Santing-Wubs, A.H. (2002) Hst. 9

|163|

Hoofdstuk 9

De wijze van toetsen

 

 

9.1 Inleiding

Bij de toetsing van kerkelijke geschillen door de burgerlijke rechter spelen uiteenlopende aspecten een rol. Enkele daarvan zullen in dit hoofdstuk worden belicht.

Allereerst wordt aandacht besteed aan het begrip marginale toetsing. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de kwalificatie van de kerkelijke geschilbeslechting van invloed is op de wijze van toetsen. Ten slotte wordt nader ingegaan op een inhoudelijk aspect van de kerkelijke geschilbeslechting dat in grote mate bepalend is voor de opstelling van de burgerlijke rechter, namelijk de vraag of het geschil gaat over een ‘geloofskwestie’.

 

De burgerlijke rechter zal zich – afhankelijk van de aard van het geschil – bij de toetsing van in rechte bestreden uitspraken van kerkelijke instanties veelal terughoudend opstellen.1 Bij deze opstelling spelen de eerder genoemde beginselen van de scheiding tussen kerk en staat en de vrijheid van godsdienst (art. 6 Grondwet) een grote rol.

In een arrest van de Hoge Raad uit 1991,2 waar het gaat om de rechtsverhouding tussen een kerkgenootschap en een predikant, is een uitgebreide beschouwing van de rechtbank over die terughoudende opstelling opgenomen:

“De rechtbank stelt voorop dat de beginselen van vrijheid van godsdienst en scheiding van Kerk en Staat met zich mede brengen dat uiterste terughoudendheid3 geboden is bij het toepasselijk verklaren van regelingen van

1. Zie bijvoorbeeld: Pres. Rb. Groningen 12 oktober 1944, NJ 1944/45, 744 (schorsing gereformeerde predikanten); Hof Arnhem 27 november 1956, NJ 1957, 256 (schorsing hervormde predikant); HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 (HJS) (Kruis/Christelijke Gereformeerde Kerk ’s-Hertogenbosch); Hof Arnhem 14 september 1993, rolnr. 92/142 KG, ongepubliceerd (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Gemeente); Pres. Rb. Roermond 23 oktober 1997, KG 1998, 30 en Hof ’s-Hertogenbosch 2 december 1998, rolnr. 1117/97/Ro, ongepubliceerd (ongeldigverklaring huwelijk). Zie voorts de jurisprudentie genoemd in noot 94 van dit hoofdstuk. Zie ook: B.P. Vermeulen, Interne rechtsgang en de gang naar de overheidsheidsrechter, in: Welles, nietes, Zoetermeer 2000, p. 85-88.
2. HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 (HJS) (Kruis/Christelijke Gereformeerde Kerk ’s-Hertogenbosch). Zie hierover ook: Oldenhuis, Brunner-Bundel, p. 303-313.
3. “Uiterste terughoudendheid” is volgens de conclusie van A-G Asser bij het arrest niet juist. Dit standpunt vindt volgens hem geen steun in het recht als het gaat om rechtsverhoudingen, maar volgens de A-G bedoelt de rechtbank dat gezien de context ook niet zonder meer: het gaat hier om regels van arbeidsrecht die niet zijn geschreven voor kerkelijke situaties.

|164|

materieel burgerlijk recht op de rechtsverhoudingen tussen de verschillende organen en onderdelen van een kerkgenootschap. De regeling van dergelijke verhoudingen in het eigen statuut van een kerkgenootschap wordt veelal in hoge mate bepaald door aspecten van leerstellig karakter die een vaak eeuwenlange ontwikkeling hebben doorgemaakt. Het resultaat daarvan doet zich vaak voor als een voor leken moeilijk te doorgronden weefsel waarin die verhoudingen op subtiele wijze zijn vervlochten. Het in dergelijke verhoudingen oordelen met toepassing van burgerlijk recht houdt licht het gevaar in zich, dat daarbij tevens wordt ingegrepen in en een oordeel wordt gegeven over de leerstellingen die aan het eigen statuut van het kerkgenootschap ten grondslag hebben gelegen.”

In enkele rechterlijke uitspraken inzake kerkelijke geschillen wordt met zoveel woorden aangegeven dat de burgerlijke rechter marginaal toetst.4 Ook in andere organisaties en verbanden waar een bepaalde soevereiniteit geldt, komt marginale toetsing door de burgerlijke rechter voor.5

In de volgende paragraaf zal eerst meer in het algemeen worden ingegaan op deze wijze van toetsen.

 

9.2 Marginale toetsing

Volgens Borst6 gaat het bij marginale toetsing om een behoorlijkheidscontrole die, als aanvulling op de wetmatigheidscontrole, plaatsvindt op grond van (ongeschreven) algemene rechtsbeginselen.7

4. De term ‘marginale toetsing’ werd geïntroduceerd door H.D. van Wijk, Voortgaande terugtred, Alphen aan den Rijn 1959, p. 3. Zie over de herkomst voorts: P. Borst, Enige beschouwingen over marginale toetsing in publiek- en privaatrecht, WPNR 4735 (1962), p. 377 e.v. Zie over marginale toetsing ook: Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 93-106.
Zie t.a.v. kerkgenootschappen bijvoorbeeld de volgende rechtspraak: Pres. Rb. Groningen 22 november 1995, KG 1996, 18 (tuchtmaatregel gemeentelid Gemeenschap van Gelovigen); Rb. ’s-Gravenhage 29 november 1995, rolnr. 92/6878 ongepubliceerd (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk); Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127 (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Kerk vrijgemaakt); Rb. ’s-Gravenhage 12 april 2000, rolnr. 99/2487 en Hof ’s-Gravenhage 7 maart 2002, rolnr. 00/641, beide gepubliceerd op Rechtspraak.nl, LJN nrs. AA 7602 en AE 1907 (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk).
Zie voorts over de (marginale) toetsing door de burgerlijke rechter in kerkelijke geschillen: Oldenhuis, Brunner-Bundel, p. 312; Labuschagne (diss.), p. 45-46; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 217; Slump, Kerk, recht en samenleving, p. 72; B.P. Vermeulen, Interne rechtsgang en de gang naar de overheidsheidsrechter, in: Welles, nietes, Zoetermeer 2000, p. 88.
5. P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 5027 (1969), p. 61-65.
Zie over de soevereiniteit in eigen kring: H. Dooyeweerd, De strijd om het souvereiniteitsbegrip in de moderne rechts- en staatsleer, Amsterdam 1950, p. 50 e.v.; Van Eikema Hommes, Hoofdlijnen der rechtssociologie, p. 92-109.
6. P. Borst, Enige beschouwingen over marginale toetsing in publiek- en privaatrecht, WPNR 4735 (1962), p. 379 en P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 5024 (1969), p. 25-26.
7. Volgens Borst zijn de algemene rechtsbeginselen naar hun aard evident: zij dringen zich vanuit een algemeen rechtsbewustzijn op. In dit licht dient het woord ‘kennelijk’ te worden gehanteerd wanneer de rechter toetst of (een besluit of) een bindend advies ‘kennelijk onredelijk’ is. De evidentie wordt aangeduid door het woord ‘kennelijk’. ‘Kennelijk’ slaat dus op het algemeen rechtsbeginsel ➝

|165|

Wiarda noemt in zijn omschrijving van marginale toetsing enkele toetsingscriteria:

“Marginale toetsing betekent dat aan een justitiabele, wiens houding of gedrag aan normen als redelijkheid, billijkheid of betamelijkheid moet worden getoetst, ‘the benefit of the doubt’ wordt gegund, zolang onredelijkheid, onbillijkheid of onbetamelijkheid er niet dik bovenop liggen.”8

Dit betekent overigens niet, dat de burgerlijke rechter geen nader onderzoek naar de feiten zou behoeven te verrichten: pas na het onderzoek kan de rechter beoordelen of er een algemeen rechtsbeginsel is geschonden.9

In een concreet geval kan bij de marginale toetsing de communis opinio een belangrijk hulpmiddel zijn:

“De gebruikelijke formule in Nederland luidt ongeveer: ‘zó onjuist, dat geen redelijk mens tot die beslissing (handeling) kan komen.’
Niet iedereen behoeft de onrechtvaardigheid in te zien. In N.J. 1962, 78, zegt Langemeijer: Het is teveel geëist, dat een ieder de onrechtvaardigheid moet inzien, omdat er altijd wel mensen zullen zijn, wier oordeel van de overgrote meerderheid afwijkt; men moet die dus interpreteren met de stilzwijgende toevoeging: voorzover niet van een minder dan normaal gevoel voor redelijkheid en billijkheid sprake is.
De formule ‘geen verschil van mening tussen redelijke mensen’ is een poging tot objectivering, het voorkomen van de overheersing van de subjectieve opinie van de rechter, wat zou neerkomen op bevoogding van de getoetste.”10

Borst wijst er evenwel op, dat de communis opinio van redelijke mensen niet als een absoluut criterium voor de juistheid heeft te gelden, aangezien het denkbaar is dat het individu het bij het rechte eind heeft, en niet de massa. Toch acht hij het een waardevol criterium dat doorgaans houvast zal kunnen bieden.11

➝ (Enige beschouwingen over marginale toetsing in publiek- en privaatrecht, WPNR 4736 (1962), p. 391).
In een latere publicatie formuleert Borst het aldus: “(…) algemene rechtsbeginselen zijn evident, onherleidbaar, onweerstaanbaar. Communis opinio en onweerstaanbaarheid zijn een invloedrijk instrument van de M.T.; daarom zijn algemene rechtsbeginselen bij de toepassing van M.T. het middel bij uitnemendheid.” (P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 5025 (1969), p. 38. Op de betrekkelijkheid van het begrip ‘evidentie’ gaat de schrijver op p. 39 verder in).
Van Gerven merkt op dat het een misverstand is te menen dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur slechts gelding hebben op het terrein van het publiekrecht. Als voorbeelden die ook van toepassing zijn op het privaatrecht, noemt hij o.a. ‘zuiverheid van oogmerk’ (ook wel: verbod op détournement de pouvoir) en het gelijkheidsbeginsel (W. van Gerven, Beginselen van behoorlijk handelen, Gent 1983, p. 6). Anders: Van Eikema Hommes, Hoofdlijnen der rechtssociologie, p. 92.
Zie over het opsporen van rechtsbeginselen voorts: Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 87-92.
8. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 102-103.
9. P. Borst, Enige beschouwingen over marginale toetsing in publiek- en privaatrecht, WPNR 4736 (1962), p. 391, die in dat verband ook verwijst naar de Handelingen van de Nederlandse Juristenvereniging, Zwolle 1950, tweede deel, p. 87.
10. P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 5025 (1969), p. 37.
11. P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 5025 (1969), p. 38.

|166|

Wanneer er geloofsopvattingen in het geding zijn, is dit criterium mijns inziens niet zonder meer toe te passen. In de rechtspraak kwam dat aan de orde bij de zaak Goeree.12 Het echtpaar Goeree had aan een bijbeltekst13 een uitleg gegeven – en ook naar buiten toe uitgedragen – dat de Joden zelf schuld zouden hebben aan het leed dat hen in de Tweede Wereldoorlog is aangedaan. In het kort geding, dat naar aanleiding daarvan door o.a. het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël en enkele Nederlands Israëlitische Gemeenten tegen de Goerees wordt aangespannen, overweegt de president van de rechtbank:

“Ondanks het feit dat – naar ook gedaagden behoren te weten – inmiddels de overgrote meerderheid van de christelijke kerken uitdrukkelijk afstand heeft genomen van de gedachte als zou er causaal verband bestaan tussen de hiervoorgerelateerde uitroep (Matth. 27: 25) en hetgeen de Joden nadien aan leed is overkomen (…) durven gedaagden het aan een standpunt te blijven innemen dat, als reeds gezegd, in het verleden reeds tot vele Jodenvervolgingen heeft geleid.”

Naar aanleiding van deze overweging spreekt het hof – dat onder wijziging van de gronden het vonnis van de president bekrachtigt – echter uit dat het getal hier niet bepalend is:

“Appellanten behoeven zich geenszins te richten naar een (overgroot) meerderheidsstandpunt bij hun godsdienstverkondiging.”14

Juist bij geloofsopvattingen zou die aanpassing bij het meerderheidsstandpunt en de formule ‘geen verschil van mening tussen redelijke mensen’ in de knel komen met de vrijheid van godsdienst. Of dat echter een vrijbrief is om die geloofsopvattingen op alle mogelijke manieren uit te dragen, zal in het volgende hoofdstuk aan de orde komen.15

 

9.3 Wanneer wordt marginale toetsing toegepast?

Marginale toetsing is aan de orde wanneer er sprake is van een organisatie (of verband) met een zekere vrijheid op een bepaald terrein.16

12. HR 5 juni 1987, NJ 1988, 702 (EAA) (Goeree/CIDI c.s.). Voor de behandeling van dit arrest verwijs ik naar hoofdstuk 10, § 10.5.1.
13. Matth. 27:25, waar in verband met de berechting van Jezus wordt geroepen: “Zijn bloed kome over ons en onze kinderen.”
14. Vgl.: I. Kisch, Het eerste zevental, RM Themis 1955, p. 151. Zie over de geciteerde overwegingen van de president van rechtbank en van het hof ook: F.T. Oldenhuis, Kerkgenootschappen en privaatrecht, WPNR 5870 (1988), p. 232.
15. Zie § 10.5.1.
16. P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 4736 (1962), p. 390. Ook Van Gerven stelt dat er tal van privaatrechtelijke situaties zijn waarin marginale toetsing door de burgerlijke rechter gebruikelijk is, al dienen daar wel bijzondere redenen voor te zijn. Het is bijvoorbeeld aan de orde wanneer het gaat om iemand met een bepaalde gezagspositie die binnen de formele grenzen van zijn recht handelt (W. van Gerven, Beginselen van behoorlijk handelen, Gent 1983, p. 12 en p. 14). Anders: Schoordijk, die überhaupt niet veel voor het hanteren van het begrip ➝

|167|

Die vrijheid geldt als de rechtsgrond voor de marginale toetsing. Het gaat hier om samenlevingsverbanden als gezin, kerk en bedrijf. Men kan in die gevallen spreken van een ‘juridische soevereiniteit in eigen kring’ inzake het opstellen en toepassen van het interne recht:

“(…) zij kennen een eigen gezag, een eigen intern bedrijfsrecht, eigen organisatiebeleid. Maar de bevoegdheden zijn niet onbeperkt, er zijn grenzen. Het is met name de taak van de burgerlijke rechter de grenzen van die vrijheid vast te stellen. Dat is in wezen dezelfde taak als de administratieve rechter heeft tegenover de publieke administratie, dit is M.T.”17

De rechter ontziet dus in geval van marginale toetsing de vrijheid die bepaalde instanties krachtens overeenkomst, wet of statuut hebben om beslissingen te nemen. Deze instanties komt een eigen beoordelingsvrijheid toe.18 Ik wijs erop, dat die beoordelingsvrijheid ook aan de orde is bij het reeds behandelde bindend advies.19

Alleen wanneer evident is, dat deze vrijheid geen eerbiediging verdient, zal de burgerlijke rechter ingrijpen door het besluit of het bindend advies te vernietigen.20

De rechter dient derhalve altijd de (prealabele) vraag te stellen, hoe ver het gezag van het verbandsorgaan reikt, aangezien daaruit weer volgt hoever de marginale toetsing reikt. Daarbuiten geldt volledige toetsing.21

➝ ‘marginale toetsing’ voelt (H.C.F. Schoordijk, Bestuursrecht en privaatrecht, een interne rechtsvergelijking, Deventer 1984, p. 37-38).
17. P. Borst, Enige beschouwingen over marginale toetsing in publiek- en privaatrecht, WPNR 4736 (1962), p. 390. In gelijke zin: H.J. van Eikema Hommes, De elementaire grondbegrippen der rechtswetenschap, Deventer 1983, p. 455. Zie m.n. over marginale toetsing bij kerkelijke geschillen zijn Hoofdlijnen der rechtssociologie, p. 99-100.
18. Zie over de vrijheid in verenigingsverband en de wijze van toetsen door de burgerlijke rechter: Asser-Scholten, Inleiding-Personenrecht (1923), p. 683-684: “De rechter zal de vereeniging hebben te volgen in haar uitspraak over al datgene waarbij subjectief verschil van gevoelen plaats is, maar hij heeft niet te aanvaarden wat feitelijk ongegrond of met het recht in klaarblijkelijken strijd is, in het aangehaalde voorbeeld van ontzetting (van een verenigingslid, ahsw), indien het lid de handeling (die de goede naam van de vereniging heeft geschaad, ahsw) niet heeft verricht of de handeling door niemand redelijkerwijs als schadelijk voor den goeden naam der vereeniging kan worden beschouwd.”
Zie voorts: Wassing (1978), p. 110; Van Schilfgaarde, Rechtspersonen (1979), p. 196; Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 98; Vermeulen, De Grondwet, p. 106.
Voor voorbeelden uit de rechtspraak zie: HR 21 mei 1943, NJ 1943, 484 (Baus/De Koedoe), over de winstvaststelling binnen een vennootschap; HR 2 december 1983, NJ 1984, 583 (Ma.) (KNMP/Hubert c.s.).
19. Zie ook P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 5026 (1969), p. 51, die ook bij het bindend advies en de bindende partijbeslissing van beleidsvrijheid spreekt. Zie voorts: W. van Gerven, Beginselen van behoorlijk handelen, Gent 1983, p. 8 en 14; Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 99 en 105. Terecht merkt Wiarda (p. 105) op: “Zijn toezicht (van de rechter op het bindend advies, ahsw) zal zich dan in inhoudelijk opzicht – d.w.z. los van vragen als bevoegdheid en regelmatigheid van de gevolgde procedure – moeten beperken tot een marginale beoordeling.”
20. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 99-100; Zie in gelijke zin: Van Gerven, t.a.p., p. 7.
21. P. Borst, Problemen en perspectieven van de marginale toetsing, WPNR 5024 (1969), p. 27; Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 105.

|168|

In dat kader is het ook steeds van belang om te weten hoever de bevoegdheid van een kerkelijke instantie eigenlijk gaat.22

Clavareau hierover:

“In een aantal andere processen had de beroepsrechter alleen over de legitimatie te oordelen; steeds ging de rechter, de Hooge Raad voorop, er dan toe over die te contrôleeren (…) De rechtspraak bleek zich bij deze bepaalde situatie dus een recht van onderzoek toe te kennen. En dat was steeds een onderzoek ad fundum; nimmer werd overwogen, dat de kerkelijke autoriteit (te goeder trouw) had kunnen oordeelen, gelijk zij had gedaan. Hieruit mag men intusschen niet te veel gevolgtrekkingen maken, want heeft de rechter – zij het ook zonder dat in zijn uitspraak te zeggen, en wellicht zelfs onbewust – zich niet mede laten leiden door de overweging, dat in deze procedures ook van gewicht was de vraag, hoeveel zeggenschap de kerkelijke instanties over het betrokken kerkelijk college of over den betrokken predikant konden uitoefenen, en dat het een praealabele vraag was, waarvan de beantwoording steeds geheel tot de taak van den Overheidsrechter moet behooren? (Curs. ahsw)” [23]

Aansluitend bij dit laatste, meen ik dat er aangaande de ‘vrijheid in eigen kring’ een kanttekening moet worden geplaatst.

Wanneer de rechter over een geschil moet oordelen kan onder andere in het statuut een begrenzing van de vrijheid worden gevonden.

Maeijer merkt met het oog op de totstandkoming van besluiten op:

“Die marge (voor eigen beoordeling die aan het besluitvormend orgaan wordt gelaten, ahsw) is er in aanzienlijk mindere mate, en m.i. onder omstandigheden in het geheel niet, wanneer het gaat over het naleven van een min of meer geconcretiseerde norm die de wijze van totstandkoming van het besluit betreft.” 24

De Rechtbank ’s-Gravenhage hanteert bij de toetsing – naast enkele andere – dit aanknopingspunt met betrekking tot een kerkelijk geschil:25

“Aan de Kerk moet worden toegegeven dat de wetgever aan kerkgenootschappen een grote vrijheid heeft gelaten bij hun inrichting en het stellen van eigen regels. Die vrijheid wordt niet alleen begrensd door dwingend recht en de openbare orde, maar ook door het statuut van het kerkgenootschap.

22. Zie bijv. ook Rb. ’s-Gravenhage 29 november 1995, rolnr. 92/6878, ongepubliceerd (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk) en 12 april 2000, rolnr. 99/2487, gepubliceerd op Rechtspraak.nl, LJN nr. AA 7602, (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk).
23. Clavareau (1947), p. 211. Zie over de ontwikkelingen in de jurisprudentie uit de 19e eeuw: Clavareau, t.a.p., p. 210-212.
24. Noot van Maeijer bij HR 18 juni 1982, NJ 1983, 200 (Ma.) (De Vries/Biologische Tuinbouwvereniging Elderveld). Zie in dezelfde zin: Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 89; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art 15 aant. 5.
25. Rb. ’s-Gravenhage 29 november 1995, rolnr. 92/6878, ongepubliceerd (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk).

|169|

Dat betekent dat de burgerlijke rechter (het besluit tot) de Kerkordewijziging 1991, voor zover in geschil (…), mag toetsen wat betreft de totstandkoming: aan het statuut van de Kerk, en wat betreft de inhoud: aan dwingend recht, de openbare orde en het statuut van de Kerk. Als (het besluit tot) de Kerkordewijziging 1991 die toets heeft doorstaan, resteert voor het overige slechts een marginale toetsing, (curs. ahsw) namelijk die of de Generale Synode in redelijkheid tot de Kerkordewijziging 1991, voorzover in geschil, heeft kunnen besluiten, waarbij rekening moet worden gehouden met het bijzondere karakter van de Kerk als kerkgenootschap.”

Men mag op zijn minst verwachten dat een rechtspersoon – dus ook een kerkgenootschap – zich bij de (procedures rond) besluitvorming aan het eigen statuut houdt.26 Daarmee wordt de rechter een belangrijk toetsingskader geboden wanneer de geldigheid van een besluit in rechte wordt aangevochten.

 

9.4 Voorbeelden van marginale toetsing bij kerkelijke geschillen

In het voorgaande kwam aan de orde dat marginale toetsing ook bij kerkelijke geschillen kan worden toegepast. Een voorbeeld daarvan is een kort geding27 naar aanleiding van een geschil tussen een geschorste predikant en de leden van een ‘commissie voor het opzicht’ van de Nederlandse Hervormde Kerk. In hoger beroep wordt door de predikant aangevoerd, dat de president van de rechtbank had moeten beoordelen wie van de partijen er nu eigenlijk gelijk had in het ‘bodemgeschil’ (waarmee hier gedoeld wordt op het geschil dat tot de schorsing door de commissie voor het opzicht heeft geleid).

Het hof overweegt:

“dat echter appellant ten onrechte verlangt, dat de President zijn eigen oordeel in het ‘bodemgeschil’ aan zijn beslissing betreffende de schorsing ten grondslag zal leggen; dat immers de President de beslissing over de schorsing, genomen door geïntimeerden als orgaan, daartoe aangewezen in de Kerkelijke Ordinantie, waaraan beide partijen zijn onderworpen, behoort te eerbiedigen, tenzij deze apert onredelijk is (curs. ahsw), anders gezegd, tenzij deze, hetzij wat de wijze van totstandkomen betreft, hetzij wat betreft de inhoud zodanig is, dat geïntimeerden in strijd met de goede trouw zouden handelen door appellant daaraan te houden, en dat die onredelijkheid in verband met de te verwachten uitleg van het tuchtgeding slechts kan worden aangenomen, indien stellig te verwachten is, dat het kerkelijk orgaan, dat uiteindelijk zal beslissen, niet tot een veroordeling zal (kunnen) komen;
O. dat naar deze maatstaf zal moeten worden beoordeeld, of de door de President gegeven beslissing juist is;”

26. Zie ook art. 2:14 lid 1 en 2 en art. 2:15 lid 1 sub a BW.
27. Hof Arnhem 27 november 1956, NJ 1957, 256 (schorsing hervormde predikant).

|170|

We zien hier in dit citaat een zelfde formulering als bij de toetsing van het bindend advies.28

 

Het verdient opmerking, dat de mate van terughoudendheid bij kerkelijke geschillen kan variëren. De kerkgenootschappen mogen dan een ruime interne organisatievrijheid hebben, ook zij dienen, zowel bij ‘intern’ als ‘extern’ optreden, de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen.

In een kort geding inzake een tuchtmaatregel jegens een gemeentelid wordt een verband gelegd tussen een terughoudende toetsing en de gevolgen die een tuchtmaatregel voor het betrokken gemeentelid heeft.

De president van de rechtbank overweegt:29

“Bij het toetsen van besluiten en andere gedragingen van een kerkgenootschap ten opzichte van zijn leden die slechts gevolgen beogen te hebben voor de mate waarin de leden deel mogen hebben aan de door het kerkgenootschap uitgeoefende godsdienstige activiteiten, past de wereldlijke rechter de grootst mogelijke terughoudendheid. Slechts bij willekeur, kwade trouw of aperte schending van grondrechten of van wezenlijke interne regels van totstandkoming van besluiten is hier voor de rechter een taak weggelegd.”30

Even later wordt er – mijns inziens terecht – een uitzondering op dit uitgangspunt aangebracht, en wel met het oog op de externe werking die de gang van zaken rond de genomen tuchtmaatregel heeft:

“De noodzaak tot een terughoudende, marginale toetsing door de wereldlijke rechter van het handelen van een kerkgenootschap is veel minder aanwezig, wanneer het handelen niet de eigen godsdienstbeoefening en de verdere interne gang van zaken betreft, doch zich naar buiten richt door aan derden mededelingen te doen die voor het betrokken lid van de kerk schade kunnen opleveren.”31

Tot slot wil ik in deze paragraaf nog ingaan op de mogelijkheid van een beduidend minder terughoudende opstelling van de burgerlijke rechter.

Clavareau merkt op dat, vooral wanneer het om een geval van leertucht gaat, de rechter niet spoedig tot het niet bindend verklaren van de uitspraak over zal gaan, al blijft volgens deze schrijver het toetsingsrecht ook dan in beginsel bestaan.32

28. Zie bijvoorbeeld het Huize Lydia arrest zoals besproken in § 7.3.2.
29. Pres. Rb. Groningen 22 november 1995, KG 1996, 18 (tuchtmaatregel gemeentelid Gemeenschap van Gelovigen).
30. Zie voor een soortgelijke overweging Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127 (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Kerk vrijgemaakt).
31. Vgl. de conclusie van A-G Leijten bij het in hoofdstuk 10 § 10.5.1 te behandelen Goeree-arrest, HR 5 juni 1987, NJ 1988, 702 (EAA) (Goeree/CIDI c.s.).
32. Clavareau (1947), p. 290.

|171|

Mijns inziens geldt dat in ieder geval voor wat betreft de gevolgde (besluitvormings)procedure. De rechter dient deze allereerst aan de hand van het statuut te toetsen. Wat de inhoudelijke toetsing betreft, zal de burgerlijke rechter – terecht – doorgaans zeer terughoudend zijn: tuchtmaatregelen hangen veelal samen met geloofskwesties.

Als voorbeeld noem ik hier een rechtszaak betreffende een predikant van een Oud Gereformeerde Gemeente die zich niet houdt aan een door de kerkenraad uitgesproken schorsingsmaatregel.33 De tuchtmaatregel is genomen omdat de predikant – overigens geheel in overeenstemming met de geldende kerkorde – heeft geweigerd de naam van een gemeentelid dat onder de zogenaamde ‘stille censuur’ was geplaatst, van de kansel af te kondigen.

In eerste aanleg oordeelt de president van de rechtbank, die er overigens ten onrechte van uitgaat dat deze gemeente geen ‘reglement’ heeft, dat de predikant zich aan het schorsingsbesluit heeft te houden. In hoger beroep wordt echter aan de hand van de van toepassing zijnde kerkorde door het hof geoordeeld dat de schorsingsgrond van de predikant daarin geen steun vindt. Art. 79 van de kerkorde bepaalt namelijk dat een predikant geschorst wordt wanneer deze een openbare grove zonde bedrijft. In art. 80 wordt vervolgens aangegeven dat onder die grove zonde onder andere te verstaan is:

“(…) al de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden;”

Het hof overweegt daaromtrent dat het schorsingsbesluit weliswaar met algemene stemmen door de kerkenraad is genomen, maar dat de schorsingsgrond geen steun vindt in genoemd art. 80 van de kerkorde, aangezien het gedrag van de predikant dat tot de schorsing heeft geleid niet wordt genoemd in dat artikel en dat het ook niet gerekend kan worden tot “die zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken.” Het hof is derhalve van oordeel dat de schorsing onrechtmatig is.34

In feite vindt hier een integrale toetsing op grond van het statuut plaats. In een geval als dit acht ik een inhoudelijke toetsing van de burgerlijke rechter mogelijk en toelaatbaar. Ik merk daarbij op, dat als uitgangspunt zonder meer geldt dat de kerkenraad hier beoordelingsvrijheid heeft óf iemand onder tucht moet worden gesteld. Het is echter in dit geval – zonder dat de rechter zich bezig moet houden met geloofsvragen – evident dat de gronden van art. 79 en 80 DKO niet

33. Hof ’s-Hertogenbosch 31 maart 1955, NJ 1955, 600 (schorsing predikant Oud Gereformeerde Gemeente). In rechte staat tussen partijen vast, dat deze gemeente buiten enig verband met andere gemeenten staat. Normaliter zou volgens de DKO art. 79 het besluit tot een dergelijke schorsing (i.c. gedurende een periode van drie maanden zodat hier geen sprake is van een zeer tijdelijke noodmaatregel) samen met de kerkenraad van een naastgelegen gemeente moeten worden genomen. Zie ook De Gier, De Dordtse Kerkorde, p. 398.
34. Het hof spreekt uit dat het vonnis van de rechtbank te zijner tijd vernietigd zal moeten worden, maar het zal eerst trachten partijen tot een minnelijke schikking te bewegen.

|172|

aan de orde zijn. In een geval als dit kan mijns inziens gesproken worden van ‘willekeur of kwade trouw’.35

 

9.5 Toetsing bindend advies en besluit

In hoofdstuk 5 zijn enkele typen van interne rechtsgangen bij kerkgenootschappen onderscheiden. Behalve in het – weinig voorkomende – geval de kerkelijke rechtsgang als arbitrage wordt aangemerkt,36 is niet steeds duidelijk hoe de verschillende regelingen juridisch kunnen worden gekwalificeerd.

De achterliggende vraag is, of de keus van belang is voor de wijze van toetsen door de burgerlijke rechter.37

We zien bij de kerkelijke geschilbeslechting zowel de aanduiding ‘besluit’ (een besluit van een orgaan van een rechtspersoon in de zin van Boek 2 BW)38 als het

35. Vgl. ook het hierna in § 9.7 nog te bespreken Hasselt-arrest (HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201). Het hof acht zich daar niet bevoegd uitspraak te doen over dogmatische en theologische kwesties – i.c. de vraag of het kerkverband is afgeweken van de ‘geestelijke grondslagen’ van het verband – behoudens in gevallen van willekeur of kwade trouw.
Vgl. voorts: Hof Arnhem 14 september 1993, rolnr. 92/142 KG, ongepubliceerd (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Gemeente); Pres. Rb. Groningen 22 november 1995, KG 1996, 18 (tuchtmaatregel gemeentelid Gemeenschap van Gelovigen), hiervoor geciteerd in § 9.4; Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127 (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Kerk vrijgemaakt).
36. Overigens wordt in de literatuur betwist dat tuchtrecht middels arbitrage mogelijk is. Zie hierover W. Nolen, Handleiding voor arbiters, Zwolle 1957, p. 249; W. Nolen, Een koe met een vlekje? NJB 1957, p. 553-554; W.J. Slagter, Zelfregulering als basis voor privaatrechtelijk tuchtrecht, in: Overheidsrechter gepasseerd, Snijders e.a., Arnhem 1988, p. 99. (Slagter maakt daarbij wel onderscheid tussen enerzijds tuchtrecht als substituut voor strafrecht – waaronder de maatregelen schorsing en royement vallen – in welk geval volgens hem geen arbitrage mogelijk is omdat het niet gaat om een privaatrechtelijk geschil, en anderzijds privaatrechtelijke sancties, bijvoorbeeld schadevergoeding. In dat laatste geval kan volgens deze schrijver gekozen worden tussen arbitrage of bindend advies). Zie over deze materie voorts: Van der Ploeg, Heemskerk-bundel, p. 235 e.v. Van der Ploeg acht het aangaande het tuchtrecht binnen vrijwillige organisaties wel mogelijk dat vermogensrechtelijke sancties middels arbitrage worden opgelegd (Van der Ploeg, t.a.p., p. 241-242). Zie in gelijke zin R. van Delden, Arbitragerecht, A.J. van den Berg, R. van Delden en H.J. Snijders, Zwolle 1992, p. 35.
37. Op de ‘verlegenheidsoplossing’ zoals Vermeulen de kwalificatie ‘sui generis’ aanduidt, zal hier niet expliciet worden ingegaan. (B.P. Vermeulen, Interne rechtsgang en de gang naar de overheidsheidsrechter, in: Welles, nietes, Zoetermeer 2000, p. 85.) De kwalificatie biedt op zich weinig houvast voor het toetsen door de burgerlijke rechter. (Vgl. met betrekking tot het tuchtrecht als ‘sui generis’: Slagter, t.a.p., p. 100.)
38. Hier wordt onder besluit verstaan een beslissing van een orgaan van een rechtspersoon, die rechtsgevolg heeft voor die rechtspersoon en/of de rechtsbetrekkingen daarbinnen (Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 125 en 127; vgl. Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 78. Voorbeelden die daar genoemd worden, zijn o.m. het vaststellen van de contributie, wijziging van statuten en het opzeggen van het lidmaatschap. Zie voorts: Van Schilfgaarde, Rechtspersonen (1979), p. 183-186). Het begrip orgaan wordt hier gezien als een instantie die op grond van de wet of de statuten bepaalde bevoegdheden heeft met betrekking tot de besluitvorming of het beleid van de rechtspersoon, waarbij doorgaans sprake zal zijn van een zekere autonomie van deze instantie (Van Schilfgaarde, Rechtspersonen (1979), p. 33; vgl. P.L. Dijk e.a., Verenigingsrechtelijke knelpunten in de sport, Haarlem 1979, p. 23; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997) nr. 37; Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 75; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 14 aant. 3). Aangenomen wordt, dat ook een ‘buitenstaande’ instantie die op grond van het statuut beslissingsbevoegdheden heeft, als een orgaan van de rechtspersoon kan worden aangemerkt (Van Schilfgaarde, Rechtspersonen (1979), p. 35; Dijk/Van ➝

|173|

‘bindend advies’39 de revue passeren. Deze begrippen zullen derhalve in dit kader naast elkaar worden geplaatst.

Daaraan voorafgaand zij opgemerkt, dat de tegenstelling in eerste instantie wellicht groter lijkt dan zij uiteindelijk is. Wanneer geschilbeslechting plaatsvindt middels een besluit van een orgaan van de rechtspersoon, kan er in feite worden gesproken van een bindende partijbeslissing.40

De belangrijkste toetsingsgrond voor het bindend advies wordt weergegeven in art. 7:904 lid 1 BW:41

➝ der Ploeg (2002), p. 75-76; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 14 aant. 3. Anders: Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 37).
Overigens wordt in de MvA inzake art. 2:15 BW (Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 172), met zoveel woorden gemeld dat de regeling omtrent vernietiging van besluiten niet van toepassing is wanneer het gaat om besluiten die een orgaan van een rechtspersoon neemt ter vaststelling van diens verhouding tot een bepaalde persoon. In dat geval zouden de vernietigingsbepalingen van titel 7.15 BW (thans art. 7:904 BW) van toepassing zijn (zie ook: Toelichting Meijers (Boek 7), p. 1149-1150). In de literatuur wordt dit standpunt niet gevolgd door A.L.G.A. Stille, Rechtspersonen, art. 27 aant. 7 en art. 35 aant. 7 (waarbij wordt verwezen naar HR 18 juni 1982, NJ 1983, 200 (Ma.), De Vries/Biologische Tuinbouwvereniging Elderveld) en Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 122. Zie echter Maeijer, die (met name op grond van de wetsgeschiedenis betreffende het oorspronkelijke art. 2:35 BW) aangaande verenigingen nog weer onderscheid maakt tussen enerzijds een beslissing tot ontzetting van een lid genomen door de algemene vergadering in eerste en hoogste instantie (in dat geval is vernietiging mogelijk op grond van 2:15 BW) en anderzijds een beslissing in beroep, die hetzij genomen wordt door een ‘buitenstaande’ instantie (bijv. een tuchtcommissie) hetzij door een orgaan van de vereniging (in dat geval is vernietiging mogelijk op grond van art. 7:906 lid 1 jo. 904 BW). Wel wordt bij dit laatste (dus wanneer het gaat om een orgaan van een vereniging) door Maeijer opgemerkt dat dit, onder het thans heersende regime van art. 7:906 lid 1 jo. 904 BW, zeer waarschijnlijk mag worden aangenomen (Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 288). Zie ook het artikel van Maeijer in NV 75 (J.M.M. Maeijer, Het beroep tegen royement of opzegging van een lid van de vereniging; de aantasting in rechte van een in beroep gegeven beslissing, NV 75, september 1997, p. 238). In de vorige druk duidde Van der Grinten dat niet ‘zeer waarschijnlijk’ doch ‘twijfelachtig’. Van der Grinten voert in dat verband mijns inziens terecht aan, dat er geen goede gronden zijn om een besluit tot royement van de algemene vergadering in eerste instantie anders te behandelen dan een besluit in beroep (Asser-Van der Grinten II, De Rechtspersoon (1991), nr. 288).
39. Zie hoofdstuk 7, § 7.3.2.
40. Clavareau (1947), p. 121; Van Rossem-Cleveringa (1972), aant. 3 bij art. 620, p. 1316 en noot 40 op p. 1322; Contractenrecht IV, W.L. Valk, nr. 551 (waar schrijvers met uiteenlopende meningen worden genoemd); Van der Ploeg, Heemskerk-bundel, p. 236 en 239. Volgens Meijers hangt het van de onderlinge verhouding tussen het orgaan en de rechtspersoon af of het gaat om een bindend advies of een partijbeslissing. Is het orgaan onafhankelijk (niet nauw bij het geschil betrokken), dan staat de uitspraak gelijk aan die van een derde (E.M.M. Meijers, Aanvulling en uitlegging van overeenkomsten door een der partijen, WPNR 2422 (1916), p. 263). Tegen dit standpunt van Meijers keert zich Sanders, die meent dat er dan nog steeds sprake is van een partijbeslissing: “Nimmer immers zal men in een orgaan van een der partijen een persoon kunnen zien, die volkomen vreemd is aan het punt in geschil (…). Zoolang dit laatste niet het geval is kan men m.i. geen derde genoemd worden.” (P. Sanders, Aantasting van arbitrale vonnissen, diss. Leiden, Zwolle 1940, p. 108). Zie ook noot 104 van hoofdstuk 7.
41. Op 1 september 1993 is titel 7.15 BW (over de vaststellingsovereenkomst) in werking getreden. Met de invoering daarvan is niet beoogd verandering aan te brengen in de wijze van toetsen zoals die zich in de jurisprudentie had ontwikkeld. Zie hierover MvT, Tweede Kamer 1982-1983, 17 779, nr. 3, p. 41; Hof Leeuwarden 18 september 1996, NJ 1998, 27 (Intereffekt/Wielenga). Hier wordt bij het bindend advies en de bindende partijbeslissing van dezelfde toetsingsgronden uitgegaan (zie noot 104 van hoofdstuk 7).

|174|

“Indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of van een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (curs. ahsw), is die beslissing vernietigbaar.”

Kijken we naar de toetsingsgronden van art. 2:15 lid 1 BW (over de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan) dan zien we onder b dat de burgerlijke rechter een besluit kan vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door art. 8 van boek 2 BW wordt geëist.42 In art. 2:8 lid 1 BW wordt bepaald dat de rechtspersoon en degenen die op grond van de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich jegens elkaar hebben te gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.

Het tweede lid, waarin de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aan de orde komt, bevat vervolgens een bekende zinsnede:

“Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (curs. ahsw).”

Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn wanneer er niet voldoende reden is tot vernietiging van een besluit of indien de termijn tot aantasting van een besluit is verstreken.43

Zowel bij de vernietiging van een besluit op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW als bij de vernietiging van een bindend advies op grond art. 7:904 lid 1 BW is er sprake van een marginale toetsing door de burgerlijke rechter.44

Vernietiging van een besluit is volgens art. 2:15 lid 1 onder a BW voorts mogelijk op grond van strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen45 en, onder c, wegens strijd met een reglement.46

42. Zie hierover o.a. Asser-Van der-Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 133; Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 87-89; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 15 aant. 4.
43. MvT, Tweede Kamer 1982-1983, 17 725, nr. 3, p. 56-57. De MvT noemt met betrekking tot het eerste geval het voorbeeld dat er een reglementaire boete is opgelegd. In het tweede geval kan bijvoorbeeld een lid zijn gedupeerd wanneer deze het besluit niet heeft vernietigd omdat de rechtspersoon binnen de daarvoor gestelde termijn (zie art. 2:15 lid 5 BW) het besluit nog niet “te zijnen nadele heeft uitgevoerd.” De gedupeerde kan, indien aan de vereisten is voldaan, een beroep doen op art. 2:8 lid 2 BW; de regel blijft dan ten opzichte van hem buiten toepassing. Zie voorts: J.M.M. Maeijer, De corrigerende werking van de goede trouw, in het bijzonder binnen rechtspersonen, in: Goed en trouw, red. E.A.A. Luijten e.a., Zwolle 1984, m.n. p. 41-43; T.J. van der Ploeg, De verbintenis in het rechtspersonenrecht, in: Met recht verenigd (Dijk-bundel), red. Gr. van der Burght e.a., Arnhem 1986, m.n. p. 198-203; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 8 aant. 1 en 3.
44. Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 288. Zie specifiek over het besluit: Van Schilfgaarde, Rechtspersonen (1979), p. 196; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 133; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 15 aant. 5.
45. Zie hierover Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 86-87; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 15 aant. 3. Men kan hierbij bijvoorbeeld denken aan voorschriften met betrekking tot het oproepen voor een vergadering en de wijze van stemmen.
46. Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 132; Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 89-90; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 15 aant. 1 en 6. Bij een vereniging gaat het veelal om een huishoudelijk ➝

|175|

Dit lijkt mij een voor de hand liggende toetsingsgrond. Een rechtspersoon zal zich hebben te houden aan de wet, de eigen statuten en eventuele reglementen.47 Dit geldt naar mijn mening evenwel niet alleen voor de besluiten van een rechtspersoon. Ook bij betwisting van gebondenheid aan het bindend advies als wijze van geschilbeslechting kan de rechter in volle omvang toetsen of bij de totstandkoming ervan de in het statuut (of reglement) voorgeschreven procedure is gevolgd.48

Tot nu toe ging het over de vernietiging van een besluit of een bindend advies. Er zijn evenwel voor beide figuren ook voorbeelden aan te wijzen waarbij sprake is van nietigheid.

Ten aanzien van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon wordt in art. 2:14 lid 1 BW bepaald dat het, wanneer het in strijd is met de wet of de statuten, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.

Het kan hier bijvoorbeeld gaan om het nemen van een besluit door een orgaan waartoe het volgens de wet of de statuten niet bevoegd was. In dat geval heeft het besluit geen enkele rechtskracht en wordt het geacht niet te zijn genomen.49

Ook een bindend advies kan nietig zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval indien partijen nimmer zijn overeengekomen dat eventuele geschillen middels bindend advies beslecht zouden worden.50

➝ reglement. Zie hierover: T.J. van der Ploeg, Reglementen bij verenigingen; een duik in troebel water, WPNR 5929 (1989) p. 521-526. Zie voorts: Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 63-69.
47. De wet biedt overigens naast de expliciet genoemde toetsingsgronden in art. 2:14 BW (nietigheid van een besluit) en art. 2:15 BW (vernietiging van een besluit) nog andere mogelijkheden. In de aanhef van art. 2:15 lid 1 BW wordt namelijk bepaald dat een besluit vernietigbaar is op andere, in de wet genoemde gronden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan art. 3:44 BW (bedreiging, bedrog en misbruik van omstandigheden). Zie ook Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 134; Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 15 aant. 2.
48. Zie in gelijke zin Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, p. 105. Zie voorts de volgende uitspraken: Pres. Rb. Utrecht 14 april 1978, NJ 1978, 496 (Van Kan/KNVB), waar een tuchtrechtelijke beslissing van de KNVB wordt aangemerkt als een bindend advies. (Overigens heeft de KNVB nadien de statuten zodanig aangepast dat een tuchtcollege als een orgaan (in de zin van Boek 2 BW) van de KNVB heeft te gelden, zie F.C. Kollen, Tuchtrecht in de sport, in: Sport en recht, Haarlem 1998, p. 9-10.) Zie ook: Hof Amsterdam 10 juli 1980, NJ 1982, 105 (X/KNAU), waar door het hof zowel naar het huishoudelijk reglement van de KNAU als naar beginselen van behoorlijk procesrecht wordt gekeken; Pres. Rb. Amsterdam 17 mei 1990, KG 1990, 193 (J.G.F./KNVB), waar de president de tuchtuitspraak aanmerkt als een bindend advies, hoewel het volgens de statuten van de KNVB om een besluit van een orgaan gaat. Ook hier toetst de president o.a. aan het tuchtreglement; Pres. Rb. Utrecht 9 juli 1996, KG 1996, 259 (Handbalvereniging Zeeman/Vereniging Nederlands Handbal Verbond), waarin allereerst wordt gekeken of de statuten en de reglementen aanknopingspunten bieden.
Overigens geldt evenals bij het bindend advies (zie noot 113 bij § 7.3.2), dat bij een eventuele vernietiging van het besluit het uitgangspunt is dat de schending m.b.t. de totstandkoming ook daadwerkelijk nadeel heeft toegebracht. Zie bijvoorbeeld HR 6 juni 1969, NJ 1969, 317 (G.J.S.) (Curaçaose club).
49. Kollen, De vereniging in de praktijk, p. 127; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nrs. 128 en 129; Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 85.
50. Van Rossem-Cleveringa (1972), aant. 3 bij art. 620, noot 17 p. 1318; Contractenrecht IV, W.L. Valk, nr. 581 en 582. Zie voor overeenkomstige toepassing van titel 7:15 BW thans ook art. 7:906 lid 1 BW.

|176|

Zowel een bindend advies als een besluit is nietig indien het door inhoud of strekking in strijd komt met de openbare orde of de goede zeden.51 Voor het besluit geldt zonder meer dat strijd met een dwingende wetsbepaling – afhankelijk van de strekking ervan – ook nietigheid kan meebrengen.52 Ten aanzien van een bindend advies geldt echter hetgeen in art. 7:902 BW bepaald wordt, namelijk dat een vaststelling ter beëindiging van een onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk terrein ook geldig is als zij in strijd blijkt te zijn met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de openbare orde en de goede zeden.53

Tot zover enkele vergelijkingen tussen het bindend advies en het besluit.54 In de volgende subparagrafen zal worden gekeken hoe de kerkelijke geschilbeslechting kan worden gekwalificeerd.

 

9.5.1 Kerkelijke geschilbeslechting middels bindend advies

Aan de hand van jurisprudentie uit de 19e eeuw laat Clavareau zien dat de burgerlijke rechter kerkelijke conflicten op dezelfde wijze behandelt als bindende adviezen.55 Door de, zoals hij dat aanduidt, grote ‘speelruimte’ die de kerk op eigen terrein heeft zal de burgerlijke rechter niet snel tot het niet bindend verklaren van zo’n kerkelijke uitspraak komen.56

Ook Asser-Van der Grinten-Maeijer maakt met betrekking tot de kerkelijke rechtspraak een verwijzing naar het bindend advies:

“Bindende uitspraken in eigen kring (hier wordt gedoeld op een kerkgenootschap, ahsw) zullen naar civielrechtelijke maatstaven op gelijke voet door de burgerlijke rechter moeten worden geaccepteerd als door partijen

51. Zie aangaande het bindend advies: art. 7:902 jo. 3:40 lid 1 BW; Toelichting Meijers, (Boek 7), p. 1140-1142 en 1147; Van Rossum, Vaststellingsovereenkomst, p. 25-28; zie voor wat betreft het besluit: art. 3:40 lid 1 BW; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 128; Dijk/Van der Ploeg (2002) p. 84; Rechtspersonen, J.B.Huizink, art. 14 aant. 4.
52. Art. 3:40 lid 2 en 3; Asser-Van der-Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 128; Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 84.
53. Wanneer men bij het bindend advies bewust een regel van dwingend recht buiten toepassing laat, zal dit strijd met de openbare orde en de goede zeden opleveren. Dat is ook het geval wanneer bij de uitleg, toepassing of niet-toepassing van een regel van dwingend recht een standpunt wordt ingenomen waartoe men in redelijkheid niet had kunnen komen. Daarbij maakt het geen verschil of het buiten toepassing laten bewust dan wel door onoplettendheid is geschied (Toelichting Meijers (Boek 7), p. 1141-1142). Zie over deze bepaling ook reeds § 7.3.2.
54. Het accent lag hierbij op de wijze van toetsen. Zie over enkele verschillen die meer betrekking hebben op de wijze waarop de vernietiging plaatsvindt de Toelichting van Meijers (Boek 7), p. 1150; Van Rossum, Vaststellingsovereenkomst, p. 62-63; zie specifiek over de vernietiging van besluiten: Parl. Gesch. Vaststelling Boek 2, p. 140 en Parl Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 169-170 en 172, zie inzake het bindend advies: Toelichting Meijers (Boek 7), p. 1146-1148.
55. Clavareau (1947), p. 217, zie daarvan ook p. 138 jo. p. 121.
56. Clavareau (1947), p. 290. Dat geldt volgens Clavareau vooral wanneer het om een geval van leertucht gaat.

|177|

bij voorbaat geaccepteerde beslissing (-en, ahsw) c.q. bindende adviezen. De rechterlijke toetsing zal derhalve een marginaal karakter hebben.”57

Bij het ontwerp van het Nieuw Burgerlijk Wetboek is in ieder geval rekening gehouden met de mogelijkheid dat kerkelijke geschilbeslechting als bindend advies zou worden behandeld. In de Toelichting van Meijers58 was bij de regeling van de vaststellingsovereenkomst voor kerkgenootschappen een uitzondering opgenomen met betrekking tot de vernietigingsbepalingen van bindende adviezen. Wel werd analogische toepassing mogelijk geacht. Deze uitzonderingsbepaling is echter in een later stadium geschrapt omdat het huidige lid 4 van art. 7:906 BW de burgerlijke rechter voldoende ruimte biedt om met de bijzondere aard van kerkgenootschappen rekening te houden.59

De vraag of de kerkelijke rechtsgang heeft te gelden als een bindend advies, komt aan de orde in een rechtszaak die door een aantal ‘oud toezicht- en vrij beheer gemeenten’ (hierna: Gemeenten) tegen de Nederlandse Hervormde Kerk (hierna: Kerk) is aangespannen.60

Nadat de Gemeenten naar aanleiding van een uitspraak van het Hof ’s-Gra- venhage61 de kerkelijke rechtsgang hebben doorlopen – waarbij hun vorderingen tot vernietiging althans het jegens hen onverbindend verklaren van synodebesluiten van 1991 zijn afgewezen62 – wenden ze zich opnieuw tot de burgerlijke rechter.

De Gemeenten vorderen een verklaring voor recht dat ze niet gebonden zijn aan de GCBG-beslissing, dat de synodebesluiten van 1991 (waarin bij kerkordewijziging werd bepaald dat per 1 januari 1996 één vorm van beheer binnen het kerkverband zou bestaan) nietig en onverbindend zijn en dat het hiervoor gestelde in ieder geval geldt voor de colleges van kerkvoogden van deze gemeenten.

De Gemeenten stellen onder meer dat de Kerk niet bevoegd is regels te stellen met betrekking tot beheer van en toezicht op hun vermogen, althans dat zij deze bevoegdheid heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze was gegeven.63

De Kerk meent dat de bevoegdheid van de generale synode en de motieven voor de besluiten van 1991 in dit geding niet in volle omvang dienen te worden getoetst. Volgens de Kerk is de beslissing van de GCBG namelijk aan te merken als een bindend advies zodat slechts ruimte bestaat voor een marginale toetsing.

De Gemeenten daarentegen stellen dat het geschil wél in volle omvang door de burgerlijke rechter dient te worden getoetst. Volgens hen is de geschillencommissie

57. Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 216. Zie in dezelfde zin: B.P. Vermeulen, Interne rechtsgang en de gang naar de overheidsrechter, in: Welles, nietes, Zoetermeer 2000, p. 87-88. Slump duidt het kerkelijk recht aan als zijnde ‘van eigen aard’ (Kerk, recht en samenleving, p. 75).
58. Toelichting Meijers (Boek 7), p. 1151.
59. MvT, Tweede Kamer 1982-1983, 17 779, nr. 3, p. 42.
60. Rb. ’s-Gravenhage 12 april 2000, rolnr. 99/2487, gepubliceerd op Rechtspraak.nl, LJN nr. AA 7602, (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk).
61. Hof ’s-Gravenhage 18 september 1997, rolnr. C96/149, NJkort 1997, 76.
62. Beslissing GCBG 18/97, 3 december 1998.
63. Hier wordt slechts aan de orde gesteld hetgeen in verband met de wijze van toetsen van belang is.

|178|

geen onafhankelijk orgaan en is er geen hoger beroep mogelijk. Derhalve is de kerkelijke rechtsgang ontoereikend.

De rechtbank oordeelt dat het geschil in volle omvang beoordeeld dient te worden op grond van het volgende:

“Weliswaar kan als juist worden aanvaard, zoals de Kerk stelt, dat de Gemeenten als zelfstandige onderdelen van de Kerk in beginsel aan de regelgeving van de Kerk zijn gebonden, doch hieruit vloeit niet zonder meer voort dat de Gemeenten dan ook zijn gebonden aan de beslissingen van de generale commissie. Uit Ordinantie 19, waarin de behandeling van bezwaren en geschillen door onder meer de generale commissie is geregeld, blijkt niet ondubbelzinnig (curs. ahsw) dat de beslissingen van die commissie voor de Gemeenten bindend en onaantastbaar zijn (met het gevolg dat de bevoegdheid om een daarvoor in aanmerking komend geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen, aldus zeer sterk wordt ingekort). Het gaat immers om de vraag of de weg naar de burgerlijke rechter – behoudens een marginale toetsing – is afgesloten. Derhalve kan niet worden gezegd dat de Gemeenten zich middels deze ordinantie hebben geconformeerd aan de bindende kracht – met genoemd gevolg – van de beslissing van de generale commissie. Dit kan niet zonder uitdrukkelijke afspraak (curs. ahsw), of in dit geval uitdrukkelijke kerkelijke regelgeving, worden aangenomen.”64

Vervolgens onderzoekt de rechtbank aan de hand van de kerkorde of de generale synode bevoegd is om regels te stellen aangaande het beheer en het vermogen van de Gemeenten, alsmede het toezicht op dat beheer.

Aangaande de wijze van gebruik van de bevoegdheid tot het vaststellen van de synodale besluiten overweegt de rechtbank dat haar daar wél slechts een marginale toetsing toekomt:

“Hier gaat het immers om de toetsing van het beleid van het bevoegde orgaan (de generale synode) van een rechtspersoon (de Kerk) (…)
De rechtbank is hieromtrent van oordeel dat het streven naar uniformiteit in de vermogensrechtelijke sfeer en het voorkomen van misstanden de Kerk valide redenen heeft gegeven en dat de generale synode aldus bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten om te komen tot een bindende regeling ten aanzien van beheer en toezicht als neergelegd in de Besluiten van 1991. Beide desiderata heeft de Kerk zich kunnen aantrekken als van belang voor de Kerk als geheel. Aldus kan ook niet worden gezegd dat zij haar bevoegdheid heeft misbruikt. De wijze van totstandkoming komt evenmin in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De Gemeenten hebben gedurende lange tijd de gelegenheid gehad zich aan te passen.”

64. Titel 7.15 BW schrijft geen schriftelijke overeenkomst voor. Volgens R. van Delden (Arbitragerecht, A.J. van den Berg, R. van Delden en H.J. Snijders, Zwolle 1992, p. 29) is voor een bindend advies weliswaar een overeenkomst of beding vereist, maar deze behoeft niet schriftelijk te worden vastgelegd of door geschrift te worden bewezen.

|179|

De rechtbank wijst de vorderingen van de Gemeenten af.

De Gemeenten gaan in hoger beroep; door de Kerk wordt incidenteel hoger beroep ingesteld.65

In één van de grieven in het incidentele appèl wordt door de Kerk aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte – namelijk omdat van gebondenheid aan de uitspraak niet ondubbelzinnig zou blijken – de beslissing van de GCBG in volle omvang heeft getoetst. Volgens de Kerk had de rechter marginaal moeten toetsen. Deze grief slaagt.

Het hof overweegt:

“Het hof is evenwel met de Kerk van oordeel dat de geschillenregeling zoals neergelegd in Ordinantie 19 (…) mede bezien in het licht van de artikelen 8 lid 5 en 17 van die Ordinantie,66 bezwaarlijk anders kan worden begrepen dan dat ingevolge artikel 2 van die geschillenregeling door de Generale Commissie gegeven beslissing de partijen bij dat geschil bindt op de wijze als bedoeld in artikel 7:904 lid 1 BW. Een dergelijke beslissing kan dan ook slechts op de in die bepaling aangegeven gronden worden aangetast.”

Het hof overweegt dat de meeste grieven van de Gemeenten de inhoudelijke kant van het geschil betreffen en daarmee tevens de inhoud van de door de GCBG genomen beslissing. Nu het hof heeft geoordeeld dat hier een marginale toetsing is aangewezen, kunnen slechts ernstige gebreken in de inhoud leiden tot vernietiging van de beslissing van de GCBG:

“Het hof heeft dan ook te beoordelen of de beslissing van de Generale Commissie, de omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, naar maatschaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.”

Het hof gaat onder andere in op de door de Gemeenten bestreden bevoegdheid van de generale synode tot het nemen van de besluiten van 1991. Daarbij richt het hof zich op de – breed gemotiveerde – beslissing van de GCBG van 1998. Volgens het hof is het oordeel van de GCBG – namelijk de verwerping van de stelling van de Gemeenten dat de generale synode niet bevoegd zou zijn tot het invoeren van een uniforme regeling inzake het vermogensbeheer – niet onaanvaardbaar. Hierbij verwijst het hof tevens naar de uitspraak van de Rechtbank ’s-Gravenhage van 29 november 1995,67 waarin de totstandkomingsgeschiedenis en de betekenis van de bepalingen van de (huidige) kerkorde van 1951 aan de orde kwamen. Voorts verwijst het hof naar diverse bepalingen uit de kerkorde

65. Hof ’s-Gravenhage 7 maart 2002, rolnr. 00/641, gepubliceerd op Rechtspraak.nl, LJN nr. AE 1907, (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk).
66. Art. 8 lid 5 biedt de mogelijkheid tot het nemen van een tuchtmaatregel wanneer men zich niet bij een uitspraak van een provinciale of de generale commissie wenst neer te leggen, art. 17 handelt over de mogelijkheid tot herziening van een eindbeslissing.
67. Rb. ’s-Gravenhage 29 november 1995, rolnr. 92/6878, ongepubliceerd (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk).

|180|

waarop de Kerk bij pleidooi heeft gewezen. Uit deze bepalingen blijkt de bevoegdheid van de generale synode.

Eén van de grieven van de Gemeenten in het principale appèl is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat aangenomen mocht worden dat de Kerk deugdelijke redenen had tot het nemen van de besluiten van 1991. Het hof oordeelt evenwel dat de Kerk niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door deze besluiten te nemen. Het hof toetst ook hier – evenals de rechtbank al deed – marginaal.

Uiteindelijk wijst het hof het principale appèl af. Het incidentele appèl wordt slechts ten dele gegrond geacht, hetgeen echter niet tot vernietiging van het bestreden vonnis leidt. Het hof bekrachtigt het in het principale appèl bestreden vonnis en verwerpt het beroep in het incidentele appèl.

Inzake de gebondenheid aan de uitspraak die de interne rechtsgang oplevert, valt op dat de rechtbank de lijn volgt van het reeds besproken arrest over de Commissie van Beroep bij het bijzonder onderwijs.68 Ook daarin overweegt de rechtbank dat de eisen om tot de kwalificatie van bindend advies – hetgeen een marginale toetsing door de burgerlijke rechter meebrengt – te komen streng zijn: men moet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig overeenkomen dat een uitspraak bindende kracht heeft.

Er valt echter wel een verschil te constateren: in laatstgenoemd arrest wordt in het van toepassing zijnde art. 40 lid 3 van de Wet op het Basisonderwijs bepaald dat ‘het bevoegd gezag’ gebonden is aan de uitspraak van de Commissie van Beroep. De Hoge Raad overweegt daar dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest dat de leerkracht óók zonder meer aan de uitspraak gebonden zou zijn. Voorts was i.c. niet overeengekomen dat de leerkracht die beroep instelde bij deze Commissie, gebonden zou zijn aan de uitspraak.

In een recenter arrest69 is nadrukkelijk uitgemaakt dat een ontslagen leerkracht bij een bijzondere Hogeschool niet eerst de interne beroepsgang behoeft te volgen, maar dat deze zich direct tot de burgerlijke rechter kan wenden. Ook hier wordt overwogen dat de uitspraak van de Commissie van Beroep niet heeft te gelden als een bindend advies.

Met betrekking tot de ‘oud toezicht- en vrij beheer gemeenten’ binnen de Nederlandse Hervormde Kerk had het Hof ’s-Gravenhage eerder geoordeeld dat de Gemeenten de interne rechtsgang dienden te volgen alvorens men het geschil eventueel aan de burgerlijke rechter zou kunnen voorleggen.70 Thans oordeelt de rechtbank dat die gehoudenheid niet impliceert dat partijen gebonden zijn aan de uitspraak van een geschilbeslechtende instantie.

Ik meen dat dit standpunt niet juist is. Anders dan bij de beroepscommissies bij het onderwijs moet bij de Nederlandse Hervormde Kerk op grond van art. XXIV

68. HR 31 mei 1996, NJ 1996, 693 (PAS) (ontslagen leerkracht/Vereniging). Zie ook hoofdstuk 7, § 7.3.2.
69. HR 9 november 2001, NJ 2001, 692 (ontslagen docent/Stichting Hogeschool Brabant).
70. Hof ’s-Gravenhage 18 september 1997, rolnr. C96/149, NJkort 1997, 76 (Hervormde Gemeente Aarlanderveen c.s./Nederlandse Hervormde Kerk). Zie ook hoofdstuk 6 over de toegang tot de burgerlijke rechter.

|181|

van de kerkorde71 en de uitwerking daarvan in ordinantie 19 wél worden aangenomen dat in beginsel eerst de kerkelijke rechtsgang dient te worden gevolgd, hetgeen overigens ook duidelijk uit de overwegingen van een eerder gewezen arrest van het Hof ’s-Gravenhage blijkt.72

Met het oog daarop rijst vervolgens de vraag, wat de zin ervan is de Gemeenten te verplichten de interne rechtsgang eerst te benutten, wanneer zij die uitspraak vervolgens naast zich neer kunnen leggen om het geschil (nogmaals) in volle omvang door de burgerlijke rechter te laten toetsen. Ik wijs in dit verband op een uitspraak van de President van de Rechtbank ’s-Gravenhage73 waar met betrekking tot genoemd arrest van het Hof ’s-Gravenhage wordt overwogen:

“Het Hof heeft met zoveel woorden de kerkelijke rechtbank voorrang gegeven. Aan het oordeel van dat college moet daarom grote betekenis worden toegekend.”

Dit laatste dient de burgerlijke rechter naar mijn mening dan ook tot uitdrukking brengen door dat oordeel marginaal te toetsen.

Dat er bij de kerkelijke rechtsgang van de Nederlandse Hervormde Kerk gebondenheid aan de uitspraak bestaat valt inderdaad, zoals het hof ook overweegt, mede op te maken uit ord. 19 art. 8 lid 5, waar de mogelijkheid tot het nemen van tuchtmaatregelen wordt genoemd wanneer men zich weigert neer te leggen bij een beslissing van een provinciale of de generale commissie.

Hoe het ook zij, in dit geval valt te constateren dat, hoewel de rechtbank de beslissing van de GCBG niet aanmerkt als een bindend advies, er in ieder geval terecht – zowel door de rechtbank als door het hof – een marginale toetsing plaatsvindt aangaande de wijze van gebruik van de bevoegdheid van de generale synode.

Voor wat betreft de betwisting van de Gemeenten dat de generale synode de bevoegdheid zou hebben tot het stellen van regels meen ik dat – ook bij de marginale toetsing van een bindend advies74 – de burgerlijke rechter niet om het statuut heen kan. Hier moet namelijk vastgesteld worden of de GCBG in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen of die betwisting al of niet gegrond is. Terecht verwijst het hof dan ook naar de artikelen van de kerkorde waaruit de bevoegdheid van de generale synode tot het stellen van regels inzake het vermogensbeheer moet blijken. Reeds eerder werd immers opgemerkt dat, wanneer er binnen een organisatie sprake is van een beoordelingsvrijheid van

71. Art. XXIV van de kerkorde luidt: “Bezwaren en geschillen voor de behandeling van welke in de orde van de Kerk niet een afzonderlijke of een bijzondere wijze van behandeling is aangegeven, worden (curs. ahsw) voorgelegd aan commissies voor de behandeling van bezwaren en geschillen.”
72. Hof ’s-Gravenhage 18 september 1997, rolnr. C96/149, NJkort 1997, 76. Hier werd geoordeeld dat de Gemeenten eerst de kerkelijke rechtsgang dienden te volgen.
73. Rb. ’s-Gravenhage 6 september 1999, KG 99/863, ongepubliceerd (Hervormde Gemeente Ouddorp/Nederlandse Hervormde Kerk).
74. In feite gaat het hier om een bindende partijbeslissing, zie ook het standpunt van Sanders in noot 40 van dit hoofdstuk.

|182|

een instantie of persoon, dat niet betekent dat de rechter geen nader onderzoek naar de feiten zou behoeven te verrichten.75

 

9.5.2 Kerkelijke geschilbeslechting middels besluit

Richten we ons op het ‘besluit’ als middel tot geschilbeslechting, dan blijkt in de praktijk dat het hanteren van dit begrip bij kerkelijke geschillen niet ongebruikelijk is.76 Met name bij kerkgenootschappen waar de geschilbeslechting via de meerdere vergaderingen loopt en waar men (een afgeleide van) art. 31 DKO77 hanteert, is de rechtsgang gericht op de toetsing van besluiten die door kerkelijke vergaderingen worden genomen.

Uit de parlementaire geschiedenis (inzake – destijds – art. 2:11 BW, zie thans art. 2:15 BW) blijkt dat de wetgever bewust de mogelijkheid open heeft willen laten om een besluit van een kerkelijk orgaan ter vernietiging aan de burgerlijke rechter voor te leggen. Ik citeer de minister:

“Ik erken, dat hier mogelijk weleens een inmenging door de rechter zou kunnen plaatsvinden, die door een kerkgenootschap als een ongerechtvaardigde inmenging in haar zaken zou kunnen worden beschouwd, met name wanneer het kerkgenootschap een eigen orgaan zou bezitten ter beslechting van dergelijke geschillen. Aan de andere kant moet men voorzichtig zijn met het uitdrukkelijk niet toepasselijk verklaren van deze bepaling (waarin de mogelijkheid is opgenomen een besluit door de burgerlijke rechter te laten vernietigen, ahsw). Dit zou ertoe kunnen leiden, dat er geen enkel redres mogelijk zou zijn in gevallen, waarin een kerkelijk orgaan onjuist zou hebben gehandeld, zelfs in de gevallen van de derde grond, de strijd met de goede trouw.”78

Hoewel art 2:2 lid 2 BW bepaalt dat de artikelen van titel 1 Boek 2 BW (uitgezonderd art. 5) niet van toepassing zijn op kerkgenootschappen, leert een in het

75. Zie § 9.2. Ook met betrekking tot het bindend advies wijst Borst erop, dat de rechter bij de toetsing daarvan een nader onderzoek naar de feiten moet verrichten (P. Borst, Enige beschouwingen over marginale toetsing in publiek- en privaatrecht, WPNR 4736 (1962), p. 391).
76. Aan (sport)verenigingen wordt wel geadviseerd om tuchtcommissies aan te duiden als organen, waarbij als één van de voordelen wordt genoemd dat de tuchtrechtelijke uitspraak wordt aangemerkt als besluit in de zin van Boek 2 BW in plaats van als bindend advies (P.L. Dijk e.a., Verenigingsrechtelijke knelpunten in de sport, Haarlem 1979, p. 23-25; Kollen, De vereniging in de praktijk, Deventer 1995, p. 111, p. 219-220; F.C. Kollen, Tuchtrecht in de sport, in: Sport en recht, Haarlem 1998, p. 9). Dit gebeurt in de praktijk echter niet altijd: soms wordt de tuchtrechtelijke uitspraak (‘besluit’) toch als bindend advies aangemerkt. Zie F.C. Kollen, Tuchtrecht in de sport, in: Sport en recht, p. 9-10. Zie ook P.L. Dijk e.a., Verenigingsrechtelijke knelpunten in de sport, Haarlem 1979, p. 23, waar erop wordt gewezen dat de burgerlijke rechter niet gebonden is aan het feit dat de statuten bepaalde commissies als orgaan betitelen.
Van der Ploeg merkt op, dat het bedenkelijk is dat voor de vraag of er al of niet sprake is van een orgaan een bepaling in de statuten moet worden opgenomen. Op zich zou de bevoegdheidstoedeling aan een commissie om tuchtmaatregelen te nemen voldoende moeten zijn om die commissie als orgaan aan te merken (Van der Ploeg, Heemskerk-bundel, p. 239).
77. Zie hoofdstuk 5 § 5.3.
78. Parl. Gesch. Vaststelling Boek 2, p. 84.

|183|

volgend hoofdstuk nog te behandelen arrest uit 198579 dat er ruimte is voor analogische toepassing: besluiten van kerkelijke organen kunnen worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid als genoemd in het huidige art. 2:15 lid 1 sub b jo. art. 8 van Boek 2 BW. Voorts blijkt uit de rechtspraak dat een besluit van een kerkelijk orgaan nietig kan zijn op grond van art. 2:14 BW.

Een voorbeeld van een rechtszaak80 over de aantasting van een besluit handelt over een tuchtmaatregel binnen de presbyteriaal-synodaal81 georganiseerde Molukse Evangelische Kerk. Het gaat hier om de vraag of het synodebestuur bevoegd is om, bij wijze van tuchtmaatregel, ambtsdragers van een plaatselijke gemeente uit hun functie te ontheffen. Deze ambtsdragers stellen echter dat de synodevergadering en niet het synodebestuur volgens de kerkorde het bevoegde orgaan is om dergelijke maatregelen te treffen. De rechtbank oordeelt – inderdaad vanwege de onbevoegdheid van het synodebestuur – dat het betreffende besluit op grond van art. 2:13 BW (oud) nietig is. Het hof bekrachtigt dit oordeel.82

De synodevergadering van de Molukse Evangelische Kerk wil zich bij deze uitspraak niet neerleggen en tracht uiteindelijk het probleem op te lossen door het volgende besluit te nemen:

“(…) dat alle besluiten door het synodebestuur genomen in de jaren 1970 tot en met 1992 – na voorgelezen te zijn – heden opnieuw besloten zijn en in werking zijn getreden met ingang van de in die besluiten vermelde data.”

Naar aanleiding van dit besluit wenden de ontslagen ambtsdragers zich opnieuw tot de burgerlijke rechter.83

De rechtbank overweegt dat de in de kerkorde gegeven procedurevoorschriften voor tuchtmaatregelen door deze ‘oplossing’ niet in acht zijn genomen:

79. HR 15 maart 1985, NJ 1986, 191 (Ma) (Pesulima/Molukse Evangelische Kerk), zie hoofdstuk 10,   § 10.4 en hoofdstuk 3, § 3.7 over analogische toepassing.
80. Rb. Rotterdam 22 maart 1991, rolnr. 5132/90, ongepubliceerd en Hof ’s-Gravenhage 30 juli 1992, rolnr. 91/993, ongepubliceerd (aantasting besluit Molukse Evangelische Kerk).
81. In beide instanties wordt gesproken over een ‘synodale structuur’. Volgens de kerkorde die destijds van toepassing was (van 1966) is er echter onmiskenbaar ook de presbyteriale component aanwezig. In de huidige kerkorde (Hoofdstuk 2 Algemeen Reglement van de Geradja Indjili Maluku 1996) is thans met zoveel woorden vermeld dat het kerkgenootschap een presbyteriaal-synodale structuur heeft.
82. De tekst van art. 2:13 BW luidde destijds: “De vorige artikelen zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten, genomen door andere organen van rechtspersonen, met dien verstande dat het besluit nietig is indien het orgaan niet bevoegd was het besluit te nemen.”
Ook bij anders georganiseerde kerkgenootschappen kan er sprake zijn van een nietig besluit, zie bijv. Pres. Rb. Groningen 21 december 1990, KG 1991, 90, waar het gaat om het ontslag van de predikant van een Vrije Evangelische Gemeente (georganiseerd naar congregationalistisch model). De president van de rechtbank oordeelt in dat geval dat het besluit van de kerkenraad tot ontslag van de predikant nietig is omdat op grond van het statuut de ledenvergadering toestemming had dienen te geven, hetgeen i.c. niet was geschied.
83. Rb. Utrecht 9 april 1997, rolnr. 28616/HA ZA 94-338, ongepubliceerd (tuchtmaatregelen Molukse Evangelische Kerk).

|184|

“Nu GIM (de Molukse Evangelische Kerk, ahsw) niet heeft gesteld en evenmin is gebleken dat zij voormelde regels heeft gerespecteerd, staat in rechte vast dat GIM bij de totstandkoming van het BESLUIT NO. 2 (het hierboven aangehaalde ‘correctiebesluit’, ahsw) heeft gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor, nader uitgewerkt in meergenoemd hoofdstuk III van haar eigen kerkorde.
Dit betekent dat het BESLUIT NO. 2 voorzover dit besluit ertoe strekte kerkelijke ambtsdragers te ontslaan en aan hen kerkelijke rechten te ontnemen op de voet van artikel 2:15 lid 1 BW dient te worden vernietigd.”

Hier worden de besluiten inzake tuchtmaatregelen dus aangemerkt als besluiten van een orgaan van een rechtspersoon.84

Tot slot wijs ik in dit verband op een uitspraak van de Rechtbank ’s-Hertogen- bosch85 waarin een predikant (ds. Kruis) de geldigheid van het besluit van de classis (van Christelijke Gereformeerde Kerken) tot ontzetting uit het ambt aanvecht.

De predikant vordert onder andere een verklaring voor recht dat er geen besluit tot afzetting door de Kerk van ’s-Hertogenbosch is genomen. Het afzetten van een predikant kán volgens art. 79 van de kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken echter ook niet door de plaatselijke kerk geschieden: een eventuele afzetting staat ter beoordeling van de classis.

De rechtbank oordeelt dat de classis geen orgaan is van ‘De Kerk’, waarmee in dit geval gedoeld wordt op de Christelijke Gereformeerde Kerk van ’s-Hertogenbosch. De kerk te ’s-Hertogenbosch stelt evenwel dat zij, nu zij deel uitmaakt van de classis, dit besluit mede heeft genomen.

De rechtbank overweegt:

“Wat er ook zij van de materiële betekenis en rechtsgevolgen van bedoeld classisbesluit en hoezeer De Kerk er ook blijk van heeft gegeven het met dat classisbesluit van harte eens te zijn, formeel is en blijft het een classisbesluit en het is niet een besluit van enig orgaan van de Kerk zelf, als

84. Zie ook: Rb. Dordrecht 19 november 1997, rolnr. 15359, HA ZA 2090/97 (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Kerk vrijgemaakt), en het hoger beroep bij het Hof ’s-Gravenhage 3 juni 1999, rolnr. 98/625, beide ongepubliceerd. Vgl. Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 125, waar nadrukkelijk wordt gesteld dat een beslissing van een met tuchtrechtspraak belast college van een vereniging of stichting niet als een besluit van een rechtspersoon moet worden aangemerkt, doch dat het daar gaat om een bindend advies: het gaat om een onafhankelijke instantie, waarvan de leden niet handelen namens de rechtspersoon.
Van der Ploeg ziet geen bezwaar om, wanneer in de statuten van dergelijke organisaties wordt verwezen naar instanties die belast zijn met uitspraken op het gebied van tuchtrecht, van besluiten te spreken omdat zij behoren tot de middelen waarmee de organisatie haar doel verwezenlijkt (Van der Ploeg, Heemskerk-bundel p. 240; Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 122). Ook Kollen wijst het standpunt van Asser-Van der Grinten-Maeijer af (Kollen, De vereniging in de praktijk, p. 111 noot 3).
Mijns inziens is het – met name met het oog op hetgeen in deze paragrafen over de toetsing is gezegd – onnodig dat er voor het tuchtrecht een andere kwalificatie (i.c. bindend advies) zou moeten gelden dan voor overige geschillen (i.c. ‘besluiten’).
85. Rb. ’s-Hertogenbosch 12 mei 1989, rolnr. 1649-87, ongepubliceerd (aantasting besluit tot afzetting ds. Kruis).

|185|

waarvan Kruis op grond van artikel 13 boek 2 (oud BW, ahsw) de vernietiging in rechte tegen de Kerk vordert.
Hieraan doet niet af dat De Kerk uitdrukkelijk heeft gesteld dat het classisbesluit mede namens haar is genomen en aan Kruis medegedeeld, omdat De Kerk daarbij kennelijk doelt op de materiële betekenis van het classisbesluit als wilsuiting van mede haarzelf. De Kerk stelt ook niet met zoveel woorden dat zijzelf formeel een besluit tot ontzetting van Kruis heeft genomen, nog daargelaten dat, waar zij ingevolge artikel 79 van de Kerkorde daartoe niet bevoegd was, een dergelijk besluit niet voor vernietiging vatbaar, maar ingevolge artikel 13 boek 2 BW nietig zou zijn.”

De vordering van Kruis tot vernietiging van het besluit van de Kerk van ’s-Hertogenbosch wordt door de rechtbank afgewezen omdat de rechtbank van oordeel is dat het eigen besluit van de Kerk niet bestaat.

In het vonnis komt niet aan de orde waarom de classis niet als orgaan van de Kerk kan worden aangemerkt. In de kerkorde is voor dergelijke gevallen de classis aangewezen als bevoegde instantie om een (bindende) uitspraak te doen. Ik zie hier geen zwaarwegende belemmeringen om de classis in die hoedanigheid als orgaan van de plaatselijke kerk aan te merken.86

 

9.6 Samenvattende conclusie

Personen of instanties binnen organisaties kunnen op grond van overeenkomst, wet of statuten aangaande bepaalde zaken een zekere beoordelingsvrijheid

86. Vgl. M.G. Rood, TVVS 1991, 91/11, p. 297-298 die – in dit geval naar aanleiding van HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 (HJS) (Kruis/Christelijke Gereformeerde Kerk ’s Hertogenbosch) – opmerkt: “Ik kan niet inzien dat het de werkgever (de Kerk te ’s-Hertogenbosch) niet vrij zou staan het opleggen van de tuchtrechtelijke straf van ontzetting, over te laten aan een ‘meerdere vergadering’ als de classis (…). Mijns inziens is Kruis op de wijze als in de Kerkorde voorzien, tuchtrechtelijk gestraft met de straf van ontslag.”
Zie voorts: Van Schilfgaarde, Rechtspersonen (1979), p. 35, die stelt dat, mits rechtspersonen zich aan de voorgeschreven basisstructuur houden, zij de vrijheid hebben zoveel organen te creëren als zij willen. Mijns inziens hebben kerkgenootschappen zéker die vrijheid, nu die voorgeschreven basisstructuur voor hen in het geheel niet bestaat.
Ik sluit me voorts aan bij Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 75-76, waar alle organisatorische eenheden – ook ‘buitenstaanders’ – aan wie statutair beslissingsbevoegdheden zijn toebedeeld tot de organen van de rechtspersoon worden gerekend. In gelijke zin: Rechtspersonen, J.B. Huizink, art. 14 aant. 3.
Vgl. ook de situatie bij stichtingen, waar het mogelijk wordt geacht dat buiten de organisatie van de stichting staande personen overwegende zeggenschap aangaande bepaalde zaken binnen de stichting hebben, zie: Asser-Van der Grinten-Maeijer, 2-II (1997), nr. 472; J.M. Polak, De Wet op Stichtingen, IJmuiden 1956, p. 74. (Met de inwerkingtreding van Boek 2 BW is de Wet op Stichtingen ingetrokken.)
Overigens merkt naar mijn mening de rechtbank in één van de zaken Kruis (HR 14 juni 1991 NJ 1992, 173 (HJS), Kruis/Christelijke Gereformeerde Kerk ’s-Hertogenbosch) de predikant ten onrechte aan als een orgaan. De predikant heeft hier namelijk ten aanzien van besluitvorming en beleid geen zelfstandige (beslissings)bevoegdheid. Hij maakt deel uit van de kerkenraad, die als college besluiten neemt. Dit college kan mijns inziens wél als een orgaan worden aangemerkt. In genoemd vonnis wordt ook art. 16 van de kerkorde geciteerd, waarin onder andere bepaald is dat de predikant tucht uitoefent met de ouderlingen. Met andere woorden: het is geen zelfstandige bevoegdheid van de predikant. Zie ook: J. Plomp, De kerkorde van Emden, in: De synode van Emden 1571-1971, D. Nauta e.a., Kampen 1971, p. 90.

|186|

hebben. Ook bij het bindend advies is dat aan de orde. Door marginaal te toetsen wordt die vrijheid door de burgerlijke rechter gerespecteerd.

Voor kerkgenootschappen moet de rechtsgrond voor deze marginale toetsing mede gezocht worden in het beginsel van scheiding tussen kerk en staat, de vrijheid van godsdienst (art. 6 Grondwet) en de grote mate van organisatievrijheid die kerkgenootschappen bij de wet wordt toegekend (art. 2:2 BW).

Hoe ver de marginale toetsing door de burgerlijke rechter gaat, hangt af van de (prealabele) vraag hoe ver het gezag van de desbetreffende instantie reikt. Er werd op gewezen dat de eigen beoordelingsvrijheid in ieder geval begrensd wordt door statutair vastgelegde voorschriften die de totstandkoming van besluiten regelen. Betoogd werd, dat dit ook heeft te gelden voor totstandkomingsvoorschriften met betrekking tot het bindend advies.

Wanneer vervolgens evident is, dat de eigen beoordelingsvrijheid geen eerbiediging verdient, bestaat er voor de rechter aanleiding in te grijpen door het besluit of het bindend advies te vernietigen.

Een grens werd voorts gelegd op grond van de interne en de externe werking van een tuchtmaatregel: waar deze werking niet meer louter intern (binnen het kerkgenootschap) werkt, maar ook daarbuiten (bijvoorbeeld wanneer er schade ontstaat doordat aan derden buiten de kerk mededelingen over de tuchtmaatregel worden gedaan), kan dit voor de burgerlijke rechter aanleiding zijn tot een minder terughoudende toetsing.

Een inhoudelijke toetsing door de burgerlijke rechter van een door een kerkelijk orgaan genomen tuchtmaatregel is niet snel aan de orde. In het geval van de schorsing van de predikant van de Oud Gereformeerde Gemeente87 waarin de burgerlijke rechter toetst of een tuchtmaatregel wel in overeenstemming is met de gronden die de kerkorde daarvoor aangeeft, lijkt een dergelijke toetsing mij geen bezwaar. In dit geval was het – zonder dat de rechter zich over geloofsvragen hoefde uit te laten – evident dat de gronden voor het nemen van tuchtmaatregelen niet aan de orde waren.

Vervolgens is gekeken naar de kwalificatie van de kerkelijke rechtspraak. Het bleek dat, of het nu gaat om een besluit of om een bindend advies, dit voor de wijze van toetsen in feite geen verschil maakt.88 In beide gevallen is er sprake van een marginale toetsing door de burgerlijke rechter. Zowel het bindend advies als het besluit kan worden getoetst aan de redelijkheid en billijkheid:89 voor

87. Zie § 9.3.
88. Zie ook J.M. Polak, Het bindend advies in het Nederlandse recht, Tijdschrift voor Privaatrecht 1985, p. 758: “Wat de rechter hier te doen heeft (bij de toetsing van een bindend advies, ahsw) wijkt immers niet af van wat in vergelijkbare situaties als de toetsing van besluiten van organen van de overheid en van privaatrechtelijke rechtspersonen te gelden heeft.” Ook volgens Van Staveren maakt het voor de inhoudelijke beoordeling van een tuchtmaatregel door de burgerlijke rechter niet veel uit of het om een bindend advies of om een besluit gaat (H.T. van Staveren, Aspecten van tuchtrecht in de sport, Stichting & Vereniging 1989, p. 115). In gelijke zin: Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 288.
89. Volgens Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 288, zal zowel in het geval van een bindend advies als een besluit de grond waarop de beslissing wordt bestreden veelal zijn dat er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid.

|187|

het bindend advies wordt dat bepaald in art. 7:904 lid 1 BW. Indien het besluit vernietigd wordt op grond van art. 2:15 lid 1 sub b jo. 2:8 BW gelden dezelfde maatstaven. Toetsing aan deze normen is voor kerkgenootschappen niet nieuw: deze beginselen hebben ook daar hun werking.90

Bij kerkelijke geschilbeslechting is in beginsel zowel de kwalificatie ‘besluit’ als ‘bindend advies’ mogelijk. Er werd overigens op gewezen dat, wanneer geschilbeslechting plaatsvindt middels een besluit van een (orgaan van) de rechtspersoon, dit in feite neerkomt op een bindende partijbeslissing.

Nu het bij een kerkgenootschap gaat om een rechtspersoon met organen91die besluiten nemen, ligt het – voor zover het kerkgenootschap zelf niet uitdrukkelijk in het statuut anders aangeeft – meer voor de hand ook met betrekking tot de geschilbeslechting aansluiting te zoeken bij de regeling die in titel 1 van Boek 2 wordt geboden.92 Er zijn enkele voorbeelden uit de rechtspraak genoemd waarbij dit in de praktijk ook daadwerkelijk gebeurde. Bij deze analogische toepassing dient – zoals het slot van art. 2:2 lid 2 BW ook al aangeeft – rekening te worden gehouden met de eigen aard van het kerkgenootschap.

Enige voorzichtigheid is hier evenwel geboden: mogelijkerwijs kiest men binnen het kerkgenootschap voor geschilbeslechting middels bindend advies. Mijns inziens moet die keuze dan wel gerespecteerd worden. Een andersluidend standpunt zou in strijd zijn met de organisatievrijheid van art. 2:2 BW.

Ik acht de kwalificatie voor de toetsing echter niet van doorslaggevend belang. Zelfs in het geval de vraag of het om een bindend advies of om een besluit gaat in het geheel niet aan de orde is, stelt de burgerlijke rechter zich doorgaans terughoudend op.

Een factor die met het oog op de houding van de burgerlijke rechter wél van groot belang is, is de vraag of het in een bepaald geval om een geloofskwestie gaat. De rechter zal zich daarover niet uitlaten, hetgeen hierna met name aan de hand van het Hasselt-arrest uiteen zal worden gezet.

 

9.7 Geloofskwesties

Tot nu toe heeft de nadruk gelegen op de wijze van toetsen in samenhang met de vorm waarin de geschilbeslechting is gegoten. Thans zal worden ingegaan op de invloed die de inhoud van de kerkelijke uitspraak heeft op de wijze van toetsing door de burgerlijke rechter.

Het zal geen verbazing wekken dat kerkelijke geschillen te maken kunnen hebben met verschil van inzicht op het gebied van het geloof. De burgerlijke rechter

90. Zie ook hoofdstuk 10, § 10.4.
91. Vgl. de noot van P. Scholten bij HR 13 mei 1938, NJ 1939, 247 (classis ’s-Hertogenbosch): het is noodzakelijk dat een rechtspersoon organen heeft; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997) nr. 37: iedere rechtspersoon heeft organen.
92. Vgl. Van der Ploeg (Heemskerk-bundel, p. 242) met betrekking tot het tuchtrecht bij verenigingen en stichtingen, waarover hij opmerkt dat hij de noodzaak om met de constructie van een bindend advies te werken niet inziet; Dijk/Van der Ploeg (2002), p. 122, over tuchtrechtspraak bij verenigingen.

|188|

zal zich over geloofskwesties niet uitlaten. Van Lennep zei hierover reeds in 1909:

“Slechts het geloofsoog kan uitmaken of eene verandering in de belijdenis van eenen Kerk verkeerd dan wel noodzakelijk is. Op het gebied van het recht hebben wij dezen factor dan ook in het geheel niet in aanmerking te nemen, maar slechts te onderzoeken of formeel, voor het uiterlijke, wijziging in overeenstemming is met de daaromtrent geldende bepalingen. Voor het recht geldt niet de vraag: ‘Is de verandering overeenkomstig Gods wil?’, maar: ‘Strijdt de wijziging niet met eenig wettelijk of statutair voorschrift?’ Bij elk kerkgenootschap zal men hieromtrent tot eene verschillende beslissing kunnen komen.”93

In de jurisprudentie zien we het standpunt dat de burgerlijke rechter zich niet uitspreekt over geloofskwesties herhaaldelijk terugkomen.94 In dit verband is de uitspraak van de Hoge Raad inzake de kerkscheuring binnen de Gereformeerde Kerk van Hasselt bekend geworden.95

De casus luidt als volgt: de meerderheid van de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Hasselt heeft het besluit genomen uit het synodale verband te treden. De kerk die binnen het synodale verband van de Gereformeerde Kerken is gebleven, stelt dat degenen die zijn uitgetreden een nieuwe kerk vormen. De Gereformeerde Kerk (synodaal) vordert derhalve in rechte ontruiming van het kerk- en schoolgebouw door de uitgetreden groep, te weten de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt). Laatstgenoemde kerk stelt echter dat zij de voortzetting is van de oorspronkelijke Gereformeerde Kerk en daarmee eigenares van genoemde gebouwen.

93. Van Lennep (diss.), p. 201. Vgl. Vermeulen, De Grondwet, p. 97. Vermeulen heeft het daar over ‘interpretatieve terughoudendheid’: de gelovige geeft in beginsel zèlf aan hoe hij (het belijden van) zijn geloof dient in te vullen, dit is niet aan buitenstaanders (waaronder de burgerlijke rechter).
94. Zonder hier uitputtend te zijn, verwijs ik in dit verband naar de volgende uitspraken: Rb. Maastricht 30 mei 1930, NJ 1930, p. 1499 (ontslagen priester); Hof ’s-Gravenhage 31 oktober 1938, NJ 1939, 201 (scheuring Oud Gereformeerde Gemeente Scheveningen); Pres. Rb. Maastricht 20 oktober 1945, NJ 1944/45, 746 (scheuring Gereformeerde Kerk Maastricht); Hof Amsterdam 15 november 1945, NJ 1946, 157 (scheuring Gereformeerde Kerk Krommenie); HR 23 januari 1948, NJ 1948, 432 (scheuring Gereformeerde Kerk Vleuten-De Meern); Hof Amsterdam 24 juni 1948, NJ 1948, 569 (scheuring Gereformeerde Kerk Eemdijk); Hof Arnhem 10 januari 1950, NJ 1950, 539 (scheuring Gereformeerde Kerk Daarlerveen); HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt); Hof ’s-Gravenhage 28 november 1958, NJ 1960, 7 (scheuring Gereformeerde Gemeente Berkenwoude); Pres. Rb. Haarlem 17 februari 1989, KG 1989, 134 (joods-kerkelijke echtscheiding); Hof ’s-Hertogenbosch 22 december 1989, NJ 1990, 487 (beëindiging beheer moskee); Rb. Groningen 5 maart 1993, NJ 1994, 417 (scheuring Gereformeerde Kerk Boerakker); HR 20 oktober 1995, NJ 1996, 330 (EAA) (Van Asseldonk c.s./Bisschop Ter Schure); Pres. Rb. Zwolle 10 december 1998, KG nr. 43562/KG ZA 98-416 en 43564/KG ZA 98-417, ongepubliceerd (geschil moskee Zwolle); HR 12 mei 2000, NJ 2000, 439 (geschil moskee Lelystad).
95. HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201 (scheuring Gereformeerde Kerk Hasselt). Zie over dit arrest o.a.: L. Roeleveld, Gereformeerde Kerken in het privaatrecht, Zeist 1958, p. 9 e.v.; Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 56 e.v.; H.J. van Eikema Hommes, De transcendentaal-empirische methode, haar betekenis voor de juridische vakwetenschappen, Ars Aequi 28 (1979) 11, p. 91/727; J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996), p. 827-833.

|189|

De rechtbank ontzegt eiseres (Gereformeerde Kerk synodaal) de vordering, waarop deze in hoger beroep gaat.

In één van de grieven wordt aangevoerd, dat de rechtbank heeft miskend dat er een theologische gebondenheid van de plaatselijke gemeente bestaat: de Gereformeerde Kerken vormen volgens de Gereformeerde Kerk (synodaal) een theologisch geheel welke in stand wordt gehouden door gezamenlijk overleg op synodaal niveau over theologische geschilpunten. De plaatselijke kerk zou gebonden zijn aan de uitspraken van de synode daarover. Wanneer de plaatselijke kerkenraad van mening is dat er sprake is van een valse leer en zich vervolgens uit die theologische eenheid losmaakt, is er volgens appellante sprake van kerkverandering.

Het hof acht het nodig dat er omtrent deze problematiek duidelijkheid wordt verschaft door deskundigen, waarbij de volgende vragen dienen te worden beantwoord:

“1. Moet krachtens de instellingen, overeenkomsten en reglementen der Gereformeerde Kerken in Nederland en in het bijzonder krachtens de Dordtse Kerkenordening het deel uitmaken van het Verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland worden beschouwd als te behoren tot het wezen van een Gereformeerde Kerk?
2. Kan volgens de instellingen, overeenkomsten en reglementen der Gereformeerde Kerken in Nederland en in het bijzonder volgens de Dordtse Kerkenordening een kerkeraad van een Gereformeerde Kerk onder bepaalde omstandigheden die kerk uit het Verband der Gereformeerde Kerken losmaken en, zo ja, onder welke omstandigheden?
3. Handelt een kerkeraad van een Gereformeerde Kerk in strijd met het wezen van die kerk of met een theologische gebondenheid van die kerk in een verband van (Gereformeerde) kerken, wier kerkeraden op dezelfde gronden geen deel van eerstgenoemd Verband willen uitmaken, te besluiten op grond, dat hij voor zichzelf bewezen acht, dat bepaalde uitspraken van de Synode, als die van de Synode van Utrecht 1905 en de Synode van Sneek-Utrecht van 1942 betreffende de doop en het genadeverbond, met de Heilige Schrift, de Gereformeerde Belijdenis en de Liturgische Formulieren strijden, en als hij zich wil onttrekken aan tuchtmaatregelen, die hij als gevolg van zijn opvatting vreest?”

De ingeschakelde deskundigen96 zijn van mening dat de bevoegdheid tot losmaking van het synodaal verband inderdaad bestaat,

“indien dit Verband door zijn bevoegd orgaan afwijkt van de grondslag der gemeenschap, zoals deze grondslag kenbaar is gemaakt in de Drie Formulieren van Enigheid (de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse artikelen), of de Kerkenorde schendt en ook na het inroepen van revisie, zoals in art. 31 van de Dordtse

96. Dit waren: J.N. Bakhuizen van den Brink, H.F.W.O. Fischer en S.J. Fockema Andreae.

|190|

Kerkenorde bedoeld, daarvan niet afstaat (dus wanneer het verband bij het afwijken van de grondslag blijft, ahsw);”

Volgens de deskundigen is uittreding uit het verband in beginsel mogelijk. Er bestaat slechts een beperkte theologische gebondenheid van de plaatselijke kerk aan het verband. Het hof neemt dit oordeel over.

De deskundigen hadden tevens het ‘gevoelen geuit’ dat bij de vraag of een kerkenraad van een plaatselijke kerk slechts tot losmaking bevoegd kon worden geacht, een vermoeden ten voordele van het verband behoorde te worden erkend, in die zin, dat die kerkenraad alleen bevoegd was tot losmaking wanneer deze aantoonde dat het verband inderdaad van de grondslag was afgeweken of de kerkorde had geschonden.

Het hof meent echter dat de burgerlijke rechter niet in alle gevallen bevoegd zal zijn om zich over de zaak uit te spreken:

“O. dat echter naar het oordeel van het Hof dit vermoeden voor de burgerlijke rechter alleen dán kan worden ingeroepen, wanneer het aan deze vrijstaat over de vraag, waaromtrent pp. van mening verschillen, een oordeel uit te spreken en voor de betrokken kerkeraad dus in beginsel de mogelijkheid bestaat het vermoeden te ontzenuwen, zoals het geval kan zijn bij een beweerdelijke schending van de Kerkenorde (curs. ahsw);
O. dat het vermoeden derhalve in rechte niet van kracht kan zijn in die gevallen, waarin het, gelijk ten deze, gaat om de vraag, of het Verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap, t.w. de Drie Formulieren van Enigheid, is afgeweken, aangezien de beantwoording van deze vraag – behoudens in gevallen van willekeur of kwade trouw – niet ter kennisneming staat van de burgerlijke rechter, wie het niet vrijstaat over dogmatische en theologische twistvragen te oordelen (curs. ahsw);”

Allereerst overweegt het hof hier dus dat de burgerlijke rechter vrij is om zich uit te spreken over een gestelde schending van de kerkorde. Voorts zien we dat dat niet het geval is wanneer het gaat om dogmatische en theologische kwesties, behoudens wanneer er sprake is van willekeur of kwade trouw.

Het hof komt tot de conclusie dat de kerkenraad van de plaatselijke kerk bevoegd is onder omstandigheden – zie het citaat van de deskundigen hiervóór – een besluit tot uittreding uit het synodale verband te nemen, tenzij er hierbij sprake is van willekeur of kwade trouw. Het hof overweegt dat dat laatste niet is aangevoerd door appellante, en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.

De Gereformeerde Kerk (synodaal) gaat in cassatie. Zij voert onder andere aan, dat het hof wél tot taak had om te onderzoeken of het verband van de geestelijke grondslagen van de gemeenschap was afgeweken. De Hoge Raad overweegt echter onder verwijzing naar de artikelen 181 t/m 183 van de Grondwet97 en art. 1 van de Wet op de kerkgenootschappen:

97. De artikelen 181 t/m 183 Grondwet luidden: ➝

|191|

“dat de burgerlijke rechter geen partij mag kiezen in op het terrein dier gezindten rijzende geschillen omtrent geloof en belijdenis en met name ook niet, al behoort de beslissing over prejudiciële geschilpunten in het algemeen tot zijn taak, zijn uitspraak omtrent enig rechtspunt afhankelijk mag stellen van zijn oordeel met betrekking tot theologische leerstellingen, omtrent welker juistheid, onjuistheid of gewicht aldaar verdeeldheid bestaat;”

Het cassatieberoep wordt vervolgens verworpen.

 

9.7.1 Kanttekeningen bij ‘Hasselt’

Hoewel het hierboven behandelde arrest op het eerste gezicht de heldere regel lijkt te geven dat de burgerlijke rechter zich niet uitlaat over geloofskwesties, valt daarbij toch wel een kanttekening te plaatsen. Het is niet eenvoudig om hier duidelijke grenzen te trekken: wanneer is er sprake van ‘dogmatische en theologische twistvragen ?’

Roeleveld98 benadrukt dat het gaat om ‘zuivere geloofskwesties’. Hij leidt uit het Hasselt-arrest af dat de burgerlijke rechter zich niet dient uit te spreken over zuivere geloofsvragen. Direct volgt daarop de nuancering dat een absolute scheiding tussen recht en geloof niet mogelijk is: de ‘sferen’ overlappen elkaar.

Roeleveld wil de burgerlijke rechter naar aanleiding van het Hasselt arrest niet al te snel buiten spel zetten: hij stelt dat indien een gereformeerde synode een leeruitspraak doet die regelrecht in strijd komt met de voor ieder duidelijke woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis,99 de rechter deze uitspraak voor nietig zal moeten houden.

Dit kan mijns inziens niet als uitgangspunt dienen. Geen van de kerken ontkomt er uiteindelijk aan dat in een periode van jaren, decennia of zelfs eeuwen bepaalde inzichten over de interpretatie van de bijbel en daarmee ook dogma’s veranderen. Van de burgerlijke rechter kan men onmogelijk verwachten dat deze

➝ “181. Ieder belijdt zijn godsdienstige meningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.
182. Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.
183. De belijders der onderscheidene godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en burgerschapsrechten, en hebben gelijke aanspraak op het bekleden van waardigheden, ambten en bedieningen.”
98. L. Roeleveld, Gereformeerde Kerken in het privaatrecht, Zeist 1958, p. 10.
99. Roeleveld ziet de Nederlandse Geloofsbelijdenis als kerkrecht. (De Nederlandse Geloofsbelijdenis behoort tot de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’, die door diverse – maar niet alle – protestantse kerkgenootschappen worden onderschreven. De overige twee formulieren zijn de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels.) Hij staaft deze bewering door te verwijzen naar art. 53 van de kerkorde (Gereformeerde Kerk vrijgemaakt) waarin onder andere de ‘drie formulieren van enigheid’ als bindend worden verklaard (Roeleveld, t.a.p., p. 10 en 15-16).
Op zich is dat laatste mijns inziens geen reden om de formulieren zelf tot het kerkrecht te rekenen. In deze formulieren wordt een uitleg gegeven van de bijbel, er is ooit systematisch in vastgelegd wat men (formeel) gelooft. Zie ook het Rapport voor de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk ‘Om de eenheid en heelheid van de kerk’ van 16 maart 2001, p. 13, waarin wordt betoogd dat de belijdenisgeschriften niet fungeren als juridisch statuut.

|192|

een oordeel velt over de vraag wanneer er in dat verband een (uiterste) grens is overschreden. Overigens zij opgemerkt dat in het Hasselt-arrest het hof – en mijns inziens ook terecht – nu juist van oordeel is dat het géén uitspraak mag doen over de vraag of het kerkverband van de zgn. ‘drie formulieren van enigheid’ is afgeweken, behalve wanneer er sprake zou zijn van ‘willekeur of kwade trouw’.

Oldenhuis meent dat het onderscheid tussen rechtsvragen en geloofsvragen niet juist is, omdat naar zijn opvatting geloofsvragen uit kunnen groeien tot rechtsvragen, die de burgerlijke rechter kan beoordelen aan de hand van het kerkrecht.100

Van Ee, die zich tegen genoemde opvattingen van Roeleveld en Oldenhuis keert,101 maakt onderscheid tussen enerzijds vragen betreffende de juridische organisatie (dus rechtsvragen) waarover de burgerlijke rechter kan oordelen, en anderzijds geloofsvragen waarover deze niet kan oordelen.102 Dit onderscheid is niet nieuw: in het Hasselt-arrest werd het ook gemaakt.

Volgens Van Ee bestaat het gevaar dat partijen hun conflict als zijnde een godsdienstige kwestie presenteren, zodat het geschil ‘juridisch onbeheersbaar’ wordt gemaakt.103 Dit probleem zou niet bestaan indien een geloofsvraag door het kerkgenootschap wordt geformuleerd als rechtsregel.104

Mijns inziens is het onaanvaardbaar en onjuist dat een kerkgenootschap, wil het er zeker van zijn dat de (door de leden) aangehangen geloofsstandpunten worden gerespecteerd door de rechter, deze als rechtsregels zou moeten opnemen in het statuut.

100. Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 64 en 73.
101. J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996) , p. 830-831.
102. J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996), p. 830 en 832. Van Ee gaat in dit artikel tevens in tegen het standpunt van Oldenhuis over conflicten rond geloofsvragen die kunnen leiden tot een kerkscheuring. Oldenhuis stelt daaromtrent: “Indien de rechter de rechtsvragen die partijen verdeeld houden – wie de voortzetting van de ongedeelde kerk is en aan wie derhalve de kerkelijke goederen behoren – niet kan beoordelen zonder te treden in een beoordeling van de geloofsvragen, dan is het niet juist dat de rechter bij de oplossing van de rechtsvraag gebruik maakt van de zgn. meerderheidsregel en de vertegenwoordigingsgedachte, die daaraan ten grondslag ligt. Indien de aloude ongedeelde kerk in twee groepen uiteen is gevallen om zuivere geloofskwesties, terwijl beide groepen pretenderen de voortzetting te zijn van de ongedeelde kerk, behoren de kerkelijke goederen in dat geval aan beide en moeten worden verdeeld naar verhouding van het ledental, waaruit beide groepen bestaan ten tijde van de kerkbreuk.” (Oldenhuis, Rechtsvinding, p. 73-74). Van Ee ziet niet in waarom bij aanspraken op de kerkelijke goederen na een scheuring het statuut de doorslag geeft als geloofsvragen uitgroeien tot rechtsvragen, en waarom bij echte geloofskwesties verdeling geboden is (Van Ee, t.a.p., p. 831). Zie hierna ook hoofdstuk 10 § 10.2.
103. J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996), p. 830. Deze veronderstelling wordt overigens niet gestaafd door de beschikbare jurisprudentie. Zie bijv. het Katwijker arrest dat in het volgende hoofdstuk wordt behandeld. Partijen hadden kunnen stellen dat het om een geloofskwestie ging, maar dat is niet gebeurd: men had belang bij een rechterlijke uitspraak omdat men het niet eens kon worden over een verdeling van de kerkelijke goederen. Zie ook Diepenhorst, NJB 1978, nr. 28, p. 583: “(…) het ‘bodemgeschil’ betreft slag op slag geloofsvragen (…)”.
104. J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996), p. 829 en 830. Als voorbeeld haalt de schrijver hier canon 1024 van de CIC aan, waarin wordt bepaald dat alleen gedoopte mannen als priester kunnen worden gewijd.

|193|

In de praktijk zal dit overigens lang niet altijd mogelijk zijn: niet alle geloofsinzichten laten zich als rechtsregel formuleren. Bovendien meen ik dat het statuut niet bedoeld is om allerlei geloofswaarheden in op te nemen: het uitgangspunt dient te zijn dat er in het statuut ‘bepalingen van inrichting en bestuur’ worden opgenomen.105

Een ander groot nadeel dat dit zou meebrengen is, dat het de helderheid van het statuut bepaald niet ten goede zal komen.106

Het ligt zonder meer voor de hand, dat de burgerlijke rechter altijd zal proberen het probleem ‘juridisch beheersbaar’ te maken door aanknopingspunten te zoeken bij het statuut.

Voor de gevallen waarin door de burgerlijke rechter vastgesteld moet worden óf het daadwerkelijk om een geloofskwestie gaat, komt Van Ee met de oplossing van de marginale toetsing:

“Een gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis kan niet als zodanig worden aangemerkt tenzij het ten enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar niet als een vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.” 107

Ik wijs erop, dat hier de marginale toetsing vanuit een ‘negatief’ uitgangspunt wordt verwoord. Van Ee merkt zelf dan ook al op dat een dergelijke marginale toetsing het kerkgenootschap een kleine speelruimte geeft. Hij meent dat dat terecht is “omdat uit godsdienstwetenschappelijk oogpunt vrijwel alles als godsdienstig fenomeen kan worden beschouwd.”108

Mijns inziens biedt dat echter niet voldoende reden om, in geval van een kerkelijk geschil, bij voorbaat de ruimte – met name de vrijheid van godsdienst – van kerkgenootschappen te beperken. Derhalve meen ik dat hier wel marginale toetsing kan worden toegepast, maar dat de formulering van Van Ee aldus dient te worden gewijzigd: een in verband met een kerkelijk geschil gepretendeerde vraag van geloof of belijdenis wordt als zodanig aangemerkt, tenzij het ten

105. Zoals destijds aangeduid in art. 1 van de Wet op de kerkgenootschappen 1853. Zie ook hoofdstuk 4, § 4.7.
106. Aan het eind van zijn artikel noemt Van Ee ook zelf het belang van een helder geformuleerd statuut dat niet gelardeerd is met theologische uitspraken (J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996), p. 832-833). Op p. 829 merkt Van Ee overigens terecht al op: “Een kerkelijk statuut, geformuleerd en geïnterpreteerd als religieuze tekst is dan ook niet geschikt voor zijn taak. Het statuut is een juridische tekst en de achterliggende religieuze en theologische noties veranderen dat niet, ondanks de vaak aanwezige theologische legitimering.”
107. J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996), p. 832. De schrijver verwijst in dit verband naar het arrest HR 19 januari 1962, NJ 1962, 107 (processieverbod), waarin door de Hoge Raad wordt overwogen dat hier niet gesteld kan worden dat de grondwetgever van 1848 heeft gekozen voor een maatstaf (t.w. een beperking van de vrijheid van openbare godsdienstoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen tot die plaatselijke gemeenten waar deze destijds gebruikelijk en toegelaten waren) “waarvan onvoorstelbaar zou moeten heten dat deze door een redelijk wetgever die gesteld wordt voor de noodzaak het houden van dergelijke godsdienstoefeningen ter bescherming van de openbare orde te beperken, gedaan zou kunnen worden (…)”.
108. J.W. van Ee, Kerkelijke conflicten en de Katwijk- en Hasseltregel, WPNR 6245 (1996), p. 832. Het is natuurlijk de vraag of de burgerlijke rechter per definitie dat ‘godsdienstwetenschappelijk oogpunt’ heeft te volgen. Zie ook hoofdstuk 3, § 3.2.

|194|

enenmale ondenkbaar is dat een redelijke rechter haar als vraag van geloof of belijdenis aanmerkt.

Zoals we in het volgende hoofdstuk nog zullen zien, zal de rechter evenwel beginnen met het toetsen aan de hand van andere aanknopingspunten. Een voorbeeld daarvan zien we in een zaak waarin een onder tucht gesteld gemeentelid de tuchtmaatregelen aanvecht voor de burgerlijke rechter.109 Het hof overweegt:

“De Gereformeerde Gemeente voert met juistheid aan dat de vraag of onderhavige tuchtmaatregelen al dan niet terecht zijn genomen, beoordeeld dient te worden aan de hand van binnen het betreffende kerkgenootschap aangehangen godsdienstige opvattingen en normen. Naar het voorlopig oordeel van het hof sluit dit evenwel niet uit dat de burgerlijke rechter in een geschil waarin de eiser vraagt om in een burgerlijk recht beschermd te worden, toetst of bij dergelijke besluiten van kerkgenootschappen geen sprake is van willekeur of kwade trouw danwel of de regels ten aanzien van de wijze van totstandkoming van besluiten niet zijn geschonden.”110

De burgerlijke rechter dient zich bij de toetsing niet direct te richten op eventuele geloofskwesties die bij het geschil een rol spelen, maar zal eerst moeten kijken naar hetgeen hij wél kan toetsen. Op het moment dat de zaak zover is ‘afgepeld’ dat hij uiteindelijk op een geloofskwestie stuit, dient de rechter zich daar niet over uit te spreken.111

 

9.8 Conclusie

De burgerlijke rechter laat zich niet uit over geloofskwesties. In welke mate die in een concreet geval het geschil beheersen, is op het eerste gezicht niet altijd duidelijk.

Gedeeltelijk vooruitlopend op het volgende hoofdstuk, zou ik als uitgangspunten willen hanteren dat de burgerlijke rechter bij een kerkelijk geschil allereerst toetst aan de hand van het statuut: in beginsel moet dat dermate helder zijn geformuleerd dat dit uitkomst kan bieden.

Voorts kan de wijze van totstandkoming van besluiten (c.q. uitspraken) aan fundamentele beginselen worden getoetst.112

Betreft het een beleidskwestie – waarbij het kerkelijk orgaan een discretionaire bevoegdheid heeft – dan dient de burgerlijke rechter marginaal te toetsen.

Gaat het geschil over de uitleg van bijbel of belijdenisgeschriften, dus om de invulling van het geloof, dan moet de rechter zich daaromtrent van een oordeel onthouden.

Is dat laatste niet geheel duidelijk, dan kan marginale toetsing óf het hier i.c. om een (gestelde) geloofskwestie gaat, een hulpmiddel zijn.

109. Hof Arnhem 14 september 1993, rolnr. 92/142 KG, ongepubliceerd (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Gemeente).
110. Vgl. het citaat van Maeijer in § 9.3.
111. Zie in gelijke zin: Scholten, Ad Personam, p. 307-308.
112. Hieronder worden in dit verband zowel fundamentele beginselen van procesrecht (zie hoofdstuk 7 en 8) als normen van redelijkheid en billijkheid (zie hoofdstuk 3, § 3.6.4) begrepen.