Santing-Wubs, A.H. (2002) Hst. 8

|141|

Hoofdstuk 8

Tuchtrecht

 

 

8.1 Inleiding

Binnen onze samenleving zijn er diverse terreinen aan te wijzen waar tuchtrecht een rol speelt: medici,1 advocaten,2 notarissen3 en voetballers4 kunnen ingeval van wangedrag rekenen op maatregelen als berispingen, geldboetes of schorsingen.

Ook binnen kerkgenootschappen kan men in aanraking komen met het tuchtrecht. Tuchtmaatregelen kunnen met name voor predikanten of pastoors verstrekkende gevolgen hebben: zij kunnen uiteindelijk uit het ambt worden ontzet. Juist naar aanleiding van tuchtmaatregelen heeft de burgerlijke rechter zich herhaaldelijk moeten buigen over de rechtspositie van de predikant.5

In dit deel wordt nader op het tuchtrecht ingegaan. Voor een afzonderlijke behandeling van dit onderwerp is gekozen, omdat het een aantal specifieke kenmerken heeft. Vanuit het tuchtrecht in het algemeen zullen, wanneer daartoe aanleiding is, verbanden worden gelegd met het kerkelijk tuchtrecht.

Aan het eind van het hoofdstuk zal ik ingaan op fundamentele beginselen van procesrecht die op dit terrein gelden.

 

8.2 Wat is tuchtrecht?

Allereerst merk ik op, dat het strikt genomen wellicht niet geheel juist is het tuchtrecht als een vorm van alternatieve geschilbeslechting te behandelen. De

1. Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) art. 47 t/m 85.
2. Advocatenwet art. 46 t/m 60a.
3. Wet op het notarisambt art. 93-109.
4. Het betreft hier naast profvoetballers ook amateurvoetballers. Zie bijv. Boek 2 art. 35 lid 1 sub d jo. lid 3 en 4 over de ontzetting van een verenigingslid. Zie voorts over mogelijke tuchtmaatregelen binnen verenigingen: Kollen, De vereniging in de praktijk, p. 223 e.v.
5. Zie bijv. Rb. Winschoten 18 november 1925, NJ 1925, p. 1288 (Van Bentum/Vrije Evangelische Gemeente Winschoten); Rb. Zwolle 16 maart 1966, NJ 1967, 178 (schorsing missionair predikant); Ktr. Utrecht 18 april 1990 rolnr. 5311/89 en Rb. Utrecht 16 oktober 1991, rolnr. 02.20.2172/90, beide ongepubliceerd (predikant Molukse Evangelische Kerk); HR 14 juni 1991, NJ 1992, 173 (HJS) (Kruis/Christelijke Gereformeerde Kerk ’s-Hertogenbosch); Rb. Utrecht 15 december 1999, NJ 2000, 494 (predikant Evangelische Broedergemeente). In het laatste geval wordt in het vonnis niet met zoveel woorden aangegeven dat het om een tuchtmaatregel zou gaan (al kan het m.i. wel als zodanig worden aangemerkt). Toch wil ik in dit verband deze uitspraak niet onvermeld laten, aangezien alleen in deze laatste uitspraak is uitgemaakt dat de predikant werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

|142|

tuchtmaatregelen die op diverse terreinen kunnen worden genomen zijn aan te merken als een bestraffing,6 waardoor er, ten aanzien van de posities van partijen, een zekere mate van ongelijkheid bestaat.

Ik wijs er evenwel op, dat bij een deel van de kerkgenootschappen de aantasting van besluiten die binnen een tuchtprocedure worden genomen, via dezelfde weg loopt als de aantasting van andere besluiten. Dat geldt met name voor de kerkgenootschappen die een kerkorde hanteren die (nauw) aansluit bij de Dordtse Kerkorde.

Het tuchtrecht wordt door Clavareau als volgt omschreven:

“Onder tuchtrecht is een geheel van niet tot het strafrecht behoorende regels te verstaan, dat beoogt te sanctionneeren, dat zij, die behooren tot eenigen socialen groep (dit begrip in beginsel in den meest ruimen zin genomen) de regels van dien groep naleven.”7

Er is dus in elk geval sprake van een groep waarbinnen bepaalde regels gelden. Aangezien dit wel een erg ruime omschrijving is, is het zinvol om het hierna volgende onderscheid te hanteren:8
— verenigingstuchtrecht (het meest vrijwillige tuchtrecht);9
— wettelijk tuchtrecht (hetgeen geldt voor bepaalde beroepsgroepen);10
— tuchtigingsrecht (dit geldt bijvoorbeeld voor gedetineerden).11

6. Vgl. Van der Ploeg, die het tuchtrecht ook niet als een vorm van geschilbeslechting ziet, maar als een soort straf (Van der Ploeg, Heemskerk-bundel, p. 241).
7. Clavareau (1947), p. 138. Vgl. N.J.H. Huls en M.A. Kleiboer, Is er toekomst voor wettelijk niet hiërarchisch tuchtrecht? Ars Aequi 51 (2002) 2, p. 71. Gemakshalve wordt hierna eveneens de aanduiding ‘groep’ gehanteerd. Hier zijn echter ook weer onderscheidingen in aan te brengen, zie De Doelder (diss.), p. 25 e.v.
Bij de hantering van de term ‘groep’ is voor mij het uitgangspunt de omschrijving die Leijten daaraan geeft: “Een groep is een sociale eenheid, waarbij tussen de leden een band op grond van gemeenschappelijke waarden en normen bestaat. Dit impliceert dat de leden meer dan alleen een kenmerk gemeen hebben en er tevens niet louter een saamhorigheidsgevoel bestaat. Er zal ook sprake moeten zijn van een min of meer duurzame verhouding tussen de leden.” (Leijten (diss. ), p. 31).
M.i. voldoet deze omschrijving ook wanneer het om kerkgenootschappen gaat.
8. De Doelder (diss.), p. 44-46. Het gaat hier om een glijdende schaal, waarbij de drie gebieden als referentiepunt worden gehanteerd. In dit onderzoek zal de nadruk liggen op de eerste groep van tuchtrecht. Zie voor een uitgebreider overzicht van beschouwingen van diverse schrijvers over tuchtrecht: Taat (diss.), p. 1-14; Leijten (diss.), p. 5-30.
9. De Doelder (diss.), p. 44. De Doelder (t.a.p., p. 59) schaart dit onder het ‘contractueel tuchtrecht’. Zie over diverse kenmerken van het verenigingstuchtrecht voorts: H.T. van Staveren, Aspecten van tuchtrecht in de sport, Stichting & Vereniging 1989, p. 110-116.
10. Wettelijk tuchtrecht is volgens De Doelder in de praktijk altijd ‘beroepen’-tuchtrecht, maar andersom hoeft dat niet het geval te zijn: ‘beroepen’-tuchtrecht is niet altijd wettelijk tuchtrecht. Wettelijk tuchtrecht geldt bijvoorbeeld voor medici, notarissen, advocaten en accountants. Niet wettelijk geregeld is het ‘beroepen’-tuchtrecht in het betaalde voetbal (De Doelder (diss.), p. 45).
Huls en Kleiboer (t.a.p., p. 72) maken bij wettelijk tuchtrecht onderscheid tussen hiërarchisch en niet-hiërarchisch tuchtrecht. In het eerste geval wordt het tuchtrecht uitgeoefend door een hoger geplaatste functionaris, in het tweede geval wordt de uitspraak in eerste aanleg gedaan door een college van beroeps- of bedrijfsgenoten, eventueel aangevuld door rechters.
In deze studie zal de indeling van De Doelder worden gevolgd.
11. De Doelder (diss.), p. 45-46. Dit tuchtigingsrecht ligt het dichtst tegen het strafrecht aan. Zie ook de Penitentiaire beginselenwet art. 50-55.

|143|

De indeling is gemaakt aan de hand van het vrijwilligheidscriterium: bij het eerstgenoemde tuchtrecht bestaat er een grote mate van vrijwilligheid, bij het laatste voorbeeld is daar geen sprake van. Naarmate de vrijwilligheid groter is, heeft de overheid minder bemoeienis met het tuchtrecht.12

Kerkelijk tuchtrecht zou hier in beginsel onder de eerste groep vallen. Wel valt daar, met name met het oog op de ingrijpendheid van een tuchtmaatregel, een kanttekening bij te plaatsen. Tuchtmaatregelen kunnen voor betrokkenen zeer ingrijpend zijn. Voor een kerklid zijn de gevolgen van een tuchtrechtelijke sanctie echter geheel anders dan voor bijvoorbeeld een predikant. Indien een kerklid zich niet wil onderwerpen aan de kerkelijke tucht, dan staat het hem – althans civielrechtelijk13 – vrij om uit te treden en zich bij een ander kerkgenootschap aan te sluiten. In zoverre zou dit inderdaad nog vergelijkbaar zijn met het lidmaatschap van een vereniging.

Voor een predikant die schorsing en eventueel daaropvolgend afzetting boven het hoofd hangt, is de overstap naar een ander kerkgenootschap niet zo eenvoudig, althans, indien hij zijn beroep als predikant wil uitoefenen. Hij zal niet zonder meer bij een ander kerkgenootschap in de hoedanigheid van predikant worden toegelaten. Hoewel het bij predikanten dus niet om een wettelijk tuchtrecht gaat, kan hier wel gesproken worden van een vorm van ‘beroepen’-tuchtrecht.14

Tuchtrecht roept associaties op met strafrecht, wellicht in de eerste plaats omdat tuchtmaatregelen ook daadwerkelijk door betrokkenen als een straf worden ervaren.

Bij het strafrecht wordt in het algemeen echter verwacht dat men zich van bepaalde gedragingen onthoudt, terwijl bij het tuchtrecht vaak meer nadruk wordt gelegd op de inspanning die een groepslid moet leveren om aan de doelstelling van de groep mee te werken.15

Voor bepaalde vormen van tuchtrecht kan, zolang er nog gesproken kan worden van een zeker mate van vrijwilligheid bij de groepsleden, een ‘contractmodel’ worden geconstrueerd: enerzijds verplicht een lid van een groep zich in te zetten voor de belangen van die groep (inspanningsverbintenis), anderzijds onderwerpt dit lid zich aan de ‘standaardvoorwaarden’ van de groep waarin tevens een tuchtregeling is opgenomen voor het geval het lid de inspanningsverbintenis niet is nagekomen.16

12. De Doelder (diss.), p. 70.
13. Zie hierover ook § 8.5.
14. Zie noot 10 van dit hoofdstuk.
15. Taat (diss.), p. 4-5, p. 27, p. 46-47; De Doelder (diss.), p. 17-20; H.T. van Staveren, Stichting & Vereniging 1989, p. 111. De Doelder noemt het voorbeeld van een lid van de voetbalvereniging: deze kan worden geacht niet alleen aan de trainingen deel te nemen, maar ook om daar zijn best te doen. Voorts wordt van hem verwacht dat hij zijn club niet tegenover anderen zwart maakt, en het kan zelfs zo zijn, dat hij – binnen bepaalde grenzen – wordt geacht de verplichting te hebben het voor zijn club op te nemen. Het zou dan niet gaan om die gedragingen alleen, maar om de mentaliteit, waarbij hij d.m.v. die gedragingen er van getuigt een goed groepslid te zijn (De Doelder (diss.), p. 19).
16. De Doelder (diss.), p. 19. Zie min of meer in gelijke zin reeds: Taat (diss.), p. 4. ➝

|144|

In de hiervoor aangehaalde omschrijving van Clavareau is sprake van het naleven van regels van de groep.

In het algemeen kan gesteld worden dat binnen het tuchtrecht doorgaans geen duidelijk omschreven bepalingen bestaan waarin wordt aangegeven welke gedragingen worden afgekeurd. Wat dat betreft heeft het tuchtrecht een vrij open karakter.17 Hierdoor ligt het gevaar van willekeur op de loer: het gezag lijkt een grote bevoegdheid te hebben om allerlei niet gewenste gedragingen te sanctioneren. Daar staat tegenover dat de normen van de groep waarvoor het tuchtrecht geldt, overzichtelijker zijn doordat de groep veelal min of meer beperkt van omvang zal zijn.18 Een groepslid kent over het algemeen de normen waaraan hij zich heeft te houden.

Het legaliteitsbeginsel19 zoals dat in het strafrecht wordt gehanteerd, komt in het tuchtrecht derhalve niet in die vorm voor.

Genoemd beginsel is evenwel door De Rooms-Katholieke Kerk in canon 221 § 3 van de CIC opgenomen:

“De christengelovigen hebben het recht dat hun geen canonieke straffen opgelegd worden tenzij volgens de wet.”

Opvallend is in dit licht de ‘algemene norm’ in canon 1399 waaruit blijkt, dat terzijdestelling van het legaliteitsbeginsel mogelijk is:

Naast (curs. ahsw) de gevallen die in deze of andere wetten bepaald zijn, kan de uiterlijke schending van een goddelijke of canonieke wet slechts dan met een rechtvaardige straf gestraft worden, wanneer de bijzondere ernst van de schending bestraffing eist en de noodzaak dringend aanwezig is om ergernis te voorkomen of te herstellen.”

➝ E.e.a. geldt bijvoorbeeld voor het verenigingstuchtrecht, maar volgens De Doelder (diss.), p. 87, zien we die inspanningseis bij het wettelijk tuchtrecht (waarmee hier wordt bedoeld het ‘beroepen’-tuchtrecht), waar nog sprake is van een zekere mate van vrijwilligheid, ook terug.
17. Taat (diss.), p. 26-29; De Doelder (diss.), p. 87: de norm op zich moet wel gelden op het moment van overtreding, maar er bestaat veelal geen codificatie van de ‘delictsomschrijvingen’. De Doelder ziet in dat laatste het voordeel van de flexibiliteit. Overigens dient hier wel onderscheid te worden gemaakt: naarmate het tuchtrecht dichter bij het strafrecht komt te liggen (het ‘tuchtigingsrecht’), gaat naast de ‘geldingseis’ van de norm ook de codificatie-eis ervan zwaarder wegen (De Doelder (diss.), p. 87 e.v.); Volgens Wassing heeft het legaliteitsbeginsel bij het voetbaltuchtrecht slechts een beperkte strekking (Wassing (1978), p. 105-106). Zie voorts Leijten (diss.), p. 326-344 over het legaliteitsbeginsel in het wettelijk tuchtrecht.
Kollen stelde in eerste instantie ten aanzien van de codificatie-eis dat bij verenigingen de overtreding in de statuten, reglementen of bij besluit van bestuur of algemene vergadering strafbaar dient te zijn gesteld (Kollen, De vereniging in de praktijk, p. 221). In een latere publicatie is hij echter de mening toegedaan dat ook schending van omgangsvormen die gebaseerd zijn op ongeschreven groepsnormen voor de vereniging een reden kunnen zijn tot bestraffing (F.C. Kollen, Verenigingsrechtelijke aspecten van het tuchtrecht in de sport, in: Tuchtrecht in de sport, Haarlem 1998, p. 4).
18. De Doelder (diss.), p. 16. Die overzichtelijkheid gaat voor kerkgenootschappen in meerdere of mindere mate ook op. Er bestaat overigens wel een verschil in de wijze van hantering van de regels: binnen sommige denominaties worden ten aanzien van hun leden de geldende normen veel duidelijker gesteld dan bij andere. Overigens verdient opmerking dat zowel bij de uitleg van de koran als bij de uitleg van de bijbel de leefregels verschillend worden geïnterpreteerd.
19. Zie bijv. art. 1 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art. 16 Gw., art. 7 EVRM; De Doelder (diss.), p. 77-79.

|145|

Hoe één en ander met elkaar te rijmen valt, is onduidelijk.20

 

7.2.1 Samenvatting

De verschillende terreinen waarop het tuchtrecht een rol speelt, zijn in te delen aan de hand van het ‘vrijwilligheidscriterium’. Al naar gelang de (afnemende mate van) vrijwilligheid kan de volgende indeling worden gemaakt: het verenigingstuchtrecht, het wettelijk tuchtrecht (waarmee hier bedoeld wordt het ‘beroepen’-tuchtrecht, al valt niet ál het ‘beroepen’-tuchtrecht – bijvoorbeeld dat van profvoetballers – onder dit wettelijk tuchtrecht) en het tuchtigingsrecht.

Bij sommige vormen van tuchtrecht (waar nog sprake is van een zekere mate van vrijwilligheid) is het mogelijk een ‘contractmodel’ te construeren: enerzijds bestaat er de inspanningsverbintenis om zich in te zetten voor de belangen van de groep, anderzijds onderwerpt men zich aan de sancties die op grond van het tuchtreglement kunnen worden getroffen wanneer de inspanningsverbintenis niet is nagekomen.

Voor de kerkelijke tucht kan in beginsel aansluiting worden gezocht bij de eerstgenoemde categorie tuchtrecht (het verenigingstuchtrecht, i.c. het meest vrijwillige tuchtrecht). De mate van vrijwilligheid zegt echter niets over de vergaande gevolgen die tuchtmaatregelen binnen een kerkgenootschap kunnen hebben. Als voorbeeld werd gewezen op de ontzetting van de predikant uit het ambt. In die zin kan er de facto gesproken worden van een ‘beroepen’-tucht- recht, doch niet van een wettelijk tuchtrecht.

Tot slot is erop gewezen dat het tuchtrecht doorgaans een vrij open karakter heeft wat betreft de regels die de groepsleden moeten naleven.21 Dit hoeft op zich echter niet tot problemen te leiden, aangezien de groep beperkt van omvang is waardoor de daarbinnen geldende normen veelal overzichtelijker zijn.

 

8.3 Tuchtmaatregelen binnen kerkgenootschappen

In de inleiding was er, met het oog op tuchtmaatregelen binnen diverse (beroeps)groepen, sprake van berispingen, geldboetes en schorsingen.

Ook kerkgenootschappen kunnen verschillende tuchtmaatregelen treffen.22 De redenen daarvoor kunnen uiteenlopen: er kan sprake zijn van het afwijken van de officiële leer van de kerk (‘leertucht’), maar ook van een handeling of gedraging die men binnen de kerk afkeurenswaardig acht.

20. Huysmans (Het recht van de leek, p. 55) vindt de bepaling van canon 1399 onaanvaardbaar. Ook Demeester is kritisch over genoemde bepaling en merkt in verband daarmee op: “Helaas: het strafrecht in de Kerk, gezien in zijn noodzakelijke combinatie met de strafprocedure, is een kaas met zeer grote gaten.” (Demeester, Het nieuwe kerkelijk recht, p. 124). Volgens Torfs betekent canon 221 § 3 door de ontkrachting van canon 1399 in werkelijkheid dan ook niets (Torfs, Het nieuwe kerkelijk recht, p. 163).
21. Zie echter ook noot 17 van dit hoofdstuk m.b.t. het tuchtigingsrecht.
22. Zie ook: Taat (diss.), p. 218 e.v.

|146|

Bij de Rooms-Katholieke Kerk – waar men spreekt van strafrecht 23 – wordt in canon 1312 § 1 onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten sancties.24]

Tot de ‘strafsancties’ rekent men in de eerst plaats de ‘verbeteringsstraffen’ of ‘censuren’. Hierbij gaat het om excommunicatie,25 interdict (een beperkte excommunicatie),26 en suspensie, welke alleen clerici kan treffen.27 Deze maatregelen hebben tot gevolg dat men wordt beperkt in bepaalde bevoegdheden, rechten of taken.

Bij excommunicatie gaat het niet om uitsluiting van een lid uit de kerk, maar om het uitsluiten van deelname aan sacramenten en kerkelijke ambten.28 Het is de vraag of dit onderscheid ook zo wordt ervaren door degene die erdoor wordt getroffen. Wanneer iemand wordt uitgesloten van deelname aan de eucharistieviering zal diegene zich daardoor ook buitengesloten voelen van de gemeenschap.29

Voorts behoren tot de strafsancties de ‘uitboetingsstraffen’. Deze kunnen zowel tijdelijk als voor het leven gelden. Het kan bijvoorbeeld gaan om het verbod zich

23. In deze studie wordt de benaming ‘tuchtrecht’ gehanteerd. Binnen de Rooms-Katholieke Kerk wordt echter gesproken van ‘strafrecht’, hetgeen historisch te verklaren is. Taat (diss.), p. 220, wijst in dit verband op de verhouding tussen staat en kerk in de middeleeuwen. Zie voorts: T.J. van der Ploeg, Verleidingen van de rechtspersoon, Deventer 1993, p. 9-10; T. Meijers, Wie vreest wie? Utrecht 1999, p. 25-43.
24. Zie voor een overzicht van de strafrechtbepalingen in de CIC en een commentaar daarop: Demeester, Het nieuwe kerkelijk recht, p. 119-129. Overigens heeft het kerkelijk strafrecht volgens Torfs tegenwoordig weinig praktische betekenis (Torfs, Het nieuwe kerkelijk recht, p. 163). Dat zou kunnen gelden voor de kerkleden c.q. de leken binnen de kerk. Binnen diverse kerkgenootschappen, waaronder de Rooms-Katholieke Kerk, is evenwel niet zonder reden de behoefte ontstaan aan een procedure voor klachten van seksueel misbruik binnen pastorale relaties. Zo kent de Rooms-Katholieke Kerk de ‘Procedure bij klachten van seksueel misbruik’ (Utrecht 2002). De Nederlandse Hervormde Kerk heeft in ord. 11 (de ‘Ordinantie voor het opzicht’) bij art. 13 een bepaling betreffende seksueel misbruik gevoegd. Bij de Gereformeerde Kerken (synodaal) is in de uitvoeringsbepaling bij art. 116 van de kerkorde een klachtenprocedure inzake seksueel misbruik in pastorale relaties opgenomen.
25. Zie voor de gevolgen hiervan canon 1331.
26. Zie ook canon 1332.
27. Canon 1333.
28. Walf (1988), p. 60-61.
Huysmans merkt over dergelijke uitsluitingen op, dat het niet tot de dagelijkse werkelijkheid in het leven van de kerk behoort (Huysmans, Het recht van de leek, p. 108).
Overigens is ook een automatische excommunicatie mogelijk, d.w.z. van rechtswege, zonder dat er een kerkelijke uitspraak aan voorafgaat (canon 1364 § 1). Dit geldt voor ‘ketters’ (gedoopte personen die inhouden van het geloof afwijzen), voor schismatici (gedoopten die wel de geloofsinhouden geloven en de sacramenten erkennen, maar die niet de leiding van de kerk door de paus en/of de bisschoppen erkennen) alsmede afvalligen (gedoopten die het geloof geheel afzweren) (Walf (1988), p. 60).
Een ander voorbeeld zien we in canon 1370 § 1: degene die fysiek geweld tegen de paus gebruikt, wordt van rechtswege geëxcommuniceerd (canon 1370 § 1).
29. Hoezeer de inzichten aangaande het avondmaal bij de protestantse kerken en de eucharistieviering bij de Rooms-Katholieke Kerk ook verschillen, hier is toch een vergelijking mogelijk op het punt van de gemeenschap met andere gelovigen die men beleeft bij de viering van het avondmaal en de eucharistie als een teken van de “volle en zichtbare kerkelijke eenheid.” (Huysmans over de eucharistie in: Het recht van de leek, p. 105. Zie over het avondmaal: Nauta, (1971), p. 383-384).

|147|

op een bepaalde plaats te bevinden of een overplaatsing naar een ander ambt bij wijze van straf.30

Ten slotte bepaalt § 3 van canon 1312 dat bovendien ‘strafmaatregelen’ en ‘boetedoeningen’ kunnen worden aangewend. De strafmaatregelen hebben volgens de CIC als voornaamste doel het voorkomen van misdrijven.31 De boetedoeningen dienen ter vervanging of verzwaring van een straf. Over de strafmaatregelen wordt in de CIC niet veel vermeld. In ieder geval vallen een ‘vermaning’ en een ‘berisping’ eronder.32 Onder boetedoening dienen we te verstaan: het verrichten van werk van ‘godsdienstige of vrome of caritatieve aard.’33

Bij veel protestantse kerken kent men doorgaans als tuchtmaatregel de uitsluiting van het sacrament van het avondmaal.34 Een uiterste maatregel die men kan hanteren, is uitsluiting als lid van de kerk (ook wel ‘afsnijding’ of ‘de ban’ genoemd).35

Vervolgens zijn er maatregelen die alleen ambtsdragers kunnen treffen. Te denken valt aan een schorsing voor een bepaalde periode36 of de ontzetting uit het ambt.37

 

8.4 Het doel van tuchtrecht

Spreken we over het ‘doel’ van het tuchtrecht, dan kan in het algemeen gesteld worden dat het gericht is op normhandhaving.38

Het tuchtrecht is gericht op het groepsbelang. Afhankelijk van het terrein waarop het wordt toegepast speelt ook het algemeen belang een rol, hetgeen bijvoorbeeld geldt voor het medisch tuchtrecht.39 Het tuchtrecht is derhalve in eerste instantie niet bedoeld om de klager genoegdoening te verschaffen. Het gaat immers allereerst om het groepsbelang: de groepsnormen dienen te worden gehandhaafd.40

30. Canon 1336.
31. ‘Misdrijven’ kunnen zich volgens de CIC o.m. voordoen op het gebied van godsdienst en het geloof (bijvoorbeeld in het geval van ‘ketterij’, canones 1364-1369). Ook geweldsmisdrijven jegens kerkelijke gezagsdragers (canon 1370) en andere personen (canon 1397) vallen eronder.
32. Canon 1339. De berisping of vermaning geschiedt door de ordinaris zelf of iemand die dat namens hem doet. Onder ordinaris dient men volgens canon 134 o.a. te verstaan: de paus, de diocesane bisschoppen, bisschoppelijke vicarissen.
33. Canon 1340.
34. Zie bijvoorbeeld de DKO art. 76; de hervormde kerkorde ord. 11-6-1 sub 2; de gereformeerde kerkorde (synodaal) art 111 lid 1.
35. Zie bijvoorbeeld de DKO art. 77; de hervormde kerkorde ord. 11-6-1 sub 6, de gereformeerde kerkorde (synodaal), art. 112-113 en de uitvoeringsbepaling bij art. 109 lid 1 sub 3, waaruit blijkt dat hier ook volwassen doopleden kunnen worden afgesneden.
36. Zie bijvoorbeeld de DKO art. 79 en 80; de hervormde kerkorde ord. 11-6-1 sub 3; de gereformeerde kerkorde (synodaal), art. 115 en 116.
37. Zie bijvoorbeeld de DKO art. 79 en 80; de hervormde kerkorde ord. 11-6-1 sub 5, de gereformeerde kerkorde (synodaal ), art. 116.
38. Taat (diss.), p. 48-49; De Doelder (diss.), p. 8.
39. De Doelder (diss.), p. 20-22 en p. 30.
40. N.J.H. Huls en M.A. Kleiboer, Is er toekomst voor wettelijk niet hiërarchisch tuchtrecht? Ars Aequi 51 (2002) 2, p. 72. Zie over de positie van de klager ook De Doelder (diss.), p. 30.

|148|

Ten aanzien van kerkgenootschappen kan hier worden opgemerkt, dat men zich door toetreding als lid onderwerpt aan de grondslag van het kerkgenootschap. Vermeulen merkt in dat verband op:

“In deze interne sfeer is de organisatie als totaliteit, gerepresenteerd door de leiding, krachtens de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging bevoegd de belijdenis te organiseren en zonodig door disciplinaire maatregelen conformiteit af te dwingen.”41

Bij de kerkelijke tucht speelt het algemeen belang geen rol. In tegenstelling tot andere beroepsgroepen waarop wettelijk tuchtrecht van toepassing is, blijven misstappen van bijvoorbeeld een predikant in de uitoefening van zijn functie in beginsel beperkt tot een tamelijk ‘besloten’ groep. Van een misstap door een medicus kan in beginsel iedereen het slachtoffer worden, de maatschappelijke uitwerking is anders.42

Door de protestantse kerken zelf wordt straf (in de zin van vergelding) of afschrikking van oudsher niet als het voornaamste doel van de tucht gezien.43

Over het verschil tussen gereformeerd tuchtrecht en wereldlijk strafrecht schrijft Roodenburg:

“Terwijl de rechters (wereldlijke strafrechters, ahsw) niet geïnteresseerd waren, althans niet in hun dagelijkse routine, in een redding van de ziel en het hen doorgaans koud liet of de delinquent zijn straf ook innerlijk, voor zijn eigen geweten aanvaardde, streefden predikanten en ouderlingen voortdurend naar een bekering, naar een innerlijke hervorming van de zondaar. (…) Zelfs als het lidmaat gebannen was, kon het altijd terugkeren in de kerk, als het maar tot inkeer gekomen was.”44

Binnen de Rooms-Katholieke Kerk maakt men, zoals reeds genoemd, onderscheid tussen verbeteringsstraffen (‘censuren’) die als doel hebben de dader te

41. Vermeulen, De Grondwet, p. 106.
42. Vgl. De Doelder (diss.), p. 86. Dit wil uiteraard niet zeggen dat de misdragingen van de predikant of pastor minder ernstig en afkeurenswaardig zouden zijn, maar ze werken minder door naar de ‘buitenwereld’. Overigens is in de procedures inzake klachten van seksueel misbruik binnen pastorale relaties van de Rooms-Katholieke Kerk (Procedure bij klachten van seksueel misbruik, Utrecht 2002) en de Gereformeerde Kerk (synodaal) (uitvoeringsbepaling bij art. 116 van de kerkorde) wel veel aandacht voor de positie van de klager. Dat geldt eveneens voor de regeling van de Nederlandse Hervormde Kerk (zie met name ord. 11-13 jo. 11-7), die overigens niet alleen is toegesneden op gevallen van seksueel misbruik. Zie over de verschuiving van de positie van de klager binnen deze kerk ook: Van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde, p. 224.
43. Zie m.n. over de tucht als middel tot verzoening: Bouwman, Gereformeerd kerkrecht, p. 607; Nauta (1971), p. 353; H. Roodenburg, Onder censuur, de kerkelijke tucht in de gereformeerde gemeente van Amsterdam, 1578-1700, diss. VU Amsterdam, Hilversum 1990, p. 14.
Zie voorts uitgebreid over de kerkelijke tucht: Bouwman, Gereformeerd kerkrecht, p. 595 e.v.; Nauta (1971), p. 348-448; De Gier, De Dordtse Kerkorde, p. 352-389. Zie over tucht binnen de Nederlandse Hervormde Kerk: G.D.J. Dingemans, Kerkorde als ecclesiologische vormgeving, in: Inleiding tot de studie van het kerkrecht, red. W. van ’t Spijker en L.C. van Drimmelen, Kampen 1992, p. 224-226; Van den Heuvel, De Hervormde Kerkorde, p. 210 e.v.
44. Roodenburg, t.a.p., p. 126-127.

|149|

verbeteren en ‘boetestraffen’, die bedoeld zijn om overtredingen te sanctioneren.45

 

8.5 De onderworpenheid aan het tuchtrecht

De vraag rijst, op welke grond de onderworpenheid aan het (kerkelijk) tuchtrecht moet worden aangenomen. Mijns inziens geldt allereerst dat – evenals bij de (overige) alternatieve geschilbeslechting – hier het statuut te dien aanzien duidelijk moet zijn.46

Wanneer iemand lid wordt van een vereniging, mag worden aangenomen dat deze persoon zich vrijwillig onderwerpt aan het in de statuten (of reglementen) opgenomen tuchtreglement.47 Dat dient naar mijn mening ook het uitgangspunt voor het kerkelijk tuchtrecht te zijn. Dat betekent dat in ieder geval aangegeven moet worden voor wie het tuchtrecht geldt, door wie welke maatregelen kunnen worden getroffen en welke instantie of persoon uiteindelijk het laatste woord heeft zodat partijen daar dan ook aan zijn gebonden.

In een kortgedingvonnis waar een kerkelijke tuchtmaatregel door het betrokken gemeentelid wordt aangevochten, overweegt de president van de rechtbank:

“X heeft zich bij het afleggen van zijn geloofsbelijdenis verplicht om zich aan de kerkelijke tucht te onderwerpen en zoals hiervoor is overwogen komt de president geen oordeel toe over de vraag of die tucht terecht is toegepast.”48

Bij veel protestantse kerken zou het lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende onderworpenheid van de – in het statuut vastgelegde – tuchtregeling kunnen worden aangenomen op grond van de openbare geloofsbelijdenis (al of niet in combinatie met volwassendoop). Hiermee geeft iemand, zo rond het bereiken van de meerderjarige leeftijd, aan deel uit te willen maken van een kerkgenootschap. Bij bepaalde kerkgenootschappen gebeurt dat zelfs met de belofte zich te zullen onderwerpen aan de kerkelijke tucht.49

45. Demeester, Het nieuwe kerkelijk recht, p. 123; Huysmans, Het recht van de leek, p. 108.
46. In hoofdstuk 7 werd op diverse plaatsen op de gebondenheid aan de alternatieve rechtsgang ingegaan (zie bijv. § 7.3.1 en 7.3.2).
47. Zie ook Wassing (1978), p. 100: het lidmaatschap van de KNVB en de daaruit voortvloeiende lidmaatschapsverhoudingen vormt de grondslag van het voetbaltuchtrecht; De Doelder (diss.), p. 19; Van der Ploeg, Heemskerk-bundel, p. 228 (Van der Ploeg stelt in dit verband: “Het verschillende karakter van de organisatierechtelijke betrekking en het contract verzet zich er niet tegen om het toetreden tot de organisatie-rechtspersoon te zien als het sluiten van een overeenkomst tussen de aspirant-deelnemer en de rechtspersoon met als rechtsgevolg dat men lid van een vereniging, aangeslotene van een stichting of bestuurder wordt en daarmee zich onderwerpt aan de statuten, reglementen en besluiten van de vereniging of stichting. De inhoud van de statuten wordt impliciet of expliciet als deel van die overeenkomst beschouwd.”); N.J.H. Huls en M.A. Kleiboer, Is er toekomst voor wettelijk niet hiërarchisch tuchtrecht? Ars Aequi 51 (2002) 2, p. 72.
48. Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127 (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Kerk vrijgemaakt).
49. Zie bijvoorbeeld de handleiding bij de kerkelijke rechtspraak van de Gereformeerde Gemeenten ‘In orde’, Houten 1999, p. 9. Evenals bij de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) en de Christelijke ➝

|150|

Bij de Rooms-Katholieke Kerk is het maken van die bewuste keuze echter wat lastiger aan te wijzen: hier kent men niet, zoals veel protestantse kerken, een moment rond de volwassenheid waarop men belijdenis van het geloof aflegt. Wel kent men bij de Rooms-Katholieke Kerk het sacrament van het vormsel (canon 879), waarvoor geldt dat dit aan gelovigen kan worden toegediend “rond het bereiken van de jaren van het verstand” (canon 891). In de praktijk vindt dit plaats rond de leeftijd van twaalf jaar.50 Gezien deze jonge leeftijd kan mijns inziens daaraan niet hetzelfde gewicht worden toegekend als aan het afleggen van geloofsbelijdenis bij veel protestantse kerken. Canon 1323 sub 1 bepaalt evenwel dat niemand onder de 16 jaar gestraft wordt.

In dit verband moet worden opgemerkt dat binnen de Rooms-Katholieke Kerk geldt dat men zich vergeleken bij de protestantse kerken niet zo eenvoudig kan laten ‘uitschrijven’ als kerklid.51

Naar burgerlijk recht staat uittreden evenwel vrij. In hoofdstuk 3 kwam reeds aan de orde dat zowel de vrijheid van toetreding tot het kerkgenootschap

➝ Gereformeerde Kerken wordt daar bij het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis expliciet gevraagd of men zich zal onderwerpen aan de kerkelijke tucht.
Volgens Bouwman vallen strikt genomen ook de minderjarige doopleden onder de tucht, maar zijn de maatregelen jegens hen beperkt tot “waarschuwing, onderwijzing, vermaning en bestraffing.” (H. Bouwman, De kerkelijke tucht, Kampen 1988, p. 148). Voorts zijn er binnen kerkgenootschappen ook meerderjarige doopleden actief, die geen openbare geloofsbelijdenis wensen af te leggen. Zie hierover: Nauta (1971), p. 369-374. In noot 35 werd reeds opgemerkt dat volgens de gereformeerde kerkorde (synodaal) ook volwassen doopleden kunnen worden afgesneden.
50. Volgens canon 11 hebben kinderen na het voltooien van het zevende levensjaar “voldoende gebruik van het verstand”. Over doop en lidmaatschap wordt in canon 96 bepaald: “Door het doopsel wordt de mens ingelijfd in de Kerk van Christus en daarin tot persoon gemaakt met de plichten en rechten die aan christenen, gelet evenwel op hun positie, eigen zijn, voor zover ze in de kerkelijke gemeenschap zijn en als een wettig opgelegde sanctie dit niet verhindert.”
Zie over doop, belijdenis en lidmaatschap binnen de Nederlandse Hervormde Kerk: G.D.J. Dingemans, Een huis om in te wonen, ’s-Gravenhage 1987, p. 141-151.
51. Canon 849: door de doop wordt men met een onuitwisbaar teken ingelijfd in de kerk. Een ‘vreedzaam’ uittreden uit de kerk – d.w.z. zonder dat men direct geldt als afvallige, ketter of schismaticus – wordt door het kerkelijk recht volgens Walf niet geboden. In de canones 1086 § 1, 1117 en 1124 wordt gewag gemaakt van de mogelijkheid de kerk ‘bij formele akt’ te verlaten, maar hoe deze procedure precies in zijn werk gaat, vermeldt de CIC niet. Volgens Walf gaat het bij een ‘formele akt’ bijvoorbeeld om een verklaring van uittreden ten overstaan van een overheidsinstantie of een notaris (Walf (1988), p. 61-62).
Zie voorts: Torfs, Het nieuwe kerkelijk recht, p. 137-138. Volgens Torfs (t.a.p., p. 138) maakt de kerk het haar leden niet concreet moeilijk om uit te treden. Het is niet zo dat de kerk iemand wil dwingen tegen zijn geweten in het rooms-katholieke geloof aan te hangen, maar het gaat er bij het voorschrijven van een ‘formele akt’ veeleer om het formele vertrek van kerkleden juridisch te ‘kanaliseren.’
Lemmens stelt dat een zekere afstand van grondrechten door de leden van de kerk mogelijk wordt geacht, maar dat dit dan wel vrijwillig en ondubbelzinnig dient te geschieden. De leden moeten dan ook de vrijheid hebben om de kerk te verlaten, zodra zij niet langer akkoord kunnen gaan met de beperking van die grondrechten (Lemmens, Het nieuwe kerkelijk recht, p. 169-170).
Huysmans merkt op: “Het ‘eenmaal katholiek, altijd katholiek’ heeft in het (canonieke, ahsw) recht als achtergrond, dat het basislidmaatschap van de katholieke kerk met de doop, veelal als baby, verbonden is. Dit staat op zich los van enige daarop volgende eigen beaming of persoonlijke betrokkenheid.” De schrijver plaatst overigens vraagtekens bij de mogelijkheid tot het opleggen van allerlei verplichtingen aan niet-participerende leden door de kerk (Huysmans, Algemene normen, p. 82-83).

|151|

(weliswaar met inachtneming van bepaalde voorwaarden die gesteld kunnen worden) als de vrijheid van uittreden daaruit tot de fundamentele dwingende normen van Nederlands recht kunnen worden gerekend.52

Karagül en Wagtendonk wijzen met betrekking tot het lidmaatschap van de traditionele kerkgenootschappen op een verschil met de islam. Bij de traditionele kerkgenootschappen in Nederland is het gebruikelijk zich als lid aan te sluiten wanneer men zich tot een bepaalde geloofsgemeenschap aangetrokken voelt. Voor de islam geldt dat een moskee in de eerste plaats als ruimte dient waarin het gezamenlijk gebed plaatsvindt. Uitschrijving zou derhalve niet aan de orde zijn:

“Moslim is men eerder door geboorte dan door het aanhangen van een bepaalde levensovertuiging of wereldbeschouwing. En wie niet practiserend is blijft toch moslim. Het zich laten uitschrijven zoals kerkleden in Nederland dat doen kan zich in de islam niet voordoen.”53

Naar Nederlands recht bestaat echter wel de mogelijkheid om, wanneer de islamitische geloofsgemeenschap zich heeft georganiseerd als vereniging, zich als

52. Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 222; zie in gelijke zin ook: W.J.A.J. Duynstee en M.C. Punt, Stenographisch verslag Algemene Vergadering Broederschap van Candidaat-Notarissen 1935, p. 39; Asser-Scholten, Vertegenwoordiging en rechtspersoon (1940), p. 127-128; Diepenhorst (1946), p. 220-221; Scholten, Ad Personam, p. 300 en 308. (Volgens Scholten (t.a.p., p. 300) geldt dat, wanneer het kerkelijk recht iets niet regelt (bijvoorbeeld het opzeggen van het lidmaatschap), de materie wordt beheerst door algemene regels van Nederlands recht. Hij neemt aan dat de regels van verenigingsrecht dan analoog toegepast dienen te worden); Labuschagne (diss.), p. 81-82; J.W. van Ee, In strijd met de wet, RM Themis 1996/5, p. 176, voetnoot 114. Anders: Van Lennep (diss.), p. 179-180. Er ontstaat volgens Van Lennep een rechtsband tussen een gedoopt lid en de R.K. Kerk wanneer deze geloofsbelijdenis aflegt ter gelegenheid van de Eerste Heilige Communie of door zich te laten opnemen in de priesterstand. Vervolgens merkt Van Lennep (t.a.p., p. 180) op: “Naar de leer der Kerk is ontbinding van den eens door den doop gelegden band onmogelijk. Ook de ban ontheft den getuchtigde niet van de gehoorzaamheid aan de kerkelijke wetten. Is er dus een rechtsgeldige band ontstaan, dan zal de rechter eenzijdige opheffing niet kunnen gedoogen.”
Vgl. HR 29-12-1911, W 9272 (E.M.M.) (Boele van Hensbroek): “O. dat hieruit, in verband met het boven aangestipte eindigen van het opvoedingsrecht met de meerderjarigwording, in ieder geval volgt dat, al bracht de opvoeder de inlijving van zijn kind in de Ned. Herv. Kerk bevoegdelijk tot stand, de daardoor ontstane in de eerste plaats op geloofsgemeenschap gerichte band noch deze werking vermocht te behouden, noch de daarmee onafscheidelijk verbonden burgerlijke werking ingevolge de artt. 1690 en 1697 B.W., nu niet is gebleken, dat hij, meerderjarig geworden, door latere handelingen den band in stand hield;”
53. A. Karagül en K Wagtendonk, De Imâms, Islamitische Raad Nederland, Den Haag 1994, p. 9. Het is overigens wel mogelijk om het kerklidmaatschap te vergelijken met het lidmaatschap van een sufi-orde (mystiek genootschap) (idem, p. 10-12). Vgl. Shadid en Van Koningsveld, Moslims in Nederland, p. 36, waar wordt opgemerkt dat ook bij de islam secularisatie lijkt plaats te vinden. Volgens Slomp (2000), p. 346, zijn in Nederland een kwart van de moslims lid van een moskeevereniging. Veel gelovigen steunen de moskee wel financieel, maar hebben er geen behoefte aan om lid te worden.
Zie over de vraag – die aan de orde kwam bij de totstandkoming van art. 18 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 – of moslims de vrijheid hebben om van geloof te veranderen: B.C. Labuschagne, Godsdienstvrijheid en Islam, in: Recht van de Islam, red. S. Rutten, Maastricht 1997, p. 28-30. Enkele islamitische staten hebben zich destijds fel tegen de opname van dit recht verzet. Zie voorts: Vestdijk-van der Hoeven (diss.), p. 163; D. Beke, Islam-recht en geloofsafval, in: Recht van de Islam, red. S. Rutten, Maastricht 1996, p. 89-110.

|152|

lid uit te laten schrijven.54 Ook de opzegging of ontzetting van een lid is wel degelijk mogelijk.55

Gaat het evenwel om een stichting, dan is er geen sprake van een lidmaatschap en derhalve ook niet van gebondenheid aan een tuchtreglement op grond van een lidmaatschapsverhouding (art. 2:285 lid 1 BW). Gebondenheid zou alleen mogelijk zijn indien hiervoor een contractuele grondslag bestaat.56

 

8.5.1  Conclusie

Evenals andere alternatieve rechtsgangen dient de tuchtregeling in het statuut van het kerkgenootschap te zijn opgenomen om onderworpenheid daaraan aan te kunnen nemen. Iemand die er voor kiest om lid te zijn van een bepaald kerkgenootschap, mag geacht worden zich ook aan deze tuchtregeling te onderwerpen. Wenst men dat – mocht het zover komen – niet, dan staat het naar burgerlijk recht vrij om uit te treden.

 

8.6 Beginselen van procesrecht bij het tuchtrecht

Het lijdt geen twijfel, dat ook op het gebied van het tuchtrecht bepaalde beginselen van procesrecht van toepassing zijn. Een voorbeeld daarvan komt aan de orde in een arrest van het Hof ’s-Gravenhage, waar wordt gesproken over “de eisen van een behoorlijke tuchtrechtspraak.”57

54. Art. 2:36 BW.
55. Art. 2:35 BW. Volgens art. 2:35 lid 4 BW kan een lid van een vereniging worden ontzet door het bestuur, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen. Ontzetting kan volgens lid 3 alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Dit is een maatregel met een tuchtrechtelijk karakter, en het is tegelijk ook de zwaarste sanctie die getroffen kan worden.
De ontzetting (royement), heeft een ander karakter dan de in art. 35 lid 2 BW genoemde opzegging van het lidmaatschap. Dit laatste valt aan te merken als een beleidsmaatregel waarbij geen sprake hoeft te zijn van een overtreding (Kollen, De vereniging in de praktijk, p. 223 en 230). Een andere sanctiemogelijkheid is de schorsing: zie art. 2:35 lid 4 en art. 2:38 lid 1 voor wat betreft de leden, zie voor de schorsing van bestuursleden art. 2:37 lid 6 BW (Kollen, De vereniging in de praktijk, p. 223-225).
56. Vgl. Van der Ploeg, Heemskerk-bundel, p. 240; F.C. Kollen, Verenigingsrechtelijke aspecten van het tuchtrecht in de sport, in: Tuchtrecht in de sport, Haarlem 1998, p. 5.
57. Hof ’s-Gravenhage 28 mei 1975, NJ 1976, 210 (Van Duivenbode/KNVB). In dit geval zou door de Commissie van Beroep van de KNVB zonder dat dit van tevoren bekend gemaakt was, een andere koers worden gevaren inzake de vormvoorschriften rond het indienen van een appèl. Hierdoor wordt een voetballer – die in beroep gaat in verband met een tegen hem getroffen tuchtmaatregel – door de Commissie van Beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het hof oordeelt dat het op zich toelaatbaar is dat door het orgaan van een vereniging dat een geschil moet beslechten of met de tuchtrechtspraak is belast, de uitleg en toepassing van reglementen wordt gewijzigd. Voorwaarde is echter wel, dat zo’n wijziging in opvatting over toepasselijke vormvoorschriften ook wordt aangekondigd. Is dat niet het geval, dan voldoet men niet aan “de eisen van een behoorlijke tuchtrechtspraak.”
Zie ook Pres. Rb. Breda 11 maart 1998, KG 1998, 123 (A.J.F.R./NAC) waar sprake is van schending van elementaire beginselen van tuchtrechtspraak (i.c. schending van het beginsel hoor en wederhoor).

|153|

Met het oog op eventuele toepasselijkheid van art. 6 EVRM op tuchtrecht rijzen er twee vragen:
— gaat het bij tuchtrecht om het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen, en/of
— kan een tuchtrechtelijke vervolging gelden als een strafvervolging?58

 

Op grond van de jurisprudentie kan worden gesteld dat art. 6 EVRM bijvoorbeeld van toepassing is wanneer een medicus bij wijze van tuchtmaatregel wordt verboden zijn beroep als arts voor korte of langere tijd uit te oefenen.59 Let wel: het gaat hier om wettelijk geregeld tuchtrecht. Inzake het verenigingstuchtrecht (het ‘vrijwillige’ tuchtrecht) wordt toepasselijkheid van art. 6 EVRM niet aangenomen.60

Wat het antwoord op de tweede vraag betreft, kan er van worden uitgegaan dat dit voor de meeste vormen van tuchtrecht niet het geval is. De Doelder meent dat voor een toetsing aan het criterium ‘criminal charge’ van art. 6 EVRM slechts het hierboven genoemde tuchtigingsrecht in aanmerking kan komen.61 Bij kerkelijk tuchtrecht is dit derhalve niet aan de orde.62

Dit wil echter niet zeggen dat er niet bepaalde fundamentele beginselen van straf- of burgerlijk procesrecht63 van toepassing zouden zijn op het overige (meer vrijwillige) tuchtrecht.

In het kader van een eerlijk proces worden op het tuchtrecht in ieder geval de hierna genoemde beginselen van toepassing geacht: degene die beschuldigd wordt dient tijdig te worden opgeroepen en behoort een redelijke termijn te krijgen om zijn verdediging voor te bereiden.64

Voorts wordt hij voor onschuldig gehouden zolang zijn schuld niet is komen vast te staan.65

De beschuldigde hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling66 en dient de kans te krijgen om zich uit te laten over de beschuldigingen (hoor en wederhoor),

58. De Doelder (diss.), p. 50.
59. De Doelder (diss.), p. 55 e.v. Als voorbeeld wordt hier genoemd de zaak König, EHRM 28 juni 1978, NJ 1980, 54 (König/Bondsrepubliek Duitsland). In dit geval was er in de tuchtprocedure sprake van schending van het redelijke termijnbeginsel.
60. De Doelder (diss.), p. 59 en 72-73; zie ook hoofdstuk 7, § 7.2, 7.3 en 7.5. Zie voorts: Pres. Rb. Dordrecht 5 maart 1996, KG 1996, 127 (tuchtmaatregel gemeentelid Gereformeerde Kerk vrijgemaakt), eerder aangehaald in § 7.5.
61. De Doelder (diss.), p. 65. Of dat in een concreet geval aan de orde is, hangt volgens hem af van de zwaarte van de straf. Zie ook: Wiarda, Overheidsrechter gepasseerd, p. 418-419.
62. Zie ook Lemmens, Rechtsbescherming, p. 70.
In § 7.2. werd er reeds op gewezen, dat art. 6 EVRM geen horizontale werking heeft. Zie (met het oog op tuchtrecht) voorts: De Doelder (diss.), p. 69-72.
63. Vgl. E.J. Dommering, Preadvies NJV, Zwolle 1983, p. 232: “Gezien de eigen aard van het tuchtrecht kan men zich bij die (rechterlijke, ahsw) controle overigens zowel door de beginselen van straf- als van het civiele proces laten leiden.”
64. De Doelder (diss.), p. 132. Vgl. art. 6 lid 3 sub b EVRM.
65. De Doelder (diss.), p. 132. Vgl. art. 6 lid 2 EVRM.
66. Vgl. art. 29 Sv.

|154|

waartoe hij alle processtukken mag inzien en verklaringen mag overleggen.67

Het horen van de aangeklaagde kan worden gezien als de meest elementaire eis, die aan een tuchtprocedure gesteld wordt.68 In het vorige hoofdstuk is dat ook voor de kerkelijke tucht reeds duidelijk geworden.69

Evenals voor het strafrecht wordt voor het tuchtrecht de gelding van het ne bis in idem beginsel aangenomen.70

De beschuldigde moet de mogelijkheid hebben zich desgewenst te laten bijstaan door een raadsman.71 Bij het ‘vrijwillige’ tuchtrecht kan de groep als eis stellen dat de verdediger zelf ook groepslid is.72 Voorbeelden daarvan zagen we ook bij enkele kerkgenootschappen. Zelf meen ik, dat het recht op bijstand niet op zodanige wijze beperkt zou moeten worden.73

We zagen dat bij een eerlijke behandeling ook het motiveringsbeginsel werd genoemd. Dit zal ook voor het tuchtvonnis hebben te gelden.74

Het beginsel openbaarheid is op tuchtrechtspraak niet zonder meer van toepassing.75 Taat pleit ervoor, om als regel de behandeling achter gesloten deuren te laten plaatsvinden,76 terwijl de argumenten tegen een openbare uitspraak volgens hem iets minder zwaarwegend zijn.77

Aangaande de openbaarheid van de behandeling merkt De Doelder op dat dit niet zonder meer op het tuchtrecht van toepassing is. Ten eerste omdat men in beginsel geacht kan worden afstand van het recht te hebben gedaan, maar belangrijker vindt hij het argument dat men bij tuchtrecht met name moet denken aan openbaarheid jegens de groep en niet aan openbaarheid jegens de hele maatschappij, die niets te maken heeft met de tuchtrechtspraak van bijvoorbeeld een plaatselijke vereniging. Door openbaarheid jegens de groep te betrachten, kan er door de leden controle worden uitgeoefend op de tuchtrechtspraak. 78

67. De Doelder (diss.), p. 132.
68. Taat (diss.), p. 66; H.T. van Staveren, Aspecten van tuchtrecht in de sport, Stichting & Vereniging 1989, p. 112. Vgl. art. 6 lid 3 sub c EVRM.
69. Zie hoofdstuk 7, § 7.2.
70. De Doelder (diss.), p. 132 en 144-181. Zie ook Wassing (1978) aangaande het voetbaltuchtrecht,    p. 105-106; zie voor een arrest hierover op het gebied van het medisch tuchtrecht: HR 29 november 1991, NJ 1992, 587 (C) (medische fout assistent). Vgl. art. 68 Sr.
71. Vgl. art. 6 lid 3 sub c EVRM. Zie ook Pres. Rb. Zwolle 1 februari 2002, KG nr. 70866/KG ZA 01-466, gepubliceerd op Rechtspraak.nl, LJN nr. AD 8785 (ds. De B./classis Amersfoort Christelijke Gereformeerde Kerken).
72. De Doelder (diss.), p. 133.
73. Zie hoofdstuk 7, § 7.5.
74. Taat (diss.), p. 81; De Doelder (diss.), p. 137; H.T. van Staveren, Aspecten van tuchtrecht in de sport, Stichting & Vereniging 1989, p. 116. Zie ook Pres. Rb. Zwolle 1 februari 2002, KG nr. 70866/KG ZA 01-466, gepubliceerd op Rechtspraak.nl, LJN nr. AD 8785 (ds. De B./classis Amersfoort Christelijke Gereformeerde Kerken).
75. Vgl. art. 6 lid 1 EVRM, waarin ook enkele uitzonderingen worden genoemd.
76. Taat (diss.), p. 77.
77. Taat (diss.), p. 81.
78. De Doelder (diss.), p. 134.

|155|

Voor dit laatste valt op zich wel iets te zeggen. Toch blijft er naar mijn mening, zowel wat betreft de behandeling als de uitspraak, altijd nog een zeker recht op privacy bestaan ook al blijft de zaak ‘binnen de groep.’79

Kerkgenootschappen gaan verschillend met het beginsel van openbaarheid om. We zagen bij kerkgenootschappen met een congregationalistische structuur, dat het mogelijk is dat de gemeente direct bij tuchtzaken wordt betrokken.80 Bij veel andere protestantse kerkgenootschappen wordt de tuchtprocedure zelf ‘achter gesloten deuren’ afgehandeld,81 zoals dat ook het geval is bij de Rooms-Katholieke Kerk.82

 

De beginselen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn op het tuchtrecht niet zonder meer toe te passen. Dit heeft te maken met de vereiste deskundigheid van de tuchtrechter:83 de kring waaruit deze wordt gerecruteerd, is daardoor beperkt.84

In dit verband moet voorts worden gewezen op de mogelijkheid, dat wanneer bijvoorbeeld het bestuur van een vereniging als tuchtcollege optreedt, deze zich nog meer door de normschending gekrenkt voelt dan de andere leden. De benadeelde treedt dan dus op als ‘rechter’.85

Het argument van deskundigheid kan ook in verband met kerkelijke tucht worden aangevoerd. Wanneer de burgerlijke rechter niet bekend is op kerkelijk terrein, zal het voor hem niet eenvoudig zijn een helder beeld van de intern-kerkelijke verhoudingen en gebruiken te krijgen. Dit behoeft echter geen doorslaggevend argument te zijn om de voorkeur te geven aan een intern-kerkelijke geschilbeslechting. Die ondeskundigheid van de burgerlijke rechter doet zich ook voor op andere terreinen. In zo’n geval kan art. 194 Rv., waarin wordt bepaald dat het oordeel van deskundigen gevraagd kan worden, uitkomst bieden.86

79. Vgl. Taat (diss.), p. 76, die ook enigszins aarzelend staat tegenover een openbare behandeling binnen de groep.
80. Hoofdstuk 4, § 4.3.
81. Wel is het zo, dat bij die kerken die een kerkorde hanteren die sterk lijkt op de Dordtse Kerkorde, op enig moment mededelingen worden gedaan aan de gemeente, evenwel zonder inhoudelijk uitgebreid op de zaak in te gaan. (Zie bijvoorbeeld het Hof ’s Hertogenbosch 11 februari 1992, KG 1992, 96 (publicatie tuchtmaatregel Kruis), waarbij Kruis juist openbaarmaking van de gronden voor het nemen van de tuchtmaatregel vordert, hetgeen door het hof wordt afgewezen. Zie hierover reeds hoofdstuk 3, § 3.6.5.)
82. Canon 1728 § 1 jo. canon 1470 § 1. Zie over de geheimhoudingsplicht van rechters en medewerkers van de rechtbank in een strafgeding: canon 1455.
83. Taat (diss.), p. 60; De Doelder (diss.), p. 127. Beide schrijvers achten het van belang dat de tuchtrechter deskundig is op het gebied waarop hij rechtspreekt, zodat een betere beoordeling mogelijk is of een bepaalde tuchtnorm daadwerkelijk is overschreden.
84. Taat (diss.), p. 89.
85. De Doelder (diss.), p. 32. Zie ook: H.T. van Staveren, Aspecten van tuchtrecht in de sport, Stichting & Vereniging 1989, p. 112: de hoogste feitelijke instantie dient niet door beroeps- of bedrijfsgenoten te worden bezet; L.F.D. ter Kuile, Terreinverlies voor de rechterlijke macht? In: De rechter aan de kant, Zwolle 1992, p. 149. Ter Kuile acht de kans groot dat de beroepsgenoten zich bij hun oordeelsvorming te eenzijdig laten leiden door in de beroepsgroep levende normen, waaronder die van de beroepsethiek. Hij vraagt zich af of het rechtsgevoel van de klager (niet-beroepsgenoot) wel voldoende aan bod komt.
86. Vgl. de conclusie van A-G Langemeijer bij het Hasselt-arrest (HR 15 februari 1957, NJ 1957, 201).

|156|

Wel kan het praktisch gezien een voordeel zijn wanneer de tuchtrechters zelf deskundig zijn.87

Het argument om voor een interne kerkelijke rechtsgang te kiezen, wordt binnen de kerkgenootschappen zélf in de eerste plaats gebaseerd op bijbelse gronden.88

Het uitgangspunt dat men geschillen zoveel mogelijk intern wil oplossen, geldt overigens niet alleen op kerkelijk terrein. Op het gebied van het sportrecht is een zorgvuldige tuchtprocedure volgens Kollen niet alleen van belang voor de sporters, maar ook voor de sportbonden:

“Ieder ingrijpen van buitenaf – ongeacht of dit geschiedt door de wetgever of door de rechter – draagt immers voor de sportwereld het risico in zich dat van buitenaf het interne normeringsproces nadelig wordt beïnvloed of versneld. Hierbij geldt als extra risico dat niet of in onvoldoende mate rekening wordt gehouden met het ‘sport-eigen’ karakter van veel conflicten.”89

Een recht op uitspraak door de overheidsrechter in twee voorzieningen kan niet worden ontleend aan art. 6 EVRM, maar is wel op diverse andere plaatsen in de wet vastgelegd.90

Juist bij tuchtzaken valt evenwel te verdedigen dat de mogelijkheid moet worden geboden in hoger beroep te gaan, waardoor eventuele tekortkomingen waarvan in eerste instantie sprake was, kunnen worden gecorrigeerd. Door deze mogelijkheid kan men in de ‘eerste lijn rechtspraak’ genoegen nemen met juridische onvolkomenheden ten behoeve van andere voordelen zoals een snelle rechtspleging en deskundigheid.91

Voorts moet in ogenschouw worden genomen dat, zoals reeds opgemerkt, het bij het tuchtrecht veelal om een betrekkelijk kleine groep gaat waaruit de tuchtrechters zijn gerecruteerd. Hierdoor is het gevaar voor partijdigheid groter dan in het strafrecht.92

87. Vgl. G.E. Langemeijer, Tuchtrechtspraak, in: Tuchtrecht, G.E. Langemeijer e.a., Zwolle 1975, p. 4: “Natuurlijk kan men zeggen dat toch ook tal van strafzaken op ander terrein voorlichting van de rechter door een deskundige of zelfs meer deskundigen nodig maken. Dit neemt niet weg dat wanneer in alle zaken van een bepaalde soort deskundigheid onmisbaar is, het praktisch kan zijn de deskundigen in het college te hebben.”
88. Zie bijvoorbeeld 1 Corinthiërs 6: 1-7. Voor de islam wordt wel aangenomen dat dit uitgangspunt kan worden gebaseerd op de koran (sura 4, (62) 59 en sura 4, (68) 65) (F.A. van Bakelen, De status van de imam in het Nederlandse arbeidsrecht, in: Recht van de Islam, Groningen 1984, red. F.A. van Bakelen, p. 67-68).
89. F.C. Kollen, Tuchtrechtspleging in de sport, fair play? In: Tuchtrecht en fair play, Zwolle 1984, p. 221.
90. Zie hierover Smits (diss.), p. 43; zie voorts Van Dijk en Van Hoof (1998), p. 422.
91. De Doelder (diss.), p. 139 acht de mogelijkheid van hoger beroep van fundamenteel belang. Ook Wassing (1978), p. 172, acht het instellen van hoger beroep “zinvol en niet zonder betekenis.” Vgl. art. 2:35 lid 4 BW: in geval van royement door het bestuur bestaat er een mogelijkheid tot het instellen van beroep bij de algemene vergadering of bij een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde. Voor de gevallen waarin het royement door de algemene ledenvergadering wordt uitgesproken, wordt door de wet geen recht op beroep voorgeschreven. Zie hierover ook: Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-II (1997), nr. 286.
92. Taat (diss.), p. 89.

|157|

Genoemde argumenten gelden naar mijn mening ook voor het kerkelijk tuchtrecht. Ik wijs in dit verband wederom op het voorbeeld van de predikant die bij wijze van tuchtmaatregel uit het ambt wordt ontzet. Zeker in gevallen met dergelijke verstrekkende gevolgen is de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep van belang,93 waarbij ook het motiveringsbeginsel weer een belangrijke rol speelt.

Mijns inziens dient in beginsel ook de klager de mogelijkheid te hebben hoger beroep in te stellen. Er kan sprake zijn van dusdanige misstanden, dat het ook voor hem van belang is de mogelijkheid te hebben tot het instellen van hoger beroep.94

Tot slot zij erop gewezen dat er een mogelijkheid bestaat om na de tuchtprocedure alsnog een beroep te doen op de burgerlijke rechter, die de tuchtrechtprocedure kan toetsen aan “de eisen van een behoorlijke tuchtrechtspraak.”95

 

8.6.1 Samenloop van tucht- en strafrechtelijke procedure

Het is mogelijk, dat naar aanleiding van een bepaalde gedraging van een groepslid zowel een tucht- als een strafrechtelijke procedure wordt gestart. Dit roept de vraag op of het terecht is dat iemand door twee afzonderlijke instanties wordt afgerekend op één en dezelfde gedraging, hetgeen strijd met het ne bis in idem beginsel zou kunnen opleveren.

Volgens Taat is samenloop van beide procedures op zich mogelijk, maar ze dienen niet geheel onafhankelijk van elkaar plaats te vinden. De rechter die het laatst over de zaak beslist, moet rekening houden met het voorafgaande vonnis. In de regel zou het tuchtvonnis vóór het strafvonnis moeten worden uitgesproken, aangezien de strafrechter, al naar gelang de omstandigheden, over meer mogelijkheden beschikt om de straf te variëren. Hierbij moet echter het volgende worden opgemerkt: wanneer, in het geval van een misdrijf, volgens het strafrecht een zware straf moet worden opgelegd zal een tuchtmaatregel als uitstoting uit de groep daarbij in het niet vallen. In dat geval heeft het geen zin het tuchtvonnis vóór te laten gaan.96

93. Daarbij dient wel het beginsel van een onpartijdige rechtspraak in het oog te worden gehouden. Op het knelpunt van mogelijke partijdigheid bij de geschilbeslechting via ‘meerdere vergaderingen’ werd in hoofdstuk 7 § 7.5 reeds ingegaan.
94. Richten we ons bijvoorbeeld op de klachtenprocedure rond seksueel misbruik in pastorale relaties, dan bieden de regelingen van de Rooms-Katholieke Kerk (art. 14.3 van de Procedure bij klachten van seksueel misbruik, Utrecht 2002) en de Nederlandse Hervormde Kerk (zie ord. 11-8-1, welke bepaling overigens niet beperkt is tot klachten over seksueel misbruik) de klager de mogelijkheid om in beroep te gaan. Bij de procedure van de Gereformeerde Kerken (synodaal) wordt deze mogelijkheid niet genoemd (zie over de mogelijkheid tot het instellen van hoger beroep de uitvoeringsbepaling bij art. 116 van de kerkorde, art. 10, lid 6 en 7).
95. De Doelder (diss.), p. 140. De Doelder verwijst hier naar uitspraken over een tuchtzaak in het betaalde voetbal: Hof ’s-Gravenhage 28 mei 1975, NJ 1976, 210 (Van Duivenbode/KNVB) en Hof ’s-Gravenhage 2 juni 1976, NJ 1977, 271 (Van Duivenbode/KNVB).
96. Taat (diss.), p. 97-99. Ook Wassing (1978), p. 103, is van mening dat tucht- en strafrechtprocedure naast elkaar mogelijk zijn. Zie in gelijke zin: Kollen, De vereniging in de praktijk, p. 234. ➝

|158|

De Doelder merkt – mijns inziens terecht – met het oog op de samenloop van tuchtrecht en strafrecht op, dat het strafrecht nooit voor het tuchtrecht wijkt: het strafrecht blijft, naast het tuchtrecht, toepasbaar.97 Dit zal voor het kerkelijk tuchtrecht niet anders zijn.

Ook op kerkelijk terrein kunnen tucht- en strafrechtelijke procedure samenlopen. De uitgangspunten en de uitkomsten van beide procedures zullen echter verschillen.98

Naar aanleiding van een strafrechtelijk vonnis99 is in de media veel aandacht besteed aan het feit dat een predikant voor de duur van twee jaar een verbod werd opgelegd zijn beroep uit te oefenen.100

In dit geval had de predikant ontucht gepleegd met enkele personen – waaronder een minderjarige – die aan zijn pastorale zorg waren toevertrouwd.

In verband met de genoemde strafzaak werden kamervragen gesteld aan de Minister van Justitie vanwege de spanning tussen het interne kerkelijke recht en de (bijkomende) straf die de strafrechter hier had opgelegd. De minister sprak uit, dat beide procedures – strafrecht en kerkelijke tucht – naast elkaar konden bestaan. Het openbaar ministerie zou bij het formuleren van de eis rekening houden met de maatregelen die de kerk zelf zou treffen of al getroffen had.101

➝ Kollen wijst erop dat er eventueel tussen officier van justitie en de vereniging overlegd kan worden over de vervolging en de strafmaat.
Evenals Taat meent De Doelder dat de tuchtzaak in geval van samenloop bij voorkeur aan de strafzaak vooraf zou moeten gaan, aangezien de strafrechter, zowel door zijn grote ervaring als door de mogelijkheden tot het horen van getuigen en deskundigen, beter in staat mag worden geacht rekening te houden met de maatregel(en) van de tuchtrechter (De Doelder (diss.), p. 181).
97. De Doelder (diss.), p. 145-146.
98. Nauta (1971), p. 407; In orde (Gereformeerde Gemeenten, Houten 1999), p. 68-69; De Gier, De Dordtse Kerkorde, p. 373.
99. Rb. Dordrecht 26 november 1998, parketnr. 11/005100-98, ongepubliceerd (ontucht Nederlands Gereformeerde predikant). De (bijkomende) straf werd opgelegd op grond van de art. 251 jo. 28 Sr.
100. Zie o.m.: Nederlands Dagblad 27 november 1998; Trouw 1 december 1998; Volkskrant 13 januari 1999. Zie voorts: D.A.C. Slump, Dordrecht: kerkrecht of strafrecht? De Reformatie, 17 juli 1999, p. 900-902; E.C.M. Jurgens, Godsdienstvrijheid bedreigd? Ars Aequi 48 (1999) 4, p. 252-253.
Zie over deze strafzaak ook het artikel van W. van ’t Spijker (emeritus hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde Kerken) in het Nederlands Dagblad van 5 december 1998: het doel van de kerkelijke tucht is een andere dan het doel van het strafrecht. Straf is in beginsel geen middel tot verzoening, het kerkelijk tuchtrecht wel. Van ’t Spijker merkt in dit verband op: “Als twee hetzelfde doen, is het nog niet hetzelfde.”
101. Tweede Kamer, 1998-1999, Aanhangsel van de Handelingen, p. 1623.
Er werd tevens aan de orde gesteld dat het hier om een volledige ontzetting van het recht van de predikant zijn beroep uit te oefenen ging, en niet slechts een gedeelte – namelijk de pastorale werkzaamheden – ervan. De minister reageerde hierop met de opmerking dat een gedeeltelijke ontzetting uit een beroep niet mogelijk was.
Jurgens (t.a.p., p. 253), is van mening dat de strafrechter hier wél een verbod tot uitoefening van pastorale werkzaamheden had kunnen opleggen, doch geen verbod tot preken. Door hier geen scheiding aan te brengen bij het verbod tot uitoefening van het beroep van predikant, zou er strijd bestaan met de godsdienstvrijheid.
Overigens zien we in de CIC (canon 1344 aanhef en sub 2) dat de kerkelijke rechter, ook indien volgens het kerkelijk recht de oplegging van een sanctie geboden is, naar eigen geweten ‘en wijs oordeel’ zich mag onthouden van het opleggen van een straf (of strafvermindering mag toepassen) indien de schuldige reeds door het ‘burgerlijk gezag’ voldoende bestraft is of nog zal worden.

|159|

Tuchtrecht en strafrecht kunnen dus ook in dit geval samenlopen. Behalve het feit dat kerkelijke tucht en strafrecht een ander doel nastreven, vallen er mijns inziens nog andere argumenten aan te voeren om de mogelijkheid open te laten beide procedures naast elkaar te laten plaatsvinden. Het lijkt mij noodzakelijk dat, ondanks het nemen van interne maatregelen – bijvoorbeeld schorsing van een predikant – daarnaast ook de strafrechter een verbod tot het uitoefenen van het beroep van predikant moet kunnen opleggen wanneer het gaat om strafbare feiten volgens het Nederlandse strafrecht. Een kerkgenootschap zou namelijk ook naar eigen inzicht de bij wijze van tuchtmaatregel opgelegde schorsing weer kunnen opheffen. De taak van de overheid is onder meer om de (zwakkere) individuen in de maatschappij te beschermen tegen personen die ten opzichte van hen, strafrechtelijk gezien, over de schreef gaan. Naar aanleiding van de hiervoor behandelde strafzaak werd in de media wel gesuggereerd een scheiding aan te brengen tussen het pastorale werk en de ‘prediking’, zodat de predikant door de strafrechter partieel geschorst kon worden. Ik ben daar geen voorstander van. Doorgaans rekent men – althans tot nu toe – binnen de kerkgenootschappen zelf beide onderdelen tot de taak van de predikant. Het is dan niet consequent om nu, vanwege een vermeende schending van vrijheid van godsdienst, wél een scheiding aan te brengen.

Overigens hebben kerkgenootschappen ook hier hun eigen verantwoordelijkheid. Indien er serieuze aanwijzingen zijn dat een ambtsdrager zich bijvoorbeeld schuldig maakt aan seksueel misbruik, moeten de leden ook beschermd worden. Binnen deze kring moeten dan ook op zeer korte termijn of zelfs onmiddellijk maatregelen genomen kunnen worden.

 

8.7 Samenvattende conclusie

Tuchtrecht kent verschillende verschijningsvormen, waarbij onderscheid valt te maken naar de mate van vrijwilligheid. Voor de kerkelijke tucht geldt in dit verband een hoog ‘vrijwilligheidsgehalte’: uitgangspunt is dat een kerklid zich vrijwillig aan de in het statuut vastgelegde kerkelijke tuchtregeling onderwerpt. Wanneer men zich daar niet meer aan wenst te onderwerpen, staat – naar burgerlijk recht – uittreden vrij.

Binnen de kerkgenootschappen kunnen maatregelen genomen worden om personen die zich niet gedragen volgens de normen zoals die binnen deze gemeenschappen gelden, ‘buiten te sluiten’. Veel protestantse kerken kunnen, als uiterste maatregel, formeel kerkleden uitsluiten. Bij de Rooms-Katholieke Kerk is dat niet het geval, al kan men daar bijvoorbeeld wel worden uitgesloten van de bediening van sacramenten. Voor beide maatregelen geldt overigens dat zij niet spoedig worden genomen.

Aangenomen mag worden, dat de strekking van art. 6 EVRM niet zover gaat dat ook het kerkelijk tuchtrecht jegens kerkleden daar materieel onder zou vallen. Het gaat daarbij immers in beginsel noch om een strafvervolging in de zin van genoemd artikel, noch om het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen.

|160|

Dat laatste is echter wel aan de orde in het geval de predikant of pastoor bij wijze van tuchtmaatregel uit het ambt ontzet wordt.102

De argumentatie die geldt met betrekking tot de toepasselijkheid van art. 6 EVRM op andere alternatieve procedures, geldt evenwel ook voor het kerkelijk tuchtrecht: men wordt geacht afstand te hebben gedaan van de waarborgen die art. 6 EVRM biedt, zodat directe toepassing daarvan op het kerkelijk tuchtrecht niet aan de orde is.103

Toch zijn er in dit hoofdstuk bepaalde beginselen genoemd die zich – ook bij het verenigingstuchtrecht – dermate opdringen dat zij in het kader van een eerlijk tuchtproces van toepassing worden geacht:
— de beschuldigde dient tijdig te worden opgeroepen en behoort een redelijke termijn te krijgen om zijn verdediging voor te bereiden;
— de beschuldigde wordt voor onschuldig gehouden zolang zijn schuld niet is komen vast te staan;
— de beschuldigde hoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling;
— de beschuldigde dient de kans te krijgen zich uit te laten over de beschuldigingen, waartoe hij alle processtukken mag inzien en verklaringen mag overleggen;
— het ne bis in idem beginsel;
— in het kader van gelijke proceskansen moet de beschuldigde zich kunnen laten bijstaan door een raadsman;
— het motiveringsbeginsel.

Mijns inziens dienen de hier opgesomde beginselen ook in acht te worden genomen bij het kerkelijk tuchtrecht.

Het beginsel van openbare rechtspraak is op het tuchtrecht niet zonder meer van toepassing. Het is wellicht mogelijk om aan dit bezwaar gedeeltelijk tegemoet te komen door openbaarheid van rechtspraak voor de eigen groep te hanteren, zodat er toch enige controle plaats kan vinden.

Wanneer het gaat om kerkelijk tuchtrecht, meen ik dat in de regel de privacy van betrokkenen zwaarder dient te wegen.

Het tuchtrecht, inclusief het kerkelijk tuchtrecht, kent in beginsel geen strikt onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak. Daar tegenover staat dat de ‘rechter,’ doordat deze veelal tot de eigen groep behoort, geacht mag worden een grote mate van deskundigheid te hebben. Aan het bezwaar van eventuele partijdigheid die dat mee kan brengen, kan men enigszins tegemoet komen door de mogelijkheid van hoger beroep te bieden.

Alleen al vanwege de ingrijpendheid van tuchtmaatregelen dient naar mijn mening zeer zorgvuldig te worden omgegaan met de belangen van betrokkenen. Mijns inziens dient ook om die reden bij het kerkelijk tuchtrecht de mogelijkheid te bestaan om in hoger beroep te gaan, waarbij overigens ook weer het belang van een deugdelijke motivering van de uitspraak een rol speelt.

102. Zie hierover reeds hoofdstuk 7, § 7.2.
103. Zie hoofdstuk 7, m.n. § 7.3 en § 7.5.

|161|

Tot slot werd ingegaan op een mogelijke samenloop van een strafrechtelijke en een tuchtrechtprocedure. Betoogd werd, dat ook ten aanzien van tuchtrechtelijke geschillen op kerkelijk terrein dit tot de mogelijkheden dient te behoren. Wel heeft hier – evenals bij andere vormen van tuchtrecht – te gelden, dat het strafrecht niet voor het tuchtrecht wijkt.