Rutgers, F.L. (1921) 57

|211|

57. Is het Diakenambt, al dan niet, een kerkelijk ambt?

 

(1910.)

93. Uw schrijven heeft wat lang op antwoord gewacht; eenigszins ook door de omstandigheid, dat eene beantwoording van uwe twee vragen (inzake diakonale regelingen), ook al zou zij nog zoo summierlijk zijn, veel meer zou vereischen dan een enkel uurtje tijd en een brief van enkele bladzijden. Die twee vragen geven aanleiding tot een groot aantal quaesties, en daaronder quaesties van gewichtigen inhoud en van vérstrekkende gevolgen.

Immers is bij beide die vragen het hoofdpunt, waar alles van afhangt, of het diakenambt al dan niet, een kerkelijk ambt is; en daar het in onze Gereformeerde kerken tot dusver zeer zeker als zoodanig erkend is, komt dan nu de vraag, of dat zoo zal blijven, dan wel, of onze diakonieën zich zullen vervormen tot buitenkerkelijke „instellingen van weldadigheid” (zij het dan ook op Christelijke grondslag), los van het kerkverband en zelfstandig daartegenover. Dit laatste is nu de strooming des tijds (zij het ook bij velen nog onbewust); en die dringt ook door in onze kerken, vooral doordat de „diakonale conferenties” (gelijk ik van den beginne af te haren aanzien wel vreesde) zich allengs minder beperken tot het begrip van „conferentie”, maar eene soort van „vertegenwoordiging van diakonieën” worden, die er allengs toe komen, om, geheel buiten de kerken om, den kerkelijken dienst der barmhartigheid ook principieel te regelen; terwijl toch in Gereformeerde kerken alle kerkendienst (die van diaken even goed als die van predikanten en ouderlingen) door de kerken zelve moet geregeld worden, d.i. door kerkeraden, Classen en Synoden; zij het ook, dat zulke regeling bij de uitvoering van den dienst aan de dienaren veel vrij laat (aan diakenen even goed als aan de predikanten en ouderlingen), zoolang niet blijkt, dat op een of ander punt meerdere preciseering noodig is. Maar zulke vrijheid kan nooit medebrengen, dat een diaken of ook eene vergadering van diakenen (en allerminst eene conferentie, die geen wettelijke „vergadering” is) zich inzake de bedoelde regeling, of in zaken van eenig punt der uitvoering, ook maar eenigszins losmaakt van het zeggenschap der kerken zelve; evenmin als een predikant en ouderling, of ook

|212|

eene vergadering of samenkomst van predikanten of van ouderlingen, zich daarvan los kan beschouwen. De algemeene regeling van den dienst der diakenen (evenals de algemeene regeling van den dienst der predikanten en ouderlingen) is, gelijk in den aard der Geref. kerkinrichting ligt, door Generale Synoden gemaakt, en voorts in kleineren kring uitgewerkt, deels door Classen, deels en vooral door kerkeraden (met name in de groote gemeenten; daar het in de kleine gemeenten vanzelf zoo is, omdat de diakenen daar ook dienst doen, eenigszins als hulp der ouderlingen, en vice versa). Indien nu daarnaast de diakenen voor hun eigen dienst een andere regelende macht willen gaan instellen, dan is dat reeds buiten-kerkelijk; en het wordt op den duur anti-kerkelijk, zoodra zich op eenig punt verschil openbaart tusschen diakonieën en kerken; waarvan dan weer allerlei verwarring, verdeeldheid, twist, misschien zelfs scheuring, het gevolg moet zijn; niet in eens, maar op den duur; en het hooge en heerlijke ambt van den diakonalen dienst is dan geworden tot een gewoon werk van Christelijke liefdadigheid.

Daarom kan ik niet anders zeggen, dan dat er m.i. een groot en onoverkomelijk principieel bezwaar is tegen het door u geopperde denkbeeld, om eene „vereeniging van Geref. diakenen” op te richten, die eene soort van Contra-Synode zou zijn tegenover de Generale Synode der kerken; zij het ook, dat zij zich bepaalt tot den dienst der barmhartigheid; daar deze vereeniging dan, geheel buiten de kerken om, zelfstandig zou georganiseerd worden, en dan zelfs zelfstandig naar buiten zou optreden, door b.v. een „vertegenwoordiger” te zenden naar eene vereeniging op neutralen grondslag, waarvan zij zelfs lid kan worden in qualiteit van representant der Geref. diakonieën, of althans van een aantal Geref. diakenen. Dat gaat niet; evenmin als het gaan zou, dat een aantal predikanten zulk een „vereeniging” oprichten voor den kerkelijken dienst des Woords (of een aantal ouderlingen voor hun dienst), en dan die „vereeniging” als een soort van „kerkelijk” orgaan naar buiten liet optreden.

En hetzelfde bezwaar drukt ook op de mij door u toegezonden „Concept-regeling van samenwerking tusschen de Geref. diakonieën in X” enz. (’t geen hiernevens teruggaat).

|213|

Zelfs zie ik daarin (art. 8), dat die saamwerkende diakonieën als eene gewone vereeniging „rechtspersoonlijkheid” willen aanvragen. Voor het daarbij genoemde doel (ontvangsten van legaten is dit natuurlijk geheel onnoodig, daar die evengoed kunnen gelegateerd worden aan ééne daarvoor aangewezen kerk of diakonie, met bijvoeging: ten behoeve van de door haar verzorgde of ondersteunde zenuwlijders, doofstommen en lupuslijders (of iets dergelijks). Evengoed als dit nu aldus geschiedt met legaten voor de Zending; zonder dat hierbij ooit eenig bezwaar voorkomt.

En nog bedenkelijker acht ik art. 9, waar „de saamwerkende diakonieën” zich voordoen, als beschouwen zij zich geheel gelijkstaande met eene jongelingsvereeniging of Zondagsschoolvereeniging, die als zoodanig buiten het kerkelijk instituut staat, maar „zich onder kerkelijk toezicht stelt”. In onze kerken staan de diakonieën als kerkedienst, reeds vanzelf onder kerkelijk toezicht; allereerst plaatselijk onder dat van den kerkeraad, en voorts in ruimeren kring onder dat van Classen en Synoden (geheel eveneens als predikanten en ouderlingen, wier dienst niet heiliger en hooger is dan die van diakenen). Daarom mag eene diakonie ook niet als zoodanig naar buiten optreden zonder goedkeuring van den kerkeraad; en bij zaken, waarin meerdere diakonieën betrokken zijn, rust het bestuur bij de meerdere vergaderingen van Classen en Synoden. Hoe zouden dan diakonieën als het ware eigener beweging een besluit kunnen nemen, dat zij zich stellen onder een toezicht waar zij vanzelf onder staan? Dat is m.i. alweder een onbewust medegaan met de strooming, die de diakonieën maakt tot een gewone „instelling van weldadigheid”.

Voor het overige kan ik over dat concept niet veel zeggen: 1º. omdat het alleenlijk zeer algemeene bepalingen bevat en eigenlijk geen duidelijke regeling en 2º. omdat ik in ’t geheel niet bekend ben met den finantieelen toestand der Xsche kerken en diakonieën.

Hier in Holland zijn onze kerken en diakonieën bijna zonder uitzondering niet bij machte, om tot zulke samenwerking (zij ’t ook natuurlijk slechts telkens voor een jaar, en dus tot wederopzegging toe) zich te verbinden; en de daarvoor vereischte goedkeuring der kerkeraden zou daarvoor dan ook zeker niet te verkrijgen zijn.

|214|

Hier in Amsterdam moeten lijders als de bovenbedoelde door de particuliere liefdadigheid (d.i. door iemand die zich voor een lijder interesseert en daarvoor tijd en moeite overheeft om geld te verzamelen) geholpen worden. De diakonie kan zelfs niet eens hare eigene hulpbehoevenden helpen, althans niet allen, en niet allen geheel voldoende. En dan zou het natuurlijk geheel ongeoorloofd zijn, dat zij gelden besteedde om de bovenbedoelde lijders in een gesticht of sanatorium te plaatsen. Eéne enkele dergelijke plaatsing toch kost per week meer dan drie weduwen met gezinnen noodig hebben; en voor dezulken heeft eene diakonie dan toch allereerst te zorgen.

Ik weet ook niet, of het eigenlijk wel goed gezien is, eene afzonderlijke organisatie en regeling in het leven te roepen voor de drie soorten van lijders, boven bedoeld, daar toch deze niet allereerst voor diakonale verzorging in aanmerking komen; en indien er aan eene arme diakonie zulk een geval voorkwam, waarin zij meende te moeten helpen, zou zij zich voor zulk een speciaal geval toch wel tot de rijkere diakonieën in de provincie kunnen wenden. Zóó vermogend zullen die wel niet zijn, dat zij alle arme lijders (ook de zeer talrijke klasse van „zenuwlijders”) zullen kunnen helpen; en op die meer vermogende diakonieën zou toch ten slotte de finantieële last neêrkomen. Maar gelijk ik reeds zeide, ik weet niet hoe het in dit opzicht in X is.

Maar tijd ontbreekt mij, om meer te schrijven, al zou er over het aangestipte nog zeer veel te zeggen zijn. Ik schreef toch reeds in haast.

 

(1894.)

94. Indien eene diakonie een afzonderlijken bode heeft, die bezoldigd wordt, dan moet, naar mijn gevoelen, zulk een bode door de diakenen aangesteld en geïnstrueerd worden, en ook uit de diakoniekas bezoldigd worden.

Onze kerken hebben nu eenmaal (en terecht) twee geheel van elkander afgezonderde administratiën, eene voor den kerkedienst, d.i. voor den dienst van het Woord en Sacramenten met al wat daartoe behoort, en eene voor de diakonie, d.i. voor den dienst

|215|

der barmhartigheid met al wat daartoe behoort. De twee administratiën nu moeten m.i. uit elkander gehouden worden, zoodat geene ontvangst of uitgaaf, die bepaaldelijk bij de eene behoort, tot de andere gebracht wordt. Zoo men in een opzicht van dien regel afwijkt, waarom dan ook niet in andere opzichten, en waar is dan de grens?

Ook leert de ondervinding, dat het altijd zuiniger is, eene administratie hare eigene onkosten te laten dragen. In dat geval denkt men eerder aan bezuiniging (b.v. door, bij het openvallen van een bezoldigd postje, te overwegen of men er ook buiten kan). Wordt eene andere administratie er door gedrukt, dan gaan alle uitgaven altijd door; of wel, men krijgt een conflict.

Naar hetzelfde beginsel handelen ook onze kerken ten aanzien van de belangen, die aan algemeene deputaten zijn toevertrouwd. De noodzakelijke onkosten van die algemeene deputaten komen niet voor rekening van eene algemeene kas (gelijk b.v. de onkosten van generale Synoden), maar iedere administratie (zending, Theol. School, enz.) draagt hare eigene onkosten.

In het door u genoemde geval klinkt het mij eigenlijk nog al vreemd, dat diakenen willen bezuinigen, door de f 300,— bezoldiging van den Diakoniebode op de rekening van de kerkelijke administratie te brengen. Feitelijk toch komt dat hierop neer, dat de uitgaven voor de gemeente met f 300,— verhoogd worden. Immers, het geld moet toch altijd van de gemeente komen; de kerkelijke administratie heeft het zeker niet over en moet dus meer van de gemeente vragen; en de diakonie zal wel niet van plan zijn aan de gemeente te zeggen, dat men haar nu maar wat minder moet geven. De voorgenomen bezuiniging zou dus alleen kunnen maken, dat de diakonie wat meer had om uit te deelen; maar de gemeente, van welke beide administratiën hare inkomsten krijgen, zou f 300,— meer aan de kerkelijke administratie moeten verschaffen. En de bezuiniging zou dus ten slotte neerkomen op eene vermeerdering der verplichte uitgaven met f 300,—. Het zou eenigszins zijn, als wanneer in een huishouden (dat ook vaak twee administratiën heeft, die van de huisvrouw met haar huishoudgeld en die van den man als de algemeene kas) eene uitgave, die tot dusver uit het huishoudgeld bestreden werd, voortaan voor rekening

|216|

kwam van de algemeene kas, zonder dat het huishoudgeld werd verminderd. De huisvrouw zou dan zeker wat ruimer kunnen huishouden; maar de man zou dan toch wel merken, dat hij nu per jaar meer geld moest uitgeven. En zou dat een maatregel van bezuiniging kunnen heeten?

Bezuiniging zou er zijn, indien een bezoldigd postje voortaan door vrijwilligersdienst werd waargenomen. In dien zin hebben we hier in Amsterdam bepaaldelijk voor de kerkelijke administratie, veel bezuinigd. Natuurlijk laat men de menschen, die nu eenmaal zulk een postje lang gehad hebben, niet heengaan. Maar bij hun uitvallen kan beproefd worden, voor dat werk vrijwilligers uit de gemeente te vinden. Zoo b.v. het bezorgen en ophalen van brieven, gelden, enz, waarvoor hier meer dan 100 man wekelijks ieder een paar uren over heeft. Evenals het bewaren van plaatsen en het orde houden in de kerken, het voorlezen, het orgelspelen, enz. Dat is inderdaad bezuiniging, omdat daardoor voor de gemeente eene uitgave wegvalt. En voorts heeft ook in andere opzichten het mede-arbeiden en mede-leven van de gemeente veel aanbevelenswaardigs.

 

(1910.)

95. Eene principieele beschouwing over de verhouding van de diakonie tot den kerkeraad en tot de gemeenteleden is natuurlijk in de ruimte van een brief niet te geven. En over kleine quaesties, die zich daarbij kunnen voordoen (gelijk nu bij u het geval schijnt te zijn) kan ik niet precies adviseeren, omdat hierbij kennis noodig is van de bestaande regelingen, gewoonten, beschouwingen, enz., en ook van personen en omstandigheden, veel meer dan ik door schriftelijke, of ook mondelinge, mededeelingen zou kunnen hebben.

In het algemeen kan ik slechts zeggen, dat ik, voor zooveel het door u genoemde punt betreft, voor u raadzaam zou achten, het daarheen te leiden, dat de kerkeraad (met diakenen) van a.s. Dinsdag uitspreke, dat hij zeer goed acht, dat de diakonie in eene samenkomst van gemeenteleden (eene „samenkomst”, niet eene „vergadering”, die als zoodanig zou kunnen besluiten, stemmen

|217|

enz.) mededeeling doet over de diakonale administratie, op eventueele opmerkingen antwoordt en op eventueele vragen inlichtingen geeft, mits de formeele goedkeuring van de diakonale rekening, na onderzoek door den kerkeraad, bij dezen verblijve, en mits in de bedoelde samenkomst van gemeenteleden de bespreking van diakonale aangelegenheden geheel afgescheiden blijve van de bespreking van het kerkelijk beheer (zoodat b.v. het eene aan de orde komt, als het andere is afgehandeld), en mits de diakonale rekening ook ter visie ligge voor alle gemeenteleden (b.v. een uur vóór de bedoelde samenkomst).