Rutgers, F.L. (1921) 33

33. Is iemand, die zijn kind naar de Openbare School zendt, verkiesbaar tot diaken?

 

(1915.)

47. Gaarne voldoe ik aan uwen wensch, om uw heden door mij ontvangen schrijven spoedig te beantwoorden, al moet daardoor mijn antwoord kort zijn.

Uit dat schrijven zie ik, dat er in uwe gemeente broeders zijn, die als voorstanders van Christelijk schoolonderwijs vanzelf en terecht als algemeenen regel stellen, dat ter plaatse, waar eene Christelijke school is, Christelijke ouders hunne kinderen daarheen ter schole moeten zenden, maar die dan dien regel zóó absoluut en volstrekt willen maken, dat er geen plaats overblijft voor allerlei uitzonderingen.

En zulke uitzonderingen komen in de practijk des levens toch gedurig voor, waarvan dan de grond kan liggen in de woonplaats der ouders, in den gezondheidstoestand van het kind, in zijn aanleg en vatbaarheid, in den omvang van het onderwijs dat één of meer vakken, die het kind moet leeren, niet kan geven, in de ervaring dat het kind, ook al is het onderwijs in het algemeen zeer goed, toch niet genoeg vooruitkomt, en in vele andere omstandigheden meer.

Over al zulke gevallen hebben dan de ouders te beslissen, die daarvoor van Gods wege geroepen en aan Hem verantwoordelijk

|138|

zijn. Men kan en moet hun natuurlijk ernstig voorhouden, dat zij, in zake Christelijk schoolonderwijs, zoo mogelijk over bezwaren moeten heenstappen; maar men mag hen niet als het ware willen dwingen tot iets, dat naar hunne eigene conscientie voor hun kind tot al te groote schade zou zijn, niet alleen in maatschappelijk, maar ook in geestelijk opzicht. Hier zou poging tot dwang zelfs ten slotte tot schade zijn van ons Christelijk schoolonderwijs.

In het geval, waarover ge mij schrijft, kan ik, naar uwe mededeeling, dat het bedoelde kind voor de derde maal in dezelfde klasse zou moeten blijven, niet anders zeggen, dan dat ikzelf in zulk een geval mijn kind ook niet op dezelfde school zou laten blijven, daar ik zulk een driemaal doorloopen van geheel denzelfden leergang altijd schadelijk acht voor een kind, dikwijls zelfs met een schade die het in zijn gansche leven niet te boven komt. Daarom kan het onderwijs op die school en de daarmede samengaande opvoeding toch wel op zichzelf heel goed zijn; alleenlijk niet voor dat bepaalde kind; en het is natuurlijk daarop, dat zijne ouders allereerst hebben te letten.

Het zou een ander geval zijn, wanneer die ouders eigenlijk tegen het Christelijke van de school waren en het onderwijs van de religie wilden losmaken. Maar daarvan is bij den door u bedoelden vader geen sprake: het tegendeel is wel klaarblijkelijk.

Daarom acht ik het bezwaar, dat is ingebracht tegen zijn voorgenomen candidaatstelling voor den dienst van diaken, inderdaad niet gegrond.

Of het dan nu zaak is, die candidatuur te handhaven, kan ik niet beoordeelen, daar ik met personen en omstandigheden in X niet bekend ben. Er zijn gevallen, waarin men voor zulke oppositie niet moet uit den weg gaan. En er zijn gevallen, waarin men een verkeerd inzicht van sommigen liever tijdelijk moet verdragen dan dat men door ertegen in te gaan strijd en ontstichting in de gemeente zou krijgen. Uw kerkeraad moet hierin beslissen.