Bouwman, H. (1934) § 106

§ 106. Het doel der kerkelijke tucht.

Bij de bepaling van het doel der kerkelijke tucht zijn de Gereformeerden gegaan in het voetspoor van Calvijn. Calvijn leerde 1): De kerkelijke tucht heeft drie doeleinden. Deze zijn:

De eere Gods. Het is tot oneer van God als onder de christenen geteld worden, die een schandelijk goddeloos leven leiden. De gemeente is het lichaam van Christus. Ook wordt zonder tucht het avondmaal des Heeren ontheiligd. Chrysostomus zegt, dat hij liever zijn eigen lichaam tot den dood zou overgeven dan het lichaam des Heeren den honden voorwerpen.

Het heil der gemeente en hare bewaring voor besmetting. De goeden worden licht door den gedurigen omgang met de boozen verdorven. Kwade voorbeelden hebben een verderfeljjken invloed. „Een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele deeg” zegt de apostel Paulus, en hij zag hierin zoo groot gevaar, dat hij hun zelfs alle gemeenschap met de boozen verbood (1 Cor. 5: 6, 11).

3º De behoudenis van een zondaar. Het is nuttig, dat de zonde worde gekastijd, opdat de zondaren door het gevoelen van de roede wakker gemaakt worden, terwijl zij anderszins door toegeven meer in hardnekkigheid zouden toenemen. Dit geeft de apostel te kennen


1) Inst. IV. 12, 5.

|605|

2 Thess. 3: 14: „Indien iemand ons woord niet gehoorzaam is, teekent dien, en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde”, en 1 Cor. 5: 5, dat hij den hoereerder in Corinthe den satan overgegeven heeft „tot verderf des vleesches, opdat de geest behouden moge worden in den dag des Heeren Jezus”.

Johannes à Lasco handelt in zijn Forma ac Ratio 1), waarin hij het kerkelijke leven in de Londensche vluchtelingengemeente beschrijft (1555), over de tucht, en noemt als doel der tucht: de kerk in het algemeen, en een ieder in het bijzonder behouden in zijne roeping. Hierin ligt opgesloten, dat de kerkelijke tucht dient 1º om de kerk zuiver te houden en 2º om de afwijkenden weder terecht te brengen. A Lasco noemt het eerste punt van Calvijn niet, omdat hij geen theoretische uiteenzetting gaf van de leer der tucht, maar eene praktische beschrijving.

Het standpunt van Calvijn is ook door de Gereformeerde confessies aangenomen, vooral duidelijk in de Westminster confessie 2), in Art. 30 en 32 van onze Nederlandsche geloofsbelijdenis, in den Heidelbergschen catechismus 3). Hetzelfde beginsel wordt ook gehuldigd in onze kerkenordening (Art. 71) en in het Formulier des Bans. Eveneens hebben de Gereformeerde theologen zich bij de definitie van Calvijn aangesloten: Synopsis 4), Voetius 5), M. Vitringa 6). Onder de Gereformeerden is er dus geen verschil over het doel van de kerkelijke tucht.

Het doel van de tucht kan in zijn vollen omvang worden verstaan, wanneer wij de tucht in de kerk beschouwen in betrekking tot God, tot de gemeente en tot den zondaar.

De diepste drijfveer van de tucht moet, evenals van heel ons streven, zijn de eere Gods. De gemeente is het eigendomsvolk Gods, verlost door Christus, verkregen, gereinigd en geheiligd door den H. Geest. God de Heere heeft Zijn naam, Zijn eer verbonden aan Zijn zaak. Hij heeft Zijne gemeente verkoren, opdat zij Zijn lof zou vertellen, Zijn naam zou belijden, en heilig en onberispelijk zou wandelen temidden van de wereld. Daarom wordt, wanneer temidden van de gemeente de zonde wordt toegelaten en de zondaar niet wordt gestraft, Gods Woord krachteloos gemaakt, de heiligheden des Heeren, de weldaden des verbonds ontheiligd, de eere van God aangetast, God tot een leugenaar gemaakt, en aanleiding gegeven, dat de naam des Heeren door de vijanden der


1) II. 270 v.
2) Chap. XXX.
3) Zond. XXXI.
4) Disp. XLVIII. 53-59.
5) Pol. Eccl. IV. 872.
6) Doctrina IX. I, p. 468-473.

|606|

gemeente openlijk wordt gelasterd. Daarom mag de kerk met het oog op de eere Gods de zonde in de gemeente niet ongestraft laten, en moet zij hen, die hardnekkig volharden in het kwaad, door de sleutelen des hemelrijks uit de gemeente uitsluiten.

Maar in de tweede plaats is hieraan ten nauwste verbonden het heil der gemeente. Wanneer de zonde niet wordt tegengegaan, dan woekert zij door, en grijpt bedervend om zich heen. Een enkel zondaar verderft veel goeds. De valsche leeringen vinden voedsel in den bedorven bodem van ons hart, het verkeerde zaad schiet wortel, en groeit, wanneer het niet tijdig wordt tegengegaan, welig op. Wordt het kwaad in de gemeente geduld, dan wordt de indruk er door gevestigd, dat het eigenlijk geen kwaad is, en het verkeerde voorbeeld vindt spoedig navolgers. En juist daarom moeten de ambtsdragers de gemeente waarschuwen voor de verleiders, het verkeerde van hun leer en wandel aantoonen, opdat de geloovigen geen gemeenschap hebben met de werken der duisternis, en zij zelf niet bedorven worden (1 Cor. 5: 6, 7). Hiertoe moet dienstbaar gemaakt worden de bediening des Woords, de prediking, de catechisatie en de bijzondere vermaning, opdat de gemeente den weg des Heeren kenne en het valsche van het ware kan onderscheiden. Voorts moet daartoe dienen de openbare bestraffing der zonde, de afhouding van het avondmaal en de uitsluiting van den hardnekkigen zondaar. De kerk moet duidelijk toonen, dat woord en daad moet zijn naar ’s Heeren Woord, dat prediking en wandel met elkander overeenstemmen. Dan wordt de gemeente bewaard bij de eenheid en de zuiverheid, dan worden de zwakken gesterkt en afgeschrikt van het kwaad, dan groeit de geheele gemeente op tot een heiligen tempel in den Heere. Doch daardoor wordt tevens de eere van de kerk naar buiten bewaard, en den vijanden de mond gestopt.

Doch men vergete ook niet, dat het verwaarloozen van de tucht de gemeente brengt onder het oordeel Gods. Wanneer de kerk de openbare goddeloozen toelaat tot het avondmaal, dan wordt het verbond Gods ontheiligd en Zijn toorn over de gansche gemeente aangestoken. Die toorn Gods werkt door en verderft de kerk, zoo deze zich niet afkeert van den valschen weg. Allerlei verkeerde leeringen komen op en verdeelen de kerk. Het geloofsleven wordt krank. Geestelijke magerheid of onschriftuurlijke, ziekelijke vroomheid zijn de droeve gevolgen. Wordt de tucht verwaarloosd, dan verliest de kerk haar glans en invloed naar buiten, zij geraakt zelve in verval en toont, dat de Geest van Christus die reinigend en heiligend werkt, uit haar midden week. Daarom sta de kerk teer voor het handhaven van de heiligheden des Heeren.

Doch in de derde plaats is de tucht medisch van aard. Zij heeft tot voorwerp den zondaar, en tot doel dien zondaar af te brengen van de

|607|

dwaling zijns wegs, hem te bekeeren en te genezen (2 Thess. 3: 14; 1 Cor. 5: 5; 2 Cor. 2: 7; 7: 12). Daarom moet zeer zeker het recht bij de tuchtoefening betracht worden, maar het recht, dat zijn hoogtepunt en verzoening vindt in de liefde. De wereldlijke rechter is bij het toepassen van de straf geroepen tot de handhaving van de wrekende gerechtigheid, maar in de kerk heersche niet de wrekende gerechtigheid, maar de liefde van Christus, waardoor er weder voor een zondaar vergeving is en toegang tot den genadetroon Gods. Om die reden moet de kerkelijke tucht-oefening het karakter dragen van kastijding, van liefdevolle terechtbrenging. Evenals een rechtgeaard en liefhebbend vader door liefde gedrongen wordt bij de kastijding van zijn kind, en de bede in zijn ziel leeft, dat God geve, dat de tuchtiging leide tot genezing, zoo moet het ook zijn bij de kerkelijke tucht. Zij moet daarom ook op zulk een wijze en in dien geest worden aangewend, dat zij kan leiden tot genezing. Liefde breekt het harde hart, liefdeswarmte doet de kille ijskorst smelten.

In dien geest sprekend noemt ook het Formulier des Bans de afsnijding „de uiterste remedie, ten einde hij hierdoor tot schaamte over zijne zonde gebracht worde”, en wordt de gemeente vermaand voor den afgesnedene te bidden, en te trachten, hem weer terecht te brengen.

Het element der liefde mag bovenal bij de tuchtoefening niet vergeten worden. Niet mag op den voorgrond staan de gedachte dat de zondaar is een vijand van Christus. Integendeel, men beschouwe den zondaar zoo lang mogelijk als het eigendom van Christus, maar die verstrikt is in de warnetten der zonde, en arbeide met al den drang der liefde om hem van de dwaling zijns wegs te bekeeren. Dan is er hope, dat de zondaar tot inzicht komt van zijn kwaad, tot boete en bekeering. Dan wordt de tucht een middel tot genezing, tot terechtbrenging.

Wanneer het beginsel der liefde niet dringt, dan wordt de handeling koud, zonder ziel, dan kan zij wel vreeze, maar geen liefde wekken, dan loopt men gevaar het tegendeel te bereiken van wat de christelijke tucht beoogt, verzet en verharding in plaats van verootmoediging en bekeering. Dan kan het wel schijnen, dat de eere Gods en het heil der gemeente drijft, maar feitelijk worden deze drijfveeren gemist.

Zoo komt het voor, dat de tucht gebruikt wordt om eigen zin door te zetten, om eigen hoogheid te bevorderen en om de tegenstanders te treffen. Dit is eene schandelijke zaak.

Ook komt het voor, dat de tucht gebruikt wordt om lastige menschen kwijt te worden. Dit is een verkeerd gebruiken van de macht, aan de ambtsdragers gegeven. Leden der gemeente, die het den predikant of den ouderlingen lastig maken, die aanmerkingen durven maken op het woord van den predikant of op de handelingen van den kerkeraad, zijn

|608|

daarom nog geen verwerpelijke leden. Lastige menschen zijn wel eens zeer nuttig, en kunnen dienen als een geschikt middel om het hooge hart van de regeerders der kerk klein te houden, en hen afhankelijk te doen zijn van hun God. Wel kunnen lastige karakters onaangenaam zijn, soms ook wel veel bederven, maar een lid der gemeente mag niet, omdat hij lastig is, worden gecensureerd. Iets anders is het natuurlijk, wanneer uit hun oppositie scheurmakerij en afval wordt geboren.

De ambtsdragers moeten bij de tuchtoefening dus wel het drieërlei doel der kerkelijke tucht voor oogen houden, en doordrongen zijn van de liefde van Christus, die, bij zijne discipelen aandringend om met teederheid voor het welzijn der kleinen en zwakken te zorgen, spreekt: „Want de Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken dat verloren was” (Matth. 18: 11). De geest der ontferming jegens den gevallene of af gedoolde moet openbaar worden. Wijsheid, voorzichtigheid, menschenkennis zijn zoo noodig om taktisch goed op te treden; maar bovenal is noodig het hart, dat het hart zoekt; de taal des harten, dat het wederantwoord vindt, dat vertrouwen wekt en tot verootmoediging stemt. De apostel Paulus geeft in Galaten 6: 1-3 den gouden regel, welken ieder, die in ’s Heeren dienst werkzaam is, moet beoefenen, en waaraan hij zich zelven steeds moet beproeven: „Broeders! indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij, die geestelijk zijt, brengt den zoodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op u zelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. Draagt elkanders lasten, en vervult alzoo de wet van Christus. Want zoo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed”.

De kerkelijke ambtsdrager, de dienaar des Woords of de ouderling, heeft bij de oefening der tucht wel te bedenken, dat hij niet beter is dan de zondaar, die vermaand of bestraft moet worden, maar dat het genade is, die de beginselen der zonde, die werken in zijn hart, verhinderen uit te slaan tot een vlam. Voorts heeft hij niet te vergeten, dat hij niet op eigen gezag handelt, maar in naam van Christus, om diens werk te doen. Het voorwerp der tucht moet onder den indruk gebracht worden, dat Christus zelf door zijne dienaren de schapen zijner kudde in het rechte spoor wil houden of zoekt terug te brengen.

Dit is het drieërlei doeleinde van de kerkelijke tucht. Men mag hiernaast niet als doel stellen: het handhaven van een stel menschelijke bepalingen. Neen, tenzij de kerkelijke bepalingen rechtstreeks in Gods Woord gegrond zijn, en de overtreding daarvan raakt de eere Gods en het heil der gemeente, mag de censuur niet geschieden om allerlei menschelijke bepalingen. Daartoe wachte de kerk zich voor het maken van vele bindende bepalingen. Zij zou daardoor gevaar loopen de

|609|

gewetens te binden, en door menschelijke inzettingen Gods geboden krachteloos te maken.

De tucht mag ook geen middelmatige dingen opdringen. Het kan zijn, dat het zich niet storen aan de menschelijke bepalingen de orde in de kerk wegneemt. Dan moet de tucht toegepast, maar niet omdat menschelijke inzettingen geschonden zijn, maar omdat het recht en de eere Gods moet worden gehandhaafd in Zijne kerk.

Ten slotte is het noodig, op te merken, dat de tuchtoefening niet beperkt wordt tot enkele zonden, tot bepaalde overtredingen, maar dat zij moet gaan over alle afwijking van des Heeren wet. De kerk stelle dan ook geen catalogus op van censurabele zonden, want elke zonde is censurabel, is schandelijk in het oog van een heilig God. Daarom bedoelt ook het woord der prediking, en de broederlijke vermaning, dat de zondaar niet blijve staan bij de uiterlijke daad, maar dat hij zie op de bron, den wortel der zonde, en dat het bij hem tot beoefening kome om heilig en oprecht voor God en den naaste te leven. Wel echter moet de kerk letten op den aard en de ontwikkeling der zonde. De tuchtoefening der kerk vangt danook eerst daar aan, waar de zonde tot uiting is gekomen, in leer en wandel, en ergernis heeft gegeven.