Bouwman, H. (1934) § 70

Hoofdstuk IV. De classis.

 

§ 70. Ontstaan en karakter der classicale vergadering.

De kerkelijke vergaderingen zijn in de oude kerk ontstaan uit de bewustheid van de eenheid der kerken in het leven des geloofs, en uit de behoefte om in moeilijke tijden elkander met raad en steun te dienen. De organisatie der kerk sloot zich nauw aan bij de organisatie, die de kerk in den staat en in het maatschappelijk leven vond. Groepen van gemeenten, die in eene stad haar centrum hadden, vereenigden zich ook kerkelijk tot eene eenheid onder de leiding van den bisschop in de hoofdplaats. En zoo waren ook de provinciale hoofdsteden, waar de provinciale landdagen samenkwamen, de aangewezen plaatsen voor een provinciale synode. Langzamerhand echter ontaardde de kerkelijke organisatie, en kwam de kerk onder de overheerschende macht van de hiërarchie. De Reformatie verwierp het beginsel der hiërarchie, doch gevoelde wel van den beginne de behoefte aan eene goede organisatie, en om zich ten behoeve hiervan zoo nauw mogelijk aan te sluiten bij de eischen en de rechten van het natuurlijke leven.

De Gereformeerden gaan bij het bestuur der kerk uit van de gedachte, dat de kerken, geheel vrij en onafhankelijk van een boven en buiten haar staande macht, haar eigen zaken kunnen doen in gebondenheid aan het Woord Gods. Daarom spreken zij van eene kerkelijke vergadering of van eene vergadering van kerken. Zulke vergaderingen passen niet in het Roomsche stelsel. In een bisdom kan een bisschop wel de priesters zijner diocese bijeenroepen, maar dit is geen vergadering van kerken, maar van geestelijken, die slechts raad kunnen geven, en niets te zeggen hebben. Evenmin passen zulke vergaderingen in het episcopale stelsel, waar de macht berust bij den bisschop, of in het independentistische

|125|

stelsel, waar de massa der leden beslist, en ook niet bij het territoriale systeem, waar het gezag berust bij de overheid. De Gereformeerden evenwel gingen uit van de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, en leerden, dat Christus aan de gemeente de macht heeft gegeven, en dat deze wordt uitgeoefend door den kerkeraad.

De Gereformeerden hebben, zoodra het maar kon, kerkelijke vergaderingen in het leven geroepen. Een goede organisatie was voor het geheel der kerken een levensvraag, omdat alleen daardoor de eenheid en de zuiverheid van leer en kerkregeering gewaarborgd kon worden. In Genève kwamen tijdens Calvijn de predikanten niet alleen van de stad, maar ook van het land eenmaal in de week samen ter bespreking van de H. Schrift, en tot handhaving van de eenheid der leer en het welzijn der kerk 1). Zoo ook in Straatsburg 2). Deze coetus was geen regeerend college, maar een vergadering van predikanten tot onderlinge leering, vermaning en toezicht. à Lasco stelde te Emden niet alleen een kerkeraad in, maar ook een coetus, welke alle Oost-Friesche predikanten moesten bijwonen. Deze coetus, in 1544 met kennis en goedkeuring der overheid ingevoerd, met de bedoeling om de goede orde in de gemeente te onderhouden, had tot taak — gelijk Ubbo Emmius 3) verhaalt — de censura morum en het examen der a.s. predikanten. Voorts werden openlijke disputaties gehouden over de voornaamste punten der religie, terwijl daarna allerlei bezwaren, welke van de gemeenten waren ingebracht, werden behandeld. Deze coetus, die geen vergadering van kerken, maar van predikanten was, heeft invloed geoefend op de organisatie van de Fransche en Nederlandsche Gereformeerde kerken, waar de beginselen van Calvijn werden nagevolgd. In Frankrijk werden in de eerste jaren wel predikantenvergaderingen gehouden, maar eerst in 1559 werd op de eerste synode te Parijs het kerkelijke leven georganiseerd. Tot 1572, waren de vergaderingen tusschen den kerkeraad en de Prov. Synode geen kerkelijke vergaderingen, maar een vergadering van kerkelijke personen (colloque), doch in 1572 hebben de Fransche kerken de classes van de Nederlandsche kerken overgenomen. Reeds op het convent van Wezel hebben de Nederlandsche kerken de wenschelijkheid van een nadere regeling van het kerkelijk leven uitgesproken, en bepaald dat op een nader te houden synode zou beslist worden over „de vaste en billijke afdeeling der provinciën in classen of parochiën”, de vaste bijeenkomsten zoowel van iedere classis afzonderlijk als van alle classen in het gemeen, haar orde, regeling, gezag en censuur. In 1571 werd te Emden (Art. 7) goedgevonden classes te constitueeren,


1) Richter, K.O. I. 343.
2) Richter, K.O. I. 234.
3) Hist. Rer. Fris. L. LIX.

|126|

die om de drie maanden zouden vergaderen. Zelfs maakte deze synode (Art. 10, 11) eene indeeling der Nederlandsche kerken. De mannen, die te Emden samenkwamen, waren van credentiebrieven en instructies voorzien, waaruit blijkt dat de aansluiting der kerken aan de classis en de classicale indeeling op een besluit der kerken zelve rustte.

De naam classis staat in verband met het Grieksche woord klasis of klèsis (van kalein = roepen) en beteekent het bijeenroepen; concr. = de bijeengeroepene of verzamelde menigte, en vandaar 1. klasse, burgerklasse, rang, afdeeling; 2. het leger, de vloot, en in het meervoud: de schepen. In het latere Latijn heeft classis ook de beteekenis van corpus, collegium (lichaam, college), zooals het heet Cod. Theod. de Divers. Offic. VIII, 7: classes urbis Constantinopolitanae (afdeelingen van de stad Constantinopel). Hoe het woord classis in de kerktaal is ingekomen ter aanduiding van een groep nabijwonende kerken, is niet geheel duidelijk. Zeker is het, dat het woord in de Gereformeerde kerk van Frankrijk oorspronkelijk voor een vergadering van predikanten is gebruikt (Syn. Lyon 1563, Art. 2) en van 1568 af in de Nederlandsche kerken voor eene vergadering van genabuurde kerken.

Het beginsel, dat de Gereformeerde kerken van den aanvang af dreef, was, dat geen enkele gemeente krachtens de eenheid en saamhoorigheid der kerken in haar geloof op zich zelve mag blijven staan, maar dat het hare schuldige plicht is, zich in het kerkverband aaneen te sluiten. De kerken zijn in zooverre vrij, de gemeenschap met andere kerken te zoeken, als zij zelve naar Gods Woord hebben te onderzoeken of zij met de andere kerken samenstemmen in belijdenis en kerkregeering. Anders is practisch geen samenleven mogelijk. Hadden de plaatselijke kerken principieel dit recht niet, dan zouden zij geen complete kerken zijn. Maar Gods Woord leert, dat eene plaatselijke kerk niet is eene af deeling van een groot geheel der kerk, van een genootschap, maar in zichzelf zelfstandig en compleet is, hoe klein en gering zij ook mag zijn. Absoluut noodzakelijk is het dan ook niet, dat de plaatselijke kerk met de genabuurde kerken in institutair verband treedt. Er kunnen omstandigheden zijn, dat eene kerk op zich zelve moet blijven staan, wanneer de haar omringende kerken van een andere belijdenis zijn, of op een valschen grondslag staan. Maar overigens, wanneer eene Gereformeerde kerk leeft te midden van andere Gereformeerde kerken, die met haar op den bodem van Gods Woord en de Gereformeerde belijdenis staan, dan is het voor haar ongeoorloofd op zich zelve te blijven staan. Daarom heeft ook reeds de synode van Emden (Art. 7-12) uitgesproken, dat de verschillende gemeenten zich moesten samenvoegen tot classes, en werden de Nederlandsche kerken in Engeland vermaand, „datse hare kercken in classen afdeylen”. Dit is in het algemeen noodig: a. uit

|127|

kracht van de eenheid der kerken in Christus; b. omdat de kerken elkanders hulp noodig hebben voor hare instandhouding, uitbreiding en de zuiverheid in geloof en wandel; c. opdat de vrijheid der gemeente gehandhaafd blijve, en er een waarborg zij tegen de overheersching en willekeur der ambtsdragers; en d. opdat het in de kerk alles toega naar den regel van Gods Woord, en de orde en de tucht in de gemeente gehandhaafd worde.

Om die reden is de regeling der verschillende kerken in het classicaal verband steeds een bijzondere zorg van de kerkelijke vergaderingen geweest. Vrij waren die kerken in het toetreden tot het kerkverband, maar zij mochten niet willekeurig zijn. „Gelijk in iedere plaats geen lidmaat op zich zelf mocht blijven staan, maar ieder zich bij de kerk moest voegen, zoo was het ook met de kerken ten aanzien van het kerkverband. Maar die verplichting was alleen zedelijk: er was geen uitwendige dwang. Het was er mede, gelijk b.v. de Provinciale Geldersche synode nog in 1582 uitsprak: „Het is niet raetsaem noch stigtelijk, dat eenige kerken op sig selven zouden blijven sitten; maar elke kerke behoort sig tot een classis te voegen” 1). En wanneer de kerken eenmaal de eenheid in het kerkverband hebben aanvaard, dan staat het eene kerk ook niet vrij, dat verband te breken, tenzij de kerken, met wie zij in gemeenschap leeft, den grondslag der samenleving, de belijdenis naar Gods Woord, hebben verlaten 2).

Wel hebben de classen zich in gevallen van onderwerping aan het kerkverband niet altijd beperkt tot bloot zedelijken drang. Zij hebben wel eens de hulp van de overheid ingeroepen om een weerstrevende gemeente of een onwilligen dienaar tot de vervulling van hun plicht te brengen, maar ook al moge er soms dwang ten aanzien van plaatselijke kerken geoefend zijn, dan was dat niet een uitvloeisel van het Gereformeerde beginsel van kerkverband, maar alleen als gevolg van de overheidsbemoeiing.

De classisindeeling in ons land is gemaakt ten behoeve van het welzijn en den opbouw der gemeenten. In 1574 werd door de classes Voorne en Putten en Walcheren de vraag ter synode van Dordrecht gebracht, of het niet gewenscht was, te handelen over een nieuwe indeeling in classes, opdat elke gemeente wete, waaronder zij ressorteert. Zoo kwam de synode van Dordrecht tot eene indeeling van Holland en Zeeland in 14 classes. Op de synode van Dordrecht (1578) werd de indeeling met het oog op de gewijzigde toestanden herzien. Zoo ook moest te Middelburg in 1581 opnieuw over deze indeeling gehandeld worden,


1) J. Smetius, Synodale Ordonnantiën, 1736, bl. 68; Rutgers, De Rechtsbevoegdheid onzer plaatselijke kerken, bl. 202.
2) Voetii Pol. Eccl. IV. 168.

|128|

terwijl er op de synode van Den Haag (1586) een definitieve regeling werd getroffen, die in hoofdzaak thans nog voortduurt. Op deze synode is ook bevestigd het artikel over de classicale vergaderingen, dat, op de synode van Middelburg (1581, Art. 30) opgesteld, door de latere synoden is aanvaard, en nog steeds voor de Gereformeerde Kerken in Nederland van kracht is.

 

Het karakter der classicale vergadering is naar de aloude opvatting der Gereformeerden een conventus ecclesiarum, een samenkomst van genabuurde kerken, zooals reeds te Wezel werd uitgesproken, met het doel om de belangen der onderscheidene kerken te behartigen. De wijze, waarop oudtijds eene classis werd gevormd, is verschillend. In sommige gevallen sloten de genabuurde kerken zich aaneen, terwijl ook het classicaal verband door eene synode werd samengevoegd, zooals op de synode van Emden (Art. 10-12) geschiedde. De uitgebreidheid der classen hing van verschillende omstandigheden af. Voor den aard der vergadering maakte het geen verschil, of zij uit een grooter of kleiner aantal kerken bestond, indien het maar genabuurde kerken waren, zoodat de Gereformeerde kerk in die streek zich vertoonde op die vergadering.

De classicale vergaderingen kunnen evenals de synoden wel een kerk genoemd worden 1), zoodat dan ook de gezamenlijke kerken in eene classis of eene provincie de ecclesia van die classis of provincie genoemd worden. De classis blijft dan bestaan, ook als er geen vergadering der classicale kerken is. Maar men spreekt dan niet in eigenlijken zin. De classicale kerken vormen samen wel een eenheid, maar toch niet in corporatieven zin zooals eene plaatselijke kerk. In letterlijken zin zou de kerk op eene classicale vergadering tegenwoordig zijn, wanneer al de leden van alle de kerken ter vergadering waren samengekomen. Dit is evenwel practisch onmogelijk. Zelfs zou het in een eenigszins breed kerkelijk leven niet mogelijk zijn, dat al de ouderlingen der onderscheidene kerken samenkwamen, wijl zulk een vergadering te talrijk zou zijn voor het afdoen van zaken. Juist daarom is aanvaard eene trapsgewijze vertegenwoordiging der kerken door hare afgevaardigden. Leden van eene classicale vergadering zijn dan ook de kerken zelve, die hare vertegenwoordigers zenden met een bepaald omschreven mandaat. Om die reden is het ook noodig, dat de afgevaardigden in het bezit zijn van geloofsbrieven, die zij op de vergadering overhandigen, en op grond waarvan zij zitting hebben. De geloofsbrieven geven bewijs, dat iemand wettig gezonden is, en last heeft ontvangen om namens de zendende kerk te handelen. En volgens het recht der meerdere


1) Synopsis, Disp. XL. th. 33.

|129|

vergadering is elke kerk, wettig vertegenwoordigd op die samenkomst, gehouden de besluiten daar genomen op te volgen en te onderhouden, tenzij het blijkt, dat de genomen besluiten in strijd zijn met Gods Woord en de aangenomen orde der kerken.

Al de kerken behooren op eene classicale vergadering vertegenwoordigd te zijn. Het is wel voorgekomen, dat eene kerk ontbrak, doch dan moest deze kerk van de afwezigheid rekenschap afleggen, en werd zij vermaand voortaan zich niet meer te onttrekken. Ontbraken er kerken, dan kon ook een classicaal besluit voor de ontbrekende kerk geen effect sorteeren, vóór deze kerk hare instemming met het genomen besluit had betuigd.

Zulk een geval heeft zich voorgedaan in betrekking tot Caspar Coolhaes, predikant te Leiden. In 1579 kwam in Leiden een moeilijk geschil inzake de verkiezing van ouderlingen en diakenen. De kerkeraad van Leiden had de magistraat in overweging gegeven, of het niet goed was, drie van de twaalf ouderlingen eene vaste toelage te geven, zoodat zij met meer kracht en tijd de predikanten konden helpen. De magistraat vond dit goed en benoemde drie ouderlingen, die jaarlijks van de magistraat voor hun onderhoud 100 carolusguldens zouden ontvangen. Daarenboven bepaalde de magistraat, dat voortaan uit een dubbelgetal voor ouderlingen en diakenen de eene helft door de magistraat zou worden gekozen, en dat twee uit den raad, openbaar belijdenis van de religie doende, op alle kerkeraadsvergaderingen tegenwoordig zouden zijn, om vanwege de overheid toezicht te houden op de handelingen der vergadering. Coolhaes stond in dezen aan de zijde der overheid, de andere leden van den kerkeraad, namelijk de andere predikant, Pieter Cornelisz. en 23 van de 24 ouderlingen weigerden zich aan de bepaling van de overheid te onderwerpen, en werden deswege afgezet. Na veel moeite werd de kerkrechtelijke zaak te Leiden in der minne geschikt, maar de afwijkende leeringen werden ter beslissing aan de kerkelijke vergaderingen voorgelegd. Op de Nat. Synode van Middelburg ontboden (1581) werden de geschriften van Coolhaes veroordeeld als een ergernis en lastering der kerk. Hij had namelijk afwijkende leeringen omtrent de zaligheid der O.T. geloovigen, en het stuk der verkiezing en verwerping, terwijl hij van oordeel was, dat het aan alle menschen gegeven was, de door Christus aangeboden genade aan te nemen. Om die reden was de synode van oordeel, dat hij behoorde te worden afgezet. Zij hoopte evenwel, dat Coolhaes zich aan de synode en de classis zou onderwerpen. Coolhaes protesteerde, omdat de leden der synode aanklagers en rechters tegelijk waren, en beriep zich op de eerstkomende wettige Nationale Synode, die door den prins zou worden bijeengeroepen. De synode zond nu een copie van de voornaamste handelingen der synode aan den prins

|130|

en aan de Leidsche magistraat, en besloot, dat de onderhandelingen met Coolhaes zouden voortgezet worden door de classes Delft, ’s Gravenhage, Haarlem en Leiden, en indien hij zich niet wilde verbeteren, werd aan de vier omliggende classes, en ten slotte aan de provincie Zuid-Holland opgedragen, om Coolhaes te excommuniceeren, of zooals de Acta 1) zeggen „beuolen te procederen tot excommunicatie gradatim, si perstat in inobedientia”. Herhaaldelijk werd nu van de zijde der kerken beproefd, Coolhaes tot erkentenis van zijn schuld te brengen, en toen hij in het najaar van 1581 op een vergadering in Leiden openlijk voor zijne dwalingen uitkwam, erkenden de Staten van Holland, dat Middelburg’s synode wettig naar Gods Woord met Coolhaes gehandeld had en dat Coolhaes moest geschorst worden. Zoo kwamen dan volgens opdracht der synode van Middelburg de afgevaardigden der classis Delft, ’s Gravenhage, Leiden en Haarlem 2 Jan. 1582 te Haarlem samen. De lastbrief van Leiden hield in, dat, indien men de excommunicatie van Coolhaes wilde doorzetten, de gedeputeerden van Leiden niet zouden medewerken, en omdat de afgevaardigden der drie andere classen oordeelden, dat de excommunicatie van Coolhaes voor de geheele kerk wenschelijk en nuttig was, vertrokken de Leidsche afgevaardigden. De andere afgevaardigden achtten het noodig, dat voortgeschreden werd tot de excommunicatie. Het werd evenwel wenschelijk geoordeeld, dat een provinciale synode voor de eindbeslissing zou samenkomen, en op last van de Staten van Holland kwamen den 13en Maart 1582 te Haarlem twee gedeputeerden uit alle classes van Holland bijeen, behalve uit die van Leiden en Gouda. Toen de synode besloot tot de excommunicatie, konden de afgevaardigden van ’s Gravenhage dat niet toestemmen, aangezien hun credentiebrief dat niet toeliet, en verlieten daarom de vergadering. Den 23sten Maart werd besloten, hem openlijk te excommuniceeren, niet alleen als dienaar des Woords af te zetten, maar ook als lid uit de gemeente uit te sluiten. De letter van het besluit luidt: „Hebben wy dan, in den name ende vreeze des Heeren alhier vergadert synde, na de macht die Christus in synder Kercken gegheven heeft ende na de leere syns heyligen woorts, verclaert ende verclaren mits desen, hoewel met grooter bedroeffenisse, dat Caspar niet can noch behoort (solange hy in syne dwalinghen volherdet) het ampt eens dienaers des woorts in de gemeynte te bedienen, maer veel meer voor eenen verscheurder bekent te worden. Ende dewyle hy tot geene boetveerdicheyt heeft connen gebracht worden, so betuyghen wy dat hy, in der ghemeynschap Christi gheen deel hebbende, wt der ghemeynte ghesloten wordt, ende als een die daer buyten is, voortaen gehouden sal


1) Rutgers, bl. 363.

|131|

worden, tot aan die tydt toe, dat hy hem van harten bekeere; dwelck wy hem wenschen ende waerom wy God willen bidden.” Te Haarlem werd in de kerk door den Amsterdamschen predikant Martinus Lydius de acte van excommunicatie afgelezen op Zondag 25 Maart 1582 1).

De afzetting van Coolhaes werd nu door Leiden niet erkend, wijl deze zaak buiten weten en willen der classis was besloten. Zij vatte hare bezwaren kortelijk aldus samen: 1. dat niemand buiten consent en bewilliging zijner kerk geëxcommuniceerd mag worden, temeer zoo dat geschiedt zonder contentement en believen van zijne wettelijke overheid, zijnde lidmaten der kerken, vereenigd en conjunct met den kerkeraad; 2. dat ook uit kracht van het besluit van de synode van Middelburg geen kerkendienaar buiten consent van zijne classis mag geëxcommuni­ceerd worden. Er kwam nu een langdurige strijd tusschen de classis Leiden en andere Hollandsche classes. Leiden had in 1583 hare bezwaren ingebracht bij de Provinciale Synode van ’s Gravenhage, doch wijl men het daar niet eens kon worden, kwam de zaak van Coolhaes op de Nationale Synode van 1586. Nadat op deze synode èn de predikanten, die aan de Haarlemsche synode hadden medegewerkt, èn ook Coolhaes zich hadden verantwoord, oordeelden de commissarissen van Leicester, dat zij van weerszijden hunne twistschriften moesten staken, en hunne vroegere oneenigheden eindigen; dat Coolhaes weder voor een lidmaat en dienaar des Woords moest gehouden worden, gelijk vóór de twisten, en dat zij elkander tot teeken der verzoening de broederhand moesten reiken. Dit geschiedde. Vooraf echter had men hem gevraagd of hij de geloofsbelijdenis hield overeenkomende met de H. Schriften. Coolhaes was hiertoe bereid, maar kon Art. 16, waar over de verwerping gehandeld wordt, niet aannemen. De synode stelde zich nu tevreden met deze verklaring, dat Coolhaes moest bekennen, „dat alle degenen, die zalig worden, niet door hun eigen verdienste, waardig­heid of heiligheid, maar alleen uit loutere genade Gods, die den goeden wil werkt in de uitverkorenen, zalig en behouden worden. En dat degenen, die verloren gaan, om hun eigen schuld verloren gaan, en dat God geen oorzaak daarvan is.”

Kerkrechtelijk stelde de synode van 1586 dus den kerkeraad van Leiden in het gelijk tegenover de particuliere synode van Haarlem, zoo al niet formeel, dan toch metterdaad. Deze synode had het gemeen accoord der kerken uit het oog verloren. De kerk en de overheid van Leiden waren niet erkend in de excommunicatie van Coolhaes, en er was niet recht in den vorm der christelijke discipline gehandeld.


1) Reitsma en Van Veen, Acta I. 113; H.C. Rogge, Coolhaes I. 227; Rutgers, Acta, 559-587.

|132|

Evenwel was de kerk van Leiden niet zonder schuld, omdat zij wel luisterde naar de overheid van Leiden, maar niet naar de synode van Middelburg, die een bindende opdracht had gegeven. Feitelijk was de kerk van Leiden daardoor een schismatieke kerk geworden. Maar de kerk kon tegen Leiden niet optreden, omdat de overheid dit verhinderde. Tegenwoordig zou een kerkeraad, die niet meewerkte aan de uitvoering van de besluiten der meerdere vergadering, in staat van beschuldiging komen. Een kerk zou, wanneer zij weigerde te komen op een classisvergadering, of wanneer zij weigerde de besluiten uit te voeren, zich zelf onttrekken, of zij werd het voorwerp van vermaning van het kerkverband.