zij ondanks alle vermaning werd volgehouden, zou die vrouw dan, zoolang zij in die zonde bleef, niet tot het Avondmaal kunnen worden toegelaten, evenals zij, reeds eerder toegelaten zijnde, door censuur daarvan zou zijn af te houden.

Maar volgens uwe mededeelingen staat de zaak in het gegeven geval geheel anders. Er is geen sprake van een verwijdering, waarbij de vrouw haren man verstoot en niet van hem weten wil; en evenmin is er sprake van, dat de man een eigen woning heeft en verlangen zou, dat zijn vrouw daarin tot hem komt. Man en vrouw zijn hier tijdelijk afzonderlijk wonende bij hun ouders, omdat huns inziens de middelen ontbreken om een eigen gezin te onderhouden, en omdat door de hulp der ouders wel twee, maar geen drie gezinnen te onderhouden zijn. Nu zou het nog kunnen zijn, dat hier zonde is bij den man, als die zich niet genoeg inspant voor zijn taak als huisvader. Maar de vrouw kan hier de positie toch niet dwingen. En voorts is het voor buitenstaanders altijd heel mogelijk, of zelfs onmogelijk, om voor een gezin te bepalen, wat er in finantiëel opzicht kan of niet kan gedaan worden. Doorgaans moet dat worden overgelaten aan de conscientie der daarbij betrokken personen; natuurlijk nadat door leiding en vermaning op die conscientie zooveel mogelijk gewerkt is.

Maar waar is dan hier de zonde, die zou noodig maken, dat deze vrouw van het H. Avondmaal geweerd wordt?

Het niet-samenwonen van man en vrouw is toch op zichzelf, en als tijdelijke maatregel, geen zonde, wanneer gegronde redenen moeten dringen, en wanneer de grond van die redenen eigenlijk alleen door de personen zelve goed te beoordeelen is. Voor menig gezin is er zulk een grond, b.v. in den werkkring van den man, die hem dwingt soms jaren lang elders te wonen dan bij zijn vrouw, of in den gezondheidstoestand van een van beiden, die soms dwingt zeer lang ver van elkander te wonen, of in allerlei andere omstandigheden, waarbij zeker ook finantiëele redenen kunnen medetellen.

Indien in het hier bedoelde geval geoordeeld wordt, dat de

|144|

bedoelde vrouw van het Avondmaal moet geweerd worden, dan kan daarvoor als grond niet volstaan, dat zij met haren man niet samenwoont, maar moeten er redenen worden aangevoerd, waarom in dit geval het niet-samen-wonen zonde is, en wel speciaal een zonde der vrouw. Hiervan zie ik in uw schrijven echter niets. En meer mogelijke bezwaren kan ik natuurlijk niet gissen.

Ziehier in het kort mijn gevoelen, voor zoover ik de zaak beoordeelen kan, zonder met de personen en omstandigheden zelfstandig bekend te zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 118

118. Moet een ongehuwde moeder schuldbelijdenis doen vóór zij tot het doen van belijdenis kan worden toegelaten?

 

(1889.)

197. Over de te volgen handelwijze met de door U bedoelde vrouw kan ik niet genoegzaam adviseeren, daar ik met persoon en omstandigheden niet genoeg bekend ben. Omtrent zoodanig geval kan men door schriftelijke inlichting, ook al ware die nog veel uitvoeriger dan de uwe is, niet genoegzaam oordeelen; en ook komen daarbij onderscheiden omstandigheden van lokalen aard in aanmerking. Te oordeelen naar hetgeen ik er nu van weet, zou ik zeggen, dat misschien het beste is, dat de Kerkeraad bepale, haar alleen (niet met anderen samen) de openbare geloofsbelijdenis in de gemeente te doen afleggen, en dan bij die gelegenheid, wegens de gegeven openbare ergernis, tusschen de 2e en 3e vraag eene vraag in te lasschen (in aansluiting aan die vragen), door wier beantwoording zij schuld belijdt en berouw uitspreekt bv. de vraag van het Formulier van wederopneming (natuurlijk slechts gedeeltelijk en mutatis mutandis, omdat hier geen excommunicatie plaats had). Kan men haar tot een huwelijk brengen, des te beter. Indien er meer dan een man bij betrokken is (ongehuwd zijnde), dan zal denkelijk de laatste hier ’t eerst aangewezen zijn. Maar bij al zulke bemoeiingen is groote voorzichtigheid noodig; want in onze wetgeving is „het onderzoek naar het vaderschap verboden”, en dus zou men bij onvoorzichtigheid licht kans loopen van veroordeeling door den strafrechter.

Rutgers, F.L. (1922) 119

|145|

119. Kan een meisje, dat zich met een ongeloovigen man in het huwelijk wil begeven, tot het doen van belijdenis toegelaten worden?

 

(1915.)

198. Het is altijd moeilijk, een toepassing van kerkelijk opzicht en tucht te beoordeelen, wanneer men met de daarbij betrokken personen en omstandigheden niet genoegzaam bekend is; en zulke bekendheid kan ook niet door schriftelijke mededeelingen verkregen worden; ook niet ten aanzien van het geval, dat zich nu in Uwe gemeente voordoet. Ik kan U mijn gevoelen dus slechts zeggen, voor zooveel ik de zaak naar Uw schrijven kan beoordeelen.

Daarop afgaande, acht ik het besluit van Uwen kerkenraad, om de daarbij bedoelde catechisante thans niet tot het H. Avondmaal toe te laten, zeker wel gemotiveerd; want, wanneer zij terzelfder tijd een huwelijk aangaat met een ongeloovigen man, moet dit feit wel doen twijfelen aan den ernst van hare levenskeuze om den Heere te dienen.

Dit wil nu echter niet zeggen, dat zij nu moet geacht worden, zich beslist van den Heere te hebben afgewend; zoodat zelfs zou te oordeelen zijn, dat zij, wanneer haar huwelijk doorgaat, ook daarna niet tot het H. Avondmaal zou zijn toe te laten, ook al was hare belijdenis en wandel voor het overige onergerlijk, gelijk dit ook thans het geval schijnt te zijn. Misschien hebben de kerkeraadsleden, die tegen het kerkeraadsbesluit bezwaar hadden, daaraan eenigszins zulk eene beteekenis toegekend; in welk geval hun bezwaar m.i. gegrond zou zijn. Maar die opvatting zou dan toch zeker niet juist zijn. Uw kerkeraadsbesluit heeft m.i. deze beteekenis, dat de bedoelde zuster thans niet tot het H. Avondmaal kan worden toegelaten, maar sluit volstrekt niet uit, dat dit later wèl kan geschieden, wanneer na een voldoenden proeftijd gebleken is, dat zij, ondanks de bezwaren van dat huwelijk, aan hare belijdenis trouw blijft, in haar persoonlijk en huiselijk en kerkelijk leven, desnoods zelfs tegen de begeerte van haar man. Een gemakkelijk leven zou dit misschien niet voor haar zijn; maar toch kan men van tevoren niet zeggen, dat het onmogelijk is; en dan is het

|146|

zeker de roeping van den kerkeraad der Geref. kerk van hare woonplaats om haar daarbij te raden en te steunen, en om dan, ten aanzien van toelating tot het H. Avondmaal, naar bevind van zaken te handelen.

Rutgers, F.L. (1922) 120

120. Kan iemand, die echtscheiding aanvroeg wegens verlating, tot het doen van belijdenis worden toegelaten?

 

(1914.)

199. Voor zooveel ik het geval, waarover ge mij schrijft, uit uwe mededeelingen kan beoordeelen, zie ik geen reden, waarom de door u bedoelde vrouw niet zou worden toegelaten tot belijdenis des geloofs en tot het H. Avondmaal. Zulk een reden ligt er zeker niet in het feit, dat zij, nu reeds een aantal jaren geleden, wegens de door u genoemde omstandigheden van haar man gescheiden is. Zelfs al was dit geschied wegens hare zonden, dan zou daaruit toch niet kunnen volgen, dat zij hier op aarde nooit meer tot de kerkelijke gemeenschap was toe te laten, en dus tot haren dood toe in den toestand van een geëxcommuniceerde zou moeten blijven.

Rutgers, F.L. (1922) 121

121. Mag iemand, gehuwd met een gescheiden man, zonder schuldbelijdenis tot het doen van belijdenis worden toegelaten?

 

(1907.)

200. Ge vraagt mij, hoe uw kerkeraad m.i. te handelen heeft met betrekking tot eene vrouw, lid uwer kerk door haren doop, die op belijdenis des geloofs tot het Heilig Avondmaal wenscht te worden toegelaten, maar tegen welke het bezwaar is, dat zij nu 7 jaren geleden gehuwd is met een man, die reeds vroeger gehuwd was en daarna van zijne vrouw wettelijk gescheiden was; welke echtscheiding had kunnen geschieden, doordat de man zich van echtbreuk had laten beschuldigen, zonder dit tegen te spreken, ofschoon het onwaar was; en dus door een voorwendsel, dat geen grond van echtscheiding mocht zijn.

Te dien aanzien is nu uwe vraag: „Mag en moet de kerkeraad

|147|

zich bij de beslissing der Overheid neerleggen, de echtscheiding en dus ook dit huwelijk als een eenmaal tot stand gekomen zaak aanvaarden, en deze zuster, na schuldbelijdenis voor den kerkeraad over haar overgaan tot dit huwelijk, tot het Heilig Avondmaal toelaten? Of wel, moet de kerkeraad de echtscheiding, wijl de echtbreuk slechts voorgewend was, niet als geoorloofd erkennen, het daarop gevolgde huwelijk veroordeelen, en dus als zonde aanmerken, en de bedoelde zuster niet aan het Heilig Avondmaal toelaten zoolang die zonde voortduurt?”

Ik onderstel, dat hetgeen bij deze vragen als zeker gesteld wordt, nl. dat de echtbreuk slechts voorgewend was, inderdaad ook volkomen zeker is, niet slechts door de verzekering van den man zelven, maar ook door de erkentenis van de gescheiden vrouw, wier procureur het voor de rechtbank stelde, of in ieder geval door voldoende bewijs.

In dit geval moet zonder twijfel het eerste gedeelte van uwe tweede vraag bevestigend beantwoord worden. Die echtscheiding was dan zeker niet geoorloofd, en het daarop gevolgde huwelijk was dan zeker te veroordeelen en als zonde aan te merken.

Maar daaruit volgt nog niet, dat dus die echtscheiding als niet geschied zou moeten beschouwd worden, en dat het daarop gevolgde huwelijk als hoererij zou moeten beschouwd en behandeld worden.

Er zijn zonder twijfel gevallen denkbaar, en in de geschiedenis ook wel voorgekomen, waarin de kerk zich niet mag nederleggen bij wetten of uitspraken van de overheid, in zake het huwelijk. B.v. als veelwijverij of notoire bloedschande wettelijk werd toegelaten, of als het huwelijk wettelijk werd gemaakt tot een contract, dat niet levenslang maar voor een bepaald getal jaren zou binden, enz. In zulke gevallen zouden de kerken gezamenlijk en formeel bij de Overheid daartegen moeten opkomen, en althans zelve er zich niet bij mogen nederleggen, ook al kwam er daardoor dan een ernstig conflict.

Maar voor zoodanig geval staat ge m.i. hier niet. Eerder voor een geval, waarop van toepassing is, wat Voetius in zijne Politica Ecclesiastica zegt met betrekking tot een aantal dergelijke huwelijksquæsties, voor welke geldt, dat er veel geschiedt wat naar Gods

|148|

Woord niet had mogen geschieden, maar wat, als het eenmaal geschied is, toch blijft gelden (de geheele redeneering staat Tom. II p. 88-91), en wat ook niet meer ongedaan zou kunnen gemaakt worden zonder dat er een veel erger kwaad uit voortvloeide.

Immers, op dat standpunt zou de kerkeraad aan de vrouw in quæstie den eisch moeten stellen, haren man (met wien zij nu 7 jaren wettelijk gehuwd is en sedert samenleefde) en haar kind te verlaten, dit laatste een onecht kind te verklaren, — en, voor zooveel het aan haar lag, haren man te bewegen, weer te gaan samenwonen en samenleven met zijn gescheiden vroegere vrouw, ook al was deze misschien ook weder wettelijk gehuwd, welk huwelijk deze vrouw dan ook weer als hoererij zou hebben te beschouwen en dus te verbreken, met verklaring van de daaruit geboren kinderen voor onecht.

Alle deze consequenties zijn beslist onvermijdelijk, wanneer men zich op het standpunt stelt, dat de vrouw in quæstie niet tot het Heilig Avondmaal mag worden toegelaten, „zoolang die zonde (nl. van het gesloten huwelijk) voortduurt.” En nu kan ik mij niet denken, dat een kerkeraad zulk een uiteenrukken van gezinnen en zulk een scheiding en samenvoeging van mannen en vrouwen, zou willen in de hand werken, de daarbij betrokkenen ertoe zou willen aanmanen, en hun dit alles zou willen voorstellen als eisch van Gods Woord.

Er zijn wel sectarische kringen geweest, ook in onze kerken en in de 19e eeuw, die aldus redeneerden, en die zulke beschouwingen dan ook toepasten op alle huwelijken, die naar Gods Woord ongeoorloofd zijn, b.v. van een geloovige met een ongeloovige of onbekeerde; waaruit dan van zelf volgde, dat zij zulke, zoogenaamde „vleeschelijke” huwelijken eenvoudig als niet bestaande verwierpen, en overgingen tot een ander, zoogenaamd „geestelijk” huwelijk, d.i. tot formeele echtbreuk en hoererij, onder allerlei schijnbaar „vrome” termen. Maar een Gereformeerde vindt dat natuurlijk verfoeilijk; en zegt dan ook niet, dat ieder huwelijk, ’t welk naar Gods Woord ongeoorloofd en dus zonde is, als niet bindend mag of zelfs moet beschouwd worden.

Ik geloof dus, dat in het bedoelde geval uwe eerste vraag bevestigend te beantwoorden is, zoodat „deze zuster, na schuldbelijdenis

|149|

voor den kerkeraad over haar overgaan tot dit huwelijk” tot het Heilig Avondmaal is toe te laten. Natuurlijk mits de oprechtheid van die schuldbelijdenis niet behoeft betwijfeld te worden, en er overigens geen bezwaar is in haar belijdenis en wandel; ook ten aanzien van haar huiselijk leven.

Rutgers, F.L. (1922) 122

122. Mag iemand met uiterst geringe verstandelijke ontwikkeling tot het doen van belijdenis en het Heilig Avondmaal toegelaten worden?

 

(1910.)

201. Ge vraagt mij, of de kerkeraad iemand tot het Avondmaal mag toelaten, die lid der gemeente is en begeert het Avondmaal te mogen vieren, maar „die eenigszins idioot is”, terwijl overigens van hem moet getuigd worden, dat hij „een zeer getrouw kerkganger is, en ook met zegen opgaat, terwijl hij bij het huisbezoek een oprecht kinderlijke goede belijdenis aflegt”.

Ik kan daarop slechts antwoorden, dat ik niet goed begrijp, welk bezwaar de kerkeraad tegen die toelating hebben kan. Met den persoon, dien het geldt, ben ik natuurlijk geheel onbekend; maar uit uwe mededeelingen blijkt duidelijk, dat hij niet in zulke mate idioot is, dat hij door onzinnige woorden of daden de godsdienstoefening storen zou; en er blijkt ook uit, dat hij van de hoofdzaken, waar het bij de Avondmaalsviering op aan komt (zonde, verlossing en dankbaarheid; en zelfs beproeving) toch wel eenig begrip heeft. En als dat zoo is, dan zou ik veeleer zeggen, dat de kerkeraad hem niet mag afwijzen. Terecht is in onze kerken altijd gesteld, dat een lid der gemeente inderdaad een kind Gods zijn kan, al is zijne verstandelijke ontwikkeling ook uiterst gering; zoodat als regel gesteld werd om, waar die ontwikkeling te gering was om ook slechts iets van buiten te leeren of om op gestelde vragen een eigen antwoord te geven, het onderzoek voor de toelating tot het Avondmaal te doen bestaan in het voorstellen van de noodige vragen omtrent te hoofdzaken, waarop de catechumeen dan eenvoudig met „ja” of „neen” had te antwoorden.

Meer kan ik natuurlijk met betrekking tot het bij u voorkomende geval niet zeggen, daar ik persoon en omstandigheden niet ken.

Rutgers, F.L. (1922) 123

|150|

123. Mag een kerkeraad weigeren iemand tot het doen van belijdenis en tot het H. Avondmaal toe te laten, indien deze wel altijd ’s Zondags te dier plaatse is, maar werkkring en domicilie elders heeft; of ook indien deze, werkkring en domicilie te dier plaatse hebbende, vooralsnog, tijdelijk zijn Zondagen elders doorbrengt?

 

(1908.)

202. Naar hetgeen ge mij mededeelt over een jongmensch, die zich bij uwen kerkeraad heeft aangemeld om op belijdenis des geloofs tot het H. Avondmaal en de volle gemeenschap der kerk te worden toegelaten, kan ik niet anders oordeelen, dan dat hij bij uwen kerkeraad aan het rechte adres was, en dat de kerkeraad van X (waar zijn ouders wonen en waar hij gedoopt is) zich vergist, door te meenen, dat hij aldaar tot het H. Avondmaal moet worden toegelaten.

Indien hij zich aldaar had aangemeld, zou de kerkeraad hem wel hebben kunnen toelaten, op grond dat zijne ouders er wonen; maar dan toch alleenlijk in overleg met uwen kerkeraad en met gunstig advies van dezen, aangezien hij reeds geruimen tijd te Y woont, en aldaar zijn werkkring heeft, en vooral aangezien hij aldaar den laatsten tijd ter catechisatie ging, en dus ten aanzien van kennis der waarheid, godsdienstige belangstelling, levenswandel enz., in Y het best bekend is.

Maar juist om die redenen is voor hem dan ook het meest aangewezen, in Y onderzocht te worden ten aanzien van belijdenis en wandel. Ook behoort hij, door zijn wonen en een vasten werkkring hebben, tot de kerk van Y, ’t geen niet wordt teniet gedaan door het feit, dat hij vooralsnog, tijdelijk, zijn Zondagen in Z of in X doorbrengt. Indien hij reeds vroeger tot het Avondmaal was toegelaten (voor zijn komst in Y), dan zou hij aldaar zijn attestatie reeds hebben moeten indienen; maar, evenzoo, moet hij dan ook aldaar tot de gemeenschap der kerk zich voegen.

Mij dunkt, bij nader inzien zal de kerkeraad van X ook wel tot die conclusie moeten komen.

|151|

(1909.)

203. Voor zooveel ik het geval, waarover ge mij schrijft, uit uwe mededeelingen kan beoordeelen, zou ik zeggen, dat het daarbij betrokken jonge mensch liefst in X, en niet in Y, door Openbare Belijdenis tot het H. Avondmaal is toe te laten, en dan op het boek te X als belijdend lid van die kerk, is in te schrijven.

Indien dit in Y geschied was, (waar hij burgerlijk domicilie heeft, zijn werkkring heeft en dus ook catechiseerde natuurlijk), zou men zulks zeker niet hebben mogen beschouwen als een kerkelijke fout, die zou zijn af te keuren en nog te herstellen door overschrijving naar X. Maar daar dit jonge mensch ’s Zondags altijd te X is, waar hij in zekere zin bij zijn ouders ook nog „thuis” is, en waar hij kerkelijk medeleeft, zou het op zijn minst zonderling zijn, als hij lid werd van eene andere kerk, waar de opzieners van zijn kerk leven nooit iets kunnen merken, en als hij dus formeel en nominaal, toetrad tot de volle gemeenschap der kerk, met de zekerheid dat hij wezenlijk en werkelijk tot de volle gemeenschap eener andere kerk zou behooren.

Zulke jonge menschen hebben nu eenmaal, om het zoo eens uit te drukken, een dubbele domicilie, nog bij hun ouders thuis (waarheen zij elken Zondag terugkeeren), en in de plaats, waar zij op werkdagen hun brood verdienen. Maar natuurlijk kunnen zij toch niet tot twee kerken behooren, nog twee burgerlijke domicilies hebben. En dan beslist op burgerlijk terrein de omstandigheid, waar zij met hun werk of bedrijf gevestigd zijn. Maar daaraan is de kerk niet gebonden. En op kerkelijk terrein moet dan m.i. overwegend zijn, waar zij in de volle kerkelijke gemeenschap meeleven.

In den regel wordt aan zulke jonge menschen, wanneer zij, reeds voor de aanvaarding van een werkkring elders, tot het H. Avondmaal waren toegelaten, daarom niet gezegd dat zij attestatie naar elders moeten aanvragen; als zij ’s Zondags altijd in het ouderlijk huis zijn, worden zij beschouwd, in kerkelijke zin, nog niet verhuisd te zijn. En geheel eveneens wordt er dan ook meestal gehandeld, wanneer zij pas na de aanvaarding van een werkkring elders, tot het Avondmaal worden toegelaten.

Natuurlijk moet de kerkeraad, die hen toelaat, dan vooraf gunstig

|152|

getuigenis hebben omtrent hun, op de catechisatie elders verkregen kennis, omtrent hun belijdenis en omtrent hun wandel; aangezien over dat alles het best kan geoordeeld worden door den kerkeraad ter plaatse, waar zij op de werkdagen leefden en waar zij catechiseerden.

Maar zulke getuigenis is dan volstrekt niet wat men noemt een „attestatie”, een stuk, dat men medegeeft aan leden, die naar elders vertrekken, en waarin de hoofdzaak is, dat het daarin genoemde lid tot het H. Avondmaal toegelaten is en bleef. In het door u bedoelde „attest” uit Y stond juist, dat dit nog niet geschied was; ’t geen ook zeer natuurlijk was, daar anders geen sprake zijn kon van „openbare belijdenis in X.” In dit opzicht schijnt er mij wel een misverstand bij uw kerkeraad te zijn. Er is hier slechts sprake van een „attest”, waaraan de kerkeraad van X, uit kracht van het kerkverband, genoegzaam vertrouwen kan schenken; zoodat hij het bedoelde jonge mensch niet nog eenmaal over alle stukken der leer speciaal heeft te onderzoeken, maar op crediet van den Y-schen kerkeraad tot de openbare belijdenis kan toelaten en dan kan inschrijven als belijdend lid, tot het Avondmaal toegelaten.

Tenslotte nog een hoofdreden, die m.i. nog al weegt. Het gaat toch niet aan, dat een jongmensch, die toelating vraagt tot het H. Avondmaal, en tegen wien geenerlei bezwaren zijn, van het Avondmaal geweerd wordt door een Geref. kerkeraad, — waarom? Enkel en alleen omdat kerkeraden het er niet over eens kunnen worden, wie hem moet toelaten. Als ik lid was van den X-schen kerkeraad, dan zou ik, ook al meende ik, dat Y er eerder toe geroepen was, toch niet voor afwijzing durven stemmen.

Rutgers, F.L. (1922) 124

124. Hoeveel tijd moet er verloopen tusschen de publieke afkondiging en het doen van openbare belijdenis?

 

(1888.)

204. Wat Mej. A betreft, in uw geval zou ik haar in X nog maar onderzoeken. Als haar naam b.v. a.s. Zondag wordt afgekondigd, kan zij in diezelfde week nog privatim onderzocht worden, en dan Zondag d.a.v. openbare belijdenis doen door beantwoording der 3 vragen. Des noods ook nog vroeger in een afzonderlijke

|153|

godsdienstoefening. Er is volstrekt geen reden, om na de afkondiging „een paar weken” te doen verloopen. Dit geschiedde vroeger, en geschiedt ook nu nog bijna nergens. Hier in Amsterdam is de afkondiging des Zondags, en dan 3 dagen later (’s Woensdags) de openbare belijdenis, tijd genoeg dus om eventueele bezwaren in te dienen. Natuurlijk kan het ook zoo, dat Zondags de naam afgekondigd wordt, met bijvoeging dat, indien er geen bezwaren komen, in die week in eene openbare kerkeraadsvergadering de onderzoeking en openbare belijdenis volgen zal. Maar ik zou niet eerst onderzoeken, en dan, nog staande de samenkomst, naar bezwaren vragen. Want dan zou toch onmogelijk zijn, eventueele bezwaren staandevoets genoegzaam te onderzoeken, en werd dus de vraag eene ijdele formaliteit. Mogelijk is natuurlijk ook: onderzoek in X, en afkondiging; en daarna bericht van den kerkeraad van X, b.v. naar Y, dat afgekondigd is zonder bezwaren, en ook onderzocht, maar nog geen openbare belijdenis gedaan, ’t geen dan in Y zou kunnen volgen, of wel, ter plaatse waar de Gereformeerden van Z plegen te kerken.

 

(1889.)

205. De namen dergenen, die openbare belijdenis wenschen te doen, worden ééne, twee of drie weken (naar dat de kerkeraad besluit) van te voren afgelezen, ’t zij zonder eenige bijvoeging (daar ieder toch weet waarvoor de aflezing dient), ’t zij met de bijvoeging, dat die personen tot de openbare geloofsbelijdenis zullen worden toegelaten, „tenzij tegen iemand hunner gegronde bezwaren worden ingebracht”, of iets dergelijks.

 

(1891.)

206. Inzake het onderzoek van hen die tot het H. Avondmaal wenschen te worden toegelaten, geldt zeker: variis modis bene fit. Zelfs zou niet goed zijn, op alle plaatsen dezelfde manier van praeliminair onderzoek te volgen. Bij Voetius (Ed. Bibl. Ref.) vindt

|154|

ge uitvoerig, hoe ’t vroeger in Utrecht ging. Maar Voetius zelf voegt er reeds bij, dat men in zeer kleine gemeenten van zelf reeds weet, of er tegen iemand moreele bezwaren zijn. Herhaalde aflezing van namen is ook zelfs in groote gemeenten niet noodig, en is dan ook vroeger nooit geschied, evenmin als ’t nu (voor zoover ik weet) ergens geschiedt. — Het eenvoudigst is zeker, dat de predikant of de ouderling, bij wien iemand zich tot onderzoeking heeft aangemeld (of die iemand daartoe heeft voor te dragen), den naam in den kerkeraad brengt; dat, zoo de kerkeraad alsdan geene bezwaren heeft, de onderzoeking plaats vindt; en dat, zoo deze geene bezwaren oplevert, de naam éénmaal aan de gemeente wordt voorgesteld; waarna dan de openbare belijdenis volgt. Indien dit laatste aan de onderzoeking voorafgaat, wordt daardoor ook publiek, indien iemand b.v. om onkunde nog niet kan worden toegelaten; ’t geen altijd pijnlijk is. En het omgekeerde (dat iemand, bij de onderzoeking toegelaten, later blijkt ongunstig bekend te staan), zal, althans in eene kleine gemeente, wel zoo licht niet voorkomen. — Intusschen, tegen voorafgaande aflezing voor de gemeente is het bezwaar ook niet overwegend groot. Eene voorafgaande uitnoodiging van den kansel, dat zij die wenschen te worden toegelaten, zich aan den kerkeraad bekendmaken, acht ik geheel onnoodig, daar toch ieder, die zulke begeerte heeft, altijd en overal wel weet, dat hij zich dan tot een predikant of ouderling te wenden heeft. Zulke uitnoodiging geeft zelfs den schijn, alsof de kerkeraad slechts eene enkele maal, of een paar malen in het jaar, den toegang tot het H. Avondmaal ontsluit; terwijl die natuurlijk toch het geheele jaar openstaat; vóór elke Avondmaalsviering, en ook tusschentijds indien daarvoor genoegzame reden is. Ook zijn er schroomvalligen, die eerder moeten worden opgezocht en aangespoord, dan wel enkel uitgenoodigd om zich zelven te komen aanmelden.

Indien catechisanten van u (of kinderen uit X), pas verhuisd, nu nog in X belijdenis wenschen te doen, is dat verlangen niet onnatuurlijk noch ongeoorloofd te achten; ook omdat zij in hunne nieuwe woonplaats nog geen onderwijs konden ontvangen. Alleenlijk, zij moeten dan ook nog gelegenheid hebben, tot einde Juni uwe catechisatie bij te wonen; en anders liever zich moeten houden

|155|

aan het onderwijs in hunne woonplaats; want het zou niet goed zijn, als zij de laatste zes weken vóór hunne belijdenis gansch geen leering, opwekking, enz. meer hadden. Ook moet natuurlijk de kerkeraad hunner woonplaats (respective, de kerkeraad aan wien de leden hunner woonplaats door de Classe zijn toevertrouwd) hun daartoe verlof geven, met gunstig getuigenis, voor zooveel dien kerkeraad bekend is. Zoo gebeurt het hier ook bij elke Avondmaalsviering met leden, die pas van of naar elders vertrokken.

Rutgers, F.L. (1922) 125

125. Mag bij het doen van belijdenis de belofte gevraagd worden, dat men geregeld het H. Avondmaal zal gebruiken?

 

(1908.)

207. Wat nu uw vraag betreft, ik zie er geen enkel bezwaar tegen, dat men catechumenen bij het afleggen hunner geloofsbelijdenis laat beloven, „in de gemeenschap der Christelijke kerk, niet alleen in het gehoor des Goddelijken Woords, maar ook in het gebruik des Heiligen Avondmaats te zullen volharden.”

Bij den doop van volwassenen moet dit zelfs gevraagd worden, naar het kerkelijk formulier, dat reeds 3 eeuwen lang in alle onze kerken geldt. En bij de aflegging van geloofsbelijdenis ligt het ook opgesloten in de vraag „of zij voorgenomen hebben bij de voorzeide leering te blijven”; welke „leering” immers o.a. inhoudt, dat het Christelijke roeping is het H. Avondmaal niet te verwaarloozen, maar te gehoorzamen aan Christus’ woord: Doet dat tot Mijne gedachtenis. Dat het bij het afleggen van geloofsbelijdenis in de daarvoor vaak gebruikte vragen niet afzonderlijk genoemd werd (evenmin als de bijwoning van de bediening des Woords, enz.) ligt eenvoudig aan de korte formuleering der vraag; en veel meer nog aan de omstandigheid, dat het juist hier van zelf sprak; ’t geen ook hierin uitkwam, dat men doorgaans niet sprak van „het afleggen of afnemen van geloofsbelijdenis”, maar van de „toelating tot het Heilig Avondmaal”; eene veel juister uitdrukking, daar het afleggen of afnemen van geloofsbelijdenis aan catechumenen in ’t geheel geen zin of doel heeft, afgescheiden van de Avondmaalsviering 

|156|

Zonder twijfel kunnen er dan „hypocrieten” komen. Maar wie geen voornemen heeft het Heilig Avondmaal te vieren, en dan toch geloofsbelijdenis wil afleggen, d.w.z. toegang tot het Heilig Avondmaal vragen, is juist daardoor reeds onoprecht. En de kerk mag dat voor dezulken niet verschoonbaar maken door iets (of eigenlijk veel) te laten vallen van ’t geen de Koning zelf voor Zijne kerk verordineerd heeft. Ziehier in ’t kort mijn gevoelen.

Rutgers, F.L. (1922) 126

126. Mag men leden van andere kerkelijke gezindten in dezelfde plaats als gasten aan ’t H. Avondmaal toelaten?

 

(1909.)

208. Mij dunkt, dat een „Hervormde” door een Geref. kerkeraad ter plaatse zijner woning niet tot het H. Avondmaal kan of mag worden toegelaten, wanneer hij bezwaar maakt (om welke reden dan ook) om zich onder het opzicht en de tucht van dien kerkeraad te stellen, ’t geen natuurlijk alleen geschieden kan door zich als lid bij de Gereformeerde kerk aan te sluiten. Als men anders handelt, wordt de toelating tot het Avondmaal aan willekeur en wanorde prijs gegeven, en wordt een gedragslijn gevolgd, bij welke het eenige middel om het Avondmaal heilig te houden aan den kerkeraad ontvalt.
Ik begrijp wel, dat er allerlei motieven kunnen zijn, die een „Hervormde” of „Luthersche” of „Doopsgezinde” of „Roomsche” dringen, om, al is er in de plaats zijner woning eene geïnstitueerde Geref. kerk en al gevoelt hij, dat hij daarbij thuis hoort, toch nominaal en formeel bij de kerk, met welke hij geestelijk reeds gebroken heeft, te blijven; familie-omstandigheden, vrees voor stoffelijken achteruitgang, enz. En dit zijn dan zeker „verzachtende omstandigheden” voor zijn kerkelijke ontrouw aan den Koning der kerk. Maar zij kunnen toch niet maken, dat hij daarbij vrij uitgaat. Een kerkeraad mag m.i. ook niet medewerken om hem dat te doen denken, ’t geen natuurlijk geschieden zou, als men iemand, die in zoo scheeve positie is, ging behandelen alsof die eigenlijk toch niet abnormaal was.
Voor het overige kan ik niet beoordeelen, of het motief, dat de bedoelde Br. tot zijne verontschuldiging aanvoert, inderdaad

|157|

bestaat; d.w.z. of hij zijne ondersteuning door de Herv. Diakonie toch niet verliezen zal, als men merkt, dat hij zich geheel bij de Geref. kerk wil aansluiten, en of de Diakonie der Geref. kerk buiten staat is hem, zoo noodig, gelijke ondersteuning te geven, of op andere wijze te helpen.

Rutgers, F.L. (1922) 127

127. Mogen Gereformeerden uit een plaats, waar nog geen Gereformeerde kerk is, in een naburige kerk aan het H. Avondmaal komen?

 

(1888.)

209. Soortgelijke quaestie, als zich nu in X voordoet, is reeds sedert voorleden jaar hier in Amsterdam voorgekomen. Hier nu zijn enkele BB. en ZZ. uit de omliggende, kerkelijk zwakke, gemeenten, op hunne aanvrage, en na behoorlijk getuigenis omtrent hen, tijdelijk toegelaten aan de Sacramenten deel te nemen. Maar tevens is hun met ernst op de conscientie gebonden, dat zij nu te meer geroepen en verplicht waren, hunne eigene kerken niet „in de zonde te laten liggen”, daar zij zelven daaraan mede deel hadden. Zoo is men dan terstond begonnen, met aldaar geregeld des Zondagsmorgens samenkomsten in te richten, waarin dan Evangelisten, catechiseermeesters, oefenaars, ouderlingen van hier, enz., nu en dan ook predikanten, in bijbellezingen voorgaan. En zoo de BB. geregeld verzamelende komt men allengs verder. In drie van die omliggende kerken is het hier nu reeds tot reformatie van kerkelijke inrichting gekomen. En ook Y en Z zullen mettertijd D.V. wel volgen. Laat zoo, zou ik zeggen, in U c.a., V c.a. en W c.a., als men daar onder leiding van den door de Classe aangewezen consulent nog niet aanstonds komen kan tot vrijmaking der kerk, toch terstond worden aangevangen met geregelde verzameling der BB. op den Zondag. Heeft men geen voorganger, dan kan een preek gelezen worden. Ik begrijp, dat men meent ’t reeds eenigszins te kunnen doen met een kerkgang te X; en in X zelf zijn misschien ook wel enkelen die, alleenlijk ziende op het eigen belang, eenigen toevloed van elders wel aangenaam vinden. Maar men heeft beiderzijds natuurlijk te zien op ’t belang der kerken te zamen, en bovenal op ’t geen ijver

|158|

voor de eere des Heeren vordert. Dit juist is „Gereformeerd”, om niet, gelijk het Methodisme meebrengt, tevreden te zijn, als men zelf maar van Woord en Sacrament genieten kan, maar om den Heere in alles te bedoelen; en dus om niet allereerst te vragen: wat is voor mijne ziel het aangenaamst en voor mij het gemakkelijkst; maar: hoe komt God aan zijn eer, en wat eischt de lust in Zijn dienst.

Rutgers, F.L. (1922) 128

128. Mag een belijdend lid eener andere kerk, die door force majeur (oorlog) geen attestatie kan overleggen, aan het Heilig Avondmaal deelnemen?

 

(1910.)

210. Inzake toelating van A tot het Avondmaal, spreekt vanzelf, dat van haar niet kan geëischt worden: overleggen eener attestatie. En evenzeer spreekt vanzelf, dat in dit geval het ontbreken van attestatie niet van het Avondmaal mag doen uitsluiten. Uw kerkeraad moet dan doen, wat in geval van vervolging enz. de Gereformeerde kerkeraden altijd deden, nl. iemand als lid inschrijven en tot het Avondmaal toelaten op mondelinge attestatie van één of meer bekende en betrouwbare broeders, die verklaren, dat de persoon in quaestie in eene zusterkerk tot het Avondmaal was toegelaten en onbesproken van wandel is, en door force majeure geen gewone attestatie kan overleggen. Op zulke verklaringen hebben we hier in Amsterdam reeds menigen Z. Afrikaner als lid ingeschreven en tot het Avondmaal toegelaten. Voor A zal uw eigen verklaring natuurlijk voor den kerkeraad wel voldoende zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 129

129. Moet de kerkeraad iemand, die nooit aan het Heilig Avondmaal komt, den toegang tot het Avondmaal ontzeggen?

 

(1894.)

211. Met uwe beschouwingen over de tegenstrijdigheid, die erin gelegen is, wanneer iemand belijdenis doet en dan daarna toch niet aan de Avondmaalsviering deelneemt, ben ik het geheel eens.

Intusschen, gelijk ge zelf ook opmerkt, dit hangt samen met eene ziekelijke beschouwing van het Heilig Avondmaal, die in

|159|

vele gemeenten sinds lang gevonden wordt. En de vraag is dus, hoe men daartegenover het beste optreedt.

Mij dunkt, volhardend onderwijs, door de prediking, door de catechisatie en door het huisbezoek, is dan het eenige middel. En ook dit onderwijs met voorzichtigheid, opdat niet de indruk ontsta, alsof men het vrij onverschillig acht, hoe iemand aan het Avondmaal komt.

Weigering om tot het Avondmaal toe te laten schijnt mij daarentegen een minder goed middel. Eerder wordt de conscientie der alzoo geweigerden dan min of meer ontlast. De kerkeraad zelf houdt den toegang dan gesloten. Ook ontbreekt dan eigenlijk de voldoende reden om de toelating te weigeren. Immers, belijdenis en wandel was voldoende.

Waar die twee voldoende zijn, moet men beschouwd worden als tot Avondmaalsviering geroepen, en de kerkeraad moet het dan voor de conscientie leggen der alzoo geroepenen, of zij durven ongehoorzaam zijn. Hij late ze dus toe, en noodige ze zijnerzijds uit, in den naam des Heeren. Weigering is dan geheel voor hunne verantwoording. Bij de belijdenis wordt dan natuurlijk ook herinnerd, dat die niet anders is dan het kerkelijk onderzoek van degenen, die tot het Avondmaal wenschen te worden toegelaten en voorts den toegang daartoe geeft.

Rutgers, F.L. (1922) 130

130. Mag men gasten aan het Avondmaal toelaten?

 

(1907.)

212. Advies in zake de toelating tot het Heilig Avondmaal te Djokjakarta, wanneer die voor eenmaal gevraagd wordt door iemand die er tijdelijk vertoeft.

De kerkeraad der Gereformeerde kerk te Amsterdam heeft van haren missionairen predikant te Djokjakarta een schrijven ontvangen, waarin o.a. het volgende voorkwam:

„Gaarne zou ik ook van u advies hebben omtrent het toelaten van gasten tot het Heilig Avondmaal. In Jogja zijn dikwijls logé’s, en dan komt gedurig de vraag, of zij mede mogen aangaan aan het Heilig Avondmaal of niet. Gewoonlijk liet ik zendelingen en hunne echtgenooten toe; maar hoe b.v. te handelen met degenen,

|160|

die tot het Leger des Heils behooren? Ook voor die gevallen kom ik wel eens te staan; en hoewel zij noch den Doop noch het Heilig Avondmaal in hun eigen organisatie bedienen, gebeurt het toch wel, dat zij soms tot het Heilig Avondmaal willen toegaan. Ik zou daarom gaarne door den kerkeraad die zaak geregeld zien, opdat ik kan zeggen: zoo en zoo is het oordeel van den kerkeraad. Het heeft anders altijd den schijn, alsof ik dit maar uitmaak, en misschien de kerkeraad wel anders zou oordeelen. Volgens sommigen zou alleen maar moeten gevraagd worden, of iemand een Christen is, zonder verder te letten op verschil in belijdenis, organisatie, enz. Ik hoop dus, dat de kerkeraad mij in dezen eene vaste gedragslijn kan voorschrijven, overeenkomstig Gods Woord, opdat ik in voorkomende gevallen daarnaar kan handelen.”

Uitgenoodigd, een advies te geven over hetgeen de kerkeraad op die vraag moet antwoorden, geef ik te dien einde het volgende in overweging.

De vraag, die in het schrijven uit Jogja gesteld wordt, betreft gevallen, die uit den aard der zaak ook hier te lande gedurig voorkomen. Wanneer in eenige kerk het Heilig Avondmaal aan de leden der gemeente zal bediend worden, dan is lang niet zeldzaam, dat er voor die ééne maal toegang gevraagd wordt door personen van elders, die juist op dien tijd terzelfder plaatse vertoeven, en die drang en behoefte gevoelen aan die viering deel te nemen.

Voor zulke gevallen is in onze kerken nooit als regel gesteld, dat men alle aanzoeken van dien aard eenvoudig afwijst, en dus buiten den kring dergenen, die als leden der plaatselijke kerk bij den kerkeraad bekend zijn, niemand anders ooit toelaat. Dat zou ook inderdaad liefdeloos zijn en onbroederlijk; en het zou ook in strijd zijn met de Christelijke belijdenis van de eenheid der kerk en van de gemeenschap der heiligen. Wel wordt door die belijdenis zonder twijfel geëischt, dat een geloovige niet in kerkelijk opzicht op zichzelf mag blijven staan, maar zich voegen moet bij de kerk zijner woonplaats; zoodat zulke aansluiting als lid dan ook onveranderlijk voorwaarde is voor de toelating van hen, die ter plaatse wonen of zich komen vestigen. Maar tevens wordt

|161|

door diezelfde belijdenis ook geëischt, dat men een geloovige, die elders woont, alleen niet reeds enkel daarom als een vreemdeling aanmerke en behandele, maar integendeel, bereid zij hem als broeder te erkennen, en hem bij zijn tijdelijk verblijf in de gemeente ook in de voordeelen der Christelijke gemeenschap te doen deelen.

Dus, eenerzijds, niet alle vreemdelingen onvoorwaardelijk afwijzen. Maar, anderzijds (en dit is van niet minder beteekenis), ook niet alle vreemdelingen onvoorwaardelijk toelaten, enkel en alleen op hunne eigene verantwoordelijkheid. Dat te willen stellen, zou eigenlijk beteekenen, dat men feitelijk en zelfs principieel de kerkelijke discipline terzijde stelt, en dat men juist op het gebied der kerk, voor welke de scheiding tusschen heilig en onheilig eene levensvoorwaarde is, de grenslijn tusschen die beide niet meer erkent. Naar den eisch van Gods Woord en van de daarop gegronde belijdenis onzer kerken moet er bij de viering van het Heilig Avondmaal kerkelijk toezicht zijn op de belijdenis en den wandel van degenen, die tot de deelneming aan die viering worden toegelaten, opdat ontheiliging van het heilige zooveel mogelijk voorkomen worde, en althans de gemeente zelve daaraan niet mede schuldig sta door nalatigheid of verzuim. En daarom hebben de kerken hier te lande, wanneer zij geloovigen van elders, die tijdelijk in haar midden vertoefden, voor éénmaal tot de Avondmaalsviering toelieten, dan ook altijd gezorgd, dat het noodige toezicht daarbij zooveel mogelijk tot zijn recht kwam.

Dit heeft kunnen geschieden, en het geschiedt nog, zonder dat de kerken te dien aanzien opzettelijk en formeel iets geregeld hebben. Eene algemeene regeling is hier inderdaad ook niet noodig, daar het doorgaans voor de hand ligt, hoe het vereischte toezicht in de bedoelde gevallen is uit te oefenen. Het betreft bijna altijd personen, die wel elders gevestigd zijn, maar dan toch in Nederland zelf, waar men overal gelegenheid heeft zich bij eene der Gereformeerde kerken aan te sluiten. Wie dit naliet, of wie in de kerk, waar hij toe behoort van het H. Avondmaal is afgehouden, zou natuurlijk elders niet tijdelijk kunnen worden toegelaten. Maar anders wordt voor de tijdelijke toelating voldoende geacht, dat genoegzaam blijke, dat de aanvrager bij de Gereformeerde kerk, binnen wier ressort hij woont, als een onbesproken lid der gemeente

|162|

tot het H. Avondmaal is toegelaten; waarvan iedere kerkeraad zich gemakkelijk vergewissen kan, door te verlangen, dat er te dien aanzien een schriftelijk en mondeling getuigenis zij, hetzij van de kerk, waar de aanvrager thuis hoort, of wel van een opziener of betrouwbaar gemeentelid uit de kerk, waar hij tijdelijk vertoeft.

Moeielijkheid kan er hier te lande bij dit punt slechts voorkomen in het betrekkelijk zeldzame geval, dat tijdelijke toelating gevraagd wordt door eenen hier vertoevenden vreemdeling uit het buitenland. Ook in zoodanig geval moet er van te voren voldoende zekerheid zijn, dat hij in de kerk, waar hij toe behoort, tot het H. Avondmaal is toegelaten, en dat hij met betrekking tot belijdenis en wandel genoegzaam voldoet aan hetgeen onze kerken, naar den eisch van Gods Woord, voor de deelneming aan de Avondmaalsviering noodig achten. Waar dit een en ander blijkt uit betrouwbaar getuigenis, en voor zooveel noodig ook uit verklaringen van den aanvrager zelven, pleegt men tegen de toelating geen bezwaar te maken. Maar gemakkelijk is het zeker niet om zoodanig getuigenis te verkrijgen, en evenmin om het te beoordeelen. Hiervoor regelen op te stellen, die voor alle mogelijke gevallen eene formeele beslissing zouden aangeven, is ook niet wel doenlijk; zoowel om het groote aantal en de groote verscheidenheid van de buitenlandsche kerken, als ook om haar zeer verschillend karakter met betrekking tot de Christelijke belijdenis en tot hare kerkelijke handhaving. En daarom was en is de kerkelijke practijk, ieder voorkomend geval op zichzelf te beoordeelen; altijd met vasthouding van hetgeen als hoofdzaak te stellen is, nl. dat genoegzaam blijken moet: 1º. dat de aanvrager in zijne eigene kerk tot het H. Avondmaal is toegelaten; 2º. dat zijn levenswandel onbesproken is; en 3º. dat zijne persoonlijke geloofsovertuiging overeenkomt met de Christelijke geloofsbelijdenis, gelijk die voor de toelating tot het H. Avondmaal in den Catechismus onzer kerken nader ontwikkeld is; voor welk laatste wel niet noodig is, dat hij eerst dien Catechismus onderzoeke, daar er nog een aantal andere Catechismussen en Confessies zijn van kerken, die reeds in de 16de eeuw door de Gereformeerde kerken als zusterkerken erkend werden, en het dan zeker voldoende is, als de aanvrager verklaart, dat hij met eene van deze, die hem bekend is, van harte instemt.

|163|

Zoo wordt hier te lande doorgaans gehandeld; en op soortgelijke wijze zullen onze kerken zeker ook op Midden-Java hebben te handelen.

Aldaar zijn de moeilijke gevallen zonder twijfel veel grooter in aantal. Wat hier zeer gewoon is, nl. dat toelating gevraagd wordt door dezulken, die lid zijn van eene Gereformeerde kerk in hetzelfde kerkverband, is aldaar betrekkelijk zeldzaam; en wat hier eene uitzondering is, nl. dat de aanvrage komt van dezulken, die buiten onze Gereformeerde kerken staan, komt aldaar telkens voor; en dan niet slechts met betrekking tot Europeanen, maar ook met betrekking tot Inlandsche Christenen. Er zijn in heel Indië slechts een paar Gereformeerde kerken. Het genootschap, dat onder den naam van „Protestantsch kerkgenootschap” door de regeering gesticht is, geeft voor hen, die daarin tot lid zijn aangenomen, op het punt van Christelijke belijdenis geenerlei waarborg, nog veel minder dan de Hervormde kerk in Nederland. En te dien aanzien zijn de onderscheiden Zendelinggenootschappen, die in Indië hunne zendelingen hebben, zóó uiteenloopend, dat over hunne toelating tot het H. Avondmaal zeer onderscheidenlijk moet geoordeeld worden.

Maar juist daarom is het ook niet mogelijk voor Java nog veel minder dan voor Nederland, om formeel vast te stellen, van wie een getuigenis omtrent iemands Christelijke belijdenis zou zijn aan te nemen. Ook aldaar zal ieder geval op zichzelf moeten beoordeeld worden. En dan naar dezelfde beginselen, als die hier te lande worden toegepast en die in het bovenstaande, met name in de drie punten, die als hoofdzaak genoemd zijn, met een enkel woord zijn aangegeven.

Intusschen zou ik nog niet voldoende achten, dat de kerkeraad dit aan Ds. A ten antwoord gaf. Immers daardoor zou wel in het algemeen eene gedragslijn hem zijn aangegeven; maar in menig geval zou dan zijn bezwaar toch blijven, dat door hem persoonlijk over de al of niet toelating wordt beslist.

Om ook daaraan zooveel mogelijk tegemoet te komen, zou de kerkeraad hem nog twee dingen kunnen opdragen.

Het eene is, dat hij in de Vergadering der missionaire dienaren op Midden-Java eenige vragen ter sprake brenge, die juist op

|164|

Java bij elken zendingspost telkens voorkomen; als b.v. hoe te handelen, wanneer toelating tot het H. Avondmaal gevraagd wordt of zal gevraagd worden door dezen of genen hun reeds bekenden zendeling, of door Inlandsche Christenen, die van den zoodanige een bewijs van toelating vertoonen, of door personen die, terwijl zij voor het overige aan de bovengenoemde vereischten voldoen, medewerken met het Leger des Heils gelijk dit op Java optreedt; en meer dergelijke vragen, die door de kerken hier te lande wel niet kunnen beantwoord worden, maar die bij genoegzame kennis van personen en toestanden op Java zelf wel voor beantwoording vatbaar zijn, en waarbij het zelfs wenschelijk is, dat op alle onze zendingsposten dezelfde gedragslijn gevolgd worde.

En het andere is, dat Ds. A worde gemachtigd, om, in overleg met de Vergadering der missionaire dienaren op Midden-Java en onder hare goedkeuring, eenige leden der gemeente, die te Jogja reeds vergaderd is, aan den Amsterdamschen kerkeraad voor te dragen ter benoeming tot mede-opzieners; niet alsof nu reeds werd overgegaan tot de institueering van eene zelfstandige kerk te Djokjakarta, waarvan nog in langen tijd wel geen sprake kan zijn, althans niet voordat men aldaar tevens in staat zij, werkelijk op zichzelf te bestaan en een eigen Dienaar des Woords te hebben; maar om aan Ds. A eenige broeders toe te voegen als medehelpers in het werk der Zending, die, om het zoo eens uit te drukken, missionaire ouderlingen zouden zijn van de Amsterdamsche kerk, evenals Ds. A zelf haar missionair predikant is; en die dus met hem zouden beraadslagen en beslissen, niet slechts over de boven behandelde quæstiën, maar ook over alle andere toepassing van kerkelijk opzicht en tucht, en over andere aangelegenheden, die in de gemeente voorkomen en die door den Amsterdamschen kerkeraad niet kunnen geregeld worden, maar aan de prudentie der broeders, die ter plaatse zijn, moeten worden overgelaten; voor zooveel noodig met advies van de Vergadering der missionaire dienaren.

Voor eene dergelijke functie is te Djokjakarta thans het noodige personeel wel beschikbaar; ook voor periodieke aftreding en vervanging; en dan zoowel onder de Javanen als onder de Hollanders; zoodat zeker raadzaam zou zijn, uit ieder van die

|165|

twee kringen b.v. een tweetal te kiezen. Maar dan niet, alsof iedere mede-opziener slechts zijn zou voor de leden van zijne eigene nationaliteit, of de Javaansche alleen voor de Javanen. Van meet af zal bij onze zending wel moeten gelden, dat, waar Christus door het geloof is aangedaan, „daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw, want gij allen zijt één in Christus Jezus”. In den aanvang kan dat vereenigd zijn van Hollander en Javaan en Chinees in ééne gemeente voor sommigen misschien nog wat vreemd zijn. Maar toch zeker niet zoo vreemd, als het in den tijd der Apostelen voor een Christen uit de Joden was om met een Christen uit de heidenen geheel te worden gelijkgesteld, en ook omgekeerd; of als het voor een Romeinsch burger was om met slaven in ééne gemeente als broeders te verkeeren. En toch leert de Schrift zoo beslist en zoo duidelijk als maar mogelijk is, dat hier voor bedenkingen, die in ras of kleur of stand haren grond hebben, nooit mag worden uit den weg gegaan. Wie te dien aanzien nog onschriftuurlijk en onchristelijk denkt, moet door christelijke onderwijzing en practijk dan maar leeren, dat er althans één gebied is, waarop allen, die burgerlijk en maatschappelijk zeer onderscheiden zijn, toch als broeders bijeen wonen. Een verschil in taal kan dan zeker noodig maken, dat er tweeërlei samenkomst der gemeente worde ingesteld. Klaar daarvoor behoeft de gemeente zelve toch niet in tweeën gedeeld te worden. En bij de samenkomst van opzieners zal de taal ook in zeer langen tijd nog geen bezwaar zijn. Het zal nog wel vele jaren duren, eer er eene Javaansche Christelijke lectuur is, groot genoeg om aan de behoeften van opzieners der gemeente te voldoen; en tot zoolang zal daarvoor wel niemand in aanmerking kunnen komen, die de Hollandsche taal niet genoegzaam machtig is.

Uit den aard der zaak kan ik dit punt, dat ook voor de toekomst van groote beteekenis is, hier slechts met een enkel woord aanstippen, daar het met de vraag, waarover mijn advies verlangd werd, slechts bij consequentie in verband staat. En omdat het eene zaak geldt, die onze gansche Zending betreft, zou ik den kerkeraad niet aanraden over dit punt een definitief besluit te nemen, zonder eerst overleg te plegen, niet slechts door middel van Ds. A

|166|

met de Vergadering der missionaire dienaren op Midden-Java, maar ook met de twaalf Generale deputaten voor de Zending hier te lande. Het duurt dan wel wat langer eer Ds. A een volledig antwoord van hier ontvangt; maar de zaak, die het geldt, wordt daardoor te beter bevorderd.

Moge dat, door des Heeren zegen, ook de vrucht zijn van hetgeen in dezen door den kerkeraad zal overwogen en besloten worden.

Rutgers, F.L. (1922) 131

131. Moet iemand, die uit een andere kerk tot de Gereformeerde kerk overgaat, opnieuw openbare belijdenis afleggen?

 

(1895.)

213. Hier in Amsterdam hebben we de gewoonte, personen, die uit eene Luthersche kerk (dus eene zusterkerk) tot de Gereformeerde kerk overkomen, door eene commissie uit den kerkeraad te doen bezoeken (een predikant met een paar ouderlingen), over de redenen van den overgang en over de Gereformeerde belijdenis te vragen, en als dat onderzoek voldoende is, terwijl ook de getuigenissen omtrent den wandel voldoende zijn, zoodanigen persoon, op zijne attestatie van de Luthersche kerk, bij ons ten Avondmaal toe te laten en als lid te erkennen. Mij dunkt, dat dit ook de goede weg is.

 

(1904.)

214. Indien over eenige zaak, waarin een kerkeraad te handelen heeft, de stemmen staken, en ook na herhaalde overweging blijven staken, is doorgaans de aangewezen weg om naar de Classe te gaan om advies.

In de door U bedoelde zaak moet dit echter m.i. niet noodig zijn; want het spreekt, dunkt mij, van zelf, dat een Gereformeerde kerkeraad niemand tot lid aanneemt zonder een voldoend voorafgaand onderzoek; ook al is het, dat de manier, waarop dat onderzoek gedaan wordt, zeer onderscheiden is, naar gelang van de omstandigheden.

|167|

Zoo b.v. bij voormalige volle mondige leden der Gereformeerde kerk, die voor eenigen tijd tot de Chr. Gereformeerde Scheurkerk overgingen, is, inzake de belijdenis, geen vernieuwd onderzoek noodig (tenzij er in bepaalde gevallen reden voor is), daar de kerkeraad zelf dit vroeger reeds instelde; maar wèl in zake den wandel, ook al is in kleine gemeenten de getuigenis der kerkeraadsleden zelven, die de personen kennen, te dien aanzien dan voldoende; niemand kan dan zeggen, dat men heel niet onderzocht heeft, hoe zij zich de laatste maanden of jaren gedroegen. En in zulke gevallen kan dan wederopname na schuldbelijdenis aanstonds volgen.

Maar als het iemand geldt, die nog nooit door den kerkeraad onderzocht was in zake Christelijke kennis en belijdenis, moet natuurlijk te dien aanzien een onderzoek worden ingesteld. Zelfs eene attestatie van een Christ. Geref. kerkeraad zou dan niet afdoende zijn te achten, evenmin als een attestatie van een Herv. of anderen kerkeraad. Wel moeten (in den regel althans, behoudens uitzonderingen in sommige gevallen) attestatien erkend worden van de Geref. kerken, met welke men in kerkverband leeft, en die juist daarom te achten zijn, de noodige waarborgen te geven. Maar dat kan niet gelden voor kerken buiten het kerkverband, waarvan men wettiglijk eigenlijk niet genoegzaam afweet en op welke men als Geref. kerk ook geenerlei invloed kan oefenen. En dat kan nog te minder, als die kerk eene Scheurkerk was, die dus in ieder geval niet zuiver is in het leerstuk van de kerk. En uit uw schrijven meen ik begrepen te hebben, dat de bedoelde persoon nog niet eens eene attestatie van die Chr. Geref. kerk overlegt.

Zonder twijfel is dus bij dezulken een onderzoek van den kerkeraad noodig, en dan een onderzoek, dat nog iets verder gaat dan het vragen van schuldbelijdenis (’t geen eigenlijk, wel beschouwd, ook reeds een onderzoek is, op een bepaald punt). De kerkeraad moet het m.i. over de hoofdpunten voor de toelating tot het Avondmaal (zonde en verlossing en dankbaarheid) ook onderzoeken; natuurlijk zoo veel of zoo weinig, zoo uitvoerig of zoo beknopt, als de kerkeraad raadzaam oordeelt en dan voor den kerkeraad zelven of voor predikant en ouderling, al naarmate de kerkeraad

|168|

goed oordeelt. En dan moet hij m.i. ook in het midden der gemeente de gewone vragen beantwoorden en de gewone stipulatie aangaan.

Juist waar in onzen tijd „scheuring maken” door velen als iets geoorloofds, of althans als een kleinigheid beschouwd wordt, is het m.i. zaak, dat onze kerken de vergoelijking van zulk een groote zonde niet in de hand werken.

 

(1905.)

215. Vaste bepalingen omtrent toelating van leden, die reeds in een Hervormde of Luthersche of Doopsgezinde of andere Protestantsche kerk tot het Avondmaal waren toegelaten, hebben onze kerken niet gemaakt; en zulke bepalingen zijn ook niet te maken, daar de gevallen te veel verschillen.

Hier in Amsterdam bij de Gereformeerde kerk, en ook elders, worden zij, die in de Hervormde kerk reeds tot het Avondmaal waren toegelaten, in den regel onderzocht op het punt van belijdenis door eene commissie uit den kerkeraad (de wijkcommissie, daar de kerkeraad hiervoor te talrijk is en te veel te doen heeft), en wanneer de uitkomst bevredigend is, en evenzoo de uitslag van het onderzoek naar den levenswandel, dan wordt daarvan in den kerkeraad gerapporteerd, en daarna aan de gemeente medegedeeld, dat N.N. zich bij de Geref. kerk heeft gevoegd. In den regel is dat m.i. ook voldoende. Er kunnen echter ook bijzondere gevallen zijn (b.v. van vroegere openbare ergernis door ongeloof of zeer slechten wandel), waarin openbare belijdenis in het midden der gemeente raadzaam zou zijn. Als vaste bepaling kan in deze gansche materie alleen gelden, dat de kerkeraad beslissen moet, welke wijze van toelating het meest tot stichting dient, en desgelijks of de „Hervormde kerk” ter plaatse nog als scheurkerk te beschouwen is, of eigenlijk in ’t geheel geen kerk meer kan heeten. 

|169|

(1914.)

216. Ge schrijft mij in uw brief, dat uw kerkeraad onlangs het volgende besluit nam:

„Leden van de Christelijk Gereformeerde kerken en leden van de Hervormde kerk, die eenmaal een rechtzinnige belijdenis hebben afgelegd, zullen, indien ze dit begeeren, tot de Gereformeerde kerk kunnen overgaan en als lidmaten ingeschreven worden, zonder een hernieuwde openbare belijdenis, met dien verstande dat ze eerst behoorlijk door den kerkeraad zijn onderzocht.”

Ge schrijft mij voorts, dat dit besluit aan de gemeente is medegedeeld, met bijvoeging dat eventueele bezwaren daartegen aan den voorzitter des kerkeraads waren bekend te maken; en dat daarna twee broeders bezwaren bij u hadden ingebracht, welke bezwaren ge mij ook mededeelt.

Daarover vraagt ge nu mijn advies, ’t geen ik u natuurlijk gaarne geef.

Vooreerst dan de opmerking, dat het genoemde kerkeraadsbesluit formeel geheel in orde is, daar de toelating tot de kerkelijke gemeenschap aan de opzieners der gemeente is opgedragen, en hunne vergadering, d.i. de kerkeraad, dus ook de regelen voor die toelating heeft te stellen. Bij de Independenten is dit anders, daar bij hen in de kerken aan de massa der geloovigen de regeermacht wordt toegekend, en de kerkeraad feitelijk slechts een bureau is dat den volkswil heeft uit te voeren. Maar de Gereformeerden hebben zich altijd principieel daartegenover gesteld, op grond van hetgeen de H. Schrift over het opzienersambt ons leert. Wel is ook door hen steeds erkend, dat een kerkeraad niet met tirannieke overheersching mag optreden, en dus besluiten, die van eenig gewicht zijn, aan de gemeente moet mededeelen; maar dan niet, om die eenigszins aan eene stemming der gemeenteleden te onderwerpen, maar alleen om eventueele bezwaren te hooren, en die dan zelf te beoordeelen. Aldus heeft uw kerkeraad ook blijkbaar gehandeld; en hij is daarbij zelfs nog iets verder gegaan dan strikt noodig was, door uitdrukkelijk de bezwaarden uit te noodigen tot inbrenging van hun bezwaar.

Op die uitnoodiging hebben nu twee gemeenteleden geantwoord, ieder met een bezwaar, waaromtrent ge mij alleen dit mededeelt:

|170|

„De een zegt: de gemeente gaat op die manier afzakken; de ander zegt: „’t is zoo’n schoone zaak om telkens weêr te belijden, en voor een waar Christen kan er geen bezwaar bestaan, om het nog eens over te doen.”

Op die mededeeling afgaande, kan ik van die bezwaren slechts zeggen, dat er bij die twee broeders blijkbaar een groot misverstand is over het door hen bestreden kerkeraadsbesluit. Hunne bedoeling is zonder twijfel goed en prijzenswaardig, maar door hunne tegenwerpingen wordt dat besluit zelfs in het geheel niet aangeraakt.

De broeder, die voor „afzakking” vreest, schijnt te hebben gedacht, dat uw kerkeraad nu voortaan iedereen, die tot dusver tot eene Christelijk Gereformeerde of Hervormde kerk behoorde, enkel en alleen op zijne eigene aanvrage zoo maar in het lidmatenboek zou inschrijven en tot het H. Avondmaal toelaten, Dat zou zeker niet mogen: van eene Gereformeerde kerk, die op zulk eene wijze hare Christelijke belijdenis geheel verloochende, zou wel heel wat ergers te zeggen zijn, dan dat zij pas „gaat afzakken.” Maar juist daarom heeft uw kerkeraad in zijn besluit tot inschrijving van de bedoelde leden ook uitdrukkelijk bepaald „met dien verstande dat zij eerst behoorlijk door den kerkeraad zijn onderzocht.” Dat onderzoek heeft natuurlijk betrekking op hunne belijdenis en op hunnen wandel; en het is juist daarin, dat de waarborg ligt, dien een kerkeraad noodig heeft, voor de toelating tot de kerkelijke gemeenschap. Daarom moet zulk een onderzoek ook altijd en bij ieder aan de toelating tot het Avondmaal voorafgaan, ook bij de catechumenen, voordat zij tot de openbare belijdenis worden toegelaten. Een kerk, die met dat onderzoek geen ernst maakt, is zeer zeker reeds „afgezakt,” ook al zou zij voor iedere toetredende de openbare belijdenis hardhaven. En eene kerk, die dat onderzoek „behoorlijk” instelt, moet reeds daarom gezegd worden, haar Gereformeerd karakter zuiver te bewaren. De waarborg ligt in dat onderzoek zelf; niet in de omstandigheid, dat het voor een gedeelte in het openbaar wordt ingesteld.

Daaruit mag nu zeker niet worden afgeleid dat bij de toelating tot de kerkelijke gemeenschap de openbare belijdenis eigenlijk van

|171|

weinig beteekenis zou zijn. Integendeel, in den regel is zij bepaald noodig, reeds omdat zulke toelating de geheele gemeente aangaat, en deze er zelfs nauw bij betrokken is. Daarom moet gehandhaafd blijven, dat op de door de kerk gestelde belijdenisvragen in het openbaar geantwoord wordt door alle catechumenen, die tot het Avondmaal worden toegelaten, en voorts ook door Joden, Heidenen, Mohammedanen enz. bij hunne opneming in de Christelijke kerk. Maar dat wordt ook inderdaad door uwen kerkeraad gehandhaafd; want zijn besluit spreekt uitdrukkelijk alleenlijk van leden eener Christelijk Gereformeerde of eener Hervormde kerk; en deze kunnen toch zeker niet, allen zonder onderscheid, zoo maar met Heidenen enz. of met catechumenen worden gelijkgesteld.

Veleer erkennen we, dat er onder die „Christelijk Gereformeerden” en „Hervormden” heel wat broeders en zusters zijn, die wel grootelijks afdwalen doordat zij hun genootschap met de kerk vereenzelvigen of doordat zij eene onnoodige en dus zondige scheuring bestendigen, maar bij wie voor het overige hunne belijdenis en hun wandel goed Gereformeerd moet genoemd worden, en die dus inderdaad in onze kerk thuis hooren, zoodra maar hun oog voor hunne afwijking goed geopend is. Toen dit in 1886, bij de „doleantie”, met vele tienduizenden het geval was, heeft wel niemand gemeend, dat die allen nu nog eerst eens eene openbare kerkelijke belijdenis moesten afleggen, voordat zij als leden eener Gereformeerde kerk konden optreden; het onderzoek van de toen in dienst zijnde en van de daarna gekozen opzieners werd, terecht, voldoende geacht. En zoo is men daarna ook blijven handelen ten aanzien van nog steeds „achtergebleven” Gereformeerde broeders en zusters; die dan geacht worden vanzelf in onze kerken thuis te hooren, juist omdat deze de wettige voortzetting zijn van onze oude Gereformeerde kerken.

Zoo b.v. heeft de kerkeraad der Gereformeerde kerk te Amsterdam, in de regeling, die hij te dien aanzien laatstelijk maakte in 1897, bij de plaatselijke ineensmelting van de kerken Amsterdam A en B (eene regeling, die ook nu nog geldt en nog bijna wekelijks hare toepassing vindt), deze bepaling vastgesteld (art. 18 van de regeling der werkzaamheden van de Dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen):

|172|

„Over de toelating van hen, die uit eene andere kerkelijke gemeenschap zich bij de Gereformeerde kerk wenschen te voegen, wordt beslist door de gecommitteerden der wijk, in welke zij wonen, na onderzoek van hunne belijdenis en van hunnen wandel, aangaande welke zij ook een attest hebben over te leggen, geteekend door twee leden der Gereformeerde kerk. Aan den kerkeraad geschiedt daarvan mededeeling. De namen worden aan de gemeente bekend gemaakt.”

Deze regeling is, zooals gij ziet, zakelijk geheel dezelfde als de thans door uwen kerkeraad gemaakte, behoudens den practischen eisch in eene zoo groote gemeente als de Amsterdamsche, dat de kerkeraad veel aan wijkgecommitteerden (toch altijd ten minste een twaalftal kerkeraadsleden) moet toevertrouwen. Alleenlijk is in de Amsterdamsche regeling nog opzettelijk uitgedrukt, dat het onderzoek gaan moet over belijdenis en wandel en dat de namen aan de gemeente worden medegedeeld. Maar dat is bij uw kerkeraadsbesluit ook blijkbaar de bedoeling en de toepassing.

Bij het tweede der bij u ingebrachte bezwaren (nl. dat het „belijden” eene zóó schoone zaak is dat een waar Christen het wel telkens wil overdoen) is het misverstand van anderen aard. Bij dit bezwaar wordt aan het „openlijk belijden” zeker terecht hooge beteekenis toegekend; daartoe is zelfs ieder geloovige voortdurend geroepen. Maar dat „openlijk belijden”, ’t welk de H. Schrift ons voorhoudt, kan toch niet vereenzelvigd worden met een kerkelijke handeling, die in den regel bij ieder slechts eenmaal plaats heeft, alsof het daarin geheel zou opgaan. Die eisch gaat oneindig veel verder en dieper, en omvat het geheele leven, in al zijne uitingen, met betrekking tot woord en wandel. Het openlijk belijden, door het beantwoorden van vragen, die een kerkeraad stelt, valt er zeker niet buiten; maar dit kan toch met dien algemeenen eisch van belijden alleen dan in betrekking staan, wanneer zulk eene formeele kerkelijke handeling om andere redenen nuttig of noodig is; ’t welk in het hier bedoelde geval wel niet zoo is, om de boven vermelde redenen. Het is met dit „belijden”, als b.v. met het „bidden”, ’t geen ook „zonder ophouden” moet geschieden; uit welken eisch echter wel niemand zal willen afleiden, dat het dus goed is, wanneer een kerkeraad formeele kerkelijke

|173|

bidstonden vermenigvuldigt, en dat niemand daartegen bezwaar kan hebben, omdat bidden toch zoo goed is.

Ziedaar althans iets op Uwe vraag.

Rutgers, F.L. (1922) 132

132. Indien de Avondmaalsbediening twee malen op één Zondag plaats heeft, moet dan ook telken male het formulier gelezen worden? En wordt het van den preekstoel of aan tafel gelezen?

 

(1887.)

217. Of het Avondmaalsformulier van den predikstoel of voor de tafel gelezen wordt, is in onze kerken altijd als een adiaphoron beschouwd. In groote kerken moest het wel van den predikstoel gelezen worden, daar de bediening vaak in het koor plaats had, en wat aldaar gelezen werd slechts door een klein deel der Avondmaalsgangers zou verstaan zijn.

 

(1901.)

218. Indien men allen, die tot het Avondmaal zijn toegelaten, ook bij elke Avondmaalsviering in de gelegenheid wil stellen, daaraan deel te nemen (hetgeen zeker veel voor zich heeft), dan kan dit slechts geschieden, doordat men het Avondmaal telkens, om de 2 of 3 maanden (naar plaatselijk gebruik), tweemaal achter elkander doet bedienen, hetzij op twee achtereenvolgende Zondagen (gelijk in dergelijke gevallen vroeger geschiedde, en ook nu nog wel geschiedt) of op denzelfden Zondag ’s ochtends en ’s avonds (waarbij dan de bediening des avonds beschouwd wordt als te zijn voor die weinigen die ’s ochtends niet konden komen, en dus spoedig afloopt, zoodat er terstond nabetrachting of dankzegging op kan volgen). Maar hoe men dit ook regele, altijd is de Avondmaalsbediening telkens eene bediening op zichzelve, waarbij het formulier behoort gelezen te worden. Eene voortgezette bediening, na eenige uren of dagen tusschentijds, en ten deele met een ander gehoor, is iets tegenstrijdigs en gaat niet. Bij elke Avondmaalsviering hoort het formulier, het dankgebed enz.; en wanneer men

|174|

dat alles bij twee opeenvolgende bedieningen scheidt en ten deele weglaat, maakt men beide gebrekkig.

 

(1911.)

219. Wat nu uw vraag betreft, men kan m.i. moeilijk spreken van eene voortgezette vergadering of samenkomst, wanneer, na de kortere of langere pauze, niet dezelfde personen terugkomen of verwacht worden, maar het er juist om te doen is anderen alsdan tegenwoordig te zien; terwijl bovendien de Avondmaalsbediening des voormiddags voor de communicanten toch geheel moet afloopen, en dan ’s namiddags of ’s avonds voor de alsdan komenden ook weer moet beginnen, daar men toch niet aan allen slechts eene halve bediening (eerste of laatste helft) kan geven. Daarom werd en wordt in groote gemeenten, waar men bij elke Avondmaalsviering tweemaal de tafel aanricht, ook altijd (voor zoover ik weet) telkens eene geheele bediening gegeven; meestal (of misschien altijd) in groote steden en dorpen op twee achtereenvolgende Zondagen (zij ’t ook niet beide malen des voormiddags.)

Of iets dergelijks in X noodig of raadzaam is, kan ik natuurlijk niet beoordeelen. In verre de meeste kleine gemeenten (van minder dan b.v. 1000 zielen) worden doorgaans in gezinnen, waarvan allen ten Avondmaal gaan die daartoe zijn toegelaten, wel maatregelen genomen om daartoe in staat te stellen, b.v. door hulp van familieleden of van buren of van grootere kinderen, die nog geen belijdenis deden. En de zeer enkelen, aan wier verlangen eene enkele maal niet voldaan kon worden, troosten zich dan met de gedachte, dat bij zulke oprechte begeerte de gemeenschap met den Heere niet aan de bondszegelen onafscheidelijk verbonden is, evenals b.v. een zieke zich daarmede heeft te troosten.

Intusschen, dit is plaatselijk te beoordeelen en de kerkeraad moet dus uitmaken wat hem voorkomt het meest tot stichting der gemeente te dienen. 

|175|

(1913.)

220. Ge schrijft mij, dat in uwe gemeente de gewoonte bestaat, om bij elke Avondmaalsbediening niet alleen des morgens, maar (voor diegenen, die des morgens verhinderd zijn) ook des avonds de bediening te doen plaats hebben; waarbij dan die beide bedieningen beschouwd worden als ééne enkele, slechts gedurende eenige uren geschorste, bediening, en daarom bij geene van beiden het geheele Avondmaalsformulier wordt gelezen, maar des morgens het slot wordt weggelaten, en desgelijks des avonds het eerste en grootste gedeelte, zij het ook dat de predikant alsdan met zijn eigen woorden den hoofdinhoud van het formulier kortelijk weer geeft. En over déze gewoonte, tegen welke ge bedenking hebt, vraagt ge nu mijn oordeel.

Gaarne geef ik u dat, door te antwoorden, dat ik het met uwe bedenking geheel eens ben.

Natuurlijk is er niets tegen, dat bij elke Avondmaalsbediening aan allen, die tot deelneming geroepen zijn, hiertoe de gelegenheid gegeven worde; en aangezien, vooral in eenigszins groote gemeenten, die allen niet tegelijk denzelfden dienst kunnen bijwonen, is er ook niets tegen, dat men daarom bij elke Avondmaalsbediening tweemaal, op verschillende tijden, de gelegenheid tot deelneming openstelt. In groote gemeenten geschiedt dit doorgaans zóó, dat men de periodiek terugkeerende Avondmaalsbedieningen telkens op twee opeenvolgende Zondagen stelt; en in kleinere gemeenten is meer gebruikelijk, dat men daarvoor op één en denzelfden Zondag den morgendienst en den avonddienst gebruikt. Maar tusschen die twee praktijken is toch inderdaad geen verschil het zijn altijd twee diensten, twee samenkomsten der gemeente, die voor Avondmaalsbediening bestemd worden; en of er nu tusschen die twee diensten eenige uren, dan wel eenige dagen, verloopen, is natuurlijk om het even: het blijven toch twee onderscheidene diensten.

Dit springt nog te meer in het oog, als men in aanmerking neemt, dat aan die tweede Avondmaalsbediening wordt deelgenomen door dezulken, die bij de eerste Avondmaalsbediening afwezig waren; anders zouden zij natuurlijk reeds aan deze hebben deelgenomen. Die beide diensten zijn dus voor een geheel verschillende

|176|

groep van leden. Maar dan is het toch niet wel mogelijk, ze te beschouwen en in te richten, als waren zij slechts één enkele, tijdelijk afgebroken, dienst. Zulke beschouwing is volkomen juist en passend bij eene Avondmaalsbediening met meerdere tafels; want die geschiedt in één enkelen dienst, waarbij dezelfde leden der gemeente allen tegenwoordig blijven. Maar zulk eene beschouwing is ook geheel onjuist, wanneer sprake is van twee samenkomsten, waarin niet dezelfde leden tegenwoordig zijn, en die zelfs gehouden worden omdat men terecht onderstelt, dat bij de tweede samenkomst andere leden zijn dan bij de eerste.

Daarom moet dan ook zeker in beide die samenkomsten het geheele Avondmaalsformulier gelezen worden. Een lezen van het ééne deel in de eerste samenkomst, en van het tweede deel in de tweede samenkomst, zou voor beide het formulier verminken, en voor beide de Avondmaalsbediening zonder eenige noodzaak eenigszins gebrekkig maken. En natuurlijk heeft ook geen predikant het recht, alsdan zijn eigen woorden daarvoor in de plaats te stellen.

Ziedaar in het kort mijn gevoelen. Ik wil er echter bijvoegen, dat ik niet zou aanraden, van dit punt aanstonds een quæstie te maken, wanneer er soms een aantal broeders zijn, die dit nog niet zoo kunnen inzien, en wanneer dan daaruit een geschil zou ontstaan. Beter is dan, dezulken eerst door samenspreking tot eene betere beschouwing te brengen. In den regel echter zal men het een predikant wel niet ten kwade duiden, wanneer hij bij elke Avondmaalsbediening het geheele formulier gebruikt.

Rutgers, F.L. (1922) 133

133. Waar moeten de ouderlingen bij de Avondmaalsbediening zitten?

 

(1900.)

221. Ge vraagt mijn advies over de quæstie, of het bij Avondmaalsbediening raadzaam is, dat twee ouderlingen aan de twee einden van de Avondmaalstafel plaats nemen, dan wel of beter is, dat zij, na zelven gecommuniceerd te hebben, bij de volgende tafels weder in de ouderlingenbank gaan zitten.

Die quæstie is m.i. van zeer weinig belang.

Allen zijn het er natuurlijk over eens, dat bij samenkomsten der

|177|

gemeente hare opzieners bij den predikstoel in een ouderlingen bank moeten zitten. In geen enkele onzer kerken zal wel ooit gebruik zijn geweest, dat de ouderlingen zoo maar hier of daar in de kerk gingen plaats nemen; en dit zal ook bij u wel niet anders zijn; zoodat ik niet noodig heb, aan te wijzen, dat het zitten in een ouderlingenbank volstrekt niet eene soort van vertooning of soms zelfverheffing is, maar vanzelf voortvloeit uit onze geheele Gereformeerde kerkinrichting, en nauw samenhangt met onze, aan Gods Woord ontleende, opvatting van het ambt van Dienaar des Woords en ouderlingen.

En ook zijt gij allen het er over eens, dat de ouderlingen toezicht moeten houden over het aangaan aan de tafel des Heeren.

Verschil is er alleen over de vraag, waar zij te dien einde het best zitten: aan de einden der tafel of in de ouderlingenbank.

Daarop nu is zeer zeker het antwoord, dat zij daar het best zitten ter plaatse zelve waar de communiceerenden aangaan; omdat daardoor het best als het ware aanschouwelijk wordt voorgesteld, dat de kerkeraad heeft te waken, om de tafel des Heeren heilig te houden; en omdat daardoor het gemakkelijkst personen, die tot toetreding niet gerechtigd zijn en toch willen aangaan (gelijk zelfs met gecensureerden meermalen voorkomt), zonder opschudding of moeite kunnen geweerd worden.

Intusschen is zulke plaatsing ook niet dringend noodig, vooral niet in kleine gemeenten; zoodat men geen kerk mag veroordeelen, die een ander gebruik heeft. Dergelijke, zoogenaamd „middelmatige dingen”, moet een kerkeraad eenvoudig bij meerderheid van stemmen regelen.

Maar juist omdat het zulk eene onbelangrijke zaak is, moet dan ook de minderheid zich eenvoudig naar de zienswijze der meerderheid schikken en zij moet niet eischen, dat de meerderheid zich naar haar zal voegen.

Dat één uwer broeders hierin bezwaar heeft, is niets dan misverstand; daar hij meent, dat zijn conscientie door zulk toegeven zou bezwaard worden.

Hoe toch zou dit mogelijk zijn? De conscientie is alleenlijk aan God gebonden, en kan slechts bezwaard worden, wanneer men iets zou doen dat tegen Gods gebod ingaat. Maar er is immers

|178|

geen gebod Gods omtrent de plaats, waar een ouderling in de kerk moet zitten. Men kan te dien aanzien van gevoelen verschillen over hetgeen het beste is; maar niemand zal wel zeggen, dat zijn eigen gevoelen met een woord Gods gelijk staat, zoodat wie anders denkt tegen den Heere in verzet komt. En hoe zou dan bij zulke vraag de conscientie in gevaar kunnen komen?

Te minder, omdat toch altijd de ouderlingen op eene afzonderlijke, alleen voor hen bestemde, plaats zitten; zoodat, indien men van „ouderlingenvertoon” sprak, dit ook zou gelden van het zitten in eene ouderlingenbank, ja van alle optreden der ouderlingen als zoodanig.

Mij dunkt dus, dat broeder A bij nader inzien zal moeten toegeven, dat er voor zijn bezwaar tegen het ouderlingschap eigenlijk geen grond is.

Mocht hij echter onverhoopt toch nog bezwaar houden (misschien ook nog uit andere oorzaken), dan zou ik raden, hem niet teveel te dringen, maar liever wat geduld te hebben, en dus tijdelijk hem te dragen; d.w.z. hem op zijn wensch van het dubbelgetal ditmaal weg te laten. Ofschoon ik tevens zeer betreuren zou, dat een broeder, wien het blijkbaar ernstig om het welzijn der kerk te doen is, door zulk een zonderling misverstand zou blijven weigeren, de gemeente, en den Heer der gemeente in het ouderlingschap te willen dienen.

Rutgers, F.L. (1922) 134

134. Welke formule moet bij het uitreiken van brood en wijn gebruikt worden?

 

(1906.)

222. Ik zie er volstrekt geen bezwaar in, dat ge in uwe gemeente bij de Avondmaalsviering de woorden uit 1 Cor. XI bij elken tafel herhaalt, al is dit in onze kerken nooit gebruik geweest, in geen enkele redactie van het Avondmaalsformulier. Hoe men juist in X en Y er aan komt, bij de Avondmaalsviering telkens de woorden uit 1 Cor. XI te gebruiken, weet ik niet. Maar indien er B.B. zijn, die in oprechtheid zulks wenschen, zie ik er zeker geen kwaad in, al doen ook al onze kerken anders (waar men hetzij de officieele redactie, hetzij de redactie, die in de meeste

|179|

uitgaven staat, volgt; in welke laatste slechts de woorden van 1 Cor. X, 16 staan). Als zij dan maar tevens gewaarschuwd worden aan den klank van die woorden niet een soort van „sacramenteele” of „magische” beteekenis toe te kennen, alsof de kracht eener Avondmaalsviering daarvan ook maar eenigszins afhing. De woorden van 1 Cor. XI kan men b.v. laten volgen op de woorden van de officieele redactie.

 

(1907.)

223. Ge schrijft me, dat er in de kerk te X enkele B.B. ouderlingen zijn, die bezwaar hebben tegen de formule, die in de Avondmaalsbediening, bij het uitreiken van brood en wijn, door onze oude en nog altijd geldige Liturgie aan de Dienaars des Woords is voorgeschreven; en dat zelfs een van die B.B. verklaarde, niet meer te kunnen aanzitten aan het H. Avondmaal, wanneer bij de bediening, in dat opzicht, het Avondmaalsformulier onzer Gereformeerde kerken gebruikt werd.

Laat men mij ten goede houden dat ik mij over die mededeeling ten zeerste verbaasd heb. Voor zooveel ik weet, heeft iets dergelijks zich in de geschiedenis onzer kerken nog nooit voorgedaan. Nog nooit is in onze kerken gesteld of gedacht, dat men bij de Avondmaalsbediening gebonden was aan bepaalde woorden. Wel bij de Doopsbediening, op grond van Matth. 28: 19. Maar niet bij de Avondmaalsbediening, juist omdat Gods Woord zelf, dat ons op onderscheidene plaatsen de instelling van het H. Avondmaal bericht, daarbij telkens geheel denzelfden inhoud onder verschillende bewoordingen mededeelt (Matth. 26: 26-28; Mark. 14: 22-24; Luk. 22: 19-20; 1 Kor. 11: 23. 25) en te dien aanzien in 1 Kor. 10: 16 wederom andere bewoordingen gebruikt. Natuurlijk moest de zaak, waarvan brood en wijn alsdan teekenen en zegelen zijn, bij de uitreiking op Schriftuurlijke wijze kort en duidelijk genoemd worden. Maar met welke bewoordingen zulks geschiedde, werd steeds geacht „een middelmatig ding” te zijn, door de kerken zelve te bepalen, en dan, terwille van gelijkvormigheid, door de gezamenlijke kerken; waarbij reeds de eerste

|180|

onzer Nederlandsche Constitueerende Synoden (die van Emden, 1571) uitsprak, dat men daarbij „zal toezien, dat het uitspreken der woorden mettertijd niet tot een schijn of waan van Consecratie getrokken worde” (Acta Emden, art. 21).

Die waarschuwing was destijds nog zeer noodig, omdat onze kerken nog maar pas van de Roomsche superstitiën waren vrijgemaakt en het volk daarmede ten deele nog wel bevangen was. Tot die Roomsche superstitiën hoorde ook, dat men voor de communie (of mis) het uitspreken van bepaalde woorden stipt noodig achtte; in verband met de Roomsche leer van de transsubstantiatie, die geacht werd op den klank van die woorden te geschieden. Daartegen moesten de Gereformeerden uit den aard der zaak ten sterkste protesteeren. En daardoor is dan ook begrijpelijk, dat in onze kerken later nooit bij iemand is opgekomen wederom naar Roomschen trant aan bepaalde woorden bijzonder te hechten of zelfs de beteekenis der Avondmaalsviering daarvan ook maar eenigszins te doen afhangen.

Ik begrijp niet, hoe dat nu in X op eens opkomt; nog wel bij de B.B. ouderlingen, bij wie toch zeker aan Roomsche superstitie wel niet kan gedacht worden, en bij wie ook wel niet te onderstellen is, dat zij van alle kerkelijke orde geheel afkeerig zijn, zoodat zij, met terzijdestelling van alle kerkelijke bepalingen, hunne eigene persoonlijke voorkeur voor eenige particuliere formule aan de kerk zouden willen opleggen.

Ik kan dit slechts hieruit verklaren, dat die B.B. niet weten, dat ons Avondmaalsformulier bij herhaling door Generale Synoden is vastgesteld, en dat daarbij altijd en immer de formule, bij het uitreiken van brood en wijn, uitdrukkelijk vastgesteld is, gelijk zij te lezen staat in de uitgave der Flakkeesche boekdrukkerij. Het is jammer, dat de bedoelde B.B. blijkbaar geen kennis genomen hebben van de noot, die ik in de genoemde uitgave bij de Avondmaalsformule gezet heb. Anders hadden zij daaruit kunnen lezen, dat onze kerken zelve die formule in de 16e eeuw bij herhaling juist aldus hebben vastgesteld, en dat dit bevestigd is bij de officieele vaststelling onzer Liturgie van wege de Dordtsche Synode van 1619. En indien zij soms twijfelden, of dat historisch bericht wel juist was, zou ik hun gaarne de boeken en de plaatsen

|181|

hebben opgegeven, waarin zij het zelven konden nazien. Zoo b.v. in de Acta der Synode van Dordrecht in 1574, art. 77; — in de Acta der Generale Synode van Dordrecht in 1578, art. 70; — in de Acta der Generale Synode van Middelburg in 1581, art. 30 van de Particuliere Vragen; en in de Acta van de Particuliere Zuid-Hollandsche Synode van den Haag in 1599, art. 50. En voor wat de Dordtsche Synode van 1619 betreft, is over de vaststelling der Liturgie het voornaamste te vinden in het werk van Prof. H.H. Kuyper, De Postacta (uitgegeven in 1899), blz. 391-412.

Denkelijk zijn de bedoelde B.B. ouderlingen eenigszins in de war gebracht door de omstandigheid, dat in de 17e eeuw, en vervolgens, de drukkers en uitgevers van kerkboeken, die blijkbaar onbekend waren met de kerkelijke bepalingen en bij hunne uitgaven geen deskundigen raadpleegden, bij ongeluk een tekst zijn gaan nadrukken, die ook wel uit de 16e eeuw was, maar die door de kerken juist niet was aangenomen. Reeds de Oud-Gereformeerde Trigland (de bekende woordvoerder der Gereformeerden tegenover de Arminianen, en de bekende schrijver onzer kerkelijke geschiedenis) klaagde in 1650, dat de drukkers destijds zonder eenige kennis van zaken hunne kerkboeken uitgaven, en als zij ergens maar een oud exemplaar vonden, eenvoudig nadrukten „by haer neus lancks, manneken nae manneken, sonder ondersoeck of het wel of qualyck is” (Kerckel. geschied. blz. 664). En zoo is allengs een tekst verspreid geworden, die op veel punten afweek van het door de kerken vastgestelde. In het Nederlandsch Hervormd kerkgenootschap is die onzuivere tekst ook thans nog in gebruik (ofschoon ook daar reeds eenige kerken den zuiveren tekst weer volgen). Maar in onze Gereformeerde kerken heeft de Generale Synode van Arnhem in 1902 den zuiveren tekst weer aanbevolen; met verwerping van den tekst der drukkers en uitgevers, die natuurlijk geenerlei recht hadden, den kerkelijk vastgestelden tekst eigenmachtig te veranderen.

Nu vermoed ik, dat de B.B. ouderlingen, de zaak niet onderzocht hebbende, eenvoudig gemeend hebben, dat de tekst der Liturgie, waaraan zij gewend waren, de echte tekst was. Nu, dat is eenvoudig een quaestie van historisch onderzoek. En indien zij

|182|

daartoe overgaan, zal dit zeker voor hen wel overtuigend zijn.

Boeken of geschriften over die formule bij de Avondmaalsviering bestaan er niet; omdat over dat punt nooit verschil of quaestie geweest is. Zelfs Voetius, die anders alle mogelijke quaesties, die maar denkbaar zijn, vrij uitvoerig behandelt, zegt over die formule alleenlijk, dat zij de hoofdzaak van de instelling en goddelijke belofte klaar en duidelijk moet samenvatten, zonder dat men aan de bewoordingen eene soort van tooverkracht toe, schrijve. (Polit. Eccl. Vol. I, p. 798). En de 17e eeuwsche Rotterdammer predikant Franciscus Ridderus, die een heel boek schreef van 792 blz. om de quaesties te behandelen, die er over Doop en Avondmaal in den loop der tijden zijn voorgekomen (onder den titel: „Historische Doop, Avondmaal en Discipline”, in 1671 uitgegeven) weet van de bedoelde formule alleen te zeggen, dat zij in de 16e eeuw door onze Synoden aldus is vastgesteld (n.l. gelijk zij in de Flakkeesche uitgave gedrukt is), zonder dat hij te dien aanzien van eenige quaestie melding maakt.

Ik zou het zeker ook niet wenschelijk achten, daarover thans in De Heraut of elders te schrijven. Reeds omdat het in onze kerken gelukkig volstrekt geen quaestie is (behalve dan bij enkele Xsche B.B.). En ook omdat onze kerken daardoor in de algemeene schatting zouden dalen, daar men smalend van haar zeggen zou, dat men nu zelfs over zulk een punt quaestie gaat maken.

Overigens moogt ge natuurlijk dit mijn schrijven laten lezen of doen toekomen aan wie ge maar wilt. Wat mij betreft, mag ieder wel weten wat ik daarin schreef. Maar voor de bedeelde B.B. ouderlingen zou publieke behandeling zeker minder aangenaam zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 135

135. Wie moet de schalen en bekers doorgeven, indien de Avondmaalsbediening in de banken plaats heeft?

 

(1915.)

224. Ge schrijft me, dat in uwe gemeente bij de bediening van het Heilig Avondmaal de leden, die daaraan wenschen deel te

|183|

nemen, op de plaatsen, die het dichtst bij den predikstoel zijn, bij elkander gaan zitten, waar dan de broodschalen en de bekers onder hen worden rond gegeven door den dienst der diakenen, die ze hiertoe van den dienaar des Woords ontvangen. Ge schrijft voorts, dat ge hiertegen het bezwaar hebt, dat zoodoende het waken tegen deelneming door iemand, die er niet toe gerechtigd is, min of meer geschiedt door de diakenen, terwijl het toch de roeping is der opzieners of ouderlingen. En dan vraagt ge mijn advies over een eventueel door U voor te stellen wijziging.

Zooals ge weet, hebben onze kerken nooit algemeene bepalingen gemaakt over de manier van Avondmaalsviering, die dan ook steeds en ook nu nog, zeer onderscheiden was en is.

Maar al zijn de kerken vrij in haar regelingen, ze moeten daarbij toch zooveel mogelijk de Gereformeerde belijdenis over het Heilig Avondmaal en over alles wat met zijn viering in verband staat, in toepassing brengen. En daarbij hoort o.a. ook, dat het toezicht op de deelneming door den predikant en de ouderlingen wordt uitgeoefend.

Waar, gelijk in de meeste kerken, een Avondmaalstafel wordt aangericht, geschiedt zulks van zelf, doordat aan de twee zijden der tafel, waar de leden aan haar aangaan, een ouderling plaats neemt. En zoo zou ook bij de viering als te X de gewoonte is, een tweetal ouderlingen, bij het begin van de samenkomst zich kunnen bevinden bij de toegangen tot de plaatsen, die voor de Avondmaalsgangers gereserveerd zijn.

Maar hetzelfde doel kan ook bereikt worden als, niet de diakenen, maar de ouderlingen het brood en den wijn aan de communicanten rondbrengen; en dit is dan ook zeker eenvoudiger, en nog beter berekend op het goed doen uitkomen van het toezicht der ouderlingen bij de Avondmaalsviering.

Toch is dit geen punt om moeilijkheden of quaesties in een gemeente te doen oprijzen. Er zijn gemeenten, waar men inzake oude gebruiken nogal conservatief is! In X schijnt dit echter niet zoo te zijn; en is zelfs de hulpdienst, die hier bedoeld is, vroeger (naar uw mededeeling) door de ouderlingen verricht, ’t geen eerst voor circa 20 jaren veranderd is; en toen alleenlijk door misverstand van Handel. 6, waar het „dienen der tafelen” blijkens

|184|

het verband, niet van de Avondmaalstafel te verstaan is, maar van de bediening der armen met hetgeen daarvoor op de tafelen werd nedergelegd; misschien ook van de bediening van hetgeen bij de liefdemaaltijden tot onderhoud van minvermogenden gegeven werd. Blijkens het bevestigingsformulier van diakenen, is dat ook de in onze kerken aangenomen opvatting. In X zou dus terugkeer naar de oude usantie wel geen bezwaar geven.

Voor het overige is er zeker niets tegen, dat ook de diakenen bij de Avondmaalsviering eenigen hulpdienst verrichten; o.a. om de redenen, die Voetius daarvoor aanvaardt, in zijn groote verhandeling over de Avondmaalsbediening (Polit. Eccl. Vol. I, pag. 731-834; herdrukt vóór ruim 30 jaren in de Bibl. Reformatorum Vol. III, pag. 200-281) bij de beantwoording der vraag: „Quousque Seniores aut Diacon: Ministrum in distributione iuvare possint” l.l. p. 748-750).

Rutgers, F.L. (1922) 136

136. Mag in inrichtingen voor zieken, ouden, enz. het Heilig Avondmaal bediend worden? En mogen aan zulke Avondmaalsbediening ook andere verpleegden, niet-leden der Gereformeerde Kerk, deelnemen?

 

(1913.)

225. Hiernevens den brief, dien Dr. A aan uw Kerkeraad adresseerde, terug. En nu wenscht ge mijn advies over zijne vraag, of de Geref. kerk van X aan de patiënten van Y ook gelegenheid kan geven tot het gebruiken van het Heilig Avondmaal. Waarbij, volgens de toelichting, de bedoeling is, dat dit dan geschiede in de stichting zelve, en dat ook patiënten, die niet tot eene Gereformeerde kerk van ons kerkverband behooren, met name Hervormden, daaraan zouden kunnen deelnemen.

Van dit laatste kan m.i. in ’t geheel geen sprake zijn. De roeping der opzieners, om zooveel mogelijk te zorgen, dat de Sacramenten niet ontheiligd worden, stelt hun den gebiedenden eisch, om niet tot het Avondmaal toe te laten dezulken, die nog steeds weigerden zich bij eene der Geref. kerken van ons kerkverband aan te sluiten en zich onder het opzicht en de tucht van de kerk te stellen.

|185|

Dit zou alleen mogelijk zijn ten aanzien van personen, die behooren tot eene buitenlandsche kerk, wier getuigenis omtrent belijdenis en wandel voor ons betrouwbaar is. En ook dan zou zulk een persoon, wanneer hij niet voor korten tijd, maar voor goed hier te lande was, eerst lid moeten worden van eene onzer kerken. Ik weet wel, dat er menschen zijn, (en ook buitenlandsche kerken) die de Avondmaalsviering geheel los maken van alle kerkelijk verband, en tot een soort van „onder-onsje” van geloovigen maken, waarbij deze eenvoudig elkander keuren, of ook (’t geen dan het meest gewone is) allen eenvoudig zonder eenig onderzoek op hun eigen verantwoording laten toetreden. Maar een goedGereformeerde die over kerk en Sacramenten beter onderricht is, kan er natuurlijk niet over denken, daaraan mede te doen.

Vanzelf geldt dit bezwaar niet ten aanzien van patiënten, die attest kunnen vertoonen, dat zij bij hunne komst op Y onbesproken en tot het Avondmaal toegelaten leden waren van eene onzer Gereformeerde kerken. Deze kunnen dan zeker op zulk een attest ook door den kerkeraad van X (onder wiens toezicht zij dan op Y zijn) tot het Avondmaal in die kerk worden toegelaten. En dan is ook denkbaar, dat die kerkeraad eene samenkomst der gemeente bepaalt buiten de stad op Y, en besluit, dat daarin het Avondmaal zal bediend worden aan alle Xsche gemeenteleden, en ook aan de patiënten, die hem als onbesproken leden van onze Geref. kerken bekend zijn.

Maar — de vraag is, of dat wel raadzaam en wenschelijk is. En, voor zoover ik weet, is die vraag in onze kerken vanouds af altijd ontkennend beantwoord.

Immers, het geval, waarover Dr. A. schreef (nl. dat er kranken zijn, die begeerte hebben naar het H. Avondmaal, maar die bezwaarlijk of in het geheel niet kunnen komen bij de daarvoor ingestelde kerkediensten), heeft zich, zooals ook wel van zelf spreekt, ten allen tijde en op vele plaatsen voorgedaan, ook met name in gasthuizen, ziekenhuizen, gestichten van ouden van dagen, enz. Maar ik geloof niet, dat men daarvoor ooit eene Avondmaalsviering bij particulieren of in gestichten heeft doen houden. Men kon tot zulke gemeenteleden dan met volle recht zeggen, dat de genade des Heeren en haar rechte genot niet tot het Sacrament

|186|

beperkt wordt, dat men aan des Heeren bevel wèl ongehoorzaam is en zichzelven wèl geestelijk schade doet, wanneer men het Sacrament minacht en eigenwillig verzuimt, maar geenszins wanneer het gemis door God zelven in den weg van krankheid wordt opgelegd, en voorts, dat het Sacrament toch ook nooit, op Roomsche en ten deele ook Luthersche manier, mag opgevat worden als een op zichzelf reeds werkend genademiddel, welke opvatting zelfs veelszins schadelijk is.

Om dat alles, en nog veel meer, zou ik uwen kerkeraad niet raden, op eigene autoriteit iets geheel nieuws in onze kerken te gaan invoeren. Het is eigenlijk eene quaestie, die alle onze kerken raakt; want er zijn een groot aantal plaatsen, waar stichtingen zijn voor ouden, kranken, enz., onder welke ook overal leden zijn van eene onzer kerken. Het best dunkt mij dus (om te voorkomen, dat niet de eene kerk „zus” en de andere „zoo” handelt; en ook omdat het een belang is van alle kerken), dat óf het bestuur van Y óf uw kerkeraad (op grond van de vraag van Dr. A) de noodige stappen doet om de zaak op de volgende Generale Synode aan de orde te stellen.

Rutgers, F.L. (1922) 137

137. Mag in den kring eener conferentie het Avondmaal bediend worden?

 

(1904.)

226. Voor het geval, dat de Zendingsconferentie in Nederlandsch Oost-Indië hare eerstvolgende samenkomst in Jogja houdt, en met het oog op de omstandigheid, dat tot besluit van die conferentie eene Avondmaalsviering pleegt gehouden te worden, vraagt gij mijn advies over de quaestie, wat ten aanzien van die Avondmaalsviering de houding en gedragslijn moet zijn van de missionaire Dienaars onzer kerken.

Ik begrijp ten volle, dat dat in uw midden eene quæstie geweest is, en dan eene quæstie, die tot onderscheidene beschouwingen en overwegingen aanleiding gaf. Aan den eenen kant toch houdt gij vast aan den ouden regel der Gereformeerde kerken, dat het Heilig Avondmaal alleen mag bediend worden in eene samenkomst van geloovigen die gemeentelijk verbonden zijn, — door een

|187|

Dienaar des Woords, die daartoe wettiglijk geroepen is, — en met kerkelijk toezicht op de belijdenis en den wandel van degenen die aan de viering wenschen deel te nemen. Maar aan den anderen kant wordt gij tevens gedrongen door de overweging, dat onder de vele millioenen, die het groote gebied van Nederlandsch Oost-Indië bewonen, naast de zending onzer kerken nog onderscheidene andere zendingen werkzaam zijn, en dat het dan alleszins wenschelijk is voor onze missionaire Dienaren, ook in het belang van de zending zelve en in het belang van de toekomstige inlandsche kerken, om met andere arbeiders op hetzelfde terrein, die wel met onze kerken in geenerlei verband staan, maar toch op de fundamenteele punten met hare belijdenis instemmen, zooveel mogelijk samen te werken en broederlijke gemeenschap met hen te oefenen.

Het is blijkbaar deze laatste overweging, die de deelnemers aan de zendingsconferentie ertoe gebracht heeft, hunne vergaderingen met eene Avondmaalsviering te besluiten; ’t geen bij hen, althans bij velen hunner, ook geen bezwaar kon opleveren, daar zij voor de Avondmaalsviering den bovengenoemden regel der Gereformeerde kerken niet erkennen, maar feitelijk, en ten deele ook principieel, als regel aannemen, dat de viering van het Heilig Avondmaal eigenlijk in het geheel geen kerkelijk karakter draagt, — dat aan ieder, die geacht wordt „geordend” te zijn, de bevoegdheid om het overal te bedienen persoonlijk eigen is, — en dat de bediening dan geschieden kan in elken kring, die op algemeen Christelijken grondslag samenkomt; — terwijl voorts de deel neming aan eens ieders eigene conscientie wordt overgelaten,

Natuurlijk kunnen menschen van Gereformeerde geloofsovertuiging daaraan niet mededoen. In Nederland niet; en nog veel minder op Java, waar het toch al zoo moeilijk is, het begrip van „kerk”, en van al wat daarmede samenhangt, aan de inlanders eenigszins duidelijk te maken, en waar eene practijk onzer Dienaren zelven, welke met hunne leering geheel in strijd zou zijn, nog veel schadelijker werken zou dan hier te lande. Daarom hebt gij zelven dan ook reeds uitgemaakt, dat gij u op geenerlei wijze kunt voegen naar de practijk. die tot dusver in dit opzicht door de zendingsconferentie gevolgd is.

Maar wel blijft dan nog de vraag, of er ook een middel is

|188|

om, met handhaving van den regel der Gereformeerde kerken, toch aan eene zendingsconferentie te Jogja eene Avondmaalsviering te verbinden. En te dien aanzien is in uwe vergadering het denkbeeld geopperd, dat door den missionairen Dienaar, die in Jogjacarta gevestigd is om aldaar, uit kracht van zijne roeping en instructie door den Gereformeerden kerkeraad van Amsterdam, het Woord en de Sacramenten te bedienen, eene Avondmaalsviering te Jogja gesteld worde op den laatsten dag van de zendingsconferentie, waarbij hijzelf of een der andere Dienaren onzer Gereformeerde kerken dan het Avondmaal bediene, en waarbij tot viering ook worden toegelaten „zij, die instemming betuigen met de 12 Artikelen des geloofs, en van wie bekend is, dat hun wandel in overeenstemming is met hunne belijdenis.”

Vraagt ge nu mijn gevoelen over zulk een gedragslijn, dan moet ik zeggen, dat ik tegen de daaraan ten grondslag liggende hoofdgedachte geen overwegend bezwaar zie; mits (en hierop leg ik nadruk) mits de bedoelde toelating, waarover in uw brief slechts in algemeene termen gesproken wordt, goed geregeld worde en nog wat meer worde geprecieseerd.

Wel is het, op zichzelf beschouwd, eenigszins vreemd, dat de tijd eener Avondmaalsviering naar eene buitenkerkelijke vergadering geregeld wordt, en dan misschien zelfs op een werkdag gesteld wordt. Maar daartegenover kan gelden, dat die vergadering eene zendingsconferentie is, en dat op Java in den zendingsarbeid samenbinding van geestverwanten alleszins wenschelijk is. En diezelfde omstandigheid kan ook een motief zijn, om zulke medearbeiders, ook al behooren zij niet tot eene der Gereformeerde kerken, of zelfs niet tot een kring, die als kerk te erkennen is, tot die Avondmaalsviering toe te laten.

Maar dit alles dan toch zoo, dat noch het kerkelijk karakter van de Avondmaalsviering, noch het kerkelijk toezicht op de toelating, worde verloochend of ter zijde gesteld, en dat bij de zendingsconferentie zelve te dien aanzien ook geen misverstand zijn kan.

Bij een dergelijk voorstel, dat van uwentwege aan het bestuur van den zendingsbond mocht gedaan worden, zal dus m.i. duidelijk moeten uitkomen:

|189|

1º dat de bedoelde Avondmaalsviering niet behooren kan tot het programma van de zendingsconferentie, noch van deze kan uitgaan, maar dat zij gehouden wordt in den kring der Christenen die te Jogja gemeentelijk samenkomt (Europeanen en inlanders, voor zooveel zij aan een dienst in het Hollandsch kunnen deelnemen), onder leiding van den predikant dien de kerkeraad der Gereformeerde kerk te Amsterdam voor den dienst des Woords en der Sacramenten te Jogja gesteld heeft, of van een der andere missionaire dienaren der Gereformeerde kerken;

2º dat dienovereenkomstig deze Avondmaalsviering gehouden wordt, niet onder de verantwoordelijkheid van de zendingsconferentie, maar onder de verantwoordelijkheid, en dus ook onder het toezicht van den genoemden predikant, in overleg met de andere missionaire dienaren der Gereformeerde kerken; waarbij deze allen uit den aard der zaak gebonden zijn aan de regelen, die zij met de genoemde kerken belijden conform Gods Woord te zijn;

3º dat zij daardoor zeker niet verhinderd worden, ook broeders, die niet tot de genoemde kerken behooren, tot de bedoelde Avondmaalsviering toe te laten, maar dat zij daardoor wèl verplicht worden zelven over zulke toelating opzicht te houden, zoodat zij dit niet aan anderen, ook niet aan het bestuur van den Zendingsbond of aan de zendingsconferentie kunnen of mogen overlaten;

4º dat dus, in geval het bestuur van den Zendingsbond aan de missionaire dienaren der Gereformeerde kerken zijnen wensch te kennen geeft, dat er aan het einde van de zendingsconferentie zulk eene Avondmaalsviering gehouden worde, tijdig, althans een paar dagen vóór die viering, aan de vergadering van genoemde dienaren zal zijn mede te deelen, welke leden, begunstigers en bezoekers van de zendingsconferentie aan die viering zouden willen deelnemen (welke mededeeling deze broeders ook door middel van het bestuur kunnen doen) ; maar dat de missionaire dienaren der Gereformeerde kerken zich niet van tevoren kunnen verbinden, die allen tot de Avondmaalsviering toe te laten, daar zij het hun toevertrouwde kerkelijk opzicht niet uit handen mogen geven, ook niet aan het bestuur van den Zendingsbond, zelfs al had dit een kerkelijk karakter;

|190|

5º dat zij echter bij de beoordeeling van de boven bedoelde aanvragen tot toelating gaarne zoo ruim, als hunne conscientie toelaat, willen te werk gaan, en dus met betrekking tot den Christelijken levenswandel het getuigenis van het bestuur van den Zendingsbond gaarne zullen aannemen (altijd behoudens het wel onwaarschijnlijke maar toch mogelijke geval eener uitzondering op dien regel), en ook met betrekking tot de belijdenis niet als voorwaarde zullen stellen, dat men in alle stukken der leer met de Gereformeerde belijdenis geheel instemme; maar dat zij te dien aanzien niet voldoende kunnen achten, dat men slechts op eenigerlei wijze betuigd of getoond hebbe, mede te staan op den grondslag van de algemeene Christelijke belijdenis in de 12 Artikelen des geloofs; waarmede immers ook instemming betuigd werd en wordt, door de Roomschen, door de Griekschen, en door velen, die toch inderdaad van de Christelijke belijdenis geheel waren of zijn afgeweken;

en 6º dat zij, om degenen, die aan de Zendingsconferentie deel nemen, tot de bedoelde Avondmaalsviering toe te laten, dus ten aanzien van de belijdenis de te stellen voorwaarde nog wat nader moeten omschrijven, nl. aldus, dat de genoemde broeders, voor zoover zij op het punt van belijdenis niet reeds genoeg bekend zijn aan een der missionaire dienaren der Gereformeerde kerken om op diens getuigenis zonder meer te worden toegelaten, persoonlijk verklaren van harte in te stemmen met de 12 Artikelen des geloofs, gelijk die nader ontwikkeld worden in den Heidelbergschen Catechismus, of in een ander, alsdan uitdrukkelijk op te geven kerkelijk belijdenisschrift, dat naar het oordeel van de missionaire dienaren der Gereformeerde kerken een voldoenden waarborg geeft voor overeenstemming in de grondslagen van de Christelijke belijdenis.

Indien door uwe vergadering in dier voege aan het bestuur van den Zendingsbond geschreven wordt, dan verwacht ik zeker niet, dat uw voorstel, ook al werd het nog zoo broederlijk ingekleed, zal worden aangenomen. Daarvoor zal het duel te veel in strijd zijn met de beschouwing, volgens welke de dienst des Woords en der Sacramenten kerkelijk verband en kerkelijke regeling en kerkelijk toezicht niet noodig heeft. Maar ik acht het toch niet ondienstig,

|191|

dat het voorstel gedaan worde; vooreerst, omdat gij daardoor toonen kunt, dat gij, voor zooveel uwe conscientie slechts toelaat, broederlijke gemeenschap zoekt met de medearbeiders op het Zendingsveld; en voorts, omdat gij daardoor de Gereformeerde beschouwing van de kerk en van al wat met haar samenhangt eenigszins kunt doen kennen, en misschien wel sympathie daarvoor vinden of winnen zult bij sommige deelnemers aan de zendingsconferentie zelve.

Voor het overige is er natuurlijk niets tegen, om, indien zulks u beter voorkomt, aan het bestuur van den Zendingsbond eenvoudig te schrijven, dat het u aangenaam zijn zal, de zendingsconferentie in Jogja te ontvangen, maar dat, indien die Conferentie wederom ten besluite van hare vergaderingen eene Avondmaalsviering op haar programma plaatst, gij daaraan niet zult kunnen deelnemen, met korte opgave van de redenen, waarom gij dit niet zult kunnen.

Tenslotte kan ik hier nog aan toevoegen, dat ik gemeend heb, voordat ik u antwoordde, den Amsterdamschen kerkeraad te moeten raadplegen, daar het deze kerkeraad is, onder wiens verantwoording de bediening des Woords en der Sacramenten te Jogja geschiedt, door wiens roeping de predikant aldaar werkzaam is, en aan wiens instructie en toezicht de bedoelde dienst onderworpen blijft. Deze kerkeraad nu, het bovenstaande schrijven in zijn geheel gehoord hebbende, heeft verklaard zich in hoofdzaak met dat advies te vereenigen.

Rutgers, F.L. (1922) 138

138. Voor welk doel moet de opbrengst der Avondmaalsbussen bestemd worden?

 

(1909.)

227. Voor zoover ik weet, zijn er in Gereformeerde kerken nooit algemeene bepalingen gemaakt over de bestemming der collecte, die bij de Avondmaalsviering door middel van schalen of bussen gehouden wordt. Inderdaad zou zulks ook niet hebben kunnen geschieden. Want voor alle kerkelijke collecten geldt de algemeene regel, dat de bestemming afhangt van de onderscheidene behoeften, ter beoordeeling van den kerkeraad, die de collecte

|192|

bepaalt; waarbij de gelegenheid, bij welke gecollecteerd wordt ook eenigszins in aanmerking komt, maar toch niet in de eerste plaats.

Daardoor is dan ook in verre de meeste kerken door den kerkeraad bepaald, dat de Avondmaalscollecte voor de Diakonie zou zijn (soms nog met speciale bepaling, b.v. voor de Weezen), omdat in den regel de Diakonie bij lange na niet genoeg heeft, om in den geheelen dienst der Christelijke barmhartigheid te voorzien; waarbij dan ook zeker deze gedachte medewerkte, dat, bij de herdenking van Christus’ offerande voor ons, de offervaardigheid der geloovigen zich het liefst richt op de armen, die Hij in zijne plaats achterliet, om aan hen te doen wat men gaarne voor Christus zou overhebben.

Het kan echter ook voorkomen, dat ergens eene diakonie is, die rijke inkomsten heeft bij weinige te verzorgen armen, en die dus eene extra-collecte volstrekt niet noodig heeft; terwijl terzelfder plaatse de kerkekas zeer hulpbehoevend is. En alsdan zou een kerkeraad zeker wijs doen, als hij zulke extra-collecte voor de kerkekas bestemde. In kerken, waar dit thans nog geschiedt, heeft zulke bestemming dan ook doorgaans haren historischen oorsprong in groote armoede van de kerkekas, bij rijkdom van de diakoniekas.

Intusschen moet m.i. een kerkeraad daartoe niet te spoedig overgaan. Immers, de uitgaven, die de kerkekas te doen heeft, strekken ter voldoening van schulden, die de gemeente voor den dienst des Woords en der Sacramenten heeft aangegaan. Wat men daarvoor geeft, is dus niet eene gave der Christelijke barmhartigheid (gelijk gaven aan de Diakonie altijd zijn), maar eene bijdrage ter voldoening van een schuld, voor welke men als gemeentelid mede aansprakelijk is, dus eene gave, die uit gewone eerlijkheid voortspruit. Zulke bijdragen te vragen, hoort dus eigenlijk aan de Avondmaalstafel minder thuis. En het zou zelfs den schijn hebben, alsof men het brood en den wijn door de aanzittenden liet betalen; eenigszins naar den trant der Roomsche kerk, waarin elke kerkelijke handeling aan dengene, voor wien zij geschiedt, geld kost. In Gereformeerde kerken voorziet de gemeente, in haar geheel, in alle kosten van den kerkedienst; en voorts krijgt ieder het Woord en de Sacramenten om niet.

|193|

Daarom is er dan ook geenerlei grond, om de kosten der Avondmaalsbediening door de diakonie te doen dragen; alsof de Avondmaalsbediening eene stoffelijke ondersteuning was eens hulpbehoevenden, een werk der Christelijke barmhartigheid. En dat kan het toch ook niet worden, enkel doordat bij die gelegenheid voor de diakonie gecollecteerd wordt; evenmin als de diakonie geroepen is bij te dragen voor den dienst des Woords, bij welken immers ook voor de diakonie wordt gecollecteerd.

Ziedaar in het kort mijn gevoelen.

 

(1913.)

228. Ge schrijft mij, dat in uwe kerk de opbrengst van de bussen aan de Avondmaalstafel voor den kerkedienst bestemd wordt, terwijl die naar uw oordeel voor de diakonie moet bestemd worden. En daarover vraagt ge dan mijn gevoelen.

Bij alle collecten, die er in een kerk gehouden worden, wordt het doel, waarvoor dit geschieden zal, door den kerkeraad bepaald; en deze heeft dus in formeelen zin ook de vrijheid, de bedoelde collecte aan de Avondmaalstafel voor de kerk te bestemmen.

Er zijn zelfs gevallen denkbaar (en ook wel voorgekomen), dat deze zaak raadzaam is, nl. als een kerk in het geheel geen armen te onderhouden heeft en als de diakonie bovendien rijk is aan goederen, terwijl daarentegen de kerkelijke administratie met groote geldelijke bezwaren heeft te tobben.

Maar zoo zal in uwe kerk de toestand van de diakonie wel niet zijn. En alsdan moet m.i. bij de bestemming van de bedoelde collecte op den voorgrond staan, welk karakter aan die collecte moet worden toegekend.

De collecten in onze kerken hebben nl. tweeërlei geheel verschillend karakter. Voor het grootste deel zijn zij inzameling van liefdegaven (tot ondersteuning van hulpbehoevende broeders en zusters, van hulpbehoevende kerken, en van allerlei hulpbehoevende christelijke werkzaamheid), die gegeven worden, niet om daarmee een schuld te vereffenen, maar uit christelijke liefde en dankbaarheid, en die door de daarmede ondersteunden ontvangen worden

|194|

niet als betaling van hetgeen hun wettiglijk zou verschuldigd zijn, maar als een geschenk van den Heere, dat door middel der geloovigen hun ten deel valt.

Dat is echter niet het karakter van een collecte voor de kerk. Deze toch moet dienen om den kerkeraad in staat te stellen de uitgaven, die hij voor en uit naam van de gemeente voor de onderhouding van den kerkedienst te doen heeft, te bestrijden. Hiervoor zijn de gaven der gemeente dus geen liefdegaven (al moeten zij natuurlijk steeds met liefde gegeven worden), welke zij desverkiezende ook voor een ander christelijk doel zouden mogen besteden, maar eenvoudig de door hen verschuldigde bijdragen tot bestrijding van de voor hen gemaakte kosten, dus tot vereffening van hun schuld in dezen. En wie daarvan iets ontvangt (als betaling voor geleverd werk, of als tractement of als salaris of anderszins), die ontvangt dat niet als een geschenk, maar als een betaling, waarop hij recht heeft.

Hiermede zou zeker het meest in overeenstemming zijn, dat voor de kerkelijke uitgaven niet gecollecteerd werd, maar dat al het daarvoor benoodigde bijeenkwam door inschrijvingen, waarbij ieder gemeentelid, naar de mate van zijne draagkracht en van de behoefte, zijne vaste bijdrage gaf. Maar aangezien op die wijze in verre de meeste kerken niet genoeg bijeenkomt, zijn de collecten daaraan toegevoegd, waarbij echter ook dan altijd gelden blijft, dat die niet zijn een inzameling van liefdegaven, maar een inzameling van verschuldigde bijdragen.

Ten aanzien van de collecte aan de Avondmaalstafel wordt dan de vraag, welk karakter die collecte liefst moet dragen. Moet zij een inzameling zijn van liefdegaven, of wel een inning van verschuldigde bijdragen voor den dienst? En dan zal, dunkt mij, wel ieder gevoelen, dat aan de Avondmaalstafel, bij de verkondiging van den verzoeningsdood onzes Heeren, het vragen van een liefdegave (dus voor de diakonie) meer passend is dan het inzamelen van een verschuldigde bijdrage voor de kerk.

Of het nu raadzaam is, dat ge in den kerkeraad hiertoe het voorstel doet, kan ik niet beoordeelen, daar ik met personen en omstandigheden niet bekend ben. Het zou een ander geval zijn, indien de bestemming der bedoelde collecte voor de kerk een

|195|

zondige misstand was. Maar zoo staat de zaak niet. En daarom moet hiervan niet een quaestie gemaakt worden, die tot twisting en verdeeldheid en ontstichting aanleiding zou geven.

Rutgers, F.L. (1922) 139

Artikel 70.

Alzoo behoorlijk is, dat de huwelijke staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de Kerkeraden daarop toezien.

 

139. Mag een huwelijk met broeders- of zusterskind, met weduwe van den broeder, met neef of nicht, kerkelijk bevestigd worden?

 

(1892.)

229. Ge vraagt mij, of de kerkeraad het huwelijk van een weduwnaar met de weduwe zijns broeders al dan niet in strijd met Gods woord moet achten, en of hij het alzoo mag en dus ook moet, bevestigen, dan wel of hij de personen censureeren moet.

Mijn eigen persoonlijk gevoelen te dien aanzien zou ik u natuurlijk wel met weinig woorden kunnen zeggen. Maar daaraan hebt ge niet veel. In alle quaesties van zedekunde, en bepaaldelijk in gevallen der conscientie, moet ieder zelf uit Gods woord overtuigd zijn, en moet ieder zijn eigen conscientie hooren. Ik zou dus mijn gevoelen moeten motiveeren. En daartoe ontbreekt mij ten eenenmale de tijd.

In de 16e eeuw werd huwelijk in den graad van zwagerschap door alle reformatoren (behalve door Luther) in strijd geacht met Lev. 18 en 20, en bloedschande genaamd. Zoo oordeelden ook de Gereformeerde kerken; hier te lande b.v. in 1578 en 1580, (ofschoon de Provinciale Synode van Noord-Holland tweemaal in voorkomende

|196|

gevallen anders oordeelde: Acta 1605, art. 26 en 1606, art. 27); en eveneens de meeste burgerlijke overheden. Later echter is in die opvatting wel wijziging gekomen. In de laatste jaren vooral is er in Duitschland, Engeland en Noord Amerika veel over geschreven en gedebatteerd. En reeds sedert lang acht men zoodanig huwelijk in Duitschland, met dispensatie geoorloofd (meest Darbysten enz. zijn er tegen, al wordt soms door hen het beroep op Lev. 18 en 20 ook opgegeven). In Engeland daarentegen blijft het door de oppositie der bisschoppen, tegen alle verandering, streng verboden. En in Amerika gaan de gevoelens uiteen; terwijl de Gereformeerde kerken er meest de practijk volgen om het aan ieders conscientie over te laten. Nu zou ik u wel een aantal geschriften uit die landen kunnen opgeven, welke die quaestie behandelen. Maar daaraan hebt ge niet veel. En een korte resumtie te geven van de gronden pro en contra gaat ook niet. Er zijn hier exegetische vragen (de vraag van de strekking van Lev. 18, in verband met Lev. 20 en Deut. 25 en 27); dogmatische vragen (de blijvende beteekenis van de burgerlijke wetgeving voor Israel); zedekundige vragen (het wezen van het huwelijk rakende); historische vragen (de opvatting en toepassing van Lev. 18 onder Israel), enz., die niet met een enkel woord zijn uit te maken. De Christelijk Gereformeerde kerk is het op dit punt, zooals ge weet, eens met de Nationale Synode der 16e eeuw. Onze Nederlandsche Gereformeerde kerkeraad heeft hier in Amsterdam echter geen bezwaar gemaakt tegen kerkelijke bevestiging van een huwelijk van een weduwnaar met de zuster zijner overleden vrouw, die zelf te dien aanzien geenerlei conscientie bezwaar had.

 

(1900.)

230. Een huwelijk tusschen neef en nicht acht ik in den regel niet wenschelijk, maar moreel bezwaar zie ik daartegen toch niet, alsof het een door God verboden huwelijk zijn zou. Daarom zie ik dan ook geen reden, waarom tegen de kerkelijke bevestiging zou worden bezwaar gemaakt.

Maar zelfs al had ik zulk een bezwaar, dan zou ik toch nog

|197|

oordeelen, dat over zulke quaesties niet één enkele kerkeraad mag beslissen (en dan misschien in de ééne kerk anders dan in de andere), maar alleenlijk alle kerken van het kerkverband in Generale Synode. Tot dusver leggen onze kerken zich neêr bij de beslissing der Overheid inzake het huwelijk. En meent nu iemand, dat daartegen bezwaar is, dan moet hij dit niet zelf uitmaken willen, maar bij de gezamelijke kerken brengen, natuurlijk met deugdelijke motieven. En deze zouden dan moeten zien, of zij zich te dier zake tot de Overheid moeten wenden, om wetsverandering te krijgen; welke poging toch altijd zou moeten voorafgaan aan een conflict tusschen Overheid en kerk, ’t geen altijd eene zeer ernstige zaak is. Wie een huwelijk ongeoorloofd verklaart, moet ook de kinderen onecht noemen, en dat zou nog al moeielijkheid geven; in ieder geval is ’t een zaak, die door de gezamenlijke kerken na rijp overleg zou te beslissen zijn. Tot dusver althans zijn ter zake van huwelijk tusschen neef en nicht geen gemotiveerde bezwaren bij de kerken ingekomen.

 

(1904.)

231. Over het geoorloofde van een huwelijk in den door u genoemden graad van verwantschap wordt (en werd) onderscheidenlijk geoordeeld,

Voor een kerkeraad houd ik het meest raadzaam, om in huwelijkszaken de beslissing der Overheid te volgen, zoolang de kerken zelve tegen de Overheidsregeling niet opkwamen.

Maar wanneer een kerkeraad in conscientie meent, daarbij niet te kunnen medewerken, zou ik er geen quaestie over maken.

 

(1909.)

232. Gaarne beantwoord ik uwe vraag „zoo spoedig mogelijk”, maar daarbij ontbreekt mij dan de tijd, om de quaestie, die ge ter sprake brengt behoorlijk te behandelen.

Reeds van ouds is in de Roomsche kerk een huwelijk met een

|198|

broeders- of zusterskind ongeoorloofd geacht (evenals een huwelijk met de zuster der overleden vrouw); en in de Protest. kerk is dit ook meest geschied; maar toch niet door ieder, en ook niet op den duur. Naar de burgerlijke wet is het thans dan ook mogelijk. En de algemeene practijk is in onze kerken, dat men zich ten dien aanzien schikt naar de burgerlijke wet, en dus zulk een huwelijk ook kerkelijk bevestigt.

Ik geloof ook, dat één enkele kerkeraad daarvan niet moet afwijken, ook al heeft hijzelf bezwaren. Indien die bezwaren overwegend zijn, dan zijn het de gezamenlijke kerken, die zich daarover moeten uitspreken, en dan naar omstandigheden daaromtrent besluiten hebben te nemen, opdat er eenparigheid zij. Nu de gezamenlijke kerken te dien aanzien geen stappen deden, zou ik een plaatselijke kerk niet raden, zelve een afwijkende beslissing te nemen, die misschien zonder noodzaak zou kunnen leiden tot eenig conflict met de Overheid, en tot allerlei moeielijkheden.

 

(1910.)

233. Over de quaestie van het al- dan niet-verboden zijn van huwelijken tusschen oom en nicht of tusschen tante en neef, en van het al- dan niet-absolute van zulk een verbod is zoo ontzaggelijk veel gedebatteerd en geschreven, dat ik geen kans zie om in een brief ook maar een summair overzicht te geven van het allervoornaamste pro en contra. En aan een bloote mededeeling van mijn eigen particuliere gevoelens zoudt ge natuurlijk niets hebben.

In onze kerken volgt men doorgaans den regel, dat men zich in zake huwelijksquaesties bij de beslissingen der overheid nederlegt; ’t geen ook kan, zoolang de overheid geen bepalingen maakt, die klaarblijkelijk met Gods ordinantiën in strijd zouden zijn. Indien iets dergelijks geschiedde, zouden onze kerken zich daartegen moeten verzetten; door protest bij de overheid, en ook practisch door haar eigen houding. Dit zou dan echter niet plaatselijk moeten geschieden, door een enkelen kerkeraad, terwijl een andere kerkeraad misschien anders dacht en handelde; maar collectief, door de gezamenlijke kerken.

|199|

Inzake een huwelijk als boven bedoeld, is, zooals ge weet, de overheidsbepaling, dat het verboden is, tenzij de Koning voor dat verbod dispensatie geeft (geheel eveneens als bij het verbod van huwelijk met een schoonzuster of zwager); en doorgaans wordt zulke dispensatie ook gegeven; ’t geen natuurlijk geschied is, wanneer het huwelijk burgerlijk is voltrokken, daar anders dit laatste onmogelijk is.

Voor een kerkeraad acht ik dus het veiligst en het raadzaamst, zulk een overheids-dispensatie te erkennen; dus ook het huwelijk als wettig te accepteeren, en kerkelijk te bevestigen.

Natuurlijk kunnen er omstandigheden zijn, die een kerkeraad aanleiding geven van tevoren het huwelijk te ontraden (b.v. in bepaalde familie-verhoudingen, of wanneer een der twee partijen toch eigenlijk gemoedsbezwaren ertegen heeft, ’t geen dan later het huwelijk ongelukkig zou maken; enz.). Maar daarover kan ik vanzelf in casu niet oordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 140

140. Mag een weduwnaar met zijn stiefdochter huwen?

 

(1912.)

234. Naar aanleiding van een zeer ergerlijk en treurig geval, dat zich in uwe gemeente voordoet, vraagt ge mij, of de kerkeraad bij den man, die als weduwnaar met zijne stiefdochter in zondige gemeenschap leefde, erop mag en moet aandringen, dat zij met elkander huwen.

Hierop moet het antwoord eenvoudig zijn, dat daarvan geen sprake zijn kan, aangezien hier te lande (gelijk ook buitenslands) zulk een huwelijk tusschen vader en dochter (of stiefdochter, die hierbij in onze wet met eene eigene dochter terecht wordt gelijkgesteld) absoluut verboden is in onze burgerlijke wet (B. W. art. 87), en daarvan geenerlei dispensatie mogelijk is.

Dit is op zichzelf natuurlijk volkomen afdoende; zoodat ook niet verder behoeft gesproken te worden over andere bezwaren tegen zulk een huwelijk (waar uw brief ook van spreekt).

Rutgers, F.L. (1922) 141

|200|

141. Mogen gemengde huwelijken kerkelijk bevestigd worden?

 

(1894.)

235. In gevallen van huwelijksbevestiging, als waarvan uw brief spreekt, laat de kerkeraad alhier het al of niet toelaten van de kerkelijke bevestiging afhangen van het antwoord op de vraag of er grond is om te verwachten, dat het te vormen gezin zich bij de Gereformeerde kerk zal aansluiten. Natuurlijk wordt, zoolang er iets aan te doen is, en er geen moeten bij is, een huwelijk met een Roomsche of ongeloovige of ook in verkeerd kerkverband levende, zoo sterk mogelijk ontraden. Maar als het (gelijk bijna altijd) toch doorgaat of doorgaan moet, dan wordt met den dissentieerende gesproken van wege den kerkeraad. En wanneer dan blijkt, dat de dissentieerende de Gereformeerde wederhelft niet wil belemmeren of bemoeielijken op religieus gebied, en de eventueele kinderen Gereformeerd wil maken, en zelf ook neiging toont om leerzaam te zijn, dan rekenen we hier, dat de kerkelijke bevestiging kan doorgaan. Blijft daarentegen de Roomsche of ongeloovige enz. vijandig, dan kan het gezin niet als Gereformeerd beschouwd worden; althans niet, wanneer de man, het hoofd van het gezin, vijandig is. Beiden moeten toch de vragen van het huwelijksformulier met ja kunnen beantwoorden.

 

(1908.)

236. Bij de vele en velerlei gevallen, die zich kunnen voordoen bij aanvragen over huwelijksbevestiging in de Gereformeerde kerk, is altijd een hoofdvraag, of het door dat huwelijk te formeeren gezin, al dan niet, tot de Gereformeerde kerk zal behooren, ’t geen ten slotte afhangt van het hoofd van dat gezin, zoodat de bruidegom, als het aanstaande hoofd, dit genoegzaam moet waarborgen, hetzij door de kerkelijke positie, die hij reeds heeft, of door eene stellige en formeele verklaring te dien aanzien aan den kerkeraad, bij wien de aanvrage inkwam.

Dienovereenkomstig zou ik, in uwe plaats, dan ook nu den

|201|

kerkeraad adviseeren te handelen, bij het thans voorkomend, nog al gecompliceerd,  geval. Indien daarbij het gezin „Darbyst” zou worden, of tot eene kerk buiten ons kerkverband zou behooren, dan hoort de huwelijksbevestiging in onze Gereformeerde kerk niet thuis; en dan mag ook eigenlijk de bruidegom ze niet eens vragen aan een kerkeraad, dien hij niet als een kerkeraad van de zuiverste openbaring van Christus’ lichaam erkent. Hij moet zich dan wenden tot de voorgangers van den kring, waartoe hij behoort en wil blijven behooren, en waarin hij ook zijn gezin wil zien opgenomen.

 

(1912.)

237. Het rapport van de broeders A en B inzake huwelijksbevestiging heb ik met veel genoegen gelezen, en evenzeer met veel instemming, terwijl ik ook geenerlei bezwaar heb tegen de conclusies.

De opstellers hebben wijselijk vermeden, een groot aantal conclusies te willen uitdenken, waarin voor alle gevallen, die bij mogelijkheid zouden kunnen voorkomen, een regel geformuleerd werd, waarin kerkeraden dan aanstonds een voorschrift zouden vinden voor ieder geval, dat zich in de practijk voordeed. Zoo iets kan natuurlijk niet, omdat de gevallen in de praktijk zoo honderdvoudig verschillend zijn. En daarom kunnen alleen grondbeginselen tot leiddraad gegeven worden;  gelijk hier geschiedt; en dan met de 1e conclusie voorop: elk bijzonder geval afzonderlijk daarnaar te beoordeelen.

Ook vind ik zeer juist, dat in de 2e conclusie niet absoluut gezegd wordt, dat een huwelijk met een ongedoopte in geen geval ooit zou mogen bevestigd worden. Het rapport zelf deed mij dat eenigszins vreezen, door de, op twee na, laatste alinea van punt I. Maar ook aldaar was het „ongedoopt zijn” terecht nader verklaard door de bijvoeging „en niet gedoopt willen worden” en „verklaren buiten het Christelijk erf te behooren.” Dat was ook de bedoeling onzer oude Synoden, ook van de Dordtsche van 1619; blijkens het rapport aan die Synode (door Voetius zelf gesteld), waarin voortdurend sprake is van personen,

|202|

die niet „gedoopt zijn en die ook niet gedoopt willen zijn” of „die verachters zijn van den Doop” (welk rapport door Voetius is afgedrukt, in zijn geheel in de Pol. Eccl. Vol. II, p. 117-123). Het geval, dat iemand, die trouwen wil en nog ongedoopt is, wel gedoopt wil worden, maar (doordat bij een volwassene de Doop ook toelaat tot het Avondmaal) door den kerkeraad nog niet tot den Doop kan worden toegelaten voordat hij nog eenige weken of maanden onderwezen en beproefd is, terwijl er tevens groot bezwaar is tegen zulk een lang uitstel van het huwelijk, — dit geval is in het rapport van Voetius zelfs in ’t geheel niet behandeld, en ook blijkbaar in de Synode niet. Trouwens, het zal wel zelden voorkomen. Maar het kan toch voorkomen; en, wanneer dan van den persoon, dien het geldt, geenszins kan gezegd worden, dat hij „vreemd is aan, of vijandig jegens de vreeze Gods”, maar veeleer het tegendeel, dan zou ik bij zulk eenen het ernstig gebleken voornemen, om zoodra het kan tot den Doop te worden toegelaten, en de belofte om zich daartoe in den weg der middelen te blijven stellen, voldoende achten om, indien er bezwaren zijn tegen uitstel van het huwelijk, dit ook kerkelijk te doen bevestigen; altijd natuurlijk onder de voorwaarden die in de 3e conclusie van uw Classe rapport gesteld worden.

Ten aanzien van die voorwaarden zou ik, als ik zelf zulk een rapport stelde, in de formuleering der conclusies mij zeer goed kunnen vinden, maar in het voorafgaande er nog wat meer nadruk op gelegd hebben, dat bij kerkelijke huwelijksbevestiging van gemengde huwelijken voor de kerk een hoofdzaak is, tot welke kerk het nieuwe gezin, dat nu geformeerd wordt, zal behooren. Dit staat ook wel in het rapport, en ligt geheel ten grondslag aan de conclusiën, maar is in het rapport niet zoo sterk geaccentueerd, dat ieder aanstonds voelt: de aanvrage van huwelijksbevestiging in de Geref. kerk, terwijl plan is het gezin daarbuiten tot den Herv., Luth., of andere kerk te doen behooren, is de grootste mogelijke tegenstrijdigheid, en de man, die aldus zou handelen, begint zijn huwelijksleven met een openbare onwaarheid, die te erger is omdat zij geschieden zou in de kerk en met aanroeping van Gods Naam.

|203|

(1913.)

238. Uw tweede vraag is „op welke gronden ik indertijd de bevestiging van een huwelijk tusschen een Gereformeerde en een uit het Herv. kerkgenootschap als niet toelaatbaar geacht heb.”

Daarop kan ik slechts antwoorden, dat ik iets dergelijks nooit gezegd of geschreven heb, of kan hebben. Wel kan ik in een concreet geval zulks gezegd hebben, maar dan niet op grond van het „Hervormd” zijn der ééne partij op zichzelf, doch op grond van iets, dat daarbij kwam, b.v. dat het hoofd des aldus gevormden gezins verklaarde, dat zijn gezin tot de „Hervormde” kerk zou behooren, of iets dergelijks.

Zulk een gemengd huwelijk is wel altijd te ontraden; maar het hoort voor de kerkelijke bevestiging toch thuis bij de kerk, waartoe het daardoor te vormen gezin zal behooren. Dat dit de „Gereformeerde kerk” zal zijn, moet dus door het gezinshoofd aan den kerkeraad verklaard worden, zijn stellig voornemen te zijn, ook al blijft hij zelf nog „Hervormd”.

Ziedaar zeer in het kort mijn gevoelen. Dit nader uit te werken en te motiveeren, kan ik wegens andere bezigheid hier niet doen.

Rutgers, F.L. (1922) 142

142. Mag het huwelijk van een belijdend lid der kerk met een dooplid, die ter slechter naam en faam bekend staat, kerkelijk bevestigd worden?

 

(1911.)

239. Wat ge mij vraagt, is eigenlijk: mijn oordeel uit te spreken over een lid uwer gemeente, een jongen man, die mij natuurlijk geheel onbekend is, behalve door uwe mededeelingen, en dien ik ook zelf niet kan ontmoeten om een indruk van hem te krijgen. Maar, indien hij werkelijk zoozeer ter slechter naam en faam bekend is, en zich zoozeer openbaart als onverschillig, goddeloos en vijandig aan God en Zijn gebod, dan heeft de kerkeraad zeker volkomen gelijk gehad, toen hij aan het meisje en haar vader zulk een huwelijk ten ernstigste ontried, en dan zijn er ook wel termen, om de kerkelijke bevestiging van dat huwelijk te weigeren. Beslist en volledig kan ik hier echter niet oordeelen, daar ik niet bekend ben met de personen en met mogelijke bij-omstandigheden. Daarvan

|204|

is de kerkeraad vanzelf op de hoogte; en deze moet dan nu beslissen, of hier de kerkelijke bevestiging is te weigeren.

Moge de wijsheid, die van boven is, hem daarbij leiden tot eer van des Heeren Naam.

Rutgers, F.L. (1922) 143

143. Mag bij de kerkelijke bevestiging van een gemengd huwelijk de eisch gesteld worden, dat de kinderen in de Gereformeerde kerk gedoopt moeten worden?

 

(1908.)

240. Ge vraagt mijn oordeel over het bovenstaande, bepaaldelijk over punt 5, waarin ge niet durfdet voorstellen, den eisch te stellen, dat „de kinderen in de Geref. kerk gedoopt moesten worden”, daar ge oordeelt, dat daardoor een (niet-Geref.) hoofd des gezins „te veel in zijn conscientie gebonden wordt.”

Hierin ben ik het niet met u eens. Met u geloof ik, dat „de huwelijks-bevestiging” ook is: „een invoegen van het huwelijk in het leven der gemeente”. Maar het is dan ook: een invoegen van het door een huwelijk ontstaand gezin in het leven der gemeente. En reeds daaruit volgt (daargelaten nog andere overwegingen), dat de kerkelijke bevestiging behoort plaats te hebben in de kerk, waartoe het gezin zal behooren. Ik meen dus, dat wel degelijk van een bruidegom te verlangen is, dat hij zijn gezin tot de Geref. kerk zal laten behooren, als hij van die kerk de bevestiging vraagt (ook al hoort hij zelf er niet toe). Natuurlijk sluit dit dan ook in, dat zijn kinderen in die kerk zullen gedoopt worden, catechiseeren, ter kerk gaan, enz. Wil het hoofd des gezins dat niet, en wil hij een andere kerk, dan behoort hij ook in die andere kerk de bevestiging te vragen.

 

(1909.)

241. Op uwe vraag inzake een aanvraag tot huwelijksbevestiging kan ik moeilijk antwoorden, daar ik met de personen en omstandigheden niet genoeg bekend ben.

|205|

Met name kan ik de hoofdzaak niet beoordeelen. Inzake het vaderschap van een onecht kind staan de beschuldiging van een meisje en de ontkenning van den beschuldigden jongen man tegenover elkander. En nu werd in uwen kerkeraad, en daarbuiten, door velen, aan het „ja” van dat meisje een veel hoogere waarde toegekend, dan aan het „neen” van den man, zelfs eene bijna absolute waarde, zoodat de man schuldig geacht wordt, tenzij hij zich zuivert van de beschuldiging, (’t geen bijna altijd onmogelijk is, omdat iemand moeielijk kan bewijzen iets niet gedaan te hebben). Natuurlijk moet dit oordeel op voldoende gronden rusten. En die kunnen natuurlijk alleen gelegen zijn in hetgeen men weet, door getuigen en door verhooren, over de twee bedoelde personen en over allerlei omstandigheden. Maar daar ikzelf daarvan zelfs geenerlei indruk hebben kan, kan ik dit geval ook niet beoordeelen. De kerkeraad van X, tot wiens kerk het bedoelde meisje behoort, moet beslissen of hij genoegzamen grond heeft (ook in hetgeen hij hoort van u en anderen en voorts door eigen onderzoek), om te stellen, dat de Hervormde man, die aanvraag deed om huwelijksbevestiging, reeds aan een ander meisje verbonden is. Ook indien hij oordeelt, dat dit niet het geval is, kan zulk een huwelijk in de Geref. kerk zekerlijk niet bevestigd worden, tenzij de man, als hoofd van het te vormen gezin, òf verklaart en toont zich bij de Geref. kerk te willen aansluiten, òf althans verklaart, dat zijn gezin, dus ook eventueel de kinderen, voor de Geref. kerk en de Geref. belijdenis zullen opgevoed worden, en dan zoo, dat er geen redenen zijn om de oprechtheid van zulk een verklaring in twijfel te trekken.

Rutgers, F.L. (1922) 144

144. Mag een nieuw huwelijk van iemand, die (al dan niet om geldige redenen) gescheiden is, door de kerk erkend, of kerkelijk bevestigd worden?

 

(1901.)

242. Ge vraagt mijn advies inzake een huwelijksquaestie in uwe gemeente. Ik kan u die echter slechts ten deele geven. 

Vooreerst, omdat ik met de personen en omstandigheden niet genoeg bekend ben, en ook door een brief daarvan niet genoeg op de hoogte zou kunnen komen.

|206|

En dan ook, omdat uw kerkeraad en zelfs de Classe, in die zaak reeds gehandeld heeft, en daardoor de quaestie reeds een ander karakter heeft, dan zij op zichzelf zou hebben. En dit laatste weegt nog sterker, doordat ik het met de beschouwing van uw kerkeraad en Classe niet geheel eens ben.

Daarom kan ik slechts geheel in het algemeen eenig advies geven. 

Ik zou niet raden de beschuldiging van hoererij, die de bedoelde vrouw tegen den man, van wien zij gescheiden is, thans inbrengt, te gaan onderzoeken, of zelfs eenige rekening daarmede te houden. Daarvoor is de zaak te lang geleden; (immers 7 jaren); de beschuldigde man hoort misschien niet eens tot de Gereformeerde kerk, en zou dus zeker den kerkeraad niet eens te woord staan; een geneesheer mag in zulke zaken geen getuigenis afleggen; enz. En al kon men die zaak ook tot klaarheid brengen, voor de beoordeeling van de al of niet wettigheid of geoorloofdheid der echtscheiding zou dit toch niets ter wereld afdoen, daar die scheiding nu eenmaal niet op grond van hoererij is uitgesproken. Wie meent, dat alleen op grond van hoererij echtscheiding geoorloofd is, moet de uitgesproken scheiding ongeoorloofd blijven noemen, ook al zou daarna nog gebleken zijn van hoererij.

Mijn groote bezwaar ligt bij deze zaak echter in twee andere dingen.

Vooreerst in de meening, dat alleen hoererij wettigen grond geeft tot echtscheiding. Ik ben het te dezen aanzien meer eens met de Gereformeerde kerken uit de 16e en 17e en 18e eeuw, en met haar voornaamste woordvoerders (Calvijn, op onderscheiden plaatsen zijner werken), Beza, (in zijn geschrift „De repudiis et divortiis”), Voetius, (in de Verhandelingen over het huwelijk, uit kerkelijk oogpunt, in zijn Politica Ecclesiastica Tom II), enz. Er is natuurlijk geen denken aan, hunne bewijsvoeringen, uit de H. Schrift enz. in het kort bestek van een brief samen te persen. Maar indien ge die quaestie eenigszins bestudeeren wilt, zijn b.v. Beza en Voetius, juist in de buurt van Leiden, wel ter inzage te verkrijgen. En ik vind het altijd zaak voor een kerkelijke vergadering om, eer ze in een quaestie formeel zich uitspreekt, het pro en contra te overwegen; vooral, wanneer ze geneigd is tot een uitspraak, die anders is dan de overtuiging van de oude Gereformeerde kerken en schrijvers.

|207|

En in de tweede plaats zou ik zeggen, dat, wanneer een kerkeraad of classe de huwelijksordinantiën van de overheid met Gods woord in strijd acht, het niet aangaat dit zelf maar uit te spreken, en dan dienovereenkomstig te handelen, zonder overleg met de andere kerken van het kerkverband (waardoor men in de onderscheiden kerken verschillende practijk krijgt), en op gevaar van een conflict met de overheid (wanneer men bij niet erkenning van haar huwelijksvoltrekking en echtscheiding inderdaad consequent handelt, tot in de laatste consequenties toe). Natuurlijk zijn de kerken geroepen Gods woord boven alles te volgen en te handhaven, desnoods ook tegen de overheid. Maar indien men oordeelt, dat een overheidsordinantie bepaald met Gods Woord strijdt, dan moet de verwerping van die ordinantie niet uitgaan van één enkele kerk of classe, maar van de gezamenlijke kerken; dan moet voorts daaraan voorafgaan, dat die kerken de overheid trachten te bewegen hare ordinantie te wijzigen, ’t geen door den eerbied voor de overheid wordt geëischt; en dan moeten, als dit niet baat, de kerken gezamenlijk de door haar te volgen gedragslijn vaststellen.

Edoch, uw kerkeraad en Classe hebben nu eenmaal reeds gehandeld; en ik weet niet, of en in hoeverre zij daarop zullen of willen terugkomen.

Ziehier in het kort wat ik u in deze quaestie als advies kan schrijven. Ik herhaal, dat ik over de echtscheiding zelve en over haar omstandigheden niet genoegzaam kan oordeelen. Maar m.i. is dat hier ook niet de hoofdzaak.

 

(1903.)

243. Of een vrouw, wegens erge mishandeling, althans wanneer leven en gezondheid daarbij gevaar loopen, echtscheiding mag aanvragen (niet scheiding van tafel en bed, die alsdan volgens ieder mag gevoerd worden, maar echtscheiding), is een min of meer quaestieus geval, door Gereformeerden meestal, (niet altijd) ontkennend beantwoord.

Maar voor die vraag staat ge in het door u bedoelde geval nu niet; want de echtscheiding (hetzij dan met of zonder zonde

|208|

van de vrouw) is uitgesproken en dus een feit; en wel een feit, waaraan nooit meer iets is te veranderen, omdat twee personen, die gescheiden zijn, nooit meer met elkander mogen trouwen. En de vraag is dan nu, wat de kerk tegenover dit feit te doen heeft, als de vrouw weer wil trouwen.

Moet de kerk dan, omdat het motief verkeerd was, het feit zelf der echtscheiding als nietig beschouwen, en dus aan de vrouw zeggen, dat zij nog door huwelijk aan den gescheiden man verbonden is, en dus van Gods wege geroepen is met hem (ook al zou hij soms weer met een ander getrouwd zijn) echtelijk samen te leven?

Zeker zal wel niemand iets dergelijks denken of verdedigen. Maar moet de kerk dan zeggen; ja, uw vorig huwelijk is ontbonden, gij zijt ongehuwd, maar, omdat die vroegere ontbinding uit verkeerde beweegreden geschiedde, moet ge nu ongehuwd blijven, levenslang? Of althans zoolang die vorige man leeft? Dat gaat toch ook niet; althans in de Schrift zou de kerk daarvoor geen steun vinden; en het zou in de practijk ook bezwaar van moreelen aard hebben.

Regelmatig is het, dat de kerk inzake huwelijkssluiting en huwelijksontbinding de beslissingen van de overheid eerbiedigt; terwijl wederkeerig de overheid in hare wetten de Schriftuurlijke Christelijke beginselen tot hun recht moet doen komen. En indien de kerk meent, dat dit laatste niet geschiedt, moet ze althans beginnen met aan de overheid haar roeping voor te stellen (en dan niet ééne kerk individueel, maar de Generale Synode).

In het door u bedoelde geval komt hier nog bij, dat de vrouw wel overtuigd is, dat haar man overspel bedreef, en dus voor de rechtbank van haar conscientie oordeelde vrij te zijn scheiding te vragen, al voerde zij ook een ander motief aan.

Daar de scheiding reeds een feit is en bovendien de vrouw niet verstooten is van den man, is Matth. 19 en 1 Cor. 7 hier niet van toepassing; althans niet zonder lange deducties, waarvoor een brief geen ruimte geeft. Daarover zijn te vergelijken de verhandelingen van Gereformeerden over „verstooting” en „echtscheiding”; b.v. van Voetius in zijn Polit. Eccl., of van Beza in zijn standaardwerk „De Repudiis et divortiis.”

|209|

(1910.)

244. De door u bedoelde gemeenteleden, (die godsdienstig bezwaar maken tegen de bevestiging van het huwelijk van een man, wegens echtbreuk zijner vrouw van deze gescheiden) moet ge Matth. 19: 9 en 1 Cor. 7: 15 maar eens voorlezen, want daar staat precies het tegenovergestelde van hetgeen zij als „Gods woord” aannemen. In Matth. 19: 9 staat uitdrukkelijk, dat er sprake is van hertrouwen na een scheiding; en dus, als er wèl hoererij was, (die feitelijk het huwelijk verbreekt) dan is voor de verlatene (of verstootene) het huwelijk niet ongeoorloofd geacht. En volgens 1 Cor. 7: 15 is dat ook geoorloofd na kwaadwillige verlating (of verstooting), ook al was er geen overspel.

Het gevoelen of de opvatting der door u bedoelde gemeenteleden is dan ook, voor zoover ik weet, nog nooit door iemand in onze kerken voorgestaan of uitgesproken. Wel heeft men (en terecht) nooit gezegd, dat wegens overspel het huwelijk altijd en in ieder geval moet gescheiden worden; de onschuldige partij mag de overspelige vergiffenis schenken en weder aannemen. Maar nooit is betwist, dat de onschuldige partij het feitelijk verbroken huwelijk niet door scheiding ook formeel mag breken, en dan hertrouwen.

 

(1915.)

245. Eenige speciale vragen, die nog in in uw schrijven voorkomen, heb ik niet geheel begrepen. Ik meen er uit te moeten opmaken, dat er in uwen kerkeraad bij sommigen twijfel is, of het tweede huwelijk, waarvan hier sprake is, wel als een huwelijk kan erkend worden; ’t geen dan zou bedoeld worden door uwe uitdrukking: „een overspelig huwelijk”; welke uitdrukking natuurlijk nooit letterlijk kan worden opgevat (daar de begrippen „overspel” en „huwelijk” tegenstrijdig zijn en elkander uitsluiten, zoodat er wel overspel zijn kan bij een huwelijk, en een huwelijk wel met overspel of met ontucht kan begonnen zijn, maar een werkelijk „huwelijk” nooit tegelijk „overspelig” zijn kan). Uwe vraag is dan, of dit tweede huwelijk, ofschoon wettelijk voor

|210|

de Overheid voltrokken en de beide partijen aan elkaar verbindend, in rechten en ook in zedelijk opzicht, door den kerkeraad niet zou moeten beschouwd worden als niet bestaande en als een onzedelijk samenleven.

Zulke beschouwing zou ik echter zeer onjuist achten, en ook zeer gevaarlijk; in allerlei opzicht, en ook om de onzedelijkheid, waartoe zulke beschouwing maar al te vaak geleid heeft. Om slechts één voorbeeld te noemen: de theorie, dat een huwelijk, dat in en door ongerechtigheid en in strijd met Gods Woord is aangegaan, daarna wel niet als een „huwelijk” te beschouwen is, ook al was het wettig voltrokken, is in de Christelijke kerk gedurig door sectariërs gebruikt, om hun huwelijk, indertijd niet „in den Heere” gesloten en dus in strijd met Gods Woord aangegaan, als niet bestaande te behandelen en met eene andere vrouw zoogenaamd „geestelijk” te huwen. En op allerlei andere wijze is die theorie nog wel ten verderve geweest. Onze kerken hebben altijd terecht hierbij den regel in acht genomen, dat er veel dingen geschieden, die niet hadden mogen geschieden, maar die, als zij eenmaal geschied zijn, van kracht blijven en niet maar ongedaan kunnen gemaakt worden.

Veel zou er over dit punt te zeggen zijn. Maar dat zou de perken van een brief te buiten gaan.

 

(1916.)

246. Ge schrijft me, dat een vrouwelijk lid uwer gemeente, die indertijd, reeds vóór 20 jaar, door een destijds gehuwd man is misleid en verleid, thans door dienzelfden man is ten huwelijk gevraagd, nu hij van zijn vrouw wettiglijk gescheiden is. En terwijl ge oordeelt, dat dit huwelijk misschien in strijd is met art. 89 Burg. Wetb., vraagt ge mij, of, als de Overheid het toelaat, de kerkeraad het toch niet moet beschouwen als in strijd met Gods Woord, en dus moet beginnen met het ten stelligste te ontraden.

Bij deze zaak zal art. 89 Burg. Wetb. wel geheel buiten aanmerking moeten blijven; want uit uwe mededeelingen is wel op te maken, dat er over de echtbreuk, waaraan de bedoelde man

|211|

zich vóór 20 jaren schuldig maakte, destijds, en ook later, geen procedure voor de rechtbank gevoerd is; en alleen in zulk een geval is dat art. toepasselijk, daar het uitdrukkelijk zegt (en terecht zegt), dat het alleen geldt met betrekking tot een getrouwde, die bij rechterlijk vonnis van overspel overtuigd is, en voorts met betrekking tot de persoon, die aan dat overspel medeplichtig is.

Intusschen is een kerkeraad daaraan natuurlijk niet gebonden, maar moet deze zich laten leiden door godsdienstige en zedelijke overwegingen.

Maar of voor dit geval daaruit volgt, dat de kerkeraad het voorgenomen huwelijk beslist moet ontraden, kan ik, uit gebrek aan de noodige gegevens, niet beoordeelen. Te dien aanzien brengt ge in uw schrijven geen redenen of bewijsgronden bij. En al hadt ge dat gedaan, dan zou ik daardoor toch nog niet de noodige kennis hebben van de hierbij betrokken personen en omstandigheden. Er zijn hier zeer veel mogelijkheden denkbaar, zoowel ten gunste als ten ongunste van de hierbij betrokkenen; en welke van die mogelijkheden hier aanwezig zijn, weet ik niet.

Daaromtrent moet uw kerkeraad dus onderzoeken en oordeelen en beslissen; eventueel, zoo noodig, met advies van de Classe of van hare kerkvisitatoren.

Rutgers, F.L. (1922) 145

145. Mag het huwelijk met een ongedoopte kerkelijk bevestigd worden?

 

(1902.)

247. In het door u genoemde geval van aanvraag om huwelijksbevestiging, behoort de man tot de Geref. kerk; toont hij door catechisatie enz. den ernst van zijn voornemen om aldaar tot het Avondmaal te worden toegelaten; toont ook de vrouw, die uit een Geref. gezin is, hoewel ongedoopt, den ernst van haar voornemen tot aansluiting bij de Geref. kerk; zijn beide onbesproken van wandel; en hoort dus het gezin, dat zij samen zullen vormen, tot de Geref. kerk. Dat huwelijk behoort dus m.i. in de Geref. kerk bevestigd te worden. Ik zou voor weigering geen grond kunnen vinden.

|212|

(1908.)

248. Ge vraagt mij, of het m.i. „in elk geval ongeoorloofd is, een huwelijk met een ongedoopte kerkelijk te bevestigen.″ 

Hierop kan ik slechts antwoorden, dat ik inderdaad niet zie, in welke gevallen zulke kerkelijke bevestiging wel geoorloofd zou zijn, en dus door een Geref. kerkeraad zou moeten toegestaan worden, ja zelfs voor plichtmatig zou moeten geacht worden.

Bij het geval, dat zich thans in X voordoet, schijnt er voor sommigen eenige onzekerheid op dit punt te zijn, omdat het ongedoopte meisje, dat tot het vorige jaar tot den kring der „ongeloovigen″ behoorde, dezen winter trouw gecatechiseerd heeft, uitnemende vorderingen maakte, en zelfs onlangs op het punt was zich te laten doopen, ofschoon zij zulks ten slotte toch weêr 3 of 6 maanden uitstelde, om meer helderheid te krijgen.

Nu kan ik, uit den aard der zaak, over den geestelijken toestand van dit mij geheel onbekende meisje niet oordeelen, en dus kan ik ook niet gissen, wat haar thans in den weg staat. Hare kennis zal toch zeker wel voldoende zijn; dat kan wel niet anders, wanneer zij met gewone verstandelijke vermogens en op volwassen leeftijd, een geheelen winter gecatechiseerd heeft, en ook buiten de catechisatie wel gelezen en onderzocht heeft, althans, wanneer er eenige wezenlijke belangstelling bij dat alles was. De hoofdpunten van den Catechismus (waarop het voor de toelating tot Doop en Avondmaal aankomt) kan men dan wel leeren kennen; en als er eenige wezenlijke begeerte is naar de Christelijke gemeenschap, zal men voor de toetreding dan ook niet willen wachten, totdat alle vragen en bezwaren voor het bewustzijn zijn opgelost. Dat gebeurt toch ook niet in de 3 of 6 maanden, die zij nog wil wachten.

Eerder houd ik voor zeer waarschijnlijk, dat, indien zij er nu niet toe komt, er na 3 maanden nog minder van komen zal. En in ieder geval zou ik er geen heil in zien, nu alvast „de begeerte″ (al werd zij ook voor den kerkeraad uitgesproken) voor „de daad″ te houden.

Integendeel, als die „begeerte″ ernstig gemeend is, dan kan en dan moet er nu ook aan voldaan worden. En daarop moet m.i. bij haar worden aangehouden, door vermaning en waarschuwing, en ook door onderwijzing en terechtwijzing met betrekking tot „bezwaren″.

|213|

Blijft zij weigerachtig, dan moet m.i. niet de kerkeraad, met afwijking van zijn beginsel, zich naar haar schikken, maar dan moet zij zich schikken, door het huwelijk nog eenigen tijd uit te stellen. Terecht hecht zij aan een „Christelijk″ huwelijk, en dus aan de „kerkelijke″ bevestiging; maar daarvoor moet zij dan ook over hebben, eerst in den „Christelijken kring″ te zijn opgenomen.

Ziedaar in ’t kort mijn gevoelen.

 

(1908.)

249. De quaestie van de kerkelijke bevestiging van een huwelijk, wanneer eene der beide partijen ongedoopt is, is veel te omvangrijk, om even per brief af te doen.

Ge citeert de Synodale besluiten van 1578 en 1586. Maar veel meer is er over te vinden in het desbetreffend besluit van de Dordtsche Synode van 1619, met de daarbij behoorende adviezen. Ge kunt dit vinden in „de Postacta″ van H. H. Kuyper (waarvan in X wel een exemplaar zal zijn) en in de daar aangehaalde argumentatiën uit Voetius Pol. Eccl. Tom II, 217-223.

In dat besluit van 1619 werd kerkelijke bevestiging van een huwelijk met een ongedoopte voor ongeoorloofd verklaard (ofschoon daarna alle kerken zich daaraan niet hielden); maar daarbij werd altijd ondersteld (en ook in de argumentatie voortdurend uitgesproken en herhaald), dat die ongedoopte ook niet gedoopt wilde worden, een „verachter van den Doop″ was, en „vijand van de Christelijke religie″ enz.

Waar het te dien aanzien geheel anders gesteld is, zou dus ieder zoodanig geval op zichzelf te beoordeelen zijn; naar gelang de reden is, waarom of waardoor zoo iemand niet gedoopt is, en vooral, naar gelang zijn geestelijke toestand zich openbaart, vooral met betrekking tot de begeerte om door den Doop in de Christelijke kerk te worden ingelijfd, en met betrekking tot den ernst van het voornemen om zich daartoe in den weg der middelen te stellen.

Daarover deelt Uw brief mij niets mede; zoodat ik daarover ook geen opinie hebben kan. In ieder geval zou m.i. een

|214|

ongedoopte alsdan beloven moeten, door catechisatie enz. tot belijdenis (met Doop) te willen komen, en zou men van den ernst van zulke belofte overtuigd moeten zijn.

 

(1909.)

250. In de twee door u genoemde gevallen zie ik geen bezwaar tegen de kerkelijke huwelijksbevestiging in de Gereformeerde kerk; niettegenstaande in beide gevallen de bruidegoms nog ongedoopt zijn, en in het tweede geval de bruid wel gedoopt is, maar nog niet ten Avondmaal toegelaten. Immers, niet alleen geldt hier als verzachtende omstandigheid, dat vóór 1886 de kerkelijke toestand in uwe gemeente zoo treurig was; maar ook, (en dit is hier de hoofdzaak) toonen de bedoelde personen, door catechisatiën, kerkbezoek enz., dat zij zich met belangstelling willen aansluiten bij de Geref. kerk, zoodat er voldoende waarborg is, dat zij ook tot doop en belijdenis zullen komen, zoodra de kerkeraad hen daarvoor geschikt acht. Indien dit nog vóór het huwelijk kon geschieden, zou zulks zeker het allerbeste zijn. Maar anders kan de kerkeraad hen doen verklaren, dat hun ernstig voornemen is, zich te blijven stellen in den weg der middelen, om zoo spoedig mogelijk tot belijdenis en doop te komen.

Rutgers, F.L. (1922) 146

146. Mag het huwelijk van twee Hervormden in de Gereformeerde kerk bevestigd worden?

 

(1908.)

251. Ge schrijft mij, dat een bruidspaar, beiden leden van het Ned. Herv. Kerkgenootschap, en zelfs belijdende leden, in het volle bezit en genot hunner kerkelijke rechten, de kerkelijke bevestiging van hun huwelijk heeft aangevraagd bij den kerkeraad der Geref. kerk te X. En nu vraagt ge mij, of tegen de inwilliging van die aanvrage overwegend bezwaar is.

Ik kan niet anders antwoorden, dan: ja, zeer zeker, zoodanig bruidspaar staat geheel buiten de Geref. kerk; zelfs nog meer dan menig ander, doordat de ouders der bruid wèl tot de Geref. kerk

|215|

behooren, en hun kind, mondig geworden, desniettegenstaande zich bij de Herv. kerk heeft gevoegd en aldaar op belijdenis tot het Avondmaal is toegelaten. Hoe zou zulk een huwelijk dan voor de kerkelijke bevestiging in eene Gereformeerde kerk kunnen thuis hooren?

In vroeger eeuwen, toen de kerkelijke bevestiging allereerst bedoelde: het huwelijk burgerlijk en maatschappelijk te doen tot stand komen (waarbij de kerk dan in zekeren zin als gemachtigde van de Overheid optrad), zou de zaak eenigszins anders gestaan hebben. Maar sedert voor ruim eene eeuw de verplichting is ingevoerd, dat alle huwelijken van Overheidswege door een ambtenaar van den burgerlijken stand te voltrekken zijn, is de kerkelijke bevestiging eene zuiver-kerkelijke handeling geworden; en deze is toch alleen mogelijk en denkbaar, wanneer de daarbij betrokkenen ook tot de kerk behooren, of althans (in geval slechts een van hen tot de kerk behoort), wanneer er genoegzame waarborg is, dat het gezin als zoodanig tot de Geref. kerk zal behooren, b.v. ook doordat vaststaat, dat de kinderen daarin zullen worden opgevoed.

Deed men anders, dan zou men daarmede de kerkelijke bevestiging tot eene onwaardige vertooning maken, en ertoe medewerken, dat bij de gemeente alle kerkelijk besef (dat toch vaak al zoo zwak is) geheel verdween.

Blijkbaar bestaat zulk besef ook in het geheel niet bij dit bruidspaar. Anders zouden zij wel gevoeld hebben, hoe ongerijmd het voor hen was, de kerkelijke bevestiging aan te vragen bij een kerkeraad, dien zij, als „Hervormden″, niet eens als hun wettigen kerkeraad erkennen. Zij doen dit blijkbaar alleen ter wille hunner ouders, om aan deze een genoegen te doen; maar henzelven is het „kerkelijke″ blijkbaar geheel onverschillig, terwijl ook het kerkgaan van de bruid, als zij in X is, blijkbaar te beschouwen is, als een medegaan met de ouders, en als aanwijzing van eigen kerkelijke onverschilligheid.

Dat die ouders eene kerkelijke bevestiging in de Geref. kerk wenschen, kan natuurlijk geen motief zijn; want eene kerk kan haar beginsel en hare waardigheid niet ter zijde stellen, om aan eenig gemeentelid een genoegen te doen.

Aan hen, en ook aan dat bruidspaar, moet de kerkeraad zien

|216|

duidelijk te maken, waarom een goed Gereformeerde, uit gehoorzaamheid aan zijn Koning, niet bij het Herv. Genootschap mag blijven, en waarom eene Geref. kerk, wanneer hij zulks toch doet, hem daarbij niet mag steunen en helpen, door te doen alsof hij op den goeden weg was, en alsof het er niet op aankomt, hoe men kerkelijk leeft.

 

(1902.)

252. Voor zooveel ik het door u bedoelde geval uit uwe mededeelingen ken, zou ik zeggen, dat aan de door u bedoelde personen de huwelijksbevestiging in de Geref. kerk kan worden toegestaan, op grond van hunne belofte van aansluiting bij de Geref. kerk, en van te zullen leeren, teneinde tot belijdenis en Avondmaalsviering te worden toegelaten. Indien er geen reden is om de oprechtheid van die voornemens zeer te betwijfelen, hoort dat gezin toch aanvankelijk niet meer bij de Herv. maar bij de Geref. kerk, en moeten zij voor de huwelijksbevestiging zich tot deze wenden.

Rutgers, F.L. (1922) 147

147. Mag de kerkeraad na zonde tegen het 7de gebod door ongehuwden een huwelijk eischen?

 

(1911.)

253. Ge vraagt mijn advies over de toepassing van de kerkelijke discipline op een bepaald geval, dat zich in uwe gemeente voordoet. Te dien aanzien een beslist en volledig advies te geven, is echter niet wel mogelijk, als men de personen en de omstandigheden niet genoegzaam kent. Daaromtrent geeft ge mij wel velerlei inlichting; maar die is toch lang niet voldoende, en die kan per brief ook nooit in voldoende mate gegeven worden.

Zoo b.v. weet ik niet: welk soort van mensch die broeder is, die ongehuwd bij een ongehuwd meisje een, kort na de geboorte overleden, kind verwekt heeft; — onder welke omstandigheden de ontucht gepleegd is en in hoeverre het meisje zelf daaraan meerder of minder schuld heeft dan de jonge man, — of dat meisje verder geheel onbesproken is, en in hoeverre haar geestestoestand

|217|

en ontwikkeling haar misschien geheel ongeschikt maken om inderdaad huisvrouw en eventueel huismoeder te kunnen zijn; — hoe de ouders van den jongen man over zijn eventueel huwelijk met dit meisje denken; — en dergelijke vragen meer.

En hier komt nog bij, dat ge mij eigenlijk niet vraagt, hoe nu met dien broeder te handelen is, maar dat ge mij mededeelt dat uw kerkeraad over de te volgen handelwijze reeds beslist heeft, zoodat uwe vraag nu eigenlijk is, of die reeds ingeslagen weg de juiste is, dan wel of men daarvan weder moet terugkeeren.

Immers heeft de kerkeraad zich niet bepaald tot de alleszins noodige censuur, wegens ergerlijke zonde tegen het 7de gebod, volgens art. 76 K.O. (welke censuur uit den aard der zaak slechts één trap heeft en hebben kan), maar is hij, wegens de weigering om te trouwen, ook reeds overgegaan tot het besluit van excommunicatie, volgens art. 77 K.O., waarvan de eerste der drie trappen van excommunicatie, mededeeling aan de gemeente zonder het noemen van den naam, ook reeds is toegepast. Slechts nu het er op aankomt om, gelijk in zulk geval dan wel moet, nog verder te gaan, en met advies van de Classe tot den tweeden trap van de excommunicatie over te gaan, is er bij den kerkeraad eenigen twijfel, of eigenlijk de ingeslagen weg wel de juiste is, en of weigering van huwelijk wel altijd en in ieder geval de excommunicatie noodig maakt, ook al zou overigens de schuldbelijdenis aannemelijk geacht worden.

Intusschen heeft de kerkeraad misschien niet bedoeld, wegens die weigering reeds tot excommunicatie over te gaan. En zeer zeker had hij groot gelijk tot zijn aandringen op een huwelijk. De vraag is nu maar, of hij de weigering mag beschouwen als een afdoend bewijs, dat het berouw en de schuldbelijdenis niet echt waren, en of hij het trouwen mag eischen, op straffe van anders geëxcommuniceerd te worden.

Dit is m.i. niet als absolute regel te stellen, die altijd en in ieder geval zou moeten gevolgd worden. Maar, gelijk ik reeds zeide, ik kan niet positief oordeelen, hoe het hiermede is in het bedoelde geval.

|218|

(1911.)

254. Ge schrijft me, dat in uwe gemeente een ongehuwde jonge man bij een ongehuwd meisje, met welke hij niet verloofd was, een kind verwacht, maar nu onwillig is om met haar te trouwen; dat hij toch, na openbare schuldbelijdenis, van de hem opgelegde censuur wenscht ontheven te worden; maar dat sommigen in den kerkeraad hiertegen bezwaar hebben, oordeelende, dat hij verplicht is tot dat huwelijk, en dat de onwil zijnerzijds een teeken is, dat zijne boetvaardigheid niet als voldoende is aan te merken.

In het algemeen is zonder twijfel de gewone regel, dat, wanneer twee ongehuwden met elkander huwelijksgemeenschap hadden, zij ook verplicht zijn wettelijk te trouwen. Maar absoluut is die regel toch zeker niet; er zijn gevallen, waarvan wel ieder erkennen zal, dat daarbij een uitzondering op den regel te maken is, al blijft ook in zulke gevallen voor den vader altijd de onderhoudsplicht voor zijn kind.

Zoo b.v., wanneer van het meisje genoegzaam zeker is, dat zij ook met andere mannen omgang had of heeft; of wanneer het, naar lichaam of geest, zóó met haar gesteld is, dat een huwelijk noodzakelijk allerongelukkigst moet worden en toch met scheiding zou moeten eindigen; of wanneer de verleiding geheel van het meisje uitging en op zulk een wijze in het werk was gesteld, dat er voor den mede-schuldigen jongen man inderdaad verzachtende omstandigheden zijn; of wanneer zijn ouders beslist de toestemming weigeren; enz. (want er komen in het leven nog veel meer dergelijke gevallen voor).

Hoe het nu te dien aanzien gesteld is bij het geval, dat zich in uwe gemeente voordoet, kan ik natuurlijk in het geheel niet beoordeelen, daar ik met personen en omstandigheden geheel onbekend ben. De kerkeraad moet dat beslissen; b.v. doordat zijn leden zich de vraag stellen, of zij, indien die jonge man eens hun eigen zoon was, hem als vaders zouden verplichten tot dat huwelijk. En voorts, door de redenen, die de jongeman opgeeft voor zijne weigering, te overwegen.

Rutgers, F.L. (1922) 148

148. Mag een gedwongen huwelijk kerkelijk bevestigd worden?

|219|

(1892.)

255. In het door U genoemde geval, (van een jongman en een meisje, die ongeoorloofde gemeenschap hadden, ten gevolge waarvan het meisje zwanger is geworden) heeft de kerkeraad goed en naar Gods Woord gehandeld door op een huwelijk aan te dringen en dit te bevorderen.

Maar daaruit volgt dan ook vanzelf, dat kerkelijke bevestiging van dit huwelijk niet alleen geoorloofd, maar zelfs plichtmatig is.

Bezwaar daar tegen, of zelfs verontwaardiging daarover, (gelijk ge schrijft dat in X of Y wel gevonden wordt) kan alleen voortkomen uit een verkeerde opvatting van hetgeen de kerkelijke huwelijksbevestiging is. Inderdaad schijnt bij velen nog na te werken de Roomsche opvatting, volgens welke het huwelijk een sacrament is; zoo al niet het huwelijk zelf, dan toch de kerkelijke bevestiging; zoodat althans daaraan geen onwaardigen mogen deelnemen. Of wel, zoo men op dit punt geen Roomschen zuurdeesem meer heeft, dan toch houdt men de kerkelijke bevestiging voor een soort van bewijs van goed gedrag, of wel voor een soort van kerkelijk recht, dat bij wijze van tuchtmiddel aan onwaardigen moet ontzegd worden, en desnoods alleen na openbare schuldbelijdenis weer kan worden toegekend.

Aan allen die alzoo denken, moet worden duidelijk gemaakt, dat zij zich geheel vergissen. Noch in onze kerkenordeningen of kerkelijke bepalingen, noch door eenig Gereformeerd schrijver, is de kerkelijke bevestiging van het huwelijk ooit aldus voorgesteld of beschouwd; en het bevestigingsformulier geeft er ook niet de minste aanleiding toe. De huwelijksbevestiging is niet anders dan de openlijke verbintenis van de te huwen personen tot hetgeen de Heere in zijn woord van gehuwden eischt, — de openlijke verklaring, in den naam des Heeren door zijn kerk gegeven, dat zij van nu af als man en vrouw mogen samenleven, — en daaraan verbonden, de openlijke inroeping van den zegen des Heeren over dit door den Heere gewilde huwelijk.

Voor den Christen nu, is zulke bevestiging noodig, om te maken, dat zijn huwelijk niet heidensch zij, of slechts een burgerlijk contract zij, maar om het in hoogeren zin wettig te doen wezen. Bij een geoorloofd huwelijk van leden der gemeente moet dus door

|220|

de kerk altijd op kerkelijke bevestiging worden aangedrongen, en mag zulke bevestiging dan ook nooit geweigerd worden. Weigering mag alleen, en moet dan ook, wanneer het huwelijk zelf tegen Gods Woord ingaat, d.w.z., naar Gods woord niet moest gesloten worden (b.v. wanneer een overheid scheiding zóó gemakkelijk maakt, dat de kerk die niet kan aanvaarden, en de aldus rechtmatig gescheidene weer zou willen trouwen). Maar het zou een ongerijmdheid, ja de tegenstrijdigheid zelve zijn, wanneer eenerzijds de kerk van twee menschen zeide: naar Gods Woord moeten zij trouwen, en andererzijds diezelfde kerk tevens zei: maar ik wil het hun, zooveel in mij is, onmogelijk maken, door de kerkelijke bevestiging hun te ontzeggen.

Tijd ontbreekt mij, dit nader uit te werken. Noodig is zulks ook zeker niet. Maar wel is noodig, dit punt in het licht te stellen, in een gemeente, waar te dien aanzien misvatting is. En indien ik kerkeraadslid was in zulk een gemeente, zou ik zeker voorstellen, de mansleden eens samen te roepen, om over dit punt eens met hen te handelen. In het algemeen houd ik wel van zulke samenkomsten met de gemeenteleden, als er eenig punt is, waarover velen in de gemeente onderwijzing of licht noodig hebben. Een kerkeraadsbesluit is dan niet noodig. Dit moet ook duidelijk gemaakt worden aan de leden der gemeente. En van zulke samenkomsten heb ik hier en elders vele goede vruchten gezien.

De meening, alsof ontzegging van de huwelijksbevestiging een soort van kerkelijk tuchtmiddel zijn kon, is gemakkelijk te bestrijden. Immers door zoodanig tuchtmiddel zouden de getroffenen, indien zij geheel naar Gods Woord wilden handelen en dus niet zonder kerkelijke bevestiging willen trouwen, verhinderd worden te trouwen, terwijl het Gods Woord eischt, dat de jongen het meisje niet zal laten zitten. Door het tuchtmiddel zouden dus de getroffenen verhinderd worden naar Gods Woord te handelen; wel vlak in strijd met de kerkelijke tucht, die de geloovigen juist aan Gods ordinantiën wil houden. Bij zonde tegen het 7e gebod zijn zeer zeker tuchtmiddelen noodig; maar dan die naar Gods Woord; niet een eigen gekozen tuchtmiddel, dat er lijnrecht tegen ingaat.

En dan is voorts schuldbelijdenis (liefst, als het kan openbaar, wanneer de zonde openbaar was geworden) van te voren zeker

|221|

zeer wenschelijk, en mag, ja moet die ook door de kerk geeischt worden. Maar de kerkelijke bevestiging is daarvan alweer niet afhankelijk. Immers, in ieder geval moeten die menschen trouwen en mogen zij het niet nalaten. Bij de zonde van onboetvaardigheid mag niet de tweede zonde komen, dat de jongeman het meisje laat zitten. Maar als het huwelijk zelf dan naar Gods woord mag en moet, dan mag en moet ook de kerkelijke bevestiging.

Deze zegt niets omtrent de waardigheid of onwaardigheid der personen. En bij de bevestiging zelve kan en moet wel degelijk, naar gelang van omstandigheden, over de zonde van ongeoorloofde gemeenschap toepasselijk gesproken worden, bepaaldelijk als schuldbelijding achterwege bleef.

Rutgers, F.L. (1922) 149

149. Moet een gedwongen huwelijk op Zondag bevestigd worden?

 

(1909.)

256. Wat nu uwe vraag betreft, — in het algemeen acht ik het altijd zeer wenschelijk, dat de kerkelijke huwelijksbevestiging terstond op de burgerlijke volge, en niet eerst eenige dagen later, op den Zondag, geschiedt. En in mijne pastorale practijk heb ik dan ook altijd getracht de menschen daartoe te bewegen. Natuurlijk dan toch ook even goed in het midden der gemeente, doordat de kerkeraad daarvoor een gemeentelijke samenkomst in de week bepaalt, en die Zondags te voren aan de gemeente bekend maakt.

Ik zie niet in, waarom dit in een geval van „gedwongen huwelijk” anders zou moeten zijn. Als de bevestiging en schuldbelijdenis in een gemeentelijke samenkomst wordt gedaan, is die toch precies even goed openbaar en kerkelijk, om het even of er veel of weinig menschen bij komen. De geheele gemeente kan er toch bij tegenwoordig zijn. En de waarschuwing is dan ook precies even sterk, als wanneer zij op Zondag geschiedde.

Indien zij geacht werd, alsdan scherper te zijn, zou ik daarin juist een grond ertegen vinden, want als iemand gezondigd heeft en tot schuldbelijdenis kwam, moet de kerk die schuldbelijding aannemende, dan niet erop uit zijn, den berouwhebbende publiek zooveel mogelijk ten toon te stellen. Eerder het tegendeel; om

|222|

welke reden oudtijds in onze Geref. kerken zulke schuldbelijding dan ook niet in het openbaar geschiedde. Niet, dat ik dat hier nu zou aanraden; maar in ieder geval kan hier de openbaarheid zelve dan ook volstaan.

Aan opzettelijke waarschuwing tegen de hier bedoelde zonde zult ge het, bij catechisatie, catechismusprediking enz., wel niet hebben laten ontbreken; en de ouderlingen ook niet bij huisbezoek, waar volwassen kinderen zijn en er aanleiding is tot waarschuwing.

Rutgers, F.L. (1922) 150

150. Op welken dag moet de kerkelijke huwelijksbevestiging plaats hebben?

 

(1888.)

257. Er is geen enkel bezwaar tegen huwelijksbevestiging op Zaterdag of op eenigen anderen weekdag. Integendeel, ’t is verkieselijk, de bevestiging terstond op den burgerlijken trouw te doen volgen. Wanneer deze steeds op Zaterdag bepaald is, zou men in overleg kunnen treden om daarvoor een anderen dag in de plaats te stellen, ter wille van den predikant, die op Zaterdag zich ook voor den Zondag heeft voor te bereiden. Maar dit laatste is geen overwegend bezwaar: de voorbereiding voor de preek kan, als de Zaterdag bezet is, ook vervroegd worden. Natuurlijk geschiedt de bevestiging voor de gemeente: deze moet dus toegang hebben, en in ieder geval moet gezorgd worden, dat er een ouderling zij (of wel de geheele kerkeraad), en een diaken om te collecteeren (dit is ook wenschelijk). Een toespraak bij het Formulier (een woordje vooraf of daarna, of beide) houd ik ook voor wenschelijk, vooral wanneer de bevestiging op een weekdag afzonderlijk geschiedt.

Rutgers, F.L. (1922) 151

151. Wie behoort bij den kerkeraad de huwelijksbevestiging aan te vragen?

 

(1907.)

258. Voor zoover ik de zaak kan beoordeelen, geef ik u echter gaarne mijn gevoelen.

|223|

Al aanstonds is dit, dat kerkelijke bevestiging van een huwelijk bij den kerkeraad (of bij dezen door middel van den predikant) moet worden aangevraagd, niet door de bruid alleen, maar door den bruidegom, die het hoofd zijn zal van het te vormen gezin, welks kerkelijke positie dus ook door hem bepaald wordt, en waarvan hij allereerst de woordvoerder is. Dit zou ik dus ook in het door u bedoelde geval allereerst verlangen. Ge schrijft niet, of die man tot de Geref. kerk behoort. Maar ook al is dit niet het geval, dan moet de aanvrage toch van hem komen. Ja, alsdan is dit des te noodiger, omdat alsdan aan den kerkeraad blijken moet, dat hij zijn vrouw in hare Geref. belijdenis en in haar Geref. kerkverband niet zal hinderen noch daarvan willen aftrekken, — dat hij het gezin, waarvan hij het hoofd wordt tot de Geref. kerk zal laten behooren, — en dat hij zijne kinderen in die kerk zal laten onderwijzen en tot het H. Avondmaal laten gaan. Weigerde hij daarvoor genoegzame zekerheid te geven, dan zou bevestiging in de Geref kerk geen zin hebben en geheel ongeoorloofd zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 152

152. Mag een kerkelijke huwelijksbevestiging door een ouderling geschieden?

 

(1916.)

259. Een kerkelijke huwelijksbevestiging is een openbare dienst des Woords, wel naar aanleiding van een bepaald onderwerp, en met toepassing daarop, maar daardoor toch evengoed een dienst des Woords als een gewone samenkomst der gemeente. Voor zulk een dienst nu heeft een ouderling geenerlei roeping of bevoegdheid, evenmin als hij die heeft voor de gewone prediking of voor den dienst der sacramenten.

Maar kan de moeielijkheid van de vacante kerk te X niet op andere wijze worden weggenomen?

B.v. zóó, dat de kerkelijke huwelijksbevestiging aldaar des Zaterdags terstond na het burgerlijk huwelijk plaats heeft. Als de consulent, gelijk ge schrijft, Maandags of Dinsdags te X zijn kan, zal dit Zaterdags toch ook wel kunnen, als hij het vooraf weet, en dus zijn Zaterdagschen arbeid op Vrijdag of Donderdag doet.

Of wel zóó, dat de bruidsparen te X samen een dag afspreken

|224|

voor het huwelijk, zoodat er een aantal kerkelijke bevestigingen tegelijk kunnen plaats hebben, en daarvoor dan wel een predikant zal te vinden zijn; vooral als de Classe dan juist op zulk een dag de vacaturebeurt stelt.

Rutgers, F.L. (1922) 153

153. Mag een predikant van een andere kerkelijke gemeenschap een huwelijk bevestigen in de Gereformeerde kerk?

 

(1903.)

260. Indien uwe vraag, of de predikant der Chr. Geref. kerk te X in de Geref. kerk van Y tot de huwelijksbevestiging van twee leden eener Geref. kerk kan worden toegelaten, eene quaestie was van welwillendheid en vriendelijkheid, zou zij vanzelf zeer eenvoudig zijn. Dan zou een Geref. kerkeraad een „Christ. Geref.” of een „Herv.” predikant niet alleen tot de kerkelijke acte van huwelijksbevestiging, maar even goed tot de verdere bediening des Woords enz. kunnen toelaten of ook uitnoodigen.

Maar zóó staat de quaestie toch niet. En ik begrijp zelfs niet, hoe Ds. A tot die bevestiging bereid is, ook al had de kerkeraad er hem zelfs toe uitgenoodigd. Immers, daar de huwelijksbevestiging geenszins een soort van particulieren zegenwensch is, in een besloten kring van familie en vrienden met zekere plechtigheid uitgesproken, maar een kerkelijke handeling, principieel gelijkstaande met bediening des Woords en der Sacramenten, en verricht in de samenkomst der gemeente, kan een predikant of ouderling daarbij geen dienst doen, zonder dat hij de kerk, waarin zij geschiedt, voor de meest zuivere openbaring van Christus’ lichaam erkent, en haren kerkeraad voor den wettigen kerkeraad.

Maar omgekeerd kan een kerkeraad eener Geref. kerk dan ook niemand autoriseeren om daarbij officieel dienst te doen, die de officiële Dienaar is eener kerk, als de Chr. Geref. te X, die aldaar als Scheurkerk tegenover de Gereformeerde is opgetreden. Anders brengt hij niet alleen dien Dienaar, maar ook zichzelven in eene scheeve en valsche positie, en werkt hij er metterdaad toe mede, om alle kerkelijk besef bij de gemeente in verwarring te brengen en te doen verdwijnen. En hij werkt er dan ook toe mede, om

|225|

de kerkelijke huwelijksbevestiging als eene bloot particuliere aangelegenheid te doen beschouwen; die dan natuurlijk even goed en nog beter ergens binnenskamers in een „onder onsje” kan verricht worden: het zou dus met de waardigheid der kerk niet overeenkomen daaraan door een zeker vertoon (dat ten slotte niets zou beteekenen) wat „plechtigheid” te geven.

Rutgers, F.L. (1922) 154

154. Mag men bij een huwelijksbevestiging uit het formulier iets weglaten?

 

(1913.)

261. Met betrekking tot de Liturgische formulieren onzer kerken is door deze zonder twijfel als algemeene regel gesteld, dat zij moeten gebruikt worden zooals zij kerkelijk zijn vastgesteld, en dat het een Dienaar des Woords niet vrijstaat daarin naar zijn eigen goeddunken of willekeur iets te wijzigen; maar tevens is ook altijd aangenomen en erkend, dat er gevallen zijn, waarin de omstandigheden dwingen tot een kleine en inderdaad bijkomstige afwijking van de letterlijke bewoordingen.

Zoo b.v. zou het wel dwaasheid zijn, wanneer bij den Doop van een kind, welks vader reeds voor de geboorte overleed en welks moeder nu, zonder getuigen, de vereischte stipulatiën aangaat, de predikant toch maar zou zeggen, in de 3e Doopsvraag „waarvan gij vader of getuige zijt,″ enkel en alleen omdat die woorden nu eenmaal in het Liturgische formulier staan.

En zoo zijn er in het Formulier van huwelijksbevestiging ook enkele uitdrukkingen, waarvan wel vanzelf spreekt, dat zij niet in alle gevallen zonder onderscheid letterlijk te gebruiken zijn.

Met name is dat aangewezen, en dan blijkbaar als een zaak, waarover in de 17e eeuw onze kerken het wel eens waren, door Voetius, in zijn Politica Ecclesiastica, vol. II, pag. 126 en 127, met betrekking tot de uitdrukkingen in het Huwelijksformulier, waarin sprake is van de kinderen, die het tegenwoordige echtpaar nog te verwachten heeft; ingeval de bruid reeds eene vrouw is van gevorderden leeftijd, en men natuurlijk geen recht heeft om, gelijk Voetius het uitdrukt, „te verwachten, dat aan haar een wonder geschieden zal, gelijk eertijds aan Sara en Elizabeth.″ In

|226|

dit geval, zegt Voetius, „zijn de predikanten niet gebonden aan de letterlijke woorden van het Formulier, op de manier van kleine kinderen die bij het leeren lezen woord voor woord precies moeten naspreken,” maar „zij kunnen en moeten dan, naar de omstandigheden en naar de moreele zekerheid, die zij hebben, in de uitdrukkingen het noodige wijzigen.”

Of nu de personen zelven, die hun huwelijk wenschen bevestigd te zien, te dien aanzien iets vragen of niet vragen, doet m.i. niets ter zake; want naar persoonlijke beschouwingen kunnen kerkelijke handelingen toch niet geregeld worden. Ook zal er hunnerzijds op dit punt wel nooit bezwaar komen. En dat er hier wezenlijk bezwaar zou komen van den kerkeraad der kerk, waarin het huwelijk bevestigd wordt, kan ik mij bijna niet voorstellen. Te dezen aanzien kan er m.i. geen „kerkelijke quaestie” zijn, thans evenmin als in de 17e eeuw.

Rutgers, F.L. (1922) 155

155. Hoe moet een kerkelijke huwelijksbevestiging „bij volmacht” plaats hebben?

 

(1909.)

262. Het zal wel uiterst zelden voorkomen, dat voor een huwelijk, dat bij volmacht wordt gesloten, kerkelijke bevestiging wordt aangevraagd ter plaatse waar het burgerlijk huwelijk bij volmacht plaats had.

Inderdaad is dan ook m.i. de aangewezen weg, dat de kerkelijke bevestiging geschiedt ter plaatse, waar de bruid haren man in den vreemde ontmoet, ’t geen, daar het doorgaans huwelijken zijn met mannen, die in Indië gevestigd zijn, dan gewoonlijk Batavia is, waar natuurlijk een kerkelijke bevestiging, ook voor Gereformeerden, te verkrijgen is. Zulk een kerkelijke bevestiging is dan zeker in alle opzichten meer natuurlijk, en bevredigend voor het gevoel, dan wanneer zij bij afwezigheid van den man geschiedt. Zou dit in het door U bedoelde geval ook niet mogelijk wezen?

Indien er redenen zijn, waarom dit niet kan, of indien hiertegen bij de bruid en familie bepaald bezwaar is, en men dus op kerkelijke bevestiging in X aanhoudt, dan moet deze, (wanneer er voor het overige geen bezwaren zijn,) worden toegelaten. En dan

|227|

moet natuurlijk het kerkelijk formulier naar den voorkomenden toestand eenigszins gewijzigd worden.

Het eenvoudigste zou dan m.i. zijn, om bij het lezen van het formulier, overal, waar de letter N ter aanduiding van den man voorkomt, den naam van den man ook te noemen, met bijvoeging van de woorden: hier vertegenwoordigd door zin gevolmachtigde N, (den naam van den broeder, die zijn gevolmachtigde is); ’t geen, als ik het wel heb, dan viermaal voorkomt in het formulier.

Misschien kan men hier en daar dan nog op andere wijze iets van die „volmacht″ inlasschen, en in ieder geval geschiedt dat bij de toespraken, enz., vooraf en daarna. Op zulk een wijze is de bevestiging dan toch geen fictie; en maakt zij ook geen te zonderlingen indruk.

Maar altijd blijf ik het het verkieslijkst achten, dat de bevestiging, zoo dit mogelijk is, geschiedt, ter plaatse waar de bruid haren man ontmoet, ’t geen, als alles met den kerkeraad aldaar te voren geregeld is, alsdan zeer spoedig geschieden kan op vertoon van het bewijs van burgerlijk huwelijk en van attest van de bruid, van den kerkeraad van X.

Rutgers, F.L. (1922) 156

156. Mag een Gereformeerd predikant een huwelijk bevestigen in het Ned. Herv. kerkgenootschap of in de Chr. Geref. kerk?

 

(1891.)

263. Een Dienaar des Woords, die een huwelijk kerkelijk bevestigt, doet zulks niet uit kracht van eene hem (naar Roomschen trant) persoonlijk in. of aanklevende bevoegdheid, maar op gezag van een kerkeraad, die hem daartoe roept of autoriseert. Ook, omdat de bevestiging „voor de gemeente″ geschiedt, welke dus als tegenwoordig gedacht wordt, zij het ook, dat slechts een enkele ouderling in qualiteit er is, met voorts eenige weinige toehoorders. Het is geen „apartje″ tusschen het bruidspaar en den predikant, maar eene kerkelijke handeling. Gij moet dus in casu m.i. een mandaat hebben, en een kerkeraad moet de bedoelde bevestiging hebben goedgevonden (ook omdat eventueele bezwaren, die er tegen eene kerkelijke huwelijksbevestiging soms kunnen zijn, niet door een

|228|

predikant alleen, maar door eene kerkelijke vergadering moeten beoordeeld worden. Geschiedt het nu buiten X, ter plaatse waar een Ned. Geref. kerkeraad is, dan moet die kerkeraad het goedvinden en een ouderling erbij deputeeren (alzoo dus, wanneer de bevestiging in Y geschiedt, waar, naar ik meen, een kerkeraad is). In casu zal natuurlijk een kerkeraad noch tegen U noch tegen het voorgenomen huwelijk bezwaar maken (blijvende de kerkeraad geroepen, het bruidspaar op te wekken tot het doen van belijdenis). Geschiedt de bevestiging ter plaatse, waar geen kerkeraad is (gelijk reeds meer is voorgekomen), b.v. te Z, dan zou ik geen bezwaar zien in ’t gebruik maken van het kerkgebouw der Chr. Geref. gemeente, daar toch hout en steen niet ter zake doen; mits dan bij die gelegenheid de Ned. Geref. kerk (en niet de Chr. Geref.) het gebouw gebruikt. En aangezien nu in Z de kerk niet onder de D.K.O., en onder deze alleen, leeft, zou dan, dunkt mij, de kerkeraad van X U moeten verlof geven, om, op aanzoek van het bruidspaar (namens hen door U aan den kerkeraad overgebracht), dat huwelijk te Z te gaan bevestigen, en m.i. een ouderling moeten deputeeren om uit naam der kerk van X daarbij te assisteeren, waarna de bevestiging in het trouwboek te X moet worden aangeteekend. Formeel zou dan eigenlijk ook nog noodig zijn, dat de kerkeraad van Y (waaronder de bruidegom hoort) berichtte, dat er geen bezwaren zijn; maar te dien aanzien kan de kerkeraad van X zich ook wel met uw getuigenis tevreden stellen; gelijk bv. hier, wanneer de bruidegom van elders is, ook met een officieus getuigenis van een betrouwbaar persoon genoegen wordt genomen.

 

(1914.)

264. Daar het antwoord op uwe vraag uit den aard der zaak weinig uitstel kan lijden, geef ik dat gaarne terstond, al moet het dan ook kort zijn.

En dan kan ik slechts zeggen, dat er m.i. geen geval denkbaar is, waarin een predikant van eene onzer kerken als predikant zou mogen optreden in een kerkelijken dienst van de Ned. Herv. kerk.

|229|

Dat men in die kerk zelve daartegen geen bezwaar heeft, is licht te begrijpen; want bij hare leden is het inzicht in de roeping van de Christelijke kerk als zoodanig, en dus het kerkelijk besef allengs zóó verflauwd, dat er in de practijk bijna niet meer mede gerekend wordt, en zoo b.v. ook de kerkelijke bevestiging of inzegening van een huwelijk beschouwd wordt als eene handeling, die met de kerk eigenlijk niets te maken heeft, tenzij dan hierin, dat zij nog den naam heeft van kerkelijk te zijn en verricht wordt in een kerkgebouw door iemand, die in eenigen kring als predikant erkend wordt.

Maar zou dan een predikant onzer kerken zich tijdelijk op datzelfde standpunt mogen plaatsen, geheel in strijd met zijne eigene overtuiging? En dan niet alleen theoretisch, maar ook practisch, door eene daad, die nog meer zegt en beteekent dan woorden doen?

Het kan zijn, dat de door u bedoelde huwelijksbevestiging geheel buiten den Herv. kerkeraad omgaat, en in geen kerkelijk trouwboek wordt aangeteekend, en geheel behandeld wordt als eene private aangelegenheid van het bruidspaar en den predikant, die door een stichtelijk woord er eene aandoenlijke plechtigheid van maakt. Maar zulk een toespraak hoort dan aan den bruiloftsdisch hare plaats te vinden, en niet in eene samenkomst met allerlei kerkelijke vormen, aan welke alle wezen dan ontbreekt.

Daardoor zou de medewerking van een Gereformeerd predikant dan ook zeker niet onschuldig of onschadelijk zijn. Zij zou veelszins medewerken, om bij zwakke of min kundige gemeenteleden het kerkelijke besef te verzwakken, en ze b.v. te maken tot trouwe kerkbezoekers in de Herv. kerk. Als een Geref. predikant aldaar wel een kerkedienst mag bijwonen, ja zelfs daarin voorgaan, waarom zou een gemeentelid er dan niet mogen kerken? ja waarom zou hij dan maar geen lid worden van die kerk, als hij er een orthodox predikant vond?

Zelfs op de Gereformeerden in de Hervormde kerk, die er gelukkig nog velen zijn, zou zulke verzwakking van het kerkelijke besef een treurigen invloed hebben; want het zou hun een excuus aan de hand doen voor hun berusten in den treurigen toestand der Herv. kerk. En we moeten die broeders en zusters toch, zooveel in ons is, daarvoor de oogen openen; ’t geen waarlijk niet

|230|

geschiedt, wanneer we ons tijdelijk op hun standpunt plaatsen en naar hunne beschouwing handelen.

Ziedaar althans iets op uw vraag. Er zou nog zeer veel over te zeggen zijn; maar daarvoor ontbreekt mij nu de gelegenheid.

Rutgers, F.L. (1922) 157

157. Mag een huwelijk met een meisje, dat schuldig is aan zonde tegen het 7de gebod, kerkelijk bevestigd worden?

 

(1901.)

265. In het eerste der in uw brief genoemde gevallen moet ook m.i. de kerkelijke huwelijks-bevestiging slechts geschieden op conditie van schuldbelijdenis.

In het andere geval zal die conditie aan de bruid te stellen zijn, daar alleen bij haar de schuld bekend is en vaststaat. Bij den bruidegom is dit niet zoo; en dus kan men van hem geen schuldbelijdenis eischen. Door ze alleen van de bruid te vragen, beschuldigt men ook niet indirect een ander; want natuurlijk kan ook nog aan derden gedacht worden, zelfs aan een gehuwden man: men weet het eenvoudig niet. Daarom zou ik ook niet durven zeggen, dat dit meisje niet mag trouwen. Maar wel moet zij schuld erkennen en belijden; ’t geen in dit geval zou kunnen geschieden voor den kerkeraad in tegenwoordigheid van den bruidegom; tenzij hiertegen bezwaren zijn, die ik niet ken.

Over het geheel is speciaal advies met betrekking tot gevallen, waarin men met personen en omstandigheden slechts zeer ten deele bekend is, altijd moeilijk.

Rutgers, F.L. (1922) 158

158. Is echtscheiding ongeoorloofd, tenzij alleen om hoererij?

 

(1899.)

266. In zake een voorkomend geval van echtscheiding schrijft gij mij, dat uwe Classe indertijd heeft uitgesproken, dat scheiding alleenlijk om hoererij mag geschieden; dat dus een scheiding, die om andere redenen door de Overheid wordt uitgesproken, door de kerk niet

|231|

als geldig mag erkend worden; dat zulke gescheidenen naar Gods Woord nog altijd als man en vrouw aan elkander verbonden zijn, en dus moeten samenleven; dat huwelijken, die zij als gescheidenen weer hebben aangegaan, dus niet geldig zijn en als overspel te beschouwen; dat de kinderen uit zulke huwelijken door de kerk als onecht zijn aan te merken; enz.

Indien uwe Classe inderdaad zulke dingen heeft uitgesproken, dan is dat wel een zeer ondoordacht besluit geweest.

Reeds formeel genomen, mag eene Classe in dergelijke zaken niet zulk een besluit nemen. Het is natuurlijk zeer mogelijk, dat de Overheid wetten maakt op huwelijk en echtscheiding, die met Gods Woord strijden. En indien dat geval zich voordoet, moet de kerk zich houden aan Gods Woord, en dus tegen de Overheid ingaan. Maar — of dat geval zich voordoet, moet niet beslist worden door eene enkele kerk of Classe of zelfs particuliere Synode, (waarbij dan de eene wel eens anders zou kunnen oordeelen dan de andere), maar moet beslist worden door de gezamenlijke kerken, dus in generale Synode. Ook, omdat het in zoodanig geval toch niet zou aangaan, eenvoudig te verklaren: wij erkennen die Overheidswetten niet, noch ook hare gevolgen. Maar de kerken zouden dan toch eerst zich tot de Overheid moeten wenden om wijziging te verkrijgen van zulke wetten, als door de kerken niet zouden kunnen aanvaard worden. En eerst als dat niet baten kon, zou men als kerken de gehoorzaamheid aan die wetten kunnen weigeren. Een conflict met de Overheid, op een punt, dat het maatschappelijk leven van zeer nabij raakt, is eene ernstige zaak, ook om de gevolgen. En dat moet dus, ook formeel, goed behandeld worden. Wij Gereformeerden erkennen, in tegenstelling met de Roomschen, dat het niet aan de kerken, maar aan de Overheid toekomt, wetten te maken in zake huwelijk en echtscheiding (als behoorende tot het gebied der gemeene gratie), natuurlijk niet naar het goedvinden der menschen, maar conform Gods Woord en ordinantie. Maar dan mogen we ook niet zoo maar, zonder iets tot wijziging gedaan te hebben, eene wet ter zijde stellen, zelfs door eene kerk of Classe. We moeten dan aan die wetten ons houden; gelijk de Geref. kerken ook steeds deden, en ook nu nog doen. Wie ze in strijd met Gods

|232|

Woord acht, moet dit eerst op de wettige vergadering der kerken, de Generale Synode, brengen.

Maar dan met redenen, niet met eene losse particuliere opvatting van een verkeerd begrepen tekst; en zonder voorts van het onderwerp ook maar eenige studie te hebben gemaakt.

Deed men dat, dan zou men zien, dat Calvijn, Beza, Voetius, de Moor enz. dat punt van echtscheiding uitvoerig behandeld hebben, op grond van Gods Woord. En geen hunner kan in Matth. XIX en gelijkluidende plaatsen lezen, wat uwe Classe daarin schijnt gevonden te hebben. Ook niet onze Kantteekenaars op 1 Cor. VII. Natuurlijk kunnen hunne gronden niet kortelijk in een brief genoemd worden. En ook ontbreekt mij nu de tijd, om hunne schriften te gaan nakijken, om de plaatsen te vinden. Maar voor wie ’t weten wil, is daar toch gemakkelijk achter te komen. En wie met eene wijzigingsgedachte ter generale Synode komt, moet die gronden dan eerst wederleggen.

Zou uwe Classe ook wel inderdaad de gevolgen van haar besluit durven accepteeren? Zou zij alle kinderen van de vele huwelijken, door gescheidenen gesloten, onecht durven noemen, en als zoodanig durven behandelen? Zou zij tot alle die weer gehuwde gescheidenen durven zeggen: Gij zijt door Gods Woord verplicht, de wederhelft, waarmede gij nu door de Overheid gehuwd zijt, en het gezin dat gij daarbij hebt, te verlaten en weer als gehuwd te gaan samenleven met de vroegere partij (’t geen natuurlijk voor de Overheid niet weer een huwelijk worden kan)? Ik betwijfel dat zeer. En toch: die verstoring der maatschappelijke orde in duizende gezinnen, en de daaruit voortvloeiende losbandigheden, moet men aannemen, als men meent, dat Gods Woord dit eischt.

Misschien zoudt gij goed doen (daar de vrouw, van wie sprake is, inderdaad bekeerd schijnt te zijn) deze zaak nog eens op de Classe te brengen, en bij eventueele uitspraak, dat die vrouw levenslang buiten de kerk moet blijven (tenzij zij den man, met wien zij nu gehuwd is, verlate en weer pogingen doe tot echtelijk samenleven; in legaal ongehuwden toestand, met haar vroegeren man! Wel een zonderlinge eisch, die een kerk als van Gods wege gebiedend zou voorstellen!) de zaak brengen voor de Provinciale Synode.

Rutgers, F.L. (1922) 159

|233|

159. Is echtscheiding wegens „kwaadwillige verlating” of wegens mishandeling geoorloofd?

 

(1900.)

267. Over het door u bedoelde geval van „kwaadwillige verlating″ eener vrouw door haren man, kan ik natuurlijk geen beslist oordeel hebben, daar ik de personen en omstandigheden niet genoegzaam ken. Maar in het algemeen zijn bijna alle Gereformeerden (en ook Protestanten) het hierover eens, dat formeele echtscheiding geoorloofd is, niet alleen wegens bedreven overspel, maar ook op grond van kwaadwillige verlating (volgens 1 Cor. 7: 15). In een brief kan ik natuurlijk geen overzicht geven van de daarop betrekking hebbende betoogen, b.v. van Beza in zijn boek: „De repudiis et divortiis” waar hij blz. 184-196 over de „desertio″ handelt) of van Voetius in zijn Pol. Eccles. (waar hij Tom II, blz. 186-197 de „malitiosa desertio” behandelt). Maar in ieder geval schijnt bij de door u bedoelde vrouw wel sprake te zijn van die „kwaadwillige verlating″, die volgens de genoemde (en andere door hem geciteerde) schrijvers alleszins vrijheid geeft tot het aanvragen van formeele echtscheiding en het aangaan van een nieuw huwelijk.

 

(1912.)

268. In het door u genoemde geval van echtscheiding kan ik, door onvoldoende bekendheid met personen en toestanden en omstandigheden, natuurlijk geen oordeel uitspreken over de gronden, die tot de rechterlijke beslissing aanleiding gaven. Maar uit die beslissing, en uit uwe uitvoerige mededeelingen, mag ik toch wel afleiden, dat in dit geval de vrouw blootstond aan zoodanige mishandeling, dat daarbij haar leven in gevaar kwam, en dat haar man haar met geweld de deur heeft uitgeworpen en niet weer in huis heeft willen ontvangen (’t geen met kwaadwillige verlating gelijk staat).

In zoodanig geval nu is het zeer zeker geoorloofd en zelfs noodig, dat althans „scheiding van tafel en bed″ verkregen worde; maar

|234|

in Protestantsche en Gereformeerde kerken is dan voor vele gevallen ook geoorloofd geacht, dat het kome tot eene door de Overheid uitgesproken „echtscheiding.″

Te dien aanzien kunt ge de Gereformeerde beschouwingen vinden o.a. bij Voetius, waar hij in zijne Politica Ecclesiastica over „echtscheiding” handelt, Vol. II, p. 170-197; waar hij ook uitvoerig handelt over allerlei quaesties, die zich bij dit punt kunnen voordoen.

Natuurlijk kan ik u de beschouwingen van die 27 bladzijden quarto-druk in een brief niet kortelijk weergeven. Maar noodig is dat toch ook zeker niet; want in de door u bedoelde zaak is de rechterlijke beslissing reeds gevallen, en een kerkelijk college heeft natuurlijk geenerlei bevoegdheid of macht om die beslissing officieel te beoordeelen of te vernietigen.

Uwe vraag is dan ook alleenlijk, of de kerkeraad (die den schuldigen man natuurlijk al lang onder censuur heeft gesteld) ook tegen de vrouw met kerkelijke tucht moet optreden.

Hiervoor nu zie ik inderdaad geen enkelen grond in al wat ge mij over de zaak mededeelt.

Haar wordt door niemand ten laste gelegd, dat zij door slecht gedrag of door kwaadaardigheid of door verregaande verwaarloozing van hare plichten of in ’t algemeen door eigen schuld den man geprikkeld heeft tot mishandeling enz. Letterlijk het eenige, dat tegen haar wordt ingebracht, is, dat zij, na reeds 38 jaren lang de boosheid van haar man verdragen te hebben, dit nu ook nog verder had moeten doen, in vertrouwen op Gods bescherming.

Hierbij wordt dan ondersteld, dat die mishandeling enz. de verloopen 38 jaren even erg is geweest als in den laatsten tijd, en dat het daarom ook nu nog zeer goed mogelijk zou geweest zijn, die te verdragen.

Maar zulke uitgedachte onderstellingen en mogelijkheden zijn toch geen grond, waarop kerkelijke tucht kan gebouwd worden. En in dit geval kan zulks des te minder, omdat voor die onderstelling geenerlei grond is, en omdat die mogelijkheid inderdaad nog al onwaarschijnlijk is. Veeleer kan gesteld worden, dat de boosheid van den man in den laatsten tijd van het huwelijk zich in steeds toenemende mate openbaarde, erger en gevaarlijker dan vroeger. 

|235|

Ik zie dus hier wèl reden voor een opziener, om de vrouw op te wekken tot zichzelven in te keeren en zichzelve te beproeven, in hoeverre hare woorden en daden ten aanzien van haar man steeds waren naar den eisch van Gods Woord; ’t geen dan aan haar aanleiding kan geven, zich voor God te verootmoedigen. Maar dat is toch iets anders dan tucht of censuur. Indien ieder, die niet steeds geheel naar Gods Woord leeft en handelt, onder censuur zou te stellen zijn, zou wel geen enkel gemeentelid vrij uitgaan. Van ergerlijk gedrag is bij deze vrouw blijkbaar geen sprake.

Ziedaar, in het kort mijn gevoelen over de vraag, of ons Burgerlijk Wetboek inzake het huwelijk wel geheel op schriftuurlijk standpunt staat, is in een brief natuurlijk niet degelijk te behandelen. En ook in een kleinen kerkeraad niet; terwijl in het algemeen zulk eene quaestie niet plaatselijk zou te beslissen zijn, maar door alle onze kerken samen, aangezien zij alle onze kerken aangaat. Wie ze op eene Synode bracht, zou echter daarbij moeten aangeven, op welke punten men het Burgerlijk Wetboek afkeurt, en op welke gronden die afkeuring steunt, waarbij dan ook rekening zou te houden zijn met hetgeen over die punten in Gereformeerde Synoden enz. reeds gehandeld is.

Rutgers, F.L. (1922) 160

Artikel 71-80.

Van de censuur en kerkelijke vermaning.

Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijke gericht of straf der Overheid bevrijdt, alzoo worden ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereischt, om den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen, en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.

|236|

Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt: zooverre als het heimelijk is, een geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welken Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

De heimelijke zonden, waarvan de zondaar door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden.

Zoo iemand, van eene heimelijke zonde door twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zonde bedreven heeft, zal zulks den Kerkeraad aangegeven worden.

Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn, zal de verzoening (wanneer men genoegzame teekenen van boetvaardigheid ziet) in zulken vorm en manier geschieden als tot stichting van iedere Kerk door den Kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Of zij in bepaalde gevallen openbaarlijk geschieden zal, wordt, wanneer daarover in den Kerkeraad verschil is, in Kerken, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken beoordeeld.

Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie een openbare of anderszins eene grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe.

Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en

|237|

de daarop nog gevolgde onderscheidene vermaningen, tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen, in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat hij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de gemeente te kennen geven, dat men hem (tenzij hij zich bekeere) van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaningen zal aan het oordeel des Kerkeraads staan.

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve vóór de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden Avondmale (zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie) openbaarlijk met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Wanneer Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel des Classe staan, met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode.

|238|

Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns dienstes of indringing in eens anderen dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij, dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin; kortelijk, alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

 

160. Moet iemand, die Zondagsarbeid verricht, gecensureerd worden?

 

(1897.)

269. Ik kan het door u bedoelde geval niet geheel beoordeelen, daar ik met den broeder, dien het geldt, niet bekend ben. Maar in ieder geval blijkt wel, dat hij zich tegen de vermaning geenszins verhard heeft, maar zich daarnaar geschikt heeft, zooveel hem slechts mogelijk scheen, zoodat hij wel niet te rangschikken is onder „de verachters van God en zijn Woord en de heilige Sacramenten”, waarvan het Avondmaalsformulier, met het oog op het 4e gebod spreekt. Op dien grond, en onder belofte zijnerzijds, dat hij alle pogingen zal blijven aanwenden om van allen Zondags arbeid af te komen, zou misschien de censuur kunnen worden opgeheven, en de zaak aan zijn eigen conscientie, voorgelicht door Gods woord, worden overgelaten; mits in ieder geval ook blijke, dat hij in den dienst des Woords genoeg belang stelt, om eraan deel te nemen; zoo niet altijd des Zondags, dan in ieder geval eventueel in de week.

 

(1901.)

270. Hiernevens de ontvangen missive inzake weigering van huwelijksbevestiging terug. In die zaak ligt verkeerdheid: allereerst

|239|

bij den bedoelden man, hierin. dat hij nog niet tot belijdenis en toelating tot het Avondmaal kwam; en voorts bij den kerkeraad, die hem daarin, naar het schijnt, ongemoeid liet. Ook hierin, dat de kerkeraad, naar het schijnt, vroeger niet met hem gehandeld heeft over zijn Zondagsarbeid. — Deze laatste quaestie is natuurlijk veel te omvangrijk om in enkele woorden te worden behandeld. Er zijn er, die meenen dat alle Zondagsarbeid aan spoorwegen, posterijen, telegrafen, enz. enz., zóó beslist zondig is, dat wie dat anders inziet en dus daarin volharden wil, moet geacht worden buiten Gods Koninkrijk te staan, en dus te censureeren en voorts te excommuniceeren is. Anderen achten zulken arbeid onvermijdelijk. En nog anderen achten dien in het algemeen af te keuren, maar oordeelen dat die zaak, binnen zekere grenzen, aan ieders conscientie moet worden overgelaten; terwijl een algemeene regel, voor alle mogelijke gevallen, niet te stellen is. Ik zou het laatste gevoelen het meest juiste achten, en dan ook niet aan ieder den peremptoren eisch stellen, terstond zijn betrekking en broodwinning op te geven; vooral niet als ik hem die niet aanstonds op andere wijze kon vergoeden. En daarom zou ik, waar geen opzettelijke en bewuste overtreding van het 4e gebod is, en waar de bedoelde arbeid genoegzaam gelegenheid overlaat voor gebruik maken van den dienst des Woords en der Sacramenten, censuur door afhouding van het Avondmaal en voorts (want dat moet dan ten slotte volgen) door excommunicatie niet voldoende gemotiveerd achten. Maar - die quaestie is niet met een paar woorden af te doen. En ook is de vraag, of het goed is, een stuk, als het hier bedoelde, in een kerkbode op te nemen. Particulier kunt ge dien vrager ook wel antwoorden wat ge hem in den kerkbode zoudt willen zeggen. En eigenlijk hooren klachten over een kerkeraadsbesluit niet terstond voor ’t publiek, maar voor Classe en Synode.

 

(1904.)

271. Het is altijd moeielijk, een bepaald advies te geven over de toepassing van kerkelijke censuur in een concreet geval, als men met personen en omstandigheden niet genoeg bekend is. En

|240|

speciaal in het door u bedoelde geval komt daarbij, dat ik ten aanzien van zuivelfabrieken niet genoeg kan beoordeelen, of en in hoeverre het bewerken van melk op Zondag aldaar een werk van noodzakelijkheid kan genoemd worden. Ook bij werkzaamheden, die op Zondag niet absoluut noodzakelijk zijn, kan er toch een betrekkelijke en gedeeltelijke noodzakelijkheid zijn, als b.v. bij post en telegraaf, middelen van vervoer, enz.; om welke reden gemeenteleden, die daaraan verbonden zijn, hier in Amsterdam door onzen kerkeraad niet gecensureerd worden, maar men zich bepaalt tot onderwijzing en vermaning, en een werken op de conscientie, aan welke men het dan verder overlaat.

In het gegeven geval schijnt er wel iets voor te zijn, om, wanneer voortgezette vermaningen ten slotte niet baten, tot censuur over te gaan, daar de bedoelde broeder zelf bekent, in een zondigen weg te wandelen, en dus tegen zijne conscientie ingaat. Klaar ik kan niet beoordeelen, in hoeverre hij ten dien aanzien werkelijk overtuigd is, dan wel degenen, die hem aanspreken, min of meer napraat, ’t geen ook wel voorkomt. Ook geloof ik, dat, indien men censureert, de kerkeraad en de gemeente zedelijk geroepen zijn, te doen wat zij kunnen, om hem aan eene andere broodwinning te helpen. Men kan lichtelijk zeggen: gij moet uwe broodwinning opgeven; maar dat is voor dengene, die het geldt, zeer zwaar, als hij dan het vooruitzicht heeft aanstonds gebrek te lijden. M.i. moet de kerk dan, althans aanvankelijk, voor hem zorgen.

 

(1912.)

272. En bij het andere geval volgt de kerkeraad alhier, als het post, telegraaf, telefoon, spoorweg en dergelijke kringen betreft, waarbij Zondagsarbeid soms tot noodzakelijke werken behoort, den regel, dat hij vermaant, onderwijst, waarschuwt, enz., maar voorts de zaak voor ieders conscientie legt zonder in zulke gevallen te censureeren. Hoe het nu gesteld is bij dien jongeling, over wien ge schrijft, weet ik natuurlijk niet; en ook niet, welke diensten hij zou willen aanvaarden. En ook komt hierbij wel in aanmerking, hoe de zaak in de gemeente algemeen beschouwd wordt.

Rutgers, F.L. (1922) 161

|241|

161. Is critiek van gemeenteleden op de prediking en bezwaar daartegen reden tot censuur?

 

(1911.)

273. Ik heb hier maar even tijd om u te antwoorden.

Het feit, dat een gemeentelid critiek oefent op de prediking en bezwaren daartegen heeft, is op zichzelf zeer zeker geen reden om hem onder censuur te stellen totdat hij die bezwaren terugneemt, en anders over te gaan tot den eersten trap van excommunicatie. Zulk een lid moet worden onderwezen, vermaand, enz., en gewaarschuwd om geen secte of scheuring in de kerk aan te richten.

Voor het overige ben ik in het door u genoemde geval met personen en omstandigheden veel te weinig bekend, om er goed over te kunnen oordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 162

162. Mag men iemand censureeren, omdat hij zijn kinderen naar de openbare school zendt?

 

(1897.)

274. Ge vraagt mijn advies over de vraag, of de kerkelijke censuur mag en moet toegepast worden op een huisvader, die zijn kind naar de Overheidsschool voor Lager Onderwijs, en niet naar de Christelijke school, zendt; de noodzakelijkheid van het Geref. schoolonderwijs betwistende, en blijkbaar uit geldgierigheid de Overheidsschool gebruikende.

Daar deze vraag betrekking heeft op de toepassing der censuur, is het altijd moeielijk, hierover een besliste overtuiging te hebben als men de omstandigheden en personen in ’t geheel niet kent. Bij zulke toepassing der censuur zijn honderde gevallen denkbaar, die ieder een eenigszins verschillend antwoord zouden vereischen. En natuurlijk kan ik hier niet aan het opsommen van gevallen gaan.

In het algemeen zou ik zeggen, dat de keuze eener school in den regel kerkelijke tucht niet eischt, en zelfs niet wettigt.

Niet, alsof een huisvader niet zou zondigen, wanneer hij zijn kind laat onderwijzen en opleiden aan een zoogenaamde „neutrale″ school, terwijl hij een Christelijke school kon gebruiken, en ook

|242|

genoeg inkomen heeft om de meerdere daaraan verbonden kosten gemakkelijk te betalen. Maar wie in zoodanig geval kerkelijke tucht steeds wil toepassen, feilt toch m.i. in tweeërlei opzicht.

1º. De kerkelijke tucht en het kerkelijk opzicht gaat zeer zeker over leer en leven in hun ganschen omvang. Maar daaruit volgt volstrekt niet, dat zij bij alle afwijking altijd even ver moet gaan. Er is heel wat afwijking, waarbij de tucht de grenzen van vermaning (met onderwijzing), waarschuwing, berisping enz. niet behoeft te overschrijden, en zelfs niet overschrijden mag.

Zoo b.v. is het wel eene groote dwaling, wanneer iemand de noodzakelijkheid van Christelijk schoolonderwijs ontkent. Maar in die dwaling zijn, met betrekking tot gymnasiaal en academisch onderwijs (in welk opzicht de dwaling nog veel erger is), hier te lande nog vele Christenen; en buiten ons land is die dwaling, zelfs met betrekking tot het lager onderwijs, in Christelijke kringen zeer algemeen. Zal men nu stellen, dat tegen die allen de kerkelijke tucht moet gebruikt worden? En dan natuurlijk tot excommunicatie toe; want bij afhouding van het Avondmaal kan men niet op den duur blijven staan. Ik meen van niet. Zulke dwaling moet meest door onderwijzing enz. worden tegengegaan; niet door tuchtmiddelen; want zij betreft niet de „fundamenteele″ stukken der Christelijke belijdenis, en men gaat er doorgaans ook geen propaganda voor maken. Het is met die dwaling, evenals met zoovele andere dergelijke, b.v. met de dwaling dat eene Christelijke kerk wel volwassen zoogenaamde „doopleden″ hebben mag, die niet tot belijdenis en Avondmaalsviering komen, en die toch als „Doopleden″ beschouwd blijven, door de kerk ongemoeid. Deze dwaling, bij velen in onze kerken nog aanwezig, is eigenlijk nog schadelijker dan die inzake het Christ. schoolonderwijs; en toch zou ik zeker niet raden, hen, die haar voorstaan, te censureeren, enz.

Hetzelfde geldt ook van velerlei afwijking in het leven; als b.v. geldgierigheid; waaraan in het door U genoemde geval de dwaling grootendeels wordt toegeschreven. Want, vooreerst, is dat slechts een vermoeden; misschien zeer waarschijnlijk, maar toch nooit te bewijzen, aangezien men over het hart niet kan oordeelen, en voorts altijd de mogelijkheid bestaat, dat er andere

|243|

motieven zijn, die niet bekend zijn en ook niet uitgesproken kunnen worden. En, ten tweede, om gezindheden des harten wordt geene censuur geoefend, en kan dit eigenlijk ook niet; over geldgierigheid evenmin als over hoogmoed, eigenwijsheid, drift, stijfhoofdigheid, zelfzucht, geringschatting van Gods aardsche gaven, enz.

Indien elke misstand op leerstellig, kerkelijk en zedelijk gebied tot kerkelijke tucht, en dus tot excommunicatie moest leiden, zou het spoedig gaan als bij vele Dooperschen der 16e eeuw, die ten slotte allen elkander excommuniceerden, of als in Labadistische kringen van later tijd, die telkens uiteenspatten en in sectarisme vervielen.

2º. Inzake het niet zenden van een kind naar de Christelijke school kunnen er motieven zijn, die geldigheid hebben, en die men toch niet goed aan anderen kan mededeelen. Ik bedoel niet, dat er in het door U bedoelde geval zulke beweegredenen werkelijk zijn. Maar zij kunnen er zijn. En reeds dat maakt, dat in den regel geen kerkelijke tucht mag worden toegepast. Immers, die tucht is een zeer ernstige, ontzettende zaak. En het zou verschrikkelijk zijn, die toe te passen, als men voor zichzelven niet volkomen zeker is. Anders bindt men de zaak op de conscientie van de daarbij betrokken personen, en laat het oordeel aan God over.

Ziedaar van mijn gevoelen in dezen althans iets. Maar ik herhaal, zonder kennis van personen en omstandigheden kan ik over het door U bedoelde speciale geval niet genoegzaam oordeelen.

 

(1914.)

275. Ge schrijft mij, dat een lid uwer kerk zijn kind stuurt naar de Rijksnormaalschool te X, terwijl er in dezelfde plaats eene goede Christelijke normaalschool is. En ge vraagt mij, of uw kerkeraad in dezen iets meer kan en mag doen dan enkel vermanen; ’t geen zij reeds meermalen tevergeefs deed.

Dit geval zelf kan ik natuurlijk niet beoordeelen, daar ik niet weet, om welke redenen de bedoelde vader zijn kind niet naar de Christelijke normaalschool, maar naar de Overheidsschool stuurt. Maar wel kan ik in het algemeen zeggen, dat zulk eene

|244|

handeling op zichzelf nog niet altijd en in alle gevallen „onchristelijk” kan genoemd worden.

Er zijn allerlei omstandigheden denkbaar, die ouders tot een dergelijke handeling kunnen dringen, soms zelfs juist om aan hunne roeping inzake de opvoeding te voldoen; en in de werkelijkheid zijn mij ook zulke gevallen wel B.v. omstandigheid, dat op de Christelijke school het kind al te veel in betrekking zou komen met één of meer andere kinderen, wier omgang een verkeerden invloed zou oefenen. Of bezwaren in de schoolinrichting zelve, die van een niet zeer sterk kind te veel zou eischen. Of ook het bezwaar, dat één of meer der Christelijke onderwijzers min of meer „ethisch” waren, ’t geen in den regel gevaarlijker is dan „modernisme.” En zoo kunnen er nog velerlei motieven zijn; en daaronder ook motieven, die de ouders niet aan anderen kunnen mededeelen.

Daarom kan en mag een kerkeraad in zulke gevallen geen tuchtmiddel toepassen, door afhouding van het H. Avondmaal en vervolgens zelfs door excommunicatie. Immers, het is altijd mogelijk, dat ouders zóó handelen, geenszins uit onverschilligheid op godsdienstig gebied of uit vijandschap tegen de waarheid, maar juist om der conscientie wille. En aangezien anderen dit bijna nooit geheel beoordeelen kunnen, moeten zij zich ook wachten voor een veroordeelend vonnis.

Daarbij blijft zeker in het algemeen gelden, dat de ouders, die de roeping hebben hun kinderen Christelijk op te voeden, in den regel ze te dien einde ook naar een Christelijke school moeten zenden. En in dat opzicht heeft een kerkeraad ze dan ook altijd te vermanen en te waarschuwen. Klaar voor het overige moet de kerkeraad het dan aan hunne conscientie overlaten, beproevende die conscientie zooveel mogelijk voor te lichten; gelijk dit b.v. ten aanzien van Hooger Onderwijs aan Universiteiten ook steeds geschiedt.

Rutgers, F.L. (1922) 163

163. Hoe te handelen bij klachten tegen een ouderling over persoonlijke zaken?

 

(1908.)

276. Uwe vraag, (of een klacht, tegen een ouderling ingebracht door twee leden, die bij de gewraakte zaak tegenwoordig waren,

|245|

formeel wel ontvankelijk is, als ze ook onderteekend is door eenige leden, die er niet bij tegenwoordig waren), is mij geheel duister. Ik weet inderdaad niet, waar hier de moeielijkheid zou liggen, die oplossing behoeft.

Maar wel heb ik uit uw schrijven begrepen, dat het er in uwe gemeente nog treurig uitziet, wanneer zulke klachten inkomen en tot een voorwerp van kerkelijk onderzoek gemaakt worden. De klacht zelve schijnt mij toch niet veel te beteekenen („dat een ouderling zich bij een lidmaat als deputaat des kerkeraads zou geopenbaard hebben, en zich in woorden zou zijn te buiten gegaan″). Maar al waren die gewraakte „woorden″ inderdaad zeer ongepast geweest, is dat dan, bij den geprikkelden toestand, waarin uw gemeente verkeert, een voldoende oorzaak voor een kerkelijke procedure, waarmede officieel en formeel kerkeraad, en zelfs Classe, zich moeten gaan bezighouden? Denkelijk hooren die zeven klagende leden niet tot uw speciale voorstanders; maar kondt ge toch niet zooveel invloed op hen oefenen, dat ge hen overtuigdet van het schandelijke, het verkeerde, het schuldige van hun optreden, hen tevens vermanend en ernstig bestraffend? Waar zou het heen in de kerk van Christus, als de eigen ikheid en de zucht om een ander er onder te werken, eens overal zoo gingen werken? Bij dit heele geval gaat het toch immers niet om de eere des Heeren en het heil zijner kerk of der zielen, maar om persoonlijke zaken alleen. Ik zal een ouderling, die zich in woorden te buiten gaat, niet excuseeren, maar vooral in een toestand, gelijk te X is, is de weg van kerkelijke procedure toch zeker niet de weg, die dan te zijnen aanzien te bewandelen is. Vooral niet, als hij de zaak ontkent. Men moet ze dan voor zijne eigen conscientie laten. Laat toch door u al het mogelijke gedaan worden om in uw kerkeraad al zulke klachten, protesten, enz., te doen ophouden, en gemeenteleden daarvan af te manen en hun daarop geen succes te geven. Anders wordt het gekibbel en getwist hoe langer hoe erger, zonder eenig nut of voordeel, en tot groote geestelijke schade, en oneere.

Rutgers, F.L. (1922) 164

164. Kan bij geschillen in handelszaken tusschen leden der gemeente de Kerkeraad optreden?

|246|

(1907.)

277. In de kerkelijke tuchtzaak, waarover ge schrijft, kan ik u geen beslist en volledig advies geven; want daartoe ben ik, ondanks uwe inlichtingen, met de zaak niet genoeg bekend; terwijl het bovendien ook moeielijk aangaat over twistzaken definitief te oordeelen zonder de partijen zelve gehoord te hebben.

Voor zooveel ik de zaak nu ken, is mijn indruk, dat de censuur en schorsing van den door u bedoelden ouderling niet voldoende gemotiveerd is.

De aanleiding was, dat hij met eenige anderen afgesproken had een partij aardappelen te koopen, daarna in strijd met die afspraak zelf die partij gekocht had, en vervolgens dit laatste tegenover zijn compagnons ontkende. Over dit laatste (het spreken van onwaarheid) is hij toen door den kerkeraad onderhouden; waarbij de kerkeraad zich toen zeker wel bij dat ééne punt zal bepaald hebben, zonder zich met de handelszaak en met het handelscontract, en met den koop der aardappelen ook maar eenigszins in te laten, daar toch over zulke zaken een kerkeraad geen rechter mag zijn, of zelfs kan zijn, maar beslist moet worden door middel van arbitrage of van den burgerlijken rechter, En over het bedoelde onwaarheid spreken heeft de verdachte toen voor den kerkeraad schuld beleden.

Welnu, daarmede was ten zijnen aanzien de zaak dan ook afgedaan, wat den kerkeraad betreft. Terecht heeft de kerkeraad geweigerd hem nu toch uit zijn ambt te ontzetten, gelijk verlangd werd door zijn compagnons, die zijn schuldbelijding „niet aanvaardden.″ Of deze toen voor dat „niet aanvaarden″ door den kerkeraad ook vermaand zijn, blijkt uit uwe mededeeling niet, maar doet voor uwe vraag ook niet ter zake.

De zaak is echter in den kerkeraad weer ter sprake gekomen, doordat (gelijk ge schrijft), „de ouderling in strijd met die schuldbelijding doorgegaan was met de handelszaak buiten zijn compagnons om″; en toen „weigerde hij zijn schuldbelijding te handhaven, zeggende dat hij onschuldig was″. En hierop is hij „dientengevolge gecensureerd en geschorst″.

Hiervan begrijp ik nu niets. Met die „handelszaak″ had de kerkeraad als zoodanig toch niet te maken. Daarin kon en mocht

|247|

hij niet oordeelen, en allerminst kon en mocht hij een kerkelijk tuchtmiddel gebruiken, ten einde iemand te dwingen in een handelszaak naar het inzicht van den kerkeraad te handelen. Toch schijnt dit geschied te zijn, en zelfs zou ik hieruit bijna opmaken, dat hem vroeger door den kerkeraad een schuldbelijdenis gevraagd was, niet over zijn „onwaarheid spreken″, maar over zijn gedragingen in den handel, in welk geval de kerkeraad dan reeds bij den aanvang op een m.i. verkeerden weg zou geweest zijn.

Uwe mededeeling liet echter ook toe, de uitdrukking: „hij weigerde zijn schuldbelijdenis te handhaven, zeggende dat hij onschuldig was″, in dezen zin op te vatten: hij ontkende, dat hij vroeger onwaarheid gesproken had. Waarbij dan echter onverklaard blijft, waarom hij zulks dan vroeger wèl zou beleden hebben. Tenzij dan dat zekere pressie op hem was geoefend.

Maar in ieder geval zou zijn „neen″ dan staan tegenover het „ja″ zijner compagnons; en zou dus het bewijs ontbreken, dat voor censuur (en dus eventueel voor excommunicatie) noodig is, die toch nooit op vermoedens, hoe waarschijnlijk ook, mag worden uitgesproken. In zulke zaken is wederzijdsch misverstand ook altijd mogelijk en denkbaar.

Ziehier in het kort mijn indruk. Maar ik herhaal, dat ik met personen en omstandigheden niet genoeg bekend ben, om beslist en volledig te kunnen oordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 165

165. Hoe te handelen met iemand, die in zondige gemeenschap met een vrouw levend, door middel van leugen echtscheiding verkreeg, en daarna met deze vrouw huwde?

 

(1915.)

278. Ge vraagt mijn advies inzake de toepassing van de kerkelijke discipline bij een geval, dat zich in uwe gemeente voor doet. Daar ik de hierbij betrokken personen in ’t geheel niet ken, en de omstandigheden slechts ten deele ken, kan mijn advies natuurlijk niet volledig en beslist zijn, en slechts gegeven worden voor zooveel ik met de zaak bekend ben.

In deze zeer treurige zaak heeft de man, die door middel van een opzettelijke leugen echtscheiding van den rechter verkreeg,

|248|

en die toen in gemeenschap leefde met een vrouw, welke hij eerst daarna wettiglijk trouwde, zonder twijfel zeer ernstiglijk gezondigd tegen het 9e en het 7e gebod. Daarom zal hij (ook al schrijft ge dit niet) door uwen kerkeraad zeker wel gecensureerd zijn, met afhouding van het H. Avondmaal, volgens art. 76 K.O; welke censuur natuurlijk niet kan opgeheven worden, voordat hij gekomen is tot oprechte schuldbelijdenis over die beide zonden, en de echtheid van zijn berouw ook getoond heeft in een voldoenden proeftijd, door een levenswandel van oprechtheid en ingetogenheid; tot welk een en ander de opzieners der gemeente hem ook zeker gedurig zullen moeten vermanen.

Eerst wanneer die gedurige, althans op den tijd der Avondmaalsvieringen telkens te herhalen, vermaning inderdaad bleek geen doel te kunnen treffen, zou er sprake kunnen zijn van de toepassing van Art. 77 K.O., d.i. van de eerste trap der excommunicatie, volgens het begin van dat art. 77. Maar om den ontzaggelijken ernst van de excommunicatie hebben onze Gereformeerde kerken altijd als regel aangenomen, daartoe vooral niet te spoedig over te gaan.

Rutgers, F.L. (1922) 166

166. Moeten leden der Gereformeerde kerk, die geregeld elders kerkgaan, of weinig in de kerk komen, gecensureerd worden, of ook geëxcommuniceerd?

 

(1901.)

279. Uwe vraag betreft niet een kerkrechtelijk beginsel of regel, maar de toepassing ervan op een bepaald geval, waarbij natuurlijk alles afhangt van de gesteldheid van persoon en omstandigheden. Daar ik deze niet ken, en ook uit een brief niet genoegzaam kan kennen, kan ik over de bedoelde toepassing geen beslist advies geven. Bijna alles hangt in een geval, als hier schijnt te zijn, af van de reden, waarom de bedoelde zuster zoo weinig in de kerk komt. Er zijn natuurlijk allerlei wettige motieven van wegblijven; ook wel eens motieven, die iemand niet goed kan mededeelen. Daarom zou ik altijd voorzichtig zijn, eer ik officieel uitsprak, gelijk door excommunicatie geschiedt, dat zulk een zuster, enkel door haar wegblijven, toont buiten Gods koninkrijk te staan.

|249|

Maar hoe met die zuster te handelen is, kan ik natuurlijk niet zeggen, nu ik haar en hare omstandigheden niet ken, noch weet, wat zij tot haar verontschuldiging aanvoert of kan aanvoeren.

 

(1907.)

280. Het gaat zeker niet aan, een lid der Geref. kerk, die verklaart zulks te willen blijven, eenvoudig als zoodanig te schrappen, omdat de kerkeraad oordeelt, dat zoodanig lid door „daden toont de Geref. kerk verlaten te hebben″. Dat zou met de eischen van kerkelijk opzicht en tucht in strijd zijn; en zoodanig oordeel zou ook niet eens met de werkelijkheid overeenkomen: het zou dan, om geheel waar te zijn, moeten inhouden, dat zoodanig lid zich kerkelijk niet gedraagt, gelijk een lid der Geref. kerk zich moet gedragen, en dan daarom door den kerkeraad, tegen den wil van het lid zelf, buiten de kerkelijke gemeenschap gezet wordt.

Dit nu is excommunicatie, en zou dan ook aldus moeten heeten. Op andere wijze kan de kerk iemand niet buiten hare gemeenschap zetten. Maar wanneer de beweegreden gelegen is, niet in ergerlijke ketterij of levenswandel, maar in het deelnemen aan de samen komsten in eene andere kerkgemeenschap, met verwaarloozing van de eigen diensten, moet een kerkeraad m.i. niet spoedig tot censuur overgaan. Het ontbreekt zulk een lid dan aan kerkelijk besef en aan alle begrip van ’t geen de geinstitueerde kerk is, en van ’t geen het voorrecht van daartoe te behooren eischt en medebrengt. Door onderwijzing en vermaning moet dan voortdurend op zoodanig lid gewerkt worden. En het kan ook zijn (wanneer zulke onderwijzing niet baat), dat zoodanig lid moet gewezen worden op het tegenstrijdige en valsche der positie, ook al komt het dan tot de conclusie van opzegging door het lid zelf, en van overgang tot de „Herv. Gem.″.

Over het bij u voorkomend geval kan ik natuurlijk geen precies advies geven, daar ik de bedoelde persoon niet ken.

|250|

(1913.)

281. Ge schrijft mij, dat in uwe kerk de kerkeraad het besluit heeft genomen, de leden, die geregeld de Christel. Geref. kerk bezoeken, maar wier belijdenis en wandel geen recht of reden geeft de kerkelijke tucht volgens art. 76 (en vervolgens art. 77) op hen toe te passen, — eenvoudig als leden der Geref. kerk te schrappen en ge vraagt mij, of dit kerkrechtelijk juist is.

Die vraag is in onze Gereformeerde kerken, in vroeger eeuwen en ook in onzen tijd (laatstelijk nog op de Generale Synode te Utrecht in 1905; zie hare Acta, die in elk kerkeraadsarchief, en dus ook te X voorhanden zijn) meermalen gedaan, en dan altijd beantwoord met besliste ontkenning, op zeer deugdelijke gronden; zoodat het wel vreemd is, dat uw kerkeraad, desniettegenstaande, toch een dergelijk besluit van „schrapping″ genomen heeft. Indien dit punt, door appèl van de daardoor getroffenen of ook anders zins op eene meerdere vergadering aan de orde kwam, zou de kerkeraad zonder twijfel in het ongelijk gesteld worden; zoo al niet door de Classe, dan toch door de Particuliere en Generale Synode.

Natuurlijk kan een gemeentelid zich zelf afscheiden, omdat niemand kan of mag gedwongen worden tot eene kerk te behooren. Maar wanneer een gemeentelid bij onze kerk wil blijven, dan kan dat lidmaatschap alleenlijk ophouden (behalve door overlijden en door verhuizing naar buiten) door excommunicatie, wettiglijk uitgesproken, en dus naar de procedure, die daarvoor in art. 77 van de Kerkenordening is bepaald.

Wat men „schrapping″ of „verwijdering uit het lidmatenboek″ noemt, is in alle opzichten hetzelfde als „excommunicatie″; maar — zonder dat daarbij de wettige weg gevolgd wordt, en zonder dat daarbij de noodige waarborgen zijn tegen overijling of verkeerde behandeling, en zonder het toch altijd noodige „advies van de Classe″, en zonder dat de voor eene uitbanning noodige gronden (met name de overtuiging, dat de alzoo verwijderde „buiten Gods koninkrijk staat tenzij hij zich bekeere″) aanwezig zijn, ja zelfs zonder eenige kerkelijke procedure en zonder eenigen waarborg voor den uitgebannene, gelijk toch bij een dergelijk zeer ernstig besluit onmisbaar is, opdat de kerkelijke tucht niet geheel ontaarde.

Daarmede wordt nu zeker niet bedoeld, dat een kerkeraad het

|251|

„elders kerken” maar moet laten begaan. Wel kunnen er gevallen zijn, waarin dat tot op zekere hoogte te verschoonen is; maar die gevallen zijn toch zeldzaam; en als regel moet gelden, dat de leden onzer kerk ook den dienst des Woords en der Sacramenten in die kerk gebruiken. Daarop moet de kerkeraad dus met allen ernst aandringen, ook al schijnt dit langen tijd niet te baten. Maar ook clan is „schrapping” nooit geoorloofd: de gezonde kerkelijke discipline moet worden in eere gehouden.

Over dit punt zult ge ook met vrucht kunnen nalezen wat Prof. Bouwman (te Kampen) speciaal daarover schrijft, in zijn onlangs verschenen werk : „De kerkelijke tucht naar het Geref. kerkrecht”, waar hij drie blz. hieraan toewijdt, blz. 163-165, vooral blz. 165. Met welke beschouwing (eigenlijk die van onze kerken zelve) ik het geheel eens ben.

Rutgers, F.L. (1922) 167

167. Hoe wordt de kerkelijke tucht toegepast over doopleden?

Zie ook onder art. 59 vraag 110.

(1911.)

282. De vraag, die ge in uw schrijven mij doet, betreft de kerkelijke tucht over zoogenaamde Doopleden.

Mijn advies te dien aanzien kunt ge vinden in het Rapport, dat ik (met prof. Bavinck) daarover heb opgesteld voor de Generale Synode van Middelburg in 1896 (afgedrukt in de Acta van de Synode, blz. 119-124); en de hoofdstrekking van het daarin gegeven advies is geapprobeerd en overgenomen door de Generale Synode van Groningen in 1899 (Acta van de Synode, artt. 98 en 115, blz. 47 en 57).

Ik heb mijn advies aldaar zoo kort mogelijk geformuleerd en gemotiveerd; zoodat ik die 5 bladzijden druks in een brief niet nog korter kan samenvatten. Dit is echter ook niet noodig, daar van alle Acta onzer Generale Synoden een exemplaar voorhanden is in ieder kerkeraadsarchief; dus ook in dat van uwe gemeente.

Daarin vindt ge dus, op welke manier, naar mijn oordeel en naar het oordeel onzer kerken, te handelen is met een zoogenaamd Dooplid, dat na jarenlange ernstige vermaning en waarschuwing toch wegens vijandschap tegen de waarheid, of afkeer, of gebleken

|252|

voortdurende onverschilligheid, pertinent weigert tot belijdenis en Avondmaalsviering te komen en zelfs weigert om zich althans in den weg der middelen te stellen, door ter kerk en ter catechisatie te komen.

Dat kan dan niet gaan langs den weg van gewone censuur en excommunicatie, volgens artt. 76 en 77 K.O., want zulk een persoon is nog niet eens tot de kerkelijke gemeenschap bij de Avondmaalsviering toegelaten, en deze kan hem dus niet van nu af ontzegd of ontnomen worden. Dat zou zijn (gelijk in bovenbedoeld advies ook is aangewezen), alsof belijdenis en Avondmaalsviering er voor de kerk eigenlijk minder op aankwam; alsof een volwassen en mondig persoon, ook zonder dat, wel geheel als lid der kerk kon beschouwd en behandeld worden; en alsof een kerkeraad dus eigenlijk zelf des Heeren Heilig Avondmaal geringschatte.

Het kan alleen gaan langs den weg, dien het bovenbedoelde advies, aan het slot, in 2º. aangeeft (blz. 124); waarbij dan natuurlijk de uitspraak des kerkeraads, dat N.N. moet geacht worden het lidmaatschap van de kerk verloren te hebben, niet mag genomen worden dan na ernstige en langdurige vermaning, en ook behoorlijk moet gemotiveerd zijn doordat bleek, dat men te doen had, niet met onkunde of met gemoedelijke conscientiebezwaren, maar met onwil, of volslagen onverschilligheid, of vijandschap.

Of en in hoeverre dit bij een bepaald persoon het geval is, kan natuurlijk alleen ter plaatse zelve beoordeeld worden door den kerkeraad, die met persoon en omstandigheden en gedane vermaningen bekend is.

Rutgers, F.L. (1922) 168

168. Moet iemand, die één keer in een zonde valt gecensureerd worden?

 

(1908.)

283. Wie steeds bekend was als een godvreezend en matig man, en dan éénmaal door onvoorzichtigheid dronken geweest is, kan zeker niet gezegd worden een „dronkaard” te zijn, of aan „dronkenschap” schuldig te staan. En wanneer hij terstond daarna oprechtelijk schuld beleed, is er ook geen reden voor toepassing der kerkelijke tucht, te minder, daar hier de zonde niet openbaar was, en dus alleen door afkeurenswaardige mededeeling van de enkelen, die ervan wisten, ruchtbaar geworden is.

|253|

Een andere vraag is, of de bedoelde br. die ouderling is, door het gebeurde soms te veel crediet bij de gemeente verloren heeft, om, althans in den eersten tijd, met vrijmoedigheid en vrucht ouderling te blijven, en dus liever zijn ontslag zou moeten vragen. Zelf zou ik dat in zulk een geval zeker niet noodig achten. Maar ik weet niet, hoe men in uw kerkeraad en gemeente daarover denkt: iets, dat hier ook wel in aanmerking komt.

Rutgers, F.L. (1922) 169

169. Moeten leden der kerk, die wegens baptistische gevoelens hun kinderen ongedoopt laten, tenslotte geëxcommuniceerd worden?

 

(1907.)

284. Ge vraagt mijn advies of eenige leden uwer gemeente, die baptistische gevoelens openbaren en daarom hunne kinderen ongedoopt laten, en die om die reden reeds eenige jaren onder censuur staan, zonder dat onderwijzing of vermaning iets bij hen baat, nu ten slotte moeten geëxcommuniceerd worden, indien zij geene betering toonen.

Ge zult begrijpen, dat het hier moeilijk gaat, een beslist advies te geven over de toepassing van de kerkelijke tucht op een bepaald geval; daar zulke toepassing veelszins afhangt van de gesteldheid van personen en omstandigheden, die mij alleenlijk uit uwe mededeelingen een weinig bekend zijn. Het is vooral bezwaarlijk, excommunicatie aan of af te raden, als men de daarbij betrokkenen in 't geheel niet kent, en niet gehoord heeft.

In het algemeen zou ik zeggen, dat er, bij afwijking in de leer, wanneer overigens de persoon den indruk geeft van godzaligheid, veel van afhangt, of de afwijking schijnt voort te komen uit onkunde of misverstand, dan wel uit een verkeerden zin, en of de afwijkende zijn bezwaren liefst voor zich houdt, dan wel er eenigszins propaganda voor wil maken.

Is er besliste afwijking, en dan (gelijk hier schijnt te zijn) inderdaad op fundamenteele punten, met een zeker fanatisme, en ook blijkende uit daden en uitingen, die openlijk ergernis geven, dan moet zeker, als geen onderwijzing en vermaning helpt, met advies der Classe ten slotte worden voortgeprocedeerd, om den wille van

|254|

de stichting der gemeente, de eere des Heeren, en ook het belang der afwijkenden zelven. Feitelijk schijnt uw kerkeraad daar reeds toe besloten te hebben, door reeds vroeger de censuur toe te passen; althans wanneer men destijds de zaak heeft doorgedacht.

Rutgers, F.L. (1922) 170

170. Moeten leden, die wegens gemoedsbezwaren over handelingen van den kerkeraad, het Avondmaal verzuimen, gecensureerd worden?

 

(1897.)

285. Gij vraagt mij, of de kerkeraad van X tucht heeft toe te passen op drie leden, die onder aanvoering van gemoedsbezwaren (nl. dat andere leden, die wegens arbeid op Zondag huns inziens onder tucht moesten gesteld zijn, niet onder tucht staan), sinds geruimen tijd van Avondmaalsviering zich onthielden.

Voor zooveel ik dit geval uit uwe medeelingen ken, zou ik hier raadzaam achten, voort te gaan met onderwijzing en vermaning, maar niet over te gaan tot formeele censuur. Vooral om de volgende redenen:

1º. In onze kerken is nog volstrekt geen usantie, leden, die zich eenigen tijd van het Avondmaal onthouden, te censureeren, zelfs niet als die onthouding uit onverschilligheid, innerlijke afkeerigheid, enz. voortkomt. In X schijnt in zoodanige gevallen wèl gecensureerd te worden (anders toch zou men er niet over denken, het ook te doen als de onthouding uit gemoedsbezwaren voortkomt). Maar dat is zeker wel een uitzondering (ofschoon wel te wenschen ware, dat onze kerken in het algemeen zoover konden komen)! En ook in X zal men toch wel niet censureeren, als men te doen heeft met gemoedelijke, teere en blijkbaar Godzalige menschen, die uit misverstand en verkeerde opvattingen van het Avondmaal terugblijven. In het door u genoemde geval nu, is ook misverstand en verkeerde opvatting; waarvoor onderwijzing en vermaning noodig is, geen censuur.

2º. De kerkeraad censureert niet: degenen die op Zondag eenigen arbeid doen (evenmin als onze kerkeraad in Amsterdam dit in zulke gevallen, als het hier geldt, doet). Daartegen hebben sommige leden bezwaar; ’t geen hun vrijstaat, en geacht moet worden uit

|255|

eerbied voor het 4de gebod voort te komen. En nu openbaren zij dat bezwaar zeker op verkeerde wijze, nl. door van het Avond maal zelven terug te blijven. Maar dat geeft m.i. nog geen grond om dan nu op hen de censuur wèl toe te passen. Dit zou ook den indruk geven, alsof de kerkeraad Zondagsarbeid zoo kras mogelijk wilde beschermen, en allen tegenstand tegen zulken arbeid door censuur wilde breken.

3º. Het vermoeden, alsof die leden censuur wilden uitlokken, om de zaak op de Classe te brengen, schijnt mij geheel ongegrond. Immers, daarvoor hebben zij toch waarlijk geen censuur noodig. Ieder gemeentelid kan bij de Classe klagen, als hij meent, dat de kerkeraad nalatig is in het oefenen van opzicht en tucht. Zelfs zou door censuur van die drie leden de zaak niet eens goed en zuiver op de Classe komen; want als deze b.v. uitsprak, dat wegens Avondmaals-onthouding uit gemoedsbezwaar geen censuur is toe te passen, dan zou de quaestie van Zondagsarbeid zelfs niet eens op de Classe behandeld worden.

Op welke wijze de drie bedoelde leden te behandelen zijn, hangt geheel af van hetgeen zij tot verdediging van hun onthouding bijbrengen; waarnaar ik natuurlijk moeielijk kan gaan raden. Het schijnt nog al vreemd, dat iemand, omdat hij meent, dat een kerkeraad zijn plicht niet doet, zelf zich vrijstelt van een gebod des Heeren, aan de gemeenschap zich onttrekt, en van geestelijken zegen zich berooft!

Rutgers, F.L. (1922) 171

171. Moeten leden, die zich tijdelijk afzonderen van de kerk om afzonderlijke bijeenkomsten te houden, gecensureerd worden?

 

(1910.)

286. Ge vraagt mijn advies in eene zaak, die wel van kerkrechtelijken aard is, maar waarin het toch eigenlijk niet gaat over regels en beginselen van de kerkelijke discipline, maar over de toepassing daarvan op bepaalde personen. Om hierover een volledig en beslist oordeel te kunnen hebben, zou ik die personen moeten kennen en gehoord hebben, en ook verder met plaatselijke toestanden en omstandigheden beter bekend moeten zijn dan

|256|

uit enkele mededeelingen mogelijk is. Ik kan uwe vragen dan ook slechts ten deele beantwoorden, en dan nog meest door eene algemeene opmerking.

Wat de door u bedoelde BB. aan den kerkeraad geschreven hebben, kan ik uit uwe mededeeling niet precies opmaken. Maar wel blijkt daaruit, dat zij, ofschoon zich aan de leiding des kerkeraads tijdelijk onttrekkende, toch geenszins van de Gereformeerde kerk zich wilden afscheiden. Ook indien zij zulks geschreven hadden, zou de kerkeraad hen toch niet aanstonds mogen loslaten, maar nog alle mogelijke moeite moeten doen om hen op dat besluit van afscheiding te doen terugkomen. Maar nu zij zulk een besluit niet hebben uitgesproken, gaat het nog veel minder aan, uit hun schrijven eene daartoe strekkende gevolgtrekking te willen afleiden. Zij hebben hun lidmaatschap niet opgezegd; en dus mag de kerkeraad in geen geval handelen, alsof zij dat wèl gedaan hadden. Dat zou vooreerst onwaar zijn, en tevens geheel in strijd met de roeping van opzieners der gemeente.

Intusschen kan ook niet lijdelijk worden aangezien, dat die B.B. zich willekeurig aan de samenkomsten der gemeente geheel onttrekken, en er onlangs ook toe zijn overgegaan, om op Zondag, tijdens de godsdienstoefeningen, een conventikel te houden bij wijze van leeskerk.

Naar uwe mededeeling is de aanleiding hiertoe niet anders, dan dat zij ontevreden zijn over de niet-herkiezing van één hunner tot ouderling, en te dien aanzien door de kerkvisitatoren niet bevredigd zijn. Maar is hun dan toen door die visitatoren, of door den kerkeraad, niet duidelijk gemaakt, dat zij, indien zij meenden reden tot beklag te hebben over eene kerkelijke verkiezing en bij den kerkeraad geen instemming daarmede vonden, zich op de Classe konden beroepen? Dat toch is de geordende weg, ook naar de Schrift, om plaatselijke geschillen, waarbij men niet tot bevrediging kan komen, met behulp van de buiten die geschillen staande zusterkerken tot een goede oplossing te brengen.

Ook voor uwen kerkeraad zou het m.i. thans wel raadzaam zijn de hulp der Classe in te roepen; te meer omdat het bovengenoemde samenkomen op Zondag tijdens den dienst der gemeente een begin is van hetgeen ons Avondmaalsformulier noemt: het aanrichten van

|257|

secten in kerkelijke regeering, of m.a.w. het begin van eene scheurkerk. 

Om die reden reeds nu aanstonds te censureeren, zou ik niet aanraden. Juist om den aard en de aanleiding van het bestaande geschil is de kerkeraad zelf, als zoodanig, daarin betrokken; en moet hij m.i. zelfs geen aanleiding geven, om te doen denken, dat hij optreedt als rechter in zijn eigen zaak; ’t geen ook de moreele werking van het tuchtmiddel geheel zou beletten.

De Classe, om hulp gevraagd, kan een commissie benoemen om de zaken ter plaatse te onderzoeken, de zich onttrekkende BB. over hunne bezwaren te hooren, de zaak zelve zoo mogelijk tot een goed einde te brengen, en anders aan de Classe daarover te rapporteeren, waarop deze dan uwe kerk een advies kan geven.

Natuurlijk kan de kerkeraad zich ook laten adviseeren door een daartoe bereidwilligen genabuurden kerkeraad. Maar dat is in zulk een geval toch niet de gewone en meest aangewezen kerkelijke weg. En zulk een genabuurde kerkeraad heeft natuurlijk ook niet hetzelfde moreele crediet als de gansche Classe, terwijl voorts ook hierbij de „veelheid van raadgevers” altijd goed is en ook goed kan werken.

Of het hierbij goed zou zijn, dat de Classe zulk een commissie samenstelt uit hare gewone visitatoren (die in de zaak reeds eenigszins werkzaam waren), dan wel uit anderen, kan ik werkelijk niet beoordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 172

172. Hoe moet een predikant handelen, wanneer hèm alleen bekend is, dat er aan een te bevestigen huwelijk zonde tegen het 7de gebod voorafging?

 

(1907.)

287. Een advies te geven over de wijze, waarop, inzake kerkelijke discipline, met bepaalde personen ten aanzien van afwijking in den levenswandel te handelen is, gaat heel moeielijk, wanneer men die personen niet kent noch kan leeren kennen, en wanneer men over, de omstandigheden slechts eenige mededeelingen heeft, die, hoe nauwkeurig ook, toch uit den aard der zaak niet voldoende kunnen zijn. In de zaak, waarover ge mij in uw heden ontvangen brief schrijft, kan ik dus niet beslist en volledig adviseeren. Voor

|258|

zooveel ik de zaak kan beoordeelen, geef ik u echter gaarne mijn gevoelen.

Wat uw eigenlijke vraag betreft; eene ongeoorloofde gemeenschap vóór het huwelijk is zeer zeker eene groote zonde en censurabel, maar maakt de kerkelijke bevestiging van het huwelijk toch geenszins ongeoorloofd of onnoodig. Alleenlijk moet dan schuldbelijdenis voorafgaan, en moet, wegens de gegeven ergernis, van het H. Avondmaal een tijdlang worden afgehouden; ook opdat daarbij blijke van betering des levens, door een eerbaren en ingetogen wandel.

Nu is in het door u bedoelde geval de begane zonde naar het schijnt, nog niet openbaar, maar, behalve aan henzelven, alleen aan u bekend. Met opzet zeg ik: „naar het schijnt;” want wanneer de zwangerschap reeds ongeveer halverwegen gevorderd is, zullen allicht anderen er ook iets van gemerkt hebben, of vermoeden. In ieder geval zal dit niet lang meer kunnen uitblijven. Het geldt hier eene zonde, die uit den aard der zaak openbaar moet worden; ook al was het eerst door de geboorte van een kind kort na het huwelijk. De openbaarheid is hier slechts eene quaestie van iets vroeger of iets later. Daarom zou ik in uw geval de bruid zeggen, dat deze zaak door u toch in den kerkeraad moet gebracht worden, en dat, als zij wezenlijk berouw heeft en schuld gevoelt, het veel beter is, dat deze mededeeling als van harentwegen door u in den kerkeraad gebracht wordt, dan dat zij geschieden zou tegen haren zin. En voorts, als de bruidegom tot de Geref. kerk hoort, moet ge ook dezen aanspreken (b.v. door hem bij u te laten komen), en tot eigen schuldbelijdenis pogen te brengen; daar toch natuurlijk zijne zonde tegelijk met die van de bruid in behandeling komt.

Wanneer de zaak in de gemeente nog niet eenigszins bekend is, heeft het wel eenig bezwaar, ze juist bij de huwelijksbevestiging bekend te maken. Indien in uwe kerk alle afhouding van het Avondmaal aan de gemeente wordt medegedeeld (zonder namen te noemen), dan zou dit bezwaar vermeden zijn, omdat alsdan de afhouding reeds Zondags zou zijn medegedeeld. Maar in ieder geval moet schuldbelijdenis dan toch vóór de huwelijksbevestiging voor den kerkeraad geschieden. En bij de bevestiging kan er dan

|259|

in toespraak of gebed, op kiesche en „voor vreemden nog niet verstaanbare wijze” op gedoeld worden zonder dat het verbittert of kwetst. Iets, dat later bij den Doop van het kind toch ook weer zal te doen zijn.

Het kan echter zijn, dat de omstandigheden in uw streek van dien aard zijn, dat zulke zonde tegen het 7e gebod vrij algemeen weinig geteld wordt. En alsdan kan raadzaam zijn, er zoo kras mogelijk tegen op te treden en de overtreders dan niet eenigszins te sparen. Maar dit kan ik hier niet beoordeelen.

Ziehier wat ik op uw vraag kan antwoorden. Zeker niet genoeg, maar dat komt door ’t geen ik reeds in den aanvang schreef: vooral van den man, dien het hier geldt, weet ik zoo weinig.

Rutgers, F.L. (1922) 173

173. Moet na kermisbezoek door de schuldigen belijdenis worden gedaan voor den kerkeraad of voor den predikant?

 

(1905.)

288. Over het door u mij voorgestelde geval kan art. 75 K.O. niets zeggen, daar dit art. handelt over de verzoening van afwijkingen, die uit hun aard openbaar zijn of door verachting der kerkelijke vermaning openbaar zijn geworden, en gij mij schrijft over afwijkingen, die slechts ondersteld worden, en waarvan de vermoedelijke schuldigen zelfs nog niet bekend waren; dus zoo weinig openbaar als maar mogelijk is. Voor dezulken geldt veeleer art. 72-74 K.O. Waaruit volgt, dat de opzieners der gemeente (pred. en ouderlingen) zeker wel te onderzoeken hebben, indien zij gegrond vermoeden van iets ergelijks hebben, wie daaraan schuldig staan (zonder daarbij al te inquisitoriaal op te treden); maar als dan overtreding blijkt, en schuld wordt erkend, moet de opziener de zaak niet in den kerkeraad brengen. Naar de juiste beginselen van art. 72-74, volgens Mt. 18.

De officieele aanwijzing van één opziener (den pred.), voor wien eventueele en nog onbekende schuld te belijden is, en de oproeping daartoe in de samenkomst der gemeente, acht ik ook niet overeenkomstig de K.O. en de schriftuurlijke, Gereformeerde, beginselen. In den grond is dat eigenlijk een begin van de Roomsche

|260|

biecht, al bedoelt men zulks ook volstrekt niet. Alle opzieners staan in dit opzicht volkomen gelijk; en wat aan één hunner persoonlijk beleden is (zonder welke belijdenis hij de afwijking niet eens zou weten), mag die opziener dan niet meer in den kerkeraad brengen.

In de toekomst zou ik in uw geval dus liever zulke handelingen vermijden.

Rutgers, F.L. (1922) 174

174. Wanneer na „geheime” zonde, bij de eerste vermaning aanstonds boetvaardigheid komt, is er dan nog reden voor censuur?

 

(1907.)

289. In het geval, waarover ge mij schrijft, kan er zeer zeker geen sprake zijn van toepassing van den eersten trap van excommunicatie (volgens art. 77 K.O.), reeds omdat die nooit mag worden toegepast, zonder dat aan dien eersten trap nog vooraf gaat de gewone censuur, met herhaalde vermaningen (volgens art. 76 K.O.), hetgeen bij kerkelijke tucht in den aard der zaak ligt, en in het begin van art. 77 ook uitdrukkelijk gezegd en ondersteld wordt.

Maar ook kan in dit geval geen sprake zijn van de gewone censuur volgens art. 76 K.O. Immers, oneerlijkheid in loondienst is uit den aard der zaak geene „openbare,” maar eene „geheime” zonde; en wanneer zij in dit geval in de gemeente min of meer bekend is geworden, dan is dat zeker niet geschied „door verachting der kerkelijke vermaning,” en ook niet „door het geen gehoor geven aan de vermaning van twee of drie personen,” maar alleenlijk ten gevolge van geheel onnoodige mededeelingen, of van onbescheidenheid, of van praatzucht of van iets dergelijks.

En juist daarom kan hier ook geen sprake zijn van toepassing van art. 75 K.O. (waarvan de redactie door de laatste Generale Synode te Utrecht nog eenigszins verduidelijkt is), daar hier de onderstelling, waarop dit artikel berust (de eerste 3 regels) ontbreekt. Ook zou, volgens den ouden Gereformeerden regel, in dat artikel, reeds in de 16e eeuw uitgesproken, eene openbare verzoening niet mogen plaats hebben, zonder de bepalingen van het slot van dat

|261|

artikel, dus niet zonder advies van twee genabuurde kerken. Maar gelijk ik reeds zeide, art. 75 past niet op dit geval.

Hier geldt veeleer art. 73 K.O.; in verband met art. 72. En (wat nog meer zegt), waar het doel, dat met kerkelijke tucht zou moeten bereikt worden, reeds bereikt is, zonder dat de kerkeraad daarvoor officieel en formeel behoefde te handelen, daar zou het met alle beginselen van kerkelijke discipline in strijd zijn, iemand, die gezondigd heeft, maar na de eerste vermaning tot schuldbelijdenis en boetvaardigheid kwam, veel strenger te behandelen, dan wanneer hij niet tot schuldbelijdenis was gekomen. Immers in dit laatste geval zou hij zijn gecensureerd moeten worden, en volgens de Kerkenordening wordt de gewone censuur eerst dan aan de gemeente bekend gemaakt (eerst nog zelfs zonder naam), wanneer zij na herhaalde vermaningen niet helpt, en men oordeelt tot de excommunicatie te moeten overgaan (zooals in art. 77 K.O. staat, en ook de oude practijk was). Zou het dan aangaan, iemand die wèl tot boetvaardigheid kwam, reeds bij de eerste vermaning, toch als ’t ware nog eens publiek te schande te maken? Wie hardnekkig is, moet dat ondergaan, naar den regel: wie niet hooren wil, moet voelen. Maar waar het juist andersom is, is zulk eene harde behandeling zeker niet op hare plaats, en ook niet overeenkomstig de beginselen van Matth. 18.

Iets anders is het, aan de bedoelde zuster te zeggen, dat zij bij de eerstvolgende Avondmaalsviering zich daarvan te onthouden heeft; niet als tuchtmiddel om haar tot boetvaardigheid te brengen; maar omdat zij daarin de oprechtheid van haar schuldgevoel en van hare schuldbelijdenis toone, en ook tijd hebbe om blijken te geven van een daarmede overeenkomstigen nauwgezetten wandel. Dat zou ik zeker in dit geval wel raadzaam achten. Maar het is zeker niet noodig, en het zou zelfs schadelijk werken, om daarvan mededeeling te doen aan de gemeente. Tegenover de gemeente toch behoeft een kerkeraad zich niet over zijn opzicht en tucht te verantwoorden; dat zou bij menige teedere zaak zelfs ongeoorloofd en onchristelijk zijn. Maar de kerkeraad moet zich verantwoord weten tegenover den Heere, wiens dienaars de opzieners zijn; en tegenover menschen kan die verantwoording slechts plaats vinden als een formeele aanklacht door menschen

|262|

gedaan wordt, terwijl zelfs dan een kerkeraad vaak zich bepalen moet tot de algemeene verzekering, dat hij ernstig en naar Gods Woord tegen de zonde optreedt en handelt, met bijvoeging, dat hij juist daarom niet aan ieder de bijzonderheden van zijn opzicht mag vertellen.

Rutgers, F.L. (1922) 175

175. Kan iemand, wien het deelnemen aan het H. Avondmaal ontraden is, daarvan op de Classe appelleeren?

 

(1911.)

290. In de zaak, waarover ge mij schrijft, schijnt de daarbij betrokken br. nog al twistziek te zijn, tot zelfs over onbeduidende dingen, en daarom ook niet geneigd om quaesties uit den weg te ruimen, gelijk ge zelf en de kerkeraad beproefden.

Hemzelven heb ik natuurlijk niet gehoord, maar ik mag toch wel als vaststaand aannemen, dat die br. op uw brief, om met zijn beschuldiging in den kerkeraad te komen, zelfs in 't geheel niet geantwoord heeft. En indien ook vaststaat, dat hij dien brief wel ontving, dan was er zeker wel reden om hem te ontraden, aan de a.s. Avondmaalsviering deel te nemen; ’t geen trouwens in ’t algemeen ook aan allen, die bitterheid tegen een ander in het hart hebben, moet ontraden worden.

Dat is echter iets geheel anders dan ontzegging van het Avondmaal door kerkelijke censuur. En daarom begrijp ik ook niet goed, hoe de bedoelde br. van die kerkelijke raadgeving op de Classe appelleeren kan. Hij zal toch niet onderstellen, dat de Classe iemand zou aanraden, onverzoend en ook onverzoenlijk toch maar aan de Avondmaalsviering deel te nemen?

Rutgers, F.L. (1922) 176

176. Is bij zonde tegen het 7de gebod, die erkend en bij velen bekend is, kerkelijke behandeling en censuur noodig?

 

(1912.)

291. In het door u genoemde geval is, blijkens uwe mededeelingen, de zonde tegen het 7e gebod genoegzaam zeker en ook door de overtreders erkend, terwijl die zonde nog verzwaard is

|263|

door de omstandigheid, dat zij bedreven is terwijl het meisje zich voorbereidde om tot het H. Avondmaal te worden toegelaten, en ook inderdaad te dien einde openbare belijdenis deed. Ook is de bedreven zonde hier reeds blijkbaar aan velen bekend; wel nog maar door geruchten, maar dan toch door geruchten, die niet valsch of ijdel zijn. Hier is dus zeer zeker kerkelijke behandeling noodig, en na verhoor van de beide schuldigen ook censuur door afhouding van het H. Avondmaal, totdat zij na schuldbelijdenis (die in onze kerken bij zulke gevallen doorgaans voor den kerkeraad of voor een kerkeraadscommissie geschiedde en geschiedt) en na gebleken berouw en betering des levens (door ingetogenheid, enz.) weêr van de censuur ontheven kunnen worden.

Rutgers, F.L. (1922) 177

177. Moet iemand, die voornemens is een gemengd huwelijk aan te gaan, gecensureerd worden?

 

(1899.)

292. Uwe vraag betreft niet een beginsel of regel, maar de toepassing van beginselen en regelen op een bepaald concreet geval; en dan is het niet wel doenlijk, daarover een beslist en volledig advies te geven, zonder preciese kennis van de omstandigheden en de personen; welke kennis mij hier natuurlijk ontbreekt.

In het algemeen is een „gemengd” huwelijk natuurlijk ten sterkste af te keuren en te ontraden, vooral wanneer degeen, met wie een Gereformeerde wil trouwen, zich als een „ongeloovige” openbaart. Maar ik geloof niet, dat dit, in den regel en reeds op zichzelf, grond oplevert om zulk een Gereformeerde van het Avondmaal af te houden, eventueel te excommuniceeren, wanneer die Gereformeerde overigens in belijdenis en wandel onergerlijk is. Voor vermaning en waarschuwing is dan wel alleszins plaats. Maar met de toepassing van de tucht zal dan m.i. in den regel te wachten zijn, totdat onverhoopt blijke, dat het samenleven met den ongeloovige de Gereformeerde partij in belijdenis of wandel doet afwijken. Immers, dit geschiedt dan wel dikwijls, maar toch niet altijd. Er zijn wel vrouwen bekend, ook in de geschiedenis, die ongeloovige mannen hadden, en toch toonbeelden bleven van Christelijke vrouwen, door ieder erkend als kinderen Gods, waarin het leven

|264|

uit God was. Dezulken nu mag de kerk niet excommuniceeren. En daarom moet ook liefst niet geexcommuniceerd worden, op grond van een verkeerden stap, die zeer licht aanleiding kan geven tot afval, maar eerst dan, als die aanleiding blijken mocht gewerkt te hebben.

Intusschen geldt dit sléchts in het algemeen. Veel hangt in dezen af van de omstandigheden en van de personen der beide partijen (de Geref. en de ongeloovige).

Rutgers, F.L. (1922) 178

178. Moet iemand, die met een dronkaard wil huwen, gecensureerd worden?

 

(1902.)

293. Ge vraagt mijn advies, niet over eenig beginsel of eenigen regel, maar over de toepassing van kerkelijke tucht op een bepaald geval. Daar deze natuurlijk afhangt van personen en omstandigheden, en ik daarmede in het door u bedoelde geval natuurlijk niet genoegzaam bekend ben (ook al geeft uw schrijven mij te dien aanzien iets), kan ik over zulke toepassing moeielijk een beslist en volledig advies geven. Waarbij komt, dat in dit geval de kerkeraad reeds lang gehandeld heeft, door ruim een jaar geleden de censuur toe te passen, waardoor natuurlijk reeds veel gepraejudicieerd is.

Wat dit laatste betreft, hangt er nu voor het vervolg veel af van de omstandigheid, wat het motief was van de opgelegde censuur. Indien zij is opgelegd wegens ongeoorloofde gemeenschap of onzedelijke handelingen, dan kan zij niet opgeheven worden, voordat daarvoor schuld beleden is en meer ingetogenheid van leven betoond is Maar het ook mogelijk dat zij is opgelegd, enkel om het feit van verkeering met een ongeloovige, en dus wegens het voornemen om met hem een huwelijk aan te gaan; en alsdan zou de zaak moeielijker zijn, want een verkeerd voornemen wordt zeker niet gebeterd door de uitvoering. Althans zou het dan logisch zijn, dat het huwelijk zelf motief werd tot de excommunicatie.

En toch zou dat m.i. in den regel geen voldoend motief zijn. Zonder twijfel mag een geloovige niet trouwen, tenzij „in den

|265|

Heere”, en dus niet met iemand, die aan den drank is; zoodat een kerkeraad altijd geroepen is, dat zooveel mogelijk tegen te gaan door onderwijzing, vermaning, berisping, waarschuwing enz. Maar — niet al wat verkeerd of zondig is, ook al kan iemand er geen afstand van doen, terwijl hij het toch zelf als zondig erkent, is reeds op zichzelf motief tot censuur of excommunicatie. Calvijn, die toch meer dan iemand voor kerkelijke tucht geijverd heeft, heeft dat zeer nadrukkelijk aan zijn leerlingen voorgehouden; en Voetius in zijn Pol. Eccl. niet minder. En nu geloof ik niet, dat het trouwen met iemand, die aan den drank is, op zichzelf en in den regel (behoudens bijzondere gevallen) excommunicatie zou wettigen. Wel is dan de geloovige helft in groot gevaar, wat het godsdienstig, kerkelijk en zedelijk leven betreft. Klaar eerst als daarvan blijkt, zou m.i. censuur zijn toe te passen. En in geen geval op het enkele voornemen om zulk eene daad te doen.

Maar ik herhaal, ik weet niet of dit voornemen het motief was der censuur, dan wel of er andere motieven in het kerkeraadsbesluit bij vermeld zijn; en indien dit laatste, weet ik niet, welke die motieven waren. En daarom moet ik ook herhalen, dat ik moeielijk adviseeren kan over den verderen loop. Het best zou wel zijn, dat ge de Classe om advies vraagdet. Ook omdat, in het geval, dat de Classe hier nog geen geval voor excommunicatie vindt en misschien zelfs verlenging der censuur tot in het oneindige niet wenschelijk acht, de kerkeraad zich bij haar advies dan kan neerleggen, zonder zelf onlogisch te handelen.

Rutgers, F.L. (1922) 179

179. Moeten gemeenteleden, die in de Hervormde kerk geregeld kerken en daar zelfs aan het Avondmaal deelnemen, gecensureerd worden?

 

(1909.)

294. Het is zeer treurig, dat de BB. A. en B. aan hun individueel oordeel over kerkelijke handelingen zoo stijfhoofdig vasthouden, en er zelfs toe gekomen zijn zich nu aan de kerkelijke gemeenschap veelszins te onttrekken en zich kerkelijk aan te sluiten bij de Herv. Kerk, ja zelfs aldaar aan het Avondmaal deel te nemen.

|266|

Op zulk een houding en gedragslijn is het besluit van de Utrechtsche Synode van 1905 (Acta, art. 14) zeer zeker niet toepasselijk. Integendeel, de bovengenoemde BB. moeten erkennen en belijden, dat zij door zulke aansluiting bij de Hervormde kerk, vooral door de Avondmaalsviering aldaar, gezondigd hebben evenals ook door het zich onttrekken aan de kerkelijke gemeenschap in de Gereformeerde kerk.

Zijn zij door herhaalde vermaning en waarschuwing daartoe niet te brengen, dan moet m.i. kerkelijk tegen hen geprocedeerd worden.

Niet, door bij kerkeraadsbesluit uit te spreken, dat zij „door deelname aan de Avondmaalsbediening in de Hervormde kerk daadwerkelijk zich onttrokken hebben.” Want dat zou eigenlijk niet anders zijn, dan eene excommunicatie zonder vorm van proces; zonder alles wat in Gereformeerde kerken voor eene wettige excommunicatie vereischt wordt.

Maar wel, door de censuur van afhouding van het H. Avondmaal en dus van de volle kerkelijke gemeenschap.

Natuurlijk zou daar ten slotte, bij volharding, excommunicatie op moeten volgen. Maar dan niet zonder voorafgaand herhaald vermaan; ’t geen in onze kerken doorgaans jarenlang werd volgehouden (b.v. in ’t begin der 17e eeuw bij leden, die bij de Arminianen kerkten en Avondmaal vierden). Ziedaar in ’t kort mijn gevoelen.

Rutgers, F.L. (1922) 180

180. Moet een Gereformeerde, die organist is in een Luthersche kerk, en daardoor slechts zelden ter kerk komt, gecensureerd worden?

 

(1910.)

295. Met betrekking tot één der gemeenteleden, tegen wiens Gereformeerde belijdenis en wandel geen bezwaar schijnt te zijn, en die ook vrij geregeld aan de Avondmaalsviering deelneemt, maar die voor het overige slechts weinig ter kerke komt omdat hij Zondags ’s ochtends in de Luthersche kerk het orgel bespeelt (waarvan hij zegt, het salaris niet te kunnen missen voor het onderhoud van zijn gezin) en omdat ’s avonds, als wanneer hij

|267|

vrij kon zijn, zijne vrouw meestal ter kerke komt, — vraagt ge mij, of die broeder niet onder censuur moet gesteld worden, volgens art. 76 K.O., en vervolgens, zoo hij die organisten-betrekking blijft aanhouden, niet moet worden geëxcommuniceerd, volgens de drie trappen van excommunicatie naar art. 77 K. O.

Voor zooveel ik omtrent deze zaak de omstandigheden uit uwe mededeelingen heb leeren kennen, zou ik tot zulke censuur niet durven adviseeren.

Het zou een ander geval zijn, wanneer de bedoelde br. des Zondags geheel willekeurig doorgaans thuis bleef. Bij zoodanig kerkverzuim zou, wel niet altijd, maar dan toch in een aantal gevallen, de censuur een goed tuchtmiddel kunnen zijn. En uwe vraag doet mij dan ook onderstellen, dat uw kerkeraad, althans in de laatste jaren, gewoon was zulke slordige kerkgangers te censureeren. Maar hier staat de zaak eenigszins anders: er wordt voor dat kerkverzuim een bepaalde reden opgegeven.

En nu zou het ook een ander geval zijn, wanneer die reden gelegen was in een arbeid, die op Zondag kan en moet stilstaan. Maar dit geldt toch niet van eene functie bij den Lutherschen kerkdienst; te minder, omdat in het algemeen de Gereformeerde kerken wel niet met Lutherschen in kerkverband kunnen staan, maar ze toch doorgaans beschouwd hebben als zusterkerken.

Misschien zou er in dit geval op kunnen worden aangehouden, dat man en vrouw beurtelings des avonds kerkten; of ook, dat de vrouw nu en dan Zondags ’s ochtends hulp in huis kreeg, zoodat zij zelve naar de kerk kon gaan en de man dan ’s avonds; of ook eenige andere schikking. Ik kan daarover niet oordeelen, daar ik met de omstandigheden niet bekend ben. Daardoor weet ik ook niet, in hoeverre de man op andere wijze zijn inkomsten zou kunnen vermeerderen. En evenmin weet ik, of er ook andere omstandigheden zijn, die hier in aanmerking komen.

Mijn advies kan dus niet beslist en volledig zijn; maar geldt alleen, voor zoover ik eenigszins kan oordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 181

181. Moet iemand, die met zijn huishoudster trouwt, schuldbelijdenis doen wegens „schijn des kwaads”?

|268|

(1908.)

In het geval, waarover ge mij schrijft, was er zonder twijfel wel reden, waarom de man, toen hij met zijn huishoudster wilde trouwen, haar niet tijdelijk uit zijn huis liet gaan, daar zij toch wel noodig scheen, met het oog op zijn winkel en op zijne kleine kinderen. Misschien had hij reeds vroeger, zoodra het plan tot trouwen opkwam, een meisje in huis kunnen nemen (gelijk hij nu gedaan heeft). Maar op zichzelf kan men zeker niet zeggen, dat het nu een man en een vrouw, die gaan trouwen, niet mogelijk is, onder hetzelfde dak in alle eer en deugd te wonen. En wanneer er geenerlei teekenen zijn van ongeoorloofden omgang (gelijk die hier blijkbaar niet zijn), dan is er m.i. ook geen reden om te spreken van een „schijn des kwaads”, waarover „schuldbelijdenis” zou noodig zijn, zelfs formeel en openlijk, op straffe van anders te worden gecensureerd en eventueel geëxcommuniceerd.

Nog veel minder zie ik, op welken grond hier kerkelijke bevestiging van het huwelijk zou kunnen geweigerd worden. Die mag zelfs niet geweigerd worden, waar het een gedwongen huwelijk geldt: integendeel de kerk moet dan juist op trouwen aandringen (al gaat het dan in zulk een geval gepaard met censuur; welke censuur echter nooit bestaan kan in „afhouding van de huwelijksbevestiging”, want bij ons is het huwelijk geen „Sacrament”, zooals bij de Roomschen).

Ziedaar, in het kort mijn oordeel voor zooveel ik uit uwe mededeelingen het geval ken.

Rutgers, F.L. (1922) 182

182. Kan de censuur na zonde tegen het 7de gebod opgeheven worden, zonder dat de gecensureerde met de moeder van zijn kind huwt?

 

(1887.)

297. In het door u omschreven geval kan, dunkt mij, de censuur niet opgeheven worden, tenzij berouw en betering des levens inderdaad genoegzaam gebleken zij. Hiertoe nu behoort voor den bedoelden jongeling zeer zeker, dat hij met de moeder van zijn kind wettelijk huwe. Tenzij dan, dat hijzelf daartoe wel

|269|

bereid is, maar dat hem door de ouders van een der beide partijen (zoo deze nl. minderjarig zijn) onoverkomelijke hinderpalen, door weigering van toestemming, worden in den weg gelegd. Alsdan moet het huwelijk natuurlijk wachten (al blijven beide aan elkander verbonden), en moet op andere wijze zijn schuldgevoel en boetvaardigheid geconstateerd worden.

Rutgers, F.L. (1922) 183

183. Moet bij gedwongen huwelijk de openlijke schuldbelijdenis wachten tot de huwelijksbevestiging, of tot de openbare belijdenis des geloofs (bij doopleden), of tot den Doop van het kind?

 

(1901.)

298. Ge vraagt mij, of, wanneer een huwelijk door zonde tegen het 7e gebod noodig is geworden, de schuldbelijdenis moet plaats hebben bij de huwelijksbevestiging of bij den doop van het kind.

Natuurlijk bedoelt ge niet: de schuldbelijdenis op zich zelve, want deze moet altijd zoo spoedig mogelijk worden gedaan, en mag niet worden uitgesteld. Wie gezondigd heeft, moet dit zoo spoedig mogelijk leeren inzien, erkennen en belijden. Waar men zich in dergelijke gevallen bepaalt tot schuldbelijdenis voor den kerkeraad of commissie daarvan, spreekt dan ook vanzelf, dat deze belijdenis spoedig moet geschieden, dus nog voor de huwelijksbevestiging.

Ik onderstel echter, dat gij bedoelt de schuldbelijdenis voor de gemeente, omdat deze in uwe gemeente gebruikelijk is (gelijk in kleine gemeenten doorgaans het geval is, en ook veel voor heeft, vooral bij dergelijke zonden). Maar ook daarbij zou ik dan zeggen bij de eerste gelegenheid, dus bij de huwelijksbevestiging zelve, en niet bij de later volgende doopsbediening aan het kind (die zelfs wel eens kan uitblijven, bv. als het kind niet levend is of spoedig sterft). Onnoodig uitstel zou in dit geval m.i. zelfs een zonderlingen indruk maken.

|270|

(1907.)

299. Of de schuldbelijdenis in het openbaar (voor de gemeente) te doen is, dan wel voor den kerkeraad, hangt af van de grootte der gegeven ergernis en de publiciteit daarvan en ook van plaatselijke usantie. Wanneer zij gedaan kan worden (gelijk hier het geval blijkt te zijn), dan moet zij zeker niet worden uitgesteld, daar door zulk uitstel de conscientie van den berouwhebbende noodeloos er mede zou bezwaard blijven. En het is m.i. minder eigenaardig, de schuldbelijdenis te verbinden aan de huwelijksbevestiging, daar de stemming, waarin men een erge zonde belijdt, toch eene heel andere is dan de stemming, waarin een huwelijk gesloten en bevestigd wordt. Het kan wel, maar ik zou toch verkieselijk achten de schuldbelijdenis daaraan te laten voorafgaan, als er n.l. nog tijd voor is en het huwelijk niet reeds vóór Zondag voltrokken wordt. Na de schuldbelijdenis houdt de eigenlijke censuur terstond op, maar in vele gevallen is dan toch raadzaam de afhouding van het H. Avondmaal nog een paar maanden te continueeren, opdat daaruit openlijk blijke, dat de gevallene werkelijk berouw heeft en nu eerbaar wandelt.

 

(1913.)

300. Wanneer leden der gemeente zich ergerlijk misdragen hebben, en daarna, hunne zonden erkennende tot schuldbelijdenis bereid zijn, naar den door den kerkeraad voor zulke belijdenis gestelden regel, dan moet m.i. die belijdenis niet zonder overwegende redenen worden uitgesteld of vertraagd. En in het geval, waarvan uw brief van 1 Nov. l.l. spreekt, zie ik geenerlei reden tot uitstel. Allerminst, om de schuldbelijdenis uit te stellen totdat de bedoelde personen na geloofsbelijdenis tot het H. Avondmaal worden toegelaten, daar de kerkeraad hen nog wel niet zoo aanstonds zulke toelating geven zal, maar juist om hun wangedrag nog wel een proeftijd van b.v. drie maanden voor hen zal bepalen, van wege de gegeven ergernis en om hun door ingetogenheid van leven te doen blijken van oprecht schuldgevoel, en voorts ook, daar aan de geloofsbelijdenis, die toegang tot het H. Avondmaal geeft, toch

|271|

de schuldbelijdenis en de verzoening met de kerk altijd zal moeten voorafgaan.

Nog een andere overweging komt daarbij, nl. dat de Doop van hun kind niet mag wachten. Dit kind is te beschouwen als „het zaad der kerk” en heeft dus als kind des Verbonds recht op den Doop. Dat is niet alleen een recht van de ouders, maar nog veel meer een recht, dat van Godswege aan het kind toekomt. Wel heeft de kerk daarbij een waarborg voor de Christelijke opvoeding te verlangen, door de stipulaties bij de Doopvragen; en als geen der beide ouders een voor de kerk voldoenden waarborg kan geven, hetzij, omdat zij nog geen mondige leden zijn of omdat zij onder censuur staan, dan is dus voor zulken Doop een getuige noodig. Maar er is dan toch geen noodzaak of reden om den Doop uit te stellen. En in het hier bedoelde geval zal dan, volgens den in uwe kerk gestelden regel, de schuldbelijdenis aan dien Doop moeten voorafgaan, ook al is het, dat hun beantwoorden van de Doopvragen dan toch niet voldoende is, daar zij zelven nog geen geloofsbelijdenis aflegden.

Ziedaar, in het kort mijn gevoelen, voor zoover ik de zaak, zonder nadere kennis van personen en omstandigheden kan beoordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 184

184. Moet bij schuldbelijdenis na censuur de zonde zelve beleden, of moet er een bepaalde opsomming zijn van verschillende geboden, waartegen gezondigd werd?

 

(1903.)

301. Van een lid uwer gemeente kreeg ik voor eenige dagen een brief, met de mededeeling, dat de kerkeraad schuldbelijdenis van hem vroeg „wegens zonde tegen het 7e en het 5e gebod,” maar dat hij (en zijn vrouw) enkel met betrekking tot het 7e, maar niet met betrekking tot het 5e gebod, schuld kon belijden. En hij vroeg mij daaromtrent, of de kerkeraad, die zijn eisch volhield, daarmede in zijn recht was.

Natuurlijk antwoordde ik hem, dat ik daar niets van zeggen kon, daar ik volstrekt niet wist, wat hij gezegd of gedaan had, dat door den kerkeraad als „zonde tegen het 5e gebod” gequalificeerd werd.

|272|

Maar nu antwoordt hij mij, dat het juist die ongeoorloofde gemeenschap vóór het huwelijk is, die de kerkeraad qualificeert als zonde tegen het het 7een tegen het 5e gebod, terwijl hij (de kerkeraad) bovendien eischt, dat ook de overtreders zelven die qualificatie zullen overnemen; op straffe dat zij, hierin van den kerkeraad verschillende, wegens die andere exegese zullen gecensureerd blijven.

Ik kan dit niet gelooven. Hier moet een misverstand zijn.

Wanneer iemand door afwijking in leer of leven openbare ergernis heeft gegeven, moet hij over de begane zonde of afwijking schuldbelijdenis doen; en als hij dat doet, en er is geen genoegzame grond voor twijfel aan de oprechtheid, dan moet die schuldbelijdenis ook voldoende zijn. Daarbij kan het dan zeker voorkomen, dat men het samen niet eens is over de quaestie, welke plaatsen uit de H. Schrift daarop van toepassing zijn, of tot welke der 10 geboden men de zonde brengt. Over onderscheidene Schriftplaatsen is onderscheiden uitlegging denkbaar en toelaatbaar; en evenzoo kan men in de Ethiek onderscheiden indeeling volgen (ik b.v. zou de hier ter sprake zijnde zonde tegen het 7e gebod eerder eene zonde noemen ook tegen het 8een 9e, dan tegen het 5e gebod). Maar dat zijn dan toch nooit verschillen, waarom men iemand censureert! Als de overtreder de duidelijk genoemde zonde maar als zondig erkent en er schuld over belijdt. Men behoeft hem dan niet ook nog te vragen, tegen welke geboden die zonde ook nog was, behalve tegen het gebod, waarin zij uitdrukkelijk genoemd was. En allerminst mag de opheffing der censuur daarvan afhangen; daar alsdan de uitlegkundige dwaling (gesteld dat het werkelijk een dwaling is) de eenige reden der blijvende censuur zou zijn!

Dat zal toch de meerderheid van uw kerkeraad niet meenen. En anders zoudt gij haar wel beter kunnen inlichten.

Er zal in dit geval dus nog wel iets anders gezegd of gedaan zijn. Of (en dit schijnt mij het waarschijnlijkst) de gecensureerde Br. heeft den kerkeraad niet begrepen, en hem daardoor een gevoelen en een eisch toegeschreven, die onhoudbaar en onmogelijk zijn.

Daarom achtte ik voor den vrede en de orde dienstig, u met

|273|

een paar woorden te berichten, hoe Br. A zich de zaak voorstelt; opdat ge gelegenheid zoudt hebben, eventueel misverstand uit den weg te ruimen. Ik schrijf dit ook met een enkel woord aan Br. A.

 

(1903.)

302. Hiernevens de van u ontvangen vijf Bijlagen terug. Daardoor, en door uw uitvoerig schrijven van gisteren, weet ik van de quaestie, die de kerkeraad met broeder A heeft, nu nog heel wat meer dan vroeger. En dan ben ik het, wat de eigenlijke quaestie, en dus de hoofdzaak aangaat, zeker geheel met den kerkeraad eens. Deze moest zonder twijfel, dat echtpaar, wegens zonde tegen het 7e gebod, censureeren; en de wijze, waarop A (en zijn vrouw) zich toen daartegenover gedroegen, en nog gedragen, was en is zonder twijfel van dien aard, dat er nog geen teekenen zijn van oprechte verootmoediging en boetvaardigheid, zoodat de censuur nog moest en moet gehandhaafd, ook al zou dat nog jaren duren (van de „uiterste remedie,” excommunicatie, mag in zulke gevallen nog zoo spoedig geen gebruik worden gemaakt).

Maar over dat alles heb ik noch aan u noch aan hem iets geschreven. Die hoofdzaak heb ik zelfs niet aangeroerd, omdat ik er niets van wist. Mijn schrijven betrof alleen iets formeels; nl. of in zulke gevallen de schuld belijdende inderdaad met zooveel woorden erkennen moet: „Zonde tegen het 7e en 5e gebod”. Dat uw kerkeraad dit aldus eischen zou, kon ik niet gelooven.

Toch schijnt dit, blijkens uw brief, het geval te zijn!

Ik kan niet uitspreken, waarde Broeder, hoezeer het mij leed doet, dat de kerkeraad eene actie, waarin hij, wat de hoofdzaak en eigenlijke quaestie aangaat, volkomen gelijk heeft en handelen moet, gelijk hij doet, door zulk een, ter zake niets afdoenden en m.i. geheel verkeerden eisch, ten slotte weêr van kracht berooft, en schadelijk in plaats van heilzaam doet werken.

Ge hebt volkomen gelijk, wanneer ge in zulke gevallen den overtreder voorhoudt, dat hij, door zijne zonde tegen het 7e

|274|

gebod, ook (althans doorgaans, niet altijd) het 5e gebod overtreden heeft. Maar dan toch, niet op zichzelf reeds, maar omdat en doordat hij ook valsch getuigenis gaf tegen zijn naaste, en dus het 9e gebod overtrad, terwijl in dit geval tot die „naasten” ook de ouders enz. behoorden. Dus, bij afleiding over het 9e gebod heen; en dit zou dan toch wel allereerst, meer dan het 5e, zijn te noemen geweest. En dan ook nog eerder het 8e (ontneming van eer en goeden naam, enz.) en het 10e (zinnelijke, zondige begeerte), en het 3e (maken dat de Naam des Heeren gelasterd wordt). Dit alles houdt ge dan toch zeker ook voor. Maar waarom dan het 5e juist uitsluitend te noemen? Dat zou alleen kunnen, als de overtreding, bij deductie, het 5eveel meer dan de andere betrof. En daar dit nu niet het geval is, wordt dat uitsluitend noemen van het 5e naast het 7e inderdaad eene verkeerde opvatting en uitlegging der 10 geboden en eene verkeerd opgezette Ethiek. Mag men nu van een gemeentelid eischen, dat hij die uitlegging en Ethiek zal beamen? — Zonder twijfel mag de kerkeraad daarover anders denken dan ik of anderen; en behoeft hij zich hierin volstrekt niet aan het oordeel van mij of van eenig individueel gemeentelid te onderwerpen. Maar wederkeerig mag de kerkeraad niet eischen, dat men zijne opvatting beame, zelfs al houdt men die voor onjuist. — Dat heeft de Classe ook niet goedgekeurd. Wel heeft zij, wat de hoofdzaak aangaat, den kerkeraad gelijk gegeven; zooals ik ook doe. Maar over het punt, waarop mijn schrijven betrekking had, heeft de Classe zich niet uitgelaten. Eigenlijk jammer genoeg; want dan had de kerkeraad daarin een gereede aanleiding gehad, om op dat ééne, bloot formeele, punt niet verder aan te dringen.

Waarom toch bij eene schuldbelijdenis het cijfer van een aantal geboden genoemd; behalve het ééne gebod, waartegen de zonde rechtstreeks en omnium consensu begaan was? Ik zie daarin niet het minste nut, maar wel veel kwaad. En ’t is toch te doen om belijdenis van de zonde zelve, en erkenning van de verschillende soorten van kwaad die men daardoor bedreven heeft, zonder dat men behoeft te verlangen, dat die ook systematisch geclassificeerd worden.

Daarom zou ik, in uw geval, in ’t hiernevens teruggaande

|275|

antwoord aan A ook weglaten den eisch „zoowel tegen het 5e gebod als,” of dien vervangen door: „tegen het 7e gebod, en daardoor dan ook tegen onderscheidene andere geboden,” waarbij dan uit het 3e, 5e, 8e, 9e, en 10e iets kan worden ontleend.

En voorts ben ik ’t met u geheel eens, dat verootmoediging blijken moet, eer de censuur kan worden opgeheven. In dien geest zal ik ook aan A zelven nog even schrijven.

Rutgers, F.L. (1922) 185

185. Moet van de opheffing van censuur na schuldbelijdenis voor den kerkeraad, aan de gemeente mededeeling gedaan worden of moet die schuldbelijdenis in het openbaar herhaald worden?

 

(1896.)

303. Intusschen, werkelijk beantwoorden kan ik uwen brief ook nu niet; want hetgeen gij vraagt, is m.a.w. een korte handleiding over de toepassing van de kerkelijke tucht. Uwe zeer algemeene vragen omvatten, door die algemeenheid, bijna het geheele gebied van die tucht. En nu voelt ge zelf wel, dat er dus niet in enkele bladzijden, noch ook in een brief, op te antwoorden is. Wat Voetius in zijn kerkrecht, in de groote Verhandeling over de discipline, nog lang niet volledig afhandelde, eischt nu nog veel meer.

Toch een enkel woord op uwe vragen, zij het dan ook slechts weinig, en zonder de noodige Schriftuurlijke, dogmatische en historische adstructie.

Art. 75 K.O. wordt blijkbaar door u opgevat, alsof daarin stond, dat alle „verzoening” in het openbaar moet geschieden; ’t geen geheel in strijd is met de geschiedenis van dat art., met de oude theorie en practijk onzer kerken, en met de woorden zelve van het art. dat bij zulke opvatting zelfs geen verstaanbaren zin heeft. De bedoeling is juist andersom: de verzoening geschiedt in het openbaar „door het oordeel des kerkeraads” (in het oorspronkelijke staat „ex iudicio”), d.i. wanneer en ingeval de kerkeraad het noodig of nuttig oordeelt, en dan voorts nog twee genabuurde kerkeraden met dat oordeel instemmen. Anders, en dus in den

|276|

regel, geschiedt de „verzoening” (hier natuurlijk geheel iets anders dan de „wederopneming” na complete excommunicatie) niet in het openbaar.

 

(1896.)

304. Eene schuldbelijdenis, die voor den kerkeraad gedaan wordt, geschiedt dan niet voor de daar aanwezigen in hun particulier, als private personen, maar geschiedt voor hen in hun qualiteit, als opzieners der gemeente, welke als zoodanig in hunne vergadering de kerk zelve voorstellen. Van een openbare schuldbelijdenis in de samenkomst der gemeente verschilt zij alleen door de bijkomende omstandigheid van openbaarheid, maar niet in het wezen der zaak. Na een schuldbelijdenis voor den kerkeraad ook nog eene schuldbelijdenis in tegenwoordigheid der gemeente te eischen, gaat dus niet aan. Indien noodig geacht wordt, dat er van een vroegere zonde, die eerst nu buiten den kerkeraad openbaar wordt, voor de gemeente iets gezegd worde, dan kan dit slechts zóó geschieden, dat vermeld wordt, dat van die zonde indertijd voor den kerkeraad schuld beleden is; maar zonder dat de schuldbelijdenis weêr gevraagd en herhaald worde. In dit geval zou dan bij den Doop met een enkel woord een toespraakje te houden zijn, om te zeggen, dat de schuldbelijdenis heeft plaats gehad, en om daaraan eene vermaning te verbinden, ook voor de aanwezige gemeente; natuurlijk kort en met de noodige kieschheid zooveel mogelijk sparend degenen, die reeds schuld beleden, en voorkomend, dat anderen zich nu gerechtigd zouden achten een steen op hen werpen.

 

(1897.)

305. In zake de kerkelijke behandeling van hen, die vóór hun huwelijk reeds gemeenschap hadden, vraagt ge mij, u even te willen melden wat in dezen de practijk onzer Vaderen is geweest, en wat ik volgens de K. O. noodzakelijk acht.

|277|

Tijd ontbreekt mij om dit te doen. Want dit is niet „even”, in een paar blz., af te doen. Toch iets.

In het algemeen is er na schuldbelijdenis, wier oprechtheid niet behoeft betwijfeld te worden, geen motief meer voor kerkelijke tuchtoefening. Afhouding van het Avondmaal kan dan in sommige gevallen nog slechts gemotiveerd zijn door de overweging dat er openbare ergernis was gegeven, of dat de betering des levens nog blijken moet.

Openbaarheid van schuldbelijdenis, voor de gemeente, en voor allen die bovendien ter kerke komen, is altijd onnoodig, en zelfs vaak ongeoorloofd geacht, als de zonde van den berouwhebbende juist daardoor zou openbaar worden. Ook wel in sommige andere gevallen. Indien de zonde reeds van nature openbaar is, werd en wordt vaak openbare belijdenis verlangd; maar toch niet altijd en overal (met name niet in groote gemeenten, gelijk b.v. in Amsterdam, waar de meeste leden elkander niet eens kennen) ; en altijd, indien het geschiedde, dan volgens Art. 75 K.O., d.i. met advies van twee genabuurde kerken (’t geen in de K.O. zoo bepaald is, ten einde als regel te stellen, dat de schuldbelijdenis niet in het openbaar geschieden zou).

Veel hangt hier echter ook af van plaatselijke toestanden, sinds lang bestaande gewoonten, heerschende denkwijze in dit opzicht en de overweging wat het meest tot stichting der gemeente en tot eere des Heeren dient.

 

(1902.)

306. Met betrekking tot de door u bedoelde zuster kan ik natuurlijk geen oordeel hebben over de oprechtheid van haar berouw enz. Dat moet door den kerkeraad beoordeeld worden. Maar in ieder geval moet zij nu m.i. van het Avondmaal worden afgehouden, reeds wegens de openbare ergernis, die zij door zonde tegen het 7e gebod gegeven heeft en opdat betering haars levens eenigszins kunne blijken. Of zij daarna openbare schuldbelijdenis doen moet, staat ook aan den kerkeraad te beoordeelen, waarbij o.a. in aanmerking komt, of zulke openbare belijdenis in geval

|278|

van censuur, al dan niet, gebruikelijk is (’t geen in onderscheiden kerken verschillend is), en of die geacht wordt ’t meest tot stichting te dienen.

 

(1903.)

307. Op de vraag of eene openbare schuldbelijdenis zal plaats hebben, dan wel eene belijdenis voor den kerkeraad, wordt het antwoord bepaald door de overweging, wat in iedere kerk „voor hare stichting het meest bekwaam wordt geoordeeld” art. 75 K.O.; volgens welk artikel zulks wordt uitgemaakt „door het oordeel des kerkeraads”, die in gemeenten met slechts één pred. hiervoor ook het „advies” moet hebben „van twee genabuurde kerken”. Openbaarheid in het midden der gemeente is voor onze kerken dus zeker geen vaste regel, en dat was het in de 16e eeuw ook niet, blijkens Synodale besluiten. Veel hangt hierbij af van plaatselijke denkwijze en gewoonten, en vooral ook van de omstandigheden, die zich kunnen voordoen. In eene groote gemeente, b.v. als hier in Amsterdam, zou openbaarheid zeker niet „stichtelijk” zijn; ook omdat ieder gemeentelid slechts in betrekkelijk kleinen kring bekend is, en dus juist bij en door zijn berouw en verzoening ook de afwijking algemeen zou bekend worden, ’t geen niet mag; en omdat er hier altijd ook niet-leden, d.i. vreemden bij de samenkomsten der gemeente tegenwoordig zijn. In kleine dorpen daarentegen kan openbaarheid soms „stichtelijk” zijn.

 

(1910.)

308. Inzake de gewone censuur volgens art. 76 K.O. door afhouding van het Avondmaal (wèl te onderscheiden van de excommunicatie, waarover art. 77 K.O. handelt), en inzake de schuldbelijdenis en verzoening (art. 75 K.O.) is de in onze K.O. gestelde regel, dat die doorgaans niet in het openbaar komen, maar voor den kerkeraad worden afgedaan; maar tevens is bepaald, dat bij ieder voorkomend geval door den kerkeraad beoordeeld

|279|

wordt, of dit soms, tot meerdere stichting der gemeente, publiek te behandelen of door afkondiging publiek te maken is. En dienovereenkomstig is in onze kerken dan ook doorgaans gehandeld, van de 16e eeuw af. En zulks op goede motieven, die ik hier nu niet behoef te ontwikkelen, o.a. om de eere van een boetvaardige niet tegenover de buitenwereld noodeloos aan hem te ontnemen.

In de behandeling der door u genoemde gevallen ben ik het geheel eens met het oordeel van uw kerkeraad. Waar de zonde tegen het 7e gebod, door ongeoorloofde gemeenschap, in een wijden kring is ingeworteld, moet, tot hare wezenlijke bestrijding en dus tot stichting der gemeente. en voor de eere van den Naam des Heeren, kras daartegen worden opgetreden, ook door publiciteit van censuur en schuldbelijdenis, die zeer zeker afschrikkend werken kan. Maar ’t is een heel ander geval, wanneer iemand eenmaal tot de zonde van dronkenschap vervallen is, wanneer hij daarover aanstonds berouw heeft en toont dit te meenen. Met gewone en voortdurende dronkenschap zou het geval al weer anders staan. Maar dat moet een kerkeraad steeds beoordeelen, die de personen en omstandigheden enz. kent.

Of het in het eene door u bedoelde geval soms zaak zou geweest zijn, den boetvaardige, zonder bepaalde censuur, toch aan te raden, voor ditmaal aan de Avondmaalsviering geen deel te nemen, kan ik niet beoordeelen, daar ik personen en omstandigheden niet ken.

 

(1910.)

309. Voor zooveel ik de zaak, waarover ge mij schrijft, uit uwe mededeelingen ken en beoordeelen kan, acht ik het zeer natuurlijk, dat ge de bedoelde zonde, door den schuldige uit zichzelven aan u medegedeeld en nog aan bijna niemand anders bekend, niet aanstonds bij den kerkeraad hebt aangebracht. Maar — geheim blijft iets dergelijks toch bijna nooit: echtbreuk, waardoor een onecht kind geboren wordt, is wel eene zonde „die van haar nature wege openbaar is”; en ook in dit geval kan zij gezegd

|280|

worden, nu reeds „openbaar” te zijn, omdat meerderen ervan weten, en bovendien niet zwijgen.

Hier geldt dus art. 76 van de Kerkenordening, dat ten overvloede niet alleen spreekt van eene „openbare”, maar ook van eene „anderszins grove” zonde. En dus zult ge dit geval thans m.i. in den kerkeraad moeten brengen, opdat de gevallen broeder door dezen onder kerkelijke censuur gesteld warde, d.i. „van het Avondmaal des Heeren worde afgehouden”.

Dit geschiedt dan niet, om hem te brengen tot berouw en schuldbelijdenis; want deze is hier reeds aanwezig. Maar het geschiedt vanwege de gegeven ergernis, en om den Naam des Heeren niet te doen lasteren; ook omdat de oprechtheid der verootmoediging blijken moet uit de onderwerping aan de kerkelijke censuur; en omdat de betering des levens moet gebleken zijn door groote ingetogenheid gedurende een zekeren tijd.

In den regel zal dan al spoedig de censuur kunnen worden opgeheven, na schuldbelijdenis, volgens art. 75 K.O.; welke schuldbelijdenis doorgaans voor den kerkeraad (of, althans in groote gemeenten, voor eene commissie uit den kerkeraad) geschiedt. Daar het echter ook kan voorkomen, dat de kerkeraad in een bepaald geval openbare schuldbelijdenis, in het midden der gemeente, stichtelijk en raadzaam acht, is dit ook vrijgelaten; maar alsdan moet ook door twee genabuurde kerken tot zulke openbaarheid geadviseerd worden. In den regel is zij niet openbaar; evenmin als de censuur zelve volgens art. 76.

Openbaarheid is eerst voorgeschreven, als men wegens langdurige hardnekkigheid van den overtreder tot de excommunicatie moet overgaan, volgens art. 77. En ook dan is bij den eersten trap dier excommunicatie (wel te onderscheiden van de voorafgaande censuur van art. 76) de naam des overtreders nog niet te noemen.

Maar van die drie excommunicatie-trappen is in het hier bedoelde geval natuurlijk geen sprake, daar de schuldbelijdenis er reeds is, althans privatim, en ook zeker voor den kerkeraad niet zal achterwege blijven.

|281|

(1914.)

310. Van de Reformatie af is het in de 16e eeuw en vervolgens in onze Gereformeerde kerken geen gebruik geweest om, bij opheffing der gewone censuur van art. 76 K.O., de „verzoening met schuldbelijdenis” in het openbaar, in de openlijke samenkomsten der gemeente, te doen plaats hebben. Meestal geschiedde die voor den kerkeraad, met mededeeling aan de gemeente, waarbij dan de naam van den geëxcommuniceerde verzwegen werd; dit een en ander volgens het besluit der groote Generale Synode van Dordrecht van 1578, art. 48 van de Antwoorden op de Particuliere Vragen, waarin ook vermeld wordt om welke reden de Synode eene openbare „verzoening met schuldbelijdenis” in den regel niet raadzaam achtte.

Daarmede komt ook overeen, wat daarna in art. 75 K.O. is opgenomen; welk artikel nog verduidelijkt is bij de redactieveranderingen, die de Generale Synode van Utrecht in onze K.O. heeft aangebracht.

Intusschen bleef en blijft de weg open om, ook na censuur volgens art. 76 K.O. in bepaalde gevallen de verzoening in het openbaar te doen plaats hebben, al was de censuur dan ook niet openbaar gemaakt. En zelfs is in de tegenwoordige redactie van art. 75 ook aangewezen, hoe in zulke gevallen een kerkeraad dan te handelen heeft.

In de practijk wordt echter, geloof ik, die aanwijzing meestal niet gevolgd, en beslissen de kerkeraden meest zelve over de al- of niet-openbaarheid. Toch zijn er, voor zooveel ik weet, slechts betrekkelijk weinig kerken, waar men eene in de 19e eeuw aangenomen openbaarheid heeft behouden.

Daaronder behoort, volgens uwe mededeeling, ook de kerk van X. En nu ben ik met de toestanden aldaar veel te weinig bekend, om te weten of te beoordeelen, wat aldaar in dit opzicht raadzaam of wenschelijk is. Bij onzekerheid zou hier een advies van de Classe op zijn plaats zijn.

Dit zou, bij eventueele wijziging van het bestaande gebruik, zelfs wenschelijk zijn, om niet den indruk te geven, alsof de kerkeraad voor het hardnekkig verzet van een gemeentelid uit den weg ging.

Ge schrijft mij ook, dat ten gevolge van deze quaestie, de twee kinderen van dat lid nog ongedoopt zijn. De doop is toch immers

|282|

door den kerkeraad niet geweigerd, zoolang de vader geen schuldbelijdenis deed? Dan toch zouden die kinderen in hun recht op den Christelijken doop verkort zijn; en dat mag toch nooit bij wijze van tuchtmiddel voor de ouders geschieden. Ik onderstel dus, dat de vader geweigerd heeft, om zijne kinderen zoo te laten doopen, dat een ander dan hijzelf, als doopgetuige, de stipulatie met de kerk door het beantwoorden der doopsvragen, aanging, ’t geen hijzelf niet kan doen, zoolang hij gecensureerd is.

 

(1915.)

311. In uw schrijven deelt gij mij mede, dat er in uwen kerkeraad verschil van gevoelen is over de gedragslijn, die een kerkeraad volgen moet, wanneer bij leden der gemeente die wegens een zoogenaamd „gedwongen huwelijk” volgens art. 76 K.O. van het H. Avondmaal zijn afgehouden, die censuur de voor hen bedoelde uitwerking heeft gehad, doordat zij gekomen zijn tot eene schuldbelijdenis, die door den kerkeraad voldoende geacht wordt. Het verschil van gevoelen betrof, naar uwe verdere mededeeling, de vraag, of die schuldbelijdenis dan ook in het openbaar bij de samenkomst der gemeente is af te leggen, dan wel, of voldoende is dat zij voor den kerkeraad geschiedt; en voorts, in het laatste geval, of alsdan, al dan niet, mededeeling hiervan aan de gemeente te doen is. En over dit een en ander vraagt ge dan ten slotte mijn advies.

Ik kan slechts herhalen, wat ik denkelijk ook reeds in een vorig schrijven heb doen uitkomen, dat te dezer zake geen algemeene regel te geven is, die te allen tijde, en in alle kerken, en voor alle personen, en in alle omstandigheden, eenvoudig zou zijn vast te stellen en toe te passen; met betrekking tot de al- of niet openbaarmaking van de schuldbelijdenis van een lid, dat volgens art. 76 K.O. gecensureerd was, zou de gedragslijn, die in een aantal kerken en gevallen stichtelijk en heilzaam is, in een ander aantal kerken en gevallen ontstichtend en schadelijk zijn. Daarom is dit in onze kerken ook ter beslissing gelaten aan den kerkeraad, desgevorderd met advies van twee genabuurde kerken, volgens

|283|

art. 75 K.O. (waarvan de oude redactie in 1905 door onze Generale Synode nog verduidelijkt is).

Over de vraag, wat nu in dezen voor uwe kerk het beste is, kan ik, wegens onbekendheid met hare gesteldheid, natuurlijk geen volledig en beslist advies geven; en ook al kon ik dat, dan zou ik toch nog vele gevallen moeten gaan onderscheiden. Laat mij dus liever u verwijzen naar het boek van Prof. Bouwman, „De kerkelijke tucht,” blz. 254-256, met wiens korte opmerkingen over dit punt ik mij in hoofdzaak goed kan vereenigen.

 

(1915.)

312. Ge deelt mij mede: dat een jeugdige broeder wegens zonde tegen het 7e gebod door den kerkeraad gecensureerd was; — dat hij na schuldbelijdenis met de gemeente verzoend is; — en dat die schuldbelijdenis, naar den regel, die van ouds in onze kerken doorgaans gevolgd is en in art. 75 K.O. ook is voorgeschreven, niet in het openbaar, maar voor den kerkeraad geschied is. En aan die mededeelingen voegt ge dan toe, dat er nu in uwen kerkeraad broeders zijn, die noodig achten, dat deze schuldbelijdenis aan de gemeente worde bekend gemaakt, hetzij in de gewone samenkomst voor den dienst des Woords, hetzij in eene opzettelijke hiertoe op te roepen samenkomst der belijdende leden, waar buitenstaanders en onmondige leden dan niet worden toegelaten; over welke meening ge zijn advies vraagt.

Ge schrijft mij echter niet, op welken grond of om welke reden zulke bekendmaking door sommigen noodig of slechts nuttig en stichtelijk geacht wordt. En dit niet wetende, kan ik dus natuurlijk niet zeggen, of die grond m.i. gewichtig of zelfs afdoende is.

Intusschen kan ik in het algemeen wel zeggen, dat slechts zeer zelden een geval zich zal voordoen, waarin de bekendmaking van eene schuldbelijdenis aan de gemeente, aan welke de voorafgaande zonde en censuur volgens art. 75 K.O. niet is bekend gemaakt, raadzaam kan geacht worden.

Immers, wanneer eene schuldbelijdenis door den kerkeraad als oprecht is aangenomen, en dus de kerkelijke behandeling bij een

|284|

gevallen broeder haar doel bereikt heeft, zoodat moet worden aangenomen, dat de begane zonde vergeving bij God heeft gevonden en dus ook door de kerk den zondaar niet meer wordt toegerekend, dan gaat het niet aan, daarna de gemeente in kennis te stellen met de begane zonde, ’t geen natuurlijk vanzelf geschiedt, wanneer men de schuldbelijdenis openbaar maakt. Op het oogenblik zelf, dat de overtreder tot berouw en bekeering gekomen is en dus weer ten volle als broeder erkend wordt, mag men hem niet nog eens openlijk voor de gemeente als zondaar ten toon stellen, zij het ook met de bijvoeging, dat hij tot oprecht berouw is gekomen.

Zeker kunnen er omstandigheden zijn, waarin een kerkeraad oordeelt, dat het stichtelijk is, begane zonden en daarop gevolgde kerkelijke behandeling openbaar te maken (b.v. wanneer eenige ergerlijke zonde in eene gemeente zóó algemeen en overheerschend is, dat daartegen openlijk zoo kras mogelijk moet worden opgetreden). Maar die openbaarmaking zou dan moeten geschieden terstond na het bekend worden van de zonde bij den kerkeraad en tegelijk met de zoogenaamde „stille censuur” volgens art. 76 K.O., en in geen geval zou zij mogen uitgesteld worden totdat er berouw en bekeering gebleken was.

Eigenlijk heeft uw kerkeraad m.i. de zaak ook reeds uitgemaakt, doordat hij (naar den in onze kerken doorgaans terecht gevolgden regel) de begane zonde en de daarop gevolgde kerkelijke behandeling niet heeft bekend gemaakt, en voorts de daardoor verkregen schuldbelijdenis niet in het openbaar maar voor den kerkeraad heeft doen geschieden. Op dit laatste zou men nu eigenlijk weêr terugkomen, wanneer men die voor den kerkeraad afgelegde schuldbelijdenis ging openbaar maken; want zoowel principieel, als ook wat de werking betreft, staat zulke openbaarmaking gelijk met het afleggen van eene schuldbelijdenis in het openbaar.

Veel zou er over dit punt nog te zeggen zijn, maar ik hoop, dat mijne algemene opmerkingen u zullen kunnen bevredigen. Om over dit speciale geval meer te kunnen zeggen, zou ik ook veel meer moeten weten van de personen en omstandigheden, en van de discussiën in uwen kerkeraad.

|285|

(1917.)

313. Voor onze Geref. kerken is uw vraag reeds van de 16e eeuw af altijd zoo beantwoord, dat de verzoening van een gecensureerd lid, (belijdend lid of dooplid) met de gemeente in den regel zoo geschieden zal, dat schuldbelijdenis geschiedt voor den kerkeraad, en dat deze zulks aan de gemeente mededeelt. Alleen in buitengewone gevallen werd openbare schuldbelijdenis toegelaten, maar dan toch altijd met advies van een paar genabuurde kerken.

Deze regeling is reeds van het begin der reformatie af in onze Kerkenordening opgenomen, en aldaar in het hoofdstuk over de tucht nog altijd bewaard.

De motieven om de schuldbelijdenis in den regel niet in het openbaar, maar alleen voor den kerkeraad, (met mededeeling aan de gemeente) te doen plaats hebben, zijn in onderscheiden Synodale besluiten te vinden, die ik echter hier, in mijn ziekenkamer niet kan gaan opzoeken. Zoo meen ik mij te herinneren, dat in de Acta der groote Generale Synode, die in 1578 (of misschien in 1581) gehouden is, als hoofdmotief wordt aangegeven, dat het niet aangaat een gevallen broeder of zuster, die tot schuldbelijdenis gekomen is, en daarom door de kerk weer ten volle als broeder of zuster erkend wordt, dan toch terzelfder tijd nog eens openlijk ten toon te stellen, daar het veeleer Christenplicht is de eere van het gevallen lid te handhaven. Waarmee wel allermeest in strijd zou zijn. dat men hem schuld liet belijden, niet alleen voor den kerkeraad of ook voor de gemeente, maar in ’t openbaar, in een samenkomst, die publiek is en dus (gelijk de Synode er bijvoegde) voor ongeloovigen, spotters, enz. ook openstaat.

De vraag, die in uwen kerkeraad gedaan is, na hoeveel tijd een vergrijp of een afwijking kan geacht worden verjaard te zijn, zoodat er geen schuldbelijdenis meer noodig is, begrijp ik in het geheel niet. Na een afwijking of een val is er altijd schuldbelijdenis noodig, ook al zijn er vele jaren over heen gegaan. Maar deze vraag doet in het door u genoemde geval niets ter zake, daar hierbij de quæstie is, niet of er schuldbelijdenis noodig is, maar of zulke altijd noodige schuldbelijdenis al dan niet in het openbaar zal zijn af te leggen.

Rutgers, F.L. (1922) 186

|286|

186. Moet na schuldbelijdenis de censuur terstond opgeheven worden?

 

(1893.)

314. Inzake uw eerste vraag is mijn gevoelen, dat eene censuur, naar antw. 85 van onzen Catechismus, zeker is op te heffen, wanneer de gecensureerde berouw heeft getoond en ook waarachtige betering niet alleen beloofd maar ook bewezen heeft; maar dit laatste zal wel in den regel niet na enkele dagen reeds zijn uit te maken; de kerkeraad moet oordeelen, wanneer dat bewijs van betering voldoende is, en dus zóó, dat ook de gegeven ergernis in de gemeente over de gepleegde zonde kan gerekend worden weggenomen te zijn. Bij iemand, die tot gevangenisstraf veroordeeld is, zal dit in den regel niet het geval zijn voordat de straf ondergaan is. 

 

(1903.)

315. Wat de tweede vraag aangaat, ik weet volstrekt niet meer, wat mij indertijd door de Classe X gevraagd is, en wat ik antwoordde. Maar ten aanzien van het punt, dat gij mij vraagt, kan ik eenvoudig antwoorden, dat schuldbelijdenis volstrekt niet altijd moet of mag meebrengen, dat nu de censuur (door afhouding van het Avondmaal) ook terstond wordt opgeheven. In den regel zelfs zal dit nog niet aanstonds kunnen, wegens de in de gemeente gegeven ergernis, en om de oprechtheid van die schuldbekentenis ook nog in het leven en de praktijk te beproeven en te doen openbaar worden (in zake zonde tegen het 7de gebod, door eerbaarheid, ingetogenheid, enz woord en wandel).

Rutgers, F.L. (1922) 187

187. Zijn doopleden toe te laten tot openbare schuldbelijdenis na ergerlijke zonde?

 

(1911.)

316. Ge vraagt mij, of de kerkeraad een „dooplid”, die in zonde tegen het 7e gebod is vervallen, een schuldbelijdenis mag

|287|

afnemen, of ook wel openbare schuldbelijdenis in het midden der gemeente mag laten doen.

Ge schrijft mij over het geval, dat tot deze vraag aanleiding geeft, geen bizonderheden, en dus kan ik er ook slechts geheel in het algemeen op antwoorden.

Ik ga daarbij uit van de veronderstelling, dat het bedoelde gemeentelid zijn schuld erkent en bereid is dit te belijden. En dan zie ik geen reden, waarom het den kerkeraad niet geoorloofd zou zijn, die belijdenis af te nemen, hetzij in den kerkeraad of in het midden der gemeente, naar gelang dit noodig of stichtelijk wordt geoordeeld, waarvoor wel geen algemene regel te stellen is, daar hierbij; veel afhangt van de omstandigheden, van de plaatselijke gewoonten, enz.

Om een daartoe strekkend besluit geheel formeel te doen zijn, zou het m.i. moeten inhouden, dat de bedoelde persoon, die reeds in verzuim is, omdat hij nog niet tot het Avondmaal is toegelaten, hiertoe nu vervolgens niet kan worden toegelaten, voordat hij zijn schuld beleden heeft, en betering des levens (door ingetogenheid enz.,) heeft beloofd en bewezen. 

 

(1914.)

317. Natuurlijk ben ik niet aansprakelijk voor hetgeen door eenig student uit mijne colleges is opgeteekend. Maar wanneer in eenig dictaat staat, dat een lid der gemeente niet tot openbare schuldbelijdenis zou zijn toe te laten, wanneer hij, ofschoon volwassen, nog niet tot geloofsbelijdenis en Avondmaalsviering was gekomen, dan is dat zeker een misverstand. Denkelijk zal ik wel eens gezegd hebben, dat het in de kerk iets zeer abnormaals en onregelmatigs is, wanneer een volwassen lid nog niet tot geloofsbelijdenis kwam; en ook wel, dat kerkelijke regelingen doorgaans te maken zijn voor normale en geregelde toestanden. Maar dat is iets heel anders, dan ge meent gelezen te hebben. In het door u bedoelde geval zou ik zelfs zeggen, dat, wanneer de vrouw (belijdend lid) openbare schuldbelijdenis doet, de man dit met haar mede moet doen. Anders zou het zelfs zijn, alsof hijzelf onschuldig was, en de vrouw des te meer schuldig!

Rutgers, F.L. (1922) 188

|288|

188. Welke is de volgorde der censuur in art. 76 en 77?

 

(1896.)

318. Uwe tweede vraag begrijp ik niet goed, omdat ik niet weet, welke zin door u gegeven wordt aan de woorden „afhouding van het Avondmaal”, „eigenlijke censuur”, „1e trap” enz. Alle eigenlijke censuur begint natuurlijk met den 1en trap, d.i. met de officieele en formeele af houding van het Avondmaal, die in art. 76 genoemd wordt. Blijkt dit, na vele vermaningen enz. niet te helpen, dan moet de 2e trap volgen, die in art. 77 beschreven wordt; en deze heeft dan weer drie stadiën of perioden, waarvan de eerste (die van de censuur van art. 76 o.a. hierin onderscheiden is, dat zij melding maakt van de reeds vroeger geschiede doch vruchtelooze afhouding van het Avondmaal, en dat zij altijd openlijk voor de gemeente geschiedt, ’t geen bij de afhouding volgens art. 76, d.i. bij den 1en trap der censuur, nog niet vereischt wordt) blijkbaar onderstelt, dat de censuur wegens art. 76 voorafging.

Rutgers, F.L. (1922) 189

189. Mogen degenen, die van het Heilig Avondmaal zijn afgehouden, deelnemen aan kerkelijke verkiezingen?

Zie bij art. 22 vr. 37.

(1901.)

319. In artt. 76 en 77 K.O. heb ik nooit iets anders kunnen lezen, dan wat gij er ook in leest, nl in art. 76 tijdelijke afhouding van het Avondmaal, met vermaningen enz., langen tijd herhaald, en daarna, als dit niet baat, art. 77 excommunicatie in drie stadiën. Dat is overduidelijk uit de vorige redactie van die artt. in 1571 vgg. Maar ook uit de tegenwoordige redactie (dateerend uit 1586), waar art. 76 duidelijk aanwijst, wat voorafgaat aan het „komen tot de uiterste remedie nl. de afsnijding”, en in art. 77 duidelijk staat, dat bij de eerste van de drie daar genoemde „vermaningen” of trappen, reeds moet te gewagen zijn van „de naarstigheid” aan hem bewezen in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal (naar art. 76) en menigvuldige vermaningen. De K.O. stelt dus twee stadiën of trappen; en de tweede is weêr in drie stadiën of trappen verdeeld. ’t Geen dus onderstelt, dat afkondiging in de gemeente van tijdelijke afhouding, naar art. 76, niet als noodig

|289|

is te stellen; eerder het tegendeel. Maar inzake van die afkondiging is ook zeker te rekenen met de omstandigheden der zaak, met plaatselijke usantiën enz. Hier in Amsterdam geschiedt afkondiging alleenlijk bij den eersten trap der excommunicatie, naar art. 77; niet bij tijdelijke afhouding, naar art. 76.

 

(1907.)

320. Afhouding van het H. Avondmaal (d.i. toepassing van art. 76 der K.O.) kan „den 1en trap van censuur” genoemd worden, als men ’t woord „censuur” in ruimen zin neemt, d.i. van alle toepassing van kerkelijke discipline; en als men ’t zoo neemt dan is de tweede trap de excommunicatie (d.i. toepassing van art. 77 K.O.), welke zelve dan wederom in drie stadiën of trappen verloopt (mededeeling aan de gemeente zonder naam — idem met naam, — en finale uitsluiting).

Doorgaans echter gebruikt men ’t woord „censuur”, en „onder censuur staan” in engeren zin, d.i. alleenlijk van de afhouding van het H. Avondmaal; en dan onderscheidt men ze van de „excommunicatie”, met hare drie trappen, die is toe te passen, wanneer de censuur door afhouding van het Avondmaal, na vele herhaalde vermaningen, ten slotte blijkt niet te kunnen baten.

Dit alles is duidelijk uit art. 76 en 77 K.O. wanneer men die goed leest (te meer nu art. 77, in het begin, door de Utrechtsche Synode in 1905 nog wat meer is verduidelijkt).

Daaruit volgt nu, dat de censuur door afhouding van het Avondmaal (volgens art. 76 toegepast) in den regel nog niet aan de gemeente is mede te deelen, daar dit, volgens art. 77 eerst geschieden moet, wanneer die censuur niet baat, en ook dan nog eerst zonder naam, en later, met naam, slechts op advies der Classe.

Rutgers, F.L. (1922) 190

190. Wanneer moet een opgelegde censuur publiek gemaakt worden?

 

(1910.)

321. Er is in onze kerkeraden nog wel eens misverstand ten

|290|

aanzien van het al-of-niet-publiek maken (door mededeeling in eene voor ieder openbare samenkomst der gemeente, of door het voltrekken van de handeling zelve in zulk eene samenkomst) van een opgelegde censuur en van eene ontheffing daarvan.

Toch is onze Kerkenordening daaromtrent niet onduidelijk, in artt. 75-78, waarvan gijzelf den zin en de bedoeling ook blijkbaar goed begrepen hebt. En die artikelen zijn niet nieuw: zij hebben reeds, van het eerste begin af, in de oudste redactie onzer K.O. gestaan; en zijn bij de revisie op de Generale Synode te Utrecht in 1905 wel nòg wat duidelijker gemaakt (wegens het hier en daar bestaande misverstand), maar zonder dat de zin en de bedoeling ook maar eenigszins werd gewijzigd.

Volgens die artikelen is de censuur, en desgelijks hare opheffing, in den regel niet publiek, maar eene handeling, die in en voor den kerkeraad (of eene commissie van zijnentwege, na het gevallen kerkeraadsbesluit daartoe aangewezen) geschiedt.

Mededeeling aan de gemeente is eerst dan voorgeschreven, als het tuchtmiddel van censuur, na vele vermaningen, niet baat, en men dus komen moet tot het tuchtmiddel van de excommunicatie en ook dan, bij den eersten trap van die excommunicatie (die wel te onderscheiden is van de censuur), nog niet eens met het noemen van den naam des afgewekenen ; eene bepaling, die geen zin zou hebben, of liever eene blijkbare onwaarheid zou bevatten, wanneer reeds bij de gewone censuur mededeeling aan de gemeente was gedaan.

Na excommunicatie, die altijd in het openbaar geschiedt, moet de wederopneming natuurlijk ook openbaar zijn, gelijk de K.O. ook bepaalt.

Maar na gewone censuur, zelfs al had die een tijdlang niets gebaat, moet de ontheffing alleen dan „openbaarlijk” geschieden, wanneer de kerkeraad zulks om bepaalde redenen noodig acht. Anders dus niet; en dus nog veel minder, wanneer de schuldbelijdenis terstond na de afwijking gevolgd is.

Er kunnen zonder twijfel omstandigheden zijn, waarin terecht noodig geoordeeld wordt, dat eene censuur na afwijking, en daarop gevolgde schuldbelijdenis, aan de gemeente wordt medegedeeld, b,v. wanneer ergens eene ingewortelde volkszonde is, waaraan

|291|

ook zij, die anders geregeld leven en blijkbaar geloovigen zijn, zich wel schuldig maken (b.v. algemeene zonde tegen het 7e gebod, door gemeenschap vóór het huwelijk). Maar dat zijn dan uitzonderingen. De regel is, dat (gelijk eene Generale Synode van de 16e eeuw het uitdrukte) de eere van een gevallen broeder zooveel mogelijk voor het publiek moet ontzien worden, als er nog uitzicht is op zijne terechtbrenging. en vooral als hij reeds berouw toont. Alleen waar de stichting der gemeente, naar het oordeel des kerkeraads, dit inderdaad onmogelijk maakt, mag en moet volgens onze K.O. van dien regel worden afgeweken.

En doorgaans hebben onze kerken, ook in vroegere tijden, naar dien regel gehandeld.

Ziedaar uwe vraag zoo kort mogelijk door mij beantwoord. — Over de omstandigheden van het geval, dat zich te X nu voordoet, kan ik natuurlijk verder niets zeggen, daar ik de omstandigheden niet genoeg ken.

Rutgers, F.L. (1922) 191

191. Hoe moeten de namen der gecensureerden, of dergenen, die daarna op den eersten trap van excommunicatie geplaatst worden, genotuleerd worden?

 

(1914.)

322. Ge vraagt mij wat de beste manier is om te notuleeren de namen dergenen, die door afhouding van het Avondmaal onder censuur staan (naar art. 76 K.O.), of die daarna geplaatst worden op den eersten trap der excommunicatie (naar art. 77 K.O.); in de gewone kerkeraadsnotulen, of in een afzonderlijk censuurboek, met verwijzing naar die notulen?

Ik antwoord: hieromtrent hebben onze kerken onderscheidene usantiën; en „variis modis bene fit.”

Bij iedere censuur moeten natuurlijk de motieven in de kerkeraadsnotulen duidelijk worden opgeteekend; zoowel voor de mededeeling aan den gecensureerde, als eventueel voor de Classe in geval van beroep op deze, en ook vaak voor den kerkeraad zelven, wanneer deze bij veranderde samenstelling over opheffing der censuur of over hare voortzetting moet handelen. En bij iedere

|292|

censuur moet natuurlijk ook de naam van den gecensureerde aan den kerkeraad bekend zijn.

Maar of die naam nu voluit wordt aangeteekend in het kerkeraads-notulenboek of in een afzonderlijk censuurboekje, is zeker geen principieele quaestie.

In groote gemeenten, als b.v. Amsterdam, waar steeds een aantal gecensureerden zijn, is, ook zelfs als hunne namen in de notulen zijn opgenomen, toch een afzonderlijk censuurboek daarbij altijd noodig, reeds omdat vóór elke Avondmaalsviering, en dus zes malen per jaar, al die namen in den kerkeraad moeten worden opgelezen, ten einde van de wijk-opzieners, wien het aangaat, te vernemen, wat er in de verloopen maanden aan die gecensureerden gedaan is en hoe het nu met hen staat. Maar in kleine gemeenten, waar de opzieners slechts een enkelen naam te onthouden hebben, zou zulk een censuurboek doorgaans overbodig zijn.

Ook blijft dan toch altijd het bezwaar, dat die namen aldus voor alle latere kerkeraadsleden bewaard worden; ’t geen in groote gemeenten wel geen bezwaar is, omdat alsdan toch geen opziener in het zeer omvangrijk archief naar zulke namen gaat zoeken, maar in kleine gemeenten wèl hinderlijk zijn kan, als later kinderen of familieleden van zulk een gecensureerde in den kerkeraad komen. Daarom wordt in kleine gemeenten de naam wel eens uit het notulenboek weggelaten; waarbij die naam dan òf aan het geheugen der opzieners werd toevertrouwd, òf wel afzonderlijk aangeteekend, welke aanteekening dan bij opheffing der censuur en lang genoeg gebleken betering des levens weer werd vernietigd of onleesbaar gemaakt. Dit laatste kan natuurlijk ook geschieden, wanneer de naam in de kerkeraadsnotulen is opgenomen; mits dan niet door iemands willekeur, maar door een behoorlijk genotuleerd kerkeraadsbesluit tot royeering of onleesbaar making van den naam desgenen die in de notulen van dien en dien datum als gecensureerd geboekt staat.

Toch is het gelukkig, dat in vroeger eeuwen b.v. in Amsterdam de kerkeraad zulke namen in zijne notulen liet staan; o.a. omdat daaruit blijken kan, hoe de kerkeraad toen zonder aanzien des persoons de censuur oefende, ook tegenover leden, die maatschappelijk tot de aanzienlijken en hooggeplaatsten behoorden. Ook

|293|

thans zal wel in niet vele kerken de methode van royeering worden toegepast.

Rutgers, F.L. (1922) 192

192. Mag een meisje wegens verbreking van hare verloving gecensureerd worden?

 

(1913.)

323. Ge schrijft mij over een meisje (lid uwer gemeente), dat, na eene verloving, die reeds drie jaren geduurd heeft, nu die verloving verbroken heeft, welke handeling door het volksbesef wordt afgekeurd. En ge vraagt mij, of de kerkeraad m.i. plicht en roeping heeft om te dien aanzien handelend op te treden, hetzij door vermaning, hetzij door de censuur volgens art. 76 K.O.

Over de zaak zelve kan ik natuurlijk geen oordeel hebben, daar ik de personen en de omstandigheden in het geheel niet ken. Maar wel kan ik in het algemeen uwe vraag ontkennend beantwoorden.

Immers valt al aanstonds op te merken, dat thans, en hier te lande, verbreking van eene verloving heel iets anders is dan wat men in vroegere eeuwen „verbreking van trouwbelofte” noemde. De hierbij bedoelde „trouwbelofte” gelijkt het meeste op wat wij nu „ondertrouw” noemen; en wat wij nu „verloving” noemen, was vroeger, en is ook nu nog in sommige landen, niet bekend, tenzij dan onder den naam van „verkeering”. Daarom kon en moest in vroeger tijd de „verloving”, die nooit jarenlang kon duren, maar die geacht werd reeds het begin te zijn van de spoedig volgende huwelijksvoltrekking (welke bij de „verloving” zelve nog niet finaal geschieden kon wegens de nog noodige huwelijksafkondigingen), in kracht van verbintenis bijna met het huwelijk zelf gelijk staan. Maar omdat dit thans en bij ons geheel anders is, kunnen we ons ook niet meer richten naar vroegere kerkelijke uitspraken, waaraan de toenmalige beschouwing ten grondslag lag.

Natuurlijk blijft echter ook thans de verbreking van eene verloving een terugnemen van het eenmaal gegeven woord; en dus eene zonde, tenzij er voor zulke verbreking bepaalde redenen zijn, die eene verbreking der belofte raadzaam of zelfs plichtmatig maken. Ook

|294|

in dit laatste geval kan er nog de zonde zijn, dat men lichtvaardig eene verloving is aangegaan. Maar ook kunnen redenen van verbreking zich eerst na de „verloving” hebben voorgedaan. Intusschen, dit te beoordeelen, en voorts ook de redenen van verbreking te beoordeelen, is m.i. niet het werk van een kerkeraad; vooral omdat hem daarvoor zelden de noodige gegevens ter beschikking staan: al worden ook redenen opgegeven, doorgaans zijn er dan nog wel andere redenen, die men niet te weten komt, en die toch misschien wel den doorslag geven. En in ieder geval zal bij de partij, die verbreekt, ook wel niet, of niet meer, de gezindheid zijn, die voor een huwelijk noodig is; in welk geval een kerkeraad, die het toch wilde doorzetten, eene veel te zware, en onnoodige, verantwoordelijkheid op zich zou laden. Wel zal er dan in vele gevallen nog plaats en roeping zijn voor vermaning, waarschuwing en onderwijzing. Maar toch niet altijd. En wel bijna nooit zal er daarbij afdoende grond kunnen zijn voor censuur en dus (indien er geen schuldbelijdenis komen kan) voor excommunicatie.

Ziedaar zeer in het kort, en geheel in het algemeen, mijn gevoelen. Maar ik herhaal, dat ik ten aanzien van de door u bedoelde personen geen oordeel of advies kan hebben.

Rutgers, F.L. (1922) 193

193. Mag een Gereformeerde moeder of vader, die deelneemt aan den Doop van haar (zijn) kind in de Hervormde kerk, gecensureerd worden?

 

(1902.)

324. Voor zooveel ik het geval, waarover ge mij schrijft, uit uwe mededeelingen ken, is mijn gevoelen, dat de bedoelde zuster wel met ernst moet gewaarschuwd worden tegen het gevaar van verslapping in de kerkelijke gemeenschap en in de gehoorzaamheid aan Gods Woord ook op kerkelijk gebied (waartoe het huwelijk met een „Hervormde” toch altijd eene groote verzoeking is), waaruit vanzelf ook geestelijke achteruitgang in het algemeen zou volgen; maar dat hier toch geen voldoende grond is voor censuur, door afhouding van het H. Avondmaal. Zeer zeker zal ik het niet verdedigen of vergoelijken, dat een lid der Geref. kerk aan een Doopsbediening in de Herv. kerk gaat deelnemen. Maar — het

|295|

was hier dan toch een Doopsbediening, die in al hare substantiën naar de instelling van Christus geschiedde en zonder superstitiën; het gold hier een kind, waarvan de vader, het hoofd des gezins, tot de Herv. kerk behoort en zijn kind thans daar gedoopt wilde hebben; en het was de Doop van het eigen kind der bedoelde zuster, waarbij hare meêgaandheid of zwakheid dus van heel anderen aard is, dan wanneer het een vreemd kind geweest was, waarbij zij b.v. als getuige was opgetreden. — Hier is m.i. de regel van Calvijn (zeker geen tegenstander van strenge kerkelijke dicipline!) van toepassing, dat er vele misstanden, verkeerde gedragingen, verzuim en afwijkingen bij gemeenteleden voorkomen, die wèl aanleiding geven tot onderwijzing, vermaning, berisping, waarschuwing, enz., maar die niet door de kerkelijke tucht moeten of mogen getroffen worden. Inderdaad zou men bij zulke tuchtoefening de conscientie ook niet mede hebben, noch bij de gecensureerde, noch bij de gemeente; en dan werkt zij meer kwaad dan goed.

 

(1912.)

325. Uwe andere twee vragen hebben betrekking op de toepassing van de kerkelijke discipline in een bepaald geval; iets, waarover niet goed te oordeelen is, als men de personen in ’t geheel niet kent of kan hooren, en ook van allerlei bij-omstandigheden niet op de hoogte is.

Bij het ééne geval kan ik niet beoordeelen, in hoeverre het den man nog mogelijk is, zijn gezag tegenover zijne vrouw te handhaven: er zijn huwelijken, waarbij soms de man wel niet vrij uitgaat, maar toch allereerst een voorwerp van medelijden is, en waarbij dan wel vermaning en bestraffing en onderwijzing en waarschuwing zeer noodig zijn, ook om te beproeven hem wat meer energie te geven, maar waarbij toch quaestieus is of hij mag en moet worden gecensureerd en later dus geëxcommuniceerd altijd natuurlijk, als geene ergerlijke zonden ten zijnen laste zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 194

194. Hoever moet de censuur gaan tegenover gehuwden, die weigeren samen te wonen?

|296|

(1912.)

326. Ge schrijft mij over een echtpaar in uwe gemeente, reeds bejaarde menschen, die, beiden voor de 2e maal huwend, na eenigen tijd het niet meer met elkander vinden konden (waaraan ook de wederzijdsche kinderen wel geen goed gedaan hebben), en die toen van elkander zijn gegaan, met wederzijdsch goedvinden, terwijl beiden blijven weigeren weêr te gaan samenwonen. Ge deelt mij mede, dat toen om die reden (terwijl er voor het overige niets op hen was aan te merken) de censuur der afhouding van het Avondmaal volgens art. 76 K.O. op hen is toegepast. En ge vraagt mij, hoe nu verder met hen te handelen is: overgaan tot de drie trappen van excommunicatie, naar art. 77 K.O,? of bij de censuur van art. 76 blijven staan en met vermaningen enz. voortgaan?
Deze vraag betreft dus niet: kerkrechtelijke beginselen of regelen, maar: de toepassing daarvan op een bepaald geval, dat zich voordoet. Maar juist daarom is het niet wel doenlijk, te dien aanzien een beslist advies te geven, wanneer men de personen, de toestanden, de omstandigheden, enz. in ’t geheel niet kent, en ook niet kan gaan onderzoeken.
In het algemeen geldt zeker, dat de censuur volgens art. 76, wanneer er na vele vermaningen, die lang zijn volgehouden, geen teeken van boetvaardigheid is, tot den eersten trap van excommunicatie, naar art. 77 moet worden overgegaan. Maar of daarvoor in dit geval de vereischte grond is, kan ik niet beoordeelen.
Het enkele feit, dat twee echtelieden niet samenwonen, kan op zichzelf de excommunicatie nog niet motiveeren; het is op zichzelf ook niet eens motief voor eene censuur van onbepaalden tijd; want er kunnen allerlei omstandigheden zijn, die zulk gescheiden leven geoorloofd of zelfs wenschelijk of zelfs noodig maken; b.v. (om slechts één geval te noemen), in een tweede huwelijk van menschen met voorkinderen, het belang van de opvoeding der kinderen of van hunne onderlinge verstandhouding.
Natuurlijk wil ik niets afdoen van den gewonen regel, dat echtelieden behooren samen te wonen; noch ook van den absoluten regel (die geen uitzonderingen kent), dat zij geenerlei boosheid of bitterheid tegen elkander mogen betoonen of in het hart hebben.

|297|

Maar ook zelfs bij goede Christelijke verhouding kan toch een gescheiden leven (heel iets anders dan echtscheiding) in sommige gevallen geoorloofd of wenschelijk zijn.
Hierover echter kan ik in het door u bedoelde geval geen oordeel hebben. De kerkeraad moet dat zelf beslissen, naar de kennis, die hij heeft van personen en toestanden. Hij moet uitmaken, of deze personen, indien zij gescheiden blijven leven, hierdoor geacht moeten worden buiten Gods koninkrijk te staan en dus door de kerk zijn te excommuniceeren.
Ge zult, met den kerkeraad, mij wel ten goede houden, dat ik hier geen volledig en beslist advies kan geven.

Rutgers, F.L. (1922) 195

195. Welke vermaningen behooren aan excommunicatie vooraf te gaan?

 

(1889.)

327. In het algemeen, en positis possendis, is er geen bezwaar tegen, dat kerkelijke uitspraken in zaken van tucht worden openbaar gemaakt, met den naam des zondaars en der zonde. Alle kerken deden en doen zulks altijd; zelfs het Herv. Genootschap in zijn acts en officieele berichten. En beter dan zulke mededeeling in couranten is zeker de bekendmaking van den kansel.

Om nu echter over ’t door u genoemde geval een advies te kunnen geven, zou ik er meer van moeten weten dan uw schrijven bevat. Bepaaldelijk

1º. Staat de bedoelde vrouw op het duplicaat lidmatenboek, door haar eigen opgave en volgens haar eigen wensch daarop geplaatst, en alzoo bij den kerkeraad bekend zijnde als mee te gaan met de aanvankelijke reformatie? — Indien neen, dan zou er formeel bezwaar zijn om officieel en openlijk haar te censureeren.

2º. Zoo ja, heeft zij, na zich opgegeven te hebben, daarna niets gedaan om zich weer aan het kerkelijk opzicht te onttrekken? — Indien ja, dan heeft zeker de kerkeraad nog wel zijn roeping tegenover haar te vervullen, maar wordt hij toch verhinderd dit openlijk te doen, daar alsdan in foro civili aan den kerkeraad geen recht op censuur ten haren aanzien zou kunnen worden toegekend.

3º. Is hare zonde zoo openbaar en zoo bewezen, dat zij evident

|298|

is voor ieder, en dat zij ook niet geloochend wordt door haarzelve? — Indien er enkel sterk vermoeden is, dan kan daarop niet geëxcommuniceerd worden. En indien er wel moreele zekerheid is, maar ontkenning bij haar zelve, dan gaat niet aan, in de uitspraak de zonde als vaststaande te stellen.

4º. Is zij behoorlijk voor den vollen kerkeraad geciteerd, om over haar zonde gehoord te worden? En is dit, na weigering of wegblijving harerzijds, minstens tot driemaal toe herhaald? — zoo neen, dan zou dit nog eerst geschieden moeten, gelijk dit in vroeger eeuwen ook doorgaans plaats had. Immers, de verklaring van buitensluiting buiten Gods koninkrijk is van zulk een ontzettenden ernst, dat ieder opziener, die daarin zijn stem heeft uit te brengen, persoonlijk met de zaak bekend en van de hardnekkigheid of wederspannigheid overtuigd moet zijn; welke hardnekkigheid, indien de geciteerde komt, uit diens houding natuurlijk openbaar wordt; en, indien de geciteerde weg blijft, even openbaar wordt uit zijn herhaalde en pertinente weigering om te komen. Het zou zelfs goed zijn, aan de herhaalde officieele citatie ook nog persoonlijk bezoek van wijkgecommitteerden (op een ander uur dan de citatie) te verbinden, teneinde niets onbeproefd gelaten worde om den zondaar tot berouw te bewegen. Alle excommunicatie toch is eigenlijk gegrond, niet op de begane zonde, hoe groot die ook zij, maar op de gebleken onbekeerlijkheid en hardnekkigheid in het verwerpen van alle vermaning; gelijk dit zeer opzettelijk en duidelijk ook wordt uitgesproken in het desbetreffende artikel van de Kerkenordening, in het formulier van den Ban, in art. 32 van de Confessie, in antwoord 85 van den Catechismus, enz., en natuurlijk ook in iedere dergelijke kerkelijke uitspraak het motief moet zijn en als zoodanig moet genoemd worden.

Rutgers, F.L. (1922) 196

196. Mag bij ergerlijke en opzienbarende zonde terstond worden overgegaan tot den eersten trap van excommunicatie, met overslaan van de censuur?

 

(1916.)

328. In uw brief, vraagt ge, met betrekking tot een in X voorkomend geval, mijn gevoelen over de manier van

|299|

toepassing der kerkelijke tucht; waaromtrent in uwen kerkeraad verschil van gevoelen is.

Voor zooveel ik door uwe mededeelingen met deze zaak bekend ben, komt het mij voor, dat dit verschil op twee punten betrekking heeft, nl. op deze twee vragen: 1º of hier te handelen is naar art. 76 K.O., dan wel naar art. 77; en 2º of hier, indien naar art. 76 gehandeld wordt, daaraan is toe te voegen, dat deze censuur terstond aan de gemeente wordt bekend gemaakt.

Wat het eerste punt betreft, wordt de genoemde vraag eigenlijk reeds duidelijk beslist door den inhoud van die twee artikelen der K.O., waarvan de bepalingen, reeds bij den aanvang der Reformatie in de 16e eeuw, door onze Gereformeerde kerken aldus op grond van Gods Woord zijn vastgesteld en sedert streng gehandhaafd.

Volgens die bepalingen heeft de kerkelijke discipline twee graden, waarvan de eerste bestaat in afhouding van het H. Avondmaal volgens art. 76, welke tuchtoefening uit den aard der zaak niet in meerdere trappen kan onderscheiden worden; en waarvan de tweede graad bestaat in de excommunicatie, die noodig kan worden wanneer de tijdelijke uitsluiting uit de gemeenschap blijkbaar geheel onvruchtbaar is, en die, volgens art. 77 K.O., dan drie trappen heeft bekendmaking aan de gemeente zonder vermelding van den naam, herhaalde bekendmaking met den naam (doch alleen met advies der Classe), en excommunicatie.

Dat is door onze vaderen aldus geregeld, omdat zij diep doordrongen waren van den ontzettenden ernst der excommunicatie, en van de heilige roeping der kerk om toch alles te doen, teneinde den gevallen broeder nog, zoo het eenigszins mogelijk was, tot bekeering te brengen. De weg, dien de kerkelijke discipline te bewandelen heeft, is dan wel lang, maar juist daardoor des te meer in overeenstemming met het doel der tuchtoefening.

Daarom mag men dien weg dan ook niet gaan verkorten, door, bij een voorkomend geval, art. 76 geheel ter zijde ter stellen, en aanstonds over te gaan tot de excommunicatie in haren eersten trap, volgens art. 77; ’t geen nog des te minder kan, omdat dit artikel in zijn begin uitdrukkelijk stelt, dat de toepassing van art. 76 reeds lang te voren heeft plaats gehad.

In het hier bedoelde geval kan dus zeker niet worden overgegaan

|300|

tot den eersten trap der excommunicatie volgens art. 77, maar moet gehandeld worden naar art. 76.

Daarbij kan dan nog gevraagd worden (wat ik hierboven als 2e verschilpunt noemde), of in het hier bedoelde geval aan de toepassing van artikel 76 nog kan of moet worden toegevoegd, dat de censuur terstond aan de gemeente wordt bekend gemaakt.

Dat is zeker niet bedoeld in onze Kerkenordening, die, blijkens art. 77, zulke bekendmaking eerst wil doen plaats hebben, als men meent tot de excommunicatie te moeten overgaan, en dus nog niet bij de toepassing van art. 76. En daarom is zeker niet goed te keuren, dat, met name in de 19e eeuw, sommige kerken zulke bekendmaking als gewoonte aannamen. Daar X die gewoonte niet heeft, zou ik dus zeker niet aanraden, haar thans te gaan invoeren.

Ook niet voor het bepaalde geval, dat zich nu voordoet.

Wel is voor den broeder, dien het hier geldt, de schuld van zijne echtbreuk des te zwaarder, omdat hij, jaren geleden, voor een dergelijk feit reeds gecensureerd is geweest. Maar destijds is hij, na openlijke schuldbelijdenis, toch van die censuur weér kunnen ontheven worden, en is hij daarna door den kerkeraad zelfs geëerd, door hem als collectant voor de kerk te doen fungeeren. De vroeger begane echtbreuk moet dus m.i. wel maken, dat hem thans een langere proeftijd gesteld wordt, voordat hij, na blijkbare ingetogenheid van leven, van de censuur zal kunnen ontheven worden; maar zij geeft toch geen voldoenden grond om thans ten zijnen aanzien van den regel der K.O. en van de gewoonte der kerk af te wijken.

En die reden kan ook niet liggen in de overweging, dat de kerkeraad door eene bekendmaking zou toonen waakzaam te zijn op het punt der tucht. Immers, die wordt geoefend, niet om der wille van den kerkeraad, van wiens waakzaamheid de gemeente niet door een ongewone handeling behoeft overtuigd te worden.

Denkelijk zal de bedoelde broeder wel reeds als collectant ontslag gevraagd hebben. En anders zou hem dit nu ongevraagd te geven zijn. In een eervolle kerkelijke functie kan hij thans niet meer optreden.

|301|

(1916.)

329. Uit uw schrijven blijkt mij, dat men in uwen kerkeraad nu toch algemeen inziet, dat in het hier bedoelde geval van kerkelijke tucht niet art. 77 K.O., maar art. 76 is toe te passen; ’t geen hier m.i. het principieele punt was, en nu aan u is toegegeven.

En de quaestie schijnt dan nu nog alleenlijk te zijn, of in dit geval de regel van „stille censuur” moet blijven gelden, dan wel, of hier redenen zijn om op dien regel eene uitzondering te maken (’t geen in onderscheidene gevallen raadzaam zijn kan, en dan ook in onze kerken geschied is en geschiedt).

Op dit punt nu zie ik geen bezwaar tegen dat zich neérleggen bij den aandrang van velen; ’t geen hier te eerder kan, omdat het vergrijp toch al in de gemeente publiek is. In ieder geval zou ik in uw geval over dit niet-principieele punt geen kerkelijke quaestie maken.

Rutgers, F.L. (1922) 197

197. Moet aan het absoluut karakter der excommunicatie vastgehouden worden?

 

(1911.)

330. Het bezwaar, dat ge hebt tegen hetgeen in onze Formulieren van eenigheid en in onze liturgische Formulieren van de excommunicatie of ban gezegd wordt, begrijp ik niet goed.

Wat daarin „absoluut” gezegd wordt, is ook, „absoluut” bedoeld, maar natuurlijk alleen „voor zoover menschen oordeelen kunnen.” Dit spreekt zoo vanzelf, dat het er zeker niet bij behoefde uitgedrukt te worden. Evenmin als dit geschiedt in honderde dergelijke gevallen; b.v. in hetgeen in de 1e Doopvraag van onze kinderkens absoluut gezegd wordt; of in zoovele qualificaties, die de Apostolische brieven aan de gansche gemeente, en aan alle lezers, die er lid van zijn, geven; of in uwe eigene toespraken aan gemeenteleden enz., als ge hen zonder eenige clausule, en dus absoluut „broeders” noemt; enz. enz.

Aan dat absolute (aldus opgevat) moet zeer zeker de hand gehouden worden, en dus ook gehandhaáfd worden, dat het hier „de sleutelmacht” geldt. Anders gaat alle ernst van de kerkelijke

|302|

tucht, ja die tucht zelve, verloren. Gelijk b.v. in het Ned. Herv. Kerkgenootschap, waar de zoogenaamde tucht eigenlijk alleen is „eene uitsluiting uit het instituut der kerk,” dus eigenlijk alleen eene administratieve maatregel is, die als zoodanig zeer zeker aan de kerk niet vrijstaat.

Juist om den ontzaggelijken ernst der excommunicatie hebben onze Geref. kerken, die in vroeger eeuwen altijd slechts met hoogen ernst toegepast, d.i. eerst na langdurig rijp beraad en wanneer men genoegzaam verzekerd was van de hardnekkigheid in eene ergerlijke afwijking. De tucht, met afhouding van het Avondmaal, volgens art. 76 K.O. werd doorgaans een aantal jaren volgehouden, eer men kwam tot de excommunicatie, volgens art. 77 K.O. En ook dan bleef men nog lang bij den eersten stap van die excommunicatie (bekendmaking aan de gemeente, nog zonder naam) eer men overging tot den tweeden (bekendmaking met naam), waarbij dan ook nog advies van de Classe noodig was.

Voor het overige kan ik u in een brief geen verhandeling schrijven over de kerkelijke discipline. In het Handboek van Kerkrecht van Voetius vult dat terecht heel wat bladzijden.

Rutgers, F.L. (1922) 198

198. Moet in grootere gemeenten de excommunicatie in alle kerkgebouwen geschieden?

 

(1901.)

331. De excommunicatie moet natuurlijk geschieden voor de gemeente, evenals ook de drie achtereenvolgende mededeelingen, die te dien aanzien van te voren te doen zijn, alle drie aan de gemeente moeten geschieden.

Waar nu de gemeente wegens hare talrijkheid in meer dan één kerkgebouw tegelijk samenkomt, moeten dus alle die mededeelingen, en de excommunicatie zelve, in alle die kerkgebouwen geschieden. Dus was het slechts in één, dan zou het slechts zijn voor een deel der gemeente; ’t geen niet mag. En om voor zulk een geval dan alle kerkgebouwen, op één na, te sluiten (dus b.v. hier in Amsterdam van de 9 voormiddag beurten er 8 te laten stilstaan), zou natuurlijk ongerijmd zijn: men zou dan juist een

|303|

groot deel der gemeente beletten, aan die uitoefening van discipline haar aandeel te hebben.

Rutgers, F.L. (1922) 199

199. Mag in tuchtzaken de kerkeraad beslissen tegen het advies der Classe?

 

(1909.)

332. Of in het gegeven geval het advies der Classe al dan niet juist was, kan ik moeielijk beslissen, daar ik den persoon in quaestie niet ken en van zijn houding bijna niets weet. Maar wèl meen ik, dat de kerkeraad of het advies der Classe moet volgen, of wel zich moet beroepen op de Particuliere Synode.

Reeds op zichzelf kan een kerkeraad, uit kracht van het kerkverband, een gevraagd advies der Classe niet eenvoudig ter zijde stellen, om toch zijn eigen gang te gaan.

En dit kan nog minder, waar het eene excommunicatie geldt. Het betreft hier wel geene volledige excommunicatie (omdat de persoon nog geen compleet lid is), bij welke voor een wettig kerkeraadsbesluit zelfs toestemming der Classe vereischt wordt, volgens de Kerkenordening. Maar het besluit, om een lid, zij het ook een nog niet compleet lid, „niet meer als zoodanig te erkennen,” is toch inderdaad ook een excommunicatie of uitbanning. En die kan dan ook slechts geschieden met advies der Classe; dus niet tegen dat advies.

Intusschen kunt ge zelf hierin wel niet meer doen, dan beproeven, den kerkeraad van zijne verkeerde lijn terug te brengen. Macht, om de uitvoering van een verkeerd besluit te beletten, hebt ge zeker niet. Ge kunt dan slechts daarna bij de Classe uwe bezwaren daartegen inbrengen.

Ook zoudt ge nu nog den kerkeraad kunnen mededeelen, dat dit uw voornemen is, zoodat de zaak dan als een „geschil in den kerkeraad” voor de Classe komt; en er op aandringen, dat de meerderheid in den kerkeraad dan toch niet reeds vooraf haar besluit uitvoere, zoodat de Classe, voor een „gedaan feit” zou staan. Het geschil loopt dan niet over de al of niet excommunicatie; maar over de vraag, of een kerkeraad het advies der Classe bij zulk een zaak mag ter zijde stellen en er tegen ingaan, dan

|304|

wel, of hij, er zich niet mede vereenigende, op de Part. Syn. moet appelleeren. Misschien kan de kerkeraad er dan toe komen, zijn besluit nog niet uit te voeren.

Ziedaar in het kort mijn gevoelen. Ik herhaal, dat ik over de al of niet noodzakelijkheid der excommunicatie zelve niet voldoende kan oordeelen.

Rutgers, F.L. (1922) 200

200. Moeten de namen van leden, die zich aan de kerk onttrekken, bekend gemaakt worden?

 

(1896.)

333. Wat uwe vraag betreft, indien leden der kerk zich, na herhaalde, lang volgehouden vermaning, en onderwijzing en waarschuwing vanwege den kerkeraad toch aan het toezicht van den kerkeraad onttrekken, en er aan die afscheiding niets meer schijnt te doen te zijn, dan bepaalt onze kerkeraad zich er toe, dit in de kerkeraadsboeken aan te teekenen, maar maakt het niet van den preekstoel of in de kerkbode bekend. Om allerlei redenen. In een groote gemeente zijn zulke leden toch aan bijna niemand bij name bekend. De publicatie mocht eens andere zwakken en twijfelenden tot navolging brengen (gelijk de berichten van misdrijven in couranten vaak ten gevolge hebben, dat een ander soortgelijk misdrijf gaat plegen). Nut kan er, althans hier, ook niet aan verbonden zijn. En vooral heeft het deze schaduwzijde, dat de breuk dan licht onherroepelijk wordt, terwijl thans de ervaring ons leert, dat zulke afgedwaalden, als zij na eenige maanden of na een jaar weer eens bezocht worden, tot erkenning hunner zonde komen; soms zelfs zonder bezoek, uit zichzelven. Afscheiding komt hier betrekkelijk zelden voor; in 10 jaren tijds op de 1000 niet veel meer dan één. Maar van die weinigen zijn toch enkelen reeds weêr teruggekomen. Intusschen kunnen toestanden en omstandigheden in andere kerken anders zijn; en zeker is er geen principieel bezwaar tegen publicatie. En dan in den door u genoemden vorm.

Rutgers, F.L. (1922) 201

201. Mag een lid, of een gecensureerde, die zijn lidmaatschap opzegt, daarna nog als lid behandeld worden?

|305|

(1893.)

334. Indien een lid der gemeente, gecensureerd wordende, daarna „zijn lidmaatschap opzegt,” en zich dus geheel aan de gemeenschap der kerk onttrekt, dan kan hij door den kerkeraad natuurlijk niet meer als lid (hetzij dan een compleet of een incompleet lid, op belijdenis tot het Avondmaal toegelaten of nog enkel door den Doop ingelijfd) beschouwd en behandeld worden. Ik begrijp dan ook niet, hoe zoodanig persoon nog bij den kerkeraad aanvrage doet om een attestatie als dooplid. Daargelaten nu, dat de kerk geene „doopleden” kent, en van gedoopten, die op volwassen leeftijd nog geen belijdenis deden, slechts zou kunnen getuigen, dat zij in voortdurende ongehoorzaamheid aan den Heere der gemeente voortleven, ligt het toch wel in den aard der zaak, dat wie in geen enkel opzicht lid der kerk is, maar zichzelve geheel daarbuiten stelde, ook geene attestatie van den kerkeraad kan vragen of krijgen. De kerkeraad van X kan dus m.i. aan den bedoelden persoon, op zijne aanvrage, niet anders antwoorden dan dat hij aan dit verzoek niet kan voldoen, daar hij alleen getuigen kan ten aanzien van leden zijner kerk, en de aanvrager reeds sedert geruimen tijd (waarbij ook wel de datum kan ingevuld worden) opgehouden heeft lid der Geref. kerk te X te zijn, door zich, na op hem toegepaste censuur, van die kerk af te scheiden.

 

(1910.)

335. Wanneer iemand, die lid is eener Gereformeerde kerk, verklaart niet langer lid van die kerk te willen zijn, dan moet de kerkeraad zonder twijfel beproeven, hem daarvan terug te brengen, Klaar als dit niet baat, en de bedoelde persoon blijft verklaren, dat hij niet meer tot de Geref. kerk wil gerekend worden, dan kan de kerkeraad daar natuurlijk niets aan doen, aangezien in zaken van geloof en conscientie en kerk ten slotte ieder vrij is, en geen uiterlijke dwang te pas komt. Aldus is in onze kerken dan ook steeds geoordeeld en gehandeld, van de 16e eeuw af, en overal. In het lidmatenboek (en in de kerkeraadsnotulen) wordt dan aangeteekend, dat zulk een lid zich heeft afgescheiden (of zich

|306|

aan de gemeenschap der kerk heeft onttrokken), ’t geen men dan wel eens „schrappen” noemt, maar dat eigenlijk zóó niet kan heeten, daar het feit, dat hij vroeger lid was, toch een feit blijft. Natuurlijk kan bij zoo iemand van censuur of voortgezette kerkelijke behandeling dus ook geen sprake meer zijn, daar deze alleen over leden gaat, en anders zelfs strafbaar voor de wet zou worden. Eenige attestatie of bewijs van vroeger lidmaatschap kan aan den zoodanige natuurlijk ook niet uitgereikt worden, daar een Gereformeerde kerkeraad er op geenerlei wijze toe mag medewerken, dat iemand, die vroeger tot de Geref. kerk behoorde, nu zou aangenomen worden in de Herv. kerk of elders.

Rutgers, F.L. (1922) 202

202. Mag men leden der kerk schrappen uit het lidmatenboek?

 

(1909.)

336. Uw schrijven heeft in hoofdzaak ten doel, mij te vragen of „er rechtsbezwaar bestaat, om schrapping uit het lidmatenboek, niet als tuchtmiddel, maar als maatregel van orde, in de Kerkenordening op te nemen”.

Hierop kan ik slechts met beslistheid antwoorden: ja, zeer zeker; zoodanige bepaling zou zeer onrechtmatig zijn, en zeer wanordelijk, en met het wezen eener Christelijke kerk geheel in strijd.

Zij zou bestaanbaar zijn in een soort van kerk, die zichzelve eigenlijk niet maar als eene kerk, maar als een genootschap of vereeniging beschouwt; gelijk zij dan ook bestaat in het Ned. Herv. Kerkgenootschap. Maar eene wezenlijke „kerk” kan haar nooit aanvaarden. Deze kan en mag nooit iemand „buiten hare gemeenschap zetten” (ook al zou men dit willen bedekken of bemantelen met de uitdrukking: „schrappen uit het lidmatenboek”), tenzij hij in belijdenis of wandel zóó afwijkt, dat hij, bij hardnekkige volharding in die afwijking, moet geacht worden geen geloovige te zijn.

Alsdan zou hij te „excommuniceeren” zijn, of m.a.w. uit het lidmatenboek zijn te schrappen, ’t geen natuurlijk precies hetzelfde is als excommuniceeren. Het onderscheid, dat men tusschen die twee uitdrukkingen in de voormalige Christelijke Geref. kerk wel eens maakte, en waarop uw schrijven ook eenigszins doelt, bestaat eigenlijk alleen en uitsluitend hierin, dat men bij „excommunicatie”

|307|

eene behoorlijke procedure volgt (onderzoek, jarenlang voortgezette vermaning, medewerking der Classe, enz.) en bij „schrapping” iemand zonder vorm van proces buiten de gemeenschap der kerk stelt. Men kan dan wel zeggen, dat dit geschiedt, „niet als tuchtmiddel, maar als maatregel van orde”; maar dat maakt de zaak niet beter. Evenmin als het voor eene burgerlijke rechtbank, die een burger zonder vorm van proces liet ter dood brengen of uit het land zetten, een excuus of eene rechtvaardiging zijn zou, als zij zeide: deze executie is geen straf, maar een „maatregel van orde”.

Tot zulke handeling een kerkeraad of Classe wettelijk te adviseeren, zou dan de deur openen voor allerlei willekeur, en dus voor de grootste wanorde. En het zou, ook al stond het in een reglement, toch eene rechtskrenking zijn voor den daarbij betrokkene.

Ik zie ook niet, hoe in het door u bedoelde geval van verstoring der „orde” sprake kan zijn. Indien de door u bedoelde drie leden zich daaraan schuldig maakten, b.v. door een aanhang om zich te verzamelen, en dan de werkzaamheid van predikant en opzieners door hunne actie te verhinderen of te belemmeren, dan zouden zij te censureeren zijn b.v. wegens scheurmakerij. Maar daarvan hoorde ik ten hunnen aanzien niet. En zelfs schijnen zij in het algemeen den indruk te maken, dat zij niet tot de ongeloovigen of onverschilligen behooren, maar alleenlijk vrij onkundig zijn op het leerstuk der kerk (op hare kenmerken, enz.), en in groot misverstand zijn ten aanzien van de kerkelijke handeling met Ds. A, en zeer vasthoudend zijn aan eene eenmaal opgevatte meening, bijna in die mate, dat zij zichzelven en hun eigen oordeel voor onfeilbaar schijnen te houden. Welk alles zeker stof genoeg geeft voor onderwijzing, vermaning, waarschuwing, enz.; maar niet voor de censuur, die in excommunicatie zou moeten eindigen.

Het geregeld wegblijven uit de samenkomsten der gemeente is zeker van anderen aard; evenals het niet deelnemen aan het H. Avondmaal. Daarop zou zeker de censuur enz. wel van toepassing zijn. Maar — dan moet een kerkeraad niet beginnen met de leden, die „elders kerken”, maar met degenen, die uit onverschilligheid in ’t geheel niet, of slechts zeer zelden, ter kerk komen, en die bijna nooit, of hoogstens eenmaal per jaar, Avondmaal vieren. Het zou niet aangaan, dezulken vrij te laten van tuchtmiddelen,

|308|

maar deze wel toe te passen op degenen die „elders kerken” en dus niet kunnen gezegd worden „God en zijn Woord te verachten”. 

Nog weer anders staat het geval, wanneer een lid der Geref. kerk in de Herv. kerk aan het Avondmaal gaat deelnemen, of aldaar als hoofd van zijn gezin een kind laat doopen, en dus formeel als lid zich aansluit bij de Herv. kerk (zonder welke aansluiting men niet aan de Sacramenten kan deelnemen), terwijl hij tegelijk ook lid der Geref. kerk wil zijn. Naar ik hoorde, is dit bij de door u bedoelde leden inderdaad het geval. Hiervan is echter geen sprake in de door u genoemde besluiten der Synode van 1896 en 1905, die alleen maar spreken van „elders kerken”. En voorts is in die besluiten de hoofdzaak, dat de gevallen, die zich daarbij voordoen, veel te uiteenloopend zijn, om voor die verschillende personen een enkelen regel te formuleeren; en dat ten hunnen aanzien met veel geduld is te handelen.

Toen in ’t begin der 17e eeuw, bij de formatie der Remonstrantsche gemeenten, soortgelijke gevallen zich zeer veel voordeden, is men in onze kerken er toch maar zelden toe overgegaan, gewone gemeenteleden, die geregeld bij de Remonstranten kerkten en de Sacramenten gebruikten, te excommuniceeren. Bij predikanten was het heel iets anders. Maar bij gewone leden is, b.v. in Amsterdam, de kerkeraad, eerst na vermaningen van meer dan 10 jaren, er toe overgegaan eenigen van de hoofden der Remonstranten te excommuniceeren, nog geen tiental. Maar bij de groote menigte bleef men voortgaan met onderwijzen, vermanen enz.; en dat heeft ten slotte de groote meerderheid ook voor de Geref. kerk behouden en gewonnen.

En juist dat „behouden” is altijd hoofddoel; niet: het verwijderen en kwijt raken van gemeenteleden, van welke men last heeft; vooral niet, als men meent grond te hebben om hen voor kinderen Gods te houden.

Voor ’t overige kan ik hier de Acta der Synoden van 1896 en 1905 niet inzien, zoodat ik in ’t bovenstaande alleen uit mijn geheugen iets aanhaal.

Een precies advies, hoe nu met de drie door u bedoelde leden te handelen en te spreken is, hebt ge hier nu niet. Maar dat is, niet een kerkrechtelijke, maar eene practische en paedagogische

|309|

quaestie, waarover men alleen kan oordeelen, wanneer men die personen zelf kent en met hen gesproken heeft. Eerst dan kan men genoegzaam weten, hoe zij geestelijk staan, en hoe er dus op hen moet gewerkt worden.

 

(1910.)

337. Uwe eerste vraag betreft een man, belijdend lid der Gereformeerde kerk, die gehuwd is met een vrouw van de Hervormde kerk, en die zijn twee kinderen in die kerk heeft laten doopen, omdat hij zich niet wilde onderwerpen aan de bepaling der Geref. kerk, dat een kind uit een zoogenaamd „gedwongen” huwelijk afzonderlijk in een voormiddagdienst moet gedoopt worden. Te dien aanzien vraagt ge mij, of die man niet, wegens zijn toelating of medewerking bij dien doop in de Hervormde kerk, moet geacht worden gebroken te hebben met „de Geref. kerk.” En van die vraag zal wel de beteekenis zijn, of de kerkeraad hem dan nu, zonder verderen omslag, eenvoudig als lid mag, of eigenlijk zelfs moet „schrappen.”

Hierop kan ik slechts zeer beslist antwoorden: Neen, zeker niet. Dat zoogenaamd schrappen van leden, die geenszins verklaard hebben zich van de Geref. kerk te willen afscheiden, (een handeling, die bij enkele kerkeraden, gelukkig slechts bij zeer weinigen, in de laatste eeuw wel eens is voorgekomen), is geheel onschriftuurlijk en ongereformeerd. Wie lid is van een Geref. kerkelijk instituut, kan dat lidmaatschap alleen maar verliezen (behalve door overlijden en verhuizen), door excommunicatie, naar de procedure, die daarvoor in de Kerkenordening is voorgeschreven, en wegens de daarin gestelde vergrijping of afwijking of door vrijwillige af, scheiding (daar geen kerk iemand tot het lidmaatschap kan of mag dwingen). Maar zulke afscheiding moet dan ook opzettelijk en ondubbelzinnig verklaard zijn, terwijl ook dan iedere kerkeraad nog moeite doen moet om het lid, dat die zonde begaan wil, daarvan terug te houden. Geenszins mag door een kerkeraad zulk een verklaring van afscheiding iemand worden toegedicht of opgedrongen; allerminst wanneer de persoon zelf bij de kerk wil

|310|

blijven. Doet hij dan toch dingen, die naar het oordeel des kerkeraads van dien aard zijn, dat hij daardoor toonen zou, niet tot Gods koninkrijk te behooren, (althans wanneer hij zich daarvan niet bekeert), dan is er geen andere weg dan de kerkelijke tucht; eerst de gewone censuur door afhouding van het H. Avondmaal, volgens art. 76 K.O. en als die na geruimen tijd en na veel vermaningen niet baat, dan de excommunicatie in haar drie trappen, en met advies van de Classe, volgens art. 77 K.O. Maar dat de door u bedoelde man op zulk een wijze zou te behandelen zijn, wil ik hiermede natuurlijk niet zeggen. Om te zijnen aanzien iets te kunnen zeggen, zou ik veel meer van hem en van zijn omstandigheden moeten weten, dan uw brief mij mededeelt; welke mededeeling op zichzelf nog geen dingen toont, die tot excommunicatie zouden moeten leiden.

 

(1916.)

338. Uwe andere vraag (of de kerkeraad een belijdend gemeentelid, tegen wien men gegronde bezwaren heeft, maar dien men toch niet naar den regel der kerkelijke discipline kan of wil behandelen, ook wel kan excommuniceeren door eenvoudige schrapping van zijn naam in het lidmatenboek, met verklaring, dat hij metterdaad zich aan de gemeenschap der Gereformeerde kerk onttrokken heeft) is spoedig te beantwoorden.

Zulke eenvoudige uitbanning, zonder eenigen vorm van kerkelijke procedure en tegen den wil van den geëxcommuniceerde, is in een Gereformeerde kerk nooit geoorloofd.

In het Nederlandsch Hervormd kerkgenootschap is zulke practijk vaak gevolgd, vooral in den tijd der „doleantie,” als een practisch strijdmiddel, of om lastige leden kwijt te raken. Maar het is volstrekt onschriftuurlijk, en het zou ook in strijd zijn met de geheele, op de Schrift gegronde, kerkelijke orde der Gereformeerde kerken.

Positief advies over de manier, waarop het door u bedoelde echtpaar door den kerkeraad te behandelen is, kan ik u natuurlijk niet geven, daar ik dat echtpaar in het geheel niet ken. Wat ge mij daarvan mededeelt, geeft nog geen feiten (woorden of daden),

|311|

die op zichzelf reeds kerkelijke censuur noodig maken. Maar ik kan dat verder niet beoordeelen. In geen geval echter mogen zij zoo maar worden geëxcommuniceerd.

Rutgers, F.L. (1922) 203

203. Op welke wijze kan een gecensureerde, die zich deswege gedurende jaren aan de gemeenschap der kerk onttrok, weer tot volle gemeenschap toegelaten worden?

 

(1912.)

339. Ge schrijft mij, dat een lid uwer gemeente, die omtrent vier jaren geleden door den toenmaligen kerkeraad van de afdeeling A is gecensureerd, thans weder in de volle kerkelijke gemeenschap wenscht te worden opgenomen, maar tevens verlangt, dat nu openlijk van den kansel zal worden afgekondigd dat hem indertijd „ten onrechte door den kerkeraad het H. Avondmaal is ontzegd”; en ge vraagt mij, of zulke afkondiging mag geschieden.

Om zulke afkondiging met grond te kunnen doen, zou de kerkeraad, in zijne tegenwoordige samenstelling, toch eerst van zoodanig „onrecht” moeten overtuigd zijn, en dus moeten gaan onderzoeken al wat er, vier jaren geleden, door den bedoelden broeder en door of van vege den toenmaligen kerkeraad van kerk A is gesproken en gedaan. Maar ik denk, dat dit nu niet meer zal zijn uit te maken, althans niet met genoegzame klaarheid en zekerheid. En gesteld zelfs dat het kon, waartoe zou het dienen, dat men al dat oude zeer nu weêr ging blootleggen? Bij twist of oneenigheid, die reeds lang geleden is, heeft alle oprakeling bijna altijd ten gevolge, dat er nieuwe geschillen ontstaan en dat een bijna uitgedoofd twistvuur weêr wordt aangeblazen; terwijl er anderzijds hoegenaamd geen nut van te wachten is.

Alleen dan zou dit eenigszins anders zijn, wanneer zulk een onderzoek onmiskenbaar zou aanwijzen, dat bij de vroegere oneenigheid alle schuld en onrecht uitsluitend bij de eene partij was, in dit geval bij den vroegeren kerkeraad, terwijl de andere partij, in dit geval de bedoelde broeder, geheel vrij uitging.

Maar natuurlijk zal hijzelf dit wel niet beweren. Hij zal zelf wel moeten erkennen, dat hij van den aanvang af telkens verkeerd heeft gehandeld.

|312|

Vier jaren geleden mocht hij zonder twijfel van oordeel zijn, dat in kerk A de Avondmaalsviering liever had moeten uitgesteld zijn. Maar hij mocht den kerkeraad, die daarover anders dacht, niet beschuldigen, dat deze daardoor aan de kerk haar Gereformeerd karakter ontnam, en zelfs uitspreken of dreigen, dat hij zich dan van die kerk zou moeten afscheiden. En zulks, zonder dat hij, bij klacht over den kerkeraad, zich naar den Gereformeerden regel tot de Classe wendde.

Bij de daarop gevolgde bespreking van een en ander mocht hij zonder twijfel zijne meening verdedigen. Maar hij had dat moeten doen met bescheidenheid en met besef van eigen feilbaarheid; en in geen geval op harde wijze, zelfs al zouden er van kerkeraadswege harde woorden gesproken zijn.

Na de daarop gevolgde censuur mocht hij zonder twijfel zich daarover bezwaard achten. Maar dan had hij naar den Gereformeerden regel zich op de Classe moeten beroepen, in plaats van zijn eigen rechter te willen zijn, en zelfs zich aan alle gemeenschap met zijne kerk vier jaren lang te onttrekken.

Dit alles komt zonder twijfel dien broeder ten laste. En dat blijft zoo, zelfs indien moest worden aangenomen (’t geen ik natuurlijk niet kan beoordeelen, daar ik den loop der zaken niet ken), dat indertijd de toenmalige kerkeraad al te spoedig tot censuur is overgegaan.

Zelfs in dit geval zou het dus groot onrecht zijn, wanneer men in eene bekendmaking aan de gemeente uitsluitend hiervan sprak, en de verkeerde handelingen van den bedoelden broeder geheel verzweeg. En nu zal hijzelf toch wel niet wenschen, dat ook die handelingen nog eens openlijk worden afgekeurd.

Veeleer zou ik iets anders van hem denken. Uit andere mededeelingen schijnt mij te blijken, dat die broeder hart heeft voor Gods kerk en voor den dienst des Woords en der Sacramenten, en dat hij oprechtelijk en met eene goede conscientie voor Gods aangezicht wenscht te wandelen. Welnu, als hij dan de aanhangige zaak eens bij zichzelven overlegt, als voor Gods aangezicht, dan zal hij, vooreerst, zichzelven niet geheel willen vrij pleiten om aan den voormaligen kerkeraad alle schuld te geven, en dan zal hij, vervolgens, niet verlangen, dat de oude oneenigheid weder wordt

|313|

opgerakeld, aangezien dit geenszins strekken kan tot stichting der gemeente en tot bevordering van de eere des Heeren.

Noodig is ten zijnen aanzien eene bekendmaking aan de gemeente ook zeker niet; vooreerst, omdat zulks ook niet geschied is met zijne censuur, en voorts ook niet, omdat, bij opheffing der censuur, de gemeente dit vanzelf te weten komt door zijne ongehinderde toetreding tot het H. Avondmaal. Veeleer zal hijzelf, en ook de gemeente, daarvan dan meer zegen hebben, omdat dan alles vermeden is, wat in sommiger harten nog eenige bitterheid zou kunnen opwekken.

Liefst zou ik in dit geval dus alle afkondiging aan de gemeente achterwege laten.

Indien zij wenschelijk geacht wordt (’t geen ik hier niet geheel kan beoordeelen), zou ik haar bepalen tot de mededeeling, dat br. A door den kerkeraad ontheven is van de voor eenigen tijd hem opgelegde censuur, zonder meer.

En ik zou zeer ontraden, er iets bij te voegen, tot afkeuring, daar dit dan met betrekking tot beide partijen zou moeten onderzocht en bekend gemaakt worden, ’t geen voor de stichting der gemeente en voor de eere van des Heeren Naam in geen enkel opzicht dienstig, maar integendeel veelszins schadelijk zijn zou.

Rutgers, F.L. (1922) 204

204. Op welke wijze kan een geëxcommuniceerde, die sinds zijne excommunicatie naar een andere plaats verhuisde, weer tot de gemeenschap der kerk toegelaten worden?

 

(1910.)

340. Ge vraagt mij, hoe de wederopneming moet geschieden van een broeder, die indertijd te X geëxcommuniceerd is, en die thans, te Y wonende, en aldaar tot schuldbelijdenis gekomen, ernstig begeert weder in de gemeenschap der kerk te worden opgenomen.

Aan zulke wederopneming moet natuurlijk altijd voorafgaan, dat door samenspreking en onderzoek de overtuiging verkregen wordt van de oprechtheid der schuldbelijdenis, en voorts dat te dien einde ook een proeftijd gesteld worde, doorgaans zelfs een proeftijd van niet al te korten duur.

|314|

In den regel zal de wederopneming dan moeten geschieden in en door de kerk, die de excommunicatie heeft uitgesproken, ’t geen reeds in den aard der zaak ligt, en ook in het Formulier van wederopneming uitdrukkelijk ondersteld wordt; waarbij de kerkeraad van die kerk, in geval de geëxcommuniceerde van daar verhuisd is, dan natuurlijk het getuigenis noodig heeft van den kerkeraad, binnen wiens ressort hij de laatste jaren, of althans het laatste jaar, gewoond heeft.

In den regel is dat zeker de beste weg; vooral in gevallen (die ook wel voorkomen), dat ter plaatse, waar de geëxcommuniceerde de laatste jaren woonde, van zijne vroegere excommunicatie niets bekend was. Alsdan toch zou het moeielijk aangaan, dit te gaan openbaar maken, juist op het oogenblik dat de afgewekene tot berouw en bekeering gekomen is.

Er zijn echter ook gevallen denkbaar, waarin het bezwaarlijk zijn zou, de wederopneming te doen geschieden ter plaatse, waar de excommunicatie is uitgesproken. Maar ook dan zou de kerkeraad der nieuwe woonplaats er niet toe kunnen overgaan zonder overleg met de kerk, die de excommunicatie uitsprak, noch ook zonder haar goedvinden; en bij verschil van gevoelen zou dan Classe of Synode moeten beslissen.

In den regel zou ook dan het Formulier van wederopneming moeten gebruikt worden; natuurlijk met de noodige wijziging van zijn eerste gedeelte. Evenwel zijn ook hierbij gevallen denkbaar, waarin kan geoordeeld worden dat een korte mededeeling van schuldbelijdenis enz. beter is; al zullen dergelijke gevallen zich wel zelden voordoen.

In het algemeen is gebruik van het Formulier wel noodig te noemen; ook om de gemeente steeds een diepen indruk te geven van den ontzaggelijken ernst der excommunicatie zelve.

Een nog meer gepreciseerd advies over het geval, dat zich nu in Y voordoet, kan ik u niet geven, daar ik met de nadere omstandigheden en met den persoon, dien het geldt, in ’t geheel niet bekend ben.

|315|

(1911.)

341. Wanneer een geëxcommuniceerde, die genoegzame blijken heeft gegeven van schuldgevoel over zijn afwijking en van betering des levens, begeerte heeft om weder in de gemeenschap der kerk te worden opgenomen, dan is de weg om hieraan te voldoen, zeker niet, dat men hem op de gewone manier, na belijdenis des geloofs, tot het Avondmaal toelaat, alsof hij een gewoon catechumeen of zoogenaamd dooplid was. Dit toch zou met de werkelijkheid in strijd zijn en dus eigenlijk een valschen schijn geven. Dit zou ook een algeheele miskenning zijn van den hoogen ernst eener excommunicatie, alsof die er eigenlijk niets op aankwam, en wel kon beschouwd worden als niet geschied. En er zou ook geheel door worden terzijde gesteld, dat de geëxcommuniceerde reeds vroeger na belijdenis des geloofs tot het Avondmaal was toegelaten; welke toelating daarna wel weer is ingetrokken, maar dan alleenlijk wegens de ergerlijke afwijking in leer of leven; zoodat niet meer over de geloofsleer in het algemeen, maar alleen over het punt, waarop was afgeweken, hetzij in leer of leven, een onderzoek noodig is vóór de wederopneming.

In den ouden tijd nu, toen de menschen niet zooveel verhuisden als thans, geschiedde de wederopneming doorgaans in dezelfde gemeente, als waarin de excommunicatie was uitgesproken; en dan geschiedde zij natuurlijk met het „Formulier van wederopneming”, dat ook gebaseerd is op de veronderstelling, dat beide handelingen in dezelfde gemeente plaats hadden.

Thans echter is de toestand in dat opzicht dikwijls anders; en hiermede moet dan ook gerekend worden bij de bepaling van de manier van wederopneming.

Zoo is met name in het bij u voorkomende geval de daarbij betrokken vrouw, die reeds sedert twintig jaren in X woont, vóór dien tijd geëxcommuniceerd in een gemeente van een andere provincie. Van deze gemeente is er natuurlijk al dien tijd geenerlei toezicht op belijdenis of leven dier vrouw mogelijk geweest; denkelijk weet men daar zelfs niet meer van haar af. En dus zou het moeielijk aangaan, dat uw kerkeraad haar naar Y zond, met een gunstig attest, opdat zij dan aldaar weder werd opgenomen. Deze wederopneming schijnt me wel op den weg te liggen van den kerkeraad van X.

|316|

Alleenlijk, dit mag niet zoo geschieden, dat men den kerkeraad van Y er geheel buiten laat. De kerkeraad van X moet aan dien van Y over het geval schrijven, met de noodige toelichting; met de vraag, waarom de excommunicatie plaats had (te beantwoorden o.a. door extract uit de notulen van Y v66r twintig jaar); en met de vraag, of de kerkeraad van Y geen bezwaar heeft tegen de wederopneming, wanneer de kerkeraad van X met het oog op belijdenis en wandel, daartoe voldoende termen vindt, zoodat de zaak met goedvinden van den kerkeraad van Y kan doorgaan.

Indien soms deze bezwaar maakt, (’t geen echter niet denkelijk is), dan zou ik raden, dat uw kerkeraad advies van uw Classe vroeg (waarna deze zich dan met de Classe Z in correspondentie kan stellen, of wel zelve een beslissend advies kan geven).

En kan de zaak doorgaan, dan schijnt mij, in een geval als dit is, nu de vroegere excommunicatie in X misschien niet eens algemeen bekend is, niet raadzaam of stichtelijk, de wederopneming publiek, met het formulier, te doen plaats hebben, ’t geen dan niet kiesch en niet Christelijk zou zijn tegenover een vrouw, die weder als zuster wordt aangenomen. Zij kan dan, met belijdenis van schuld, en van voornemens tot een Christelijk leven, voor den kerkeraad geschieden. En deze moet dan ook beslissen, of en in hoeverre het stichtelijk is, hiervan mededeeling te doen aan de gemeente. Dit hangt af van allerlei omstandigheden, die mij niet bekend zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 205

Artikel 81.

De Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen zullen onder elkander de Christelijke censuur oefenen, en malkander van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen.

 

205. Welke censuur is in art. 81 K.O. bedoeld?

|317|

(1908.)

342. De censuur in art. 81 K.O. bedoeld, gaat allereerst over de ambtsbediening; maar dan natuurlijk ook over belijdenis of leer en over levenswandel, waarvan de zuiverheid toch ook in het nauwste verband staat met de ambtsbediening, zoodat wie tegen leer of leven van een zijner mede-dienaren bezwaren heeft, ze bij die censuur moet uitspreken, althans wanneer die bezwaren daartoe genoegzaam gewicht hebben. Mochten er onverhoopt bezwaren zijn, die tot een tuchtmiddel aanleiding geven, dan gaat dat volgens art. 79.

 

(1909.)

343. Bij punt 3 merk ik op, dat de „onderlinge censuur” van kerkedienaren niet alleenlijk en uitsluitend gaat over hun ambtelijken dienst, maar ook over hunne onderlinge persoonlijke verhouding; en voorts over hun belijdenis en wandel in het algemeen; ’t geen ook uitkomt in hetgeen te dien aanzien vermeld wordt in notulen van kerkelijke vergaderingen uit vroeger eeuwen. Dat, en waarom, die oude opvatting goed is, kan ik hier met weinig woorden echter niet uiteenzetten.

 

(1904.)

344. Gaarne antwoord ik terstond op het schrijven, dat volgens uw besluit door de BB. A en B mij gezonden is.

Zooals uit dat schrijven blijkt, is in die vergadering voorgesteld: „Op de Algemeene Vergadering worde de censura morum ingevoerd”; en zijn naar aanleiding van dat voorstel twee vragen ter sprake gebracht:
1º. „Of die Algemeene Vergadering eene „kerkelijke” vergadering is, en mitsdien zich aan de K.O. moet houden, o.a. wat betreft art. 43 en art. 81, waarin over de censura morum wordt gehandeld; en
2º. Of, indien die Algemeene Vergadering geen „kerkelijke”

|318|

vergadering is, het invoeren van censura morum wel wenschelijk en profijtelijk is, en of het dan niet beter ware om zich te bepalen bij de rondvraag aan ’t einde van de vergadering en de leiding van de praeses, indien er enige zaak ware”. Over die twee punten wordt dan mijn advies gevraagd, „wijl omtrent deze zaak verschil van opinie was onder de broederen.”

 

Met de eerste vraag kan natuurlijk bedoeld zijn, of uwe Algemene Vergadering mede behoort tot de „kerkelijke vergadering”, waarvan onze K.O. uitdrukkelijk spreekt en waaraan dus ook in art. 43 en art. 81 bepaaldelijk gedacht is. Immers, dan zou de vraag zelve ongerijmd zijn. In de 16e eeuw, toen onze K.O. werd opgesteld, en ook nog bij de laatste revisie in 1619, konden onze kerken uit den aard der zaak nog niet denken aan Zending, en konden zij dus ook generlei regeling met het oog op de Zending maken. Zelfs daarna, nog twee eeuwen lang, werden alle zaken op Java, ook de kerkelijke zaken, geheel en uitsluitend door de „Compagnie” geregeld. En toen in de 19e eeuw de Christelijke werkzaamheid zich ook met de Zending ging bezig houden buiten alle Overheidsbemoeiїng om, was het tot voor weinige jaren, niet eene „kerkelijke” Zending, maar eene Zending die uitging van genootschappen, commissies enz. en dan ook geheel door deze geregeld en bestuurd werd. Eigenlijk is dit door onze kerken veranderd door de besluiten der Middelburgsche Synode van 1896, die voor onze kerken de beginselen en de grondlijnen der Zending heeft vastgesteld; en voorts door de besluiten der twee nog volgende Generale Synoden, vooral der Arnhemsche van 1902, die aangenomen beginselen en grondlijnen in allerlei bijzonderheden heeft uitgewerkt; allereerst wel door de vaststelling eener „Zendingsorde.”

Deze „Zendingorde”, die evenals onze oude K.O., met gemeen goedvinden van alle kerken gearresteerd is, staat daardoor natuurlijk op ééne lijn met de K.O. zelve, en is inderdaad te beschouwen als eene aanvulling van die K.O., tot regeling eener zaak, die voor de kerken van het hoogste gewicht is, maar waaraan bij het opstellen en revideeren van de oude K.O. uit de aard der zaak onmogelijk reeds had kunnen gedacht worden.

|319|

Hieruit volgt, dat, wanneer gevraagd wordt, of uwe Algemeene Vergadering, die geheel op het gebied der Zending thuis hoort, eene „kerkelijke” vergadering is, het antwoord op die vraag natuurlijk moet gezocht worden, niet in de oude K.O., maar in haar supplement, de „Zendingsorde”; en dat uwe vraag dus bedoelt, of de Alg. vergadering volgens die Zendingsorde eene „kerkelijke” vergadering is.

Maar dan kan ik die vraag ook niet anders dan bevestigend beantwoorden, met het oog op art. 15 van de Zendingsorde, dat in zijn eerste alinea de genoemde Alg. vergadering uitdrukkelijk institueert.

Natuurlijk heeft die „Algemeene vergadering” een eenigszins ander karakter, dan de „vierderlei kerkelijke samenkomsten”, waarvan in art. 29 van de K.O. gesproken wordt. Maar dat vloeit voort uit den aard van het Zendingswerk zelf, waarbij in den aanvang, en ook nog lang daarna, geen Synoden of Classen, of zelfs kerkeraden, gelijk hier te lande, kunnen geconstitueerd worden. Daardoor moeten de missionaire kerkedienaren, (ook die van de hulpdiensten der Zending, zoo lang die nog van de kerken moeten uitgaan) wel geincorporeerd zijn bij zulke vergaderingen in Nederland, die dan, ook voor hen, de eenige kerkelijke macht zijn, die tot handelen bevoegd is. Maar van wege den verren afstand zijn voor de missionairen die vergaderingen onvoldoende. En daarom heeft de „Zendingsorde” ook kerkelijke vergaderingen op het Zendingsterrein geïnstitueerd; om het zoo eens uit te drukken: hulpvergaderingen voor onze kerkeraden, Classen en Synoden; dus vergaderingen, die geheel hetzelfde bedoelen, en die (altijd onder het zeggenschap van de vergaderingen hier te lande, en zonder eigen macht tot handelen tenzij in bepaalde gevallen) steeds doen wat zij kunnen om, ondanks den verren afstand, toch, naar den hoofdregel onzer K.O., „goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden”. Dat karakter van hulpdienst komt dan ook uit in al wat de „Zendingsorde” over die missionaire vergaderingen bepaalt. Natuurlijk is niet al wat op die vergaderingen te doen is, met zooveel woorden uitgedrukt; evenmin als dat geschied is in de K.O. met betrekking tot kerkeraden enz. In Gereformeerde. kerken (in tegenstelling met de Roomsche kerk, de genootschapskerk

|320|

enz.) maakt men, uit beginsel, zoo weinig mogelijk gedetailleerde bepalingen, althans in generale ordeningen; zoodat wel ongerijmd zou zijn, te stellen dat eene Gereformeerde kerkelijke vergadering niets zou mogen behandelen, wat niet uitdrukkelijk in de Ordening staat. Er worden beginselen uitgesproken; en dat is voldoende. Die beginselen gelden dan natuurlijk altijd. Zoo b.v. het beginsel van art. 30 K.O., dat op kerkelijke vergaderingen alleen kerkelijke zaken en dat op kerkelijke wijze mogen behandeld worden; en het beginsel der Zendingsorde, dat de macht tot handelen bij de kerkeraden, Classen en Synoden blijft; en nog vele andere beginselen meer. Als nu die beginselen maar goed worden in acht genomen, is er voor verwarring of wanorde of conflict ook geen vrees. Juist integendeel, die „hulpvergaderingen” kunnen dan uitnemend medewerken om „goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden”, en om daardoor de geheele kerkelijke werkzaamheid aan haar eigenlijke doel te doen beantwoorden.

 

Door het bevestigend antwoord op de eerste vraag, zou uwe tweede vraag, die een ontkennend antwoord onderstelt, kunnen geacht worden, geen antwoord meer noodig te hebben. Toch is dit inderdaad niet het geval, en is deze tweede vraag zonder twijfel van nog veel meer belang dan de eerste. De eerste vraag betrof nog alleen maar de formeele zijde der quaestie ; maar de tweede gaat op de zaak zelve in, en raakt dus het hoofdpunt.

En dan kan mijn antwoord slechts herhalen wat, reeds van Calvijn af, door alle wezenlijk Gereformeerde kerken en theologen overal en ten allen tijde met den meesten nadruk op den voorgrond gesteld is, dat de kerkelijke discipline (opzicht en tucht) in het algemeen onmisbaar is voor den welstand der kerken, en dat speciaal met betrekking tot kerkedienaren zoodanig opzicht nooit goed kan worden uitgeoefend, wanneer zij, die in zekeren kring bijeen zijn, niet op elkander toezien, en in hunne samenkomsten onderlinge censuur oefenen, zoowel over leer en leven als ook over de bediening van hun ambt; zoodat, ook al ware er op Midden-Java geene geïnstitueerde kerkelijke vergadering, toch, en zelfs des te meer, noodig zijn zou, voor die onderlinge censuur

|321|

opzettelijk samen te komen. De missionaire dienaren van de kerken van Amsterdam, Rotterdam, Heeg, enz. kunnen nu eenmaal de vergaderingen hunner kerkeraden en Classen niet komen bijwonen, en ook niet profiteeren van het toezicht, dat hier te lande door de kerkedienaren over elkander wordt uitgeoefend. Des te meer is dan noodig, dat zij op Midden-Java daarvoor samenkomen, om, gelijk de K.O. als beginsel stelt, „elkander van de bediening huns ambts vriendelijk te vermanen.” Dit is niet alleen „wenschelijk en profijtelijk,” maar ook noodig voor den welstand en den bloei der zending.

Eene rondvraag van den praeses bij het einde eener vergadering kan daarvoor zekerlijk niet in de plaats treden. Immers, alsdan zou iedere opmerking of aanmerking aanstonds het formeele karakter hebben eener aanklacht, en voorts ook altijd den schijn hebben van iets persoonlijks, dat men tegen een der broederen zou hebben. juist dat persoonlijke moet zorgvuldig geweerd en vermeden worden, en ook zelfs geen schijn daarvan mag overblijven. En evenmin mag de bedoeling zijn, iemand aan te klagen, in formeelen zin, waaruit altijd eene kerkelijke procedure zou moeten volgen. De onderlinge censuur bedoelt juist, door broederlijke opmerkingen, en zoo noodig ook door broederlijke terechtwijzing en vermaning, te voorkomen, dat aanklachten noodig worden; en voorts om alle opmerkingen, terechtwijzing en vermaning te doen komen, niet van één broeder, waardoor de zaak al licht persoonlijk zou worden, maar van de vergadering, d.i. van de gezamenlijke broeders. Daardoor kan zulke opmerking enz. dan ook te beter effect sorteeren. En, ja, dan is het zeker mogelijk, dat zij, ook na gedurige herhaling, toch niets uitwerkt; en de Algemeene Vergadering kan dan zeker zelve niet verder gaan. Maar dan zou de zaak bij onze kerkeraden en Classen komen, niet in den lastigen en verderfelijken vorm van een geschil tusschen twee kerkedienaren, maar als eene noodzakelijke inlichting van de gezamenlijke broeders, die naar Christelijken eisch eerst zelven beproefd hebben, door vermaning enz. een misstand te verhelpen. Hierop wijzende, denk of onderstel ik volstrekt niet, dat onze kerken ooit een Dienaar zullen zenden voor bediening des Woords of voor een der hulpdiensten, die niet alleen aanleiding zou geven tot opmerkingen (dàt kan bij

|322|

ons allen wel eens voorkomen), maar die dan ook nog elk broederlijk vermaan zou in den wind slaan. Maar ik heb dit punt eenigszins uitgewerkt, om te doen zien, hoe die onderlinge censuur inderdaad de weg is om ook zelfs moeielijke gevallen, als die onverhoopt mochten voorkomen, tot een goed einde te brengen, zoodat de groote zaak der Zending, waar het allen toch ten slotte om te doen is, geen onherstelbare schade lijde.

Natuurlijk moet zulke onderlinge censuur, om werkelijk doel te treffen, goed worden uitgeoefend. In Gereformeerde kerken is daarvoor de oude en beproefde manier, dat allen beurtelings de vergadering verlaten, — dat eventueele opmerkingen over leer en leven en bediening dan door de anderen gemaakt en besproken worden, — en dat dan het resultaat, waar de vergadering toe kwam, aan den weêr binnengekomene door den praeses wordt medegedeeld. Deze krijgt dan daarna weêr gelegenheid op eventueele opmerkingen, zoo hij dit dienstig acht, te antwoorden; waarop, naar gelang van omstandigheden, de praeses dan nog weêr de opmerking kan aandringen of voorshands laten rusten, of wel een der aanwezigen, als de zaak dit schijnt te vorderen, vernieuwde bespreking kan vragen buiten tegenwoordigheid van den daarbij betrokkene. Als maar altijd stipt vermeden wordt al wat zou kunnen leiden tot „onderling gekibbel” of ook maar daarnaar zwemen zou. Het worde nooit eene quaestie tusschen twee personen, maar blijve altijd eene zaak tusschen één broeder en de vergadering; ook wanneer er in deze eene meerderheid en eene minderheid is.

En waar het bovenal op aankomt, is dit, dat bij die gansche onderlinge censuur alles gezegd en gedaan wordt als in de heilige tegenwoordigheid des Heeren, en dus met geen andere drijfveér dan ijver voor des Heeren huis en dienst en koninkrijk, en voorts met waarachtiger broederzin, wijsheid, voorzichtigheid en bezadigdheid. In dien geest moeten alle kerkedienaren, naar de oude, reeds van Calvijn afkomstige, uitdrukking, bereid zijn om, als het werkelijk noodig is, anderen te vermanen, en even bereid om wederkeerig anderer vermaning in dank te ontvangen.

Ik zou wel wenschen, dat de ruimte van een brief toeliet, hier nog het advies bij te voegen (met eene Hollandsche vertaling van

|323|

het Latijn), dat Calvijn reeds in 1544 eens gegeven heeft over volkomen dezelfde quaestie. Hij had in Genève, aanstonds met de doorvoering der Reformatie, zulke onderlinge censuur van de kerkedienaren ingevoerd. In Neuchatel had zijn vriend Farel dat toen nagevolgd; maar aldaar kwam oppositie van iemand, die bezwaar had tegen dat beurtelings buitenstaan om „door de vergadering” gecritiseerd en eventueel vermaand te worden, en die nu allerlei gezochte redeneeringen daartegen inbracht. Calvijn, daarmede in kennis gesteld en om advies gevraagd, heeft toen een uitvoerig en degelijk en afdoend advies gegeven in een brief van 7 Nov. 1544, afgedrukt in alle edities van Calvijns werken; in de laatste, de quarto-editie 5 bldzz. fijn gedrukt. Dus te lang, om hier over te nemen. Toch moge een enkele van zijne vele treffende opmerkingen over deze zaak hier nog eene plaats vinden. Zoo b.v. toont hij in den aanvang aan, hoe noodig zulke censuur (onderscheiden van de persoonlijke vermaningen tusschen den eenen broeder en den anderen, onder vier oogen) voor kerkedienaren is. „Nooit”, zegt hij, „is het bij menschen zóó gesteld, dat ergens volmaaktheid gevonden wordt… Bij de zwakheid, die ons eigen is, kan het wel niet anders, of we hebben eenige gebreken, waarover het passend en nuttig is dat wij vermaand worden. Bij sommigen zijn dingen, die verkeerd zijn, te verbeteren; bij anderen, die in gevaar zijn van afwijking, moet waarschuwing dit, zoo mogelijk, voorkomen; weér anderen moeten tot meerderen ijver worden aangespoord; nog anderen hebben zelfs berisping noodig; en bij weèr anderen is onderzoek noodig naar kwade geruchten over hen, ook om ze, als zij valsch zijn, gezamenlijk uit de wereld te helpen… Er kan ook bij een broeder iets zijn, dat aan zijne mededienaren of aan de menschen mishaagt, en waarbij dan de vraag is of dat een gebrek is, waarover hij te vermanen is, welke vraag dan met gemeen overleg te behandelen is…”

Een weinig verder volgt dan de uiteenzetting der eischen van „oprechtheid, billijkheid, voorzichtigheid en gematigdheid,” met de waarschuwing tegen „al te groote gestrengheid”, tegen „geneigdheid om broeders te beschuldigen”, tegen „het ten toon stellen van een broeder door noodelooze openbaring

|324|

„van een verborgen gebrek, dat men is te weten gekomen”, enz., „tegen welke dingen moet gewaakt worden, opdat de heilzame medicijn van die onderlinge censuur niet in een vergif veranderd worde ”. Elders maakt hij nog de opmerking, toegelicht door twee voorbeelden uit het leven van Paulus, dat men bij die censuur „niet alleenlijk de betering van den broeder moet op het oog hebben, maar ook de goede orde en de gemeene stichting.” — Maar ik kan niet alles overnemen. Mijn antwoord op uw schrijven is toch al lang genoeg.

Moge ook bij deze zaak de wijsheid, die van Boven is, Uwe vergadering leiden, tot heil van Gods kerk en tot eer van Zijn Naam.

Rutgers, F.L. (1922) 206

Artikel 82-83.

Attestaties.

Dengenen, die uit de gemeente vertrekken, zal eene attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel door den Kerkeraad medegegeven worden, door twee onderteekend, of bij attestatiën, die onder het zegel der Kerk gegeven worden, met ééne onderteekening.

Voorts zal den armen, om genoegzame oorzaken vertrekkende, door de Diakenen reisgeld gegeven worden, naar hetgeen zij oordeelen behoorlijk te zijn. De Kerkeraad en de Diakenen zullen echter toezien, dat zij niet te zeer genegen zijn om hunne Kerken van de armen te ontlasten, met welke zij andere Kerken zonder eenigen nood zouden bezwaren.

 

206. Hoe te handelen met een gecensureerd lid der gemeente, die van elders overkomt?

|325|

(1904.)

345. Met betrekking tot de zaak, waarover gij mijn advies vraagt, moet ik in mijn antwoord op den voorgrond stellen, dat ik geen beslist en volledig advies kan geven over hetgeen de kerkeraad in die zaak te doen heeft. Immers, uwe vraag loopt niet over hetgeen, al of niet, kerkrechtelijke regel of beginsel is, maar over de toepassing van zulke regelen en beginselen op een bepaald geval; en om daarover te kunnen oordeelen, moet men goed op de hoogte zijn van personen, toestanden en omstandigheden, ’t geen door eenige mededeelingen, (ook al zijn ze zoo uitvoerig en zoo helder gesteld als de uwe in uwen brief) nog niet voldoende het geval kan zijn.

Bij dit algemeene bezwaar, dat inzake de toepassing van tucht een advies uit de verte altijd moeielijk maakt, komt in dit geval nog bij, dat er onder de door u genoemde omstandigheden een en ander is, dat ik niet goed begrijp.

De in X gecensureerde, die zich bij uw kerkeraad aanmeldde, heeft, blijkens uw mededeelingen, reeds eenige jaren aldaar in echtbreuk geleefd en deswege onder censuur gestaan. In dien langen tijd heeft hij zijn leven volstrekt niet gebeterd, maar integendeel zware ergernis daaraan toegevoegd; zoodat in dit geval alleszins reden was om van de gewone censuur volgens art. 76 K.O. over te gaan tot de drie trappen van excommunicatie volgens art. 77. Toch heeft de X-sche kerkeraad zulks niet gedaan, maar het jarenlang bij eenvoudige afhouding van het Avondmaal laten blijven. Ik vind dat zoo vreemd, dat ik bijna zou vragen: zijn er bij dit geval ook nog bijzondere omstandigheden, die dien kerkeraad terug hielden van hetgeen anders blijkbaar zijn roeping scheen te zijn?

En voorts is mij ook niet duidelijk, wat in uwen kerkeraad verhandeld is over art. 89 en 145 Burgerlijk Wetboek. Blijkbaar zijt gij allen overtuigd, dat op dit geval die artikelen van toepassing kunnen zijn. Maar er is grond voor die overtuiging? Bestaat er werkelijk een „rechterlijk vonnis”, waarbij uitgesproken is, niet alleen, dat de bedoelde persoon „van overspel overtuigd” is, maar ook, dat dit overspel bedreven is met de met name in dat vonnis genoemde „medeplichtige?” Doorgaans wordt in zulke

|326|

vonnissen van echtscheiding wegens overspel geen medeplichtige met name genoemd; en indien het in dit geval wel geschied was, zou nogal vreemd zijn, dat de Xsche ambtenaar van den Burgerlijken Stand, die natuurlijk van de echtscheiding officiëel moest kennis nemen, toch tot de huwelijksvoltrekking is overgegaan. Is het ook mogelijk, dat er in uwen kerkeraad eenig misverstand is, doordat men uit het oog verloor, dat de in art. 89 Burgerlijk Wetboek bedoelde „medeplichtige” als zoodanig moet zijn aangewezen „door een rechterlijk vonnis" (een bepaling, die ook eigenlijk in den aard der zaak ligt, en niet anders kon gemaakt worden)? Ik acht zulk een misverstand het waarschijnlijkst. Maar alsdan vervallen ook natuurlijk de in uwen kerkeraad daarop gegronde beschouwingen en conclusiën. Nietigverklaring van het bedoelde huwelijk kan dan niet meer gevraagd of verleend worden.

Wat in dat geval uwen kerkeraad te doen staat, zou, voor zooveel ik de zaak kan beoordeelen, het volgende zijn.

Den bedoelden persoon met zijne ongunstige attestatie eenvoudig af te wijzen, zou natuurlijk het gemakkelijkste zijn, maar is ongeoorloofd, omdat de Geref. kerk te X hem, als zijnde tot dusver haar lid (zij het ook gecensureerd), aan de zorg en het opzicht van den Y-schen Geref. kerkeraad heeft aanbevolen. Men kan meenen, dat de X-sche kerkeraad hem reeds lang als lid zijner kerk had moeten excommuniceeren; maar men mag niet doen alsof zulks geschied was, en men mag hem nu in Y niet zelf gaan excommuniceeren, enkel door afwijzing, zonder eenige kerkelijke behandeling en procedure. De Y-sche kerkeraad moet hem m.i. onder zijn opzicht nemen en kerkelijk gaan behandelen, uit kracht van het kerkverband, en ook om der wille van hemzelven, of het nog mogelijk ware hem tot bekeering te brengen.

Wanneer hij dan als gecensureerd lid is ingeschreven, en alzoo voorshands nog buiten de eigenlijke kerkelijke gemeenschap gehouden wordt, is natuurlijk niet voldoende, dat hem dit eenvoudig wordt medegedeeld, slechts met bijvoeging, dat de opzieners op hem zullen acht nemen om te zien of zij schuldgevoel en betering des levens bij hem mogen opmerken. Dit zou voldoende zijn, wanneer hij gecensureerd was wegens andere redenen, b.v. dronkenschap, vechterij, enz. Maar hier geldt het een geval van buitengewoon

|327|

ernstigen aard; feitelijke echtbreuk, en wel jarenlang volgehouden, en dan zóó, dat hij daardoor tevens kwam tot echtscheiding, en dan ten slotte bovendien een huwelijk met zijn medeplichtige. Bij zulk een opeenhooping van bizonder ergerlijke dingen is verzoening en bekeering zeker nog altijd mogelijk, maar kan die toch niet worden aangenomen, enkel en alleen omdat schuld beleden wordt en sedert niet meer gezondigd is tegen het 7e gebod. Om in zulk een geval tot de kerkelijke gemeenschap toe te laten, moet er m.i. meer grond zijn: er is meer noodig om oprecht berouw en betering des levens te bewijzen.

Intusschen kan men ten dien einde hem niet den eisch stellen, zijn laatste huwelijk weer te doen vernietigen, reeds omdat dit volgens ons Burgerlijk Wetboek niet kan (daar ik onderstel dat zijn tegenwoordige vrouw niet „bij rechterlijk vonnis” als zijn medeplichtige was aangewezen). Huwelijk en echtscheiding zijn nu eenmaal onherstelbare feiten (evenals b.v. moord en dergelijke). Klaar wel kan en moet verwacht worden, dat iemand, die zoo zwaar en zoo lang heeft gezondigd, wanneer hij werkelijk tot inzicht komt van zijn schuld, onmiskenbare blijken zal geven van diepe droefheid en van groote verbrijzeling des harten. En ook kan en moet van hem verlangd worden, dat hij die echtscheiding en het tweede huwelijk, ook al kan hij ze niet meer ongedaan maken, als een groote zonde erkennen zal. Wel is zijn toestand dan allertreurigst, en zijn levensgeluk voor goed verwoest; maar dat heeft hij dan te dragen als gevolg zijner zonden. En omdat hij daardoor openlijk zulke ergernis gaf, zou ik ook wel noodig achten, dat hij zijn schuldbelijdenis openlijk deed in de samenkomst der gemeente, door bevestigend te antwoorden op hetgeen hem dan vanwege den kerkeraad gevraagd wordt (nadat daarbij in passende termen zijn overtreding vermeld is). Natuurlijk zou er aan dit laatste, en dus aan de aanneming, een lange proeftijd moeten voorafgaan, waarin hij wordt bezocht, vermaand, enz.

Nu is zeer goed mogelijk, ik denk zelfs waarschijnlijk, dat hij van dit alles niet weten wil, en zich onboetvaardig toont, althans geen genoegzame bewijzen geeft van wezenlijke omkeering des harten. In dat geval moet m.i., naar gelang hij zich betoont, òf nog met vermaning worden voortgegaan, òf (bij blijkbare verharding

|328|

tegen de vermaning in) worden overgegaan tot de excommunicatie volgens art. 77 K.O.

Ziedaar, waarde Broeder, mijn gevoelen, voor zooveel ik, van hier uit, over de zaak kan oordeelen, ’t geen ik, voorzichtigheidshalve, nog eens herhaal.

 

(1914.)

346. Bij het geval van kerkelijke censuur, waarover ge mij schrijft, moet de kerkeraad van X natuurlijk, alvorens te handelen, de beslissing afwachten van de Classe, voor welke de zaak nu in hooger beroep is. Hoe die beslissing zal zijn, is nog niet te zeggen; er zijn onderscheiden mogelijkheden; en het zou noodelooze moeite zijn, deze alle voor te stellen, en dan voor iedere mogelijkheid een gedragslijn klaar te maken. Daarom bepaal ik me tot een paar algemeene opmerkingen, waarvan ge dan, denk ik, eventueel wel de toepassing kunt maken, naar gelang de casus-positie zal zijn.

Ik onderstel dat de broeder, over wiep ge schrijft, toen hij van Y naar X verhuisde, zich hier als lid eener Geref. kerk heeft aangemeld bij den kerkeraad, met een attestatie van Y, waarop zijn censuur, met de redenen daarvoor, was aangeteekend ; of wel, dat de kerkeraad van Y die censuur per brief aan den kerkeraad van X heeft bericht. En voorts veronderstel ik, dat laatstgenoemde kerkeraad hem toen in zijn lidmatenboek heeft ingeschreven; met vermelding (aldaar, of in de kerkeraadsnotulen), dat hij te Y onder censuur was gesteld. Anders toch zou de kerkeraad van X niet met hem, als met een gemeentelid kunnen handelen. Indien hij dus soms formeel nog geen lid is uwer kerk, moet dit m.i. eerst in orde gebracht worden, ’t zij door correspondentie met Y of door actie van den bedoelden broeder zelven.

Als lid der kerk te X staat hij dan natuurlijk onder het opzicht en de tucht van haren kerkeraad, die hem echter uit kracht van het kerkverband, als gecensureerd lid te aanvaarden heeft. En dan staat het ook aan dien kerkeraad om, naar zijn eigen bevinding en oordeel, de censuur te handhaven, of wel voort te gaan tot excommunicatie, of wel van de censuur te ontslaan; al zal die

|329|

kerkeraad voor het een of het ander zeker inlichtingen enz. van den kerkeraad van Y noodig hebben. Klaar formeele toestemming is er niet noodig en ook niet te vragen van een kerkeraad, onder welks opzicht de gecensureerde tengevolge van verhuizing niet meer staat, en die ook over redenen tot opheffing of voortduring van de censuur niet meer kan oordeelen.

In een soortgelijk geval, dat zich ruim een jaar geleden te Z heeft voorgedaan, heeft de kerkeraad aldaar van een broeder, die uit een naburige gemeente naar Z verhuisd was en in die gemeente gecensureerd was, na onderzoek de censuur eenvoudig opgeheven; welke censuur, naar zijn oordeel, en ook naar het mijne, eigenlijk geen grond had.

In het geval, dat zich nu bij u voordoet, moet de bedoelde broeder zeker vooraf schuld erkennen en belijden over „uitschelden” van ouderlingen en beschuldigen van predikanten enz. door praatjes. Het zal hem wel duidelijk zijn te maken, dat dit niet de christelijke weg is voor leden, die iets tegen predikanten of ouderlingen hebben, daar zij dit dan met hem persoonlijk moeten bespreken, eventueel een klacht indienen bij den kerkeraad (en als dat niet baat, bij de Classe) of, nog beter, er dan eerst met de kerkvisitatoren over moeten spreken.

Zulke schuldbelijdenis kan dan m.i. voor den kerkeraad van X worden afgelegd, en behoeft niet openbaar te zijn of aan de gemeente van X (aan wie de censuur zelve natuurlijk niet eens formeel bekend is) te worden medegedeeld. Daarentegen zou ik, bij eventueele schuldbelijdenis over de manier van zijn optreden in Y (waarbij hij zijn bezwaren misschien houdt, maar dan verder voor zichzelven heeft te houden), en bij daarop volgende opheffing der censuur, mededeeling daarvan door uw kerkeraad aan dien van Y wel noodig of wenschelijk achten.

Rutgers, F.L. (1922) 207

207. Mag een kerkeraad weigeren een lid, dat van elders komt, en gecensureerd zou moeten worden, in te schrijven?

 

(1912.)

347. Wat nu uwe vraag betreft, acht ik het schrijven van de meerderheid uwer Classe alleszins juist: „op attestatie inschrijven,

|330|

maar tegelijk plaatsen onder censuur” (’t geen de Classe noemde: „den 1en trap van censuur”; maar waarmede natuurlijk bedoeld is: „de censuur volgens art 76 K.O., met afhouding van het Avondmaal”, welke censuur uit den aard der zaak slechts één trap heeft, in onderscheiding van de „excommunicatie” volgens art. 77 K.O., welke drie trappen heeft).

Blijkbaar is dat meerderheids-advies in uwen kerkeraad niet goed begrepen; wat ge schrijft te dien aanzien: „Ware hij (n.l. de persoon in quaestie) dooplid bij ons en verzocht hij toegang tot het H. Avondmaal, we zouden hem dien toegang nu niet kunnen en mogen verleenen; maar mogen we hem dan toelaten omdat X goed attesteert?

Deze vraag is natuurlijk ontkennend te beantwoorden, nu uw kerkeraad weet, dat de bedoelde persoon, nu althans, zulk een gunstig getuigenis niet verdient. Maar de meerderheid der Classe adviseerde immers, onder volle instemming met het bezwaar van uw kerkeraad, tegen de toelating tot het H. Avondmaal, om hem tegelijk met de inschrijving, door censuur van het H. Avondmaal te weren.

Wat de minderheid daartegenover wilde; „niet inschrijven, en dus niet als lid erkennen”, beteekent eigenlijk niet anders dan excommuniceeren, maar niet volgens art. 77 K.O., en volgens Gereformeerde beginselen, doch zonder eenigen vorm van proces, dus een soort van „schrapping,” die in Geref. kerken en naar Gods Woord nooit geoorloofd is.

De bedoelde persoon was te X lid der Geref. kerk en wil dit, blijkens indiening zijner attestatie, en ook blijkens zijne verklaring, te Y ook zijn. Maar dan brengt het kerkverband ook mede, dat hij te Y als zoodanig erkend worde, al blijft ook de kerkeraad van Y gerechtigd en verplicht, om het gunstig getuigenis van X niet te aanvaarden, wanneer zijn eigen onderzoek hem anders leerde. Maar dit laatste neemt dan niet weg, dat de bedoelde persoon lid der kerk wordt, wanneer hij zich aanmeldt met getuigenis, dat hij zulks elders was in eene kerk van het kerkverband. Daardoor juist komt hij dan onder het opzicht en de bewerking van den kerkeraad zijner nieuwe woonplaats; en alleen daardoor heeft die kerkeraad het recht en den plicht om met hem als lid te handelen; want over iemand, die geen lid is, heeft een kerkeraad

|331|

geenerlei zeggenschap, en ook eigenlijk geenerlei autoriteit om hem te vermanen, te censureeren enz. En dit moet de kerkeraad toch doen, ook omdat het doel moet zijn, naar den eisch der Christelijke liefde, om den afgewekene nog te behouden; desnoods zelfs door latere excommunicatie.

Ziedaar uwe vraag in het kort beantwoord; al zou er over dit punt nog wel meer te zeggen zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 208

208. Mag een kerkeraad weigeren een attestatie aan te nemen, tot degene, die haar indient, trouw ter kerk komt?

 

(1911.)

348. Ge schrijft mij, dat een vrouwelijk lid der Geref. kerk te X, onlangs naar Y verhuisd, aldaar haar attestatie uit X bij den kerkeraad heeft ingeleverd, met uitdrukkelijke verklaring, dat zij tot de Geref, kerk te Y wilde behooren (’t geen eigenlijk in de indiening der attestatie reeds was opgesloten, en ’t geen bij een verhuizend lid ook natuurlijk roeping en plicht is;) dat zij echter gehuwd is met een ongeloovig lid der „Herv.” kerk, en aldaar ook zelve meermalen ter kerke geweest is, terwijl zij te Y nog maar weinig de Geref. kerk bezocht; en dat er nu in den kerkeraad van Y broeders zijn, die haar, wegens de genoemde omstandigheden van haar huwelijk en kerkgaan, nog niet als lid der Geref. kerk te Y willen aannemen en inschrijven, maar daarmede willen wachten, tot zij een tijdlang geregeld ter kerk is gekomen, hiervoor aanvoerende, dat zij dan pas toonen zou, inderdaad lid der Geref. kerk te Y te willen zijn. En nu vraagt ge mij, of dit kan en mag.

Op zulk eene vraag moet het antwoord zonder twijfel beslist ontkennend zijn. En voor zoover ik weet, hebben, van de 16e eeuw af, onze Gereformeerde kerken, (in tegenstelling met de Independenten, wier kenmerk o.a. is, dat zij van het Schriftuurlijk kerkverband niet willen weten) altijd geoordeeld, dat een lid, als het hier bedoelde, niet mocht worden afgewezen; zelfs niet, al was de afwijking nog veel erger. In dat geval (n.l. als de afwijking in leer of leven zoo ergerlijk was, dat censuur moest worden toegepast, of als te dien aanzien nog nadere kennismaking met het

|332|

afwijkende lid noodig was) kon natuurlijk het aangenomen lid nog niet aanstonds tot het Avondmaal worden toegelaten; het moest dan, naar gelang der omstandigheden, òf terstond bij de inschrijving, tevens onder censuur gesteld worden, òf in kerkelijke behandeling worden genomen, en inmiddels, in afwachting van den uitslag, het Avondmaal nog voorloopig voor ééne keer worden ontzegd. Klaar de inschrijving als lid werd terecht toch altijd plichtmatig geacht. Immers, die te weigeren, zou niets anders zijn dan zulk een lid buiten alle kerkelijke gemeenschap zetten, d.w.z. te excommuniceeren; maar dan, zonder daarbij ook maar eenigszins art. 77 K.O. op te volgen, zelfs zonder eenige wettige kerkelijke procedure. Dit nu mag nooit, althans wanneer men de kerkelijke tucht in eere wil houden, en behoorlijk ernst maakt met de ontzaglijke daad van excommunicatie.

Vraagt men, of een kerkeraad dan niet vrij is, een lid van een andere plaatselijke kerk, die overkomt, al dan niet binnen te laten, dan moet daarop geantwoord worden, dat dit zeker zoo is bij een plaatselijke kerk, die buiten alle kerkverband staat; evenals zulk een kerk ook beroepen kan wien zij wil, al wilde zij een totaal onkundige, die niet eens lezen kan, predikant maken, en evenals zulk een kerk haren predikant ook naar believen kan afzetten, en vele dergelijke dingen meer. Maar met dat alles staat het geheel anders, wanneer een kerk, naar den eisch van Gods Woord, in kerkverband staat met kerken van dezelfde schriftuurlijke belijdenis en kerkinrichting. Alsdan brengt dat kerkverband allerlei wederkeerige rechten en plichten met zich: en zoo brengt het o.a. ook mede, dat de kerken, die ertoe behooren, elkanders attestatiën over verhuizende leden eenvoudig aanvaarden, en dan enkel op grond van die attestatie dat lid ook als lid aannemen.

Slechts dan behoeft dit niet, en mag het zelfs niet, wanneer, gelijk voor drie eeuwen in den Arminiaanschen strijd het geval was, een aantal kerkeraden wegens fundamenteele afwijking niet meer te vertrouwen zijn. Maar — dan breekt men ook tevens het kerkverband met zulke kerkeraden af; ’t geen dan inderdaad ook roeping is. — Intusschen, van iets dergelijks is gelukkig in onze kerken, en in het bij u voorkomende geval, natuurlijk in het geheel geen sprake.

|333|

Of nu een ingediende attestatie, waarop een lid is ingeschreven, van den kansel is af te lezen, hangt van plaatselijk gebruik af. Zulks te doen, is zeer zeker een goed gebruik.

En of dan kerkelijke behandeling van het hier bedoelde lid (waartoe natuurlijk eerst de inschrijving aan den kerkeraad het recht geeft) tot censuur moet leiden, is een vraag die ik, met dat lid onbekend, vanzelf niet beantwoorden kan. En de omstandigheid, dat ze een gehuwde vrouw is, (die misschien niet geheel doen kan, gelijk zij zou willen,) is wel oorzaak, om voorzichtig te werk te gaan.

Rutgers, F.L. (1922) 209

209. Mag men eene attestatie naar elders vragen, als men niet verhuist?

 

(1907.)

349. Uw eerste vraag is: „kan (of moet) een kerkeraad, op herhaald dringend verzoek van een lidmaat der gemeente, om welke redenen ook, diens attestatie afgeven naar eene naburige gemeente zonder dat zulk een lidmaat door verhuizing of grensverlegging buiten zijn ressort komt te wonen? (Dit bedoelde toch niet het besluit der Synode van Groningen, Acta, art. 132)”?

De vraag kan niet anders dan ontkennend beantwoord worden. Het aangehaald besluit der Groningsche Synode heeft met een dergelijk geval niets te maken; want het ziet op afgifte van attestaties naar een kerk, die precies hetzelfde ressort heeft, en waar slechts door bestendiging van een zondigen misstand de plaatselijke kerk nog in tweeën gedeeld is. Wie aldaar van de eene kerk naar de andere overgaat, blijft dus eigenlijk in dezelfde kerk, en komt alleenlijk onder een anderen kerkeraad; terwijl beide kerkeraden binnen denzelfden omtrek hun toezicht oefenen. Met een naburige kerk is dit juist geheel anders: de kerkeraad van zulk een kerk kan geen leden hebben buiten de grenzen van haar plaatselijken kring, gelijk geen kerkeraad dat kan hebben, daar dan ten slotte alle toezicht onmogelijk zou worden. Daarom is altijd de regel vastgehouden van art. 82 K.O., dat attestatie

|334|

alleen werd afgegeven aan degenen, die uit de gemeente vertrekken.

Wat nu uw tweede vraag betreft, hoe dan uw kerkeraad handelen moet met een vrouw, die voortdurend in een naburige kerk ter kerke gaat, en nooit in de eigen kerk, en zich tot hare verontschuldiging ook beroept op pressie van haren (niet tot de Gereformeerde kerk behoorenden) man, — zou ik niet aanraden die zuster deswegen onder kerkelijken censuur te brengen, daar zij toch niet kan geacht worden (naar de uitdrukking van ons Avondmaalsformulier) „God en Zijn woord en de H. Sacramenten te verachten.” Alleenlijk is er dwaling bij haar (en veel meer nog bij haren man) in zake het recht en den plicht van het zich voegen bij een geïnstitueerde kerk. Zij schijnen (onbewust Pelagiaansch of Arminiaansch) te denken, dat dit afhangt van den vrijen wil of den willekeur der individueele gemeenteleden in plaats van ook hierbij Gods ordinantie te erkennen en te eerbiedigen. Hun moet dus door onderwijzing die dwaling, zoo mogelijk, benomen worden.

Zoo b.v. kan hun worden voorgehouden (’t geen zij ook wel zullen toestemmen), dat er naar Gods ordinantie opzicht en tucht is in de geïnstitueerde kerk, en dat daarvoor opzieners gesteld zijn. Voorts, dat die opzieners natuurlijk hun ambt niet kunnen uitoefenen over de geheele wereld, maar alleen binnen bepaalde grenzen. Dat dus wie buiten die grenzen woont niet onder hen kan ressorteeren, en dat het niet zou aangaan, hieromtrent voor iemand eene uitzondering te maken, daar men hetgeen den eenen vergund werd den anderen niet zou kunnen of mogen weigeren; en natuurlijk alle opzicht onmogelijk wordt, wanneer op ééne en dezelfde plaats de daar wonende leden onder wie weet hoeveel kerkeraden zouden ressorteeren, en iedere kerkeraad zijne leden hebben zou op wie weet hoevele plaatsen: ten slotte niet meer eene geordende kerk, maar een Babel van verwarring. Enz.

En zoo zijn er nog veel meer deducties uit de Schrift te maken. Als maar eerst vaststaat, dat zij daarvoor nog buigen, en niet al te „ikkig” zijn om zich daaraan te onderwerpen.

Maar bij zulke onderwijzing, vermaning en waarschuwing moet de kerkeraad het in zulk een geval m.i. laten; hier nog te meer,

|335|

omdat het eene vrouw geldt, die toch altijd onder haren man staat, al wordt ook betwijfeld, of deze hierbij pressie uitoefent; waarvan men toch nooit geheel zeker kan zijn.

 

(1908.)

350. De quaestie tusschen den kerkeraad van X en dien van Y kan ik, wat de zaak zelve betreft, niet beoordeelen, daar ik de omstandigheden niet ken. Maar voor zooveel gij mij daarvan iets mededeelt in uw schrijven, kan ik niet anders zien, dan dat de kerkeraad van Y gelijk heeft, en dat die van X, evenals ook de Classe, de zaak niet goed inziet.

Op Schriftuurlijke gronden is in Gereformeerde kerken altijd aangenomen, dat iedere kerk hare vaste grenzen moet hebben, zoodat binnen die grenzen ieder gemeentelid tot die kerk behoort. Bij de kerkelijke vereeniging van 1892 is hierop eene uitzondering gemaakt, met betrekking tot leden, die destijds reeds tot eene andere Geref. kerk behoorden en waarop die andere kerk dus toen reeds een zeker recht had. Maar het was dan ook enkel op dien grond, dat de uitzondering kon gemaakt worden; en daarom werd er ook uitdrukkelijk bij bepaald, dat zulks niet verder dan met betrekking tot die leden zelven kon worden toegelaten; geenszins met betrekking tot hunne kinderen.

Aan dien regel moet stiptelijk worden vastgehouden, reeds omdat hij naar de Schrift is, maar ook omdat anders principieel alle kerkelijke orde wordt prijsgegeven, en de deur geopend wordt voor willekeur en voor allerlei moeielijkheden en oneenigheden.

Zeer zeker kunnen de grenzen eener kerk wel veranderd worden. Daartoe kunnen allerlei plaatselijke omstandigheden aanleiding geven. Maar dat is heel iets anders, dan om aan een gezin, dat woont binnen de grenzen van kerk X, te vergunnen zich als lid te gaan voegen bij kerk Y; gelijk in het door u genoemde geval zou gebeuren. Dat mag nooit. Indien de woning van dat gezin zoo gelegen is, dat het beter behooren kan bij de kerk van X dan bij die van Y, laat men dan voorstellen, de grenzen tusschen die twee kerken aldus te regelen. Daarover kunnen de

|336|

twee kerkeraden dan handelen, de daarbij betrokken gemeenteleden geraadpleegd worden, en de Classe beslissen, altijd behoudens ieders recht van beroep op de Particuliere Synode.

Aan uw kerkeraad kan ik dus niet anders adviseeren, dan het bewandelen van dien ordelijken weg.

Rutgers, F.L. (1922) 210

210. Bij welke kerk behoort iemand, die verhuist zonder attestatie aan te vragen?

 

(1909.)

351. Wie uit het kerkelijk ressort van eene gemeente door blijvende verandering van woonplaats naar elders vertrekt, kan natuurlijk geen lid blijven van die gemeente; door het feit van zijn vertrek houdt dat lidmaatschap op; waarbij het er niets toe doet, of hijzelf dat wel anders zou wenschen, en ook niets toe doet, of hij, al dan niet, attestatie of attest opvraagt of aanneemt of medeneemt.

In zijn nieuwe woonplaats moet hij dan lid worden van de gemeente, binnen wier kerkelijk ressort hij alsdan zijn verblijf heeft. En daartoe is in onze Gereformeerde kerken, uit kracht van het kerkverband, voldoende, dat hij attestatie of attest indiene van den kerkeraad zijner vroegere gemeente. Maar dat is dan ook noodig, aangezien niemand tegen zijn eigen wil, lid eener kerk kan worden; om welke reden zulk een attestatie dan ook niet eenvoudig van kerkeraad tot kerkeraad kan worden overgezonden, alsof de persoon zelf een levenloos voorwerp was. Een kerkeraad kan (en moet soms) van een verhuizing kennis geven aan een anderen kerkeraad; opdat deze, zoo noodig, den persoon bezoeke, en zorge dat hij zijne attestatie indient. Maar zonder dit laatste kan hij nog niet als lid geboekt en behandeld worden: de kennisgeving, dat hij vroeger lid was eener andere kerk is daartoe voldoende.

In het door u bedoelde geval is de persoon in quaestie, met zijn gezin, dus geen lid meer van de kerk te X, en nog geen lid van de kerk te Y. Hij staat feitelijk nu buiten elke Geref. kerk, al ziet hij dit zelf zeker nog niet in. Dat is nu zijn kerkelijke staat. Zou hem niet kunnen worden duidelijk gemaakt, dat dit

|337|

zoo is, en dat hij dus, wanneer hij geen attestatie of attest van X te Y indient, afgescheiden is en blijft van alle Gereformeerde kerken? ’t Geen precies hetzelfde is, als wanneer hij een verklaring van afscheiding inzond: wie tot geen kerk behoort, behoeft zulk een verklaring niet eens te doen: in dien staat blijvende is en blijft hij afgescheiden.

Daarom kan de kerkeraad van X dan ook thans niet voortgaan met de reeds vroeger over dezen man en zijne vrouw uitgesproken censuur; en de kerkeraad te Y kan de kerkelijke behandeling ook niet opvatten en voortzetten. Als die menschen buiten alle kerkelijk verband willen blijven, kan men hen niet dwingen. De kerkeraad van X kan dan alleen in het lidmatenboek bij die namen aanteekenen: vertrokken naar Y, zonder attestatie aan te vragen of zelfs te willen aannemen. En de kerkeraad van Y kan alleen notuleeren: de mededeeling uit X, met bijvoeging dat de daarin genoemden geene attestatie hebben ingediend, noch ook, na herhaalde vermaning, hebben willen indienen.

Wat er gebeurt met de reeds geschreven attesten voor man en vrouw en kinderen, is volmaakt onverschillig. Die papieren hebben voor X geenerlei waarde, want het zijn slechts uittreksels uit hetgeen in de boeken van X officieel staat opgeteekend; en zij hebben voor Y ook geenerlei waarde, want zij zijn daar niet ingediend. Als zij ingediend waren, zou Y dit in zijn boeken officieel geboekt hebben, en dan verder die attesten enz. hebben kunnen verbranden. In groote gemeenten, als b.v. Amsterdam, zijn zulke attestatiën enz. van de 16e eeuw af, steeds, na inboeking en controleering van die boeking, weggedaan: men zou ze hier anders bij honderdduizenden hebben, en er wel een kamer voor moeten afzonderen!

Rutgers, F.L. (1922) 211

211. Mag een attestatie zonder adres worden afgegeven?

 

(1907.)

352. Uit den aard der zaak komt het dikwijls voor, dat een lid van een onzer kerken (vooral van een groote kerk, als Amsterdam), naar een ander land of naar een ander werelddeel vertrekt, zonder dat hij bij zijn vertrek reeds weet, waar hij zich

|338|

vestigen zal, of zonder dat aan hemzelven of aan den kerkeraad bekend is, welk soort van Christelijke of Gereformeerde kerken aldaar zijn. Natuurlijk kan dan geen naam of adres worden opgegeven op de attestatie, die aan hem gegeven wordt, en die hij in ieder geval noodig heeft om zich in zijne nieuwe woonplaats als Christen-broeder althans eenigszins te doen erkennen. Men vult dan op de attestatie eenvoudig in, dat zij gegeven werd om te dienen als getuigenis voor de „B.B. in Italië”, of „in Zuid-Afrika”, of „in Noord-Amerika", of wat het zijn moet; en de vertrekkende moet dus zelf beoordeelen, bij welke kerk in zijne nieuwe woonplaats hij als Gereformeerde, zich het best voegen kan. Maar in geen geval mag attestatie geweigerd worden, enkel en alleen omdat nog niet bekend is, waar hij precies heengaat of hoe het kerkelijk aldaar gesteld is. Zulke weigering zou op geen enkelen grond of zelfs schijngrond steunen, en groot onrecht zijn.

Afkondiging van gevraagde attestatie geschiedt alleenlijk met het doel, ieder gemeentelid erover te hooren, opdat eventueele bezwaren tegen belijdenis of wandel bij den kerkeraad kunnen ingebracht worden. Daarvoor nu doet het hoegenaamd niets ter zake, waarheen de vertrekkende verhuist. Toch is het usantie, om, wanneer de kerkeraad dat weet (gelijk natuurlijk in den regel het geval is) den naam van die plaats of kerk ook te noemen. En daar is ook zeker niets tegen; terwijl het, althans in groote gemeenten, zijn nut kan hebben, omdat men, bij de vele gelijke namen, die er zijn, dan te eerder en te beter weet, wie bedoeld is.

Voor attestaties is het steeds voldoende geacht, dat de opvraging eenmaal werd afgekondigd. Ik geloof niet, dat het in eenige kerk ooit tweemaal of meermalen geschied is of geschiedt.

Rutgers, F.L. (1922) 212

212. Wanneer een kerk, die vroeger bij een naburige kerk inwoonde, zelfstandig wordt, komen dan hare leden door attestatie van de vroegere kerk, waar ze inwoonden, of door overschrijving op het nieuwe lidmatenboek?

 

(1903.)

353. Op uwe vraag geef ik gaarne mijn antwoord, voor zooveel ik dat geven kan zonder nadere bekendheid

|339|

met personen en omstandigheden, en in het kort bestek van een brief.

Uit uw brief maak ik op, (’t geen ik mij ook van elders meen te herinneren), dat X vroeger behoorde tot de Geref. kerk van Y. Toen nu kort geleden te X weer eene eigen Geref. kerk optrad, had m.i. de kerkeraad van Y alle leden, die binnen de grenzen der kerk van X woonden, uit zijne boeken moeten overschrijven in een nieuw boek, en dit aan den nieuwen kerkeraad van X geven. Attestatiën afgeven heeft in zulk een geval m.i. geen zin; want niemand verhuist, of vertrekt naar eene andere gemeente, Slechts worden alle leden, die in de nieuw optredende eigen gemeente wonen, nu samen eene eigene kerk (zij het ook, dat sommigen daarmede niet ingenomen zijn). En indien aldus gehandeld was, zouden quaesties als de thans aanhangige ook niet hebben kunnen voorkomen.

Het schijnt echter, dat de kerkeraad van Y aan alle de bedoelde leden, of bijna alle eene attestatie naar X heeft gegeven; maar dit niet heeft gedaan aan een enkel lid, als het door u bedoelde, ’t welk liever tot Y wilde blijven behooren en dus geen attestatie naar X vroeg.

Ge vraagt, of de kerkeraad van Y nu weigeren mag de attestatie voor bedoelde zuster af te geven, omdat deze verlangt, dat de kerkeraad het zal weigeren.

Hierop kan ik slechts antwoorden, dat, volgens de zeer juiste bepaling der K.O., een kerkeraad geen attestatie afgeeft aan een anderen kerkeraad, maar de attestatie moet afgeven aan het vertrekkende lid zelf op zijne aanvrage. En dan is hier de moeielijkheid, dat het bedoelde lid geene aanvrage om attestatie deed, en zelfs in het geheel niet vertrekt, maar bleef en blijft wonen waar ze was; zoodat, naar de K.O., van attestatie afgeven hier geen sprake kan zijn.

Het eenige, wat er nu aan te doen is, is m.i., dat de kerkeraad van Y aan dien van X bericht (uit zich zelven, of op aanvrage van dezen, of eventueel volgens advies der Classe, (dat N N en zij (de bedoelde personen) bij de institueering der Geref. kerk te X, door den kerkeraad van Y tot het Avondmaal waren toegelaten (of niet toegelaten, maar alleenlijk gedoopt), en dat zij destijds

|340|

onbesproken waren in belijdenis en wandel. De kerkeraad van X schrijft hunne namen dan in zijn boek. En natuurlijk worden hunne geboren wordende kinderen dan te X gedoopt, evenals de kinderen van ieder ander lid.

Intusschen zal ik niet zeggen, dat de Doop van het pasgeboren kind wachten moet, of zelfs wachten mag, totdat die zaak van kerkelijke aanhoorigheid geheel in orde is. Tenzij de kerkeraad van Y die nu aanstonds in orde maakte. Maar anders moet (aangezien de Doop zoo spoedig mogelijk te bedienen is) de kerkeraad van X maar aan dien van Y (onder wien thans de ouders nog formeel behooren) vragen of deze geen bezwaar heeft tegen het toelaten tot den Doop. En wanneer (gelijk te verwachten is) deze geen bezwaar heeft, kan en moet de kerkeraad van X dan tot den Doop te X toelating geven; de kwestie van kerkelijke aanhoorigheid daarna ter hand nemende.

Voorts moet natuurlijk door onderwijzing op het bedoelde gezin gewerkt worden, om hen te doen zien en voelen, dat zij gewillig onder den kerkeraad van X zich stellen. B.v. door hen er op te wijzen, dat er naar Gods Woord ouderlingen moeten zijn om opzicht enz. te houden; dat natuurlijk niet iedere ouderling opzicht over heel de wereld kan houden; dat dus naar Gods Woord aan ieder ouderling daarvoor een kring is aan te wijzen om zijn goddelijk ambt uit te oefenen; en dat de bepaling van dien kring niet aan ieder individueel gemeentelid staan kan, maar moet geschieden door het bestuur der gemeente, d.i. den kerkeraad, eventueel, wanneer meerdere kerken erbij betrokken zijn, door de Classe, en dat ieder gemeentelid zich dan daaraan moet onderwerpen, om niet Gods ordinantie ijdel te maken, en dus tegen God principieel te strijden. Enz. enz.

Nooit echter mag in zulk een geval door censuur gewerkt worden; want er is geenverachting van God en zijn Woord en de H. Sacramenten”, als men een en ander in eene andere Geref. kerk zocht. En zulke tucht zou ook nooit vat op de conscientie kunnen hebben. Hier is misverstand, gebrek aan inzicht in ’t geen de kerk is, en in ’t geen Gods Woord voor de kerk eischt. En dat moet door onderwijzing en vermaning, enz. overwonnen worden.

Rutgers, F.L. (1922) 213

|341|

213. Indien iemand Zondags geregeld elders vertoeft dan waar hij in de week zijn werk heeft, waar behoort hij dan als lid te boek te staan?

Zie ook onder: Avondmaal vr. 123.

(1908.)

354. Op uw tweede vraag is het antwoord heel eenvoudig. Het bedoelde jonge mensch is natuurlijk geheel vrij, om zijn Zaterdag en Zondag door te brengen op een andere plaats dan waar hij zijn werkkring heeft: daarvoor heeft hij waarlijk geen kerkeraadsverlof noodig. En dan spreekt ook vanzelf, dat hij op die andere plaats den dienst des Woords en der Sacramenten geregeld bijwoont: ook daarvoor heeft hij geen verlof noodig, en het zou zelfs ongerijmd zijn, dat aan een kerkeraad te vragen. Hij woont dan feitelijk op twee plaatsen (’t geen natuurlijk niets te maken heeft met „wettig domicilie”, een heel ander begrip), en kan voor zijn „kerkelijk” domicilie (d.i. waar hij als lid te boek staat) tusschen die twee kiezen, waarbij zeker het eenvoudigst is, dat hij te boek staat, ter plaatse, waar hij Woord en Sacramenten gebruikt, en vanwaar de kerkeraad hem des vereischt ook zou kunnen aanbevelen (voor opzicht) aan den kerkeraad van de plaats, waar hij in de week werkt.

Rutgers, F.L. (1922) 214

214. Waar moet een predikant, die buiten de eigenlijke grens zijner gemeente woont, zijn attestatie indienen?

 

(1893.)

355. Ge zijt als Dienaar des Woords aan de kerk van X e.a. verbonden, en behoort dus vanzelf tot die kerk, en staat mede onder het toezicht van haren kerkeraad. En met uzelven natuurlijk ook uw gezin, dat toch ook wel in X zal Avondmaalhouden enz. Bij dien kerkeraad behooren uwe attestatiën dus te worden ingediend. Niet bij den kerkeraad van Y; want niemand kan tot twee kerken tegelijk behooren, en van X e.a. zijt ge natuurlijk in geen geval los. Daarbij blijft natuurlijk de regel, dat ieder attestatie indient ter plaatse, waar hij woont. Maar het is abnormaal (zij het ook in dit geval gerechtvaardigd), dat gij, predikant

|342|

te X zijnde, in Y woont; en uit die abnormaliteit vloeit de uitzondering in zake het indienen der attestatie vanzelf voort. Evenals er bij de vereeniging der twee kerkgroepen ook wel tijdelijke uitzonderingen op den regel gemaakt zijn en gemaakt moesten worden.

Ziedaar mijn gevoelen. En eene andere beschouwing is m.i. zelfs moeielijk denkbaar.

Rutgers, F.L. (1922) 215

215. Kan iemand, die Hervormd wil worden, daartoe eenig attest of attestatie van zijn kerkeraad krijgen?

 

(1908.)

356. Ge schrijft mij, dat iemand, die zich van de Geref. kerk te X heeft afgescheiden en die ondanks alle vermaan bij die afscheiding volhardt, thans van den kerkeraad vraagt, hem „de vervallen attesten van doop en belijdenis te doen toekomen na dezelve als ongeldig te hebben gemaakt om misbruik te voorkomen uwerzijds.”

Dat is wel eene zonderlinge vraag! zóó zonderling, dat zij misschien wel nooit in eenige kerk door iemand zal gedaan zijn! Uit de woorden maak ik op, dat de aanvrager vroeger in X is gekomen met attesten of attestatiën van elders, welke hij (als stukken, die voor den kerkeraad van X bestemd waren) destijds dus indiende bij uwen kerkeraad, waarna hij, op getuigenis van die stukken in het lidmatenboek werd ingeschreven.

Na zulke inschrijvingen hebben dergelijke attesten of attestatiën natuurlijk alle beteekenis en waarde verloren: zij hebben dan hun dienst gedaan en kunnen verder geen dienst meer doen. Doorgaans worden zij dan ook na eenigen tijd verscheurd of verbrand, althans in groote gemeenten als bv. Amsterdam, waar men anders op den duur kasten vol van zulke waardelooze papieren zou krijgen. Maar al worden zij ook bewaard, zij beteekenen niets meer.

Intusschen blijven zij, bij bewaring, eigendom van den kerkeraad, evenals alle aan den kerkeraad gerichte en voor dezen bestemde brieven: een attest of attestatie is ook zulk een brief. En in geen geval zou iemand kunnen eischen, dat aan hem een brief gegeven werd, dien de kerkeraad van een anderen kerkeraad over hem

|343|

ontving. Zulk een eisch heeft geen zin. En ongerijmd is ook de gedachte, dat de kerkeraad zulk een brief zou kunnen „ongeldig” (?) maken, of daarvan zou kunnen „misbruik maken”.

De bedoeling van den vrager zal wel zijn, om een getuigenis te krijgen van uwen kerkeraad, dat hem dienen kan om lid te worden der Hervormde kerk. Maar daartoe kan of mag uw kerkeraad niet medewerken; en dat doen onze kerkeraden dan ook nooit. Als de Herv. kerkeraad hem wil aannemen, dan moet die kerkeraad maar op andere wijze te weten komen, of de persoon voldoet aan ’t geen het Herv. kerkgenootschap voor zijne leden eischt.

Indien uw kerkeraad den aanvrager schriftelijk antwoordt, dan kan dit antwoord kort en bondig zijn, dat de kerkeraad geen stukken of papieren heeft of ooit gehad heeft, die aan hem zouden toebehooren.

 

(1908.)

357. Naar aanleiding van een besluit uwer Classe in zake het al of niet afgeven van een attest aan iemand, die zich van de Geref. kerk heeft afgescheiden om tot het Herv. kerkgenootschap over te gaan, vraagt ge mij, of uw kerkeraad zonder bezwaar uitvoering kan geven aan hetgeen in dat besluit uitgesproken wordt, dan wel, of het noodig is deze zaak op de Particuliere Synode te brengen.

Mijn antwoord is, dat er voor dit laatste in geen geval eenige reden is. Immers, de Classe sprak uit, „dat geen attesten-afgifte aan de Herv. kerk kan plaats hebben” (waarmede dus de kerkeraad van X bij zijn weigering in het gelijk gesteld werd), en voorts sprak zij uit, dat „wel kan plaats hebben mededeeling van bloot historische feiten”, dat iemand „gedoopt is en lid der Geref. kerk geweest is.”

De Classe oordeelde dus niet, dat zulke mededeeling behoort te geschieden, maar alleenlijk, dat zij kan geschieden, d.w.z. dat zij mogelijk en geoorloofd is; zoodat zij aan den kerkeraad van X te dien aanzien niets voorschreef of aanraadde,

|344|

maar alleenlijk meende, dat die kerkeraad tot zulke mededeeling vrijheid had.

En ten overvloede, om dit goed te doen uitkomen, voegde de Classe er nog bij: „Echter aan X overlatende dit te doen,” ’t geen alleenlijk beteekenen kan, dat de kerkeraad van X nu zelf maar beslissen moet, of hij zulke mededeeling, al dan niet, meent te kunnen of te moeten doen.

In dat alles is toch zeker hoegenaamd niets, waarover uw kerkeraad zich zou kunnen bezwaard achten, of waarom hij bij de Part. Syn. zou protesteeren.

Als ik nu lid was van den kerkeraad van X dan zou ik oordeelen, dat er geen bezwaar is tegen de mededeeling van het feit, dat iemand gedoopt is, aangezien dit soms noodig is, om wederdooperij te voorkomen (eene zaak, waar Geref. kerken ook belang bij hebben, zoodat zij het feit van eene Doopsbediening eventueel zelfs aan Roomsche pastoors enz., zou hebben mede te deelen), maar dat er wel bezwaar is tegen de mededeeling van het feit, dat de aanvrager lid was der Geref. kerk, aangezien deze mededeeling geen ander nut of doel zou kunnen hebben dan om hem den overgang tot het Herv. genootschap gemakkelijk te maken; eene zaak, waartoe een Geref. kerk zeker niet geroepen is.

Uw kerkeraad zou dan aan den bedoelden persoon eenvoudig kunnen schrijven, dat de kerkeraad besloten heeft hem mede te deelen, dat hij voor de leden van zijn gezin, die in de Geref. kerk te X gedoopt zijn, ten bewijze daarvan een uittreksel uit het Doopboek dier kerk kan verkrijgen, wanneer hij aan den praeses van den kerkeraad opgave doet van de namen der gedoopten, voor wie zulks gevraagd wordt, en van den datum (althans ongeveer), op welken die namen in het Doopboek zullen te vinden zijn.

In onderscheidene Geref. kerken (b.v. hier in Amsterdam) wordt zulk een doopbewijs na iederen doop aanstonds afgegeven (geteekend door den ouderling, die bij dien dienst fungeerde); zoodat iemand, die zich later afscheidt, het vanzelf reeds heeft. En zoo is er geen bezwaar, het later nog af te geven, ter voorkoming van wederdooperij uit onwetendheid.

Rutgers, F.L. (1922) 216

|345|

216. Moet een attestatie aan den betrokkene zelf gegeven of aan den kerkeraad, waarheen hij gaat, gezonden worden?

 

(1916.)

358. Volgens eene der grondregelen van het Gereformeerde kerkrecht kan iemand, die rechtens lid is eener Gereformeerde kerk niet tegen zijn wil aan een andere Gereformeerde kerk worden overgedaan; en daarom bepaalt ook art. 82 onzer Kerkenordening, dat, wanneer een lid uit de eene kerk tot de andere overgaat, de attestatie, op wier indiening die andere kerk hem als lid aanneemt, niet van kerkeraad tot kerkeraad te verzenden is, maar aan den persoon zelven moet gegeven of gezonden worden, om dan door dezen zelven te worden ingediend. Natuurlijk sluit dit niet uit, dat de eene kerkeraad aan den anderen kennis geeft van de afgifte van de attestatie, maar op zulke kennisgeving kan nog niemand als lid worden geboekt.

Onze Generale Synoden hebben nog gedurig aan deze bepaling herinnerd; ook in het „Kerkblad”; b.v. in 1896 en in 1905.

In het door U genoemde geval moet dus m.i. de ontvangen attestatie door X aan den kerkeraad van Y worden teruggezonden; met verzoek om haar te geven aan de daarbij bedoelde persoon, wanneer deze ze aanvraagt om als lid van Y naar X te verhuizen.

Zulke aanvraag is natuurlijk noodig, omdat iemand, die rechtens lid eener kerk is, en dit wil blijven, niet tegen zijn zin en zonder eenige procedure kan verwijderd worden.

Uit uwe mededeelingen maak ik op, dat hier de oorzaak der quaestie eigenlijk is, dat, nu de bedoelde persoon hulpbehoevend wordt, Y de diakonale zorg daarvoor gaarne aan X zou overdoen. Dit kan echter m.i. niet aldus geschieden.

Intusschen, daar het hier eene reeds 80 jarige weduwe geldt, moeten zeker beide kerken al het mogelijke doen, om te voorkomen dat, bij den soms langen duur van correspondentie tusschen de kerkeraden, die arme oude weduwe niet van gebrek omkomt. Als Y hiervoor niet wil zorgen, dan zou ik X wel willen raden, geheel onverplicht toch aan dat lid der kerk van Y het noodigste te geven, en dan de zaak ter Classe te brengen.

Rutgers, F.L. (1922) 217

|346|

217. Indien een diakonaal ondersteunde met goedvinden der diakonie naar een andere kerk verhuist, mag dan die kerk de attestatie weigeren? En op wie rust de plicht tot verdere ondersteuning?

Zie ook onder 25.

(1906.)

359. Gaarne geef ik u mijn gevoelen over de quaestie, die in zake Diakonale hulp tusschen uwe kerk en die van X ontstaan is. Wel zal men in den regel, om een geschil te kunnen beoordeelen, beide partijen moeten hooren. Maar in dit geval is uw voorstelling niet alleen uitvoerig en duidelijk, maar ook blijkbaar geheel objectief, zonder eenige poging om licht en schaduw ongelijk te verdeelen.

In den loop der door U bedoelde zaak is m.i. aan beide zijden verkeerd gehandeld, ten gevolge van onjuiste beschouwingen en misverstand van de Gereformeerde Kerkenordening.

Toen de zaak begon, hadden kerkeraad en Diakenen van Z twijfel volkomen gelijk, aan de hier bedoelde oude vrouw adviseerende, bij hare dochter te X ter verpleging te gaan inwonen. Wanneer eene moeder, die reeds 76 jaar is en zeer hulpbehoevend ergens ter verpleging moet worden opgenomen, dan is het gezin van een eigen kind daarvoor zeker allereerst van Godswege aangewezen. Ik begrijp zelfs niet, hoe de kerkeraad van X kon schrijven, „dat hij niet kon inzien”, dat er hier „genoegzame oorzaken van vertrek” waren.

De kerkeraad en diakenen van Z, terecht anders oordeelende, adviseerden dus de bedoelde zuster om naar X te verhuizen, en deden voorts het noodige om die verhuizing mogelijk te maken door het geven van reisgeld. Ook dit was geheel correct; en desgelijks, dat zij de diakonie van X met de komst van die zuster, die door Diaconale ondersteuning onderhouden moest worden, in kennis stelden.

Maar (en nu komt een misverstand) Z meende blijkbaar, dat het daarna niet meer verplicht was die verpleging te bekostigen, maar dat dit nu voortaan voor rekening van X kwam, enkel en alleen

|347|

omdat de verpleegde nu aldaar woonde en dus lid van die gemeente werd.

Dit nu was zeker eene onjuiste beschouwing; en het komt mij voor, dat kerkeraad en diakenen van Z daar ook iets van gevoeld hebben, toen zij, tegelijk met de mededeeling der verhuizing, uit zichzelven aan X aanboden, eene wekelijksche som van f 1.25 voor de verpleging uit te keeren. Daarvoor toch zou geen reden en zelfs geen aanleiding geweest zijn, wanneer reeds het feit der verhuizing ten gevolge moest hebben, dat nu Z’s diakonie van die zuster geheel los werd. Er zijn zonder twijfel verhuizingen van Diakonaal verzorgden, waarbij dat het geval is; b.v. wanneer een ondersteunde vertrekt, om redenen, die wel naar zijn eigen oordeel „genoegzaam” zijn, maar niet naar het oordeel van kerkeraad en Diakonie, zoodat het vertrek geschiedt tegen hun advies en onder hunne afkeuring. Maar hier was het juist andersom. En nu was het zonder twijfel de bedoeling van Z om die arme zoo goed mogelijk te helpen; geenszins om zichzelven daarvan te ontlasten en er X mede te bezwaren. Maar een last, als deze, mag men toch niet zelf afleggen, en dan aan een ander opleggen, tenzij dan dat die ander bereid is hem te dragen. En dat is hier niet het geval.

Het schijnt mij toe, dat het tweede deel van art. 83 K.O., (onlangs daar weer bijgevoegd, uit de Emdensche redactie van 1571) door Z in een veel te beperkten zin wordt opgevat; alsof de uitdrukking; „hunne kerken van de armen te ontlasten enz.” precies hetzelfde beteekende als: „hunne armen naar eene andere kerk te doen verhuizen”, en alsof voor een arme, die woont in kerk X, de geldelijke „last” ook altijd en immer op die kerk zou rusten.

Dat dit laatste geen vaste en onveranderlijke regel kan zijn, is gemakkelijk in te zien, als men denkt aan kerken, binnen wier ressort een gesticht is voor hulpbehoevenden, of aan de vele kerken ter platte lande, binnen wier ressort stads-diakoniën hare oude verpleegden of hare weezen vaak „uitbesteden” (omdat die onder steunden aldaar voor minder geld tevens veel beter verzorgd worden dan in eene stad). In alle deze gevallen is de bekostiging der verpleging natuurlijk geheel voor rekening van de Diakonie, die de armen daarheen deed gaan; niet voor rekening van de

|348|

Diakonie der plaats. En tot zulke gevallen behoort nu ook zeker de hier bedoelde verpleging van een arme uit Z te X. Daardoor wordt dan echter niet uitgesloten, dat ook de Diakonie der plaats tegenover zulke armen eene diakonale roeging heeft. Integendeel zij moet de goede verzorging van zulke armen ook ter harte nemen, met name door op die verpleging, en ook op die armen zelven, behoorlijk toezicht te houden; ’t geen natuurlijk zeer goed geschieden kan, ook al wordt de verpleging door haar niet bekostigd; en b.v. hierdoor kan bevorderd worden, dat de uitkeering der verplegingskosten door hare tusschenkomst geschiedt.

Kerkeraad en Diakonie van Z hadden dus m.i. in hun schrijven aan die van X, niet alleen moeten mededeelen, dat de bedoelde arme op hun advies en met hun instemming naar X vertrok, maar ook daaraan moeten toevoegen, niet een vrijwillig aanbod van eene onvoldoende som, maar de mededeeling, dat de verplegingskosten natuurlijk geheel voor rekening van Z bleven, met een of ander voorstel omtrent de betaling dier verplegingskasten, en in ieder geval met aanbeveling aan de Diakonie van X om op die verpleging te willen toezien, en met verzoek om bericht, indien men te X te dien aanzien eenige opmerking had.

Natuurlijk moest die verpleegde dan ook te X als lid der gemeente zijn ingeschreven; en de kerkeraad van Z had gelijk, met haar daarvoor eene attestatie te geven. Alleenlijk, hij vergiste zich, toen hij die attestatie naar den kerkeraad van X zond, in plaats van die aan de vrouw zelve mede te geven (om dan door deze, of door iemand van harentwege, bij den kerkeraad van X te worden ingediend). Die verzending naar den kerkeraad toch was in strijd met art. 82 K.O. (eerste woorden) en ook onbestaanbaar in Geref. kerken; waar zij ongelukkiglijk hier en daar nog wel voorkomt, overgenomen uit het Herv. kerkgenootschap, en vooral uit het gronddenkbeeld van dat „genootschap” volgens hetwelk er eigenlijk geene plaatselijke „kerken” zijn, maar alleenlijk „plaatselijke afdeelingen” van een groot „genootschap”, dat dan de kerk is. Een kerkeraad, die een attestatie aan een vertrekkende afgeeft, kan zeker wel daarvan kennisgeven aan den kerkeraad der toekomstige woonplaats (’t geen in vele gevallen zelfs zeer nuttig is), maar de attestatie zelve moet toch door den vertrekkende ontvangen

|349|

en ingediend worden. Dat de zaak aldus behandeld wordt heeft een principieel en zeer gewichtig belang voor onze kerken. Natuurlijk zal X dan aan dat lid zelf, dat de attestatie indient, de inschrijving en erkenning niet weigeren. Die toch verbindt volstrekt niet tot bekostiging van de ondersteuning, en is bovendien eisch van het kerkverband.

Ziedaar zoo kort mogelijk mijn gevoelen over de bestaande quaestie; waaruit ge natuurlijk gemakkelijk kunt afleiden (ook zonder dat ik het schrijf) hoe dan nu m.i. de quaestie te beëindigen is.

 

(1904.)

360. Gaarne beantwoord ik uw twee vragen voor zooveel dat in een brief kan.

1º. Of er voor een arme „genoegzame redenen” zijn om te verhuizen, wordt natuurlijk allereerst door hemzelven beoordeeld; en als hijzelf verhuizen wil, kan natuurlijk niemand hem dat beletten, of het trachten te verhinderen. Alleenlijk, indien hij ook na verhuizing nog kerkelijke ondersteuning wenscht te ontvangen, heeft de Diakonie te beoordeelen of dat kan en moet; en daarop ziet natuurlijk art. 83 K.O. In zoover, maar ook in zoover alleen, beoordeelt de Diakonie het al of niet genoegzame van de redenen der verhuizing. Keurt zij die redenen onvoldoende, dan houdt zij, indien de arme toch verhuist, terstond alle ondersteuning in. Keurt zij die redenen voldoende, dan geeft zij, volgens genoemd art., den arme een reispenning mede; terwijl dan in een aantal gevallen ook reden is om dienzelfden arme in zijn nieuwe woonplaats te blijven ondersteunen, soms zelfs (nl. als de Diakonie zelve aanleiding gaf tot de verhuizing, bij uitbesteding van bejaarden of weezen, enz.) de verplichting om dit te blijven doen; altijd zóó, dat overleg gepleegd wordt met de Diakonie der nieuwe woonplaats, opdat deze het intermediair zij voor de voortgezette ondersteuning, of althans mede toezicht houde. In den regel is natuurlijk elke Diakonie verplicht om te zorgen voor hare eigene armen, d.i. voor de arme gemeenteleden, die binnen het ressort der gemeente wonen; maar bij armen, die van elders worden ingeplant

|350|

door eene andere Diakonie, is deze natuurlijk geroepen, dan ook voor die armen te zorgen. Voorts is natuurlijk geene enkele Diakonie tegenover een arme tot hulp verplicht. Als iemand terstond bij zijn komst in de gemeente zich om ondersteuning aanmeldt (gelijk in steden als b.v. Amsterdam vaak geschiedt), dan moet de Diakonie wel te rade gaan met de redenen van verhuizing (of het b.v. was, enkel om door de stadsdiakonie bedeeld te worden, 't geen wel voorkomt), en daarnaar beoordeelen of zij aanstonds mag helpen; ook in verband met de beschikbare middelen. Ook mag geen Diakonie streven om anderen armen „op den hals te schuiven”. In de zeer onderscheiden gevallen, die hierbij kunnen voorkomen en quaesties geven, beslisse de Classe.

Rutgers, F.L. (1922) 218

218. Over verkiezing en samenstelling der Commissie van Beheer.

 

(1901.)

361. Gelijk in Gereformeerde kerken door ieder erkend wordt, is de kerkeraad het bestuur, en wel het eenige bestuur der gemeente. Dienovereenkomstig moet dan ook de finantiëele administratie der gemeente door den kerkeraad geregeld worden. Wel is daarop door de Overheid ingegrepen in den tijd der Republiek en van Willem I, en desgelijks ook vaak door collatoren of patronen. Maar sedert onze Gereformeerde kerken hare vrijheid, ook in dezen herkregen hebben, staat wel vast, dat het hare kerkeraden zijn, van wie de regeling van het beheer moet uitgaan.

Deze nu kan het regelen op onderscheidene wijze. Een soort van voorbeeld of model, met eenige toelichting, heb ik gegeven (met de H.H. Wielenga, de Savornin Lohman, Beuker en Wagenaar) in een rapport voor de Generale Synode van 1893 (in de Acta van die Synode gedrukt, 1) en ook tevoren afzonderlijk toegezonden aan alle kerken, dus ook aan die van X. Maar het kan natuurlijk ook op andere wijze, dan daarin geadviseerd is (mits altijd de kerkeraad zijn recht behoude, om de door hem gemaakte regeling weèr te wijzigen); en plaatselijke usantiën enz. kunnen


1) Blz. 135-138.

|351|

zonder twijfel eenigszins andere regelingen wel eens wenschelijk maken.

In zulke regeling kan de kerkeraad ook bepalen, dat de leden eener Commissie van beheer door de leden der gemeente gekozen worden, hetzij met of zonder kerkeraads-voordracht of dubbel getal. Maar wenschelijk is dat m.i. niet; vooral omdat daardoor lichtelijk de indruk gevestigd wordt, dat die Commissie van beheer een tweede bestuur der gemeente is, naast den kerkeraad; en uit zulke meening, vooral als zij ook post vatte bij de Commissie van beheer zelve, zou op den duur vanzelf voortvloeien, dat die Commissie ook min of meer onafhankelijk van den kerkeraad ging handelen, en dat dientengevolge conflicten ontstonden, die de gemeente verdeelden of zelfs scheurden, en in ieder geval groote geestelijke schade aanrichtten. Wèl moet natuurlijk de kerkeraad aan die Commissie eene zekere vrijheid laten, en dus allerlei zuiver stoffelijke aangelegenheden door haar laten behandelen; maar dan toch altijd met verantwoordelijkheid aan den kerkeraad, en zóó, dat deze inderdaad het bestuur der gemeente blijft.

Iets anders is het, om b.v. een commissie tot het jaarlijks nazien der rekening door de gemeenteleden te laten kiezen, mits deze commissie dan verslag doe aan den kerkeraad, aan wien dan rekening door de commissie van beheer te doen is, en de kerkeraad dan, op het advies der bedoelde onderzoek-commissie, de rekening goedkeure. Op die wijze hebben we hier in Amsterdam aan de gezamelijke gemeenteleden mede een contrôle op de administratie gegeven. Waartoe we hier ook jaarlijks eene vergadering houden, voor alle gemeenteleden toegankelijk, waarin de begrooting voor het volgende jaar door de Commissie van beheer wordt toegelicht, en eventueele vragen over het beheer beantwoord worden. De goedkeuring der begrooting blijft dan echter altijd bij den kerkeraad.

Wat eindelijk de vraag betreft, of het wenschelijk is, dat kerkeraadsleden niet benoembaar verklaard worden voor de Commissie van beheer, blijf ik van gevoelen, dat het beter is, zulke peremptoire uitsluiting niet te maken, evenmin als het goed zou zijn, te bepalen, dat alleen kerkeraadsleden benoembaar zijn. Heeft men stof genoeg in de gemeente, dan is in het algemeen zeker wenschelijk, dat de werkzaamheden voor de gemeente over

|352|

vele personen verdeeld worden. Maar men weet van tevoren niet, hoe het in de toekomst met de hoeveelheid van geschikte personen zal zijn, en ook met hun beschikbaren tijd. En voorts kan het zijn, dat er enkele leden zijn, bijzonder geschikt voor ouderling of diaken, en tevens bijzonder geschikt voor de Commissie van beheer (als bouwkundige of administrateur). Waarom zou men dan door de regeling van tevoren zich binden, zulke personen nooit te benoemen voor beiderlei werkzaamheid? Intusschen kunnen er plaatselijke omstandigheden zijn, waardoor iets anders wenschelijk is. Maar dat moet dan m.i. liever bij de practijk de benoeming worden in het oog gehouden. — Indien kerkeraadsleden beslist worden uitgesloten, is er ook altijd eenig meerder gevaar, dat de Commissie van beheer naast of tegenover den kerkeraad te eeniger tijd te staan kwam.

 

(1893.)

362. In zake de samenstelling eener commissie van beheer voor de kerkelijke administratie kan m.i. op de vraag, of men daarin, al dan niet, ook een paar gemeenteleden, die tevens ouderling of diaken zijn, benoemen zal, niet volstrektelijk geantwoord worden. Zijn er in den kerkeraad geene leden, die bijzonder geschiktheid en tijd hebben voor de finantieele en stoffelijke administratie, dan zou het zeker verkeerd zijn, als men toch een paar kerkeraadsleden in de beheerscommissie wilde hebben; en zijn er in den kerkeraad wèl bijzonder geschikte leden, dan zou het verkeerd zijn, als men die van tevoren uitsluit; vooral als er voorts onder de gemeenteleden geene even geschikte waren. In de regeling late men dat dus vrij, om naar gelang van omstandigheden te handelen, gelijk ook staat in ’t advies van de Depp. in kerkblad 13 en 17.

Een concept-regeling of instructie van zulk eene commissie van beheer zal denkelijk in de Synode van Augustus door Depp. voor de ineensmelting wel aangeboden worden. Om dit jaar toch te kunnen handelen, geven Depp. in genoemd kerkblad eene korte voorloopige instructie, met welke de zaken althans dit jaar kunnen marcheeren. Meer kan ik u op 't oogenblik ook niet geven. Zulk

|353|

eene regeling is niet een werkje, dat men in enkele uren kan gereed maken; en ’t is ook iets, waarop eerst nog kritiek van deskundigen noodig is. En noodig is het ook niet, omdat de gepubliceerde voorloopige regeling tijdelijk voldoet.

Rutgers, F.L. (1922) 219

219. Heeft de kerkeraad of het bestuur „kerkelijke kas” zeggenschap over de gebouwen?

 

(1902.)

363. Gij vraagt mij, welke de rechten zijn van kerkeraad en bestuur „kerkel. kas”, met betrekking tot het gebruik van het kerkgebouw en kerkelijke lokaliteiten. Mijn antwoord is eenvoudig, dat de kerkeraad, als zijnde het bestuur der gemeente, te dien aanzien alle rechten heeft; en het bestuur der vereeniging „de kerkelijke kas” alleenlijk het recht heeft, de gebouwen in goeden staat te houden en voor stoffelijke schade te waken. Dat staat ook zeer duidelijk in art. 3 Huish. Regl. In de woorden, die ge aanhaalt (2e alinea, 1e volzin), staat dat met betrekking tot al wat de kerkeraad zelf in kerkelijke lokaliteiten doen wil, waaromtrent zelfs geen advies of goedvinden van het bestuur „kerkelijke kas” noodig is of gevraagd wordt. Maar in zake het ten gebruike afstaan van kerkelijke lokaliteiten geldt de daaraan voorafgaande, in X naar het schijnt over het hoofd geziene bepaling (art. 3, 1e alinea), dat „het bestuur bij het gebruik der beschikbare goederen (waartoe wel allereerst de kerkgebouwen c.a. behooren) geheel zal te werk gaan volgens hetgeen de kerkeraad voor de geestelijke belangen der gemeente noodig of dienstig acht, zonder zelf te dien aanzien iets te beslissen”. Dus: iedere aanvraag om gebruik van een kerkgebouw (door een jongelingsvereeniging of door wie ook) staat allereerst ter beslissing van den kerkeraad. Deze echter (de behartiging van louter stoffelijke belangen aan het bestuur kerkel. kas toevertrouwd hebbende) beoordeelt de aanvrage alleenlijk van den geestelijken kant (aard, doel enz. van de aangevraagde samenkomst). En als de kerkeraad uit dat oogpunt geen bezwaar heeft, dan beoordeelt het bestuur „kerkel. kas” de aanvrage van den stoffelijken kant (om te voorkomen, dat het gebouw niet op tijd weêr voor de gemeente gereed is, en dat er b.v. uitdeelingen

|354|

geschieden van eten en drinken, die te veel vuil maken; ook om de restitutie te bepalen voor vuur, licht enz.). Maar als de kerkeraad heeft toegestaan, mag het bestuur „kerkel. kas” niet weigeren, tenzij er klaarblijkelijk stoffelijke schade voor de gemeente uit zou voortvloeien. De geheele vereen. „kerkel. kas” is slechts een noodmiddel geweest, ten dienste der kerk. Waarom schaft men die in X nu niet af ?

 

(1902.)

364. Na de „doleantie” is de kerkelijke administratie niet aanstonds formeel kerkelijk gemaakt, maar zijn „vereenigingen de kerkel. kas” daarvoor opgericht, enkel uit voorzichtigheid, omdat men toen nog geen genoegzame zekerheid had voor goederen van „Geref. kerken”. Waaruit volgt, dat zulke „vereenigingen” thans kunnen, en dus moeten wegvallen. En waaruit tevens volgt, dat, zoolang zulk een vereeniging nog ergens bestaat, zij feitelijk moet handelen, alsof zij eene door den kerkeraad geinstrueerde en van dezen afhankelijke commissie van beheer was.

Dit zooveel mogelijk te verzekeren, is de bedoeling geweest van art. 3 van het Huish. Regl., en is voor het bij u voorkomend geval ook uitgedrukt in alinea 1, en alinea 2, tweede zinsnede. Die zijn hier toepasselijk, want het verhuren van lokalen aan christelijke vereenigingen en scholen (en ook aan niet-christelijke als b.v. Protestantenbond of soortgelijke inrichtingen) is zeer zeker een zaak, waarbij geestelijke belangen ook betrokken zijn, en waartegen de kerkeraad geestelijke bezwaren kan hebben.

Gold het een zuiver finantieele aangelegenheid, b.v. de verhuring van een stuk land, dat men elders voor geldbelegging gebruikte, dan zou de zaak zeker anders staan. Maar zoo staat het hier niet. En al zijn nu deze lokalen niet in kerkelijk gebruik, bij hare verhuring is toch het geestelijk belang der gemeente zeer zeker betrokken. En uit dien hoofde heeft de kerkeraad daarover nader te oordeelen: zóó, dat eene verhuring niet kan doorgaan, wanneer de kerkeraad daartegen uit geestelijk oogpunt bezwaar heeft, ook al zou die verhuring finantieel voordeelig zijn; en dat zij moet

|355|

geschieden naar hetgeen de kerkeraad voor het geestelijk welzijn der gemeente het best acht.

Ziedaar in het kort iets op uwe vraag. De beste solutie is altijd; de administratie formeel kerkelijk maken, op de wijze als ik in ’t begin van 1898 in De Heraut aangaf.

Rutgers, F.L. (1922) 220

220. Welke is de positie, bevoegdheid enz. der „Commissie van Contrôle” bij ’t kerkelijk beheer?

 

(1907.)

365. Ge vraagt mijn gevoelen over de positie, de bevoegdheid enz. van de bij U bestaande „Commissie van contrôle,” door den kerkeraad benoemd voor het beheer, dat door den quaestor der kerk gevoerd wordt; speciaal ook over hare bevoegdheid en recht met betrekking tot den kerkeraad zelven.

Intusschen deelt ge mij niet mede, welke regeling er door Uwen kerkeraad voor het kerkelijk beheer gemaakt is, en welk mandaat (of instructie) daarbij door den kerkeraad gegeven is aan den „quaestor” en aan de „Commissie van contrôle,” hetzij in het reglement zelf of bij afzonderlijk kerkeraadsbesluit.

En toch is daarvan het antwoord op Uwe vraag geheel afhankelijk.

Blijkbaar heeft men in X niet gevolgd het Concept van regeling van het beheer, ’t welk in 1893 door mij gemaakt is (in overleg met de andere leden der Commissie ad hoc, n.l. Ds. Beuker, Savornin Lohman, Prof. Wielenga en Dr. Wagenaar), en toen door de generale Dordtsche Synode van 1893 aan de kerken is aanbevolen (afgedrukt in de acta dier Synode blz. 135-138). Want indien zulke regeling door Uwen kerkeraad gemaakt was, dan zou er geen quaestie kunnen zijn van eenige zelfstandigheid van een kerkeraads-commissie van contrôle tegenover den kerkeraad zelven, of van eenige bevoegdheid van zulk eene commissie om zelve de kerkerekening goed te keuren, en den quaestor te dechargeeren; veel minder nog van eenige uitsluiting van den kerkeraad, alsof deze zelfs geen recht zou hebben om, ook na het rapport van de Commissie van contrôle, zelf nog te onderzoeken en dan de rekening goed of af te keuren.

|356|

Maar hoe zijn de beheers-zaken dan geregeld? Of is er soms in ’t geheel geene regeling, en zijn zoowel de quaestor als de commissie van contrôle benoemd zonder eenige instructie, en zonder dat in het daartoe strekkend besluit eenig mandaat was opgesloten?

In dat geval is het zeker noodig, die leemte nu aan te vullen. De kerkelijke administratie mag niet ongeregeld, zijn; en het is de kerkeraad, die, als zijnde het bestuur der gemeente, voor die regeling heeft te zorgen.

Natuurlijk mag hij daarbij zelf niet abdiceeren, of de hem toevertrouwde macht op een ander overdragen. Uit des kerkeraads autoriteit administreert de quaestor of boekhouder of commissie van beheer; en uit zijne autoriteit controleert eene commissie van controle; en die alle brengen hunne stukken in den kerkeraad en deze beslist ten slotte. Het opdragen van het onderzoek van boeken en rekening aan eene commissie kan dan ook nooit een ander doel hebben, dan om den kerkeraad (wiens leden moeielijk zelven alles persoonlijk kunnen onderzoeken) voor te lichten; maar de kerkeraad blijft vrij, ook daarna nog te onderzoeken, en ook vrij in zijn goedkeuren der rekening. Zelfs hier in Amsterdam, waar de rekening zóó uitgebreid is, dat de commissie van contrôle gedurende vele avonden heel wat uren aan het onderzoek wijden moet, heeft toch nooit iemand er aan gedacht, de rekening buiten den kerkeraad te houden of door iemand anders dan door den kerkeraad zelven te doen goedkeuren en ten bewijze daarvan te doen teekenen (altijd nog na inzage van de gemeente, die ook het recht heeft van onderzoeken).

Wat Uw andere vraag betreft, — ik weet niet of in Uwe kerk de Diakenen ook afzonderlijk als Diakonie vergaderen. Is dat het geval, dan moet de boekhouder of quaestor der Diakonie zijne rekening met de bescheiden eerst inbrengen bij de Diakonie, die haar dan heeft te onderzoeken. Kan de Diakonie de rekening goed vinden, dan neemt zij die over, en dan wordt de rekening van wege de gezamenlijke Diakenen (niet door of vanwege den boekhouder alleen), bij den kerkeraad ingediend, die haar dan door eene Commissie laat onderzoeken; en wanneer het rapport van deze commissie is ingekomen, beslist de kerkeraad over de

|357|

goedkeuring (natuurlijk ook weêr met het recht voor alle zijne leden om te onderzoeken; en ook na ter visie gelegd te zijn voor de gemeente, die ook het recht heeft van kennisneming). Na goedkeuring geschiedt de onderteekening ten bewijze daarvan natuurlijk ook door den kerkeraad (d.i. door praeses en scriba, of predikant en een ouderling), evenals het afteekenen der boeken.

Rutgers, F.L. (1922) 221

221. Over de verhuring van zitplaatsen in de kerk.

 

(1895.)

366. De vraag is niet, of er in de kerkgebouwen aan bepaalde personen vaste plaatsen zullen worden ten gebruike gegeven, zoodat de gemeenteleden van tevoren zich voor een geheel jaar eene eigene plaats kunnen verzekeren. Dat dit mag, en zelfs moet, ter wille van de orde, vooral ten behoeve van ouden en zwakken, van vrouwen en kinderen, en van hen, die niet lang vóór den aanvang van den dienst in de kerk kunnen komen, zal wel door niemand betwist worden. En in onze kerk krijgen dan ook alle gemeenteleden, die zulks wenschen, in het kerkgebouw, dat het naast bij hunne woning is, voor zichzelven en voor hun gezin het noodige aantal vaste plaatsen, die tot den eersten voorzang voor hen worden opengehouden.

Dit geschiedt echter, zonder dat als voorwaarde gesteld wordt, dat zij daarvoor eene vaste som te betalen hebben. Het wordt aan henzelven overgelaten, of zij een zeker plaatsengeld willen geven, en zoo ja, hoeveel. Maar indien zij dit niet kunnen, of ook, indien zij het onnoodig vinden omdat zij voor den kerkedienst reeds eene ruime jaarlijksche contributie geven, dan behouden zij even goed dat recht op eigene plaatsen. Zij hebben dat als gemeenteleden; niet omdat zij geld hebben of geld geven, maar omdat zij als gemeenteleden aan de samenkomsten der gemeente moeten deelnemen, omdat die deelneming voor hen allen zoo gemakkelijk mogelijk moet gemaakt worden, en omdat daarbij alles zoo ordelijk mogelijk moet toegaan. En geheel daarvan afgescheiden is de verplichting tot onderhoud van den kerkedienst, die op alle gemeenteleden rust, en dan op een iegelijk naar zijn vermogen.

Tegen het verhuren van plaatsen zijn dan ook zeer ernstige bezwaren.

|358|

Die bezwaren zouden zonder twijfel veel minder drukken, indien X eene kleine plaats was, met niet meer dan één kerkgebouw, en dan zulk een gebouw, dat de gansche gemeente daarin altijd overvloedig plaats vinden kon, terwijl voorts tusschen de plaatsen zelve geen noemenswaard verschil was. In kerken, waar het zoo gesteld is, is het voordeel van eene eigene plaats eigenlijk denkbeeldig, zoodat het voornaamste bezwaar tegen plaatsenverhuring dan bijna geheel wegvalt. En wanneer dan de gemeente in een geestelijk opzicht nog niet zoo ver is, dat zij hare roeping met betrekking tot den kerkedienst genoegzaam inziet, dan laat zich denken, dat men voor de kerkelijke inkomsten nog een tijdlang gebruik maakt van het hulpmiddel der plaatsenverhuring; altijd onder voorwaarde, dat men de gemeente tevens opleide tot eene meer Schriftuurlijke beschouwing en practijk.

Het verhuren van zitplaatsen geeft wel kerkelijke inkomsten, maar op zulk eene wijze, dat door de gemeenteleden geenszins naar vermogen wordt bijgedragen. Ook al stelt men onderscheidene prijzen van plaatsen, het verschil kan toch op verre na niet in evenredigheid zijn met de draagkracht der huurders; zoowel met het oog op hunne inkomsten, als ook met het oog op de talrijkheid hunner gezinnen. Maar juist daarom is onder alle manieren, waarop men de noodige kerkelijke inkomsten van de gemeenteleden vragen kan, het middel van plaatsenverhuring wel het minst aanbevelenswaardig; want het leidt van zelf tot een toestand, waarin juist de groote gezinnen altijd het zwaarste belast worden, en waarin voorts aan de vermogenden naar evenredigheid te weinig en aan de minvermogenden naar evenredigheid te veel wordt opgelegd.

Het heffen van kerkelijke bijdragen in den vorm van plaatsenhuur, gesteld ook zelfs dat het stoffelijk voordeel gaf, is toch doorgaans in een geestelijk opzicht tot schade. Het verzwakt bij de gemeenteleden het besef, dat zij als zoodanig verplicht zijn den kerkedienst te bekostigen. Het bevordert de natuurlijke neiging, om voor hetgeen men geeft ook iets terug te ontvangen. En het werkt er toe mede, dat aan het geld als zoodanig een voorrang wordt toegekend, die er in de kerk van Christus niet aan toekomt. Wat aldaar moet worden aangekweekt, dat is juist integendeel het besef, dat er aan het geld niet die waarde te hechten is, die men

|359|

in de wereld daaraan toekent, en dat de geloovigen voor den dienst des Heeren iets, ja veel moeten over hebben. Ook de wijze, waarop voor den kerkedienst wordt bijgedragen, kan en moet hiertoe medewerken.

Eindelijk (wat nog het meeste afdoet) door de bedoelde plaatsenverhuring krijgen de meervermogenden een voorrecht, en worden de armen bij hen achtergesteld.

In de maatschappij is dit onvermijdelijk, en ook niet in strijd met Gods Woord. Dat er onderscheidene rangen en standen zijn, is op dat gebied juist naar Gods ordinantie. Maar het zal wel geene aanwijzing noodig hebben, dat voor Christus' kerk de eisch van dat Woord geheel anders is. Ook op dit gebied is er onderscheid tusschen menschen en menschen, en in overeenstemming daarmede ook een voorrang van den eenen boven den anderen. Maar de maatstaf ter beoordeeling is daar altijd zuiver geestelijk; nooit naar geld en goed. Indien hiermede mocht gerekend worden, dan zou bij den Heere eerder de arme iets voor hebben. In ieder geval mag hij bij den meervermogende niet achterstaan. En toch, dat geschiedt, wanneer vaste plaatsen alleenlijk voor geld te verkrijgen zijn.

Men kan zulke achterstelling dan wel temperen, door b.v. ook voor lage prijzen plaatsen beschikbaar te stellen, en door juist de beste plaatsen het goedkoopst te maken. Maar behalve dat dit laatste in de practijk nog al moeielijk is, blijft toch altijd het bezwaar, dat wie nu eenmaal voor zichzelven en voor een misschien groot gezin dat plaatsengeld niet voldoen kan, daardoor achterstaat bij dengene, die het wel kan betalen. Van het stelsel zelf is dat nu eenmaal onafscheidelijk. Immers van tweeën één: het huren van plaatsen geeft een zeker voordeel, iets, dat de menschen op prijs stellen en dus begeeren; of het geeft dat niet. In het laatste geval zou wel niemand eenige bijdrage of zelfs eenige moeite daarvoor over hebben, en dus zou ten slotte niemand meer huren. En wanneer dit wel geschiedt, dan ligt daarin het bewijs, dat er dus wel degelijk een voorrecht aan verbonden is.

Van dat voorrecht nu mag de arme niet worden uitgesloten. En in deze overweging ligt het hoofdbezwaar tegen zoodanig voorstel. Gijzelven zult dat bezwaar ook wel voelen, en dat het zal bepaaldelijk wegen bij de BB. diakenen, die van ’s Heeren

|360|

wege als patronen der armen gesteld zijn. Zelven kunnen die armen hunne stem in een kerkeraad niet doen hooren. Maar juist daarom voelen we ons gedrongen, des te meer toe te zien, dat we hunne belangen ter harte nemen, en in geen geval er toe mede te werken, dat zij stelselmatig eenigszins zouden achterstaan.

 

(1895.)

367. Evenmin berust op goede gronden de voorstelling, alsof de achterstelling der armen (in Christus’ kerk steeds een pijnlijke ongepastheid) door ons in hoofdzaak daarin zou gezocht worden, dat zij geen geschikte plaatsen onder den dienst zouden erlangen.

De zaak ligt geheel anders.

Wel weegt bij ons ook dit bezwaar, overmits ook in de kerk, waarop de apostel Jacobus doelt, de arme wel ook een plaats kreeg, maar toch de man met den gouden ring zekere vooraanzitting had; iets wat de heilige apostel veroordeelt. Maar we geven toe, dat aan dit bezwaar kan worden tegemoet gekomen, door b.v. jaarlijks de verhuurde en niet-verhuurde plaatsen te laten uitwisselen. Ofschoon ook dan nog het onderscheid overbleef, dat voor den huurder eener plaats die plaats wordt opgehouden, terwijl de arme alle plaatsen door vroeger komenden kan bezet vinden.

Maar het hoofdbezwaar schuilt elders. Vooreerst in het denkbeeld zelf, dat de arme, die overal in de wereld de meerderheid van het geld voelt, en die althans in Christus’ kerk eene plaats moest vinden, waar die meerderheid van het geld ophield, op zulk eene wijze toch ook weer in de kerk van Christus den weg geopend ziet, om door het geld zeker recht te verwerven, dat hij, als van geld ontbloot, dus derven moet. De rijke man heeft zijne eigene plaats en zegt: daarover beschik ik als man van middelen, en de arme man moet zijne plaats als eene gave ontvangen. En nu is dit tegen-Schriftuurlijk beginsel, dat tegen den aard van Christus’ kerk indruischt, nooit weg te nemen, zoolang ge niet alle plaatsen voor rijk en arm vrij en om niet ter beschikking stelt.

En in de tweede plaats drukt ons het bezwaar, dat men zulke plaatsen dan voor verschillenden prijs beschikbaar moet stellen.

|361|

Plaatsen eerste klasse, laat ons zeggen, voor f 10.—, plaatsen tweede klasse voor f 7.50, plaatsen derde klasse voor f 5.—, plaatsen vierde klasse voor f 3.—, en plaatsen vijfde klasse voor f 1.—. Eene prijsbepaling en indeeling, die we opzettelijk fictief stelden, om zelfs elken schijn te mijden als doelden we hiermee op uwe kerken. Deze indeeling nu brengt tweeërlei ongerief met zich. Vooreerst toch brengt ge aldus de indeeling in geldelijke standen in de kerk over, en zit de armere, die voor f 1.— eene plaats neemt, er als man van de vijfde klasse. Maar ook ten andere, wanneer een werkman, die ’s jaars f 500.— verdient, voor zijn gezin vijf plaatsen van f 1.— neemt, en dan f 5.— betaalt, geeft hij vergelijkender wijze teveel, gerekend naar den man die f 3000.— inkomen heeft en vijf plaatsen à f 5.— neemt. Immers, dat dit geen verhouding is, springt terstond in het oog.

Feitelijk is hier alzoo het sociale vraagstuk op kerkelijk gebied in betrokken, en het zou zoo verblijdend zijn, wanneer vooral de Gereformeerde kerken den werkenden stand door practische prediking toonden, dat al hetgeen ook maar den schijn van plutocratie heeft, onder ons wordt tegengegaan.

 

(1907.)

368. Ge schrijft mij, dat in uw kerk de verhuring van zitplaatsen in het kerkgebouw wordt afgeschaft (’t geen ook zonder twijfel geschieden moest, om in dit opzicht aan de eischen van Gods Woord te voldoen); en ge vraagt mij, wat nu, naar mijn oordeel, de beste regeling is voor de verdeeling en toewijzing van zitplaatsen aan leden der kerk, die gaarne eene vaste zitplaats hebben in het kerkgebouw.

Onderscheiden regeling is denkbaar, maar niet iedere regeling is aanbevelenswaardig of billijk of zelfs mogelijk.

In het afgetrokkene is denkbaar, dat de kerkeraad eene regeling maakt, volgens welke de leden der gemeente, die eene vaste zitplaats wenschen, voor zich alleen of ook voor hun gezin, zelven haar uitkiezen, terwijl, dan, voor zooveel de keuze van meerderen op dezelfde plaats of plaatsen valt, door onderlinge toegefelijkheid,

|362|

en anders door het lot de schikking plaats heeft. Maar al is dit denkbaar, practisch zal het toch wel niet uitvoerbaar zijn, daar nu eenmaal een aantal menschen nog al onderscheid maken tusschen de eene en de andere plaats, en dus zeer dikwijls de keuze van velen op dezelfde plaats zou vallen, zonder dat men komen zou tot eene minnelijke schikking.

Alle plaatsen eenvoudig door den kerkeraad onder alle aanvragers te doen verdeelen en aanwijzen, zou natuurlijk veel gemakkelijker zijn. Maar daartegen zijn andere, zeer groote en zelfs overwegende bezwaren, die vooral van gewicht zijn in een kleine gemeente, waar de meeste leden op eene of andere wijze met kerkeraadsleden in persoonlijke relatie staan. Het is voor den kerkeraad dan niet wel doenlijk, geheel zonder aanzien des persoons te handelen; en in ieder geval is het dan onmogelijk, den schijn van partijdigheid te ontgaan, waaruit dan vanzelf groote moeielijkheden ontstaan en ook allerlei geestelijke schade voor de gemeente.

Hier in Amsterdam hebben we daarom de regeling gemaakt, dat voor ieder onzer 8 kerkgebouwen een vrij groot gedeelte, waaronder vele van de meest begeerde plaatsen, geheel vrij blijft, en de overige plaatsen, voor zooveel noodig, verloot worden onder degenen die voor een bepaald kerkgebouw één of meer plaatsen aanvroegen; terwijl dan de hierbij nog overblijvende plaatsen ook vrij zijn, en de gereserveerde plaatsen vrij worden zoodra de voorzanger den eersten psalm heeft opgegeven.

Dat verloten heeft hier plaats, telkens voor één jaar, (opdat wie het eene jaar een minder begeerde plaats had, een ander jaar uitzicht zou hebben op een andere). In de maand December worden allen, die een gereserveerde plaats begeeren, opgeroepen zich daarvoor aan te melden (persoonlijk of schriftelijk) op een bepaalden dag en uur, als wanneer de gecommitteerde voor dat kerkgebouw alle aanvragen noteert; waarna dan de plaatsen verloot worden (’t geen natuurlijk niet in het publiek behoeft te geschieden), en aan ieder zijne plaatskaart voor het beginnende jaar bezorgd wordt, met telkens herhaalde herinnering, dat die kaart slechts voor één jaar geldig is, en dat na afloop daarvan de aanvrage te hernieuwen is, om wederom zulk een kaart te krijgen. Zulke kaarten kunnen

|363|

natuurlijk gemakkelijk zoo gedrukt worden, dat die van het ééne jaar met één oogopslag van die van het andere jaar te onderscheiden zijn; b.v. door kleur, of lettersoort. Die kaarten dienen dan, om in het kerkgebouw aan de gemeenteleden, die tot bewaring der orde vrijwillig dienst doen, het recht op een bepaalde plaats te bewijzen. En die plaatsen zelve worden gekenteekend door een opgeplakt papiertje „niet vrij” (’t geen natuurlijk weggenomen wordt, zoodra zulk een plaats niet meer gereserveerd is), altijd natuurlijk met dien verstande, dat zij toch „vrij” zijn, wanneer de rechthebbende er nog niet is, wanneer de voorzanger den eersten voorzang opgeeft.

Bij zulke verloting wordt hier ook stipt in acht genomen, dat men gezinnen bijeenlaat; ’t geen vooral noodig is, wanneer daar kinderen bij zijn: deze toch moeten bij hun ouders zitten en zoo steeds onder hun oog zijn. Bij de aanvragen in December wordt dus genoteerd, of iemand eene eigene plaats vraagt, voor zich alleen, of ook tevens voor zijne vrouw, of ook tevens voor zijn inwonend gezin. En bij de verloting wordt aan de plaats, die zulk een aanvrager bij het lot krijgt, zooveel van denzelfden bank (of van de onmiddellijk daarbij gelegen bank) toegevoegd, als noodig is om aan de aanvrage te voldoen, zoodat het geheele gezin steeds bijeen kan zitten. Meer plaatsen dan voor het eigen gezin mag iemand echter niet aanvragen. En voorts wordt ook genoteerd, wie soms doof of hardhoorend is; en tusschen deze wordt dan geloot op de bank of stoelenrij, die het dichtst bij den preekstoel is.

Ruiling van plaatsen is natuurlijk geoorloofd; want waarom zou men dat beletten, als bèide partijen er zich in kunnen vinden? Dat zulks met het geven van geld zou gepaard gaan, is hier nog nooit gebleken, en ook niet waarschijnlijk; zooveel verschillen de plaatsen hier niet; men kan hier overal goed zien en hooren. En al geschiedde het ook, dan zou ik daarin nog geen groot bezwaar zien; dat gaat dan, dunkt mij, de kerk niet aan. Meent men echter, dat daaruit in X ergerlijk misbruik ontstaan zou, dan kan men aan ruiling de voorwaarde verbinden, dat beide partijen moeten verklaren, dat zij geschiedt zonder dat de een aan den ander iets geeft.

Ook voor uwe kerk acht ik zulke verloting de billijkste, de meest uitvoerbare, en dus de beste regeling. Om welke reden die

|364|

in uwen kerkeraad door sommigen „onrechtvaardig” genoemd is, en eene oorzaak van „onmogelijke toestanden” (gelijk gij mij schrijft), begrijp ik niet; althans wanneer men de Amsterdamsche manier volgt, om gezinnen in denzelfden bank, althans bij elkander, te doen komen; en om, behalve in die gezinsafdeeling, voor mannen en vrouwen afzonderlijke banken te bestemmen. Hier in Amsterdam is over zulke verloting nog nooit door iemand geklaagd, en is er ook geenerlei onmogelijke toestand door in het leven geroepen; ofschoon we hier een gemeente hebben van ongeveer 23000 zielen.

Alleenlijk is in de laatste tien jaren het aantal aanvragen telkens wat verminderd, doordat gewoonlijk in onze groote kerkgebouwen (sommige voor 2 à 3 duizend zitplaatsen) altijd toch wel plaats te vinden is. Met name de meervermogende en de deftige standen nemen thans doorgaans geene eigene plaatsen meer, maar gaan, nu hier dan daar, ergens op de vrije plaatsen zitten; en slechts zelden hoor ik dan, b.v. van mijne kinderen, dat zij zich met eene staanplaats hebben moeten behelpen.

 

(1908.)

369. Vraag: Indien het niet te veel van uw welwillendheid gevergd is, (en ik heb daarvan een zeer goede gedachte), dan zou ik zeer gaarne nog eenige inlichtingen van u ontvangen.

Zooals u bekend is was onze kerkeraad van zins de zitplaatsverhuring af te schaffen, en ontving ik daarover uw advies, waarin u het stelsel in Amsterdam gevolgd mij aanbeval. Uw schrijven, in den kerkeraad voorgelezen, gaf aanleiding tot breedvoerige gedachtenwisseling, waarna een regeling werd ontworpen. Deze komt hierop neer:

a. daar er twee stroomingen in de gemeente zijn nl. een voor vrije plaatsen en een voor gereserveerde, bepaalde de kerkeraad dat elk, die een vaste plaats wenschte, dit kon verkrijgen, terwijl hij, die aan een vrije plaats de voorkeur gaf, ook daarvan gebruik kon maken. De vrije en gereserveerde plaatsen zijn door elkaar genomen, zoodat de eene niet boven de ander is bevoorrecht.

b. zij, die dit wenschen kunnen gezinsgewijze gereserveerde plaatsen

|365|

bekomen, zoodat de kinderen bij hunne ouders kunnen zitten.

c. met het oog op de plaatselijke toestanden en de inrichting van het kerkgebouw werd bepaald, dat de verdeeling der gereserveerde plaatsen zou geschieden naar eigen keuze, waarbij aan de oudsten het eerst de keuze werd gelaten. Dit is geschied om te voorkomen, dat oudjes bij eventueele verloting achteraf op een bank kwamen en hen zooveel mogelijk een plaats op een stoel te verzekeren.

d. in het finantieel te kort, dat ten gevolge der afschaffing der verhuring zou ontstaan, te voorzien door het stelsel van vrijwillige vaste bijdragen, dat hier in beginsel bestaat, uit te breiden.

In de gemeente is een circulaire verspreid, die een en ander toelichtte en waaraan een inschrijvingsbillet gevoegd was, waarop kon worden ingevuld wat en op welke wijze elk wilde bijdragen.

Daarna is een vergadering gehouden met de gemeente en heeft de kerkeraad, na de gemeente gehoord te hebben, besloten deze regeling voor één jaar als proef in te voeren. Nu zijn enkele broeders met deze regeling niet tevreden. Ten einde hen nu zoo mogelijk tevreden te stellen zou u mij zeer verplichten met een antwoord op de volgende vragen:

1º. Had de kerkeraad eerst de gemeente moeten hooren en daarna een plan ontworpen of heeft hij hierin goed gehandeld? (De zaak is reeds 15 jaar op gemeentelijke vergaderingen besproken).

2º. Heeft de kerkeraad met deze regeling onrecht tegenover de gemeente gepleegd?

3º. Is naar uw oordeel het ideaal voor een gemeente: alle plaatsen vrij of zooveel mogelijk elk een vaste plaats liefst gezinsgewijze?

Ten slotte nog een bijkomstige vraag, die door de broeders ook gesteld wordt n.l. deze. Is het ook gewenscht, dat de diaken en niet meer tot den kerkeraad genomen worden?

Onze gemeente telt ± 650 zielen en heeft 5 ouderlingen. Zoolang de kerk hier bestaat zijn de diakenen bij den kerkeraad geweest, zijn zeer bescheiden opgetreden en hebben in tuchtzaken geen keurstem. Indien het niet te veel gevergd is, zou ik gaarne spoedig met uw antwoord worden verblijd.

|366|

(1908.)

369. Antwoord: Voor zoover ik oordeelen kan, heeft uw kerkeraad de zaak der plaatsen, bij de samenkomsten der gemeente, zeer goed en practisch geregeld, naar den eisch der daarop toepasselijke Schriftuurlijke beginselen.

Hij is ook zeer zeker de gemeente met die regeling niet onverhoeds op het lijf gevallen, maar heeft ruimschoots gelegenheid gehad, te hooren hoe men in de gemeente daarover dacht.

Eene afzonderlijke samenkomst van gemeenteleden was hier voor zeker niet noodig. En zulk eene samenkomst zou altijd en bij alle zaken zelfs onraadzaam zijn, als er leden zijn, die meenen, dat zij zich formeel daarover hebben uit te spreken en te beslissen. Dat zou niet Gereformeerd maar Independentistisch zijn; eene miskenning van het ambt der opzieners, en eene terzijdestelling van den kerkeraad als het bestuur der gemeente.

In alle onze kerken is dan ook, zoover ik weet, de zitplaatsenregeling door den kerkeraad gemaakt, zonder dat dit beschouwd werd of kon beschouwd worden, als een „onrecht tegenover de gemeente”.

Op uwe vraag: „wat het ideaal is: alle plaatsen vrij, of zooveel mogelijk elk eene vaste plaats, liefst gezinsgewijze?” zou ik antwoorden dat dit een „middelmatig ding” is, en geheel afhangt van plaatselijke toestanden en omstandigheden. Voor de meeste onzer kerken zal wel het meest practisch zijn, dat men ieder gemeentelid in staat stelt, voor zich en zijn gezin plaatsen in een kerkgebouw te doen reserveeren, maar overigens ieder te dien aanzien ook vrijlaat.

Of het voor uwe gemeente het meest wenschelijk is, dat de diakenen (als hulp voor de ouderlingen) mede steeds tot „den kerkeraad” behooren (gelijk tot dusver bij u was), dan wel, dat zij alleen voor sommige zaken daartoe mede behooren (gelijk bv. hier in Amsterdam) kan ik moeielijk beoordeelen. Dat moet de kerkeraad, naar de plaatselijke behoefte en omstandigheden, zelf beslissen.

Rutgers, F.L. (1922) 222

222. Over vrijwillige diensten in de kerk.

 

(1895.)

370. Er is sprake van een aantal diensten, die de gemeente noodig heeft, voor collecten, voor orde in de kerkgebouwen, voor

|367|

finantiëele administratie, en voor het verkrijgen, ophalen en verantwoorden van vrijwillige bijdragen. En ten aanzien van alle die diensten, waarvan vele wekelijks, en dan niet alleen op Zondag, heel wat tijd en moeite vorderen, is als regel aangenomen, dat men daarvoor dankbaar zal gebruik maken van de hulp van vrijwilligers. Waarom nu voor den dienst der orgelbegeleiding hierop eene uitzondering gemaakt?

Zeker niet, omdat juist hiervoor geen vrijwilligers te verkrijgen zijn. Immers, dat leert de ervaring, zoowel hier als elders, geheel anders. In het buitenland, in Schotland, Zwitserland, enz., hebben de Gereformeerde kerken, voor zooveel zij vrije kerken zijn, tot een algemeenen regel, juist de bediening van het orgel door vrijwilligers te doen plaats hebben, meest door vrouwelijke gemeenteleden die zich daarvoor beschikbaar stellen; en daar bleek reeds sinds lang, dat zelfs in kleine gemeenten zulke hulp altijd wel te verkrijgen is. En ook hier in Amsterdam, heeft het vinden van vrijwilligers onze kerk nooit de minste moeite gekost. Mocht die ijver ooit verflauwen, dan zou men zeker tot bezoldiging de toevlucht moeten nemen. Maar dit geldt alle de bovenbedoelde diensten; niet uitsluitend dien van organisten. En er is inderdaad geene reden om te onderstellen, dat juist bij de vele gemeenteleden, die voor eenvoudige orgelbegeleiding de noodige geschiktheid hebben, de geest van belangelooze toewijding het eerst, en wel binnen kort, zou verdwijnen.

Evenmin kan de grond zijn, dat de kerkeraad over bezoldigde organisten meer zeggenschap hebben zou. Immers, indien dat zoo was, dan zou het wederom gelden van alle de bovenbedoelde diensten; niet uitsluitend van dien der organisten. Maar inderdaad kan te dien aanzien het al of niet bezoldigd zijn geen verschil maken. Een vrijwilliger, die uit de vrijwilligheid van zijnen dienst eenig recht of eenige aanspraak wilde ontleenen, zou juist daardoor met dien dienst feitelijk ophouden; want hij zou dan een honorarium verlangen, wel niet in geld, maar in de toekenning van eene anders hem niet toekomende bevoegdheid of macht; en aan zulk een verlangen zou dan natuurlijk door den kerkeraad wel niet kunnen voldaan worden. Het is juist het kenmerk en de eere van vrijwilligen dienst, dat men daarvoor niets terug ontvangt; geene geldelijke

|368|

belooning, en ook geene belooning van anderen aard. En dat dit door de vrijwilligers zelven ook zoo begrepen wordt, is in onze kerk de gewone ervaring.

En ook kan de reden niet hierin liggen, dat men bij bezoldiging van de organisten hoogere eischen van bekwaamheid kan stellen. Immers om de meest bekwame hier te verkrijgen, zou de bezoldiging vrij hoog moeten zijn, veel hooger dan de geldelijke toestand onzer kerken kan dragen. En voorts zou dit voor den kerkedienst wel geheel onnoodig zijn, daar voor dezen niet anders vereischt wordt, dan dat het gezang der gemeente behoorlijk geleid wordt. Een voor- en tusschen- en na-spel, dat een zeker muzikaal genot zou geven, is geheel overbodig, en in Gereformeerde kerken om onderscheidene redenen afgekeurd en zelfs schadelijk geacht.

Maar wanneer dan in het daar genoemde, dat ten voordeele van bezoldiging der organisten wel eens is aangevoerd, inderdaad geen grond is te vinden, waarom dan ten hunnen aanzien eene uitzondering gemaakt op den ook door u aangenomen regel van vrijwilligen dienst?

Indien met betrekking tot organisten die uitzondering gemaakt wordt, zal dit zeker verlammend werken op den ijver en de toewijding van degenen, die voor anderen arbeid vrijwilligen dienst verleenen. Onder laatstbedoelden zijn er, die hiervoor nog meer tijd en moeite moeten opofferen dan de organisten, en zulks niet alleen op Zondag, maar ook in de week. Op den duur zal men dan aan die anderen, althans aan velen hunner, ook eene bezoldiging moeten toekennen. En van waar zouden voor die uitgaven de middelen moeten komen?

Indien zonder eenige noodzaak bezoldigingen gegeven worden, zal dit op een deel der gemeente van zelf de uitwerking hebben, dat de ijver in het geven verflauwt. Wat er thans wordt bijgedragen, geschiedt bij velen waarlijk niet uit den overvloed. En is niet te wachten, dat velen hunne bijdragen, die op allerlei gebied zoo noodig zijn, voor de kerk zullen gaan verminderen, als zij zien, dat die bijdragen ook gebruikt worden voor onnoodige kerkelijke uitgaven?

Het is zeker niet tegen Gods Woord, dat een voor de kerk verrichte arbeid bezoldigd worde. Integendeel, „de arbeider is zijn

|369|

loon waardig.” En daarom moet de kerk zorgen, dat degenen, die zich geheel aan eenigen kerkedienst toewijden, door haar onderhouden worden; terwijl zij voorts aan niemand mag opleggen, onbezoldigden arbeid voor haar te verrichten. Maar zou dat willen zeggen, dat de kerkeraad eene daartoe strekkende aanbieding ook niet mag aanvaarden? Zoo ja, dan zou dit wederom gelden, niet van de organisten alleen, maar ook voor alle anderen, die voor de kerk wel eens iets doen. En dat zal toch niemand beweren. Integendeel, de kerkeraad mag niet slechts, maar hij moet ook, zulke toewijding aannemen, en zelfs aanmoedigen. Het is immers ook bij uitnemendheid naar Gods Woord, dat de geloovigen hunne gaven en krachten den Heere en der kerk ten dienste stellen, niet slechts gewillig, maar ook belangeloos, altijd voor zooveel zij dit kunnen. En wanneer er velen zijn, die zich daartoe bereid toonen, dan is dat zeer zeker een verblijdend teeken; eene zaak, die aan de geestelijke vorming van die gemeenteleden krachtig kan medewerken, die aan de gemeente zelve niet alleen stoffelijk voordeel brengt, maar ook geestelijken zegen, en die maken kan, dat om hunnentwil de naam des Heeren eere ontvangt, ook zelfs van degenen, die buiten zijn.

Rutgers, F.L. (1922) 223

223. Wie regelt de collecten, verhuring van zitplaatsen, enz.?

 

(1895.)

371. Gij vraagt mijn advies over de vraag: „Is een besluit, door het Bestuur der kerkelijke kas genomen, om eene extra-collecte te houden bij de samenkomsten der gemeente aan de goedkeuring des kerkeraads onderworpen?”

Zulk eene vraag is mij nog nooit gedaan, en ik dacht ook niet, dat zij ergens zou kunnen opkomen, gelijk nu toch in X het geval blijkt te zijn. Immers, over het houden van collecten bij de samenkomsten heeft de Vereeniging „de kerkelijke kas,” of haar bestuur, niets ter wereld te zeggen. De kerkeraad is volgens Schrift, Belijdenis en Kerkenordening, het bestuur der gemeente, en wel het eenige bestuur. Het is dan ook de kerkeraad alleen, die bepaalt, waar en wanneer die samenkomsten te houden zijn, wie daarin zal voorgaan, hoe de dienst zal zijn ingericht enz.; en dus ook, welke collecten er gehouden worden, en door wien, terwijl deze

|370|

collecten mede behooren tot den kerkelijken dienst. Met welk recht zou dan iemand anders daaromtrent besluiten kunnen nemen? In vorige eeuwen is dat wel eens geschied door de Overheid; maar de kerken kennen terecht zelfs aan de Overheid zulk eene macht niet toe. Hoe zou dan een particuliere vereeniging, als de kerkelijke kas, aan die macht komen? Dat haar bestuur eenmaal in elken dienst de gewone collecte voor de kerk houdt, is ook waarlijk niet, omdat dit bestuur zulks zou besloten hebben, maar omdat de kerkeraad het besloten heeft en de uitvoering van dit besluit aan het bestuur der kerkelijke kas heeft opgedragen. Uit zichzelf heeft een bestuur van de kerkelijke kas geenerlei kerkelijk karakter noch ook kerkelijke macht. Het bestuur der kerkelijke kas te X had dan ook geen besluit mogen nemen tot het houden eener extra collecte bij de samenkomsten der gemeente, als vallende dit geheel buiten zijn bevoegdheid. En nu het dit besluit toch genomen heeft, is er eenvoudig van te zeggen, dat het van nul en geener waarde is; daar het eene zaak betreft, waarover eeniglijk de kerkeraad te zeggen heeft.

Indien het bestuur der kerkelijke kas, als zijnde volgens opdracht van den kerkeraad met de administratie belast, van oordeel is, meer inkomsten te behoeven, dan moet het eerst beproeven die te verkrijgen door vermeerdering van vrijwillige inschrijvingen, met hulp van den kerkeraad. Als laatste redmiddel geldt altijd het houden van extra-collecten in de kerk. En als dat wenschelijk of noodig geacht wordt, moet het bestuur der kerkelijke kas zulks aan den kerkeraad verzoeken; en deze beslist dan, of hij tot zulk eene extra-collecte zal besluiten.

Blijkbaar heeft dus in dit geval het bestuur der kerkelijke kas den rechtsgrond, de positie en de bevoegdheid van die vereeniging niet goed begrepen. Tot vermijding van zulk misverstand zou misschien goed zijn, de administratie ook in formeelen zin kerkelijk te regelen, op de wijze als aan de Generale Synode van 1893 geadviseerd is door de Deputaten voor de plaatselijke ineensmelting, die ook een Concept-reglement voor het beheer toen hebben ingediend (te vinden in de Acta dier Syode; 1) en ook in 1893


1) Blz. 130 en 134-138.

|371|

afzonderlijk aan alle kerkeraden toegezonden); welk Concept en advies opgemaakt was door Prof. de Savornin Lohman, Prof. Wielenga, mijzelven, enz. Dan worden alle goederen en schulden formeel door de kerk zelve overgenomen; de vereeniging „kerkelijke kas” komt op nonactiviteit; en de kerkeraad zelf benoemt de administrateurs. Zulke overschrijving van goederen kan kosteloos geschieden, als men het advies volgt, dat Prof. de Savornin Lohman bereid is te geven, tot het zenden van een request aan den Minister van Finantiën, mits men mondeling aan Prof. Lohman alle inlichtingen vooraf geve, en dan een daarop gegrond advies volge.

 

(1914.)

372. Ge schrijft mij over een geschil, in zake vermeerdering van te verhuren zitplaatsen in de kerk, tusschen den kerkeraad en de onder dezen werkzame commissie van administratie, en ge vraagt mij, u „een weg te wijzen, die uit deze moeielijkheid leidt.”

Om dit ook maar te beproeven, zou ik echter bekend moeten zijn met de kerkelijke personen en toestanden te X, veel meer, dan nu het geval is, en dan zelfs per brief mij zou kunnen gegeven worden.

Over het punt in geschil kan ik mij hier niet eens een goede beoordeeling veroorloven.

Zoo b.v. weet ik niet, of uw kerkgebouw in het algemeen te klein is om de kerkgaande gemeente te bevatten, dan wel of dit enkel geldt van het gedeelte, dat door den kerkeraad voor verhuring is aangewezen; terwijl het toch voor de te volgen gedragslijn een groot onderscheid maakt, welke van die twee mogelijkheden zich voordoet.

En evenmin weet ik, op welke gronden de comm. van administr. (met 4 tegen 3 stemmen) weigerde, de opdracht van den kerkeraad, tot het bouwen van twee galerijen, uit te voeren. Het motief kan b.v. zijn dat hiertegen technische bezwaren zijn in het gebouw zelf; en het kan ook zijn, dat men acht dat de kerkelijke finantiën zulk een uitgave niet toelaten; en het kan ook zijn, dat men de meer vermogenden, die een plaats in de kerk kunnen huren, om hun

|372|

geldbezit een voorrang wil geven, al moeten dan de minvermogenden worden achtergesteld, zelfs in de christelijke kerk. Ook hier maakt dat verschil van motieven een groot onderscheid voor de bepaling van de te volgen gedragslijn.

Als het gebouw inderdaad steeds te klein is, moet op vergrooting worden aangestuurd, hetzij door galerijen, hetzij door uitbouw, hetzij door een nieuw kerkgebouw; en daarvoor moet dan in, en op, de gemeente gewerkt worden.

En als het niet te klein is, moet de regeling der plaatsen ertegen waken, dat niet de beste plaatsen voor de meervermogenden zijn, en de armeren, door den kerkeraad zelven, bij hen moeten achterstaan. Waartegen wel het beste is, dat in het geheel geen plaatsen meer verhuurd worden, maar dat aan ieder gemeentelid (ook eventueel voor zijn gezin), op zijne aanvrage de noodige zitplaatsen worden toegekend; zonder onderscheid van arm of rijk; en zoo mogelijk bij loting toe te wijzen, als meerderen dezelfde bank of plaats wenschen; waarbij men dan vrijwillig plaatsengeld kan geven, maar zonder dat dit eenigen voorrang geeft, of wel zijne kerkelijke bijdrage in de collecte of bij de inschrijving kan geven. Op deze wijze is de plaatsen-quaestie in onze Amsterdamsche kerk opgelost; en deze regeling, die nu al meer dan 25 jaren hier in werking is, heeft in alle opzichten steeds best voldaan, zonder dat er eenig bezwaar aan verbonden bleek te zijn. Intusschen, de gemeente was er hier ook al lang voor bewerkt; en de aanzienlijkste leden, (naar maatschappelijken maatstaf) drongen er zelven het sterkst op aan, de minvermogenden toch niet bij hen achter te stellen. In gemeenten, waar men in geestelijk opzicht nog niet zoo ver is, zal men met zulke regelingen wel geduld moeten hebben; te willen doordrijven, zou dan niet gaan, en veel geestelijke schade doen. Maar wel moet altijd in die richting gestuurd worden.

Met dien misstand van plaatsen-verhuring staat nu ook het bovenbedoelde geschil zeker in verband. Maar hoe men nu, bij behoud van dien misstand, uit de bestaande moeielijkheid kan komen, is iets, waarover ik, om de reeds boven aangegeven reden, geen advies kan geven. Tenzij door het negatieve advies, om den knoop niet door te hakken, door aan leden der comm.v. administr. om deze reden ontslag te geven, d.i. hen af te zetten; ’t geen

|373|

formeel wel kan, maar hier toch niet voldoende gemotiveerd zou zijn, en op groote schade voor de gemeente in allerlei opzicht zou uitloopen. Eerder zou men die leden hebben duidelijk te maken, dat wie in een kerkeraads-commissie een wettig genomen besluit meent niet te kunnen of te mogen uitvoeren, dan van zijn mandaat moet vragen ontslagen te worden; tenzij dan dat zijn verzet uit gehoorzaamheid aan een onmiskenbaar woord Gods voortkomt; ’t geen hier niet het geval kan zijn.

Misschien kan het geschil wel aan een eind komen, als één der vier bedoelde leden aftreedt, en dan, daar hij niet herkiesbaar is, de kerkeraad iemand benoemt, die anders denkt.

Naar uwe mededeeling onderstelde ik, dat ge voor het beheer de regeling hebt, die ik voor de Generale Synode van 1893 als model concipieerde, en die toen door de Synode aan de kerken is aanbevolen en in haar Acta afgedrukt.

Rutgers, F.L. (1922) 224

224. Bevoegdheid van kerkeraad en gemeente ten opzichte van traktementsverhooging.

 

(1906.)

373. Ieder zal natuurlijk wel erkennen, dat voor een stadspredikant een tractement van f 1000.- veel te klein is, om met een gezin van te leven, en dat zulk een tractement dus moet verhoogd worden, wanneer de gemeente tot zulke verhooging in staat is. Of en in hoeverre dit in X het geval is, kan ik echter in ’t geheel niet beoordeelen, daar ik niets weet van den finantieelen toestand dier kerk en van den stoffelijken welstand harer leden. Intusschen kan zulk een verhooging m.i. niet afhankelijk gesteld worden van het al of niet aanwezig zijn van een batig saldo op de kerkerekening. Zulk een batig saldo zal er in kerken, die geen eigen groote bezittingen en fondsen hebben, wel bijna nooit voorkomen, althans niet een saldo van eenige beteekenis; want de gemeenteleden plegen doorgaans, door giften en contributien, niet meer te geven dan blijkt noodig te zijn; vaak zelfs dit slechts met groote moeite. Maar wèl is eene noodige tractementsverhooging afhankelijk van de omstandigheid, of de gemeenteleden hunne giften en contributien voor de kerk wat verhoogen

|374|

kunnen en verhoogen willen, doordat zij hunne verantwoordelijkheid en verplichting te dien aanzien gevoelen en erkennen.

Nu is het zonder twijfel de kerkeraad, die het tractement te regelen heeft, daar deze het bestuur, en wel het eenige bestuur, der gemeente is. Hij mag zelfs zijne bevoegdheid, en dus zijne verantwoordelijkheid, voor geene enkele zaak van bestuur of regeling van zich afschuiven en overdragen op de gemeenteleden of op eene „vergadering” van deze. Dit toch zou niet „Gereformeerd” zijn, maar „Independentistisch” (in welk stelsel de revolutionnaire idee van „volkssouvereiniteit” in de kerk wordt ingebracht).

Maar al is het ook de kerkeraad, die in deze zaak beslissen moet, hij mag dat toch niet doen buiten de gemeente om, of zelfs tegen haren zin. Ook in deze zaak moet hij, alvorens een besluit te nemen, zich zooveel mogelijk op de hoogte stellen, hoe men in de gemeente daarover denkt, en zijn best doen om (nl. indien de zaak mogelijk zijn zou) de gemeenteleden daarvoor te winnen. Niet, om dan eigenlijk de gemeenteleden te laten beslissen; maar wel om met de stemming in de gemeente behoorlijk rekening te houden.

Hoe nu de kerkeraad zich daarvoor met de gemeenteleden in contact moet stellen, hangt af van allerlei plaatselijke gesteldheden. De ouderlingen kunnen, bij hun huisbezoek en anderszins, met de leden daarover spreken, om de zaak voor te bereiden. De commissie van beheer of administratie, door den kerkeraad ingesteld, kan door hare leden of agenten pogingen aanwenden, om de contributien voor de kerk, voor welke de leden inschreven, wat verhoogd te krijgen. De kerkeraad kan, wegens de kerkelijke behoeften, bij de leden aandringen op ruimer bijdragen in de collecten. Hij kan ook de leden eens bijeenroepen tot eene samenkomst (niet eene geconstitueerde vergadering, die alsdan allicht zou denken, macht te hebben tot „besluiten”; maar eenvoudig eene samenkomst) om de zaak van tractementsverhooging bij de leden aan te dringen, en de mogelijkheid van uitvoering met hen te overleggen. Enz. Hier in Amsterdam gebruikt de kerkeraad alle deze middelen, en nog andere; want anders zouden we met onze kerkelijke administratie er niet komen. Maar wat nu voor X de beste middelen zijn, moet de kerkeraad aldaar weten.

Rutgers, F.L. (1922) 225

|375|

225. Mag een predikant de pastorie verhuren, als hij elders woont?

 

(1887.)

374. Gaarne beantwoord ik uwe vragen, voor zooveel mij dit mogelijk is zonder kennis van lokale regelingen.

In gemeenten met meer dan één predikant regelt zich gewoonlijk de ouderdom naar den diensttijd in de gemeenten, en wordt alzoo van zelf (in gemeenten van twee predikanten) de jongste de oudste, wanneer er eene vacature komt. In zake tractement en emolumenten komt hij dan ook in de plaats van den oudsten; tenzij hieromtrent andere plaatselijke regeling bestaat. Dit doet ook niet te kort aan het recht der gemeente om haar eigen leeraar te kiezen, daar immers die jongste ook door de gemeente gekozen was. Oudste of jongste, is doorgaans alleen eene quaestie van tractement en emolumenten.

Indien een predikant de voor hem aangewezen pastorie niet bewoont, kan hij die zeker niet verhuren zonder toestemming van kerkvoogden. Misschien zijn kerkvoogden wel bevoegd, zelve te verhuren. Of die huur ten bate van den predikant komt, hangt meest af van plaatselijke regeling en onderhandsche afspraak.

Intusschen zou ik altijd raden, op zulke punten geen kerkelijken strijd te beginnen. Nu overal de geestelijke strijd gevoerd wordt; nu het gaat om de vraag wat het hoogste is: Gods Woord of Synodale reglementen; nu er moet gekozen worden tusschen den Heere en de menschen; — moet de hoofdzaak ook hoofdzaak blijven, en moet op dat geestelijke punt alle kracht gericht worden.

Rutgers, F.L. (1922) 226

226. Hoe moet het, als de kerkelijke administratie van de Diakonie geld leende?

 

(1905.)

375. Het is altijd een verkeerd ding, wanneer van twee verschillende administraties, die beide aan dezelfde gemeente behooren, de eene aan de andere leent; nog te meer, als dit op lossen voet geschiedt. Dat brengt beide administraties op den duur in de war, en leidt tot groote moeielijkheden. Zooals ge in X nu ook ondervindt.

|376|

Hoe er nu wéér uit te komen?

Hier in Amsterdam was bij de plaatselijke ineensmelting in 1897 iets dergelijks bij kerk A, waar de Diakonie f 4000 aan de kerk geleend had. De kerkelijke administratie heeft toen de verplichting op zich genomen, daarvan jaarlijksche rente te geven, en het kapitaal te restitueeren, zoodra legaten enz. daartoe in staat stelden (’t geen sedert ook geschied is).

Nu zijn echter in X niet zoo licht buitenkansjes te wachten; en een rente van b.v. 3%, dus f 27.— per jaar, kan ook eenigszins bezwarend zijn.

Toch mag daarom die schuld niet eenvoudig geschrapt worden, zelfs al zouden diakenen daarin toestemmen, want dat zou zijn: vervreemding van hetgeen den armen toekomt; ’t geen nooit mag.

De schuld moet erkend worden, en althans moet teruggave beloofd worden, zoodra de kerkelijke administratie daartoe ook maar eenigszins in staat is. Daarin moeten de diakenen m.i. berusten, ook al hebben zij recht om onmiddellijk teruggaaf te vorderen (daar geen termijn bepaald is), aangezien zij, ook als diakenen, de gemeente niet in groote moeielijkheden mogen brengen, zonder noodzaak, en zonder dat het tegen hun conscientie zou zijn.

Rente kunnen zij dan zeer zeker voor de toekomst bedingen, b.v. 3%. Maar, indien werkelijk de diakonie veel minder arm is dan de kerk, zou er dan geen mogelijkheid zijn, die rente te vinden, b.v. door extra collecte, of door aan eenige leden, van wie men onderstellen kan, dat zij zilver in de collecte geven, onderstand te vragen: dat zij dan de kerk wat meer bedenken dan de diakonie, zoolang de kerkelijke lasten zooveel meer zijn? Op soortgelijke wijs als er hier in Amsterdam ook zijn, die jaarlijks in de collecten voor de kerk meer geven dan in die voor de diakonie, met het oog op de schulden der kerk, die voor alle dingen moeten afgedaan worden.

Rutgers, F.L. (1922) 227

227. Moet de gemeente inzage hebben van de finantiën der Diakonie?

 

(1912.)

376. In zake de rekening van hetgeen diakenen ontvangen en

|377|

uitgeven gold steeds, en geldt nog, de bepaling van art. 25 K.O., laatste gedeelte, dat die zal geschieden „in den kerkeraad, en ook (zoo iemand daarbij wil zijn) voor de gemeente”.

De kerkeraad heeft dus de rekening na te zien en door zijne goedkeuring de diakenen te dechargeeren; maar aan gemeenteleden kan het recht niet ontzegd worden, mede van die rekening kennis te nemen, niet om uit een soort van nieuwsgierigheid „te zien waar de gaven besteed worden”, maar om eventueele bezwaren ter kennis te kunnen brengen van den kerkeraad, die daar dan natuurlijk zelf over zou te oordeelen hebben (altijd behoudens beroep op de Classe, enz.).

Aan dat recht zou ik niet gaarne afbreuk willen doen; daar het immers in kleine kerken, die slechts een paar diakenen hebben, en ook maar een paar ouderlingen, zonder twijfel mogelijk is, dat er bij de hulpverleening, ook nog zonder eenige eigenlijke oneerlijkheid, toch soms eenige partijdigheid of verkeerd inzicht insluipt, of ook maar de verdenking daarvan; en dan is juist het ter visie leggen voor de gemeente de veiligheidsklep, zoowel tot verbetering van eventueelen misstand, als tot wegneming van ongegronde verdenking; ’t geen dan natuurlijk aan het werk van diakenen weêr ten goede komt. En ter andere zijde zou het juist verdenking opwekken, wanneer aan de gemeenteleden formeel belet werd, van de rekening kennis te nemen.

In groote gemeenten staat de zaak zeker eenigszins anders, en weegt, meer dan in kleine gemeenten, dat namen en bedragen der ondersteuning niet aan de vele honderden leden zijn mede te deelen, aangezien dat dan gelijk staat met publiciteit, die in strijd is met de Christelijke broederliefde en kieschheid.

Op dezen laatsten eisch zal ook altijd te wijzen zijn, wanneer in kleine gemeenten één of meer gemeenteleden de rekening komen zien, zoodat dit altijd „vertrouwelijk” geschiede, en onder de verplichting, er niet tegen anderen van te spreken. En voorts zou ik, bij het ter visie leggen van de rekening, de lijst of het boekje van de ondersteunden niet zoo maar bij de rekening neerleggen, maar alleen ter inzage geven, wanneer speciaal hiernaar gevraagd werd, en ook dan nog vooraf die inzage afraden, met het oog op de eischen van broederliefde en kieschheid.

|378|

Hoe die aangelegenheid in X het best zou te regelen zijn, kan ik, door onbekendheid met personen en toestanden en omstandigheden, natuurlijk niet zeggen.

Rutgers, F.L. (1922) 228

228. Mag een kerk onroerend goed, haar onder zekere voorwaarden gelegateerd, verkoopen?

 

(1915.)

377. In uw schrijven deelt ge mij mede, dat in 1897 de Geref. kerk van X door erfstelling eigenares is geworden van een huis en erve, waaraan de erflater echter de bepaling verbonden had, dat, wanneer die kerk strafbaar afweek van de Geref. leer (naar het oordeel der meerdere vergaderingen), deze schenking overeenkomstig de wet zou kunnen worden te niet gedaan. En naar aanleiding van een plan, om dat huis te verkoopen aan de Vereeniging voor Geref. Schoolonderwijs (die het thans reeds in huur heeft, en van die erve een gedeelte in erfpacht heeft), vraagt ge mij, of m.i. het karakter van de gestelde ontbindende voorwaarde verkoop toelaat, dan wel eischt, dat het pand zelf eigendom blijft van de Geref. kerk te X.

Die vraag is geheel van juridischen aard; en dus moet ik u natuurlijk raden, daarover het advies te vragen van een rechtsgeleerde, die u dan ook wel zal kunnen zeggen, op welke wijze en door welke acte een eventueele verkoop kan geschieden. Maar dan moet ge zulk een rechtsgeleerden adviseur geheel op de hoogte stellen, doordat ge alle stukken, die op de zaak betrekking hebben (de acte van schenking, extract uit het daarop betrekking hebbend testament, acte van erfpachtgeving aan het schoolbestuur en van verhuring van het huis, en wat er meer zijn mocht), in originali of in authentiek afschrift ter lezing geeft.

Voor zooveel ik, zonder jurist te zijn en zonder inzage van de stukken, deze quaestie kan beoordeelen, zou ik zeggen, dat het bedoelde huis en erve door de kerk zeker kan verkocht worden, maar dat daardoor niets wordt afgedaan of kan afgedaan worden van de „ontbindende voorwaarde”, zoodat, wanneer het daarin onderstelde geval van afwijking in de leer zich mocht voordoen, en alsdan door de rechthebbenden vernietiging der schenking

|379|

geeischt werd, de kerk dat geschonkene zou moeten teruggeven, of, indien zij dit niet meer kon doen, de waarde ervan, met schade en kosten, zou moeten uitkeeren. Ik denk echter, dat het bedoelde geval zich wel niet licht zal voordoen; daargelaten nog de vraag, of na een groot aantal jaren de nakomelingen van de erflaters (of van hunne erfgenamen) eene actie zullen kunnen instellen. Maar ik herhaal: dit zijn juridische quaesties, die door een jurist, na kennisneming van de stukken, te beoordeelen zijn.

Als bedoeling van de erflaters wordt, naar uwe mededeeling, vermoed, dat zij dit huis voor pastorie wilden gebruikt zien. Maar dit is slechts een vermoeden, ’t welk door de erflaters zelven blijkbaar niet is uitgedrukt, en 't welk bij de aanvaarding van die erfstelling ook niet in aanmerking is gekomen, daar men anders dit huis terstond tot pastorie zou gemaakt hebben. En evengoed kan men vermoeden, dat de bedoeling dezelfde was, als bij zulke erfstellingen doorgaans het geval is, nl. de kerk finantieel te helpen, door het bezit van iets, dat rente geeft. — Maar ook hierbij geldt, dat ik met de personen en omstandigheden van deze erfstelling niet bekend ben.

Rutgers, F.L. (1922) 229

229. Hoe moet het gaan met de bezittingen eener Gereformeerde kerk, die ophoudt te bestaan?

 

(1907.)

378. Uwe vraag is meer van juridischen dan van kerkrechtelijken aard. Maar ook een rechtsgeleerde zou, om er op te kunnen antwoorden, het door u bedoelde testament (of een authentiek afschrift van de testamentaire beschikking, waarop het hier aankomt) moeten zien. Uw sommiere mededeeling over den inhoud zal zonder twijfel wel correct zijn; maar omdat in zulke gevallen de bewoordingen zelve van zooveel gewicht zijn, moet een deskundige, die daarover adviseeren zal, die bewoordingen zelve dan ook precies kennen.

Voor zooveel ik naar uwe mededeeling kan oordeelen, kan het bedoelde onroerende goed door de Geref. kerk te X zeer zeker niet verkocht worden zonder toestemming van de Classe. En het woord „toestemming” kan nooit de beteekenis hebben van „voorkennis” of „advies” of „medeweten” of iets dergelijks. Het beteekent

|380|

altijd en immer, dus ook in dit geval, dat, wanneer de Classe den verkoop niet wil, die verkoop ook niet kan geschieden. Indien de kerk te X dus wil verkoopen, moet zij eerst de toestemming van de Classe vragen.

Of het raadzaam en zelfs noodig en onvermijdelijk zijn zal, de Geref. kerk te X als zoodanig te doen verdwijnen, kan ik natuurlijk niet beoordeelen. Eventueel zou de Classe daarover moeten beslissen. Maar ik zou zeker niet raden daartoe over te gaan, zoolang er nog een paar kerkeraadsleden te vinden zijn. Indien er nog geen Gereformeerde kerkinrichting was, zou men thans zeker niet tot zulke constitueering moeten overgaan. Maar om ze, waar zij nu eenmaal bestaat, weêr te doen ophouden, is geheel iets anders. Daartoe moet men niet overgaan zonder bepaalde en duidelijke noodzakelijkheid.

Hoe het in zulk een geval zou moeten gaan met de kerkelijke bezittingen, d.i. met hetgeen er bij liquidatie, na afdoening van alle schulden en verplichtingen, aan batig saldo overblijft, in roerend en onroerend goed, zal m.i. het beste te bepalen zijn door de alsdan nog aanwezige mannelijke gemeenteleden, onder leiding van de Classe, en met hare goedkeuring; welke goedkeuring hier in ieder geval te meer noodig is, wegens de bestaande testamentaire beschikking. In geen geval mogen de alsdan nog overblijvende gemeenteleden zich daarvan iets toeëigenen; want zelfs al zou dat wettelijk kunnen, het zou toch eene zonde zijn tegen het 8e gebod. Maar op welke manier en in welke vormen dan over het bedoelde batige saldo of overblijvend onroerend goed te beschikken is, zou met een rechtsgeleerde en notaris te overleggen zijn, ten einde niet op eenige wijze in strijd te komen met de wet, en daardoor zich moeielijkheden op den hals te halen.

Natuurlijk kan de kerk te X zelve, voor hare eventueele opheffing, wettiglijk over dat onroerende goed eene beschikking maken, ten bate eener naburige kerk, op welke het dan wordt overgedragen, of op andere wijze. Maar altijd met goedkeuring en toestemming van de Classe.

Rutgers, F.L. (1922) 230

230. Hoe moet de opheffing der Vereeniging „de kerkelijke kas” geschieden?

|381|

(1897.)

379. Wanneer een kerkelijke administratie, tijdelijk gevoerd door een Vereeniging „de kerkelijke kas”, ook formeel kerkelijk gemaakt wordt door overdracht aan den kerkeraad (gelijk thans wel overal wenschelijk is), dan is de hoofdzaak, dat die overdracht behoorlijk en wettiglijk geschiede. Waartoe o.a. behoort:
dat het bestuur der Vereeniging „de kerkelijke kas” op zijn desbetreffend besluit tot overdracht der vaste goederen de goedkeuring verkregen heeft van de Commissie van Contrôle (deze toch is volgens de statuten noodig, niet de goedkeuring van de algemeene vergadering, die ook niet voldoende is);
dat tegelijk met de goederen ook de schulden der vereeniging door den kerkeraad ten name der Geref. kerk aanvaard en gesteld worden (natuurlijk met goedvinden van de schuldeischers, voor welke anders aflossing moet plaats hebben, en overneming der schuld door anderen);
en dat de vaste goederen notarieel, bij acte, ten name van de Geref. kerk gebracht worden; waarbij men vrijdom van overdrachtskosten kan verkrijgen, door vooraf het bekende request aan de Koningin-Regentes te zenden.

Tegelijk met de goederen en schulden moet dan natuurlijk ook de administratie door de Vereeniging de „kerkelijke kas” worden overgedragen aan degenen, die de kerkeraad voor het beheer aanwijst of benoemt.

Wat er dan verder gebeurt met de Vereeniging „de kerkelijke kas” is van zeer weinig belang; daar toch verder die vereeniging niets meer ontvangt en uitgeeft, en niets meer bezit of schuldig is, dus ook niets meer te administreeren heeft.

Indien men besluit haar te ontbinden, behoeft daarvan m.i. aan de Regeering geen kennis te worden gegeven. „Vereenigingen” sterven doorgaans zonder dat de regeering er iets van merkt of behoeft te merken; dikwijls eenvoudig doordat de tijd waarvoor zij opgericht zijn, verloopen is, zonder continuatie.

Indien echter besloten is de vereeniging met 31 December 1897 te ontbinden, dan bestaat zij ook na dien tijd niet meer. En dan is noodig: òf dat de geheele overdracht van goederen en schulden en administratie vóór dien tijd zij afgeloopen (waarmede dan nu

|382|

wel haast mag gemaakt worden), òf dat het bestuur door de algemeene vergadering gemachtigd zij om de zaken der vereeniging te liquideeren. Maar dit laatste schijnt mij toe, nogal tot omslag en moeielijkheid aanleiding te zullen geven. En dus zou ik zeker raden, vóór de ontbinding, en dus vóór 31 Dec. de geheele overdracht te doen afloopen.

Van die overdracht kan dan zeker nog verslag gedaan worden aan eene algemeene vergadering. Maar noodig acht ik dit niet. Het bestuur is gedechargeerd door de acte, waarbij de kerkeraad verklaart wat hij heeft overgenomen: de vaste goederen bij notarieele acte, de roerende goederen bij eenvoudige onderhandsche ongezegelde verklaring van overneming.

Daar ik niet weet, hoe de zaken bij u gegaan zijn, kan ik geen precieser inlichting geven. Dat is per brief toch ook moeielijk. Mondeling kunt ge voorlichting, zoo noodig, zeker wel krijgen bij Ds. Klaarhamer te Utrecht, waar men met zulke overdracht reeds lang klaar is.

 

(1901.)

380. In zake de regeling van de kerkelijke administratie vindt ge mijn gevoelen in het Rapport, dat eene commissie (waartoe, behalve ik zelf, ook behoorden Prof. Wielenga, Jhr. Mr. de Savornin Lohman, Ds Beuker enz.) indiende bij de Generale Synode te Dordrecht 1893: ’t geen ge, blijkens uw schrijven, ook kent. Daarin zijn ook, in het kort, de hoofdgronden aangegeven, waarom het ons raadzaam voorkwam, dat de kerkeraad het beheer wèl regelde en van zich afhankelijk hield, maar niet feitelijk zelf voerde; van welke gronden de meeste ook genoemd worden in uw schrijven aan mij. Ik geloof ook, dat de meeste kerken het beheer wel in dien geest geregeld hebben, ook de voormalige Chr. Ger. kerken; behalve misschien in Groningen, Drente en Overijsel.

Dat is dan niet een in de practijk behouden van „de kerkelijke kas”, want al het eigenaardige van zulk een vereeniging is dan weg. Het behouden van eene jaarlijksche samenkomst van de leden der gemeente, een bespreking van stoffelijke zaken (mits niet

|383|

besluiten daarover) maakt de zaak dan niet anders. Ook niet, wanneer de leden der Commissie van administratie aldus door alle stemgerechtigden gekozen worden uit een door den kerkeraad gemaakte voordracht (ofschoon wèl van ons advies afwijkt, dat de gemeenteleden ook buiten de voordracht kunnen gaan; ’t geen het gevaar oplevert van een mogelijk conflict tusschen Commissie van administratie en kerkeraad, en dezen laatsten niet genoeg erkent als het bestuur der gemeente).

Hier in Amsterdam houden we die jaarlijksche samenkomsten alleenlijk voor besprekingen, om inlichtingen te geven, wenschen te hooren, eventueele bedenkingen en bezwaren uit den weg te ruimen, enz.; en ook om eene Commissie van contrôle door de gemeenteleden te doen krijgen, die dan aan den kerkeraad rapporteert over haar onderzoek van de rekening enz., waarvan bij den kerkeraad de goedkeuring staat, evenals ook de begrooting wel door de Commissie van administratie wordt opgemaakt, maar van de goedkeuring van den kerkeraad afhankelijk is. Een conflict tusschen twee colleges, beide uit de gemeente opgekomen, moet niet kunnen voorkomen. De kerkeraad moet ten slotte, ook in zake administratie, het eenige bestuur zijn; altijd behoudens appèl op Classe en Synode.

 

(1903.)

381. Zeer terecht wordt er in uw kerk op aangedrongen, dat men de kerkelijke administratie niet langer late voeren door eene vereeniging „de kerkelijke kas” (in 1887 vgg. voorzichtigheidshalve opgericht, als noodhulp, maar thans reeds sinds lang niet meer noodig), maar die administratie ook in formeelen zin kerkelijk make, liefst doordat de kerkeraad een commissie van beheer benoemt, instrueert, en aan zich verantwoording laat doen.

Wanneer bij u iemand daartegen aanvoert, dat „de kerken, voortgekomen uit de doleantie, wel bij de regeering zijn bekend, maar niet erkend, zoolang zij niet plaatselijk vereenigd zijn met de kerken voortgekomen uit de actie van ’34”, dan kan ik slechts de tegenvraag doen, wat men dan onder „erkend” verstaat? Eene vraag, die de bedoelde tegenwerper zich waarschijnlijk niet gesteld heeft.

|384|

Misschien meent hij, dat daarvoor noodig is een besluit of eene verklaring der Regeering, dat zij dit of dat kerkgenootschap erkent. Maar als iets dergelijks noodig was, dan zouden er hier te lande in ’t geheel geen erkende kerken of kerkgenootschappen zijn; want noch voor het Herv., noch voor het Luth., noch voor het Menniste, noch voor eenig ander kerkgenootschap is iets dergelijks geschied. En er is ook zelfs geen wetsartikel, waarop zulke erkenning zou kunnen steunen.

Een kerk wordt als erkend beschouwd, wanneer zij bij de Regeering als kerk bekend is en zich ook voorts gedraagt naar de Wet, regelend het toezicht op de kerkgenootschappen, van 1853.

En nu zijn al onze 700 Geref. kerken als zoodanig aan de Regeering bekend, volgens haar bericht van 1892: terwijl er een officieele lijst van die kerken bij de Regeering is, en aldaar accuraat wordt bijgehouden: wanneer b.v. twee kerken ineensmelten en daarvan aan de Regeering bericht zenden, en er komt dan niet spoedig bericht van de Generale Depp. voor de correspondentie met de Hooge Overheid, dat het kerkverband die ineensmelting heeft goedgekeurd (’t geen die Depp. van de Classe moeten vernemen), dan worden (gelijk reeds voor een aantal jaren geschied is) de Depp. door de regeering zelve geïnterpelleerd om bericht te zenden.

Duidelijk is ook wel voor ieder, dat onze kerken alle tot de erkende kerkgenootschappen gerekend worden, als men er op let, dat zij deelen in alle rechten en voorrechten, bij de Wet aan erkende kerkgenootschappen toegekend. In de Militiewet zijn zelfs bij de laatste wijziging speciale bepalingen ingelascht voor de „Geref. kerken” (in onderscheiding van de „Christel. Geref.” en allerlei andere), die in die wet met name als zoodanig genoemd worden, en voor welke andere bepalingen noodig waren in zake afgeven van attesten, omdat juist die 700 kerken samen geen kerkgenootschap vormen. Ook in correspondentie eener kerk met de Hooge Overheid (b.v. in zake aanvaarden van legaten; en jaarlijks tot het doen van kerkelijke opgaven enz.) zijn alle die kerken blijkbaar altijd als erkend beschouwd en behandeld.

Het komt mij dan ook zeer vreemd voor, dat een lid dier kerk zelf te dien aanzien twijfel oppert. Mij dunkt dat kan slechts op

|385|

misverstand berusten; nl. op het misverstand, alsof onze Regeering ooit erkenningen, met zooveel woorden uitdrukt of afgeeft, of zulks ooit doen kan.

 

Voor X, waar de Geref. kerk nog in den zondigen toestand van gedeeldheid leeft, is terzijdestelling van de vereeniging „de kerkelijke kas” te meer noodig; daar die moet geschied zijn, vóórdat de ineensmelting tot stand komt: anders permitteert de Min. van Finantiën niet, dat de overschrijving der goederen ten name der „Geref. kerk” kosteloos geschiede en kan hij dit ook niet permitteeren. En op die ineensmelting moet toch voortdurend worden aangewerkt. Met het oog daarop hoorde ik ook met leedwezen, dat er Geref. kerken in uw provincie zijn, die onwillekeurig de klove verbreeden (in plaats van haar te helpen dempen), door thans nogal sterk tegen de Theologische school te ageeren. Laat men dat toch niet doen! Zoolang de kerken die school houden, moeten zij haar ook in stand houden. En in geen geval moet men het verschil over de opleiding in de gemeente indragen en versterken, zoodat alle gemeenteleden zouden moeten gaan partij kiezen. Waar de toestand eenigszins gespannen is, dunkt mij wel het beste, alle collecten voor de opleiding tegelijk voor School en Faculteit te houden, en dan de opbrengst gelijkelijk te verdeelen. En ook in het algemeen dunkt mij dat het beste; hier in Amsterdam zien wij daarvan bij voortduring goede vrucht.

 

(1904.)

382. Met het oog op de wenschelijkheid, om de kerkelijke administratie, waar zij thans wel in wezen bij de kerk is maar nog nominaal bij eene Vereeniging „de kerkelijke kas” berust, ook formeel geheel kerkelijk te maken. heb ik in de Heraut van 2 januari 1898 1) (nº. 1045) een advies gegeven (ruim twee kolommen


1) In de kerken, wier beheer sedert 1887 door eene Vereeniging „de Kerkelijke Kas” gevoerd is, begint men al meer in te zien, dat het tijd is, die Vereeniging weer te doen verdwijnen. Indertijd was zij noodig, ter wille van de rechtszekerheid der kerkelijke goederen. Maar sedert ➝

|386|

vullende) over alles wat te bedenken en te doen is, om die zaak goed te doen loopen. ’t Is wel zaak, op al de daarin aangeroerde punten goed te letten.

Daarin vindt ge uwe vraag ook beantwoord, bij het onder 5º geschrevene, o.a. inhoudende, dat het in sommige gemeenten (met name de grootere) raadzaam zijn kan, om, ook al worden alle goederen en voorts de geheele administratie aan den kerkeraad


➝ 1892 kan die reden geacht worden vervallen te zijn. En dan is er ook geen grond meer, om de kerkelijke administratie bij voortduring aan eene niet-kerkelijke vereeniging op te dragen. Er kan dan weer gehandeld worden naar den algemeenen regel, dat elke administratie haar eigen karakter moet dragen, en dat eene kerkelijke administratie dus ook moet gevoerd worden in een kerkelijken vorm en onder kerkelijken naam.
Waar men dit nu in practijk wenscht te brengen, komt de vraag, hoe dit kan. En dan zijn er blijkbaar vele kerken, die ter dien aanzien wel eenige inlichting noodig hebben. In den laatsten tijd althans komt van onderscheidene plaatsen telkens eene vraag om zoodanige inlichting. En daar het moeilijk aangaat, zulke brieven telkens afzonderlijk te beantwoorden, volge hier voor die allen te zamen eene korte aanwijzing, die den gang van zaken, om tot het gewenschte doel te komen, genoegzaam beschrijft.

De eerste stap kan gedaan worden, hetzij door den kerkeraad hetzij door het bestuur der Vereeniging „de Kerkelijke Kas”. Maar een verkeerde schijn, of een ongewenschte indruk, wordt zeker het best voorkomen, wanneer het dit bestuur is, dat de zaak aanhangig maakt. Dit bestuur dan besluit, aan den kerkeraad in overweging te geven, de administratie der kerkelijke goederen, fondsen en inkomsten, welke sedert eenige jaren door de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” ten dienste van den kerkeraad gevoerd werd, van nu af in alle opzichten en dus ook in formeelen zin, kerkelijk te maken.
De kerkeraad, zulk een schrijven ontvangen hebbende, besluit, het daarin vervatte voorstel aan te nemen, en hiervan aan voornoemd bestuur bericht te zenden. En daarna nemen de beide colleges, elk afzonderlijk, de volgende besluiten.

De kerkeraad besluit in zijne vergadering:
1º. De administratie van de kerkelijke goederen, fondsen en inkomsten, welke hier sedert eenige jaren, met goedvinden van den kerkeraad, door de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” gevoerd is, zal voortaan in alle opzichten en dus ook in formeelen zin, kerkelijk zijn; met bepaling, dat dit besluit zal in werking treden op den dag, waarop de genoemde administratie aan den kerkeraad wordt overgedragen, en dat van dien tijd af de volgende regeling daarvoor gelden zal:

Hier moet nu worden opgenomen de door den kerkeraad vast te stellen „Regeling van het beheer van de goederen, fondsen en inkomsten der ➝

|387|

overgedragen (die dan daarvoor liefst een commissie van beheer benoeme van leden uit en buiten den kerkeraad), toch deze toestand van „de kerkelijke kas” nominaal te laten voortbestaan, ten einde ook verder nog erfstellingen of legaten, die ten haren naam mochten staan, te kunnen ontvangen (om ze dan onmiddellijk aan de Commissie van beheer te overhandigen.

Dat is de eenige reden, waarom zulk nominaal voortbestaan nog


➝ Gereformeerde kerk te ……” Een model voor zulke regeling, ontworpen door de HH. de Savornin Lohman, Rutgers, Wagenaar en Wielenga, is in Juli 1893 aan alle de Gereformeerde kerken hier te lande toegezonden, en moet dus in het archief van iedere kerk voorhanden zijn, terwijl het ook is afgedrukt in de Acta der Generale Synode te Dordrecht van 1893, blz. 135-138. lntusschen is natuurlijk niemand aan dat model gebonden; en waar men het gebruiken wil, kunnen plaatselijke omstandigheden soms ook eenige wijziging noodig of wenschelijk maken.

2º. De Commissie van Beheer, die als zoodanig optreedt zoodra de kerkelijke administratie door het bestuur van de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” aan den kerkeraad wordt overgedragen, zal bij haar optreden bestaan uit dezelfde personen, die alsdan dat bestuur uitmaken; met bepaling, dat deze in de Commissie zullen aftreden naar dezelfde volgorde, als waarin zij voor de aftreding uit genoemd bestuur aan de orde waren.

Natuurlijk kan de kerkeraad voor de Commissie van Beheer ook wel andere personen kiezen. Maar de zaak loopt verreweg het gemakkelijkst, wanneer men dezelfde personen neemt, als die het beheer toch reeds voerden.

3º. Zoodra het bestuur van de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” met zijne voorbereidende maatregelen gereed is, zal er eene samenkomst gehouden worden van den kerkeraad met dit bestuur, in tegenwoordigheid van een notaris, teneinde alle vaste goederen, die op naam dier vereeniging staan, bij notarieele acte te doen overschrijven ten name van de Gereformeerde kerk te …. Terzelfder tijd zullen alle roerende goederen, die in het bezit dier vereeniging zijn, door den kerkeraad voor de gemeente worden overgenomen. En desgelijks de geheele kerkelijke administratie met alle daarbij behoorende boeken, bescheiden, kasgelden, enz. Waarna al het aldus overgenomene terstond door den kerkeraad wordt toevertrouwd aan de door hem benoemde en alsdan in functie tredende Commissie van beheer.

Wanneer het houden eener samenkomst van den kerkeraad met het bestuur der Vereeniging „de Kerkelijke Kas”, wegens de talrijkheid van die colleges of om andere redenen te bezwaarlijk is, moeten zij door gevolmachtigden handelen, en dus in hunne besluiten aan bepaald aangewezen personen eene volmacht geven. Hieromtrent kan de notaris natuurlijk de noodige inlichting geven. En indien deze zelf met betrekking tot de vereischte acte soms nog vragen te doen heeft, zullen zijne ambtgenooten, die reeds soortgelijke acten ➝

|388|

wenschelijk zijn kan. Niet voor de zekerheid van het kerkelijk bezit; waarvoor zulk een voortbestaan van „kerkelijke kas”-vereeniging, na overdracht der goederen toch ook niets hoegenaamd zou kunnen afdoen.

Hier in Amsterdam hebben we, met het oog op eventueele legaten (die nog kunnen bestaan, niettegenstaande wij alle notarissen een brief gestuurd hebben om legaten enz. voor onze kerk


➝ passeerden, b.v. de heer G. Ruys te Amsterdam, hem zonder twijfel gaarne inlichten.

4º. Aangezien met de goederen van de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” ook de daarop rustende schuld moet medegaan, zal die schuld, met alle daaruit voortvloeiende geldelijke verplichtingen, tegelijk met de goederen door den kerkeraad worden overgenomen ten name van de Gereformeerde kerk te ….

Hoe dit besluit misschien nader te formuleeren is, en in ieder geval hoe het moet worden uitgevoerd, hangt geheel af van den aard der schuld (hypotheek, onderhandsche obligatie, leening door obligatie aan toonder, enz.). Bij obligatiën zal dit wel altijd moeten geschieden door verwisseling van de oude stukken tegen nieuwe. Ook moet natuurlijk de schuldeischer zulke nominale verandering van schuldenaar goedvinden. In den regel zal dit wel geen bezwaar ontmoeten, daar toch feitelijk de schuldenaar geheel dezelfde blijft, en de naamsverandering zelfs ten goede komt aan de soliditeit der schuldbekentenis. Maar voor zoover bezwaar wordt gemaakt, moet gezorgd worden, dat de schuld door een ander of door anderen wordt overgenomen.

Al de genoemde besluiten kunnen natuurlijk in dezelfde kerkeraadsvergadering genomen worden. En evenzoo heeft het bestuur van de vereeniging „de Kerkelijke Kas” slechts ééne vergadering noodig voor de besluiten, die zijnerzijds gelijktijdig te nemen zijn, volgende:
1º. De administratie van de kerkelijke goederen, fondsen en inkomsten, welke hier sedert eenige jaren, met goedvinden van den kerkeraad, door de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” gevoerd is, zal door haar bestuur aan den kerkeraad worden overgedragen, zoodra de voor zulke overdracht noodige voorbereidende maatregelen genomen zijn.
2º. Het bestuur zal onverwijld aan de Commissie van contrôle mededeelen, dat het, tot uitvoering van zijn besluit omtrent de overdracht van zijne administratie aan den kerkeraad, alle vaste goederen, die thans op naam van de Vereeniging „de Kerkelijke Kas” staan, moet overdragen ten name der Gereformeerde kerk te ....; met uitnoodiging aan deze Commissie, om voor zulke overdracht der vaste goederen hare door de statuten vereischte goedkeuring te willen verleenen, en zulks dan zoo spoedig mogelijk aan het bestuur te willen berichten.

Ter bespoediging kan de Commissie van contrôle ook worden uitgenoodigd, de bestuursvergadering, waarin deze besluiten te nemen zijn, bij te wonen, ➝

|389|

voortaan te formuleeren: „aan de Gereformeerde kerk te Amsterdam, bureau...., op de officieele bij de Regeering berustende lijst der Gereformeerde kerken in Nederland vermeld als nº ….”), de kerkelijke kas laten voortbestaan, zonder haar verder eenige administratie op te dragen, en zóó, dat voor haar puur nominaal bestuur gekozen worden leden van de commissie van beheer, gemakshalve; evenals we ook daarom de statuten en het Huishoudelijk


➝ om dan aanstonds hare goedkeuring te geven. Volgens de Statuten is die goedkeuring voldoende, en zou een desbetreffend besluit van de Algemeene Vergadering zelfs onwettig zijn. Bezwaar kan er voorts ook bij niemand zijn, daar juist door die overdracht aan de kerk zelve de Vereeniging thans het best aan het doel harer oprichting beantwoordt.

3º. Zoodra de onder 2º vermelde goedkeuring van de Commissie van contrôle verkregen is, zal het Bestuur, ten einde de bedoelde overdracht van vaste goederen kosteloos te doen plaats hebben, aan Hare Majesteit de Koningin-Weduwe Regentes (na 31 Aug. 1898 wordt dit: aan Hare Majesteit de Koningin) het request toezenden (op gezegeld papier), dat voor zulke gevallen is aanbevolen door de deputaten der Gereformeerde kerken voor de correspondentie met de Hooge Overheid, en dat reeds in vele gevallen altijd met het gewenschte gevolg is opgezonden.

Het bedoelde request is afgedrukt in de Acta der Generale Synode te Middelburg van 1896, blz. 23; waarbij nog op te merken is, dat in de beschrijving der goederen bepaaldelijk moet vermeld worden, hoe zij kadastraal bekend staan, en dat in de laatste twee alinea’s, door eene drukfout tweemaal „omschrijving” staat in plaats van „overschrijving”.

4º. In afwachting van het antwoord op het onder 3º vermeld request zal het Bestuur den kerkeraad helpen, om de schuld, die op de goederen der Vereeniging rust, te doen komen ten name van de Gereformeerde kerk te ....

Zie hierover de aanteekening onder hetgeen hierboven als nr. 4 van de te nemen kerkeraadsbesluiten vermeld is. De overbrenging van die schuld ten name van de Gereformeerde kerk loopt het gemakkelijkst, wanneer zij metterdaad door het Bestuur der Vereeniging wordt uitgevoerd. Vooral wanneer de leden van dit Bestuur door den kerkeraad in de Commissie van beheer benoemd worden, en dus feitelijk als administrateurs blijven dienst doen.

5º. In afwachting van het antwoord op het onder 3º vermelde request zal het Bestuur ook eene Algemeene Vergadering der Vereeniging doen bijeenkomen (met inachtneming van hetgeen omtrent de samenroeping eener buitengewone vergadering in de Statuten en in het Huishoudelijk Reglement bepaald is), ten einde daarin over de aanstaande overdracht der administratie de noodige mededeeling en inlichting te geven, en voorts de vraag te doen beantwoorden, of men, wanneer de Vereeniging toch ➝

|390|

Reglement zóó veranderd hebben, dat de leden van het puur nominaal bestuur van de „kerkelijke kas” door den kerkeraad gekozen en benoemd worden.

 

(1908.)

383. Toen de vraag van de Classe X (naar rechtszekerheid voor vaste goederen, bij erflating vermaakt aan een Vereeniging „de kerkelijke kas,” en overgeschreven ten name van „de Geref. kerk”) ter Generale Synode kwam, begreep ik niet veel van het „toelichtend” schrijven der Classe. Maar thans, na uw schrijven is mij nog duisterder, wat uwe Classe eigenlijk bedoelt. Blijkbaar heeft zij aan Mr. Lohman de kwestie duidelijker voorgesteld en er meer toelichting bij gegeven; anders zou hij wel geenerlei juridisch advies hebben kunnen geven. Maar waarom dan aan de Generale Synode geen duidelijke voorstelling gegeven? Waarom niet de gemeente genoemd, die over deze zaak in twijfel was, met bijvoeging van de zeer bijzondere omstandigheden die aldaar


➝ niets meer zal te doen hebben, goedvindt haar dan ook feitelijk niet langer in stand te houden.

Een opzettelijk besluit tot ontbinding is niet noodig, daar de Vereeniging, wanneer de jaren, voor welke zij is opgericht verloopen zijn, vanzelf ophoudt te bestaan. In groote gemeenten kan echter raadzaam zijn, de Vereeniging voor één doel nog een tijdlang actief te houden, nl. om erfstellingen en legaten, die men kan vermoeden nog ten haren name gemaakt te zijn, in ontvangst te nemen en aan de Commissie van beheer uit te keeren. Maar in dat geval moet ook haar bestuur worden in stand gehouden, en is dus raadzaam, de Statuten en het Huishoudelijk Reglement op wettige wijze zóó te veranderen, dat zij, door groote vereenvoudiging, geheel ingericht zijn op die zeer eenvoudige taak.

6º. Zoodra op het onder 3º vermelde request antwoord ontvangen is, zal er eene samenkomst gehouden worden van het Bestuur met den kerkeraad, in tegenwoordigheid van een notaris, ten einde alle vaste goederen, die op naam der Vereeniging staan, bij notarieele acte te doen overschrijven ten name van de Gereformeerde kerk te .... en alle roerende goederen, die in het bezit der Vereeniging zijn, aan den kerkeraad over te dragen. Desgelijks ook de geheele kerkelijke administratie, met alle daarbij behoorende boeken, bescheiden, kasgelden, enz., en met de goedkeuring der rekening (tot het tijdstip der overdracht) door de Commissie van contrôle.

|391|

schijnen te bestaan, en vooral met bijvoeging van een officieel extract uit het testament, waarin aan de vereeniging „de kerkelijke kas” een onroerend goed vermaakt was? Ge schrijft, dat de Classe ook wel wist, dat de Hooge Regeering sedert vele jaren een overdracht van de vereeniging „de K.K.” op de kerk niet als verandering van eigenaar beschouwt en behandelt (zelfs al verliest ’s Rijks kas daardoor de overdrachtskosten). Welnu, op welken grond betwijfelt nu de Classe of de Rechter eventueel wel zoo oordeelen zal? In haar schrijven aan de Synode, en in uw schrijven aan mij, is van zulken grond taal noch teeken te vinden. Hoe kon dan de Synode, en hoe kan ik nu, antwoorden op bedenkingen of bezwaren of gronden van twijfel, die zelfs met geen enkel woord zijn aangeduid? Men kan daar toch niet naar gaan raden; b.v. door te onderstellen, dat in het bedoelde testament uitdrukkelijk geconditioneerd is dat er altijd eene vereeniging „de K.K.” eigenares moet blijven, of door andere dergelijke onderstellingen te maken! En voorts wat bedoelt men met „rechtszekerheid?” Een rechter kan zeer zeker anders oordeelen dan de usantie en de besluiten der Hooge Overheid; maar hij doet het niet licht, en alleen op deugdelijke gronden. Edoch, hij kan evengoed anders oordeelen, dan een vroegere rechter deed; zelfs anders dan de Hooge Raad, wiens uitspraken nooit algemeene geldigheid hebben, maar altijd alleenlijk het bepaalde geval betreffen en zelfs kan de Hooge Raad in precies hetzelfde geval een volgend jaar wel eens geheel anders oordeelen dan het vorige, ’t geen ook wel geschied is (b.v. door eenige verandering van personeel of van rechtsbeschouwing). Een zekerheid, als uwe Classe schijnt te bedoelen, kan dus niemand ter wereld geven; ook niet voor eenig ander bezit, welk dan ook. Maar wat bedoelt ge dan met „eene oplossing van het bezwaar?”

Het schijnt mij toe, dat men in de door u bedoelde gemeente (en ook in uwe Classe) op dat punt eenigszins in de war is, en daardoor zichzelven moeilijkheden maakt. Tenzij dan, dat er in het bedoelde testament de ongerijmdheid staan zou, dat de eigenaar van het bedoelde goed altijd „de vereeniging de K K.” zou moeten heeten. Anders kan men aldaar m.i. gerust doen, wat men in bijna alle onze groote gemeenten reeds gedaan heeft,

|392|

zonder dat er eenige moeielijkheid volgde. Zijn er in die gemeente nog zeer bijzondere, mij geheel onbekende, bijomstandigheden, dan zou daarover een jurist zijn te consulteeren (natuurlijk met preciese en duidelijke opgaaf van die bijomstandigheden).

Rutgers, F.L. (1922) 231

231. Mag een Gereformeerde kerk eene leening sluiten met wie ook?

 

(1916.)

384. Gij schrijft mij, dat voor den bouw eener Gereformeerde kerk te X de burgerlijke gemeente aldaar o.a. „2/3 van het bouwkapitaal wil verstrekken tegen eene billijke rente (hoogstens 5%).” En naar aanleiding daarvan vraagt ge mij: „Mag zulk een aanbod worden aanvaard? Mogen wij als groep Gereformeerden zulk een transactie met de gemeente sluiten?”

Ik begrijp die vraag niet goed. Op zichzelf kan het natuurlijk voor Gereformeerden niet ongeoorloofd zijn, geld te leenen van Roomschen, Joden, heidenen, enz. of van eenig burgerlijk bestuur, als aan zulke leeningen maar geen voorwaarden verbonden zijn, waartegen principiëel bezwaar zou bestaan, en als die Gereformeerden maar genoegzame zekerheid hebben, dat zij de bedongen rente en aflossing altijd stipt zullen kunnen voldoen. Maar om welke reden er dan bij u onzekerheid zijn kan, of het aannemen der bedoelde leening wel geoorloofd is, kan ik niet gissen.

Twee punten zijn dan echter altijd goed in het oog te houden. Vooreerst, dat er in de te sluiten transactie niets voorkomt, waardoor de Gereformeerden te X in hunne kerkelijke vrijheid zouden belemmerd worden, en dat die transactie ook verder juridisch in orde is; waarvoor het advies van een bekwaam jurist zeker alleszins noodig is. En ten tweede, dat er te X aanwezig is, niet maar een losse groep Gereformeerden, zonder rechtspersoonlijkheid, en met wie het gemeentebestuur dan geene transactie zou kunnen sluiten, maar eene geïnstitueerde Gereformeerde kerk, of desnoods en tijdelijk eene wettiglijk erkende vereeniging.

Rutgers, F.L. (1922) 232

232. Wie moet bij uitgifte van een leening ten bate eener Gereformeerde kerk de obligaties teekenen?

|393|

(1898.)

385. Hiernevens de door u mij gezonden bestuursregeling terug. Ze is blijkbaar geheel op denzelfden leest geschoeid als de bestuursregeling, die de Generale Synode van 1893 aanbeval, en als de regeling die de Geref. kerk te Amsterdam onlangs aannam; slechts met uitzondering van de eerste alinea van art. 4 der X’sche regeling, welke alinea van geheel andere beginselen uitgaat en m.i. zelfs moeielijk zal kunnen uitgevoerd worden. Intusschen, juist daarom zal men ze dan ook in de practijk zeker wel niet opvolgen.

Wat nu uw vraag betreft in zake teekening van de nieuwe obligaties der Geref. kerk, zoo moeten die natuurlijk geteekend worden door of van wege den kerkeraad, als zijnde het bestuur der gemeente. Maar ook spreekt het vanzelf dat niet alle kerkeraadsleden behoeven te teekenen (hier in Amsterdam, waar de kerkeraad omtrent 150 leden telt, zou zulks zelfs ongerijmd zijn geweest); de kerkeraad kan het laten doen door zijn moderamen (praeses en secundus) en even goed kan hij ook bij formeel besluit een ander of anderen daartoe machtigen; evenals ieder college en ieder persoon anderen kan machtigen om te handelen.

Dat in X de commissie van beheer reeds van zelf gemachtigd zou zijn om voor de gemeente te teekenen, kan ik in uwe bestuursregeling niet zien. Eerder het tegendeel. Zelfs ontbreekt in de X’sche regeling alle bepaling omtrent aankoop, bezwaring, vervreemding, leening enz., (gelijk die wel gevonden wordt in het model der Generale Synode en in de Amsterdamsche regeling). Indien dus de commissie van beheer (of een paar van haar leden) de nieuwe obligaties zullen teekenen, dan moeten zij daartoe zeer uitdrukkelijk en formeel door den kerkeraad gemachtigd worden, en hiervan op de obligaties ook melding worden gemaakt.

Maar zou niet het eenvoudigst zijn, om, evenals wij hier in Amsterdam deden, de stukken te laten teekenen door praeses en scriba van den kerkeraad, en dan daarnaast (of daaronder) „geregistreerd door de commissie van beheer” met onderteekening van den boekhouder? Immers, waar is het bij die onderteekening om te doen? Toch alleenlijk om de houders dier stukken den besten, en gemakkelijkst door hen te begrijpen waarborg te geven. En

|394|

dit kan het best, door aldus èn kerkeraad èn commissie van beheer te laten teekenen; waarna er wel voor niemand der aandeelhouders meer explicatie zal noodig zijn. Of er dan soms een naam meer dan noodig is op het stuk staat, hindert natuurlijk niet. En het teekenen zelf zal ook wel zulk een bezwaar niet zijn. Hier in Amsterdam (waar ik in die week juist scriba van den kerkeraad was) had ik daarvoor circa 1200 stukken te teekenen; maar in een paar uren is men daar toch mee klaar; en in X zal het wel zooveel niet zijn.

Voorts geldt in het algemeen, dat de onderteekening der commissie van beheer in brieven en stukken rechtsgeldig is, voor zoover de handeling of verbintenis overeenkomstig de regeling geschied of aangegaan is. In uwe regeling is echter in vele gevallen niet duidelijk wat hoort, vooral door de reeds genoemde eerste alinea van art. 4. Intusschen zal wel niet veel voorkomen, dat de commissie van beheer tot zulke teekening geroepen wordt. En in twijfelachtige gevallen is dan het voorzichtigst, de kerkeraad speciaal een machtiging te doen geven. Hier in Amsterdam is dit, volgens onze regeling, althans in sommige zeer zeldzame gevallen vereischt.

Rutgers, F.L. (1922) 233

233. Mag men op weekdagen in de kerk muziekuitvoeringen geven?

 

(1911.)

386. De vraag zelve, waarover u mijn advies vraagt, betreft natuurlijk niet het kerkelijk orgelgebruik in het algemeen; want daarover zou in de ruimte van een brief geen advies zijn te geven. In het tweede kwartaal van de 17e eeuw, toen dit gebruik opkwam (meestal door de Overheid aan onze kerken min of meer opgedrongen), zijn daarover ook lange verhandelingen geschreven. En ook later nog, b.v. in 1840 door den Leidschen hoogleeraar N.C. Kist, die een verhandeling schreef over „Het kerkelijk orgelgebruik, bijzonder in Nederland; een historisch onderzoek”, welk stuk van dien bekwamen historiekenner en tevens muziekvriend nog altijd zeer lezenswaard is (afgedrukt in het „Archief voor kerkelijke geschiedenis, inzonderheid voor Nederland”, Dl. X, blz. 189-304;

|395|

een werk dat in iedere groote openbare Bibliotheek voorhanden is).

Uwe vraag is, als ik ze goed begrepen heb, alleen deze, of het aan een Gereformeerden kerkeraad kan worden aanbevolen, op een weekdag orgelbespelingen in de kerken te doen houden, met of zonder zanguitvoeringen, en dan met enkel religieuse en classieke muziek en met Christelijke liederen.

De bezwaren, die onze kerken en hare woordvoerders daartegen hadden in de eeuw der Reformatie, waren in hoofdzaak meer van practischen aard, dan principiëel. Men vreesde, dat zulk gebruik ertoe leiden zou, of althans zou bevorderen, dat het orgel ook gebruikt werd bij den dienst des Woords, en dan beschouwd werd als bij den dienst te behooren alsof de gemeente ook moest gesticht worden door muziek in den trant van Rome, dat zoowel daardoor als door beelden en schilderijen op de zinnen tracht te werken, met terzijdestelling van de prediking des Woords. En die bezwaren werden gevoed door de omstandigheid, dat het gebruik der orgels (welke behoorden aan de Overheid, die ook de organisten aanstelde en hun de instructie gaf) aan de kerken meestal werd opgelegd door de, meestal niet zeer Gereformeerde, Overheid.

Thans, nu het kerkelijk orgelgebruik algemeen is, kan er voor die vrees nog wel eenige reden zijn voor zooveel de orgels bespeeld worden bij de samenkomsten der gemeente, maar zou het bedoelde gevaar juist eenigszins voorkomen worden, wanneer geheel buiten die samenkomsten gelegenheid gegeven werd om van het orgelspel genot te hebben. En daarom zou ik er thans geen bezwaar in zien, zulke gelegenheid open te stellen. Goede muziek is toch ook eene gave Gods, die we dankbaar gebruiken mogen.

Intusschen zou het m.i. nog niet raadzaam zijn, dat de kerk als zoodanig zulke orgelconcerten niet alleen organiseerde, maar ook uitvoeringen van koorgezang daaraan verbond; zoodat het geheel het karakter kreeg van eene openbare uitvoering van muziek en zang, welke m.i. niet op den weg der kerk ligt, al mag zij die gerustelijk toelaten, en ook zelve toestaan, dat hare orgels en gebouwen daarbij gebruikt worden, mits altijd met voldoenden waarborg van het gehalte van muziek en zang.

|396|

Geldelijk voordeel zou daarvan voor een orgelfonds m.i. ook niet te wachten zijn, en evenmin een groot publiek, daar onze orgels natuurlijk verre achterstaan bij de groote en kostbare orgels van sommige hoofdkerken, en ons publiek ook niet velen telt, die gelegenheid hebben om b.v. in den namiddag naar eene orgelbespeling te komen luisteren.

Rutgers, F.L. (1922) 234

234. Over het kerkelijk handboekje.

 

(Heraut, 25 Juni 1905.)

387. Wanneer kerken, ook wat hare inrichting betreft, naar Gods Woord Gereformeerd zijn, dan vloeit vanzelf daaruit voort, dat zij aan allen, die tot eenigen kerkelijken dienst geroepen zijn, vooral aan dienaars des Woords en aan ouderlingen, hooger eischen stellen, dan bij eenige andere kerkinrichting het geval is. Wie in onze Gereformeerde kerken zijn dienst goed wil waarnemen, moet althans eenigszins bekend zijn met de algemeene beginselen, die ten aanzien van het kerkelijk leven door die kerken uit Gods Woord zijn afgeleid, en met de algemeene regelingen, die in onze kerken dientengevolge gelden.

Deze algemeene regelingen en beginselen zijn door onze kerken in hare Generale Synoden vastgesteld en geformuleerd, en vervolgens in de Kerkenordening samengevat. Bij den dienst der kerkregeering moet die Kerkenordening dus gekend en gebruikt worden. En dan is het alleszins dienstig, dat men zich niet bepale tot hare laatste redactie, maar ook kennis neme van de redactiën, die daaraan voorafgingen, en van andere bepalingen en besluiten, die eene algemeene en blijvende beteekenis hebben.

Zulke kennis nu kan in onzen tijd zonder veel moeite verkregen worden, o.a. uit een aantal boeken, waarin de Synodale acta onze kerken zoo volledig mogelijk openbaar zijn gemaakt. Maar aangezien die uitgaven grootendeels een wetenschappelijk doel hebben, en dus meest zijn ingericht voor degenen die van ons kerkrecht en van onze kerkelijke geschiedenis eene bijzondere studie maken, zijn zij veel te omvangrijk om voor gewone lezers toegankelijk of bruikbaar te zijn. Wat dezulken noodig hebben om althans eenigszins op de hoogte te komen, is eene veel beknoptere uitgave:

|397|

een boekje, dat wel alle hoofdzaken inhoudt, maar dat zich daartoe dan ook bepaalt.

Zulk een „kerkelijk handboekje” is reeds in het begin der 17e eeuw in het licht gekomen, en daarna vaak herdrukt; in de eerste vijf uitgaven, die in 1612, 1617, 1622, 1640 en 1730 in klein 4º formaat verschenen, onder den titel: „De Kerckenordeninghen der Gereformeerder Nederlandtscher Kercken” enz.; daarna, in 1732 en vervolgens (de 5e druk nog in 1794), in klein 8º formaat, onder den titel: „Kerkelijk Handboekje” enz.

In alle die uitgaven bestaat bijna de geheele inhoud uit de onderscheidene redactiën van de Kerkenordening (in de 17e eeuw nog met toevoeging van redactiën, die vanwege de Overheid voor de kerken ontworpen waren); waarbij in de opeenvolgende uitgaven niet alleen de volledigheid telkens grooter werd, maar ook de Synodale antwoorden op particuliere vragen hoe langer hoe meer mede werden opgenomen. Op de laatste bladzijden vindt men dan nog bovendien eenige stukken van geringen omvang, die geacht werden voor de kerken althans tijdelijk van belang te zijn.

Van die kleinere stukken bevatten niet alle uitgaven evenveel, en ook niet alle dezelfde stukken. Daarentegen zijn zij met betrekking tot de kerkenordening en de andere Synodale acta uitermate conservatief. Er is in dit opzicht wel vermeerdering van stukken; maar wat er eenmaal instond, bleef vervolgens altijd woordelijk gelijkluidend. Zelfs de vele schrijf- en drukfouten, die den zin vaak verminken of onverstaanbaar maken, zijn uit iedere uitgave door hare opvolgster getrouwelijk overgenomen. Blijkbaar heeft de bemoeienis van deskundigen, voor zooveel daarvan sprake kan zijn, zich bepaald tot het opgeven van de op te nemen stukken, en is voorts de uitgave zelve geheel het werk geweest van de drukkers; waaruit dan ook zeker te verklaren is, dat zij doorgaans niet geschied is naar de authentieke stukken of naar een geheel betrouwbaren tekst.

In dezen tegenwoordigen tijd kan men dat gemakkelijk beoordeelen nu uit oude archieven zooveel authentieke stukken en gewaarmerkte afschriften aan het licht zijn gebracht. Voor een zestigtal jaren was dat nog geheel anders, en waren de bedoelde archieven slechts bij hooge uitzondering voor een onderzoeker

|398|

toegankelijk. En daarom was het zeer natuurlijk, dat, toen destijds werd overgegaan tot eene nieuwe uitgave van het „Kerkelijk Handboekje” (eerst, in 1840, volgens besluit van de „Synode der Afgescheiden Gereformeerde Gemeenten in Nederland”, en ten tweeden male in 1860 volgens besluit van de „Synode der Christelijk Afgescheiden Gereformeerde Kerk” de daarvoor benoemde commissiën zich eenvoudig bepaalden tot een herdruk van de oude uitgave, waarvan voorts de inhoud geheel onveranderd werd gelaten.

Thans echter kan die uitgave niet meer voldoen: waarom zeker te betreuren is, dat zij thans nog wordt aanbevolen, zelfs wel bij vergissing met de onjuiste bijvoeging: „opnieuw uitgegeven door de Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland”! Eene betere uitgave is thans mogelijk. En dus is er thans ook behoefte aan een beteren herdruk; d.w.z. een herdruk, waarbij voor de onderscheidene stukken een betrouwbare tekst is gevolgd, en waarbij dan tevens de vertaling, die van Latijnsche stukken in de oude uitgave gegeven wordt, voor zoo veel die zeer gebrekkig was, door eene betere vervangen is.

Aan die behoefte is nu tegemoet gekomen door de zorg van de hoogleeraren P. Biesterveld en Dr H.H. Kuyper, die onlangs het „Kerkelijk Handboekje” op nieuw uitgaven.

Men vindt in die uitgave den geheelen inhoud van de oude „Kerkelijke Handboekjes”, hier en daar nog vermeerderd, en slechts met een paar kleine wijzigingen, waarvoor alleszins reden was. Die wijzigingen nl. bestaan in het volgende. Van de toegevoegde kleinere stukken zijn er enkele, die voor onze kerken thans geen practisch belang meer hebben, vervangen door andere oude stukken, waaraan zulk een belang wel is toe te kennen. Voorts is de oude „Voorrede”, die, in overeenstemming met hare dagteekening uit het jaar 1612, geheel ten doel had om tegenover de „politieken” van dien tijd het recht en het nut van Generale Synoden te betoogen, thans, nu dat punt hier te lande niet meer in geding is, vervangen door eene „inleiding” die in kort bestek eene duidelijke uiteenzetting geeft van de verschillende stelsels van kerkregeering, van het ontstaan onzer Kerkenordening, en van hare beteekenis voor het kerkelijk leven. En ten slotte is de uitgave

|399|

nog verrijkt met een vrij uitvoerig en goed bewerkt register, dat de raadpleging en het gebruik veelszins gemakkelijk maakt.

Inderdaad is dit dus eene uitgave, waarvan kan gezegd worden dat zij aan de eischen, die haar thans zijn te stellen, goed beantwoordt. Het is te verwachten, en ook zeker te hopen, dat zij als zoodanig door velen zal gewaardeerd worden, en dat zij door des Heeren zegen dan bevorderlijk zijn zal aan de goede orde, den welstand en de stichting onzer kerken.