Rutgers, F.L. (1921)

Kerkelijke Adviezen I
Kampen
J.H. Kok
1921

Rutgers, F.L. (1921) Wv

|4|

Natuurlijk moogt gij desverkiezende dit antwoord laten lezen aan wien gij maar wilt. Wat ik hier en daar adviseer, mag, wat mij betreft, aan ieder worden medegedeeld.

I 170.

Wanneer over eenige zaak een gevoelen wordt uitgesproken, is het zeker niet onverschillig van wien dit afkomstig is. Maar ten slotte zijn het toch de gronden en motieven, die beslissen moeten.

I 312.

|5|

 

 

Nu de kerkelijke adviezen van mijn vader ter perse gaan, is het wellicht goed met een enkel woord aan te geven hoe het tot deze uitgaaf kwam en volgens welken regel de adviezen geordend zijn.

Het is van algemeene bekendheid hoezeer mijn vader gedurende zijn geheele leven vrijwel dagelijks om raad en advies gevraagd werd. Alleen reeds het aantal door hem gegeven schriftelijke adviezen liep jaarlijks in de honderden. In de latere jaren kreeg ik deze adviezen nog al eens vooraf te lezen, omdat dit voor mijn vorming voor de praktijk van het kerkelijk leven zeer profijtelijk was. Toen kwam ook al spoedig het verlangen om een aantal dezer adviezen door den druk openbaar te maken, opdat een grootere kring dan de oorspronkelijk geadresseerden er winst mee zou kunnen doen en ook omdat dezelfde vragen vaak terugkwamen en dus het publiceeren van eenige adviezen veel gelijkluidende vragen kon voorkomen. Nu was het mij bekend, dat mijn vader altijd bezwaar gehad had tegen het drukken van zijn dictaten over kerkrecht, omdat hij niet wenschte, dat deze door studenten gemaakte dictaten met al de gebreken aan dictaten eigen hem eenigszins verantwoordelijk zouden stellen voor uitingen, die hij zelf niet gezien en gecorrigeerd had. Bij zijn kerkelijke adviezen gold dit bezwaar echter niet en daarom kon hier met vrijmoedigheid zijn toestemming voor de uitgave gevraagd worden. Deze werd terstond verkregen en in de laatste paar jaren van zijn leven zorgde hij er voor, dat van de belangrijkste adviezen voor dit doel copie gehouden werd.

Na het verkrijgen der toestemming tot de uitgaaf begon echter pas de moeilijkheid, want nu moesten de adviezen zelf verzameld worden. Ten gevolge van zijn drukken werkkring had mijn, vader nooit van gegeven adviezen copie kunnen houden. Wel had hij telkens de brieven, waarin om advies gevraagd werd, in chronologische volgorde bewaard. Deze werden nu eerst allen doorgelezen,

|6|

waarbij ter zijde gelegd werden alle adviezen, die voor publicatie minder geschikt waren, omdat zij van te persoonlijker aard waren, of op te speciale zaken betrekking hadden, of om andere dergelijke redenen. Vervolgens werd aan allen, die een advies ontvangen hadden over een zaak die voor publicatie geschikt scheen, een circulaire gezonden, waarin de datum werd aangegeven, waarop zij het advies ontvangen hadden en waarin hun verzocht werd dat advies voor publicatie te willen afstaan. Tot mijn leedwezen moet ik zeggen, dat de resultaten mij niet veel eerbied hebben gegeven voor den toestand onzer kerkelijke archieven, want het grootste deel der adviezen bleek verdwenen te zijn, kon in ieder geval niet door ons ontdekt worden.

Gelukkig echter was de voorraad der in den loop der jaren gegeven adviezen zoo groot, dat het kleine deel ervan, dat ik in handen kon krijgen toch nog eenige honderden was en ruim voldoende om de uitgave te wettigen.

Ondertusschen had mijn werkkring als secretaris der Nederlandsche Christen-Studenten Vereeniging mij hoe langer hoe meer in beslag genomen, zoodat de hoeveelheid tijd die ik nog aan de uitgaaf dezer adviezen kon wijden uiterst gering werd. Hierdoor zou de geheele uitgaaf ernstig in gevaar gekomen zijn, wanneer toen niet twee mijner zusters te hulp gekomen waren,

Mijne jongste zuster, Mejuffrouw L. Rutgers, nam toen van mij over het doorlezen en ordenen der ingekomen adviezen en het formuleeren der bijbehoorende vragen, zoodat ik alleen maar later na te zien had of ik mij met de door haar voorgeslagen ordening en formuleering vereenigen kon, terwijl zij buitendien voor haar rekening nam het doorzien van alle jaargangen van, Heraut en Kerkbode, ten einde daarin gepubliceerde adviezen op te sporen en zij bij het afdrukken alle drukproeven eenmaal corrigeerde. Ook zij werd echter ook door haar werkkring in de N.C.S.V. op „Hardenbroek” en in de Federatie van Christelijke Vereenigingen van en voor vrouwen en meisjes steeds meer bezet, zoodat er weder stagnatie dreigde.

Toen heeft gedurende haar verloftijd mijn oudste zuster, Mevrouw J. C. van Andel-Rutgers, de sorteering der adviezen voltooid en tevens op zich genomen het uitermate tijdroovend werk van het

|7|

copieëren en persklaar maken van alle adviezen, die, overal verspreid, reeds vroeger gedrukt waren.

Zonder deze hulp was de uitgaaf dezer adviezen mij niet mogelijk geweest en daarom zij het mij vergund er mijne zusters hier openlijk dank voor te zeggen, een dank dien ik gaarne ook uitstrek tot den heer R.J. van der Weerd, theol. Cand. te Kampen, die de eerste proeven doorzag en het register aan het eind van net tweede deel vervaardigde.

Wat de wijze van uitgaaf betreft, zoo zijn wij daarbij naar de volgende regelen te werk gegaan.

Alle aanduidingen van personen en plaatsen zijn uit de adviezen geschrapt. Waar het personen gold zijn zij vervangen respectievelijk door de letters A, B en C, en waar het plaatsen gold door X, Y en Z. Daar het echter ook weer nier geheel onverschillig is uit welken tijd een advies dateert, is telkens boven elk advies het jaartal blijven staan.

Voor de rangschikking der adviezen hebben wij als het meest voor de hand liggend genomen de volgorde van de artikelen der Kerkenordening. Op deze wijze is er het meest systeem in de volgorde en, daar verwacht mag worden dat zij, die deze adviezen inzonderheid gebruiken zullen, goed thuis zijn in de Kerkenordening, kan ieder, ook zonder gebruik te maken van het register, gemakkelijk vinden wat hij zoekt.

De zaak, waar het in elk advies om gaat, hebben wij getracht telkens in een korte vraag samen te vatten, die er boven gedrukt is. Aan het einde van ieder deel worden deze vragen dan bij wijze van inhoudsopgaaf herhaald, waardoor ook het zoeken naar bepaalde quaesties vergemakkelijkt wordt. Aan het eind van het tweede deel is buitendien nog een register, dat bij het zoeken goede diensten kan bewijzen.

In de adviezen wordt nog al eens verwezen, hetzij naar Voetius, hetzij naar de acta der Generale Synoden, of naar andere geschriften. Wanneer het citaat, waarnaar verwezen werd, niet te breedvoerig was, dan is het telkens als noot aan de voet der bladzijde opgenomen. In enkele gevallen echter was dit niet wel doenlijk en zal men het betrokken werk zelf moeten raadplegen.

Ten slotte versta men wel de bedoeling van deze uitgaaf. Het

|8|

is geenszins de bedoeling om een soort officieele commentaar op de Kerkenordening te geven, zoodat voortaan kerkelijke zaken, die in geschil zijn, met een beroep op deze adviezen kunnen uitgemaakt worden zonder dat er eenige tegenspraak mogelijk is. Een dergelijk uitwendig gezag zou wel geheel vreemd zijn aan den geest, waarin mijn vader altijd zijn adviezen gaf. Hij wilde niet dwingen, maar overtuigen. En zoo kan op zijn eigen adviezen ook toegepast het woord dat hij blz. 312 met betrekking tot Voetius schrijft, nadat hij eerst heeft opgemerkt, dat het niet zijn bedoeling is de quaestie als het ware af te doen met een beroep op Voetius, want dat in Gereformeerde kerken wel aan geen mensch zulk een zeggenschap kan worden toegekend: „Maar dit neemt niet weg, dat het voor een recht verstand en eene juiste toepassing en een eventueele verbetering van zulke regelingen veelszins dienstig is ook te letten, zoowel op de kerkelijke practijk, vooral in den bloeitijd der kerken, als ook op de vertoogen van mannen, die door groote bekwaamheid, gepaard met zuiverheid van belijdenis en met vromen zin, uitnemende instrumenten waren waarvan God zich bediend heeft om de kerken voor te lichten en te leiden.”

„Met betrekking tot Voetius kan dat des te beter, daar hij nooit optreedt, alsof hij een zeker gezag had, en alsof enkel op zijn woord of advies het een of ander moest worden aangenomen.”

 

H.C. Rutgers.

 

Driebergen 4 November 1921
Hardenbroek
.

Rutgers, F.L. (1921) KO

|9|

Kerkenordening

van de

Gereformeerde Kerken in Nederland

(met de wijzigingen, die daarin zijn aangebracht door de Generale Synode te Utrecht in Augustus 1905.)

 

Artikel I.

Om goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden, zijn daarin noodig: de diensten; samenkomsten; opzicht der leer, Sacramenten en ceremoniën; en Christelijke straf; waarvan hierna ordelijk zal gehandeld worden.

 

Van de diensten.

Art. II.

De diensten zijn vierderlei: der Dienaren des Woords, der Doctoren, der Ouderlingen en der Diakenen.

Art. III.

Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn. En wanneer iemand daartegen doet en meermalen vermaand zijnde niet aflaat, zoo zal de Classe oordeelen, of men hem voor een scheurmaker verklaren of op eenige andere wijze straffen zal.

|10|

Art. IV.

De wettelijke beroeping dergenen, die tevoren in den dienst niet geweest zijn, zoowel in de steden als ten platten lande, bestaat:
Ten eerste, in de verkiezing, dewelke na voorgaande gebeden geschieden zal door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de kerkelijke ordinantie, dat alleen diegenen voor het eerst tot den dienst des Woords kunnen beroepen worden, die door de Classe, waarin zij wonen, praeparatoir geëxamineerd zijn; en voorts in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest;
Ten andere, in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de Classe, aan welke de beroeping ter approbatie is voor te stellen, en geschieden zal ten overstaan van de Gedeputeerden der Particuliere Synode of eenige derzelven;
Ten derde, in de approbatie en goedkeuring van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen in de Kerk afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt;
Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den Dienaar, die de bevestiging doet (en van de andere Dienaren, die mede tegenwoordig zijn), toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde.

Art. V.

Nopens die Dienaars, die nu alreede in den dienst des Woords zijnde tot eene andere gemeente beroepen worden, zal desgelijks zoodanige beroeping geschieden, zoowel in de steden als ten platten lande, door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de generale kerkelijke ordinantiën over de beroepbaarheid van hen, die buiten de Nederlandsche Gereformeerde Kerken gediend hebben, en over het meer dan eenmaal beroepen van denzelfden Dienaar in dezelfde vacature; in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest; en voorts in alle Kerken met approbatie van de Classe, aan welke de voorzeide beroepenen

|11|

vertoonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven, en met approbatie van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijnde, geen hindernis daartegen komt; waarna de beroepenen met voorgaande stipulatiën en gebeden zullen bevestigd worden, naar het Formulier daarvan zijnde.

Art. VI.

Ook zal geen Dienaar dienst mogen aannemen in eenige particuliere heerlijkheden, gasthuizen, of anderszins, tenzij dat hij voorheen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en hij zal ook niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn.

Art. VII.

Niemand zal tot den dienst des Woords beroepen worden, zonder dat men hem in eene bepaalde plaats stelle, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar kerken te vergaderen.

Art. VIII.

Men zal geen schoolmeesters, handwerkslieden of anderen, die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten, tenzij dat men verzekerd zij van hunne singuliere gaven, godzaligheid, ootmoedigheid, zedigheid, goed verstand en discretie, mitsgaders gaven van welsprekendheid. Zoo wanneer dan zoodanige personen zich tot den dienst presenteeren, zal de Classe hen (indien het de Particuliere Synode goedvindt) eerst examineeren, en naardat zij hen in het examen bevindt, hen een tijd lang laten in ’t privé proponeeren, en dan voorts met hen handelen, zooals zij oordeelen zal stichtelijk te wezen, volgens de generale regeling, daarvoor door de Kerken vastgesteld.

Art. IX.

Nieuwelingen, mispriesters, monniken, en die anderszins eenige sekte verlaten hebben, zullen niet toegelaten worden tot den kerkedienst, dan met groote zorgvuldigheid en voorzichtigheid, nadat zij ook eenen zekeren tijd eerst wel beproefd zijn.

Art. X.

Een Dienaar, eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente, aan welke hij verbonden is, niet verlaten, om elders eene beroeping op te

|12|

volgen, zonder bewilliging des Kerkeraads met de Diakenen, en met voorweten van de Classe, gelijk ook geene andere Kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijke getuigenis zijns afscheids van de Kerk en Classe, waar hij gediend heeft, vertoond hebbe.

Art. XI.

Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen. en hen niet uit hun dienst te ontslaan zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der Particuliere Synode.

Art. XII.

Dewijl een Dienaar des Woords, eens wettelijk als boven beroepen zijnde, zijn leven lang aan den kerkedienst verbonden is, zoo zal hem niet geoorloofd zijn, zich tot eenen anderen staat des levens te begeven, tenzij om groote en gewichtige oorzaken, waarvan de Classe kennis nemen en oordeelen zal.

Art. XIII.

Zoo het geschiedt dat eenige Dienaars door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden tot uitoefening huns dienstes, zoo zullen zij nochtans desniettemin de eere en den raam eens Dienaars behouden, en van de Kerk, die zij gediend hebben, eerlijk in hunne nooddruft (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in ’t gemeen) verzorgd worden.

Art. XIV.

Zoo eenige Dienaars om de voorschreven of eenige andere oorzaken hunnen dienst voor eenen tijd onderlaten moesten, ‘t welk zonder advies des Kerkeraads niet geschieden zal, zoo zullen zij nochtans ten allen tijde de beroeping der Gemeente onderworpen zijn en blijven.

Art. XV.

Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner Kerk onderlatende, of in geenen vasten dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken buiten consent en autoriteit der Synode of Classe. Gelijk ook niemand in eene andere Kerk eenige predikatie zal mogen doen of Sacramenten bedienen, zonder bewilliging des Kerkeraads van die Kerk.

|13|

Art. XVI.

Der Dienaren ambt is, in de gebeden en bediening des Woords aan te houden, de Sacramenten uit te reiken, op hunne Medebroeders, Ouderlingen en Diakenen, mitsgaders de gemeente, goede acht te nemen, en ten laatste met de Ouderlingen de kerkelijke discipline te oefenen, en te bezorgen dat alles eerlijk en met orde geschiede.

Art. XVII.

Onder de Dienaren des Woords zal gelijkheid gehouden worden, aangaande de lasten huns dienstes, mitsgaders ook in andere dingen, zooveel mogelijk is, volgens het oordeel des Kerkeraads, en (dies van noode zijnde) der Classe; hetwelk ook in Ouderlingen en Diakenen te onderhouden is.

Art. XVIII.

Het ambt der Doctoren of Professoren in de Theologie is, de Heilige Schrifture uit te leggen, en de zuivere leer tegen de ketterijen en dolingen voor te staan.

Art. XIX.

De gemeenten zullen, voor zooveel noodig, arbeiden, dat er studenten in de Theologie zijn, die door haar onderhouden worden.

Art. XX.

In de Kerken, waar personen zijn, die volgens Art. 8 bekwaam zijn geoordeeld om tot den dienst des Woords te worden voorbereid, zal men tot hunne oefening het gebruik der propositiën kunnen instellen.

Art. XXI.

De Kerkeraden zullen alomme toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in den Catechismus onderwijzen.

Art. XXII.

De Ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der Diakenen verkozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik

|14|

of door den Kerkeraad vastgesteld is; bij welke regeling het naar de gelegenheid van iedere Kerk vrij zal zijn, van tevoren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen, en voorts vrij zal zijn, voor de verkiezing zelve zooveel ouderlingen, als er van noode zijn, aan de gemeente voor te stellen, om, van diezelve (ten ware dat er eenig beletsel voorviel) geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden en stipulatiën bevestigd te worden, of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Art. XXIII.

Der Ouderlingen ambt is, behalve hetgene dat boven, in Art. 16, gezegd is hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere Medehelpers en Diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen.

Art. XXIV.

Dezelfde wijze, die van de Ouderlingen gezegd is, zal men ook onderhouden in de verkiezing, approbatie en bevestiging der Diakenen.

Art. XXV.

Der Diakenen eigen ambt is, de aalmoezen en andere armengoederen naarstiglijk te verzamelen, en die getrouwelijk en vlijtiglijk, naar den eisch der behoeftigen, beide der ingezetenen en vreemden, met gemeen advies uit te deelen, de benauwden te bezoeken en te vertroosten, en wel toe te zien, dat de aalmoezen niet misbruikt worden; waarvan zij rekening zullen doen in den Kerkeraad, en ook (zoo iemand daar bij wil zijn) voor de gemeente, op zulken tijd als de Kerkeraad het goedvinden zal.

Art. XXVI.

De Diakenen zullen, ter plaatse waar huiszittenmeesters of andere aalmoezeniers zijn, van dezen begeeren goede correspondentie met hen te willen houden, ten einde de aalmoezen te beter uitgedeeld mogen worden onder degenen die meest gebrek hebben.

|15|

Art. XXVII.

De Ouderlingen en Diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen, en alle jaar zal een evenredig deel aftreden. De aftredenden zullen door anderen vervangen worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige Kerk, bij de uitvoering van Artt. 22 en 24, eene herkiezing raadzaam maakten.

Art. XXVIII.

Gelijk het ambt der Christelijke Overheden is, den heiligen kerkedienst in alle manieren te bevorderen, denzelven met haar exempel den onderdanen te recommandeeren, en aan de Predikanten, Ouderlingen en Diakenen in allen voorvallenden nood de hand te bieden, en bij hare goede ordening te beschermen, alzoo zijn alle Predikanten, Ouderlingen en Diakenen schuldig, de gansche gemeente vlijtiglijk en oprechtelijk in te scherpen de gehoorzaamheid, liefde en eerbiedinge, die zij den Magistraten schuldig zijn; en zullen alle kerkelijke personen met hun goed exempel in dezen de gemeente voorgaan, en door behoorlijk respect en correspondentie de gunst der Overheden tot de Kerken zoeken te verwekken en te behouden; teneinde, een ieder het zijne, in des Heeren vreeze, ter wederzijde doende, alle achterdenken en wantrouwen moge worden voorkomen, en goede eendracht tot der Kerken welstand onderhouden.

 

Van de kerkelijke samenkomsten.

Art. XXIX.

Vierderlei kerkelijke samenkomsten zullen onderhouden worden: de Kerkeraad, de Classicale vergaderingen, de Particuliere Synode, en de Generale of Nationale.

Art. XXX.

In deze samenkomsten zullen geene andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze, verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’t gene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de Kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort.

|16|

Art. XXXI.

Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op een meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen; en ’t gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoo lang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn.

Art. XXXII.

De handelingen aller samenkomsten zullen met aanroeping van den Naam Gods aanvangen, en met eene dankzegging besloten worden.

Art. XXXIII.

Die tot de samenkomsten afgezonden worden, zullen hunne credentiebrieven en instructiën, onderteekend zijnde van degenen die ze zenden. medebrengen, en deze zullen keurstemmen hebben, ten ware in zaken, die hunne personen of Kerken in het bijzonder aangaan.

Art. XXXIV.

In alle samenkomsten zal bij den praeses een scriba gevoegd worden, om naarstiglijk op te schrijven ’t gene waardig is opgeteekend te zijn.

Art. XXXV.

Het ambt van den praeses is, voor te stellen en te verklaren ’t gene te verhandelen is; toe te zien dat een iegelijk zijne orde houde in ’t spreken; den knibbelachtigen en die te heftig zijn in ’t spreken, te bevelen dat zij zwijgen; en over dezelve, geen gehoor gevende, de behoorlijke censuur te laten gaan. Voorts zal zijn ambt uitgaan, wanneer de samenkomst scheidt.

Art. XXXVI.

’t Zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, ’t welk de Particuliere Synode heeft over de Classe, en de Generale Synode over de Particuliere.

|17|

Art. XXXVII.

In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen, dewelke, althans in de grootere gemeenten, in den regel alle weken eens tezamenkomen zullen, alwaar de Dienaar des Woords (of de Dienaren, zoo daar meerdere zijn, bij beurte) presideeren en de actie regeeren zal.

Art. XXXVIII.

Welverstaande, dat in de plaatsen, waar de Kerkeraad voor het eerst of opnieuw is op te richten, ’t zelve niet geschiede, dan met advies van de Classe. En waar het getal van de Ouderlingen klein is, zullen de Diakenen door plaatselijke regeling mede tot den Kerkeraad kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

Art. XXXIX.

Plaatsen, waar nog geen Kerkeraad zijn kan, zullen door de Classe onder de zorg van een genabuurden Kerkeraad gesteld worden.

Art. XL.

Desgelijks zullen de Diakenen samenkomen, waar zulks noodig is alle weken, om met aanroeping van den Naam Gods, van de zaken, hun ambt betreffende, te handelen, waartoe de Dienaren goede opzicht zullen nemen, en zoo noodig zich daarbij laten vinden.

Art. XLI.

De Classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde Kerken, dewelke elk een Dienaar en een Ouderling, ter plaatse en tijd bij hen in het scheiden van elke vergadering goedgevonden (zoo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle), daarhenen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen; in welke samenkomsten de Dienaars bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkoren wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelve tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden. Voorts zal de praeses onder anderen een iegelijk afvragen, of zij in hunne Kerken hunne kerkeraadsvergadering houden; of de kerkelijke discipline geoefend wordt; of de armen en

|18|

scholen bezorgd worden; ten laatste, of er iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der Classe tot rechte instelling hunner Kerk behoeven. En eindelijk zullen in de laatste vergadering vóór de Particuliere Synode verkoren worden, die op deze Synode gaan zullen.

Art. XLII.

Waar in eene Kerk meer Predikanten zijn dan één, zullen ook zij, die niet volgens het voorgaande artikel afgevaardigd zijn, in de Classe mogen verschijnen en adviseerende stem hebben.

Art. XLIII.

In het einde van de Classicale en andere meerdere samenkomsten zal men censuur houden over diegenen, die iets strafwaardigs in de vergadering gedaan, of de vermaning der mindere samenkomsten versmaad hebben.

Art. XLIV.

De Classe zal ook eenige harer Dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste, autoriseeren, om in alle Kerken, van de steden zoowel als van het platte land, alle jaar een visitatie te doen, en toe te zien, of de Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomene orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen; teneinde zij diegenen, die nalatig in het een of het ander bevonden worden, in tijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en het meeste profijt der Kerken en scholen helpen dirigeeren. En iedere Classe zal deze visitatoren mogen continueeren In hunne bediening, zoo lang het haar zal goeddunken, ten ware dat de visitatoren zelven, om redenen, van dewelke de Classe oordeelen zal, verzochten ontslagen te worden.

Art. XLV.

De Kerk, in dewelke de Classe, en desgelijks de Particuliere of Generale Synode, samenkomt, zal zorg dragen, dat zij de Acten der voorgaande vergadering op de naastkomende bestelle.

|19|

Art. XLVI.

De instructiën der dingen, die in meerdere vergaderingen te behandelen zijn, zullen niet eerder geschreven worden, voordat over de daarin voorgestelde punten de besluiten der voorgaande Synoden gelezen zijn, opdat ’t gene eens afgehandeld is, niet wederom voorgesteld worde, ten ware dat men het achtte veranderd te moeten zijn.

Art. XLVII.

Alle jaren (ten ware dat de nood eenen korteren tijd vereischte) zullen eenige, zooveel mogelijk tot dezelfde provincie behoorende, genabuurde Classen samenkomen, tot welke Particuliere Synode uit iedere Classe twee Dienaars en twee Ouderlingen (welk getal door eene Synode, die uit slechts drie of vier Classen bestaat, ook op drie kan gesteld worden) afgevaardigd zullen worden. In het scheiden, zooveel der Particuliere als der Generale Synode, zal eene Kerk verordend worden, die last hebben zal, om met advies der Classe den tijd en de plaats der naaste Synode te stellen.

Art. XLVIII.

Het zal aan elke Synode vrijstaan, correspondentie te verzoeken en te houden met hare genabuurde Synode of Synoden, in zulke forme, als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemeene stichting.

Art. XLIX.

Iedere Synode zal ook eenigen deputeeren, om alles wat de Synode geordonneerd heeft, te verrichten en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand te bieden, waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn, en om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen, en zoo het geëischt wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst, voor en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat.

Art. L.

De Nationale Synode zal ordinaarlijk alle drie jaren eens gehouden worden, ten ware dat er eenige dringende nood ware, om den tijd korter

|20|

te nemen. Tot deze zullen twee Dienaren en twee Ouderlingen uit elke Particuliere Synode afgezonden worden. Voorts zal de Kerk, die last heeft om den tijd en de plaats der Generale Synode aan te wijzen, zoo dezelve naar het oordeel van ten minste twee Particuliere Synoden binnen de drie jaren te beroepen ware, met advies of onder goedkeuring van hare Particuliere Synode van den tijd en de plaats besluiten.

Art. LI.

Voor de Gereformeerde Kerken van Europeanen in Nederlandsch-Indië wordt de wijze, waarop zij met de Kerken hier te lande in verband staan, door de Generale Synode geregeld.

Art. LII.

Desgelijks wordt de arbeid der kerkelijke Zending in Nederlandsch-Indië, voor zoover deze algemeene bepalingen noodig heeft, door de Generale Synode in eene Zendingsorde geregeld.

 

Van de leer, Sacramenten en andere ceremoniën.

Art. LIII.

De Dienaren des Woords Gods, en desgelijks de Professoren in de Theologie (’t welk ook den anderen Professoren en insgelijks den Rectoren en Schoolmeesters wel betaamt) zullen de drie Formulieren van eenigheid der Nederlandsche Kerken onderteekenen, en de Dienaren des Woords, die zulks refuseeren, zullen de facto in hunnen dienst door den Kerkeraad of de Classe geschorst worden, tot ter tijd toe dat zij zich daarin geheellijk verklaard zullen hebben, en indien zij obstinatelijk in weigering blijven, zullen zij van hunnen dienst geheellijk afgesteld worden.

Art. LIV.

Insgelijks zullen ook de Ouderlingen en Diakenen, en degenen die door eene Classe als proponent worden toegelaten, de genoemde Formulieren van eenigheid onderteekenen.

Art. LV.

Tot wering van de valsche leeringen en dwalingen, die door kettersche geschriften zeer toenemen, zullen de Dienaars en de Ouderlingen de

|21|

middelen gebruiken van leering, van wederlegging, van waarschuwing en van vermaning, zoowel bij den dienst des Woords als bij de Christelijke onderwijzing en bij het huisbezoek.

Art. LVI.

Het verbond Gods zal aan de kinderen der Christenen met den Doop, zoo haast als men de bediening deszelven hebben kan, verzegeld worden, en dat in openbare verzameling, wanneer Gods Woord gepredikt wordt.

Art. LVII.

De Dienaars zullen hun best doen en daartoe arbeiden, dat de vader zijn kind ten Doop presenteere. En in de gemeenten, waar men nevens den vader ook gevaders of getuigen bij den Doop neemt (welk gebruik, in zichzelf vrij zijnde, niet lichtelijk te veranderen is), betaamt het, dat men neme die de zuivere leer toegedaan en vroom van wandel zijn.

Art. LVIII.

De Dienaars zullen in het doopen, zoo der jonge kinderen als der bejaarde personen, de Formulieren van de instelling en het gebruik des Doops, welke tot dien einde onderscheidenlijk beschreven zijn, gebruiken.

Art. LIX.

De bejaarden worden door den Doop de Christelijke gemeente ingelijfd, en voor lidmaten der gemeente aangenomen, en zijn daarom schuldig het Avondmaal des Heeren ook te gebruiken, ’t welk zij bij hunner Doop zullen beloven te doen.

Art. LX.

De namen der gedoopten, mitsgaders der ouders en getuigen, en desgelijks de tijd des Doops, zullen opgeteekend worden.

Art. LXI.

Men zal niemand ten Avondmaal des Heeren toelaten, dan die naar de gewoonheid der Kerk, tot dewelke hij zich voegt, belijdenis der Gereformeerde religie gedaan heeft, mitsgaders hebbende getuigenis eens vromen wandels, zonder welke ook degenen, die uit andere Kerken komen, niet zullen toegelaten worden.

|22|

Art. LXII.

Een iedere Kerk zal zulke manier van bediening des Avondmaals houden, als zij oordeelt tot de meeste stichting te dienen. Welverstaande nochtans, dat de uitwendige ceremoniën, in Gods Woord voorgeschreven, niet veranderd en alle superstitie vermeden worde, en dat na de voleinding der predikatie en der gemeene gebeden het Formulier des Avondmaals, mitsgaders het gebed daartoe dienende, zal worden gelezen.

Art. LXIII.

Het Avondmaal des Heeren zal ten minste alle twee of drie maanden gehouden worden.

Art. LXIV.

De bediening des Avondmaals zal alleen geschieden, waar toezicht is van Ouderlingen, volgens kerkelijke orde, en in eene openlijke samenkomst der gemeente.

Art. LXV.

Lijkpredikatiën of lijkdiensten zullen niet worden ingesteld.

Art. LXVI.

In tijden van oorlog, pestilentie, algemeene volksrampen en andere groote zwarigheden, waarvan de druk overal in de Kerken gevoeld wordt, zal een bededag uitgeschreven worden door de Classe, die daartoe door de laatste Generale Synode is aangewezen.

Art. LXVII.

De gemeenten zullen onderhouden, benevens den Zondag, ook den Kerstdag, Paschen, Pinksteren en Hemelvaartsdag. De onderhouding der tweede feestdagen wordt in de vrijheid der Kerken gelaten.

Art. LXVIII.

De Dienaars zullen alomme des Zondags, ordinaarlijk in de namiddagsche predikatiën, de somma der Christelijke leer, in den Catechismus,

|23|

die tegenwoordig in de Nederlandsche Kerken aangenomen is, vervat, kortelijk uitleggen, alzoo dat dezelve, zooveel mogelijk, jaarlijks mag geëindigd worden, volgens de afdeeling des Catechismus zelven daarop gemaakt.

Art. LXIX.

In de Kerken zullen alleen de 150 Psalmen Davids, de Tiengeboden, het Onze Vader, de 12 Artikelen des geloofs, de Lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon, de Morgenzang en de Avondzang, en de Bedezang vóór de predikatie, gezongen worden.

Art. LXX.

Alzoo behoorlijk is, dat de huwelijke staat voor Christus’ gemeente bevestigd worde, volgens het Formulier daarvan zijnde, zullen de Kerkeraden daarop toezien.

 

Van de censuur en kerkelijke vermaning.

Art. LXXI.

Gelijkerwijs de Christelijke straf geestelijk is, en niemand van het burgerlijke gericht of straf der Overheid bevrijdt, alzoo worden ook, benevens de burgerlijke straf, de kerkelijke censuren noodzakelijk vereischt, om den zondaar met de Kerk en zijnen naaste te verzoenen, en de ergernis uit de gemeente van Christus weg te nemen.

Art. LXXII.

Wanneer dan iemand tegen de zuiverheid der leer of vromigheid des wandels zondigt: zooverre als het heimelijk is, en geene openbare ergernis gegeven heeft, zoo zal de regel onderhouden worden, welken Christus duidelijk voorschrijft in Matth. 18.

Art. LXXIII.

De heimelijke zonden. waarvan de zondaar door één, en in ’t bijzonder, of voor twee of drie getuigen vermaand zijnde, berouw heeft, zullen voor den Kerkeraad niet gebracht worden.

|24|

Art. LXXIV.

Zoo iemand van eene heimelijke zonde door twee of drie personen in liefde vermaand zijnde, geen gehoor geeft, of anderszins eene openbare zonde bedreven heeft, zal zulks den Kerkeraad aangegeven worden.

Art. LXXV.

Van al zulke zonden, die van haar nature wege openbaar, of door verachting der kerkelijke vermaningen in het openbaar gekomen zijn, zal de verzoening (wanneer men genoegzame teekenen van boetvaardigheid ziet) in zulken vorm en manier geschieden als tot stichting van iedere Kerk door den Kerkeraad bekwaam zal geoordeeld worden. Of zij in bepaalde gevallen openbaarlijk geschieden zal, wordt, wanneer daarover in den Kerkeraad verschil is, in Kerken, waar maar één Dienaar is, met advies van twee genabuurde Kerken beoordeeld.

Art. LXXVI.

Zoo wie hardnekkiglijk de vermaning des Kerkeraads verwerpt, en desgelijks wie eene openbare of anderzins eene grove zonde gedaan heeft, zal van het Avondmaal des Heeren afgehouden worden. En indien hij, afgehouden zijnde, na verscheidene vermaningen geen teeken der boetvaardigheid bewijst, zoo zal men ten laatste tot de uiterste remedie, namelijk de afsnijding, komen, volgens de forme naar den Woorde Gods daartoe gesteld. Doch zal niemand afgesneden worden, dan met voorgaand advies der Classe.

Art. LXXVIl.

Aleer men, na de afhouding van het Avondmaal en de daarop nog gevolgde onderscheidene vermaningen, tot de afsnijding komt, zal men de hardnekkigheid des zondaars der gemeente openlijk te kennen geven, de zonde verklarende, mitsgaders de naarstigheid aan hem bewezen, in het bestraffen, afhouden van het Avondmaal, en menigvuldige vermaningen, en zal de gemeente vermaand worden hem aan te spreken, en voor hem te bidden. Zoodanige vermaningen zullen er drie geschieden. In de eerste zal de zondaar niet genoemd worden, opdat bij eenigszins verschoond worde. In de tweede zal met advies der Classe zijn naam uitgedrukt worden. In de derde zal men de gemeente te kennen geven,

|25|

dat men hem (tenzij dat hij zich bekeere) van de gemeenschap der Kerk uitsluiten zal, opdat zijne afsnijding, zoo hij hardnekkig blijft, met stilzwijgende bewilliging der Kerk geschiede. De tijd tusschen de vermaningen zal aan het oordeel des Kerkeraads staan.

Art. LXXVIII.

Wanneer iemand, die geëxcommuniceerd is, zich wederom wil verzoenen met de gemeente door boetvaardigheid, zoo zal hetzelve vóór de handeling des Avondmaals, of anderszins naar gelegenheid, tevoren der gemeente aangezegd worden, teneinde hij ten naastkomenden Avondmale (zooverre niemand iets weet voor te brengen ter contrarie) openbaarlijk met professie zijner bekeering weder opgenomen worde, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Art. LXXIX.

Wanneer Dienaars des Goddelijken Woords, Ouderlingen of Diakenen eene openbare grove zonde bedrijven, die der Kerk schandelijk, of ook bij de Overheid strafwaardig is, zullen wel de Ouderlingen en Diakenen terstond door voorgaand oordeel des Kerkeraads derzelver en der naastgelegene gemeente in hunnen dienst geschorst of daarvan afgezet worden, maar de Dienaars alleenlijk geschorst worden. Of deze geheel van den dienst af te zetten zijn, zal aan het oordeel der Classe staan, met advies van de in Art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere Synode.

Art. LXXX.

Voorts onder de grove zonden, die waardig zijn met opschorting of afstelling van den dienst gestraft te worden, zijn deze de voornaamste: valsche leer of ketterij, openbare scheurmaking, openlijke blasphemie, simonie, trouwelooze verlating zijns dienstes of indringing in eens anderen dienst, meineedigheid, echtbreuk, hoererij, dieverij, geweld, gewoonlijke dronkenschap, vechterij, vuil gewin; kortelijk, alle de zonden en grove feiten, die den bedrijver voor de wereld eerloos maken, en in een ander gemeen lidmaat der Kerk der afsnijding waardig zouden gerekend worden.

Art. LXXXI.

De Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen zullen onder elkander de Christelijke censuur oefenen, en malkander van de bediening huns ambts vriendelijk vermanen.

|26|

Art. LXXXII.

Dengenen, die uit de gemeente vertrekken, zal eene attestatie of getuigenis aangaande hun belijdenis en wandel door den Kerkeraad medegegeven worden, door twee onderteekend, of bij attestatiën, die onder het zegel der Kerk gegeven worden, met ééne onderteekening.

Art. LXXXIII.

Voorts zal den armen, om genoegzame oorzaken vertrekkende, door de Diakenen reisgeld gegeven worden, naar hetgeen zij oordeelen behoorlijk te zijn. De Kerkeraad en de Diakenen zullen echter toezien, dat zij niet te zeer genegen zijn om hunne Kerken van de armen te ontlasten, met welke zij andere Kerken zonder eenigen nood zouden bezwaren.

Art. LXXXIV.

Geene Kerk zal over andere Kerken, geen Dienaar over andere Dienaren, geen Ouderling of Diaken over andere Ouderlingen of Diakenen eenige heerschappij voeren.

Art. LXXXV.

In middelmatige dingen zal men de buitenlandsche Kerken niet verwerpen, die een ander gebruik hebben dan wij.

Art. LXXXVI.

Deze Artikelen, de wettelijke ordening der kerk aangaande, zijn alzoo gesteld en aangenomen met gemeen accoord, dat zij (zoo het profijt der Kerken anders vereischte) veranderd, vermeerderd of verminderd mogen en behooren te worden. Het zal nochtans geene bijzondere Gemeente, Classe of Synode vrijstaan zulks te doen, maar zij zullen naarstigheid doen om die te onderhouden, totdat anders van de Generale of Nationale Synode verordend worde.

Rutgers, F.L. (1921) 1

|27|

Artikel 1.

Om goede orde in de gemeente van Christus te onderhouden, zijn daarin noodig: de diensten; samenkomsten; opzicht der leer, Sacramenten en ceremoniën; en Christelijke straf; waarvan hierna ordelijk zal gehandeld worden.

 

1. Hoeveel belijdende leden zijn er noodig om eene plaatselijke Kerk te institueeren?

(1916.)

 

1. Op uwe andere vraag: „hoeveel belijdende leden er noodig zijn om eene plaatselijke kerk te institueeren?” kan niet zoo geheel in het algemeen geantwoord worden door het noemen van een bepaald cijfer. Ook de omstandigheden komen hierbij in aanmerking; b.v. in hoeverre die leden kunnen geacht worden blijvende leden te zijn, zoodat zij niet wegens hunne betrekking of werkkring na korten tijd weer naar elders moeten verhuizen; ook, in hoeverre hun maatschappelijke welstand, eventueel met steun van buiten, de instandhouding der kerk mogelijk maakt; ook, in hoeverre er onder de leden genoegzame stof is voor de vervulling der diensten van ouderilngen en diakenen; enz. Onder gunstige omstandigheden zou zelfs bij een klein aantal Gereformeerden reeds tot institueering zijn over te gaan; maar onder ongunstige omstandigheden zou het raadzaam kunnen zijn, zelfs bij een grooter aantal nog wat te wachten.

Rutgers, F.L. (1921) 2

|28|

Artikel 3.

Het zal niemand, alhoewel hij een Doctor, Ouderling of Diaken is, geoorloofd zijn den dienst des Woords en der Sacramenten te betreden, zonder wettelijk daartoe beroepen te zijn. En wanneer iemand daar tegen doet en meermalen vermaand zijnde niet aflaat, zoo zal de Classe oordeelen, of men hem voor een scheurmaker verklaren of op eenige andere wijze straffen zal.

 

2. Welke is de kerkelijke positie van een hulpprediker?

(1911.)

 

2. De Kerkeraad uwer gemeente heeft zonder twijfel een zeer goed besluit genomen, toen hij ertoe overging meerdere hulp te zoeken voor evangelisatie (die in al onze grootere steden dringend noodig is) en voorts voor predikdienst, catechisatie, huisbezoek enz., en toen hij daarvoor het oog vestigde op een proponent, die als zoodanig kerkelijk onderzocht is en dus tot zulken kerkelijken hulpdienst is gequalificeerd, en die zelf daardoor practisch gevormd wordt voor zijn lateren zelfstandigen dienst des Woords. Indertijd is er jaren lang te X zulk een hulpdienst geweest bij Ds. A. en die arbeid, onder leiding van den predikant en den kerkeraad, is en voor de gemeente en voor den proponent zeer profijtelijk geweest.

Zulk een helper of „hulpprediker” (zooals de door het gebruik geijkte naam is, die ook wel kan blijven, mits men het woord „prediken” dan maar in ruimen zin neemt, en niet uitsluitend toepast op een prediking die van den kansel geschiedt) staat dan natuurlijk nog niet in het ambt of den dienst van een Dienaar des Woords; maar als „proponent” mag hij toch (zooals de naam reeds aanduidt) „propositiën” voor de gemeente houden, mits met tijdelijke opdracht of machtiging van den kerkeraad ter plaatse, en onder diens leiding en toezicht. En voorts mag een kerkeraad hem

|29|

zeer zeker ook andere werkzaamheden opdragen (gelijk b.v. in IJ de kerkeraad zelfs aan een vrij groot aantal gemeenteleden, die in de onderscheiden wijken tot „corporaties” vereenigd zijn, eenig huisbezoek, ook wel bij anderen dan gemeenteleden heeft vergund, of wel opgedragen, met speciale instructie en als „helpers” van predikant en ouderlingen der wijk).

Een beroeping tot „ouderling” is daartoe zeker niet noodig een eigenlijk gezegd „kerkelijk ambt” heeft hij niet noodig, om toch in dienst der kerk als „helper” werkzaam te zijn. Indien men daarvoor iemand neemt, die levenslang of althans voor langen tijd en voor vast zal dienen, zou men natuurlijk geen proponent kunnen kiezen, maar b.v. een „catechiseermeester” aanstellen. Iets dergelijks echter is in dit geval uitgesloten. En dan zou ik het geenszins raadzaam achten, hem tot „ouderling” te beroepen. Immers, dat zou toch maar zijn voor eenige maanden; het zou ook niet in overeenstemming zijn met de omstandigheid, dat een proponent daarvoor nog rijkelijk jong is, en van elders komende, eigenlijk nog niet aanstonds voor ouderling in aanmerking komt; het zou ook min of meer verwarrend werken, omdat de kerkeraad hem ook arbeid wil opdragen, die niet eigenlijk tot het ouderlingenambt behoort, vooral de prediking; en het zou den schijn geven, alsof op kerkelijk gebied niemand iets zou mogen doen, zelfs niet met opdracht en machtiging en leiding van den kerkeraad, tenzij hij predikant of ouderling of diaken was, en dus een eigenlijk kerkelijk „ambt” had.

M.i. moet de kerkeraad zijnen hulpprediker dan verder niet alleen opdragen, aan den kerkeraad over zijn werk te rapporteeren (of eventueel ook reeds aan den predikant of aan den ouderling die in het daarbij betrokken kwartier zijn dienst heeft), maar hem ook moeten opdragen en autoriseeren, om, althans in den regel, de kerkeraadsvergaderingen bij te wonen (met adviseerende stem), in ’t belang der gemeente, en ook voor zijn eigen practische opleiding.

Ten slotte acht ik zeker ook wel gewenscht dat hij, althans nu en dan, predikant of ouderlingen bij huis- en krankenbezoek vergezelt. Maar ik zou hem daaraan zeker niet binden: als hij zijn werk goed begrijpt, zal hij ook vaak zelfstandig personen en gezinnen te bezoeken hebben.

Rutgers, F.L. (1921) 3

|30|

3. Welke plaats bekleeden oefenaars in de kerk?

(1913.)

 

3. Met betrekking tot de zoogenaamde „oefenaars” is door onze kerken, bij de vereeniging der twee groepen in 1892, bepaald (Hoofdst. 5, art. 3, litt.. b): „In alles wat op oefenaars Betrekking heeft zal de Classe beslissen”.

Bij de nadere regelingen, die in 1893 door de Generale Synode te Dordrecht gemaakt zijn, is omtrent die bepaling besloten, dat zij „voorshands blijve” (Acta art. 163, blz. 182).1)

En daarna is er over iets dat op „oefenaars” betrekking heeft, nog gehandeld in de Generale Synode te Utrecht in 1905, naar aanleiding van een verzoek der Classe Dokkum, dat de Synode „eene regeling make voor het emeritaat van oefenaars”; welk verzoek werd afgewezen, „wijl onze kerken geenen vasten en geregelden dienst en dus ook geen emeritaat van oefenaars kennen, die toch slechts tijdelijk als hulp voor vacante kerken zijn aangenomen”; enz. (Acta, art. 36, blz. 42).2)

Onze kerken hebben dus de werkzaamheid van „oefenaars” niet willen afsnijden en finaal doen ophouden (’t geen in een tal van


1) Acta der Generale Synode van 1893 (Dordrecht). Bladz. 182: Wat de bizondere bepalingen betreft, stelt de commissie voor:
ln punt 5 pag. 11 sub. 1 tot 6 weg te laten en sub. 7 het voorstel: „uit de gelden voor de hulpbehoevende kerken”, als onuitvoerbaar te doen vervallen. Overigens blijve hier voorshands de bepaling van Hoofdstuk V, Art. 3 litt. b der bij de Vereeniging gemaakte „nadere bepalingen”. In alles wat op de oefenaars betrekking heeft zal de Classe beslissen.
2) Acta der Generale Synode van 1905 (Utrecht). Bladz. 42, Art. 36. Emeritaat van oefenaren.
Dezelfde rapporteert over L 4, het verzoek van de Classe Dokkum, dat de Generale Synode eene regeling make voor het emeritaat van oefenaren.
Naar advies der commissie besluit de Synode geene regeling te maken, wijl onze Kerken geenen vasten en geregelden dienst en dus ook geen emeritaat van oefenaren kennen, die toch slechts tijdelijk als hulp voor vacante Kerken zijn aangenomen. De Synode voegt hier echter aan toe, dat het op den weg der plaatselijke Kerken ligt, zooveel mogelijk in het onderhoud van hen, die als oefenaar in haren dienst werkzaam zijn geweest, te voorzien.

|31|

kerken, zoowel voormalige Christ. Geref. als voormalige Doleerende ook moeielijk zou gekund hebben), maar toch die functie ook niet willen aanmoedigen en formeel regelen. Dit gansche punt staat in alle opzichten ter beslissing van de Classen, ieder voor haar ressort.

Deze Classen hebben dan ook, voor zoover zij dit in hun ressort noodig of wenschelijk oordeelden, op dit punt regelingen gemaakt. Zoo bv. de Classe Amsterdam, die in hare Classikale regeling hieromtrent bepaalde (art. 19):

„De kerkeraden zullen toezien, dat de bediening des Woords en der Sacramenten slechts geschiede door eenen dienaar, die in eene Geref. kerk ordelijk beroepen en in dienst getreden is. Voorts zullen zij zorgen, dat bij de samenkomsten der gemeente Bijbellezingen of oefeningen slechts gehouden worden door degenen die hier of elders classikaal onderzocht zijn omtrent leer en leven en bekwaamheid. Zulk een onderzoek wordt ingesteld, wanneer een kerkeraad dit voor iemand aanvraagt bij de Classe. Het loopt over de kennis der Heilige Schrift, de geloofsleer, de wederlegging der hedendaagsche ketterijen, de behandeling van gevallen der conscientie, en de gave om eene stichtelijke toespraak te houden. Om van dit laatste blijk te geven, houdt de voorgestelde een propositie over een opgegeven gedeelte der Heilige Schrift. Desgevorderd levert hij een geschreven opstel in. Voor de regeling van een en ander geldt het bepaalde in art. 17” (de praeparatie van dat onderzoek door de Deputaten ad examina, en de gelegenheid tot navragen voor alle ter Classe afgevaardigden).

Of de Classe X te dezer zake regelingen maakte of besluiten nam, en zoo ja, welke? is mij natuurlijk onbekend. Zij kan dit zeker ook nog doen, en dan is zij te dien aanzien alleen gebonden aan hetgeen zij zelve voor de tot haar behoorende kerken goed en dienstig acht. Absoluut alle onderzoeking weigeren, wanneer een kerkeraad dit aanvraagt, is m.i. formeel mogelijk, maar toch doorgaans niet raadzaam.

Rutgers, F.L. (1921) 4

|32|

Artikel 4 en 5.

De wettelijke beroeping dergenen, die tevoren in den dienst niet geweest zijn, zoowel in de steden als ten platten lande, bestaat:
Ten eerste, in de verkiezing, dewelke na voorgaande gebeden geschiedenis zal door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de kerkelijke ordinantie, dat alleen diegenen voor het eerst tot den dienst des Woords kunnen beroepen worden, die door de Classe, waarin zij wonen, praeparatoir geëxamineerd zijn; en voorts in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest;
Ten andere, in de examinatie of onderzoeking beide der leer en des levens, dewelke staan zal bij de Classe, aan welke de beroeping ter approbatie is voor te stellen, en geschieden zal ten overstaan van de Gedeputeerden der Particuliere Synode of eenige derzelven;
Ten derde, in de approbatie en goedkeuring van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen in de Kerk afgekondigd zijnde, geen hindernis daartegen komt;
Ten laatste, in de openlijke bevestiging voor de gemeente, dewelke met behoorlijke stipulatiën en afvragingen, vermaningen en gebed en oplegging der handen van den Dienaar, die de bevestiging doet (en van de andere Dienaren, die mede tegenwoordig zijn), toegaan zal, naar het Formulier daarvan zijnde.

Nopens die Dienaars, die nu alreede in den dienst des Woords zijnde tot eene andere gemeente beroepen worden, zal desgelijks zoodanige beroeping geschieden, zoowel in de steden als ten platten lande, door den Kerkeraad en de Diakenen, met onderhouding van de

|33|

regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is, en van de generale kerkelijke ordinantiën over de beroepbaarheid van hen, die buiten de Nederlandse Gereformeerde Kerken gediend hebben, en over het meer dan eenmaal beroepen van denzelfden Dienaar in dezelfde vacature; in Kerken met niet meer dan één Dienaar ook met advies van de Classe of van den hiertoe door de Classe aangewezen consulent, waar zulks tot nog toe gebruikelijk is geweest; en voorts in alle Kerken met approbatie van de Classe, aan welke de voorzeide beroepenen vertoonen zullen goede kerkelijke attestatie van leer en leven, en met approbatie van de lidmaten der Gereformeerde gemeente van de plaats, wanneer, de naam des Dienaars den tijd van veertien dagen haar voorgesteld zijnde, geen hindernis daartegen komt; waarna de beroepenen met voorgaande stipulatiën en gebeden zullen bevestigd worden, naar het Formulier daarvan zijnde.

 

4. Mag de Classe onderzoek doen naar de beweegredenen voor het predikambt?

(1905.)

 

4. Het onderzoek naar iemands beweegredenen, om de H. Bediening te kiezen, is door onze kerken van den beginne af formeel geregeld (niet alleen voor Dienaren des Woords, maar ook voor ouderlingen en diakenen), doordat in het Bevestigingsformulier een toestemmend antwoord vereischt wordt op de (1e) vraag, of men in zijn hart gevoelt, van God geroepen te zijn; ’t geen ook zeker goed gezien is, omdat dat en dat alleen, de eenige goede beweegreden is, — omdat het oogenblik, waarop iemand in de Bediening treedt, ook de juiste tijd is om daarnaar te vragen, — en omdat dit zeker het meest op den weg ligt van de kerk zelve die tot de bediening roept.

Natuurlijk heeft de a.s. Dienaar des Woords van tevoren zichzelven op dat punt ook goed te onderzoeken; maar voor het

|34|

besef van de echte, Goddelijke roeping is in zijn vroegeren leeftijd geen bepaalde dag aan te wijzen.

Uitgesloten is ook niet, dat een ander daarnaar onderzoekt; speciaal de kerk, die iemand beroepen wil. Maar dan toch zeker liefst niet door eene formeele vraag in een officiëele vergadering. ’t Is dan eigenlijk een onderdeel van het onderzoek naar de „pietas” van den a.s. pred.; en dat gaat niet door zulke formeele vragen. Het gaat vaak beter door het opvolgen van de wenken die Voetius te dien aanzien geeft1) Tom. III p. 699 vgg. (v. d. Polit. Eccl.); maar kost dan ook veel meer tijd, en is niet beperkt tot het stellen van eenige vragen aan den a.s. predikant. Over de „vocatie interna”, die het eigenlijke motief moet zijn, heeft Voetius ook een zeer goede uiteenzetting in Tom. III, p. 529 vgg.2)

Maar op geen van die beide plaatsen, en ook verder op geen enkele van de vele plaatsen waar hij over het onderzoek en examen van a.s. predikanten spreekt, gewaagt hij, ondanks zijn uitvoerigheid, ook maar met een enkel woord van een onderzoek naar motieven, dat de Classe zou hebben in te stellen, of destijds werkelijk instelde.

Ik herinner mij ook niet, ooit iets daarvan gezien te hebben in de vele gedrukte (of geschreven) „Classikale Handboekjes” uit de 17e en 18e eeuw, ofschoon die over examen enz. anders zeer wijdloopig zijn.

Ik geloof dan ook niet, dat onze oude Geref. kerken gewoon waren zulk een onderzoek bij een Classikaal examen in te stellen (wel bij de Bevestiging, door de 1e vraag). Ik wil niet zeggen, dat er niet wel eens naar gevraagd zal zijn; vooral als er bij den examinandus antecedenten waren, die ongunstige vermoedens wekten. Maar dat was dan heel iets anders dan een formeel vragen aan allen. En zoo kunnen er ook nu wel eens redenen zijn, om er bij een candidaat opzettelijk van te spreken, maar dan m.i. liefst onder vier oogen of in kleinen vertrouwelijken kring. De zaak schijnt mij te intiem, om er in een formeele Classikale vergadering een punt van onderzoek van te maken. Een onderzoek, dat m.i.


1) Gijsbertus Voetius, Politicae Ecclesiasticae pars tertia et ultima Amstelodami 1676, p. 699 sqq.
2) L.c. p. 529 sqq.

|35|

ook nooit veel zal geven; want ook zelfs wie zich bewust is, door zondige motieven (eerzucht, geldzucht, enz.) gedreven te worden, zal dat voor de Classe toch niet gaan uitspreken.

Rutgers, F.L. (1921) 5

5. Wie beroept den Dienaar des Woords, de kerkeraad of de gemeente?

(1888.)

 

5. Naar onze Dordtsche Kerkenordening geschiedt de beroeping van een Dienaar des Woords door den kerkeraad, die daarvoor geheel en alleen de verantwoordelijkheid draagt, voor den Heere, voor de gemeente, en voor de andere Gereformeerde kerken.

Maar tevens geldt ook, dat de kerkeraad geen dienaar aan de gemeente mag opdringen, en dat hij ook in dit werk te handelen heeft in naam der gemeente, als haar orgaan. Verboden is dus niet, veeleer aan te raden, dat de kerkeraad vooraf de gemeente raadplege, en, zooveel met zijne eigene verantwoordelijkheid bestaanbaar is, met den wensch der gemeente rekene. Dit nu kan op zeer onderscheiden wijze geschieden; en geschiedde ook in vroeger eeuwen, zeer onderscheiden. Vaak naar gelang de eene of de andere weg voor eene bepaalde gemeente beter scheen.

B.v. de kerkeraad zou een zestal kunnen maken, en daaruit de gemeente (n.l. hare mansleden die tot het H. Avondmaal zijn toegelaten; mansleden die dit nog niet zijn, zijn kerkelijk nog niet mondig) een tweetal laten kiezen, in een daartoe saam te roepen vergadering; waarna de kerkeraad uit dit tweetal kieze.

Of wel (misschien nog beter): men zou de bovenbedoelde mansleden kunnen samenroepen om een zestal te maken (uit de predikanten of candidaten die aan den Classe kunnen worden voorgesteld, natuurlijk niet uit alle mogelijke personen ter wereld), waarna de kerkeraad uit dit zestal een tweetal make; waaruit de bedoelde mansleden dan weêr één aanwijzen, dien de kerkeraad beroept.

En zoo zijn er nog vele methoden. Veel hangt er van af, of er in eene gemeente een aantal leden zijn die genoegzame bekendheid hebben aan personen die beroepen kunnen worden. Zijn er die niet, dan is beter, dat de kerkeraad eerst eene nominatie (b.v. zestal)

|36|

make, waaruit dan de mansleden een tweetal, en de kerkeraad het beroep.

Onder de Dordtsche Kerkenordening, in de vorige eeuw, werd te Oudshoorn door den kerkeraad een vijftal gemaakt, en daaruit kozen dan, waarschijnlijk, de mansleden; althans op eenige dorpen in den omtrek was dat het gebruik. Medewerking van mansleden is dus aan den Rijnstreek sinds oude tijden niet vreemd.

Rutgers, F.L. (1921) 6

6. Hoe moet het beroepen en bevestigen geschieden bij gecombineerde kerken?

(1914.)

 

6. Bij elke combinatie, die twee kerken tijdelijk aangaan, hangt het van den aard dier combinatie af, of de beroeping van den predikant zal geschieden door iedere kerk afzonderlijk, of wel door beider kerkeraden saâm vereenigd, of wel door eene dier kerken tevens mede voor de andere; bij welke laatste regeling die andere kerk dan kan beschouwd worden als tijdelijke eene kerk met de andere vormend, of als vacante kerk (met vaste waarneming van den dienst door den predikant der eene kerk).

De hier allerlaatst bedoelde regeling zou ik meestal niet aanraden. Maar principieel bezwaar zie ik er toch niets tegen; want het is niet geheel juist, te zeggen, dat alsdan het consulentschap geregeld wordt voor die kerk door haarzelve in contract met eene andere kerk, en niet door de Classe. Immers zulk een contract werkt toch eerst, wanneer het door de Classe is goedgekeurd; en door die goedkeuring heeft dan de Classe zelve den consulent aangewezen.

Zonder twijfel is de naam „consulent” in zulk een geval eigenlijk minder juist. Maar dit bezwaar geldt precies even goed tegen elke aanwijzing van een consulent voor eene kerk die nog jaren lang vacant zal moeten blijven. De eerste en voornaamste taak van een „consulent” was en is altijd, de vacante kerk zoo spoedig mogelijk aan een eigen predikant te helpen; en om haar dan bij de beroeping van advies en steun te dienen. Hiervan nu kan bij zeer kleine kerken of bij predikantennood dikwijls niet veel komen;

|37|

en dan komt eigenlijk de aard van het consulentschap toch niet tot zijn recht.

Met de meening van sommigen, dat het wenschelijk zijn zou, dat althans in eenzelfde Classe in eenzelfde zaak (z.g. combineering) eenheid heersche, kan ik mij in het geheel niet vereenigen. In zake combineering van kleine kerken, of van eene kleine met eene groote kerk, zijn er reeds van de Reformatie af, velerlei manieren in onze kerken in practijk gebracht, en is dit ook nu nog het geval. Dit ligt ook in den aard der zaak; want bij elke combinatie moet op den voorgrond staan, wat het meest in het geestelijke belang der hierbij betrokken kerken is te achten, en dit is nu eenmaal veelszins afhankelijk van plaatselijke toestanden en omstandigheden, die, ook in eenzelfde Classe, lang niet gelijk zijn in alle kerken. Te dien aanzien toch „eenvormigheid” te willen, zou dan slechts tot schade voor de kerken zijn, zonder dat eenig nut of eenige noodzaak daartegenover stond. Ook bij zulke combinaties geldt: „Variis modis bene fit.” En de Classe moet dan bij elke combinatie niet alleen van advies dienen, maar ook beoordeelen of de voorgestelde combinatie geen overwegende bezwaren heeft; altijd zonder eenige kerk in een middelmatige zaak te willen dwingen.

 

(1914.)

7. Ge schrijft mij, dat de vraag in uwe Classe is opgekomen, wat de kerkrechtelijke positie is van een Dienaar des Woords bij twee gecombineerde kerken. En over die vraag wenscht ge dan van mij eenig advies.

Te dien aanzien kan ik slechts zeggen, dat het antwoord op die vraag veelszins afhangt van den aard der combinatie, en van de bepalingen, die daarbij onder goedkeuring van de Classe gemaakt zijn.

Immers, de combinatie van genabuurde kerken kan op allerlei wijze geschieden, en zij is in onze kerken ten allen tijde op onderscheidene wijze geregeld.

Zij kan twee of meer kerken zóó tot één maken, dat alleenlijk

|38|

goederen en inkomsten van goederen nog gescheiden blijven.

Zij kan worden aangegaan voor een onbepaalden en waarschijnlijk langdurigen tijd, of wel alleenlijk tot er een predikantsvacature komt, om alsdan op te houden als zij niet gecontinueerd wordt.

Zij kan aan ieder der gecombineerde kerken haren eigenen zelfstandigen kerkeraad laten, eventueel met bepalingen omtrent gemeenschappelijke vergaderingen, hetzij altijd of wel in bepaalde gevallen en voor bepaalde zaken, — of wel zij kan bestaan met éénen kerkeraad, met bepaling van het aantal kerkeraadsleden dat uit den kring van elke kerk te kiezen is.

En zoo zijn er nog meerdere regelingen denkbaar, en ook wel hier of daar in practijk gebracht.

Absolute eenvormigheid is op dit punt in ons kerkverband niet noodig; en het zou ook zeker niet gewenscht zijn, die te willen invoeren. „Variis modis bene fit” geldt ook hier. Als de manier van combinatie maar het best in overeenstemming is met de plaatselijke toestanden en omstandigheden, en als zij maar het meest geschikt is tot bereiking of bevordering van het hoofddoel van alle kerkelijke regeling, n.l. de opbouwing en de stichting der gemeente.

Maar natuurlijk is de regeling der combinatie, wel niet in alle, maar dan toch in vele gevallen, van invloed op de kerkrechtelijke positie van den Dienaar des Woords in de gecombineerde kerk.

In het algemeen kan hier slechts van gezegd worden, dat gecombineerde kerken, juist door en ten gevolge van die combinatie, in onderscheiden opzicht als ééne kerk samen optreden, als zoodanig wel tezamen zelfstandig gelijk alle andere kerken, maar niet zelfstandig tegenover elkander wat den gezamenlijke Dienst des Woords betreft. De Dienaar des Woords is aan die gecombineerde kerken gelijkelijk verbonden, door de roeping van die kerken zelve, zoodat hij zeker nooit te beschouwen is als Dienaar van slechts ééne dier kerken, en een soort van „consulent” voor de andere; ’t geen zou beteekenen, dat er in ’t geheel geen combinatie was, en ook geheel in strijd zou zijn met den aard van het consulentschap, waarvan het hoofddoel altijd was en zijn moet: een vacante kerk te helpen tot verkrijging van een eigen predikant. En omdat de predikant van gecombineerde kerken aan deze gelijkelijk verbonden is, is hij ook te beschouwen

|39|

als lid van ieder dezer kerken, gerechtigd om in deze aan de Sacramenten deel te nemen, in de kerkeraden, (wanneer deze gescheiden vergaderen) mede te stemmen, enz. Op hem is dan niet toepasselijk, ’t geen anders natuurlijk altijd geldt, dat iemand slechts lid kan zijn van ééne kerk; of liever, van hem geldt dan, dat hij inderdaad slechts tot ééne kerk behoort, al staat zijn naam in twee of meer lidmatenboeken, want juist met betrekking tot den Dienaar des Woords zijn die gecombineerde kerken dan als ééne kerk te beschouwen, al geldt dit van zelf slechts voor hem alleen. Met betrekking tot hem (b.v. in zaken van eventueele tucht) moeten de kerkeraden van gecombineerde kerken (indien zij gewoonlijk afzonderlijk vergaderen) dan ook altijd gezamenlijk optreden: ’t geen in de acte van combinatie te regelen is, evenals b.v. de vraag, waar de Dienaar te bevestigen is (waarvoor in den regel slechts ééne kerk is aan te wijzen, daar de predikant, aldaar bevestigd, toch, uit kracht van de combinatie zelve, juist daardoor bevestigd is voor de geheele combinatie; al wordt daardoor eene herhaalde intrede-predikatie niet uitgesloten); en voorts allerlei andere te regelen punten; waaromtrent kennis van plaatselijke toestanden noodig zijn, om er iets in te adviseeren.

 

(1912.)

8. Ge vraagt me, of Ds. A., die predikant is van de twee kerken X en Z en die Zondag 1.1. als zoodanig te X bevestigd is, nu ook bevestigd moet worden te Z en dan op a.s. Zondag?

Het antwoord op die vraag hangt geheel af van de wijze, waarop X en Z, onder goedkeuring van de Classe, voor den dienst des Woords en voor al het overige predikantswerk zich tijdelijk gecombineerd hebben, en voorts van de wijze, waarop Ds. A., in verband met die regeling, voorleden Zondag is bevestigd geworden. En daar ik van dit een en ander in ’t geheel niet op de hoogte ben, kan ik hier ook zeker geen advies geven.

Uit sommige uitdrukkingen van uw brief zou ik opmaken, dat bij de regeling der combinatie bepaald is, dat niet X en Z, elk voor zichzelve, denzelfden predikant zou beroepen, maar dat X

|40|

zou beroepen, in overleg met Z, en dat de alzoo beroepene dan voor heel zijn dienstwerk aan beide kerken gelijkelijk zou verbonden zijn, zoolang de combinatie voortduurt, en dus ook vanzelf lid en voorzitter zijn zou in beide kerkeraden; waarbij dan natuurlijk ook wel zal bepaald zijn, hoe eventueele conflicten of moeilijkheden zijn te voorkomen (b.v. door eventueele gecombineerde kerkeraadsvergaderingen, of anderzins).

En als de combinatie inderdaad van te voren aldus geregeld is, zal bij de bevestiging van 1.1. Zondag zeker de kerk van Z ook wel genoemd zijn als de kerk, die met X aan den bevestigde wordt toevertrouwd; terwijl dan voorts bij die gelegenheid te Z wel in ’t geheel geen dienst zal gehouden zijn, maar de gemeenteleden te Z geroepen zijn tot den bevestigingsdienst te X.

Indien dat alles zoo is (en m.i. had het zoo moeten zijn), dan is er geenerlei reden om nu voor Z nog eens weer te gaan bevestigen; al ligt het ook alleszins in de rede, dat Ds. A. ook aldaar een „intree-rede” houdt.

Maar ik herhaal: ik ken den toestand niet genoeg.

Rutgers, F.L. (1921) 7

7. Hoe moet gehandeld worden als een candidaat voor het peremptoir examen zakt?

(1907.)

 

9. Voor zoover ik weet, is er nooit een generale bepaling gemaakt tot regeling van de kerkelijke positie van een beroepen proponent, die bij zijn peremptoir examen werd afgewezen. Het geval kwam ook in vroeger eeuwen natuurlijk wel voor; en dan was de practijk onderscheidenlijk. Soms werd dan de kerk, die beroepen had, weêr vacant verklaard; maar ook bleef de beroeping dikwijls gelden, met gelegenheid voor den proponent, om het examen nog eenmaal te doen (doorgaans na verloop van zes maanden).

Begrijpelijk is dat alles door de omstandigheid, dat bij zulk een afwijzing de gevallen zeer verschillend kunnen zijn; al naargelang de kerk, die beroepen had, den afgewezen proponent bleef begeeren (in welk geval er geenerlei reden was, om de uitgebrachte beroeping als vervallen te beschouwen), of wel door het treurige

|41|

examen een tegenzin tegen hem gekregen had (in welk geval de niet meer begeerde man aan de gemeente niet mocht worden opgedrongen).

Indien er nu werkelijk te X een sterke beweging is tegen handhaving van de vroeger uitgebrachte beroeping, en de kerkeraad daarmede instemt, dan moet hier m.i. gelden, dat de beroeping nog niet compleet was, daar de goedkeuring der Classe na gehouden examen nog ontbrak, en dat, nu die goedkeuring moest geweigerd worden, de vacante kerk niet gehouden is vacant te blijven totdat de proponent de noodige bekwaamheid zal hebben verkregen, maar de uitgebrachte beroeping kan beschouwen als door de Classe niet goedgekeurd, en dus vervallen. Ik denk, dat dit ook wel de bedoeling der Classe zal geweest zijn, al voegde zij bij de vergunning, om na drie maanden zich weêr tot onderzoek aan te melden, niet uitdrukkelijk bij: „wanneer de kerk van X de beroeping blijft handhaven”. In ieder geval schijnt het mij recht en billijk te zijn. En ook raadzaam, omdat het moeilijk gaan zou, aan een kerk een predikant op te dringen; en gesteld zelfs dat dit kon, dan zou daarvan geenerlei zegen maar slechts ellende te wachten zijn.

„Losmaking” is in zulk een geval niet noodig en zelfs nog niet mogelijk; er is nog geen band gelegd; de beroepen proponent is nog niet als Dienaar des Woords aan de kerk verbonden. Er was alleen eene beroeping en die is niet goedgekeurd.

Zeer wenschelijk zou het echter zijn, dat de beroepen proponent de eer aan zich hield, en uit zich zelven tot den kerkeraad de vraag richtte of deze nu de beroeping wilde handhaven, in welk geval hij zich bij de Classe weder tot examen zou aangeven, dan wel de beroeping door de niet-toelating der Classe als vervallen wenschte te beschouwen, in welk geval hij aan de Classe zou berichten, dat een hernieuwd examen bij deze Classe thans geen zin meer had en geen doel zou treffen, daar hij elders beroepen wordende, dan toch in die Classe weêr peremptoir examen zou moeten doen. De kerkeraad kan den beroepen proponent hieromtrent natuurlijk geen wenk geven; maar gij, als consulent, zoudt dit best kunnen doen; juist in zijn eigen belang.

Rutgers, F.L. (1921) 8

|42|

8. Welke zijn de plichten van den Consulent en welke die van de Classe bij het beroepen?

 

(1886.)

10. Nu de consulentschappen kerkelijk nog niet geregeld zijn, is eigenlijk de kerkeraad van X geheel vrij, hierin hulp te vragen waar hij die ’t best krijgen kan. En om geheel formeel te zijn, moet dit dan geschieden aan een anderen Kerkeraad, die dan zijn predikant daartoe qualificeert. Intusschen wordt deze formaliteit ook wel eens weggelaten. En bezwaar is er dus niet tegen consulentschap van Ds. A — Trouwens, ’t is maar voor korten tijd. Want als Y weldra zijn predikant heeft, dan is deze natuurlijk door de nabijheid aangewezen om uw consulent te worden.

 

(1896.)

11. In Uw brief van eergisteren doet ge mij, met betrekking tot het consulentschap in onze kerken, eene vraag om inlichting over consulenten en hun werk; historisch en kerkrechtelijk. — Edoch, om die vraag te beantwoorden zou ik een opstel moeten maken, heel wat grooter dan in een brief geschieden kan. Ik heb er op mijne colleges tweemaal een geheel college aan toegewijd, in 1888 en in 1892; en ook daarin het onderwerp natuurlijk niet volledig kunnen behandelen. Maar ook zelfs het toen gezegde is veel te veel om het in een brief te herhalen.

Natuurlijk heb ik er ook over gehandeld bij art. 4 en 5 der K.O.; want in het „advies” en „oordeel” der Classe bij de beroeping ligt het Consulentschap in; daar de Classe in hare driemaandelijksche vergaderingen daartoe natuurlijk niet goed in staat is, en dus al vroeg één of twee of drie predikanten, aanwees, om van harentwege bij de beroeping te adviseeren (opdat de kerk bij hare vrijheid bewaard bleve, tegen den druk van overheid, patronen, enz.; opdat geene onberoepbare personen beroepen werden, ’t geen later groote moeilijkheden zou geven; en verder om den kerkeraad met raad, zooveel noodig, te helpen). Natuurlijk niet in gemeenten met meer dan één predikant; daar zulke kerk advies had; en daarom staat er in de K.O. ook bij: „waar zulks tot nog

|43|

toe gebruikelijk is”. In Holland is over zulk advies der Classe ’t eerst een bepaling gemaakt door de Delftsche Synode van 1607 (zie art. 20, in de voor een paar jaren gedrukte Acte der Part. en Prov. Synoden). Maar verder moet de kennis van het Consulentschap, van het werk der Consulenten, van hunne plichten en bevoegdheden, van de maatregelen om de kerk tegen heerschappij van consulenten te beveiligen, enz. vooral geput worden uit de Classikale handboekjes, die er vele zijn; ook in druk uitgegeven. Daar de Classen deze regelingen best af konden, hadden de Synoden er zich bijna nooit mede te bemoeien; want wat de mindere vergadering wel kan doen, hoort niet in de meerdere.

Maar omtrent dit alles kan ik U niet verder inlichten. En het zal U en Ds. A misschien ook niet lukken, een genoegzaam aantal Classikale Handboekjes te raadplegen. Dan schiet er niet anders over, dan U hierin niet bij machte te verklaren. Trouwens, opleggen kan geen Classe aan een predikant, dat hij historische onderzoekingen instelle.

 

(1901.)

12. Het “consulentschap” rust op de bepaling der K.O. (art. 4 en 5), dat de beroeping, althans in de meeste kerken, moet geschieden met advies der Classe, en dat dit het best geschieden kan, wanneer de Classe een „adviseur” of „consulent” daartoe aanwijst.

Dit „adviseeren” nu heeft ten doel, geenszins om de vacante kerk in eenig opzicht in hare vrijheid en zelfstandigheid te kort te doen, maar om haar te helpen; b.v. (zooals in vroeger eeuwen vaak voorkwam) tegenover heerschzucht van ambachtsheeren of plaatselijke magistraten; en ook door raad en inlichting over al wat bij een beroeping is in acht te nemen (waarvan kleine kerkeraden wel eens onkundig zijn), door bemiddeling bij geschillen, door te waarschuwen, wanneer men iemand die niet beroepbaar is zou willen beroepen, of wanneer men in den beroepsbrief verkeerde conditiën of bepalingen zou willen invoegen, enz., enz. Bij welk alles de consulent dan wel geen macht heeft over den kerkeraad;

|44|

maar toch ongewenschte dingen kan voorkomen, reeds door de herinnering dat anders de Classe niet zal approbeeren.

Nu waren en zijn er Classen, die de roeping van een consulent nog wat nader omschreven hebben, en de roeping van den kerkeraad ten zijnen aanzien. Maar ik onderstel, dat dit in uwe Classe niet geschied is, daar ge ’t mij anders wel zoudt geschreven hebben.

Volgens de K.O. nu, en ook volgens de beginselen van ons kerkrecht, is een kerkeraadsvergadering zeer zeker wettig, ook in vacante kerken zonder consulent. Ook de besluiten van zulk een vergadering. Ook eene beroeping.

Maar daaruit volgt nog niet, dat de consulent alsdan altijd en in ieder geval den beroepsbrief heeft te onderteekenen. Als de kerkeraad hem dien brief voorlegt, dan is dit ook het vragen van het noodige advies van den consulent. En indien de consulent dan geen aanleiding heeft om te denken dat de zaken niet goed gegeven zijn, en ook in den brief zelven niets verkeerds vindt, dan kan hij m.i. dien teekenen. Maar dan zou ik bij de onderteekening laten blijken, dat ik de kerkeraadsvergadering niet had bijgewoond; b.v. door bijvoeging „bovenstaande beroepsbrief aan mij als consulent vertoond en door mij geteekend den …”, of iets dergelijks; daar men anders zou onderstellen, dat ge erbij geweest waart, en dus ook voor die vergadering aansprakelijkheid hadt.

Wenschelijk is zeer zeker altijd, dat de kerkeraad voor beroeping vergaderende, den consulent mede uitnoodigt (en indien hij ’t soms met den consulent niet goed vinden kan, dan van te voren aan de Classe een anderen consulent vraagt). Maar de wettigheid van de vergadering en der besluiten hangt van de tegenwoordigheid van den consulent niet af.

Rutgers, F.L. (1921) 9

9. De beteekenis van het woord „mitsdien” in het Bevestigingsformulier

 

(1899.)

13. „Mitsdien”, in onze bevestigingsformulieren, is niet geheel hetzelfde als „dus” of „derhalve”, zoodat eruit volgen zou, dat eene wettiglijk uitgebrachte beroeping van Gods gemeente, reeds

|45|

daardoor, altijd en immer eene roeping Gods zou zijn, en dus geen predikant of ouderling of diaken ooit of immer tegen zulk eene beroeping bezwaren, van welken aard ook, zou mogen inbrengen, of zelfs daarvoor bedanken; en het is ook niet „daarmede”, in den zin van „bovendien”, zoodat er uit volgen zou, dat de beroeping der gemeente op zichzelve nog niets Goddelijks zou hebben, en er eene tweede, liefst als verborgen innerlijk gedachte, roeping van God (buiten den middellijken weg om) zou noodig zijn.

Het is eenvoudig „daarmede” in den zin van „daardoor”, zoodat erin wordt uitgesproken, dat de roeping tot het kerkelijk ambt van God zelven komt, maar middellijk door de gemeente. Hetgeen dan niet uitsluit, dat er ook eene wettige beroeping der gemeente zijn kan, waarin de geroepene, wegens omstandigheden in welke hij ook Gods werking en leiding erkennen moet, geen roeping Gods kan zien; maar wel meebrengt, dat hij, indien er zulke omstandigheden niet zijn, eigen inzicht niet boven dat der gemeente mag stellen, en in hare roeping een roeping Gods heeft te erkennen; zoodat hij verklaart van God Zelven geroepen te zijn, en die roeping ontvangen te hebben, niet door eigen aandrang of bevinding, maar langs den middellijken, van God geordenden, weg, door de roeping der gemeente.

Rutgers, F.L. (1921) 10

10. Kan een predikant der Indische Staatskerk in de Gereformeerde kerk tot den dienst des Woords toegelaten worden?

 

(1911.)

14. Naar hetgeen ik van Ds. A meermalen hoorde, zou hij in onze kerken zeker nog met vrucht als Dienaar des Woords kunnen werkzaam zijn, en zou hij als zoodanig ook zonder veel moeite kunnen worden toegelaten.

In den regel komt dergelijke toelating eerst aan de orde, wanneer een predikant van buiten ons kerkverband („Ned. Herv.”, of bij eene „buitenlandsche Geref. kerk”, of bij eene „kerk van min vaste formatie”) door eene onzer kerken begeerd wordt en bereid is zulk eene beroeping aan te nemen; in welk geval het eene

|46|

zaak is van de Classe, waartoe die kerk behoort en waarvan dus de approbatie noodig is.

Het gaat dan naar de bepalingen van de Dordtsche Synode van 1893, art. 165, 166 en 167. En daar het bij Ds. A niet geldt een „Ned. Herv. predikant”, noch ook een predikant van „een buitenlandsche Geref. kerk” is hier het meest toepasselijk art. 167, waar sprake is van „kerken van min vaste formatie”, daar toch de „Protestantsche Staatskerk in Indië” (die met het Ned. Herv. kerkgenootschap niets te maken heeft, en ook zeker geen Gereformeerde kerk in het buitenland kan heeten) niet geheel van het begrip „kerk” is los te denken, en zeer zeker wel „van heel weinig vaste formatie” kan genoemd worden. Bij dit art 167 is uit art. 166 natuurlijk bij te denken, dat de „toelating” geschiedt „door de Classe, gesteund door Prov. Deputaten”, en „op onderteekening van het bekende formulier”; terwijl het art. dan voorts bepaalt, wat er bij deze categorie van personen moet worden onderzocht.

Dat zulke predikanten, die van buiten ons kerkverband inkomen, vóór hunne toelating reeds lid moeten zijn van een onzer Gereformeerde kerken, kan zeker niet als vaste eisch gesteld worden. Integendeel, waar zulke predikanten in onze kerken beroepen worden (gelijk in de Waalsche Geref. kerken van de 16e eeuw af natuurlijk de gewoonte was), daar kon doorgaans niet geëischt worden, dat zij eerst hunne kerk en bediening zouden opgeven, en hier te lande lid worden van eene onzer kerken. En aangezien niemand van twee kerken tegelijk lid kan zijn, volgde dus de opneming in eene onzer kerken doorgaans pas bij en met de toelating tot den dienst, waarvoor men beroepen werd.

Ook Ds. A zou m.i. niet als lid van eene onzer kerken kunnen worden aangenomen, tenzij hij tegelijk zijn band verbrak met de „Protestantsche Staatskerk in Indië” (wat indertijd door, of liever vanwege den kerkeraad van X met Ds. B gedaan is, die bij de Indische kerk predikant wilde blijven, was zeer zeker geheel onjuist, en zou later zeker niet meer herhaald zijn, gelijk hem in Y dan ook terecht geen lidmaatschap is toegekend). Nu is Ds. A vanzelf los van de Indische Staatskerk, wanneer hij als predikant ontslagen en gepensionneerd is. Maar dit is immers nog niet geschied? En nu kan eene onzer kerken hem wel vóór dien tijd beroepen, altijd

|47|

onder voorbehoud van „toelating”, of begeeren; maar als hij dat aannam, zou dan toch terstond bij de toelating door de Classe zijn ontslag en pensioneering moeten volgen en alleen op die voorwaarde de toelating te verleenen zijn.

Of nu de „toelating” volgens artt. 165-167 van de bepalingen van 1893 ook al kan geschieden, vóórdat Ds. A hier eene roeping heeft, schijnt mij quaestieus en zelfs dubieus. Het „onderzoek” volgens die artt. is blijkbaar bedoeld als „peremtoir”, en wordt later niet herhaald. Maar als het vóór eenige roeping werd ingesteld, zou het eigenlijk „praeparatoir” zijn, om „beroepbaar” te maken. En hoe dan, wanneer eene beroeping komt? Moet dan, bij iemand die van buiten inkomt, de roepende kerk niet allereerst, met hare Classe en Synodale Deputaten de onderzoeking instellen?

Rutgers, F.L. (1921) 11

11. Mag een predikant van eene buitenlandsche kerk optreden in den dienst des Woords in de Gereformeerde kerk?

 

(1914.)

15. Over het optreden in den dienst des Woords, bij wijze van liefdebeurt, van predikanten uit Gereformeerde kerken in het buitenland hebben onze kerken nooit eene speciale bepaling gemaakt; ’t geen ook inderdaad niet noodig was, omdat art. 3 K.O. reeds voldoende aangaf, dat zulk een predikant dan door onze kerken moest erkend zijn als gequalificeerd tot den dienst des Woords.

Dit nu kan gelden van buitenlandsche kerken of groepen van kerken, met welke onze kerken in vaste correspondentie staan. Maar daartoe behooren in Noord-Amerika, als ik wèl heb, slechts twee kerkverbanden in de Vereenigde Staten, en niet de „Presbyterian Church of Canada”, tot welke A behoort.

Tot voorkoming van moeielijkheden, die wel niet waarschijnlijk, maar toch mogelijk zijn, acht ik het dus veiliger, dat ge A niet laat optreden in eene „samenkomst der gemeente” voor den „dienst des Woords”.

Uwe vraag hoort eigenlijk thuis bij de Generale Deputaten voor de correspondentie met buitenlandsche kerken. Maar nu ge u tot mij wenddet, heb ik uwe vraag toch niet onbeantwoord willen laten.

Rutgers, F.L. (1921) 12

|48|

12. Over approbatie van beroepen door de Classe.

 

(1907.)

16. Voor Classikale approbatie eener beroeping is, geloof ik, nooit een vaste formule in gebruik geweest. Denkelijk zal men ’t wel altijd met een korte formule gedaan hebben. Het zal, dunkt mij, voldoende zijn, wanneer de Classis van Leiden verklaart, ontvangen hebbende het bericht van den kerkeraad van X dat hij voor de bediening des Woords beroepen heeft den heer A candidaat in de Godgeleerdheid aan de V.U. (de kerkeraad n.l. moet dit aan de Classis bericht hebben, ’t geen ge desnoods als consulent voor hem doen kunt), den beroepene met goeden uitslag geëxamineerd hebbende in de voornaamste deelen der H. Godgeleerdheid, — en gezien hebbende de goede getuigschriften omtrent zijn studiën en zijn levenswandel, — gaarne de op hem uitgebrachte beroeping approbeert, met de bede dat de Heer der gemeente hem in de bediening tot een rijken zegen stelle, (of iets dergelijks).

 

(1902.)

17. Omtrent de stukken, die noodig zijn voor de Classe approbatie van eene beroeping heeft de Generale Synode in juni 1.1. nog geene bepalingen gemaakt. Dus gelden nog alleen maar de bepalingen van de kerkenordening, d.i. (voor ’t beroep van een reeds in den Dienst zijnd predikant) artt. 5 en 10.

Ware nu Ds. A nog in actieven dienst, dan zou hij dus moeten inleveren: bewijs dat zijn kerk en Classe in zijn heengaan bewilligen, en goede kerkelijke attestatie (in dezelfde stukken van kerk en Classe) omtrent zijn leer en leven.

Nu is hij echter buiten dienst. Dus zou hij moeten inleveren wettelijk getuigenis van zijn eervol ontslag uit zijne laatste gemeente (van kerkeraad en Classe), en attestatie over leer en leven van den kerkeraad der gemeente tot welke hij nu behoort.

Intusschen is hij, als ik wel heb, niet „eervol ontslagen”, maar geschorst of afgezet geweest, en naderhand gerehabiliteerd. Van hem zou dus noodig zijn, bij het bewijs van ontslag uit zijne

|49|

laatste gemeente, ook het bewijs zijner rehabilitatie. Uit het eene blijkt dan dat hij radicaal had voor den Dienst des Woords in onze kerken, maar het tijdelijk verloor; uit het andere, dat hij het radicaal weer terugkreeg. En dan voorts heeft ook hij natuurlijk attest van den kerkeraad te X over leer en leven noodig.

Indien hij nu soms geen stuk heeft over zijn ontslag uit zijn laatste gemeente, dan is het bewijs zijner rehabilitatie m. i. ook genoeg, omdat daaruit dan toch ook van zijn radicaal blijkt. Hij zende dan het stuk van zijne rehabilitatie, en voorts attest omtrent leer en leven van den kerkeraad der Geref. kerk te X. Op die twee stukken kan de Classe m.i. approbeeren. Natuurlijk is ook noodig: bewijs dat de kerkeraad van Y hem beroepen heeft, en op welk tractement, en dat de afkondigingen zonder bezwaar hebben plaats gehad.

 

(1904.)

18. Volgens artt. 4 en 7 K.O. is voor alle beroepingen van predikanten, om de roeping volledig te doen zijn, approbatie van de Classe noodig. Nu wordt dit wel door niemand betwist; maar in Uwe Classe zijn er die meenen, dat de Classe die werkzaamheid ook wel aan Deputaten kan overdragen. Grond voor zulke meening wordt echter niet aangevoerd, en zou ook in de K.O. of van elders moeielijk te vinden zijn. Daarentegen zijn er genoeg gronden, om zulke overdracht van macht onaannemelijk te achten.

1º. Niemand mag een werk van toezicht en waakzaamheid (en dat is de approbatie), 't welk aan hem is opgedragen, aan anderen overdragen. De Classe is verantwoordelijk voor de approbatie, en kan noch mag zich aan die verantwoordelijkheid onttrekken, door haar op Deputaten te leggen.

2º. Approbatie door de Classe wil natuurlijk zeggen: door de kerken der Classe. Deze zijn dus alle, ieder voor zich, daartoe geroepen. En nu mag de Classe niet, bij meerderheid van stemmen besluitende dat werk aan Deputaten op te dragen, sommige kerken beletten, zelve te doen wat de K.O. uitdrukkelijk aan haar opdraagt.

3º. Approbatie van beroepingen is voorwaar geene formaliteit,

|50|

maar een zeer gewichtig werk; met name in dubieuse gevallen (gelijk b.v. zijn zou de approbatie van een beroep op iemand wiens beroepbaarheid quaestieus is), en voorts bij opkomende ketterijen. Heeft nu eenmaal de Classe die zaak uit handen gegeven aan enkele Deputaten, dan beslissen deze, ook waar zwarigheid is, en de deur staat open voor allerlei misstand en moeielijkheid, waartegen de Classe had moeten waken, maar zulks opzettelijk heeft verzuimd.

4º. Indien approbatie van beroepingen aan Deputaten wordt opgedragen, gemakshalve, waarom dan ook niet examinatie van candidaten, beslissing van geschillen enz. enz. Met andere woorden men krijgt dan weer een beginsel van een classikaal bestuur, ’t welk doet wat der Classe is. „Principiis obsta.” — In de Christel. Geref. kerk was iets dergelijks uit het Ned. Herv. kerkgenootschap overgenomen, althans in sommige Classen. Maar tegen dien zuurdeesem van collegialisme en hierarchie kunnen we niet genoeg op onze hoede zijn.

Tijd ontbreekt mij, hier nog meer bij te voegen. Slechts nog dit. In onze kerken is in vroeger eeuwen artt. 4 en 5 K.O. steeds zoo opgevat, dat de Classe zelve de approbatie moest geven. In sommige Classikale regelingen, bepaaldelijk in Zuid-Holland, stond zelfs uitdrukkelijk, dat geen Deputaten dit mochten doen. En om nu tegemoet te komen aan het bezwaar, dat dan eene approbatie òf lang op de Classe zou moeten wachten, òf veel Classikale vergaderingen, waarop alle kerken moesten komen, zou noodig maken, bepaalde men in den regel, dat de approbatie ook in eene buitengewone Classe kon verleend worden, enkel ad hoc saamgeroepen, en dat dan niet alle kerken verplicht waren daar te komen: wie geene bezwaren had tegen de voorgestelde approbatie kon dan door zijn wegblijven daartoe medewerken, maar elke kerk was er dan toch van op de hoogte en had gelegenheid zich er in te doen hooren. Ook had men voor zulke gevallen hier en daar wel Classes contracta, iets dergelijks. — Zoo is de zaak ook geregeld, bv. in de tegenwoordige Classe Amsterdam, en in vele andere onzer Classen.

Ik geloof dus, dat ge in Uwe Classe moet blijven opkomen tegen gedeeltelijke terzijdestelling van artt. 4 en 5 K.O., juist in

|51|

zulk een gewichtig punt; gepaard met dwang jegens andere kerken om ze te beletten hare roeping na te komen en haar recht uit te oefenen. — Baat het bij de Classe niet, dan zou Uwe kerk zich kunnen beroepen op de Provinciale Synode, enz.

 

(1893.)

19. Door allerlei drukte van dringenden aard bleef uw schrijven van 19 jan. l.l. nog onbeantwoord; ook uit overweging, dat de Classe, voor welke gij een advies vraagdet, in Febr. en Maart toch wel niet vergaderen zoude. De quaestie over welke gij, uit naam der Classe X advies vraagt, is: „Is de verantwoordelijkheid, aan de approbatie van beroepingen verbonden, ook te groot, dan dat deze aan enkele deputaten mag worden overgelaten, zoodat het approbeeren van beroepingen aan de Classe zelve behoort te verblijven?”

Uit het slot dezer vraag maak ik op, dat in uwe Classe de quaestie eigenlijk was: „of de approbatie van beroepingen door de Classe zelve behoort te geschieden, dan wel of de Classe haar, hetzij met of zonder regelende bepalingen, aan Deputaten ad hoc kan opdragen?” De hierboven vermelde formuleering schijnt mij dan toe, enkel hieruit ontstaan te zijn, dat ter Classe slechts één bezwaar tegen de opdracht aan Deputaten is ingebracht, n.l. de verantwoordelijkheid, die aan de approbatie verbonden is. In ieder geval zal toch zeker wel de bedoeling der Classe zijn, om op andere eventueele bezwaren ook te letten. En dus zal mij wel ten goede gehouden worden, dat ik de vraag iets ruimer opvat, dan de formuleering van haar eerste deel zou meebrengen, en dat ik dus de quaestie, volgens het slot der vraag, in het algemeen beschouw.

Nog meen ik te mogen onderstellen, dat de Classe enkel doelt op approbatie van beroepingen, uitgebracht op dezulken, die reeds Dienaren des Woords eener bij ons kerkverband aangeslotene Gereformeerde kerk zijn. Indien ook bedoeld was de approbatie van beroepingen, uitgebracht op proponenten (aan welke approbatie vanzelf het peremptoir examen verbonden is) of op kerkedienaren van andere kerkformatiën (hetzij binnen- of buitenslands), dan zou

|52|

de quaestie natuurlijk van veel grooteren omvang zijn, en zouden er veel meer beginselen en overwegingen bij moeten ter sprake komen. Om geene, waarschijnlijk onnoodige, moeite te doen, laat ik dit nu rusten; om alleen te spreken over de approbatie van beroepingen op Dienaren des Woords van eene onzer Geref. kerken.

En dan is mijn beslist advies, dat deze approbatie altijd door de Classe zelve moet geschieden, en niet aan Deputaten ad hoc mag voorden opgedragen.

Gronden hiervoor zijn hoofdzakelijk de volgende overwegingen: 

1º. De approbatie van beroepingen is eene kerkelijke beslissing, welke aan de gezamenlijke kerken eener Classe is opgedragen en voor welke zij alle verantwoordelijk zijn. Zulk eene taak nu mogen zij niet van zich afschuiven, en op eene door haar benoemde Commissie overdragen, maar zij moeten die zelve vervullen; tenzij dan dat zij tot dit laatste nu eenmaal niet in de mogelijkheid zijn. Dit geval kan zich voordoen bij Synoden, vooral bij Synoden, die slechts eenmaal in de 3 jaren vergaderen, en die niet zonder veel bezwaar extra-ordinair kunnen worden saâmgeroepen; ofschoon tevens moet erkend worden, dat het bij Synoden zich niet licht voordoen zal, omdat de werkkring van Synoden veel beperkter is dan die van Classen. Maar de Classen zelve zijn nooit buiten de mogelijkheid, zelve te doen wat de roeping der kerken is want zij vergaderen minstens 4 malen des jaars, en kunnen zonder veel moeite extra-ordinair vergaderen, daar toch de kosten van zulke extra-ordinaire vergaderingen te bestrijden zijn door dengene, die ze noodig maakt (dus bij approbatiën, door de vacante kerk, die haren dienaar gaarne zeer spoedig ziet komen). Als er dan weinig te doen is, is het tijdverlies voor de afgevaardigden der kerken ook niet groot; terwijl men bovendien bij approbatiën van beroepingen, omtrent welke geene quaestiën zijn, de censuur over kerken, die afwezig bleven, zou kunnen weglaten, met dien verstande, dat de beslissing dan toch, mede voor rekening bleef van de wegblijvende kerk.

2º. De kerken eener Classe mogen geene regeling maken, waardoor het licht zou kunnen gebeuren dat sommige van haar, tegen wil en dank, verhinderd werden haren plicht te doen.

Deze grond geldt natuurlijk niet, wanneer alle kerkeraden

|53|

zonder onderscheid de opdracht aan Deputaten zouden goedkeuren, en wanneer zij daarna (ook bij verandering van personeel) hierbij bleven; welk laatste dan natuurlijk op elke Classisvergadering weer opnieuw zou moeten geconstateerd worden. Maar wanneer ook slechts ééne enkele kerk tegen zulke opdracht is, of er later bezwaar tegen krijgt, met welk recht zouden dan de andere kerken door meerderheid van stemmen kunnen besluiten, om aan die kerk het haar toekomend recht te ontnemen, of eigenlijk om haar het vervullen eener taak, die haar rechtens en ordelijk is opgedragen en voor welke zij zich mede verantwoordelijk voelt, onmogelijk te maken?

3º. De kerken worden Classicaal samengevoegd, om elkander hulp en steun en raad en toezicht, enz. te verleenen; en daarvan is de approbatie van beroepingen een gewichtig bestanddeel. Te meer, omdat uit die approbatie ook volgt, dat de Dienaar, dien het geldt, later, bij voorkomende gevallen, in de andere kerken der Classe moet komen helpen: hij is eenigszins hulp-Dienaar voor de kerken der Classe, die vacant zijn of wier eigen Dienaar langdurige ziekte krijgt. Het belang der zaak brengt dus mede. dat alle kerken daarover haar zeggenschap hebben, en dat haar zulks allerminst mag worden belet. En nu zijn er zeker, in den regel bij approbatiën geene „quaestiën”. Maar zij kunnen er toch zijn, hetzij in de bewoordingen van den beroepsbrief (waarin de kerken immers vrij zijn), of in eventuëele stipulatiën of conditiën (welke natuurlijk ook kunnen voorkomen), of zelfs in bezwaren tegen de leer of het leven van den beroepene, zelfs al zijn die niet ingebracht, maar van elders aan kerken der Classe eenigszins bekend. En wanneer dan eenmaal jarenlang regel geweest is, dat Deputaten de approbatie afdoen, dan geschiedt zulks vanzelf ook in „dubieuse” gevallen (die natuurlijk van te voren niet zijn te specificeeren). Ook in vroeger tijden is het juist daarom vaak zeer nuttig gebleken, dat de Classen zelve de approbatie in handen hielden, b.v. bij het opkomen der dwalingen van Bekker, Roëll enz. Heeft de Classe het eenmaal uit handen gegeven, en zijn daarover vele rustige jaren heengegaan, dan kan zij het later niet zoo maar op eens weer hernemen.

4º. Het strijdt met den aard van het kerkelijk Deputaatschap

|54|

om aan Deputaten beslissingen op te dragen. Zij worden benoemd, om uit te voeren wat kerkeraad of Classe of Synode reeds besloten heeft, met verantwoording over die uitvoering aan hunne lastgevers; of om de te nemen beslissingen voor te bereiden; of om adviseerend, vermanend, enz. te werken, mits zonder macht tot handelen; maar zij mogen nooit doen wat des kerkeraads, of der Classe of der Synode zelve is; en dit mag hun dan ook niet worden opgedragen; tenzij dan in het ééne geval, dat er iets minder belangrijks te doen is, ’t welk eene Synode niet zou kunnen doen zonder veel bezwaar. Maar dit laatste is dan hooge uitzondering; enkel voor Synoden te maken. Het mag nooit een regel worden; en in geen geval is het op kerkeraden of Classen van toepassing.

5º. Opdracht van approbatiën aan Deputaten brengt het groote gevaar met zich, dat daarmede in beginsel weêr een „Classicaal bestuur” wordt ingevoerd; een beginsel, dat in den loop der eeuwen reeds zoo herhaaldelijk de kerken verwoest heeft, dat onze kerken er waarlijk nu wel voor mogen oppassen. Niet, dat zulk een beginsel aanstonds doorwerkt; maar, hoewel langzaam, het werkt toch zeker. Indien thans aan Deputaten de approbatie wordt opgedragen, gemakshalve, waarom dan over 10 of 20 jaren ook niet praeparatoir en peremptoir examen? En dan bij eene volgende generatie b.v. de behandeling van appèllen in tuchtzaken? En zoo vervolgens, totdat men feitelijk weer geheel de hiërarchie heeft van het Hervormd genootschap; en wat feitelijk reeds bestaat, wordt dan gemakkelijk ook wettelijk ingevoerd of opgelegd. De Deputaten onzer kerken, Classicaal en Synodaal benoemd, die in de vorige eeuw, voor het gemak der kerken (en ook wel uit heerschzucht, want ieder kerkedienaar heeft een paus in zijn hart), vaak buiten hun boekje gingen, en dan door de kerken, gemakshalve niet gecensureerd werden, hebben zekerlijk krachtig medegewerkt tot de inzinking onzer kerken in den aanvang dezer eeuw. Het besef, dat in Geref. kerken de kerkeraden de eenige besturen zijn, en het besef dezer kerkeraden van hunne verantwoordelijkheid, ook voor wat Classen en Synoden te doen hebben (daar deze toch niet anders zijn dan eene tijdelijke bijeenvoeging van kerkeraden) moet onverzwakt en ten volle gehandhaafd worden.

|55|

Menschen zijn toch al zoo licht geneigd, soms minder conscientieus te zijn. En dus moet vooral gewaakt worden tegen alles wat genoemd besef noodzakelijk zou verzwakken.

6º. Eindelijk zou ik hier nog kunnen bijvoegen de vrij standvastige praktijk onzer oude kerken, waarvoor ik, zoo dit niet onnoodig kon geacht worden, uit de oude Provinciale en Classicale regelingen veel zou kunnen bijbrengen. Hier en daar werd voor buitengewone gevallen nog wel eens eene stipt omschrevene uitzondering gemaakt. Maar dit was dan meest in Gelderland, waar de Classen veel zeldzamer vergaderden, en door hare grootte (en de toenmalige slechte reisgelegenheid) voor vele afgevaardigden lastige reizen van 3 dagen noodig maakten. Over het algemeen werd het beginsel goed vastgehouden.

Tijd ontbreekt mij, om hieraan nog meer toe te voegen, of om het gezegde verder uit te werken. Ik moest toch reeds in der haast schrijven. Maar door het gezegde is mijn advies toch ook wel gemotiveerd. Dat hierdoor niet wordt uitgesloten, Deputaten te benoemen inzake approbatiën van beroepingen, met den last, de instrumenten der beroeping in ontvangst te nemen, die te onderzoeken, en daarover aan de Classe te rapporteeren en te adviseeren, spreekt vanzelf. Dit kan zelfs nuttig zijn. Maar de beslissing blijve dan toch aan de Classis zelve.

 

(1913.)

20. Uw schrijven van gisteren geeft mij allereerst aanleiding tot de opmerking, dat de approbatie van beroepingen in de Classe Z niet behoorlijk geregeld is, blijkens uwe mededeeling, dat „de kerk van X met die van Y de attesten enz. moet nazien en ’t beroep approbeeren”. Dit laatste toch mag eene Classe nooit uit handen geven aan daartoe gedeputeerde personen of kerken. Wel mag zij in zake zulke approbatie deputaten daarbij aanwijzen; maar dan toch altijd zóó, dat die deputaten geenerlei macht krijgen om zelve tot die approbatie over te gaan, maar verplicht worden, om van hunne daartoe strekkende vergadering allen kerken der Classe bericht te zenden, met opgave van dag en uur en

|56|

plaats, opdat alle kerken gelegenheid hebben aan die approbatie deel te nemen, al mogen zij ook door wegblijven stilzwijgend toestemmen. Die vergadering is dan eene Classicale vergadering, alleenlijk zulk eene, waarbij geene andere zaken mogen behandeld worden, en waarbij alleenlijk de Deputaten verplicht zijn tegenwoordig te zijn. Op die wijze is indertijd aan de Classe W zulk eene approbatie toegestaan, met besliste afkeuring van haar regeling, volgens welke de approbatie aan twee kerken was overgelaten; door de uitspraak van de Generale Synode te Utrecht in 1905; zie hare Acta,1) art.15 (blz. 35) en2) Bijlage III, blz. 96;


1) Acta der Generale Synode van 1905 (Utrecht). Bldz. 35, art. 15.
Approbatie van beroepingen door Classe.
Dezelfde rapporteur deelt het advies der commissie over punt F 15 mede, het bezwaar van de Gereformeerde kerk te Bolsward (B) tegen eene uitspraak der Provinciale Synode van Friesland betreffende de wijze, waarop in hare Classe de approbatie van beroepingen is geregeld. Zonder discussie wordt aangenomen de conclussie van dit rapport. (Bijlage III):
a. Om uit te spreken, dat de gegrondheid van het bovengemelde bezwaar niet te ontkennen valt; en
b. Om voor te stellen, het bezwaar aldus te ondervangen, dat de Classe twee genabuurde kerken aanwijze tot approbatie van beroepingen in buitengewone gevallen; onder voorwaarde echter, dat deze kerken aan de andere tijdig kennis geven van tijd en plaats, waarop dit geschieden zal, met uitnoodiging aan die kerken, om aan die approbatie mede te werken.
2) Bijlage III. (Art. 15). Rapport over het bezwaarschrift van den kerkeraad van Bolsward (B) tegen eene uitspraak der Provinciale Synode van Friesland.
In handen uwer commissie, werd, onder F 15, gesteld een bezwaarschrift van den kerkeraad der Gereformeerde kerk te Bolsward (B) tegen eene uitspraak der Provinciale Synode van Friesland d. d. 26 Mei 1904 betreffende de wijze, waarop in haar Classe de approbatie van beroepingen is geregeld.
Uit de toelichting van het bezwaarschrift is uwer commissie gebleken, dat tot 4 Nov. 1903 in de Classe Bolsward als regel gold, dat eventueele beroepingen door de Classe zelve werden geapprobeerd; dat echter op genoemden datum van dien regel is afgeweken, doordien de Classe besloot, om de twee naastbijzijnde kerken aan te wijzen voor de approbatie van enig beroep, voor het geval dat de Classe niet spoedig genoeg vergaderen kon om zelve te approbeeren, tenzij eene der kerken in een bepaald geval op goeden grond verlangde, dat de Classe zelve zou approbeeren.
De kerkeraad van Bolsward (B) vroeg tevergeefs intrekking van dit besluit en beriep zich op de Provinciale Synode voornoemd. Maar ook ➝

|57|

welke uitspraak wel speciaal gedaan is om de Classe W tegenover den protesteerenden kerkeraad van X in het ongelijk te stellen, maar toch ook geldig is voor andere Classen, die op soortgelijke wijze een approbatie willen bespoedigen.

De approbatie van beroepingen is eene zaak van de geheele Classe. En dat moet vooral stipt worden in acht genomen, wanneer er quaestie is, of een beroeping wel zal kunnen geapprobeerd worden. In zulk een geval mag geen kerk ontslagen worden, of zichzelve ontslaan van de volle verantwoordelijkheid voor de te nemen beslissing.

Wat nu het geval betreft, waarover ge mij schrijft, — ik kan dat niet beoordeelen, daar ik geheel onbekend ben met Ds. A, en met de toestanden in de kerken van P en van Q, en met het advies, dat bij de beroeping van Ds. A uit P naar Q vanwege de Classe door den consulent is gegeven, en met nog vele andere ter zake doende omstandigheden.

De weigering eener approbatie is altijd eene zeer ernstige zaak, en zij is misschien wel het moeilijkst, wanneer de grond daarvoor zijn zou: niet de belijdenis of de wandel van den beroepen predikant, maar zijn gezondheidstoestand; nog te meer, wanneer het bezwaar ligt in zenuwlijden of hersen-overspanning. Immers zijn er een aantal gevallen denkbaar, waarin eene verplaatsing naar eene andere gemeente te dien aanzien een gunstigen invloed zou kunnen hebben. De kerk van Q schijnt dit laatste te denken. Op welken grond, weet ik natuurlijk niet. Maar daar zij toch zeker wel weet, dat de predikant, dien zij krijgt, geheel voor hare rekening is, ook wanneer hij spoedig zijn dienst zou moeten


➝ deze vergadering gaf aan den kerkeraad geen voldoening, weshalve hij zich op de Generale Synode beroept.
Uwe commissie, vooreerst er op wijzende, dat de approbatie van beroepingen eene zaak is van hoogst gewichtige beteekenis, waarvoor de geheele Classe verantwoordelijk is, en dus deze approbatie zooveel mogelijk dient te geschieden in de gewone vergadering der Classe zelve: en
ten tweede rekening houdende met het feit, dat er gevallen zich kunnen voordoen, waarin het noodzakelijk is, dat de approbatie vóór de vergadering verleend worde;
ten derde het gewenscht achtend, dat in zulke buitengewone gevallen voorzien worde;
heeft de eer (volgen de conclusies in het artikel der Acta).

|58|

neêrleggen, heeft het oordeel van die kerk wel eenige beteekenis.

Aan den anderen kant zou de Classe ook wel grond hebben, althans om bezwaar te maken, al is dat nog geene formeele weigering van approbatie, in de omstandigheid, dat de beroepen predikant thans niet in staat is zijn dienst te P waar te nemen, en reeds sinds langen tijd in dien toestand van ongeschiktheid tot dienstwerk verkeert. Indien dit genoegzaam vaststaat, en indien de Classe voldoenden grond heeft voor de overtuiging dat Ds. A nog in langen tijd zijn dienstwerk te Q niet zou kunnen waarnemen, dan is er zeker wel aanleiding tot bezwaar, en tot het besluit, om dit bezwaar zoo mogelijk weg te nemen door een medisch attest.

In dat geval zie ik ook geen reden, waarom Ds. A het daarvoor noodige medische onderzoek zou weigeren. Maar ik herhaal: de Classe moet goeden grond hebben om hem dat te kunnen vragen.

Zonder approbatie der Classe kan hij natuurlijk in Q niet bevestigd worden. En indien hij er dan toch kwam, zou die kerk daardoor uit het kerkverband treden, en eene soort van „vrije kerk” worden; waartegen de Classe haar wel ernstig en met veel geduld zou moeten waarschuwen.

Ziedaar althans iets op uwe vragen; al kon dit geen bepaald advies zijn, door gemis aan de daarvoor noodige gegevens, die ook per brief moeielijk zijn mede te deelen.

Rutgers, F.L. (1921) 13

Artikel 6.

Ook zal geen Dienaar dienst mogen aannemen in eenige particuliere heerlijkheden, gasthuizen, of anderszins, tenzij hij voorheen geadmitteerd en toegelaten zij, volgens de voorgaande artikelen; en hij zal ook niet minder dan andere aan de Kerkenordening onderworpen zijn.

 

13. Welke is de kerkelijke positie van een predikant in een stichting?

|59|

(1888.)

21. Voor den dienst des Woords enz. in gestichten is de wijze van beroeping enz geregeld in art. 6 van de K.O.; volgens welke bepaling zulk een beroeping geheel als elke andere te behandelen is; zoodat het bestuur van zulke gasthuizen enz. wel iemand kan kiezen, instrueeren en onderhouden, maar de kerkelijke qualificatie en beroeping toch komen moet van den kerkeraad ter plaatse, en de beroepene dan predikant wordt bij die kerk, met speciale aanwijzing voor den dienst in het gesticht, volgens de door dat bestuur gegeven instructie (altijd natuurlijk, wanneer tegen die instructie of tegen den persoon geen kerkelijke bezwaren zijn, ’t geen wel niet licht kan voorkomen).

Dat is m.i. de eeniglijk „wettige” en dus „aanbevelenswaardige” weg. Maar —  die is bij de Christelijke gestichten voor krankzinnigen afgesloten, doordat het bestuur oordeelt, ter wille van de „Hervormden” en hun steun, aan den „geestelijken verzorger” niet te mogen toestaan, eenige „kerkelijke” qualificatie mede te brengen.

Daardoor zal de positie van den „geestelijken verzorger” altijd scheef en gewrongen moeten zijn. Men zal hem „dominé” noemen, eene „pastorie” geven, laten „preeken”, „catechiseeren” enz.; maar dat alles „buitenkerkelijk”.

Om hem dan toch nog eenigszins eene positie te geven, heeft men voor Veldwijk, Loosduinen enz. gehandeld naar hetgeen ge mij schrijft (emeritaatsverklaring, zonder eenige verplichting vanwege de kerk). En al is die weg ook niet de rechte, ik zie er toch niets anders op. De B.B. in Veldwijk enz. zullen U wel precies kunnen aangeven, hoe er door hen en te hunnen aanzien kerkelijk gehandeld is.

Rutgers, F.L. (1921) 14

|60|

Artikel 7.

Niemand zal tot den dienst des Woords beroepen worden, zonder dat men hem in eene bepaalde plaats stelle, ten ware dat hij gezonden worde om hier of daar kerken te vergaderen.

 

14. Hoe kan men voor missionair-predikant studeeren?

 

(1898.)

22. Wat nu de zaak, waarover gij schrijft aangaat, zijt gij (en zijn ook eenige anderen die gij raadpleegdet) eenigszins in een misverstand. In de laatste Synode is het beginsel weêr aanvaard, dat een missionair predikant niet een ander soort van ambt heeft, dan een predikant hier te lande, maar geheel hetzelfde. Alleen zijn dienstwerk is anders; evenals zulks ook hier te lande bij alle predikanten lang niet hetzelfde is. Ook is door de Synode uitgesproken, dat men niet (althans in den regel

niet) studeeren kan voor missionair predikant ; evenmin als men kan studeeren voor stadspredikant, of dorpspredikant, of militaire predikant, of predikant bij visschers, enz. Men studeert voor predikant of Dienaar des Woords in het algemeen. Heeft men dan van den beginne begeerte om predikant bij de zending te worden, dan moet, als de gewone studie voltooid is, daarop nog een speciale studie (van talen enz.) volgen. Maar ook dan moeten de kerken beoordeelen, of iemand daarvoor geschikt is: dit kan en mag hij niet zelf uitmaken. Gij kunt dus eigenlijk nu nog geen steun vragen om missionair predikant te worden; wel, om te studeeren voor predikant, met de hoop, alsdan later geschikt te zijn voor de zending. Zoo niet, welnu, dan wordt men predikant hier te lande. En dat zal toch wel moeten bij sommigen, die nu reeds met hunne studie een heel eind gevorderd zijn; want de geldmiddelen zouden al zeer moeten toenemen, indien voor die allen plaats was. Hier aan de Vrije Universiteit zijn nu reeds vier studenten, die beslist, als de

|61|

kerken hen kunnen aannemen, bij de zending wenschen te dienen.

Op Uwe vraag kan ik dus antwoorden, dat de weg, om bij studie voor predikant, hetzij hier te lande of bij de zending, ondersteund te worden, zeker is, bij de kerken ondersteuning te vragen, die, hetzij classikaal hetzij provinciaal (dit laatste in de meeste provinciën) zulke ondersteuning geven. Doorgaans echter na oproeping van de belanghebbenden, om de meest geschikten daaruit te kiezen.

Rutgers, F.L. (1921) 15

15. Kan een predikant lid zijn van twee verschillende kerken?

 

(1912.)

23. Regel is natuurlijk, dat niemand lid kan zijn van twee kerken tegelijk; en op dien regel is ten aanzien van ouderlingen, diakenen en verdere gemeenteleden wel geen uitzondering denkbaar. Maar dat is anders bij een predikant, die door twee gecombineerde kerken beroepen is, om in beide dier kerken al zijn dienstwerk te verrichten. In zulk een, altijd eenigszins abnormaal geval, kan en moet dan die predikant, bij manier van uitzondering, tot beide die kerken behooren; als Dienaar des Woords, en dus ook als lid. In het contract of de acte, voor zulke combinatie opgemaakt, is dan voorts de positie van zulk een predikant ook natuurlijk nader geregeld; op zulk een manier, dat er ten aanzien van zijn dienstwerk in beide kerken en ten aanzien van zijn verhouding tot beide kerkeraden, nooit conflict kan komen tusschen de beide kerken of tusschen de kerkeraden en den predikant; b.v. door de regeling van gecombineerde kerkeraadsvergaderingen.

Ziehier, zeer in het kort, wat m.i. op uwe vraag te antwoorden is.

Rutgers, F.L. (1921) 16

|62|

Artikel 10.

Een Dienaar, eens wettelijk beroepen zijnde, mag de gemeente, aan welke hij verbonden is, niet verlaten, om elders eene beroeping op te volgen, zonder bewilliging des Kerkenraads met de Diakenen, en met voorweten van de Classe, gelijk ook geene andere Kerk hem zal mogen ontvangen, eer hij wettelijke getuigenis zijns afscheids van de Kerk en Classe, waar hij gediend heeft, vertoond hebbe.

 

16. Wanneer is een predikant, die een beroep naar elders aannam, te beschouwen als losgemaakt van zijne gemeente?

 

(1913.)

24. Ten eerste Uw vraag, of het geoorloofd is, dat Ds. A van X los is, wanneer hij aldaar geen afscheid gepreekt of genomen heeft, is zonder twijfel bevestigend te beantwoorden. Zulk een afscheid is nooit ergens voorgeschreven of vereischt; ’t geen ook inderdaad niet zou kunnen, daar vast en los te maken predikant door ziekte of anderszins daarin kan verhinderd zijn. De „losmaking” geschiedt niet door een afscheid preeken (al is dit in den regel altijd betamelijk en in zoover noodig, en daarom ook gebruikelijk), maar door het daartoe strekkend besluit van kerkeraad en Classe.

II. Uwe vraag, of de kerkeraad van X den datum van ontslag op 30 Maart mocht vaststellen, is ook zonder twijfel bevestigend te beantwoorden, zelfs al had de kerkeraad met goedvinden der Classe, dien datum nog een paar weken vroeger willen stellen, ten einde des te eerder van zijn finantiëele verplichtingen tegenover Ds. A ontslagen te zijn. Regel is te dezen zeker alleenlijk, dat het ontslag worde gegeven, ingaande op een dag dat de predikant in normale omstandigheden op zijn nieuwe standplaats kan bevestigd zijn, d.i. dus ongeveer 8 dagen na het ontslag. In bijzondere

|63|

omstandigheden kan een kerkeraad dien termijn nog wat verlengen en dit heeft X blijkbaar gedaan.

III. Op Uwe vraag: „en als de bevestiging (te Y) dan (op 30 Maart) nog eens niet kan plaats hebben?” is eindelijk te antwoorden, dat Ds. A alsdan aan geen enkele kerk verbonden is, en geen enkele kerk aan hem, zoodat hij nergens rechten of verplichtingen heeft.

Rutgers, F.L. (1921) 17

Artikel 11.

Aan de andere zijde zal de Kerkeraad, als representeerende de gemeente, ook gehouden zijn hare Dienaars van behoorlijk onderhoud te verzorgen, en hen niet uit hun dienst te ontslaan zonder kennis en approbatie van de Classe en van Deputaten der Particuliere Synode.

 

17. Hoe moeten de predikantstraktementen geregeld worden?

 

(1907.)

25. Wat nu is de eisch van Gods Woord, met betrekking tot het levensonderhoud van de kerkedienaren, die geroepen zijn tot den dienst des Woords en der Sacramenten en die zich daarom geheel daaraan toewijden?

Kort uitgedrukt, komt die eisch hierop neer, dat niet slechts voor de instandhouding van den kerkedienst in het algemeen, maar ook bepaaldelijk voor het onderhoud van de Dienaren des Woords, de leden der gemeente te zorgen hebben, en dat dus op elk hunner de verplichting rust om, in evenredigheid met zijn welstand, van de stoffelijke gaven, die de Heere hem voortdurend geeft, steeds het noodige voor dat doel beschikbaar te stellen.

In den tijd der Oude bedeeling, toen de gemeente des Heeren niet slechts tot Israël bepaald was, maar ook tevens met dat volk, als Gods volk, geheel samenviel, was die eisch zelfs opgenomen

|64|

in de wet, die door Israëls Koning aan zijn volk was gegeven. Het geheele volk moest de priesters en Levieten onderhouden; en doordat ook was voorgeschreven, dat dit geschieden moest door de daarvoor op te brengen tienden en eerstelingen en offers, was het onderhoud van die kerkedienaren zóó geregeld, dat het eenerzijds evenredig was aan de welvaart en dus aan de draagkracht des volks, en anderzijds verband hield met de grootte des gezins van iederen kerkedienaar, terwijl het dan voorts in staat stelde om, wel niet overdadig of weelderig, maar dan toch behoorlijk te leven.

Nu zijn de formeele bepalingen, die te dien aanzien in het Oude Testament voorkomen, zonder twijfel thans geen gebiedend voorschrift meer. In den tijd der Nieuwe bedeeling, nu de gemeente des Heeren niet meer met dat ééne volk vereenzelvigd is, staan we niet meer onder de wet, die voor Israël gold. Maar daaruit volgt volstrekt niet, dat die wet ons nu niets meer zou te zeggen hebben, en dat persoonlijke willekeur daarvoor in de plaats zou mogen komen. Aan de onveranderlijke waarheden, die in de genoemde bepalingen eene tijdelijke toepassing vonden, zijn we altijd gehouden, ook nu nog. Ook door ons moet erkend worden, dat de aarde des Heeren is, met al hare volheid; dat dus al het onze eigenlijk den Heere toekomt, naar wiens wil en ordinantie we het dus ook te gebruiken hebben; dat een gedeelte van dat goed Hem weer moet zijn toegewijd, ten behoeve van zijn dienst, dien Hij op de aarde instelde; en dat dit gedeelte dan niet gieriglijk moet berekend worden, maar degenen, die „het Evangelie verkondigen”, moet in staat stellen, om ook inderdaad „van het Evangelie te leven”.

Daarom wordt van die verplichting in het Nieuwe Testament dan ook geenszins gezwegen.Veeleer wordt zij op vele plaatsen niet slechts aan de gemeente voorgehouden, maar zelfs met bijzonderen nadruk bij haar aangedrongen.

Opmerkelijk is te dien aanzien reeds de lastbrief, waarmede Christus de twaalven, en later ook de zeventig, uitzond om te prediken. Zij mochten met de geestelijke goederen, die zij zelven uit genade ontvangen hadden en die zij nu aan anderen hadden uit te deelen, geenszins handelen, gelijk men doet met stoffelijke

|65|

arbeidsproducten, die met geld te taxeeren zijn en die dan naar hunne waarde verkocht worden; alsof „de gave Gods door geld verkregen werd” (Hand. 8: 20). Integendeel, tot hen werd gezegd „gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet” (Matth. 10: 8). Zelfs werd daaraan nog toegevoegd, dat zij ook zelven voor hun onderhoud niet te zorgen hadden. Integendeel, zij moesten niets op den weg medenemen. Maar dat alles werd toen verklaard en gemotiveerd door de verzekering, dat degenen, die bereid zouden zijn hen te ontvangen en hun woord te hooren, het niet om niet zouden ontvangen; zij zouden de predikers wel voorzien van al het noodige: „want de arbeider is zijn voedsel (of: zijn loon) waardig” (Matth. 10: 10; Luk. 10: 7). Dat de Evangeliepredikers onderhouden worden door degenen onder wie zij arbeiden, is dus, naar het woord des Heeren, een regel, waarvan de opvolging van zelf spreekt, althans bij „zonen des vredes”, die door Gods genade „waardig zijn”. Evenals ook de Heere zelf, in den tijd dat Hij met zijn apostelkring het land doorging, onderhouden is geworden door geloovigen, die „Hem dienden van hunne goederen”.

In de Apostolische brieven is dit vervolgens, als een altijd geldende regel, aan de Christelijke gemeente zoo sterk mogelijk ingeprent.

Wel hebben in den eersten Christentijd alle kerken nog niet aanstonds naar dien regel gehandeld. Zelfs heeft de Apostel Paulus bij zijne apostolische werkzaamheid ook eens door eigen handenarbeid in zijn onderhoud moeten voorzien: te Thessalonica (2 Thess. 3: 8, 9), te Corinthe (Hand. 18: 3) en te Epheze (Hand. 20: 33-35). Maar dat was in buitengewone omstandigheden, bij de eerste formatie van kerken uit bekeerde heidenen, of wel om persoonlijke lastering door dwaalleeraars te voorkomen. En wel verre, dat Paulus den gewonen regel daarmede ook maar eenigszins zou hebben willen ter zijde stellen, heeft hij juist integendeel daaruit aanleiding genomen, om dien regel met des te meer nadruk bij de kerken aan te dringen.

Toen hij aan diezelfde Corinthiërs, in wier midden hij om niet gearbeid had, later schreef, heeft hij niet nagelaten, ook deze zaak ter sprake te brengen, om hen nog eens ernstig te wijzen op den

|66|

Goddelijken eisch, waaraan zij te zijnen aanzien niet voldaan hadden (1 Cor. 9: 7-14):

Wie dient ooit in den krijg op eigene bezoldiging? Wie plant eenen wijngaard, en eet niet van zijne vrucht? Of wie weidt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde?
Spreek ik dit naar den mensch? Of zegt ook de wet dit niet? Want in de wet van Mozes is geschreven: Gij zult eenen dorschenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen? Of zegt Hij dat ganschelijk om onzentwille? Want om onzentwille is dat geschreven, overmits die ploegt, op hope moet ploegen en die op hope dorscht, moet zijner hope deelachtig worden.
Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het eene groote zake, zoo wij het uwe, dat lichamelijk is, maaien? Indien andere deze macht over u deelachtig zijn, waarom niet veel meer wij? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het alles, opdat wij niet eenige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.
Weet gij niet, dat degenen, die de heilige dingen bedienen, van het heilige eten; en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar deelen?
Alzoo heeft ook de Heere geordineerd, dengenen die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.

Zelfs heeft de Apostel in een volgenden brief zich, voor zooveel noodig, verontschuldigd, dat hij, in den tijd dat hij onder hen werkte, voor gebrek was bewaard gebleven door het aannemen van bezoldiging uit andere gemeenten, die hij vroeger gediend had; hiervan schrijvende, op eene wijze die wel geschikt was om de conscientie te raken (2 Cor. 11: 7-12):

Heb ik zonde gedaan, als ik mijzelven vernederd heb opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb?
Ik heb andere gemeenten beroofd, bezoldiging van haar nemende om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen.
Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld, die van

|67|

Macedonië kwamen; en ik heb mijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij nog alzoo houden.
De waarheid van Christus is in mij, dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden.
Waarom? Is het, omdat ik u niet liefheb? God weet het. Maar wat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen die oorzaak hebben willen, opdat zij in hetgene zij roemen, bevonden mochten worden gelijk als wij.

En desgelijks (2 Cor. 12: 13):

Want wat is er, waarin gij minder geweest zijt dan de andere gemeenten, anders, dan dat ikzelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk.

Inderdaad is de leering, die Gods Woord op dit punt ons geeft, zóó uitvoerig dat zij niet kan worden over het hoofd gezien, zóó duidelijk dat zij niet kan worden misverstaan, en zóó ernstig dat zij door geloovigen niet als eene bijzaak kan worden ter zijde gesteld.

Ja, de Schrift gaat zelfs nog iets verder. Zij bepaalt zich niet tot leeren en vermanen, maar zij waarschuwt ook tegen ongehoorzaamheid, door te wijzen op het eigenlijke karakter van zulke zonde en op de gevolgen, die daaruit voor de gemeente moeten voortvloeien. Tegenover menschen kan men zulke nalatigheid nog op allerlei wijze verontschuldigen; maar tot hen, die er niet aan denken dat zij hier met eene Goddelijke roeping te doen hebben, geeft de Apostel zijne vermaning met eene bijvoeging van ontzettenden nadruk (Gal. 6: 6-8):

En die onderwezen wordt in het woord, deele mede van alle goederen dengene die hem onderwijst.
Dwaalt niet; God laat zich niet bespotten; want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.
Want die in zijns zelfs vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.

Wel terecht zegt Calvijn, in de preek, die hij over dezen tekst gehouden heeft, dat „dit woord [nl. vs. 7], ook al is het kort, ons toch moet doen beven, niet minder dan wanneer we een

|68|

zwaren donderslag hoorden of den bliksem bij ons zagen neerslaan”. Immers (zoo wordt in diezelfde preek in bijzonderheden door hem aangewezen) het noemt de nalatigheid van gemeenteleden tegenover de predikers kortweg eene bespotting van God, daar men dan doet alsof men door de uitvluchten, die men tegenover de menschen en tegenover zichzelven gebruikt, ook God wel misleiden kan. Het verzekert ons, dat God Zich dat niet laat aandoen, maar ook te dezer zake zijne ordinantiën handhaaft, volgens welke de oogst aan de zaaiing beantwoordt. En het waarschuwt dan de gemeente om zich niet te laten bedriegen door „de listigheid van Satan”, die, terwijl hij voor „zijne eigene dienaren” goed zorgt, er steeds „op uit is, om de kerke Gods van goede herders er leeraars te berooven, wanneer men maakt, dat zij als het ware worden uitgehongerd”.

Inderdaad, sterker, dan het in dit Schriftwoord geschiedt, kon de zaak wel niet worden aangedrongen.

Voor iedere kerk, die zich inderdaad aan Gods Woord onderwerpt, kan dus geacht worden vast te staan, dat zij voor het levensonderhoud van den predikant, die aan haar verbonden is, heeft te zorgen.

In den eersten Christentijd kon er uit den aard der zaak hiervoor nog geen vaste regeling gemaakt worden; evenmin als dit later geschieden kon in tijden van vervolging en verstrooiing. Maar het zal, althans voor Gereformeerde kerken, wel geen betoog behoeven, dat dit anders is, wanneer de kerk in gerusten en geordenden toestand is, en dat ook te dezen aanzien goede regeling alsdan niet slechts mogelijk, maar ook tevens gewenscht en zelfs noodig is. Er moet dan gezorgd worden voor de bepaling van een vast predikantstraktement.

En wanneer we dan vragen, hoe die bepaling zijn moet, laat de Schrift ons waarlijk niet in verlegenheid. Wat zij op een groot aantal plaatsen te dien aanzien leert, is zoo eenvoudig en zoo duidelijk, dat voor elken tijd, en voor elke kerk, en voor elken toestand de toepassing gemakkelijk is te vinden.

Niet alsof hier een bedrag zou zijn aan te geven, dat voor alle kerken gelijkelijk zou zijn vast te stellen, of dat althans gelden kon voor de kerken, die op een bepaalden tijd in hetzelfde

|69|

kerkverband staan. Daarvoor zijn de toestanden veel te verschillend, zoowel plaatselijk, ten aanzien van de levenswijze die te volgen is, als persoonlijk, ten aanzien van de grootte van het gezin dat te onderhouden is. Wie tusschen alle predikantstraktementen eene schijnbare gelijkheid zou willen, zou juist daardoor de grootste ongelijkheid in het leven roepen. De bepaling, die dan zou te maken zijn, zou bovendien voor verre de meeste gevallen te laag moeten gesteld worden, terwijl zij tevens voor sommige gevallen hooger zou zijn dan strikt noodig was. En, wat eigenlijk op zichzelf reeds afdoende is, zij zou in het geheel niet beantwoorden aan den eisch der Schrift, die aan iedere gemeente oplegt, haren predikant zooveel te geven, als hij daar ter plaatse voor een eenvoudig burgerlijk leven noodig heeft; waaraan dan, wanneer hij een gezin heeft, is toe te voegen, wat hij noodig heeft voor het onderhoud zijner kinderen, zoolang deze nog niet voor zichzelven kunnen zorgen.

Dit nu zal in den regel voor iedere kerk door den kerkeraad wel kunnen beoordeeld worden, althans na gezet onderzoek en na ernstige overweging.

Als men dan op zulke wijze zich inderdaad rekenschap geeft van hetgeen voor de bepaling van het predikantstraktement de eisch van Gods Woord is, dan zal ook wel moeten erkend worden, dat in onze kerken althans op verre de meeste plaatsen, de bestaande toestand aan dien eisch niet beantwoordt.

Het is zeker waar, dat uit den kring der predikanten zelven niet veel klachten worden openbaar gemaakt. Wat in soortgelijk geval op bijna ieder ander gebied thans voortdurend gezien en gehoord wordt, vindt op kerkelijk gebied gelukkig geen navolging. Maar die kieschheid en bescheidenheid mag toch nooit eene reden zijn om de zaak maar te laten rusten. Veeleer moet zij door de kerken zelve, juist daarom des te meer worden ter harte genomen.

Onze kerken staan dus thans voor de vraag, hoe in dezen misstand verbetering zou zijn aan te brengen; eene vraag, die zij niet ontwijken mogen, maar die toch zeker gemakkelijker te stellen, dan te beantwoorden is.

Inderdaad is het antwoord dan ook niet te vinden in onderscheidene plannen en denkbeelden, die te dien einde wel eens zijn voorgesteld.

|70|

Door sommigen is gesproken van Staatshulp; van steun, die door de Overheid uit ’s Lands schatkist aan den kerkedienst zou te verleenen zijn, zoo al niet om dien geheel te bekostigen, dan toch om eene toelage te geven voor het predikantstraktement. Denkelijk zou dit ook wel kunnen verkregen worden, al zou zulke toelage voor elke kerk slechts betrekkelijk klein zijn. Maar, ook nog afgezien van de principieele bezwaren, die uit onderscheiden oogpunt tegen zulke verhouding tusschen Overheid en kerk zijn in te brengen, zou van eene dergelijke hulp toch niet eens eene wezenlijke verbetering te wachten zijn. Immers leert de geschiedenis, dat bij kerken eene Staats-subsidie bijna altijd schadelijk werkt op de offervaardigheid der gemeente, zoodat zij dan ten slotte eigenlijk meest ten goede komt, niet aan de kerk of aan de kerkedienaren, maar aan de gemeenteleden zelven. En voorts zou eene Rijkstoelage aan onze kerken, ten behoeve van hare predikantstraktementen, thans onvermijdelijk het karakter hebben van eene vrije gift. Het zou eene uitkeering zijn, die niet uit verplichting maar uit welwillendheid verleend werd en waarvan de aanvaarding dus eene prijsgeving zijn zou van ons recht, om beschouwd te worden als de voortzetting onzer oude Gereformeerde kerken. Dat recht hebben we te handhaven, ook met betrekking tot gebouwen en bezittingen en inkomsten. We moeten dat doen, ook en zelfs allereerst in het geestelijk belang onzer kerken. En we doen het dus, ook al weten we, dat de rechtsbeschouwing en dientengevolge de rechtsspraak, die te dien aanzien sedert lang hier te lande geldt, in afzienbaren tijd wel niet zal veranderen. Dit stoffelijk verlies hebben we te dragen, met al zijne gevolgen. Ook met dit gevolg, dat nu onze kerken, zonder hulp van buiten, zelve te zorgen hebben voor de kosten, die er aan den kerkedienst verbonden zijn.

Daarvoor rust de zorg op iedere kerk, met betrekking tot haren eigenen kerkedienst, en dus ook met betrekking tot het traktement van den Dienaar des Woords, die bepaaldelijk aan haar is verbonden. Natuurlijk wordt hier niet door uitgesloten, dat arme kerken door de meervermogende geholpen worden. Dit geschiedt dan ook nu reeds, tot op zekere hoogte, door de daarvoor bestaande kassen van Classen en van Particuliere Synoden, en voorts

|71|

door de Algemeene kas voor hulpbehoevende kerken. Maar, hoezeer die hulp te waardeeren is, zij is toch, zooals ieder wel weet, steeds betrekkelijk klein, vergeleken met den steun, die zou noodig zijn; en zij zou ons bijna geheel in den steek laten, wanneer we die thans ook nog wilden inroepen voor eene bijna algemeene verhooging van de predikantstraktementen. Immers, in dat opzicht hebben bijna alle kerken een tekort; en plaatsen, waar men daarvan geen last heeft, zijn er in ons kerkverband zeker niet vele. Ook van onze grootste gemeenten geldt ten volle, dat het niet vele rijken en edelen zijn; en hoe talrijk die gemeenten ook zijn, of eigenlijk juist daarom, hebben zij jaar op jaar groote moeite, om bij de verzorging der belangen, die bepaaldelijk aan haar zijn toevertrouwd, ook met name bij de onderhouding van haren kerkedienst, een tekort te voorkomen of wel aan te zuiveren. Daarvan mag nu zeker niet het gevolg zijn, dat de Christelijke mededeelzaamheid jegens andere kerken niet meer zou beoefend worden. Maar wel volgt er uit, dat van ondersteuningskassen, die min of meer generaal zijn, de gewenschte verbetering van de predikantstraktementen niet te wachten is.

Waar men dit wel inzag, is men soms op de gedachte gekomen, om de verbetering van de predikantstraktementen te verkrijgen door besluiten van kerkelijke vergaderingen, waardoor dan zou bepaald worden, dat het daarvoor noodige bedrag naar een billijken maatstaf over alle Kerken zou zijn om te slaan, en dat aan de kerken zou zijn opgelegd, het bedrag, waarvoor zij waren aangeslagen, aan de bestaande kassen voor hulpbehoevende kerken, of aan eene op te richten algemeene kas, jaarlijks uit te keeren. Dit schijnt zeker zeer eenvoudig; even eenvoudig, als wanneer men op maatschappelijk gebied alle armoede zou willen uit de wereld helpen, enkel door eene wet, waarbij de belastingen zóó verhoogd werden, dat de opbrengst voldoende was om aan iedereen een behoorlijk inkomen te verzekeren. Dat dit echter voor de maatschappij niet gaan zou, en zelfs niet zou kunnen of mogen beproefd worden, zal in onze kerken wel door ieder erkend worden. Maar op kerkelijk gebied zou het zeker nog veel minder aan den eisch des rechts beantwoorden, daar kerkelijke vergaderingen in bevoegdheid en macht met de Overheid niet gelijk staan.

|72|

De verplichting tot onderhoud van den Dienaar des Woords rust geheel op de kerk, aan wier dienst hij bepaaldelijk is verbonden. Daardoor wordt nu zeker niet uitgesloten, dat er kerken zijn, die, om aan die verplichting te voldoen, hulp ontvangen van andere kerken. Zulk een hulpbetoon is gedurig noodig, en waar het kan verleend worden, is het zelfs Christelijke roeping, naar den regel der Schrift (Gal. 6: 2) : „Draagt elkanders lasten”. Maar dit geschiedt dan uit Christelijke liefde en mededeelzaamheid jegens zusterzerken, het is geenszins eene uitkeering, tot welke men rechtens zou verplicht zijn, en die dan door anderen zou kunnen bepaald en vervolgens opgelegd worden. Tot het nemen van besluiten, die daartoe strekken zouden, hebben onze Classen en Synoden dan ook geenerlei bevoegdheid. Immers zijn die vergaderingen, bij Gereformeerde kerken, geen bestuurscolleges, die als zoodanig eene eigene macht over de kerken zouden hebben, maar alleen vergaderingen van de kerken zelve, waarin deze hare eigene macht bijeenbrengen, en dan nog niet eens hare gansche macht, maar slechts een bepaald gedeelte; en wanneer nu ieder van die kerken op zichzelve niets te zeggen heeft over de geldmiddelen eener andere kerk, kunnen zij gezamenlijk te dien aanzien evenmin eenig zeggenschap hebben. Wel hebben alle kerken, die zich bij het kerkverband aansloten en zulks blijven doen, zich juist daardoor verbonden, een evenredig aandeel te dragen in de kosten, die dat kerkverband uit den aard der zaak nu eenmaal medebrengt, d.w.z. in de kosten der meerdere vergaderingen met hetgeen deze voor hare werkzaamheid noodig hebben. Maar andere uitgaven kan eene meerdere vergadering aan plaatselijke kerken niet opleggen; en indien zij voor andere uitgaven een besluit neemt, tot welks uitvoering bijdragen van de kerken noodig zijn, dan is zulk een besluit altijd min of meer voorwaardelijk: de uitvoering is dan altijd eenigszins afhankelijk van het al of niet medewerken der plaatselijke kerken zelve, die, ook bij collecten voor gemeenschappelijke belangen, nooit verplicht kunnen worden een zeker voorafbepaald bedrag daardoor bijeen te brengen. Reeds om die reden, ook nog afgezien van allerlei andere gronden, is dus tot verbetering van de predikantstraktementen ieder plan, dat op zulke onderstelde verplichting zou rusten, inderdaad onaannemelijk en ook onuitvoerbaar.

|73|

En ditzelfde geldt ook van nog een ander middel, dat wel eens is voorgesteld, n.l. dat eene meerdere vergadering, liefst de Generale Synode, voor de predikantstraktementen een zeker minimum zou vaststellen, en de kerken zou dwingen zich daaraan te houden, door te bepalen dat, wanneer men bij eene beroeping daarbeneden bleef, de vereischte Classikale approbatie zou geweigerd worden. Zonder twijfel mag eene Classe of Synode wel uitspreken, wat zij voor alle de tot haar behoorende kerken als minimum noodig acht; waarbij echter nog de vraag is, of dat over het geheel in het belang der zaak zou zijn, daar men dan toch natuurlijk als maatstaf zou moeten. nemen, wat het kleinste predikantsgezin, ter plaatse waar de levenswijze het goedkoopste is, zou noodig hebben. Maar al zou men zulke uitspraak ook gewenscht achten, zij zou toch in geen geval aan de kerken als een voorschrift kunnen worden opgelegd. Wat reeds in de vorige alinea over de bevoegdheid van de meerdere vergaderingen herinnerd werd, is ook hier van toepassing: aan de verklaring, die zij met betrekking tot predikantstraktementen uitspreken, kunnen zij de kerken niet binden. En nog veel minder zouden zij de bedreiging daaraan mogen vastmaken, dat zij iedere beroeping, waarbij voor het traktement een lager bedrag gesteld was, zouden beletten of krachteloos maken, door alsdan de vereischte medewerking te weigeren. Immers, naar den eisch van Gods Woord moet, zoo het ook maar eenigszins mogelijk is, in elke geordende kerk een Dienaar des Woords zijn. Natuurlijk moet zij dan ook zorgen voor zijn onderhoud. Maar wanneer haar kerkeraad hiervoor nu het noodige slechts ten deele kan bijeenbrengen, en er is een predikant, die zich gedrongen voelt haar toch te helpen, zij het ook met offers, die hij zijnerzijds kan en wil brengen, met welk recht zou dan eene Classe dat verbieden, ja met welk recht zou zij te dien aanzien ook maar eenig zeggenschap uitoefenen? Zonder twijfel hebben zij bij beroepingen een zeker zeggenschap. Zij hebben toe te zien, dat geen predikant worde toegelaten, die niet zou beantwoorden aan de in onze kerken gestelde eischen, en zij hebben te dien aanzien zelfs een beslissend oordeel. Maar dit heeft zijn grond in het kerkverband zelf, aangezien de toelating voor het gansche kerkverband geldt; en daaruit zal wel nooit zijn af te leiden, dat, wanneer de beroepen predikant

|74|

aan de eischen voldoet, toch, van wege het traktement waaromtrent hij met de kerk is overeengekomen, zijne toelating zou te weigeren zijn. Het is juist integendeel de roeping der Classen, om er bij vacante kerken steeds op aan te dringen, dat zij, zoo het ook maar eenigszins mogelijk is, spoedig een beroep uitbrengen. Dit te doen is aan iedere kerk van Gods wege opgelegd. En wanneer dan eene kerk, door medewerking van een predikant, hieraan kan en wil voldoen, dan mag zeker geene Classe haar willen dwingen, aan Gods Woord ongehoorzaam te zijn; trouwens, een dwang waaraan Gereformeerde kerken zich ook niet zouden kunnen onderwerpen. In alle die overwegingen ligt nu zeker niet opgesloten, dat het in het algemeen een gewenschte toestand zou zijn, wanneer predikanten, die eigen middelen hebben, zelven geheel of ten deele voor hun eigen onderhoud zorgden. Het kan en het mag bij eene kerk, die inderdaad arm is. Alsdan kan haar predikant de verplichting, die op de gemeente rust, zelf tot op zekere hoogte voor zijne rekening nemen. Maar anders zou het zeker niet in het belang van de gemeente zijn, dat hij haar aan het besef van die verplichting ontwende, haar financieel als het ware van zich afhankelijk maakte, en misschien oorzaak werd, dat zij meer ging hechten aan het stoffelijk voordeel, dat haar predikant haar gaf, dan aan de geestelijke goederen, op wier mededeeling het toch eigenlijk aankomt. Intusschen, dat staat ten slotte, bij ieder voorkomend geval, geheel ter beoordeeling van den predikant zelven. De Classe kan, zoo dit wenschelijk schijnt, hem van tevoren waarschuwen, dat hij, op een laag traktement een beroep aannemende, dit niet doen moet in de verwachting dat er wel suppletie komen zal van de andere kerken. Maar zij moet er zich bij neerleggen, wanneer de zaak toch doorgaat. Van dwang kan en mag hier geen sprake zijn.

Van de bovengenoemde wegen, die tot verbetering van de predikantstraktementen wel eens zijn voorgesteld, moet dus gezegd worden, dat zij geen van alle door onze kerken kunnen worden ingeslagen, of ook maar eenigszins leiden kunnen tot het voorgestelde doel. Ja, meer nog: elke poging, die in ééne van die richtingen werkzaam is, moet, juist integendeel, van dat doel afleiden. Reeds het uitspreken van die plannen en denkbeelden, ofschoon het natuurlijk met de beste bedoelingen geschied is, heeft niet anders

|75|

dan schadelijk kunnen werken, want vanzelf is dat tot verzwakking van elken aandrang, die gericht wordt tot de gemeente zelve. Altijd en bij ieder zal, ten aanzien van eene roeping wier vervulling moeite en offers kost, de opgewektheid, om er naar behooren aan te voldoen, min of meer verflauwen, wanneer hem wordt voorgesteld, dat die verplichting eigenlijk geheel of ten deele op anderen rust of op anderen kan gelegd worden. Laten onze kerken dus geheel daarvan afzien, om dan des te beter te letten op hetgeen naar den eisch der Schrift hare eigene roeping is. Dat is hier de hoofdzaak. Waar die roeping slechts weinig gevoeld wordt, kunnen pogingen tot verbetering ook niet baten. Maar ook, omgekeerd, zal er op de meeste plaatsen goede vrucht gezien worden, wanneer het besef van die roeping kan versterkt worden, zoodat in een ruimen kring dat besef waarlijk leeft en werkt.

Dit is uit den aard der zaak niet in alle kerken op een enkel oogenblik tot stand te brengen, en het kan ook niet verkregen worden alleenlijk door het besluit van eene kerkelijke vergadering. Maar toch is en blijft dit de zaak, die hier op den voorgrond moet staan. Tot verbetering van de predikantstraktementen is het eigenlijke middel, het middel dat aan alle andere, als zij iets zullen baten, ten grondslag moet liggen, dat te dezer zake de eisch van Gods Woord aan de gemeente worde voorgehouden, en dat die eisch gedurig en met ernst bij haar worde aangedrongen.

Dat is dan de roeping, allereerst van de Dienaren des Woords, die immers het geheele Woord te bedienen hebben; aan de jeugd op de catechisatiën, en aan de geheele gemeente bij hare openbare samenkomsten. Zonder twijfel heeft juist deze onderwijzing voor predikanten hare eigenaardige bezwaren; en daarom is zeer begrijpelijk, zelfs in zeker opzicht eervol, dat zij het hier bedoelde gedeelte der Schrift doorgaans laten rusten. Inderdaad moet erkend worden, dat het thans een eenigszins zonderlingen, misschien zelfs ongewenschten, indruk zou maken, wanneer nu en dan eene preek gehouden werd, die inzonderheid met dit onderwerp zich bezig hield, gelijk b.v. in de preeken van Calvijn herhaaldelijk het geval is. Maar wie, ook bij het besef van velerlei tekortkoming, toch de bewustheid heeft, dat hij inderdaad aan zijn dienst zich toewijdt en dat hij met den Apostel kan zeggen : „ik zoek niet het uwe,

|76|

maar u,” die zal ook bij dit onderwerp het Woord wel bedienen kunnen, eenerzijds met voorzichtigheid, wijsheid en tact, en steeds in verband met de hoofdzaak van het Evangelie, maar ook anderzijds met vrijmoedigheid. Misschien zou het bezwaar ook wel grootendeels ondervangen worden, wanneer men bij de prediking meer te werk ging naar hetgeen in de eeuw der Reformatie vaste gewoonte was en door Calvijn in geheel zijn diensttijd steeds betracht is, nl. niet te preeken over teksten, die men week aan week zelf uitkiest, maar geheele Bijbelboeken achtereen te behandelen. Natuurlijk mag men dan de gedeelten, die op het hier bedoelde onderwerp betrekking hebben en die zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament gedurig voorkomen, niet overslaan. Ook te dezen aanzien laat men dan vanzelf het Woord Gods tot zijn recht komen.

En voorts hebben ook de ouderlingen hier eene roeping, wanneer zij door hun ambt met gemeenteleden in aanraking komen, met name bij huisbezoek. Zonder twijfel moet hun dienstwerk steeds gericht zijn op de eere Gods, op de stichting der gemeente en op de bevordering van geloof en bekeering, en heeft het juist daardoor een geestelijk karakter. Maar dat wil toch niet zeggen, dat dus alle zorg voor hetgeen de kerkedienst nu eenmaal noodig heeft, aan hun ambt geheel vreemd zou zijn. Immers, voor de kerk heeft God zelf zulke zorg met haar geestelijk belang nauw verbonden, evenals in het natuurlijke de ziel en het lichaam. Wat dit laatste betreft, mag zeer zeker niemand de behoeften der ziel om der wille van het lichaam verwaarloozen; maar hij mag evenmin in het tegenovergestelde uiterste vervallen. En zoo zou ook op kerkelijk gebied eene soort van overgeestelijkheid met de ordinantie Gods in strijd zijn en juist daardoor inderdaad ongeestelijk worden. Op een eisch der Schrift de gemeente te wijzen, kan wel nooit geacht worden met het ambt der ouderlingen eigenlijk niet overeen te komen, allerminst wanneer het een eisch is, die juist op de kerk betrekking heeft. Dit te doen hoort, integendeel, ook tot hunne roeping.

Of het raadzaam is, dat een kerkeraad, om voor het hier bedoelde belang de medewerking der gemeente te verkrijgen, alle hare leden, of wel hare mansleden, tot eene samenkomst uitnoodigt, is eene

|77|

vraag, waarop zeker niet voor alle kerken hetzelfde antwoord te geven is. Er zijn plaatsen, waar men zulke samenkomsten zonder eenig bezwaar zou kunnen houden, en waar zij zelfs zeer goede vrucht zouden opleveren. Maar er zijn ook plaatsen, waar veeleer het tegendeel geldt; met name, waar te vermoeden is, dat de beraadslaging zich niet tot de zaak op zichzelve bepalen zou, maar bij sommigen ook wel gaan zou over den persoon en het werk van hun dienstdoenden predikant; of wel, waar op het punt van kerkinrichting en kerkregeering een zeker independentisme niet vreemd is, en daardoor zulke samenkomsten wel eens beschouwd worden als formeele kerkelijke vergaderingen, die als zoodanig bevoegd zouden zijn, niet alleen om over kerkelijke zaken te beraadslagen, maar ook om daarover bij stemming een geldig en voor den kerkeraad bindend besluit te nemen. Natuurlijk moet een Gereformeerde kerkeraad bij alle belangrijke aangelegenheden, en met name bij eene zaak als hier bedoeld wordt, altijd rekening houden met de inzichten en de wenschen der gemeenteleden, en daarom geen besluit nemen, dat hun als het ware van buiten zou worden opgelegd. Maar op velerlei wijze kan hij met hen voeling houden of de gemeente hooren; en wat te dien aanzien de beste weg is, kan alleen plaatselijk worden uitgemaakt.

Door het bovengenoemde moet gezorgd worden voor den grondslag, die bij alle actie tot verbetering van de predikaatstraktementen voor een goeden uitslag onmisbaar is. En voor bepaalde maatregelen, die daarbij te nemen zijn, is het dan de kerkeraad, die, als het bestuur der gemeente, ook te dezer zake de noodige leiding moet geven; wel in overleg met de gemeenteleden, en soms, waar dit noodig is, op hun aandrang, maar toch altijd zóó, dat hij zelf de beslissing neemt. Waar hij, gelijk bijna overal zeer terecht geschied is, voor de kerkelijke administratie eene Commissie van beheer heeft ingesteld, moet hij natuurlijk bij de bedoelde maatregelen met haar samenwerken, overeenkomstig de regeling, die hij voor zulk eene commissie gemaakt heeft, en op de wijze die hij het meest doeltreffend acht. Maar toch altijd blijft de kerkeraad zelf ten slotte verantwoordelijk voor hetgeen te dezer zake besloten wordt.

Nu zijn er zeker kerken, die inderdaad zóó klein zijn en zóó

|78|

weinig draagkracht hebben, dat zij hare inkomsten op het oogenblik nog niet kunnen vermeerderen of zelfs nog niet eens tot eene beroeping kunnen overgaan; en ook zijn er kerken, waar het traktement niet lager is dan het daar ter plaatse vereischte minimum, en waar door bijvoeging van kindergeld ook gerekend is met de talrijkheid van het predikantsgezin. Maar in verre de meeste kerken is dat anders. En in deze moet de Kerkeraad dus, om aan den eisch van Gods Woord te voldoen, de zaak ter hand nemen.

Voor de wijze, waarop dit het best zou kunnen gedaan worden, is uit den aard der zaak hier geen advies te geven, dat tot bijzonderheden afdaalt, daar de plaatselijke toestanden hiervoor veel te verschillend zijn. Zoo b.v. is wel in het algemeen raadzaam, dat de predikant, ook al is hij voorzitter van den kerkeraad, toch persoonlijk geen deel neme aan de hier bedoelde werkzaamheden; maar het kan toch zijn, dat dit hier of daar goed kan werken en zelfs wordt gewenscht: en dit moet dan plaatselijk beoordeeld worden. Desgelijks hangt het van omstandigheden af, of de kerkeraad, voor de voorbereiding en uitvoering van de te nemen maatregelen, al dan niet, eene commissie zal instellen en instrueeren; en, indien hij dit nuttig acht, hoe zulke commissie dan is samen te stellen, hetzij uit kerkeraadsleden, of ook uit leden der Commissie van beheer, of ook met bijvoeging van andere gemeenteleden. En, gelijk reeds boven herinnerd werd, is ook op de vraag, of de zaak het best te behartigen is door eene samenkomst met gemeenteleden, dan wel door bezoek aan de huizen, niet in alle Kerken hetzelfde antwoord te geven.

Met betrekking tot alle kerken kan slechts op enkele punten de aandacht gevestigd worden. En dan zal wel, in het algemeen, zonder twijfel het volgende gelden.

Overal stelle men zich als einddoel om te komen tot het minimum, dat ter plaatse voor het levensonderhoud van een predikant wordt noodig geacht.

Hierbij worde steeds ook gerekend met de talrijkheid van zijn gezin, zoodat aan het bedoelde minimum een zoogenaamd kindergeld worde toegevoegd. In enkele kerken wordt dit nu reeds gedaan; o.a. zóó, dat voor ieder kind beneden de zes jaar f 25,— per jaar wordt uitgekeerd, van zes tot twaalf jaar f 50.— en van

|79|

dertien tot achttien jaar f 100.—, of meer. Dit is dan voor het onderhoud en de opleiding zeker nog volstrekt niet voldoende; en waar het traktement reeds zeer laag is, zouden zulke cijfers wel verhoogd moeten worden. Maar wanneer in die richting gewerkt wordt, is dat voor een predikant toch verlichting van zorgen. Het is tevens eene manier van traktementsverhooging, die, meer dan eenige andere, ingang en medewerking vindt bij de gemeente. En het is ook het meest in overeenstemming met den regel, die voor het onderhoud van kerkedienaren in de Schrift wordt gesteld.

Voorts is het zeker niet raadzaam, dat de medewerking der gemeente gevraagd worde door middel van contributiën of collecten, die bepaaldelijk voor het predikantstraktement zouden bestemd zijn; daar dit met de vereischte kieschheid niet zou overeenkomen, en ook op den duur tot moeielijkheden en onaangename verhoudingen zou leiden. Inderdaad behoort het traktement toch ook tot de gewone uitgaven voor den kerkedienst. En ten aanzien van dien dienst is dan wel aan te bevelen, dat, waar de gemeenteleden tot nog toe hiervoor niet bijdroegen door middel van inschrijvingen tot een jaarlijksch bedrag, te dien einde eene plaatselijke organisatie worde in het leven geroepen, die in staat stelt om de toegezegde contributiën desverkiezende per kwartaal of per maand of per week te voldoen.

En ten slotte worde bij al dien arbeid steeds toegezien, dat verhoogde bijdragen voor den kerkedienst niet zóó gevraagd of gegeven worden, dat zij eene evenredige schade zouden toebrengen aan de inkomsten voor andere belangen, die ook door de gemeente verzorgd worden, met name aan de inkomsten voor de diakonie, voor het Christelijk schoolonderwijs en voor de Zending, daar het anders feitelijk eigenlijk geen bijdragen zouden zijn van de gemeenteleden zelven. 1)

 

(1907.)

26. Over het „besluit” der Classe X tot bepaling van een minimumpredikants-traktement, heb ik nu begrepen, dat dat eigenlijk geen


1) Bovenstaand stuk is een schrijven, dat op 3 Nov. 1909 door Prof. Rutgers tezamen met Prof. M. Noordtzij en den heer M. van Muiswinkel als Deputaten der Gen. Synode voor dit doel aan alle kerken werd toegezonden.

|80|

besluit is, maar alleen de constateering, dat alle kerken der Classe zulk een traktement noodig achten, dat zij eventueel zelve dat traktement zoo bepalen zullen (altijd zeker, indien zij dit kunnen), en dat zij bereid zijn, nl. de meervermogende kerken onder haar, om de armere met een bijdrage te helpen (altijd weêr, voor zoover zij dit kunnen); terwijl voorts die Classikale verklaring geene kerk bindt voor de toekomst; ’t geen in zake traktementsbepaling en hulpbetoon toch ook niet door een Classe zou kunnen geschieden, daar die hiertoe onbevoegd is; en ook niet door een kerk voor zichzelven, daar de tegenwoordige kerkeraad zijne opvolger hiertoe niet kan verplichten (’t geen wel kan en moet, bv. in zake de traktementstoekenning aan een bepaald persoon, als zijnde dit eene verplichting van de kerk tegenover een derde). Te dien zake kan dan ook nooit een omslag door de Classe bepaald worden; in den zin dien dat woord doorgaans heeft, nl. de bepaling eener bijdrage die men moet geven. Zulk een omslag kan aan eene kerk alleenlijk opgelegd worden met betrekking tot uitgaven die vanzelf uit het kerkverband voortvloeien, en dan uit kracht van dat kerkverband; dus voor Classikale en Synodale vergaderingen. Voor alle andere zaken waarbij kerken samenwerken, kan alleen door Classe en Synode worden bepaald, wat naar billijkheid van iedere kerk als bijdrage mag verwacht worden. Men kan dat ook wel omslag noemen; maar dan toch in geheel anderen zin dan waarin het Classikaal quotum zoo heet.

Rutgers, F.L. (1921) 18

18. Om wat redenen mag een predikant losgemaakt worden?

 

(1900.)

27. In zake de klachten van den Kerkeraad en van eenige gemeenteleden te X, over Ds. A kan ik moeielijk een advies geven, daar ik hiervoor met personen en toestanden op verre na niet genoeg bekend ben.

In het algemeen schijnen die klachten mij zeer vaag toe. Zij zijn nl., dat „de prediking van Ds. A niet sticht”, dat „zijn catechetisch onderwijs veel te wenschen overlaat”, en dat hij „vaak in strijd met de waarheid aan grootspraak zich schuldig maakt”.

|81|

Mij dunkt, dat een Classe, op de klachten ingaande, preciseering daarvan, en staving door feiten, zeker noodig heeft.

Gelijk die klachten nu luiden, zouden zij wel tegen meerdere predikanten gelden, althans het „niet-stichten” en het „niet-voldoende catechiseeren”. Maar op zichzelf wettigt dat nog geen ontslag. In sommige gevallen is er ook wel schuld bij de gemeente. En voorts is er te X in dit geval altijd deze schuld, dat men 9 jaren geleden Ds. A beroepen heeft, zonder genoegzaam te hebben geïnformeerd. Daar hij reeds op leeftijd is, zal hij in die 9 jaren wel niet van methode in preêken en catechiseeren veranderd zijn; en naar uwe mededeeling heeft men vóór dien tijd in de Classe Y met Ds. A reeds veel moeite gehad, waarvan bij nauwkeurige informatie ook wel iets zou gebleken zijn.

Ik bedoel hiermede volstrekt niet, Ds. A vrij te pleiten, of nog wel bruikbaar te verklaren voor X. Maar ik wil er slechts op wijzen, dat men er niet te spoedig toe moet overgaan, een predikant van zijne gemeente los te maken, omdat die gemeente niet meer met hem tevreden is of overweg kan.

Er zijn tal van gemeenten, waar een middelmatige predikant lang diende, en waar men wel gaarne eens zou veranderen. En dit moet niet betrekkelijk gemakkelijk gemaakt worden; want dan zouden de consequentiën niet te voorzien zijn. Ook is de band tusschen Dienaar en kerk van God gelegd, en dus alleen om gewichtige redenen los te maken.

Aan den anderen kant mag natuurlijk een gemeente ook niet aan een persoon worden opgeofferd.

Maar op welke wijze nu in casu te handelen is (vermaning van den predikant, idem van kerkeraad en klagende gemeenteleden, enz.), moet door nauwkeurige kennis van personen en omstandigheden beslist worden; en in ieder geval niet op vage, ongepraeciseerde, klachten.

Ook is voor dit geval zeker te letten op een rapport aan de laatste Generale Synode te Groningen (Acta, p. 174 vg.) 1) en op de eenigszins daarvan afwijkende besluiten der Synode (Acta, p. 59 vg.).


1) Acta der Generale Synode 1899 (Groningen), bldz, 174. Rapport inzake losmaking van Bedienaren des Woords, Agendum Letter I, f.
Uwe Commissie, benoemd om te adviseeren in de zaken van het

|82|

Agendum onze Kerkenordening betreffende, heeft ook overwogen de vraag van de Provinciale Synode van Drente: of het niet in strijd is met de D.K.O. en met de beginselen van het Gereformeerde kerkrecht, wanneer, gelijk enkele malen voorkwam, Dienaren des Woords van hunne kerken worden losgemaakt en voor andere kerken beroepbaar gesteld.
Uwe commissie is eenstemmig van oordeel, dat met zooveel woorden van losmaking in den zin blijkbaar door Drente bedoeld, in de Kerkenorde geen sprake is. In art. 11 der Kerkorde, waar de mogelijkheid wordt gesteld, dat een kerk haar Dienaar niet van behoorlijk onderhoud kan voorzien, wordt nochtans niet gesproken van losmaken, maar aangemaand tot verplaatsen, „verzetten” van zulk een Dienaar. In art. 13 wordt met nadruk gezegd, dat wel Dienaren onbekwaam kunnen worden „tot uitoefening huns dienstes” maar dat zij desniettemin de eere en den naam eens Dienaars behouden”. In art. 12 wordt gesproken van Dienaren, die zich tot „een anderen staat des levens” begeven; in art. 14 van Dienaren, „die voor een tijd hun dienst onderlaten” moeten, maar van losmaken is geen sprake. Ja, zelfs in art. 79, waar gehandeld wordt van Dienaren, die in openbare grove zonden gevallen zijn, wordt wel van schorsing en afzetting gesproken, maar wordt van losmaking niet gerept. Uwe Commissie oordeelt mitsdien, dat naar de letter der D.K.O. geen enkel artikel steunt het volgen van een gedragslijn, welke in den laatsten tijd enkele malen gevolgd werd, daarin bestaande dat een Kerkeraad, zij het dan ook met advies der Classis, om de een of andere reden het verband met haar Bedienaar des Woords verbreekt en hem, door beroepbaarstelling, de

|83|

facto terugdringt tot den staat van een candidaat tot den Heiligen Dienst.
Evenwel, geplaatst voor de vraag, of zich geen gevallen kunnen voordoen, waarin geen enkel artikel der D.K.O. van toepassing is en het toch en in het profijt van den Dienaar èn in het profijt van de Kerk, die hij dient, zou zijn, dat zij van elkander scheiden, is uwe commissie van meening dat zulke gevallen zeer wel denkbaar zijn. Dan zou losmaking geacht moeten worden niet te zijn tegen den geest van ons Gereformeerd kerkrecht en de D.K.O. (Uit den aard der zaak zou zulk een besluit tot losmaking met de redenen en gronden die daartoe geleid hebben, moeten worden omkleed.) Vandaar dat het, naar het oordeel van uwe commissie, niet aangaat inzake losmaking een regel vast te stellen, die overal en altijd geldt en dat het ’t veiligst zal zijn elk voorkomend concreet geval afzonderlijk te beoordeelen.
Dit neemt zeker niet weg, dat tegen misbruik van losmaking ten ernstigste moet worden gewaarschuwd. Zonder in beoordeeling te treden van de gevallen, die voorkwamen, meent uwe commissie dat er groot gevaar voor de kerken in schuilt, wanneer b.v. een Kerkeraad zich van zijn Dienaar zou willen losmaken zonder geldige redenen, of wanneer de weg van losmaking bewandeld werd om zoodoende aan de toepassing van art. 79 te ontkomen. In zulk een weg mogen de kerken zich niet begeven, daartegen dienen de Kerkeraden en meerdere vergaderingen met ernst te waken, wijl dit niet recht is voor God; tot allerlei moeilijkheden aanleiding geeft, voor de toekomst tot droeve toestanden kan leiden en de gemeente des Heeren onwaardig is.

Rutgers, F.L. (1921) 19

|82|

Artikel 13.

Zoo het geschiedt dat eenige Dienaars door ouderdom, ziekte of anderszins onbekwaam worden tot uitoefening huns dienstes, zoo zullen zij nochtans desniettemin de eere en den naam eens Dienaars behouden, en van de Kerk, die zij gediend hebben, eerlijk in hunne nooddruft (gelijk ook de weduwen en weezen der Dienaren in ’t gemeen) verzorgd worden.

 

19. Welke is de positie van een emeritus predikant in kerkelijke vergaderingen?

 

(Bazuin, 2 Dec. 1892.)

28. Wat betreft de bevoegdheid van een emeritus-predikant, om als zoodanig lid te zijn van kerkelijke vergaderingen.

|83|

1º. Deze bevoegdheid wordt door Prof. de Cock ontkend; doch zonder eenigen bewijsgrond uit de Kerkenordening, zonder eenige poging om het ook maar bij gevolgtrekking daaruit af te leiden, en zonder eenig beroep, hetzij op Provinciale, Classicale en Kerkeraadsregelingen, of wel op hetgeen volgens de geschiedenis kerkelijke usantie was. Nu, dit is te begrijpen, maar toch geenszins toe te laten. Wanneer sprake is van wettigheid of onwettigheid, moet toch immers eerst en vooral onderzocht worden, wat kerkrechtelijk geldt. En zeer zeker laten de bronnen ons hier niet in verlegenheid; tenzij dan door den grooten overvloed van stof.

In de Kerkenordening zelve staat alleen de algemeene bepaling (Art. 13), dat een emeritus-predikant „de eere en den naam eens Dienaars behoudt.” Met die „eere” kan het traktement niet bedoeld zijn; want over het pensioen wordt in datzelfde artikel nog afzonderlijk gehandeld. Maar wat dan? Het kan moeielijk iets anders beteekenen, dan dat de predikant wel van alle verplichting tot dienstwerk ontslagen wordt, maar toch alle bevoegdheid, die hij vroeger had, geheel behoudt. Wie hem die bevoegdheid, hetzij

|84|

geheel of ten deele, ontzegt, kan toch niet geacht worden, hem „als Dienaar”, juist in die kwaliteit van Dienaar te „eeren”. Reeds op ieder ander gebied zou het tegenstrijdig zijn, wanneer een bestuur „zijne eereleden” buiten de deur sloot; maar dan nog veel meer op kerkelijk gebied, waar een predikant levenslang aan den kerkedienst verbonden wordt, en dus ook, al kan hij zijn dienst niet genoegzaam meer waarnemen, zoodat hij emeritus moet verklaard worden, toch nog eene roeping heeft om te doen, wat hij kan.

Inderdaad is in onze kerken die bepaling dan ook bijna overal aldus opgevat. Zij is in Provinciale en Classicale regelingen nader uitgewerkt en toegepast; zeker wel met eenig onderscheid in de toepassing, waartoe aanleiding en vrijheid was, omdat de Kerkenordening slechts eene algemeene uitdrukking bevatte; maar dan toch, behoudens enkele uitzonderingen, altijd in dien zin, dat een emeritus-predikant, met betrekking tot zijn Kerkeraad, Classe en Synode, de bevoegdheid, die hij vroeger had, behield, zij het ook soms met eenige beperking. Laat mij uit de vele bepalingen, die hierover gemaakt zijn, de volgende mogen aanvoeren:

Voor geheel Friesland gold de bepaling, die, wat haar tweede gedeelte betreft, ook in de laatste uitgave van het Kerkelijk Wetboek voor Friesland is opgenomen: „Geen Emeritus blijft lid van den kerkeraad, zonder speciale verkiezing (hetgeen echter niet zeggen wil, dat hij als ouderling moest verkozen zijn); doch behoudt zitting in zijne Classis, indien hij zulks begeert” (a.w. Ed. 1806, Afd. XIX, art. 3).

Voor de geheele provincie Utrecht golden de bepalingen (alle te vinden in het Utrechts Synodaal Handboekje, blz. 76 vg.) „Emeriti-predikanten moeten, daar zij woonen, nog, zooveel moogelijk, alle diensten doen, ’t zij met zieken te bezoeken, ’t zij met catechizeeren, enz. zoo veel hunne dispositie toelaat” (bepalingen uit de jaren 1654 en 1656).

„Zij behouden, volgens de K.O. art. 13, alle eer; waarover eens eene quaestie ontstaan zijnde, de Synodus heeft vermaand, de eer van een emeritus-predikant te bewaaren, en de quaestiën hierover aan de reedelijkheid en discretie van de Classis gerecommandeerd en gelaaten”, (uit de jaren 1662 en 1663).

„Aan Ds. Rappardus, emeritus-predikant van Nederhorst den

|85|

Berg Salvo Honore, een concludeerende zoowel als een adviseerende stem in alle Classicale vergaderingen toegestaan, en ook het deelen in de Classicale commissiën met het daaraan geannexeerde Viaticum, alsook een deelen in de Classicale penningen van examina enz., wanneer zijn opvolger niet tegenwoordig is” (uit het jaar 1801).

„Even gelijk Ds. de Kruyff, emeritus-predikant van Lopik en Cabauw Salvo Honore, zoo [d.i. die] ook gecommitteerd is naar deze Synodus, en van dezelve gecommitteerd om de Correspondentie met de Synodus van Noord-Holland waar te neemen”.

In de Classe van Dordrecht was bepaald (Ordinantiën, enz. Cap. XIV, art. 2; Ed. 1686, blz. 34 Ed. 1716 blz. 69): „Emeritus in de Classis comparerende behoud een adviserende stem”; het geen in 1765 aldus gewijzigd werd: (Ed. 1785, blz. 118) : „Emeriti, lid willende blijven van de Classis, moeten de boeten betalen, ten waren zij ’t oudste lid van de Classis waren”.

In de Classe van Gorinchem was de vastgestelde regel (Wetboek enz. blz. 31). 1º. Een Emeritus-predikant mag kerkeraad beleggen, als er in zijne plaats een ander beroepen zal worden en heeft in die te doene beroeping een stem. 2º. Emeriti hebben een adviseerende en concludeerende stem in de Classis en blijven in alle Classicale eer en voordeelen, als zij daarvan believen te gaudeeren”.

Voor de Classe van Schieland (Rotterdam) staat in de uitgegeven Orders enz. (Hoofdst. VIII, art. 4); „De Emeriti uit de steden, welke leden van hunne kerkeraden blijven, behouden in de Classicale vergadering eene concludeerende stem; maar die van het platte land, welke geene leden van hunne gewezen kerkeraden zijn, behouden alleen sessie en eene adviseerende stem”; met bijvoeging van: „N. B. Deze Classicale resolutiën vervallen door de Resolutie van hun Ed. Gr. Mog. van 28 Meij 1751, waarbij hoogstdezelven verklaren, door den titul Salvo honore, aan de Emeriti gegeven, te verstaan, dat dezelve, op hunne plaatzen blyvende woonen, niet alleen eene adviseerende, maar ook eene concludeerende stem in Kerkenraad en Classe hebben zullen”.

Maar ik mag de aanhalingen niet te zeer vermenigvuldigen. Uit het aangevoerde is nu toch wel duidelijk, hoe men op kerkrechtelijk standpunt over de gemaakte quaestie te oordeelen heeft.

2º. Met alle die bepalingen was de kerkelijke practijk geheel

|86|

in overeenstemming; ook in Classen, gelijk b.v. die van Walcheren, waar men in het Reglement de bepaling niet had opgenomen. Zonder twijfel zijn de voorbeelden, die daarvan zijn aan te voeren, niet zeer talrijk; deels omdat zij in Archieven verscholen liggen, deels, en vooral, omdat men in vroegere eeuwen betrekkelijk zelden emeriteerde, maar desvereischt veel liever een adjunct of hulpprediker aanstelde, zoodat een emeritus, die nog eenig werk kon doen, niet zoo dikwijls voorkwam. Toch zijn er ook wel gevallen, die algemeen bekend zijn. Zoo b.v. de hierboven vermelde gevallen uit de provincie Utrecht; waarin ook sprake is van een emeritus, die als zoodaníg zitting had in de Classe, en ook ter Synode gedeputeerd was (geheel eveneens als Prof. Kuyper). En een even toepasselijk voorbeeld geeft de bekende hoogleeraar J.W. te Water, die, te Vlissingen predikant zijnde, in 1779 hoogleeraar te Middelburg werd, maar zonder aldaar tevens predikant te worden (gelijk anders bij hoogleeraren overal de gewoonte was, zij het ook zonder verplichting tot het meeste dienstwerk) en die toen als emeritus-predikant van Vlissingen zijn volle bevoegdheid in de Classe bleef houden, en zelfs een zeer werkzaam lid is geweest. Hij zelf verhaalt daarvan in zijn Levensberigt, dat hij „ontslag verzocht van zijnen gewonen Evangeliedienst in de Vlissingsche gemeente, met behoud van alle eere” (blz. 43); dat hem dit gegeven werd, o.a. doordat eenige politieke tegenstanders de bedoeling en de strekking van die vraag niet begrepen; maar, schrijft hij, „mijne vrienden wisten zeer wel, waarom ik ontslag vraagde, doch behoudens alle eere. Ik wilde een lid van den Vlissingschen kerkeraad blijven, om dus stem en zittinge in de Classis van Walcheren te behouden; van welke sommigen bedoelden mij voortaan onbevoegd te rekenen” (blz. 44). Indien destijds ook maar iemand gedacht had, gelijk thans Prof. de Cock doet, of indien daarvoor ook maar eenige grond ware aan te voeren geweest, de vijanden van Te Water zouden dat zeer zeker wel hebben aangegrepen. Onder de vigueur van het Gereformeerde kerkrecht konden zij er echter niets tegen doen. Prof. te Water was in Middelburg als emeritus-predikant; want, schrijft hij (blz. 57) „bij het aanvaarden en waarnemen van het Hoogleeraarsambt te Middelburg was ik niet verplicht tot den

|87|

predikdienst, en ik verkoos ook niet mij daartoe te verbinden”; en in de kwaliteit van Vlissingsch predikant (emeritus) zat hij in de Classe. Eerst bij het jaar 1785, toen hij als hoogleeraar naar Leiden ging (waar hij ook predikant en dus lid van de Classe werd), teekent hij aan (blz. 58): „Nu nam ook mijne betrekkinge op de Classis van Walcheren een einde”.

3º. De vergissing, die het mogelijk maakt, alle de sub. 1º en 2º vermelde bepalingen en feiten over het hoofd te zien, ligt eenvoudig hierin, dat men zich het emeritaat voorstelt als eene losmaking van het ambt of wel van de gemeente, in plaats van het op te vatten als eene vrijstelling van het dienstwerk, waarbij altijd de bevoegdheid toch ten volle blijft. Dit laatste was de vaste beschouwing, tot in onze eeuw. En dan ook op ander gebied dan het kerkelijke. In het reeds aangehaalde werk van Prof. te Water is ook daarvan te lezen, waar hij (blz. 162-165) beschrijft, hoe hij, tegenover de toen opkomende andere beschouwing, zijn recht en zijn bevoegdheid als emeritus hoogleeraar met goeden uitslag gehandhaafd heeft. Intusschen, die andere beschouwing, die uit de revolutionaire en collegiale beginselen voortvloeide, werd al spoedig de heerschende; allereerst op kerkelijk gebied, door de organisatie van 1816; en daarna ook op ander gebied, b.v. op het Universitaire, door de Onderwijswet van 1878.

Daardoor wordt van die beschouwing allicht onwillekeurig iets overgenomen. Maar toch is en blijft zij principiëel onjuist. En door onze kerken moet in ieder geval de daaraan tegenovergestelde beschouwing worden vastgehouden.

Maar ik moet afbreken, ook al zou er over al de genoemde punten nog wel veel zijn bij te voegen. Ik mag van den geachten Redacteur niet te veel plaatsruimte vragen, en ik mag ook het geduld van de lezers niet te veel op de proef stellen. Zoo ik toch reeds de maat eenigszins te buiten ging, zij het mijne verontschuldiging, dat de zaak inderdaad van het hoogste gewicht is.

Rutgers, F.L. (1921) 20

20. Mag een emeritus predikant in een andere gemeente ouderling worden zonder toestemming van zijn kerkenraad?

|88|

(1913.)

29. Als emeritus predikant van X zijt ge te Y gaan wonen, waar ge toen natuurlijk lid zijt geworden van de kerk aldaar, op de attestatie die ge aldaar hebt ingediend, en waar ge thans tot ouderling zijt benoemd. En nu vraagt ge mij, of ge voor de aanvaarding van dezen dienst toestemming noodig hebt van den kerkeraad van X dan wel of kennisgeving aan dien kerkeraad voldoende is.

Mijn antwoord is, dat zoowel het een als het ander onnoodig is, en daarom terecht niet gedaan wordt in de vele gevallen, waarin een emeritus predikant, die naar een andere kerk, dan die waarbij hij emeritus is, verhuisde, aldaar het ouderlingschap aanvaardde. De zoodanige blijft wel als emeritus aan zijn kerk verbonden, in zooverre dat hij zijn qualificatie (of zijn radikaal als Dienaar des Woords) aan de roeping van die kerk blijft ontleenen, en dat die kerk ook voor zijn pensioen heeft te zorgen. Maar verder is hij door die kerk van al zijn dienstwerk ontslagen, en is er voor die kerk dus geenerlei reden om gekend te worden in zijne aanvaarding van ouderlingen-dienst in de kerk zijner nieuwe woonplaats, tot welken hij als lid behoort.

Rutgers, F.L. (1921) 21

21. Hoe moeten de emeritaats-gelden geregeld worden?

 

(1891.)

30. In zake pensioen van emeriti predikanten schijnt mij voorloopig wel het beste toe, wat nu reeds geschiedt in Zuid-Holland, van welke provincie ik gisteren de provinciale Synode als adviseur bijwoonde. Toen Ds. A te X emeritus verklaard werd, en de plaatselijke kerk het pensioen niet kon bijeenbrengen, nam de Classe (destijds den Haag-Gouda gecombineerd) op zich f 800.— ’s jaars als pensioen bijeen te brengen, benoemde daarvoor Deputaten en zorgde, dat daarvoor geregeld in de kerken gecollecteerd werd tot het bedrag er was (in de meeste kerken slechts ééne collecte; in enkele kerken, die de eerste maal naar ’t oordeel der Deputaten wel wat weinig gezonden hadden, nog een tweede maal). Dat is zeker de rechte weg: eerst doet de plaatselijke kerk wat zij kan; daarna helpt de Classe; als die niet kan, de provincie; en als ook de provinciale kerken samen het niet kunnen, alle

|89|

kerken des lands samen. Op dergelijke wijze zou ’t ook voor Y voorloopig best kunnen; nl. indien daar nu reeds geëmeriteerd worden moet. ’t Zal daarom toch ook wel goed zijn, dat de zaak ter Algemeene Synode komt; maar inmiddels kunnen toch Classe, en desnoods provincien wel voorzien.

 

(1907.)

31. Ge schrijft mij, dat de kerk van X besloten heeft, uw pensioen te berekenen naar hetgeen de Generale Synode van Utrecht aan de kerken heeft aanbevolen, en dan daarbij te handelen alsof ge reeds 70 jaar oud waart of reeds 40 dienstjaren vervuld hadt. Maar voorts deelt ge mij nog mede, dat over die berekening verschil is tusschen u en de Classe en nu vraagt ge daarover mijn advies.

Dit advies kan eigenlijk volstaan met eene verwijzing naar de bewoordingen zelve van de door de Synode aanbevolen bepaling, in de Acta blz. 216, regel 13 v. o., onder letter b, 1) welke bewoordingen m.i. geene tweeërlei opvatting toelaten, en wel allermeest met uwe opvatting in strijd zijn.


1) Acta Generale Synode in 1905 (Utrecht), blz. 216;
b. het in de vorige bepaling bedoelde pensioen wordt zooveel doenlijk geëvenredigd aan den leeftijd, den diensttijd, en het laatstelijk genoten traktement, vermeerderd met 20% voor het genot van pastorie, vergoeding van huishuur enz. in dier voege, dat het ten volle wordt toegekend na eenen diensttijd van 40 jaren, bij wier berekening ook de vroegere dienst in andere kerken meetelt, of na eenen leeftijd van zeventig jaren, en dan gesteld wordt op niet minder dan achthonderd gulden per jaar; met dien verstande, dat het in kerken, waar het traktement nog zelfs daarbeneden is, gesteld wordt op het bedrag van dat traktement, vermeerderd met 20% voor het genot van pastorie, vergoeding van huishuur, enz. en in kerken die een traktement van veertienhonderd gulden of meer konden geven, gesteld wordt op niet minder dan drie vijfden van het het bedrag van dat traktement. Wanneer de emeriteering plaats heeft na eenen korteren diensttijd of op jongeren leeftijd, wordt het in de vorige bepaling bedoelde pensioen aldus berekend, dat voor ieder dienstjaar, dat sedert de aanvaarding van het predikambt vervuld is, één veertigste van het pas genoemde volle pensioen wordt toegekend; dit alles met dien verstande, dat bij korten diensttijd en bij gebleken behoefte, door den kerkeraad niet minder worde uitgekeerd dan het bedrag, dat reeds door de Generale Synode van Middelburg werd bepaald.

|90|

Uwe vergissing ligt vooral hierin, dat ge de tweemaal voorkomende uitdrukking: „vermeerderd met 20% voor genot van pastorie, vergoeding van huishuur enz.” wilt laten terugslaan op het woord „pensioen”, alsof de bedoeling was, dat er aan de som, die reeds voor pensioen genoemd was, daarna nog eens 20% zou worden toegevoegd. Maar dat zou toch inderdaad geen zin hebben. Als bedoeld was, het normaal pensioen te stellen op f 800.— plus 20% d.i. f 960.—, dan zou het wel dwaas geweest zijn, dit cijfer van f 960.— niet eenvoudig te noemen, maar het uit te drukken door te zeggen f 800.— plus 20%. En als dat bedoeld was, zouden de woorden ook, naar de eischen der spraakkunst, geheel verkeerd gekozen zijn: indien bijvoeging bij het pensioen bedoeld was, had het voegwoordje „en” telkens voor „vermeerderd” moeten staan; en dan had bovendien die tusschenzin met zijn nadere bepaling niet zoo moeten geplaatst zijn, dat hij logisch alleen met het begrip „traktement” kan verbonden worden.

Wat die nadere bepaling „vermeerderd met” enz. bedoelt, is duidelijk. In de steden hebben de predikanten doorgaans geen pastorie noch vergoeding van huishuur of van eenige belasting, en is het traktement dan ook daarop berekend. In de dorpen daarentegen (en dus in de meeste kerken) zijn pastorieën, en is het traktement in geld dan ook betrekkelijk lager dan in de steden (waar ook huishuur enz. van dat traktement af moet). Op de dorpen is dus het genot van pastorie enz. eigenlijk een deel van het traktement. Maar zoo wordt het doorgaans toch niet genoemd; als men van „traktement” spreekt, meent men doorgaans het traktement in geld. En om nu te voorkomen, dat zulks ook zou geschieden bij de berekening van het pensioen (’t geen altijd ten nadeele van de Dorpspredikanten zou geweest zijn), is in de Synodale formuleering aan het woord „traktement” toegevoegd; „vermeerderd met” enz.; ’t geen dus zeggen wil, dat onder het woord „traktement” hier niet alleenlijk het traktement in geld moet verstaan worden; maar (natuurlijk alleen in plaatsjes, waar „pastorie enz.” aanwezig zijn) ook het traktement in geldswaarde, nl. pastorie enz., ’t welk alsdan te schatten is op 20% van het traktement in geld.

Met betrekking tot dit punt is dus zonder twijfel niet uwe opvatting, maar die van de Classe de juiste. Maar toch is er op een

|91|

ander punt ook bij de Classe eene misvatting. Tegenover haar hebt ge hierin gelijk, dat er van 3/5 van het traktement eerst sprake komt, wanneer het traktement f 1400.— of meer bedraagt. Dit staat er zoo duidelijk, dat ik zelfs niet begrijp, hoe men daaroverheen kan lezen. En het is ook eene vergissing van de Classe, dat „volgens Utrecht” het pensioen waarop een emeritus „recht heeft”, f 800.—, en niet minder, zou moeten bedragen.

Zoowel door de Classe, als door U, is niet gelet op den laatsten volzin der Synodale bepaling: „wanneer de emeriteering plaats heeft na een korteren diensttijd” enz. Als sprake is van hetgeen volgens die bepaling recht is, dan komt het pensioen na 37 dienstjaren op 37/40 van het normale cijfer van f 800.—, d. i. op f 740.—. En indien men het dan zou willen berekenen naar het laatste gedeelte van den bedoel den volzin (wegens „gebleken behoefte"), en dus naar de Synodale bepaling van Middelburg in 1896, dan komt het slechts op f 600.--. (Acta Middelburg Syn. Blz. 42) 1).

Nu mag eene kerk het bedrag natuurlijk hoger stellen (dit is zelfs zeer wenschelijk), vooral wanneer zij zelve het geheel betaalt, zonder dat zij als hulphoevende kerk bij de Classe enz. steun vraagt. Indien zij steun vraagt, heeft zij voor de vaststelling van een hooger bedrag dan het rechtens toekomende, natuurlijk de goedkeuring noodig van de Classe, daar zij niet beschikken kan over de goedwilligheid van andere kerken. Maar in uw geval blijkt de Classe geen bezwaar te hebben tegen de rekening, alsof ge reeds 70 jaar waart, of 40 dienstjaren vervuld had. En in dat geval is, naar de Utrechtsche bepaling, het pensioen voor X (waar het traktement f 1000.— is, plus pastorie, dus f 1000.— met 20%, d.i. f 1200.—) het normale cijfer van f 800.—.

Van uwe verdere berekening (om aan te tonen, dat, indien de Classe gelijk had, een predikant met een hooger traktement dan een ander, wel eens lager pensioen zou kunnen krijgen) begrijp ik


1) Acta der Generale Synode in 1896 (Middelburg).
5de. dat door Deputaten, aan wie het beheer der generale kas is opgedragen, aan iedere kerk, die steun behoeft, zal worden uitgekeerd wat nog ontbreekt na aftrek van hetgeen zij zelve bijbrengt, vermeerderd met den steun der Classis en provincie, om aan haren emeritus predikant een som van 600 gulden ’s jaars .... uit te keeren.

|92|

niets. Zulke ongerijmdheid zou kunnen volgen, als men stelde (gelijk ge deedt) dat het vastgestelde cijfer van het pensioen nog eens met 20% zou te vermeerderen zijn. Maar als men de bepaling goed leest is er niets vreemds in. Hij zegt duidelijk genoeg:

Waar het traktement (met inbegrip van pastorie enz., berekend op 20% tusschen de f 800.— en de f 1400.— is, is het pensioen steeds (als normaal cijfer) f 800.--.

Waar dit traktement beneden de f 800.— is, is het pensioen te stellen op het bedrag van dat lage traktement.

Waar dit traktement boven de f 1400.— of juist f 1400.— is, is het 3/5 van dat traktement; dus b.v. bij een traktement van f 1400.— op 3 x f 1400.— : 5 = f 840,—.

Dit alles, na 40 dienstjaren of op 70-jarigen leeftijd en bij minder dienstjaren op 1/40 van die bedragen voor elk vervuld dienstjaar.

 

(1907.)

32. 1) In de Utrechtsche Acta, blz. 216, in de alinea b staat in het begin. regel 2, dat, bij de regeling van het pensioen naar het traktement, bij dit laatste woord moet gedacht worden, niet alleen aan het traktement in geld, maar ook aan het traktement in geldswaarde (pastorie enz.): deze tezamen zijn het geheele traktement. Na die algemeene bepaling had nu, strikt genomen, in al het volgende bij het woord „traktement” nooit meer behoeven te staan: „vermeerderd met 20%”, maar duidelijkheidshalve is dat toch nog eenmaal geschied. Daaruit volgt nu echter geenszins, dat dus die eerste, algemeene bepaling van het woord „traktement” als niet bestaande zou kunnen aangemerkt worden. Die blijft gelden, overal waar in deze alinea het woord „traktement” gebruikt wordt. Dat eene andere opvatting tot ongerijmdheden voert, hebt ge zelf reeds opgemerkt en aangevoerd; maar als die andere opvatting ook nog in strijd is met de woorden zelve, blijkens den aanhef der alinea, hoe is het dan mogelijk dat ge daaraan toch wilt vasthouden? Uwe redeneering omtrent het pensioen van


1) Zie noot 1) blz. 89 vorige brief.

|93|

een predikant die f 700.— traktement in geld heeft, begrijp ik ook niet. Die f 700.—, vermeerderd met 20%, maakt f 840.—. Dat is dus geen traktement beneden de f 800.—, maar een „traktement” tusschen f 800 en f 1400; en daarvoor is het normale pensioen steeds f 800; nooit minder en nooit meer.

 

(1909.)

33. Hiernevens de twee stukken, die ge mij ter lezing toezondt, terug; nl. het besluit van de Classe X van 26 Nov. 1907, en een Rapport aan de Classe Y, ongedateerd en zonder eenige tijdsaanwijzing, maar volgens uwe mededeeling ruim een maand geleden bij de Classe ingediend en behandeld.

En nu vraagt ge over de hier voorgestelde regeling mijn gevoelen. Ja, wat zal ik U daarvan zeggen? Ik sta werkelijk verlegen, als ik uitdrukking geven zal aan de klimmende verwondering, en zelfs verbazing, waarmede ik dat gedrukte Rapport gelezen heb. Doorgaans kan ik denkbeelden en voorstellingen, die geheel van de mijne afwijken, toch nog wel begrijpen. Maar hier gaan zij inderdaad boven mijn begrip.

In het jaar 1905 is in onze kerken over pensioensregeling heel wat gehandeld en geschreven, en het slot is geweest, dat het daarover door mij opgestelde Rapport, met alle de daarin vervatte voorstellen, door onze kerken in de Generale Synode van Utrecht met algemeene stemmen is aangenomen en aanvaard, slechts met enkele zeer kleine wijzigingen; terwijl de commissie der Synode, die over dat Rapport te adviseeren had, er zelfs van zeide, dat daarin „zoo schoon de beginselen zijn ontwikkeld, die „aan Art. 13 K.O. ten grondslag liggen, en daarin tevens voorstellen zijn opgenomen die tot richtige uitvoering van Art. 13 K.O. kunnen leiden” (Acta, blz. 212-219 het rapport; blz. 212-220 het advies der commissie; en blz. 72-73 het Synodaal besluit in Art. 131).

Hoe is het dan nu mogelijk dat thans, zoo kort daarna, eene regeling wordt voorgesteld en in eene Classikale Vergadering wordt aangenomen, althans voorloopig, welke zoowel principieel

|94|

als practisch lijnrecht ingaat tegen dat rapport en dat Synodaal besluit, en dat zulke regeling dan nog bovendien wordt voorgesteld als daarmede geheel overeenkomende en als eene goede uitvoering van dat besluit, gelijk in het mij gezonden gedrukte rapport van de Classe Y herhaaldelijk en stellig betuigd wordt?

Ik heb in bovengenoemd rapport mijn best gedaan, om zoo duidelijk mogelijk in het licht te stellen, en te motiveeren:

dat de uitkeering van pensioen een rechtsplicht is van de plaatselijke kerk;

dat voorts op meervermogende kerken de zedelijke verplichting rust, om kerken, die te dien aanzien inderdaad hulpbehoevend zijn, te hulp te komen;

en dat bij deze aangelegenheid Classen en Synoden geheel onbevoegd zijn, om voor pensioensuitkeering regelingen te maken en bij stemming te doen aannemen, maar alleenlijk kunnen uitspreken wat zij wenschelijk achten en wat zij aan de kerken aanbevelen; terwijl deze meerdere vergaderingen zeer zeker in een ander opzicht ook wel iets te regelen hebben, nl. het hulpbetoon dat aan minvermogende kerken te verleenen is, maar dan altijd zóó, dat dit een liefdewerk blijve, zonder bij wijze van omslag aan eenige kerk te worden opgelegd; welk laatste alleenlijk kan en moet voor het Classikale quotum, dat tot onderhouding van het kerkverband noodig is.

In 1905 was dit alles ter Synode voor ieder glashelder. En ik zie ook inderdaad geen kans, het nog duidelijker te zeggen en nog beter te motiveeren, dan ik toen gedaan heb.

In het mij gezonden gedrukte rapport aan de Classe Y wordt dan ook niet beproefd, er iets tegen in te brengen. Er wordt zelfs slechts eenmaal even van gesproken, waar het scheen te kunnen dienen, om de voorgestelde Classikale regeling aan te bevelen. Van deze toch wordt gezegd (blz. 2, alinea 3 van onderen) „zij wordt door Utrecht zelve aan de hand gedaan, zie Syn. Acta pag, 214 midden”.

Alsof dat aldaar stond! Er staat op die blz. 214, regel 28-16 van onderen, juist het tegendeel. Er wordt daar gezegd, dat plaatselijke kerken, ook in zake pensioenen, tegenover elkander finantieele verplichtingen mogen aangaan, en zelfs eene soort van

|95|

onderlinge verzekering mogen in het leven roepen: Kerk X met kerk Y en kerk Z, en zoovelen ais er individueel zouden willen mededoen. Maar .... te dien aanzien wordt dan elke poging om het daarheen te willen sturen, positief ontraden; met de overweging, dat zulk een soort van verzekering practisch wel niet uitvoerbaar zou zijn; dat dit voor de meeste kerken veel te duur zou uitkomen; dat de zaak dan toch altijd op losse schroeven zou staan, omdat geen kerk zich te dien aanzien voor goed zou kunnen verbinden; en dat dit bovendien toch nooit een aangelegenheid zou kunnen zijn van de Generale Synode, waarvan juist het kenmerk is, dat alle kerken, zonder uitzondering, daarin samenkomen. Dus ook niet eene zaak, die tot de bevoegdheid der Classe als zoodanig behoort; zelfs niet al hadden in eenige Classe alle kerken individueel zich onder elkander verbonden.

Dat staat alles t.a.p. En dat is toch waarlijk niet een „aan de hand doen”, maar juist integendeel eene zeer positieve en gemotiveerde bestrijding.

En dat geldt nog veel meer ten aanzien van hetgeen in meergenoemd Classikaal rapport wordt voorgesteld; waarop het begrip van „onderlinge verzekering” en het daaraan ten grondslag liggend beginsel zelfs in het geheel niet van toepassing is. Om slechts iets te noemen: bij „onderlinge verzekering” staat het bedrag der te betalen premie in een onlosmakelijk verband met de verlangde uitkeering, en eveneens met de kans, die men op de uitkeering heeft. Maar hier zou van het eerstgenoemde wel geen sprake kunnen zijn; en wat het andere betreft, de grootere kerken, die meervermogend zijn en meer traktement geven dan andere, hebben veel meer kans een emeritus-predikant te zullen krijgen dan de kleine kerken met weinig traktement; onder deze laatste zijn er zelfs een aantal, die nog nooit een emeritus-predikant gehad hebben, terwijl alle grootere kerken er toch voortdurend hadden.

Uit het begrip van „onderlinge verzekering” is hier dus zeker geene aanbeveling te halen. En of die dan in iets anders te vinden is?

In meergenoemd Classikaal rapport worden daarvoor op blz. 2, in het midden, twee overwegingen aangevoerd:

1º dat de onvermogende kerk, die pensioen heeft uit te keeren,

|96|

dan „ophoudt eene Hulpbehoevende kerk te zijn”; — inderdaad is dit echter juist andersom: zij blijft zelve onvermogend, om aan haren eigenen rechtsplicht te voldoen en wordt daarin dan geholpen, en met alle andere kerken gaat het eventueel desgelijks, zoodat ook de meestvermogende als „hulpbehoevend” worden beschouwd en behandeld;

en 2º dat aan alle kerken dus een prikkel gegeven wordt, om de offervaardigheid voor dit belang te doen toenemen; inderdaad echter is het juist andersom: er ligt een sterke prikkel in de gedachte, dat men zelf aan een rechtsplicht te voldoen heeft, maar die prikkel wordt zeer afgestompt, als men meent dien plicht grootendeels op anderen te hebben afgewenteld; en hoe kan een arme kerk zich geprikkeld voelen, om door offervaardigheid eene rijke kerk te gaan helpen?

En dezelfde critiek treft ook de drie argumenten, die op de laatste blz. van meergenoemd Classikaal rapport worden aangevoerd, nl.:

1º dat deze regeling alleszins billijk is; want juist integendeel is het alles behalve billijk, om een arme voor de schuld van een rijke te doen betalen, misschien wel met veel opofferingen, enkel en alleen omdat de rijke het dan ook voor den arme doet;

2º dat deze regeling voor de arme kerk het neerdrukkend besef van hulpbehoevend te zijn opheft; want juist integendeel moet dit besef toch blijven als men over de ontvangen hulp nadenkt, en er wordt alleen mede verkregen, dat ook rijke kerken, als zij ten minste even nadenken, dat besef ook moeten krijgen; terwijl voorts niet is in te zien, waarom dat besef neerdrukkend zou zijn voor een arme, tenzij dan dat hij door eigen schuld arm is (’t geen bij eene kerk het geval is, als zij welvermogende leden telt, maar deze te geldzuchtig en te egoistisch zijn, om de kerk in staat te stellen aan haren rechtsplicht te voldoen); néérdrukkend kan dat besef eigenlijk slechts zijn voor eene rijke of vermogende kerk, die zich voor het voldoen van hare eigene schulden door arme kerken laat helpen;

en 3º dat deze regeling doet voldoen aan den Christelijken eisch om elkander bij te staan en elkanders lasten te dragen; want juist integendeel maakt zij, dat aan dien eisch niet voldaan wordt, en

|97|

dat zelfs het juiste begrip van dien eisch verloren gaat. Wat zou men wel zeggen van een rijke, die met een arme een accoord maakte, dat zij samen beider rekeningen van dokter en apotheker zouden betalen, al was het ook met bepaling dat de arme dit slechts voor een bizonder deel zou doen? Vooral wanneer het een rijke was, die gedurig ziek was en een arme die doorgaans gezond was; evenals groote kerken veel vaker pensioen zullen hebben uit te keeren, dan kleine en arme. En wat zou men wel zeggen van eene maatschappelijke regeling, waarin alle menschen, om het even of zij meer of minder vermogend waren, zich samen verbonden, om geheel in elkanders onderhoud te voorzien, waarvoor ieder dan uit zijn privaat-bezit het noodige zou bijdragen, hetzij veel of weinig of niets; en dat onder de leuze: „draagt elkanders lasten”?

De grondgedachte van dat alles is m.i. „socialistisch”: een streven, dat in heel West-Europa als het ware in de lucht zit. En wanneer men die gedachte, onder den naam van „onderlinge verzekering” of „onderling en wederkeerig hulpbetoon”, op de uitkeering van predikants-pensioenen gaat toepassen, waarom dan vervolgens ook niet op de traktementen (waarvan pensioenen toch slechts de voortzetting zijn, zoodat letterlijk alles wat van het een geldt, ook op het ander van toepassing is)? En hoe zal men dan ten slotte „het socialisme” principieel kunnen bestrijden?

Ik zou over het mij gezonden gedrukte Classikaal rapport nog veel meer kunnen zeggen en vragen. B.v. nog

dat in de becijferingen van blz. 1 in ’t geheel niet gelet is op de nadere verklaring, welke de Generale Synode van Amsterdam in 1908 gegeven heeft van eene niet geheel duidelijke en volledige cijferopgave in de Synodale recommandaties van 1905 (tengevolge van een, staande de discussie, te Utrecht aangenomen en niet geheel doordacht amendement); welke nadere verklaring toch gepubliceerd is en aan alle kerken medegedeeld, in de Syn. Acta van 1908, Art. 43, alinea 4, en Bijlage XXIIIa, alinea 10, blz. 177; waarmede de becijferingen van het Classikaal rapport niet overeenkomen;

dat ook niet gelet is op de omstandigheid, dat bij de becijfering van het traktement niet altijd 20% daaraan is toe te

|98|

voegen, maar alleenlijk „in geval de predikant bovendien (n.l. boven zijn traktement) nog het genot had van pastorie of vergoeding van huishuur”;

dat zulke Classikale pensioensregeling van zelf noodig maakt, dat ook Classen onderling zich tot hulpbetoon verbinden, en vervolgens ook de particuliere Synoden; daar toch niet gesteld kan worden, dat iedere Classe en provincie alleenlijk voor zichzelve te zorgen heeft en in armere streken de emeriti en weduwen dan maar onverzorgd moeten blijven; zoodat het slot van dien weg wel moet zijn: eene soort van generale kas, met al de ellenden voor de kerk aan emeriti en weduwen, die er vroeger in de Christ. Geref. kerk verbonden waren; en met al de verdere schaden van zulke generale kerkelijke kassen;

dat zulke regeling die kleine kerken ook verhindert, te voldoen aan hare verplichting van een behoorlijk traktement te geven aan haar dienstdoenden predikant; daar toch een minvermogende kerk, die jaarlijks f 80 of f 100 of meer kan geven om andere kerken in het voldoen aan hare verplichting te helpen, inderdaad haren eigenen predikant te kort doet, wanneer zij aan dezen slechts f 900 of f 1000 of iets meer geeft; en inderdaad allereerst verplicht is, indien zij nog ± f 100 meer, voor traktement of pensioen kan geven, daarmede haar eigen traktement te verbeteren;

dat door zulke regeling het besef van de eigen verplichting tegenover den eigen emeritus-predikant, volgens art. 13 K.O., zóó verzwakt wordt, dat het lang zal duren eer men het weer kan opwekken; zelfs het voorstellen van zulk eene regeling werkt in dat opzicht uiterst slecht;

dat natuurlijk niet te verwachten is, dat alle kerken zullen mededoen, of althans blijven mededoen, aan zulk wederkeerig hulpbetoon (daar toch geen kerk zich voor de toekomst onwederroepelijk verbinden kan, noch gedwongen kan worden), waardoor degenen, die blijven mededoen, telkens zwaarder belast worden, en ten slotte de geheele regeling moet ineenstorten, terwijl alsdan de kerken ontwend zijn aan het besef van eigen verplichting. En dan: arme emeriti en arme weduwen! De predikanten, die daar nu op aanwerken, zijn m.i. bezig hun eigen glazen in te gooien.

|99|

(1915.)

34. In uw schrijven van 6 December vraagt ge mij, met betrekking tot een voorkomend (mij onbekend) geval: „Is de kerk verplicht, aan een emeritus-predikant, die gerekend wordt tot de schatrijken te behooren, de emeritus-gelden, door hem opgeeischt, uit te betalen?” Waaraan ge als toelichting nog toevoegt: „Jaren geleden heeft de kerkeraad hem beloofd de emeritaatsgelden op eerste aanvrage uit te betalen. In de laatste jaren evenwel is zijn vermogen enorm vermeerderd.”

Op die vraag weet ik geen ander antwoord, dan reeds gegeven is in het oude spreekwoord : „belofte maakt schuld”. En wanneer dit eene geldelijke schuld is, kan de schuldenaar, ook al is hij nog zoo arm, en al is de schuldeischer nog zoo rijk, zich niet eigenmachtig van de schuld ontslaan, enkel door de overweging, dat de schuldeischer toch wel geld genoeg heeft. Hij mag dan den schuldeischer wel verzoeken, dat deze hem de schuld geheel of gedeeltelijk kwijtschelde; maar dat moet dan een beroep zijn op diens goedwilligheid, zonder dat aan zijn recht ook maar eenigszins wordt tekort gedaan.

Die algemeene regel geldt natuurlijk ook met betrekking tot het traktement, dat aan een Dienaar des Woords door de kerk, die hem beriep en die hij dient, is toegezegd. Al is of wordt die Dienaar bemiddeld en zelfs zeer rijk, zijne kerk mag dan toch niet zeggen: „wij zijn volgens art. 11 K.O. gehouden, u van behoorlijk onderhoud te verzorgen; en dus, nu ge zulk een onderhoud reeds in ruime mate uit eigen middelen hebt, geven we u geen traktement meer.” Dat zou met het voor ieder geldende recht in strijd zijn; terwijl het bovendien zou bedoelen, de schuld voor het traktement, welke op de geheele gemeente rust, feitelijk te doen betalen door den éénen predikant; om nu nog niet eens te spreken van nog andere ongerechtigheden, die daaruit zouden voortvloeien.

Maar datzelfde geldt dan ook van het emeritaatspensioen, ’t welk niet anders is dan eene gedeeltelijke voortzetting van het traktement, aan een predikant, die zijn dienst niet meer kan waarnemen. Het recht op dat pensioen kan alleen vervallen, wanneer te dien aanzien bij de emeriteering speciale bepalingen uitdrukkelijk

|100|

gemaakt zijn; gelijk dat steeds geschiedt voor predikanten, die hoogleeraar worden, of geestelijk verzorger in eene stichting, of die nog op andere wijze tot „een anderen staat des levens” overgaan; en gelijk dat ook wel geschiedt in sommige exceptioneele gevallen. Maar wanneer bij de emeriteering de belofte van pensioen door geenerlei voorbehoud beperkt is, zou het met het recht in strijd zijn, wanneer de aangegane verbintenis eenzijdig verbroken werd door den schuldenaar zelven. Dat kan niet (zooals ieder wel zal voelen) met betrekking tot het traktement. Maar dan evenmin met betrekking tot zijne voortzetting in het pensioen.

Grond voor het tegendeel is zeker niet te vinden in art. 13 K.O., waar aan de kerken wordt voorgeschreven, dat zij hare emeriti-predikanten „eerlijk in hunne nooddruft moeten verzorgen”. Immers, daardoor worden die emeriti niet beschouwd als hulpbehoevenden, aan wie barmhartigheid zou te bewijzen zijn; ’t geen alsdan ook de taak zou zijn van de Diakonie. Het woord „nooddruftig” wordt zeker ook wel gebruikt in den zin van „armoedig”; maar daarom beteekent „nooddruft” nog niet „armoede”. Het beteekent eenvoudig „levensonderhoud”; precies hetzelfde als wat in art. 11, met betrekking tot traktementen, wordt uitgedrukt door de woorden „van behoorlijk onderhoud verzorgen”; waaruit toch wel niemand zal afleiden, dat eene kerk het door haar toegezegde traktement wel mag verminderen met hetgeen zij meent dat de predikant wel uit eigen middelen kan betalen. Al die uitdrukkingen bedoelen eenvoudig, een maatstaf aan te geven voor het bedrag van traktement en pensioen.

En evenmin kunt ge voor intrekking of vermindering van een toegezegd pensioen, in geval de emeritus-predikant door eigen middelen tot welstand of zelfs tot rijkdom gekomen is, een grond vinden in het tweede argument dat ge nog aanvoert, nl. in het besluit der Generale Synode van 1907 (Acta, 1) blz. 216), waarbij aan de kerken werd aanbevolen, te bepalen, dat het recht op pensioen den emeritus-predikant toekwam, en alleen in enkele gevallen zou kunnen vervallen, o.a. wanneer de emeritus-verklaarde „eenen anderen werkkring” had, „waaraan een genoegzaam


1) Zie noot 1) blz. 89 brief 30 Nov. ’07.

|101|

inkomen verbonden was”. Ge zoudt dat willen toepassen, ook op het geval dat een emeritus „uit eigen middelen” een genoegzaam inkomen had. Maar als dat bedoeld was, zou de uitdrukking ook op dat geval toepasselijk moeten zijn, en niet uitdrukkelijk en uitsluitend hebben moeten spreken van „een anderen werkkring”. De nadruk ligt hier, niet op het hebben van een ruim inkomen op zichzelf, maar op het „bezoldigd worden” in „een anderen werkkring”. Daardoor gaat de emeritus-predikant over tot een „anderen staat des levens”. En als deze „andere staat” dan niet onvereenigbaar is met den naam en de eere van een Dienaar des Woords, dan kunnen de kerken hem wel emeritus-predikant laten blijven (gelijk inderdaad geschiedt bij predikanten, die hoogleeraar worden, of geestelijk verzorger in stichtingen, enz.), maar recht op pensioen vanwege de kerk, die hij laatstelijk diende, kan hij dan niet meer laten gelden; ’t geen in zulke gevallen dan ook doorgaans uitdrukkelijk wordt vastgesteld. Ook daarin, evenals in zijn traktement, of in zijn inkomen uit dien werkkring, moet dan door dien werkkring zelven voorzien worden.

Rutgers, F.L. (1921) 22

22. Als een predikantsweduwe hertrouwt en haar man overlijdt voor de kinderen volwassen zijn, heeft zij dan nog recht op kindergeld?

 

(1916.)

35. Wanneer eene predikantsweduwe hertrouwt, dan is m.i daarvan het gevolg, dat de verplichting tot onderhoud van haar en van hare kinderen voortaan rust op haar tweeden man, en voor de kerk, bij welke haar eerste man laatstelijk diende, geheel vervallen is.

Dit wordt ook blijkbaar ondersteld in den door u aangehaalden brief van mevrouw A, die niet spreekt van eenig recht, dat zij, bij eventueel overlijden van haar tweeden man, voor hare kinderen nog zou hebben, maar aan de kerk van X het verzoek doet, om alsdan voor hare nog jonge kinderen het pensioen-kindergeld (doorgaans f 50.— per kind, maar in X misschien anders bepaald) weder uit te keeren; en zulks haar nu reeds te verzekeren.

Aan dat verzoek mag de kerkeraad natuurlijk voldoen. Maar hij kan de beslissing ook uitstellen totdat het geval zich werkelijk

|102|

voordoet, en thans alleenlijk zeggen, dat hij nog niet bepalen kan of alsdan aan het verzoek geheel of ten deele zal kunnen voldaan worden.

Misschien heeft haar tweede man genoeg inkomen, om haar in staat te stellen, voor die kinderen eene lijfrente te verzekeren tot hun 18e jaar, of om op andere wijze eenigszins voor finantieelen steun te zorgen.

Als dit niet zoo is, zou, als het geval zich voordoet, de kerk van X zulke kleine bijdrage voor de bedoelde kinderen tot hun 18e jaar misschien wel weêr kunnen geven; maar dan niet wegens een recht, dat deze daarop zouden kunnen hebben, doch uit Christelijke hulpvaardigheid, die betoond wordt met het oog op den door hun vader indertijd te X vervulden dienst.

Rutgers, F.L. (1921) 23

Artikel 14.

Zoo eenige Dienaars om de voorschreven of eenige andere oorzaken hunnen dienst voor eenen tijd onderlaten moeten, ’t welk zonder advies des Kerkeraads niet geschieden zal, zoo zullen zij nochtans ten allen tijde de beroeping der Gemeente onderworpen zijn en blijven.

 

23. Tot welke kerk behoort een predikant, die tijdelijk voor eenigen dienst elders afgestaan, toch voor dien dienst niet gebruikt wordt? Mag hij dan in zijne gemeente blijven?

 

(1900.)

36. Het komt mij voor, dat er in de positie van Ds. A te X geenerlei moeilijkheid is; als men slechts geene verkeerde en onjuiste voorstellingen geeft van hetgeen geschied is, gelijk b.v. geschied is in courantenberichten, die schreven, alsof Ds. A van

|103|

de kerk te X was „losgemaakt”, en „schriftelijk bewijs had gegeven, dat de kerkeraad van X in niets meer aan hem gebonden was” (een uitdrukking, die ook in uw schrijven voorkomt).

Ds. A is door den kerkeraad van X afgestaan voor den Dienst te Y, in zijne qualiteit van predikant te X, ’t geen hij natuurlijk zou blijven, totdat hij eene roeping naar eene andere kerk zou aanvaard hebben. Alleenlijk verklaarde hij „tijdens zijn verblijf en eventueele terugkomst geen aanspraak te zullen maken op eenig traktement of pensioen voor zich en de zijnen, aangezien tijdens zijn afwezigheid de kerk van X na zijn vertrek ten spoedigste tot de beroeping van eene anderen Dienaar des Woords zou moeten overgaan”.

Uit dien laatsten volzin bliikt duidelijk, voor welk geval de verklaring gegeven werd, en dus ook in welk geval zij alleenlijk effect kan hebben. Gesteld, dat Ds. N. naar Y geweest was, en na korten tijd teruggekomen, en dat de kerk van X alsdan nog niet van een tweeden predikant was voorzien; dan zou Ds. A van zelf zijn dienst aldaar hervat hebben. Evenals in de 17e en 18e eeuw ging met legerpredikanten en dergelijke, die voor eenige maanden voor dienst elders werden afgestaan.

Als Ds. A in ’t geheel niet gaat, blijft hij dus eenvoudig zijn dienstwerk in X waarnemen. Het zou toch waarlijk niet aangaan hem nu, geheel buiten zijne schuld, als ’t ware te schorsen, of liever af te zetten, en dat zonder eenigen vorm van procedure. Dat zou wel zeer ongereformeerd en revolutionair zijn.

’t Is dan ook te hopen, dat het gerucht (inhoudende, dat de kerkeraad te X de gemeenteleden wilde laten stemmen, of men Ds. A wilde behouden, of wel afzetten) onwaar is. Zulk een stemming zou natuurlijk ten hoogste onwettig zijn. En indien eens de meerderheid zeide: wij willen hem wegzenden: dan zou de Classe daartegen moeten waken, Ds. A moeten handnaven, eene nieuwe beroeping ten sterkste ontraden, en in geen geval approbeeren.

Hoe er over deze zaak „gisting in de gemeente” komt, begrijp ik niet. Maar dan is het m.i. ook de taak der Classe, die gisting tot bedaren te helpen brengen, b.v. door Deputaten, die de menschen inlichten.

Rutgers, F.L. (1921) 24

|104|

Artikel 15.

Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner Kerk onderlatende, of in geenen vasten dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken buiten consent en autoriteit der Synode of Classe. Gelijk ook niemand in eene andere Kerk eenige predikatie zal mogen doen of Sacramenten bedienen, zonder bewilliging des Kerkeraads van die Kerk.

 

24. Is een vacante kerk verplicht aan de Classe beurten te vragen?

 

(1899.)

Over de verulling van predikbeurten, in vacante of van eigen dienst verstokene kerken door de predikanten van naburige kerken (van de 16e tot de 19e eeuw door „ringen”, thans bij ons ook nog wel zoo, maar meest door de „Classen”) zou zeer veel te zeggen zijn, historisch, politisch en kerkrechtelijk, maar dat alles is in enkele volzinnen, zelfs niet in hoofdzaak, samen te vatten.

Thans geldt in onze kerken, dat Classe (of ring) rechtens geen aanspraak kan maken op het traktement van eene vacante kerk, of op een deel daarvan (’t geen oudtijds mocht, en kon ook, omdat het landstraktement in zoodanig geval aan Classe of ring werd uitbetaald; gelijk nu nog in de Ned. Herv. kerk); natuurlijk tegen waarneming van den predikdienst, alle catechisaties, ziekenbezoek, enz. De vergoeding voor Classe- of ringdiensten wordt thans bij ons door onderlinge schikking geregeld, natuurlijk door de Classikale vergadering.

Deze echter is tot hulp van kerken, die geen eigen dienst hebben, en kan haren dienst dus aan eene kerk zonder predikant niet opleggen. Beneficia non obtrudentur. Indien de vacante kerk zich zonder hulp van de Classe- of ringpredikanten van diensten voorzien kan, is zij niet verplicht den dienst van Classe of ring te aanvaarden. Natuurlijk mag zulk een kerk geen onbevoegden in den

|105|

dienst des Woords en der Sacramenten aannemen, en daarop heeft de Classe dan toe te zien. En ook heeft zij toe te zien, dat de dienst niet worde gestaakt of verwaarloosd. Maar verder kan zij niet gaan. In de „Herv. kerk” staat eene vacante kerk onder de voogdij en heerschappij van den consulent en van het Classikaal bestuur; maar zoo is het bij ons niet.

Indien eene vacante kerk zich tot de Classe wendt, om hulp, dan moet deze de hulp zonder twijfel verleenen; overeenkomstig de regeling, die zij gemaakt heeft voor de onderscheidene gevallen (alleen vergoeding van reis- en verblijfkosten of zorg dat die er niet zijn, - of wel een vaste som, naargelang het traktement in die kerk grooter of kleiner was, en dan natuurlijk nooit een hoog bedrag, - en voorts naar gelang het eene gewone vacante kerk is, of een dienst nog voor eene predikantsweduwe, of voor een zieken predikant enz.).

Rutgers, F.L. (1921) 25

25. Is de Classe verplicht vacante kerken te helpen?

 

(Heraut, 25 Nov. 1894.)

38. De verplichting tot het helpen van vacante kerken.

In de laatste jaren heeft zich hier en daar het geval voorgedaan, dat bij de Classikale regeling van de vacatuurbeurten de vraag gedaan werd, of de kerken der Classe dan ook gehouden zijn, die regeling te helpen uitvoeren, en met name, of de kerken, die een eigen Dienaar des Woords hebben, dan verplicht zijn, dezen ook des Zondags nu en dan aan vacante kerken af te staan. Het is zelfs reeds voorgekomen, dat er kerken waren, die daartegen bezwaar maakten; welk bezwaar dan gegrond werd op de overweging, dat een predikant geheel en uitsluitend aan zijne eigene kerk verbonden is, en dat deze hem beroepen heeft voor den dienst dien zijzelve behoeft; terwijl ook wel eens aangevoerd werd, dat in de Kerkenordening van zoodanige verplichting niets te vinden is.

In onderscheiding van bijna alle andere quaestiën, die in de kerkelijke practijk telkens oprijzen, zal van de genoemde quaestie wel kunnen gezegd worden, dat zij in onze Gereformeerde kerken van zeer jongen datum is. Van de Reformatie af tot op onzen tijd

|106|

heeft men aan de bedoelde verplichting nooit getwijfeld, maar integendeel altijd ondersteld, dat zij bestond en als het ware vanzelf sprak. In die onderstelling hebben de Classen, van de zestiende eeuw af, de waarneming van de vacatuurbeurten geregeld; welke regeling, voor zooveel zij uit de zeventiende en achttiende eeuw is, in de toen gedrukte Classikale handboekjes ook is opgenomen. En blijkbaar is er te dien aanzien toen nergens bezwaar geweest. Anders zou daarvan bij de Classikale regeling wel eenig spoor te vinden zijn. En vooral zou er dan wel iets over moeten voorkomen in de Acta van Particuliere, Provinciale en Generale Synoden, daar toch een dergelijke quaestie dan wel in die meerdere vergaderingen had moeten behandeld worden. Dit nu schijnt nooit geschied te zijn. Op de Generale Synoden, wier Acta alle zijn uitgegeven, is de regeling der vacatuurbeurten nooit ter sprake gekomen. En evenmin op de Particuliere of Provinciale Synoden, voor zooveel uit de bekende Acta kan blijken. Integendeel, wanneer het eens eene enkele maal voorkomt, dat er over hulp van vacante kerken te handelen was, dan wordt toch uitgegaan van de onderstelling, dat vanwege de Classe de dienst in zulke kerken wordt waargenomen.

Zoo b.v. in het besluit, dat de Zuid-Hollandsche Synode te Delft, in 1607, genomen heeft, omtrent de hulp, die men thans gewoon is consulentsdienst te noemen, en dat in Art. 20 van hare Acta aldus genotuleerd is:

„Ordre in den kerckenraet, daer geen predicant en is. Also na het overlyden oft vertrecken der predicanten in veele plaetsen ten platten lande lichtelyc swaricheyt voorvalt int verkiesen van een ander tot den dienst harer kercke ende in andere kerckelycke saecken, uyt oorsaeck dat dickwils tot kerckelycke opsicht syn vercooren sodanige personen, die van regeringe der kercke niet veel ervarentheyt en hebben, so werde gevraecht, oft niet goet en soude syn, dewyle de dienaren des classis sulcke plaetsen den tyt, dat se vaceren, waerneemen moeten. dat de predicant, die van wegen den Classe den dienst doet, in hare kerckelycke vergaderinge tegenwoordigh sy om die saecken die voorvallen, te beleyden, ende voornamentlyc als van de beroepinge van een ander dienaer gesproocken wert. Is hierop geresolveert, dattet behoorlyc is, dattet also geschiede”.

|107|

Met de regeling en de waarneming van vacatuurbeurten hebben de Synoden zich niet ingelaten, daar dit allereerst eene zaak was van de Classen, en in deze best kon worden afgehandeld, zoodat volgens het beginsel van Art. 30 der Kerkenordening de Synoden niet eens bevoegd waren, zich daarmede te bemoeien. Het behoorde en behoort tot die zaken, die eerst dan door eene Synode te behandelen zijn, wanneer daarover moeielijkheden komen, welke in de Classe niet kunnen worden uit den weg geruimd.

Maar juist daarom ligt het dan ook in den aard der zaak, dat er in de Kerkenordening geene bepaling voorkomt, volgens welke eene kerk zou gehouden zijn, haren Dienaar voor den dienst in vacante kerken nu en dan af te staan; en kan uit dat zwijgen van de Kerkenordening volstrekt niet worden afgeleid, dat zulke verplichting eigenlijk niet bestaat. Er zijn heel wat zaken, waaromtrent kerken en kerkedienaren en gemeenteleden eene roeping hebben, zonder dat zulke roeping in de Kerkenordening uitgedrukt is. En het zou waarlijk niet te wenschen zijn, dat men in dit opzicht de Kerkenordening zoo volledig mogelijk maakte. Zij zou dan al spoedig een dikke reglementenbundel worden. En wanneer een Gereformeerd kerkverband zulk een veelheid van algemeene bepalingen noodig heeft, dan bewijst dit, dat in die kerken het geestelijk leven op eene treurige wijze is ingezonken, en dan werkt het mede om zulke inzinking nog te doen toenemen. Daarom is te hopen, dat de bovenbedoelde quaestie ook thans nog in de Classen zal kunnen afgedaan worden; zoodat Synodale besluiten te dien aanzien onnoodig zijn en onnoodig blijven.

 

Intusschen, dat de vraag waar we over handelen, juist in onzen tijd is opgekomen, laat zich tot op zekere hoogte wel verklaren. Eenigszins kan dit worden toegeschreven aan het feit, dat het nog niet lang geleden is, sedert onze kerken aan de overheersching van Classikale en Synodale bestuurscolleges ontkomen zijn; en na sterke hiërarchische actie volgt in den regel bij de kerken, die daarvan bevrijd zijn, een zekere independentistische reactie. Bovendien is er hier te lande reeds van ouds, ook in de Gereformeerde kerken eene Doopersche strooming; en deze openbaart zich ook in miskenning van het kerkverband. En vooral moet niet worden uit

|108|

het oog verloren, dat, terwijl in vroeger eeuwen predikantsvacaturen betrekkelijk zeldzaam waren en spoedig vervuld werden, thans meer dan een derde onzer kerken vacant zijn; terwijl bovendien, die vacaturen zeer ongelijk over de Classen verdeeld zijn, en verre de meesten reeds jaren geduurd hebben en ook thans nog geen uitzicht hebben op spoedige vervulling. Bij zooveel meer vacaturen, en zooveel minder predikanten, die ze kunnen waarnemen, is het bezwaar van die waarneming uit den aard der zaak heel wat grooter, dan het vroeger ooit was.

Toch raakt dit laatste niet het beginsel, maar alleen de wijze waarop het moet worden toegepast. Een zoo groot aantal vacaturen is altijd een abnormale toestand. Regel is het voor iedere kerk, dat zij haren eigenen Dienaar des Woords hebbe; waarop dan ook altijd zooveel mogelijk moet worden aangehouden. En wanneer dat het geval is, dan zijn er ook natuurlijk slechts betrekkelijk weinig vacaturen, en dan duren deze nooit lang, en dan zijn er vele predikanten die haar samen waarnemen. Zoolang het nog anders is, moet nu zeker met dien abnormalen toestand worden rekening gehouden; met name in dit opzicht, dat aan de vacante kerken lang niet elken Zondag hulpdienst kan bewezen worden, gelijk in vroeger tijd steeds de regel was. Maar dit is natuurlijk slechts eene quaestie van meer of minder hulp, in overeenstemming met het grooter of kleiner vermogen. Het beginsel, dat de kerken der Classe tot die hulp verplicht zijn, blijft in allen gevalle ten volle gelden.

De grond, waarop die verplichting berust, ligt eenvoudig in het kerkverband zelf. De noodzakelijkheid en Schriftuurlijkheid van dat kerkverband, die van Gereformeerde zijde tegenover het Independentisme altijd is staande gehouden, wordt natuurlijk niet ontkend door de kerken, die er zelve toe behooren. En dan kan eigenlijk evenmin ontkend worden, dat zij ook gehouden zijn tot de hier bedoelde hulp.

Immers is dan het beginsel, dat in Art. 31 van onze Kerkenordening is uitgesproken, ook hier van toepassing. Omtrent een besluit der Classe, dat aan vacante kerken althans enkele Zondagen in het jaar een dienst des Woords en der Sacramenten verzekert, zal wel niemand aannemen te „bewijzen, dat het strijdt

|109|

tegen het Woord Gods of tegen de artikelen der Kerkenordening”. Maar dan moet zoodanig besluit ook „voor vast en bondig gehouden worden”.

En veelmeer nog zegt de overweging, dat het juist de wederkeerige steun en hulp is, die in het Gereformeerde kerkverband de hoofdzaak uitmaakt.

Er is zulk een kerkverband, en het moet er zijn, omdat alle geloovigen in Christus innerlijk één zijn, en die eenheid ook naar buiten zooveel mogelijk blijken moet. Maar als dat erkend en beleden wordt, gelijk door allen, die tot éénzelfde kerkverband behooren metterdaad geschiedt, hoe zou men dan terzelfder tijd kunnen zeggen, dat de eene kerk niet verplicht is, de andere in haar nood te helpen? Het zijn waarlijk niet de besluiten eener Classe, waardoor zulke verplichting in het leven is geroepen. Zij wordt door de Classe alleenlijk geregeld, maar dat zij bestaat, is dan van te voren reeds aangenomen. En zij staat zóó vast, dat de Classe haar niet eens zou kunnen ter zijde stellen. In Christus' kerk mag niemand, ook geene plaatselijke kerk, als stelregel aannemen, dat een ieder slechts voor zichtelven heeft te zorgen. Juist voor haar staat geschreven: „Niet gelijk Kaïn”, wiens leuze was: „Ben ik mijns broeders hoeder?”

Wie den dienst des Woords en der Sacramenten ook maar eenigszins weet te waardeeren (gelijk eene kerk, die dien steeds voor zichzelve begeert, natuurlijk doet) moet vanzelf toestemmen, dat vacante kerken ontzaglijk veel missen, en dat, wanneer de vacature lang duurt, en wanneer dan al dien tijd, misschien jaren lang, Woord en Sacramenten nooit bediend worden, onvermijdelijk volgen moet, dat zulke kerken deels verloopen, deels inzinken, en in ieder geval sterk achteruitgaan. De onderscheidene hulpmiddelen, waarmede men bij de samenkomsten der gemeente zich dan wel moet behelpen, kunnen den geordenden dienst des Woords nooit vergoeden, en zij kunnen ook niet gepaard gaan met de bediening van Doop en Avondmaal. En zouden dan de kerken die tot hetzelfde kerkverband behooren, daarvoor onaandoenlijk mogen zijn, en het lijdelijk mogen aanzien? Immers kan men toch niet zeggen, dat de vacante kerken dan maar zelve voor de hulp, die zij noodig hebben, moeten zorgen. Want waar zouden

|110|

zij die hulp kunnen vinden, wanneer die haar geweigerd werd door de naaste buren, door de kerken van de eigene Classe? Indien deze hare hulp met recht kunnen weigeren, en zelfs met het oog op zichzelve daarin eigenlijk gelijk hebben, dan kunnen en dan moeten verder afgelegen kerken nog veel eerder zoo handelen; te meer, omdat die verwijderde kerken dan toch bovendien reeds in haar eigen kring hulp te verleenen hebben. Als er moet geholpen worden, is toch altijd de naaste omgeving wel het eerst geroepen. En als zulke hulp eenigszins gelijkmatig en ordelijk en practisch zal verleend worden, dan kan dit alleen geschieden doordat de bestaande kerken in een aantal kleine kringen worden bijeengevoegd, of m.a.w. doordat zulke hulp Classikaal wordt verleend en geregeld.

Of het dan niet waar is, dat een predikant geheel en uitsluitend aan zijne eigene kerk verbonden is, en dat deze hem beroepen heeft voor den dienst dien zijzelve behoeft? O ja, zonder twijfel. Maar aan dat beginsel wordt ook in het minst niet te kort gedaan door de hier bedoelde verplichting. Integendeel, wanneer een predikant door het waarnemen eener vacatuurbeurt een andere kerk tijdelijk dient, dan is hij terzelfder tijd ook in dienst van de eigene kerk, waaraan hij verbonden is. Immers is het die kerk zelve, die verplicht is, de vacante kerk nu en dan te helpen; en wanneer zij dit dan doet, door voor een enkelen Zondag haren eigenen predikant hiervoor af te staan, dan blijft die predikant wel degelijk in den dienst zijner eigene gemeente: hij komt dan in de vacante kerk, niet omdat hij persoonlijk roeping of genegenheid heeft haar te helpen, maar omdat de kerk, waaraan hij verbonden is, hem daartoe afstaat en als het ware leent. En voorts, iedere kerk wordt op hare beurt ook wel eens vacant en dus hulpbehoevend; en in zulk een geval komt dan de verplichting, om elkander te helpen, aan haarzelve ten goede. Anderen helpende, maakt zij dus terzelfder tijd, dat zij zelve, als het noodig is, ook geholpen wordt.

In dit laatste ligt ook een tegenwicht tegen het nadeel, dat de kerk die helpt, dan voor zulk een Zondag gewoonlijk verstoken blijft van den dienst des Woords. En in vele gevallen zou nog wel op andere wijze aan dat bezwaar kunnen worden tegemoet

|111|

gekomen, n.l. door de vacatuurbeurten zóó te regelen, als in vroeger eeuwen bij vele Classen gebruikelijk was. Daarbij werd aan de vacante kerk slechts ééne predikbeurt toegekend, doorgaans des voormiddags; en wanneer de afstand niet al te groot was, kon de predikant dan dienzelfden Zondag ook nog in zijne eigene kerk eene beurt waarnemen; bijna overal was wel iemand te vinden, die zijn eigen paard en rijtuig gaarne beschikbaar stelde, om den dag des Heeren des te beter aan zijn doel te doen beantwoorden. Misschien zou ook nu nog, althans in sommige Classen, door zulk eene regeling kunnen verkregen worden, dat de kerken, die een eigen predikant hebben, door de vacatuurbeurten niet te veel geschaad werden, en dat juist daardoor aan vacante kerken een veel grooter aantal vacatuurbeurten, dan thans mogelijk is, kon gegeven worden.

 

In verband met het hier ter sprake gebrachte onderwerp moet ten slotte nog iets gezegd worden over Art. 15 van de Kerkenordening, daar door een zonderling misverstand van het tweede gedeelte van dit artikel in sommige kerken gedacht wordt, dat zij toch wel recht hebben, haren predikant niet toe te staan, in eene vacante kerk te gaan prediken.

Dat artikel houdt in: „Het zal niemand geoorloofd zijn, den dienst zijner kerk onderlatende, of in geenen zekeren dienst zijnde, hier en daar te gaan prediken, buiten consent en autoriteit der Synode of Classe; gelijk ook niemand in eene andere kerke eenige predicatie zal mogen doen of Sacramenten bedienen, zonder bewilliging des kerkeraads”.

Het bedoelde misverstand nu bestaat hierin, dat men in den laatsten volzin, bij de woorden „zonder bewilliging des kerkeraads” denken wil, niet aan den kerkeraad van de kerk, waar de prediking of Sacramentsbediening zal plaats hebben, maar aan den kerkeraad van de kerk, waar de predikant toebehoort. Deze kerkeraad (zoo is dan verder de redeneering) moet bewilligen, en kan dus ook weigeren.

Dat dit enkel misverstand is, kan gemakkelijk blijken, o.a. uit de volgende overwegingen:

1º. Het geheele artikel, dat reeds dagteekent van de oudste

|112|

redactie van de Kerkenordening in 1571, is gericht tegen eene ongeregeldheid, die vooral in de zestiende eeuw veel voorkwam, n.l. dat personen, die nu eenmaal ergens tot den kerkedienst waren toegelaten, op eigen gezag Woord en Sacramenten gingen bedienen. Dit nu mocht natuurlijk niet worden toegelaten. In Gereformeerde kerken kon geen kerkelijke dienst zijn zonder kerkelijke roeping of zending; en deze kon slechts uitgaan van een kerkeraad, als het eenige kerkelijke bestuur; voor plaatsen, waar een kerkeraad is, van den kerkeraad dier plaats, en voor andere plaatsen in het algemeen van een aantal kerkeraden, in Classe of Synode vereenigd. Het is dit beginsel, dat in Art. 15 van de Kerkenordening toegepast wordt. Maar dan moet in zijn slot ook vanzelf gedacht worden aan den kerkeraad der plaats, waar de dienst geschieden zal. Anders zou daar toch een kerkedienst zijn, die geheel buiten den kerkeraad omging, enkel op gezag van een geheel vreemden kerkeraad; en daarmede zou het beginsel zelf ten eenenmale verloochend zijn.

2º. In de oudste redactie der Kerkenordening, die op dit punt veel uitvoeriger is (Artt. 17 en 18 van de Acta der Synode te Emden), is de bedoelde volzin zóó geformuleerd, dat wel niemand de bedoeling zal miskennen. Die redactie nl. luidde: „Het en sal gheen Kercken-Dienaer gheoorloft zijn, in een andere Ghemeente te predicken sonder bewillinge des Dienaers der selver Ghemeente ende der Consistorie, ofte in afwesen des Dienaers, sonder consent der Consistorie”. Daarna heeft in 1581 de Nationale Synode te Middelburg, in haren ijver om de Kerkenordening zooveel mogelijk te bekorten, de op dit punt bestaande bepalingen in een klein bestek samengevat, en ze uitgedrukt in de thans nog geldende formuleering.

3º. Wanneer van „den kerkeraad”, zonder nadere bepaling, gesproken wordt, dan moet natuurlijk uit het verband der woorden blijken, van welke kerk de kerkeraad bedoeld is. Nu is in Art. 15 van de Kerkenordening in het geheel geen sprake van de kerk, waar de dienende predikant aan verbonden is, maar alleenlijk van de kerk, waar hij eens zal gaan prediken of Sacramenten bedienen. Maar dan kan ook bij het woord „kerkeraad” slechts aan die kerk gedacht worden; eene andere kerk was niet eens genoemd.

4º. In Gereformeerde kerken heeft de kerkeraad het bestuur der gemeente, en als zoodanig moet hij, en hij alleen, den dienst des

|113|

Woords en der Sacramenten regelen. Maar aangezien geen kerk, of kerkedienaar over andere kerken of kerkedienaren heerschappij mag voeren, kan een kerkeraad natuurlijk alleen voor zijne eigene kerk iets bepalen of regelen of toestaan. Geen kerkeraad kan zijnen predikant autoriseeren om in eene andere kerk eenigen kerkelijken dienst te doen. Of hij aldaar mag prediken en Sacramenten bedienen, staat ter bewilliging van den kerkeraad van die andere kerk. En ook daarom moet dus het genoemde artikel in dien zin worden opgevat.

5º. Bij eene andere opvatting heeft dit artikel niet eens een draaglijken en verstaanbaren zin. Men wil er dan in lezen, dat de predikant des Zondags zijn eigen dienst niet mag laten stilstaan of door een ander mag laten vervullen, zonder toestemming van zijn kerkeraad. Nu, dat spreekt wel vanzelf; altijd voor zooveel de kerk niet door het kerkverband zelf tot afstand van haren predikart geroepen is; en er zijn in de Kerkenordening zeker genoeg bepalingen, die den kerkeraad in staat stellen, verwaarloozing van den dienst en clericale overheersching te keeren. Maar in Art. 15 kan zulks onmogelijk de bedoeling zijn. Dan toch zou de hoofdzaak eigenlijk verzwegen zijn. De Zondag had dan uitdrukkelijk moeten genoemd zijn; desgelijks ook de nalating van den dienst in de eigene kerk; en dan zou daarentegen van het elders dienen wel niet eens gesproken zijn, daar toch bij het nalaten van den eigen dienst niet het allerergste is, dat het helpen van een ander daarvan het motief is. Ook zou uit de gewraakte opvatting moeten volgen, dat een predikant, die in de week ergens helpen kan, of die, op reis zijnde, gevraagd wordt ergens op te treden, daarvoor altijd eerst verlof zou moeten vragen aan zijn kerkeraad. Maar waarom dan niet veeleer voor het optreden om ergens eene lezing of voordracht te houden, en voor het bijwonen van vergaderingen, enz. ? Waarom juist voor het optreden in eene Gereformeerde kerk, ter plaatse waar de eigen kerkeraad van dien predikant niets te zeggen heeft? Dat is toch geene zaak, die zóó bedenkelijk is, dat een kerkeraad ieder geval op zichzelf moet behandelen, om dan telkens te beoordeelen, of hij zijn predikant wel kan toestaan, in die bepaalde kerk eens te prediken.

Maar genoeg reeds over dit artikel. Voor verre de meeste lezers

|114|

misschien reeds teveel; daar zij het artikel wel nooit verkeerd hebben opgevat. Toch geschiedt zulks, blijkens de ervaring, veel vaker dan menigeen wel vermoedt; en dat geeft dan soms aanleiding tot veel moeielijkheid. Daarom werd niet overbodig geacht, hier het een en ander aan te voeren, om het misverstand zooveel mogelijk uit den weg te ruimen.

Rutgers, F.L. (1921) 26

26. Is een vacante kerk verplicht de hulp der Classe aan te nemen?

 

(Heraut, 6 Jan. 1895.)

39. De verplichting van vacante kerken tot aanvaarding van de hulp der Classe.

Voor eenigen tijd, in ons nummer van 25 Nov. l.l. gaven we een artikel over „de verplichting tot het helpen van vacante kerken”; ten betooge, dat de kerken, die zelve eenen Dienaar des Woords hebben, uit kracht van het kerkverband geroepen zijn, haren Dienaar nu en dan af te staan aan vacante kerken, opdat deze tijdens hare vacature niet geheel verstoken zouden zijn van den dienst des Woords en der Sacramenten; en dat, wanneer zulke hulp gelijkmatig en ordelijk en practisch zal verleend worden, Classicale regeling daarvoor noodig is.

Door sommigen is er in dit stukje blijkbaar iets meer, en zelfs ook wel iets anders gelezen, dan er toch uitdrukkelijk in gezegd was.

Waar het inhield, dat de Classe geroepen is, vacante kerken aan den dienst des Woords en der Sacramenten te helpen, en dus zulke hulp heeft te regelen, daar is dit door sommigen opgevat alsof er stond, dat de Classe zou geroepen zijn, zelve, in de plaats van den Kerkeraad der vacante kerk, de zorg voor dien dienst op zich te nemen, en dus zelve dien dienst zou te regelen hebben, daarin doende wat des kerkeraads is. En in verband met dit misverstand werd dan opgemerkt, soms zelfs bij manier van tegenwerping of bedenking, dat het altijd en immer, ook in eene vacante kerk, de roeping van den kerkeraad is, om voor den dienst des Woords en der Sacramenten te zorgen; en dat, wanneer deze zulks doen kan zonder door de Classe geholpen te worden, de Classe te dien aanzien dan ook niets te besluiten of te regelen heeft.

|115|

Nu, die laatste opmerking zal wel onbetwistbaar zijn; althans, wanneer zij nog wat juister geformuleerd wordt. Maar zij raakt een punt, dat met de in bedoeld stukje behandelde quaestie inderdaad al zeer weinig te maken heeft.

Om de zaak met een voorbeeld eens op te helderen. Wanneer iemand betoogt, dat gemeenteleden geroepen zijn om door hun gaven den kerkelijken dienst der barmhartigheid mogelijk te maken, en dat dan de Diakenen de alzoo te verleenen hulp moeten regelen, dan kan zeker door een ander worden opgemerkt, dat toch altijd, ook bij armen, het hoofd des gezins voor de zijnen te zorgen heeft, en dat, voor zoolang deze zulks doen kan door hulp van elders, de Diakonie te zijnen aanzien hare regeling niet heeft toe te passen. Maar die opmerking zou dan aan het genoemde betoog wel niets toe- of afdoen, en er eigenlijk geheel buiten omgaan.

Met betrekking tot de Classicale hulp aan vacante kerken zijn er twee vragen, die niet mogen verward of dooreengemengd worden. Men kan vragen, of de kerken der Classe verplicht zijn zulke hulp te verleenen; en het is alleenlijk dit punt, dat in het artikel van 25 Nov. l.l. behandeld werd. Maar ook kan gevraagd worden, of eene vacante kerk verplicht is die hulp te aanvaarden; en met dit punt heeft het genoemde artikel zich niet bezig gehouden.

Te dien aanzien, werd blijkbaar ondersteld, dat de vacante kerk voor haren dienst des Woords de hulp der Classe van noode heeft, en dat zij zulke hulp dus ook gaarne ontvangt.

Trouwens, dat zal ook wel bijna altijd het geval zijn. In het afgetrokkene redeneerende kan men wel zeggen, dat de kerkeraad der vacante kerk, als geroepen zijnde om voor den dienst des Woords en der Sacramenten te zorgen, eerst beproeven moet of hijzelf den daarvoor noodigen Dienaar niet kan vinden, en alleen wanneer dit niet gelukt, aan de Classe hulp moet vragen. Maar wat kan in de werkelijkheid daarvan terechtkomen, althans in kerken, die bij vacature geen predikant overhouden, en dus in de overgroote meerderheid ?

Voor den hier bedoelden dienst is natuurlijk een Dienaar des Woords altijd noodig. Men kan zich zeer zeker wel behelpen met eene oefening of bijbellezing, door een daartoe geschikten oefenaar of ouderling of student: en in onzen tijd, nu het aantal vacante

|116|

kerken nog zoo groot is, en vele daarvan nog in langen tijd niet zullen kunnen beroepen, en sommige nog voorzien zijn van een vasten oefenaar, die reeds sedert lang aan haar verbonden is, is het zeker natuurlijk, dat ook vaak van het genoemde hulpmiddel wordt gebruik gemaakt. Maar ook dan is toch telkens noodig, dat voor de bediening der Sacramenten een predikant aldaar optrede. En voorts, voor zooveel het mogelijk is inderdaad dienst des Woords te hebben, mag een kerkeraad, juist omdat hij geroepen is daarvoor te zorgen, de gemeente er niet van verstoken laten.

Eene kerk, die vacant is, heeft dus in den regel een Dienaar des Woords van elders noodig, zoo maar immer mogelijk elken Zondag. Maar van waar zal haar kerkeraad dien verkrijgen, indien door de Classe niemand is aangewezen, die er door die aanwijzing toe geroepen is?

In goed Gereformeerde kerken is elke Dienaar aan een bepaalde kerk verbonden. En onder die Dienaars zijn wel enkele emeriti, die nog eenigen dienst kunnen doen. Maar het zal wel geene aanwijzing noodig hebben, dat die hulp niet veel baten kan. Bijna altijd zullen de vacante kerken moeten geholpen worden door de dienstdoende predikanten van andere kerken.

Aan dezulken zouden hare kerkeraden dan een liefdebeurt moeten vragen. Maar kan men zich in ernst voorstellen, dat zij langs zulk een weg zouden geholpen worden? De dienstdoende predikanten, vooral degenen, die men het liefste hoort, zouden zóó door aanvragen overstelpt worden, dat zij in den regel afwijzend zouden moeten antwoorden. En ook hunne kerken zouden zeker, en dat met volle recht, bezwaar maken, om, niet voor een verplichte vacatuurbeurt, maar enkel ter wille van eene liefdebeurt, zelve telkens van den dienst des Woords verstoken te zijn. Feitelijk zouden de kerkeraden der vacante kerken dus gewoonlijk geene hulp kunnen krijgen. Waarvan dan bij velen het gevolg zou zijn, dat zij, met verzaking hunner roeping, zich nu maar behielpen zonder eigenlijken dienst des Woords; en ook als zij dan tot de Classe hunne toevlucht namen, zouden zij toch altijd moeten wachten totdat de Classe weer bijeenkwam om eene regeling te maken. Waarom zou die regeling dan niet liever aanstonds worden gereed gemaakt ? Dat is het oude en beproefde middel, om vacante kerken

|117|

zoo goed mogelijk te helpen. Waarom zou men dat terzijde stellen, om een weg in te slaan, waarvan men vooraf reeds weet, dat hij toch niet tot het doel kan leiden?

In ieder geval zal de Classe te bedenken hebben, dat de kerkeraden van vacante kerken, juist om overeenkomstig hunne roeping voor den dienst des Woords en der Sacramenten te kunnen zorgen, bijna altijd noodig hebben, dat de Classe predikanten daarvoor aanwijst; en dat wetende, zal de Classe voor die te verleenen hulp altijd eene regeling te maken hebben. De bedoelde kerkeraden weten dan, op welke tijden zij aldus geholpen worden, en welke predikanten daartoe zijn aangewezen. Voor die beurten behoeven zij dus zelf geene hulp meer te zoeken; en de hulp, die hun nog door liefdedienst kan geboden worden, kan voor andere tijden te pas komen. Daarbij is het, in het afgetrokkene zeker denkbaar, dat men week aan week zulken liefdedienst krijgen kan; en in dit geval zou dan de vacante kerk, desverkiezende, aan de Classe de moeite van te komen helpen kunnen besparen. Maar al is dat geval denkbaar, het zal toch wel uiterst zelden voorkomen. En het zou zich zeker niet voordoen, wanneer een kerkeraad, misschien wel om kosten te besparen, de hulp der Classe onnoodig verklaarde, en terzelfder tijd zich behielp met eene oefening of bijbellezing, zoodat zijne zorg voor den dienst des Woords dan hierin bestaan zou, dat hij zulk eenen dienst, die mogelijk was geweest, verhinderde.

De vraag of de kerkeraad eener vacante kerk verplicht is, voor den dienst, dien hij te verzorgen heeft van den door de Classe aangewezen Dienaar gebruik te maken, moet dus onderscheidenlijk beantwoord worden. Hij is er niet toe verplicht, in het zeldzame geval, dat hij buitendien genoeg hulp van Dienaars des Woords verkrijgen kan; mits hij dan de Classe of de door haar aangewezen predikanten, tijdig hiervan in kennis stelle. Maar hij is er wel toe verplicht, indien hij anders de gemeente, meer dan wel noodig is, van een eigenlijken dienst des Woords zou moeten verstoken laten. Deze verplichting rust dan op zijne allereerste verplichting, om voor den dienst des Woords en der Sacramenten zoo goed mogelijk te zorgen. En op de nakoming van die verplichting heeft de Classe zeer zeker toe te zien.

Rutgers, F.L. (1921) 27

|118|

27. Hoe werden vroeger de vacatuurdiensten geregeld, en op welke wijze zijn ze nu te regelen?

 

(1907.)

40. Rapport in zake de regeling der vacatuurdiensten, aan de Classe Amsterdam, in hare vergadering van 13 Maart.

Door de Classe Amsterdam is in hare vergadering van 12 Maart 1906 eene Commissie benoemd, bestaande uit de b.b. Ds. van Dijken, Dr. Los, Dr. Wymenga en Prof. Rutgers, met opdracht „een historisch onderzoek in te stellen en op de eerstvolgende vergadering een rapport uit te brengen, in zake de wijze, waarop de kerken met het Woord en de Sacramenten moeten gediend worden”.

Aanleiding tot die opdracht was een verschil van gevoelen, dat zich in de Classe geopenbaard had, met betrekking tot de hulp, die in geval van vacaturen door de kerk van Amsterdam en de andere kerken der Classe wederkeerig zou moeten betoond en ontvangen worden. Daarom heeft de genoemde commissie gemeend, de gestelde vraag vooral met het oog op die aanleiding te moeten behandelen, en zich dus tot het punt in quaestie te moeten bepalen. Te dien aanzien dan gaf een historisch onderzoek haar het volgende resultaat.

In de Nederlandsche Gereformeerde kerken hadden de Classen, uit kracht van het kerkverband voor de waarneming der vacatuurbeurten te zorgen. En om dat te kunnen doen, op de beste wijze en tot meeste stichting der kerken, hebben bijna alle Classen van eenigen omvang voor zich zelve eene nadere indeeling gemaakt in preek-ringen (hier en daar ook districten of kreitsen genoemd), in welke de daartoe behoorende kerken en predikanten elkander zouden helpen; welke indeeling reeds van zeer ouden datum is, en gedurende de zeventiende en achttiende eeuw, met slechts zeer kleine wijzigingen, in stand is gebleven. Bekend is die indeeling, voor de onderscheidene Classen (slechts met uitzondering van de Classen Dokkum en Franeker, waaromtrent geene opgaven te vinden waren), uit de Classicale Handboekjes, waarvan in de zeventiende en achttiende eeuw ook een aantal in druk zijn uitgegeven, en voorts uit de „Kerkelijke geographie der Vereenigde Nederlanden”, door W.A. Bachiene in de jaren 1768-1773 in vier deelen uitgegeven.

|119|

Eene volledige opgave van hetgeen te dien aanzien in de onderscheidene Classen van geheel Nederland bepaald was, met bijvoeging van de namen, die aan de preek-ringen gegeven waren, ter aanduiding van hun omvang, heeft voor de Classe Amsterdam niet zóóveel belang, dat zij in dit rapport zou zijn op te nemen. Het zal hier wel voldoende zijn de hoofdzaak kort en duidelijk te vermelden.

En dan blijkt uit de bovenbedoelde historische berichten, dat er van de drie en vijftig Classen, waarin de Nederlandsche Gereformeerde kerken in de zestiende en zeventiende eeuw waren samengevoegd, slechts tien waren, die zich voor de waarneming der vacatuurbeurten niet in preek-ringen verdeeld hadden; hetwelk dan meest gemotiveerd werd door de overweging, dat zulks wegens den kleinen omvang der Classe onnoodig of wegens het kleine aantal van predikanten onpractisch was. Deze tien Classen waren: de drie Drentsche, één Classe in Friesland, ééne in Groningen, twee in Overijsel, twee in Gelderland en ééne in NoordHolland. De laatstbedoelde, de Classe Hoorn, die een betrekkelijk kleinen omvang had, was voor geheel Noord-Holland, Zuid-Holland, Zeeland en Utrecht, welke provincien samen vier en twintig Classen hadden, de eenige, waarin alle predikanten der Classe gezamenlijk voor alle vacatuurbeurten zorgden.

Alle andere Classen hadden preek-ringen, en wel:
ten getale van 2, in 11 Classen, n.l. Enkhuizen, Edam, 's Gravenhage, Woerden, Zuid-Beveland, Tholen, Zalt-Bommel, Peel- en Kempenland, Bolsward, Appingedam en het Oldambt;
ten getale van 3, in 16 Classen, n.l. Haarlem, Amsterdam, Delft, Voorn en Putten, Breda, Amersfoort, Rhenen, Neder-Veluwe, 's Hertogenbosch, Zwolle, Sneek, Zevenwolden, Loppersum, Middelstum, de Marne en het Westerkwartier;
ten getale van 4, in 8 Classen, n.l. Alkmaar, Leiden, Gouda, Schieland, Gorinchem, Buren, Schouwen en Duiveland en Zutphen;
ten getale van 5, in 5 Classen, n.l. Dordrecht, Utrecht, Nijmegen. Over-Veluwe en Deventer;
en ten getale van 13 in de Classe Walcheren.

Met betrekking tot de wijze waarop deze preek-ringen waren samengesteld, is nog o.a. op te merken, dat bijna overal de grootere

|120|

kerken, die verscheidene predikanten hadden, afzonderlijke preekringen vormden, zoodat zij voor de waarneming van hare vacatuurbeurten zelve zorgden, en dan ook te dien aanzien geene hulp hadden te verleenen aan andere kerken. Met name was dit het geval met de steden: Amsterdam, Haarlem, Dordrecht, Delft, Leiden, Gouda (met Schoonhoven samen), Rotterdam, Schiedam, Gorinchem, ’s Gravenhage, Middelburg, Vlissingen, Veere, Zierikzee, Utrecht, Arnhem, 's Hertogenbosch en Deventer. Voor enkele andere steden was de zaak zóó geregeld, dat soms aan den stadsring nog een paar zeer dicht bij gelegen dorpen waren toegevoegd (b.v. te Breda), en soms de stadspredikanten voor de waarneming der vacatuurbeurten tezamen voor één predikant gerekend werden (b.v. te Zwolle en te Hasselt). Ook kwam het wel voor, b.v. in Delft, dat de stadsring vacatuurdienst deed in de andere ringen alleenlijk op de feestdagen, op welke slechts éénmaal gepredikt werd, „ten einde” (gelijk er bij staat) „de buitenpredikanten alsdan hunne eigene gemeenten niet zouden behoeven te laten ledig staan”.

Voorts gold voor de waarneming van vacatuurbeurten nog als vaste regel
dat in ieder geval de vacante kerk elken Zondag en Feestdag hulp van den ring moest hebben;
dat, wanneer een ring door het aantal vacaturen of door ziekte en ouderdom van predikanten daardoor te veel bezwaard kan zijn, de naastbij gelegen ring of ringen moeten helpen ;
en dat in de vacante kerk niet meer dan één dienst zou vervuld worden (des voormiddags of des namiddags, naar gelang dit door de Classe geregeld was of door plaatselijk overleg was goedgevonden); aangezien de predikant, die dien dienst waarnam, op denzelfden Zon- of Feestdag ook in zijne eigene gemeente den dienst nog had waar te nemen, daar toch de zorg voor vacante kerken niet mocht teweeg brengen, dat iemands eigen gemeente zonder noodzaak schade leed.

Dit laatste (het waarnemen van den dienst in de eigen gemeente ook op den dag dat men eene vacatuurbeurt vervulde) was dan ook bijna overal de gewoonte. Voor een rijtuig (of in sommige streken voor een paard of schuit) zorgde, voor zoover de kosten niet uit de vacatuurgelden moesten bestreden worden, een gemeentelid van

|121|

de kerk waar de predikant gevestigd was of de vacante kerk zelve; en slechts zelden waren daarvoor classicale bepalingen noodig, gelijk b.v. in de Classe Neder-Veluwe, waar in de eerste helft der 18e eeuw bepaald werd, dat de kerkmeester der vacante plaats verplicht was, den predikant „met een bequaam en overdekt vaartuig [d.i. rijtuig] te laten afhalen; anders mag de predikant ten koste der vaceerende kerke een vaartuig aannemen”. De predikant moest op den Zon- of Feestdag, op welken hij eene vacatuurbeurt had, uit zijne eigene gemeente naar de vacante kerk heen en weer kunnen komen.

Uit dit alles is duidelijk, wat het motief was, en het leidend beginsel, bij de verdeeling der Classen in preek-ringen.

Men ging uit van den grondregel, dat iedere kerk op elken Zon- en Feestdag althans eenmaal bediening des Woords en der Sacramenten moest hebben. Het lezen van eene predikatie of de voorgang van een oefenaar werd volstrekt onvoldoende geacht; en het optreden van dezulken, die kerkelijk daartoe niet gequalificeerd waren, met name het optreden van studenten, werd vóór de l9de eeuw nergens toegelaten of geduld.

Aan dien eisch moest zooveel mogelijk voldaan worden; eenerzijds, in vacante kerken, hetgeen dan natuurlijk alleen geschieden kon doordat predikanten van elders aldaar kwamen dienst doen; maar ook anderzijds, in de kerken, waaraan die predikanten verbonden waren. En al zou het nu eene enkele maal wel eens mogelijk zijn, dat voor dit laatste een predikant te vinden was, die nergens dienst had, dit zou toch altijd een betrekkelijk zeldzaam geval zijn: bij de regeling der vacatuurdiensten zou daarmede natuurlijk niet kunnen gerekend worden. Die regeling moest dus zooveel mogelijk op zulk eene wijze worden ingericht, dat de Dienaar des Woords, die de vacatuurdienst had, op denzelfden dag ook in zijne eigene gemeente nog kon optreden. En aangezien dat alleen mogelijk was in een kring van kerken, die betrekkelijk dicht bij elkander waren, lag het in den aard der zaak, dat de meeste Classen voor de waarneming van den vacatuurdienst zich in preekringen afdeelden.

Uit diezelfde overweging moest ook volgen, dan men zulke preek-ringen alleen samenstelde uit de kleinere kerken, die in geval

|122|

van vacature altijd hulp van elders noodig hadden. Voor de groote kerken, die verscheidene predikanten hadden en die dus in geval van vacature nog geenszins verstoken waren van den dienst des Woords en der Sacramenten, was dus ook volstrekt niet bepaald noodig, dat op Zon- of Feestdagen een predikant van elders overkwam om te helpen, en daarom werden zulke kerken, voor den vacatuurdienst, als een op zich zelf staande preek-ring beschouwd.

Inderdaad zou eene Classe aan die groote kerken ook geen hulp van elders, met het daaraan verbonden wederkeerig hulpbetoon, hebben kunnen opleggen. Immers, in Gereformeerde kerken zijn de meerdere vergaderingen geene hoogere kerkbesturen, die als zoodanig over de tot haar behoorende kerken, en over de aan die kerken verbonden predikanten, eenvoudig zouden kunnen beschikken. De bevoegdheid om zulks te doen ten behoeve van vacante kerken (eene bevoegdheid, die zij uit kracht van het kerkverband zonder twijfel hebben) staat in het nauwste verband met de noodzakelijkheid, dat in alle kerken de dienst des Woords en der Sacramenten zooveel mogelijk onderhouden worde. Maar juist daardoor wordt die bevoegdheid dan ook beperkt. Zij kan niet meer gelden, waar de noodzakelijkheid van wederkeerig hulpbetoon niet aanwezig is. Zij bestaat dus niet met betrekking tot die groote kerken. En ook met betrekking tot die kleine kerken is zij in zóóverre beperkt, dat buiten noodzaak niet aan deze mag worden opgelegd, hulp te verleenen op zóó verren afstand, dat zij daardoor zelve in verlegenheid zouden komen. Soms kon dit, ook in vroeger tijd, zeker niet vermeden worden: en dan moest men zich daarin wel schikken. Maar in verre de meeste Classen lag het middel, om bezwaren te voorkomen, voor de hand: en dat was dan de verdeeling in preek-ringen, zoo vele of zoo weinige als de ligging der kerken wenschelijk maakte.

 

Wat in vroeger eeuwen hier te lande theorie en practijk was der Gereformeerde kerken, in zake de regeling van den vacatuurdienst, is in het bovenstaande zoo kort mogelijk voorgesteld. En die voorstelling zal wel kunnen geacht worden voor zich zelve te spreken. Niemand zal wel ontkennen of betwijfelen, dat die regeling principieel Gereformeerd was, met de hooge beteekenis van den

|123|

dienst des Woords geheel overeenkwam, en ook zeer practisch was ingericht.

Slechts één ding zou men thans tegen zulke regeling kunnen in het midden brengen; nl. dat hare volledige toepassing in vroeger eeuwen heel wat gemakkelijker was, dan zij thans zou zijn.

Dit moet onbewimpeld worden toegestemd. Er is inderdaad in dit opzicht verschil tusschen toen en thans. En al bestaat dat verschil eigenlijk slechts op één punt, het is toch van groote beteekenis.

Van de Reformatie af was het, drie eeuwen lang, een vaste regel, dat iedere kerk haren Dienaar des Woords had; ook al was zij te klein om een kerkeraad te hebben, zonder predikant mocht zij toch niet zijn. En in verband daarmede was het ook een vaste regel, dat iedere vacature (behoudens het geval van een annus gratiae voor eene weduwe) altijd zoo spoedig mogelijk moest vervuld worden. Beide die regelen konden worden opgevolgd, omdat elke kerk een vast predikantstraktement had, uit fondsen en goederen, of door uitkeering van de Overheid; terwijl kerken, bij welke dit niet, of niet voldoende het geval was, gecombineerd werden, soms wel ten getale van drie of meer, vooral in streken, waar van de bevolking slechts een zeer klein deel met de Reformatie was medegegaan. Destijds duurde eene vacature dus bijna altijd betrekkelijk kort, waardoor vanzelf haar aantal zelden groot werd, en de hulpdienst betrekkelijk licht was.

Thans echter, nu de gemeenteleden zelven voor het predikantstraktement moeten zorgen, zijn er in bijna alle Classen verscheidene kerken, die daartoe niet bij machte zijn, en die dus jaar in jaar uit vacant blijven. In zulke gevallen nu gaat het niet aan, de meest genabuurde kerken te willen verplichten, ook aldaar elken Zon- en Feestdag in den dienst te voorzien.

Voor dien blijkbaren misstand is geen ander middel, dan hetgeen men in vroeger eeuwen daartegen in het werk stelde. Destijds werden blijvende vacaturen nergens geduld. Waar die anders bestaan zouden, kwam men daaraan tegemoet door combinatie van kerken. En het is ook zeker langs dien weg, dat men thans beproeven moet, zooveel mogelijk te zorgen, dat men overal een eigen Dienaar des Woords hebbe.

Voor zooveel dit nog niet geschied is, kunnen kerken, die blijvend

|124|

vacant zijn, zeker geen aanspraak maken op een vacatuurdienst, die elken Zon- en Feestdag zou te verleenen zijn, maar zal de hulp zich wel te bepalen hebben tot een kleiner aantal beurten.

Intusschen, behoudens deze uitzondering, zijn de oude beginselen ook thans nog geheel voor toepassing vatbaar. En gelijk in vroeger tijd enkele groote kerken geen bezwaar maakten, om voor den vacatuurdienst verbonden te worden met een paar kleine kerken, die door hare groote nabijheid als vanzelf daartoe waren aangewezen, zoo zou ook thans tegen zulke indeeling wel geen overwegend bezwaar worden ingebracht.

Slotsom van dit rapport moet dus zijn, dat, met het oog op de quaestie, die bij de Classe Amsterdam aanhangig is, aan haar wordt voorgesteld, inzake de regeling van den vacatuurdienst weder terug te keren tot de oude verdeeling in preek-ringen, slechts met een paar kleine wijzigingen, die in den aard der zaak liggen of zichzelve aanbevelen.

Van de 16de tot de 19de eeuw was de Classe Amsterdam verdeeld in drie preek-ringen, n.l. de stad Amsterdam, het Amstelland en het Gooiland; terwijl tot het Amstelland behoorden: Muiden, Weesp, Amstelveen, Waverveen, Ouderkerk, Diemen, Sloten en Sloterdijk, en tot het Gooiland: Naarden, Muiderberg, Huizen, Blaricum, Laren, Hilversum, ’s-Graveland, Oud- en Nieuw Loosdrecht en Loenen. Onder deze kerken zijn er eenige, die thans tot eene andere Classe behooren; en daarentegen behoort Aalsmeer, dat oudtijds tot de Classe Haarlem behoorde, thans tot Amsterdam, terwijl in de Classe zelve ook eenige nieuwe kerken geconstitueerd zijn. Met dit een en ander moet natuurlijk worden rekening gehouden. En dan luidt het voorstel, waartoe de rapporteerende commissie eenstemmig gekomen is, dat de Classe besluite

1º. De Classe Amsterdam wordt voor de waarneming van den vacatuurdienst verdeeld in drie preek-ringen, n.l. a. de kerken Amsterdam, Watergraafsmeer en Diemen; b. de kerken Overtoom, Sloterdijk, Amstelveen, Ouderkerk, Aalsmeer en Uithoorn; en c. de kerken Naarden, Weesp, Bussum, Huizen, Hilversum, ’s-Graveland, Ankeveen, Muiden, Muiderberg en Nederhorst den Berg.

|125|

2º. In ieder van die preek-ringen zullen de vacatuurdiensten, met de daarvoor uit te keeren vergoeding, door de predikanten van dien ring in overleg niet de kerkeraden van de tot dien ring behoorende kerken, nader geregeld worden, onder goedkeuring van de Classe, en bij eventueele quaesties door hare beslissing.

3º. Zoo dikwijls een der preek-ringen, naar het oordeel der Classe, te veel met vacaturen bezwaard is, zal door een naburigen ring zooveel mogelijk hulp verleend worden.

Moge de geheele regeling dezer aangelegenheid, door des Heeren zegen, zóó geschieden, dat de stichting der kerken door den dienst des Woords en der Sacramenten zooveel mogelijk worde bevorderd.

Rutgers, F.L. (1921) 28

28. Mag een predikant voor den rechter geroepen worden om te getuigen over wat hij als predikant hoorde?

Zie vraag 61 bij art. 28.

Rutgers, F.L. (1921) 29

Artikel 21.

De Kerkeraden zullen alomme toezien, dat er goede schoolmeesters zijn, die niet alleen de kinderen leeren lezen, schrijven, spraken en vrije kunsten, maar ook dezelve in de godzaligheid en in den Catechismus onderwijzen.

 

29. Heeft de kerk rechtstreeks van Godswege toezicht op alle Vereenigingen op Geref. grondslag?

 

(1913.)

41. In uw schrijven van 7 April l.l. vraagt ge mijn oordeel over het gevoelen van prof. Bouwman, kortelijk door hem uiteengezet in zijn boek over „De kerkelijke tucht”, blz. 169-171, volgens hetwelk „de kerk rechtstreeks van Godswege toezicht heeft” over alle vereenigingen, „die zich stellen op den grondslag

|126|

van Gods Woord en de belijdenis der kerk, om uit het Woord en uit de belijdenis de beginselen voor haar vereenigingsleven af te leiden”; dus op alle vereenigingen, die zulk eene bepaling in hare Statuten hebben; als b.v. de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Geref. grondslag (ook met betrekking tot de door haar in het leven geroepen Faculteiten voor Rechtsgeleerdheid, Letteren, Medicijnen, enz.); — de Vereeniging tot Christelijke Verzorging van krankzinnigen; — de Vereeniging tot Christelijke Verpleging van zenuwlijders; — alle Vereenigingen voor Lagere en Middelbare Scholen op Geref. grondslag (ook al bestaan die in zeer vele gevallen, niet slechts uit leden van eene der „Geref. kerken”, maar ook uit „Gereformeerden” die tot de „Herv.'' of „Christ. Geref.” of andere „Geref. kerken” behooren); — alle jongelingen- en jongedochters-vereenigingen op denzelfden grondslag (ook al zijn die bijna overal in kerkelijk opzicht gemengd); — alle „gezelschappen”, die (naar de uitdrukking van prof. B.) „een stichtend doel hebben, en waarbij de deelnemers bedoelen elkander te bouwen in het geloof en in de kennis van Gods Woord; — en nog tal van andere „vereenigingen” meer.

Natuurlijk kan prof. B. dit niet zoo bedoeld hebben, al staat het in zijn boek eigenlijk wel. Denkelijk zou hij antwoorden, dat hij bij die uiteenzetting stilzwijgend onderstelde, dat de door hem bedoelde „vereenigingen” uitsluitend bestaan uit leden van eene onzer „Geref. kerken”, en geene andere leden toelaten, ook al zouden dezen voor het overige met den Geref. grondslag het van harte eens zijn. In dat geval zou zijne stelling feitelijk wel vrij onschuldig zijn, althans geen beteekenis of uitwerking kunnen hebben; want onder onze talrijke „Geref. vereenigingen” zal er op de honderd nauwelijks één zijn, die in hare Statuten bepaalde, dat alleenlijk leden van eene onzer Geref. kerken haar lidmaatschap kunnen krijgen. Dat zou ook wel wat al te exclusief kerkistisch zijn, of wel een uitgaan van de illusie, dat het nu nog is, als vóór 3 en 4 eeuwen, toen men overal slechts ééne kerk had die als zoodanig algemeen erkend werd.

Maar al zou de stelling van prof. B. thans dus vrij wel op nonactiviteit staan, hare juistheid kan en mag m.i. toch niet worden aangenomen. Het is zelfs in lijnrechten strijd met hetgeen hijzelf

|127|

op blz. 166-168 zeer terecht heeft betoogd. En het volgt ook volstrekt niet uit de twee Schriftwoorden, die op blz. 169 ervoor worden aangehaald.

Uit het feit, dat de kerk „de pilaar en vastigheid der waarheid” is, kan toch zeker niet volgen, dat zij op elk gebied dat met „de waarheid Gods” te doen heeft (’t geen natuurlijk geldt van ieder gebied waarop het menschelijk leven zich beweegt, niet alleen kerkelijk, maar ook maatschappelijk, politiek, wetenschappelijk, enz. enz.), door middel van hare kerkelijke organen moet vaststellen wat op ieder gebied „de waarheid” is, of het recht heeft een opperst toezicht van controle te houden en voor zich op te eischen, niet alleen over hare leden, die zich op eenig gebied met een Geref. beginsel tot een vereeniging constitueeren, maar ook over die vereeniging zelve. Dat en waarom dit niet aangaat, is door prof. B. zelve, blz. 166-168 duidelijk genoeg betoogd.

En de andere tekst (Rom. 3: 2, welk cijfer echter blz. 169 niet genoemd wordt) „dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd”, is niet geheel precies aangehaald; want in plaats van „hun” (in den tekst) is gezet : „aan de kerk”, terwijl dit woord dan blijkens het verband van blz. 169 bedoelt „de kerk in haar institutair optreden”. Dit nu is geheel onjuist; want in Rom. 3 wordt uitdrukkelijk gesproken van „den Jood” en „de besnijdenis”, dus (naar onze wijze van uitdrukken) van „den Christen” en „den Doop”, en het meervoud „hun” in vers 2 bedoelt dus natuurlijk „de Christenen” in het algemeen, d. i. allen die belijden en gedoopt zijn. Het spreekt ook vanzelf, dat de organen, waardoor de kerk als instituut optreedt, hiervan niet worden uitgesloten: wat van alle Christenen hier gezegd wordt, geldt natuurlijk zeer bijzonder van de kerk als instituut en van hare organen. Maar het wordt in Rom. 3 daartoe niet beperkt: integendeel, het wordt gezegd van alle Christenen, in welke de kerk „zichtbaar” kan zijn, ook afgedacht van het kerkelijk instituut. Men kan en moet dus zonder twijfel hier onderscheiden tusschen de kerk in haar zichtbaar bestand in het algemeen, (’t geen ook wel de kerk als organisme genoemd wordt) en de kerk in haar zichtbaar en geïnstitueerd verband (ook wel genoemd: de kerk als instituut). Om spraakverwarring te voorkomen, zou men, van „kerk” sprekende,

|128|

eigenlijk altijd moeten aangeven, in welken zin men dat woord bedoelt. Maar in het spraakgebruik geldt nu eenmaal, dat men, over kerkrechtelijke zaken handelende, met dat woord altijd de kerk als instituut bedoelt; tenzij men het tegendeel uitdrukkelijk zegge.

Aan de twee boven reeds behandelde teksten voegt prof. B. op blz. 170 vg. nog een stuk toe uit 1629, als getuige, „hoe ook Gereformeerden in den bloeitijd van de Gereformeerde kerk zeer sterk handhaafden het recht van de kerk op de vereenigingen en de oefeningen.”

Hierbij heeft hij echter over het hoofd gezien en dus niet vermeld, wat er ten aanzien van dat stuk (aan de Synode voorgesteld door eene Commissie of misschien slechts door de meerderheid dezer Commissie) door de Synode zelve besloten is. In de Acta der Leidsche Synode van 1629 (uitgave door Knuttel Dl. I, blz. 304) volgt op de mededeeling van genoemd voorstel aanstonds het volgende besluit (waarin eenige woorden, waarop het aankomt, door mij onderstreept worden)

„De Synodus op alles rijpelijck geledt hebbende heeft niet connen goetvinden in thesi over ’t selvige project te oordeelen, maer lettende op den tegenwoordigen staet van Rotterdam, heeft verstaen dat dien vast bij de gedeputeerde ad istam causam beraempt in de tegenwoordige gelegentheyt van de kercke van Rotterdam sall plaetse hebben, ende bij andere kercken in gelijcke gelegentheyt en conjuncture van tijden sall mogen gevolcht worden”, enz.

Het bedoelde stuk is dus door de Synode aangenomen, enkel en alleen met betrekking tot een geval, dat zich in Rotterdam voordeed en dat in de Classe niet had kunnen afgehandeld worden. Maar voorts werd alleenlijk gezegd, dat het zou „mogen” (d.i. kunnen), niet: moeten, gevolgd worden door andere kerken „in gelijke gelegenheid”; terwijl, eindelijk, nog uitdrukkelijk werd uitgesproken, dat de Synode „niet heeft kunnen goedvinden” over dat voorstel „in thesi”, d.i. in het algemeen, „te oordeelen”; welk besluit natuurlijk geen zin zou hebben, als de Synode het eens was geweest met de algemeene „thesis” (of stelling) van prof. B.

Ook komt voor de 17e eeuw natuurlijk in aanmerking, dat de

|129|

Geref. kerk, als de eeniglijk erkende kerk, op allerlei gebied destijds eene andere positie had, dan nu het geval is.

Het is wel jammer, dat het boek van prof. B., dat bijna overal zoo juist en zoo duidelijk de Geref. lijnen volgt, op blz. 169 vgg. aan het „kerkelijk instituut” een recht wil toekennen, dat er niet aan toekomt; al is op zich zelf in vele gevallen zeer wenschelijk, dat allerlei „vereenigingen” (niet allen, maar dan toch vele) zulk toezicht begeeren, en vragen, en dan ook ontvangen.

Over de zaak zelve van kerkelijk toezicht op „vereenigingen” enz., zou zeker nog heel veel te zeggen zijn. Maar niet in de ruimte van een brief. Deze is toch al lang genoeg! Maar ik wilde uw vraag toch, althans in hoofdzaak geheel beantwoorden.

Rutgers, F.L. (1921) 30

30. Kan het bestuur eener Christelijke School in Indië de bepaling der Regeering over de facultatiefstelling van het godsdienstonderwijs en van godsdienstige verrichtingen aanvaarden?

 

(1913.)

42. Het bestuur der Javaansche Meisjesschool te X schreef nl., dat het in zijne vergadering van half Januari besloten had, de subsidie-aanvrage, die voor 1913 en vervolgens door dat bestuur zelf aan den Gouverneur-generaal te doen is (anders dan tot nu toe, toen die subsidie, ook reeds die over 1912, door het Comité alhier van het Departement van Koloniën werd gevraagd en ontvangen), niet te doen volgens de „speciale subsidie-regeling” die is „vastgesteld bij de begrooting 1912-1913”, maar „de subsidie wil aanvragen, vastgesteld bij de begrooting van 1910, zijnde f 1800.— per jaar voor twee onderwijzeressen.”

Ik vrees zeer, dat hier bij het bestuur een fataal misverstand is, nl. dit, dat in 1910 een soort van subsidieregeling voor onze school zou gemaakt zijn, die niet alleen voor dat jaar, maar blijvend zou gelden. Ik meen echter wel zeker te weten, dat er in 1910, evenmin als in 1911 en 1912, nog in het geheel geen subsidieregeling voor dergelijke scholen gemaakt is, maar dat de subsidie

|130|

aan onze school is toegekend, enkel op voorstel van den Minister in de begrooting en door goedkeuring van die begrooting in het Parlement. Maar natuurlijk gold dit dan enkel en alleen voor het jaar, waarover de begrooting liep, zonder dat dit eenig recht gaf voor volgende jaren. En zou die subsidie dan kunnen voortduren, ook nadat er nu in het laatst van 1912 eene regeling voor het subsidieeren van zulke scholen is vastgesteld? Zou die regeling (die ik voor het overige niet ken) kunnen inhouden, dat zij niet geldt voor scholen die reeds vroeger, telken jare door de voor één jaar geldende begrooting, eene subsidie ontvingen? Of zou zij kunnen inhouden, dat van de bepalingen dier algemeene regeling dispensatie gegeven wordt aan een paar scholen, die met eene lagere subsidie tevreden zijn? Ik zou denken, dat aan zulke regeling alle gesubsidieerde scholen onderworpen zijn, om het even of zij eene subsidie aanvragen tot het bedrag, dat de regeling toestaat, of wel tot een lager bedrag. En dan zou het besluit van het bestuur te Dj. dus hierop neêrkomen dat men alle subsidie prijs gaf; ’t geen m.a.w. beteekent, dat men door de onoverkomelijke finantieele bezwaren de school niet kan staande houden.

Dit nu zou moeten, en zou dan een ondergang met eere zijn, indien principieele redenen daartoe drongen. Maar zulk eene reden kan ik hier niet ontdekken. Het bestuur meent die te zien in de bepaling van bovenbedoelde regeling, volgens welke „de kinderen, wier ouders dit verlangen, van het bijwonen van het godsdienstonderwijs, daaronder begrepen onderwijs in de Bijbelsche geschiedenis, worden vrijgesteld.” Want het bestuur is van oordeel, dat daardoor „het Christelijk karakter van de school verloren gaat”. Dit begrijp ik inderdaad niet. Immers, nu nog daargelaten, dat het Christelijk karakter eener school toch niet enkel en alleen betrekking heeft op eenige uren van speciaal „godsdienstonderwijs”, — er wordt volstrekt niet geëischt, dat dit onderwijs zal vervallen (’t geen zeker niet zou zijn toe te geven), maar alleenlijk, dat sommige kinderen daarvan zullen worden vrijgesteld. En daardoor blijft het karakter van de school toch geheel intact. Het leerplan blijft geheel hetzelfde, en de onderwijzeressen blijven haar onderwijs geven, precies zooals zij het tot dusver deden. De verandering bestaat alleen hierin, dat het kan gebeuren dat sommige kinderen den

|131|

Christelijken invloed van de school iets minder ondervinden; en wel alleenlijk ingeval de ouders van die kinderen uitdrukkelijk en schriftelijk verklaren de vrijstelling van die lessen te verlangen. Aan zulk verlangen niet te voldoen, op eene plaats waar voor zulke meisjes geen Hollandsch-Mohammedaansch of Hollandsch — zoogenaamd neutraal onderwijs te krijgen is, zou m.a.w. zijn: op godsdienstig gebied de ouders te willen dwingen; en dat is toch geen eisch van een Christelijk beginsel. In Nederland zelf staat de zaak geheel anders, omdat hier te lande van willen dwingen geen sprake kan zijn, aangezien hier in alle steden en dorpen voor ieder klein aantal ouders, dat geen Christelijk onderwijs wil, een zoogenaamde neutrale school door de Regeering moet opgericht worden; waardoor hier te lande voor de Regeering geenerlei motief is, dat het stellen van de bedoelde voorwaarde voor de toekenning van subsidie raadzaam of zelfs geoorloofd zou maken. Maar in Indië kan de Regeering nu eenmaal niet overal hare eigene scholen hebben. En waar tevens de inlanders bijna zonder uitzondering niet-Christelijk zijn, kan zij deze dan niet willen dwingen tot het bijwonen van eigenlijk gezegd Christelijk godsdienstonderwijs. Tot bevordering van Christelijken invloed doet zij reeds zóóveel als zij kan, wanneer zij Christelijke scholen ruim subsidieert, en geen anderen band daarbij aanlegt dan dat zij de bedoelde voorwaarde stelt.

Blijkbaar is daartegen ook geen bezwaar in onze Christelijke kringen; al zou men natuurlijk wel zeer wenschen, dat alle kinderen van Heidenen en Mohammedanen positief „godsdienstonderwijs” ontvingen. Op Soemba hebben, naar ik hoor, onze missionairen de bedoelde voorwaarde aanvaard voor hunne scholen, die zelfs kerkelijke scholen zijn. Evenzoo de Hollandsch Christelijke school, die nu te Soekaboemi komt. En ook de Hollandsche jongensscholen, die nu komen, zullen die voorwaarde wel aannemen. Al die scholen behouden daarom toch haar Christelijk karakter; evenals b.v. de Keucheniusschool haar karakter van „opleidingsschool” niet verliezen zou, wanneer daar leerlingen werden toegelaten, die van enkele „opleidingslessen” werden vrijgesteld omdat zij geen plan hadden onderwijzer enz. te worden; en evenmin als dit thans het geval is met enkele kweekscholen voor onderwijzers hier te

|132|

lande, die ook geheel „kweekscholen” blijven, al worden ook wel leerlingen toegelaten die van paedagogiek enz. worden vrijgesteld.

 

Een principieel bezwaar kan ik in de bedoelde voorwaarde dus niet zien. En misschien heeft bij het bestuur te Dj. een utiliteitsbezwaar dan ook het meeste gewicht in de schaal gelegd; nl. dit, dat bij aanvaarding van de subsidie met die voorwaarden eenige Javaansche ouders daarvan voor hunne kinderen zullen gebruik maken; niet uit zichzelven, maar door „invloeden van buiten” daartoe bewogen. Dit is natuurlijk mogelijk, maar m.i. zal het toch niet veel voorkomen, daar die ouders dan toch zelven hun wensch moeten kenbaar maken en na samenspreking met het hoofd der school moeten volhouden. Althans Mej. A zelve acht dit gevaar niet zoo heel groot; en zelfs op die kinderen blijft dan toch door al het andere onderwijs de Christelijke invloed werken.

Wilde men nu verder gaan, en ook die kinderen dwingen tot bijwonen van het „godsdienstonderwijs”, zou men daarmede dan ook maar iets vorderen? Die gevreesde „invloeden van buiten” zullen dan niet nalaten hierbij te werken? Integendeel, alsdan maakt men ze eerst recht wakker, en geeft men hun een kostelijk wapen in de hand, waarmede zij de Zending kunnen beschuldigen van dwang (en de Regeering ook, indien deze dan toch subsidieerde), en waarmede zij de Regeering kunnen dwingen, te X eene Hollandsche zoogenaamde „neutrale” school voor priaji-meisjes te stichten. Alsdan zou men de bedoelde kinderen natuurlijk toch verliezen, zoodat deze dan zelfs geheel aan allen Christelijken invloed onttrokken werden, en met hen zou men denkelijk allengs meer kinderen verliezen, misschien zóóvelen, dat de concurreerende gouvernementsschool onze school ruïneerde. Ik kan dus niet anders zien, dan dat er geenerlei utiliteit gelegen is in het weigeren van de gouvernementssubsidie wegens de gestelde voorwaarde, en dat integendeel de utiliteit alleszins pleit vóór de aanvrage op grond van de regeling van 1912.

Rutgers, F.L. (1921) 31

31. Hoe is de verhouding tusschen de kerk en de Christelijke school?

|133|

(1906.)

43. Eene school voor lager of ander onderwijs is als zoodanig geen kerkelijke instelling; waaruit natuurlijk volgt, dat zij niet onder het officieele toezicht van den kerkeraad staat, tenzij het bestuur der school te dien aanzien met den kerkeraad is overeengekomen. En dit kan in geen enkel opzicht veranderen, ook al waren alle onderwijzers en alle kinderen leden der Geref. kerk; evenmin als eene dergelijke omstandigheid een fabriek, een timmerwinkel of werf, enz. kerkelijk zou maken of reeds van zelf aan kerkeraads toezicht zou onderwerpen. Ook niet, als de directeur of het hoofd van zulk eene fabriek enz, met het personeel dagelijks een huisgodsdienst hield: opzieners der gemeente zouden dan niet vanzelf het recht hebben, in hunne qualiteit aldaar te komen toezien, evenmin als zij zulk recht hebben ten aanzien van den particulieren huisgodsdienst in ieder huis. Natuurlijk zijn en blijven leden der Geref. kerk als zoodanig aan het toezicht van den kerkeraad onderworpen, persoonlijk; maar dat is geheel iets anders.

 

(1906.)

44. Immers is hetgeen ge vraagt eigenlijk niet minder, dan eene principieele uiteenzetting van de verhouding tusschen de Christelijke school en de Christelijke kerk, en de uitwerking daarvan ten aanzien van kerkelijk toezicht, catechisatie enz., met nog bovendien eene principieele uiteenzetting van de roeping der Christelijke school ten aanzien van het maatschappelijk onderwijs en de Christelijke opleiding, en de verhouding tusschen die beide. En ge stelt uwe vragen zóó algemeen, dat dat bij iedere vraag een groot aantal gevallen zouden te onderscheiden zijn.

In b.v. uwe eerste vraag over kerkelijk toezicht. Immers is er hier te lande meer dan ééne „kerk” en ook meer dan één soort van „Christelijke school”, zoodat men niet maar eenvoudig kan spreken van de kerk en de Christelijke school, maar heel wat gevallen moet onderscheiden. En wanneer iemand zegt, dat „de school uit de huisgezinnen opkomt”, en dat „de kerk toezicht heeft op de huisgezinnen”, dan zijn die uitdrukkingen ook weêr zóó vaag

|134|

en zoo algemeen, dat zonder nadere bepaling daarmede niet te redeneeren is. Van de fabriek, de werkplaats enz. kan men in zekeren zin ook zeggen, dat zij „uit de huisgezinnen opkomen”; en eveneens van den burgerstaat (in welken daarom sprake is van een recht van gezinshoofden). En in zekeren zin heeft de kerk daarop „toe te zien”, ofschoon zij formeel en officieel er geenerlei rechten op uitoefent. Ook is het woord „toezicht”, evenals de begrippen „kerk” en „school” op zichzelf nog niet genoeg gedefinieerd, om daarmede te redeneeren.

Toezicht van een Geref. kerkeraad op een Christelijke school, kan formeel worden uitgeoefend, wanneer die school in grondslag en beginsel Gereformeerd is; en de aard van dat toezicht, en de wijze van uitvoering, moet dan door overeenkomst geregeld worden.

Voorts dient de school allereerst voor maatschappelijk onderwijs, maar dan in beslist Christelijken geest, en zóó dat het ook meewerkt tot de godsdienstige en zedelijke opvoeding der kinderen.

Maar natuurlijk moeten de ouders dan niet denken, dat zij daarvoor nu niet meer te zorgen hebben. En de kerk evenmin; zoodat catechisatie natuurlijk noodig blijft; welke trouwens met haar opleiding een ander einddoel heeft dan de school.

Dit zijn nu enkele, zeer algemeene, opmerkingen; waaraan ge voor uw doel nog niet veel hebt. Maar in bijzonderheden kan ik al de quaesties, die zich hierbij voordoen, nu niet aanstippen. Er zijn heele boeken over geschreven, wier inhoud men niet zoo maar met een enkel woord kan weergeven.

 

(1908.)

45. In zake het kerkelijk toezicht op eene Gereformeerde school kan ik mij in het algemeen goed vereenigen met uwe beschouwingen in uw schrijven van 14 April.

Met u zou ik er bezwaar tegen hebben, dat, in zake de Gereformeerdheid van een onderwijzer aan de lagere school bij zijn onderwijs, bij verschil tusschen schoolbestuur en kerkeraad deze laatste definitief te beslissen had; en eene definitieve beslissing door

|135|

arbitrage zou ik, bij een dergelijk verschil, voor beide colleges onaannemelijk achten.

Behalve de door U genoemde redenen komt hier m.i. ook nog in aanmerking:

1º. Een overeenkomst, waarbij een schoolbestuur het mede-toezicht aanvaardt, wordt natuurlijk nooit „in perpetuum” gesloten, maar moet altijd van weerszijden opzegbaar zijn (terstond, of na 3 of 6 maanden enz.). Bij scherp tegenover elkander volgehouden overtuigingen zal dan altijd „opzegging” wel het slot zijn.

2º. Een schoolbestuur kan zeker „afzakken”, maar zal dit, bij oppositie van den kerkeraad, toch niet kunnen volhouden, tenzij het gesteund wordt, althans door de meerderheid zijner Vereeniging, en der ouders. En in zoodanig geval zou de school toch altijd in verkeerden geest blijven, en zou er niet anders op zijn, dan daartegenover eene andere Geref. school op te richten.

3º. Bij een kerkeraad is principieele „afzakking” niet zoozeer te vreezen, wegens het toezicht van Classe en Synode; maar een kerkeraad, vooral op kleine plaatsen, kan in zake „Gereformeerdheid” lichtelijk eenzijdig zijn, en zulke eenzijdigheid zelfs drijven tot een formeele aanklacht (op soortgelijke wijze als b.v. Prof. A. Kuyper ten Synode van Middelburg van „Ongereformeerdheid” werd aangeklaagd). Ook daarom kan een schoolbestuur de definitieve beslissing over een onderwijzer niet geheel aan den kerkeraad overgeven. En bij contract met een schoolbestuur kan een kerkeraad niet stipuleeren, dat eventueel een Classe of Synode in zulke schoolquaestie uitspraak zal doen (wèl natuurlijk als het een procedure geldt tegen een onderwijzer als gemeentelid, wegens ergerlijke afwijking in de belijdenis).

4º. Een schoolbestuur is ook gebonden aan de Wet op het L.O. En nu ontbreekt mij de tijd om die Wet even na te zien. Maar ik meen, dat volgens die Wet een onderwijzer (ook aan de bijzondere school) niet tegen zijn zin kan ontslagen worden, zonder medewerking van de schoolautoriteiten, althans van den Raad van beroep.

In het algemeen geloof ik, dat, in zake het kerkeraadstoezicht op het Geref. karakter der school, die zich onder dat mede-toezicht

|136|

stelt, de hoofdzaak hierin gelegen is, dat de kerkeraad daardoor recht krijgt, om één of meer zijner leden het onderwijs, bepaaldelijk het onderwijs in de Bijbelsche Geschiedenis, Catechismus, enz. nu en dan te doen bijwonen (iets wat, zonder overeenkomst, alleen bij gunstige toelating zou kunnen geschieden, en ook zou kunnen geweigerd worden), zoodat de kerkeraad daarvan op de hoogte is, en eventueel niet op minder betrouwbare uitingen van kinderen behoeft af te gaan. Oordeelt dan de kerkeraad (niet om een of andere uitdrukking, maar om werkelijk gebleken ernstige afwijking), dat het zoo niet kan, dan remonstreert hij aan het schoolbestuur, desnoods ook in eene vergadering der schoolvereeniging of der ouders. En als dan toch het schoolbestuur enz. de afwijking handhaven, dan onttrekt de kerkeraad zijn zedelijken steun, en verandert dien, desgevorderd, in het tegendeel, door bevordering van de stichting eener wezenlijk Geref. school. Ofschoon ik niet geloof, dat een schoolbestuur het lichtelijk zoover zal laten komen. En indien wèl, dan ziet het er in de gemeente zelve ook bedenkelijk uit, want dan is daar een zeer sterke ongeref. strooming.

Maar de quaestie van kerkelijk schooltoezicht is te omvattend, om in enkele volzinnen per brief behandeld te worden. In ’t bovenstaande gaf ik dan ook slechts enkele opmerkingen en gedachten.

Rutgers, F.L. (1921) 32

32. Hoe is ondersteuning uit het suppletiefonds eener Christelijke school te regelen?

 

(1899.)

46. In zake de regeling der suppleering van schoolgelden aan minvermogende ouders, die voor hun kinderen van de Geref. school te X gebruik maken, kan ik U moeilijk een advies geven, daar ik de plaatselijke toestanden daarvoor niet genoeg ken, en ook niet goed begrijp wat men eigenlijk wil: „minvermogenden”, ook „Hervormden” helpen, door gelden van de Geref. diakonie en van collecten in de Geref. kerk, en dus ook onder Gereformeerde kerkelijke controle, mede van de diakonie, — maar zonder dat de geholpenen daarvan iets merken of te weten komen.

In het algemeen acht ik het het beste dat een suppletiefonds

|137|

(uitgaande òf van den kerkeraad, óf van de diakonie, òf van belangstellenden), eenvoudig suppleert wat er aan schoolgeld, (op den kostenden prijs gesteld) tekort komt, voor die ouders die zulks aanvragen, en die in de termen vallen, voor zooveel de bus van het suppletiefonds toelaat; en dat dus het schoolbestuur als zoodanig van alle finantieële zorg en bemoeiïng te dien aanzien ontheven is, en van ieder kind den kostenden prijs ontvangt; waarbij dan natuurlijk alle giften, collecten, subsidies enz., in de kas van het suppletiefonds moeten gebracht worden. Naar gelang nu de oorsprong is van de inkomsten van het suppletiefonds, is aan bepaalde ouders meer of minder voorrang te geven, en ook aan bepaalde colleges meer of minder invloed en controle. Maar hoe dit te regelen is, hangt geheel van de plaatselijke omstandigheden af.

Rutgers, F.L. (1921) 33

33. Is iemand, die zijn kind naar de Openbare School zendt, verkiesbaar tot diaken?

 

(1915.)

47. Gaarne voldoe ik aan uwen wensch, om uw heden door mij ontvangen schrijven spoedig te beantwoorden, al moet daardoor mijn antwoord kort zijn.

Uit dat schrijven zie ik, dat er in uwe gemeente broeders zijn, die als voorstanders van Christelijk schoolonderwijs vanzelf en terecht als algemeenen regel stellen, dat ter plaatse, waar eene Christelijke school is, Christelijke ouders hunne kinderen daarheen ter schole moeten zenden, maar die dan dien regel zóó absoluut en volstrekt willen maken, dat er geen plaats overblijft voor allerlei uitzonderingen.

En zulke uitzonderingen komen in de practijk des levens toch gedurig voor, waarvan dan de grond kan liggen in de woonplaats der ouders, in den gezondheidstoestand van het kind, in zijn aanleg en vatbaarheid, in den omvang van het onderwijs dat één of meer vakken, die het kind moet leeren, niet kan geven, in de ervaring dat het kind, ook al is het onderwijs in het algemeen zeer goed, toch niet genoeg vooruitkomt, en in vele andere omstandigheden meer.

Over al zulke gevallen hebben dan de ouders te beslissen, die daarvoor van Gods wege geroepen en aan Hem verantwoordelijk

|138|

zijn. Men kan en moet hun natuurlijk ernstig voorhouden, dat zij, in zake Christelijk schoolonderwijs, zoo mogelijk over bezwaren moeten heenstappen; maar men mag hen niet als het ware willen dwingen tot iets, dat naar hunne eigene conscientie voor hun kind tot al te groote schade zou zijn, niet alleen in maatschappelijk, maar ook in geestelijk opzicht. Hier zou poging tot dwang zelfs ten slotte tot schade zijn van ons Christelijk schoolonderwijs.

In het geval, waarover ge mij schrijft, kan ik, naar uwe mededeeling, dat het bedoelde kind voor de derde maal in dezelfde klasse zou moeten blijven, niet anders zeggen, dan dat ikzelf in zulk een geval mijn kind ook niet op dezelfde school zou laten blijven, daar ik zulk een driemaal doorloopen van geheel denzelfden leergang altijd schadelijk acht voor een kind, dikwijls zelfs met een schade die het in zijn gansche leven niet te boven komt. Daarom kan het onderwijs op die school en de daarmede samengaande opvoeding toch wel op zichzelf heel goed zijn; alleenlijk niet voor dat bepaalde kind; en het is natuurlijk daarop, dat zijne ouders allereerst hebben te letten.

Het zou een ander geval zijn, wanneer die ouders eigenlijk tegen het Christelijke van de school waren en het onderwijs van de religie wilden losmaken. Maar daarvan is bij den door u bedoelden vader geen sprake: het tegendeel is wel klaarblijkelijk.

Daarom acht ik het bezwaar, dat is ingebracht tegen zijn voorgenomen candidaatstelling voor den dienst van diaken, inderdaad niet gegrond.

Of het dan nu zaak is, die candidatuur te handhaven, kan ik niet beoordeelen, daar ik met personen en omstandigheden in X niet bekend ben. Er zijn gevallen, waarin men voor zulke oppositie niet moet uit den weg gaan. En er zijn gevallen, waarin men een verkeerd inzicht van sommigen liever tijdelijk moet verdragen dan dat men door ertegen in te gaan strijd en ontstichting in de gemeente zou krijgen. Uw kerkeraad moet hierin beslissen.

Rutgers, F.L. (1921) 34

34. Is een predikant, die zijn kind niet naar de Christelijke school in zijne woonplaats zendt, censurabel?

|139|

(1910.)

48. In uw schrijven van 28 Oct. l.l. deelt ge mij mede, dat ge door uwen kerkeraad, onder leiding van een ouderling die tevens voorzitter is van het bestuur der Christelijke school, wordt lastig gevallen, omdat ge, ter wille van de opvoeding uwer kinderen, deze niet meer ter schole zendt op de genoemde school, maar naar de Christelijke school voor M.U.L.O. te Y: dat men daarover „schuldbelijdenis” van u verlangt; en dat zelfs gedacht wordt over uitstel van de a.s. Avondmaalsviering, wegens de beroering, die door het boven vermelde in de gemeente zou zijn verwekt. En over een en ander vraagt ge dan mijn gevoelen.

Ik moet eerlijk zeggen, dat die heele geschiedenis mij volkomen onbegrijpelijk is.

Ik zou er nog iets van begrijpen, wanneer ge uw kinderen van de Christelijke school hadt afgenomen en gezonden hadt naar de openbare school te X zelf; ofschoon ook in zulk een geval de zaak ter beslissing staat aan de ouders, aan wie God in de opvoeding de zorg en de verantwoordelijkheid heeft toevertrouwd. Dit zal nu wel doorgaans medebrengen, dat de Christelijke ouders hun kind naar eene Christelijke school zenden. Maar het kan toch ook voorkomen, en het komt inderdaad soms voor (waarvan ik onderscheidene gevallen weet), dat die ouders, om gegronde en overwegende redenen, zich van Godswege geroepen voelen, hun kind naar eene openbare school te zenden. De kerkeraad kan en moet hen daarover dan zeer zeker aanspreken; maar ten slotte moet hij in de beslissing der ouders berusten, de verantwoordelijkheid op hunne conscientie leggende; zelfs al kunnen de ouders niet alle redenen mededeelen. Het zou een onverantwoordelijk misbruik van macht zijn, en dus tot groote schade voor het rechte kerkelijk opzicht, indien in zulk geval de kerkeraad nog verder tegen de ouders zou willen procedeeren.

Maar hier geldt het nu, niet eene verwisseling van de Christelijke school met eene openbare, maar de verwisseling van de eene Christelijke school met de andere, die ook Christelijk is. Hoe kan daaruit nu ooit eene formeele kerkeraadszaak gemaakt worden, en zelfs geëischt worden dat over die handeling schuldbelijdenis gedaan worde? — Indien die handeling, door verkeerde voorstellingen,

|140|

eenige beroering gaf in de gemeente, dan zou het de roeping der opzieners zijn, de geheel ten onrechte bezwaarde gemeenteleden beter in te lichten. Maar hoe kan een kerkeraad er toe komen, die beroering zoo sterk mogelijk in de hand te werken en te vermeerderen, door te besluiten dat daarom zelfs de Avondmaalsviering zou zijn uit te stellen?

Ik kan mij niet voorstellen, dat er in uwe Classe ééne kerk zijn zal, die in deze zaak van het schoolgaan uwer kinderen uwen kerkeraad zou bijvallen. In ieder geval is dat bij eene Synode wel ondenkbaar, maar wat u te doen staat, wanneer uw kerkeraad zich onverhoopt niet tot betere gedachten laat brengen, kan ik moeielijk zeggen, daar ik met de personen en toestanden in X in het geheel niet bekend ben. De bepaling van Avondmaalsviering staat natuurlijk, formeel, niet aan den predikant maar aan den kerkeraad. Doch indien deze, zonder recht of reden, die viering aan de gemeente belet, is er altijd beroep op Classe en Synode.

Het is echter te hopen, allereerst voor de stichting der gemeente in X zelf, dat er geene kerkelijke procedure uit volgt. En daarom zou ik u in het algemeen raden, zoo zacht mogelijk te spreken en te handelen met de B. B. die nu eenmaal in deze zaak eene verkeerde opvatting hebben, en altijd uit te gaan van de onderstelling, dat zij inderdaad gedreven werden door ijver voor het Christelijk schoolonderwijs, al ontbreekt hier aan den ijver het rechte verstand.

Rutgers, F.L. (1921) 35

|141|

Artikel 22-24.

De Ouderlingen zullen door het oordeel des Kerkeraads en der Diakenen verkozen worden, volgens de regeling, die daarvoor plaatselijk in gebruik of door den Kerkeraad vastgesteld is; bij welke regeling het naar de gelegenheid van iedere Kerk vrij zal zijn, van tevoren de gemeenteleden in staat te stellen op geschikte personen de aandacht te vestigen, en voorts vrij zal zijn, voor de verkiezing zelve zooveel ouderlingen, als er van noode zijn, aan de gemeente voor te stellen, om, van diezelve (ten ware dat er eenig beletsel voorviel) geapprobeerd en goedgekeurd zijnde, met openbare gebeden en stipulatiën bevestigd te worden, of een dubbel getal aan de gemeente voor te stellen, om het door haar gekozen halve deel op dezelfde wijze in den dienst te bevestigen, volgens het Formulier daarvan zijnde.

Der Ouderlingen ambt is, behalve hetgeen dat boven, in Art. 16, gezegd is hun met den Dienaar des Woords gemeen te zijn, opzicht te hebben, dat de Dienaren, mitsgaders hunne andere Medehelpers en Diakenen hun ambt getrouwelijk bedienen, en de bezoeking te doen, naar dat de gelegenheid des tijds en der plaats tot stichting der gemeente, zoo voor als na het Nachtmaal, kan lijden, om bijzonder de lidmaten der gemeente te vertroosten en te onderwijzen, en ook anderen tot de Christelijke religie te vermanen.

Dezelfde wijze, die van de Ouderlingen gezegd is, zal men ook onderhouden in de verkiezing, approbatie en bevestiging der Diakenen.

 

35. Mag de kerkeraad de verkiezingen naar eigen goedvinden regelen?

|142|

(1899.)

49. Wanneer, voor de benoeming van ouderlingen en diakenen, de kerkeraad de gemeenteleden uit een dubbelgetal laat kiezen, dan behoort de wijze, waarop die stemming plaats heeft tot de „middelmatige dingen”, die dus door den kerkeraad geregeld worden, zooals hem het meest doelmatig voorkomt.

Het kan geschieden, door oproeping tot eene vergadering. Maar het kan ook geschieden, doordat men gedurende eenige uren of dagen gelegenheid geeft stembriefjes in eene bus te komen brengen.

Voor dit laatste pleit, dat dan de gemeenteleden des te meer gelegenheid hebben om te stemmen, daar toch op een avond lichtelijk meerderen belet zijn te komen, en het moeielijk gaat, dan door middel van een ander te doen stemmen.

Voor het houden eener vergadering is ook wel iets te zeggen. Maar dat moet aan den kerkeraad worden overgelaten.

In ieder geval moet na zulke stemming nog in eene kerkeraadsvergadering de aanwijzing der gemeente in eene formeele benoeming worden omgezet; en moet Zondags vooraf in de gemeente er voor gebeden worden.

Rutgers, F.L. (1921) 36

36. Moeten bij verkiezingen voor den kerkeraad de dubbele getallen vooraf bekend gemaakt worden?

 

(1899.)

50. Hier in Amsterdam worden de twee dubbele getallen (voor de verkiezing van ouderlingen en diakenen) vooraf door den kerkbode ter kennisse van alle gemeenteleden gebracht, zoodat reeds daardoor ieder ze kent, eenige dagen vóór de vergadering ter verkiezing. In kleine kerken zal zulke bekendmaking wel van den.kansel moeten geschieden. Want het is wel wenschelijk en ten deele zelfs noodig, dat de gemeenteleden de dubbele getallen vóór de vergadering kennen om eventueel nog naar dezen of genen te kunnen informeeren (in zake bekwaamheid, geschiktheid, beschikbaren tijd enz.). Hoe iemand dat „een Synodaal overblijfsel uit het Genootschap” noemen kan. begrijp ik niet; want daar geschiedde en geschiedt de verkiezing op geheel andere wijze. En het is toch

|143|

ook juist niet „Synodaal”, als men de gemeenteleden zoo goed mogelijk tot de verkiezing wil in staat stellen. Daarom is nu echter eene verkiezing, waarbij eerst ter vergadering de namen werden medegedeeld, op zichzelf niet onwettig; te minder omdat men in kleine kerken elkander toch beter kent dan in groote. Maar wenschelijk en raadzaam is het toch, ook aldaar, de namen van tevoren bekend te maken.

Uwe bezwaren en moeielijkheden kan ik grootendeels begrijpen. Laat u echter daardoor niet te veel drukken of ontmoedigen. Er is toch immers ook veel opwekkends en verblijdends. En ten slotte komt alles toch aan op een trouw blijven in den dienst, niet der menschen, maar des Heeren.

Rutgers, F.L. (1921) 37

37. Moet voor het deelnemen aan kerkelijke verkiezingen een minimum leeftijd gesteld worden; en mogen degenen, die van het Heilig Avondmaal zijn afgehouden, aan zulke verkiezingen deelnemen?

 

(1901.)

51. In onderscheidene onzer kerken, b.v. ook hier te Amsterdam, heeft de kerkeraad in zijne regeling van de beroepingen en verkiezingen, o.a. de bepaling opgenomen, dat daaraan kan worden deelgenomen door „de mansleden, die tot het Avondmaal zijn toegelaten, niet onder censuur staan, en den drie en twintigjarigen leeftijd bereikt hebben”.

Gij schrijft mij, dat ook de regeling te X die bepaling van leeftijd heeft, en vraagt mij, of daarvoor iets te zeggen is. Mij dunkt, ja, n.l. voor de bepaling van een leeftijd. Voor de toelating tot het Avondmaal is zulk een leeftijd niet bepaald, en ook inderdaad niet te bepalen. In den bloeitijd der Geref. kerken geschiedde zij op den leeftijd tusschen 12 en 16 jaar; en ook thans komt, b.v. hier in Amsterdam, wel voor, dat iemand op 15-jarigen leeftijd tot het Avondmaal wordt toegelaten, omdat er alle de vereischten aanwezig waren; gelijk in het algemeen vroege toelating beter is dan latere. Maar dan gaat het niet aan, ook 15- of 16-jarigen, of zelfs nog iets ouderen, ook reeds mede te laten aanwijzen, wie er tot

|144|

predikant of ouderling of diaken te verkiezen is, of aan andere stemmingen te laten deelnemen; want daarvoor wordt nog meer vereischt dan voor de toelating tot het Avondmaal. Natuurlijk kan die rijpheid dan gesteld worden op 21 of 23 of een ander jaar. Maar 23, de oude bepaling voor burgerlijke meerderjarigheid, was dan nog het meest vrij van willekeur.

In uwe Xsche regeling schijnt niet voor te komen, dat wie onder censuur staat, niet kan deelnemen aan kerkelijke stemmingen. Duidelijkheidshalve mocht dat in een regeling wel worden opgenomen. Maar ook buitendien spreekt het toch van zelf. Wie van het Avondmaal is afgehouden wegens afwijking in leer of leven, is daardoor, tijdelijk, totdat hij zich bekeere en betering bewijze, van de volle kerkelijke gemeenschap uitgesloten, en kan dus vanzelf niet deelnemen aan eenige andere handeling, die tot de volle kerkelijke gemeenschap behoort; evenmin als iemand, die nog niet tot het Avondmaal is toegelaten; of eigenlijk nog minder: want het zou inderdaad geen zin hebben, iemand, die wegens het drijven van ergerlijke ketterij gecensureerd was, toch mede te laten aanwijzen wie dienaar des woords enz. zou worden. Natuurlijk moet de gemeente van tevoren weten, wie, al dan niet, mogen medestemmen; en ook daarom is wel goed, zulk eene bepaling in de kerkeraadsregeling mede op te nemen.

Rutgers, F.L. (1921) 38

38. Mogen zieke, of op andere wijze verhinderde lidmaten hun stem voor kerkelijke verkiezingen schriftelijk inzenden?

 

(1899.)

52. Ad 1. Bij stemmingen acht ik het niet aanbevelenswaardig, aan stemgerechtigden gelegenheid te geven, om, zonder persoonlijk op te komen, hunne stem, onderteekend, in te plaatsen bussen, of ter vergadering, door een ander te doen uitbrengen. Indien zulks wordt toegelaten, kan men het natuurlijk niet beperken tot „wettige verhindering”, want hoe en door wie zal die wettigheid beoordeeld worden? En zal die beoordeeling niet vaak aanleiding geven tot allerlei lastige quaesties en proceduren? En indien dus het „stemmen door een ander” geheel wordt vrijgelaten,

|145|

zal dat lichtelijk, gemakshalve, usantie worden; en welk een bron is dat niet voor allerlei intrigues van leden, die gaarne met veel stemmen komen, en voor allerlei quaesties over de uitgebrachte stemmen! In zeer kleine gemeenten, waar men altijd alles van elkander afweet (ook van ziekte en wezenlijke verhindering) zou zulk een wijze van stemmen er eerder door kunnen. Maar in grootere kerken zal men met iets dergelijks al spoedig vastloopen. En ook in dit geval is „voorkomen” beter dan „achterna genezen”.

Iets geheel anders is het, bij stemmingen ééne of meerdere bussen te plaatsen, die b.v. een geheelen dag open zijn, op of bepaalde uren; mits dan bij elke bus een stembureau zit, dat opteekent, wie er komen stemmen, en voorts alles officieel en formeel behandelt (gelijk bij politieke verkiezingen). Maar ook dan moet, althans in grootere kerken, m.i. vastgehouden worden aan den regel, dat de stemgerechtigde zelf moet opkomen, daar anders misbruiken niet te keeren zijn.

Ad 2. Iets geheel anders dan het sub 1° bedoelde, is het opgeven van namen voor een grostal van ouderlingen of diakenen (en van predikanten), gelijk b.v. hier in Amsterdam geschiedt. Dit is geen stemming, en daarbij wordt hier dan ook niet eens genoteerd, door hoeveel leden iemand voor dit grostal van ouderling en diaken wordt aanbevolen. Hierbij is het den kerkeraad slechts te doen om (hem misschien nog onbekende) namen van geschikte candidaten. Dit kan op een geteekend briefje door ieder lid worden ingezonden.

 

(1906.)

53. Voor zooveel uw schrijven mij mededeelt, hoe in uwe gemeente de gemeente zelve bij de benoeming van ouderlingen en diakenen met den kerkeraad medewerkt, schijnt mij het verschil tusschen de vroegere regeling en de tegenwoordige niet alleen hierin te liggen, dat men vroeger briefjes in eene stembus bracht, die een geruimen tijd daarvoor openstond, en dat men thans daarvoor de gemeenteleden tot eene samenkomst oproept (een verschil dat zeker niet principiëel is, en ook eigenlijk niet heel groot, daar men bij zulk

|146|

eene samenkomst toch ook met briefjes stemt), maar ook, en vooral, hierin, dat vroeger aan wettig in het opkomen verhinderden vergund werd een briefje in de stembus te laten brengen, en thans niet meer. En nu schijnt het bezwaar van den door u bedoelden broeder enkel en alleen tegen dit laatste gericht te zijn.

Natuurlijk zou men daaraan kunnen tegemoetkomen, door te bepalen, dat ook in die samenkomst een wettiglijk verhinderde zijne stem (denkelijk voor de keuze uit het door den kerkeraad gemaakte dubbelgetal) door een ingezonden briefje kan uitbrengen, ook al zou hij dan verder aan eene eventueele herstemming niet kunnen deelnemen. Maar raadzaam acht ik dat volstrekt niet; want het opent de deur voor allerlei willekeur en vergissingen en verkeerde practijken.

Immers, vaste regeling voor het begrip van „wettige verhindering” is er niet te maken. En voor zoover zij te maken is, kan moeielijk op het oogenblik zelf gecontroleerd worden, of iemand, die schrijft dat hij „wettiglijk verhinderd” is, zulks ook werkelijk is.

En voorts is nog minder te beoordeelen, of een schriftelijk ingezonden stem werkelijk afkomstig is van het lid uit wiens naam zij wordt ingebracht, en of die stem inderdaad zijn eigene is, in volle vrijheid door hem uitgebracht. In ieder geval zou dan noodig zijn, dat in de samenkomst openlijk werd medegedeeld hoe de afwezige stemde, opdat althans eenige contrôle geoefend werd. Maar ook dit heeft weer allerlei bezwaar.

Om allerlei moeielijkheden, die op den duur zouden voorkomen en de gemeente geestelijk zeer zouden schaden, acht ik bij stemmingen over personen eene persoonlijke opkomst en geheime stemming alleszins raadzaam.

Zonder twijfel kan dan iemand wel verhinderd zijn daaraan deel te nemen, door ziekte of anderszins; evenals men door dezelfde oorzaak nog in allerlei ander opzicht „verhinderd" wordt. Maar wanneer dit niet te verhelpen is, zonder dat er een bezwaar voor in de plaats komt dat veel grooter en algemeener is, dan moet die verhindering m.i. met onderwerping en lijdzaamheid gedragen worden. Ook daarin moet Gods hand dan erkend en geëerbiedigd worden.

|147|

(1913.)

54. In uw schrijven van 25 Aug. vraagt ge mij: „Is het goed dat een kerkeraad gelegenheid geeft aan zieke en verhinderde manslidmaten hun stem uit te brengen voor ouderlingen en diakenen door het inzenden van geteekende briefjes?”

Eene principiëele quaestie is dit zeker niet. En in kleine gemeenten waar alle leden elkander kennen, laat zich denken, dat zulke vrijheid aan de leden kan gegeven worden; althans waar geenerlei partijschappen of familietwisten of eerzuchtige en heerschzuchtige persoonlijkheden in de gemeente zijn, en dus geen vrees is voor misleiding of kuiperij of ongeoorloofde pressie.

Maar een zoo gunstige toestand is zeker lang niet overal, en ook waar die is, blijft hij toch vaak niet voortduren. En voorts komt zulke manier van stemmen eigenlijk altijd in strijd met twee hoofdvereischten, die bij elke verkiezing door stemming bijna altijd en op ieder gebied gesteld worden, nl. dat de stemming geheim zij om aan den stemmende zijne volle vrijheid te verzekeren, en dat er afdoende contrôle zij, om te waarborgen, dat de uitgebrachte stem werkelijk de vrije keuze van den stemmende is. Nu kan men wel in een lange reeks van artikelen allerlei bepalingen formuleeren om dat „geheim” en die „contrôle” toch nog eenigszins tot hun recht te doen komen. Maar afdoende kunnen zulke maatregelen toch nooit zijn. En bovendien zijn zij alleen in kleine gemeenten toepasselijk, terwijl het toch mogelijk is, in de ééne kerk toe te laten wat in andere kerken niet mag. Ook kan zelfs in kleine gemeenten de toestand zoo veranderen, dat de eenmaal gegeven vrijheid misbruikt wordt.

Daarom acht ik het meest raadzaam, hier den regel te volgen, die op bijna ieder gebied bij zulke stemmingen geldt. Mits dan voorts aan het bezwaar van verhindering zooveel mogelijk worde tegemoetgekomen, doordat de gelegenheid tot stemming wordt opengesteld op dagen en uren (dus ook avond-uren), dat bijna ieder kan komen.

Voor het overige zou ik van deze zaak nooit een „geschil” in de gemeente willen maken; d.w.z., waar men tot nog toe zulke vrijheid aan de leden gaf en velen erop gesteld zijn die te behouden zou ik daarover de gemeente niet in beroering willen brengen,

|148|

maar alleenlijk trachten door samenspreking eene andere beschouwing eerst ingang te doen vinden, en inmiddels, voor zooveel noodig, eenige maatregelen van contrôle voorstellen.

Rutgers, F.L. (1921) 39

39. Wanneer worden ouderlingen en diakenen geacht gekozen te zijn? Bij volstrekte meerderheid?

 

(1899).

55. Gaarne beantwoord ik uwe vragen; zij het ook, dat dit eigenlijk geene „vragen” zijn, maar punten die vanzelf spreken; waaromtrent dan ook, voor zoover ik weet, nog nooit ergens quaestie geweest is; terwijl ik inderdaad niet begrijp, hoe in uwen kerkeraad eenige B.B., zelfs tot 8 toe, daarvan een quaestie konden maken.

Bij de eerste door u bedoelde stemming was „de opvatting des voorzitters” niet alleen „juist”, maar zelfs de eenig mogelijke, en iedere andere opvatting eigenlijk ongerijmd, als zijnde met den aard eener „stemming” in strijd. Bij eene „stemming” toch, komt het op het aantal stemmen aan, en wel zóó, dat de meerderheid boven de minderheid geldt. En nu kan men wèl bepalen, dat er, om gekozen te zijn, eene volstrekte meerderheid (d.i. meer dan de helft der wettig uitgebrachte stemmen) noodig is; aangezien anders, wanneer tusschen vele personen gestemd wordt, vaak een wat al te klein aantal de meerderheid zou kunnen zijn. Maar men kan niet bepalen, dat wie aan dat vereischte voldoet (d.i. de volstrekte meerderheid heeft), en dan meer stemmen heeft dan een ander, toch niet boven dien ander zou verkozen zijn; daar dit zou zijn: de meerderheid niet laten gelden, maar met een minder aantal gelijkstellen. Of die ander ook zóóveel stemmen had dat het de volstrekte meerderheid uitmaakte, doet daarbij niets ter zake. Dit is bij stemmingen over meer dan twee personen een zeer gewoon verschijnsel; te gewoner, naarmate er dan meer stemmen worden uitgebracht; en het is wel zonderling, dat dit zich thans voor het eerst bij u schijnt te hebben voorgedaan. Hier in Amsterdam, waar ieder jaar minstens 30 ouderlingen en diakenen te kiezen zijn, zijn er bij elke stemming, ieder jaar, meer dan dat aantal, die de vereischte meerderheid hebben; en in den kerkeraad

|149|

(die hier uit 150 leden bestaat) desgelijks, als er b.v. commissiën moeten gekozen worden. En op politiek gebied geschiedt dat ook telkens in dergelijke gevallen (voor de Tweede Kamer kan het natuurlijk niet meer voorkomen, nu daar enkelvoudige districten zijn). Maar noch hier, noch elders, is er op kerkelijk of op ander gebied, voor zoover ik weet, ooit aan gedacht, om te betwisten, dat degenen die met de meeste stemmen, tot aan het benoodigde aantal, verkozen waren (natuurlijk mits zij ook de vereischte meerderheid hadden), ook al was het dat anderen met een minder aantal stemmen toch nog de vereischte meerderheid hadden.. Nooit en nergens is bepaald, dat ieder die de volstrekte (of andere vereischte) meerderheid heeft, daarom reeds als verkozen is te beschouwen; en zulk eene bepaling, zou ook al te dwaas zijn. Altijd is de bepaling, dat de verkiezing gaat naar gelang van de meerderheid der stemmen; met het voorbehoud, dat dat aantal stemmen niet te klein mag zijn (doorgaans boven de helft). Dat ligt in het begrip zelf van stemming reeds opgesloten.

Wanneer bij eene stemming het aantal gelijk staat, ligt het meest in de reden, te laten herstemmen tusschen degenen, die een gelijk aantal hadden. Echter kan men ook als regel stellen, dat dan de oudste in jaren zal verkozen zijn; maar dit moet dan van tevoren in de „Regeling” of „ordening” voor de verkiezingen zijn opgenomen. Zulk eene regeling schijnt er bij u niet te bestaan (d.i. niet gemaakt te zijn door den kerkeraad, die alleen hiertoe bevoegd is); en dan geldt de natuurlijke regel van herstemming. — Maar dan altijd alleenlijk tusschen degenen, die een gelijk aantal hadden. Hoe iemand op het denkbeeld komt, om (gelijk bij u na de 2e stemming) dan ook anderen, die meer stemmen hadden, en wèl genoeg om verkozen te zijn, toch in die herstemming te willen betrekken, is mij een onoplosbaar raadsel. Die anderen hadden de vereischte (volstrekte) meerderheid; en hoe kan iemand er dan aan denken, hem gelijk te stellen met degenen die minder stemmen hadden? en dus ten hunnen aanzien de meerderheid van stemmen (het grondbeginsel van elke stemming) eenvoudig ter zijde te stellen?

Met het oog op zulke curieuze denkbeelden omtrent stemmingen was het misschien wel raadzaam, dat de kerkeraad in eenige

|150|

artikelen de gewone, altijd en overal gevolgde, regelen kortelijk formuleerde. Toch is, ook zonder zulke formeele regeling, de zaak hier volstrekt niet quaestieus.

Gelukkig heeft de kerkeraad bij u die vanzelfsprekende regelen hier dan ook toegepast; en ook niet toegegeven aan den wensch van sommigen, om de vergadering van gemeenteleden hier te laten beslissen. Dat zou wel in hooge mate revolutionair en independentistisch geweest zijn. Het bestuur der gemeente berust niet bij de gezamenlijke getuigen, maar bij den Koning der kerk, die daarvoor „diensten” of „ambten” heeft ingesteld. En nu mag er medewerking der gemeenteleden zijn bij de bezetting van die ambten (door aanwijzing van personen; ofschoon dan toch altijd de kerkeraad formeel benoemt, en voor de benoeming aansprakelijk is); en ook mag de gemeente gehoord worden vóór en over kerkeraadsbesluiten (mits men bij dit hooren maar niet door de gemeenteleden late stemmen); maar de kerkeraad is en blijft toch van Godswege het bestuur.

 

(1897.)

56. Bij de op 6 Dec. bij u gehouden stemming, toen er 3 te kiezen waren, en A 29 stemmen had, B 25 en C en D ieder 24, was natuurlijk A en B gekozen, en moest tusschen C en D herstemd worden (gelijk per geluk ter slotte ook gedaan is). Elke andere gedragslijn zou niet alleen de stemming geheel onwettig gemaakt hebben, maar ook in zichzelf ongerijmd geweest zijn, met het begrip zelf van „stemming” in strijd.

Immers, het is daarbij te doen, om door meerderheid van stemmen iets uit te maken; terwijl men doorgaans ook stelt, dat die meerderheid niet te klein mag zijn, maar boven de helft der uitgebrachte stemmen (volstrekte meerderheid).

Dit laatste wil echter niet zeggen, dat dus ieder, die de volstrekte meerderheid heeft, gekozen is. Zulk eene dwaze bepaling zal wel nooit in een reglement gestaan hebben, of gevolgd zijn. Gekozen zijn wie meer stemmen hebben dan anderen, als zij maar de volstrekte meerderheid hebben. Wie die bovendien nog heeft,

|151|

zou gekozen zijn, indien niet een ander meer stemmen had. Maar die meerderheid beslist. En dus stonden A, B, C en D hier ook volstrekt niet gelijk; wel in zoover zij hadden kunnen gekozen zijn; maar niet, wat de hoofdzaak aangaat, n.l. het aantal stemmen, en dit beslist.

Hoe er hierover bij u quaestie kon ontstaan, begrijp ik niet. Het geval, dat er meer personen de volstrekte meerderheid hebben dan er noodig zijn, doet zich natuurlijk vaak voor, als er meer dan 1 te kiezen is (hier in Amsterdam alle jaar). Maar nooit is men dan in twijfel, of de meerderheid wel gelden zal.

 

(1906.)

57. Er schijnt, allereerst, in X een misverstand te zijn, met betrekking tot den eisch, dat bij stemmingen de volstrekte meerderheid noodig is, om gekozen te zijn. Dit schijnt te worden opgevat, alsof ieder, die de volstrekte meerderheid had, dus reeds daardoor gekozen was; ’t geen tot ongerijmde gevolgtrekkingen zou leiden, en ook in volkomen strijd zou zijn met den grondregel, die op ieder gebied en voor alle stemmingen geldt, n.l. dat wie de meeste stemmen heeft, gekozen is; zoodat, wanneer b.v. 2 te kiezen zijn, de twee die de meeste stemmen hadden gekozen zijn, ook al zou een derde, met iets minder stemmen, toch ook de volstrekte meerderheid hebben. Die eisch van volstrekte meerderheid is eenvoudig een eisch, die den genoemden grondregel eenigszins beperkt, om te voorkomen dat iemand niet met een zeer klein aantal stemmen gekozen werd, doordat alle andere stemmen op vele personen verdeeld waren. Deze eisch is dan ook volstrekt niet absoluut, maar kan wel degelijk gewijzigd worden; gelijk b.v. het geval is hier in Amsterdam, waar wij (om te vaak herhaalde stemmingen te voorkomen, die anders op een getal van 140 ouderlingen en diakenen licht noodig zouden zijn) het ⅓ der stemmen voor de verkiezing voldoende gesteld hebben. Maar dan natuurlijk altijd naar den grondregel, dat van boven af steeds genomen worden, die de meeste stemmen hadden; een grondregel, die zo vanzelf spreekt, dat die niet eens behoeft beschreven te worden;

|152|

immers bij eene „stemming” is het er juist om te doen, te zien wie de „meeste” stemmen heeft.

Natuurlijk is dus nu te X A gekozen; en daar nu B en C op hem volgden, beide met evenveel stemmen, en toch natuurlijk slechts één van die twee kan gekozen zijn, of wel geen van beide, rijst de vraag, hoe dat te beslissen is.

Dat is mogelijk, en het geschiedt, op twee onderscheiden wijzen. Men kan voor een dergelijk geval de bepaling hebben, dat er bij zulke staking van stemmen herstemming moet plaats hebben. Ook wordt dan wel door het lot beslist. En ook is wel regel (b.v. bij politieke verkiezingen), dat alsdan de oudste in jaren gekozen is.

Dit laatste is wel de meest gebruikelijke manier. En nu de kerkeraad van X zich ook daarvoor verklaard heeft, kan er dunkt mij, hier geen bezwaar meer zijn. Het ware wel wenschelijk geweest, dat de kerkeraad reeds vroeger bepalingen had gemaakt voor ’t geval van staking der stemmen. Maar nu dit niet geschied is, moest er natuurlijk wel tusschen één der drie bovengenoemde methodes gekozen worden: de vacature een jaar lang open laten mocht natuurlijk niet. En dan spreekt wel vanzelf, dat die beslissing van den kerkeraad wettig is, om het even of hij de methode van herstemming of de methode van loten of de methode van den oudste in jaren koos. Die beslissing moet dus geëerbiedigd worden. Indien men dat niet deed, zou men een wettig gekozene (n.l. C, als den oudste) uitsluiten; en alsdan zou een ander inderdaad onwettig gekozen zijn, en dus zeer gegrond bezwaar moeten hebben om op de vraag uit het Bevestigingsformulier te antwoorden. Bij br. C kan zoodanig bezwaar m.i. niet zijn. Dat het er toch is, schijnt mij toe voort te komen uit het misverstand, dat ik in den beginne noemde; waardoor hij zelfs tot de conclusie kwam, dat niet één van de drie zou gekozen zijn, ook niet br. A, die de meeste stemmen had, en tevens ook boven de volstrekte meerderheid was.

 

(1904.)

58. Bij de door u bedoelde stemming voor 3 vacatures werden uitgebracht 69 stemmen, waarvan verkregen A 48, B 42, C 42,

|153|

D 40, E 13 en F 9 stemmen. Bij dien uitslag kan er niet de minste twijfel zijn: A, B en C zijn gekozen. Immers, die drie hadden de meeste stemmen; en hun stemmencijfer was ook voldoende, daar het bij alle drie volstrekte meerderheid was.

Of nu D ook een cijfer had boven de volstrekte meerderheid, doet niets ter zake. Dat er broeders te X zijn, die dit niet begrijpen, kan slechts voortkomen uit een misverstand, nl. uit de voorstelling alsof het gekozen zijn afhing, niet van de meerderheid, en alsof het hebben van de volstrekte meerderheid op zichzelf iets beteekende.

Op ieder gebied, staat, kerk, maatschappij, vereenigingen, enz. wordt een stemming altijd en immer beslist door het aantal uitgebrachte stemmen (’t geen trouwens ook niet anders kan), dus door de meerderheid. Als nadere bepaling voegt men daaraan echter doorgaans toe, dat die meerderheid ook een volstrekte meerderheid moet zijn, (d.i. meer dan de helft der uitgebrachte stemmen) omdat anders, in gevallen waarin tusschen meer dan twee personen te kiezen is, lichtelijk zou kunnen gebeuren, dat iemand gekozen zou worden verklaard, die slechts door een kleine minderheid werd begeerd. B.v. in het bedoelde geval had de uitslag der stemming kunnen zijn: A 69, B 69, C 18, D 17, E 17 en F 17, en dan zou C verkozen zijn met slechts 18 stemmen, terwijl misschien buiten die 18 niemand hem begeerde, en dus 51 stemmen liever D of E of F hadden. Daarom, en daarom alleen is de eisch van volstrekte meerderheid gesteld. Hier in Amsterdam, waar meer dan 140 ouderlingen en diakenen in de Gereformeerde kerk zijn, zou dan nog veel meer iemand met zeer weinig stemmen gekozen kunnen zijn. En dat moet natuurlijk voorkomen worden.

Natuurlijk doet hier in Amsterdam het verschijnsel, dat er meer personen dan noodig zijn de vereischte meerderheid hebben, ieder jaar zich in ruime mate voor. En desgelijks in vele grootere gemeenten. Maar nergens en nooit is daaruit quaestie ontstaan, wie wettiglijk gekozen was. Dat zijn altijd degenen, die de meeste stemmen hebben, mits zij bovendien de vereischte, d.i. doorgaans de volstrekte meerderheid hebben.

Indien daarvan afgeweken werd, zou een volgende benoeming

|154|

eerst recht onwettig worden; en dat mag een kerkeraad nooit toelaten. Het spreekt ook wel van zelf, dat eventueel een Classe en Synode het recht der wettiglijk gekozenen zou handhaven.

 

(1910.)

59. Ge vraagt mij, of ik mij vereenigen kan met de „Concept-Regeling voor de Verkiezing van Ouderlingen en Diakenen” (in het boekje van Renkema en Rudolph blz. 109).

Tot mijn leedwezen moet ik hierop ontkennend antwoorden.

In het algemeen vind ik daarin de redactie niet heel gelukkig geslaagd, zelfs wel eens niet precies genoeg.

Zoo b.v. staat in art. 2 niet duidelijk genoeg, dat er niet voor elke vacature een tweetal te maken is, maar dat er afzonderlijk voor de keuze van ouderlingen en van diakenen, een dubbel getal te maken is van tweemaal zooveel personen als er vacaturen te vervullen zijn (dus b.v. als er twee ouderlingen te kiezen zijn, een viertal, enz.).

Zoo is in art. 3 dat „namen tellen en zoo noodig opteekenen” nog al vreemd. Denkelijk is bedoeld, dat de opgekomen leden geteld worden, en zoo noodig hunne namen worden opgeteekend. Maar gewoonlijk laat men bij zulke vergaderingen op een presentielijst teekenen; al kan die opteekening ook door anderen geschieden. Maar wenschelijk is dat opteekenen toch altijd.

Zoo is art. 5 geredigeerd, alsof de stemgerechtigden de benoeming doen, welke toch naar de K.O. door den kerkeraad te doen is, zoodat na elke stemming daarvoor even eene kerkeraadsvergadering is te houden. Natuurlijk zal de benoeming dan wel bijna altijd conform de aanwijzing der stemgerechtigden moeten geschieden, zoodat die kerkeraadsvergadering in den regel slechts een formaliteit zal zijn. Maar het geval kan zich toch ook voordoen, dat na het opmaken van het dubbelgetal aan den kerkeraad iets ter oore is gekomen, waardoor hij een der voorgedragenen, ook al werd hij door de stemming aangewezen, niet zou kunnen of mogen benoemen; en dan zou het niet aangaan hem toch de benoeming toe te zenden, met opwekking om die aan te nemen,

|155|

enz. En in ieder geval moet de benoeming toch altijd uitgaan van den kerkeraad, die er verantwoordelijk voor is.

Maar het meeste bezwaar heb ik tegen art. 4, dat niet alleen zeer ongelukkig geformuleerd is, maar waarvan de bepalingen ook geheel onjuist zijn, geheel in strijd met den aard en de bedoeling van elke stemming, op welk gebied ook. Hierbij toch geldt altijd:

De keuze geschiedt naar de meerderheid der behoorlijk uitgebrachte stemmen, mits die meerderheid tevens de volstrekte meerderheid is, d. i. iets meer dan de helft. Briefjes, die in blanco zijn, of die slechts namen bevatten welke niet op het dubbel getal staan, worden in het geheel niet mede geteld. Voor zooveel bij eerste stemming geene volstrekte meerderheid verkregen is, wordt voor de alsdan nog te vervullen vacaturen een tweede vrije stemming gehouden. En voor zooveel ook daarbij iemands meerderheid nog geen volstrekte meerderheid is, wordt nog eenmaal gestemd tusschen hen, die de meeste stemmen gekregen hadden, ten getale van twee of vier of zes enz., naar gelang er nog ééne of twee of drie vacaturen te vervullen zijn. Voor zooveel bij de tweede of bij een volgende stemming meerdere personen een gelijk aantal stemmen hebben, wordt desvereischt door eene tusschenstemming aangewezen, wie in aanmerking moet komen. Wanneer bij een tusschenstemming of bij de eindstemming, de stemmen blijven staken, wordt de oudste in jaren gekozen geacht.

Ik geef u het bovenstaande niet als een model van redactie; daarvoor zou ik wat meer tijd moeten nemen. Maar ik wilde u toch even aangeven, hoe m.i. alle stemmingen in hoofdzaak te regelen zijn.

Rutgers, F.L. (1921) 40

40. Hoe te handelen bij staking van stemmen bij een kerkelijke verkiezing?

 

(1907.)

60. Wanneer, bij eene verkiezing, door staking der stemmen geene beslissing kan verkregen worden, dan is op kerkelijk gebied de meest gewone regel, dat tusschen de twee personen, die hetzelfde aantal stemmen hadden, door loting beslist wordt; eenigszins in navolging van Hand.1.

|156|

Op burgerlijk gebied stelt men ook wel, dat in het genoemde geval de oudste in leeftijd geacht wordt gekozen te zijn. En natuurlijk kan men dat bij eene kerkelijke verkiezing ook wel stellen. Maar dan zou het toch door eene plaatselijke regeling (bij reglement of bij kerkeraadsbesluit) van tevoren aldus moeten bepaald zijn. En daar dit te X niet geschied is, moet daar m.i. de meest gewone regel gelden, dat tusschen de twee candidaten, die elk juist de helft hadden van het behoorlijk uitgebracht aantal stemmen, en bij wie geen herstemming dus kon baten, door het lot (na aanroeping van den Naam des Heeren, volgens Hand. 1) beslist worde.

 

1908.

61. Hiernevens de twee mij gezonden stukken, inzake eene kerkelijke verkiezing te X terug.

De quaestie, die het daarbij geldt, is in korte woorden: wat er moet gedaan worden, wanneer bij eene verkiezing de stemmen staken, zoodat uit die stemming zelve niet kan blijken, wie gekozen is. In het hier bedoelde geval ging het niet over twee personen, tot vervulling van ééne plaats, maar over drie personen, tot vervulling van twee plaatsen. Doch dit maakt wat de quaestie zelve betreft, geen verschil.

Het geval doet zich natuurlijk zeer dikwijls voor, niet alleen op kerkelijk gebied, maar ook bij verkiezingen die politiek, of maatschappelijk of van anderen aard zijn. Intusschen is er geen vaste regel voor de dan te volgen gedragslijn, die ten allen tijde en op ieder gebied zou gelden.

De meest natuurlijke en daarom ook de meest gewone weg, vooral op kerkelijk gebied, is: dat men alsdan tot eene herstemming overgaat; en wanneer ook daarbij de stemmen blijven staken, beschouwt men soms den oudste in jaren als gekozen, maar soms ook (en dit is op kerkelijk gebied het meest gewone) laat men, na aanroeping van Gods naam. het lot beslissen.

Dat is de meest natuurlijke en gewone manier om tot eene beslissing te komen. Maar ook zijn er wel stemmingen, waarbij van

|157|

tevoren bepaald is, dat bij staking der stemmen de oudste in jaren gekozen is, of dat alsdan moet geloot worden.

Dat is dan echter van tevoren reeds in een reglement of regeling of besluit aldus bepaald. En waar zulks niet het geval is, moet m.i. de gewone regel gelden, dat er, bij staking der stemmen, althans ééne herstemming plaats heeft. Dat is de uitweg die het meest overeenkomt met den aard en de bedoeling eener stemming in het algemeen. En waar men het anders bepaalt, geschiedt dat meest wegens bezwaren van practischen aard, bij stemmingen waartoe zeer velen gerechtigd zijn.

Voor kerkelijke verkiezingen was wel wenschelijk, dat iedere kerkeraad voor de eigen kerk op dat punt een besluit nam, dat dan blijft gelden voor alle kerkelijke verkiezingen (natuurlijk tot eventueele wijziging). Als het punt behandeld moet worden bij een verkiezing zelve, krijgt de beslissing altijd een eenigszins persoonlijk karakter, zeer tot schade van orde en vrede en rust.

In zake de verkiezing te X kan ik dus niet anders zien, dan dat de voorzitter van den kerkeraad en met hem de kerkeraad (althans zijn meerderheid) correct en naar recht heeft gehandeld, toen hij, bij staking der stemmen en bij gemis aan eene daarvoor geldende kerkeraadsbepaling, den meest gewonen kerkelijken weg volgde, en liet herstemmen.

De verdere bezwaren van br. A, al waren zij in alle gevallen geheel met de feiten in overeenstemming, hebben geenerlei beteekenis voor den uitslag der herstemming. Of één of meer personen al dan niet gelachen hebben (hoe ongepast dat misschien zijn kon), en of één of meer personen anderen hebben opgewekt om op X of Y te stemmen, (hetgeen snel altijd gebeuren zal, als stemgerechtigden over een te houden stemming met elkander spreken; als men maar niet „sectarisch” optreedt; hetgeen echter eene stemming ook nog niet onwettig zou maken), en of er misschien één persoon heeft medegestemd die onder censuur stond (’t geen op den uitslag geen invloed kon hebben, omdat het niet van ééne stem afhing), — zijn altemaal punten, waarvoor vermaning, berisping, onderwijzing enz. noodig is, maar geen zaken, die iets beteekenen, waar het de wettigheid der stemming geldt.

Zou br. A daarvan niet in der minne te overtuigen zijn, b.v.

|158|

door een bezoek van kerkvisitatoren? En zouden deze ook verder niet tot vrede in X kunnen medewerken naar bevind van zaken aldaar?

In ieder geval moet de Classe in zake de verkiezing naar recht uitspraak doen. En in zulke gevallen is dan doorgaans ook zaak erbij te besluiten (’t geen ook vroeger doorgaans geschiedde), dat de bevestiging der benoemden moet doorgaan, ondanks appèl op Particuliere en Generale Synoden. Anders zou één enkel lid het in zijn macht hebben om b.v. eene kerk als Amsterdam 2 à 3 jaren van ouderlingen en diakenen verstoken. te laten.

Rutgers, F.L. (1921) 41

41. Is iemand, die in de Hervormde kerk kerkelijke lasten betaalt, verkiesbaar tot het ambt?

 

(1901.)

62. Wie eenig kerkelijk besef heeft, zal wel moeten erkennen, dat het eene scheeve en valsche positie is, lid te zijn der Geref. kerk, en tegelijk lid te willen zijn van het Herv. kerkgenootschap; evenzeer als het niet zou aangaan, als lid der Geref. kerk tegelijk als Roomsch te willen bekend staan. Ik begrijp zelfs niet goed, dat de door u bedoelde broeder dit zelf niet gevoelt, en dat vele anderen daarvoor evenmin oog hebben. In dit geval ligt het bezwaar nog niet hierin, dat hij nog in het lidmatenboek der Herv. kerk staat (immers, zulks is nog bij velen het geval, maar dan tegen hun zin, en zonder dat zij ook slechts eenige daarmede overeenkomende daad doen); en ook nog niet hierin, dat hij van zijn geld iets aan de Herv. kerk. mededeelt (immers, dit kan men hem wel sterk ontraden, daar zulk geld verkeerd besteed wordt, niet tot Gods eer, maar om Christus' kerk in hare zuivere openbaring tegen te werken; maar zulk verkeerd gebruik van geld is toch hier niet het ergste). Maar bij dezen broeder is de zaak, dat hij jaarlijks eene contributie geeft aan het Herv. kerkgenootschap in qualiteit van lid van dat genootschap, en dat hij met opzet, willens en wetens, lid daarvan blijft en als zoodanig, door het bestuur van dat genootschap en bij anderen erkend wil blijven. Dat is inderdaad: tegelijk belijden en verloochenen van de waarheid.

Dit nu kan bij leden, die in moeielijke omstandigheden zijn, soms verschoond en gedragen worden, maar toch niet verontschuldigd

|159|

en goedgekeurd. En dit laatste zou m.i. geschieden, wanneer men zulk een lid tot een kerkelijken dienst riep. Hij is zeer zeker een zwakke broeder, ieder zal dit wel moeten erkennen; maar juist daarom moet hij dan ook niet geroepen worden tot een kerkelijk ambt, te minder daar in kleine kerken het diakenschap ook hulpdienst doet voor regeering, opzicht en tucht.

M.i. moet eerst beproefd worden, hemzelven daarvan te overtuigen; en voorts ook anderen, die zijne houding feitelijk goedkeuren, te overtuigen, dat zulks toch niet gaat. En indien de meerderheid van den kerkeraad hem toch op het dubbelgetal plaatst, en de gemeente hem kiest, moet m.i. door de minderheid des kerkeraads tegen die verkiezing bezwaar worden ingebracht bij de meerdere vergadering. Dit kan ook geschieden, nog vóór de verkiezing, wanneer zijn naam op het dubbelgetal geplaatst is; en misschien is dat zelfs raadzamer, vooral als te verwachten zou zijn, dat de gemeenteleden hem zouden kiezen, en ook omdat zijne officiëele candidaatstelling door de kerkeraad, natuurlijk meewerkt om het kerkelijk besef in de gemeente in de war te brengen en te vervalschen.

Het spreekt wel vanzelf, dat de Classe (en eventueel de Synode) het bezwaar tegen zulk eene verkiezing alleszins gegrond zal achten. Zou ook dit niet op dien broeder kunnen werken? Zou hij dit lidmaatschap van het Herv. genootschap voor zichzelven zóó geoorloofd of plichtmatig achten, dat hij daarom de gemeente in allerlei moeielijkheden zou willen brengen?

Zijn begeerte om toch op de nominatie te komen, heeft denkelijk tot motief, dat hij in zijn conscientie wel overtuigd is, verkeerd te staan, maar om bijredenen er toch blijft staan, en nu in de uitspraak van den kerkeraad, en eventueel van de gemeente, een dekmantel zoekt voor zijn conscientie. Maar als die dan nog spreekt, is er misschien met hem te vorderen.

Rutgers, F.L. (1921) 42

42. Is iemand, die ’s Zondags wel eens arbeid verricht, verkiesbaar tot ouderling of diaken?

 

(1914.)

63. Bij de benoeming van ouderlingen en diakenen zie ik geenerlei reden, om van te voren de gemeente in de gelegenheid

|160|

te stellen. eventueele bezwaren in te brengen tegen personen, over wier benoeming de kerkeraad denkt. Integendeel, dat zou tot vele moeielijkheden aanleiding geven, zonder eenige noodzaak of nuttigheid; terwijl het, uit een formeel oogpunt, ook niet mogelijk zijn zou, eventueele bezwaren tegen iemand op kerkeraad en Classe en Synode te behandelen, wanneer hij nog niet eens benoemd is, en misschien zelfs geen kans heeft uit het dubbelgetal gekozen te worden. Eene formeele voorstelling aan de gemeente, ten einde eventueele bezwaren te vernemen. kan eerst aan de orde zijn, wanneer iemand inderdaad benoemd is.

In zake de beroeping tot diaken van een broeder, die als ambtenaar bij de belastingen soms wel eens tot eenigen arbeid op Zondag kan geroepen worden, kan ik het bezwaar, dat hiertegen door enkelen schijnt gemaakt te worden, niet deelen. Volgens uwe mededeeling, is het in 12 jaren tijds slechts éénmaal voorgekomen, dat hij één uur op Zondag moest dienst doen: en die Zondagsdienst hoort dus wel tot de zeldzame noodgevallen. Er zijn nu eenmaal allerlei dienstbetrekkingen (niet alleen bij de belastingen, maar ook bij het civiel bestuur, bij politie en justitie, bij militaire vrijwilligers, bij fabrieken, bij de zeevaart, enz., enz.), die onderscheiden arbeid op Zondag bepaald noodig maken; en wie daarin dan overtreding van het 4e gebod wilde zien, is door onze kerken van den aanvang af altijd geoordeeld eene verkeerde Joodsche opvatting van dat gebod te hebben, ook in strijd met de verklaring van onzen Catechismus. Natuurlijk moet men dan niet in het andere uiterste gaan vervallen, en den Zondag tot een werkdag gaan maken. Het Christelijk standpunt staat boven die twee afwijkingen.

Over de bovengenoemde twee punten zou nog veel te zeggen zijn. Maar ge wilt op uw brief van gisteren gaarne terstond antwoord, en dus geef ik u in haast maar een paar opmerkingen.

 

(1915.)

64. Na mededeeling, dat, bij de gemeentelijke stemming voor de aanwijzing van de te benoemen ouderlingen en diaken, voor

|161|

het diakonaat een broeder gekozen is, die directeur is van een broodfabriek, waar de voorbereidende arbeid voor het bakken van het brood van Maandag reeds des Zondagsavonds te 7 of 7½ uur moet aanvangen, formuleert ge de quaestie, waarover ge mijn advies vraagt, aldus:

„Nu is de vraag, waar de kerkeraad voor komt te staan, deze: Moet er uit hoofde van dien Zondagsarbeid bezwaar worden gemaakt tegen het optreden in het ambt van diaken van den gekozene? Zelfs al erkent men dien arbeid als noodzakelijk, dan nog zou het bedenking kunnen ontmoeten, dat iemand, die erin betrokken is, als ambtsdrager optreedt.”

Voor zooveel ik den loop der hier bedoelde zaak kan beoordeelen, schijnt het mij toe, dat uw kerkeraad die vraag reeds heeft uitgemaakt, doordat hij den bedoelden broeder op het dubbelgetal aan de gemeente ter verkiezing heeft voorgedragen, daar dit toch wel niet zal geschied zijn, zonder dat hij bij de meerderheid van den kerkeraad eenigszins bekend was, ook met betrekking tot zijn maatschappelijke positie. Bij die candidaatstelling is er in die positie blijkbaar geen bezwaar gezien. En dan zou het wel eenigszins vreemd zijn, wanneer de kerkeraad, die zelf hem aan de gemeente voorstelde, daarna, wanneer hij gekozen was en er ten zijnen aanzien niets veranderd was, hem toch niet benoemde.

Wat nu het gemaakte bezwaar betreft, ik ben met het bakkersbedrijf niet genoeg bekend, om te kunnen beoordeelen, in hoeverre het noodig is, dat er Zondags ’s avonds reeds vóór 8 uur voorbereidend werk gedaan wordt voor het bakken in den daarop volgenden nacht. En daarom moet ik mij wel neerleggen bij het oordeel der deskundigen, die zulken avondarbeid onvermijdelijk en dus plichtmatig achten, vooral in groote bedrijven. Zonder twijfel moeten opzieners der gemeente er dan steeds op blijven aandringen, om dan toch dat voorbereidend werk des Zondags zoo laat mogelijk te beginnen, althans na afloop van den kerkedienst. Maar voorts is die zaak dan aan de conscientie der daarbij betrokkenen over te laten.

Natuurlijk kan dan de vraag nog overblijven, of het wel aangaat, aan iemand, die bij zulken arbeid betrokken is, den kerkedienst van diaken op te dragen. En dan zijn er zeker gevallen, waarin

|162|

zulks niet gaat, of althans niet raadzaam is; b.v. wanneer die noodige Zondagsarbeid hem verhindert de beide samenkomsten der gemeente op Zondag geregeld bij te wonen, of wanneer hij onwillig was om dien arbeid te beperken voor zooveel zulks inderdaad in zijn macht was, met inachtneming van hetgeen voor het bedrijf noodig is. Maar wanneer van zulken onwil of van zulke verhindering geen sprake is, dan zie ik ook geen reden, waarom een voor het overige zeer geschikt gemeentelid van kerkelijke ambten zou zijn uitgesloten, alleenlijk omdat hij „betrokken” is bij een tak van werkzaamheid, waarin eenige Zondagsarbeid noodig is. Ik geloof zelfs niet, dat iemand dit consequent zou willen toepassen, b.v. ook op de geheele ambtenaarswereld, op de besturen en aandeelhouders van groote scheepvaart-maatschappijen, enz., enz., altemaal kringen waarin ook eenige Zondagsarbeid noodig is.

Met betrekking tot den door u bedoelden broeder valt m.i. ook nog op te merken:
dat de bakkerij, waarvan hij directeur is, niet zijn eigen zaak is, maar onder het bestuur staat van eene naamlooze Vennootschap, welke daarover het zeggenschap heeft;
dat hijzelf persoonlijk daarin geen Zondagsarbeid te verrichten heeft;
en dat blijkbaar de gemeente in zijn optreden als diaken geen bezwaar ziet.

Intusschen, een volledig en beslist advies kan ik te dezer zake niet geven, daar ik hiervoor met personen en toestanden niet genoeg bekend ben. De kerkeraad moet hier zelf beslissen. Maar in het bovenstaande heb ik u van mijn gedachten dan toch iets meegedeeld.

Rutgers, F.L. (1921) 43

43. Is iemand, die altijd bij één predikant ter kerk gaat, verkiesbaar tot ouderling?

 

(1910.)

65. Ge vraagt mijn oordeel over eene „motie” (eigenlijk geen motie, maar een voorstel), die in uwen kerkeraad is aangenomen in eene vergadering waar juist de beide predikanten afwezig waren, en die inhield, dat alleen zij op de candidatenlijst

|163|

voor ouderling kunnen geplaatst worden, die niet alleen trouw ter kerke komen, maar die daarbij ook geen onderscheid maken tusschen de dienstdoende predikanten, en die dus altijd naar hetzelfde kerkgebouw gaan, om het even wie aldaar het Woord te bedienen heeft.

Dat besluit, gelijk het in de openbaar gemaakte mededeeling (Art. 6) geformuleerd is, heeft voor mij inderdaad veel onbegrijpelijks; ook al neem ik gaarne aan, dat het alleenlijk genomen is voor de thans aanstaande verkiezing van ouderlingen, en dus niet bedoeld het ook op te nemen in een reglement of regeling, waardoor het ook verder zou blijven gelden (altijd totdat de kerkeraad het weêr introk).

Een dergelijk besluit is in onze Gereformeerde kerken wel nooit door eenigen kerkeraad genomen. Wel is voor ruim 2½ eeuw hier een boekje verschenen, waarin beweerd werd, dat in groote gemeenten de gemeenteleden moesten verplicht worden, steeds ter kerke te gaan in het kerkgebouw binnen welks ressort zij woonden; niet alleen voor het gebruiken der Sacramenten (gelijk dit in Roomsche kerken voor de parochianen verplichting was en is), maar ook voor het bijwonen van den predikdienst (waarin zelfs door Rome de gemeenteleden eener groote stad worden vrij gelaten). Maar tegen zulke bewering is toen, niemand minder dan Voetius met grooten nadruk opgekomen, in een betoog, waarin hij de vier argumenten, die er vóór werden aangevoerd, wederlegt, en waarin hij de vier argumenten, die er tegen zijn en die ieders vrijheid bepleiten, uiteenzet; bij dit alles ook gedurig op de Schrift zich beroepende; welk betoog te vinden is in zijne „Politica Ecclesiastica” Vol. 1, pag. 71-75 (in den door mij in 1885 bezorgden herdruk in de „Bibliotheca Reformata”, pag. 63-66; en in de Hollandsche vertaling, die in 1888 onder mijn toezicht door Dr. Fischer en Ds. Rudolph, destijds nog beide student, is uitgegeven, blz. 113-119). 1)


1) IIIe Vraag. Of de afzonderlijke vergaderingen van over de verschillende kerkgebouwen verdeelde toehoorders in. de gereformeerde steden van. Nederland even zoovele afzonderlijke kerspelkerken moeten genoemd worden?
Antwoord. Neen. Omdat er tusschen die toehoorders geene bizondere en tot hen beperkte eenheid, gemeenschap, en verbintenis is. Want de enkelen worden slechts plaatselijk, op die ééne plaats en op dat ➝

|164|

Door dat betoog wordt nu zeker niet uitgesloten, dat het om allerlei redenen wenschelijk moet geacht worden, dat in groote gemeenten de leden zooveel mogelijk zich tot een kerkgebouw bepalen, om het even wie daar preekt. Zelf acht ik dit zeker wenschelijk; waarom ik dan ook doorgaans naar hetzelfde kerkgebouw ga, waar ik onze 9 predikanten dan op de rij af hoor preeken. Maar — zoo doen hier niet velen: de overgroote meerderheid der leden volgt hier 1 of 2 of 3 of 4 predikanten, die zij het best verstaan of begrijpen of aan wie zij het meest hebben. En nu kan men wel zijn best doen, daarin verandering te brengen; maar dat is reeds van de 16e eeuw af in alle groote steden


➝ bepaalde uur vereenigd tot een geheel van toehoorders, tot die enkele voorbijgaande handeling van hooren met wat er bij komt gedurende één of anderhalf uur. Zij maken derhalve geen bizondere, georganiseerde kerk uit, in onderscheiding van de andere verzamelingen van toehoorders in al de andere kerkgebouwen derzelfde stad. Evenmin als de Romeinsche of Atheensche burgers, bij gedeelten in verschillende deelen der stad de schouwburg bezoekend of wandelend, elk een afzonderlijke stad en staat uitmaken, of studenten, bij gedeelten in verschillende gehoorzalen op denzelfden of verschillenden tijd college bezoekend, elk eene afzonderlijke academie samenstellen, omdat de plaatselijke vereeniging ophoudt als de vergadering of de voorlezing geëindigd is, waarna elk zijns weegs gaat en andere gehoorzalen of kerkgebouwen naar goedvinden bezoekt.
Hieruit blijkt, dat dit nijdig en ongerijmd verzinsel van sommigen, uiteengezet in prullige redeneeringen vol groote woorden, dat het niet geoorloofd is deze of die predikers meer dan anderen te volgen of altijd te hooren, en eenige keuze in de preeken te hebben, van steun in de Schrift en de rede ontbloot is. Immers hier is zelfs niet de minste schijn van scheuring of partijzucht, als waarvan sprake is 1 Cor. 1: 12: „Ik ben van Paulus, ik van Apollos” enz. Onze gronden zijn deze: 1e. omdat in een ieder de beste gaven te erkennen, en van die gaven tot onze meerdere opbouwing in den Heere gebruik te maken niet slechts geoorloofd, maar ook noodzakelijk is. Vrome toehoorders houden er voor, dat de beste gaven van een prediker bestaan: 1. in een luidklinkende stem, die door allen gehoord kan worden; 2. in eene duidelijke, nauwkeurige, vurige, het gemoed aangrijpende voordracht; 3. in eene ernstige, deftige, zedige versiering van den stijl, op eene wijze, die passend is bij de gewijde stof; en niet in een ijdelen en ongewijden valschen opschik; 4. in eene regelmatige, doorzichtige, schriftuurlijke en degelijke tekst- en zaakverklaring, zoodat ze door de hoorders zeer goed verstaan, in het geheugen geprent, onthouden, thuis herkauwd en met anderen herhaald kan worden; 5. in eene meer geschikte, krachtige, voelbare, voorzichtige, oprechte toepassing op het geweten. 2e. Omdat de Schrift nergens de geloovigen vermaant, om zonder onderscheid te maken ➝

|165|

steeds vergeefs geweest. Toch heeft niemand er ooit aan gedacht, te dien aanzien dwang te willen uitoefenen, of liever (want dwang moet hier wel altijd vruchteloos zijn) dwang te willen beproeven. En dat is ook zonder twijfel ongeoorloofd, want welken Schriftuurlijken grond zou men kunnen aanvoeren voor de toepassing van censuur op onbesproken leden, die in hun eigene kerken bij hun eigen predikanten (of bij één van deze) trouw ter kerke gaan?

Maar als dat niet kan of mag, zooals in uw kerkeraad wel ieder zal toestemmen, hoe kan men er dan toe komen om het toch te doen, doordat men de hierbij bedoelde leden onbekwaam verklaart om het ouderlingschap te bekleeden, enkel om het kerk gaan bij


➝ zonder oordeel, zonder keuze, zonder rekening te houden met hunnen aard, hunne vordering, hunne gemoedsstemming en hunnen inwendigen toestand alles zonder onderscheid van iedereen altijd te hooren. Maar daarentegen raadt de Schrift aan het hebben van keuze, oordeel, onderscheiding, voorzichtigheid (Luk. 8: 18, 1 Thess. 5: 21), in de levenswijze ten opzichte van het lichaam wat spijzen, lucht, water, woonplaats, huizen betreft, enz. In het gebruiken van geneesmiddelen en geneesheeren, in het gebruiken en lezen van godgeleerde boeken, wordt aan geleerden en ongeleerden de raad gegeven onderscheid te maken. En waarom zou men dit dan niet moeten doen in het hooren van preeken en voorlezingen over heilige zaken, in het inroepen der hulp van dienaren of andere troosters en vermaners bij gevallenen, of bij menschen, die lijden aan beproeving en geestelijke aanvechting, bij zieken en bij stervenden? 3e. Omdat Christus zelf Johannes lief had boven de andere discipelen, en drie discipelen in voorkeur boven de anderen met zich nam (Matth. 17: 1), en Paulus onder al zijne leerlingen en de rechtzinnige leeraars niemand had, die gelijk stond met Timotheus (Phil. 2: 20); hoe zou het mij dan niet geoorloofd zijn zonder scheuring te maken, haat op te wekken tegen de dienaren, of het dienaarsambt te verachten, de openbare preeken of huiselijke samensprekingen van zeker dienaar te verkiezen boven de preeken of samensprekingen van anderen, indien ik gevoel door gene beter gesticht te worden? 4e. Omdat degenen, die tegen dit onderscheid maken herhaaldelijk betoogen, zelve het onderscheid maken van anderen, die hunne bediening van het avondmaal en hunne preeken volgen, èn die van de andere dienaren in dezelfde stad niet slechts voorbijgaan., maar zelfs met ijver ontvluchten (met welke vroomheid, op welken rechtvaardigen grond, weet de Heere, en is hunzelven misschien niet onbekend) in kalmen gemoede verdragen; ja zelfs daarin een behagen schijnen te hebben. Want als hier niet de razernij van nijd en zelfzucht aanzet, dan blijven hunne publieke en private vermaningen hiertegen rusten, en de orakels der socratische en nuttelooze verhandelingen verstommen; hoewel ze dezen voorbijgaan, genen de voorkeur geven niet slechts op die dagen, ➝

|166|

één of meer van hunne predikanten, en niet bij allen? Dat is toch ook een tuchtmiddel, bestemd om tot een verandering van gedrag te dwingen. En dan nog wel een tuchtmiddel, dat, geheel in strijd met alle Schriftuurlijke en Gereformeerde beginselen, uitgesproken wordt, niet over één of meer met name genoemde leden, maar over een geheelen groep van ongenoemde leden; terwijl ook voorts die uitsluiting op geheel informeele wijze geschiedt, en geheel in strijd met den regel van Matth. 18.

Dat uw kerkeraad dit zou gedaan hebben, is mij zóó onbegrijpelijk, dat ik zeer geneigd ben, te onderstellen, dat uw kerkeraad eigenlijk iets anders bedoeld heeft, en alleenlijk zich vergist heeft in de formuleering van zijne gedachten.


➝ als meerdere predikingen op hetzelfde uur in verschillende kerkgebouwen gehouden worden, maar bovendien de collega’s zelven hardnekkig en voortdurend zoo ontvluchten, dat ze ook buiten hunne kerk ergens op het platteland naar preeken gaan hooren, en het avondmaal des Heeren gaan gebruiken, zoo dikwijls in hunne stad de beurt van prediking of avondmaalsbediening niet aan dien dienaar of een dier dienaren, die zij zich gekozen hebben (in welken geest en met welke vroomheid die gekozen is, kan ik niet zeggen) gekomen is. De geheele of kersversche of beschimmelde redeneering van hen die hierover anders denken (hoedanige redeneering ik mij herinner eens niet zonder walging gehoord te hebben) steunt op deze valsche onderstelling, dat aan de enkele geloovigen en toehoorders in de grootere steden van Nederland naar goddelijk recht, òf naar het natuurrecht, òf naar kerkelijk recht een zeker kerkgebouw is toegewezen, hetwelk zij gehouden zijn te bezoeken op iederen dag des Heeren, en geen ander gebouw. Wanneer deze onderstelling, als zoo valsch mogelijk, ontkend wordt, valt geheel die in de lucht hangende redeneering. Want waar, wanneer, door wie, met welk gezag, door welke algemeene of bizondere verordening is deze denkbeeldige verdeeling der toehoorders over hunne kerkgebouwen, zoodat elk zijn eigen heeft, vermeld? Indien dit niet duidelijk aangetoond wordt, zal het met recht geoorloofd zijn de bepalingen van dusdanige ongelukkige casuisten te verwijzen naar de klasse der redeneeringen over het niet bestaande (van denzelfden aard dus als de redeneering der pausgezinden over de verdiensten naar het oordeel van Amesius in den Bellarminus ontzenuwd. De kerspelen van het canonieke recht en het pauselijke gewoonterecht zijn bij ons afgeschaft, en even zoovele collegiaatkerken of presbyteriale kerken naar het aantal der steden, zelfs der grootere er voor in de plaats gesteld. Zelfs gesteld, wat niet wordt toegegeven, dat ergens overblijfselen der kerspel-inrichtingen nog zijn blijven bestaan, dan zou echter daaruit niet volgen, dat de leden van het kerspel voortdurend verbonden zijn om de prediking in hun kerkgebouw te hooren, omdat in het pausdom zelf de vrijheid wel is waar beperkt is omtrent begrafenis en sacramenten, enz. ➝

|167|

Denkelijk heeft uw kerkeraad willen voorkomen, dat een broeder, die altijd denzelfden predikant volgt, zulks ook zou blijven doen terwijl hij ouderling was.

Nu, dat zou zeker niet kunnen. In iedere kerk wordt het werk der kerkedienaren, ook dat der ouderlingen, door den kerkeraad geregeld, zoowel voor den dienst der gemeente (in groote gemeenten door de wijkverdeeling) als voor den dienst op Zondag (door tegenwoordigheid en toezicht bij de samenkomsten der gemeente); opdat al dat werk behoorlijk en met orde geschiede, 't geen wel onmogelijk zou zijn, indien ieder ouderling naar eigen keuze in de groote gemeente ging waken of des Zondags kerkte. Wie als ouderling dient, moet zich dus aan de regeling onderwerpen;


➝ maar het omtrent de prediking wordt toegestaan haar te gaan hooren in de kerspelkerken en de collegiaatkerken, de reguliere of kapittel-kerken zonder onderscheid. En indien iemand, uit deze stelling verdreven, droomt, dat de nabijheid van het kerkgebouw grond kan geven voor een rechtsvoorschrift om aldaar altijd of meestal gewoonlijk de prediking te hooren, dan werp ik hem tegen, dat nooit in eenige stad van Nederland door een kerkeraad of door eene synode zulk een grond gegeven is. Bovendien door deze vondst der nabijheid is nog niet voldaan aan het geweten der geloovigen, voor wie twee of drie kerkgebouwen nagenoeg even nabij zijn; noch ook aan de niet-burgers en vreemdelingen, die op de Zondagen in die stad verwijlen. Laat iemand eens tot de stadbewoners zeggen, dat zij hunne benoodigdheden in de naastbijgelegen winkels van kooplieden, bakkers, kleermakers, bierbrouwers, wijnkoopers, enz. moeten halen, en dat wel alleen op grond der nabijheid. Hij zegge eens het zelfde over het zenden der kinderen naar de Hollandsche, Fransche en Latijnsche scholen. Maar laat ons ten overvloede de gronden dezer krachtelooze bespiegeling aanhooren: 1e. grond. Omdat alle predikers Gods Woord prediken, wettig daartoe geroepen zijnde. De gevolgtrekking ligt voor de hand. Antwoord. Dit beteekent evenveel, alsof iemand zeide, alle schoenmakers, kleermakers, smeden, apothekers, heelmeesters, notarissen, advocaten enz. oefenen ieder hun beroep uit naar kennis en vermogen, en zijn tot dit beroep wettiglijk toegelaten; derhalve is het u niet geoorloofd onderscheid te maken, wiens dienst gij gebruiken zult. Vier of zes professoren onderwijzen tegelijk aan eenige hoogescholen op hetzelfde uur hetzelfde vak (bijv. logica of physica, enz.); derhalve is het niet geoorloofd den eenen in voorkeur boven den anderen te hooren, omdat allen hetzelfde vak naar dezelfde methode en volgens denzelfden schrijver (bijv. Aristoteles) naar hun vermogen onderwijzen. Hieruit volgt eindelijk nog, iets, dat, indien de een in voorkeur boven den anderen niet gehoord moet worden, ook geen ander uit de vijf overigen gehoord moet worden, om niet in dezelfde dwaasheid te vervallen, daar toch zes op hetzelfde uur niet tegelijk kunnen gehoord worden. Maar een ander voorbeeld ➝

|168|

gelijk dan ook hier in Amsterdam ieder ouderling zijn eigen wijk-kwartier heeft en zijn eigen kerkgebouw, zoodat steeds bij elken dienst in iedere kerk een gelijk aantal ouderlingen present is. Wie dat niet zou willen doen, ’t geen echter hier nog nooit is voorgekomen, zou schuldig zijn aan verwaarloozing van de hem opgedragen taak, d.i. aan voortdurend dienstverzuim. En dat zou zeker geen kerkeraad mogen toelaten; bij een ouderling evenmin, als bij een predikant of diaken.

Of er nu in X gevaar zou zijn, dat de broeders, die men op het oog heeft, tegen zulken opvolging van hun dienstregeling bezwaar zouden maken, weet ik niet. Maar ik denk het toch niet.

In ieder geval kan de kerkeraad zich daaromtrent van tevoren


➝ verstrikke de tegenstanders in hun eigen strik van hunne waanwijsheid. De heilige schrijvers zijn alle onfeilbaar en geïnspireerd. Derhalve is het den geloovigen niet geoorloofd met eenige onderscheiding en met toepassing op elks eigen toestand of op het bevattingsvermogen en den toestand van het volk, de teksten der Heilige Schrift te lezen en te overdenken noch den predikers voor de prediking ze uit te leggen. Van elke spijze wordt gezegd, dat alle schepsel Gods goed is, 1 Tim. 4. En wie zou nu hieruit afleiden, dat alle onderscheid maken ongeoorloofd is? Over het hebben van keuze in het lezen van godgeleerde boeken hebben wij boven gesproken. 2e grond. Omdat dan de preeken van de overige predikers geminacht worden. Antwoord. Indien men dit zóó opvat, dat de preeken, die in zich zelf beter of ten minste aan eenige hoorders aangenamer zijn, onwillekeurig aanleiding geven, hetzij tot die minachting, of wel tot die lager schatting wordt dit toegestemd. Maar dit is geheel door eene bijkomende omstandigheid, en daarom moeten de betere preeken en het hooren derzelve niet belet worden, evenmin als grootere ontwikkeling, voorzichtigheid, moed en andere deugden van meer verheven graad. 3e grond. Omdat zij dan op onwaardige wijze den dienst der overige dienaren in dezelfde stad minachten en ontvluchten, en daarvan geen gebruik willen maken, terwijl toch allen gemeenschappelijk hunne herders zijn, wien van Godswege de zielzorg is opgelegd. Antwoord. De gevolgtrekking wordt ontkend. Indien iemand met deze bedoeling en in dien geest de preeken van den eenen dienaar liever dan die der anderen, die op hetzelfde uur leeren, wil hooren, die zal Gode rekenschap hebben te geven. Maar iemands daad of misbruik moet niet de zaak zelve, dat is de geestelijke onderscheiding der betere gaven, veroordeelen. Dit moet hun worden ingeprent, die de overige dienaren, als zij op een morgen- of avonduur op Zondag of op een uur in de week alleen prediken, niet willen hooren; echter niet hun, die alle preeken van elk hunner predikers, indien zij alleen preeken, gaarne willen bijwonen; slechts kiezen zij hem, door wien zij meenen beter gesticht te worden uit meerderen uit, die op hetzelfde uur ➝

|169|

vergewissen, vóórdat hij de benoeming definitief uitbrengt; altijd alleen in geval er werkelijk grond is, om van iemand zulke kwade vermoedens te hebben.

Maar indien de kerkeraad inderdaad bedoelde, zulk eventueel dienstverzuim te voorkomen, dan moest zijn besluit toch heel anders luiden, dan het nu in de zoogenaamde „motie” geformuleerd is. En dan was een formeel besluit eigenlijk niet eens noodig. Het spreekt wel vanzelf, dat iemand niet als ouderling zou kunnen optreden, wanneer hij reeds van tevoren verklaarde, dat hij het hem opgedragen dienstwerk niet zou willen vervullen.

Voor het overige blijft bij een kerkelijke verkiezing, die altijd geheim is, natuurlijk ieder kerkeraadslid en ieder stemgerechtigde volkomen vrij om op iemand te stemmen of niet te stemmen.


➝ tegelijk preeken. 4e grond. De predikers, wier preeken niet gehoord worden, kwellen hunne ziel en doen hunne zuchten tot God opstijgen, wanneer zij zien dat anderer prediking boven de hunne gesteld wordt. Antwoord. 1. Hoe zou het zijn, indien eens omgekeerd de toehoorders menigvuldiger bij hem toestroomden en een of meer der collega's dan zuchtten; op welke wijze zou hij hen troosten? 2. Aan zoodanige predikers zou kunnen toegevoegd worden dat woord tot Jona, dat we vinden Jona 4: 4, 9, 10, 11. Het is u geoorloofd smart te gevoelen en u te verootmoedigen voor God, dat uwe gaven, indien zij gelijk zijn aan de gaven der andere predikers of ze overtreffen, door de toehoorders buiten uwe schuld gering geacht worden. Intusschen is het u niet geoorloofd tegen uwe collega’s verontwaardigd te zijn of hen te benijden, noch om tegen God te murmureeren. Indien uwe gaven minder zijn, moet de Voorzienigheid Gods erkend worden, die deze mindere mate van gaven u ten goede zal doen medewerken, aan elk de mate der genade gevende naar Zijn welbehagen. Prijs de goedheid Gods in uwe collega’s. Dank Hem voor de mate u gegeven. Hij zou immers minder of niets kunnen gegeven hebben. Vraag van Hem vermeerdering. Vergoed datgene, wat gij door predikgaven niet kunt geven, door eenige andere kerkelijke plichten getrouw en met vurigen ijver waar te nemen. Maar indien de predikgaven door gebrek aan ijver, vlijt, of vroomheid uwerzijds minder zijn dan die der anderen moet het hart worden gericht tot vurige gebeden, oprecht berouw en gedurigen vlijt, en worden afgekeerd van alle wereldsche rust of bezigheid. Kortom, mits er niet aanwezig zij onwetendheid, zorgeloosheid, hoogmoed, nijd, dan zal ook de twist in den schoot bergende afgunst er niet zijn, welke niet zelden in grootere steden de collega’s in denzelfden dienst verontrust en kwelt. Maar meer dan genoeg tegen dezen ruwen en onnutten redetwist van sommigen.
(Drie Kerkrechtelijke Verhandelingen vertaald uit de Politica Ecclesiastica van Gijsbertus Voetius. 1888, J.A. Wormser, Amsterdam, p. 113-119).

|170|

Ziedaar een en ander op uwe vraag. Natuurlijk moogt ge desverkiezende dit antwoord laten lezen aan wien ge maar wilt. Wat ik hier en daar adviseer, mag, wat mij betreft, aan ieder worden medegedeeld.

Rutgers, F.L. (1921) 44

44. Is iemand, die nooit aan het H. Avondmaal komt, verkiesbaar tot diaken?

 

(1905.)

66. Het zal in den bloeitijd onzer kerken wel nooit zijn voorgekomen, dat iemand, die in het ambt van diaken gesteld was, zich geheel onthield van deelneming aan de viering van het H. Avondmaal, of dat iemand, die zelfs nog nimmer daaraan had willen deelnemen, tot diaken gekozen werd. Integendeel, in de 16de en 17de eeuw werd zoodanig verzuim als zijnde in strijd met de roeping der geloovigen en met den uitdrukkelijken eisch van des Heeren Woord, ook bij gewone gemeenteleden niet door de vingers gezien, maar (waar het na herhaalde vermaning en waarschuwing bleef voortduren) wel degelijk beschouwd als een grond voor kerkelijke censuur.

Integendeel was dit zonder twijfel ook de rechte beproeving en waardeering van het H. Avondmaal. En nu kan er te dien aanzien wel eens eenige onregelmatigheid zijn in den aanvang onzer reformatie (gelijk zulks in de 16de eeuw ook wel voorkwam), wanneer de kerkelijke toestanden nog veelszins ongeordend zijn. Maar zulke afwijking mag dan toch niet tot een soort van geoorloofden toestand worden: er moet altijd zoo spoedig mogelijk mee gebroken worden. Wanneer dus tegen iemand, die nu in een onzer kerken tot diaken benoemd is, als bezwaar wordt ingebracht, dat hij zich geheel onttrekt aan de viering van het H. Avondmaal, dan kan ik slechts zeggen dat dat bezwaar m.i. gegrond is, en dus de benoeming niet kan doorgaan, maar een ander in zijn plaats is te kiezen (tenzij de reeds gekozene over zijn verzuim schuldt belijdt en betering des levens belooft en toont).

Eigenlijk had de kerkeraad hem ook niet eens de gemeente ter benoeming mogen voordragen, maar dit schijnt nu evenwel reeds geschied te zijn.

|171|

De bedoelde broeder kan daarom wel gaven hebben voor het werk der barmhartigheid, en m.i. in een burgerlijk armbestuur goede diensten doen, maar een kerkelijke dienst, die wel allereerst dienst des Heeren in des Heeren werk is, eischt allereerst eerbiediging van des Heeren Woord en opvolging van des Heeren ordinantiën voor het kerkelijk leven.

Rutgers, F.L. (1921) 45

45. Moet de bevestiging van kerkeraadsleden, tegen wie bezwaren werden ingebracht, toch doorgaan?

 

(1894.)

67. Inzake de gewraakte verkiezing van ouderlingen en diakenen te X geven uw inlichtingen mij den indruk, dat gijzelf en de kerkeraad aldaar correct gehandeld hebt, en dat er tegen die verkiezing eigenlijk niets is in te brengen. Formeel zijn de „gekozenen” toch zeker „door den kerkeraad benoemd”, (volgens de K.O.) en nergens is verboden, dat de kerkeraad vooraf de gemeente raadplege, door stemming of op andere wijze, met het uitgesproken plan om, zoo mogelijk, de gekozenen der gemeente dan ook te benoemen. In vele gevallen is dit zelfs raadzaam, en dan ook van ouds in vele kerken gebruikelijk geweest. Vooral in toestanden als te X schijnen aanwezig te zijn. Terwijl dan toch altijd, ook daar, de kerkeraad formeel de benoeming doet en daarvoor verantwoordelijk blijft.

Ge vraagt daarover dan ook eigenlijk mijn advies niet. Maar wel over de vraag of nu de benoemden kunnen bevestigd worden, zoolang er een appèl bij de Classe hangt.

Mij dunkt van neen. En wel vooral om de volgende redenen:

1º. In gevallen van appèl moet altijd, zoo min mogelijk, op de beslissing der meerdere vergadering gepraejudicieerd worden; naar den algemeenen, op alle gebied geldenden rechtsregel inzake appèllen. Nu wordt er niets gepraejudicieerd, als de bevestiging wordt uitgesteld; maar wel als zij inmiddels geschiedt en dus de benoemden in functie treden. Indien dan een gewraakte benoeming verklaard wordt van onwaarde te zijn, heeft zij toch reeds effect gesorteerd. 

2º. Door uitstel kan geenerlei moeielijkheid of verwarring ontstaan, want de thans dienstdoende ouderlingen en diakenen moeten dan natuurlijk in functie blijven, totdat opvolgers, tegen wier

|172|

benoeming geen bezwaar is, aanwezig zijn. Alles blijft dus zijn geregelden gang gaan; temeer nog wanneer herkiezing plaats had, en dus de gekozene, tegen wiens herbenoeming bezwaar werd gemaakt, als nog zittend lid moet aanblijven; voor denzulke komt de zaak dan enkel hierop neer, dat hij op anderen grond nu een tijdlang in den kerkeraad is (nl. als aftredend lid, dat nog niet kan heengaan), in afwachting of hij een nieuwen diensttijd kan aanvaarden. Indien men daarentegen nu terstond bevestigt, en indien dan later de Classe de benoeming van onwaarde verklaart, dan is er een tijdlang een onwettige kerkeraad geweest, die besluiten nam, enz.; ’t geen veel moeite kan geven.

3º. Uit de woorden van de K.O. „ten ware er eenig beletsel voorviel”, volgt m.i. ook, dat de approbatie der gemeente niet volledig is, en de bevestiging niet kan volgen, indien er wel beletsel is voorgevallen.

Maar tijd ontbreekt mij, hier meer bij te voegen. Het gezegde is ook reeds voldoende.

Is er nu eenige reden van haast, dan kan de kerk van X een buitengewone Classe doen samenkomen, om het appèl te behandelen. Anders kan de zaak wachten tot de gewone vergadering. Indien dan de Classe de benoeming handhaaft, dan bepale zij tevens dat de bevestiging nu kan doorgaan, ook al zou er appèl komen op Provinciale en Generale Synode. Immers, altijd is aangenomen dat één enkel gemeentelid door een klacht de zaak niet drie jaren kan ophouden, en dat dus de meerdere vergadering door zijn besluit zulks voorkomen mag. Komt er dan appèl, en zou dan de Synode de benoeming zelve toch van onwaarde verklaren, dan is de wettigheid van den alzoo opgetreden kerkeraad toch gedekt door het besluit der Classe.

 

(1900.)

68. Gaarne beantwoord ik uw schrijven terstond.

Uwe vragen echter zijn veel te algemeen gesteld, om voor een kort antwoord vatbaar te zijn, daar men hierbij allerlei gevallen zou moeten onderscheiden, ’tgeen natuurlijk veel onnoodig werk

|173|

zou geven. Daarom is het gelukkig, dat ge het geval, dat door u bedoeld werd, er bij genoemd hebt.

Met het oog daarop nu meen ik, dat de kerkeraad vrij was, om op de nominatie voor ouderling en diaken te plaatsen de B.B., die hij daarvoor geschikt achtte ; ook uitsluitend tegenstanders der ineensmelting. En het enkele feit, dat zij zulks zijn, levert geen gegrond bezwaar op tegen de nominatie. Immers, de gezamenlijke kerken hebben wèl de plaatselijke ineensmelting als eisch van Gods Woord en van de Geref. belijdenis erkend, maar oordeelen tevens den misstand van „kerken A en B” (zelfs met „C”) nog te moeten dragen. Daarom, wanneer zulk bezwaar tegen de nominatie werd ingebracht, zou de verkiezing toch moeten doorgaan. Trouwens, dit is, formeel gesproken, eigenlijk altijd het geval. Bij bezwaar tegen eene nominatie kan dit zeker een kerkeraad aanleiding geven, haar te wijzigen. Maar in den regel moet zij, als de kerkeraad het niet doet, toch doorgaan. De bezwaarden kunnen dan bij eventueele benoeming van een, tegen wien bezwaar is, daartegen bezwaar maken.

Maar ook ten aanzien van benoemden is een bezwaar, dat alleenlijk aan tegenstand tegen de ineensmelting ontleend is, m.i. niet ontvankelijk. Om de boven reeds genoemde reden. — Wanneer bezwaar wordt ingebracht, moet bij bezwaarden in den regel de bevestiging en indiensttreding wachten, totdat eerst de kerkeraad, en later eventueel de Classe over het bezwaar heeft geoordeeld; en kan m.i. eerst de Classe besluiten, dat, ongerekend beroep op de Synode de bevestiging kan doorgaan, daar anders de vacaturen te lang zouden duren, en één enkel onwillig gemeentelid dit in zijne macht zou hebben tot aan de Generale Synode. Maar bij een bezwaar, als het genoemde, dat reeds naar het oordeel der gezamenlijke kerken in ouderlingen en diakenen dragelijk is, zou m.i. de kerkeraad zelf ook wel tot de bevestiging kunnen overgaan.

En wat eindelijk betreft uw spreken in een vergadering der gemeenteleden., — ’t is alweder de kerkeraad, die voor zulke vergaderingen de orde te regelen heeft, niet de predikant. En nu is er waarschijnlijk geen regeling of ordening formeel gemaakt; maar omdat de kerkeraad toch ten slotte daarover te zeggen heeft, zou

|174|

ik u niet raden, tegen zijn zin alsdan iets te zeggen of te doen.

Wat zoudt ge daar ook eigenlijk aan hebben? Wel verre van daardoor iemand te overtuigen, zoudt ge alle tegenstanders slechts verbitteren, en halve tegenstanders in heele veranderen. Met dwang laten zulke zaken zich nu eenmaal niet behandelen. En ge kunt immers spreken en overtuigen, bij bezoeken aan gemeenteleden, bij opzettelijk daarvoor uitgenoodigde samenkomsten, enz. Opdringen laat eene overtuiging zich toch niet; en met zachtheid komt men op den duur wel vooruit.

Ziehier in het kort mijn. gevoelen.

 

(1907.)

69. Gaarne voldoe ik aan uwen wensch, om per omgaande antwoord te ontvangen op uwen brief. Maar een bepaald advies kan ik u moeilijk geven, daar ik den candidaat-ouderling, tegen wiens persoonlijkheid bezwaren zijn ingebracht, in ’t geheel niet ken, en ook niet weet wat de feiten zijn, op wier grond men hem lastig en onbetrouwbaar (ter zake van actie tegen den predikant) acht.

In ’t algemeen geldt zonder twijfel, dat een kerkeraad niet alwetend en onfeilbaar is, wanneer hij een candidatenlijst opmaakt, zoodat altijd de mogelijkheid moet openblijven, om later, bij meerdere inlichting, zijn besluit te wijzigen; dat dit echter niet geschieden moet zonder gewichtige redenen, ook omdat het verwijderen van een naam, die reeds op de voordracht gesteld was, altijd een zekeren blaam op den persoon werpt (ook doordat zulks wel niet geheim blijft); en dat een eenigszins moeielijk karakter op zichzelf nog niet volstrekt ongeschikt maakt voor kerkelijke bediening. Maar ik herhaal de toepassing op het geval, dat zich bij u voordoet, kan ik hier niet maken, bij onbekendheid met personen en toestanden.

Zelfs begrijp ik niet goed, dat de kerkeraad, den candidaat natuurlijk zeer goed kennende, ook in zijne persoonlijkheid, hem eerst stelde en nu achterna toch juist op dien grond bezwaren heeft.

In ieder geval zal zijn beslissing moeten geleid worden door de

|175|

overweging, wat in dezen het meest recht en billijk is, en wat het meest strekt tot bevordering van de stichting der gemeente en van de eer van den Naam des Heeren.

 

(1911.)

70. Ge vraagt mij, of, wanneer tegen een beroepen ouderling of diaken bezwaren zijn ingebracht en die bezwaren door den kerkeraad niet zijn weggenomen, de bevestiging kan doorgaan, voordat de Classe daaromtrent een besluit heeft genomen (waarbij natuurlijk ondersteld wordt, dat de klagende op de Classe geappelleerd heeft, daar anders vanzelf spreekt, dat de bevestiging moet doorgaan).

Ge schrijft mij erbij, dat zulk een geval zich in uwe gemeente niet voordoet, en dat ge de vraag doet, geheel in het algemeen.

Maar juist daarom is er niet met enkele woorden op te antwoorden, daar hier soms allerlei gevallen te onderscheiden zijn.

Natuurlijk kan het nooit de vraag zijn, of de bezwaren van een klager bij hem zijn weggenomen, maar alleenlijk of die bezwaren van zulk een aard zijn, dat zij iemand ongeschikt zouden maken om als ouderling of diaken te dienen, zoodat b.v. bezwaren van persoonlijken aard daarbij niet kunnen gelden.

En dan kunnen er verder ook allerlei „gezochte” bezwaren worden ingebracht, waarbij voor bijna ieder duidelijk is, dat zij geen reden kunnen geven om een bevestiging te vertragen, misschien wel voor geruimen tijd; daar anders, vooral in groote gemeenten, zooals b.v. Amsterdam, één enkele kwaadwillige het in zijn macht zou hebben, het kerkelijk leven voortdurend in de war te brengen.

In den regel zal zeker, wanneer bezwaren worden ingebracht tegen iemands optreden als ouderling of diaken, en die bezwaren van ernstigen aard zijn, bij een beroep op de Classe het oordeel van deze meerdere vergadering ter afdoening van de zaak zijn af te wachten; maar op dien regel kunnen allerlei uitzonderingen zijn. En daar ge mij geen bepaald geval voorstelt, maar geheel in het algemeen de vraag doet, kan ik er ook niet volledig en

|176|

beslist op antwoorden. Bovendien zal in den regel wel gelden, dat, wanneer een kerkeraad de bezwaren niet afdoende vindt, de bezwaren dan wel niet van ernstigen aard zullen zijn; en dan zou ik een klager doorgaans zeer afraden, ermede naar de Classe te gaan. Dat heeft dan meestal den schijn, alsof het meer te doen is om gelijk te krijgen of om een ander te krenken, dan om de stichting, den vrede en de orde van de gemeente.

Rutgers, F.L. (1921) 46

46. Moeten herkozen kerkeraadsleden opnieuw bevestigd worden?

 

(1898.)

71. In vroeger eeuwen was bij onze Geref. kerken herkiezing van ouderlingen en diakenen zeer zeldzaam, en kon dus de quaestie van vernieuwde bevestiging slechts zelden voorkomen. Indien er herkiezing plaats had, was het gewoonte, den herkozene te bevestigen.

En dit ligt ook in den aard der zaak, daar de bevestiging niet anders is, dan de openlijke stipulatie tusschen de roepende kerk en den geroepene, met betrekking tot den hem opgedragen dienst.

Die stipulatie wordt bij een predikant voor een bepaalde plaats aangegeven, en houdt dus op te werken, wanneer de predikant van plaats verandert, ofschoon de dienst overigens dezelfde blijft. Dus moet bij verwisseling van standplaats vernieuwde stipulatie voor de nieuwe standplaats, d.i. bevestiging, plaats hebben.

Bij ouderlingen en diakenen is de stipulatie voor een bepaalden tijd (den tijd, waarvoor zij benoemd worden), en houdt dus op te werken, als die tijd verstreken is. Dus bij vernieuwden diensttijd is vernieuwde stipulatie voor den nieuwen diensttijd, d.i. bevestiging, noodig.

Evenals ook b.v. herkozen leden van de Tweede Kamer en andere functionarissen bij herkiezing opnieuw beëedigd worden. 

De meening, alsof herkozen ouderlingen en diakenen niet weêr zouden te bevestigen zijn heeft eigenlijk haren grond in eene miskenning of verkeerde opvatting van de kerkelijke ambten of diensten, en in de daaruit voortvloeiende dwaling, dat de „bevestiging” een soort van „ordening” of „wijding” zou zijn, die

|177|

aan den persoon iets mededeelt en dan ook als het ware hem aankleeft. Dat is de Roomsche, en ook Episcopaalsche en Luthersche beschouwing. En van dien zuurdeesem is er ook wel iets in Geref. kerken. Waarbij misschien komt, dat volgens sommigen de dienst van de ouderlingen en diakenen steeds voor het leven moest zijn.

Waar nu te dien aanzien dwalingen zijn, moeten zij door samenspreking en onderwijzing worden bestreden. En inmiddels kan het soms geraden zijn, een misstand tijdelijk nog te laten bestaan. Hier in Amsterdam heeft de kerkeraad, bij herkiezing van ouderlingen en diakenen, om des vredes wille nog vrijgelaten, of zij, al dan niet, zullen bevestigd worden; zoodat de een weer bevestigd wordt, en de ander niet.

Die niet-bevestigden dienen dan toch, zonder bevestiging (daar de eerste bevestiging na afloop van den diensttijd geenerlei werking meer heeft); ’t geen wel eenigszins abnormaal is; maar toch den dienst niet onwettig maakt. Dit is altijd beter, dan over deze quaestie een gemeente, die er nog niet genoeg van op de hoogte is, te verdeelen en in beroering te brengen.

 

(1901.)

72. De zoogenaamde „bevestiging” van predikanten, ouderlingen en diakenen is niet anders dan de openbare handeling, waarbij zij den dienst, waartoe zij geroepen zijn, aanvaarden, door zich plechtig te verbinden tot het daaraan verbondene werk, ’t welk hun vooraf is herinnerd.

Hieruit volgt, dat die bevestiging slechts werking heeft voor zoolang die dienst duurt; dus bij predikanten voor zoolang zij bij dezelfde kerk blijven (aangezien zij voor eene bepaalde kerk geroepen worden), en bij ouderlingen en diakenen voor de 2 (of 3 of 4) jaren, voor welke zij geroepen werden. Zoodat de bevestiging te herhalen is, bij predikanten, wanneer zij in eene andere kerk hun dienst continueeren, en bij ouderlingen en diakenen, wanneer zij na volbrachten diensttijd voor een nieuwen diensttijd gecontinueerd worden.

|178|

Intusschen is die „bevestiging” niet de hoofdzaak. Bij alle die kerkelijke diensten is de roeping de zaak waar het om te doen is; en desnoods zou die ook zonder „bevestiging” kunnen aanvaard worden, zoodat de daarbij plaatshebbende stipulatie of verbintenis door briefwisseling tusschen den kerkeraad en den geroepene werd afgedaan, of zelfs mondeling door private vraag en antwoord. Dat zou wel in strijd zijn met de Kerkenordening en de usantie (het gebruik), maar toch op zichzelf nog geen vrijheid geven aan gemeenteleden om de roeping ook niet te erkennen. ’t Geen dan echter niet slechts geldt voor een tweede of derde roeping, maar natuurlijk ook voor de eerste; want alle die roepingen (bij predikanten zijn het er wel eens vele) staan in beteekenis gelijk; en wie meent dat de tweede of derde geen bevestiging noodig heeft, moest dit eigenlijk van de eerste ook stellen.

Gij ziet dus, dat ik het met u eens ben, in zoover ook ik het noodig of althans raadzaam acht, dat herkozen ouderlingen en diakenen opnieuw bevestigd worden. Immers, zij moeten in het midden der gemeente hun dienst (die om was, en waartoe zij nu opnieuw geroepen werden) aanvaarden. Ook die tweede aanvaarding mag niet onderhands tusschen hen en den kerkeraad worden afgedaan, maar, evenals de eerste, voor de gemeente.

Evenwel, ook wanneer dit niet geschiedt, hebben zij toch even goed hunne roeping, en is de gemeente, hiervan kennis hebbende, verplicht hen als ouderlingen en diakenen te erkennen. Dat zou anders zijn, wanneer (naar Roomsche en andere opvatting) de bevestiging eenigszins een sacrament was of eenige ambtelijke genade mededeelde. Maar dat kan een Gereformeerde niet gelooven. En dus, bij uitblijven der bevestiging ontbreekt er iets aan de manier waarop de dienst aanvaard is; maar de roeping tot dien dienst is toch evengoed te erkennen, en het ontbrekende is ook niet eene zaak van het hoogste belang. Er zijn meermalen predikanten in onze kerken zonder bevestiging in hun ambt gegaan (b.v. Voetius in de 17e eeuw te Heusden); en toch zijn zij toen terecht door ieder in hun ambt erkend.

Hier in Amsterdam hebben wij, omdat er over de bevestiging van herkozen ouderlingen en diakenen tweeërlei meening was, die bevestiging aan ieders keuze gelaten, en de meesten worden nu

|179|

bij vernieuwing bevestigd; maar de anderen worden toch even goed erkend.

Zulke erkenning is dus zeer zeker ook uwe roeping. En allerminst moogt ge om zulke quaestie aan den dienst van Woord en Sacramenten u onttrekken. Dat is, om deze quaestie, voor zoover ik weet, nog nooit en door niemand gedaan. Daarvoor is het punt ook niet eens belangrijk genoeg.

 

(1905.)

73. In onze kerken worden ouderlingen en diakenen voor een bepaalden diensttijd gekozen (2, 3 of 4 jaren); maar dat wil niet zeggen, dat die diensttijd dan altijd precies na 2, 3 of 4 jaren om is, op dag en datum. Hier in Amsterdam geschiedt de aftreding en optreding van ouderlingen en diakenen op den laatsten Zondag van Februari, dus nooit precies op een zelfden datum; zoodat de jaren van sommigen langer zijn dan 365 dagen, en die van anderen korter. Er zijn natuurlijk altijd dienstjaren mee bedoeld, d.i. perioden die verloopen tusschen twee tijden van periodieke aftreding. En voorts kan het dan ook nog licht gebeuren, dat door allerlei omstandigheden (bezwaren van een benoemde, enz.) de opvolger van een benoemde nog niet kan optreden, terwijl toch de plaats niet onvervuld kan blijven; en dan vraagt de kerkeraad natuurlijk den aftredende om nog eenige dagen of weken te willen blijven fungeeren, totdat er een opvolger is. Dat is dus eigenlijk verlenging van den diensttijd (altijd slechts voor korten tijd); en daarvoor is natuurlijk nooit verkiezing, bevestiging enz. noodig.

Maar wanneer iemand, wiens diensttijd (voor welken hij benoemd was en bij de bevestiging zich verbonden had) verstreken is, herkozen wordt voor een nieuwen diensttijd, dan is dat eigenlijk geen verlenging van zijn vroegeren diensttijd, maar de aanvaarding van een nieuwen diensttijd, waarom wel degelijk benoeming noodig is, en ook aanvaarding van die benoeming.

Dit nu kan ook wel geschieden (bij herbenoeming en bij eerste benoeming beide) binnenskamers of door briefwisseling tusschen

|180|

kerkeraad en herbenoemde. Een principieele eisch is die bevestiging niet; ook niet bij een nieuwbenoemde, of zelfs bij een in dienst tredend predikant; zoodat de functie, waaraan bevestiging ontbreekt, onwettig zou zijn in zichzelve. Maar onze kerken hebben de bevestiging voor de gemeente toch terecht voorgeschreven, omdat kerkedienaars in en voor de gemeente hun ambt hebben uit te oefenen, en dus de aanvaarding van hun dienst niet te behandelen is alsof het een particuliere zaak was tusschen kerkeraad en benoemde. Dat geldt voor de eerste indiensttreding; maar ook voor de latere voortzetting indien de eerste verbintenis is afgeloopen, hetzij door verandering van plaats, waarvoor men benoemd was (bij een predikant) of door het verstrijken van den tijd, waarvoor men benoemd was (bij een ouderling of diaken).

Oudtijds (16e, 17e en 18e eeuw) kon er dan weinig quaestie zijn over bevestiging, omdat ouderlingen en diakenen bijna nooit terstond herkozen werden. Thans is dit vaak anders. En dan ligt m.i. bevestiging voor de gemeente, ook bij herkozenen, in den aard der zaak, aangezien de vroeger aangegane stipulatie slechts voor een bepaalden tijd gold.

Intusschen, in de voormalige Christelijk Geref. kerk werd daarover wel eens anders gedacht; zij het ook, misschien, als gevolg van een verkeerde opvatting van de beteekenis der bevestiging. En als er nu ergens bezwaren tegen gemaakt werden, zou ik van de zaak nooit een geschilpunt maken. Hier in Amsterdam hebben wij bij de plaatselijke ineensmelting in 1897 de zaak facultatief gesteld, zoodat een herkozene, die geen bevestiging wenscht, daartoe niet verplicht wordt.

 

(1909.)

74. De Gereformeerde kerken hebben van ouds als regel gesteld, dat de ouderlingen benoemd worden voor een bepaalden diensttijd (2 of 3 of 4 jaren), en dan bij aftreding niet aanstonds herkiesbaar zijn; om allerlei redenen; b.v. om dan in dien diensttijd des te meer van hun moeite en hun tijd te kunnen vorderen; om uit de gemeente zooveel mogelijk alle geschikte leden in dien dienst te

|181|

doen optreden; om alle hierarchie, clericalisme en regeering van weinigen zooveel mogelijk te weren, enz. Maar die regel werd toen niet gesteld, zonder dat uitzonderingen werden toegelaten, b.v. wanneer eens een ouderling bizonder geschikt was, en vooral wanneer er in een gemeente gebrek was aan geschikte personen om de aftredenden te vervangen. En in zulke gevallen werd en wordt dan herkiezing toegelaten; ’t geen in onzen tijd zelfs in een aantal kerken vrij gewoon is geworden.

Maar natuurlijk moet zulke herkiezing dan ook wettiglijk geschieden. Dus, door den kerkeraad, en met medewerking der gemeente; welke medewerking dan in plaatsen, waar de kerkeraad een dubbelgetal aan de gemeente voorstelt, (gelijk in verre de meeste kerken gebruikelijk is), aldus geschieden moet, dat ook de aftredende op het dubbelgetal geplaatst wordt, nevens de anderen, die de kerkeraad daarvoor stelt. En natuurlijk moet dit dan bij allen door een stemming geschieden, omdat alleen daaruit blijken kan, wie de kerkeraad op het dubbelgetal wenscht te plaatsen. Vanzelf, uit eigen waardigheid, kan niemand geacht worden daarop reeds te moeten voorkomen, daar zulks geheel willekeurig zijn zou, en ook moeilijk te constateeren zonder stemming. Wie bijzonder waardig, en bijna onmisbaar wordt geacht, zal dan bij die stemming ook wel alle of bijna alle stemmen krijgen. Maar niemand kan verlangen, dat men zonder stemming dit reeds constateert; en allerminst kan iemand verlangen, dat hij reeds op het dubbelgetal moet gesteld worden, enkel omdat hij zijn ambt zoo vervuld heeft, dat niemand bezwaar tegen hem inbrengt; dan toch zouden wel bijna altijd de aftredenden daarop recht hebben. Men kan den ouden, en nog altijd geldenden, regel, (die ook in onze Kerkenordening staat) toch niet eenvoudig omkeeren, en stellen, dat het „van zelf spreekt”, dat iemand, die onbesproken gediend heeft, ter herkiezing moet worden voorgesteld. Eerder zou „van zelf spreken”, dat de zoodanige niet weder werd voorgesteld, tenzij in bijzondere gevallen.

En wanneer een aftredende dan herkozen wordt, moet hij zonder twijfel weer verklaren, dat hij voor een nieuwen diensttijd de benoeming aanneemt en zich met de noodige stipulatie daartoe verbindt. Of, met andere woorden, hij moet voor dien nieuwen

|182|

diensttijd weer „bevestigd” worden, want zulke „bevestiging” is niets anders dan de openlijke verbintenis voor dien nieuwen diensttijd. In Geref. kerken toch wil men niets weten van de Roomsche (en gedeeltelijk ook Luthersche) opvatting, volgens welke de „bevestiging” een soort van „ordening” is, een soort van „wijding”, die levenslang aan een persoon zou aankleven. ’t Is alleen de verbintenis met de gemeente, over en weer, door stipulatie in de beantwoording van vragen. Bij een predikant wordt dit dan herhaald, als hij op een andere plaats zijn dienst gaat voortzetten; en bij een ouderling, als hij voor een anderen, nieuwen, diensttijd weer zich verbindt.

Er zijn zeker kerken, waar men, uit misvatting van de beteekenis der bevestiging, de bevestiging, bij ouderlingen, (niet bij predikanten) niet herhaalt. En daarover moet men zeker niet te veel quaestie maken: ’t is geen hoofdpunt. Maar goed is het toch niet; ook niet, omdat de herkozene zich dan toch zeker wel voor den kerkeraad te verklaren heeft; en waarom dan de gemeente hier buiten gelaten?

Rutgers, F.L. (1921) 47

47. Wat te doen, indien de predikant met een deel van den kerkeraad, tegen advies der Classe in, een gekozen ouderling weigert te bevestigen?

 

(1908.)

75. Inzake het bezwaarschrift van Ds. A c.s. tegen het optreden als ouderling te X van den daartoe gekozen B. heeft de classis Y m.i. terecht geoordeeld, dat dit protest ongegrond was, en dat B. dus thans als ouderling moet bevestigd worden, terwijl zij tevens uitsprak, dat de twee kerkeraadsleden, die in januari moesten aftreden, nog in functie zouden blijven, totdat zij door de nieuw gekozenen zouden vervangen worden: een kleine verlenging van diensttijd, die in zulke gevallen niet alleen geoorloofd, maar ook alleszins wenschelijk is, en die ook door de oude usantie reeds lang is aanbevolen.

Nu schrijft ge me, dat Ds. A (met nog twee kerkeraadsleden) zich aan geen der drie punten van die uitspraak der Classe wil

|183|

onderwerpen, en wil appelleeren op de particuliere en eventueel op de Generale Synode, terwijl hij inmiddels het besluit der Classe onuitgevoerd wil laten; ook bet besluit, dat de twee kerkeraadsleden, die in januari moesten aftreden, in functie zouden blijven tot aan de bevestiging hunner opvolgers. En nu doet ge mij te dien aanzien drie vragen:

a. Of die 2 leden het recht hebben zoo lang nog in functie te blijven? Ik antwoord dat zij, na het besluit, dat de Classe te dien aanzien nam, daartoe niet alleen gerechtigd, maar ook geroepen en verplicht zijn. Regel is steeds, dat de aftreding na volbrachten diensttijd gepaard gaat met de optreding der opvolgers, en dat, ingeval die optreding om de eene of andere reden nog niet geschiedt, de aftredende nog tijdelijk in functie blijft; en die regel heeft zijn grond hierin, dat anders de arbeid te veel schade lijdt, en de regeering der kerk bij te weinig personen komt; althans in de kleinere, dat is, in verre de meeste kerken; zoodat voor deze de regel dus bijna altijd te volgen is (’t geen in groote gemeenten natuurlijk minder noodig is). En dan zijn er zeker gevallen, waarin men te dien aanzien in twijfel kan zijn; maar alsdan beoordeelt de Classe, wat in het concrete geval noodig of nuttig of wenschelijk is; en aan dat oordeel heeft men zich te onderwerpen; beroep op de Synode zou hier de uitvoering niet kunnen hinderen, daar anders een enkele onwillige of kwalijkgezinde eene geheele gemeente zou kunnen verwoesten, eenvoudig door bezwaar te maken tegen elke verkiezing (al was ’t op de nietigste gronden) en dan te protesteeren tegen alle in dienst blijven van aftredenden; met vrijheid voor zichzelven, om te appelleeren op de Generale Synode, die misschien pas over drie jaren zou vergaderen. En ook daarna zou zulk een onwillige dan tegen nieuwe verkiezingen hetzelfde kunnen doen. Zoodat b.v. een kerk als die van Amsterdam, dan, door slechts één onwillig lid, jarenlang zonder ouderlingen en diakenen zou kunnen zijn! Dat gaat niet aan; en daarom was reeds de oude regel, dat in zulke gevallen het besluit der Classe, ook al wordt daarvan geappelleerd, ook moet worden uitgevoerd, en van kracht blijft, tot het (bijna ondenkbaar) geschiedt, dat de Synode het besluit verkeerd zou achten. Dit geldt natuurlijk ook van het besluit der C!asse, om een protest tegen de benoeming van

|184|

een ouderling of diaken, dat door den kerkeraad niet was aangenomen en dat bij de Classe kwam, ongegrond te verklaren, en dan tevens te besluiten dat de bevestiging moet doorgaan. Dit moet dan ook worden uitgevoerd, ook al wordt er geappelleerd op particuliere en Generale Synode, op wier decisie dan niet kan gewacht worden. De Classe zal wel zulk een besluit niet nemen zonder goeden grond, en er niet toe overgaan, wanneer soms niet wenschelijk is, dat de bevestiging toch doorga, maar alsdan de aftredenden verzoeken desnoods nog een langen tijd in functie te blijven. In X schijnt echter geenerlei reden te zijn, om de quaestie lang te laten hangen. Veeleer het tegendeel.

b. Of over het blijven dienen van die twee in den kerkeraad moet of mag gestemd worden? Ik antwoord, dat het zeker behoorlijk zou zijn, indien de kerkeraad van X nu besloot, aan de beslissing der Classe te voldoen; maar dat de kerkeraad geen vrijheid heeft om te stemmen, in zulk een zin, dat hij de uitvoering van het besluit der Classe ook zou mogen afstemmen. Daarvoor juist komt zulk een geschil (tusschen de 2 aftredenden met 2 aanblijvenden eenerzijds, en 3 aanblijvenden anderzijds) in de Classe, opdat deze onderzoeke en dan uitspraak doe, krachtens kerkverband en kerkenordening.

c. Wat moet de Classe doen, als Ds. A c.s. weigert aan de beslissing der Classe te voldoen, doordat hij de 2 bedoelde kerkeraadsleden niet ter vergadering oproept en toelaat? Ik antwoord, dat natuurlijk eerst moet beproefd worden, hem van het verkeerde van zulk een gedrag te overtuigen. Maar indien niets baatte, dan zie ik geen anderen uitweg, dan dat een buitengewone Classe (ad hoc) Ds. A tijdelijk schorse wegens onwilligheid om zich aan de kerkelijke orde te onderwerpen, en dan tevens besluite, de bevestiging der 2 benoemde B.B. op den volgenden Zondag te X te doen plaats hebben, door den Dienaar des Woords. dien de Classe daartoe aanwijst. Daarna behoeft de schorsing natuurlijk niet voort te duren. Tenzij onverhoopt Ds. A dan mocht weigeren de aldus bevestigden in hun dienst te erkennen. Maar dit is wel niet waarschijnlijk.

En ook houd ik niet voor waarschijnlijk, dat Ds. A het tot het uiterste zal laten komen.

|185|

Als hem wordt voorgehouden, hoe hij, door volharding in zijn verzet, de Classe zou dwingen, om der wille van de gemeente, kras tegen hem op te treden, en hoe hij daardoor niet alleen zijn eigen naam in oneere brengen zou, maar ook oorzaak zijn zou, dat de Naam des Heeren bij de wereld gelasterd werd; hoe hij daardoor onrust en verwarring in de gemeente voor langen tijd zou bestendigen, en haar in geestelijk opzicht grootelijks schaden zou; hoe hij zijn eigen verderen arbeid daardoor bij velen, misschien wel bij de meesten, veelszins onvruchtbaar zou maken, enz., dan vertrouw ik, dat hij, ofschoon vasthoudende aan zijn eigen beschouwing van zaken en personen (’t geen hem natuurlijk geheel vrij staat) toch wel zou te bewegen zijn, zich naar de uitspraak der Classe te voegen, en niet zichzelven daarboven te stellen.

Zelf kan ik hem daarover niet schrijven; daar hij mij niet geraadpleegd heeft, en ik nooit ongevraagde adviezen geef. Ik heb er bijna dagelijks toch al zooveel te geven, op vragen; en dan zou ik den schijn krijgen van mij met alles te willen bemoeien, als ik ook nog ongevraagd mijn advies gaf; terwijl bovendien een ongevraagd advies maar zelden in goede aarde valt. Maar gij zelf (of een der Classe B.B.) hebt alleszins aanleiding om te beproeven op Ds. A te werken. En hartelijk hoop ik, dat hij zal te overtuigen zijn.

Zooals ge aan mijn schrift wel zult gemerkt hebben, schrijf ik in haast. Ik hoop: nog leesbaar genoeg.

Moge de wijsheid, die van boven is, u en de Classe in deze zaak blijven leiden.

Rutgers, F.L. (1921) 48

48. Wanneer in een plaats, waar nog geen Gereformeerde kerk is, door een genabuurde kerk voor de Gereformeerden in die plaats een evangelisatie wordt opgericht, dragen dan de bijeenkomsten aldaar gehouden een kerkelijk karakter?

 

(1912.)

76. Met de plaatselijke gesteldheid en de plaatselijke toestanden van de kerk van X, met het thans daartoe behoorende Y, ben ik niet genoeg bekend, om op uwe vragen een volledig en beslist

|186|

antwoord te kunnen geven. Ook zou ik, ten aanzien van uwe bezwaren tegen besluiten van den kerkeraad, de beweegredenen van dien kerkeraad moeten kennen, om daarover goed te kunnen oordeelen. Ik moet mij hier dus bepalen tot eenige algemeene opmerkingen.

Ik ga daarbij uit van de onderstelling, dat (gelijk mij door u wordt medegedeeld) „de grenzen van Y verleden jaar door kerkeraad en Classe zijn afgebakend, om op zelfstandigheid (nl. van Y) aan te sturen”, en dat te dien einde door kerkeraad en Classe aldaar eene evangelisatie is opgericht, door welke, onder leiding van u als „oefenaar”, ’s Zondags samenkomsten gehouden worden, gecatechiseerd wordt, enz.

Zulke arbeid is natuurlijk noodig, om het voorgestelde doel, nl. zelfstandige kerkformatie van Y, te bereiken; aangezien alleen daardoor de aldaar wonende Gereformeerden zich kunnen aaneensluiten, een middelpunt van kerkelijke vereeniging hebben, in hun kerkelijk besef versterkt worden, zoodat zij „evangelisatie” niet meer voldoende achten, en voorts te beter gelegenheid hebben hunnen kring uit te breiden doordat zij „Hervormden”, ongeloovigen, enz. tot hunne samenkomsten zoeken te trekken.

Daarbij ligt het dan op den weg van den kerkeraad, om dien arbeid te steunen en voort te helpen, niet alleen door eene geldelijke toelage en door kerkelijke machtiging van den „oefenaar”, maar ook doordat hij aan de Zondagsche samenkomsten zooveel mogelijk een kerkelijk karakter geeft. Hiertoe is dan de gewone en ook zeker de beste weg, dat hij in de te bewerken buurt enkele geschikte leden tot ouderling en diaken beroept (die dan natuurlijk tijdelijk geheel tot den kerkeraad van X behooren, maar hun speciale „wijk” hebben in Y); — dat hij de aldaar te houden Zondagsche samenkomsten beschouwt en behandelt als „samenkomsten der gemeente” (die dus in twee gebouwen gehouden worden, te X en te Y), zij het ook, dat in Y dan tijdelijk doorgaans door een oefenaar een stichtelijk woord gesproken wordt (’t geen in zulk een geval doeltreffender is dan een „leesdienst”); — dat hij in overleg met den predikant de diensten zóó regelt, dat deze, b.v. eenmaal per maand, een dienst in Y vervult, ook tot bediening van Doop en Avondmaal; en dergelijke maatregelen meer.

|187|

Daarmede zou nu zeker geheel in strijd zijn, dat de kerkeraad van al die kerkelijke middelen niets ter hand nam, en zelfs de samenbinding der leden te Y en de uitbreiding van hun kring belemmerde, doordat hij er bij die leden op aandrong, dat zij niet te Y maar te X zouden kerken; ’t geen zeker niet behoeft, wanneer aan de samenkomsten te Y zelf een „kerkelijk karakter” gegeven wordt voor zooveel de omstandigheden aldaar toelaten en met doel om aldaar tot eigen kerkformatie te komen.

Daarom begrijp ik ook niet goed, wat u mij mededeelt over kerkeraadsbesluiten van zulk eene strekking. En te dien aanzien kan ik dus slechts zeggen, dat leden, die te Y wonen, en die bezwaard zijn door hetgeen de kerkeraad van X doet of niet doet, met die bezwaren zich tot den kerkeraad moeten wenden, en indien zij niet kunnen weggenomen worden, zich moeten wenden tot de Classe, die dan de zaken kan onderzoeken en beoordeelen; waarvoor dan misschien ook goed is, dat de bedoelde leden zich eerst nog wenden tot de Classicale kerkvisitatoren.

Rutgers, F.L. (1921) 49

49. Kunnen Gereformeerde belijders „inwonende” bij eene genabuurde Gereformeerde kerk, omdat in hunne woonplaats nog geen Gereformeerde kerk is, eigen opzieners hebben? Hoe worden deze dan gekozen?

 

(1909.)

77. De Geref. belijders te X, die door de Classe onder de zorg en het opzicht van den kerkeraad te Y geplaatst zijn (of, gelijk ge het uitdrukt, bij die kerk „inwonen”) zijn daardoor, tijdelijk, leden van de Geref. kerk te Y, gerechtigd tot den aldaar geïnstitueerden dienst des Woords en der Sacramenten, aldaar stemgerechtigd bij alle kerkelijke verkiezingen, aldaar benoembaar tot ouderling en diaken, in één woord, geheel gelijkstaande met de leden, die te Y zelf woonachtig zijn.

Intusschen worden zij door den Y-schen kerkeraad als leden geboekt in een afzonderlijk X-sch lidmatenboek, met het oog op eene latere eigen institueering der Geref. kerk te X, waarop altijd moet worden aangewerkt.

|188|

Daarom is het dan ook altijd zaak, om, zoodra er in X één of meer leden zijn, die voor ouderling of diaken zouden geschikt zijn, deze leden daartoe te benoemen, waarna dan door den kerkeraad het ressort van X hun wordt aangewezen als hun terrein van werkzaamheid, om 't zoo eens uit te drukken, als hun „kerkelijke wijk". Natuurlijk staan die ambtsdragers dan geheel gelijk met de te Y wonende ouderlingen en diakenen, zijn even goed lid van den Y-schen kerkeraad, enz. Alleenlijk kan dan, zoo de afstand nog al groot is, aan hen door den kerkeraad dispensatie gegeven worden voor het bijwonen der kerkeraadsvergaderingen, tenzij er X-sche zaken te behandelen zijn (zaken van opzicht en tucht, regeling van Zondagsbijeenkomsten enz. te X, middelen om aldaar de Geref. kerk weer tot openbaring te brengen, enz.).

Maar uit dit alles volgt nu ook, dat zulk een ouderling of diaken moet benoemd en bevestigd worden, geheel op dezelfde manier als zij, die te Y wonen. Het zou niet aangaan, dat men deze ouderlingen en diakenen bij uitzondering zóó benoemde, dat alleenlijk de leden van de X-sche kerkwijk uit een aangeboden dubbelgetal de gewenschte personen aan den kerkeraad ter benoeming aanwezen. Tenzij dan, dat men iets dergelijks tot een algemeenen regel maakte, zoodat ook de onderscheidene kerkwijken van Y zelf, elk voor zich, uit een voor iedere wijk gemaakt dubbel getal, zulke aanwijzing deden; nadat eerst, voordat de kerkeraad zulke dubbelgetallen voor elke wijk maakt, elke wijk gelegenheid gehad heeft, daarvoor namen op te geven aan den kerkeraad.

Voor ’t overige kan het bezwaar, dat men in Y niet weet, wie voor X het meest geschikt en gewenscht zijn, gemakkelijk op andere wijze ondervangen worden; daargelaten nog, dat het aantal personen, die voor ouderling geschikt zijn (en, zoo noodig, voor diaken) onder de, misschien niet meer dan 20 of 30, mansleden van X wel niet zóó groot zal zijn, dat de overvloed de keuze moeilijk maakt. Denkelijk zullen er in den kerkeraad wel eenigen zijn, die ze kennen, daar toch X reeds eenigen tijd onder Y's zorg en opzicht stond. En dan kan de kerkeraad wel een paar zijner leden naar X laten gaan (b.v. den predikant, met een daar bekend ouderling) om aldaar eene samenkomst te houden met alle, natuurlijk vooraf persoonlijk uitgenoodigde, mansleden, van wie men dan

|189|

vernemen kan, wie door deze mansleden voor het dubbelgetal geschikt geacht en gewenscht worden. Desnoods zouden zij schriftelijk, door het opteekenen van één of meer namen aan de kerkeraadscommissie kunnen mededeelen (zonder dat dit het karakter of de beteekenis van een formeele „stemming” heeft). En de kerkeraad zou dan, voor die benoemingen, die speciaal voor X gelden, telkens (nu en later) een specialen dag kunnen stellen (d.w.z. zonder dat die benoeming gecombineerd wordt met de benoeming van allen die te Y dienst doen). Wie ze dan in Y niet kent, kan bij die stemming thuis blijven. En in ieder geval zullen de X-ers zelven dan wèl stemmen; waartoe voor hun gemak een tweede stembus, onder contrôle van den kerkeraad, in X zelf kan staan.

 

(1910.)

79. Zoolang X onder het toezicht staat van den kerkeraad van Y, en dus kerkelijk daaraan verbonden is, behooren de te X wonende Gereformeerden tijdelijk tot de kerk van Y, zoodat zij kerkelijk geheel gelijk staan met de leden, die te Y zelf wonen, en dus natuurlijk aldaar ook volle kerkelijke rechten hebben, om het even of zij daarvan gebruik maken, al dan niet. Alleenlijk moeten zij te Y in een afzonderlijk lidmatenboek of register te boek staan, als leden der kerk van Y, „die te X wonen”, en moet de kerkeraad van Y er steeds op werken, dat men te X, zoodra het daar mogelijk is, weer een zelfstandige Gereformeerde kerkformatie krijgt, waartoe dan de leden, die op het afzonderlijk register voor X vermeld staan, vanzelf behooren.

Voor zoodanig doel is nu ook zeer bevorderlijk en zelfs noodig, dat de kerkeraad van Y zorge, dat er, zoo mogelijk elken Zondag, eene samenkomst der gemeente is te X, zoodat de kerk van Y (gelijk zij nu nog geconstitueerd is), alsdan twee plaatsen van samenkomst voor zijne gemeente openstelt, ééne te Y zelf en ééne te X. Daardoor heeft men dan te X een vereenigingspunt, en een middel tot uitbreiding van het nog kleine aantal Gereformeerden.

En niet minder dienstig, ja noodig, is het, dat de kerk van Y, zoo er te X geschikte personen zijn, ook aldaar één of meer

|190|

ouderlingen en diakenen heeft. Die zijn dan natuurlijk leden van den kerkeraad te Y, met precies dezelfde rechten als de andere leden. Alleenlijk zou dan raadzaam zijn, vanwege den grooten afstand, zulk een te X wonenden ouderling of diaken niet te verplichten tot het bijwonen van elke kerkeraadsvergadering; terwijl anderzijds de Yer kerkeraad dan over zaken, waarin X, of de aldaar wonende leden betrokken zijn, niet handelt buiten tegenwoordigheid van den te X wonenden ouderling of diaken. Aan dezen toch is dan X bepaaldelijk toevertrouwd als de „wijk van Y”, waarvoor hij speciaal is aangewezen.

Zoo kan men dan bij uitbreiding van het ledental te X, geleidelijk komen tot een zelfstandige kerkformatie aldaar. Ik kan niet zien, welke „kerkrechtelijke” moeielijkheid zich hier voordoet of zou kunnen voordoen.

Rutgers, F.L. (1921) 50

50. Kan iemand, die verhuist naar een andere plaats, lid blijven van zijne vroegere kerk of daar, zij het tijdelijk, een ambt blijven bekleeden?

 

(1907.)

79. Voor het overige zijn uwe vragen gemakkelijk te beantwoorden.

Immers, de quaestie is niet, of de door u bedoelde broeder goed deed, toen hij, ofschoon wonende binnen het ressort van de geïnstitueerde kerk van X, toch als lid tot Y bleef behooren; zelfs dreigende, dat hij, indien zulks hem niet werd toegestaan, zich aan de gemeenschap der Geref. kerk wilde onttrekken. Zulke dreiging was zeer zeker eene zeer ernstige verkeerdheid, maar juist daarom waarschijnlijk hem slechts onbedachtelijk ontvallen, zoodat hij, indien het eens zoover gekomen was, zich niet aan de groote zonde van scheiding en scheuring, om het niet voldoen aan een zuiver persoonlijk verlangen, zou hebben schuldig gemaakt. Maar dat daar gelaten, had hij m.i. aan de kerkelijke beslissing in zake X zich moeten onderwerpen, en zou hij goed doen, wanneer hij zulks alsnog deed.

Dat is echter thans niet de quaestie; en het zou denkelijk zelfs niet goed zijn, daarop thans weer terug te komen. Hem is nu

|191|

eenmaal vergund lid van de gemeente van Y te blijven, voor zijn eigen persoon.

Welnu, als zoodanig is hij dan ook, precies even goed als ieder ander lid der kerk van Y benoembaar tot ouderling van die kerk. Ik zou niet den minsten grond weten, waarop hem die bevoegdheid zou kunnen ontzegd worden; zelfs geen schijn van grond zou daarvoor zijn aan te voeren. Met het volste recht kon hij door den kerkeraad op het grostal, en daarna op het dubbelgetal geplaatst worden, en toen hij daarop door de gemeente werd aangewezen, mocht en moest hij zonder eenigen twijfel door den kerkeraad benoemd en vervolgens in den dienst bevestigd worden. Er kan hier geen quaestie zijn van onwettigheid, en ook niet de minste reden, om er bij hem op aan te dringen, dat hij zich nu aan zijn dienst zou onttrekken, ten minste wanneer de afstand, waarop hij van Y afwoont, voor hemzelven en voor zijn dienst geen te groot bezwaar is.

Hier in Amsterdam heeft onze kerk ook zulk een ouderling, die bij de voor tien jaren gemaakte nieuwe grensregeling buiten het ressort der kerk van Amsterdam kwam te vallen, en aan wien ook vergund werd, persoonlijk tot de Amsterdamsche kerk te blijven behooren. Nu reeds tien jaren lang dient bij deze kerk zonder eenig bezwaar.

 

(1913.)

80. Ge vraagt mijn advies, in zake twee gevallen, die zich thans te X voordoen, nl. 1e van een broeder, die lid was van de Geref. kerk te Y en nu verhuisd is naar het ressort der Geref. kerk te X, maar weigert zijne attestatie van Y op te vragen en te X in te dienen, en tot de kerk van Y wil blijven behooren; en 2e van een broeder, die voor 3 maanden te X als diaken in functie trad, maar met 1 Mei naar eene naburige gemeente gaat verhuizen; waarna de kerkeraad van X hem toch gaarne als diaken zou behouden, totdat zijn diensttijd als diaken na 2 jaren om is, of althans nog voor één jaar.

Wat het eerste geval betreft, — dit doet zich herhaaldelijk voor,

|192|

in vele kerken, ook met name in Amsterdam, wanneer leden van de Amsterdamsche kerk verhuizen naar een buitenwijk, die tot eene andere kerk behoort, of naar Watergraafsmeer of Sloterdijk. Maar nooit wordt in zulke gevallen toegestaan, dat zij nog als lid zouden blijven bij de kerk, uit welke zij verhuisden, daar door zulke onordelijkheid de kerk hoe langer hoe minder aan hare roeping zou kunnen voldoen.

Men kan dit op Schriftuurlijken grond aan de menschen ook wel duidelijk maken. B.v. (om slechts iets te noemen), wanneer men hun voorhoudt, dat er naar Gods Woord ouderlingen moeten zijn voor het opzicht over de gemeenteleden, en dat dit alleenlijk mogelijk is, wanneer aan hen een bepaalde kring wordt aangewezen, binnen welken zij (ten aanzien van de aldaar wonende leden) hunne roeping hebben! Het zou zelfs ongerijmd zijn, te stellen, dat zij hun opzienersambt zouden moeten of kunnen uitoefenen buiten dien kring, zonder eenige grensbepaling, of wel met bepaling van de grens door de verhuizende leden zelven. Indien zulke bepaling aan één enkel lid werd toegestaan, zou men het natuurlijk aan anderen niet kunnen en mogen weigeren. En daardoor zou men dan een weg bewandelen, op welken het ouderlingschap hoe langer hoe meer een onmogelijke dienst zou worden, en dus, in menig opzicht en ten aanzien van steeds meerderen, werd ter zijde gesteld of afgeschaft, in lijnrechten strijd met Gods Woord, waarvoor elke Gereformeerde toch buigen moet, al zou het ook strijden met zijn eigen neiging of zin. Met deze, en met andere dergelijke onderwijzing kan men hier de menschen doorgaans wel brengen tot het opvragen en indienen hunner attestatie.

Dit moet ten aanzien van den door u bedoelden broeder dus ook beproefd worden; ook wel door den kerkeraad van Y, maar ook door den kerkeraad van X. Deze laatste kan echter zijn attestatie niet van den kerkeraad van Y opvragen; want de aansluiting bij een kerk kan nooit geschieden buiten het lid om (tenzij dan bij kleine of althans minderjarige kinderen). Dit lid moet bij verhuizing zelf zijne attestatie indienen (al kan en mag de kerkeraad van X dien van Y wel vragen, er toe mede te werken dat die Br. zulks doe).

Als de bedoelde Br. onverhoopt zulks blijft weigeren, dan kan men hem zeker niet dwingen. Maar dan moet hem door den

|193|

kerkeraad (liefst door beide kerkeraden) toch worden duidelijk gemaakt, dat hij door die weigering nu inderdaad tot geene enkele kerk meer behoort: niet tot die van Y, want hij is uit het ressort van die kerk metterwoon verhuisd; en niet tot die van X, want hij heeft zich aldaar nog niet aangemeld en is er nog niet op zijn attestatie als lid aangenomen. Bij voortdurende weigering staat hij dus gelijk met iemand, die zich van de kerk heeft afgescheiden; ’t geen de kerkeraad van Y ook wel zal begrijpen, en te meer zal doen medewerken.

Wat het tweede geval uit uw brief betreft, — hierop is door het bovenstaande eigenlijk ook reeds geantwoord. Wat niet kan worden toegestaan aan een broeder, die uit Y naar X verhuisde, kan moeilijk wèl vergund worden aan een broeder, die uit X naar eene naburige kerk verhuist. Zelfs vrees ik, dat uw kerkeraad, reeds door zulks te wenschen en zoo mogelijk ook te doen, zijne positie en zijne zeggingskracht tegenover den broeder uit Y nog al heeft verzwakt, en sterker zal staan, wanneer hij in beide gevallen denzelfden regel volgt. De omstandigheid, dat de bij dit geval bedoelde broeder diaken is, kan m.i. niet zwaar wegen; want aan het eind van het volgende jaar, of nog van dit jaar, zou men toch een anderen broeder tot diaken moeten kiezen, ’t geen dus thans ook wel zal kunnen. Of anders zou men die diakensplaats nog eenige maanden vacant kunnen laten, terwijl een der kerkeraadsleden (zoo noodig met uw hulp) dan den vacanten arbeid overneme, die in eene kleine gemeente toch niet al te omvangrijk zal zijn. Intusschen ben ik met den toestand en de omstandigheden te weinig bekend, om hier een beslist oordeel te kunnen geven. Er kunnen redenen zijn om van de gestelde orde af te wijken. Maar juist vanwege de gelijktijdige zaak van den br. uit Y moeten die redenen dan wel zeer klemmend zijn.

Rutgers, F.L. (1921) 51

51. Welke preeken mogen er gelezen worden en hoe behoort het voorlezen in de kerk of het voorgaan bij leesdiensten geregeld te worden?

 

(1892.)

81. Ge schrijft mij, dat in de Classe X de vraag gesteld is „Is in de Geref. kerk alleen het lezen van kerkelijk goedgekeurde

|194|

preeken geoorloofd, of mogen ook preeken van hedendaagsche schrijvers worden gelezen?” En ge vraagt daarover mijn gevoelen. De kerk, die deze vraag stelde, grondt zich daarbij zonder twijfel op de bepaling van art. 55 der Geref. Kerkenordening. Evenwel in de opvatting en toepassing van dit artikel begaat zij twee vergissingen

1º Onderstelt zij, dat in de 16e, 17e en 18e eeuw alle preeken, die door Geref. Dienaren des Woords hier te lande werden uitgegeven, ook met kerkelijke goedkeuring in het licht kwamen. En dit is volstrekt niet het geval geweest. Ik heb preeken en stichtelijke overdenkingen van de beste onzer oude schrijvers, die zonder kerkelijke goedkeuring verschenen zijn. B.v. van Gijsbertus Voetius, Bernard Smytegelt, Godefridus Udeman, Alexander Comrie, enz.; alle bekende en beroemde namen van zeer onverdachte Geref. schrijvers. En nu zal toch wel niet de bedoeling zijn van de vragende kerk, die allen uit te sluiten, of wel enkel de door hen uitgegeven geschriften, waarop die kerkelijke goedkeuring staat, te gebruiken.

2º De vraag onderstelt ook, dat die kerkelijke goedkeuring in vroeger eeuwen altijd met juistheid verleend of geweigerd is. En ook dit is volstrekt niet het geval geweest. Er zijn preeken en stichtelijke geschriften uit de 17e en 18e eeuw, die van kerkelijke goedkeuring voorzien zijn, en die toch later gebleken zijn kettersche beginselen te verspreiden; terwijl geschriften van zeer rechtzinnige schrijvers, en zeer gezond in de leer, toch soms geen kerkelijke goedkeuring konden erlangen. Soms was dit een en ander het gevolg van kerkelijke partijschap in de Classen. Maar ook vaak was het het gevolg van minder nauwkeurig onderzoek of van niet genoegzame kennis of scherpzinnigheid bij de onderzoekers. Boeken keuren is een zeer moeielijk werk, dat lang niet aan ieder is toevertrouwd; vooral niet wanneer soms pas opkomende ketterijen daarin voorkomen. Er zijn dus zeer zeker stichtelijke werken aan welke de kerkelijke goedkeuring geweigerd is, en die toch zeer goed door een kerkeraad kunnen aanbevolen en gebruikt worden. En omgekeerd zijn er kerkelijk goedgekeurde, wier gebruik en aanbeveling zeker niet geoorloofd is.

Voorts heeft de vraag eigenlijk alleen beteekenis en zin, wanneer

|195|

de weg tot kerkelijke goedkeuring nog steeds openstaat. Anders toch zouden altijd vanzelf uitgesloten zijn de preeken die juist op onzen tijd en op onze omstandigheden het beste passen. Indien niets gebruikt mag worden dan ’t geen kerkelijk goedgekeurd is, dan moet ook de gelegenheid tot zulke goedkeuring steeds openstaan. Dit nu is reeds sedert omtrent 100 jaren niet meer het geval. En wat meer is, het kan ook niet meer ingevoerd worden. Thans nu er honderdmaal meer gedrukt wordt dan in vorige eeuwen, en daaronder tientallen couranten en weekbladen, die niet op een onderzoek kunnen wachten; — nu er onmogelijk een genoegzaam aantal bekwame personen zouden te vinden zijn, die tijd genoeg hebben, alle boeken enz. aan een voorafgaand onderzoek te onderwerpen; — en nu er ook geene Overheid meer is, die boeken censureert en dus maakt, dat kerkelijk afgekeurde werken ook niet zoo gemakkelijk verschijnen kunnen, — thans is, door de veranderde omstandigheden, de uitvoering van art. 55 der K.O. eenvoudig onmogelijk geworden; en in die feitelijke afschaffing hebben we eenvoudig te berusten, evenals in de feitelijke afschaffing van enkele andere bepalingen der K.O., die, door de veranderde omstandigheden, niet meer zijn op te volgen. En we behoeven dat ook geenszins te betreuren. De boekencensuur volgens art. 55 der K.O., heeft altijd meer kwaad dan goed gedaan; de uitgave van schadelijke geschriften is er geenszins door gekeerd, en integendeel is de uitgave van rechtzinnige geschriften er soms door belemmerd. Dan alleen zou het artikel goed kunnen werken, wanneer het geheele land gereformeerd was, en wanneer er een paar dozijn zeer bekwame godgeleerden waren, die het grootste deel van hun tijd aan boekencensuur konden wijden, en wanneer voorts de Overheid wilde zorgen, dat geene andere dan goedgekeurde boeken gedrukt en verspreid werden. En ook dan nog (de ondervinding heeft het aan de Roomsche kerk geleerd), ook dan nog weten afwijkende boeken hun weg toch wel te vinden, en worden juist te meer verkocht en gelezen, naarmate zij sterker worden tegengegaan en onderdrukt.

Hieruit volgt nu echter niet, dat een kerkeraad maar alle mogelijke gedrukte preeken mag laten lezen. Het moeten natuurlijk preeken zijn van een Geref. Dienaar des Woords, als zoodanig

|196|

bij onze kerken bekend en erkend. En voorts moet de kerkeraad door informatie bij hem bekende en betrouwbare menschen zich vergewissen, dat de bedoelde preeken ook gezond in de leer zijn; van een aantal schrijvers kan de kerkeraad zelf, op het hooren van hun naam, zulks wel vertrouwen; en omtrent anderen kan zij er naar vernemen. Als het preeken zijn van Dienaren des Woords, die de kerkeraad bij gelegenheid in persoon wel op den kansel zou toelaten, kan hij aan hun schriftelijk woord diezelfde toelating ook wel geven. Een aparte keur is dan daarvoor wel niet noodig. — Altijd blijft zoo de kerkeraad verantwoordelijk voor de zuiverheid van de predikatie, die gelezen wordt.

 

(1898.)

82. In zake het voorlezen in de kerk, zie ik er geenerlei bezwaar tegen, dit door den theologischen student A te laten geschieden; evenals dit hier ook langen tijd in eene der kerken door een van onze studenten geschied is.

 

(1898.)

83. Tijd ontbreekt mij om u uit de Heilige Schrift, de Confessie en de Kerkenordening een uiteenzetting te geven van de diensten van ouderling en diaken in onze Geref. kerken. Maar dit is voor het door u genoemde geval ook niet noodig. Het aanwijzen van de predikatiën, die bij de samenkomsten der gemeente zullen worden voorgelezen, hoort natuurlijk tot den dienst der ouderlingen; evenals b.v. het collecteeren voor de diakonie bij die samenkomsten tot den dienst der diakenen behoort. Dat collecteeren is geen dienst van ouderlingen; evenmin als het aanwijzen van predikatiën dienst van diakenen is. In. het een en het ander kan slechts eenige wijziging komen, als er b.v. in een kerkeraad geen ouderling, of geen diaken, of slechts één tijdelijk zou zijn, (b.v. door overlijden van den anderen); want, aangezien in kleine gemeenten de ouderlingen ook wel hulpdienst doen als diakenen, en omgekeerd, (volgens art.

|197|

38b, Kerkenordening) zouden alsdan de diensten van den een ook wel door den ander zijn waar te nemen. In zulke kleine gemeenten handelen zij gemeenschappelijk als kerkeraad; maar toch altijd met dien verstande, dat voor zaken van leer, opzicht, regeering en tucht, het overwicht bij de ouderlingen is, die daarvan ook afdoen wat zij kunnen, en desgelijks voor zaken van barmhartigheid bij de diakenen.

Ik begrijp echter niet, hoe er over het aanwijzen van predikatiën strijd kan komen. Zijn de aangewezene dan niet naar ieders zin? En waarom niet? Laat de ouderlingen er dan met de kerkvisitatoren eens over spreken.

 

(1901.)

84. De vraag, of men bij het voorlezen van de Tien Geboden er, al of niet, telkens zal bijzeggen: „Het eerste Gebod” enz., is inderdaad van te weinig belang, om er strijd over te maken. Hier in Amsterdam zeggen de meeste ouderlingen, die voorlezen, die opschriften er niet bij. Maar er zijn er ook, die het wèl doen. En in de gemeente is er nog nooit iemand geweest, die aan het een of aan het ander aanstoot heeft genomen. Indien men eenparigheid wil, is natuurlijk de eenige wettige weg, dat de kerkeraad, bij meerderheid van stemmen, bepale, hoe er te dien aanzien bij de openbare diensten zal gehandeld worden; en daaraan moet dan natuurlijk ieder zich houden; waartegen ook wel bij niemand conscientiebezwaar kan bestaan. Als ikzelf in zulk een vergadering stemmen moest, zou ik mij eenvoudig bij de meerderheid voegen, omdat ik voor het een of voor het ander inderdaad geen bijzondere voorkeur heb.

 

(1908.)

85. Wanneer in de samenkomst der gemeente, bij ontstentenis van een Dienaar des Woords, eene predikatie wordt voorgelezen, dan behoort dit preek-lezen op zichzelf nog niet tot den dienst

|198|

of het ambt van ouderling; ’t geen ook algemeen erkend wordt, doordat het nergens aan alle ouderlingen bij toerbeurt wordt opgedragen; gelijk toch zou moeten geschieden, indien het inderdaad tot hun ambt behoorde.

Daartoe zou het zeker ook niet kunnen gebracht worden, omdat lang niet ieder ouderling de gave heeft, in het openbaar een preek goed voor te lezen. Dit is waarlijk geen gemakkelijk werk; ik ken zelfs wel predikanten, die hunne eigene preeken goed kunnen voordragen en uitspreken, en die toch de gave niet hebben, om een gedrukte preek in het midden der gemeente goed voor te lezen, zooals soms blijkt, wanneer zij in eene groote vergadering een gedrukt rapport, of iets dergelijks, moeten voorlezen.

Daarom is bij de keuze van een preek-lezer altijd de hoofdzaak, dat de kerkeraad uitzie naar personen, die eene preek zóó weten voor te lezen, dat de gemeente het goed kan verstaan en volgen, en dat zij door den toon van het voorlezen zelven den inhoud des te beter begrijpt, zoodat zij er inderdaad de meeste stichting van heeft. En daarbij is dan van minder beteekenis, of die preek-lezer tevens ouderling is, dan wel een gewoon gemeentelid. In den regel zal wel de keuze vallen op een ouderling, wanneer onder de ouderlingen iemand is, die de genoemde gave heeft. Maar de kerkeraad is daar toch niet toe verbonden. Als hij oordeelt, dat er een bereidwillig gemeentelid is, wiens voorlezen het meest de stichting zal bevorderen, dan kieze hij zulk een gemeentelid. Een kerkelijken „dienst” of „ambt” krijgt zulk een gemeentelid daardoor dan echter niet; evenmin als een organist of voorzanger zulks heeft.

Natuurlijk moet dan toch altijd de kerkeraad de geheele godsdienstoefening leiden, de te lezen preeken, met advies van predikant of consulent, uitkiezen en aanwijzen, en aan den preek-lezer zijne instructies geven. Het kan ook voorkomen, dat de kerkeraad dan liever door een der ouderlingen de samenkomst met gebed laat beginnen en eindigen. Maar dat behoeft niet; en het zou vaak ook niet stichtelijk of raadzaam zijn. In kleine gemeenten zal de preeklezer van den geestelijken toestand der gemeente ook zeker wel genoegzaam op de hoogte zijn.

Wat nu op het oogenblik voor X raadzaam is, met betrekking

|199|

tot het preek lezen door dengene, die het dusver deed, of door een der ouderlingen, kan ik natuurlijk niet beoordeelen, daar ik de personen en omstandigheden niet ken. Mijn gevoelen kan ik u daarvoor in het bovenstaande slechts in het algemeen geven.

 

(1915.)

86. Over het „voorlezen” in de kerken behoeft geen moeielijkheid te ontstaan. Broeder A heeft zeker allerzonderlingst gehandeld, door te weigeren verder nog voor te lezen, toen de kerkeraad in eene zaak, die hiermede volstrekt niets te maken had, een besluit had genomen, waarmede hij het niet eens was. Maar voor het overige heeft hij toch geen ongelijk, wanneer hij zegt, dat iemand, die tot ouderling benoemd is, daarmede nog niet benoemd is tot voorlezer. Een kerkeraad is natuurlijk vrij om het voorlezen ook aan een ouderling op te dragen, wanneer deze hiertoe geschikt en ook bereidwillig is; maar het behoort niet tot het ambt van een ouderling als zoodanig; en een kerkeraad kan het evengoed aan een lid der gemeente, die er bizondere gaven voor heeft, opdragen. Het feit, dat iemand er minder geschikt voor is, of dat hij er andere bezwaren tegen heeft, kan niet leiden tot de conclusie, dat hij ook niet geschikt is voor het ouderlingschap.

 

(1916.)

87. In het algemeen kan ik slechts zeggen, dat het „preeklezen” altijd geschiedt op gezag van den kerkeraad en onder diens verantwoordelijkheid, zoodat ook de keuze van den lezer en de keuze van de te lezen predikatiën bij den kerkeraad staat; waarbij deze die keuze dan natuurlijk tijdelijk zal opdragen aan één kerkeraadslid (predikant, als deze er is, of ouderling) of aan eene commissie van opzieners. En voorts zou ik het in den regel altijd geraden achten, om, wanneer er tweeërlei strooming in de gemeente is, die geen van beide ongereformeerd zijn te achten, bij de keuze der te lezen preeken daarmede rekening te houden, en dus oude

|200|

schrijvers niet altijd en in alle geval uit te sluiten. Maar hoe ge te dien aanzien te Y tot een bevredigend accoord zoudt kunnen komen, kan ik door onbekendheid met personen en toestanden niet beoordeelen. In elk geval zal dat moeilijk zijn, wanneer geen wederzijdsch vertrouwen te verkrijgen is.

Rutgers, F.L. (1921) 52

52. Mag een ouderling, die na een poging tot „openbare scheurmakerij” met berouw en schuldbelijding tot den kerkeraad komt, geschorst worden?

 

(1900.)

88. Inzake toepassing van de kerkelijke tucht een bepaald advies te geven, wanneer men personen en toestanden niet, of althans niet genoegzaam kent, is altijd moeilijk, of zelfs bijna ondoenlijk. Daarom schrijf ik slechts onder voorbehoud, wat ik bij het lezen uwer vraag en uwer inlichtingen dacht.

Naar die inlichtingen te oordeelen, zou ik zeggen, dat de kerkeraad van X een ouderling, die met “openbare scheurmakerij” bezig was (immers was het maken van lijsten van medestanders, het huren van een lokaal, enz. toch niet geheim, maar aan den kerkeraad wel bekend) niet lijdelijk had mogen laten begaan; en indien men oordeelt hem te moeten schorsen, had dit toen moeten geschieden; niet daarna, toen hij met berouw en schuldbelijding in den kerkeraad kwam. Na die belijding en onderwerping was er zeker alleszins reden voor den kerkeraad om uit te spreken dat hij nu liever geen ouderling blijven moest, en hem duidelijk te maken, dat hijzelf nu maar zijn ontslag moest vragen; ’t geen hij dan zeker ook al zou hebben ingezien. En dan was er misschien ook aanleiding geweest in de door hem gegeven ergernis, om hem voor eenmaal nog van het Avondmaal af te houden, opdat hij eenigen tijd lang betering des levens toonen zou, ook door ijver om vroeger door hem misleiden weer terug te brengen. Maar verder had men dan m.i. niet behoeven te gaan.

In ieder geval zie ik nu geen reden om hem bij kerkelijk vonnis te ontzetten, daar zijn scheurmakerij bij een poging gebleven is; — en hij zelf er toen berouw van heeft gekregen, en er mede is

|201|

opgehouden, — en hij zelfs met schuldbelijdenis enz. en met onderwerping aan de schorsing reeds veel berouw heeft getoond. Ik blijf het wenschelijk achten, dat hij vooreerst niet als ouderling fungeere; maar dan langs den weg van ontslag op eigen verzoek. Niet door kerkelijke ontzetting.

Men vergete ook niet, dat het hier een gansch andere soort van zonde geldt, dan dronkenschap, overspel of dergelijke; dat hier lichtelijk veel kerkrechtelijke onkunde en onverstand in het spel is, en dat op kerkrechtelijk gebied vele onzer leden nog tegen den eisch van eenheid blijven zondigen, door op eenzelfde plaats als A en B te blijven bestaan, zelfs alsof het zoo hoorde; waardoor het besef van kerkelijke eenheid inderdaad bij velen is en wordt verzwakt.

Intusschen, ik herhaal: ik ken dien persoon niet, en de omstandigheden ook slechts weinig.

Rutgers, F.L. (1921) 53

53. Hoe te handelen, indien kerkeraadsleden publiek partij kiezen in politieke of sociale geschillen?

 

(1914.)

89. Ge schrijft mij, dat in X eenige leden der Gereformeerde kerk meedoen aan de werkstaking aldaar, — dat zelfs een ouderling die ook voorzitter van Patrimonium is, vóór die staking ijvert; — en dat hiertegen in de gemeente nog al sterke oppositie is en dus groote verdeeldheid ontstaat. En dan vraagt ge over dien toestand mijn oordeel, en een advies over den weg, die nu kerkelijk de beste zijn zou.

Intusschen, om den bedoelden toestand goed te kunnen beoordeelen. en om een practisch advies te kunnen geven, zou ik over personen en omstandigheden veel meer moeten weten, dan een brief mij kan mededeelen. Ik zou daarvoor eigenlijk zelf in X moeten zijn en met onderscheidenen personen moeten spreken.

In het algemeen kan ik slechts zeggen, dat een opziener der gemeente (predikant of ouderling) altijd zeer voorzichtig zijn moet bij zijn optreden in geschillen, die op politiek of sociaal terrein opkomen, en waarin beiderzijds leden derzelfde kerk betrokken zijn of partij kozen.

|202|

Het zou zeker niet aangaan, te zeggen, dat predikanten en ouderlingen altijd en in ieder geval zich daarbuiten moeten houden. Maar tevens moeten zij altijd toezien, dat hun optreden geen schade doe aan de uitoefening van hun kerkelijken dienst of noodeloos andere gemeenteleden te veel tegen hen zou innemen.

Rutgers, F.L. (1921) 54

54. Kan iemand, bij wangedrag zijner kinderen, ouderling blijven?

 

(1907.)

90. Inzake het door u bedoelde gedwongen huwelijk tusschen twee leden der gemeente, komt mij de gedragslijn, die uw kerkeraad vroeger in zulk geval volgde, wel goed voor, n.l. afhouding van de eerstvolgende Avondmaalsviering door censuur, wegens de gegeven ergernis en om blijken te geven van schuldgevoel en eerbaarheid in het leven, en voorts schuldbelijdenis (met vermaning) voor den kerkeraad en bekendmaking daarvan aan de gemeente bij afkondiging van het huwelijk.

Voor den vader van den bruidegom zie ik in die zaak geen reden, waarom hij geen ouderling zou moeten blijven, daar er hier toch wel geen sprake van zijn zal, dat die vader op eenige wijze (bijv. door onverschoonbare achteloosheid, die de verzoeking voor den zoon zeer groot kan gemaakt hebben) mede eenigszins verantwoordelijk zijn zou.

Als iets dergelijks met het kind van een predikant gebeurde, tot groote droefheid, allereerst van den vader zelven, zou men toch zeker ook niet verlangen of wenschen of toelaten, dat die predikant, enkel daarom, zijn ontslag vroeg en kreeg.

Rutgers, F.L. (1921) 55

|203|

Artikel 25 en 26.

Der Diakenen eigen ambt is, de aalmoezen en andere armengoederen naarstiglijk te verzamelen, en die getrouwelijk en vlijtiglijk, naar den eisch der behoeftigen, beide der ingezeten en vreemden, met gemeen advies uit te deelen, de benauwden te bezoeken en te vertroosten, en wel toe te zien, dat de aalmoezen niet misbruikt worden; waarvan zij rekening zullen doen in den Kerkeraad, en ook (zoo iemand daar bij wil zijn) voor de gemeente, op zulken tijd als de Kerkeraad het goedvinden zal.

De Diakenen zullen, ter plaatse waar huiszittenmeesters of andere aalmoezeniers zijn, van dezen begeeren goede correspondentie met hen te willen houden, ten einde de aalmoezen te beter uitgedeeld mogen worden onder degenen die meest gebrek hebben.

 

55. Welke bevoegdheid heeft de Kerkeraad tegenover de diakenen?

 

(1901.)

91. Uwe vraag: „welke is de bevoegdheid van den kerkeraad in zake de diakonie?”, geheel in het algemeen gesteld, is veel te omvangrijk, om in een brief te kunnen behandeld worden. Daarbij zouden zóóveel punten moeten onderscheiden worden, dat er inderdaad een geheele verhandeling voor noodig zou zijn.

Er komt bij, dat ik niet eens weet, hoe in uwe gemeente de diakonale zaken geregeld zijn. Hier te Amsterdam heeft de Geref. kerk een klein aantal, door den kerkeraad gemaakte, fundamenteele „Plaatselijke regelen voor de armenverzorging” 1) die natuurlijk


1) RAPPORT aan den kerkeraad over de plaatselijke regeling van de armenverzorging; ingediend door de Commissie ad hoc, in de kerkeraadsvergadering van den 6 Februari 1890.
De kerkeraad heeft in zijne vergadering van den 19 December 1889 ➝

|204|

weêr berusten op de regelen en beginselen van de Kerkenordening), en voorts een aantal daarop rustende Diakonale „regelingen”, door de Diakenen gemaakt, en door den kerkeraad goedgekeurd. Daardoor kunnen hier niet licht quaestiën of conflicten ontstaan, en vinden zij eventueel altijd spoedig oplossing. Maar nu weet ik niet, wat er te dien aanzien in uwe gemeente bestaat; zij het ook misschien slechts in den vorm van vroegere kerkeraadsbesluiten.

In het algemeen staat natuurlijk de dienst der barmhartigheid, even goed en om dezelfde reden als de dienst des Woords, en de dienst van opzicht en tucht, onder de regeling, het toezicht en de eventueele beslissing, niet van de Dienaren des Woords (voor hun werk), of van de ouderlingen (voor hun werk), of van de diakenen (voor hun werk), maar van den kerkeraad als het bestuur der gemeente (voor diakonale en eenige andere zaken, uitgebreid, doordat voor zulke zaken ook de diakenen ertoe hooren); bij appèl evenzoo, van de gezamenlijke kerkeraden in Classen en Synoden. Althans in grootere kerken: want in kleinere kerken (gelijk de


➝ uitgesproken, dat hij er toe wenscht over te gaan, om, gelijk hij den dienst des Woords en den dienst des Ouderlingschaps in het algemeen geregeld heeft, met overlating van de nader te maken schikkingen aan de Dienaren des Woords en aan de Ouderlingen zelve, in gelijken zin ook eenige leidende regelen vast te stellen voor den dienst der barmhartigheid, conform art. 15 van de in December 1886 vastgestelde provisioneele kerkeraadsregeling, en heeft aan eene Commissie bestaande uit de B.B. predikanten Renier en Rutgers, ouderlingen Hermans en De Hartog, en diakenen Buré, Van Schaick, P.N. de Vries en Van der Bom, opgedragen hem van een daartoe strekkend ontwerp te dienen.
Deze Commissie heeft thans de eer, het volgende ontwerp aan den kerkeraad voor te stellen.
Plaatselijke regelen voor de armenverzorging bij de Nederduitsche Gereformeerde Kerk van Amsterdam.
Art. 1. Alle officieele en algemeene inzameling van gaven voor de armen wordt door den kerkeraad vastgesteld. De openlijke aanbeveling aan de gemeente geschiedt, hetzij door hemzelven of van zijnentwege, hetzij onder zijne goedkeuring door de Diakenen.
Aanbevelingen en inzamelingen door persoonlijk bezoek bij enkele leden der gemeente blijven aan de prudentie der Diakonale vergadering overgelaten.
Art. 2. De diakenen worden in overeenstemming met hunne eigene huishoudelijke indeeling door den kerkeraad in de Wijk-commissiën gecommitteerd.
Art. 3. De Diakenen maken en wijzigen hun eigen huishoudelijk reglement, ➝

|205|

meeste zijn (fungeeren de diakenen volgens de K.O. ook eenigszins als hulp-ouderlingen, en ouderlingen als hulp-diakenen, zoodat de verhoudingen dan weêr anders zijn.

Maar de regeling, het toezicht en de eventueele beslissing van kerkeraad (of Classe of Synode) brengt nu anderzijds niet mede, dat men de grenslijn tusschen de ambten uitwischt, en dat de een kan gaan doen wat des anderen is. Zoo b.v. zou het niet aangaan, dat een kerkeraad ten aanzien van een bepaalden arme, die zich beklaagde, dat hij van de diakenen te weinig kreeg, nu ging bepalen dat hij meer moest hebben en dan zelf het bedrag ging vaststellen. En evenmin zou een diaken, die in zake een bepaalden onderstand zijn zin niet gekregen had, bij den kerkeraad gehoor mogen vinden, als hij nu het bedrag van dien onderstand door den kerkeraad wilde laten bepalen. Een kerkeraad stelt algemeene regelen voor de uitoefening van het ambt, maar moet de uitvoering


➝ en doen van alle daarin door hen gemaakte bepalingen na de vaststelling telkens mededeeling aan den kerkeraad.
Vóór de vaststelling, die aan de Diakonale vergadering blijft, wordt door deze aan den kerkeraad gevraagd, of hij te dien aanzien ook aanmerkingen of opmerkingen heeft mede te deelen.
Art. 4. Voor besluiten der Diakenen, strekkende tot vaste geldbelegging of tot geldleening, of tot aankoop, verkoop, bezwaring of verpanding van goederen, zoo mede voor besluiten, strekkende tot het voeren van rechtsgedingen, tot het aangaan van overeenkomsten of contracten, waaraan de kerk in hare Diakonie gebonden wordt, of tot het in het leven roepen van stichtingen, wordt de goedkeuring van den kerkeraad vereischt.
Heeft de kerkeraad zijne goedkeuring verleend, dan wordt de uitvoering aan de Diakonale vergadering overgelaten.
Art. 5. De Diakenen zenden jaarlijks, vóór den 1 Maart aan den kerkeraad de rekening en verantwoording van hun beheer over het laatstverloopen burgerlijk jaar.
Art. 6. In hun beheer en wijze van armverzorging, voor zoover art. 4 hierbij niet in aanmerking komt, gaan de Diakenen naar eigen inzicht te werk.
Art. 7. De Dienaren des Woords wonen, voor zooveel hun dit oorbaar dunkt, de vergadering der Diakenen bij.
Art. 8. De Diakenen kunnen, voor zooveel zij dit wenschen, bij de vergadering van den gewonen kerkeraad tegenwoordig zijn.
Art. 9. De uitdrukking „kerkeraad” beteekent in deze regeling met uitzondering van art. 8, niet den gewonen kerkeraad, uit Dienaren des Woords en Ouderlingen bestaande, maar den grooten kerkeraad, d.i. den kerkeraad met Diakenen.

|206|

aan de ambtsdragers overlaten; behoudens tusschenkomst bij nalatigheid, misbruik van macht, wanbeheer, enz.

In het algemeen is dus niet met een enkel woord te zeggen, wat de kerkeraad doen moet, als een arme broeder zich bij hem over de diakenen beklaagt, of als een diaken bij den kerkeraad protesteert tegen een besluit der diakonale vergadering. Nl. of de kerkeraad dan, al of niet, competent is om de zaak in behandeling te nemen en te beslissen. Immers vele gevallen zijn daarbij te onderscheiden.

Rutgers, F.L. (1921) 56

56. Kan de Diakonie in finantiëele zaken zelfstandig optreden?

 

(1889.)

92. Kan de diakonale vergadering zelfstandig eene stichting voor de weezenverpleging in het leven roepen en de regelen voor die verpleging vaststellen?

De genoemde vraag is van zeer ingrijpende aard. Zij betreft niets minder dan de grondslagen van de kerkelijke regeering en van alle kerkelijk samenleven in het algemeen. Immers, zij heeft rechtstreeks betrekking op de roeping en de bevoegdheid van allen, die in eenig kerkelijk ambt zijn; en dan niet slechts van de enkele kerkedienaren op zichzelven, maar ook van de kerkelijke vergaderingen, waarin zij samenkomen.

Ten aanzien van dit punt mag natuurlijk als bekend en als voor den ganschen kerkeraad vaststaande ondersteld worden, wat in de bevestigingsformulieren omtrent de ambten van Dienaar des Woords, van ouderling en van diaken uit Gods Woord wordt afgeleid.

Daaruit volgt, dat in iedere kerk de regeering is opgedragen aan de gezamenlijke opzieners, d.i. aan den kerkeraad die dus, in zijn qualiteit van kerkbestuur, bevoegd en geroepen is alle ambtelijke werkzaamheden in de gemeente te regelen, en op de getrouwe waarneming daarvan toe te zien. Dat de kerkeraden bij een kerkverband, zulks ook gezamenlijk doen in de meerdere vergaderingen, brengt, natuurlijk in het wezen der zaak geenerlei verandering.

|207|

Waar het aantal ouderlingen en diakenen zóó klein is, dat zij elkander in hun ambt moeten helpen, ligt het in den aard der zaak, dat bij alle mogelijke zaken beide soorten van ambtsdragers altijd tot den kerkeraad behooren. Waar hun aantal groot genoeg is, heeft de kerkeraad een wisselend aantal van leden; d.w.z. hij bestaat enkel uit opzieners (Dienaren des Woord en ouderlingen), bij zaken die uitsluitend het opzienersambt aangaan: en hij bestaat uit opzieners en diakenen, zoo vaak zaken te behandelen zijn, waarin ook de diakonale werkzaamheid min of meer betrokken is.

In beide gevallen, en dus in alle gemeenten, zijn natuurlijk ook afzonderlijke vergaderingen van diakenen noodig, om, gelijk art. 40 van de Kerkenordening het uitdrukt, „van de zaken, betreffende hun ambt, te handelen”. In kleine gemeenten zoo nu en dan; in groote gemeenten zeer dikwijls. Maar die afzonderlijke vergaderingen kunnen geenszins beschouwd worden als een tweede kerkbestuur naast den kerkeraad, en als zoodanig van dezen onafhankelijk; evenmin als bijv. afzonderlijke samenkomsten van Dienaren des Woords om over de vervulling van predikbeurten of over andere dergelijke belangen te handelen. De kerkeraad, naar gelang van omstandigheden, met of zonder diakenen vergaderende, blijft het eenig kerkbestuur.

Het zou inderdaad ook niet aangaan, te stellen dat eene Diakonale vergadering, hetzij dan uit een grooter of uit een kleiner aantal leden bestaande, voor zaken, die den dienst der barmhartigheid betreffen, geheel zelfstandig, en van den kerkeraad, waartoe de diakenen met betrekking tot zulke zaken altijd mede behooren, geheel onafhankelijk zou zijn. Daaruit toch zou volgen, dat (tenzij men een geheel ongereformeerd stelsel van „hoogere besturen” aanneemt) met betrekking tot diakenen ten eenenmale ontbreken zou, wat met betrekking tot Dienaren des Woords en ouderlingen zeer zeker aanwezig is, nl. kerkelijke regeling en kerkelijk toezicht ten aanzien van hunne ambtelijke werkzaamheid; een gemis, dat aan het ambt van diaken eene zonderlinge positie zou geven, en in kleine gemeenten ook bedenkelijke gevolgen zou kunnen hebben. Voorts zouden diakenen dan ook geheel zelfstandig zijn tegenover Classen en Synoden, die niet anders zijn dan samenvoegingen van kerkeraden; en deze zouden dan eigenlijk in hare ordeningen

|208|

niets over het diakonaat te bepalen, en in hare vergaderingen niets daarover te handelen hebben. Bij voorkomende zwarigheden of geschillen zou er voor eene diakonale vergadering dan ook nergens een beslissing te vinden zijn. En ten slotte zou het diakonaat op dien weg feitelijk buiten de kerk komen te staan, geheel in strijd met zijn oorsprong en wezen en bedoeling; of wel; men zou in dezelfde kerk tweeërlei kerkbestuur krijgen, waarbij over éénzelfde belang de besluiten wel eens tegenstrijdig konden uitvallen, en waarvan dus op den duur slechts ontbinding en verwoesting der kerk te wachten zijn. 

Aan beschouwingen, waaruit deze en dergelijke gevolgen wel moeten voortvloeien, is in onze kerken dan ook nooit gedacht. Integendeel, alle Synoden en Classen en kerkeraden hebben zich ook met de regeling van den dienst der barmhartigheid en met het daarop te houden toezicht bezig gehouden. En met name in de Kerkenordening, waaronder ook wij thans weer leven, zijn te dier zake de hoofdpunten inderdaad vastgesteld; niet slechts in alle die artikelen, waarin de kerkeraad voorkomt als de vergadering, die de gemeente vertoont en bestuurt; maar ook, en bepaaldelijk, in de artikelen, waarin over het diakenschap wordt gehandeld.

In die artikelen toch zijn te dien aanzien drie grondbeginselen duidelijk uitgesproken:

1º. Het zijn Synoden geweest die deze artikelen hebben vastgesteld; en daarin ligt opgesloten, dat voor dit belang, gelijk voor alle andere kerkelijke belangen, de kerkeraad de regelende macht is. Anders zou ook eene Synode, dat is eene vergadering, waar alle kerkeraden hunne macht samenbrengen, te dien aanzien niets hebben kunnen regelen.

2º. Volgens artt. 16 en 23 hoort mede tot het ambt der Dienaren en der ouderlingen, opzicht te hebben over de diakenen, en wel, gelijk er uitdrukkelijk bijstaat, met betrekking tot hunne ambtelijke werkzaamheid; geheel op dezelfde wijze als de Dienaren en de ouderlingen ook zoodanig opzicht hebben met betrekking tot de ambtelijke werkzaamheid van de Dienaren en de ouderlingen zelven. Volgens art. 40 is het de roeping der Dienaren, bij de ambtelijke werkzaamheid der diakenen in hunne wekelijksche

|209|

vergaderingen, goede opzicht te nemen, en zich, des noods zijnde, daarbij te laten vinden. En volgens art. 41 is het toezien op de bezorging der armen ook de roeping van de Classe, d.i. van de vergadering waar een aantal kerkeraden bijeen zijn.

3º. Volgens art. 25 moeten diakenen rekening doen in den kerkeraad; welke uitdrukking (evenals het „rationes reddere” van den Latijnschen tekst) nooit kan beteekenen, dat zij enkel opgaven doen, maar noodzakelijk in zich sluit, dat de kerkeraad ook over de administratie zelve te oordeelen heeft. Daarom kon b.v. Voetius zich op die bepaling ook beroepen, tot geruststelling van degenen die vreesden, dat ter wille van ruimen onderstand fondsen en bezittingen der diakonie wel eens al te spoedig zouden kunnen aangesproken worden; aan diakenen, zegt hij, is dat wel toevertrouwd; en voorts, voegt hij er bij, de opzieners zijn er ook nog , om op de inzameling en op de uitdeeling toezicht te houden, voor welke opzieners de diakenen, gelijk in de Gereformeerde kerken hier te lande de gewoonte is, altijd verantwoording doen moeten van ontvangst en uitgaaf (Polit.Eccl., Dl. I, blz.950).

Uit die drie beginselen vloeit nu zeker niet voort, dat in groote gemeenten de opzieners met den dienst der tafelen ook belast worden. Dat zou in volkomen strijd zijn met hetgeen in Hand. 6 over de instelling van het diakenschap geleerd wordt. Integendeel, bij de regeling en het opzicht, waarvan hier sprake is, moeten de opzieners geheel in hun eigen ambt blijven; d.w.z. toezien, dat in de kerke Gods alles eerlijk en met orde geschiede, en voorts enkel medespreken, waar een geestelijk beginsel of een geestelijk belang bij de zaak betrokken is. Uit dat oogpunt moeten diakonale regelingen, diakonale plannen en diakonale rekeningen, die alle, volgens het boven aangevoerde, aan de goedkeuring van den vollen kerkeraad te onderwerpen zijn, door dezen beoordeeld worden; ook opdat diakenen te dien aanzien geene andere lijnen volgen, dan de kerkeraad noodig acht, en daardoor met de kerk zelve in strijd zouden komen. Maar al het overige blijve dan vervolgens geheel overgelaten aan de diakonale vergadering, wier zelfstandigheid te dien aanzien juist den noodigen waarborg krijgt, wanneer hare regeling kerkelijk goedgekeurd is. 

Dat bij voorkomende moeielijkheden, die niet kunnen uit den

|210|

weg geruimd worden, de hulp der meerdere vergaderingen moet worden ingeroepen, ligt in den aard der zaak, en is ook in de Kerkenordening zelve (artt. 30, 31, 36 en 41) uitdrukkelijk aangewezen. In verband hiermede is niet ten onrechte soms de wenschelijkheid uitgesproken, dat in de meerdere vergaderingen, evenals in de kerkeraden van groote gemeenten, bij zaken, die den dienst der barmhartigheid betreffen, ook diakenen tegenwoordig zijn, ’t geen vroeger door de overheid wel niet zou zijn toegelaten, daar deze bij alle Diakonale zaken de contrôle en de eindbeslissing doorgaans aan zichzelve wilde houden, maar thans wel in praktijk zou te brengen zijn. Het is echter hier de plaats niet om over dit punt in bijzonderheden uit te weiden.

Ten slotte nog de historische herinnering, dat men hier in Amsterdam ook volgens de boven ontwikkelde beginselen gehandeld heeft, altijd voor zooveel de inmenging van de Overheid het toeliet, toen in 1657 tot de stichting van een Diakonie-Weeshuis, en in 1681 tot de stichting van een Diakonie-Oude-Vrouwenhuis werd overgegaan. In beide gevallen is de regeling uitgegaan van den kerkeraad met diakenen. De berichten, die Wagenaar daarvan geeft in zijne beschrijving van Amsterdam, met wijziging naar de oude Archiefstukken, luiden aldus: „Het Reglement, waarnaar het Diakonie-Weeshuis bestuurd wordt, is door den kerkeraad en diakonie in ’t jaar 1658 ontworpen, in ’t jaar 1668 vermeerderd, en door mijne Heeren van den Geregte goedgekeurd en bekrachtigd” (Dl. II, blz. 324); en: „Het Reglement, waarnaar het Diakonie-Oude-Vrouwen- en Mannen-Huis, met eenige kleine veranderingen, nog tegenwoordig bestierd wordt, was reeds op den veertienden Februari des jaars 1681 door Gecommitteerden uit den kerkeraad en uit de diakonie ontworpen en door Burgemeesteren goedgekeurd”. (Dl.II, blz. 328).

Op de gestelde vraag is dus de conclusie der Commissie, zij het ook dat vooralsnog twee harer leden eenige bezwaren hadden, dat het plan eener stichting voor de weezenverpleging, en het daarvoor noodige reglement, van te voren door den kerkeraad moeten goedgekeurd zijn.

Rutgers, F.L. (1921) 57

|211|

57. Is het Diakenambt, al dan niet, een kerkelijk ambt?

 

(1910.)

93. Uw schrijven heeft wat lang op antwoord gewacht; eenigszins ook door de omstandigheid, dat eene beantwoording van uwe twee vragen (inzake diakonale regelingen), ook al zou zij nog zoo summierlijk zijn, veel meer zou vereischen dan een enkel uurtje tijd en een brief van enkele bladzijden. Die twee vragen geven aanleiding tot een groot aantal quaesties, en daaronder quaesties van gewichtigen inhoud en van vérstrekkende gevolgen.

Immers is bij beide die vragen het hoofdpunt, waar alles van afhangt, of het diakenambt al dan niet, een kerkelijk ambt is; en daar het in onze Gereformeerde kerken tot dusver zeer zeker als zoodanig erkend is, komt dan nu de vraag, of dat zoo zal blijven, dan wel, of onze diakonieën zich zullen vervormen tot buitenkerkelijke „instellingen van weldadigheid” (zij het dan ook op Christelijke grondslag), los van het kerkverband en zelfstandig daartegenover. Dit laatste is nu de strooming des tijds (zij het ook bij velen nog onbewust); en die dringt ook door in onze kerken, vooral doordat de „diakonale conferenties” (gelijk ik van den beginne af te haren aanzien wel vreesde) zich allengs minder beperken tot het begrip van „conferentie”, maar eene soort van „vertegenwoordiging van diakonieën” worden, die er allengs toe komen, om, geheel buiten de kerken om, den kerkelijken dienst der barmhartigheid ook principieel te regelen; terwijl toch in Gereformeerde kerken alle kerkendienst (die van diaken even goed als die van predikanten en ouderlingen) door de kerken zelve moet geregeld worden, d.i. door kerkeraden, Classen en Synoden; zij het ook, dat zulke regeling bij de uitvoering van den dienst aan de dienaren veel vrij laat (aan diakenen even goed als aan de predikanten en ouderlingen), zoolang niet blijkt, dat op een of ander punt meerdere preciseering noodig is. Maar zulke vrijheid kan nooit medebrengen, dat een diaken of ook eene vergadering van diakenen (en allerminst eene conferentie, die geen wettelijke „vergadering” is) zich inzake de bedoelde regeling, of in zaken van eenig punt der uitvoering, ook maar eenigszins losmaakt van het zeggenschap der kerken zelve; evenmin als een predikant en ouderling, of ook

|212|

eene vergadering of samenkomst van predikanten of van ouderlingen, zich daarvan los kan beschouwen. De algemeene regeling van den dienst der diakenen (evenals de algemeene regeling van den dienst der predikanten en ouderlingen) is, gelijk in den aard der Geref. kerkinrichting ligt, door Generale Synoden gemaakt, en voorts in kleineren kring uitgewerkt, deels door Classen, deels en vooral door kerkeraden (met name in de groote gemeenten; daar het in de kleine gemeenten vanzelf zoo is, omdat de diakenen daar ook dienst doen, eenigszins als hulp der ouderlingen, en vice versa). Indien nu daarnaast de diakenen voor hun eigen dienst een andere regelende macht willen gaan instellen, dan is dat reeds buiten-kerkelijk; en het wordt op den duur anti-kerkelijk, zoodra zich op eenig punt verschil openbaart tusschen diakonieën en kerken; waarvan dan weer allerlei verwarring, verdeeldheid, twist, misschien zelfs scheuring, het gevolg moet zijn; niet in eens, maar op den duur; en het hooge en heerlijke ambt van den diakonalen dienst is dan geworden tot een gewoon werk van Christelijke liefdadigheid.

Daarom kan ik niet anders zeggen, dan dat er m.i. een groot en onoverkomelijk principieel bezwaar is tegen het door u geopperde denkbeeld, om eene „vereeniging van Geref. diakenen” op te richten, die eene soort van Contra-Synode zou zijn tegenover de Generale Synode der kerken; zij het ook, dat zij zich bepaalt tot den dienst der barmhartigheid; daar deze vereeniging dan, geheel buiten de kerken om, zelfstandig zou georganiseerd worden, en dan zelfs zelfstandig naar buiten zou optreden, door b.v. een „vertegenwoordiger” te zenden naar eene vereeniging op neutralen grondslag, waarvan zij zelfs lid kan worden in qualiteit van representant der Geref. diakonieën, of althans van een aantal Geref. diakenen. Dat gaat niet; evenmin als het gaan zou, dat een aantal predikanten zulk een „vereeniging” oprichten voor den kerkelijken dienst des Woords (of een aantal ouderlingen voor hun dienst), en dan die „vereeniging” als een soort van „kerkelijk” orgaan naar buiten liet optreden.

En hetzelfde bezwaar drukt ook op de mij door u toegezonden „Concept-regeling van samenwerking tusschen de Geref. diakonieën in X” enz. (’t geen hiernevens teruggaat).

|213|

Zelfs zie ik daarin (art. 8), dat die saamwerkende diakonieën als eene gewone vereeniging „rechtspersoonlijkheid” willen aanvragen. Voor het daarbij genoemde doel (ontvangsten van legaten is dit natuurlijk geheel onnoodig, daar die evengoed kunnen gelegateerd worden aan ééne daarvoor aangewezen kerk of diakonie, met bijvoeging: ten behoeve van de door haar verzorgde of ondersteunde zenuwlijders, doofstommen en lupuslijders (of iets dergelijks). Evengoed als dit nu aldus geschiedt met legaten voor de Zending; zonder dat hierbij ooit eenig bezwaar voorkomt.

En nog bedenkelijker acht ik art. 9, waar „de saamwerkende diakonieën” zich voordoen, als beschouwen zij zich geheel gelijkstaande met eene jongelingsvereeniging of Zondagsschoolvereeniging, die als zoodanig buiten het kerkelijk instituut staat, maar „zich onder kerkelijk toezicht stelt”. In onze kerken staan de diakonieën als kerkedienst, reeds vanzelf onder kerkelijk toezicht; allereerst plaatselijk onder dat van den kerkeraad, en voorts in ruimeren kring onder dat van Classen en Synoden (geheel eveneens als predikanten en ouderlingen, wier dienst niet heiliger en hooger is dan die van diakenen). Daarom mag eene diakonie ook niet als zoodanig naar buiten optreden zonder goedkeuring van den kerkeraad; en bij zaken, waarin meerdere diakonieën betrokken zijn, rust het bestuur bij de meerdere vergaderingen van Classen en Synoden. Hoe zouden dan diakonieën als het ware eigener beweging een besluit kunnen nemen, dat zij zich stellen onder een toezicht waar zij vanzelf onder staan? Dat is m.i. alweder een onbewust medegaan met de strooming, die de diakonieën maakt tot een gewone „instelling van weldadigheid”.

Voor het overige kan ik over dat concept niet veel zeggen: 1º. omdat het alleenlijk zeer algemeene bepalingen bevat en eigenlijk geen duidelijke regeling en 2º. omdat ik in ’t geheel niet bekend ben met den finantieelen toestand der Xsche kerken en diakonieën.

Hier in Holland zijn onze kerken en diakonieën bijna zonder uitzondering niet bij machte, om tot zulke samenwerking (zij ’t ook natuurlijk slechts telkens voor een jaar, en dus tot wederopzegging toe) zich te verbinden; en de daarvoor vereischte goedkeuring der kerkeraden zou daarvoor dan ook zeker niet te verkrijgen zijn.

|214|

Hier in Amsterdam moeten lijders als de bovenbedoelde door de particuliere liefdadigheid (d.i. door iemand die zich voor een lijder interesseert en daarvoor tijd en moeite overheeft om geld te verzamelen) geholpen worden. De diakonie kan zelfs niet eens hare eigene hulpbehoevenden helpen, althans niet allen, en niet allen geheel voldoende. En dan zou het natuurlijk geheel ongeoorloofd zijn, dat zij gelden besteedde om de bovenbedoelde lijders in een gesticht of sanatorium te plaatsen. Eéne enkele dergelijke plaatsing toch kost per week meer dan drie weduwen met gezinnen noodig hebben; en voor dezulken heeft eene diakonie dan toch allereerst te zorgen.

Ik weet ook niet, of het eigenlijk wel goed gezien is, eene afzonderlijke organisatie en regeling in het leven te roepen voor de drie soorten van lijders, boven bedoeld, daar toch deze niet allereerst voor diakonale verzorging in aanmerking komen; en indien er aan eene arme diakonie zulk een geval voorkwam, waarin zij meende te moeten helpen, zou zij zich voor zulk een speciaal geval toch wel tot de rijkere diakonieën in de provincie kunnen wenden. Zóó vermogend zullen die wel niet zijn, dat zij alle arme lijders (ook de zeer talrijke klasse van „zenuwlijders”) zullen kunnen helpen; en op die meer vermogende diakonieën zou toch ten slotte de finantieële last neêrkomen. Maar gelijk ik reeds zeide, ik weet niet hoe het in dit opzicht in X is.

Maar tijd ontbreekt mij, om meer te schrijven, al zou er over het aangestipte nog zeer veel te zeggen zijn. Ik schreef toch reeds in haast.

 

(1894.)

94. Indien eene diakonie een afzonderlijken bode heeft, die bezoldigd wordt, dan moet, naar mijn gevoelen, zulk een bode door de diakenen aangesteld en geïnstrueerd worden, en ook uit de diakoniekas bezoldigd worden.

Onze kerken hebben nu eenmaal (en terecht) twee geheel van elkander afgezonderde administratiën, eene voor den kerkedienst, d.i. voor den dienst van het Woord en Sacramenten met al wat daartoe behoort, en eene voor de diakonie, d.i. voor den dienst

|215|

der barmhartigheid met al wat daartoe behoort. De twee administratiën nu moeten m.i. uit elkander gehouden worden, zoodat geene ontvangst of uitgaaf, die bepaaldelijk bij de eene behoort, tot de andere gebracht wordt. Zoo men in een opzicht van dien regel afwijkt, waarom dan ook niet in andere opzichten, en waar is dan de grens?

Ook leert de ondervinding, dat het altijd zuiniger is, eene administratie hare eigene onkosten te laten dragen. In dat geval denkt men eerder aan bezuiniging (b.v. door, bij het openvallen van een bezoldigd postje, te overwegen of men er ook buiten kan). Wordt eene andere administratie er door gedrukt, dan gaan alle uitgaven altijd door; of wel, men krijgt een conflict.

Naar hetzelfde beginsel handelen ook onze kerken ten aanzien van de belangen, die aan algemeene deputaten zijn toevertrouwd. De noodzakelijke onkosten van die algemeene deputaten komen niet voor rekening van eene algemeene kas (gelijk b.v. de onkosten van generale Synoden), maar iedere administratie (zending, Theol. School, enz.) draagt hare eigene onkosten.

In het door u genoemde geval klinkt het mij eigenlijk nog al vreemd, dat diakenen willen bezuinigen, door de f 300,— bezoldiging van den Diakoniebode op de rekening van de kerkelijke administratie te brengen. Feitelijk toch komt dat hierop neer, dat de uitgaven voor de gemeente met f 300,— verhoogd worden. Immers, het geld moet toch altijd van de gemeente komen; de kerkelijke administratie heeft het zeker niet over en moet dus meer van de gemeente vragen; en de diakonie zal wel niet van plan zijn aan de gemeente te zeggen, dat men haar nu maar wat minder moet geven. De voorgenomen bezuiniging zou dus alleen kunnen maken, dat de diakonie wat meer had om uit te deelen; maar de gemeente, van welke beide administratiën hare inkomsten krijgen, zou f 300,— meer aan de kerkelijke administratie moeten verschaffen. En de bezuiniging zou dus ten slotte neerkomen op eene vermeerdering der verplichte uitgaven met f 300,—. Het zou eenigszins zijn, als wanneer in een huishouden (dat ook vaak twee administratiën heeft, die van de huisvrouw met haar huishoudgeld en die van den man als de algemeene kas) eene uitgave, die tot dusver uit het huishoudgeld bestreden werd, voortaan voor rekening

|216|

kwam van de algemeene kas, zonder dat het huishoudgeld werd verminderd. De huisvrouw zou dan zeker wat ruimer kunnen huishouden; maar de man zou dan toch wel merken, dat hij nu per jaar meer geld moest uitgeven. En zou dat een maatregel van bezuiniging kunnen heeten?

Bezuiniging zou er zijn, indien een bezoldigd postje voortaan door vrijwilligersdienst werd waargenomen. In dien zin hebben we hier in Amsterdam bepaaldelijk voor de kerkelijke administratie, veel bezuinigd. Natuurlijk laat men de menschen, die nu eenmaal zulk een postje lang gehad hebben, niet heengaan. Maar bij hun uitvallen kan beproefd worden, voor dat werk vrijwilligers uit de gemeente te vinden. Zoo b.v. het bezorgen en ophalen van brieven, gelden, enz, waarvoor hier meer dan 100 man wekelijks ieder een paar uren over heeft. Evenals het bewaren van plaatsen en het orde houden in de kerken, het voorlezen, het orgelspelen, enz. Dat is inderdaad bezuiniging, omdat daardoor voor de gemeente eene uitgave wegvalt. En voorts heeft ook in andere opzichten het mede-arbeiden en mede-leven van de gemeente veel aanbevelenswaardigs.

 

(1910.)

95. Eene principieele beschouwing over de verhouding van de diakonie tot den kerkeraad en tot de gemeenteleden is natuurlijk in de ruimte van een brief niet te geven. En over kleine quaesties, die zich daarbij kunnen voordoen (gelijk nu bij u het geval schijnt te zijn) kan ik niet precies adviseeren, omdat hierbij kennis noodig is van de bestaande regelingen, gewoonten, beschouwingen, enz., en ook van personen en omstandigheden, veel meer dan ik door schriftelijke, of ook mondelinge, mededeelingen zou kunnen hebben.

In het algemeen kan ik slechts zeggen, dat ik, voor zooveel het door u genoemde punt betreft, voor u raadzaam zou achten, het daarheen te leiden, dat de kerkeraad (met diakenen) van a.s. Dinsdag uitspreke, dat hij zeer goed acht, dat de diakonie in eene samenkomst van gemeenteleden (eene „samenkomst”, niet eene „vergadering”, die als zoodanig zou kunnen besluiten, stemmen

|217|

enz.) mededeeling doet over de diakonale administratie, op eventueele opmerkingen antwoordt en op eventueele vragen inlichtingen geeft, mits de formeele goedkeuring van de diakonale rekening, na onderzoek door den kerkeraad, bij dezen verblijve, en mits in de bedoelde samenkomst van gemeenteleden de bespreking van diakonale aangelegenheden geheel afgescheiden blijve van de bespreking van het kerkelijk beheer (zoodat b.v. het eene aan de orde komt, als het andere is afgehandeld), en mits de diakonale rekening ook ter visie ligge voor alle gemeenteleden (b.v. een uur vóór de bedoelde samenkomst).

Rutgers, F.L. (1921) 57a

57a. Mogen  diakenen de namen der ondersteunden aan andere commissies, vereenigingen enz. mededeelen?

 

(1901.)

96. Mij dunkt, dat diakenen de namen hunner ondersteunden niet aan de voogden van het Gasthuis kunnen opgeven, noch daardoor of op eenige andere wijze zich onder controle van die voogden kunnen stellen. Indien zulke afhankelijkheid geëischt wordt (en naar het schijnt door alle andere kerkelijke gezindten aanvaard is), moeten onze diakenen m.i. van die subsidie afzien. Zouden die voogden niet te overtuigen zijn, dat zij diakenen in het besteden der subsidie wel kunnen en moeten vertrouwen?

Rutgers, F.L. (1921) 58

58. Welke kerk moet ondersteuning verleenen aan behoeftige gecensureerde leden, die bij verhuizing geen attestatie overleggen?

 

(1910.)

97. Ge vraagt mijn oordeel inzake een verschil over diakonalen onderstand tusschen de kerk van X en die van Y.

Om zulk een oordeel met de noodige stelligheid en volledigheid te kunnen hebben en dus te kunnen geven, zou ik van de omstandigheden dezer zaak nog veel meer moeten weten, dan uw reeds uitvoerig schrijven mij mededeelt, en zou ik ook van den kerkeraad van Y moeten weten, op welke gronden deze gemeend heeft te moeten handelen gelijk hij deed; naar den regel dat men, om in

|218|

een geschil goed en billijk te kunnen oordeelen, beide partijen moet gehoord hebben.

Voor zooveel ik door uw mededeelingen met de zaak bekend ben, zou ik zeggen, dat de door u bedoelde man en vrouw op het oogenblik buiten alle kerkelijk verband staan, aangezien zij in X wonende, niet tevens lid kunnen zijn van een andere kerk dan die van X, en toch door die kerk niet als lid hebben kunnen aangenomen zijn, omdat ze geen attestatie (zij het ook een ongunstige) te X hebben ingediend.

Om weer in een kerkelijk verband te komen, moeten die menschen dus één van deze twee dingen doen: òf bij den kerkeraad van hun laatste woonplaats d.i. Y, een attestatie aanvragen naar X (ook al zou die attestatie dan van veel ongunstigs moeten getuigen, daar zij beiden in Y onder censuur gesteld zijn), en op die attestatie zou dan X hen als leden te erkennen hebben (natuurlijk met handhaving der censuur); òf zij zouden metterwoon naar Y moeten terugkeeren, waar zij nog niet als lid op het lidmatenboek zijn afgeschreven, en waar zij dus vanzelf weer lid zouden zijn van de kerk van Y. Hunne attestatie (waarmee zij indertijd naar de kerk van Y kwamen), zal daar wel niet meer berusten, daar alle attestaties, zoodra zij ergens zijn ingediend en tot inschrijving op het lidmatenboek geleid hebben, vanzelf haar beteekenis verloren hebben, en dus niet bewaard worden, tenzij er iets bizonders op staat, dat nog zou moeten te pas komen. Maar (en dit is de zaak waar het op aankomt) zij staan daar nog als lid in het lidmatenboek.

Bij dezen stand van zaken is er m.i. wel iets vóór te zeggen, dat beide diakonieën, die van Y en die van X, ten aanzien van die menschen, wanneer ze werkelijk door ouderdom enz., onmogelijk in eigen behoeften genoegzaam voorzien kunnen, eene christelijke roeping hebben. Niet een formeele wettelijke verplichting; want (nu nog daargelaten dat een hulpbehoevende nooit iets van een diakonie te eischen heeft), deze menschen staan formeel buiten alle kerkelijk verband. Maar, wanneer sprake is van christelijke roeping, blijft men bij het formeele niet staan. En dan heeft m.i. Y hier een roeping, omdat die menschen eigenlijk aldaar thuis hooren, en ook liefst wonen, en omdat ze

|219|

aldaar nog als lid der kerk te boek staan; en X heeft hier ook een roeping, omdat die menschen thans te X wonen, en indien zij attestatie indienen, aldaar ook lid kunnen worden van die kerk.

In zulke gevallen is het altijd het beste, dat men door onderhandeling en samenspreking tot een schikking komt, zodat Y zich niet aan die menschen onttrekt, ook niet als zij door indiening eener attestatie tot de kerk van X gaan behooren; aangezien zij toch reeds in Y door de diakonie ondersteund waren, en aangezien dit natuurlijk zou te continueeren zijn wanneer zij naar Y terugkeerden, en aangezien zij reeds als diakonaal-gesteunden uit Y in X kwamen.

Voor zooveel ik van Y iets af weet, heb ik nog al goede gedachten van de goede gezindheid van den kerkeraad aldaar, om tot een billijke schikking te komen.

Mocht het onverhoopt anders zijn, dan is de kerkelijke weg, dat de zaak bij de Classe gebracht wordt; en aangezien Y niet hoort tot de Classe X, maar tot de Classe Z, zou een klacht over den kerkeraad van Y dus door de kerk van X bij de Classe Z zijn in te dienen, natuurlijk niet vóórdat gebleken was, dat onderhandelingen tusschen de beide kerken vruchteloos waren.

Maar ik schrijf dit alles onder de reserve, die ik reeds van den aanvang maakte, n.l. dat ik van de zaak niet zóó op de hoogte ben, dat ik er beslist en volledig over zou kunnen oordeelen.

Rutgers, F.L. (1921) 59

|220|

Artikel 27.

De Ouderlingen en Diakenen zullen naar plaatselijke regeling twee of meer jaren dienen, en alle jaar zal een evenredig deel aftreden. De aftredenden zullen door anderen vervangen worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige Kerk, bij de uitvoering van Artt. 22 en 24, eene herkiezing raadzaam maakten.

 

59. Zijn aftredende kerkeraadsleden terstond herkiesbaar?

 

(1896.)

98. Indien met betrekking tot ouderlingen of diakenen, wier diensttijd, waarvoor zij benoemd werden, om is, door den kerkeraad wenschelijk geacht wordt, dat zij nog een diensttijd blijven dienen, dan kan daartoe zeker niet besloten worden buiten de gemeente om. En dan dunkt mij altijd het eenvoudigst en het best (ook tot vermijding van clericalisme of overheersching des kerkeraads, gelijk vooral in kleine kerken anders licht zou voorkomen, en tot vermijding ook van den schijn daarvan), dat de gemeente er bij geraadpleegd wordt en medewerke op dezelfde wijze als waarop dit ook geschiedt bij de eerste aanwijzing van een diensttijd. Ik zou ook geenerlei reden weten, waarom de kerkeraad zulke aftredende ouderlingen of diakenen niet op het dubbel getal zou plaatsen en alzoo de gemeente over hun vernieuwden dienst zou hooren. Ook bij hen is dan de gewone voorstelling aan de gemeente zeker noodig. Dat eene nieuwe bevestiging dan absoluut noodig is, zou ik niet durven zeggen: trouwens, de bevestiging is bij geenen dienst de hoofdzaak. :Maar ik acht toch beter, dat de stipulatie van den nieuwen dienst niet eenvoudig geschiede tusschen den kerkeraad en den gecontinueerden broeder, maar ook openlijk voor de gemeente. Evenals dit ook geschiedt bij een beroepen predikant, bij wien de dienstplaats verandert. Immers bij een gccontinueerden

|221|

ouderling of diaken verandert ook den diensttijd, daar de oude, waarvan gestipuleerd was, om is; en zijn ambt is ook gewichtig.

 

(1903.)

99. Gij vraagt mij: Op welke gronden de bepaling, dat ouderlingen en diakenen periodiek moeten aftreden (art. 27 K.O.) berust: — waarom de naleving van dat artikel gewenscht is; — en wat er tegen is aan te voeren, daar bedoelde ambten niet voor het leven zijn.

Gaarne zou ik die vragen van u beantwoorden; maar dat kan niet in een brief, ook al zou die van grooten omvang zijn. De Heraut-stukken, die daar indertijd over handelden, besloegen vele kolommen; en toen ik voor eenige jaren op mijn college dit punt behandelde, had ik er ook wel een uur voor noodig.

Maar voor de B.B. in X is dat eigenlijk ook niet allereerst noodig. Immers, de bepaling staat in de Kerkenordening, die in en voor alle onze kerken geldt. En nu zou het toch niet aangaan, dat een kerkeraadslid weigerde ze op te volgen, tenzij eerst ook aan hem werd aangetoond, dat die bepaling goed is. Dit zou men dan wel bij alle artt. der K.O. kunnen verlangen; en dat zouden alle gemeenteleden dan ook kunnen verlangen met betrekking tot iedere kerkeraadsregeling! Men heeft zulke regelingen eenvoudig op te volgen, tenzij men kan aanwijzen, dat zij strijden met een uitgedrukt Woord Gods.

En dat heeft niemand nog ooit beweerd, of kunnen beweren, met betrekking tot de aftreding van ouderlingen en diakenen. Meent iemand, dat die niet behoorde te geschieden, dan moet hij, zoo hij de zaak daarvoor gewichtig genoeg acht, haar aanhangig maken bij kerkeraad, Classe en Synode, opdat, als de Generale Synode ook zoo oordeelt, de K.O. gewijzigd worde. Maar dan moet de klager of bezwaarde natuurlijk gronden aanvoeren; want een bestaande regeling kan alleen op voldoende motieven veranderd worden.

Ik denk echter niet, dat eene Generale Synode die regeling ooit zal wijzigen. Bij Gereformeerden is de tegenzin tegen hierarchie

|222|

(welke tegenzin wel voornaamste motief is voor de bepaling) en de geneigdheid om de rechten der gemeenteleden en hun invloed niet te verkorten, altijd sterk genoeg.

 

(1903.)

100. Artikel 27 K.O. bedoelt zonder twijfel, als regel te stellen, dat ouderlingen en diakenen twee jaren dienen, en dan eerst na verloop van een jaar weer herkiesbaar zijn.

Dit was van het begin der Reformatie af in onze kerken alzoo bepaald, omdat (gelijk onderscheidene Synodes der 16e eeuw daarbij als motief uitspraken) de lasten van die diensten zóó groot waren, dat van niemand mocht geëischt worden, een aantal jaren achtereen daarin werkzaam te zijn (immers bedanken voor een benoeming mocht niet), en ook wel (gelijk soms ook werd uitgesproken), opdat door wisseling des te beter eene regeering van weinigen zou worden voorkomen.

In de 16e , 17e en 18e eeuw is dan ook, althans in de grootere gemeenten en voor zoover de Overheid ze niet tot iets anders dwong, eene onmiddellijke herkiezing van aftredende ouderlingen en diakenen nimmer voorgekomen, of althans uiterst zeldzaam geweest,

Toch is die regel daarom nooit beschouwd als een soort van onveranderlijk „Gereformeerd beginsel”.

In de kerk, die voor alle Geref. kerken min of meer als model diende, n.l. de kerk van Genève, gelijk die onder leiding van Calvijn georganiseerd was, werden jaarlijks aftredende ouderlingen die wèl gediend hadden en konden blijven dienen, op advies van Calvijn en de andere B.B. telkens herkozen. Niet zóó, dat herkiezing er regel was, maar het gebeurde toch vaak.

En desgelijks beschouwt ook Voetius (b.v. Pol. Eccl. III 466 en 471 vg.) in aansluiting aan andere Geref. theologen, het „tweejaarlijksche” van dien dienst volstrekt niet als iets wezenlijks, maar als iets bijkomstigs, ’t welk ook wel anders kan geregeld worden; en hij raadt zelfs aan, om, waar dit mogelijk is, het twee-jarig te veranderen in drie-, vier- of vijfjarig.

Dit kan thans te eerder; 1º omdat er thans in groote

|223|

gemeenten betrekkelijk veel meer ouderlingen en diakenen zijn dan in vroeger eeuwen, toen er doorgaans niet meer ouderlingen waren dan predikanten (in Amsterdam b.v. tot in de 19e eeuw, slechts 28 ouderlingen terwijl het zielental der Geref. kerk reeds in de 17e eeuw meer dan 100.000 was, en daarna nog veel meer); en 2º omdat volgens de usantie de ouderlingen thans veel minder tijd besteden aan huisbezoek, enz., ’t geen hun in de 16e tot 19e eeuw zóóveel tijd kostte, dat zij er bijna geen ander werk of bedrijf bij konden waarnemen.

Hier in Amsterdam is de diensttijd dan ook nu op vier jaren gesteld (terwijl dan bovendien meestal nog herkozen wordt).

En voorts staat reeds in art. 27 K.O. (en stond er van den beginne af), dat eene kerk van den gestelden regel ook wel mag afwijken, als haar profijt enz. zulks vereischte. Waarbij echter altijd zaak is, dat niet de kerkeraad alléén (wier leden hierbij juist persoonlijk betrokken zijn) zulks uitmake, maar de gemeente mede beslisse, doordat op de twee dubbelgetallen (één voor ouderlingen en één voor diakenen) ook de aftredenden, die in termen vallen, mede voorkomen. De gemeente kan dan uitmaken, of zij die nu thuis wil laten, of wel bij vernieuwing tot dienst roepen, ook al is hun vorige dienst pas afgeloopen.

Wat nu eindelijk de vraag betreft, of onmiddellijke herkiezing thans al dan niet gewenscht is, — is er vóór en tegen te zeggen. Er vóór is vooral, dat men door herkiezing bijzonder geschikte B.B., die van huisbezoek enz., bijzonder werk kunnen maken en die ook begrip hebben van kerkregeering, lang achtereen in den dienst kan houden. En daar staat tegenover, dat men dan minder bekwame B.B., en die minder tijd aan hun dienst geven of kunnen geven, ook lang achtereen in den dienst houdt; want men kan wel zeggen, dat men die dan niet ter herkiezing moet voordragen of niet moet herkiezen; maar de ondervinding leert, dat dit dan doorgaans zeer kwalijk wordt genomen en zelfs als een publiek affront wordt beschouwd; en daardoor komt men er dan vanzelf toe, alle aftredenden, die nog weer ouderling willen worden, ook eenvoudig allen te herkiezen; zoodat de winst van het blijven van zeer geschikte B.B. weer opgewogen wordt door de schade van het eveneens blijven van minder geschikte; terwijl men voorts

|224|

de zeer geschikte na één jaar stilzitten toch weer nemen kan.

Dit alles in de onderstelling, dat er steeds een genoegzaam aantal zeer geschikte, en die den noodigen tijd hebben, voorhanden is! Waaraan het in groote gemeenten vaak ontbreekt; althans hier in Amsterdam. In X heeft de Gereformeerde burgerij misschien meer tijd beschikbaar, maar hier zou absolute niet herkiezing heel wat „ouderlingen” doen optreden, die het slechts voor een deel werkelijk waren, en die van kerkregeering weinig wisten.

 

Hiermede is uwe vraag kortelijk beantwoord, voor zooveel dit in een brief kan. Maar uw schrijven geeft mij aanleiding er nog iets aan toe te voegen.

Ik zie n.l. uit uwe mededeelingen, dat in X de mannenvereeniging „Voetius” opgetreden is bij de benoeming van ouderlingen en diakenen als een soort van „kerkelijke kiesvereeniging”, die door middel van vereenigingsbesluit, circulaires, persoonlijk bezoek, enz. de benoeming van de door haar gewenschte personen heeft trachten te bevorderen en door te zetten.

Hiermede nu is die vereeniging, naar mijne overtuiging, op een gansch verkeerden weg geraakt, en is zij geheel in oppositie met „Gereformeerde beginselen”, en met de kerkrechtelijke leer van Voetius, naar wien zij heet.

Zonder twijfel mag en moet zulk eene vereeniging (wier bestaan op zichzelf zeer goed kan werken, mits zij binnen de perken blijft) de quaestie, of onmiddellijke herkiezing van ouderlingen en diakenen al dan niet gewenscht is, en evenzoo de quaestie van den diensttijd, en dergelijke meer, op hare samenkomsten aan de orde stellen en behandelen (liefst met voorlichting van een of meer dienaren des Woords); maar dan altijd geheel in het algemeen, zonder formeele toepassing op concrete, aan de orde zijnde verkiezingen; en zonder zich als vereeniging formeel over die quaestie uit te spreken, of zelf als zoodanig practisch te gaan ingrijpen in de verkiezing zelve.

Langs dien weg opgaande, treedt zij op als een soort van independentistische congregatie, wier bestuur een soort van leiding heeft bij kerkelijke zaken, onafhankelijk van, en zelfs allicht tegenover den kerkeraad, die toch het wettig bestuur der gemeente is, en die als zoodanig de leiding moet hebben, ook bij alle verkiezingswerk.

|225|

In het Hervormd genootschap waar nu eenmaal allerlei soort van ongeloovigen waren ingedrongen, was juist daardoor onvermijdelijk, dat „de Gereformeerden” ook als een partij optraden. Maar dat was toch natuurlijk abnormaal; en het mag in Geref. kerken volstrekt niet. In den staat, met zijn vele partijen, is zoodanig optreden nog altijd onvermijdelijk. Maar in de kerk toch zeker niet! Zonder twijfel mag en moet ieder lid kerkeraadshandelingen ook mede beoordeelen, en bij verkiezingen naar eigen inzicht stemmen, en zich met anderen vereenigen tot onderlinge stichting of onderwijzing. Maar dat alles is geheel iets anders dan het zich constitueeren als een comité van actie. Dit laatste is in beginsel, en wordt op den duur ook feitelijk, iets separatistisch of sectarisch of schismatiek; tot groote geestelijke schade voor de gemeente.

Het doet mij dan ook zeer leed, dat „Voetius” thans dien weg eenigszins opging. Gelukkig mag ik denken, dat men dit niet zoo heeft bedoeld. Ik ken onderscheidene leden van „Voetius”, en meen wel te weten, dat men daar werkelijk langs Gereformeerde lijnen wil wandelen, in het spoor van Voetius zelven, en tot wezenlijken opbouw der gemeente. Ik hoop, dat men daarom ook zal inzien, dat het laatste optreden een fout geweest is, en dat gij zelf ook wel in dien zin in uw kring zult werken.

 

(1903.)

101. Het besluit, dat uw kerkeraad ten vorige jare nam, om, volgens art. 27a K.O., aftredende ouderlingen en diakenen niet terstond herkiesbaar te stellen, maar door anderen te doen vervangen, blijft in uwe kerk natuurlijk gelden, zoolang het niet ingetrokken of gewijzigd is.

Indien dus thans een aftredende tot herkiezing was voorgesteld, zou dit eene fout van den kerkeraad zijn geweest; want die broeder was dan thans niet benoembaar. En indien hij toch benoemd was, zou dit eene onwettige verkiezing geweest zijn; dus van nul en geener waarde. De kerkeraad zou dan nu zijne fout moeten erkennen, en een nieuw dubbelgetal voordragen.

|226|

Maar uit uw schrijven blijkt, dat dit geval zich in het geheel niet heeft voorgedaan. Er is geen aftredend ouderling tot herkiezing voorgesteld, noch ook een aftredend diaken. De plaatsen der aftredenden zijn inderdaad alle door anderen vervuld; geheel volgens art. 27a K.O. en volgens het kerkeraadsbesluit. Alleenlijk is een aftredend diaken nu terstond tot ouderling benoemd. Maar wat is daar nu tegen? Dat zijn toch immers verschillende ambten; waarvoor dan ook speciaal gekozen wordt. Men benoemt immers geen „kerkeraadsleden” (’t geen art. 27a terecht niet zoo noemt, en ’t geen zelfs ongerijmd zou zijn), maar „ouderlingen” en „diakenen”. Als dan een „diaken” tot „ouderling” wordt gekozen, treedt hij wel degelijk af, nl. als diaken; en zijn plaats, n.l. als diaken, wordt door een ander vervuld. Maar waarom zou hij dan niet benoembaar zijn voor geheel andere functie? Ik kan niet anders zien, dan dat de afkondiging en bevestiging kan en moet doorgaan.

 

(1904.)

102. De moeielijkheid, waarin uw kerkeraad nu verkeert, heeft, voor zoover ik uit uw schrijven de zaak nu ken, haar oorzaak en aanleiding in twee handelingen van het vorige jaar, die m.i. niet goed, althans niet voorzichtig waren.

Vooreerst heeft de kerkeraad toen besloten, aftredende ouderlingen. en diakenen in geen geval te herkiezen, zelfs niet in het geval waarin art. 27 K.O. de herkiezing met zooveel woorden vrijlaat en zelfs aanbeveelt. En dat is besloten, ook terwijl men weten kon, dat er in de gemeente geen overvloed was van werkelijk geschikt personeel.

En daarna heeft de kerkeraad over dit besluit de gemeente gehoord in een ledenvergadering, zelfs in die vergadering daarover laten stemmen, en alzoo het besluit laten „sanctioneeren” door eene soort van „vergadering” die onze K.O. en Kerkinrichting voor zulke doeleinden niet kent, en die eigenlijk ligt op de Independentistische lijn (de gezamenlijke leden een soort van bestuursmacht boven den kerkeraad, die slechts de uitvoerder wordt van den volkswil!)

Wat de kerkeraad nu te doen heeft, om schade voor de

|227|

gemeente te voorkomen, hangt af van allerlei omstandigheden die ik niet ken en die ik ook door een korte inlichting niet genoegzaam zou kunnen kennen. In geen geval echter kan de kerkeraad het genomen besluit eenvoudig niet uitvoeren. Hij moet dat besluit dan eerst intrekken, en een nieuw besluit nemen, om geheel, naar art. 27 K.O. te handelen (dus met de herkiesbaarheid, indien het profijt enz.). En hij zou dan de gemeenteleden in een samenkomst met hen zulks moeten mededeelen en toelichten (maar zonder erover te laten stemmen).

Maar of dit nu kan, zonder zooveel ontevredenheid te wekken, dat dit veel erger zijn zou dan de tijdelijke aftreding van een geschikten ouderling en de optreding van een minder geschikten, kan ik hier niet beoordeelen. In ieder geval is de kerkeraad voor elke benoeming verantwoordelijk (niet de gemeenteleden, al worden die ook gehoord, maar de kerkeraad zelf.) Verantwoordelijk voor elke benoeming; maar ook verantwoordelijk voor alle gevolgen, die uit zijne besluiten voortvloeien, ook wanneer die gevolgen in antipathie bij vele gemeenteleden bestaan.

Ziehier alles wat ik van het geval zeggen kan.

 

(1908.)

103. Ge deelt mij mede, dat uw kerkeraad het voorlaatste jaar besloten had, aftredende ouderlingen en diakenen, zoo mogelijk, niet aanstonds weer op het dubbelgetal ter benoeming voor te dragen; en dat dienovereenkomstig in November l.l., bij de aftreding van 2 ouderlingen, geen dier 2 op het dubbelgetal voor 4 gesteld werd; dat, toen een der 2 benoemden, van zijn benoeming ontslagen werd, de kerkeraad op een nieuw dubbelgetal juist de twee aftredenden plaatste; en dat hiertegen bezwaar kwam uit de gemeente; om welke reden ge nu mijn oordeel en advies vraagt. Gaarne geef ik u dat, met een paar woorden.

Tegen de samenstelling van het dubbelgetal, waartegen bezwaar is ingebracht, is formeel geen wettelijk bezwaar te maken; want de kerkeraad is daarin vrij, om naar zijn beste weten te handelen.

Maar inderdaad is in dit geval de handelwijze van den kerkeraad

|228|

wel zeer zonderling geweest. Bij deze aftreding waren er, blijkbaar, naar het oordeel van den kerkeraad zelve, buiten de aftredenden nog vier gemeenteleden, die voor ouderling geschikt waren, daar zij anders wel niet door den kerkeraad op het dubbelgetal hadden kunnen voorgedragen zijn. Hier was dus geen noodzaak om een aftredende te herkiezen; en dus moest, volgens het besluit van voorlaatste jaar, ook geen aftredende worden voorgedragen. En toch is dit nu geschied, zelfs met de beide aftredenden! Waarom dat nu geschied is, kan ik inderdaad niet begrijpen; en ik vind het zeer natuurlijk, dat ook velen in de gemeente dat niet begrijpen.

Nu kan de kerkeraad zonder twijfel, zijn laatste dubbelgetal handhaven. Maar als daartegen in de gemeente ernstig bezwaar is, schijnt mij zulke handhaving toch niet raadzaam. Om zulk eene reden moet geen ontevredenheid, en misschien blijvende onvrede, in de gemeente post vatten.

Indien ikzelf een der twee aftredenden was, dan zou ik aan de quaestie spoedig een einde maken, door te verklaren, dat ik thans in geen geval eene benoeming zou aannemen, (waartoe een aftredende recht heeft, ook zonder opgaaf van redenen; wie pas zijn dienst vervulde, heeft recht op rust, althans voor een jaar). Misschien vinden de twee aftredenden tot zulke verklaring ook zelven wel termen.

Beslist adviseeren: de kerkeraad verandere alsnog zijn dubbelgetal, kan ik moeilijk, daar ik met personen en omstandigheden in het geheel niet bekend ben. Maar in het algemeen schijnt mij dat in zulke gevallen wel verstandig; hier, niet zoozeer omdat velen in de gemeente het wenschen, als wel omdat de kerkeraad zelf wel eenigszins zonderling bij dit dubbelgetal heeft gehandeld.

Rutgers, F.L. (1921) 60

60. De bepaling van den diensttijd der ouderlingen historisch eenigszins toegelicht.

 

(Heraut van 26 Jan., 2 en 9 Febr. 1896.) [het slot van 23 febr. ontbreekt hier]

104. Met betrekking tot den diensttijd, waarvoor ouderlingen en diakenen benoemd worden, heeft de Kerkenordening der

|229|

Nederlandsche Gereformeerde kerken de aan ieder bekende bepaling (in de thans nog geldende redactie art. 27): „De ouderlingen en diakenen zullen twee jaren dienen, en alle jaar zal het halve deel veranderd en anderen in de plaats gesteld worden, ten ware dat de gelegenheid en het profijt van eenige kerken anders vereischte”.

Over deze bepaling is in den laatsten tijd bij herhaling gehandeld, in kerkelijke bladen en ook op kerkelijke samenkomsten. Daarbij is, gelijk in den aard der zaak ligt, vooral de geschiedenis van zoodanige tijdsbepaling ter sprake gekomen. En naar aanleiding van die historische beschouwingen krijgt nu de ondergeteekende herhaaldelijk brieven, waarin hem gevraagd wordt: 1º. of het waar is, gelijk beweerd wordt, dat de kerk van Genève in den tijd van Calvijn zulke periodieke aftreding niet kende, maar integendeel voor ouderlingen, evenals voor predikanten, een levenslangen dienst bepaald had; en 2º. hoe onze Nederlandsche Gereformeerde kerken aan zulke periodieke aftreding gekomen zijn, en of daarover in die kerken ook reeds vroeger wel eens gehandeld is.

Daar nu deze vragen wel wat veelomvattend zijn, om aan een aantal correspondenten afzonderlijk beantwoord te worden, schiet er wel niet anders over, dan hun allen een gemeenschappelijk antwoord te doen toekomen, en daarvoor de tusschenkomst van de Heraut in te roepen.

Niet, om door zulke openbare behandeling te bevorderen, dat aan de vele gewichtige quaestiën, die in onze kerken thans aanhangig zijn, ook nog dit, betrekkelijk minder gewichtige punt worden toegevoegd. Eerder, om zulks zooveel mogelijk te helpen voorkomen. En voorts, omdat altijd zaak is, wanneer bij eenige quaestie de geschiedenis wordt te hulp geroepen, dat men zooveel mogelijk afga, niet op onvolledige en onjuiste voorlichting, of op voorstellingen, waaraan geen genoegzaam onderzoek ten grondslag ligt, maar op de gegevens en berichten van de bronnen zelve, voor zooveel die thans voor ieder geopend zijn.

Aanleiding, om te waarschuwen tegen onjuiste voorstellingen, is er wel inzonderheid met betrekking tot de eerste vraag.

Het gevoelen van Calvijn, den geestelijken vader van bijna alle Gereformeerde belijdenissen en kerkenordeningen, en het voorbeeld

|230|

van de kerk, op wier inrichting hij een overwegenden invloed had, hebben in Gereformeerde kerken terecht altijd veel gewicht in de schaal gelegd. Het is dan ook alleszins begrijpelijk, dat men zich daarop gaarne beroept. Maar ten aanzien van het hier bedoelde punt kan dit zeker niet geschieden door degenen, die eene periodieke aftreding van ouderlingen afkeuren.

Het zou inderdaad ook vreemd zijn, wanneer dit van Calvijn en van de kerk, waaraan hij verbonden was, moest worden aangenomen.

Eenigszins reeds zou dit vreemd zijn, omdat destijds in Genève op burgerlijk gebied aan ambten en bedieningen in het algemeen slechts een tijdelijk karakter werd toegekend. Op zichzelf kan een ambt natuurlijk evengoed levenslang als tijdelijk zijn. Dat hangt af van den inhoud der opdracht. In Genève nu had men voor de overheid deze regeling, dat in alle colleges en voor alle ambten vaste jaarlijksche aftreding was. En zoo lag het meest voor de hand, die ook voor den dienst der ouderlingen aan te nemen; vooral omdat, door de te Genève bestaande betrekking tusschen Kerk en Staat, de benoeming van ouderlingen, althans nominaal en formeel, door een zelf telkens wisselend overheidscollege geschiedde.

Nog een ander feit, dat niet minder bekend is, mag hier ook in aanmerking komen. Op de kerken, die in Frankrijk en in Nederland tot reformatie kwamen en zich als Gereformeerde kerken constitueerden, heeft Calvijn een overwegenden, bijna onbeperkten invloed geoefend; deels persoonlijk en rechtstreeks, deels door middel van zijne leerlingen. En nu hebben juist die kerken (gelijk trouwens ook in andere landen wel geschiedde) van den aanvang af in hare kerkenordeningen opgenomen, dat de dienst van ouderlingen niet voortdurend zijn zou, maar met vaste jaarlijksche aftreding. Dit zou wel onverklaarbaar zijn wanneer Calvijn zelf van een ander gevoelen geweest was, en wanneer de kerk van Genève een geheel ander voorbeeld had gegeven.

En, om nog iets te noemen, het is evenzeer van algemene bekendheid, dat Calvijn voortdurend gestreden heeft tegen alle hiërarchie en clericalisme. Hij heeft telkens in het licht gesteld, hoe de oude Christelijke kerk door de werking van dien zuurdeesem was bedorven. Hij heeft de Gereformeerde kerken gedurig tegen dat gevaar gewaarschuwd. En hij heeft ook in Genève zelf

|231|

gedaan wat in zijn vermogen was, om het recht der gemeente te handhaven en om haar tegen overheersching van menschen te beveiligen. Daarmede nu zou wel niet te rijmen zijn, dat hij de periodieke aftreding van ouderlingen, het beste en misschien noodzakelijke middel tegen wederinsluiping van clericalisme, zou hebben ter zijde gesteld of zelfs afgekeurd.

Intusschen, we hebben deze en dergelijke overwegingen hier niet eens noodig; want er is ook een rechtstreeksch getuigenis. En dan een getuigenis, dat zóó duidelijk is en zóó bekend, dat er over het bedoelde punt eigenlijk zelfs geen quaestie of verschil bestaan kan.

Immers, deze zaak was geregeld in de kerkenordening, die in het najaar van 1541, terstond na Calvijns terugkeer uit de ballingschap, op zijn voorstel en met zijn advies voor de kerk van Genève was vastgesteld (gedrukt o.a. in de compleete, d.i. in de Brunswijksche uitgave van Calvijns werken, Vol. X, pag. 15 vg.). En die regeling van den diensttijd der ouderlingen was van dezen inhoud (a.w., blz. 23): „Au bout de lan, apres avour eslieu le conseil, quilz se presentent a la seygneurie, affin quilz regardent silz les debveront continue ou changer. Combien quil ne seroit expedient de les changer souvent sans cause, quand jlz se acquiteront de leur debvoir fidellement”; d.i : „Als het jaar om is na de Raadsverkiezing (d.i. nadat de overheidscolleges door de periodieke aftreding en door de volkskeuzen vernieuwd zijn), zullen de ouderlingen voor de overheid verschijnen, opdat deze beoordeele (nl. met advies der predikanten), of men hen zal continueeren of door anderen doen vervangen. Hoewel het niet dienstig zijn zou, hen dikwijls zonder reden te doen vervangen, wanneer zij zich getrouwelijk van hunnen plicht kwijten”. Bij de eerste instelling van eenen kerkeraad werd dit zoo bepaald. En bij de herziening en uitbreiding van de kerkenordening in 1560 en 1561 werd dit artikel onveranderd, zelfs woordelijk, overgenomen (a.w. blz. 101).

In Genève was de zaak dus zóó geregeld, dat, evenals de overheidspersonen, zoo ook de 12 ouderlingen ieder jaar, in Februari, benoemd werden, en dan telkens voor den tijd van één jaar, na welks afloop hun mandaat weder ter beschikking was. Dus eene vaste jaarlijksche aftreding. En natuurlijk wordt dit feit niet veranderd, of zelfs ongedaan gemaakt, door de omstandigheid dat ouderlingen, die

|232|

goed gediend hadden (hetgeen destijds in Genève nog al wat inhield) konden gecontinueerd worden, noch ook door de bijvoeging, dat het niet goed zou zijn hen dan toch altijd maar door anderen te vervangen. In Gereformeerde kerken is altijd en door ieder erkend, dat het niet geraden is, allerminst in groote kerken, telkens, en zelfs ieder jaar een geheel nieuw stel ouderlingen te doen optreden. Maar in die erkenning kan natuurlijk nooit zijn opgesloten, dat men dus in het geheel geen periodieke aftreding aanneemt. En dit wordt zelfs ganschelijk uitgesloten, wanneer zulke aftreding tevens genoemd wordt, en zelfs duidelijk en uitdrukkelijk wordt bepaald. Om het nog eens op te helderen met een voorbeeld uit den tegenwoordigen tijd: wanneer iemand thans een ambt heeft, dat een tijdelijk karakter draagt, b.v. dat van burgemeester of ouderling, dan zal dikwijls wenschelijk zijn, dat hij, als zijn diensttijd om is, herbenoemd of gecontinueerd worde; maar al zou dit ook telkens geschieden, de bepaling van aftreding is dan daardoor toch niet weggevallen; ook al zou hij metterdaad zijn geheele leven dienen, hij was toch benoemd voor een dienst, die niet levenslang was, maar waarvan de opdracht geschiedde voor den van tevoren bepaalden tijd.

Vraagt men, hoe het dan toch mogelijk is, dat men aan de Geneefsche Kerkenordening juist het tegendeel toeschrijft van hetgeen er uitdrukkelijk in staat, dan is de verklaring van dit verschijnsel denkelijk hierin te vinden, dat men voor de geschiedenis van de inrichting der Gereformeerde Kerken wel eens wat teveel afgaat op het bekende werk van Dr. G.V. Lechler, „Geschichte der Presbyterial- und Synodalverfassung seit der Reformation” (in 1854 verschenen als bekroond antwoord op eene prijsvraag van „het Haagsche Genootschap tot verdediging van den Christelijken godsdienst”). Een boek, waaruit zonder twijfel veel is te leeren, maar dat, zooals ieder, die den schrijver wel eens gecontroleerd heeft, bij ervaring weet, toch volstrekt niet kan beschouwd en behandeld worden alsof het in alle opzichten een betrouwbare gids was. Het geeft zeker heel wat meer, dan men van een Duitscher, uit de Luthersche kerk, kon verwachten. Maar wie zelf Gereformeerd is, kan toch de Gereformeerde kerken vaak beter begrijpen. En voorts zijn de laatste vijftig jaren juist bijzonder vruchtbaar geweest voor historische studiën, ook met name voor de studie

|233|

der Gereformeerde kerken; zoodat veel, dat Lechler nog niet weten kon daar het in archieven verborgen was, thans van algemeene bekendheid is geworden.

Lechler begint nu wel met goed op te geven wat de bepaling was der Geneefsche Kerkenordening (blz. 43); maar concludeert daaruit dan aanstonds: „somit ist nicht Wechsel, sondern Lebenslänglichkeit die Regel”; en na dit later nog eens herhaald te hebben (blz. 48), wordt in het dan volgende van die mogelijke wisseling niet eens meer gesproken, en in de quaestie van „Lebenslänglichkeit” of „Nichtlebenslänglichkeit der Aeltesten” Calvijn en Genève geheel en beslist aan de zijde der voorstanders der „Lebenslänglichkeit” geplaatst (blz. 61, 101, 152). Het is deze voorstelling, die door velen eenvoudig is overgenomen, en waaruit ook nu nog veel misverstand volgt.

Dat zij gansch onjuist is, moest eigenlijk reeds in het oog vallen, door de eigen bepaling der Geneefsche Kerkenordening. Maar in onzen tijd heeft men nog veel meer, nu in de compleete uitgave van Calvijns werken een groot gedeelte van de notulen der Geneefsche Overheidscolleges is uitgegeven (Vol. XXXI, pag. 181 vgg.), en nu ieder daaruit zien kan, hoe de genoemde bepaling bedoeld was en toegepast werd. Volgens het onwraakbaar getuigenis van die notulen was het waarlijk niet de regel, dat wie eenmaal tot ouderling gekozen was, als zoodanig eenvoudig in dienst bleef. Dat geschiedde zelfs nooit. Jaar op jaar werd de bepaling over aftreding en benoeming van ouderlingen stiptelijk in practijk gebracht. En de wijze, waarop men daarbij te werk ging, was zelfs even formeel en even plechtig, als bij de verkiezing van burgemeesters enz. gebruikelijk was. Aan de laatstgenoemde verkiezingen ging altijd vooraf, dat Calvijn werd uitgenoodigd en toegelaten, eerst in den kleinen Raad, een paar dagen later in den Raad der Tweehonderd, en wederom een paar dagen later in den Algemeenen Raad (de volksvergadering van alle burgers), om in alle die vergaderingen, met het oog op de aanstaande verkiezingen, eene „exhortation” of religieus-politieke toespraak te houden. En wanneer dan die verkiezingen waren afgeloopen, moest hij nog eenmaal in den Raad verschijnen, om de benoeming van ouderlingen wederom in te leiden door eene daarop toepasselijke

|234|

vermaning. Hierop volgde de benoeming zelve. En deze bestond dan, deels in continuatie, wederom voor den tijd van één jaar, (waarbij zeker wel nooit is voorgekomen, dat allen zonder onderscheid gecontinueerd werden), deels in vervanging van de aftredenden door nieuw-gekozenen. In de laatste jaren van Calvijns werkzaamheid, toen er in Genève eindelijk eene overheid was, die hem niet meer zooveel mogelijk tegenwerkte, heeft hij te dien aanzien nog gedaan gekregen, dat er voor de benoeming der ouderlingen ruimer keuze zou zijn, dat de gezamenlijke predikanten ieder jaar over die benoeming zouden adviseeren, en dat zelfs eene voordracht door hen zou gedaan worden van de broeders, wier verkiezing zij wenschelijk achtten.

Ten bewijze volgen hier eenige uittreksels uit de bovenbedoelde „Registres du Conseil”. Zij zijn wel wat lang om ze alle te vertalen; maar voor velen zal het Fransch wel geen bezwaar opleveren; en de hoofdinhoud is ook in het bovenstaande reeds vermeld.

„Jeudi 11 Février 1552. Par lorgane de M. Calvin sont faictes remonstrances de avoyr bon advis sus lelection des Sgrs.assistans au Consistoire. Est a este advise et faicte election des Sgrs. du consistoire: oultre ceux du conseil ordinaire de lannee passee qui sont demores sont esluez: le Sr. Sindique Philippin, Claude de Letra", enz. (in het geheel 12 namen),

„Mercredi 12 Février 1556. Election des Srs. auditeurs du consistoire. Icy suyvant la coustume est appelle M. Calvin pour suyvre a lelection du consistoire, lequel a fait bon raport des Seigneurs qui y sont este lannee passee, requerant totesfois en procedant a lelection avoir regard a ceux que ayent la crainte du seigneur pour ediffier tousiours de plus en plus: parquoy est suyvy et procede (Sont élus le Syndic Migerandi et douze autres membres. L'élection est ratifiée le lendemain par les Deux-cents).

„Jeudi 11 Février 1557. Icy suyvant la coustume a este ouy M. Calvin es remonstrances sainctes faictes pour lelection quest a faire du Consistoire et notamment que dautant le gouvernement de ceste cite despend de Dieu que aussi on advise quil soit honore et pource que le Consistoire est pour reprendre et veiler sur les vices que on aye regard a choisir gens de bonne vie creignans Dieu affin quilz soient exemple aux autres et soient tant plus

|235|

voluntaires a faire honorer Dieu. Quant a ceux de lannee passee que on ne sen pourroit pas autrement plaindre: toteffois quil seroit a desirer que le tout allast tousiours mieux. Parquoy conclut que on advise que ceux qui seront esleus souient qualifiez comme il a dit affin que Dieu notre protecteur soit honore.

„Mardi 8 Février 1558. Election du Consistoire. Icy est entre le Sr. Calvin en ses chrestiennes remonstrances de bien proveoir en ceste audience etc.

„Mardi 30 Janvier 1560. Calvin et Viret ministres … ont propose quil y a plusieurs gens de bien qui desireroient que la poliice ecclesiastique tochant le Consistoire soit mieux separee de la iuridiction temporelle comme au temps de lancienne eglise il en estoit: mesme que autrefois au commencement de la reformation on ne lentendoit pas ainsi comme aussi les edictz ne le portent pas expressement: parquoy puis quil se faut confermere plus prez quon peult de chrestiente il seroit bon de suyvre de plus prez les traces de sa parolle et ainsin quil ne fut pas restreint aux citoiens mais quon eslise ceux qui seront les propres de leglise veu que ce ne sont offices questueux ny de pratique, (d.i. aangezien het ouderlingschap niet behoort tot de ambten, die gesalarieerd worden of die iemands beroep of bedrijf zijn). Au reste il y a une chose contenue au editz qui ne sobserve pas cest quon doibve appeller et comminiquer avec les ministres et toteffois au lieu de cela on lappelle luy (Calvin) tout seul comme sil estoit les ministres. Aussi seroit bon quil y heubt ung poinct des editz que les ministres par bon advys presentassent ceux quon voudroit eslire lesquelz Messieurs pourroient reveoir et seroit sans estre preiudique a la liberte de Messieurs .... A este arreste quon leur demande lesdictes chotes par escript affin quon y puisse tant mieux adviser sil est possible ceste semaine.

Jeudi 1 Février 1560. Editz de reformation du Consistoire. Icy a este advise sus la proposite et requeste dernierement faite par les ministres tochant la reformation du consistoire et iuridiction ecclesiastique. Et premierement sus le premier point par eulx requys cest que en lelection du consistoire on ayt liberte deslire de tout le conseil des deux cens sans distinction des citoyens et bourgeois: veu mesmement que quant on voudroit suyvre la

|236|

parolle de Dieu il faudroit avoir liberte deslire de tout le peuple les plus propres: A este arrestepuis que ledit duquel a este icy faite lecture porte que lesdits anciens soient choisis de tout le conseil des deux cens que cela soit pratique sans distinetion des citoyens aux bourgeois veu aussi quelle nest pas faite es editz. Et quant a ce quilz ont requys dadviser que le Sr. Sindique qui est la y soit tellement que la iuridiction temporelle soit distinguee davec la spirituelle: veu aussi que les editz nen font point mention quil doibve presider ou tenir iuridiction a este arreste que on le pratique ainsin tellement que le Sindique qui y sera ne porte pas son bas ton mais soit comme ung des autres anciens. Sus ce quilz ont requys que en lelection quant elle se fera soient appellez tous les ministres comme le portent les editz: Arreste puys que ledit le porte quil soit aussi ainsin pratique. Quant a ce quilz ont requys pratiquer que les ministres esleus soient proposez an peuple et annuncez affin que sil y a quelcung qui y puise contredire ou arguer lesleu dincapacite quil soit ouy: a este arreste que cella soit fait. Quant a ce quilz ont requys que tout ainsin que lesdits ministres seront presentez au peuple que le semblable soit fait des anciens du consistoire affin que si quelcung les peut arguer dincapacite le face aussi: Arreste que il soit fait aussi et mys en deux cens et si le deux cens ne le veut passer quon y appelle les ministres pour les ouyr”.

Uit dit alles blijkt wel duidelijk, hoe het in Genève toeging. Alleen zou men nu ten slotte nog kunnen vragen, of niet mogelijk is, dat zulke periodieke aftreding en verkiezing van ouderlingen toch eigenlijk door Calvijn niet is goedgekeurd; of niet mogelijk is, dat hij te dien aanzien om des vredes wille aan anderen wat heeft toegegeven, en dat hij er eigenlijk zelf anders over dacht. Op zichzelf nu zou dit zeker zeer mogelijk zijn. In de kerk van Genève was menige regeling, die Calvijn, zoo het slechts aan hem gestaan had, geheel anders zou gemaakt hebben. Hij was onverzettelijk op het stuk van beginselen, en wanneer de eere Gods bij de zaak betrokken was; maar wanneer Gods Woord hem niet dwong, kon hij toegeven, en verdraagzaam zijn, en geduld nebben. Waar hij misstanden zag, die het fundament niet raakten, en die moeielijk opeens konden worden weggenomen, wachtte hij

|237|

zich wel, om dan daarvoor de geheele kerk in gevaar te stellen; zachtjes aan leidde hij dan tot verbetering, door getuigenis, onderwijs en betoog; en inmiddels schikte hij zich naar anderen. Intusschen, in zulke gevallen blijkt dan ook wel iets van zijn eigen gevoelen; vooral omdat hij heel wat geschreven heeft: in de uitgave zijner werken, die nu bijna voltooid is, zal het bijna zestig deelen in quarto zijn. En nu heeft hij nergens getoond, tegen de bedoelde regeling in de kerk van Genève bezwaren te hebben. Ook is, gelijk reeds boven vermeld werd, in de Gereformeerde kerken, die onder zijne leiding in Frankrijk en elders zich constitueerden, periodieke aftreding van ouderlingen aanstonds aangenomen. En wat op zichzelf reeds afdoende is, hij heeft deze in Genève bestaande regeling ook opzettelijk en uitdrukkelijk aan anderen ten voorbeeld gesteld. Zoo b.v. in een brief aan den bekenden Calvinistischen Hervormer Caspar Olevianus, d.d. 5 November 1560, in welken hij dezen zijnen leerling, die hem inzake kerkinrichting om raad gevraagd had, voor dit punt, evenals voor andere, de Geneefsche regeling voorstelde en aanbeval.

De regeling, die in art. 27 onzer Kerkenordening voorkomt, is dus zonder twijfel van Calvijn en Genève afkomstig. En er is slechts dit onderscheid, dat men in Genève wat meer nadruk legde op het herbenoemen van geschikte ouderlingen, en dat in de Nederlandsche kerken het tijdelijke der benoeming op den voorgrond stond. Maar dit kleine onderscheid is slechts bijzaak. Te meer, omdat het geheel uit de omstandigheden te verklaren is; hieruit n.l., dat in Genève de diensttijd slechts één enkel jaar was, terwijl men bovendien op burgerlijk gebied aan jaarlijksche verandering gewoon was, en dat hier te lande de diensttijd langer was, terwijl men op burgerlijk gebied veel minder wisseling had.

Met dit resultaat is de zaak nu zeer zeker nog volstrekt niet beslist. Calvijn en de zijnen hebben een gebruik, waarvan tot op zekere hoogte kon gezegd worden, dat het de oudheid voor zich had, door een ander vervangen; en datzelfde kan natuurlijk later met de Calvinistische regeling ook weer geschieden. Maar dan niet zonder gewichtige redenen. Wie op eenig punt van reformatie van Calvijn verschilt, mag wel eerst beginnen, met zichzelven te wantrouwen. En voorts, wie zich op hem beroept, legde het

|238|

gewicht van zijn naam niet in de verkeerde, maar in de rechte schaal.

De Nederlandsche Gereformeerde kerken hebben, sedert zij samenkwamen om hare inrichting gemeenschappelijk te ordenen, van den aanvang af als regel aangenomen, dat er periodieke aftreding zijn zou van ouderlingen en diakenen. Dit blijkt uit de Acta van hare algemeene vergaderingen, uitgegeven, zooveel mogelijk naar de oorspronkelijke bescheiden, in de werken der Marnix-Vereeniging, Serie II, Deel III (ook afzonderlijk, onder den titel: „F.L. Rutgers, Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw”).

Reeds door de niet-officiëele vergadering van hare leiders en woordvoerders, welke omstreeks 3 November 1568 te Wezel gehouden is, en waarvan de besluiten door of vanwege 63 hunner opgeteekend zijn, werd te dien aanzien uitgesproken (Cap. V, art. 17; a. w., blz. 27):

„Behalve dat er aan den dienst van ouderlingen en diakenen toch reeds dagelijks voorkomende moeielijkheden verbonden zijn, springt ook bovendien in het oog, dat zij, die in deze hunne roeping een tijd lang getrouw zich betoond hebben, zulks niet kunnen doen, zonder juist daardoor in hunne bijzondere zaken, groote schade te lijden: daarom is het naar ons oordeel dienstig, dat er jaarlijks een nieuwe verkiezing plaats hebbe: in dier voege, dat na afloop van een jaar of zes maanden (al naar mate blijken zal wenschelijk en mogelijk te zijn) het halve deel van zijnen dienst ontslagen worde, en in hunne plaats anderen verkozen worden om met de overigen, die nog aanblijven, over de kerk opzicht te hebben. Evenwel met dien verstande, dat het den kerkeraad vrij sta, de ouderlingen en diakenen, die het meest geschikt en bereidwillig zijn, te vragen en te verzoeken, het volgende halve of geheele jaar (naar gelang de kerkeraad goed vindt) de kerk nog in hunne roeping te dienen”.

Daarna werd door de eerste Synode, die 1571 te Emden gehouden is, te dien aanzien bepaald (art. 15; a. w. blz. 62) : „Ieder jaar zal het halve deel zoowel van de ouderlingen als van de diakenen veranderd worden, en zullen in hunne plaats anderen genomen worden, die desgelijks eenen tijd van twee jaren dienen zullen ; met vrijlating echter van de kerken, vooral van de

|239|

kruiskerken, om, in overeenstemming met hetgeen haar dienstig en noodig is, dien tijd hetzij langer of wel korter te stellen."

De hierop volgende Provinciale Synode van Holland en Zeeland, die 1574 te Dordrecht bijeenkwam, besloot eveneens (art. 31; a.w. blz. 137) : „Der vercooren Dienaeren (nl. ouderlingen en diakenen) half deel sal alle iaers verandert worden na wtwysen des 15 artyckels (der Emdensche Synode).

Desgelijks de Nationale Synode, die in 1578 te Dordrecht gehouden werd (art. 13; a. w., blz. 239): De verkoren Ouderlinghen ende Diakenen sullen twee iaren dienen welcker halfue ghetal alle iare sal verandert worden, ende andere op de voorschreuen wyse beroepen sullen met ghelycker conditie in hare plaetse werden ghesettet. Maer soo vele de heymelicke ghemeynten aengaet, of die dese ordeninghe niet en konnen onderhouden dien wordt vryheyt ghelaten den tyt na haren noot ende gheleghentheyt te vercorten ofte te verlenghen. Waerouer soo eenighe swaricheyt ontstaet die sal van de Classe gheoordeelt worden.”

Wederom in denzelfden geest de Nationale Synode, die 1581 te Middelburg samenkwam (art 19; a.w. blz. 383): „De Ouderlinghen ende Diaconen sullen twee iaer dienen, ende alle iaer sal thalue deel verandert ende andere inde plaetse ghestelt werden, ten ware dat de ghelegentheyt ende profyt eenigher Kercken anders vereyschte.”

En daarna bleef de bepaling woordelijk dezelfde op de Nationale Synode te 's Gravenhage van 1586 (art. 19), en op die te Dordrecht 1618 (art. 27); gelijk zij ook nu nog aldus luidt.

Duidelijk is dus, dat op dit punt alle vergaderingen der Nederlandsche Gereformeerde Kerken van den aanvang af geheel eenstemmig geweest zijn.

Hieruit mag nu echter geenszins worden afgeleid, dat zij zulk eene regeling eenvoudig van elders, b.v. van de Fransche kerken of van Genève zouden hebben overgenomen, zonder dat zij ook zelve hare aandacht daarop vestigden en zich van het vóór en tegen behoorlijk rekenschap gaven. Integendeel, telkens hebben zij dit laatste wel moeten doen. Immers ook in haren kring is het gevoelen, dat ouderlingen en diakenen niet moeten aftreden, hier en daar wel eens in practijk gebracht, en verdedigd, en op kerkelijke vergaderingen aan de orde gesteld.

|240|

Ten bewijze volge hier de mededeeling van hetgeen er met betrekking tot dit punt in onze kerken is voorgevallen, vooral in de 16de eeuw; eene geschiedkundige herinnering, die tevens dienstig is om de zaak zelve des te beter te doen beoordeelen.

In de eerste plaats moet hier dan gelet worden op de Nederlandsche vluchtelingenkerk, die in 1550 te Londen geïnstitueerd is, en die in den tijd dat het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken tot stand kwam, tevens den tijd, waarin Alva's druk het verblijf in Nederland voor Gereformeerden bijna ondragelijk maakte, juist bijzonder talrijk was.

Deze kerk had geene periodieke aftreding van ouderlingen en diakenen. Reeds in 1560 werd door hare predikanten, blijkbaar ten gevolge van oppositie, over deze regeling gehandeld; waarbij de bestaande toestand door hen werd goedgekeurd, met uitvoerige opgave van de gronden, die zij meenden daarvoor te hebben. En daar niet alle andere, in Engeland aanwezige, Nederlandsche vluchtelingenkerken zich hiermede vereenigden, terwijl bovendien de kerken van hetzelfde kerkverband, d.i. de Nederlandsche kerken in het algemeen, op hare Generale Synoden de bedoelde aftreding in de Kerkenordening opnamen, hebben in Engeland de zoogenaamde „Colloquia" (veelszins overeenkomende met onze Classen) van de daar bestaande Nederlandsche kerken telkens weer over dit onderwerp moeten handelen.

De archiefstukken, waaruit de kennis van dit een en ander geput wordt, zijn door Prof. J.J. van Toorenenbergen uitgegeven in de werken der Marnix-vereeniging, Serie III, Deel I („Geschiedenissen ende Handelingen die voornemelick aengaen de Nederduytsche natie en gemeynten, wonende in Engelant ende int bysonder tot Londen”) en Serie II, Deel I („Acten van de Colloquia der Nederlandsche gemeenten in Engeland, 1575-1624”). Daaruit nu komt het volgende hier in aanmerking.

Bij het jaar 1560 staat in de „Geschiedenissen ende Handelingen” (a.w., blz 34-40 ; ook te vinden in de „Acten van de Colloquia”, a.w. blz. 128-134):

„Daer-en-tusschen namen de Gemeenten van vreemdelinghen zeere toe binnen Londen, en om dezelve beter in haere plight te houden, zo hielden de duytsche (d. i. Nederlandsche), fransche en

|241|

italiaensche leeraers eene maendelicke byeencomste doe ’t Caetus wierde genoemt.

Daer wierden (aengaende de regieringhe der Kercke) dry vraghen voorgestelt, en aldus verstandelyck van de broeders beantwoord.

1º. D’eerste, welck de beste verkiesinge van Dienaren des Woords, Ouderlinghen ende Diaconen sy enz. (welke vraag hier kan blijven rusten, daar zij met de periodieke aftreding niet rechtstreeks samenhangt).

2º. D’andere, of de diensten des Ouderlinghschaps en des Diaconschaps sodanich syn, dat die daertoe beroepen ende bequaeam ghevonden wierden, in de selve dienste haer leefdaeghe moeten volherden, oft tot datse hoogher van den eenen dienst in den anderen gevoordert worden. Oft datse, sulx versoeckende, al synse daertoe bequam, daer van moghen verlaten worden.

3º. De derde is, oft niet beter en sy (neem datter somtyds wisselinghe gheschiede) dat sulcx niet just jaerlycx en gebeure, maer alleenlyck alst den nood verreyst ende eenige gewichtighe redenen sulcx voorderen.

Aangaende d’eerste vrage enz.

„Aengaende d’andere vraghe oft d’Ouderlinghen en Diaconen in de dienst behoorden te volherden, ofte niet, etc. Wy achten sulcx den Gemeenten seer nut, ende de weerdigheit sulcker ampten seer betamelyck, en dattet meer Gods Woord gelyckformich is in sulcke diensten te blyven, dan die te verlaten ofte te verwisselen. De redenen ons daertoe bewegende syn dese:

1º. Het blyckt uit vele plaetsen des N. Testaments, dat in d’eerste Kercke de dienste des Woords en Ouderlinghschaps sulcke gemeenschap met elckanderen hadden, dat de Dienaren des Woords onderwylen Ouderlinghen ende d'Ouderlinghen Bisschoppen oft Herders genoemt werden, I Petr. 5: 1, Act. 20: 28.

2º. Die in de dienst des Ouderlinghschaps oft Diaconschap langhe getrouwelick gedienst hadden, en wierden niet afgeset, maer opgeset tot den dienst des Woords, als Stephanus en Philippus. Men vind niet dat ymand afgeset sy dan Nicolaus om syner ongetrouwicheids wille. Apoc. 2: 15.

3º. Men vind oock niet dat ymand in dese diensten ghestelt wordt voor eenen tyd. Paulus vermaent die van Ephesen, namelyck

|242|

de Ouderlinghen etc. acht te nemen op haerselven en op de cudde etc. sonder haer eenighen tyd te bestemmen hoe langhe. Hy en troost oock nergens de Dienaers met de hope dat haren dienst niet lange en sal dueren, maar veel eer vermaentse tot volherdinghe.

4º. Paulus, I Tim. 5: 11, vermaent de jonghe weduwen van den dienst af te slaen, mits datse, begeerende te houwen, denselven lichtelyck verlaten. Daermede te kennen gevende, datse in dien dienst behoorden te volherden, ende so dit plaetse heeft in den dienst der Diaconissen, veel meer dan in hooger diensten, daer van wy nu spreken.

5º. Ende hoewel dese dienst met het ambt der Leviten int Oude Testament in alles niet overeen en comt, nochtans so heeft God willen leeren, dat die Goddelycke diensten gestelt syn, deselve niet en behooren te verlaten, maer veel meer dat men se in den dienst onderhoude, op datse in denselven onbecommert mochten volherden. Ende hoewel ’t volc van onse tyden door armoede ofte andersins daerin te cort comt, so dat den nood verscheyden dwingt den dienst te verlaten om hare familie voor te staen, so en volght daer uit niet dat het dicwyls verwisselen der Dienaren profytelyck sy, en dat het niet beter en sy in den dienst altyd te behouden, die men daertoe bequaem ende getrouw vind.

6º. Gelyck in polityckse saecken en ambachten niemand lichtelyck leerknechten aen en neemt, ten sy datse hen verbinden ettelycke jaren in haren dienst te volherden, opdat de meesters niet alleen moeyte, maer oock profyt daer van mogen hebben, als sy des handels ervaren syn, also ist ontwyfelyck veel meer reden dat de cudde des Heeren niet met jaerlycksche nieuwe leerknechten gedient werde, maer met lieden, die in sulcken ampt wel ervaren ende beproeft syn, toesienders die de schapen kennen, ende van deselve bekent syn. Ende gelyck 't in een schip ter zee niet genoegh en is eenen goeden piloot te hebben, ten sy datter bootsgezellen syn, die weten hoe sy des piloots ordinantiën volgen sullen, ende mede verstant hebben somtyds aen 't roer te staen, sonder dewelcke het schip lichtelyck in tempeest te cort soude comen, also en can een Gemeente, die veel onversiende tempeesten onderworpen is, niet sonder groot peryckel geregeert worden van

|243|

anderen, dan die inde oeffeninghe sulckes ampts blyven, waer in men dagelycx toeneemt ende nimmermeer volleert is.

7º. Niemand en is met de conste geboren, maer door oeffeninghe cryght men hervarentheyt: so is ’t oock in den dienst Gods; daer een werck dickwyls onderlaten wordt, en weder van nieuws begonnen, daer comt men selden tot perfectie van ’t selve. De vruchten des velds, dickwyls afgecort ofte verplant, verliesen haeren wasdom, en daer comen geen vruchten af.

8º. Dat sommighe meenen dat door jaerlijcksche verwisselinghe vele totten dienst souden bequaem gemaeckt worden, sy syn bedrogen: want hiertoe dient eerst dat men van Gode met sonderlinghe gaven des Heiligen Geests voorsien sy, dewelcke gaven door d’oeffeninghe versterckt moeten worden. Ende ist saecke dat Gods gaven verscheyden syn, ende dat elck lid d’ooge niet en can wesen, so ist blyckelyck dat elck lidmaet der gemeente met somtyds int ampt te stellen, en weder af te stellen, daer toe niet bequaem en can ghemaect werden.

9º. De gene die weet dat hy noch dienen moet, houd en maeckt hem altyd veerdig tot den arbeyd, staet nae toeneminghe in ervarentheyt, ’t welck noch meer geschieden soude, so sy verwachten tot hooger ampt opgeset te worden. Maer de gene die de corte verlatinghe verwacht, ist datter verwarringh voorcomt, hy soeckt al uitstel om andere die na hem komen den last te laten, hemselven ontlastende. Uit welcke oorsaecke dickwyls het quaet opgeroyt (d.i. aangezet) wordt, en in ’t laetste is quaet overwinnen, dat in ’t eerste met cleenen arbeyd had mogen nedergeleyd en verdemt (d.i. uitgedoofd) worden; en also wordt het werck der consistoriën en kerckelycke swarigheden op malckanderen gehoopt, en somtyds so verkanckert, datse sonder peryckel niet en connen gemeestert (d.i. verholpen) worden.

10º. Het gebeurt somtyds dat oude handelingen der consistoriën wederom opgerept worden, oft dat ymand uit malitie soekt eenich oordeel van gelycke saecke etc., om also te doen stryden het oordeel van de gene die nu dienen, tegen d'andere die te voren ghedient hebben: als dan de Dienaers dickwyls gewisselt syn, en de voorgaende handelingen niet en weten, so en weet de consistorie niet hoe sy verandwoorden sal, dat eertijds wel afgehandelt en verandwoord was.

|244|

11º. Oock can ’t geschieden dat ymand, gedisciplineert synde, synen keer van dienen verwacht, en alsdan oorsaecke neemt hem te wreken tegens de gene die hy meent hem meest tegen geweest te syn, oft dat die in dienst syn, ymand voor handen hebben daer van sy sulcx namaels vreesen, en hare vrymoedigheyt nalaten sulcke saecken recht uit te voeren, welke inconvernienten niet te vreesen en syn daer men sonder bepaelden tyd in den dienst volherd.

Aengaende de derde vraghe: Wy en meenen niet dat ymand sonder exceptie in den dienst altoos behouden werde, die eens daerin gestelt is, maer dat men niemand verlate die daer in bequaem en getrouw behouden wierd, ten sy dat hy met reden synes noods daer van versoecke verlaten te syn. Welcke reden den kerckenraed billic vindende, sulck eenen verlaten mach, en eenen anderen in syn plaetse stellen, even gelyck als den dienst verheelt (d.i. opnieuw vervuld) moet syn, daer een Dienaer door onvermogentheyt syns lichaems ofte metterdood afgaet, oft woonstede verandert, oft tot hooger ampt beroepen werd. Derhalven verstaen wy beter te syn, den dienst alleenlyck te verheelen met toekiesinghe van so vele als door nood oft aflyvicheyt afgaen, dan t’eenigen bestemden tyd jaerlycx die Dienaers oft een deel daar af te verwisselen."

Na de Synode van Emden, en de eerste Dordtsche, besloot het Colloquium van de in Engeland gevestigde Nederlandsche kerken in Mei 1578 (a.w. blz. 40): „Aengaende het 15e (artikel) van Emden ende het 31e van Dordrecht vynden de broeders de mynste veranderynghe de profytelyckste, sonder nochtans de ghewoonste oft noot van ander kerken te willen preiudicieren.”

Daarbij bleven zij, althans in hare Colloquia, ook nadat de Nationale Synoden, waaraan zij hadden deelgenomen (die van Dordrecht en Middelburg) de bepaling van aftreding wederom bevestigd hadden; blijkens het besluit van haar Colloquim van Augustus 1599 (a.w. blz. 97): „op de quaestie, ofte de iaerlicksche verkiesinghe met gront van Godts woort can bestaen, - de vergaderinghe, ghelet hebbende op Godts H. Woort, seggen dat den dienst der Ouderlinghen ende Diakenen is ghelyck den dienst der Dienaren des Woorts ghedurich (d.i. voortdurend), tot dat sy om wettelicke redenen werden gherelaxeert, latende nochtans de ghemeenten haer vryheyt in haer gebruik totter tyd dat sy ’t stichtelick connen veranderen.”

|245|

Evenzoo het Colloquium van juli 1609 (a.w. blz. 103). Daar werd „bevonden, dat sommighe Ghemeenten noch niet en hebben connen stichtelick veranderen de jaarlicksche verkiesinghen in een continuatie ende achtervolginge in dienst, tot dat den nood, den kerckenraed blyckende, zulcx verheyssche. Hierop wierd besloten dat dewyle de Brs. eendrachtelick de continuatie voor best hielden, als Gods Woord meest conform, dat derhalve de Ghemeenten, die deselve noch niet en hadden, alle vlyt zouden aanwenden om ’t zelve in te voeren, haar behelpende met de redenen in een schrift van ’t jaar 1560 vervatet ende in ’t Coetus alhier gheexamineert.”

En nog eenmaal werd besloten in denzelfden geest, door het Colloquium van Augustus 1612; welke vergadering tevens een zendbrief uitvaardigde aan de zes tot haar behoorende kerken (a.w., blz. 177-182), o.a. om met resumtie van het stuk van 1560 er op aan te dringen, dat zij toch het van ouds bij de meeste dier kerken bestaande gebruik van periodieke aftreding zouden afschaffen.

Van den aanvang af ging dat streven uit van de Londensche kerk, d.i. van degenen aan wie hare leiding was toevertrouwd. Om het goed te verstaan, en ook om te begrijpen waarom het op de Nederlandsche kerken in het algemeen bijna in het geheel geenen invloed oefende, moet aan het reeds vermelde nog eene andere geschiedkundige herinnering worden toegevoegd. Daar dit echter hier ter plaatse slechts met een enkel woord geschieden kan, moge voor meerdere bijzonderheden verwezen worden naar het boekje van Dr. A. Kuyper, „De Hollandsche gemeente te Londen in 1570/1” (nr. 8 en 9 van de serie „Voor drie honderd jaren”, jaarg. 1870), en naar de inleiding van Dr. J.J. van Toorenenbergen vóór zijne uitgave „Philips Marnix van St. Aldegonde, Godsdienstige en kerkelijke geschriften”, Dl. I, blz. XXXIV-XLIV.

Toen de reformatie in Engeland doorwerkte, was bij de Engelschen zelven, niet het minst bij den Souverein (sedert 1558 koningin Elisabeth), die zich als zoodanig ook het hoofd of althans de bestuurder der Engelsche kerk achtte, de heerschende richting, ondanks het Calvinistische der belijdenis, zeer hiërarchisch en clericalistisch. Dit nu had voor de te Londen gevestigde Nederlandsche kerk zeer schadelijke gevolgen. Vooreerst moest zij, om te mogen bestaan, zich laten welgevallen, in 1550 dat zij onder eenen Superintendent

|246|

geplaatst werd, en in 1559, hetgeen veel erger was, dat zij onder het rechtstreeksch gezag kwam van den Londenschen Bisschop der Episcopale Staatskerk, die ook bij herhaling dat gezag heeft doen gelden. Voorts was het in dien toestand niet onnatuurlijk, dat (gelijk Prof. Van Toorenenbergen het uitdrukt, a.w. blz. XXXVI) „de oude uitgewekenen zich uit erkentelijkheid en misschier: ook wel uit berekening van hun belang naar sommige gewoonten der Engelsche kerk wilden voegen”; en nu was die Engelsche kerk zeer sterk tegen eenigen invloed van de gemeente op de samenstelling van het kerkelijk bestuur. En bovendien moest de omgeving, waarin men te Londen leefde, op den duur allicht een verkeerden invloed hebben, vooral op de predikanten, des te meer wanneer daarbij mannen waren als Godfried van Wingen, die in 1563 te Londen predikant werd, en die (naar hetgeen Prof. Kuyper uit de geschiedenis van hem aantoont, a.w. blz. 157) een „heerschzuchtig” man was, „clericalist in den valsten zin”. Hoe die geest bij de predikanten doorwerkte blijkt b.v. uit de resolutie van het Colloquium van juli 1609 („acten van de Colloquia”, blz. 106), die, naar aanleiding van het feit dat iemand, die reeds ouderling geweest was, naderhand tot diaken verkozen werd, verklaarde, „dattet onvoeghelick is, dat men dale en niet opclimme in de Ghemeente, ende dese ongherymtheyt comt ut populaire verkiesinghe”; en uit soortgelijke resolutie van Augustus 1612 (a. w. blz. 158), waarin als mogelijk ondersteld wordt, „dat zodanighe verkiesinghe ut schimp ghedaen ware”, en ook wordt uitgesproken, dat „de populaire verkiesinghe, daer se noch niet en is afgeschaft, te houden is voor een oordeel van Gods kercke”.

Wil men voor dit punt nog een zeer betrouwbaar bericht uit de 16de eeuw, dan is dat te vinden bij een der beroemdste tijdgenooten; bij den man, die meer dan iemand gedaan heeft om het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken tot stand te brengen, die bijzonder uitmuntte in de kennis van het Gereformeerde kerkrecht, en die anders in zijn oordeel over broeders zeer zacht was, nl. bij Marnix van St. Aldegonde. Bij een ernstig conflict, dat te Londen tusschen kerkeraad en gemeente ontstaan was, werd ook hij in 1568 geroepen, een advies uit te brengen. Hij schreef toen twee brieven, of liever kerkrechtelijke verhandelingen (in de

|247|

aangehaalde uitgave zijner werken, Dl. I, blz. 135-182), die in keurigen stijl en in helderen vorm de voornaamste beginselen van het kerkrecht zeer grondig in het licht stelden, met het doel om den Londenschen kerkeraad nog zoo mogelijk daarvoor te winnen. En in die geschriften vermaant en bestraft hij gedurig, even broederlijk als ernstig, den genoemden kerkeraad over zijne heerschzucht.

Bij dien stand van zaken nu is het zeer begrijpelijk, dat de vergadering, die in datzelfde jaar te Wezel bijeenkwam, waar ook Marnix tot de leiders behoorde, en waar voorts de geest geheel Calvinistisch was, allesbehalve ingenomen was met het Londensche streven, om den invloed der gemeente op de samenstelling van den kerkeraad zooveel mogelijk weg te nemen. Ook omdat de treurige gevolgen aldaar reeds gebleken waren in groote oneenigheid. En in later tijd konden onze kerken ook zien aan dienzelfden Londenschen kerkeraad, wat er bij een voortdurend ouderlingschap in Gereformeerde kerken van dat ambt moet worden. Schijnbaar werd het daardoor in de hoogte gestoken. Maar in waarheid ging het te Londen, als in Duitschland, waar de overheid het oplegde aan Gereformeerden kerken, en als om onderscheidene redenen ook natuurlijk is: het ouderlingschap kwam juist daardoor in discrediet, en verloor bij de gemeente zijne macht en eere. Het Colloquium, dat die zaak steeds zoo sterk had gedreven, moest in 1618, in een stuk dat bestemd was voor de Nationale Dordtsche Synode zelf klagen („Acten van de Colloquia”, blz. 241), dat „het selve ampt (van ouderling), ten aensien van den teghenwoordighen staet der kercken in Engelandt, weynich gerespecteert wordt.” In Nederland zelf had men op dit punt zeker niet zoo te klagen.

Eene tweede afwijking van de vaste ordening der Nederlandsche Gereformeerde kerken heeft zich tijdelijk voorgedaan in Noord-Holland. Toen de kerken aldaar sedert 1572, onder bescherming der overheid, tot reformatie kwamen, en daarbij, voor zooveel het haar aan geschikt personeel niet ten eenenmale ontbrak, ook ouderlingen en diakenen in dienst stelden, geschiedde dit aanvankelijk, althans bij de meeste dier kerken, zonder bepaling van aftreding. En gedurende eenige jaren is men aan die regeling blijven vasthouden.

Dit blijkt o.a. uit de Acta van hare particuliere Synoden

|248|

(openbaar gemaakt door Dr. J. Reitsma en Dr. S.D. van Veen, in het eerste deel hunner uitgave van de „Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620”) in welke met betrekking tot dit punt het volgende voorkomt.

Het eerst is er over gehandeld op de particuliere Synode van Edam in Juli 1574. Pas tevoren, in Juni, was de bekende Provinciale Synode van Holland en Zeeland te Dordrecht gehouden. Tot deelneming aan die constitueerende vergadering hadden ook de kerken van Noord-Holland, op hare Particuliere Synode te Grootebroek in April 1574, deputaten benoemd en gevolmachtigd. Maar doordat niet lang daarna de Spaansche legermacht Noord-Holland geheel had afgesloten, Middel-Holland geheel had bezet, en zich ook in de buurt van Dordrecht had doen gelden (o.a door den predikant van Leerdam, die ook naar de Dordtsche Synode was afgevaardigd, gevangen te nemen en op te hangen), hadden de Noord-Hollandsche deputaten de reeds aangevangen reis niet kunnen voortzetten. Hiervan hadden zij aan de Synode een uitvoerig en gemotiveerd bericht gezonden, met bijvoeging: „Wij erbieden ons altyt na beter gelegentheyt geerne te comen ende wy vertrouwen den b. wel toe dat zij christelyck menen te handelen na den regel der Ch. vryheyt, gelyck men alle Adiaphora (d.i. middelmatige dingen) behoort te verhandelen tot gemene stichtingen. Den welcken, so gedaen zynde wy ons oock geerne onderwerpen. Ende hyer van b. sullen wy metten eersten u.l. andtwoordt verwachten”. En de Dordtsche Synode had toen „besloten dat men hun wederomme sal schryuen dat hare ontschuldiginghe van ons aenghenomen is. Men sal hun oock d’ Acten seynden ende bidden datse deseluighe in haren ghemeynten in ’t wercke stellen. Oock onsen dienst ende hulpe aenbieden, om iemanden aen hun te schicken, die hun in d’ opschickinge harer kercken helpen mochten, soo onse hulp begheerden („Acta van de Nederlandsche Synoden der 16de eeuw”, blz. 169; vergel. met den brief uit Noord-Holland, die aldaar is afgedrukt blz. 193 vg.). In het algemeen nu is aan dat verlangen der Dortsche Synode in Noord-Holland voldaan. Maar bij enkele artikelen harer Acta had de bovengenoemde Edamsche Synode bedenking.En zoo werd daar o.a. besloten

|249|

(art. 2: „Acte der Provinciale en Particuliere Synoden”, Dl. I, blz. 26) : „Van die continuatie der ouderlingen ende diaconen. Tegens den 31 artickel des Suydthollantschen synodi is geseyt, dat men die continuatie der ouderlingen ende diaconen behouden sal, zooverre daer geen occasie om eenige te amoveren bevonden werde, hetwelcke bij die consistorien, alswaer sulx geschiet, geoordeelt sal worden”.

Twee jaren later was er in Noord-Holland blijkbaar aanleiding, om dit punt nog eens aan de orde te stellen; en toen werd op de Particuliere Synode van Hoorn in April 1576 wederom besloten (art. 8; a.w. blz. 40) : „Van die continuatie der ouderlingen ende diaconen. Ten achtsten is daer besloten by die algemeyne broederen, dat die ouderlingen ende diaconen in haeren dienst gecontinueert zullen worden, ter tyt toe eenige opspraecke daerover soude moegen coemen ende int provinciale synodo anders bevonden zal worden”.

Desgelijks, hoewel minder positief, op de Particuliere Synode van Enkhuizen in April 1578 (art. 13; a.w. blz. 52) : „Van die jaerlycsche veranderinge der ouderlingen, lyckprekingen ende onordentlyck trouwen. Ten dertiensten op het voergeven Clementis Martini, dienaer des woerts tot Hoorn, van die jaerlycxsche veranderingen der ouderlingen ende dyakenen, van die lyckpredicatie ende onordentlyck trouwen, is geantwoert sulckes alles in synodo nationali sal afgehandelt wordden, daer een yegelyck classis in zyne byeencompst mach in zulcker voege van spreecken, als int artyckel hierboven uytgedruckt is” (n.l. in art. 1, dat handelt over het gereedmaken der gravamina voor de Nationale Synode van Juni 1578).

Toen in datzelfde jaar de Nationale Dordtsche Synode de periodieke aftreding had gehandhaafd, werd de uitzondering, waarvoor die Synode vrijheid had gelaten, op eene nog al zonderlinge wijze in Noord-Holland opgevat, en werd dienovereenkomstig op de Particuliere Synode van Amsterdam in September 1578 besloten (art. 7; a.w., blz. 56): „Aengaende het dertiende artyckel nationalis synodi Dordracensis ter plaetse van de beroepingen der dienaeren is by den broederen besloten is, dat, alzoo die continuatien ende vergaerderinge (lees: „veranderinge”, gelijk één handschrift ook heeft) van den ouderlingen ende diaconen in vryheyt is gestelt

|250|

om daerinne te moegen naer gelegentheyt der gemeynten ende stichtingen vryelyck te handelen, dat die gemeynte alhier in desen quartier haer ouderlingen ende diaconen geduerichlycken (d.i. voortdurend) zonder veranderinge zullen houden, behoudelycken dat die kercke van Amsterdam in dese haer vryheyt sal hebben” (n.l. om te blijven bij de aldaar aanstonds ingevoerde periodieke aftreding).

En toen drie jaren later de Nationale Middelburgsche Synode de periodieke aftreding wederom bestendigd had, en de uitzondering zóó had geformuleerd, dat misverstand nu niet wel mogelijk was, geschiedde wel op de Particuliere Synode van Alkmaar in October 1581, wat in hare Acta aldus vermeld wordt (art. 17; a.w., blz. 87): „Is hiernae van den preside voergestelt, dat alle die dienaers des woerts ende ouderlingen tot bevestinghe der eendrachticheyt de acta synodalia des nationalis synodi behooren te onderteeckenen. Twelck voer goet bekent ende oyck alzoo geschiet is”. Maar toch komt nog voor in de Acta der Particuliere Synode van Hoorn in Mei 1584 (art. 4; a.w., blz. 126): „Tot versoeck der kercke Christi van Alcmaer om geresolveert te wordden, oft die ouderlingen ende diaconen der gemeenten continuelycken in haere diensten zullen blyven nae inhout van den synode, anno 78 binnen Amsterdam gehouden, dan oft zy volgens synodum Middelburgensem zullen moegen verandert wordden. is geresolveert, dat men die continuatie sal houden ende voerderen, daer se noch int gebruyck is, ende dat geen classis noch kerke, daaronder sorterende ende by den gebruyck zynde, tzelve gebruyck nyet en zal moegen veranderen sonder advys van den particulieren synoden ende dat vuyt crachte van onderwerpinge, in denselven synode tot Amsterdam gedaen”.

Uit dit laatste besluit laat zich echter opmaken, dat toen bij de kerken in Noord-Holland de „continuatie" reeds niet meer de regel was. Dwang is er te dien aanzien zeker niet op haar uitgeoefend. Daarvan is bij de andere Nederlandsche kerken zelfs nooit sprake geweest; ook niet op hare Generale Synoden. Deze hebben eenvoudig geduld geoefend, in de overtuiging, dat men in Noord-Holland zelf de zaak wel allengs anders zou gaan inzien. En ten slotte is dit laatste dan ook geschied. Toen de Nationale Haagsche Synode van 1586 het artikel der Kerkenordening over

|251|

de aftreding van ouderlingen en diakenen geheel onveranderd gelaten had, hebben de Noord-Hollandsche kerken, op hare Particuliere Synode van Alkmaar in Mei 1587, hare vroegere besluiten door het volgende vervangen (art. 7; a.w. blz. 142): „Op die laetste vraege deses voorschreeven classis (nl. die van Alkmaar), oft die ouderlingen ende diaconen sullen voortaen geduirichlick (d.i. voortdurend) dienen oft ter contrarie alle jaer in het halve deel verandert ende andere in die plaetse gestelt sullen worden, is besloten, dat die kercken hierinne sullen naekomen den 25 artickel des generalen synodi in ’s Gravenhage, vermeldende dat het halve deel der ouderlingen ende diaconen alle jaer sal verandert worden, ten waere die gelegentheit ende profyt der kercken andere vereischeden”. En daarna schijnt er in Noord-Holland op dit punt geen noemenswaard verschil meer te zijn voorgekomen.

Daarentegen is eene andere uitzondering op den algemeenen regel van de Nederlandsche Gereformeerde kerken tot de 19de eeuw blijven voortduren; nl. bij de Gereformeerde kerk der stad Groningen.

Te dien aanzien vermeldt W.A. Bachiene in zijne „Kerkelijke geographie der Vereenigde Nederlanden” (Vierde Stuk, blz. 85): „De ouderlingen (der stad Groningen) bestaan uit driërlij Standspersonen: naamlijk, vier uit Burgemeesters en Raadsheeren der Stad; vier uit de Geleerden, welke zijn, ’t zij Professoren der Akademie, ’t zij Gepromoveerden, tot de eene of andere Fakulteit; en, eindelijk, acht uit de Borgerij. En deze ouderlingen blijven in die bediening volharden, voor hun gansche leven; dus, geene nieuwe beroepinge geschied, dan door een tusschen komend sterfgeval, vertrek of dergelijk.

„De diakenen (waartoe men gemeenlijk geene andere dan gehuwde persoonen, verkiest) volharden 4 jaren in dezen dienst en zij, die hunne jaren uitgediend hebben, zijn niet meer tot den diakendienst verkiesbaar: gelijk ook de diakonie-order geene vrijheid daartoe geeft; luidende: „Die tot diakenen verkoren worden, zullen hetzelve Ampt bedienen vier jaren; en niet meer”.”

Bij die kerk was zoodanige regeling van de overheid afkomstig. En het is er mede gegaan, als met andere soortgelijke regelingen, waarin de kerk der stad Groningen van de andere kerken

|252|

onderscheiden was. Daar de kerk hierin van de overheid niet vrij was, en pogingen tot verandering toch wel niet gelukt zouden zijn, en die afwijkingen op zichzelf de kerk nog niet misvormden, heeft men ze aanvaard en eenvoudig laten voortbestaan.

Rutgers, F.L. (1921) 61

Artikel 28.

Gelijk het ambt der Christelijke Overheden is, den heiligen kerkedienst in alle manieren te bevorderen, denzelven met haar exempel den onderdanen te recommandeeren, en aan de Predikanten, Ouderlingen en Diakenen in allen voorvallenden nood de hand te bieden, en bij hare goede ordening te beschermen, alzoo zijn alle Predikanten, Ouderlingen en Diakenen schuldig de gehoorzaamheid, liefde en eerbiedinge, die zij den Magistraten schuldig zijn; en zullen alle kerkelijke personen met hun goed exempel in dezen de gemeente voorgaan, en door behoorlijk respect en correspondentie de gunst der Overheden tot de Kerken zoeken te verwekken en te behouden; teneinde, een ieder het zijne, in des Heeren vreeze, ter wederzijde doende, alle achterdenken en wantrouwen moge worden voorkomen, en goede eendracht tot der Kerken welstand onderhouden.

 

61. Mag een predikant voor den rechter geroepen worden om te getuigen over wat hij als predikant hoorde?

 

(1913.)

105. Aan eene aanschrijving, om voor den Rechter-commissaris te verschijnen, moet ge natuurlijk voldoen, daar dit altijd ieders plicht is. Maar dat brengt geenszins mede, dat ge dan ook op

|253|

alle vragen, in zake ’t geen u bekend is van de door u bedoelde zaak, moet of moogt antwoorden. Dat behoeft niet, en dat mag zelfs niet, met betrekking tot kerkelijke aanklachten, verhooren, onderzoekingen, enz. die nog geenszins openbaar zijn maar nog alleen maar binnen den besloten kerkeraadskring bekend zijn, en die ge slechts weet in uwe qualiteit van Dienaar des Woords. Dan geldt ook voor u, wat geldt voor een pastoor, een dokter, enz.; terwijl ge daarentegen op andere vragen wel zoudt moeten antwoorden. De hierop betrekking hebbende bepaling van het „Wetboek van Strafvordering” luidt aldus: „Art. 163. Van het geven van getuigenis, en zelfs van het afleggen van onbeëedigde verklaring, kunnen zich ook verschoonen zij, die uit hoofde van hunnen stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen, waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd”.

Bij de kerkelijke behandeling van tuchtzaken is natuurlijk, zoo lang de zaak nog in behandeling is en bij toepassing van zoogenaamde „stille censuur”, ieder opziener der gemeente, en allereerst de Dienaar des Woords, uit hoofde van zijn ambt „tot geheimhouding” verplicht, althans voor zooveel hij uit kracht van zijn ambt kennis van de zaken heeft, die hij zonder dat ambt niet zou hebben.

Over de motieven van de bovengenoemde bepaling, en over hare toepassing, zou zeker nog veel zijn te zeggen; maar dat zou een juridisch opstel moeten worden, ’t geen niet van mijne competentie is.

Rutgers, F.L. (1921) 62

|254|

Artikel 30.

In deze samenkomsten zullen geene andere dan kerkelijke zaken, en dezelve op kerkelijke wijze, verhandeld worden. In meerdere vergaderingen zal men niet handelen, dan ’tgene dat in mindere niet heeft afgehandeld kunnen worden, of dat tot de Kerken der meerdere vergadering in ’t gemeen behoort.

 

62. Mag de kerkeraad op verzoek van een schuldeischer een gemeentelid, dat zijn schulden niet betaalt, manen tot betaling?

 

(1916.)

106. Wanneer iemand onwillig is om zijne schulden te betalen heeft de schuldeischer natuurlijk het recht, hem tot betaling te dwingen. Maar de macht, die hij daarvoor dan te hulp moet roepen, is de macht der van God gestelde Overheid, die daarom ook beschikt over de noodige middelen om alle zaken, die van burgerlijken aard zijn, behoorlijk te onderzoeken, en die de macht heeft om gehoorzaamheid aan hare uitspraken af te dwingen.

De kerk, aan welke die macht en die middelen niet ten dienste staan, is ook inderdaad tot zulke werkzaamheid op stoffelijk gebied niet geroepen. Zonder twijfel moet zij door prediking, onderwijs en vermaning ook het 8e gebod aan ieder voorhouden. Maar wanneer over geldelijke aangelegenheden een bepaald conflict is tusschen twee gemeenteleden, moet de kerk als zoodanig dit niet in behandeling nemen, maar de aanwijzing volgen, die in Lucas 12: 14 gegeven is, en zich dus houden aan de zeer duidelijke bepaling, die in art. 30 K O. gegeven is en die reeds van de 16e eeuw af in onze kerken gegolden heeft: „In deze samenkomsten (van kerkeraad, Classe en Synode) zullen geen andere dan kerkelijke zaken verhandeld worden.”

Het zou er inderdaad ook treurig gaan uitzien, wanneer kerkeraden

|255|

konden gebruikt worden als eene soort van onbezoldigde deurwaarders, om nalatige schuldenaars tot betaling te sommeeren en ze te dien einde voor de kerkeraadsvergadering te dagen. Daartoe moeten kerkelijke vergaderingen zich niet leenen.

Hierdoor wordt zeker niet uitgesloten, dat ook predikanten en ouderlingen en diakenen persoonlijk en broederlijk samenspreken met nalatige betalers, en hun, naar bevind van zaken en naar hun beste weten goeden raad en vermaning geven. Maar dat is geheel iets anders dan eene behandeling door de kerk als zoodanig, formeel en in kerkelijke vergadering.

Rutgers, F.L. (1921) 63

Artikel 32.

De handelingen aller samenkomsten zullen met aanroeping van den Naam Gods aangevangen, en met eene dankzegging besloten worden.

 

63. Over den oorsprong en de beteekenis van het gebed in de consistoriekamer vóór den dienst.

 

(1913.)

107. Nu aan U en Br. A. opgedragen is, uwe Classe van advies te dienen over het gebed in de kerkeraadskamer voor en na den openbaren dienst des Woords, vraagt ge mij, of ik u daarvoor enkele bronnen kan opgeven, daar ge zelf hieromtrent slechts weinig lectuur hebt kunnen vinden.

Nu, dit laatste verwondert mij niet. Ik betwijfel zeer, of het bedoelde gebed gedurende de 16de, 17de en 18de eeuw wel ergens gebruikelijk is geweest; en daaruit verklaart zich dan volkomen, dat onze Gereformeerde schrijvers van die eeuwen er in ’t geheel niet over handelen; zelfs Voetius niet, in zijne zeer uitvoerige en tot in alle bijzonderheden afdalende verhandeling over „de kerkelijke

|256|

gebeden” (Polit. Eccl., Pars I, Lib. II, Tract. II, Sectie I, Cap. I; in de uitgave van de Pol. Eccl. Vol. I, pag. 481-515). Dat dit gebed in den loop der 19de in de kerken, die thans tot ons Gereformeerd kerkverband behooren, op vele plaatsen in gebruik is gekomen, is misschien, althans ten deele, toe te schrijven aan de omstandigheid, dat na den aanvang der „afscheiding” een lange tijd van verdrukking gevolgd is, waardoor men, zelfs wanneer de gemeente reeds was samengekomen, nooit zeker was dat de dienst niet door politiemacht of door militairen zou verstoord worden, en dus door kerkeraad en predikant bijzondere behoefte gevoeld werd om, voordat zij den dienst lieten aanvangen, zich nog eens te vereenigen in het gebed. Intussen, dit is van mij niet meer dan eene gissing. Iets zekers weet ik er niet van. En ik twijfel ook, of ge voor het opkomen van dat gebed in de 19de eeuw veel bronnen zoudt kunnen vinden.

Over de zaak zelve is in de laatste jaren in onderscheidene onzer „kerkboden” wel gehandeld, en ook (ik geloof: nog in het vorige jaar) in de Heraut.

De conclusie was, voor zoover ik weet, doorgaans, dat er tegen dit gebed op zichzelf natuurlijk geen bezwaar is, daar een geloovige nooit tegen bidden bezwaar kan hebben. Altijd, mits dat gebed zeer kort zij en zich uitsluitend bepale tot den dienst, die staat gehouden te worden, en mits degene, die daarbij voorgaat, hiertoe ook door woordenkeus en gedachtengang bekwaam is.

Maar aan den anderen kant is toch meermalen wel eens bezwaar gemaakt tegen het al te veel vermenigvuldigen van gemeenschappelijke gebeden, waardoor de ernst van het bidden lichtelijk schade lijdt. Een zegen voor den dienst des Woords wordt steeds gevraagd, reeds door velen in huis, daarna door ieder individueel na zijn komst in de kerk (ook door den predikant en de kerkeraadsleden), en voorts door de geheele gemeente in de gebeden, waarin de predikant voorgaat. En wanneer iemand, met het oog op dat alles minder voelt voor een daaraan toegevoegd kerkeraadsgebed in den kerkekamer, kan men hem m.i. niet beschuldigen of verdenken van eenige onverschilligheid voor het gebed op zichzelf.

Toch zou ik iederen kerkeraad altijd aanraden, om, waar dit bedoelde gebed (of ook dankzegging bovendien) in gebruik is, niet

|257|

onvoorzichtiglijk zulk gebruik ter zijde te stellen. Daarvoor is dit een veel te teere zeek, waar men liefst niet aan moet raken, tenzij men genoegzaam wete, dat hierdoor geen ergernis zal gewekt worden, en er dus geen geestelijke schade, maar veeleer winst door ontsta. Iedere kerkeraad moet te dien aanzien weten, wat voor zijne gemeente het meest tot stichting dient.

Maar om diezelfde reden zou het ook geenszins aangaan, dat op dit punt iets aan eenige kerk werd opgelegd door een besluit van Classe of Synode. Dat zou de vrijheid der plaatselijke kerk zeer zeker te na komen, en bij een Gereformeerde kerkinrichting ook niet zijn toe te laten. Hiervoor geldt ook nu nog, wat Voetius schreef over „de hoeveelheid van kerkelijke gebeden, die in het openbaar of binnenskamers te doen zijn”, om te betoogen, dat dit geheel aan iederen kerkeraad, naar de plaatselijke omstandigheden, is over te laten (Polit. Eccl. Vol. I, pag. 490 en 491).

Rutgers, F.L. (1921) 64

Artikel 33.

Die tot de samenkomsten afgezonden worden, zullen hunne credentiebrieven en instructiën, onderteekend zijnde van degenen die ze zenden, medebrengen, en deze zullen keurstemmen hebben, ten ware in zaken, die hunne personen of Kerken in het bijzonder aangaan.

 

64. Hoe moet de verkiezing van afgevaardigden naar de Synode geschieden?

 

(1911.)

108. Ge vraagt mij, of het ook in strijd is met ons Gereformeerd kerkrecht, dat de Deputaten naar de Particuliere en Generale Synoden (waarbij het woord „Deputaten” eigenlijk minder juist is, als zijnde, naar het vaste kerkelijke gebruik, de aanwijzing van personen, die eenvoudig een bepaalden last hebben uit te voeren,

|258|

zonder zelve een zelfstandig college te zijn), door Classen en de Particuliere Synoden, in plaats van door stemming, eenvoudig naar toerbeurt gezonden worden.

Mijn antwoord kan slechts zijn, dat zulke handelwijze formeel wel niet met beginselen, of met beslissingen van kerkelijke vergaderingen, in strijd is, maar toch inderdaad er wel mede in strijd komt, omdat zij bij algemeene toepassing, verderfelijk zijn zou voor de Geref. kerkinrichting en kerkregeering, en ook in strijd zou zijn met Gods Woord, dat ons spreekt van verscheidenheid van gaven, die God verleent.

Het is hier te lande wel eens zoo gegaan met de benoeming of aanwijzing van „Deputaten der Particuliere Synode”; maar hoe treurig dat gewerkt heeft, kunt ge b.v. zien in de Dissertatie van mijn zoon over „Kerkelijke Deputaten”, waar ook een en ander gezegd is tegen zulk een systeem in het algemeen 1) (bladz. 53-64), waarmede ik het geheel eens ben.

Wat zou er in de 16e eeuw van onze kerken wel geworden zijn, en hoe zou het gegaan zijn in den Arminiaanschen strijd, wanneer destijds de Synoden (ook de Dordtsche van 1618-19) enz. waren saamgesteld geweest, niet uit de speciaal gekozen bekwame en ervarene en als zoodanig van God aangewezen mannen, maar uit hen, die volgens toerbeurt waren aangewezen, en dus vaak, met uitsluiting van alle bekwamen, (daar bij toerbeurt niemand meer dan eens aan de beurt kan zijn) en van alle ervarenen, enkel en alleen uit homines novi, misschien zeer geschikt voor hun ambtelijk werk, maar ongeschikt voor de quaesties van kerkregeering en ook geheel zonder ervaring van Synodale werkzaamheid.

Er zou hier nog veel over te zeggen zijn. Maar ge vindt in ’t bovenstaande (en in de aangehaalde Dissertatie) toch mijn gevoelen in hoofdzaak.

 

(1911.)

109. Dat bij de afvaardiging naar Particuliere en Generale Synoden de afvaardiging door middel van stemming niet altijd en


1) Dr. H.C. Rutgers, Kerkelijke Deputaten, Kampen 1909, bldz. 54-64.

|259|

immer de meest geschikte aanwijst, zal zeker wel waar zijn. Maar men moet bij enkele gevallen, waarin zeer geschikte toch niet gekozen zijn (zooals b.v. het door u genoemde van X die ook bij uw systeem van toerbeurt toch zijn leven lang nooit meer naar de Generale Synode zou zijn afgevaardigd), niet gaan generaliseeren: in het algemeen zijn bij onze Synoden wél de geschikten ’t meest gekozen.

Voor de degelijke en tevens vlugge behandeling van zaken (die in de Synodale vergaderingen absoluut noodig is) en voor het opstellen en formuleeren van zakelijke rapporten en goed geformuleerde conclusies zijn nu eenmaal alle predikanten niet even geschikt (gelijk bij het systeem van toerbeurt wel moet ondersteld worden), en ook lang niet alle ouderlingen even bekwaam en ervaren, om door hunne adviezen in de commissies of sectievergaderingen daarbij inderdaad goed mede te werken (welke medewerking, gelijk ik uit de ervaring van al onze Generale Synoden zelf zeer goed ken, volstrekt niet zonder beteekenis en invloed is). Er is verscheidenheid van gaven; en kerken, die dit in de praktijk miskenden, zouden daardoor Gods bestel verloochenen, en dat tot hare eigene groote schade. Dat was zoo in alle vroegere eeuwen; en dat is iets, dat nooit verouderen kan.

Ik kan u dus niet aanraden, de afvaardiging naar de Synoden bij toerbeurt voor te stellen of aan te bevelen. Waar het zonder veel schade kan, bestaat in onze kerken vrij algemeen zulke regeling; b.v. in het wekelijks verwisselen van praeses en scriba in groote kerkeraden (waar de mindere ervaring of geschiktheid van enkelen toch nooit kwaad kan, omdat zij slechts ééne week fungeeren en bovendien alle predikanten present zijn; en ook in de Classen (waar toch alle predikanten aanwezig zijn), en het dus niet kan hinderen, wanneer soms enkele predikanten of ouderlingen minder op de hoogte zijn, daar dezen toch niet den toon aangeven of beslissen). Maar met de Synoden staat het heel anders: in die betrekkelijk zelden samenkomende vergaderingen, waar bovendien veel te beslissen is voor een groot aantal kerken (op de laatste Generale Synode over zeker meer dan 100 punten; en soms nog wel meer), moet men altijd trachten te bewerken, dat de beste krachten uit onze kerken er samenkomen: slechts een klein getal

|260|

van die krachten kan het werk niet goed doen. En die eigenlijke werkkrachten voor Synoden zijn in onze kerken nooit zoo talrijk geweest, en ook nu niet, dat men ieder van die mannen slechts eenmaal in hun leven naar eene Synode zou kunnen afvaardigen (daar men toch uit hen wel niet een blijvend comité zou kunnen samenstellen om als „adviseerende leden” het eigenlijke werk te doen, zooals ge schijnt te bedoelen).

Maar nu hierover genoeg. Ge kent nu mijn gevoelen, waaraan ge echter, zooals vanzelf spreekt, in het minst niet gebonden zijt.

Rutgers, F.L. (1921) 65

Artikel 36.

’t Zelfde zeggen heeft de Classe over den Kerkeraad, ’t welk de Particuliere Synode heeft over de Classe, en de Generale Synode over de Particuliere.

 

65. Welke bevoegdheden hebben Classen en Synoden?

 

(1897.)

110. Het is zeer moeielijk, of liever ondoenlijk, een beslist en volledig advies te geven inzake een kerkelijk geschil over de toepassing van tucht, wanneer men niet precies bekend is met de feiten, waarop het aankomt, noch met de stukken zelve van de procedure, noch met de daarbij betrokken personen en omstandigheden, en wanneer men voorts slechts ééne van de beide partijen eenigszins gehoord heeft.

Op uwe vraag, wat de kerkeraad van X nu doen moet, kan ik dus slechts ten deele, en dan nog onder zeker voorbehoud, antwoorden.

In het algemeen komt het mij voor, dat het te X reeds sedert verleden jaar eene quaestie is geworden van bevoegdheid en macht, tusschen de meerderheid van den kerkeraad en den predikant,

|261|

en dat het nu meer om die machtsquaestie gaat, dan wel om de behouding van den vroeger gecensureerde, zoodat die tucht hier nu van ondergeschikt belang is geworden. Dit nu acht ik uiterst treurig. Het is een gevaar, waarvan juist Gereformeerde kerken bij hun tuchtsoefening het meest blootstaan, en eene klip waarop menige kerk reeds gestrand is, ondermijnd en verwoest door dien strijd om de macht waarbij van de tucht werd gebruik gemaakt. Maar juist daarom moet voor dit gevaar het oog altijd open zijn, en moet de kerkeraad van X zichzelven nu in dezen ook ernstig beproeven. Bij de tucht mag nooit een ander doel zijn, dan de eere des Heeren en dus ook de behouding van den gevallene. En als het ook nog ergens anders om gaat, is men op den verkeerden weg.

Ook komt het mij voor, dat de kerkeraad gevaar loopt voor een zeker independentistisch, alleen aan eigen oordeel hechtend, streven.

Zoo b.v. zegt de kerkeraad: „wij kunnen en mogen en durven A niet ontheffen van de censuur, want de Provinciale Synode heeft ons niet overtuigd”. Alsof dit laatste een vereischte ware! En alsof niet veeleer eisch was, dat ééne kerk zich neêrlegt bij het oordeel van vele kerken, ook al is het dat zij haar vroeger gevoelen blijft handhaven. Het is eene dwaling, te meenen dat men op kerkelijk gebied zich niet bij het oordeel der broederen mag en moet neêrleggen, ook al is men het er niet mede eens, en dan dienovereenkomstig ook mag en moet handelen. Wat zou een kerkeraad er wel van zeggen, als een predikant eens voorstelde, iemand te censureeren, en als dan de kerkeraad het er niet mede eens was, zoodat de censuur uitbleef, en als dan de predikant, niet overtuigd zijnde, op eigen gezag aan de Avondmaalstafel de censuur toch ging toepassen door brood en wijn te onthouden, tot verontschuldiging zeggende: ik kan en durf en mag aan dien broeder of zuster de teekenen niet geven, want de kerkeraad heeft mij niet overtuigd. Dat zou toch niets geven. Men moet zijn eigen oordeel dan aan dat der broederen onderwerpen (tenzij in zaken, waarvoor een uitgedrukt Woord Gods is; ’t geen echter bij de toepassing van tucht op een bepaald persoon niet zoo is). En de verantwoordelijkheid is dan ook voor de broederen, door wier beslissing de eigene conscientie ontlast is.

|262|

Ook zou ik den kerkeraad zeker niet hebben aangeraden, in de kerk bij de samenkomst der gemeente een demonstratie te doen. Indien hij geen Avondmaalsviering in die omstandigheden mogelijk achtte, had hij daartoe vooraf het besluit moeten nemen, wegens den twist in de gemeente het Avondmaal niet te doen houden. Maar nu was zijne houding minder ordelijk en stichtelijk.

Meen nu echter niet, dat ik den predikant ook maar eenigszins zou willen vrijpleiten. Het is eenvoudig pauselijk „Synodaal Hervormd”, wanneer een predikant in de samenkomst der gemeente een kerkeraadsbesluit afkondigt, maar erbij voegt, dat hijzelf het er niet mede eens is. Dat is misbruik van macht. En de Classe had hem daarover ernstig moeten bestraffen en vermanen. En evenzeer, dat hij bij de Avondmaalsviering naar den kerkeraad niet vraagt, maar zijn eigen zin doet, alsof hij de Avondmaalsviering had te regelen. Ook daarvoor moet de Classe hem m.i. bestraffen en vermanen.

Te meer jammer vind ik het daarom, dat de kerkeraad m.i. ook niet geheel correct heeft gehandeld. Dat helpt den predikant bij zijn streven.

 

(1901.)

111. In de zaak tusschen de Classe en den kerkeraad van X kan ik geen eigen beslist oordeel hebben, en dus ook geen advies geven, zonder er veel meer van te weten dan per brief te berichten is, en eigenlijk zonder de partijen zelf te hooren. Alleen is mij duidelijk, dat een besluit der Classe, dat de kerkeraad moet aftreden, (daargelaten nu, of en in hoeverre dat besluit goed en wettig was), geenszins van zelf medebrengt, dat de kerkeraad, daaraan niet voldoende, zou moeten geacht worden niet meer wettig te bestaan; vooreerst, omdat zulk een besluit tot aftreding nog volstrekt niet is eene disciplinaire ontzetting uit het ambt; vervolgens, omdat de kerkeraad tegen dit besluit in appèl is gekomen en dus, hangende het appèl, het besluit niet reeds vanzelf uitvoerbaar is; en eindelijk, omdat de kerkeraad er intusschen wel aan voldaan heeft, dat hij jaarlijks de helft wil laten aftreden. In

|263|

’t voorbijgaan trof mij nog uwe uitdrukking „souvereiniteit” van den kerkeraad; eene uitdrukking die zeker niet juist is, daar kerkdienaren geen overheden zijn, en in de kerk slechts Christus souverein is, en de ambtsdragers zijne „dienaren”. Om dezelfde reden zou ik ook liever niet spreken van „autonomie” der plaatselijke kerk, daar de Heere zelf de eigen „wetgever” is, en de kerk nooit „wetten” maakt, maar uit Gods Woord „verklaart” wat in zake kerkregeering des Heeren wet is.

 

(1909.)

112. Of in het gegeven geval het advies der Classe al dan niet juist was, kan ik moeielijk beslissen, daar ik den persoon in quaestie niet ken en van zijn houding bijna niets weet. Maar wèl meen ik, dat de kerkeraad of het advies der Classe moet volgen, of wel zich moet beroepen op de Particuliere Synode.

Reeds op zichzelf kan een kerkeraad, uit kracht van het kerkverband, een gevraagd advies der Classe niet eenvoudig ter zijde stellen, om toch zijn eigen gang te gaan.

En dit kan nog minder, waar het eene excommunicatie geldt. Het betreft hier wel geene volledige excommunicatie (omdat de persoon nog geen compleet lid is), bij welke voor een wettig kerkeraadsbesluit zelfs toestemming der Classe vereischt wordt volgens de Kerkenordening. Maar het besluit, om een lid, zij het ook een nog niet compleet lid, „niet maar als zoodanig te erkennen,” is toch inderdaad ook een excommunicatie of uitbanning. En die kan dan ook slechts geschieden met advies der Classe; dus niet tegen dat advies.

Intusschen kunt ge zelf hierin wel niet meer doen, dan beproeven, den kerkeraad van zijne verkeerde lijn terug te brengen. Macht, om de uitvoering van een verkeerd besluit te beletten, hebt ge zeker niet. Ge kunt dan slechts daarna bij de Classe uwe bezwaren daartegen inbrengen.

Ook zoudt ge nu npg den kerkeraad kunnen mededeelen, dat dit uw voornemen is, zoodat de zaak dan als een „geschil in den kerkeraad” voor de Classe komt; en er op aandringen dat de

|264|

meerderheid in den kerkeraad dan toch niet reeds vooraf haar besluit uitvoer, zoodat de Classe voor een „gedaan feit” zou staan. Het geschil loopt dan niet over de al of niet excommunicatie; maar over de vraag, of een kerkeraad het advies der Classe bij zulk een zaak mag ter zijde stellen en er tegen ingaan, dan wel, of hij, er zich niet mede vereenigende, op de Particuliere Synode moet appelleeren. Misschien kan de kerkeraad er dan toe komen, zijn besluit nog niet uit te voeren.

Rutgers, F.L. (1921) 66

66. Mag een Classe de kerken verplichten tot bijdragen anders dan het Classicale quotum?

 

(1901.)

113. Om uwen brief van 6 blz. quarto ook maar eenigszins afdoende te beantwoorden, zou ik wel 6 maal zooveel ruimte noodig hebben, al was ’t alleen om den aard van het Geref. kerkverband, de macht van Classen en Synoden, enz., eenigszins in het licht te stellen, eenerzijds tegenover Independentisme, en anderzijds tegenover Collegialisme en Hierarchie. Natuurlijk kan ik dit niet doen, en moet ik u daarvoor verwijzen b.v. naar Voetius’ Tractaten van kerkverband en kerkelijke vergaderingen, die ge wel zult hebben of kennen, daar wij ze voor eenige jaren in de Bibliotheca Reformata hebben laten herdrukken.

Zeer zeker moeten kerkeraden zich houden aan de besluiten der Classe, en deze aan die der Synoden. Maar — de meerdere vergaderingen moeten met hare besluiten ook blijven binnen den kring hunner bevoegdheid. En daartoe hoort niet, dat zij met dwingende macht gaven van Christelijke liefde aan iemand mogen opleggen. Zij mogen wel een omslag daarvoor maken, in dien zin, dat zij uitspreken wat h.i. ieder daarvoor behoort te geven; maar dat kan niet meer zijn dan een zedelijken dwang; dus een besluit van gansch anderen aard dan besluiten die ook moeten uitgevoerd worden, desnoods met kerkelijken dwang.

Dit geldt dus voor steun aan hulpbehoevende kerken, voor welk doel ook. Niet slechts voor ’t verkrijgen van een eigen leeraar, maar ook voor emeritaats- en weduwenpensioen, waarover ge ook schrijft. Indien dit beginsel eenmaal werd losgelaten, zouden we

|265|

met volle zeilen in den stroom van het socialisme gaan, en hoe langer hoe meer voor alle nooden maar een omslag gaan maken, ten slotte aller vermogen voor allen gemeen makende. En voorts, hoe zoudt ge kerken willen dwingen tot eene bijdrage der liefde? Met rijke kerken zou dit nog kunnen; maar bijna alle onze kerken hebben meer schuld dan bezitting. En hoe moet dan een kerkeraad aan het geld komen? Of moeten predikanten en ouderlingen en diakenen worden afgezet, als de gemeente hun niet genoeg geeft voor allerlei nooden, waarvoor Classen en Synoden een omslag zouden maken ? Dat gaat toch immers niet.

Met de kosten van het samenleven in kerkverband is het een geheel ander geval; want de bijdragen daaraan zijn volstrekt geen gaven der liefde, voor eenigen nood; maar eenvoudig het door ieder verschuldigde voor de kosten van samenleving, de noodzakelijke kosten van het kerkverband, dat men samen heeft aangegaan. En die bijdragen kunnen ook nooit zóó hoog loopen, dat bij billijken omslag eenige kerk ze niet zou kunnen voldoen.

Hier in Amsterdam heeft de kerkeraad dan ook de gewoonte, bij alle toezegging van steun aan hulpbehoevende kerken geen vaste jaarlijksche som te noemen (want indien de collecten die eens niet opbrachten, waar moest de kerkeraad het dan vandaan halen, daar de kerkekas alle jaar veel te kort komt?), maar alleenlijk toe te zeggen: steun, zoo mogelijk tot dat bedrag; en indien de collecten meer opbrengen, dan ook wel meer te geven.

 

(1901.)

114. 1º . „Stemt u toe, dat de Classe een zoodanig besluit [nl. het opleggen van een omslag aan al hare kerken, voor het predikants tractement eener hulpbehoevende kerk] mocht nemen, en elke kerk verplichten tot nakoming daarvan, zij het ook alleen met zedelijken dwang?” — Neen, zeker niet! De Classe mag wel uitspreken, dat h.i. die hulpbehoevende kerk moet geholpen worden, en dat, indien alle kerken dit naar hare draagkracht doen, h.i. verwacht wordt van kerk X f …, Y f …, Z f …, enz.

|266|

Maar dat is principieel, en ook feitelijk heel iets anders dan een besluit als bovenbedoeld.

2º . „Heb ik gelijk, wanneer ik het door een Classe opleggen van vacatuurbeurten voor kleine en zwakke kerken gelijk stel met het opleggen van een geldelijk bedrag, per drie maanden te betalen?” — Neen, zeker niet! Dit zijn geheel heterogene zaken. Het eene is geestelijke hulp, het andere stoffelijke hulp; de eene soort hulp heeft elke kerk op hare beurt van de ander noodig, maar het andere geenszins; het eene is een hulp die door elke kerk met een predikant vanzelf kan verleend worden, het andere niet; en zoo zouden nog een groot aantal verschilpunten te noemen zijn. Vacatuurbeurten kunnen dan ook zeer zeker worden opgelegd, uit kracht van het kerkverband en om den wederkeerigen steun, maar liefdegaven niet.

3º. „Mag ik naast den steun uit de kas voor hulpbehoevende kerken ook nog niet spreken van steun door den afkoop van vacatuurbeurten?” — Neen, althans op uw standpunt zeker niet! Het zou kunnen, wanneer een kerk uit zichzelve aan de Classe aanbood, in plaats van het uitleenen van haar predikant voor een vacatuurbeurt een som gelds te geven (waarvoor dan andere hulp kan verkregen worden), en de Classe dit aannam. Of, wanneer de Classe de gelegenheid daarvoor openstelde; en dan natuurlijk alleen voor diegene harer kerken die zulks aannemen, terwijl de andere tot vacatuurdienst op haar beurt zouden gehouden blijven. Maar uw idee was juist omgekeerd, dat de Classe zou opleggen, zelfs bij tegenspraak van sommige kerken; zij het ook met zedelijken dwang. — En voorts, al zou men in het door mij genoemde geval van ,.afkoop” kunnen spreken, ik zou zulk een contract toch zeker niet aanraden. Daarmede zou men later altijd moeielijkheden krijgen; en ook principieel is ’t niet goed. Het afstaan van een predikant voor een vacatuurbeurt is niet per se altijd finantieele schade voor de leenende kerk; dit kan zoo zijn, per accidens, maar niet vanzelf; het kan zelfs voordeel zijn, als men dan een liefdebeurt kan krijgen van iemand, die veel menschen trekt. Maar dat zijn alles slechts bijkomende omstandigheden, die aanleiding kunnen geven, om de kerken te dwingen, iedere kerk der Classe aan een vasten predikant te helpen, maar niet tot meer: de finantieele hulp blijft een liefdegave.

|267|

(1906.)

115. Het deed mij ook veel genoegen, dat in uwe Classe de zaak der predikants-tractementen aan de orde gesteld is. Die hebben zeker eene verbetering dringend noodig. Maar juist daarom deed mij leed, dat uwe Classe te dien aanzien een maatregel voorstelde, die principieel verkeerd is, zelfs nog erger dan de kwaal, en die bovendien practisch volstrekt onuitvoerbaar is. Het daartoe strekkend besluit uwer Classe is dan ook zonder beteekenis of effect. Classen of Synoden zijn ten eenenmale onbevoegd „verlof” (of zelfs „handopening”, alsof we nog een rijkstractement hadden) te geven of te weigeren voor eene beroeping, d.i. voor een handeling, die in Gods Woord aan de plaatselijke kerk is voorgeschreven, en waarbij geen tractement precies is bepaald; en nog veel minder mag eene Classe of Synode besluiten, van de eene kerk geld af te nemen om het aan eene andere te geven (een zuiver socialistisch idee). Hoe eer men daarvan terugkomt, des te beter; want anders vrees ik, dat de goede zaak schade zal lijden door de gegronde bezwaren tegen het voorgestelde middel.

 

(1907.)

116. Hiernevens uw concept-voorstel terug.

Zonder twijfel ben ik van oordeel, dat, bij iedere aanvrage om hulp voor een hulpbehoevende kerk, opdat deze een voldoend tractement kunne aanbieden, elke andere kerk der Classe zelfstandig te beslissen heeft, of zij voor dit bepaalde geval hare hulp kan en wil verleenen. Te dezen aanzien heeft de Classe (of hare meerderheid) geenerlei recht, iets aan eenige kerk op te leggen; en evenmin kan eenige kerk zich in blanco verbinden tot alle hulp, die de Classe zal noodig oordeelen. Zelfs kan de Classe (die zelve over geenerlei geldmiddelen te beschikken heeft) geen bedrag van hulp voor vast toezeggen, maar alleenlijk voor zoover zij daartoe door de bijdragen der kerken in staat is; om welke reden de hulp dan ook telken jare opnieuw is aan te vragen, voor een jaar.

Verplichte bijdrage is alleenlijk het zoogenaamde

|268|

Classikale quotum, d. i. de bijdrage die volstrekt noodig is voor het door iedere kerk aangegane kerkverband, m. a. w. de kosten van Classikale en Synodale vergaderingen en van hare Deputaten-vergaderingen en reizen. Dat zijn schulden, die de kerken gezamenlijk maken om het kerkverband mogelijk te maken; en daarin moet dus iedere kerk haar deel betalen, naar billijke taxatie, door de kerkelijke vergaderingen te maken.

Maar daarbuiten heeft geene kerk over de finantiën van een andere kerk iets te zeggen of te bepalen; en is ook een meerderheid van kerken daartoe niet bevoegd. Wie hierover anders denkt, is eigenlijk op kerkelijk gebied een socialist, daar hij het privaatbezit van kerken beschouwt en behandelt, alsof andere kerken daarover konden beschikken, als zij dit nuttig of noodig vinden. Principieel staat men dan ook machteloos tegenover de socialisten, die op maatschappelijk gebied den privaten eigendom aanranden.

Op dit gebied zou men het ten minste door een soort van revolutie nog kunnen gedaan krijgen, dat de meerderheid over ieders finantiën beschikte, ten einde (zoo men waant) een ieder te kunnen geven wat hij noodig acht. Maar op kerkelijk gebied zou een soortgelijk Classikaal besluit eenvoudig onuitvoerbaar zijn; want een kerkeraad heeft ook al geen kas, waaruit altijd maar kan genomen worden, en men zou kerkeraadsleden toch niet kerkelijk kunnen behandelen, omdat zij de onrechtmatig geeischte bijdrage niet voldeden en zelfs niet konden voldoen.
Het principieele bezwaar blijft echter de hoofdzaak. En daarom zou misschien aanbeveling verdienen, duidelijkheidshalve en tot afsnijding van misverstand, bij voorstel A II in den laatsten regel nog bij te voegen: „van iedere kerk, die zich voor dat bepaalde geval tot wederopzeggens toe tot hulp verbonden heeft, naar billijkheid” enz.

Rutgers, F.L. (1921) 67

|269|

Artikel 37-41.

In alle Kerken zal een Kerkeraad zijn, bestaande uit de Dienaren des Woords en de Ouderlingen, dewelke, althans in de grootere gemeenten, in den regel alle weken eens tezamenkomen zullen, alwaar de Dienaar des Woords (of de Dienaren, zoo daar meerdere zijn, bij beurte) presideren en de actie regeeren zal.

Welverstaande, dat in de plaatsen, waar de kerkeraad voor het eerst of op nieuw is op te richten, ’t zelve niet geschiede, dan met advies van de Classe. En waar het getal van de Ouderlingen klein is, zullen de Diakenen door plaatselijke regeling mede tot den Kerkeraad kunnen genomen worden; hetgeen altijd geschieden zal, waar dit getal op minder dan drie is bepaald.

Plaatsen, waar nog geen kerkeraad zijn kan, zullen door de Classe onder de zorg van een genabuurden Kerkeraad gesteld worden.

Desgelijks zullen de Diakenen samenkomen, waar zulks noodig is alle weken, om met aanroeping van den Naam Gods, van de zaken, hun ambt betreffende, te handelen, waartoe de Dienaren goede opzicht zullen nemen, en zoo noodig zich daarbij laten vinden.

De Classicale vergaderingen zullen bestaan uit genabuurde Kerken, dewelke elk een Dienaar en een Ouderling, ter plaatse en tijd bij hen in het scheiden van elke vergadering goedgevonden (zoo nochtans, dat men het boven de drie maanden niet uitstelle), daarhenen met behoorlijke credentie afvaardigen zullen; in welke samenkomsten de Dienaars bij beurte, of anderszins die van dezelve vergadering verkoren wordt, presideeren zullen, zoo nochtans, dat dezelfde tweemaal achtereen niet zal mogen verkoren worden. Voorts zal de praeses onder anderen een iegelijk afvragen, of zij in hunne

|270|

Kerken hunne kerkeraadsvergadering houden; of de kerkelijke discipline geoefend wordt; of de armen en scholen bezorgd worden; ten laatste, of er iets is, waarin zij het oordeel en de hulp der Classe tot rechte instelling hunner Kerk behoeven. En eindelijk zullen in de laatste vergadering vóór de Particuliere Synode verkoren worden, die op deze Synode gaan zullen.

 

67. Wat behoort in de notulen van een kerkeraad te worden opgenomen?

 

(1901.)

117. Inzake „de beschuldiging van opstand, die, gelijk uit de notulen blijkt, gelijk staat met scheurmakerij”, waarover gij mij schrijft, blijkt uit uwe mededeelingen, dat de kerkeraad daarvan geen formeele aanklacht heeft gemaakt, zoodat nu een formeele kerkelijke procedure daarover zou loopen, maar dat dit in den kerkeraad slechts gezegd is. Het is jammer, dat dit dan ook genotuleerd is; en m.i. moet ge zoo mogelijk, elke notuleering van overwegingen, beoordeelingen, enz., trachten te voorkomen. Gewoonlijk notuleert een kerkeraad enkel zijn besluiten; en meer te notuleeren doet nooit eenig goed en heeft nooit nut, maar doet integendeel doorgaans veel kwaad. Het komt slechts aan op de bewaring in de notulen van hetgeen een kerkelijke vergadering besloot; en dan natuurlijk met de overwegingen, die, niet één of meer leden uitspraken, maar die de kerkeraad zelf geformuleerd aannam. Voor zoveel ik zaken en toestanden ken, zou ik in uw geval die vroegere gezegden liever laten rusten, of er enkel privatim op antwoorden.

Rutgers, F.L. (1921) 68

68. Is de kerkeraad verplicht aan buitenstaanders inlichtingen over kerkeraadsbesluiten te geven?

 

(1915.)

118. Ge vraagt mij, of een kerkeraad verplicht is, allerlei inlichtingen te geven omtrent gronden en motieven voor een

|271|

kerkeraadsbesluit, wanneer daarnaar gevraagd wordt door een gemeentelid, dat zelf niet rechtstreeks bij dat besluit betrokken is. Op die vraag is zonder twijfel ontkennend te antwoorden. Zulke verplichting bestaat niet; en men zal er ook wel geen grond voor kunnen aanvoeren. Er kunnen zelfs gevallen zijn, waarin een kerkeraad om onderscheiden redenen verplicht is, dergelijke inlichtingen te weigeren; zelfs te weigeren aan een gemeentelid, dat er zelf wèl bij betrokken is.

Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat gemeenteleden een kerkeraadsbesluit niet zouden mogen beoordeelen en er eventueel geen bezwaar tegen zouden mogen maken. Maar dan in den ordelijken weg. D. i. door eerst bij den kerkeraad het bezwaar in te brengen; en als deze bij zijn besluit blijft, en de zaak van genoegzaam belang is voor de zaak van Gods koninkrijk, doordat men zich beroept op de Classe enz. Alleen op independentistisch standpunt, waarbij de opzieners eenvoudig dienaren der gemeente zijn, om feitelijk door die gemeente geregeerd te worden, zou men kunnen spreken van een recht der gemeenteleden om den kerkeraad tot verantwoording aan de gemeente te roepen. Maar in Gereformeerde kerken wordt terecht altijd vastgehouden aan de Schriftuurlijke opvatting van het opzienersambt.

Met dit een en ander wordt nu echter nog niets gezegd over het geval, dat tot uwe vraag aanleiding gaf. Maar daarover kan ik ook geen oordeel hebben, omdat ik de personen en omstandigheden niet ken. En evenmin kan ik beoordeelen, of het al dan niet raadzaam is, aan den hierbij betrokken persoon zelven inlichtingen te geven omtrent de motieven van het gewraakte kerkeraadsbesluit.

Maar in ieder geval is het volstrekt ongeoorloofd, dat een gemeentelid wegens kerkeraadsbesluiten, waarmede hij het niet eens is, zijne verschuldigde bijdrage voor den kerkedienst inhoudt of vermindert, en dus, voor zooveel hij kan, de kerk van Christus ter plaatse wil doen inzinken en verdwijnen. Zoo kan men handelen bij eene menschelijke vereeniging; maar daartoe mag een geloovige de kerk van Christus niet, op sectarischen trant, willen verlagen. Wie met zulke finantieele argumenten in de kerk iets wil uitwerken, brengt daar in beginsel den Mammonsdienst.

Rutgers, F.L. (1921) 69

|272|

69. Mogen gemeenteleden oordeelen over kerkeraadshandelingen?

 

(1908.)

119. Om de zaak waarover ge mij schrijft, beslist en volledig te kunnen beoordeelen, zou ik natuurlijk de twee B.B., die zich bij den kerkeraad bezwaard hebben, ook moeten hooren. Intusschen, geven uwe uitvoerige mededeelingen mij ook reeds veel. En daarop afgaande meen ik wel te kunnen zeggen, dat uw kerkeraad, in formeelen zin, geheel correct heeft gehandeld. Slechts tot twee opmerkingen geeft uw schrijven mij aanleiding.

Gij schrijft, met betrekking tot den br., die tegen een kerkeraadshandeling met een ander bezwaar had, dat dit „hem niet aanging”, daar de kerkeraad hem niet kon „erkennen als rechter over die zaak”, omdat „de beoordeeling van een daad van den kerkeraad wel toekomt aan een meerdere vergadering, maar niet aan een gemeentelid.”

Dit nu geldt zonder twijfel van kerken, die hierarchisch ingericht zijn of die het collegiale stelsel volgen; maar het geldt zeker niet in Gereformeerde kerken, waar iedere kerkeraadshandeling, die naar buiten werkt, vrijelijk door ieder gemeentelid mag, en tot op zekere hoogte zelfs moet „beoordeeld” worden. De finale beslissing staat daarom niet bij eenig gemeentelid, of zelfs bij de gezamenlijke gemeenteleden, maar bij den kerkeraad (eventueel bij de meerdere vergaderingen); maar „critiek” van gemeenteleden mag toch nooit door een kerkeraad worden tegengewerkt of ter zijde gesteld. Natuurlijk, behoudens zijne roeping om, wanneer de critiek blijkbaar uit een verkeerd beginsel voortkomt of onbehoorlijk wordt uitgebracht, daarnaar te vermanen, berispen, onderwijzen, enz.

Natuurlijk geldt dit ook voor critiek op den Dienst des Woords, die onder toezicht van den kerkeraad staat. Daarbij is zeker de regel, dat een bezwaard gemeentelid, eerst zelf met den Dienaar des Woords gaat spreken. Maar, uit formeel oogpunt kan de kerkeraad eene eventueel bij hem inkomende klacht niet afwijzen of ter zijde stellen. Dat baat ook niets; eerder het tegendeel.

En daarom zou ik, in uw geval, dien br., die bezwaar had niet verhinderd hebben, zijn bezwaar in den kerkeraad uit te spreken

|273|

en toe te lichten. Niet, om dan daarover met hem in discussie te treden; maar eenvoudig, om hem gelegenheid te geven, zich uit te spreken; waarna hij dan weer kon heengaan, en de kerkeraad verder zijn besluit nam (in dit geval: dat zijn bezwaar ongegrond was).

Formeel is het zeker geen bepaalde fout, wanneer een kerkeraad zulke tegemoetkomingen achterwege laat. Maar voor de zaak zelve is het toch niet practisch.

Wat u en den kerkeraad nu verder te doen staat, als het beste middel om de moeielijkheid op te lossen, kan ik niet beoordeelen, daar ik de personen en de omstandigheden niet genoegzaam ken.

In ieder geval moeten die beide B.B. goed onderricht en vermaand worden, dat het gansch niet aangaat, zich om deze zaak aan de Avondmaalsviering te onttrekken, en alzoo ongehoorzaam te worden aan hetgeen Christus zelf, ook voor hen, geordineerd heeft. Ik begrijp zelfs niet, hoe geloovigen, uit eene zaak als deze, aanleiding kunnen nemen tot wegblijven van het Avondmaal.

Rutgers, F.L. (1921) 70

70. Wie moet een spoedvergadering van den kerkeraad uitschrijven?

 

(1911.)

120. En wat een andere vraag betreft, alle kerkeraadsvergaderingen zijn natuurlijk door den aangewezen praeses (steeds een der predikanten) te beleggen. En natuurlijk doet hij dat dan in die qualiteit, die hij bij de belegging dan ook natuurlijk. wel noemen mag, daar hij toch vanzelf die vergadering heeft te presideeren. Ik begrijp niet, welk bezwaar daartegen in uwe gemeente kan zijn ingebracht.

Rutgers, F.L. (1921) 71

71. Over samenroeping, leiding en rechten van  gemeentevergaderingen

 

(1899.)

121. Eene vergadering „van gemeenteleden” is niet mogelijk, tenzij de „kerkeraad”, in zijne qualiteit, die samenroepe. Altijd behoudens het zeer exceptioneele geval, dat ergens alle leden des kerkeraads op eens wegvallen; in welk geval echter de naburige

|274|

kerken moeten helpen, en dus de Classe voor de samenroeping zorgt, en daarna de samenkomst te leiden heeft. Maar dit geval nu daargelaten, kan eene vergadering van gemeenteleden alleen door den kerkeraad, als het bestuur der gemeente, worden samengeroepen.

Maar het spreekt wel vanzelf, dat die kerkeraad dan niet op eens zijne qualiteit of zijn karakter verliest; zij het ook slechts voor den duur van die gemeentelijke samenkomst, zoodat daarvoor dan een afzonderlijk bestuur, ter leiding, zou te kiezen zijn. Zelfs bij eene gewone vereeniging zou het ongerijmd zijn, te stellen, dat, wanneer het bestuur eene algemeene vergadering heeft samengeroepen, dan tijdens den duur van die vergadering het bestuur als het ware tijdelijk geschorst zou zijn, en er voor die vergadering een nieuw bestuur zou te kiezen zijn. En dit zou nog veel minder gaan in de kerk, waar de ambtsdragers wel door de gemeente zijn aangewezen, maar toch hun ambt hebben van, en namens, den Koning der kerk, den Heere zelven. Zelfs de independenten (van wier revolutionaire beginselen van volkssouvereiniteit hier en daar in onze kerken wel iets is ingedrongen), die de ambten loochenen, en alleenlijk predikanten en ouderlingen wilden hebben als uitvoerders van den wil der gemeente, hebben toch nooit gesteld, dat in hunne zoogenaamd souvereine algemeene vergaderingen van gemeenteleden de predikanten en ouderlingen niet als zoodanig hadden op te treden. Hoe iemand in X aan iets dergelijks komt is mij inderdaad een raadsel.

Misschien komt het, doordat er zijn, die niet weten, wat in onze Geref. kerken een predikant en ouderling is, en wat hun ambt meebrengt; denkende (natuurlijk zonder onderzoek), dat die enkel zijn voor prediking, catechisatie, huisbezoek, en voorts tucht en achtgeving op leven en leer. Dezulken moeten dan eens herinnerd worden aan hetgeen onze kerken, van den aanvang af, geheel anders bepaald hebben. Volgens artt. 16 en 23 K.O. hoort er ook toe: „te bezorgen dat alles eerlijk en met orde geschiede”; alles, namelijk in de gemeente, en dus ook in officieele gemeentelijke vergaderingen. En in de Formulieren van bevestiging van predikanten en ouderlingen, waarvan het laatste toch jaarlijks aan de gemeente wordt voorgelezen, staat ook op vele plaatsen het

|275|

noodige over „regeeren” en „regeering” der kerk, aan de opzieners opgedragen.

Indien een aantal gemeenteleden willen samenkomen als een soort van „gezelschap van vrienden,” dan is het natuurlijk een ander geval. Maar dan is van gemeentelijke vergadering ook geen sprake. Particulier kunnen gemeenteleden evengoed, als andere menschen, natuurlijk wel eens samenkomen, en dan zelve voor zulk eene samenkomst bepalingen maken. Maar gemeentelijke samenkomsten (voor kerkelijke verkiezingen en voor het bespreken van kerkelijke belangen volgens oproeping van den kerkeraad) staan uit den aard der zaak onder leiding van den kerkeraad. En deze mag zelfs niet toelaten, dat zaken van tucht of kerkregeering op zulke samenkomsten beslist worden: immers voor zulke zaken is en blijft de kerkeraad zelf de handelende persoon, en verantwoordelijk.

Rutgers, F.L. (1921) 72

72. Maken de diakenen deel uit van den kerkeraad?

 

(1901.)

122. Ge vraagt mijn gevoelen over een quaestie, die in de Classicale vergadering van X aan de orde is gesteld; over de quaestie n.l. of diakenen, al dan niet, tot den kerkeraad behooren, en of er te dien aanzien, al dan niet, strijd is tusschen onze Confessie en onze Kerkenordening.

M.i. hoort deze quaestie, in zulk een vorm, op een kerkelijke vergadering niet thuis. In een kerkeraad komen kerkedienaren samen, en in een Classe en Synode een aantal kerken, om de voorvallende zaken, die tot hun bevoegdheid behooren, te behandelen en af te doen; niet om allerlei, voor het overige zeer belangrijke. exegetische of dogmatische of kerkrechtelijke of andere theologische punten te bespreken. Als kerkelijke vergaderingen daarmee begonnen, dan zou mettertijd te wachten zijn, dat zij allen tijd daaraan moesten besteden, en wel zeer dikwijls te vergaderen hadden; want er zouden dan eerlang heel wat gemeenteleden, kerkedienaren enz., zijn, die de kerken op zulk eene manier aan het werk gingen zetten. En met welk recht zou men dan den eenen weigeren, wat men den anderen had toegestaan? Er zijn zeer zeker duizende en tienduizende „quaesties” inzake

|276|

Schriftuitlegging, kerkinrichting, enz. enz.; en bij zulke quaesties zou menigeen het dan zeer gemakkelijk vinden, om, inplaats van zelf te gaan onderzoeken en, studeeren, anderen eens aan het werk te zetten; of wel, als men zelf niet onderzoeken kan, dit aan anderen op te dragen. Maar daarvoor worden de kerkelijke vergaderingen niet gehouden. Als daar zaken aan de orde zijn te stellen, dan moeten ze komen (gelijk de vaderen dit terecht uitdrukten), niet „in hypothesi” maar „in thesi”, (dat is naar aanleiding van een bepaald geval dat zich voordoet, om een practischen strijd uit te maken, enz.). Ook, omdat het bijna ondoenlijk is, kerkrechtelijke punten met algemeenheden af te doen. De vaste begrippen en regelen zijn bij de toepassing altijd eenigszins te wijzigen (ook al weer naar beginselen) in verband met de omstandigheden. En dat is niet alles in enkele formules op te nemen.

Intusschen, als een Classe is afgeloopen, dan kan men daarna wel eens officieus over allerlei spreken; of ook, aan ’t eind der vergadering, als er toch niets meer te behandelen is, en er tijd voor is (mits dan wie wil, kan weggaan). Maar voor het overige zou ik zeggen, dat de Classe bovengenoemde quaesties alleen behandelen kan, als er ergens een practisch geschil over is te beslechten (en dan alleenlijk met toepassing op dat voorkomende geval), of als er een voorstel is om aan de Generale Synode wijziging van Confessie of K.O. voor te stellen; hoedanig voorstel dan echter niet een „losse inval” mag zijn, maar met redenen moet omkleed zijn.

Wat nu de quaestie zelve betreft, die is veel te omvangrijk, om in een brief genoegzaam te kunnen worden toegelicht. Laat mij te dien aanzien dus nog slechts een paar algemeene opmerkingen hierbij voegen.

Art. 30 van de Confessie schijnt in de Classe X wel wat oppervlakkig te zijn ter sprake gebracht. Immers, aldaar staat niet, dat de drie soorten van kerkedienaren tezamen den kerkeraad uitmaken, of de kerkeraad zijn, maar dat zij zijn als de raad der kerk; welk woordje „als” in het Hollandsch nog eenigszins op twee manieren kan worden uitgelegd, maar niet in den even authentieken Franschen tekst „comme le Senat de l’Eglise”, en nog minder in den even authentieken Latijnschen tekst „quasi Senatus

|277|

Ecclesiae”. Het is geen art. eener K.O., dat kerkelijke bevoegdheden formeel wil regelen; maar een artikel eener Confessie, dat in het algemeen uitspreekt, wie in de kerk ex officio iets te doen en te regelen hebben, op de manier als in het burgerlijke ook een raad (senatus) is, terwijl dan voorts volgt, wat er voor die dienaren te doen is, zonder dat de bedoeling is, formeel te regelen, wie nu het een en wie het ander voor zijn rekening heeft. Dit is nader in de K. O. te bepalen.

En dit is nader bepaald, aanvankelijk nog in algemeene termen te Emden (1571), in de eerste redactie der K.O., art. 6. Nader te Dordt (1574) art. 4, naar aanleiding van een gravamen (bl. 210 van de uitgave „Acten van de Ned. Synoden der 16de eeuw”, door mij bezorgd in de „Marnixvereeniging”; een uitgave voor wier correctheid naar den authentieken tekst ik kan instaan; behalve ten aanzien van den zeer foutieven tekst van de Hollandsche vertaling der Emder acta. (De gewone kerkelijke handboekjes zijn op vele plaatsen zeer foutief). En voorts bij de volgende indeeling der K.O. (te vinden in de genoemde uitgave).

Volgens alle die bepalingen is de zaak eenvoudig, dat „de kerkeraad” bestaat uit „predikanten en ouderlingen”; maar dat in kleine gemeenten de diakenen ook als het ware hulpdiensten doen als ouderlingen, en wederkeerig de predikant en de ouderlingen hulpdienst als diakenen, zoodat alsdan de kerkeraad altijd uit die drie bestaat (dus in verre de meeste gemeenten); en dat in groote gemeenten de diakenen voor sommige zaken (die den dienst der barmhartigheid raken, en ook, naar de usantie, zaken van beroeping en benoeming van kerkedienaren, enz.) bij den kerkeraad komen, zoodat men alsdan heeft: een „gewonen kerkeraad” en: een „kerkeraad met diakenen” (soms wel genoemd groote of breede kerkeraad), en dus het woord „kerkeraad” een ruimeren of engeren zin heeft, al naar gelang de zaak, die er te behandelen is.

Hierover zou nog zeer veel te zeggen zijn. Maar dat kan ik hier nu niet doen. In het bovenstaande geef ik u althans iets. Hoe dan toch in alle artikelen de „ambten” goed te onderscheiden zijn, ook practisch, kan ik hier niet meer bijvoegen.

Rutgers, F.L. (1921) 73

|278|

73. Hebben de diakenen beslissende stem in tuchtzaken?

 

(1907.)

123. Wanneer diakenen volgens art. 38 K.O. tot den kerkeraad genomen zijn, doen zij daarin dienst als hulp-ouderlingen (wegens het kleine getal van de eigenlijke ouderlingen), en hebben zij daarin dus geheel dezelfde bevoegdheid als de ouderlingen; ook een beslissende stem in tuchtzaken. Intusschen behooren zij dan aan het oordeel der ouderlingen altijd wat meer te hechten dan aan hun eigen gevoelen; evenals wederkeerig de ouderlingen zulks moeten doen, wanneer diakonale zaken in den kerkeraad behandeld worden; zoodat b.v. eene censuur niet licht moet worden uitgesproken (of niet uitgesproken) tegen het oordeel van alle ouderlingen. Maar formeel recht om te stemmen hebben zeker alle leden van den kerkeraad, ook de diakenen, die tot den kerkeraad genomen worden.

Rutgers, F.L. (1921) 74

74. Over medewerking der diakenen in den kerkeraad.

 

(1908.)

124. Uw brief, dien ik gisteren ontving, kon ik niet aanstonds beantwoorden. En ook nu heb ik geen tijd om in te gaan op uw algemeene vraag, waar nu eigenlijk de grens ligt ter bepaling van ’t geen door den kerkeraad met diakenen te behandelen is.

In vroeger eeuwen heeft men hier te lande aanvankelijk de diakenen alleen voor beroepingen bij den kerkeraad laten komen (nl. in de grootere kerken, want in de kleine kerken deden zij altijd een soort van hulpdienst als ouderlingen, voor zooveel het werk in de kerkeraadsvergadering betrof ), en allengs is die uitgebreid tot zaken waarbij de dienst der barmhartigheid of de finantiën der kerk rechtstreeks betrokken waren. Daarbij werkten de diakenen dan mede, niet uit kracht van hun diakonale ambt (want in den dienst der barmhartigheid ligt geenerlei roeping tot bestuur of regeering der kerk), maar uit kracht van de kerkelijke regeling, die ’t aldus bepaalde; waarbij wel het hoofdmotief was, de heerschappij van zeer weinigen zooveel mogelijk te keeren.

|279|

Voorts is dit doorgaans plaatselijk geregeld. Hier in Amsterdam zegt onze regeling:

„Op de eerste gewone kerkeraadsvergadering van elke maand en voorts zoo dikwijls zij opgeroepen worden (doch dan alleen ter behandeling van een bepaald aangewezen zaak), komen ook de diakenen ter vergadering, om mede te beraadslagen en te besluiten over de zalven, die betrekking hebben op het aantal en de beroeping van Dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen; op het houden van collecten; op de instructie voor en de benoeming van de leden der commissie van beheer; op het onderwijs aan minvermogenden; en op de armenverzorging.”

Natuurlijk kan zulks ook anders geformuleerd worden. En in kleinere kerken is er zeker geen noodzaak, om alle maanden ten minste eenmaal met de diakenen te vergaderen. In den regel zal ’t dan ook genoeg zijn, als dit elk kwartaal of elke twee maanden geschiedt; en voorts zoo vaak ’t noodig wordt geacht.

 

(1909.)

125. Wanneer, gelijk in onze kerken de regel is, het beroepen van een predikant door den „kerkeraad met diakenen” moet geschieden, dan moeten de diakenen natuurlijk ook medewerken tot het formeeren van de nominatiën, die bij zulk eene beroeping in de plaatselijke regeling bepaald zijn of door usantie gewettigd zijn, d.i. groslijst en 12- of 6- of 3- of 2-tal. Anders zou bij de beroeping de medewerking van diakenen niet veel meer beteekenen. Maar er kan niet uit voortvloeien, dat diakenen ook mededoen aan het uitnoodigen van predikanten om „op beroep te preeken”, of aan het gaan hooren van predikanten.

Deze zaken toch behooren eigenlijk volstrekt niet tot het „beroepingswerk”. Zelfs is in onze kerken altijd ongeoorloofd geacht, dat een predikant, die reeds aan eene kerk verbonden is, elders „op beroep” zou gaan preeken. En het „uit hooren gaan”, dat zeer zeker wel geoorloofd en zelfs raadzaam is, staat natuurlijk aan ieder vrij; maar wanneer het door kerkeraadsopdracht een officiëel karakter draagt, dan zijn voor de beoordeeling en de

|280|

keuring van predikanten de ouderlingen aangewezen, gelijk dan ook bij datzelfde werk op een Classikaal examen de diakenen niet medewerken. Dit vloeit voort uit den aard en het karakter van die tweeërlei diensten; behalve natuurlijk in kleine kerken, waar de diakenen altijd tot den kerkeraad behooren bij wijze van hulpouderlingen.

 

(1911.)

126. Uw eerste vraag is beantwoord in artt. 4 en 5 K. O., waar uitdrukkelijk sprake is van de medewerking der diakenen bij predikantsberoeping.

Uw andere vraag kan ik niet beantwoorden, zonder meer te weten van de geheele door u bedoelde regeling, en van de daardoor gerezen quaesties. Indien werkelijk door een diaken beweerd werd, dat „diakenen in hun recht verkort worden, wanneer de kerkeraad geestelijke belangen, waaraan ook een finantiëele kant is, zonder hen afhandelt”, dan gaat dit zeker veel te ver. Aan bijna alle kerkelijke zaken is „ook een finantiëele kant”; ook b.v. aan het bepalen van den tijd en het aantal van de samenkomsten der gemeente, — aan de trouw der opzieners in het huisbezoek, — en aan de toepassing der tucht op eenigszins vermogende gemeenteleden, enz. enz. En men zal toch wel niet willen zeggen, dat, van wege de finantiëele gevolgen, de diakenen daarin dan mede stem hebben; dit toch zou het diaken-ambt feitelijk vernietigen. Op zichzelf staat het finantiëel beheer van de kerkelijke (niet diakonale) goederen en fondsen ook nog niet onder den kerkeraad met diakenen; maar om practische redenen is het in den loop der jaren erbij gebracht, en dat mag ook zeker wel; mits al wat geestelijk is, geheel onder den gewonen kerkeraad (zonder diakenen) blijft. N.l. in groote gemeenten, want in de kleine zijn de diakenen tevens „hulp-ouderlingen” (om ’t zoo eens uit te drukken), evenals de ouderlingen als „hulp-diakenen” fungeeren, zoodat alles gemeenschappelijk behandeld wordt.

Rutgers, F.L. (1921) 75

|281|

75. Over de vergadering van den kerkeraad met en zonder diakenen.

 

(1912.)

127. Gaarne beantwoord ik uw vier vragen, voor zooveel dit in het kort bestek van een brief mogelijk is.

Ad 1am. Of het wenschelijk is, dat men in eene gemeente van ongeveer 900 zielen, waar de kerkeraad bestaat uit zes ouderlingen en vier diakenen (natuurlijk met een predikant) tot splitsing van den kerkeraad overgaat.

Die vraag zal wel niet letterlijk zóó bedoeld zijn; want „splitsing van een kerkeraad”, waaruit dan twee kerkeraads-deelen ontstaan zouden, is natuurlijk altijd onmogelijk. In Gereformeerde kerken hier te lande bestaat de kerkeraad altijd uit de predikanten en de ouderlingen, volgens art 37 K.O., en wanneer dan in kleine kerken, volgens art. 38 K.O. ook de diakenen „tot den kerkeraad genomen worden”, dan moeten zij geacht worden, als hulpouderlingen mede dienst te doen, evenals in zulk geval ook de ouderlingen als hulp-diakenen zijn te beschouwen. Wanneer dit nu, wegens uitbreiding der kerk of om andere redenen, niet meer noodig geacht wordt, dan stelt men de tot dusver toegepaste bepaling van art. 38 buiten werking, zoodat de diakenen niet meer tot den kerkeraad worden genomen, tenzij dan voor speciale zaken, die, deels in de Kerkenordening, deels door usantie en plaatselijke regeling, daarvoor zijn aangewezen. Dat is dus geen „splitsing” van den kerkeraad, maar alleenlijk eene wijziging in zijne samenstelling. Men krijgt dan een kerkeraad, die bestaat uit de predikanten en ouderlingen, en die de gewone „kerkeraad” blijft, maar die voor sommige zaken zich uitbreidt tot een vergadering van „kerkeraad met diakenen” (die men dan ook wel den „breeden” of den „grooten” kerkeraad kan noemen, ter onderscheiding van den gewonen „kerkeraad”). En de diakenen houden dan hunne „diakonale vergadering” volgens art. 40 K.O.; maar dat is dan natuurlijk geen deel of stuk van „den kerkeraad”.

Of zulke buiten werking-stellen van art. 38 (het slot) in eene kerk, die om haar zielental min of meer tusschen klein en groot in staat, al-dan-niet wenschelijk is, hangt veel af van plaatselijke

|282|

toestanden en omstandigheden. Het mag geschieden, volgens art. 38, wanneer het aantal ouderlingen ten minste 3 is; maar het zal wel in den regel niet wenschelijk zijn, wanneer het aantal ouderlingen niet veel boven dat cijfer komt. Waar het 6 bedraagt, moet plaatselijk beoordeeld worden, of het wenschelijk is. Dat in zulk een kerk de diakenen, bij hun eigenlijke werk als zoodanig, ook nog hulpdienst doen, voor de regeering der kerk, voor het oefenen van opzicht en tucht enz., kan natuurlijk niet bepaald „noodig" genoemd worden.

Ad 2am. Of mij ook bekend is, hoe in onze kerken die zaak elders geregeld is in een dergelijk geval.

Neen, dat is mij niet bekend; want daarvan bestaan geen opgaven of statistieken. Ge zoudt het kunnen te weten komen, wanneer ge u om informatie wendt tot kerken, die in het Handboekje vermeld zijn met een aantal van ongeveer 1000 zielen.

Ad 3am. Of de kerkeraad te dier zake beslissen kan, dan wel of het wenschelijk is de gemeente daarover eerst te hooren.

Bij alle kerkeraadsbesluiten van eenige beteekenis acht ik het altijd wenschelijk. dat de kerkeraad wete hoe men in het algemeen in de gemeente daarover denkt. Niet, om zich dan maar daarnaar te regelen of zich daaraan te onderwerpen; maar om bij zijn besluit ook daarmede rekening te houden, terwijl de verantwoordelijkheid voor het besluit dan toch altijd bij den kerkeraad zelven blijft, en geenszins op „de gemeente” kan gelegd worden. En daarom acht ik het in den regel ook beter, dat zulk „hooren der gemeente” particulier geschiedt, dan dat het geschiedt in eene samenkomst der gemeenteleden, die dan licht gaan denken, dat zij eene soort van „oppermacht” over den kerkeraad hebben; het idee van „volkssouvereiniteit”, dat in de kerk „independentistisch” en „revolutionair” zou zijn. Om welke reden ook in samenkomsten der gemeenteleden liefst nooit eene stemming over zaken te houden is.

Ad 4am. Wat behoort in het bedoelde geval tot de werkzaamheden van den „kerkeraad met diakenen”?

Dit kan ik hier nu niet alles gaan uiteenzetten en motiveeren. Voor Amsterdam is dit omschreven in de (indertijd door mij opgestelde) „Regeling der werkzaamheden van de Dienaren des Woords, de ouderlingen en de diakenen” alhier, afgedrukt in de

|283|

„Plaatselijke regelingen voor de Geref. kerk te Amsterdam”, waarvan zeker wel een exemplaar voor den kostenden prijs te krijgen is, als men zich adresseert aan het „Bureau van de kerkeraad der Geref. kerk”, Keizersgracht 566.

Rutgers, F.L. (1921) 76

76. Is het wenschelijk groote stadskerken in kleinere te splitsen?

 

(1907.)

128. Ge vraagt mijn gevoelen over de vraag, of kerkelijke zelfstandigheid voor X wenschelijk is, en of het dus raadzaam is, dat de B.B. aldaar in die richting werkzaam blijven, en de noodige maatregelen nemen om tot eigen kerkformatie te komen; natuurlijk in het kerkverband der Nederlandsche Gereformeerde kerken, en dus ook met goedkeuring van die kerken zelve.

Op die vraag kan mijn antwoord niet anders dan bevestigend zijn.

Reeds een dertigtal jaren ben ik te Amsterdam op kerkelijk gebied in allerlei opzicht werkzaam geweest; en daardoor weet ik bij ervaring, hoe moeielijk eene kerk aan hare roeping kan beantwoorden, wanneer zij in eene groote stad zeer talrijk is, en dan toch de geheele stad omvat, of althans haar grootste gedeelte. De kerkelijke bearbeiding der gemeente moet dan, ook bij allen goeden wil van predikanten en ouderlingen en diakenen, toch veel te wenschen overlaten. Tusschen kerkedienaren en gemeenteleden is er dan in het algemeen te weinig band; welk gemis niet vergoed wordt door persoonlijke banden in kleine kringen. Een kerkelijk samenleven kan er voor de gemeente zelve dan eigenlijk niet zijn. En de kerkeraad, ook al vergadert die wekelijks, is dan zóó overladen met allerlei werkzaamheden, dat er voor de hoofdzaak, de bevordering van den geestelijken welstand der gemeente, dikwijls niet genoeg tijd kan overblijven.

Veel hierover uit te weiden, zal wel onnoodig zijn; daar dit dingen zijn, die algemeen erkend worden, en die eigenlijk ook niet kunnen betwijfeld worden.

Maar, als dat zoo is, dan moet ook elke poging, om aan die bezwaren tegemoet te komen, worden toegejuicht; en dus ook de poging, om een gedeelte van zulk een groote stadskerk als eene

|284|

eigen kerk te doen optreden, vooral wanneer dit een gedeelte is, dat zich daartoe bijzonder leent door plaatselijke gesteldheid en door bijkomende omstandigheden. Voor zulk eene poging is dan het groote motief, dat de geestelijke bloei der aldaar wonende gemeente door een eigen kerkformatie, met een eigen predikant en kerkeraad, veelszins wordt bevorderd; veel meer dan anders, ook met den besten wil en de beste bedoelingen, zou mogelijk zijn.

Zonder twijfel zijn er wel gevallen denkbaar (en, zij doen zich in de practijk ook wel eens voor), waarin men van zulk een streven nog zou moeten afzien. Maar, voor zoover ik weet, zijn die gevallen hier niet aaawezig.

Er kan nl. het bezwaar zijn,dat de eigen kerk, die geinstitueerd werd, te arm zou zijn om voor haar eigen kerkelijk leven ook maar eenigszins te zorgen; in welk geval zeker raadzaam zijn zou, dat zij nog met de groote stadskerk vereenigd bleef.

Ook is mogelijk, dat de gemeenteleden, die in zulk een stadsdeel wonen, of althans de groote meerderheid van deze, beslist met de groote stadskerk vereenigd wilden blijven, zoodat zelfs gevaar bestond voor groote verwarring en scheuring; in welk geval ook niet raadzaam zijn zou, de zaak toch door te zetten.

En ook zou het kunnen zijn, dat in zulk een stadsdeel bijna alle meervermogende leden der stadskerk woonachtig waren, zoodat deze hen niet zou kunnen missen, zonder in te groote moeielijkheden te komen, en zonder zelve hulpbehoevend te worden, ook bij alle offervaardigheid harer overblijvende leden; in welk geval ook wenschelijk zijn zou de zaak nog uit te stellen. of wel ('t geen dan het beste zijn zou) eene regeling te treffen, waarbij de nieuw geinstitueerde kerk de oudere nog gedurende eenigen tijd geldelijk ondersteunde.

Maar, gelijk ik reeds zeide, van dit alles kan hier wel geen sprake zijn.

Er kunnen hier, voor zoover ik zien kan, slechts eenige punten zijn, waaromtrent regeling noodig is, maar waarvan de regeling door gemeen overleg (eventueel met hulp van de Classe) wel zonder moeite zal kunnen geschieden.

Zoo b.v., of er, wanneer X zelfstandig werd, ook eene financieele verrekening zou moeten plaats hebben. Wel niet op

|285|

wettelijken grond; want al was Z’s kerk en diakonie ook zeer rijk, een daarvan losgemaakt gedeelte zou toch rechtens niets te eischen hebben; en ook omgekeerd niet, als voor Z de passiva de activa verre overtroffen. Maar op moreelen grond zou er in die twee gevallen toch wel iets te verrekenen zijn. Intusschen geloof ik van Z’s financiën wel te weten, dat bij kerk en diakonie de bezittingen en de schulden ongeveer tegen elkander opwegen. En daar het kerkgebouw te X, naar ik hoorde, niet uit de kerkekas van Z betaald is, maar door de bewoners van X zelven, is ook te dien aanzien geen verrekening noodig.

Misschien zou ook ter sprake komen, of X als zelfstandige kerk een der predikanten van Z zou kunnen medekrijgen, d. i. beroepen tot haar eigen predikant, daar Z zonder X misschien moeielijk zijn tegenwoordig getal predikanten zou kunnen behouden (al had het die zeker wel noodig). Maar waarschijnlijk acht ik niet, dat daarover quaestie zal komen; en in ieder geval zou Z bij de eerste vacature, die er komt, het getal predikanten met één kunnen verminderen.

 

(1909.)

129. Met betrekking tot het voorstel, dat door u en eenige andere B.B. den 4den November l.l. bij den kerkeraad is ingediend en aan alle kerkeraadsleden in afdruk is toegezonden, deel ik u gaarne mede, dat ik met de strekking van dat voorstel geheel instem. Ook naar mijne overtuiging is voor groote steden, die door annexatie van naburige dorpen nog steeds grooter worden, alleszins gewenscht, dat hare inwoners, die van dezelfde belijdenis zijn en tot hetzelfde kerkverband behooren, voor hunne kerkelijke organisatie niet vereenigd worden of vereenigd blijven in ééne enkele groote kerk, maar overeenkomstig hunne woonplaats geinstitueerd worden in eenige zelfstandige plaatselijke kerken, die ieder haren eigenen kerkeraad hebben en haren eigenen predikant, (of meer dan één predikant, wanneer zij talrijk zijn). Ik geloof, dat zulk een nauwer kerkelijk samenleven, ook met name bij ons hier in Amsterdam, inderdaad in het belang is van de kerk zelve, en haar

|286|

beter in staat stelt om aan hare roeping te beantwoorden, dan dit kan geschieden in eene kerk, die zeer talrijk en zeer uitgestrekt is. Ik geef toe, dat te dien aanzien wel eens voorstellingen gegeven worden, die zeer zeker overdreven zijn en waaraan later de ervaring niet zou beantwoorden. Maar toch kan ik niet anders zien, dan dat hier de voordeelen veel grooter zijn dan de nadeelen, en dan niet slechts in geestelijk opzicht, ’t geen natuurlijk de hoofdzaak is; maar ook met betrekking tot de zorg voor het onderhoud van den kerkedienst.

Bij het lezen uwer voorstellen was mijne eerste gedachte, u in overweging te geven, er nog iets aan toe te voegen, teneinde den kerkeraad gelegenheid te geven zich nog iets verder uit te spreken. Maar bij nader overleg dunkt mij toch beter, dat dit worde overgelaten aan de door den kerkeraad te benoemen commissie; altijd, ingeval de kerkeraad het beginsel uwer voorstellen aanneemt.

Het spreekt toch m.i. wel vanzelf, dat zulk eene commissie in haar rapport op den voorgrond zal stellen, dat, wanneer een deel onzer kerk zelfstandig zou worden, met een eigen kerkeraad en met een door dezen te beroepen predikant, het belang van zulke zelfstandigheid door de aldaar wonende leden, althans door hun groote meerderheid, zou moeten begrepen en erkend worden, zoodat de zaak ook door henzelven gewenscht werd.

Rutgers, F.L. (1921) 77

77. Over het samenvoegen van twee of meer kerken.

Zie hierbij ook vraag 15 onder art. 7.

(1897.)

130. Het contract van combinatie tusschen de Geref. kerken van X, Y en Z komt mij voor, zeer ongelukkig te zijn opgesteld. In art. 1, art. 6 eerste alinea en art. 6 tweede alinea, staan drie bepalingen over dezelfde zaak, welke mij voorkomen alle drie met elkander in strijd te zijn, zoodat men, de ééne volgende, vanzelf met eene der beide andere, of met beide, in strijd komt. En de eenige bepaling, die in zoodanig contract m.i. altijd moest voorkomen (n.l. dat bij iedere predikantsvacature elke der drie kerken hare volle vrijheid terugkrijgt om de combinatie te doen ophouden

|287|

of voort te zetten), ontbreekt: althans, in de artt. die ge mij mededeelt, staat daarvan niets, en indien het elders stond, zoudt gij ’t mij wel bericht hebben, en zou er thans ook geen quaestie ontstaan. Alleen wanneer zulk eene bepaling ook gewenscht was, zouden de art. 1 en 6 goeden zin hebben, en ook inderdaad goede bepalingen bevatten. Ik vermoed dan ook, dat bij de opstelling van het contract die gedachte (dat bij predikantsvacature ieder weer vrij zou zijn, en dat dus het contract telkens slechts gelden zou voor zoolang de door alle drie gezamenlijk beroepen predikant bleef), ten grondslag heeft gelegen. Zou daarvan in de onderhandeling over het contract, of in de acten der kerkeraden, of in die der Classen niets meer te vinden zijn? Ik betwijfel zelfs, of het eene kerk wel vrijstaat, zich op zulk eene wijze, als hier in artt. 1 en 6 geschiedt, in perpetuum te binden. Zoolang de beroepen predikant er is, is er bij het contract een derde betrokken, en moet dus het contract stand houden (behoudens de uitzonderingen van genoemde artt. 1 en 6, omdat alsdan die derde niet het kind van de rekening kan worden). Maar wanneer dit niet meer het geval is, welk recht heeft dan eigenlijk de tegenwoordige kerkeraad en gemeente om inzake de bediening des Woords alle volgende geslachten te binden aan het goedvinden eener andere kerk? In ieder geval moet dus m.i. de Classe haar best doen, om in het contract de noodige bijvoeging te krijgen. Ook al zou daarvan het gevolg zijn, dat de kerk van X, op zichzelve, een eigen predikant beriep op minder dan f 1100.—, en dat Y en Z vacant bleven, tijdelijk verzorgd door de Classe of door enkele der genabuurde kerken. Kerken met dwang, tengevolge van een onbedachtelijk aangegaan contract, saambinden gaat toch niet goed, en is een bron van veel ellende. Intusschen, zooals het contract nu luidt, kan X m.i. niet op zichzelve gaan staan. Daarvoor zou noodig zijn: volgens art. 1, dat alle drie de kerken ieder een eigen Dienaar kunnen onderhouden, ’t geen zeker niet het geval is; — volgens art. 6, 1e alinea (een gansch andere conditie!), dat X alleen f 1100 tractement kan geven, ’t geen naar uwe mededeeling ook niet het geval is; — en volgens art. 6, 2e alinea (weer eene gansch andere conditie!), dat twee kerken de ontbinding van het contract verzoeken en dat de Classe oordeelt, dat dit voor

|288|

geene der drie onoverkomelijk bezwaar heeft, waarvan althans het eerste (verzoek van twee kerken) ook niet het geval is. Zooals het contract thans luidt, kunnen Y en Z de kerk van X in perpetuum blijven dwingen slechts gedeeltelijk voor haren dienst des Woords te zorgen. De vraag blijft echter, of zoodanig contract zedelijk en kerkrechtelijk geoorloofd en bestaanbaar is.

Ziedaar in het kort mijn gevoelen.

 

(1908.)

131. Uit uwe uitvoerige en duidelijke inlichtingen zie ik, dat in 1892, bij de vereeniging der twee Gereformeerde kerkgroepen, in het oude kerkdorp X de Geref. belijders te weinig talrijk waren om aldaar de Geref. kerk weer te institueeren, en dat de Classe toen, wegens den plaatselijken toestand, besloten heeft, niet om dat geheele oude kerkdorp onder de zorg van een nabijgelegen kerk te stellen (gelijk in sommige gevallen geschieden kan, en ook wel geschiedt), maar om tijdelijk een gedeelte van dat oude kerkdorp bij de kerk van Y te voegen en het andere gedeelte bij de kerk van Z, zoodat dan tijdelijk de grenzen van die beide kerken zich ook over een deel van het oude X zouden uitstrekken. Altijd met dien verstande dat, zoodra er te X weer mogelijkheid was voor een zelfstandig kerkelijk optreden, dit ook zou geschieden. Tot zoolang echter zou het oude X ten deele een kerkwijk zijn van Y, ten deele eene kerkwijk van Z.

Natuurlijk volgt daaruit, dat de in die kerkwijk wonende leden, zoolang die grensregeling duurt, dan ook geheel gelijk staan met de andere leden van de kerk, waar zij nu tijdelijk toebehooren, met geheel dezelfde lasten en lusten en geheel dezelfde rechten en plichten.

Naar hetgeen ge mij schrijft heeft de Y-sche kerkeraad zulks ook van den aanvang af goed ingezien, en heeft hij zeer correct gehandeld door aan de leden, die onder X wonen, volle en gelijke rechten toe te kennen als aan de leden, die te Y wonen. Maar ten aanzien van den Z-schen kerkeraad schrijft ge mij, dat deze zijne onder X wonende kerkleden wel aan alle lasten en plichten

|289|

laat deelnemen en ook aan een deel van de lusten en rechten, maar daarvan uitzondert: het deelnemen aan kerkelijke stemmingen en de benoembaarheid tot kerkelijke diensten. En nu vraagt ge over die uitsluiting mijn gevoelen.

Inderdaad kan ik er alleen van zeggen, dat ik zulke uitsluiting niet begrijp, en er zelfs geen enkelen grond of schijngrond voor kan uitdenken. In uw schrijven vind ik dan ook niets, waaruit zou kunnen blijken, welke reden die kerkeraad zelf voor zijne uitsluiting aanvoert.

Voor zoover ik weet, handelt men in al onze kerken, waar een dergelijke toestand is, juist andersom; en zulks zeer terecht. Men is er dan juist op uit, om in zulk een plaats, waar het aantal Gereformeerde belijders nog zeer klein is, dat aantal zooveel mogelijk te vermeerderen en zoo goed mogelijk onder kerkelijke leiding te plaatsen; waartoe juist het best kan dienen, dat men zulke leden aan het kerkelijk leven leert deelnemen, en vooral, dat men hun ter plaatse zelve, uit hun eigen midden, een of meer ouderlingen of diakenen tracht te bezorgen, die dan dat deel der kerk als hun bezoek en arbeidswijk zich zien aangewezen; voor het overige als gewone leden des kerkeraads optredende. Dit is de aangewezen weg. En daarom begrijp ik te minder de houding van Z’s kerkeraad.

Daarom zou ik aan de leden die onder X wonen en tot Z’s kerk behooren, den raad geven, zich tot dien kerkeraad te wenden, met verzoek om te worden erkend als leden met volle rechten. En indien onverhoopt de kerkeraad zulks mocht weigeren (’t geen mij echter vreemd zou voorkomen), dan is er niets anders op, dan dat die leden zich over dit kerkeraadsbesluit beklagen bij de Classe. Deze zal hun dan zeker wel recht doen.

 

(1914.)

132. Ge schrijft mij, dat, nu de sedert een aantal jaren gecombineerde kerken van X en Y, thans vacant, voor eene nieuwe beroeping van een predikant, de combinatie wenschen voort te zetten, de vraag in uwe Classe is opgekomen, wat de kerkrechtelijke

|290|

positie is van een Dienaar des Woords bij twee gecombineerde kerken. En over die vraag wenscht ge dan van mij eenig advies. Te dien aanzien kan ik slechts zeggen, dat het antwoord op die vraag veelszins afhangt van den aard der combinatie, en van de bepalingen, die daarbij onder goedkeuring van de Classe gemaakt zijn. Immers, de combinatie van genabuurde kerken kan op allerlei wijze geschieden, en zij is in onze kerken ten allen tijde op onderscheidene wijze geregeld. Zij kan twee of meer kerken zóó tot één maken, dat alleenlijk goederen en inkomsten van goederen nog gescheiden blijven. Zij kan worden aangegaan voor een onbepaalden en waarschijnlijk langdurigen tijd, of wel alleenlijk tot er eene predikantsvacature komt, om alsdan op te houden als zij niet gecombineerd worden. Zij kan aan ieder der gecombineerde kerken haren eigenen zelfstandigen kerkeraad laten, eventueel met bepalingen omtrent gemeenschappelijke vergaderingen, hetzij altijd of wel in bepaalde gevallen, en voor bepaalde zaken, — of wel zij kan bestaan met éénen kerkeraad met bepaling van het aantal kerkeraadsleden, dat uit den kring van elke kerk te kiezen is.

En zoo zijn er nog meer regelingen denkbaar, en ook wel hier of daar in practijk gebracht.

Absolute eentonigheid is, op dit punt, in ons kerkverband niet noodig, en het zou ook zeker niet gewenscht zijn, die te willen invoeren. „Variis modis bene fit” geldt ook hier. Als de manier van combinatie maar het best in overeenstemming is met den plaatselijken toestand en omstandigheden, en als zij maar het meest geschikt is tot bereiking of bevordering van het hoofddoel van alle kerkelijke regeling, n.l. de opbouwing en de stichting der gemeente. Maar natuurlijk is de regel der combinatie, wel niet in alle, maar dan toch in vele gevallen, van invloed op de kerkelijke positie van den Dienaar des Woords in de gecombineerde kerk. In het algemeen kan hier slechts van gezegd worden, dat gecombineerde kerken, juist door en tengevolge van die combinatie, in onderscheiden opzicht als ééne kerk samen optreden, als zoodanig wel te tezamen zelfstandig zijn, gelijk alle andere kerken, maar niet zelfstandig tegenover elkander, wat den gezamentlijken dienst des Woords betreft. De Dienaar des Woords is aan die gecombineerde kerken gelijkelijk verbonden, door die roeping van die kerken

|291|

zelve, zoodat hij zeker nooit te beschouwen is, als Dienaar van ééne dier kerken, en een soort van consulent voor de andere, ’t geen zou beteekenen, dat er in ’t geheel geen combinatie was, en ook geheel in strijd zou zijn met den aard van het consulentschap, waarvan het hoofddoel altijd was en zijn moet, onze vacante kerken te helpen tot verkrijging van een eigen predikant. En omdat de predikant van gecombineerde kerken aan deze gelijkelijk verbonden is, is hij ook te beschouwen als lid van ieder dezer kerken, gerechtigd om in deze aan de Sacramenten deel te nemen, in de kerkeraden (wanneer deze gescheiden vergaderen) mede te stemmen enz. Op hem is dan niet toepasselijk, ’t geen anders natuurlijk altijd geldt, dat iemand slechts lid kan zijn van ééne kerk of liever: van hem geldt dan, dat hij inderdaad slechts tot ééne kerk behoort, al staat zijn naam in twee of meer lidmatenboeken, want juist met betrekking tot den Dienaar des Woords zijn die gecombineerde kerken dan als ééne kerk te beschouwen, al geldt dit van zelf slechts voor hem alleen. Met betrekking tot hem (b.v. in zaken van eventualiteit) moeten de kerkeraden van gecombineerde kerken (indien zij gewoonlijk afzonderlijk vergaderen) dan ook altijd gezamenlijk optreden, ’t geen in de regeling van de combinatie te regelen is, evenals b.v. de vraag, waar de Dienaar te bevestigen is (waarvoor in den regel slechts ééne kerk is aan te wijzen, daar de predikant, aldaar bevestigd, toch, uit kracht van de combinatie zelve, juist daardoor bevestigd is voor de geheele combinatie, al wordt daardoor een herhaalde intrede predikatie niet uitgesloten) en voorts allerlei andere te regelen punten, waarvoor toch kennis van plaatselijke toestanden noodig zou zijn, om er iets in te adviseeren.

Ziedaar althans iets op uwe vraag.

Rutgers, F.L. (1921) 78

78. Mag eene Synode twee malen achtereen door denzelfden praeses geleid worden?

 

(Bazuin 9 Dec. 1892.)

133. In het laatste nummer van de Bazuin (dat van gisteren, 2 Dec. 1892) is door Prof. de Cock een stukje geplaatst over het

|292|

praesidium van de Synode; waarvan de inhoud in het kort hierop neerkomt; 1º uit de bepalingen van art. 37 en 41 van de Kerkenordening moet worden afgeleid, dat bij de Nederlandsche Gereformeerde kerken eene Synodale vergadering nooit tweemalen achtereen denzelfden praeses mag hebben; en 2º een emeritus predikant kan in eene Synode nooit wettiglijk praeses zijn, daar hij in zijne kwaliteit van emeritus predikant op geenerlei wijze in eene kerkelijke vergadering ook maar zitting kan hebben.

 

I. Wat betreft het achtereenvolgens optreden van denzelfden praeses in Synodale vergaderingen.

1º. Dit was o.a. verdedigd met de opmerking, dat de Synode van Emden (1571) en de daarop volgende Synode van Dordrecht (1574) beide gepresideerd zijn door Gaspar van der Heyden. Daartegenover stelt Prof. de Cock, dat dit geene gelijksoortige Synoden waren, daar de eerste eene generale was, en de tweede eene provinciale of particuliere. Geheel juist is dit echter niet. In 1571 was het zeker wel de bedoeling geweest, dat eene Synode zou samenkomen, die generaal of nationaal zijn zou (in tegenstelling, eenerzijds met oecumenisch, en anderzijds met provinciaal of particulier), maar door het gedwongen wegblijven van meer dan een derde van alle Nederlandsche kerken, en dat juist van het sterkste en bloeiendste deel, is het slechts eene Synode geweest van twee der drie grootste provinciën, waarin alle Nederlandsche kerken werden ingedeeld; gelijk zij dan ook zelven in het opschrift harer acta zich aldus betitelde, in verschillende besluiten zich uitdrukkelijk van eene Generale Synode onderscheidde, en bepaalde, dat zulk eene Generale Synode, zoo mogelijk, enkele maanden later zou gehouden worden. En de Dordtsche Synode van 1574 noemde zich zeker provinciaal (in tegenstelling eenerzijds met nationaal of generaal, en anderzijds met particulier), maar dan niet in denzelfden zin als waarin dit woord later gebruikt werd, want uit twee provinciën waren de kerken aldaar samengeroepen, en uit beide waren zij ook opgekomen, voor zoover de Spaansche legers het niet verhinderd hadden. Die twee Synoden kunnen dus zoo maar niet als generaal en provinciaal van elkander onderscheiden worden. Eerder waren zij beide een middensoort. En al was er dan ook

|293|

voorts groot verschil in den omvang van beider werkzaamheid, hierin kwamen zij toch beide weer overeen, dat zij voor onze Nederlandsche kerken inderdaad geweest zijn de twee eigenlijk gezegde constitueerende Synoden; die van Emden, om den grondslag te leggen, en voorts voor den toestand van vervolging en verstrooiing; die van Dordrecht om nu op dien grondslag voort te bouwen in den toestand van aanvankelijke vrijheid. Toch is men er destijds bijzonder op gesteld geweest, dat die twee vrij gelijksoortige en uiterst gewichtige Synoden door denzelfden praeses zouden geleid worden; geenszins om daarvan een regel te maken, maar omdat het in dien tijd voor de goede constitutie van de kerken van belang geacht werd. En juist daarom zie ik in die benoeming ook thans nog een antecedent, waarop men zich beroepen mag.

2º. Ook al zou men de Emder Synode geheel met eene generale of nationale willen gelijkstellen, dan geeft toch nog haar praeses, een antecedent. Immers, de Synode, die gevolgd is op die van 1574, was de Nationale Dordtsche van 1578; en in die Synode (waar Datheen tegenwoordig was en dus vanzelf tot praeses werd aangewezen) is wederom dezelfde Gaspar van der Heyden tot assessor benoemd, d.w.z. hij moest den praeses bij de leiding helpen en eventueel zelf als zoodanig optreden. Het zou dus zeer gemakkelijk hebben kunnen gebeuren, dat hij na den eersten dag voor goed praeses was geworden, en dan drie malen achtereen als zoodanig de Nederlandsche Synoden geleid had, van welke Synoden dan toch in ieder geval twee geheel gelijksoortig waren. En dit is waarlijk niet het eenige voorbeeld van een Synodalen praeses, die in de onmiddellijk volgende gelijksoortige Synoden tot assessor benoemd werd. Bij de generale of nationale Synoden was Arnoldus Cornelii, die in Zuid-Holland de kerkelijke leider was en die in de beide Dordtsche Synoden van 1574 en 1578 telkens eerste scriba geweest is, in de daarop volgende Middelburgsche (1581) praeses en in de toen volgende Haagsche (1586) assessor. En dat het ook bij de provinciale en particuliere Synode herhaaldelijk voorkwam, kan uit hare opgaven nog aan ieder blijken; b.v. voor Zuid-Holland uit het door M. Soermans uitgegeven Synodaal Register. Dit zou niet gekund hebben, wanneer het volstrekt

|294|

ongeoorloofd geweest was, dat men tweemaal achtereen presideerde. Wie in geen geval presideeren mocht, zou ook uit den aard der zaak niet benoembaar geweest zijn tot assessor.

3º. Tegenover dit alles staat nu echter, volgens Prof. de Cock, een bepaald verbod in de Kerkenordening. Wel niet met zooveel woorden, maar dan toch bij gevolgtrekking. Wel staat er uitdrukkelijk in, sedert 1578, met betrekking tot kerkeraden en Classen; en dus, wordt gezegd, „dit geldt evenzeer van de Particuliere en Generale Synoden”. Sterk zal men dien bewijsgrond wel niet kunnen noemen; althans niet zóó sterk, dat men stellig spreken kan van een blijkbaar voorschrift der Kerkenordening; allerminst, wanneer feiten voorhanden zijn, die het tegendeel schijnen aan te wijzen. Toch laat zich denken, dat men die gevolgtrekking vasthoudt, zoo er niet nog meer ware in te brengen. Maar, en dit is de hoofdzaak, de geachte schrijver heeft in onze oude Kerkenordening een klein artikeltje geheel over het hoofd gezien. Toen de Emder Synode in 1571 onze kerken constitueerde, maakte zij ook uitvoerig bepalingen met betrekking tot de kerkelijke vergaderingen, bepalingen, die bijna zonder uitzonderingen steeds gehandhaafd zijn en ook nu nog gevolgd worden; en in die bepalingen (gewoonlijk afgedrukt achter de Acta) staat ten aanzien van de Provinciale Synoden (Cap. III, art. 6) en dus ook (volgens Cap. IV, art. 1) ten aanzien van de Generale Synoden : „Het ambt van den praeses neemt een einde, zoodra de Synode hare werkzaamheden eindigt; het zal echter de eerstvolgende Provinciale (en dus ook Generale) Synode vrijstaan òf denzelfden òf eene anderen praeses te verkiezen”; in den oorspronkelijken tekst: „liberum autem erit proximo conventui Provinciali vel eundem vel alium eligere”. Dat was niet bepaald voor de Classen, in de vele artikelen, die voor hare samenkomsten gemaakt werden. En toen nu in 1578, eerst voor de kerkeraden, en daarna voor de Classen, het tweemaal achtereen presideeren verboden werd, werd ditzelfde verbod niet herhaald in de artikelen, die over de Synoden handelen. Toch zou zulks waarlijk wel noodig geweest zijn, indien toen bedoeld was, dat zoodanig verbod ook voor de Synoden zou gelden; want juist voor deze was het tegendeel uitdrukkelijk vastgesteld. Dat het bij de Synoden achterwege bleef, toont duidelijk, dat men daarvoor dus bleef bij de reeds

|295|

geldende en aan ieder bekende bepaling, die geheele vrijheid van keuze gaf. En niet anders werd gehandeld bij alle volgende redactiën van de Kerkenordening; ’t geen te meer klemt, omdat reeds in 1581 een afzonderlijk artikel gemaakt werd over de presides van kerkelijke vergaderingen in het algemeen (art. 35 in de redactie van 1619). De gevolgtrekking, die men hier voor Synoden zou willen maken uit hetgeen bepaald was voor kerkeraden en Classen, wordt dus door de Kerkenordening zelve zeer duidelijk gewraakt. En voorts zal wel door niemand betwist worden, dat eene Synodale bepaling, zoolang zij niet gewijzigd of afgeschaft is, hare geldigheid houden blijft. Dus ook de boven aangehaalde bepaling van de Emder Synode.

4º. Inderdaad kon ook aan Synoden eene vrijheid gelaten worden, die aan kerkeraden en Classen moest ontzegd worden; want in laatstgenoemde vergaderingen, die zoo vaak samenkomen en die dan zoo velerlei zaken te behandelen hebben, en die voortdurend met het practische leven in aanraking komen, en waarin een heerschzuchtig predikant lichtelijk geen genoegzaam tegenwicht zou vinden, was er anders inderdaad veel gevaar, dat de oude hierarchie weer zou binnensluipen. Bij Synoden, die slechts zelden bijeenkomen, en die dan een veel beperkter werkkring hebben, en die minder onmiddellijk met het practische leven te doen hebben, en waartoe Classen of Provinciën ieder hare meest geschikte Dienaren afvaardigen, was wel weinig gevaar, dat er weer eene soort van bisschopszetel komen zou. En daar nu een beginsel van ons kerkrecht is, dat de meerdere vergaderingen nooit zonder noodzaak beperkende bepalingen maken, is het waarlijk niet vreemd, maar eerder zeer begrijpelijk, dat men in de keuze van een praeses de Synode vrijliet.

5º. Natuurlijk werd nu echter met die vrijheid niet bedoeld, dat voortdurende herkiezing als het ware regel zou worden. Integendeel, afwisseling werd zeer zeker wenschelijk geacht. In dat opzicht ben ik het met Prof. de Cock geheel eens. Zoo nu zijnerzijds maar erkend wordt, dat er een groot onderscheid is tusschen „wenschelijk verklaren” en „gebiedend voorschrijven”. Wanneer de Synode, als bij uitzondering, den vorigen praeses wederom als zoodanig benoemt, dan moet zij daarvoor eene bepaalde en

|296|

genoegzame reden hebben. En die was er inderdaad voor de Synoden, die in Sept. 1891 en in juni 1892 Prof. Kuyper benoemden; deels in de omstandigheid, dat die twee buitengewone Synoden, wel niet formeel, maar dan toch materiëel, eigenlijk eene voortzetting waren van de Synode, die voorafging; deels, en vooral, in het feit, dat zij bijna uitsluitend bestemd waren om het aangevangen werk van (de kerkelijke vereeniging voort te zetten en zoo mogelijk te voltooien, waarvoor dan zeer dienstig geacht werd (en de uitkomst heeft dit niet gelogenstraft), dat men bij die ééne zeer gewichtige handeling ook dezelfde leiding behield. Er was dus ongeveer dezelfde reden, als die ook in de 16de eeuw onze constitueerende Synoden bewogen heeft, zooveel mogelijk dezelfde mannen in het moderamen te hebben.

Rutgers, F.L. (1921) 79

79. Hoeveel Classisvergaderingen per jaar moet men houden?

 

(1915.)

134. Ge schrijft mij, dat er in Uwe Classe over gedacht wordt, aan de Generale Synode voor te stellen, in art. 41 K.O. het besliste „ten minste viermalen ’s jaars” te veranderen in „ten minste tweemalen”; en ge vraagt daaromtrent „voorlichting” van mij.

Evenwel, zulke voorlichting zou ik u principieel niet kunnen geven zonder als het ware eene verhandeling te schrijven, historisch en kerkrechtelijk gedocumenteerd, over de beteekenis van de Classikale vergaderingen voor de werking van het kerkverband en voor den welstand der plaatselijke kerken; welke beteekenis nog veel grooter is dan die van de Synoden. Wat in 1816 aan onzen kerken wel het meeste kwaad heeft gedaan, is juist geweest, dat de Classe-vergadering beperkt werd tot „éénmaal des jaars”, ’t geen natuurlijk in nauw verband stond met de daarvan onafscheidelijke invoering van kerkelijke „besturen” over de kerken. Maar eene verhandeling daarover kan ik in een brief natuurlijk niet geven.

Ge vergist u echter, wanneer ge meent, dat men vóór ruim drie eeuwen het „ten minste viermalen” in de K.O. zette wegens de toestanden in den eersten tijd na de Reformatie. Wegens die

|297|

toestanden hielden velen Classen destijds veel meer samenkomsten, ook al waren dat soms vergaderingen van predikanten. En in de 17e en 18e eeuw waren de kerkelijke toestanden allengs zeer regelmatig geworden.

En dit heeft nog te meer beteekenis, omdat in die eeuwen alle reisgelegenheid geheel ontbrak, en het verkeer alleen mogelijk was over de, in den winter bijna onbruikbare klei- en zandwegen, zoodat in vele Classen het bijwonen der Classikale vergadering, drie dagen tijd kostte wegens de moeielijkheid der heen- en terugreis.

Wezenlijke gronden voor verandering der K.O. zie ik in uw schrijven ook niet; welke toch aanwezig moesten zijn, om verandering voor te stellen.

Dat voor zulk eene vergadering „een aantal menschen uit hun zaken moeten”, geldt dan toch alleen van de ouderlingen (die, als zij niet goed kunnen, dan nog door een diaken als hulpouderling te vervangen zijn), en komt dus, daar ook de kleinste kerk toch minstens 4 kerkeraadsleden heeft, hierop neêr, dat in de kleinste kerken hoogstens éénmaal des jaars één broeder „uit zijn zaken” moet. Dat is nu toch geen groot bezwaar !

En dat er voor de Classikale vergadering „betrekkelijk nog al aanzienlijke kosten gemaakt worden” ligt toch geheel aan den eigen regeling. Hier in Amsterdam heeft de Classikale kas daarvoor heel geene uitgaven te doen. Alle buitenkerken zorgen zelve voor de reis van hare afgevaardigden (’t geen niet erg bezwarend is), en de Amsterdamsche kerk zorgt voor lokaal, met verwarming en verlichting, en voor koffie met broodjes. Van een „maaltijd” (die altijd kostbaar is) is geen sprake; de meesten krijgen dien thuis al is het op een ongewoon later uur; ’t geen een enkele maal des jaars toch niet zoo erg is. Ook niet in uwe Classe, waar de vergadering vaak „binnen 3 uur” afloopt, dus b.v. van 9-12 uur.

Indien men de vergadering op „tweemaal” terugbracht, zou zij dan althans 6 uren duren, en allicht soms nog langer, zoodat men er dan twee dagen voor zou moeten nemen; ’t geen den last zou verzwaren in plaats van verlichten. En buitengewone vergaderingen zouden dan ook telkens noodig zijn, tenzij men voorkomende zaken vele maanden lang op beslissing liet wachten, of wel haastig

|298|

afdeed, tot schade der kerken, als men er tegen opzag om eene voorkomende zaak aan Deputaten op te dragen voor een advies, dat dan pas 6 maanden later zou kunnen inkomen.

Ziedaar althans iets op uwe vraag; althans iets, om te motiveeren, waarom ik, als ik in uwe Classikale vergadering was, het geopperde denkbeeld zeker bestrijden zou.

Rutgers, F.L. (1921) 80

80. Over de rechten van de afgevaardigden ter Classis.

 

(1914.)

135. Ge schreeft mij, en herhaaldet dat in de vorige week: „De vraag rees in mijn kerkeraad: hoe men op een Classikale vergadering stemt? Indien het oordeel der deputaten van den kerkeraad naar de Classe afwijkt van het gevoelen van de meerderheid van den kerkeraad, moet men dan stemmen naar eigen gevoelen of naar dat van den kerkeraad?”

Voor eene volledige beantwoording van die vraag, met inachtneming van de velerlei gevallen, die zich in de practijk soms zouden kunnen voordoen, en die althans denkbaar zijn, zou eene ruimte noodig zijn, veel grooter dan ik nu in een brief kan besteden. Daarom geef ik slechts enkele algemeene opmerkingen.

En dan kan zeker niet als algemeene regel gesteld worden dat de kerkeraads-deputaten moeten stemmen naar het gevoelen, dat van te voren in den kerkeraad het gevoelen der meerderheid was; zelfs niet al was dat het eenstemmig gevoelen van den kerkeraad geweest.

Immers over alle punten van het Classikaal agendum kan (en moet doorgaans) de kerkeraad van te voren handelen; en wanneer hij dan zijne deputaten zond met een imperatief mandaat, waaraan deze gebonden waren, dan zou men de Classikale vergadering (en vervolgens ook de Synodale) wel geheel achterwege kunnen laten en de stemmen der kerken (en op eene Synode die der Classen, en op de Generale Synode die der Particuliere Synoden) eenvoudig schriftelijk laten opsturen, om dan door een bureau den uitslag te doen opmaken. Dat er Classikale en Synodale vergaderingen gehouden worden, is reeds een bewijs, dat ons kerkverband geen imperatief mandaat wil.

|299|

In verband daarmee is ook op te merken, dat die vergaderingen juist dienen om de kerken met elkanders voorlichting en hulp zóó te dienen dat men tot de beste beslissing komt. Bij zaken, waarover verschillende gevoelens mogelijk zijn, en ook werkelijk bestaan, komen dan op die vergaderingen de voorstanders van al die gevoelens aan het woord, en daardoor worden alle aanwezigen over het voor en tegen van elk gevoelen behoorlijk ingelicht, zoodat zij in staat zijn met volledige kennis hunne stem te bepalen. Maar in de plaatselijke kerkeraden kan dit bijna nooit aldus geschieden (tenzij dan soms in de talrijke kerkeraden van enkele zeer groote gemeenten). Aldaar is de voorlichting, hoe onpartijdig ook gegeven, zeer dikwijls vanzelf eenzijdig en onvolledig. Maar dan mag het daarop volgend kerkeraadsbesluit, ook niet bindend zijn voor den afgevaardigde. Het kan zelfs vaak voorkomen, dat een kerkeraad, wanneer alle zijne leden de Classe hadden bijgewoond, na het hooren der beraadslagingen aldaar zijn besluit geheel anders dan tevoren zou genomen hebben en daarom moet bij de punten van een Classikaal Agendum het daarvoor genomen kerkeraadsbesluit altijd als eene voorloopige beslissing beschouwd worden.

Dit wil nu natuurlijk niet zeggen, dat de afgevaardigde ter Classe er in het geheel niet mede rekent. Hij mag en hij moet zelfs in geheel middelmatige dingen zich bij zijne stem zooveel mogelijk daarbij aansluiten, al zou hij zelf het misschien wel eenigszins anders wenschen. Maar dat is alleenlijk, eene moreele verplichting, die slechts in zooverre bindt, als de afgevaardigde zelf met zijne overtuiging kan overeenbrengen. En voor het overige mag en moet hij stemmen naar de overtuiging, die hij aan het eind der Classikale beraadslaging heeft, al zou hij vroeger, in den kerkeraad, er geheel anders over gedacht en gestemd hebben.

Er zou over deze quaestie nog zeer veel zijn te zeggen. Maar ik gaf u nu althans iets op uw vraag.

 

(1918.)

136. In antwoord op uw vraag zou ik zeggen, dat in het algemeen zeker de regel geldt, dat niemands getuigenis in zijn eigen

|300|

zaak voldoende is, en dat dus over het feit van afvaardiging tot een kerkelijke vergadering ook niet uitsluitend door den afgevaardigde zelven moet getuigd worden. Maar „formeel” kan dit laatste toch, wanneer de twee afgevaardigden, juist ook praeses en scriba zijn van het afvaardigende lichaam. En ’t is niet licht te vreezen, dat twee opzieners zulk een verklaring onderteekenen zouden, als zij niet waar was; te minder, omdat het bedrog dan wel bijna altijd zou uitkomen, en die zonde tegen het 9e gebod dan zeer zeker censurabel zou zijn. Bovendien is het dan ook eigenlijk niet geheel een getuigenis in eigen zaak; want de praeses getuigt dan toch ook met betrekking tot den scriba, en wederkeerig. En daarbij zou ik ook willen vasthouden aan het schriftelijk stuk, als zijnde een waarborg tegen mogelijke lichtvaardigheid bij mondelinge verklaring, en ook tegen misverstand, indien er later eens quaestie over kwam.

Rutgers, F.L. (1921) 81

81. Over de „korte predicatie” volgens Art. XLI 1).

 

(1900.)

137. Uwe Commissie, benoemd in de vergadering van December 1899, om eenig licht te verspreiden omtrent de bedoeling en wijze van uitvoering der bepaling, voorkomende in Art. XLI D. K.O., luidende: „De Dienaar, dien ’t in de voorgaande Classe opgeleid was, zal eene korte predicatie uit Gods Woord doen, van welke de anderen oordeelen, en zoo daar iets in ontbreekt, aanwijzen zullen”, heeft de eer u het volgende te rapporteeren:

Indien wij de geschiedenis van het houden eener „corte predicatie” nagaan, vinden we, dat reeds in de Synode van Embden dienaangaande een besluit genomen is.

Wel is ook in de „Synode van de kerken onder ’t kruis” te Antwerpen in 1564 over het houden eener predicatie gesproken, doch in dien zin, dat de predicatie niet in eene Classe, maar in eene vergadering van Dienaren des Woords gehouden werd, wat


1) Voorgelezen op de Classe Amsterdam 13 juni 1900. (Commissie: Dr. Rutgers en Ds. Tom). — Door de Synode te Utrecht in 1905 is de zinsnede over de „korte predikatie” geschrapt, omdat deze predikatie thans overbodig geacht wordt.

|301|

hier dus buiten bespreking kan blijven. Slechts zij opgemerkt, dat men dit blijkbaar uit Genève heeft overgenomen, waar onder Calvijn’s leiding was ingesteld, dat de Dienaren des Woords bij beurten eene predicatie zouden houden, die dan door de andere Dienaren beoordeeld werd. Ongetwijfeld moet in Genève de oorsprong van de latere bepaling onzer kerken dus worden gezocht, ofschoon de predicatie dáár, — evenals naar het besluit van 1564, — niet in eene Classe-vergadering, maar in eene Conferentie van Dienaren des Woords geschiedde.

Wat het houden eener „corte predicatie” in de Classe betreft, is eerst in de Synode van Embden in 1571 (Statuten van de Classische Verzamelingen Cap. 2, art. 1) besloten: „In de Classische Verzamelingen zal een van de Ministers eene predicatie doen, van dewelke die andere Meede-Dienaars, bijeen verzamelt, zullen oor- deelen, en zoo daer iets is te verbeeteren, dat zullen zij te kennen geeven; hetzelve zullen ook alle anderen, elk in zijne ordening, doen, in de naastvolgende Classische Verzamelingen.”

Opmerkelijk is, dat deze predicatie het allereerst gehouden werd, zelfs vóór de verkiezing van den praeses, die naar art. 2 daarna eerst aan de orde kwam. Ze had dus de prioriteit op het agendum. Toch mag daaruit volstrekt niet worden afgeleid, dat ze ten doel had met een stichtelijk woord de vergadering te openen; eene soort van bidstond te houden. Stichting der vergadering is nooit ofte nimmer de beteekenis er van geweest. Ze behoorde tot het toezicht der kerken, opdat over de predicatie geoordeeld zou worden, welk oordeel, zoo noodig, tot verbetering door de mededienaars, d.w.z. door de andere Bedienaren des Woords gegeven werd.

In art. 30 van de acta der Nationale Synode van Dordrecht in 1578 vinden we met andere woorden hetzelfde bepaald: „Een yegelick der Dienaren sol by ghebuerte een korte predicke doen, van welcke de anderen oordeelen ende van het ghene dat verbeteringhe behoeft hem vermanen sullen”. „De andere” slaat ook hier op de Dienaren des Woords. Doel is ook verbetering.

Art. 30 der acta van de Nationale Synode te Middelburg in 1581 is ietwat gewijzigd. „De Dienaer, dien het in de voorgaende Classe opgheleydt was, sal een corte predick out Godts Woordt doen”. Hier is dus de bepaling, dat niet naar beurt de predicatie

|302|

gehouden zal worden, maar door hem, wien dit in de vorige vergadering was opgelegd.

Ook kwam in deze Synode de vraag aan de orde (Particulier Vragen no. 64b) „Oft niet goed waere Inspectores of Superintendentes te maken, doch met behoorlicker limitatie”, die de kerken zouden bezoeken, en onverwachts de predicaties in de gemeenten zouden gaan hooren. Blijkbaar, omdat men naar de korte predicatie, in de Classe gehouden, kwalijk iemands gewone wijze van prediken voor de gemeente beoordeelen kon. Is geantwoord: „dat het onnoodich ende zorghelick is”. Maar, „op dat niet alleene langhe voorbedachte predicatiën van den Dienaren in den Classicale vergaderinghen ghedaen worden, zo salt in des Classis macht staen (alst noodich is) hen eenen text te geven, om des anderen daeghs een predicatie daerover te doen.”

Hieruit blijkt dus, dat in sommige gevallen tekstopgave plaats vond. Wanneer de Classe gegronde redenen had, te denken, dat onbekwaamheid door het lang voorbedachte werd verborgen, behield zij het recht een dienaar te zetten voor de spoedige behandeling van een bepaalden tekst.

In de Nationale Synode te ’s Gravenhage in 1586 werd hetzelfde besloten als in die van Middelburg en Dordt. Bovendien werd in een schrijven, namens de Synode, aan de Classen, op het houden van de „corte predicatie” aangedrongen. „Ende aengesien — zoo lezen we toch — onder anderen in de voorseide Kerckenordeninge goet gevonden is, dat in de ordinaris Classicale vergaderingen de Dienaers by gebeurte een propositie sullen doen van eenich punt des Goddelicken Woorts, om malcanderen in de handelinge der Schriftuere te oeffenen ende die leere in hare suiverheit dies te beter te onderhouden: Soo sullen u.l. vermaent syn aan de oeffeningen voorss. neerstelick de handt te houden, sonder die door eenighe versuimenisse achter wegen te laten, gelyck wy hooren dat in sommige plaetsen geschiet”. Ook moet er op gewezen. worden, dat in „de forme van de inspectie of visitatie bij de Classen”, door deze Synode gesteld, o.a. de bepaling voorkomt: „Zullen zy somwijlen gaan hooren de predicatien der Dienaaren, en neerstiglyck letten, niet alleen op de materien derzelve, of geene onreine Leere of menschelyke Fabulen of Verdichtselen daar bij gemengt

|303|

worden, maar ook op de maniere van leeren selve, of die stigtelyk ende profytelyk voor den Volke is, en of die Dienaers neerstiglyk zyn in het leeren en onderzoeken der heilige Schriftuure, etc.”

De Nationale Synode van Dordrecht 1618/19 heeft woordelijk, wat reeds vroeger was uitgesproken, overgenomen.

 

Wanneer wij uit de gegevens alles kort tesamen vatten, komen wij tot de volgende conclusies:

1º. Dat het doel der „corte predicatie” was: niet om de Classicale vergadering te stichten, maar „om malcanderen in de handelinge der Schriftuere te oeffenen ende die leere in hare suiverheit dies te beter te onderhouden”. Er werd critiek geoefend; wat in „materien en manier van leeren” verbetering behoefde, werd aangewezen; — zoo doende werd op studie aangedrongen, en zorg gedragen, dat stichtelijk en profijtelijk gepredikt werd.

In den eersten tijd na de Reformatie was dit echter ook noodzakelijk. Velen waren in de ambtelijke bediening gesteld, o.a. vele gewezen pastoors, die niet goed waren voorbereid, en voortdurend moesten blijven studeeren. Ook bij de weinigen, die een Gereformeerde opleiding hadden gehad, liet die opleiding veel te wenschen over. Slechts enkelen hadden een Universiteit bezocht, want in Nederland kon men in het geheel niet terecht, en in het buitenland slechts in Genève, Zürich, Neustadt, Heidelberg, en aan een paar Hoogescholen in Schotland. De examens waren licht, de toelating gemakkelijk, vooral na de vrijmaking van Holland en Zeeland in 1572.

Dat dus op „oefening” en „zuiverheid” werd acht gegeven, mocht niet worden nagelaten. En dit werd door de „corte predicatie” te beter gedaan, daar bij de critiek allerlei dogmatische, exegetische en andere vraagstukken werden ter sprake gebracht. Meest werden ze dan ook gehouden over waarheden, die destijds bijzonder werden aangevallen, gelijk b.v. de Provinciale Synode van Gelderland, in 1580 te Harderwijk gehouden, in art. 18 besloot: „Op desse Classicale Verzamelinghe sal ein Dienaer des Woorts daar die Broeders tho samenkomen ein kurte predighe doen oepentlichen van einen Artickel nu controvers synde, van welcker vermaningh die Broeders sullen ordelen, ende wat mangelt hem broederlick onderseggen tot Stichtinghe der Gemeinte, daer naech

|304|

den verklaerden artyckel disputirenswys tot oeffninghe sonder ostentatie examinieren”.

En in de acta van de Provinciale Synode van Middelburg in 1591 wordt in art. 37 van „een corte predikatie uit Gods Woord of den catechismus” gesproken, wat er blijkbaar op wijst, dat een bepaald stuk van de belijdenis in de predicatie behandeld zou worden.

2º. Dat aanvankelijk de korte predicatiën „bij beurten” werden. gehouden, maar later door hen, wien dit in de vorige vergadering was opgelegd. Zoo kon de Classe vrijstelling geven, voornamelijk aan oudere Dienaren des Woords, aan wie niet veel meer te verbeteren viel, of op wie, ten overstaan van jongere mannen moeielijk critiek kon worden uitgebracht.

Inzonderheid werd dan ook aan „de Novitii”, de pas in dienst gekomen Dienaren, het houden eener predicatie opgelegd, en zoo noodig, kon men nogmaals een zelfden Dienaar eene predicatie laten houden.

Over het algemeen was dan van het opgeven van een tekst geen sprake, doch wel kon de Classe dit doen zoo zij het noodig vond. 

3º . Dat de critiek door de mededienaren, d.i. door de andere Dienaren des Woords werd uitgebracht, gelijk ook in de Kerkenordening van 1618/19 nog voorkomt. Toch blijkt uit Classicale acten, dat ook wel alle „tegenwoordige broederen” er aan deel hebben genomen.

Waar gebrek was in de predicatie moest dit broederlijk worden gezegd; geen meesterschap, maar broederzin, moest blijken; het ging niet om de personen, maar om het welzijn der kerken.

4º. En eindelijk, — wat het naleven van deze bepaling betreft, — dat het houden eener korte predicatie al spoedig is nagelaten, waarom reeds in 1586 namens de Synode in een missive aan de Classen op de handhaving er van moest worden aangedrongen. Wellicht heeft dit iets geholpen, hoewel ook nu nog in sommige Classen de hand er mede werd gelicht, gelijk b.v. uit de Acta van de Provinciale Synode te Amsterdam in 1595 blijkt: „Is ten leste gevraacht, ofte oock de propositieën in allen Classen werden gehouden, achtereenvolghens d’ acte daervan inder Synode van den Hage. Ende is geantwoort, dattet wel in sommige Classen is naergelaten, maer nu voortaan geschieden zal”.

|305|

Het is na te gaan, dat het houden eener korte predicatie afnam, naarmate meer op opleiding en studie werd gelet, en de examens werden verzwaard.

Bezwaren zijn er dan ook zeer zeker aan verbonden.

Niet zoozeer, wijl er in de Classicale Vergaderingen de tijd voor ontbreekt. Als er soms over de verdeeling van een quotum meer dan een uur wordt zoek gebracht, of door andere financieele aangelegenheden schier een geheele middagzitting in beslag wordt genomen, kan aan het houden en beoordeelen eener korte predicatie zeker wel één uur worden gewijd.

De bezwaren zijn van anderen aard:

1º. Is een hoofddoel — handhaving der zuiverheid in de leer — er moeilijk door te bereiken. Zoo men toch bewust van die belijdenis afwijkt, zal men er wel zorg voor dragen, dat dit niet in de korte predicatie blijkt. Hoogstens zou een onbewuste afwijking er in kunnen worden aangewezen.

2º. De korte predicatie is geen normale, zooals men die voor de gemeente houdt. De gewone wijze van prediking kan er niet door worden nagegaan, en daarop dus ook geen critiek worden geoefend.

3º. De critiek ten overstaan van alle broeders zou voor enkele Dienaren, inzonderheid voor de oudere, bezwaar kunnen opleveren, en

4º. Wanneer gebreken zullen worden aangewezen, moet de critiek scherp, soms afbrekend zijn. En welk vertrouwen men nu ook in de medeafgevaardigden stelt, het gevaar is niet buitengesloten, dat de uitgebrachte critiek in de gemeente bekend wordt gemaakt, en schadelijk zou werken voor de bediening des Woords.

Dit alles zegt evenwel niet, dat het houden eener korte predicatie ook zijn goede zijde niet heeft. Om toezicht te houden op het stichtelijke en profijtelijke der prediking, kan het zeer zeker van nut zijn. Een broederlijke critiek kan tot leering zijn van de Bedienaren des Woords, en ook de ouderlingen leeren, om critiek te oefenen.

Wat nu in dezen het zwaarste weegt, eenerzijds de bezwaren, of anderzijds het nut, zal wel niet voor alle Classen hetzelfde zijn. En daaruit is ook zeker te verklaren, dat de „korte predicatie” in sommige Classen steeds gehandhaafd is en ook nu nog plaats

|306|

heeft, terwijl zij in andere Classen, ondanks de bepaling der Kerkenordening, reeds van oude tijden af achterwege bleef.

Dit laatste is met name ook in de Classe Amsterdam het geval.

Of het voor deze Classe wenschelijk is, de bepaling der Kerkenordening, die hier feitelijk sedert lang buiten werking gesteld is, weder te laten opleven, en dus de korte predicatie weder in te voeren, blijve aan de Classe zelve ter beslissing overgelaten.

En hiermede, WelEerwaarde en Eerwaarde Broeders, meent uwe Commissie aan hare opdracht te hebben voldaan.

Rutgers, F.L. (1921) 82

82. Mogen ook particulieren klachten op de Classe brengen?

 

(1892.)

138. Het is eene klacht over den kerkeraad van X, als die, volgens den klager, hem zijn gegeven voorschot niet terugbetaalt. Den kerkeraad van Y (waar de klager woont) ging en gaat de zaak in geen enkel opzicht aan, daar deze over X geenerlei zeggenschap heeft. Dus kon zij ook door den kerkeraad van Y niet per Classe gebracht worden. En evenmin kan verlangd worden, dat zij door den kerkeraad van X ter Classe gebracht werd; want indien niets ter Classe mocht komen, dan door een kerk of kerkeraad, zou eene klacht over of tegen een kerkeraad er wel nooit komen. Ieder gemeentelid heeft recht tot klagen bij de Classe, als de kerkeraad die het aangaat z.i. niet goed handelt. En dat behoort dan nooit bij de Classe, waarin de klager woont, maar altijd bij de Classe waarin de beklaagde thuis hoort. Dus in casu bij de Classe van Z.

Zeer zeker moet dan ook zijn stuk op de eerstvolgende Classe worden ingebracht. En deze moet dan m. i. den kerkeraad van X om inlichting vragen, hetzij dat de afgevaardigden van X die reeds ter vergadering zelve genoegzaam geven kunnen, hetzij dat het stuk aan den kerkeraad van X wordt toegezonden, hetzij door het te geven aan deputaten (expresselijk benoemd, of wel de gewone deputaten voor de kerkvisitatie) om er den kerkeraad van X naar te vragen. Indien de kerkeraad van X die beweerde schuld aan B erkent, dan moet hij zeker vanwege de Classe aangemaand

|307|

worden, die schuld ook te voldoen. Maar indien genoemde kerkeraad die schuld ontkent, kan de Classe m.i. niet anders doen, dan zulks aan den heer B berichten, met bijvoeging dat eene kerkelijke Classe niet geroepen noch in staat is om uitspraak te doen in zake beweerde, maar betwiste schuldvorderingen. Denkelijk zal wel ter Classe zelve kunnen blijken, of de schuld al dan niet erkend wordt, en zal de zaak dus daar wel reeds kunnen worden afgedaan. Daar de Classe hiertoe geheel competent is, moet de Provinciale Synode er vanzelf niet in gemoeid worden. Waar de klager woont, doet bij klachten niets ter zake.

Rutgers, F.L. (1921) 83

Artikel 44 en 49.

De Classe zal ook eenige harer Dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste, autoriseeren, om in alle Kerken, van de steden zoowel als van het platte land, alle jaar visitatie te doen, en toe te zien, of de Leeraars, Kerkeraden en Schoolmeesters hun ambt getrouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leer verblijven, de aangenomene orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen; teneinde zij diegenen, die nalatig in het een of het ander bevonden worde, in tijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing, en het meeste profijt der Kerken en scholen helpen dirigeeren. En iedere Classe zal deze visitatoren mogen continueeren in hunne bediening, zoo lang het haar zal goeddunken, ten ware dat de visitatoren zelven, om redenen, van dewelke de Classe oordeelen zal, verzochten ontslagen te worden.

Iedere Synode zal ook eenigen deputeeren, om alles wat de Synode geordonneerd heeft, te verrichten en in voorvallende zwarigheden aan de Classen de hand

|308|

te bieden, waarbij voor de onderscheidene belangen zooveel mogelijk afzonderlijke groepen van deputaten te benoemen zijn, en om, althans ten getale van twee of drie, over alle peremptoire examens der aankomende predikanten te staan. En alle deze deputaten zullen van alle hunne handelingen goede notitie houden, om de Synode rapport te doen, en zoo het geëischt wordt, redenen te geven. Ook zullen zij niet ontslagen wezen van hunnen dienst, voor en aleer de Synode zelve hen daarvan ontslaat.

 

83. Over de kerkvisitatie.

 

(1913.)

139. Inzake de kerkvisitatie, die in de kerken uwer Classe plaats heeft zonder dat zij vooraf aan de gemeenten wordt bekend gemaakt, vraagt ge mij naar de „redenen”, waarom zulke „bekendmaking” zou moeten „ingevoerd worden”, of wel naar de „tegenredenen”, die zulke „invoering ontraden”.

De formuleering uwer vraag, die ik hier uit uw schrijven overneem, is eigenlijk niet geheel juist. Immers, de bedoelde bekendmaking is in onze kerken niet een soort van nieuwigheid, die eerst in den laatsten tijd hier en daar zou zijn „ingevoerd”, en zelfs in uwe Classe, waar zij thans niet plaats heeft, zou zij niet als een nieuwigheid zijn „in te voeren”, daar zij ook aldaar in vroeger tijden zeker niet vreemd was.

In de verhandeling, die Voetius reeds vóór 2 ½ eeuw over de Classikale kerkvisitatie geschreven heeft, (opgenomen in zijn Politica Ecclesiastica, Vol. IV, pag. 92-107) wijst hij aan, dat het daarbij in te stellen onderzoek volstrekt zich niet moet beperken tot het ondervragen en eventueel vermanen van predikanten en ouderlingen en diakenen, maar zich ook moet uitstrekken tot gemeenteleden, die de visitatoren bij zich kunnen laten komen, of wel zelve aan hunne huizen kunnen bezoeken (pag. 100). Hij vermeldt ook (pag. 102) dat destijds in een aantal onzer kerken de gewoonte was, dat bij de jaarlijksche kerkvisitatie alle mansleden in het

|309|

kerkgebouw werden samengeroepen om de visitatoren in de gelegenheid te stellen ook bij hen onderzoek te doen naar den staat van den kerkedienst enz. En waar hij spreekt over de heilzame werking van de kerkvisitatie, noemt hij ook met name, dat daardoor gemeenteleden, die soms minder geneigd zijn naar hun eigen opzieners te luisteren, kunnen vermaand en bestraft worden, en dat door raadgeving en vermaning van de visitatoren allerlei twisten en geschillen tusschen opzieners en gemeenteleden, of tusschen gemeenteleden onderling, kunnen geslecht of gestuit worden (pag. 95); ’t geen natuurlijk onmogelijk zijn zou, als de visitatie buiten de gemeenteleden omging.

Uit deze opmerkingen van Voetius kunt ge nu zelf ook wel afleiden, waarom de kerkvisitatie niet geschieden moet op een manier, die alle aanraking met gemeenteleden volstrekt onmogelijk maakt, doordat de gemeente van die visitatie volstrekt niets weet. Zij moet in de gelegenheid zijn eventueele bezwaren, moeielijkheden, geschillen enz., met de visitatoren te kunnen bespreken; ’t geen nog geheel iets anders is dan het formeel inbrengen van klachten of aanklachten bij kerkelijke vergaderingen, en ’t geen juist bizonder geschikt is om zulke formeele kerkelijke procedures, die doorgaans veel schade doen aan het geestelijk leven, te voorkomen. Wel hebben de visitatoren dan geenerlei macht om iets te beslissen; integendeel, er moet altijd streng gewaakt worden, dat zij nooit optreden als een soort superintendenten, of kerkelijk bestuur. Maar zij kunnen toch door adviezen en vermaningen, die met wijsheid en onpartijdigheid en bezadigdheid gegeven worden, een grooten moreelen invloed oefenen. Juist daarom is ook van ouds in onze K.O. bepaald (art. 44), dat de visitatoren uit „de oudste, ervarenste en geschiktste” dienaren moeten gekozen worden.

In de practijk zal het nu in onze kerken wel betrekkelijk zelden voorkomen, dat er moeielijkheden of bezwaren of oneenigheden zijn, waarbij de hulp van de kerkvisitatoren te pas komt; zoodat doorgaans ook na de bekendmaking van de kerkvisitatie wel geen gemeenteleden zullen opkomen. Maar — de gelegenheid is daartoe dan toch aan ieder gegeven; en waar die gelegenheid dan soms gebruikt wordt, doet de visitatie des te meer nut.

Rutgers, F.L. (1921) 84

|310|

84. Kerkelijke deputaten.

 

(1894.)

140. Wie van kerkelijke deputaten spreekt, noemt zeer zeker een onderwerp, dat voor de Gereformeerde kerken hier te lande thans van actueel belang is.

Aangezien kerkeraden en Classen en Synoden niet dag aan dag kunnen samenkomen, en ook bovendien telkens besluiten nemen, welke de vergadering zelve collectief niet kan uitvoeren, hebben de kerken, die samenkomen, natuurlijk telkens deputaten noodig, om ten haren behoeve of uit haren naam iets te verrichten. Zulke deputaten worden dan ook vaak benoemd; soms voor ééne enkele zaak, soms voor meerdere zaken te zamen, soms voor eene bepaalde soort van zaken in het algemeen; nu eens om alleenlijk te adviseeren, en dan weer om handelend op te treden; in vele gevallen voor den tijd, die er tusschen twee vergaderingen verloopen zal, maar ook wel voor korter of voor langer. En dan blijkt gedurig, dat men het niet geheel eens is over de bevoegdheid, die aan zulke deputaten is toe te kennen. Vragen, als b.v., of zij al dan niet te benoemen zijn, of hun al dan niet te veel macht wordt gegeven, of zij al dan niet hunnen last zijn te buiten gegaan, en dergelijke meer, worden telkens onderscheidenlijk beantwoord. Dat geschiedt in kerkelijke vergaderingen, en ook wel daar buiten. En al mag veilig worden aangenomen, dat het verschil wel eens grooter schijnt dan het is, en dat wel door niemand bedoeld wordt op dit punt van de lijn der Gereformeerde beginselen ook maar eenigszins af te wijken, in de wijze waarop die beginselen worden opgevat en toegepast, wordt de noodige overeenstemming toch nog vaak gemist. Waaruit volgt, dat dit onderwerp als vanzelf aan de orde is; daar toch helderheid van inzicht en vastheid van overtuiging en eenparigheid van gedragslijn hier niet mag ontbreken, en daar dan in kerken, die geheel op denzelfden grondslag staan, onderzoek en gedachtenwisseling juist de middelen zijn.

Het punt, dat in quaestie is, n.l. het karakter dat aan kerkelijke deputaten moet toegekend worden, was voor onze kerken, althans in haar bloeitijd, altijd eene zaak van het hoogste gewicht. Daaraan is het dan ook toe te schrijven, dat er zooveel over te vinden is

|311|

in de bekende „Politica Ecclesiastica” van Gijsbertus Voetius. In de vier boekdeelen, waarin zijne verhandelingen over kerkrecht zijn samengevoegd, was bij onderscheidene onderwerpen wel aanleiding om over de bevoegdheid van kerkelijke deputaten iets te zeggen. En ofschoon nu in de zeventiende eeuw te dien aanzien in de kerken zelve weinig verschil was, wegens het belang der zaak heeft hij eene gelegenheid om ze nog eens te behandelen, toch nooit laten voorbijgaan: op niet minder dan zeven onderscheidene plaatsen heeft hij ze opzettelijk ter sprake gebracht.

In dit geval nu, gelijk trouwens bijna altijd, is het zeker niet doelloos of onvruchtbaar, van hetgeen door hem geschreven is kennis te nemen. Daartoe zou echter niet genoeg zijn, eenvoudig de plaatsen op te geven, waar zij in het genoemde handboek te vinden zijn; want dit is betrekkelijk zeldzaam en bovendien in het Latijn geschreven. Maar aan deze bezwaren kan gemakkelijk worden tegemoet gekomen, door het overnemen van die plaatsen zelve, en dan natuurlijk in eene Hollandsche vertaling. Deze hier te vinden zal dus aan vele lezers misschien niet onwelkom zijn.

De bedoeling van die mededeeling is intusschen volstrekt niet, om nu de quaestie als het ware af te doen met een beroep op Voetius. In Gereformeerde kerken kan wel aan geen mensch zulk een zeggenschap worden toegekend. Een onfeilbaren regel hebben zij alleen in Gods Woord; en wat als afgeleide regeling op kerkelijk gebied zal gelden vinden zij in hare belijdenis en kerkenordening, en voorts in de besluiten van kerkelijke vergaderingen. Maar dit neemt niet weg, dat het voor een recht verstand en eene juiste toepassing en eene eventueele verbetering van zulke regelingen, veelszins dienstig is, ook te letten, zoowel op de kerkelijke practijk, vooral in den bloeitijd der kerken, als ook op de vertoogen van mannen, die door groote bekwaamheid, gepaard met zuiverheid van belijdenis en met vromen zin, uitnemende instrumenten waren, waarvan God zich bediend heeft om de kerken voor te lichten en te leiden.

In onzen tijd wil men daar wel eens niet van hooren. Eenigszins onder den invloed van zeer revolutionaire theorieën is er, ook bij Christenen, wel eens een streven, om de menschen zooveel mogelijk aan elkander gelijk te maken, en dientengevolge, om niet goed te

|312|

kunnen dulden, dat er toch zijn, die in talent en bekwaamheid boven anderen uitsteken. Men wil die dan zooveel mogelijk naar beneden trekken, of althans zoo min mogelijk naar hen hooren. Als het stoffelijke belangen geldt, wordt dan zeker eene uitzondering gemaakt, en wordt gaarne gebruik gemaakt van het beste dat men krijgen kan. Maar op het gebied des geestes is dit wel eens anders, en wordt de Schriftuurlijke leering omtrent de eenvoudigheid, die voor het geloof vereischt wordt, en omtrent verwerpelijkheid van de wijsheid der wereld, wel eens opgevat en toegepast, alsof dat een vonnis was over wijsheid en wetenschap in het algemeen. Toch is dat streven eigenlijk eene terzijdestelling van het allereerste geloofsartikel, eene miskenning van het werk der Voorzienigheid Gods, een verzet tegen zijn bestel en eene ongehoorzaamheid tegen zijne ordinantiën. Het is ook eene groote schade voor de kerken, waaraan gaven, die de Heere voor haar bestemd heeft, dan veel minder ten goede komen. En het is tevens eene overschatting van zichzelven, alsof men aan zijn eigen onderzoek en nadenken wel genoeg had, en alsof men daardoor alleen wel verder komen kon, dan wanneer men gebruik maakte van het licht, dat door anderen reeds ontstoken is. Wie geloovig en verstandig is, wacht zich daarvoor. En al weet hij, dat ook mannen als Voetius feilbare menschen zijn, en in velerlei opzicht kinderen van hun tijd, hij erkent toch de gaven, die aan zulke mannen geschonken zijn en hij wil dan van hun arbeid zooveel mogelijk nut trekken.

Met betrekking tot Voetius kan dat des te beter, daar hij nooit optreedt alsof hij een zeker gezag had, en alsof enkel op zijn woord of advies het een of ander moest worden aangenomen. In Gereformeerde kerken zou dit laatste ook nooit mogen plaats hebben. Wanneer over eenige zaak een gevoelen wordt uitgesproken, is het zeker niet onverschillig, van wien dit afkomstig is. Maar ten slotte zijn het toch de gronden en motieven, die beslissen moeten. En nu is het juist door redeneering en betoog, dat Voetius invloed wil oefenen. Bij betwistbare punten wil hij nooit iets opleggen, maar integendeel overtuigen.

En hier komt nog bij, dat hij bij de onderwerpen, die hij behandelt, zich volstrekt niet bepaalt tot zijn eigen gevoelen. Hij deelt dat van anderen ook gedurig mede. En vooral wijst hij

|313|

telkens op de leering en practijk der Gereformeerde kerken, met name in Nederland. Hij is metterdaad een getuige van het kerkelijk leven in de eerste eeuw na de Reformatie, en dus juist in den bloeitijd der Gereformeerde kerken. Waaruit zeker volgt, dat het des te meer van belang is, hem telkens te raadplegen.

Eindelijk valt nog in het oog, dat dit wel inzonderheid geldt met betrekking tot het onderwerp, dat hierboven genoemd is. Wie in onzen tijd daarvan spreekt, wordt door degenen, die van hem verschillen, soms niet eens gehoord, daar hij altijd handelt, of althans geacht wordt te handelen, over bepaalde toestanden en personen van den tegenwoordigen tijd, hetzij dan om ze te verdedigen of wel om ze aan te vallen. Maar natuurlijk kan dat nooit gedacht worden bij het woord van een schrijver uit de zeventiende eeuw. Daarbij kan wel geen vooroordeel in den weg staan, en daardoor kan ook geen gevoeligheid worden opgewekt.

 

(Heraut, 2 Dec. 1894.)

De eerste plaats, die uit Voetius’ „Politica Ecclesiastica” hier in aanmerking komt, is in de verhandeling over de geïnstitueerde kerk, in het hoofdstuk, waar gesproken wordt over onwettige kerkelijke macht, buiten en boven de bijzondere kerken optredende. Aldaar is de 9de of laatste quaestie, die gesteld wordt, deze (Deel I, blz. 111 vgg.): „Of de afgevaardigden of (gelijk men ze nu in Nederland noemt) de deputaten der Synoden, of de Synodale deputaten, de voorstelling en den indruk geven, dat zij een soort van kathedraal en metropolitaansch college zijn en daarvan het recht hebben; en of hunne macht en hun opzicht inderdaad bisschoppelijk. of ten minste het naast daaraan verwant is; en of hunne samenkomsten welke zij herhaaldelijk houden, als het ware kathedrale en hoogste kapittelen of kerkelijke consistoriën zijn?

Antwoord. Beneden, in deel 2, waar over de ouderlingen gehandeld wordt, hebben wij uit den weg geruimd de valsche aanklacht van Grotius in zijn Pietas Illustriss. D. D. Ordin. Hollandiae, bladz. 112 uitgesproken, alwaar hij verzekert, dat die deputaten tusschen-regenten zijn, en in de plaats der Synode optreden, gedurende den tijd, dat er geen Synode gehouden wordt. Het daar gezegde herhalen wij hier niet. Slechts voegen wij er aan toe, dat

|314|

Grotius met meer schijn van waarheid, indien hij zich op oprechtheid had toegelegd, zijn tusschen-regentschap had kunnen toekennen aan de deputaten der Remonstrantsche Utrechtsche Synode, volgens de kerkelijke verordeningen van het jaar 1612, waar aan hen, met achteruitzetting van de kerkeraden der dorpskerken (zooal niet met hunne terzijdestelling onder een schoonschijnend voorwendsel) de groote macht is toegestaan, onder andere, tot de verzameling en uitgave van eene nieuwe gezangenliturgie. (Zie de voorrede, die aan die liturgie voorafgaat).

Maar thans, nu wij zien, dat opnieuw ongunstige vermoedens en vreemde gevolgtrekkingen met betrekking tot het bestuur der Nederlandsche kerken gemaakt worden, in strijd met de waarheid der zaak, tegen de bedoeling van die kerken, en in strijd met hare gemeenschappelijke verordeningen, en dat wel met de bedoeling, om rechtzinnige en vrome mannen, die alle kathedrale en bisschoppelijke heerschappij in Engeland nu geheel zouden willen hebben opgeheven, als het ware te doen veroordeelen, door ze voor te stellen als in strijd met het gevoelen, dat overal elders is aangenomen; zoo kunnen wij niet nalaten den lezer nader bloot te leggen, hoe het met die deputaten eigenlijk gelegen is. Wij zeggen dan

1º. Dat de Zeeuwsche kerken en Synoden zoodanige deputaten niet aanstellen; evenmin de Waalsche of Fransche Nederlandsche kerken.

2º. Dat het college van die deputaten niet is een afzonderlijk en blijvend kerkelijk college, toegerust met gewone kerkelijke macht, hetzij des bestuurs, hetzij der rechtspraak. Want onze Kerkenordeningen erkennen geene colleges aan deze vier: den kerkeraad, de Classe, de Particuliere of Provinciale Synode en de Nationale Synode.

3º. Zij hebben en oefenen derhalve geene macht boven en over de Classen, de parochiale of plaatselijke kerken of hare kerkeraden; Ja zelfs niet over éénen enkelen predikant, ouderling of gemeentelid; tenzij zij door eene bijzondere, buitengewone en uitdrukkelijke opdracht der Synode een mandaat hebben, om ergens eene Synodale uitspraak bekend te maken, aan te dringen en uit te voeren, of ook (wat zeer zelden gebeurt) om met Synodale macht in een bijzonder geval of in eene bijzondere moeielijkheid (van welke

|315|

eenige omstandigheden na het houden der Synode op de plaats zelve moeten onderzocht worden) de uitspraak vast te stellen. En dan worden meestal eenige andere personen uit de Synode of uit de naburige Classen aan de deputaten toegevoegd. Ja ook soms worden geheel andere personen voor deze zaak afgevaardigd. Maar zoodanige Synodale macht wordt zeer zelden, gelijk ik gezegd heb, en met groote moeite toegestaan, en niet dan in het uiterste geval van noodzakelijkheid, als de zaak gedurende de zitting der Synode niet kon worden afgedaan, en toch geen uitstel duldt.

4º. Zoodanige opdracht, hun gegeven, geeft hun geene macht, ja zelfs geen schaduw van macht over andere kerken of personen of kerkelijke zaken; en evenmin kan men in die zaken bij hen in hooger beroep komen; zij kunnen daarin, naar gelang van omstandigheden of op aanvrage, broederlijke raadgevingen verschaffen en voorloopig als scheidsrechters iets tot raad in het midden brengen; maar behalve dat niets.

5º. De boeken en theologische geschriften, die in het licht moeten gegeven worden, onderzoeken zij niet krachtens eigene en blijvende macht, zelfs niet krachtens overgedragen macht der Synode, gedurende dat jaar of die twee jaren, waarin zij hunne opdracht hebben, maar dit werk is in de Kerkenordening geheel aan Classen of Academiën opgelegd; deze vrijheid blijft echter aan de Synode, op buitengewone wijze de onderzoeking van dit of dat boek aan de deputaten of andere personen, welke dan ook, op te dragen.

6º. Zij bevestigen de dienaren niet in hun dienst; veel minder nog hebben zij in hunne verkiezing eenig aandeel.

7º. Op de Synoden of Classen vervullen zij niet het ambt van praeses, assessor of scriba.

8º. Ja zelfs in hunne hoedanigheid van deputaten maken zij geen deel uit van Synoden en Classen, noch verschijnen er in. En indien zij in Holland aan de Classen uit naam van de Synode iets voorstellen, gaan zij naar buiten en wachten buiten de deur, zoolang de beraadslaging gehouden wordt, en de stemmen worden opgenomen. Als dat gedaan is, wordt hun, nadat zij binnengelaten en teruggeroepen zijn, te kennen gegeven, wat bepaald is. In de Synode verschijnen zij slechts, om aldaar rekenschap te geven van

|316|

de hun gegevene opdrachten en van de hun opgelegde zaken, of ten minste verslag te geven in welken staat die zaken nu zijn, of wat met betrekking tot deze gedaan of niet gedaan is. Dat bij die gelegenheid, terwijl zij tegenwoordig zijn, door den praeses over de voorgestelde zaken hun raad of raadgevende stem gevraagd wordt, voordat de beslissende en met gezag bepalende stemmen der Synode gevraagd worden, is men vooral in de laatste jaren gewoon. Dit is echter geen bewijs van eenigen bijzonderen en hoogeren raad van kerkelijken dienst of macht, zelfs niet van een eenvoudigen voorrang of hoogere rangorde boven de kerken of de herders der kerken; want men is gewoon, het advies der politieke gedelegeerden, die uit naam van de Staten der provincie, alwaar de Synode gehouden wordt, aldaar verschijnen, en desgelijks dat der Dienaren, door andere Provinciale Synoden terwille van de broederlijke en wederzijdsche correspondentie daarheen. gezonden, en evenzoo dat der Professoren in de theologie (wanneer n.l. de Synode gehouden wordt op eene plaats, waar eene Academie is) op gelijke wijze te vragen en te hooren, en wel voordat de deputaten geraadpleegd worden.

9º. Wanneer zij nu en dan samenkomen, beslissen zij geene kerkelijke zaken en evenmin worden de dingen, die in de eerstvolgende Synode moeten behandeld worden, door hen van tevoren voorbereid of bepaald of voorgeschreven. Want dit doen de afzonderlijke Classen door hare gravamina, die niet naar de deputaten, maar naar de Synodale Classe gezonden worden, en door haar verzameld en geordend aan de Classen teruggezonden worden (op sommige plaatsen door de Classen dan weer verzonden naar alle kerkeraden of consistoriën van haar ressort), om over die zaken iets bepaalds te beslissen, en hare afgevaardigden naar de Synode met geloofs- en instructie-brieven te voorzien; en deze dingen geschieden alle zonder medeweten en raad of toestemming der deputaten, voor wie hierin niets te doen is.

„Wat doen zij dan wèl?” zal men vragen. Ik antwoord, niets anders dan dat zij, nadat de Synode gehouden is, hare Handelingen nalezen, en daaruit de opdrachten, die hun mochten gegeven zijn, aanteekenen, om die getrouwelijk uit te voeren, daar zij toch rekenschap zullen geven op de eerstvolgende Synode. Die

|317|

opdrachten echter bevatten meestal niets anders dan eenige klachten of vragen, die uit naam van de Synode door een smeekschrift aan de Staten zijn voor te stellen, of eenige dingen, die, eveneens uit naam van de Synode, aan deze of die kerk over eenige particuliere zaak moeten voorgesteld worden. Behalve deze opdrachten, die er nu eens in zeer klein aantal, dan weer in het geheel niet zijn, rust op de deputaten de last, om uit naam van de Synode tegenwoordig te zijn bij de examens dergenen, die tot den dienst geroepen zijn, opdat daardoor de Synode des te beter overtuigd zij, dat de eenheid in de rechtzinnigheid in alle Classen bewaard wordt. Dit laatste bewijst niet, dat zij eenige macht hebben over de kerken of Classen; omdat, wanneer er geschil of strijd over de rechtzinnigheid van den examinandus ontstaan zou, het niet aan hen zou staan dit te beslissen, maar aan de Classe. De deputaten kunnen niet anders doen, dan waarschuwen en aan de Synode verslag geven.

10º. Kortom, op sommige plaatsen in Nederland worden geene, op sommige twee of drie, op sommige vier deputaten op de Provinciale Synode benoemd, die voor een jaar, of op zijn hoogst voor twee jaren de particuliere, hun door een uitdrukkelijk en bijzonder mandaat der Synode aangewezen en omschreven zaken bezorgen en uitvoeren; behalve hunne tegenwoordigheid bij de examens der Dienaren. Hierdoor wordt aan billijke beoordeelaars dan ook zelfs geen schijn van recht gegeven, om te besluiten, in strijd met het gevoelen en de practijk der Nederlandsche kerken, dat er zou bestaan een nieuwe en bijzondere graad van kerkelijken dienst (onze kerken kennen geen anderen dan dien van predikant, ouderling, doctor en diaken), of eene macht van regeering en rechtspraak, of eene waardigheid, of een voorrang en eene kerkelijke hoogheid, die een bisschopsambt zou zijn, ten minste daaraan ongeveer gelijk. Volgens dezelfde gevolgtrekking zou men ons kunnen ten laste leggen, dat wij ambten hadden van tuchtoefenaar, afhouder van Sacrament of dienst, actuarius, visitator, bevestiger (die iemand in den dienst bevestigt), ziekentrooster, Classikale quaestor, smeekeling en sollicitant (welke de staat elders noemt meester der smeekschriften), examenafnemer, Classikale afgevaardigde naar de Synode, opzichthouder (die over de studenten in de

|318|

Theologie, die beurzen hebben, opzicht houdt), schrijver (die namens de Classe of Synode een boek schrijft), collectant en uitdeeler of bedeeler (die eene collecte voor ballingen en uitlandsche kerken bezorgt en uitdeelt), spreker bij twistgesprekken of conferenties (die met een onrechtzinnig persoon in het openbaar een twistgesprek of eene conferentie houdt), begroeter of dankzegger, die uit naam van de kerken vorsten en overheden begroet of dank zegt, enz. Want tot deze en dergelijke werkzaamheden en zaken wordt gewoonlijk een Dienaar of worden eenige Dienaren door den kerkeraad, de Classe, of de Synode, naar dat de zaak is, gedurig bepaaldelijk afgevaardigd.

Na deze uiteenzetting kan men gemakkelijk opmaken, wat er aan is van de pas vermelde valsche beschuldiging van Grotius, en desgelijks van de gevolgtrekking van Franciscus Maso, die steunt op een verhaal van den eerwaarden en met mij zeer bevrienden Johannes Dureus over de overzeesche kerken, in een boekje, te Oxford uitgekomen, in het jaar 1641, in het Engelsch uitgegeven onder den titel: Certa in briefe treatises written by diverse etc. Daarin poogt hij te bewijzen, dat alle Gereformeerde kerken, met name degene, die zeer ijveren voor de Geneefsche en Fransche kerkinrichting, inderdaad bisschoppen en de hoofdbestanddeelen van de bisschoppelijke macht en van het bisschoppelijk ambt hebben, en zelfs, dat wat in het begin der Reformatie zonder het bisschoppelijk ambt of in strijd er mee gedaan is, enkel gedaan is in het uiterste geval van nood, als wanneer de gewone regel niet geldt. De woorden van genoemd verhaal van Dureus geef ik hier uit het Engelsch vertaald: Ofschoon de Classikale vergaderingen en ook de Synoden in Holland zoo dikwijls mogelijk gehouden worden, nl. de eerste alle maanden, de laatste eens in het jaar, zoo zijn er echter niet zoo vele jaren voorbijgegaan, of zij hebben, door den nood gedrongen, eenige andere ambtsdragers aangesteld, aan wie eene meer algemeene macht en opzicht toevertrouwd is dan aan de overige (hunne collega's). Deze nu worden genoemd gedelegeerden of deputaten der Synode, wier opdracht gedurende zeer weinige jaren duurt. Deze deputaten hebben hunne vergaderingen bij vaste en dringende gelegenheden, voornamelijk echter op den voor de Provinciale Synode

|319|

vastgestelden tijd, wanneer zij overwegen en te voren overdenken, op welke wijze de zaken en aangelegenheden geschikt, en aan de Synode voorgesteld moeten worden. In de Synode zitten zij bovendien op hunne eigene bijzondere plaats, en aan hen doet de praeses der Synode deze eer aan, dat hij hen in de eerste plaats vraagt, om elk aan de orde zijnde zaak bij de Synode in te leiden, en hun oordeel over die zaak eerst bloot te leggen, voordat de stemmen der leden van de Synode gevraagd en opgenomen worden. Men vergelijke dit verhaal met hetgeen door ons daareven gezegd is; en men oordeele of de verdediging van Maso, tot rechtvaardiging van de roeping der Gereformeerde kerken buiten Engeland, door ons kan omhelsd worden. Wij althans hebben eene andere verdediging beproefd in de Desper. Causa Papatus (Boek 2, Sect. 1, Hoofdst. 9 en Sect. 2, Hoofdst. 12), zoowel overeenkomstig de waarheid der zaak, als in den geest der kerken, die op andere wijze niet verdedigd willen worden.

Intusschen moeten deze en andere verklaringen onzer kerkinrichting ons waarschuwen, dat wij in hare uitvoering op onze hoede zijn, en ons onthouden van den minsten schijn van verheffing en alleen-heerschend-bisschoppelijke of oligarchische heerschappij. Te meer behoedzaam zal ons, naar ik hoop, maken het voorbeeld van Schotland, dat, begonnen zijnde met gewone deputaten, die uit naam van de Nationale Synode de gravamina der kerken aan het Parlement voorstelden, binnen weinige jaren meegesleept is tot haar onrustwekkend bisschoppelijk stelsel. Waarover men zie Didoclavius in het Altare Damascenum, en de Historia Rerum nuper in Scotia gestarum, uitgegeven in het jaar 1641”.

 

(Heraut, 9 Dec. 1894.)

In het eerste deel van Voetius’ „Politica Ecclesiastica” komen de kerkelijke deputaten nog eenmaal ter sprake, ter plaatse waar betoogd wordt, dat geene kerk een deel van hare macht voor goed kan vervreemden, door overdracht aan een persoon of aan een bestuurscollege of aan eene andere kerk. Aldaar (Deel I, blz. 224) wordt aan het slot de vraag gedaan: „Of dan alle kerkelijke afvaardiging, deputatie en commissie onwettig en gevaarlijk is?” Waarop wordt geantwoord:

|320|

„Geenszins; mits worde in acht genomen: 1º. dat het, in geval van noodzakelijkheid en volgens onderlinge overeenkomst of om der wille van de profijtelijkheid eeniglijk geschiede om eene bepaalde zaak te verrichten of uit te voeren, niet om door vervreemding en overdracht in het bezit te stellen van het recht zelf en van de macht zelve, die de kerken hebben; 2º. dat het geschiede voor deze of gene bijzondere en voorbijgaande handeling of uitvoering, niet voor allerlei zaken naar believen, of wel in het algemeen voor alles; 3º. dat, indien het geschiedt voor een gansche groep van handelingen van dezelfde soort en orde, b.v. voor de examens van candidaten tot den H. Dienst (van waar de naam van Examinatoren gekomen is), of voor de kerkvisitatie (van waar de naam Visitatoren gekomen is), of voor de aankondiging van censuur of van hare opheffing (van waar vroeger de naam van Biechtvader gekomen is zulks alleenlijk geschiede voor een bepaalden tijd.”

In eene latere verhandeling geeft het hoofdstuk over de ouderlingen aanleiding, om wederom, als in ’t voorbijgaan, te vragen (Deel III, blz. 475): „Of bij ons de deputaten der Synode, na het sluiten der Synode, Synodale macht hebben?” Waarop het antwoord is:

„Dit wordt wel als bezwaar tegen hen aangevoerd door Grotius, in zijn „Pietas” enz., blz. 112, waar hij spreekt van „onze tusschen-regenten, die deputaten der Synode genoemd worden, en die in den tijd, dat er geen Synode gehouden wordt, zelven als Synode optreden.” Maar het is eene valsche beschuldiging. Zij hebben geenerlei macht (alle aanmatiging nu daargelaten); en van zulk eene macht als Grotius verzint, is zelfs nooit eene schaduw door iemand gezien; tenzij dan voor enkele bepaalde en aangewezene zaken, die de Synode niet altijd kan afdoen, en die toch afgedaan moeten worden. Waar bijkomt, tot betere bewaring van de algemeene rechtzinnigheid, de bijstand bij de examens der candidaten tot den H. Dienst. Nooit hebben zij Synodale macht; tenzij wanneer de Synode hun voorschrijft, deze of gene zaak met Synodaal gezag te beëindigen. In welk geval mij bekend is, dat doorgaans afgevaardigden van naburige Classen of ook eenige anderen hun nog worden toegevoegd.”

|321|

In overeenstemming met het reeds aangevoerde wordt in de verhandeling over den dienst des Woords de volgende bepaling gegeven van hetgeen door „deputaten” te verstaan is (Deel III, blz. 527):

Deputaten of afgevaardigden zijn diegenen, die gekozen worden, om eene bepaalde kerkelijke zaak of aangelegenheid, of wel bepaalde zaken en aangelegenheden, uit naam der geheele vergadering uit te richten. En zulke deputaten zijn, overeenkomstig het onderscheid der vergaderingen, òf consistoriale òf Classikale òf Synodale deputaten. En dan voorts weder van tweeërlei aard: 1º. die voor de eigene zaken en aangelegenheden, binnen het ressort van de Classe of Synode uit te richten, worden afgevaardigd; aan welke bepaaldelijk die naam van deputaten der Classe of der Synode gegeven wordt; 2º. die tot het behandelen van zaken er aangelegenheden gezonden worden naar andere Classen of Synoden, waar hun dan eene adviseerende stem wordt toegestaan; aan welke bepaaldelijk de naam van Correspondenten gegeven wordt." En nadat over deze Correspondenten een en ander gezegd was, wordt dan met betrekking tot de deputaten hier nog bijgevoegd (blz. 528):

„De eigenlijk gezegde Synodale deputaten, die een geheel jaar of wel twee jaren dienst doen worden door Grotius in zijn „Pietas Ordinum Hollandiae” zeer ten onrechte en lasterlijk voor tusschen-regenten uitgemaakt, alsof de Synodale macht hun toekwam. Boven (Deel I, blz. 111) hebben wij omtrent hunne macht de noodige verklaring gegeven, en de ongunstige beschrijving, die een buitenlandsch schrijver over hen gegeven had, tevens verbeterd.”

In de zeer uitvoerige verhandeling, waarin Voetius het Gereformeerd kerkverband tegen de aanvallen der Independenten verdedigt, wordt ook geantwoord op hun bezwaar, dat de Gereformeerde kerken nieuwe titels, rangen of ambten in de kerk invoerden, o.a. door de benoeming van kerkelijke deputaten. En nadat herinnerd was, dat dit slechts een naam was ter aanduiding van predikanten of ouderlingen, die voor eene bijzondere er tijdelijke handeling waren aangewezen (geheel in denzelfden zin, als waarin er vele dergelijke namen zouden te noemen zijn), wordt dan gesproken van een paar nadere bedenkingen, die de tegenstanders

|322|

blijven tegenwerpen, en worden ook deze opgelost. Dit nu geschiedt in dezer voege (Deel IV, blz. 145 vg.):

„Maar het schijnt toch, dat er vaste en blijvende ambten zijn, b.v. van visitatoren en van deputaten, en dat hunne colleges en vergaderingen met kerkelijke macht zijn toegerust.

Antwoord: 1º. Het kan zijn, dat de eene of andere uitvoering eener regeling of het een of ander bijzonder feit in ons vaderland (waaraan bij deze tegenwerping misschien gedacht is) den schijn gehad heeft van hetgeen hier wordt tegengeworpen. Maar een misbruik maakt geen regel, en een bijzonder feit is bij ons geen kerkelijke wet; en nog veel minder hoort iets dergelijks tot het wezen van de Classikale of Synodale correspondentie in het algemeen, n.l. van zulk eene correspondentie, als de kerken elders gerustelijk kunnen aannemen, en als wij zelven gaarne aanraden aan alle vromen, die van anarchistische of van pauselijk-hiërarchische heerschappij een afkeer hebben.

2º. Het heeft ook kunnen gebeuren, dat in een buitengewoon geval van dringenden nood (waarbij vaak de regel niet kan worden in acht genomen) kerkelijke visitatoren of deputaten de in gevaar zijnde orde hebben moeten te hulp komen, daartoe bovendien geroepen zijnde door degenen wien het aanging. Maar dan toch alléén door raadgeving, en (om het zoo eens uit te drukken) door tusschenspraak en door aanteekening van verzet; om het dreigend gevaar, de zeer ernstige beroering of misschien wel verwoesting der kerken en de algeheele schending der orde te voorkomen, of althans zóólang tegen te houden, totdat de Synode of Classe kon worden samengeroepen; waartoe zij dan misschien ook wel de hulp der overheid hebben ingeroepen.

3º. Eindelijk heeft het ook wel kunnen gebeuren, dat Classikale of Synodale deputaten gezonden zijn om dat bijzondere werk volgens besluit der Classe of Synode uit te voeren; hetgeen dan echter niet medebrengt, dat hun eene bijzondere kerkelijke macht of kerkelijk ambt of kerkelijke rang wordt toegekend, maar alleen inhoudt, dat zij tot deze of die bijzondere bemoeiing door de kerkelijke macht afgevaardigd of gezonden zijn.

Dit alles blijkt ten duidelijkste uit onze Kerkenordening en kerkelijke practijk, waarin de bemoeiing der visitatoren aldus

|323|

omschreven wordt; waarnaar die der deputaten en correspondenten van Synode of Classe, gelijk men ze thans noemt, naar analogie moet worden afgemeten. Kerkenordening en practijk erkennen geene kerkelijke vergaderingen, die met kerkelijke macht zouden bekleed zijn. (n.l. vaste en gewone macht), buiten den kerkeraad, de Classe, de Provinciale Synode en de Nationale Synode; en in het algemeen geene besturen, ambten, enz. of hoogere bestuurders en gezaghebbers, over de kerken, de kerkeraden, de Classen, de Synoden, de dienaren en de ouderlingen n.l. die eene bepaalde, eigenaardige, algemeene en blijvende macht zouden hebben naar kerkelijk recht of uit kracht van eene bijzondere roeping. Anders zouden sommige dienaren verheven worden tot bisschoppen of tot blijvende inspecteurs of voorzitters, waarvan onze kerken zoo afkeerig mogelijk zijn, gelijk onmiskenbaar blijkt uit de overal gevolgde practijk en uit Art. 1 van de Kerkenordening (n.l. in de oudste redactie van 1571; steeds onveranderd gebleven, maar in de redactie van 1619 Art. 84 geworden): Geene kerk zal over eene andere kerk, geen dienaar over eenen anderen dienaar enz.

Maar laat ons deze zaak nog met een paar vergelijkingen nader verklaren. Als een dienaar af ouderling door den kerkeraad gezonden wordt om een van zijne mede-dienaren of mede-ouderlingen iets aan te zeggen of op te leggen, dan brengt dit niet mede, dat hij daardoor verheven wordt of zich verheft boven zijnen mededienstknecht, of dat hij geacht wordt met een nieuw ambt van bisschoppelijkheid en hoogheid bekleed te worden, of dat eene nieuwe en bijzondere kerkelijke macht wordt ingevoerd. Desgelijks, als de leden der gemeente, op voorgang van den kerkeraad, met hem, en als het ware in hem een lid excommuniceeren, dan brengt dit niet mede, dat zij zichzelven eene hoogheid of heerschende macht over hunne broeders toekennen.

„Evenwel (is dan verder de tegenwerping) er worden niet slechts deputaten en visitatoren der Classen voor een korten tijd tot die bijzondere werkzaamheid aangesteld, maar telkens voor een jaar.

Antwoord. 1º. In sommige Classen zijn dezelfde personen deputaten en visitatoren. 2º. Waar zij onderscheiden worden, heeft men zelden deputaten, die voor een jaar worden aangesteld; maar ik weet, dat dit hier en daar slechts geschied is, als er eene

|324|

overstelpende menigte van zaken was, en de Classe niet zoo dikwijls kon bijeenkomen, als de toen overvloedig voorkomende zaken van minder belang wel vorderden. Daarom heeft men toen aan die deputaten, acht of zes of tien (naar de grootte der Classen), eene beperkte macht toegestaan met betrekking tot eenige bepaalde zaken. 3º. Wat er in dit opzicht ooit naar goedvinden geschied is of heeft kunnen geschieden, een bijzonder en gewoon kerkelijk ambt en eene bijzondere macht is er toch nooit door gevestigd. Zoodat er geene oorzaak is, waarom het Classikaal en Synodaal bestuur zelf (waaromtrent ik, sterker dan iemand, alle misbruik afkeur) door den hier bestreden schrijver en door zijne geestverwanten op ééne lijn zou geplaatst worden met de menschelijke en anti-Christelijke scheppingen van paus of van bisschop”.

In de laatst aangehaalde verhandeling wordt, ter plaatse waar over de uitvoering van Synodale besluiten gesproken wordt, ook melding gemaakt van de uitvoering door middel van daartoe aangewezen deputaten (Deel IV, blz. 218), en in de reeks van dan volgende vragen komt ook deze voor:

„Of het bij geschillen tusschen een kerkeraad en kerken, of tusschen een Dienaar en eene kerk of een kerkeraad, welke ter Synode gebracht zijn, beter is, dat die beëindigd worden door enkele met Synodale macht voorziene deputaten, dan dat zij beëindigd worden door de Synode zelve?

Antwoord. Neen; wanneer zulks geschieden zou na het sluiten der Synode, zoodat die afgevaardigden niet aan de Synode, terwijl zij nog bijeen was, zouden kunnen rapporteeren. Indien echter het oordeel der afgevaardigden tijdens de zitting der Synode opgemaakt werd, zoodat het zonder de goedkeuring der Synode de kracht eener uitspraak niet zou hebben, schijnt dit wel minder gevaarlijk te zijn, maar ik geloof toch niet, dat het beter is. Hier is dan toe te passen Spreuken XI: 14: De behoudenis is in de veelheid der raadslieden.”

Eindelijk, in de verhandeling over de zending, wordt, na de aanwijzing dat de zending natuurlijk van de kerk moet uitgaan, maar dat de kerken, die Classikaal of Synodaal verbonden zijn, ook wel gezamenlijk mogen zenden, onder andere vragen ook nog deze gesteld (Deel IV, blz. 325) : „Of het enkel de Nationale

|325|

Synoden of hare bijzondere deputaten zijn, onder wier directie alle zendingen geschieden moeten (b.v. de Nederlandsche in en uit Nederland)?” Ook al is het antwoord op die vraag wel wat lang, het zal hier toch maar geheel worden opgenomen, deels om niets terug te houden van hetgeen Voetius over deputaten schreef, en deels ook om hetgeen over den toestand van voor twee en een halve eeuw daarin voorkomt.

Antwoord. Dat sommigen dit wel willen of voorslaan, heeft men soms kunnen merken. Wij voor ons zijn van oordeel, dat het niet ongeoorloofd is, het te laten geschieden door de Nationale Nederlandsche Synode, of door de Provinciale Synoden en hare deputaten, wanneer zulks geschiktelijk kan, tot meerdere zekerheid. Maar ik zie geen bewijs, dat het niet zou kunnen geschieden door de kerkeraden of de bijzondere Classen (voor welke het wegens omstandigheden van plaatsen, tijden en betrekkingen op de overheid het gemakkelijkst, het geschiktst en het veiligst is). Naar Oost- en West-Indië is tot dusver voor de zendingen gezorgd door den kerkeraad en de Classe van Amsterdam of hare deputaten, of door den kerkeraad en de Classe van Middelburg; omdat aldaar kamers zijn van de Oost- en West-Indische Compagnie, en dus die kerkeraden en Classen, meer dan anderen, uit de eerste hand en van nabij kennis kunnen hebben van de kerken en plantingen. Men heeft wel eens gemeend, dat voor de zendingen uit ons vaderland, en bepaaldelijk voor die naar de beide Indiën, naar Rusland, naar Turkije en naar andere oostersche streken, door alle Particuliere Synoden (aangezien de vaste en gewone Nationale Synoden niet gehouden worden) door middel van hare deputaten moest gezorgd worden. Maar wij ontkennen, dat dit overeenkomstig een blijvend Goddelijk of menschelijk recht zou zijn. Immers, er zou meer bezwaar en last aan verbonden zijn. En men zou wel kunnen zeggen, dat de deputaten van alle Synoden met meer nauwkeurigheid, dan ééne enkele Classe of hare deputaten, kunnen letten op de geschiktheid en de gaven, die bij de uit te zenden personen noodzakelijk vereischt worden, als b.v. vroomheid, geleerdheid, welsprekendheid, voorzichtigheid, ijver, wakkerheid, en begeerte om geen moeite te ontzien. Maar dat de deputaten van alle Particuliere Synoden hierop nauwkeuriger kunnen of moeten letten,

|326|

brengt nog niet mede, dat het zoo zou zijn of is. Immers, de. deputaten der Synoden zijn niet altijd uitnemender dan de meeste andere Dienaren; daar het toch nu en dan mogelijk is, dat zij door middel van ongeoorloofd solliciteeren, aanzoeken en kruipen de meerderheid der stemmen voor hunne verkiezing of deputatie vooraf voor zich in beslag nemen, zoodat anderen, die veel waardiger zijn maar die op zoo onwaardige wijze niet willen solliciteeren en aanzoeken, worden voorbijgegaan. De ondervinding, die ik door veel, dat ik heb waargenomen, verkregen heb, heeft mij geleerd, dat predikanten, die juist niet bijzonder geleerd zijn, en die niet zeer aan hunne gemeente gehecht zijn, en die niet veel doen om hunne gemeente zoowel door het Woord, in het openbaar en in het bijzonder, als ook door bestuur en opzicht te weiden, en die ook weinig bezig zijn om door bijzondere studiën en over- denkingen den tijd uit te koopen, doorgaans jacht maken op commissiën en deputatiën, om dan hunnen arbeid, waarvan zij in hunne eigene gemeente zich onthouden, voor andere kerken en Classen aan het behandelen van kerkelijke zaken en aangelegenheden te besteden. Men zal misschien vragen, welk belang Dienaren van dat slag er bij hebben, om deputatiën en commissiën zoo begeerig na te jagen, en met al dien arbeid en die moeite zich te belasten. Ik antwoord: wat zulk een Dienaar daar mede wint, is een zekere eere, een voordeel en een genoegen. De bedoelde eere (n.l. oogenschijnlijk) bestaat hierin, dat hij zonder billijke klacht en verontwaardiging van zijne gemeenteleden op eene voegzame wijze van zijne kerk kan afwezig zijn, en vacantie kan hebben van het gewone werk, dat hij door prediken en catechiseeren en huisbezoek, vooral van zieken en bedroefden, aldaar anders zou te doen hebben. Het voordeel bestaat hierin, dat hij de kosten uitspaart, die hij te huis voor zijn levensonderhoud zou te besteden hebben, daar deze afvaardiging en reize hem niet op kosten te staan komt; terwijl buitendien zijne hand of beurs wel eens met een geldstukje verrijkt weer te huis komt. En het genoegen, waar hij zich dan in verblijden kan, bestaat hierin, dat hij het genot heeft van te reizen en veel menschen en plaatsen te zien; dat hij rusten kan van den last, die voor dezulken zoo loodzwaar is, n.l. van den last van het prediken en van al wat verder in de gemeente

|327|

te doen is; en dat hij vrij is van de verspiedende oogen dergenen, die in zijne eigene gemeente op al wat hij doet en op al wat hij verzuimt dikwijls zeer nauwkeurig letten. Dit alles zeggende, wil ik het echter geenzins toegepast hebben op vrome, geleerde en bekwame Dienaren, die tot dien oogst van deputatiën wettiglijk uitgestooten worden, en die dan dien last niet weigeren, uit vreeze dat hij soms aan anderen worde opgelegd, die niet met getrouwheid en met eene onergerlijke consciëntie het welzijn der kerk zouden bevorderen en hare schade afwenden.

Er zijn er ook, die meenen, dat het bepaaldelijk de deputaten der Particuliere Synode zijn, die op eene aan het Synodaal ressort grenzende plaats de zending tot planting eener kerk, of ook wel hare planting zelve, te bezorgen hebben. Van dat gevoelen waren blijkbaar eenige deputaten van de Zuid-Hollandsche Synode in het jaar 1629, gelijk het volgende verhaal kan toonen. Toen de stad ’s Hertogenbosch door het leger van de Republiek was ingenomen, vroegen de HH. gedeputeerden te velde, die vanwege de Generale Staten door den Raad van State waren afgevaardigd en die toen te ’s Hertogenbosch vertoefden, dat er eenige Dienaren zouden geleend worden, om te helpen bij het zorgen voor de zaken der religie, en bij het verzamelen, formeeren en constitueeren van de destijds verdwenen kerk. De vier, die gevraagd werden, zijn toen gezonden, ieder door zijne eigene kerk, namelijk Bernh. Bushof van Utrecht, Johannes Spiljardus van Gorinchem, en de twee naaste buren van ’s Hertogenbosch, Moringius van Bommel, en Gisb. Voetius van Heusden, welke twee ook in het leger, dat ’s Hertogenbosch belegerde, gediend hadden, eerst Moringius gedurende eenigen tijd, en daarna Voetius tot op den dag der overgave. Aan die vier werd als vijfde nog toegevoegd Conradus Mirkinius, die reeds vele jaren als veldprediker gediend had bij de HH. gedeputeerden te velde. Toen nu deze vijf Dienaren, door predikatiën, door bijzondere toespraken en bezoeken vooral van de toen zeer talrijke zieken en stervenden, en door hulpbetoon aan behoeftigen, met veel moeite eenige beginselen eener kerk verkregen hadden, en voorts de meeste nieuwe burgers en inwoners, die in Holland en in andere deelen van de Republiek de Gereformeerde religie beleden hadden, aanvankelijk kenden en konden

|328|

beoordeelen, hebben zij vijf ouderlingen en vier diakenen in dienst gesteld, waartoe alle leden van Gereformeerde kerken, die tot nog toe elders de religie beleden hadden en nu te ’s Hertogenbosch woonden, tot stemming en verkiezing waren opgeroepen. Deze zending om den eersten en voorloopigen dienst in die stad waar te nemen en om de kerk te verzamelen, was naar het oordeel van een der toenmalige deputaten der Zuid-Hollandsche Synode niet ordelijk toegegaan; daar dit, zijns inziens, geheel toekwam aan de Synode, dat is aan de deputaten der Synode, die (naar zijne meening) de Synode repraesenteeren. Nadat hij twee zijner mededeputaten tot zijn gevoelen had overgehaald, leverde hij eene remonstrantie in bij de Generale Staten, waarin hij zijn gevoelen en zijne zaak uiteenzette, in de hoop dat dit eenige verandering zou teweegbrengen. Maar daarin is hij toen teleurgesteld. De Dienaren, die toen te ’s Hertogenbosch werkzaam waren, hebben met den pas geconstitueerden kerkeraad het recht en de rede van hunne zending gehandhaafd. Immers was het eene zaak, die, naar Goddelijk of kerkelijk recht, aan de deputaten der Zuid-Hollandsche Synode als zoodanig, volgens de Kerkenordening der Nederlandsche kerken, in 1586 op de Haagsche Synode en bij vernieuwing in 1619 op de Dordtsche Synode geredigeerd, niet toekwam. En ook zijn er op de Zuid-Hollandsche Synoden nooit bijzondere besluiten genomen, volgens welke in eene op den vijand veroverde plaats buiten Holland door de deputaten der Zuid-Hollandsche Synode eene kerk zou te planten zijn, of de voor die planting noodige zending door hen zou te bezorgen zijn. Waarom zou dit ook meer toekomen aan de deputaten der Zuid-Hollandsche Synode, dan aan de deputaten der Geldersche Synode, welke de eerste provincie der Republiek is, en even dicht bij ’s Hertogenbosch als ZuidHolland. En (om een persoonlijk argument te gebruiken), indien die zending of planting aan de deputaten der Zuid-Hollandsche Synode als zoodanig toekwam, had men althans geen bezwaar moeten maken tegen mijne zending en planting; immers ik was toentertijd deputaat van dezelfde Synode; ik was bovendien na de laatste Synode voor den legerdienst afgevaardigd door de Classe van Gorinchem (die onder de Zuid-Hollandsche Classen toen aan de beurt was om een van hare dienaren daartoe te

|329|

zenden); en ik had tot de overgave der stad toe dienst gedaan bij dat gedeelte van het leger, dat onder het bevel stond van Graaf Willem van Nassau, veldmaarschalk van de Republiek en commandant of bevelhebber van de vesting Heusden en van de omgelegen forten en vestingwerken. Ook moet hier worden opgemerkt, dat de Zuid-Hollandsche Synode, in de maand Juli van het jaar 1629 te Leiden gehouden, naar den toenmaligen stand der belegering op goeden grond en als het ware met open mond hopende dat ’s Hertogenbosch in de macht der Republiek zou gebracht worden, besloten heeft, dat de invoering der Gereformeerde religie, met uitsluiting van het pausdom, tijdig moest worden aanbevolen; waartoe zij aan mij, die als deputaat der Synode volgens de gewoonte toen tegenwoordig was, opgelegd heeft, om met toevoeging van een predikant van de Classe Gorinchem, uit naam der Synode zulke aanbeveling te doen aan den Prins van Oranje en aan de gedeputeerden te velde (die de capitulatie, d.i. de voorwaarden van de overgave der stad, zouden te regelen hebben); gelijk ik dan ook, met geloofs- en lastbrieven toegerust, na het sluiten der Synode bij iedere gelegenheid aanstonds gedaan heb. Er was toen aanleiding, dat deze Synode de zorg voor zending en planting aan de deputaten der Synode zou hebben opgedragen; of dat de Synode, indien zij zich bewust was, dat zulks volgens regel of gewoonte aan de deputaten toekwam, hen althans zou vermaand hebben, om, als de gelegenheid er zijn zou, daarop te letten en wakker te zijn. Maar aangezien de Synode toen geen van beide gedaan heeft, zie ik niet, met welk recht één van de deputaten der Synode, die al het in diezelfde Synode verhandelde als praeses bijgewoond en geleid had, op eigen gezag tegen de Bossche zending en planting zooveel ingebracht heeft, ten einde op één van die beide werkzaamheden of op beide voor zichzelven of voor zijne mede-deputaten aanspraak te maken. In zijne, bij de Generale Staten ingeleverde, remonstrantie trachtte hij aannemelijk te maken dat hetzelfde recht, dat in zulke aangelegenheid bij den Roomschen paus en den bisschop is, nu bij de Synode is, welke de plaats van paus en bisschop inneemt. Maar waar zijn de kerkelijke ordinantiën en de Synodale besluiten, die de steden van Brabant en van andere

|330|

naburige provinciën kerkelijk inlijven bij de Zuid-Hollandsche Synode, en aan haar onderwerpen; zoodat de Synode bij de reformatie en bij hare voortplanting zou te doen hebben, wat de paus doet bij de voortplanting van het pausdom? In ieder geval is die inlijving en onderwerping van de kerken in de stad en den lande van 's Hertogenbosch noch door de kerken noch door de overheid aan de Zuid-Hollandsche Synode toegekend; gelijk reeds hieruit blijkt, dat de kerk van ’s Hertogenbosch, na hare formeering en constitueering, toegevoegd en ingelijfd is, niet bij de Zuid-Hollandsche, maar bij de Geldersche Synode; en dat, toen de vrede van Munster tusschen den koning van Spanje en de Staten der Republiek gesloten was, de invoering van de Reformatie en van Gereformeerde Dienaren in de kerken van de Meyery van ’s Hertogenbosch geschied is door den Bosschen Kerkeraad, met deputaten van alle provinciën.

Dit alles heb ik gemeend bij deze gelegenheid te moeten vermelden, opdat toch de kerken, en hare kerkeraden, Classen en Synoden nauwlettend toezien, dat de deputaten der Synode niet ten slotte het karakter krijgen van bisschoppen of aartsbisschoppen of patriarchen, en dat zij niet gehouden worden voor eene vertegenwoordiging der Synode, voorzien van dezelfde of van gelijke macht als de werkelijk vergaderde en zitting houdende Synode zelve, bij alle mogelijke zaken en aangelegenheden, die binnen het ressort van die Synode zich voordoen of te berde gebracht worden. Zulk eene macht van de Synodale deputaten heeft de door veelzijdige geleerdheid vermaarde Grotius zich blijkbaar ingebeeld, toen hij in zijn „Pietas Ordinum Hollandiae” hen tusschen-regenten noemde. En gelijke besturende macht hebben buitenlandsche Godgeleerden hun blijkbaar toegeschreven, toen zij daaruit zochten te bewijzen, dat de Nederlandsche kerken, wel niet in naam, maar dan toch metterdaad, bisschoppen hebben. Welke verkeerde meening ik getracht heb hun te ontnemen, boven, Deel I, blz. 111.

Laten intusschen de deputaten der Synode toezien, dat zij hunne bemoeiingen niet uitstrekken tot kerkelijke zaken en aangelegenheden, waaromtrent zij geenen bepaalden en uitdrukkelijken last van de Synode hebben; opdat zij niemand aanleiding geven om te droomen, dat zij het karakter van tusschen-regenten of van bisschoppen zouden hebben.”

|331|

(Heraut, 16 Dec. 1894.)

Uit de volledige mededeeling van hetgeen door Voetius over kerkelijke deputaten geschreven is, kunnen twee dingen zeer duidelijk blijken.

In de eerste plaats doet het zien, wat toen de beschouwing en de practijk was van de kerken zelve, met betrekking tot dit onderwerp; daar de aangehaalde plaatsen uit de „Politica Ecclesiastica” betrekkelijk weinig redeneeringen van den schrijver zelven bevatten, maar voor verre het grootste gedeelte eene beschrijving zijn van den kerkelijken toestand in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Er wordt in getuigd, en dat door een man, die in dit opzicht beter dan iemand op de hoogte was, dat de Gereformeerde kerken hier te lande destijds het beginsel vasthielden en ook in toepassing brachten, dat de kerken zelve in hare onderscheidene vergaderingen alle kerkelijke zaken moesten regelen, leiden en beslissen; en dat dienovereenkomstig deputaten slechts benoemd werden voor werkzaamheden, die de vergadering als zoodanig niet doen kon, en dan enkel om hetgeen door haarzelve besloten was uit te voeren, met verantwoording aan de committeerende kerken; en voorts wèl met de macht om te adviseeren, te vermanen, te waarschuwen enz., maar niet met de macht om zelfstandig te handelen.

En ten tweede is in al het aangehaalde onmiskenbaar, dat Voetius er op uit is, om datzelfde beginsel en diezelfde practijk onverzwakt te handhaven. Wetende, hoeveel daarvan afhing, en hoe licht het toch gebeuren kon, dat men in dit opzicht van de zuivere lijnen eenigszins afweek, heeft hij blijkbaar dienstig geacht met de meeste kracht tegen zulke afwijking te waarschuwen; soms misschien wel met wat al te groote en onnoodige scherpte, maar toch zeker niet met onnoodigen nadruk en ernst.

De geschiedenis onzer kerken heeft hem te dien aanzien maar al te zeer in het gelijk gesteld. Toen de stem van dien wachter niet meer kon gehoord worden, en zijn handboek weinig meer gelezen werd, en het kerkrecht zelf veelszins werd verwaarloosd, is het aantal en de werkkring en de macht van kerkelijke deputaten allengs toegenomen. Het beginsel, waar dit tegen in druischte, werd wel niet bestreden of terzijde gesteld, maar het werd toch

|332|

in de practijk vaak verloochend. En al had dit kwaad in de achttiende eeuw nog betrekkelijk kleine afmetingen, er werd toch door voorbereid en ook mogelijk gemaakt, dat de kerkinrichting zelve in den aanvang van de negentiende eeuw geheel werd omgekeerd. De Classicale en Provinciale en Algemeene „besturen" die door het Koninklijk Reglement van 1816 aan de kerken werden opgelegd, en die voorgesteld werden als eene voortzetting en betere regeling van hetgeen men reeds sedert de zestiende eeuw onder den naam van „deputaten" gehad had, zouden wel terstond in hunnen waren aard erkend en dan algemeen verworpen zijn, ja men zou zelfs niet beproefd hebben, ze aan de kerken op te leggen, indien deze niet vergeten hadden, wat haar in de zestiende eeuw nog zoo ernstig herinnerd werd, en indien zij niet in allerlei opzicht zich gewend hadden, deputaten te hebben aan wie meer, dan wel mocht, werd opgedragen of overgelaten.

Voor de kerken, die nu ondervonden hebben, welke schade daaruit voortvloeit en die dus om haars levens wille tot de oude Gereformeerde beginselen zijn teruggekeerd, is het waarschuwend woord van den ouden Voetius dan ook zeker geenszins verouderd, ja wat meer is, het is thans ook noodig, meer zelfs dan wel in de zeventiende eeuw.

Destijds moest gezegd worden, zeker niet van alle deputaten, maar dan toch van een aantal hunner, dat zij juist niet uitmuntten door bekwaamheid en door ijver. Het getuigenis, dat te dien aanzien gegeven wordt in het laatst aangehaalde stuk uit de „Politica Ecclesiastica”, nog wel afkomstig van iemand die zelf met velerlei deputatiën belast was geweest, is waarlijk niet vleiend. Bij zulke deputaten nu is er altijd minder gevaar, dat de kerken er toe komen zullen hunne macht uit te breiden, en dat zij zelven een veel meerderen en vaak lastigen arbeid zich gereedelijk zullen laten opleggen.

Maar in onzen tijd is de toestand gelukkig anders. Men kan veilig zeggen, zonder vrees voor iemands tegenspraak, dat het in onze Gereformeerde kerken thans vaste regel is, om voor allen arbeid, die aan deputaten wordt opgedragen, juist diegenen te kiezen, die geacht worden er in alle opzichten het best voor berekend te zijn. Dit nu is zonder twijfel uitnemend; maar het

|333|

geeft ook lichtelijk aanleiding, dat men aan zulke deputaten liefst veel opdraagt en toevertrouwt; en deze zijn dan wel gehouden, aan die opdracht gevolg te geven. Eer of voordeel of gemak is er aan een deputaatschap der Gereformeerde kerken thans niet meer verbonden; eerder het tegendeel van dat alles. En wanneer er dan zijn, die zooveel bezwaren gewillig op zich nemen, die hunnen ijver verdubbelen, opdat zij niet alleen hunnen last uitvoeren maar ook hun andere werk zoo min mogelijk laten schade lijden, en die den hun toevertrouwden arbeid goed verrichten, soms zelfs beter dan de kerken zelve het zouden doen, dan ligt het gevaar voor de hand, dat die kerken, meenende hierdoor de zaken zoo goed mogelijk te behartigen, op bekwame en ijverige deputaten hoe langer hoe meer laten aankomen, en ten slotte een aantal aangelegenheden, niet meer in hare vergaderingen, maar door middel van hare deputaten gaan behandelen en afdoen. Waaruit volgt, niet dat men dan maar liever deputaten moet kiezen, die weinig beteekenen en die weinig doen; maar dat de kerken des te meer moeten toezien om haar eigen werk niet aan anderen over te dragen; en dat zulke waakzaamheid wel verre van aan deputaten ook maar eenigszins onaangenaam te zijn, door hen slechts kan worden toegejuicht.

Door het reeds gezegde kan nu des te beter begrepen worden, wat er in de Kerkenordening over deputaten voorkomt. Uit den aard der zaak zijn het die bepalingen, die voor onze kerken den regel aangeven, waarnaar ook bij deze aangelegenheid moet gehandeld worden. Ook al mag die regeling zelve altijd weer beoordeeld worden naar de in Gods Woord uitgesproken beginselen, men moet in het kerkelijk leven toch uitgaan van de onderstelling, dat zij daarmede in overeenstemming is. En het komt er voor de practijk dan op aan, die bepalingen niet slechts oppervlakkig te kennen, maar ook zoo goed mogelijk te begrijpen.

Veel in aantal zijn zij zeker niet. In het algemeen geeft de Kerkenordening, daar zij slechts eene verzameling is van besluiten eener Generale Synode, alleenlijk bepalingen over algemene zaken, die in de kerken tot moeielijkheden hadden aanleiding gegeven, en die in de mindere vergaderingen niet hadden kunnen afgedaan worden; terwijl alle andere regeling, als niet tot de bevoegdheid

|334|

eener Generale Synode behoorende, aan de mindere vergaderingen werd overgelaten. Dit geldt ook in zake de bepalingen over deputaten. En vandaar dat er in de Kerkenordening slechts drie maal van gesproken wordt: in Art. 4, 44 en 49.

Eigenlijk zou ook Art. 48 hierbij te noemen zijn, waar gezegd wordt: „Het zal iedere Synode vrijstaan, correspondentie te verzoeken of te voeren met hare naburige Synode of Synoden, in zulken vorm als zij meest profijtelijk achten zullen voor de gemeene stichting". Immers, die correspondenten, die in vroeger tijd uit de meeste provinciën naar de Provinciale of Particuliere Synoden van andere provinciën gezonden werden, waren ook kerkelijke deputaten. Maar in onzen tijd moet die geheele manier van correspondentie geacht worden feitelijk vervallen te zijn, daar de eenige beweegreden, die er indertijd toe geleid heeft, thans geheel is verdwenen. Tusschen de kerken van de onderscheidene provinciën moet natuurlijk zooveel mogelijk verband zijn, zoodat zij met elkander samenwerken en elkander steunen. Hiervoor nu is het meest natuurlijke, het gewone, het regelmatige, het in de Kerkenordening zelve voorgeschreven middel, dat zij van tijd tot tijd in Generale Synode bijeenkomen. Maar in den tijd der Republiek was, ten gevolge der toenmalige betrekking tusschen kerk en Staat, zoodanig samenkomen zeer bezwaarlijk en wel bijna onmogelijk, als het door de Hooge Overheid niet werd toegestaan. En reeds in de zestiende eeuw werd het door die Overheid, die beducht was dat de kerken door zulke samenwerking al te machtig zouden worden, jaar op jaar ganschelijk verhinderd. Om dan toch eenig verband daarvoor in de plaats te hebben, werd toen door de meeste Provinciale en Particuliere Synoden achtereenvolgens besloten, elkanders vergaderingen zooveel mogelijk door deputaten te doen bijwonen. En zoo was dit reeds vele jaren in gebruik, toen de kerken eindelijk, in 1619, weer in Generale Synode konden samenkomen. Deze Synode had er zich toen mede bezig te houden, daar (blijkens de Acta van hare 158e Sessie) over dit punt een gravamen was ingekomen. En nu ondervonden hebbende, dat het houden eener Generale Synode gedurende 32 jaren belet was, en terecht voorziende dat dat het in de toekomst ook wel weer zou kunnen belet worden, heeft de Dordtsche Synode op het ingekomen gravamen zóó

|335|

geantwoord, dat zij aan het reeds lang in gebruik zijnde hulpmiddel hare goedkeuring gaf, en haar daartoe strekkend besluit als Art. 48 in de bestaande Kerkenordening inlaschte. Dit is dus een artikel, dat in 1619 bij wijze van noodhulp gemaakt is, en dat met het ganschelijk wegvallen van dien nood uit den aard der zaak geene beteekenis meer hebben kan. Wie het thans nog zou willen toepassen, tenzij dan in enkele gevallen van zeer buitengewonen aard, zou wel, zonder eenige noodzaak en ook zonder nuttigheid, zoowel kerken als kerkedienaren met veel moeite en lasten en kosten en schade bezwaren. De in dit artikel bedoelde correspondentie wordt thans heel wat beter onderhouden, doordat de in Art. 50 genoemde Generale Synode thans geregeld kan samenkomen.

 

(Heraut, 30 Dec. 1894.)

In de Kerkenordening wordt voor de eerste maal van deputaten gesproken in Art. 4, waar ten aanzien van Dienaren des Woords gehandeld wordt over de beroeping dergenen, die te voren in dienst niet geweest zijn, en dan de vierderlei handelingen, die tot hunne volledige en wettige beroeping behooren, achtereenvolgens beschreven worden. Als de tweede van die handelingen wordt genoemd „de examinatie of onderzoeking beide der leere en des levens, dewelke staan zal bij de Classe”; en daarop volgt dan onmiddellijk: „ten overstaan van de Gedeputeerden der Synode of eenigen hunner”; terwijl in overeenstemming daarmede in Art. 49, waar de taak van de vaste en gewone deputaten der Particuliere of Provinciale Synode omschreven wordt, hiertoe ook gebracht wordt: „om te zamen of in minder getal over alle examina der aankomende predikanten te staan”.

Deze bepaling, zoowel de bijvoeging in Art. 4 als ook het geheele Art. 49, is eerst in 1619 door de Dordtsche Synode aan de Kerkenordening toegevoegd, naar aanleiding van het daarop betrekking hebbende gravamen, dat in de Acta der 158e Sessie vermeld wordt. De formuleering, die er van gegeven wordt in de Synodale Acta zelven (159e Sessie), n.l. in de Hollandsche vertaling, is eenigszins anders dan de redactie, die daarna in de Kerkenordening ingekomen is; want in die Acta wordt de taak der deputaten aldus uitgedrukt: „om allen tezamen of in minder getal,

|336|

alle de examina van nieuw aankomende predikanten bij te wonen”; ’t geen ook nog meer letterlijk overeenkomt met den oorspronkelijken Latijnschen tekst: „ut aut omnes simul, aut nonnulli ex ipsorum numero, omnibus intersint examinibus eorum, qui ad ministerium verbi primum admittentur”. Maar het onderscheid bestaat, gelijk ieder zien kan, alleen in de woorden; wat de zaak betreft is er geen verschil. „Over een examen staan” is m.a.w. „een examen bijwonen”, en „ten overstaan van” is geheel hetzelfde als „in bijzijn van”.

Intusschen, al kwam deze bepaling eerst in 1619 in de Kerkenordening, het was toch reeds veel vroeger hier te lande regel geweest, dat, wanneer de Classe het zoogenaamde peremptoire examen afnam, Synodale deputaten daarbij officieel tegenwoordig waren. Dit kan blijken, b.v. uit de uitgegeven Acta van de Particuliere Synode van Zuid-Holland; waarin telkens van die tegenwoordigheid wordt gesproken, en te dien aanzien besluiten vermeld worden.

Daarop te letten, kan ook thans nog van belang geacht worden. Holland, en vooral Zuid-Holland, was destijds verreweg de grootste, de machtigste, de meest invloedrijke, de toongevende provincie, ook op kerkelijk gebied; en op dit gebied nog zooveel te meer, doordat hier, veel vroeger dan bijna overal elders, de Gereformeerde kerken zich in vrijheid hadden kunnen organiseeren, en doordat zij een aantal uitnemende Dienaars hadden. Dienovereenkomstig waren de meeste regelingen, die na 1571 aan de Kerkenordening zijn toegevoegd, dan ook uit Holland afkomstig, d.w.z. aldaar reeds veel vroeger ingevoerd, aan de proef der ervaring onderworpen en naar bevind van zaken gehandhaafd of gewijzigd. En tot recht verstand van die regelingen is dan hare geschiedenis vaak zeer leerzaam. Dit geldt ook van de bepaling over de tegenwoordigheid van Synodale deputaten bij de peremptoire examens. Om haar zooveel mogelijk toe te lichten, wordt hier dus overgenomen al wat de Zuid-Hollandsche Synoden reeds vóór 1619 te dien aanzien bepaald hebben.

De genoemde bepaling is in Zuid-Holland ingevoerd door de Synode, die in 1591 te ’s-Gravenhage gehouden is; hetgeen in hare Acta (Art. 28, of volgens eene andere nummering, Artt. 28 en 29) aldus vermeld wordt:

„Proponenten ende examen. Daar is oock bij occasie

|337|

voorgevallen (of, volgens eene andere lezing: questie voorgevallen) van de proponenten ende propositien hier ende daer in diversche plaatsen ende van het examen derghenen, die tot den dienste des woords Gods worden toegelaten.
Ende is goetgevonden, opdat niemant lichveerdich ende onbequaem tot den dienste geadmitteerd worde, dat het examen van alsulcke geschieden sal by den Classe, ten overstaen der Gedeputeerde des Synodi of eenige derselven. Ende soveele de proponenten aengaet, sullen de kercken toezien ir. et advys haers classis, dat gheene om te proponeeren worden toegelaten, dan die oprecht zijn in de bekentenisse des gheloofs ende ervaren in den Catchismo met stichtelicken wandel, ende dit alles by provisie totten naesten generalen synodum”.

Wat er over het hier mede genoemde praeparatoire examen later bepaald is, laten we nu verder rusten, om alleen te vermelden, wat op de Synodale deputaten betrekking heeft. Dus uit de Acta der Synode, die in 1593 te Den Briel gehouden is (Art. 9):

„Van de oncosten der gedeputeerde des Synodi, staende over d’ examen eeniger nieugeroepene predikanten. — De ghedeputeerde hebben oock verhaelt, dat sy ghestaen hebben over d’ examen eeniger persoonen, die tot den dienst des woorts Godes nieuwelycx beroepen syn geweest in verscheyden classen, ende is by de vergaderinge goetgevonden, dat de oncosten, die by de gedeputeerde des synodi gedaen sullen werden om te staen over d’ examen eeniger nieugeroepene predikanten, sullen gedragen werden by degene, die sulck examen versoecken, tzy classe, kercke off geexamineerde persoonen, naer discretie der classen, daeronder d' examen gedaen wordt”.

Voorts uit de Acta der Syode, die in 1594 te Rotterdam gehouden is (Art. 4 en 20):

„Oncosten vant examen. Sooveel de oncosten der gedeputeerde des synodi aengaet over degenen, die geexamineert sullen worden tot den kerckendienste, wie dat deselve dragen sal, is wyder verclaringe gedaen op tgene in den synodo in den Brille art. 9 hiervan geordineert was, te weten dat de gedeputeerde des synodi daerinne sullen- mogen discretie gebruycken ten aensien van de gelegentheyt van de geexamineerde off van der- classen, daert examen geschiet.

|338|

Examinatien. De namen dergenen, die geexamineert ende tot den kerckendienst gepromoveert worden, sullen de ghedeputeerde des synodi, die over alsulcken examinatie staen, aenteeckenen ende jaerlycx den synodo te kennen geven om register daervan te houden ende daerby goede toesichte nemen, dat niet lichtelycken de examinatie in den classibus gepasseert worde noch onbequame toegelaten worden, welverstaende dat alle examina aller dergener, die tot den dienste gepromoveert sullen worden, overal geschieden sullen by den classen ende dat voortaen ten overstaen van twee gedeputeerde des synodi”.

Daarna is er over de zaak weder gehandeld, mede naar aanleiding van gerezen moeielijkheden, in de Synode van 1596 te Delft, waarvan in de Acta dit bericht wordt (Art. 43 en 44)

„Gemeene misbruycken te weren. Gedeputeerden des Synodi sullen staen over alle examina. — Is ter oorsaecke van eenige gevallen (of, volgens eene andere lezing „gemeene”) misbruycken goetgevonden, dat voortaen de gedeputeerde des synodi alsoowel sullen geropen worden overt examen der studenten van Leyden, die by den Classe aldaer souden mogen worden geexamineert, als van andere. Ende alsoo de gedeputeerde van Noordthollandt daerover begeerden te weten, off niet hare gedeputeerde mede van gelycken en souden geroepen worden overt examen van sommige studenten, wanneer sy in haren quartieren in den dienst gebruyct souden worden, id geantwoordt : ja. Maer dewyl die van Noerdthollandt dese ordre van de gedeputeerde des Synodi over alle examinatien te committeeren noch niet en hebben, sullen de gedeputeerde deses Synodi hier inne voortgaen sonder prejuditie van die van Noordthollandt, ter tyt toe dieselve ordre mede onde henluyden in trein gebrocht sal wesen.

Proponenten hoe toe te laten tot het peremptoir examen. — Sullen geen proponenten voortaen tot het volcommen examen, dat int bywesen der voorsz. gedeputeerde geschiet, toegelaten worden, tensy deselve eerst by den Classe eenichsints beproeft syn, off sy in examine sullen connen ter redelycker wyse bestaen”.

Het vermelde besluit van Art. 43 had betrekking op een bezwaar van de Classe van Leiden; welk bezwaar gegrond was op Art. 18 van de Kerkenordening, n.l. naar de toen geldende redactie

|339|

van 1568. In de thans geldende redactie van 1619 luidt dit artikel (thans Art. 20): „In de kerken, waar meer bekwame predikanten zijn, zal men het gebruik der propositiën aanstellen, om door zulke oefeningen eenigen tot den dienst des Woords te bereiden, volgende in dezen de orde :'daarvan door deze Synode specialijk gesteld”; door welke laatste woorden verwezen werd naar het besluit der Dordtsche Synode, dat als Art. 8 in de Kerkenordening was ingevoegd: „Men zal geen schoolmeester, handwerkslieden of anderen, die niet gestudeerd hebben, tot het predikambt toelaten, tenzij dat men verzekerd is van hunne singuliere gaven”, enz. In het genoemde Art. 20 waren echter die elf laatste woorden eerst in 1619 daaraan toegevoegd ; en in plaats daarvan had de redactie van 1586 (Art. 18): „Wel verstaende, dat gheen Proponenten die gemeente openbaerlyck vanden Predick-stoel sullen leeren, dan die wettelyck gheexamineert ende bequaem ghekent syn inde Universiteyt — ofte Classe: ende en sullen nochtans haer niet vervorderen die Sacramenten te bedienen, totter tyt toe sy volcomelycken beroepen ende bevestight syn”. Nu was het destijds zeker geenszins de algemeene regel, dat studenten in de Theologie aan de Academie niet slechts studeerden maar ook een theologisch examen aflegden. Maar indien er waren, die zulks wel gedaan hadden, dan meende men in Leiden, dat ten hunnen aanzien een kerkelijk examen met zooveel waarborgen niet noodig was, daar toch de kerken zelve met de Leidsche Academie altijd bijzonder gerekend hadden, in hare Generale Synoden getoond hadden op de tegenwoordigheid van professorale adviseurs zeer gesteld te zijn, en nog geenerlei reden hadden de Leidsche hoogleeraren (destijds L. Trelcatius, F. Junius en F. Gomarus) ook maar eenigszins te wantrouwen; zoodat uit hetgeen in de Kerkenordening zelve over het praeparatoir examen bepaald was, wel mocht worden afgeleid, dat erbij het peremptoir examen van reeds aan de Academie geëxamineerde studenten geen Synodale deputaten vereischt werden. Door de Zuid-Hollandsche kerken werd dit echter niet toegegeven. En van daar het reeds vermelde besluit der Delftsche Synode van 1596.

Hierover, en voorts over de taak der Synodale deputaten, staat dan verder in de Acta der Synode, die in 1597 te Schoonhoven gehouden is (Artt. 18, 19 en 24)

|340|

„Examineren der studenten tot Leyden met overstaan der gedeputeerden des Synodi. De classis van Leyden hadde sich beclaeght bij de gedeputeerde over de resolutie, art. 43 (van de Acta der vorige Delftsche Synode) ghenomen, belanghende het examen der studenten, die men wil ghebruicke tot den dienst der kercken. Maar hare redenen hier ghehoort ende overgheweghen, en syn niet ghenoechsaem gheachtet, want de vergaderinghe verstaet, dat het overstaen van eenighe ghedeputeerde des synodi over d’ examinatie der studenten, die by de professeurs ende de classe gheschiet, niet en strydt teghen den 18en art. des generalen synodi, ghelyck die van Leyden meenen ; dat oock de professeurs noch de classis hierdoor niet vercortet syn, maer dat het diendt tot meerder versekertheydt van de bequaemheydt der dienaren. Presisteert daromme de synodus by hare vorighe resolutie. Ende sullen de ghedeputeerde gen den classem van Leyden schryven, dat se sick conformeere met andere classen ende gheen swaricheyt meer en maecke.

Prediken der propenenten. — Belanghende het predcken der proponenten sullen de classes wederomme haer vermaendt houden, dat se tselve niet en laten gheschieden, tensy datter een professeur ofte predicant by sy om redènen, in den voorleden synode verhaelt (hoofdzakelijk hierop neerkomende, dat het prediken van proponenten alleenlijk om henzelven te oefenen geschiedde).

Examen der nieuw aengecomen dienaren. — Noch hebben de ghedeputeerde aangegeven de examinatien der nieuwer aenghecommen dienaren, over welcke sy dit jaer ghestaen hadden. Ende is opt voorstellen derselver (ter occasie van tghene hen in de voorgaende [of, volgens eene andere lezing: „voorgaende handelingen”] was voorghevallen) goetghevonden by dese vergaderinghe, dat voortaen alle die dienaren des classis, sooveel doenlycken is, sick sullen laten vinden by de examinatie, ten eynde sy alle van de ghelegentheyt des geexamineerden kenisse moghen draghen ende met ghemeene stemme advyseren, item dat de lidtmaten des classis stemmen sullen, naerdat de ghedeputeerde des synodi eerst haer advys gegeven sullen hebben. Worden oock alle classes midts desen vermaendt wel toe te sien, dat sy volghende de voorgaende synodale ordonnantie eerst in hare vergaderinghe wel beproeven

|341|

ende oeffenen deghenen, die ter examinatie ghestelt sullen worden”. 

Dat de Classe van Leiden haar bezwaar bleef volhouden, maar tevergeefs, blijkt uit de Acta der Synode van 1598 te Dordrecht (Art. 12)

„Examen der studenten theologiae. De Classis van Leyden vindt haer alsnoch bezwaert, soo haere ghedeputeerde in den Syncdo verclaerden, over de resolutien van de twee voorgaende synoden, art. 43 en 18 respective, belanghende het examen der studenten theologiae. Dan alsoo de synodus gheen ghewichtighe redenen can verstaen, warom sy deselffde soude veranderen, soo heeft sy goet ghevonden by de voorgaende resolutien te blyven. Ende syn de ghedeputeerde des synodi ghelast den classi van Leyden naerder bericht te doen van der gheleghentheyt der saecke ende meteenen de professors theologiae aen te spreecken om hen te verclaren, dat de voorgheroerde resolutien alleene de classen raken, de synodus hare authoriteyt in texamineren latende onvermindert, ghelyck men hare E. oock sal aendienen de oorsaecken ende motyven, dewelcke den synodum eyghentlyck beweeght hebben om over het examen der studenten ofte proponenten (wanneer int classe gheschiet) twee ghedeputeerde des synodi te ordonneren. Is oock den voorz. ghedeputeerden opgheleydt de classe van Leyden te vermanen, ghelyck oock de synodus midts desen alle classen ende kercken van Suydthollandt vermaendt, dat sy gheen proponenten openlyck voor den volcke sullen laten predicken dan in teghenwoordicheyt van eenen professor theologiae ofte dienaer des woorts om redenen, in de acten des synodi van tjaar 96 vervaet.”

Het gevolg van dit besluit wordt vermeld in de Acta der Synode, die in 1599 te ’s Gravenhage gehouden is, hoewel het aldaar verkeerdelijk is genotuleerd (Art. 7)

„Classis van Leyden. — De classis van Leyden heeft aangenomen d’ onderrichtinghe, van weghen des synodi haer gedaen, belanghende de examinatie der studenten ende proponenten theologiae, doch sonder prejuditie des generalen synodi ende der faculteyt der heylighe theologiae, als willende voor absolute geexamineerde dienaren erkennen ende ontfanghen degene, die van den professoren geexamineert sullen syn. Waerinne de synodus tevreden

|342|

is, wannert examen ghedaen is van de geheele faculteyt der theologiae ende niet van eenen professeur alleen.”

Deze notuleering was blijkbaar onjuist; gelijk dan ook opgemerkt werd bij de resumtie der Acta in de volgende Synode, die in 1600 te Leiden bijeenkwam, en in wier Acta nu werd aangeteekend (Art. 7):

„Gheexamineerde by de faculteyt der theologye. — Roerende den 13 art. (in de gewone nummering art. 7) is beslooten dat men nae den woorden: voor absolute gheexamineerde dienaren, stellen sal deze woorden: sooveel de suffisantheydt der wetenschap der leere aengaet. Want de synodes noyt verstaen heeft, dat yemandt simpelyck gehouden mach worden voor genoech gheexamineert ende bequaem tot den dienste, dan die van den collegio pastorum (dat is van den classe) gheexamineert iswelcke classis oock lettet op de gave van leeren ende op den wandel desghenen, die bekendt sal worden bequaem tot den dienste te zyn”.

En eindelijk is er van de Synodale deputaten ook nog sprake in de Acta der Synode van 1602 te Schiedam (Art. 15):

„Publycke oeffeninge der proponenten ende haer examen. Roerende den 14 art. (van de vorige Synode), van de publycke oeffeningen der proponenten is goetgevonden, dat niemant tot dezelve toegelaten werde sonder voorgaende praeexamen van leer ende leven by den classen, ofte in plaetse van desen te hebben testimonium theologiae facultatis, waerby de studiosus expresselick verclaert werde wt het prae-examen bequaem bevonden te syn tot sodanighe oeffeningen; dat oock degeene, die also praeparatorie geexamineert syn, ten minsten ses weecken (ofte langer, soot van noode is, nae discretie der classen) geexerceert sullen werden, eer sy finalicken geexamineert ende tot den ordinaris dienst toegelaten werden. Ende sullen de classen gehouden syn de gedeputeerde des synodi ten minsten drie ofte vyer weecken te vooren te waerschouwen van de tyt des voorsz. examinis, alsoock van de qualiteyt ende gelegentheyt dergeener, die geexamineert sullen worden.”

De bepaling, volgens welke in Zuid-Holland reeds sedert 1591 de peremptoire examens door Synodale deputaten werden bijgewoond, wordt, behalve door de aangehaalde Acta, ook toegelicht door hetgeen er over is van de daarop betrekking hebbende

|343|

correspondentie dier deputaten zelven (te vinden in het „Oud-Archief van de Ned. Herv. Kerk”, Nr. I, 7, blzz. 53, 99, 117, 181, 183 en 305). Hieruit echter behoeft wel niet veel te worden overgenomen, daar die brieven meerendeels slechts bevestigen, dat de besluiten der Synode geregeld werden opgevolgd. Eigenlijk is er bij die verzameling maar één brief, die van anderen aard is; daar hij toont dat er in den aanvang ééne Classe was, die zich feitelijk met de andere Classen niet conformeerde. en ook tevens toont, hoe die zaak toen behandeld is. Het is een brief van de Synodale deputaten, dd. 19 Dec. 1596, geadresseerd aan „den eersamen ende voorsienigen Francisco Pithio, Predicant des goddelycken woorts tot Alfen, om bij hem geopent en met de Classe gecommuniceert te werden" ; waarvan de minute geschreven is met de kennelijke hand van den onderteekenaar, den Delftschen predikant Arend Cornelisz. De inhoud is als volgt:

„Genade ende vrede van God door Christum.

Eersame voorsienige beminde broeders ende medearbeiders int werck des Heeren.

Het is eenen tydt geleden dat Franciscus Pithius Dienaar des goddelycken Woorts tot Alfen sommigen van ons heeft aangedient dat in de Classe van Over-Rhynlandt een Proponent was te examineren om tot den Dienst, soo hy bequaem gevonden wordde, gevordert te werden: Ende begeerde dat wij met malcanderen wilden spreken ende ordineren de gene die over ’t voorss. examen, na gebruyck der kercken, souden staen, mits voorhenen adverterende die vande Classe voorss. van den tydt wanneer sy haer tot dien einde bv de Classicale vergaderinge souden mogen vinden. Dit aldus ons voorgedragen zynde, hebben wy twee van ons geordineert ende na onderlinge deliberatie besloten, datmen soude den XVIllden dach Decemb. tot het voorss. examen nemen ende u luyden daer van in. tyts verwittigen, gelyck wij verstaen geschiet te syn. Ende hadden de twee gedeputeerden haer al veerdich gemaect om op den voorss. dach te comen tot Alfen, alwaer de plaetse want examen was geleit : Maer is Thomae Spranchusio (een der vier Synodale deputaten) door eenen Dienaer in de Classe aldaer aangedienr binnen Leider., dat die vanden Classe voorss. de examnatie selve al gedaen hadden, ende dat oversulx de gedeputeerden des Synodi

|344|

niet en behoefden te comen. Twelck ons gerapporteerd zynde, wy grootelicks daer over verwondert zyn. Want u.l. wel weten sulx te stryden tegen de ordonnantie des Synodi die u.l. selven hebben helpen maecken ende bevestigen, noch in den Synode voor drye maenden gehouden binnen Delf. Sullen daeromme u.l. hiermede haer expresselick geadverteert houden, dat wy soodanige een Proponent die sonder overstaen der gedeputeerden is geexamineert, voor niet geexamineert houden moeten, ende mitsdien incapabel om inden dienste des goddelicken Woorts gestelt te worden: al ist schoon dat hy in examine met lof bestaen mach hebben: Ende indien u.l. (als wy hopen Neen) hem souden comen tot den Dienst te voorderen, dat hy van wegen des Synodi sal moeten verclaert worden geen wettelick Predicant te zyn. Doch indien u.l. het examen over den voorss. Proponent geschiet, maer voor eene particuliere beproevinge souden willen houden, volgende den 44 artyckel des laetsten Synodi, ende noch van meeninge soudet zyn een voltomen examinatie over hem te laten gaen ten bywesen der gedeputeerden; soo en sullen wy niet daer tegen hebben, ende sullen u.l. tydelick aen Spranckhusium overschryven waer ende wanneer de voorss. examinatie sol geschieden, ten einde de gedeputeerden haer by deselve vinden mogen. Hieroppe dan u.l. antwoordt ter eerster gelegentheit verwachtende, willen wy u.l. Eersame voorsienige beminde broeders ende medearbeiders int werck des Heeren, den Almogende in genade bevolen hebben. Wt Sgravenhaghen desen 19 Decemb. 1596.
U goetwillige broeders de gedeputeerden des Suytholl. Synodi ende in aller naem by last
Arn. Cornelii.”

Daar in de Acta der Synode van het volgende jaar, gelijk ook in het bij die Synode ingediende rapport van de Synodale deputaten, over deze zaak niets voorkomt, zoo is blijkbaar, dat de Classe van Woerden zich door dezen brief heeft laten overtuigen en van den daarin aangewezen uitweg, om de zaak nog tot een goed einde te brengen, heeft gebruik gemaakt.

Uit al het vermelde is nu wel genoegzaam duidelijk, waarom de Zuid-Hollandsche kerken het peremptoir examen door Synodale

|345|

Deputaten lieten bijwonen, en waarin het mandaat van die deputaten bestond. En daardoor is dan tevens genoegzaam opgehelderd, wat de Dordtsche Synode in 1619 met dezelfde bepaling bedoeld heeft.

In Gereformeerde kerken, die met elkander in kerkverband staan, is een Dienaar des Woords zeker niet een Dienaar van alle die kerken, maar alleenlijk van de kerk, die hem heeft beroepen. Maar uit kracht van dat kerkverband wordt hij dan toch door alle die kerken als een wettig Dienaar erkend, wordt al wat hij als zoodanig doet, voor van waarde gehouden, wordt hij in 'de meerdere vergaderingen als een afgevaardigd Dienaar toegelaten, en wordt hij ook bevoegd geacht, zonder verder onderzoek, om, wanneer hij voor een enkelen dienst of wel voor goed naar elders geroepen wordt, in alle andere kerken als een Dienaar des Woords op te treden. Daarom hebben alle kerken er groot belang bij, dat nergens onbekwamen of onwaardigen tot den dienst worden toegelaten. En al is het dan ook waar, dat de onderzoeking of examinatie allereerst de taak is van de kerk, die eenen Dienaar beroept, deze moet toch toelaten en zelfs (daar de meeste vacante kerken moeielijk zelve een dergelijk examen zouden kunnen afnemen) ook verlangen, dat de andere kerken daarin met haar samenwerken. Anders zou er natuurlijk van een kerkverband zelfs geen sprake meer kunnen zijn. Daarom heeft de Classe te examineeren. En omdat nu het examen der Classe, ook al zou het in vele gevallen voldoende te achten zijn, toch niet altijd en overal den vereischten waarborg kan opleveren, vooral niet omdat de zaak van zoo hoog belang is, daarom zonden de kerken der provincie, tot meerdere zekerheid, ook nog deputaten van harentwege.

Meer dan dat is nooit noodig geacht, en zal ook wel nooit noodig worden. In onzen tijd is er wel eens aan gedacht, om de deputaten ter bijwoning van de peremtoire examens niet meer te doen benoemen door de Provinciale Synoden elk voor haar ressort, maar door de Generale Synode voor alle Classen van alle provinciën te zamen. Niet omdat er thans geen genoegzame waarborg zou zijn, maar met het praktische doel om alle peremptoir examens zooveel mogelijk gelijk te maken. Intusschen, dit laatste zou dan allicht veel te veel geschieden, waardoor zulk eene generale commissie dan een veel te groot overwicht op de studie verkrijgen zou,

|346|

zoowel materieel als formeel, en te eeniger tijd wel eens schadelijken invloed op de zuiverheid van belijdenis zou kunnen uitoefenen. Ook zouden zulke Generale deputaten dan veel te veel werk hebben, en zou er ten gevolge van de verre afstanden door hen zelven veel tijd en moeite, en door de kerken veel kosten, zonder noodzaak besteed worden. En wanneer men hieraan wilde tegemoetkomen door de benoeming van een grooter aantal deputaten, over alle provinciën verdeeld, dan zouden er feitelijk toch weer Provinciale deputaten zijn. Waarom zouden zij dan ook niet door de Provinciale Synoden zelven benoemd worden ? Te meer omdat deze Synoden jaarlijks bijeenkomen, en de Generale Synode slechts alle drie jaren; zoodat wanneer laatstgenoemde de benoeming deed, alle voorkomende quaesties ook veel te lang op beslissing zouden moeten wachten. En voorts wat wel het meeste afdoet: op Gereformeerd terrein wordt voor alle kerkelijk inrichting, op grond van de Schrift, de plaatselijke kerk als grondslag en uitgangspunt aangenomen; waaruit volgt:, dat centralisatie, in welk opzicht ook, slechts geoorloofd en goed is, wanneer er. voor zoover zulke centralisatie inderdaad noodig is.

De beweegreden, die er toe gedrongen heeft, de Classicale examens door Provinciale deputaten te doen bijwonen, heeft ook vanzelf hun mandaat bepaald. Zij komen volstrekt niet, orn het examen af te nemen ; want al wordt hun ook gelegenheid gegeven zelven vragen te doen, het is en blijft toch de Classe, die „ten hunnen overstaan” het eigenlijk onderzoek instelt. En z ij komen ook niet, om voor deze aangelegenheid aan de Classicale vergadering deel te nemen, en daarin hunne stem uit te brengen met de leden der Classe zelven ; want dan zou hunne tegenwoordigheid wel niet veel beteekenen of waarborgen, en vooral zouden zij dan daardoor hun karakter als Synodale deputaten verloochenen. Als zoodanig kunnen zij niet tijdelijk de qualiteit hebben van tot de Classe te behooren, maar zij komen juist in andere qualiteit haar bijwonen. En dan met den last, om toezicht te houden bij het door de Classe af te nemen examen, en om over de al of niet toelating van den geëxamineerde haar te adviseeren.

Bij het peremptoir examen zal dus, volgens de Kerkenordening, de gang van zaken wel aldus te regelen zijn: Het examen wordt

|347|

afgenomen door de Classe, in tegenwoordigheid van de tijdig opgeroepen Provinciale deputaten. Mede in hunne tegenwoordigheid wordt dan door de Classe over het gehouden examen beraadslaagd. Daarna zonderen die deputaten zich een oogenblik af, om na onderlinge beraadslaging met een collectief advies (ook al is dit soms bij; meerderheid van stemmen door drie of meer deputaten opgemaakt) bij de Classe te komen. En door deze wordt ten slotte door stemming over het al of niet toelaten beslist.

Indien deze beslissing met het advies van de deputaten overeen stemt, gelijk wel doorgaans het geval is, dan loopt de zaak zeer eenvoudig en gemakkelijk. Bezwaar zal er in den regel ook wel niet ontstaan, wanneer soms de deputaten tot toelating adviseeren, maar de Classe toch afwijst; want dan geldt natuurlijk de afwijzing ; en alleen in zeer buitengewone gevallen (wanneer b.v. gebleken was, dat onrechtzinnigheid of verkeerdheid van de Classe zelve de oorzaak der afwijzing was) zou er voor de deputaten aanleiding zijn, om de zaak bij de Provinciale Synode aanhangig te maken. Maar wel zou er aanstonds grooter moeielijkheid komen, wanneer de deputaten tot afwijzing geadviseerd hadden, en de Classe besliste toch tot toelating. Als het daartoe komen zou, en het verschillend inzicht betreft slechts de bekwaamheid in een enkel vak, dan zou overweging verdienen, over dat valk het examen nog wat voort te zetten, om te trachten daardoor tot eenheid te komen. Maar als dit niet kan, en dan toch de Classe aan hare beslissing wil vasthouden, blijft er voor de deputaten wel niets anders over, dan de Classe ernstig voor de gevolgen te waarschuwen, en voorts haar rapport te doen aan de committeerende kerken, wanneer deze weder samenkomen in de Provinciale Synode. Deze heeft dan te beslissen over de te volgen gedragslijn; en in afwachting van die beslissing moet natuurlijk de bevestiging en in diensttreding van den geëxamineerde worden uitgesteld. In den regel zal dan de Synode het oordeel van de deputaten, als zijnde Dienaars, die door de kerken der gansche provincie bekwaam en betrouwbaar geacht, wel handhaven, of althans een hernieuwd examen noodig achten, wederom ter, overstaan van hare deputaten, hetzij dan dezelfde of wel andere. Dat eene Classe en een geëxamineerde de beslissing der Synode

|348|

niet zouden afwachten., of wel zich daaraan niet zouden onderwerpen, is bijna ondenkbaar. In ieder geval zou zulk een predikant dan buiten de Classe niet als zoodanig kunnen erkend worden ; en zou zelfs die Classe, of althans hare meerderheid, feitelijk het kerkverband reeds verbroken hebben. In Gereformeerde kerken is wel niet te vreezen, dat zulk een zondige en ook moeielijke weg lichtelijk bewandeld zou worden.

 

(Heraut, 13 jan. 1895)

De tweede plaats in de Kerkenordening, waarin sprake is van is Art. 44, aldus luidende: „Ook zal de Classe eenige harer Dienaren, ten minste twee, van de oudste, ervarenste en geschiktste autoriseeren, om in alle kerken, van de steden zoowel als van het platteland, alle jaren visitatie te doen, en toe te zien, of de leeraars, kerkeraden en schoolmeesters hun ambt trouwelijk waarnemen, bij de zuiverheid der leere verblijven, de aangenomene orde in alles onderhouden, en de stichting der gemeente, mitsgaders der jonge jeugd, naar behooren, zooveel hun mogelijk is, met woorden en werken bevorderen, teneinde zij diegenen, die nalatig in het een of ander bevonden. worden, intijds mogen broederlijk vermanen, en met raad en daad alles tot vrede, opbouwing en het meeste profijt der kerken en scholen helpen dirigeeren. En iedere Classe zal deze visitatoren mogen continueeren in hunne bediening, zoolang het haar zal goeddunken, ten ware dat de visitatoren zelven, om redenen van dewelke de Classe oordeelen zal, verzochten ontslagen te worden”.

Dit artikel, zooals het daar luidt, is eerst in 1619 in de Kerkenordening ingebracht, toen de Dordtsche Synode op een ingekomen gravamen het aldus geformuleerde besluit nam (blijkens de Acta van de 158e en 159e Sessie). Het kwam toen in de plaats van een artikel over de kerkvisitatie, dat door de vorige Generale Synode aan de Kerkenordening was toegevoegd (Art. 40 van de redactie der Haagsche Generale Synode van 1586), en dat niet slechts veel minder uitgewerkt was, maar dat ook de geheele zaak voor de Classen facultatief had gesteld. En vóór dien tijd is er in de oudere redactiën van de Kerkenordening over dit punt niets te vinden.

De zaak zelve echter was, reeds in 1586, hier te lande niet

|349|

vreemd. Trouwens, het ligt in den aard van het kerkverband, dat de kerken en de kerkedienaren wederkeerig op elkander acht nemen. En dan niet alleen maar door de onderlinge censuur, die in kerkeraden en in meerdere vergaderingen op vaste tijden te houden is, waarop vooral in de eeuw der Reformatie door onze kerken bijzondere nadruk gelegd werd. Maar ook door opzettelijk onderzoek in de onderscheidene kerken zelve.

Zoo b.v. heeft men in Noord-Holland, al spoedig na het verkrijgen der vrijheid en toen nog slechts een deel der Noord-Hollandsche kerken tot reformatie gekomen was, eene eigenlijke kerkvisitatie gehad, zij het ook slechts tijdelijk; blijkens Art. 12 van de Acta der Noord-Hollandsche Synode te Alkmaar, van April 1575, luidende aldus: „Van die visitatores. — Is bewilliget als dat voor ditmael ex singulis classibus gecoren sullen worden visitatores sonder commissie van der overicheyt te versoecken, die in alle plaetsen ende dorpen goede informatie zullen nemen, hoe die dienaers ende haere gemeynten met eenander staen, ende hetselfde dat naestcoemende synodo wederom te refereren”.

En tot hetzelfde oogmerk kon ook dienen, wat reeds in 1574 door de eerste Synode van Hollandsche en Zeeuwsche kerken te Dordrecht bepaald werd, (Acta Art. 11): „Men sal de Classische versamelinghen op verscheiden plaetsen d’ een nae d’ ander houden”. Want juist door dat rondgaan der vergaderingen had de Classe gelegenheid, achtereenvolgens omtrent alle kerken goed op de hoogte te komen; zoodat dit eenigszins gelijkstond met eene kerkvisitatie door de geheele Classe.

Toch moest wel blijken, dat het als middel van onderzoek geheel onvoldoende was; ook omdat de vergadering eerst na geruimen tijd tot dezelfde kerk kon terugkeeren, en omdat vele kleine dorpen geene gelegenheid hadden de geheele Classe te ontvangen en te huisvesten. Meerder toezicht en opzicht was dringend noodig ; vooral omdat er in dien eersten tijd voor onze kerken nog zooveel te ordenen en te regelen was, en omdat er, juist in Holland, zooveel bezwaren in den weg stonden. Door de nog altijd sterk Doopersche richting, en ook eenigszins door het Hollandsche volkskarakter, werkte op een aantal plaatsen een eenzijdig kerkontbindend individualisme. Terzelfder tijd waren, door het groot gebrek aan

|350|

predikanten, velen tot den kerkedienst toegelaten, die er eigenlijk niet bekwaam voor waren. En men kreeg van de overheid meer tegenwerking dan steun, daar die overheid, hoewel nu in naam Gereformeerd, toch voortdurend er op uit was, de vrijheid der kerken te na te komen.

Talrijk zijn de klachten, die ons uit die jaren bekend zijn over de vele misstanden, ongeregeldheden en onordelijkheden, die er in de Hollandsche kerken gevonden werden, en die door goede kerkvisitatie althans eenigszins zouden kunnen gebeterd worden. Zoo b.v. schreef een der leiders van die dagen, de Dordtsche predikant Hendrik de Corput, in een brief van 22 Febr. 1584 (Werken der Marnix-Vereen., Ser. III, Dl. II, blz. 287) na eene reeks van klachten: „summa, waect de gemeene Kercke nyet met ernst op, videntibus scientibus et patientibus fidelibus, ministris, interibit ecclesia, et puritas doctriuae una cum discipline intercidet (d.i. dan zal voor de oogen der trouwe Dienaren, met hun medeweten en met hunne toelating, de kerk te gronde gaan, en zoowel de zuiverheid der leere als de discipline verloren gaan). Daer en is myns wetens noch noyt visistie geschiet, die nochtans van allen vromen soe noodich geacht wort; bedenckt die saecke met uwen collegis rypelick ende spreeckt met D. Villerio nae uwe discretie: laet het gebrack aen ons nyet syn”. Uit welke woorden tevens blijkt, dat eigenlijke kerkvisitatie toen in Zuid-Holland nog niet plaats had, maar dat er wel over gesproken en gehandeld was.

Trouwens, reeds in 1579 was daarover een gravamen ingekomen bij de particulier Zuid-Heilandsche Synode te Schoonhoven in dezer voege (no. 1 van de „puncten, bedacht na het uytschryven des voorsz. synodi”): „Of het niet oorboorlick sal zyn, dat men in eener yegelicker classe ende synode particulier een of twee personen sal deputeren, dewelcke alle voorvallende saecken des classis aen den synode respective sullen uytrichten, classem ende synode of eenige daeruyt vergaderen, ist nood, ende voort opsicht hebben sullen, dat een yegelick syn ampt doe, oock soo swaricheyt voele tusschen eenige dienaren, ouderlingen ofte yemanden in zyne kercke, tselve christelick ende opt aldereerste neder te leggen, ende hoelange dese tyt ende extraordinaren dienst dueren sal”.

Dit punt is toen echter door de Synode niet behandeld, doordat

|351|

het te laat was ingezonden. In het volgende jaar werd er in Zuid-Holland in het geheel geene particuliere Synode gehouden. En in 1581 kwam het aan de orde op de Generale Synode te Middelburg. Wel niet uit Zuid-Holland; maar dan toch door een gravamen uit Zeeland, uit Oost-Vlaanderen en uit Engeland.

Het voorstel zelf, en het daarop door de Synode genomen besluit, was van dezen inhoud (in de uitgaven van de Acta der Middelburgsche Synode Art. 64 van de particuliere vragen): „Oft niet goet waere, beneffens de Classicale versamelinghen, oock eenighe iaerlicksche besoeckinghen der kercken aen te stellen, ofte Inspectores of Superintendentes te maken, doch met behoorlicker limitatie etc?' Is gheantwoordt: Dat het onnoodich ende zorghelick is. Maer de Classen en de Synoden particulier zullen hair ampt doen, volghende de kerckenordeninghe Artyckel 30 ende 34 (in de tegenwoordige redactie, onveranderd, artt. 41 en 47). Ende opdat niet alleene langhe voorbedachte predicatien van den Dienaren in den Classicale vergaderinghen ghedaen werden, soo salt in der Classis macht staen (alst noodich is) hen eenen text te geven, om des anderen daeghs een predicatie daerover te doene”. Hieruit blijkt, dat men met betrekking tot de visitatie toen inzonderheid dacht aan een meerder toezicht op de predikanten. Maar ook blijkt, dat het voorstel bedoelde, of althans ten gevolge kon hebben, dat er in de kerken hier te lande, evenals in Duitschland, een beginsel kwam van hiërarchie, waardoor aan de gelijkheid van de Dienaren des Woords werd tekort gedaan. En daarin ligt dan ook de reden, waarom het voorstel zoo ten eenenmale verworpen werd.

Voor de kerkelijke orde werd destijds inzonderheid heil verwacht van de medewerking der overheid, en wel doordat deze aan de Kerkenordening politieke approbatie gaf en dan hare macht voor de uitvoering ook beschikbaar stelde. Toen nu echter bleek, dat in Holland de overheid daartoe niet te bewegen was, maar integendeel zelve over de kerken regeeren wilde, waren er sommigen, die, uit vreeze dat de kerken anders hare moeielijkheden niet zouden te boven komen, aan de overheid iets principieels wilden toegeven, en alzoo met haar in eene soort transactie of vergelijk wilden komen. Op de Zuid-Hollandsche Synode, die in 1586 te Rotterdam

|352|

gehouden is, waren de voorstanders van dit gevoelen blijkbaar sterk vertegenwoordigd. En dit had ten gevolge, dat van daar een gravamen kwam bij de Generale Haagsche Synode van 1586, waarin niets minder werd voorgesteld, dan om bij het kerkelijk toezicht de overheid als zoodanig te doen medewerken, en om te dien einde zelfs eene soort van opperconsistorie in te voeren. Het voorstel bedoelde: „Middelen om meerder authoriteyt ende ordere in de kercke” (Acta van de Zuid-Hollandsche Synode te Rotterdam van 1586, Art. 50). En voor zoover die middelen betrekking hadden op de kerkvisitatie en op hetgene daarmede samenhangt, waren zij aldus geformuleerd:

„Ten tweeden, dat eene senatus ecclesiasticus vercoren werde, indien het sal Boet bevonden worden, bestaende uit politieke ende kerckelycke, doch doende professie van de Ghereformeerde religie, persoonen. Ende indien het syn Excellentie believen sal een ghequalificeerde persoon daerbij te voeghen, dat sulcx gheschiede. Ende dat desen kerckenraet sal moghen handelen met alle voorvallende saecken der kercke over den dienaren ende andersins om de saecken te verhooren, neder te legghen, te decideren ende bestraffen, ende indien sulcx niet en helpt, die schuldighe te suspenderen ende praeparatie te maecken de saecke te brenghen tot den naestvolgenden synode, alsoo dat dese ghenomen worden ende vercoren syn bij den synode dobbelghetal, daerwt den hooghe overheydt den halven deel neme. Dat men oock bedencke, waer dat desen kerckenraet sal resederen, te wat tyde die sal vergaderen, ende de oncosten. Sommigen achteden goet te syn dese authoriteyt te syn by den classen, off dat de synode daertoe eenen classem soude deputeren, dewyle nieuwicheyt odieux sy etc. Ten derden, dat by den classe ende magistraet, ofte indien het al kerckelicke persoonen syn (by den classe), eenighe ghedeputeert ende gestelt sullen worden, om 14 daghen voor het synode particulier off seeckeren tyt ofte jaerlycx by ghebeurte visitatie te doen over den kercken ende dienaren, alsoo dat deselffde sullen handelen met den kerckenraedt in loco ende haer wedervaren brenghen tot den classe. Maar wat den dienaer des woorts aengaet, in leere ende leven den kerckenraet in loco niet bekent synde, dat sulcx, voorbygaende den kerckenraet, tot den classe ghebrocht ende daervan gheoordeelt

|353|

worde. Ende indien de saecke by den classe niet en can ghedecideert worden, dat die classe de saecke brenghe tot den particularen synode. Item dat eenen politicus, doch synde van de Gereformeerde religie, van de hooghe overheyt tot dese vergaderinghe ghedeputeert sal moghen worden. Ende indien eenen dienaer, ghecensureert by den classe niet acquiesceren en sal, dat die, al hadde hy recht ende gelyck, op den synode naestvolghende als een verstoorder des vredes der kercke ghesuspendeert sal worden”.

Op die manier zou men in de kerken misschien spoedig eene uitwendige orde gekregen hebben. Maar het zal wel geene aanwijzing noodig hebben, dat dit geneesmiddel heel wat erger zou geweest zijn dan de kwaal. Dat werd ook begrepen door de Generale Synode van 1586, die op geenerlei wijze zulk eenen weg heeft willen inslaan. Zij verwierp het voorstel van zulk een opperconsistorie (Acta, Art. 16 van de Particuliere Vragen); en voorts gaf het Zuid-Hollandsche gravamen haar aanleiding, om in zake de kerkvisitatie een besluit te nemen, en wel zóó, dat deze nu zuiver kerkelijk, naar goed Gereformeerde beginselen geregeld werd.

Haar besluit werd in de Kerkenordening ingelascht (als Art. 40 der toenmalige redactie) met deze woorden: „Sal oock de Classis, daer sulcx noot zyn zal, de vryheyt hebben eenighe haerder Dienaren van d’eene Classicale vergaderinghe tot de andere te authoriseren, om opsicht te nemen op de leere en de t’ leven der Predicanten ende den standt der kercken onder die selve Classe sorterende, ende daer van op de naeste vergaderinghe rapport te doen”.

In de circulaire, welke de Synode richtte „aen alle Classes, dienende tot onderhoudinge der Kerckenordeninghe etc.” (Werken der Marnix-Vereeniging, Serie II, Dl. III, blz. 620 vgg.) werd ook op dit punt bijzonder aangedrongen; want bij de mededeeling, dat de Synode deputaten benoemd had om bij de Classen aan te houden op nakoming van de Synodale besluiten, werd als hun mandaat uitdrukkelijk genoemd : „met name oock sorge dragende dat d’ Inspectie ofte visitatie inden 40 artyckel goet gevonden, int werck gestelt werde”.

En om voor die kerkvisitatie aan de Classen eenigen leiddraad te geven maakte diezelfde Generale Synode nog de volgende regeling (a. w. blz. 506 vgg.)

|354|

„Alzoo de inspectie welke geordonneert is uit name van de Classen respectivelijk te geschieden, daer toe is dienende, dat de zuiverheid der Leere, en alle goede geregtigheid in de Gemeente Gods onderhouden worden, zoo zullen de geenen, die den toezigt bij den Classen bevolen word, haar reguleeren naar het volgende:

1º. Zullen zy somwylen gaan hooren de Predicatien der Dienaaren, en neerstiglyk letten, niet alleen op de materien derzelve, of geen onreine Leere of menschelyke Fabulen of Verdichtselen daarby gemengt worden, maar ook op de manieren van leeren zelve, of die stigtelyk ende profytelijk voor den Volke is, en of die Dienaars neerstiglyk zyn in het leeren en onderzoeken der Heilige Schriftuure, of ook de Dienaars de forme van bedieninge in het Doopen, en anderzints gebruikende zyn na de vastgestelde ordre der kerken.

2º. Zy zullen met alle beleeftheid en voorzigtigheid verneemen, het zy ter plaatse zelve daar die Dienaar staat, of op andere plaatsen naar gelegentheit der zaaken, aan de Ouderlingen en Diatonen, of anderzints aan die geene die Lidmaten der kerken zyn, of die Dienaar neerstig is in den bouw der kerken, en uitrigtinge der Christelyke Discipline, en of tot dien einde de kerkelyke vergaderingen gehouden worden.

3º. Ook zullen zy den toezigt neemen of de Dienaar hem geschikt draagt in zyn wandel, en of niet eenige twist en oneenigheid in de Gemeente is, of andere disorders strekkende tot nadeel der kerke, die met allen spoed gebetert diende te worden.

4º. Zullen die Inspectores by den Dienaar of andere voorschreevene Leden des kerkenraads eenige merkelyke fouten bevonden hebbende aangaande het geene dat hier boven verhaalt is, dezelve eerst in het byzonder vermaanen tot betering, en daar toe alle hulpe bewyzen, en zoo het niet en helpe, de Classicale Vergadering aandienen.”

 

(Heraut, 20 Jan. 1895.)

Toen de Generale Synode van 1586 de kerkvisitatie in de Kerkenordening had opgenomen en haar aan de Classen had aanbevolen, is zij daarom toch nog niet aanstonds bij de kerken ingevoerd. Over het geheel heeft de Synode wel een grooten invloed gehad op het kerkelijk leven ; maar eerst na verloop van tijd, niet in de eerste jaren, toen inzonderheid het spoedig gevolgde vertrek

|355|

van Leicester, haar voornamen steun, oorzaak en aanleiding was, dat alle hare besluiten geheel op den achtergrond kwamen. Ook met de zaak der kerkvisitatie is dat het geval geweest. Eerst na eenige jaren is die allengs in gebruik gekomen; en aanvankelijk nog alleen maar in Holland, althans in Zuid-Holland.

In Noord-Holland hebben de Particuliere Synoden er eerst in het geheel niet over gehandeld; later, in 1596, op een ingekomen gravamen, haar „in de vrijheid der Classen gelaten” (Acta van de Synode te Hoorn, Art. 34); en wel in 1607 besloten, haar, evenals in Zuid-Holland, in te voeren (Acta van de Synode te Amsterdam, Arr. 20) ; maar reeds in 1608 dat besluit weer ingetrokken, en de zaak „gelaten op den ouden voet” (Acta van de Synode te :Hoorn, Art. 19).

In Zuid-Holland daarentegen hebben de Particuliere Synoden reeds van 1587 af maatregelen genomen om de zaak op gang te brengen en goed te regelen. Zoolang zij konden samenkomen (var. 1608 tot 1618 werd zulks door de overheid verhinderd), hebben zij ieder jaar er zich mede bezig gehouden (blijkens de Acta der Synoden: te Delft in 1587, Art. 29; te Schiedam in 1583, Art. 17; te Gouda in 1589, Art. 2 en 71; te Dordrecht in 1590, Art. 16 en 41; te ’s Gravenhage in 1591, Art. 45; te Leiden, in 1592, Art. 12 en 33; te den Briel, in 1593, Art. 4; te Rotterdam, in 1594, Art. 3; te Gorinchem in 1595, Art. 48; te Delft, in 1596, Art. 47; te Schoonhoven in 1597, Artt. 25 en 53; ·te Dordrecht in 1598, Art. 50; te ’s Gravenhage in 1599, Art. 47; te Leiden, in 1600, Art. 52; te Schiedam, in 1602, Art. 45; te den Briel in 1603, Artt. 19 en -12; te Woerden in 1604, Artt 20 en 40; te Rotterdam, in 1605, Artt. 18 en 34; te Gorinchem in 1606, Artt. 13 en 44; te Delft in 1607, Art. 34; en te Delft, in 1608, Artt. 22 en 26). En ten slotte is dan ook in Zuid-Holland voor alle Classen eene vaste jaarlijksche kerkvisitatie in gebruik gekomen. Zelfs blijkt uit de aangehaalde Synodale Acta (vooral die van 1587, 1588, 1589 en 1592) dat men in die Classen gedurende een aantal jaren tweeërlei opzicht gehad heeft: door deputaten der Classe, de in de Kerkenordening bedoelde visitatoren; en bovendien door deputaten der Synode, voor elke Classe twee, ter onderscheiding wel eens inspectoren

|356|

genoemd ; welke laatsten moesten toezien, dat in het algemeen. alles geregeld ging en met name moesten. „d'inspectores toesichte nemen, dat de (door de Classe benoemde) visitatores neersticheyt doen int haere met vruchte ende stichtinge der kercke.”

Wat aldus in Zuid-Holland tot een vast gebruik was geworden (behoudens de stoornis, die de Arminiaansche strijd ook hierin heeft aangebracht) is toen door de Dordtsche Synode, in 1619, als een algemeene regel in de Kerkenordening opgenomen. Gelijk boven reeds vermeld is, werd toen het artikel, dat over kerkvisitatie handelde, aldus gewijzigd, dat de zaak niet meer facultatief gesteld werd, en dat voorts de benoeming der visitatoren en hun mandaat nader geregeld en breeder omschreven werd.

Het artikel, waarin dat geschiedde, (Art. 44, eveneens hierboven. reeds afgedrukt), is zóó duidelijk, dat het hier niet in bijzonderheden behoeft ontleed te worden. Maar op twee dingen, die bijzonder in het oog vallen, mag toch wel de aandacht gevestigd worden.

In de eerste plaats toont zijn inhoud, dat aan deze deputaten der Classe wel velerlei zaken worden opgedragen, maar dat deze opdracht zóó gesteld is, dat de kerkelijke macht geheel en ten volle bij de kerken zelve blijft. Dit wil geenszins zeggen, dat het werk der visitatoren dus eigenlijk van geringe beteekenis zou zijn. Als het goed gedaan wordt, is het een uitnemend middel, om heel wat misstanden en oneenigheden en onordelijkheden te verhelpen; zelfs veel beter te verhelpen dan wanneer dat alles moest behandeld worden in de Classicale vergadering zelve, aan welke bovendien door den arbeid van de visitatoren heel wat moeite en tijd wordt uitgespaard. Maar de visitatie zelve blijft toch altijd „visitatie” zonder meer. Wat de daarvoor aangewezen deputaten te verrichten hebben, wat zij mogen en moeten doen, dat is onderzoeken en vragen, en naar aanleiding daarvan raden, helpen, leiden, vermanen, waarschuwen enz. ; maar zij hebben geenerlei macht om, als het ware in naam van de Classe, eenige bestuursdaad te verrichten, door in eenige zaak uit eigen hoofde, zonder dat de Classe voor dat bepaalde geval hun een uitdrukkelijken last heeft gegeven, iets voor te schrijven of op te leggen of te beslissen. Waar iets dergelijks noodig schijnt, kunnen zij alleenlijk aan de Classe rapporteeren, opdat deze handele.

|357|

En vervolgens is het ook duidelijk, dat het gansche artikel, bij al zijne uitvoerigheid toch betrekkelijk weinig in bijzonderheden afdaalt. Met name de beschrijving van de taak der visitatoren is in algemeene bewoordingen uitgedrukt, en bepaalt niet hoe zij daarbij moeten te werk gaan, en wat zij in iedere kerk achtereenvolgens te onderzoeken hebben, en welke vragen zij daartoe te doen hebben. Vroeger had de Haagsche Synode van 1586 eene regeling, die tot in bijzonderheden afdaalde, als model gegeven. Maar de Dordtsche Synode van 1619 heeft dat voorbeeld niet gevolgd. Zij heeft aan de mindere vergaderingen overgelaten, te dien aanzien nadere bepalingen te maken.

Inderdaad is dit laatste dan ook geschied, waar men het besluit van de Dordtsche Synode in toepassing bracht. In sommige provinciën is het, door eene samenwerking van allerlei omstandigheden, buiten werking gebleven. In Zeeland, waar men vroeger rep de Provinciale Synode te Tholen in 1602, tot algemeene invoering van de kerkvisitatie besloten had en ook eene „Forme van Inspectie” daarvoor had opgesteld (Acta, Particuliere Vragen nr. 9 en Aanhangsel), heeft men later zich gehouden aan de oude bepaling van de Generale Synode van 1586, zoodat kerkvisitatie doorgaans alleen plaats had in „kerken waarvan aan de Classe eenige bezwaren voorkomen” (Wetten der Classe van Walcheren, Ed. 1779, Hoofdstuk III, § 9). In Groningen, waar reeds in 1595 de kerkvisitatie was ingesteld (Kercken Ordenung voor de Stadt und Omlanden van Groeningen, Ed. 1595, Art. 51) is zij later „wegens verscheidene daarin voorkomende zwarigheden buiten gebruik geraakt”, en vervangen door jaarlijksche „Klassikale visitatiën”, door de deputaten der Synode te houden in opzettelijk daartoe saâmgeroepen „visitatie-Klassen” (W.A. Bachiene, Kerkelijke Geographie der Vereenigde Nederlanden, Ed. 1770, Dl. IV blzz. 81 vg). In Friesland werd de censura morum op de Classicale vergadering tweemalen des jaars zoodanig uitgebreid, dat het een volledig onderzoek werd, bijna met eene kerkvisitatie gelijkstaande (Kerkelijke Wetten van Friesland, Ed. 1757, Tit, XXIII, Art. 11). En in Noord-Holland had men in sommige Classen eene soortgelijke regeling, terwijl de eigenlijke kerkvisitatie alleen in de Classe van Haarlem geregeld plaats had (Bachiene, a.w., Dl. II,

|358|

blzz. 190, 198 vg. en 226). Maar in de andere Provinciën is de in de Kerkenordening bedoelde visitatie, voor zoover zij niet reeds vroeger bestond, allengs in gebruik gekomen. En dan hebben de kerken ook gezorgd voor eene nadere regeling, deels in de Classen deels in de Particuliere en Provinciale Synoden.

Van de onderscheidene formulieren of ordeningen of instructies door Classen of Synoden opgesteld en in hare Acta of handboekjes opgenomen, zijn de meest bekende: het Geldersche Reglement, door de Provinciale Synode van Gelderland in 1698 vastgesteld (afgedrukt achter de uitgave der Synodale Ordonnantiën en Resolutiën door Joh. Smetius. Aanhangsel blzz. 1-6) ; en het ZuidHollandsch visitatie-reglement, door de Particuliere Synode van Zuid-Holland in 1724 vastgesteld (afgedrukt achter het Delftsche kerkelijk handboekje, Ed. 1732, blzz. 383-393).

Het laatstgenoemde kwam toen in de plaats van eene regeling, die de Zuid-Hollandsche kerken reeds in 1621 gemaakt hadden, eene regeling, die opmerkelijk is, niet alleen omdat zij de eerste geweest is, waarin het besluit der Dordtsche Synode werd uitgewerkt, maar ook, omdat zij met veel zorg is opgesteld. In de Acta der Zuid-Hollandsche Synode, die in 1621 te Rotterdam gehouden is, wordt daarvan gezegd (Art. 40); „.In t’ visiteeren sal worden achtervolght seecker formulier uyt de Resolutien end’ Acten van verscheydene soo Nationale als Particuliere Synoden voormaels getrokken en t’ saemen gestelt, ende nu inde vergaderinge voorgeleesen;” en dienovereenkomstig is het geheele formulier (aan die Acta toegevoegd) niet anders dan een kort uittreksel uit de Acta van vele Generale en Particuliere Synoden, waarheen dan ook bij iedere uitdrukking in eene noot verwezen wordt. Daar de Acta van die Synode niet gedrukt zijn, moge hare regeling, als historisch document, hier eene plaats vinden. Met weglating van de noten, die minder ter zake doen, luidde zij als volgt:

„Copye van de Forme der Inspectie over de gemeene kercken te houden, volgende de Resolutien beyde van. de generale Synoden en verschevden particuliere Synoden van Zuydt-Hollands; waervan word gesproocken Art. XL in de voorgaende Acten.

Alsoo de Inspectie der kercken daer toe is dienende, dat de suyverheyt der leere ende alle goeie geregeltheyt in de gemeente

|359|

Gods onderhouden worde soo sullen de visitatores Classium.

Ten eersten de Predicatien van de Dienaeren des woorts in haeren Classe frequenteeren, ende neerstelyck letten off deselve met de onvervalschte leere des Goddelycken woorts, bekentenisse in de seven-en-dertigh Artickel ende Christelycke nederlantschen Catechismo overeencomen.

Ten anderen sullen sy ondersoecken off de maniere van leeren, die hij waarneemt, stichtelyck, eerlyck ende proffytelyck is; affgesondert van alle nieuwe onschriftmatighe en vreemde termen; insgelycx oock van alle menschelycke fabulen, citatien van nieuwe scribenten en veelvuldigh invoeren van Heydensche schriften.

Ten derden, off hy synen Dienst bij den synen vlytelyck waarneemt, de gesonde leere beyde in t' openbaer en particulier beweert en voortplant, ende den wederspreeckers den mond stopt; neerstigh sijnde in t' geduerich leesen ende ondersoecken der H. Schriftuere en gesonder Autheuren, om t' selffde in de vreese des Heeren voorspoedelyck uyt te voeren.

Ten vierden, off hy den Catechismum leert, ende de H. Sacramenten, nae de instellinghe des Heeren ende gebruyck der gereformeerder kercken, sonder eenige nieuwe Ceremonien daer onder te vermeynghen, bedient; ende sulcx alles ter behoorlycker tydt en plaetse.

Ten vyfden, off hy de aenkomelinghen tot den Avondrraele in den grondt des gelooffs ondersoeckt; de litmaeten, voor de hedieninghe des Avondmaels, besoeckt; de naemen der Communicanten, gedoopte ende getrouwde luyden aenteyckent; de krancke besoeckt; op den armen acht neemt: de schoolen behertight; de kerkelycke by-eenkomsten waerneemt; de Christelycke discipline met synen kerckenraet in goeden orden betrachte.

Ten sesten, off hy syne gaven niet alleen met vlyticheyt in t’ studeeren, maar oock met godsaligheyt oeffent; op syre huyshoudinge goede acht neemt; syn kinderen en huysgesin in de godsaeligheyt optreckt;. sich van t' frequenteeren der herbergen, en t' onnoodich absenteeren van syn kercke mijdet; hem niet en bemoyt met Politique saecken; voornaemelijck niet met versoeninge over de doodslaghen ; item, off hy eenigen vreemden handel off trafycque, schadelyck synen Dienst, onder syn ampt vermeynght;

|360|

hem in handel en wandel anders draegt, dan een vroom en getrouw Dienaar des Heeren schuldich is te draeghen.

Ten laesten. Dewijle de Ouderlingen en Diatonen den Dienaeren des voorts gestelt syn tot hulpe, soo salmen oock ondersoecken, hoe dat haere verkiesinghe geschiedt zy, en hoe sy hun in haer bedieninghe en professie dragen. De Ouderlinghen, off sy oock, neffems den Dienaeren, sorghe draeghen over de cudde des Heeren, goede ordre waernemen, arbeyden om alle ergernissen van de kercke des Heeren (soo veel het doenlyck is) wech te neemen, de swacke te stercken, de gevallene tot bekeeringhe vermaenen, de ongeregelde straffen, ende daer toe trachten om alle twist ende oneenicheyt onder de litmaeten ter neder te leggen, de kerckelycke by-een-komsten waerneemen, ende in haeren kercken-raet notitie van haere kerckelycke saecken houden. De Diacenen. off sy de arme van haer gemeente met een bewogen gemoet versorghen, ende behoorlycke reckeninghe doen van de administratie der penninghen by hun ontfanghen ende uytgegeven.”

Als men latere formulieren met dit oude vergelijkt, ziet men, dat het aantal vragen voortdurend vermeerdert, vooral ten aanzien van de ouderlingen, de diakenen, den kerkeraad als zoodanig en de scholen. En voorts zijn ook door Classen en Synoden allerlei besluiten genomen over punten, die op de kerkvisitatie betrekking hebben. Intusschen, dat alles na te gaan, zou hier te veel ruimte vorderen, en ook in het algemeen niet genoeg belang hebben. Maar wel kan het nuttig zijn, daaruit met een enkel woord in herinnering te brengen, hoe een aantal vragen, die ook thans nog met betrekking tot dit onderwerp wel eens geopperd worden, in die vorige eeuwen door kerkelijke vergaderingen beantwoord zijn. Niet alsof men daaraan thans nog zou gebonden zijn. Maar om de bepaling van de Kerkenordening daardoor toe te lichten. En voorts, zooveel noodig, onder toevoeging van een woord van critiek.

 

(Heraut, 27 jan. 1895.)

Met betrekking tot de kerkvisitatie zijn er een aantal punten, die nooit eenige moeielijkheid hebben opgeleverd, en die zulks ook eigenlijk niet kunnen doen, daar zij in Art. 44 van de

|361|

kerkenordening duidelijk zijn uitgedrukt of reeds in den aard der zaak liggen. Zoo b.v., dat de visitatie in alle kerken, niet alleen in de kleine, maar ook in de groote, alle jaar moet gehouden worden; dat er minstens twee visitatoren te stellen zijn, liefst nog meer, althans in groote Classen, of wel één of meer plaatsvervangers voor de gevallen dat er anders slechts één zou overblijven; dat zij steeds moeten gekozen worden uit de Dienaren des Woords, die door bekwaamheid en ervaring voor dat moeielijke werk het meest geschikt zijn; dat hun geenerlei bestuursmacht moet gegeven worden ; dat het raadzaam is, de reeks van vragen, die zij bij elke visitatie altijd te doen hebben, door de Classe zelve te laten formuleeren; dat zij, wanneer zulks voor hun onderzoek ergens noodig schijnt, nog wel andere vragen daaraan mogen toevoegen, enz. Daarentegen zijn er andere punten, die in onzen tijd soms tot quæstie aanleiding geven, en die meerendeels ook vroeger wel voorkwamen en dan toen ook behandeld zijn. Daartoe hooren met name de volgende vragen:

1º. Wat is er te bepalen omtrent den tijd voor welken de visitatoren te benoemen zijn?

Toen de kerkvisitatie voor het eerst in de Kerkenordening werd opgenomen, (Art. 40 der redactie van 1586) werd daaromtrent vastgesteld: „van d’ eene Classicale vergaderinghe tot de andere”. Dus m.a.w. voor den tijd van drie maanden, of, waar de Classe meer dan viermalen des jaars bijeenkwam, voor nog korter tijd.

Deze bepaling rustte zonder twijfel op de overweging, dat, wanneer een aantal kerker. te zamen eenige werkzaamheid aan deputaten opdragen, die opdracht voortdurend ter beschikking blijft van die kerken zelve; zoodat in den regel eene deputatie vanzelf ophoudt, telkens wanneer die kerken weer bijeenkomen.

Inderdaad is dat ook een beginsel, dat alleszins juist is te noemen. En daaruit volgt, dat, ook waar men een langeren diensttijd voor zie visitatoren gesteld heeft, de Classe toch altijd, in elke vergadering, het recht heeft hare opdracht weer in te trekken. Het zal wel zelden voorkomen, dat dit wenschelijk schijnt; maar in beginsel moet toen altijd worden vastgehouden, dat kerkelijke deputatie nooit eene zelfstandige macht in het leven roept, waarmede dan de kerken eene soort van contract zouden hebben, maar

|362|

dat zij alleenlijk eene lastgeving is, die in geenerlei opzicht aan de macht van de kerken zelve kan tekort doen.

Intusschen behoeft er uit dat beginsel niet te volgen, dat dan ook in geen geval eene Classicale deputatie voor een langere tijdruimte kan gegeven worden. Integendeel, bij eene lastgeving, waaraan eerst in den loop van een geheel jaar kan voldaan worden, ligt het eenigszins in den aard der zaak, dat de opdracht dan ook aanstonds voor dat gansche jaar gegeven worde.

Dat inzake de kerkvisitatie eene opdracht voor hoogstens drie maanden veel te kort was, is dan ook spoedig gevoeld door de kerken zelve. Toen men in Zuid-Holland de zaak begon in te voeren, kwam reeds op de Particuliere Synode te Leiden, in 1592, de vraag: „oft nyet goet en sy in elcken classe des jaers twee dienaeren te stellen, die de visitatie doen sullen, midts dat den halven deel alle jaere verandert worde” (Acta, Art. 12). En daarop is toen wel geantwoord: „is raedtsaem gevonden ende besloten, dat het blyve by het 40 artikel synodi nationalis anno 86 in ’s-Gravenhage, welverstaende dat de classes de visitatores sullen moegen continueren naar discretie". Maar datzelfde antwoord toont toch ook, dat men eene benoeming voor hoogstens drie maanden eigenlijk te beperkt vond, en er slechts bij bleef, althans nog voor ditmaal, omdat het in de Kerkenordening stond.

Het is daarom zeer begrijpelijk, dat de Generale Dordtsche Synode van 1619, toen zij aan het artikel over de kerkvisitatie eene geheel nieuwe redactie gaf, de te veel beperkende tijdsbepaling er uit wegnam. Het toen gestelde, en thans nog geldende Art. 44 van de Kerkenordening brengt wel mede, dat de visitatoren voor een bepaalden tijd te benoemen zijn (anders toch zou er niet van „continueeren” kunnen gesproken worden); maar voor hoeveel tijd het dan zijn zal, wordt er niet in gezegd.

Dat moet dus bepaald worden door de Classe zelve. En dat is dan ook geschied van den aanvang af, overal waar men dit artikel van de Kerkenordening toepaste. Echter lang niet altijd op dezelfde wijze: er was in die tijdsbepaling vroeger zelfs eene groote verscheidenheid. In sommige Classen geschiedde de benoeming voor één jaar, elders voor twee jaren, of ook voor nog langer. Maar het meest gewone was toch, dat er twee of drie visitatoren waren,

|363|

die dan twee of drie jaren dienst deden, met dien verstande, dat er ieder jaar één aftrad.

Tot de laatstbedoelde bepaling werd men blijkbaar geleid door de gedachte, dat het wenschelijk is, onder de visitatoren altijd iemand te hebben, die ook reeds het vorige jaar als zoodanig gefungeerd had, en die dus goed bekend was met hetgeen er in de onderscheidene kerken bij de laatste visitatie was voorgevallen; opdat des te beter zou kunnen onderzocht worden, of eventueele misstanden gebeterd waren, en ook met het oog op moeielijkheden, die bleven voortduren.

Intusschen kan dat doel even goed bereikt worden, wanneer (gelijk thans wel algemeen regel is) alle visitatoren slechts voor één jaar benoemd worden, en wanneer dan de Classe hen, hetzij geheel, hetzij ten deele, continueert. Zij kan dan des te beter, wanneer, het haar dienstig voorkomt, telken jare één of meer anderen benoemen. En daar dit werkelijk wel eens raadzaam zijn kan, is het zeker beter, dat de Classe zich daarin niet zelve eenigszins beperke, door reeds van te voren als regel vast te stellen, dat elke visitator , twee of meer jaren in functie zal blijven.

Mits het dan maar niet eene soort van gewoonterecht worde, dat dezelfde deputaten steeds te continueeeren zijn; zoodat het als eene soort afkeuring of miskenning zou beschouwd worden, als dit niet geschiedde. Eerder moet regel zijn, althans waar een genoegzaam aantal is van Dienaren die wegens kerkelijke ervaring en bekwaamheid en tact in bijzondere mate het vertrouwen der kerken hebben, dat niet voortdurend, jaar uit jaar in, dezelfde broeders met den last der kerkvisitatie bezwaard worden. Ook omdat nieuwe visitatoren wel eens een misstand zien, die aan ouderen ontgaan is, en wel eens eene verbetering kunnen aanbrengen, die door ouderen tevergeefs is beproefd.

 

(Heraut, 3 Febr. 1895.)

2º. Moeten dag en uur van de kerkvisitatie Zondags te voren aan de gemeente worden bekend gemaakt?

Als gevraagd wordt, hoe het te dien aanzien vroeger was, dan geven vele van de oude Classicale en Synodale handboekjes hierop geen antwoord; evenals zij ook zwijgen over een aantal andere

|364|

punten, waaromtrent destijds door de practijk ieder wel vanzelf op de hoogte was. Maar voor zooveel zij dit punt behandelen, blijkt uit de gemaakte bepalingen, dat in de 17e en 18e eeuw de kerkvisitatie van te voren aan de gemeente moest worden bekend gemaakt.

Slechts voor ééne Classe geven de genoemde handboekjes eene andere regeling; en ook daar was de uitzondering nog maar gedeeltelijk. In de Classe van Neder-Veluwe zijn, in de jaren 1727 en 1728 de volgende besluiten genomen (Class. Handboekje, Ed. 1751, Cap. III, Artt. 140 en 142): „Visitatie der kerken moet, daar geen kerkenraad is, Zondags te voren van den predikstoel worden afgekondigt” (Acta Harderwyk, 1727, Art. 37). De Inspectores moeten vragen in visitatione, of de tijd der visitatie, daar geen kerkenraad is, te voren van den predikstoel is afgekondigt, en daarvan den Classis rapporteren (Acta te Putten, 1728, Art. 37). Hieruit volgt, dat in die Classe bij kerken, waar wel een kerkeraad was, zulke bekendmaking dus niet was voorgeschreven, en misschien ook niet geschiedde. Waarbij echter valt op te merken, dat zij in de meeste kerken dan toch wèl plaats had, daar in die Classe tot op onze eeuw, van de 22 kerken niet minder dan 12 geen kerkeraad hadden (W.A. Bachiene, Kerkel. Geographie der Vereen. Nederlanden, Ed, 1768, Dl. I, blz. 72).

Waar men elders over dit punt, eene bepaling maakte, hield die altijd in., dat de visitatie moest worden afgekondigd.

Zoo b.v. was dit in de provincie Groningen eene zaak die vanzelf sprak, aangezien in de redactie der Kerkenordering, die voor die provincie gedurende twee eeuwen gegolden heeft, zelfs bepaald was, dat de geheele gemeente voor de kerkvisitatie moest worden opgeroepen. Immers het daarop betrekking hebbende Art. 51 luidde aldus (naar de oorspronkelijke uitgave van 1595):

„Ende op dat alle denaers sich ordentlick unde haren beroep na holden mogen, sal seer goet wesen dat in een yder Classe twee predigers unde een olderling, van den ganschen Classe, und een eerbaar, vroom, godtfruchtich man, die een lidtmaet der gerneente is, van der overicheyt, onder welcke dat Classis gelegen is, erwelet worde, welcke alle Carspellen tho dem Classe behorende besuecken , und in een yder Carspell den prediger des oerdes voor sich in

|365|

byweesen syner gemeente, unde den predigheren inder kercken, ein predighe doen later., wth welclce de prediglteren ehm examineeren und vernemen sollen off hy ooc vlytich studere, unde inder leere reyn sy: nae gedane predige sollen se den denaer wtgaen laten, and de carspelluyden vragen, oft he oock stifftelicken und vromelicke leeve, unde so sy ehme in leven und leere onstraffelyck bevinden, sollen. se ehme voor den ganschen Carspell des getuygenis geven. Soo se averst iemande straffbaer bevinden, sollen se datselvige aan den Classe refereren, op dat daer inne nae den regel boven verhaelt (in de artikelen over opzicht en tucht) verseen worde.”

Voor de provincie Drenthe had de Provinciale Kerkenordening in hare eerste redactie (van het jaar 1638) de formuleering van de Dordsche Synode eenvoudig overgenomen; maar in de latere redactie (van het jaar 1730) werd daaraan toegevoegd (aan het slot van Art. 53): „Zullende een ieder Predicant gehouden zyn, de aanstaande visitatie Zondaags van te voren der gemeente bekent te maken.”

De Classe van Zutphen had te dien aanzien besloten: „Den tyd der visitatie te vooren van den Predicstoel te laten bekent maken” (Acta 1746, Art, 23; Classikaal Register Ed. 1760, Dl. I, blz.. 66).

En te dezer zake kan ook wel gewezen worden op hetgeen reeds terstond na de Reformatie in Noord-Holland bepaald werd over de censura morum in de kerkeraden. Door de Particuliere Synode, die in Maart 1573 te Alkmaar bijeenkwam, werd voor de meerdere vergaderingen vastgesteld (Acta, Art. 22): „Dat die dienaeren alle gelyck om die dry maenden te saemen coemen , ende dat die praeses daerin eerstelyck dat gebet met ende by allen doet, Twelck geeyndicht zynde, vermaent hy alle dienaeren ende oyck hemselven haerselven ganselyck van alle verdorven genegentheyden te ontcleeden ende allen vleeschelycken hoochmoet gans af te leggen. Daernae zoo beginnen sy van den praeses aen ende bidden hem, dat hy vuyt die versamelinge buyten wil gaen. Daer wordt dan een yegelyck dienaer bysonder afgevraecht, off hy oyk eenige beschuldinge tegens den praeses (diewelcke rechtveerdich ende nae Pauli leere in twee ofte dry getuygen haer

|366|

mondt bestaet) in leere ofte levendt heeft. Dewelcke gehoort zynde, zoe worden zy hem met wysheyt ende godvreesentheyt sonder bitterheyt tot berispinge en beteringe voergestelt. Maer zoo daer geene beschuldinge voort worden gebrocht, zoo looft ende danckt men God daervan. Ende ditselfde wort alsdan voorts vervolgende met allen anderen tegenwoerdigen dienaeren gedaen.”

En daarop volgt dan met betrekking tot de kerkeraden:

„Deze oeffeninge en dit gebruyck dezer discipline hebben haer oyck die broederen laeten behaegen, dat men denselfden oyck op gelycke wyse ende forme in allen consistorien der gemeynten gebruycken, ende dit daer noch byvoegende, dat men dese handel om te gebruycken ter gesetter tyt te varen vuyt die predickstoel affcondigen zal ende daerin eenen yegelycken vry veroorloven om in die vergaederinge der consistorie te coemen ende aldaer zyne beschuldinge voort te brengen, die hy tegens eenige dienaeren van der consistorie wettelyck ende rechtveerdelyck heeft, om alzoo daerdoor alle lastermuylen, die zeer haest dat evangelium om eenige gebreken der dienaeren lasteren, gans toe te stoppen. Doch daer is by Bestelt, dat men in dese handel ende toelaetinge van eenen yegelyck te kommen, dese vuytneminge ende voorsichticheyt sal moeten gebruycken, dat men op die plaetse, daer die consistorie afgesloten vergaedert sal syn, niet een yegelyck, diet belieft, zal toegelaten worden daerbinnen te coemen, ende alzoo vuyt die handel des discipline een schimpachtich schouspel der spotteren te maecken, maer dat men daer alleen dengenen zal toelaeten bynnen te coemen, die men gehoort zal hebben, dat zy eenige wettelycke ende rechtveerdige beschuldinge tegens yemant hebben.”

Dit oude besluit der Noord-Hollandsche Synode doelde wel niet rechtstreeks op de eigenlijke kerkvisitatie; maar de zaak, die het regelde, was daarmede toch geheel gelijksoortig; het was als het ware eene visitatie in eigen kring. Daar ditzelfde besluit ook gemotiveerd is, kan er tevens uit blijken, althans eenigszins, waarom onze keken van oordeel waren, dat bij zulk eene handeling de gemeente niet moet worden uitgesloten. En ten aanzien van die motiveering moet dan erkend worden, dat zij ook alleszins gegrond is te achten, zij het ook met bijvoeging, dat zij nog volstrekt niet volledig is.

|367|

(Heraut, 24 Febr. 1895.)

Op de vraag of dag en uur van de kerkvisitatie Zondags te voren aan de gemeente moet worden bekend gemaakt, geven we dus een bevestigend antwoord; in overeenstemming met de oude, bijna overal gevolgde, practijk onzer kerken; en voorts inzonderheid op de volgende gronden:

a. Gelijk ieder wel zal toestemmen, is het bij uitnemendheid een eisch der Gereformeerde beginselen, dat de gemeente niet beschouwd worde als eene schare van onmondigen, die alle kerkelijke werkzaamheid en leiding en regeering geheel aan de kerkedienaren zou hebben over te laten, eenvoudig berustende in al wat door deze gedaan of ook niet gedaan wordt. Wel wordt gehandhaafd, tegenover het Independentisme en tegenover alle Doopersche richting, dat het niet de gezamenlijke gemeenteleden zijn, die de kerk te besturen hebben, maar dat daarvoor de opzieners hunne eigene roeping hebben; hunne ambtstaak, die hun door den Heere zelven is opgedragen, en die zij, onder verantwoording aan Hem, desnoods tegenover de gemeente te vervullen hebben. Maar terzelfder tijd wordt gehandhaafd, tegenover Rome en tegenover alle daaraan verwante richting, dat die opzieners hunne ambtstaak toch alleenlijk hebben als organen van het lichaam der kerk; dat dit lichaam ook met het Hoofd in verband staat, niet door hunne tusschenkomst, maar rechtstreeks; en dat alle kerkelijke macht, die door Christus verleend is, in beginsel gegeven is aan dat lichaam zelf. Ook al moet die macht worden uitgeoefend door de hiertoe gestelde organen, alle andere leden hebben daarbij mede werkzaam te zijn. En die werkzaamheid is dan o.a. ook hierin gelegen, dat zij onderzoeken wat er uit Gods Woord voor het kerkelijk leven is af te leiden ; dat zij alle kerkelijke handeling daaraan toetsen ; en dat zij met betrekking tot de leiding der gemeente dus zelven beoordeelen, of die inderdaad met het Woord overeenstemt en aan hare stichting het meest bevorderlijk is. Dit nu wordt zeer zeker miskend, wanneer de geheele kerkvisitatie buiten hen omgaat. Het is dan, alsof die gemeente niets te zeggen heeft ; alsof haar in kerkelijke zaken geen oordeel toekomt ; alsof daarin alleen te rekenen is met degenen die in eenige kerkelijke bediening gesteld zijn. Juist de grondtrek en het beginsel van het clericalisme. In Gereformeerde kerken

|368|

moet die vijand, die in ieder hart zijne bondgenooten heeft, altijd zooveel mogelijk worden tegengegaan. Er, bij de gemeente moet het besef worden levendig gehouden, dat zij mede verantwoordelijk is voor den gang van zaken; dat zij daarop niet alleen mag maar ook moet toezien; en dat zij desvereischt ook geroepen is, te dien aanzien handelend op te treden. Het is juist de formeele afkondiging van de kerkvisitatie, die haar ieder jaar aan dat alles herinnert; niet alleen met woorden, maar ook metterdaad, door het feit dier bekendmaking zelf. En al schijnt het dan ook vaak, dat dit niets beteekent, doordat niemand opkomt of behoefde op te komen, de bekendmaking doet dan toch hare werking. Er ligt in, wat het recht en de plicht der gemeente is. Dat wordt daardoor telkens openlijk erkend en ook telkens duidelijk aan haar voorgehouden.

b. Wanneer sprake is van critiek der gemeenteleden op de kerkedienaren als zoodanig, dan kan veilig gezegd worden, dat die niet slechts mag en zelfs moet geoefend worden, maar ook, dat dit werkelijk geschiedt. Echter lang niet altijd op de rechte wijze. Het geschiedt maar al te vaak, althans waar iets afgekeurd wordt, enkel in den omgang met andere gemeenteleden, enkel en alleen in particuliere gesprekken. Dit nu kan in geen enkel opzicht ten goede werken. Waar het veel geschiedt, is veeleer de eenige uitwerking, dat de invloed van kerkedienaren ondermijnd wordt, en dat al hun arbeid minder vrucht draagt. Als geklaagd wordt over zaken, die nu juist geen ergerlijk vergrijp zijn, waarbij kerkelijke tucht aanstonds noodig is, maar die voor den bloei der gemeente toch van wezenlijk belang zijn, dan moet, naar den regel der Schrift, eerst in het bijzonder gehandeld worden met dengene, tegen. wien men eenig bezwaar heeft, en wanneer dit niet baat, of wanneer het de gezamenlijke opzieners geldt, met den kerkeraad. Dikwijls zal dit wel voldoende zijn, om de klacht te doen ophouden; maar wanneer iemand meent haar te moeten volhouden, dan is juist de jaarlijksche kerkvisitatie de daarvoor aangewezen gelegenheid. Het is zeker waar, dat men ook wel bij de Classe zelve een bezwaarschrift kan indienen. Maar, behalve dat velen niet weten hoe zij dit moeten aanleggen of tegen eene formeele aanklacht opzien, zijn ook de meeste gevallen daarvoor eigenlijk niet ernstig

|369|

genoeg, en zou het ook dikwijls verbitteren in plaats van te verbeteren. Eene goede uitkomst is veeleer te wachten, wanneer zulke klachten mondeling en zonder formaliteiten aan de visitatoren kunnen worden medegedeeld; waarop deze, met wijsheid en met, tact te werk gaande, door broederlijke samenspreking veel bezwaar kunnen uit den weg ruimen. Maar natuurlijk moet de gemeente dan ook telkens weten, wanneer die visitatie zal gehouden worden.

En dus is eene tweede reden, waarorn deze van te voren moet bekend gemaakt worden, dat juist die bekendmaking er bijzonder toe kan medewerken, om de critiek der gesteente zooveel mogelijk vruchtbaar te maken.

c. Als bezwaar tegen zulke afkondiging is wel eens ingebracht, dat dan lichtelijk klachten worden uitgelokt, ook van menschen, die nu eenmaal in afkeuren en in kwaadspreken een zeker behagen hebben. En dat dit geschieden kan, moet zeker worden toegestemd. Maar zou het beter zijn, wanneer zulke menschen enkel in den dagelijkschen omgang aan die zondige neigingen toegaven? Immers is er dan gewoonlijk niet veel aan te doen. Maar dit wordt geheel anders, wanneer bezwaren, die ongegrond zijn, bij de kerkvisitatie worden ingebracht. Juist door het onderzoek, dat dan volgt, kan niet slechts misverstand worden opgehelderd, maar ook lasterzucht en kwaadsprekendheid en lichtvaardig oordelen aan het licht komen en bestraft worden. Voorts kan die zonde dan ook in de gemeente des te beter bestreden worden; want wie zich daaraan schuldig maakt kan dan gewezen worden op de kerkvisitatie, waarbij hij had moeten spreken of alsnog te spreken heeft. En tegenover allen laster van degenen, die buiten zijn, is er dan een zichtbaar bewijs, dat de kerken zelve er voortdurend op uit zijn, alle kwaad, dat openbaar wordt, te weren. Maar vanzelf geldt dat alles slechts in de onderstelling, dat de visitatie te voren wordt afgekondigd.

d. En ten slotte kan ten voordeel van de bekendmaking nog gezegd worden, dar zij ook dienstig is om de gemeente in vrede: bijeen te houden. Het is zeker waar, dat zij aan zoogenaamde „malcontenten” de gelegenheid geeft, hunne grieven eens te komen luchten. Maar zij doen dat dan tegenover menschen, die tot onderzoek

|370|

en beoordeeling goed in staat zijn, en die dan, naar bevind van zaken, óf de klachten zoeken te verhelpen, óf de klagers ernstig vermanen. En is dat niet oneindig beter, dan dat alle ontevredenheid in de gemeente blijft voortkruipen? Ook al zou een kerkeraad daarvan langen tijd weinig last hebben, het belemmert toch den zegen van het Evangelie. En ten slotte komt de last dan gewoonlijk toch. Wanneer vele kleine, ten deele ook niet ongegronde grieven wel gesmoord worden, maar dan toch blijven voortduren, dan is eindelijk eene kleinigheid soms genoeg om de vlam te doen uitbreken. Iets dat anders weinig beteekenen zou, is dan als de droppel, die den beker doet overvloeien. Uit de velerlei kleine ontevredenheid, die zich in de harten als het ware opeenhoopt, komt ten slotte, ook wel door eene op zich zelf kleine aanleiding, groote twist of zelfs scheuring, die voor lange jaren de gemeente verdeelt en verwoest. Om dat te voorkomen, kan de kerkvisitatie als het ware een veiligheidsklep zijn. Maar natuurlijk op voorwaarde, dat zij van te voren worde afgekondigd. En ooit hierin ligt dus nog een motief, dat tot zulke afkondiging dringen moet.

Rutgers, F.L. (1921) 85

85. Wanneer is bij tuchtgevallen of emeritaatsaanvrage door de Classe de hulp der Synodale deputaten in te roepen?

 

(1908.)

141. Ge vraagt mij: „wanneer breekt voor eene Classe het tijdstip aan om de hulp der Synodale deputaten (art. 49 K. O.) in te roepen bij emeritaatsaanvrage of tuchtgeval: als de Classe reeds tot een voorlopig besluit kwam? of reeds bij het begin der behandeling van zulk een zaak?”

Ik begrijp niet goed, hoe daarover in X quaestie kon komen; want ik begrijp niet goed, hoe het ook maar mogelijk zijn zou, dat de hulp der deputaten door de Classe werd ingeroepen „bij het begin der behandeling” van een der genoemde zaken, d.w.z. voordat nog de Classe de zaak in behandeling nam; want bij het begin, d.i. als de Classe vergaderd is en met de zaak begint,

|371|

zijn de Synodale deputaten toch niet zóó dicht bij, dat zij aanstonds kunnen worden binnengeroepen. Om „bij het begin” tegenwoordig te kunnen zijn moeten zij toch van tevoren zijn gewaarschuwd en opgeroepen. En hoe zou de Classe dat van tevoren kunnen doen? Daarvoor moet zij toch eerst vergaderd zijn, en geoordeeld hebben dat het eene zaak geldt, waarbij de Synodale deputaten noodig zijn, of waarop althans hunne goedkeuring vereischt wordt.

Er zou op dat standpunt slechts één middel zijn om aan die moeielijkheid te ontkomen, nl. dat de Classe in hare Regeling bepaalde : bij iedere emeritaatsaanvrage, en bij ieder tuchtgeval van predikanten, moet de kerk, die samenroept (of de daarmee belaste deputaten), de Synodale deputaten terstond bij den aanvang der behandeling oproepen, om het even of zij naar alle waarschijnlijkheid noodig zullen zijn of niet (’t geen natuurlijk de Classe te beslissen heeft, en geenszins aan de roepende kerk of aan de deputaten ter beslissing kan worden overgelaten). Maar het gaat toch inderdaad niet aan, die deputaten dan in vele gevallen geheel voor niet te laten komen. En het is eigenlijk ook bedenkelijk, het „inroepen van hun hulp” te laten geschieden en beslissen niet door de Classe zelve maar door ééne kerk of deputatie.

Bij zaken die aan de Classe zijn opgedragen, maar bij wier beslissing de goedkeuring van Synodale deputaten noodig is, ligt het in den aard der zaak dat de Classe, bij welke eene zaak aanhangig is gemaakt, haar eerst onderzoekt en beoordeelt, omdat eerst daaruit blijken kan, of de Synodale deputaten er al dan niet bij noodig zijn. Het zou geen zin hebben, ze alvast te doen oproepen., wanneer zij toch misschien in ’t geheel niets te doen hebben (’t geen èn bij emeritaatsaanvrage èn bij tuchtgevallen niet zoo zeldzaam zijn zou).

En het eenige bezwaar, dat men daar weleens tegen in bracht (nl. tijdverlies of de noodzakelijkheid eener buitengewone Classikale vergadering), is veeleer, althans in de meeste gevallen als een voordeel en eene aanbeveling te beschouwen. Bij tuchtzaken is de ontzetting van een predikant uit zijn dienst eene zóó ernstige zaak, dat zij waarlijk niet met overhaasting moet worden toegepast; dus ook niet in de Classikale vergadering, waarin zij voor het

|372|

eerst wordt ingebracht; en als daar dan reeds genoeg blijkt, dat het denkelijk wei tot afzetting zal moeten komen of als een daartoe strekkend voorstel gedaan is, dan is het nog tijds genoeg om bij de volgende Classikale vergadering (alsdan zeker eene buitengewone ad hoc, althars in de meeste gevallen) de Synodale deputaten mede op te roepen. Kwaad kan zulk uitstel nooit, in geen enkel opzicht; want de Classe zout dan hare bevoegdheid tot schorsing toch natuurlijk wel hebben uitgeoefend.

En bij aanvrage tot emeritaat is eens aan de beslissing voorafgaand onderzoek van de Classe toch ook zeker doorgaans noodig of gewenscht. Ja zelfs is het juist voor dit geval ook reeds voorgeschreven in Synodale bepalingen (zie de Instructie voor die gevallen, gemaakt door de Synode van Arnhem 1902, art. 144) 1). Immers de 8 punten waaromtrent de Synodale deputaten zich


1) Acta der Generale Synode van 1902 (Arnhem), Bldz. 57, art. 144. Regelen bij de ontheffing van V.D.M. naar Art. 13 K.O.
Namens de commissie van praeadvies rapporteert Ds. J.M. Mulder over hetgeen vermeld staat onder letter E 1 van het Agendum. De commissie biedt aan de Synode deze conclusie aan:
Voor de Provinciale deputaten ad examina, aangewezen tot steun der Classes bij ontheffing van Dienaren naar Art. 13 Kerkeordening, stelle de Generale Synode volgende instructie vast:
Zij zullen zich overtuigen;
a. dat er is een aanvrage om emeritaat;
b. dat, indien die aanvrage uitgaat van den Dienaar des Woords, er ook is een verklaring van zijn kerkeraad, dat deze daarin bewilligt;
c. dat de reden „onbekwaamheid tot uitoefening van de den dienst” aanwezig is;
d. dat, is ziekte de oorzaak der onbekwaamheid, die uit eene verklaring van twee bevoegden blijkt;
e. dat de Classis de aanvrage gewettigd acht;
f. dat de Classis zich heeft vergewist, dat de kerkeraad behoorlijke toezegging aan den Dienaar heeft gedaan, van emeritaats-onderhoud;
g. dat de bepaling van dit emeritaats-onderhoud gehandeld is naar de besluiten der Generale Synode van Middelburg 1896;
h. dat van een en ander een behoorlijk onderteekend stuk is opgemaakt, waarvan gewaarmerkt afschrift aan de betrokkene kerk en den betrokken Dienaar is gegeven;
De Synode vereenigt zich met deze conclusie, nadat er nadruk op gelegd is, dat reeds aanstonds bij de beroeping het emeritaats-honorarium dient vastgesteld te zijn en, nadat in letter g de uitdrukking: „naar de besluiten der Generale Synode van Middelburg” is vervangen door de woorden : „naar de besluiten der Generale Synoden”.

|373|

alsdan overtuigen moeten, bevatten ook : „dat de Classis de aanvrage gewettigd acht”, — „dat de Classis zich heeft vergewist, dat de kerkeraad behoorlijke toezegging aan den Dienaar heeft gedaan”, — „dat van een en ander een behoorlijk onderteekend stuk is opgemaakt”, welk alles onderstelt, dat de Classe reeds gehandeld heeft en een besluit heeft genomen, behoudens de vereischte goedkeuring van deputaten. Natuurlijk kan de Classe bij dat besluit (tevens) de uitvoering opdragen aan Classikale deputaten b.v. praeses en scriba, wanneer deze voor het bepaalde geval de goedkeuring der Synodale deputaten gevraagd en verkregen hebben. B.v. in gevallen, waarin evident is dat er geen bezwaar kan komen. Bezwaren van Synodale deputaten zouden natuurlijk altijd in de Classe zelve weer te behandelen zijn; en de beslissing aldaar is ook zeker regel.